Regeling tot uitvoering de hoofdstukken III en VI van de Wegenverkeerswet 1994 (Regeling voertuigen)
Klasse I rollenremtestbanken zijn voorzien van een analoge aanwijzing, eventueel in combinatie met een digitale aanwijzing.
Klasse II en klasse I/II rollenremtestbanken zijn voorzien van:
- a. een analoge aanwijzing in combinatie met een digitale aanwijzing;
- b. een extrapolatie-inrichting, en
- c. een afdrukinrichting.
Artikel 8.4.54
Rollenremtestbanken voorzien van een extrapolatie-inrichting zijn voorzien van een geïntegreerde manometer voor de ingestuurde druk.
Artikel 8.4.55
De rollenremtestbank is van een zodanige constructie, dat op een veilige manier metingen kunnen worden verricht aan voertuigen waarvoor de rollenremtestbank op grond van het aanwijsbereik bestemd is.
De rollenremtestbank is voorzien van een beveiliging tegen overbelasting die niet in werking mag treden voor remkrachten binnen het aanwijsbereik.
Artikel 8.4.56
Het maximale draagvermogen van de rollen zoals vermeld op de rollenremtestbank mag per wiel en in kilogram uitgedrukt niet kleiner zijn dan een zesde maal de maximale waarde van het aanwijsbereik zoals uitgedrukt in Newton.
De diameter van de rollen mag niet kleiner zijn dan:
- a. 0,15 m voor klasse I rollenremtestbanken;
- b. 0,25 m voor klasse II en klasse I/II rollenremtestbanken.
Tijdens de remtest is de omtreksnelheid van de rollen niet lager dan 2 km/h.
Artikel 8.4.57
De rollenremtestbank is voorzien van een inrichting waarmee overmatige slijtage van de banden wordt voorkomen. Indien deze inrichting instelbaar is, kan instelling niet plaatsvinden zonder verbreking van een verzegeling.
Het oppervlak van de rollen en de instelling van de inrichting, bedoeld in het eerste lid, is zodanig dat in droge toestand de aan het wiel overgedragen remkracht ten minste 0,6 maal de waarde van de kracht kan bereiken die een wiel op zijn ondersteuning uitoefent.
Ten behoeve van de vaststelling dat de rollenremtestbank aan de eis, bedoeld in het tweede lid, voldoet, dient de fabrikant van de rollenremtestbank bij de aanbieding voor een typekeuring door middel van beproevingsresultaten aan te tonen dat aan de betreffende eis wordt voldaan over het gehele aanwijsbereik van de rollenremtestbank.
Indien de inrichting, bedoeld in het eerste lid, instelbaar is, moet het mogelijk zijn de instelling van de desbetreffende inrichting bij een keuring vast te stellen.
A. Aanhangwagens van de voertuigcategorie O
Artikel 8.4.58
De rolweerstand wordt altijd als remkracht gepresenteerd.
Artikel 8.4.59
Op de rollenremtestbank kunnen gelijktijdig voor het linker- en rechterwiel van een gemeten as ten minste de volgende waarden worden vastgesteld:
- a. voorafgaand aan de remtest: de rolweerstand;
- b. tijdens de remtest:
- 1°. de momentele waarde van de remkracht;
- 2°. de fluctuaties in de momentele waarde van de remkracht, relevant voor de beoordeling van het geteste remsysteem;
- c. na correcte uitvoering van de remtest moeten de volgende waarden worden aangegeven:
- 1°. de resulterende meetwaarde;
- 2°. de waarde van het verschil in remkracht inclusief de rolweerstand aan het linker- en rechterwiel, uitgedrukt in een percentage van de hoogste remkracht. Dit verschil moet worden bepaald uit:
- –. de resulterende meetwaarde voor klasse I rollenremtestbanken, en
- –. de niet-geëxtrapoleerde resulterende meetwaarde bij druk PH voor klasse II rollenremtestbanken en voor het tweede aanwijsbereik van klasse I/II rollenremtestbanken.
Artikel 8.4.59a
Indien een rollenremtestbank voorzien is van een presentatie van een berekende maximale remvertraging, moet de berekening van deze waarde gemaakt worden overeenkomstig de formule a = F/M; hierbij is F de berekende extrapolatiewaarde, bedoeld in artikel 8.4.69, en M de maximale massa per as van het voertuig zoals vermeld in het kentekenregister of op het kentekenbewijs, of bij opleggers het maximale gewicht van de assen tezamen zoals vermeld in het kentekenregister of op het kentekenbewijs.
De in het eerste lid bedoelde waarde moet zijn voorzien van het bijschrift 'Berekende statische remvertraging’.
Artikel 8.4.59b
Dynamische effecten moeten op een juiste wijze in de resulterende meetwaarde zijn verwerkt.
Een resulterende meetwaarde mag niet worden gepresenteerd, indien de verkregen meetwaarden zo instabiel zijn dat niet kan worden voldaan aan de eis, bedoeld in artikel 8.4.51.
Een resulterende meetwaarde mag niet eerder worden aangewezen dan na beëindiging van de remtest door:
- a. het in werking treden van de inrichting, bedoeld in artikel 8.4.57, eerste lid, of
- b. een daling van de remkracht tot een waarde beneden 25% van de hoogste gemeten remkracht.
De rollenremtestbank moet zijn voorzien van een signalering die tijdens de remtest aangeeft dat de verkregen meetwaarden voldoende stabiel zijn om na beëindiging van de remtest een resulterende meetwaarde te presenteren.
B. Motorfietsen en motorfietsaanhangwagens
Artikel 8.4.60
De analoge aanwijzing is zodanig van opbouw dat de momentele waarde van een fluctuerende remkracht kan worden geschat en de voor de beoordeling van het onderzochte remsysteem relevante fluctuaties, alsmede het verschil in remkracht aan het linker- en rechterwiel, in de momentele waarde zichtbaar zijn.
Artikel 8.4.61
Indien de rollenremtestbank van een analoge aanwijzing en een digitale aanwijzing is voorzien:
- a. worden de resulterende meetwaarde en het verschil in remkracht aan het linker- en rechterwiel digitaal aangewezen;
- b. worden uitsluitend de momentele remkracht met de daarin optredende fluctuaties analoog aangewezen en moet de analoge aanwijzing voorzien zijn van het opschrift ‘Globale Aanwijzing’.
Artikel 8.4.62
Indien de rollenremtestbank van een analoge aanwijzing is voorzien, bedraagt de onnauwkeurigheid in de resulterende meetwaarde en in het verschil in remkracht aan het linker- en rechterwiel, uitsluitend als gevolg van de beperkte afleesnauwkeurigheid, niet meer dan een vijfde deel van de maximale fout voor statische metingen, geldend voor het betreffende meetresultaat.
Artikel 8.4.63
Een digitale aanwijzing is zodanig dat:
- a. de onnauwkeurigheid in de resulterende meetwaarde en in het verschil in remkracht tussen het linker- en rechterwiel uitsluitend als gevolg van de beperkte afleesnauwkeurigheid niet meer bedraagt dan een vijfde deel van de maximale fout voor statische metingen geldend voor het betreffende meetresultaat;
- b. de afmetingen van de cijfers, alsmede de helderheid en het contrast van de weergave het mogelijk maken dat ook onder minder gunstige omstandigheden de aflezing op gemakkelijke wijze kunnen mogelijk is.
§ 1.2.5. Monsternamesysteem
Artikel 8.4.64
Een gepresenteerde niet-geëxtrapoleerde resulterende meetwaarde moet betrekking hebben op de hoogste waarde van de gemiddelde remkracht over één rotatieperiode, zoals deze tijdens de remtest optreedt.
Indien bij rollenremtestbanken die voorzien zijn van een registratie-inrichting de meting wordt beëindigd voordat de inrichting, bedoeld in artikel 8.4.57, eerste lid, in werking is getreden, wordt deze waarde aangegeven op de registratie, met voor luchtdrukgestuurde remsystemen daarbij de vermelding van de gemiddelde waarde van de ingestuurde druk, bepaald over de rotatieperiode, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 8.4.65
Een niet-geëxtrapoleerde resulterende meetwaarde reageert als volgt op testsignalen:
- a. op de testaansluiting wordt een simulatiesignaal aangeboden met een constante gemiddelde waarde, echter periodiek variërend met een laagste frequentie overeenkomend met één rotatieperiode. De gepresenteerde resulterende meetwaarde moet na deze test gelijk zijn aan de aanwijzing verkregen na een constant simulatiesignaal met dezelfde gemiddelde waarde, met een tolerantie van 2,5%;
- b. op de testaansluiting wordt een simulatiesignaal aangeboden met een veranderende gemiddelde en periodiek variërende waarde met een laagste frequentie overeenkomend met één rotatieperiode. De resulterende meetwaarde:
- 1°. mag slechts worden gepresenteerd, indien de hoogste gemiddelde waarde van het simulatiesignaal over een rotatieperiode binnen 5% overeenkomt met de gemiddelde waarde over de voorafgaande of daarop volgende rotatieperiode, en
- 2°. komt overeen met de aanwijzing verkregen met een constant simulatiesignaal met een gemiddelde gelijk aan de hoogst gemiddelde waarde, bedoeld onder 1°, met een tolerantie van 2,5%.
Artikel 8.4.66
Een rollenremtestbank die is voorzien van een extrapolatie-inrichting moet:
- a. de momentele meetwaarde van de remkracht en de momentele waarde van de ingestuurde druk aanwijzen;
- b. remkrachtwaarden, verkregen met een hogere ingestuurde druk dan de maximum extrapolatiedruk, niet meerekenen in de extrapolatiewaarde.
F. Gehandicaptenvoertuigen en wagens
Artikel 8.4.67
De verhouding van het druktraject waarover meting en extrapolatie plaatsvindt, ten opzichte van het druktraject waarover de meting plaatsvindt, dient te voldoen aan de volgende voorwaarde:
waarbij geldt: PX ≤ PEX
Hierin is:
PEX de maximum extrapolatiedruk;
PX de extrapolatiedruk;
PL de laagste druk van het meettraject dat de basis vormt voor de extrapolatie;
PH de hoogste druk van het meettraject dat de basis vormt voor de extrapolatie.
Een gepresenteerde extrapolatiewaarde die op grond van de voorwaarde, genoemd in het eerste lid, betrekking heeft op een ingestuurde druk, lager dan de maximum extrapolatiedruk, moet duidelijk worden geïdentificeerd door een aangewezen en een afgedrukte waarschuwing dat de gesimuleerde of de werkelijke asbelasting nog kan worden verhoogd.
Artikel 8.4.68
Onregelmatigheden in de remkrachthelling voor waarden van de ingestuurde druk kleiner dan 1 bar, mogen niet leiden tot verschillende extrapolatiewaarden.
Artikel 8.4.69
Een berekende extrapolatiewaarde reageert als volgt op testsignalen:
- a. op de testaansluiting wordt door gelijktijdige aanbieding van een simulatiesignaal voor de ingestuurde druk en een simulatiesignaal voor de remkracht een meetcyclus nagebootst. Beide simulatiesignalen nemen hierbij in afhankelijkheid van elkaar volgens een constante waarde van de remkrachthelling toe, tot een eindwaarde van de ingestuurde druk zoals deze ook in de praktijk bij het bepalen van de remkracht van voertuigen zou kunnen optreden. Het simulatiesignaal voor de remkracht varieert hierbij met een laagste frequentie overeenkomend met een rotatieperiode. Een gepresenteerde extrapolatiewaarde moet binnen 2% gelijk zijn aan de referentiewaarde. De hier bedoelde referentiewaarde is de waarde van de remkracht bij de van toepassing zijnde maximale ingestuurde druk, zoals deze door lineaire extrapolatie kan worden berekend uit de gesimuleerde signalen voor de ingestuurde druk en de remkracht;
- b. op de testaansluiting wordt een meetcyclus gesimuleerd zoals beschreven onder a, doch met simulatie van een remkrachthelling waarvan de waarde verandert met de waarde van de remkracht. Een gepresenteerde extrapolatiewaarde moet binnen 5% overeenkomen met de referentiewaarde. De hier bedoelde referentiewaarde is de waarde van de remkracht bij de van toepassing zijnde maximale ingestuurde druk, zoals deze door lineaire extrapolatie kan worden berekend uit de volgende twee punten van de gesimuleerde kracht/druk-karakteristiek: FL is de gesimuleerde remkracht bij een gesimuleerde ingestuurde druk van 1 bar en FH is de gesimuleerde remkracht bij een gesimuleerde ingestuurde druk 0,2 bar onder de hoogste gesimuleerde ingestuurde druk. De waarde van de gesimuleerde remkracht is gebaseerd op de gemiddelde waarde van de remkrachthelling over een gebied van 0,5 bar aansluitend boven de drukwaarde behorende bij FL en over een gebied van 0,5 bar aansluitend onder de drukwaarde behorende bij FH.
Voor de berekening van de referentiewaarden, bedoeld in het eerste lid, onder a en b, wordt rekening gehouden met de werkelijke relatie tussen een statisch simulatiesignaal en de daaraan gerelateerde aangewezen waarde, waarbij de fluctuaties gesuperponeerd op het simulatiesignaal zijn geëlimineerd.
Artikel 8.4.70
Na beëindiging van de remtest mag naast de berekende extrapolatiewaarde tevens een gemeten waarde voor de remkracht en de bijbehorende ingestuurde druk worden gepresenteerd. Deze gemeten waarden moeten overeenkomen met de voor het extrapolatieproces gebruikte hoogste waarden voor de gemiddelde remkracht per rotatieperiode en de bijbehorende ingestuurde druk, gemiddeld over dezelfde periode. Deze waarde voldoet aan de eisen in paragraaf 7.2.6, met uitzondering van artikel 8.4.65, onderdeel b.
B. Aanhangwagens, verwisselbare gedragen uitrustingsstukken en lastdragers
Artikel 8.4.71
Een klasse II en klasse I/II rollenremtestbank moeten zijn voorzien van een interne of externe afdrukinrichting waarmee ten minste de volgende gegevens worden vastgelegd:
- a. de informatie, bedoeld in artikel 8.3.5, derde lid;
- b. de datum en het tijdstip van de metingen aan het betreffende voertuig;
- c. de ingevoerde informatie van het betreffende voertuig:
- 1°. identificatie bestaande uit het kenteken of de meldcode;
- 2°. maximummassa onderscheidenlijk de maximum af te remmen massa;
- 3°. de maximum extrapolatiedruk PEX per as;
- 4°. de wettelijk vereiste remvertraging;
- d. een getalsmatige of grafische weergave van de relatie tussen:
- 1°. de pedaalkracht en de daarbij behorende remkracht per wiel en per as en het verschil in remkracht tussen het linker- en het rechterwiel in het geval van een remproef voor hydraulische remsystemen;
- 2°. de ingestuurde druk en de daarbij behorende remkracht per wiel en per as en het verschil in remkracht tussen het linker- en het rechterwiel in het geval van een remproef voor pneumatische remsystemen; de relatie wordt minstens weergegeven door de waarden van de druk PL en PH, bedoeld in artikel 8.4.67, gebruikt bij de remtest van het voertuig;
- e. de berekende waarden:
- 1°. de resulterende meetwaarde gesommeerd per as;
- 2°. de berekende statische remvertraging;
- f. de vermelding, bedoeld in artikel 8.4.64, tweede lid;
- g. de waarschuwing, bedoeld in artikel 8.4.67, tweede lid.
Andere informatie dan die bedoeld in het eerste lid, mag slechts worden geregistreerd voor zover deze niet leidt tot misleiding of misvatting.
C. Gehandicaptenvoertuigen
Artikel 8.4.72
Klasse I rollenremtestbanken en klasse I/II rollenremtestbanken, voor wat betreft het klasse I-bereik waarvoor in de 12 maanden voorafgaande aan 1 februari 2004 een certificaat van eerste of herkeuring is afgegeven op basis van de eisen die op het moment van de eerste keuring van kracht waren, moeten blijven voldoen aan die eisen.
Ten aanzien van rollenremtestbanken als bedoeld in het eerste lid, bedraagt in afwijking van de eisen gesteld aan meetnauwkeurigheid de maximale fout, in plus en in min, bij een kracht:
- a. die niet groter is dan 1800 N: 180 N;
- b. die groter is dan 1800 N: 10% van de werkelijke remkracht.
Artikel 8.4.73
Klasse II rollenremtestbanken en klasse I/IIrollenremtestbanken die niet voorzien zijn van hydraulische of pneumatische krachtopnemers waarvoor in de 12 maanden voorafgaande aan 1 februari 2004 een certificaat van eerste of herkeuring is afgegeven op basis van de voorschriften die op het moment van de eerste keuring van kracht waren, mogen tot uiterlijk 36 maanden na de datum van afgifte van het certificaat worden gebruikt bij een algemene periodieke keuring.
Rollenremtestbanken als bedoeld in het eerste lid, moeten uiterlijk na 36 maanden na 1 februari 2004 voldoen aan de eisen in dit hoofdstuk, met uitzondering van de artikelen 8.3.4, vijfde lid, 8.3.5, eerste lid, onderdelen b en g, 8.3.5, tweede lid, 8.3.5, derde lid, 8.3.11, 8.4.56, tweede lid, en 8.4.57, derde lid, met dien verstande dat:
- a. in afwijking van artikel 8.4.57, tweede lid, de aan het wiel overgedragen remkracht ten minste 0,5 maal de waarde van de kracht kan bereiken die een wiel op zijn ondersteuning uitoefent, waarbij het oppervlak van de rollen droog is;
- b. in afwijking van artikel 8.4.62 het aanwijsbereik onderverdeeld moet zijn in ten minste 25 schaaldelen van gelijke waarde, waarbij de totale lengte van de schaalverdeling ten minste 0,15 m moet bedragen. Voor cirkelvormige schaalverdelingen gelden deze waarden voor de lengte van de cirkelboog die het midden van de deelstrepen verbindt. Aflezing van een waarde van 2% van het aanwijsbereik moet eenvoudig zijn. De schaalverdeling moet ten minste op onderlinge gelijke afstanden die niet groter zijn dan 20% van het aanwijsbereik, van cijfers zijn voorzien, en
- c. in afwijking van artikel 8.4.63 het aanwijsbereik onderverdeeld moet zijn in ten minste 100 schaaldelen van gelijke waarde, waarbij de afmetingen van de cijfers alsmede de helderheid en het contrast van de weergave zodanig is, dat aflezing eenvoudig is.
§ 8. Platenremtestbanken
E. Fietsen en fietsaanhangwagens
Artikel 8.4.74
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
- platenremtestbank: meetmiddel waarmee de remwerking van een voertuig kan worden onderzocht door het meten van de remkracht van de wielen van een afremmend voertuig op vlakke, horizontale meetplaten;
- remkracht: horizontaal op de meetplaten van de platenremtestbank werkende kracht, overgedragen aan een daarop rollend wiel als gevolg van het in werking zijn van de reminrichting;
- resulterende meetwaarde: door de platenremtestbank aangewezen waarde die als uiteindelijk resultaat van de remtest wordt gepresenteerd;
- meetperiode: periode dat remkracht aanwezig is.
E. Fietsen en fietsaanhangwagens
Artikel 8.4.75
De platenremtestbank moet een voorziening hebben waarmee op een betrouwbare en veilige wijze door het aanbrengen van een kracht inwerkend op de krachtopnemers een statische remkracht kan worden gesimuleerd.
De platenremtestbank moet zijn voorzien van de volgende controle-inrichtingen:
- a. een testaansluiting;
- b. een inrichting waarmee automatisch voorafgaande aan een meting dan wel handmatig door de gebruiker een remkracht wordt gesimuleerd.
Met de in het tweede lid, onderdeel b, bedoelde inrichting wordt de juiste werking van de platenremtestbank gecontroleerd. Tijdens deze controle moeten alle circuits worden gecontroleerd, die invloed kunnen hebben op de nauwkeurigheid van de aanwijzing. De omzetting van remkracht inclusief de circuits die het primaire meetsignaal genereren, mogen hiervan zijn uitgezonderd.
§ 9. Uitlaatgastesters met lambda-bepaling
F. Gehandicaptenvoertuigen en wagens
Artikel 8.4.77
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
- automatische controle-inrichting: controle-inrichting die functioneert zonder tussenkomst van de gebruiker;
- automatische justeerinrichting: voorziening die de justering van het instrument volgens het programma uitvoert, zonder dat de gebruiker invloed heeft op het starten van deze justering of de grootte ervan;
- controle-inrichting: voorziening, ingebouwd in een instrument, die het mogelijk maakt om significante fouten vast te stellen en daarop te reageren. Onder ‘reageren op’ wordt hier elke duidelijke reactie van het instrument verstaan, zoals een waarschuwingslamp, een geluidssignaal of het afbreken van de meting;
- deeltje: vast deeltje met mobility diameter tussen 23 and 200 nm;
- deeltjesteller: meetmiddel voor het bepalen van het aantal deeltjes per volume (concentratie);
- (elektrische) mobility diameter: diameter van een deeltje indien gemeten in een elektrisch veld (deeltjesgrootte);
- filter: voorziening die bepaalde bestanddelen uit het uitlaatgasmonster verwijdert;
- gasbehandelingssysteem: alle delen van het instrument, van de sonde tot de afvoer van de gasmonsters, waardoor het monster van het uitlaatgas wordt gepompt;
- HEPA filter: voorziening die deeltjes uit de lucht verwijdert (HEPA staat voor High Efficiency Particulate Air);
- interne justeerinrichting: voorziening om het instrument af te regelen op een vastgestelde waarde zonder gebruik te maken van een referentie PN-monster;
- justeerinrichting met referentie PN-monster: voorziening om het instrument af te regelen op de waarde van een referentie PN-monster;
- nulstelinrichting: voorziening om de aanwijzing van het instrument op nul in te stellen;
- opwarmtijd: tijd die verstrijkt tussen het moment dat het instrument onder spanning wordt gebracht en het moment waarop het instrument kan voldoen aan de metrologische eisen;
- PN-monster: gasmengsel bestaande uit deeltjes met bepaalde mobility diameters;
- referentie PN-monster: gasmengsel van voldoende stabiliteit en bekende samenstelling;
- referentie-omstandigheden: gebruiksomstandigheden, voorgeschreven voor het onderzoek naar de prestaties van een instrument, of voor de vergelijking van meetresultaten;
- responsietijd: tijdsinterval tussen het moment waarop het instrument wordt onderworpen aan een voorgeschreven plotselinge verandering in de samenstelling van een PN-monster en het moment dat de aanwijzing binnen voorgeschreven grenzen overeenkomt met de uiteindelijke stabiele waarde;
- semi-automatische justeerinrichting: voorziening die de gebruiker in staat stelt een justering van het instrument te starten zonder daarbij de mogelijkheid te hebben de grootte van de justering te beïnvloeden, ongeacht of de justering automatisch wordt vereist. Bij die instrumenten waarbij de waarden van het referentie PN-monster met de hand in het instrument moeten worden ingevoerd, wordt deze voorziening geacht semi-automatisch te zijn;
- sonde: deel van het gasbehandelingssysteem dat in de uitlaat van een voertuig wordt geschoven voor het nemen van gasmonsters.
Artikel 8.4.78
De handleiding behorende bij de deeltjesteller bevat naast de informatie, bedoeld in artikel 8.3.6, tweede lid:
- a. de tijdsintervallen en procedures voor de justering en het onderhoud die moeten worden gevolgd opdat voortdurend wordt voldaan aan de eisen met betrekking tot de maximale fouten;
- b. een beschrijving van de procedure voor de lektest;
- c. de maximale en minimale opslagtemperatuur;
- d. een opgave van de gebruiksomstandigheden;
- e. indien van toepassing, de specificaties van de batterij.
Artikel 8.4.79
De deeltjesteller is, naast de in artikel 8.3.5, eerste lid, vermelde opschriften, voorzien van een opschrift dat het minimale en het nominale debiet aangeeft.
Artikel 8.4.80
Het aantal deeltjes per volume wordt uitgedrukt als aantal deeltjes per cm3 voor deeltjes met gespecificeerde maten, bijvoorbeeld ‘#/cm3’.
§ 1.2.5. Monsternamesysteem
Artikel 8.4.81
De afleeseenheid mag niet meer bedragen dan 1.000 deeltjes/cm3.
Artikel 8.4.82
Het minimum meetbereik, dat onderverdeeld mag worden, bedraagt 5.000 tot 5.000.000 deeltjes/cm3. Overschrijding van het meetbereik wordt (visueel) aangegeven door het instrument.
Artikel 8.4.83
| Soort fout | Maximale fout * [deeltjes/cm3] |
|---|---|
| Absoluut | 25.000 |
| Relatief | ± 25% van de werkelijke waarde |
- Absoluut of relatief, de grootste van de waarden
Artikel 8.4.84
De maximale fouten, bedoeld in artikel 8.4.83, wordt onder de volgende condities, bij een deeltjesgrootte van 80 nm +/- 5% tenzij anders aangegeven, niet overschreden:
- a. de gebruiksomstandigheden, bedoeld in artikel 8.3.4, vierde lid;
- b. relatieve luchtvochtigheid: tot 95% R.V.;
- c. atmosferische druk: (860 – 1.060) hPa.
De detectie efficiëntie gerelateerd aan de deeltjesgrootte is:
| Detectie efficiëntie | Deeltjesgrootte |
|---|---|
| 20 – 60% | 23 nm +/- 5% |
| 60 – 130% | 50 nm +/- 5% |
| 70 – 130% | 80 nm +/- 5% |
De volgende verstoringen mogen geen invloed hebben die groter is dan de absolute maximale fout of moeten automatisch door het instrument worden gedetecteerd en aangegeven:
- a. de invloeden, bedoeld in artikel 8.3.9;
- b. mechanische schokken, veroorzaakt door een vrije val op elk hoekpunt op een vast oppervlak voor vast opgestelde instrumenten van 50 mm en voor handinstrumenten van 1 m;
- c. vibraties van 10 tot 150 Hz, 1,6 ms-2, 0,05 m2s-3, -3 dB/octaaf.
Bij de meting van deeltjesconcentratie wijst een instrument, met inbegrip van het bijbehorende systeem voor gasbehandeling, bij onderzoek met referentie PN-monsters, binnen 15 seconden 95% van de uiteindelijke waarde aan na verandering van omgevingslucht (responsietijd). Het instrument mag voorzien zijn van een registratie inrichting om deze eis te controleren.
Na de opwarmtijd voldoet het instrument aan de metrologische eisen volgens dit voorschrift. Het instrument voorkomt een aanwijzing van deeltjesconcentratie gedurende de opwarmtijd.
Bij normaal gebruik van het instrument mogen de meetresultaten, na justering met een referentie PN-monster of de interne justeerinrichting, de maximale fouten gedurende ten minste twaalf uur niet overschrijden, zonder dat gedurende deze periode gebruik wordt gemaakt van een referentie PN-monster of interne justering door de gebruiker. Indien het instrument is uitgerust met een methode voor driftcompensatie, zoals een automatische nulstelling of een automatische interne justering, mag de werking van deze justeringen geen aanwijzing veroorzaken die kan leiden tot verwarring met een meting van een externe deeltjesconcentratie.
Indien door dezelfde persoon met hetzelfde instrument binnen relatief korte tijd twintig opeenvolgende metingen aan hetzelfde referentie PN-monster worden uitgevoerd, mag de standaarddeviatie van deze twintig resultaten niet groter zijn dan een derde van de absolute waarde van de maximale fout.
A. Aanhangwagens van de voertuigcategorie O
C. Gehandicaptenvoertuigen
Artikel 8.4.85
Alle onderdelen van het gasbehandelingssysteem zijn vervaardigd van materialen die bestand zijn tegen corrosie; in het bijzonder is het materiaal van de sonde bestand tegen de temperatuur van uitlaatgassen. De gebruikte materialen mogen de samenstelling van het gasmonster niet beïnvloeden.
De sonde is zodanig ontworpen dat deze ten minste 30 cm in de uitlaatpijp van het voertuig kan worden gebracht en dat deze, ongeacht de insteekdiepte, door een bevestiging op zijn plaats wordt gehouden.
Het instrument bevat:
- a. een voorziening die voorkomt dat water in het gasbehandelingssysteem en metende componenten condenseert; of,
- b. een voorziening die een alarm geeft en voorkomt dat een meetresultaat weergegeven wordt.
Indien een referentie PN-monster nodig is vanwege het meet principe, is een simpele voorziening om een monster te verzorgen bij het instrument beschikbaar.
De pomp waarmee het gas wordt aangezogen:
- a. is zodanig gemonteerd dat zijn trillingen de metingen niet beïnvloeden;
- b. kan onafhankelijk van de overige delen van het instrument in- en uitgeschakeld worden, waarbij het echter niet mogelijk mag zijn een meting te doen bij een uitgeschakelde pomp.
Het instrument bevat een inrichting die aangeeft wanneer de gasstroom daalt tot een niveau dat zou veroorzaken dat:
- a. de responsietijd wordt overschreden, of
- b. de invloed op de aanwijzing groter is dan de helft van de absolute waarde van de maximale fout.
Deze inrichting moet voorkomen dat er metingen kunnen worden uitgevoerd wanneer één van deze grenswaarden is bereikt.
Het gasbehandelingssysteem is zodanig luchtdicht dat de invloed op het meetresultaat door verdunning met omgevingslucht niet meer bedraagt dan de helft van de absolute waarde van de maximale fout;
Wanneer een zodanig lek optreedt dat één van deze grenswaarden wordt overschreden, mogen geen metingen worden uitgevoerd.
Een schone lucht test procedure met voldoende nauwkeurigheid (bijvoorbeeld HEPA filter met 99,97% efficiëntie) om dit lek te detecteren is beschreven in de handleiding.
Het instrument bevat een inrichting die minimaal bij eerste gebruik per etmaal een automatische nulstelling of nulstelling-procedure uitvoert. Deze inrichting mag gecombineerd zijn met de schone-lucht-test-procedure in het zevende lid.
Het instrument heeft een registratiefrequentie gelijk aan of groter dan 1 Hz.
De registratietijd bedraagt in totaal minimaal 15 seconden en mag worden opgedeeld in perioden.
Artikel 8.4.86
Het instrument is volgens goed vakmanschap ontworpen om te verzekeren dat deeltjesconcentratie reductie factoren stabiel zijn gedurende een voertuig test.
Het instrument heeft meer dan 95 procent verwijderingseffectiviteit van 30 nm Tetracontaan (C40H82) deeltjes bij een concentratie van 5.000 tot 10.000 per cm3.
C. Samenstellen van motorfiets of bromfiets en motorfietsaanhangwagen en bromfietsaanhangwagen
Artikel 8.4.87
Indien de detectie van verstoringen als bedoeld in artikel 8.4.84, derde lid plaatsvindt met automatische controle-inrichtingen, moet het mogelijk zijn het juiste functioneren hiervan te controleren.
Het instrument is voorzien van een automatische controle-inrichting die zodanig functioneert dat, voordat een meting kan worden aangewezen of afgedrukt, alle interen justeringen, referentie PN-monster justering en alle andere controle-inrichting parameters zijn gewaarborgd voor de juiste waarde of status (dat is binnen de grenswaarden).
D. Samenstellen van fiets en fietsaanhangwagen
Artikel 8.4.88
Voor zover het instrument is voorzien van een voor de gebruiker toegankelijke justering, vindt deze justering plaats door middel van een semi-automatische justeerinrichting.
Indien bij een instrument, uitgevoerd met een automatische of semi-automatische justeerinrichting, justering noodzakelijk is, mag geen meting mogelijk zijn alvorens de juiste justeringen zijn uitgevoerd.
Zowel bij een automatische als een semi-automatische justeerinrichting is een signalering toegestaan voor een noodzaak tot justering.
§ 1.2.9. Toerental- en olietemperatuurmeting
Artikel 8.4.89
Vervallen
§ 10. Bromfietsrollentestbank
§ 1.2. Technische eisen
Artikel 8.4.90
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
- bromfietsrollentestbank: testinrichting voor het vaststellen van de snelheid van een bromfiets;
- resulterende meetwaarden: door de bromfietsrollentestbank aangewezen of afgedrukte waarde die als uiteindelijk resultaat van de test wordt gepresenteerd.
§ 3.1. Algemeen
Artikel 8.4.91
Een bromfietsrollentestbank is voorzien van de volgende controle-inrichtingen:
- a. een testaansluiting;
- b. een inrichting waarmee automatisch voorafgaande aan een meting dan wel handmatig door de gebruiker een snelheid wordt gesimuleerd.
Met de in het eerste lid, onderdeel b, bedoelde inrichting wordt de juiste werking van de bromfietsrollentestbank gecontroleerd. Tijdens deze controle worden alle circuits gecontroleerd die invloed kunnen hebben op de nauwkeurigheid van de aanwijzing.
C. Gehandicaptenvoertuigen
Artikel 8.4.92
De maximale fout voor bromfietsrollentestbanken bedraagt bij een snelheid:
- a. lager dan of gelijk aan 50 km/h: 5 km/h; en
- b. hoger dan 50 km/h: 10%.
Artikel 8.4.93
Een bromfietsrollentestbank simuleert een weerstand die overeenkomt met de wegweerstand.
Artikel 8.4.94
De maximale fout in de meting van de omtreksnelheid van de rollen bedraagt één tiende van de maximale fout, bedoeld in artikel 8.4.92.
Artikel 8.4.95
De maximale fout in de resulterende meetwaarde bedraagt 2,5% van de aangewezen waarde, indien deze uitsluitend veroorzaakt wordt door dynamische effecten in de meetsignalen.
§ 3.2. Technische eisen
Artikel 8.4.96
De bromfietsrollentestbank is voorzien van een digitale aanwijzing.
De bromfietsrollentestbank mag zijn voorzien van:
- a. een analoge aanwijzing in combinatie met een digitale aanwijzing;
- b. een afdrukinrichting.
Artikel 8.4.97
Een bromfietsrollentestbank is van een zodanige constructie, dat op een veilige manier metingen kunnen worden verricht waarvoor de bromfietsrollentestbank op grond van zijn aanwijsbereik is bestemd.
Artikel 8.4.98
Het oppervlak van de rollen is zodanig dat de diameter niet meer dan 0,5% varieert.
E. Wagens
Artikel 8.4.99
De bromfietsrollentestbank stelt ten minste de volgende waarden vast:
- a. tijdens de test de momentele waarde van de snelheid;
- b. na correcte uitvoering van de test de resulterende meetwaarde.
Artikel 8.4.100
Dynamische effecten zijn op een juiste wijze in de resulterende meetwaarde verwerkt.
§ 1.2.4. Temperatuuraspecten
Artikel 8.4.101
De afmetingen van de cijfers, alsmede de helderheid en het contrast van de weergave, van een digitale aanwijsinrichting zijn zodanig dat ook onder minder gunstige omstandigheden de aflezing op gemakkelijke wijze mogelijk is.
§ 4.2. Technische eisen
Artikel 8.4.102
Een gepresenteerde resulterende meetwaarde heeft betrekking op de hoogste waarde van het gemiddelde over minimaal 2 seconden waarbij het voertuig zijn maximale prestatie levert.
§ 4.1. Algemeen
Artikel 8.4.103
Indien een bromfietsrollentestbank is voorzien van een interne of externe afdrukinrichting, worden ten minste de volgende gegevens vastgelegd:
- a. de datum en het tijdstip van de metingen aan het desbetreffende voertuig;
- b. de ingevoerde informatie betreffende de identificatie van het voertuig bestaande uit het kenteken of de meldcode;
- c. de resulterende meetwaarde.
Andere informatie dan die bedoeld in het eerste lid, mag slechts worden geregistreerd voor zover deze niet leidt tot misleiding of misvatting.
§ 1.2.7. Aanwijsinrichting
Artikel 8.4.104
Onverminderd het bepaalde in artikel 8.1.12, tweede lid, onderdeel a, wordt, indien de bromfietsrollentestbank is bedoeld voor installatie in de vloer, een verzegeling aangebracht tussen de bromfietsrollentestbank en zijn fundering.
Artikel 8.4.105
De handleiding behorende bij de bromfietsrollentestbank bevat naast de informatie, bedoeld in artikel 8.3.6, tweede lid:
- a. een korte en overzichtelijke procedure voor het gebruik van de testinrichting bij de uitvoering van de controle van een voertuig, waaronder in elk geval wordt verstaan een stroomschema;
- b. de uit te voeren controles voorafgaande aan of tijdens de metingen;
- c. de betekenis van een controleresultaat;
- d. een beschrijving van eventueel door het instrument gegeven meldingen, en
- e. de informatie benodigd voor een juiste interpretatie van het meetresultaat.
§ 2. Eisen wijziging in de constructie
C. Samenstellen van motorfiets of bromfiets en motorfietsaanhangwagen en bromfietsaanhangwagen
Artikel 8.4.106
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
- geluidsniveaumeter: precisiegeluidsniveaumeter als bedoeld in IEC61672-1:2002 van de Internationale Elektronische Commissie (IEC), die ten minste voldoet aan de daarin ten aanzien van geluidsniveaumeters, klasse 1, gestelde eisen;
- geluidsbron: geluidsbron die ten minste voldoet aan de eisen voor geluidsbronnen, klasse 1, in IEC942:1998 van de Internationale Elektronische Commissie (IEC).
Artikel 8.4.107
De geluidsniveaumeter en de geluidsbron worden jaarlijks getoetst volgens de eisen, bedoeld in artikel 8.4.108.
§ 6.2. Technische eisen
Artikel 8.4.108
De geluidsniveaumeter en de geluidsbron voldoen ten minste aan de eisen in richtlijn 70/157/EEG, ten bewijze waarvan verklaringen aanwezig zijn van een keuringsinstelling als bedoeld in artikel 8.1.10.
Artikel 8.4.109
Vervallen
§ 6. Diversen
Artikel 8.4.110
Het koplamptestapparaat voldoet aan de volgende eisen:
- a. indien de stralenbundel van een dimlicht of mistvoorlicht op de lens van het apparaat wordt geprojecteerd, moet de lens een beeld weergeven dat in verhouding nauwkeurig overeenkomt met het beeld dat door de stralenbundel wordt gevormd op een verticale wand die zich op 10 m van het dimlicht of mistvoorlicht bevindt;
- b. het koplamptestapparaat moet de daling van de lichtbundel weergeven in cm/10 m dan wel in procenten op 10 m. De minimale schaalverdeling moet in mm dan wel 0,1% zijn.
- c. het projectievlak van het apparaat dient zodanig te kunnen worden versteld, dan wel moet het testapparaat het elektronisch aangeven, dat hierop direct de minimale en maximale hoogte-afstelling van de dimlichten en de mistvoorlichten voor iedere beladingstoestand van alle voertuigen kan worden gecontroleerd;
- d. de verstelbaarheid van het apparaat in verticale richting moet ten minste 90 cm bedragen. Hierbij moeten lampen die zich op 30 cm boven het vloeroppervlak bevinden gecontroleerd kunnen worden.
Hoofdstuk 7. Schadevoertuigen
§ 1. Ontheffingen
Artikel 9.1
Onverminderd het bepaalde in artikel 149a, tweede lid, van de wet, kan het ingevolge artikel 149 van de wet bevoegde gezag ontheffing verlenen van het bepaalde in de artikelen 5.1.1, eerste lid, aanhef en onderdeel c, en tweede lid, 5.1.2 en 5.1.3.
§ 2. Onderzoeksgerechtigden
Artikel 9.2
De aanvrager van een ontheffing dient bij zijn aanvraag het voor de ontheffing vastgestelde tarief aan het bevoegd gezag te voldoen op de door het bevoegd gezag vastgestelde wijze.
§ 1. Algemene bepalingen
Artikel 9.3
Het bevoegd gezag vermeldt in de beschikking houdende verlening van de ontheffing ten minste de volgende gegevens:
- a. de artikelen waarvan ontheffing is verleend dan wel een aanduiding daarvan;
- b. de beperkingen waaronder de ontheffing is verleend en de voorschriften die aan de ontheffing zijn verbonden;
- c. de datum van afgifte;
- d. de geldigheidsduur, en
- e. het bevoegd gezag.
§ 2. Onderzoeksgerechtigden
Artikel 9.4
Het bevoegd gezag kan tarieven vaststellen voor het behandelen van aanvragen tot ontheffing.
Het bevoegd gezag kan bij de vaststelling van de tarieven bepalen dat in geval van weigering of buiten behandeling laten van een aanvraag een deel van het voldane tarief wordt terugbetaald aan de aanvrager.
Hoofdstuk 10. Strafbepalingen
Artikel 10.1
Overtreding van de artikelen 5.1.1, eerste en tweede lid, 5.1.2, en 5.1.3 is een strafbaar feit.
Artikel 10.2
Bij veroordeling van de bestuurder van een motorvoertuig wegens overtreding van artikel 5.1.1, eerste of tweede lid, of artikel 5.1.2 kan hem de bevoegdheid tot het besturen van motorvoertuigen voor ten hoogste twee jaren worden ontzegd.
Hoofdstuk 11. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 11.1
Vervallen
Artikel 11.2
Vervallen
Artikel 11.3
Vervallen
Artikel 11.4
Vervallen
Artikel 11.5
Vervallen
Artikel 11.6
Vervallen
Artikel 11.7
Voertuigen van de voertuigcategorie N die vóór 29 april 2009 zijn goedgekeurd en geregistreerd als kampeerwagen, ambulance of lijkwagen in een andere lidstaat van de Europese Unie en waarvoor na 28 april 2009 een kentekenbewijs wordt aangevraagd, dan wel waarvoor na 31 december 2013 inschrijving of tenaamstelling wordt gevraagd, blijven tot deze voertuigcategorie behoren, mits de inrichting dan wel de typecarrosserie niet is gewijzigd.
Artikel 11.8
Voor middenasaanhangwagens waarvoor vóór 29 april 2009 een nog niet tenaamgesteld kentekenbewijs is afgegeven, wordt onder de wielbasis verstaan de horizontaal, evenwijdig aan het middenlangsvlak van het voertuig gemeten afstand tussen het hart van de eerste en het hart van de laatste as van het voertuig.
Voor middenasaanhangwagens in gebruik genomen na 28 april 2009, die zijn toegelaten op grond van een nationale typegoedkeuring die is afgegeven vóór 29 april 2009, is de wielbasis de horizontaal evenwijdig aan het middenlangsvlak van het voertuig gemeten afstand tussen het hart van de eerste en het hart van de laatste as van het voertuig.
Artikel 11.9
Na 31 december 2020 worden geen voertuigen gewijzigd in een motorrijtuig met beperkte snelheid.
Artikel 11.10
Vervallen
Artikel 11.11
Indien de kentekencard dan wel het kentekenbewijs of het kentekenregister met betrekking tot een voertuig geen gegeven bevat als bedoeld in artikel 5.2.7, eerste of tweede lid, artikel 5.2.23, artikel 5.3.23, of artikel 5.4.21, blijft toepassing van het betrokken artikel of artikellid voor wat betreft het in dat artikel of artikellid geregelde aspect ten aanzien van het betrokken voertuig achterwege.
Indien het kentekenbewijs of het kentekenregister met betrekking tot een bedrijfsauto geen gegeven bevat als bedoeld in artikel 5.3.7, eerste lid, worden voor de toepassing van dat artikellid als ‘toegestane maximum aslasten’ aangemerkt de som van de voor het betrokken voertuig op het kentekenbewijs vermelde ‘maximum last onder de vooras(sen tezamen)’ en de ‘maximum last onder de achteras(sen tezamen)’.
Indien de kentekencard dan wel het kentekenbewijs of het kentekenregister met betrekking tot een bedrijfsauto geen gegeven bevat als bedoeld in artikel 5.3.7, tweede lid, wordt voor de toepassing van dat artikellid als ‘toegestane maximummassa’ aangemerkt de som van de voor het betrokken voertuig op de kentekencard dan wel het kentekenbewijs vermelde ‘massa ledig voertuig’ en het ‘laadvermogen’, dan wel de op de kentekencard dan wel het kentekenbewijs vermelde ‘maximummassa beladen voertuig’.
Indien het kentekenbewijs of het kentekenregister met betrekking tot een aanhangwagen geen gegeven bevat als bedoeld in artikel 5.12.7, eerste lid, worden voor de toepassing van dat artikellid als ‘toegestane maximum aslasten’ aangemerkt de som van de voor het betrokken voertuig op het kentekenbewijs vermelde ‘maximum druk onder de vooras(sen tezamen)’ en de ‘maximum druk onder de achteras(sen tezamen)’.
Indien de kentekencard dan wel het kentekenbewijs of het kentekenregister met betrekking tot een aanhangwagen geen gegeven bevat als bedoeld in artikel 5.12.7, tweede lid, wordt voor de toepassing van dat artikellid als ‘toegestane maximummassa’ aangemerkt de som van het voor het betrokken voertuig op de kentekencard of het kentekenbewijs vermelde ‘ledig gewicht’ en het ‘laadvermogen’, dan wel het op de kentekencard of het kentekenbewijs vermelde ‘maximum totaalgewicht’.
Artikel 11.12
Ontheffingen die door het bevoegde gezag zijn verleend voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze regeling, blijven geldig voor de geldigheidsduur van de desbetreffende ontheffing.
Artikel 11.13
De volgende regelingen worden ingetrokken:
- a. Erkenningsregeling APK;
- b. Erkenningsregeling snelheidsbegrenzers;
- c. Kleine serie-regeling;
- d. LPG-Erkenningsregeling;
- e. Regeling aanvraag en toezicht typegoedkeuring voertuigonderdelen en technische eenheden;
- f. Regeling aanvraag en toezicht typegoedkeuring;
- g. Regeling deugdelijkheid en weggedrag;
- h. Regeling eisen individuele goedkeuring;
- i. Regeling gelijkwaardige snelheidsbegrenzers;
- j. Regeling meetmethoden massa’s en afmetingen van bedrijfsauto’s en aanhangwagens;
- k. Regeling permanente eisen;
- l. Regeling permanente eisen bussen;
- m. Regeling permanente eisen taxi’s;
- n. Regeling restantvoorraden voertuigen;
- o. Regeling T100-bussen;
- p. Regeling toelatingseisen;
- q. Regeling toelatingseisen voertuigonderdelen;
- r. Regeling tot wijziging van de Regeling wijziging constructie in verband met de uitvoering van richtlijn nr. 2002/85/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 5 november 2002 (PbEG L 327) tot wijziging van Richtlijn 92/6/EEG van de Raad betreffende de installatie en het gebruik in de Gemeenschap van snelheidsbegrenzers in bepaalde categorieën motorvoertuigen (Stcrt. 2004, 238);
- s. Regeling tot wijziging van enkele regelingen op het gebied van de Voertuigreglementering in verband met de invoering van een kentekenregistratiesysteem voor bromfietsen en de introductie van een nieuw type bromfietsrollentestbank (Stcrt. 2005, 161);
- t. Regeling uitzondering keuringsplicht;
- u. Regeling vaststelling datum eerste toelating van voertuigen;
- v. Regeling vaststelling keuringsrapport;
- w. Regeling vaststelling regels voor de keuring van auto’s;
- x. Regeling vaststelling regels voor de keuring van bussen;
- y. Regeling voertuigen met een speciaal gebruiksdoel;
- z. Regeling wijze van keuren APK;
- aa. Regeling wijze van keuren niet-periodiek-keuringsplichtige voertuigen;
- ab. Regeling wijziging constructie;
- ac. Regeling zitplaatsverdeling bussen en auto’s;
- ad. Voorschriften meetmiddelen 1997;
- ae. Wijziging Regeling aanvraag en toezicht typegoedkeuring in verband met de implementatie van richtlijn 2002/24/EG (Stcrt. 2003, 197);
- af. Wijziging Regeling vaststelling keuringsrapport in verband met de vaststelling van een nieuw model (Stcrt. 2004, 99);
- ag. Wijziging van 1 juni 2005, nr. HDJZ/AWW/2005-1247, Hoofddirectie Juridische Zaken, van diverse ministeriële regelingen in verband met de harmonisatie van het model ‘RDW erkend bedrijf’ (Stcrt. 2005, 108);
- ah. Regeling tot wijziging van de Voorschriften meetmiddelen 1997 in verband met de aanpassing van de eisen ten aanzien van de registratie-inrichting van roetmeters en tot wijziging van de Regeling toelatingseisen voertuigonderdelen in verband met het vervallen van de toelatingseisen ten aanzien van achterlichten voor fietsen (Stcrt. 2008, 238).
Artikel 11.14
De volgende bekendmakingen worden ingetrokken:
- a. Bekendmaking EG-richtlijnen en ECE-reglementen Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 30 november 1994, nr. RV187208 (Stcrt. 1994, 247);
- b. Bekendmaking voornemen tot vaststelling van eisen aan roetmeters en toerentellers in het kader van de dieselrookmeting van motorvoertuigen van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 13 augustus 1996, nr. HW/RV 222476 (Stcrt. 1996, 157);
- c. Bekendmaking voornemen tot vaststelling van eisen aan uitlaatgastesters en toerentellers in het kader van de meting van de lambdawaarde en het CO-gehalte van motorrijtuigen van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 30 september 1996, nr. HW/RV225448 (Stcr. 1996. 189);
- d. Bekendmaking EG-richtlijnen en ECE-reglementen Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 9 februari 1999, nr. CDJZ/WJZ/1279-98 (Stcrt. 1999, 43);
- e. Implementatie richtlijnen motorvoertuigen van de Minister van Verkeer en Waterstaat (Stcrt. 2000, 40);
- f. Bekendmaking EG-richtlijnen en ECE-reglementen van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 16 maart 2000, nr. CDJZ/WBI/1999-1948 (Stcrt. 2000, 66);
- g. Bekendmaking EG-richtlijnen en ECE-reglementen Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 4 december 2000, nr. CDJZ/WBI/2000-1456 (Stcrt. 2000, 243);
- h. Bekendmaking EG-richtlijnen Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 30 mei 2001, nr. CDJZ/WBI/2001-687 (Stcrt. 2001, 110);
- i. Bekendmaking EG-richtlijnen Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 21 mei 2002, nr. HDJZ/AWW/2002-1243 (Stcrt. 2002, 101);
- j. Bekendmaking EG-richtlijnen Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 27 augustus 2002, nr. HDJZ/AWW/2002-2073 (Stcrt. 2002, 170);
- k. Implementatie van richtlijn 2002/78/EG door bekendmaking EG-richtlijn Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 3 december 2002, nr. HDJZ/AWW/2002-3012 (Stcrt. 2002, 238);
- l. Bekendmaking EG-richtlijn Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 18 september 2003, nr. HDJZ/AWW/2003-1454 (Stcrt. 2003, 189);
- m. Bekendmaking EG-richtlijn Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 26 november 2003, nr. HDJZ/AWW/2003-2614 (Stcrt. 2003, 233);
- n. Bekendmaking EG-richtlijnen Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 11 december 2003, nr. HDJZ/AWW/2003-2645 (Stcrt. 2003, 245);
- o. Bekendmaking EG-richtlijn Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat 14 juli 2004, nr. HDJZ/AWW/2004-1724 (Stcrt. 2004, 138);
- p. Bekendmaking EG-richtlijn Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 30 augustus 2004, nr. HDJZ/AWW/2004-2007 (Stcrt. 2004, 170);
- q. Bekendmaking EG-richtlijnen Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 31 mei 2005, nr. HDJZ/AWW/2005-1250 (Stcrt. 2005, 103);
- r. Bekendmaking EG-richtlijnen Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 11 november 2005, nr. HDJZ/AWW/2005-2201 (Stcrt. 2005, 223);
- s. Bekendmaking EG-richtlijnen Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 13 december 2005, nr. HDJZ/AWW/2005-2363 (Stcrt. 2005, 247, p. 34);
- t. Bekendmaking EG-richtlijnen Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 13 december 2005, nr. HDJZ/AWW/2005-2383 (Stcrt. 2005, 247, p. 63);
- u. Bekendmaking EG-richtlijnen Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 14 februari 2006, nr. HDJZ/AWW/2006-135 (Stcrt. 2006, 33);
- v. Bekendmaking EG-richtlijnen Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 27 april 2006, nr. HDJZ/AWW/2006-477 (Stcrt. 2006, 87);
- w. Bekendmaking EG-richtlijnen Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 28 april 2006, nr. HDJZ/AWW/2006-599 (Stcrt. 2006, 90);
- x. Bekendmaking EG-richtlijnen Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 31 mei 2006, nr. HDJZ/AWW/2006-760 (Stcrt. 2006, 110);
- y. Bekendmaking EG-richtlijnen Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 7 augustus 2006, nr. HDJZ/AWW/2006-1228 (Stcrt. 2006, 164);
- z. Bekendmaking EG-richtlijnen Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 20 oktober 2006, nr. HDJZ/AWW/2006-1545 (Stcrt. 2006, 209);
- aa. Bekendmaking EG-richtlijn Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 7 november 2006, nr. HDJZ/AWW/2006-1542 (Stcrt. 2006, 223);
- ab. Bekendmaking EG-richtlijn Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 14 november 2006, nr. HDJZ/AWW/2006-1441 (Stcrt. 2006, 229);
- ac. Bekendmaking EG-richtlijn Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 9 januari 2007, nr. HDJZ/AWW/2006-1602 (Stcrt. 2007, 9);
- ad. Bekendmaking EG-richtlijnen Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 2 mei 2007 nr. HDJZ/AWW/2007-479 (Stcrt. 2007, 90);
- ae. Bekendmaking EG-richtlijn Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 8 mei 2007, nr. HDJZ/AWW/2007-605 (Stcrt. 2007, 92);
- af. Bekendmaking EG-richtlijn Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 28 juni 2007, nr. HDJZ/AWW/2007-837 (Stcrt. 2007, 127);
- ag. Bekendmaking EG-richtlijn Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 27 augustus 2007, nr. HDJZ/AWW/2007-1015 (Stcrt. 2007, 170);
- ah. Bekendmaking EG-richtlijnen Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 11 december 2007, nr. CEND-HDJZ-2007/1617 (Stcrt. 2007, 243);
- ai. Bekendmaking terinzakelegging vertaling ECE-reglement-104 van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 10 juli 2008, nr. CEND-HDJZ-2008/935 sector AWW (Stcrt. 2008, 137);
- aj. Bekendmaking EG-richtlijn Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 30 september 2008, nr. CEND/HDJZ-2008/1293 sector AWW (Stcrt. 2008, 194).
Artikel 11.15
Deze regeling treedt in werking op het tijdstip waarop het Besluit voertuigen in werking treedt.
Artikel 11.16
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling voertuigen.
Bijlage I. , behorende bij artikel 2.1, derde lid
Wijze van vaststelling, toekenning en inslag van het voertuigidentificatienummer
Hoofdstuk 1. Vaststelling en toekenning van het voertuigidentificatienummer
§ 1. Algemeen
Artikel 1. Begripsbepalingen
In deze bijlage wordt verstaan onder:
Hoofdstuk 1. Vaststelling en toekenning van het voertuigidentificatienummer
§ 1. Algemeen
Indien de vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt in het kader van de aanvraag van een nog niet tenaamgesteld kentekenbewijs zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat beschikt over de bevoegdheid, bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel b, van het Kentekenreglement, wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld op basis van door de aanvrager verstrekte gegevens.
Artikel 3. Vaststelling van het voertuigidentificatienummer met afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig
Indien vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt in het kader van de aanvraag van een kentekenbewijs met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, voor een individuele goedkeuring, danwel voor een ander onderzoek, wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 8.
Artikel 2. Vaststelling van het voertuigidentificatienummer zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig
Artikel 5. Nader onderzoek
Indien er twijfel bestaat over de juistheid van het voertuigidentificatienummer, het originele ingeslagen voertuigidentificatienummer ontbreekt, teniet is gegaan of geheel of ten dele onleesbaar is geworden, kan de Dienst Wegverkeer een nader onderzoek instellen.
§ 3. Samengestelde voertuigen
Artikel 4. Identificatie
Artikel 5. Nader onderzoek
Artikel 8. Samengestelde voertuigen voorzien van een frame en een aandrijflijn
§ 3. Samengestelde voertuigen
Artikel 6. Samengestelde voertuigen voorzien van een volledig dragend of semi-dragend chassis, een carrosserie en een aandrijflijn
Artikel 7. Samengestelde voertuigen met een volledig zelfdragende carrosserie en een aandrijflijn
Indien het voertuigidentificatienummer niet is vast te stellen als bedoeld in hoofdstuk 1 van deze bijlage, wordt geen voertuigidentificatienummer ingeslagen.
Bijlage II. , behorende bij artikel 2.2, tweede lid
Artikel 9. Wijze van inslag
Artikel 10. Geen inslag van het voertuigidentificatienummer
Artikel 1. Begripsbepalingen
§ 2. Voertuigen
Wijze van bepalen datum eerste toelating
Indien de vaststelling van de datum van eerste toelating geschiedt in het kader van de aanvraag van een nog niet tenaamgesteld kentekenbewijs zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat beschikt over de bevoegdheid, bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel b, van het Kentekenreglement, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld aan de hand van het op basis van bijlage I vastgestelde voertuigidentificatienummer waarbij de datum van eerste toelating wordt gesteld op de datum van eerste afgifte van het kentekenbewijs.
Wijze van vaststelling, toekenning en inslag van het voertuigidentificatienummer
Indien de vaststelling van de datum van eerste toelating geschiedt in het kader van de aanvraag van een kentekenbewijs met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld aan de hand van het in bijlage I vastgestelde voertuigidentificatienummer en overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 10 van deze bijlage.
§ 1. Algemeen
Wijze van vaststelling, toekenning en inslag van het voertuigidentificatienummer
Hoofdstuk 1. Vaststelling en toekenning van het voertuigidentificatienummer
Indien de vaststelling van de datum van eerste toelating geschiedt in het kader van de aanvraag van een kentekenbewijs met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld aan de hand van het in bijlage I vastgestelde voertuigidentificatienummer en overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 10 van deze bijlage.
Artikel 1. Begripsbepalingen
Artikel 5. Documenten indien het voertuig eerder is geregistreerd in het buitenland
Indien de vastgestelde datum van eerste toelating na de datum van het onderzoek van het voertuig ligt, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld op de datum van het onderzoek.
Artikel 2. Vaststelling van het voertuigidentificatienummer zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig
Indien de vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt in het kader van de aanvraag van een nog niet tenaamgesteld kentekenbewijs zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat beschikt over de bevoegdheid, bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel b, van het Kentekenreglement, wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld op basis van door de aanvrager verstrekte gegevens.
Artikel 3. Vaststelling van het voertuigidentificatienummer met afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig
Artikel 11. Onjuiste datum eerste toelating
Indien na vaststelling van de datum eerste toelating blijkt dat deze datum onjuist is, wordt de datum eerste toelating opnieuw vastgesteld overeenkomstig deze bijlage.
Bijlage IIIa. , behorende bij artikel 3.2, derde lid
Artikel 7. Samengestelde voertuigen met een volledig zelfdragende carrosserie en een aandrijflijn
§ 3. Samengestelde voertuigen
Bijlage IIIb. , behorende bij artikel 3.3, tweede lid
Hoofdstuk 1. Vaststelling en toekenning van het voertuigidentificatienummer
§ 1. Algemeen
Bijlage IIIc. , behorende bij artikel 3.4, tweede lid
Artikel 9. Wijze van inslag
§ 2. Voertuigen
Bijlage IV. , behorende bij artikel 3.7
Artikel 1. Begripsbepalingen
Artikel 3. Vaststelling van het voertuigidentificatienummer met afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig
§ 1. Algemeen
Artikel 4. Identificatie
Artikel 5. Nader onderzoek
Indien er twijfel bestaat over de juistheid van het voertuigidentificatienummer, het originele ingeslagen voertuigidentificatienummer ontbreekt, teniet is gegaan of geheel of ten dele onleesbaar is geworden, kan de Dienst Wegverkeer een nader onderzoek instellen.
§ 3. Samengestelde voertuigen
Artikel 6. Samengestelde voertuigen voorzien van een volledig dragend of semi-dragend chassis, een carrosserie en een aandrijflijn
Artikel 7. Samengestelde voertuigen met een volledig zelfdragende carrosserie en een aandrijflijn
Artikel 8. Samengestelde voertuigen voorzien van een frame en een aandrijflijn
Zelfbalancerende bromfietsen moeten voor het verkrijgen van een individuele goedkeuring voor toelating tot het verkeer op de weg voldoen aan de eisen opgenomen in annex 2 van deze bijlage.
Artikel 9. Wijze van inslag
Indien een voertuig reeds eerder in Nederland is geregistreerd, wordt, in afwijking van de voorgaande artikelen, de datum van eerste toelating vastgesteld op de datum van eerste toelating welke blijkt uit het kentekenregister of het eerder afgegeven kentekenbewijs.
Artikel 7. Datum van eerste toelating blijkt niet uit documenten
Indien een voertuig in gebruik is genomen en niet eerder is geregistreerd, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld,overeenkomstig het bepaalde in artikel 7.
Wijze van bepalen datum eerste toelating
§ 1. Algemeen
Wijze van vaststelling, toekenning en inslag van het voertuigidentificatienummer
Hoofdstuk 1. Vaststelling en toekenning van het voertuigidentificatienummer
Wijze van vaststelling, toekenning en inslag van het voertuigidentificatienummer
Hoofdstuk 1. Vaststelling en toekenning van het voertuigidentificatienummer
In deze bijlage wordt verstaan onder:
Artikel 1. Begripsbepalingen
Artikel 2. Vaststelling van het voertuigidentificatienummer zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig
§ 2. Voertuigen
Artikel 2. Vaststelling van het voertuigidentificatienummer zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig
Artikel 1
Artikel 3. Vaststelling van het voertuigidentificatienummer met afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig
Artikel 5. Nader onderzoek
Wijze van vaststelling, toekenning en inslag van het voertuigidentificatienummer
Hoofdstuk 1. Vaststelling en toekenning van het voertuigidentificatienummer
§ 1. Algemeen
Artikel 1. Begripsbepalingen
§ 2. Voertuigen
§ 2. Voertuigen
Artikel 2. Vaststelling voertuigidentificatienummer zonder afzonderlijk onderzoek voertuig
Artikel 3. Vaststelling voertuigidentificatienummer met afzonderlijk onderzoek voertuig
Artikel 3. Vaststelling voertuigidentificatienummer met afzonderlijk onderzoek voertuig
Indien vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt in het kader van de aanvraag van een inschrijving, dan wel inschrijving en tenaamstelling, met gebruikmaking van de bevoegdheid bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel a, met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, voor een individuele goedkeuring, dan wel voor een ander onderzoek, wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 10.
Artikel 4. Toegekende en vastgestelde voertuigidentificatienummer
Artikel 5. Identificatie
Indien er twijfel bestaat over de juistheid van het voertuigidentificatienummer, het originele ingeslagen voertuigidentificatienummer ontbreekt, teniet is gegaan of geheel of ten dele onleesbaar is geworden, kan de Dienst Wegverkeer een nader onderzoek instellen.
Artikel 6. Nader onderzoek
§ 3. Samengestelde voertuigen
§ 3. Samengestelde voertuigen
VN/ECE-reglement 100: reglement nr. 100 van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties (VN/ECE) inzake uniforme voorschriften voor de goedkeuring van elektrische voertuigen wat de specifieke voorschriften inzake constructie, functionele veiligheid en emissie van waterstof betreft.2Te raadplegen via United Nations Economic Commission for Europe/Transport/Vehicle Regulations/Agreements Regulations and Rules/UNECE Regulation (www.unece.org/trans/main/wp29/wp29regs.html).
Artikel 8. Samengestelde voertuigen met een volledig zelfdragende carrosserie en een aandrijflijn
Artikel 9. Samengestelde voertuigen voorzien van een frame en een aandrijflijn
Het voertuigidentificatienummer van een samengesteld voertuig voorzien van een frame, wordt bepaald door het frame.
Artikel 10. Samengestelde aanhangwagen voorzien van een chassis of chassis en een carrosserie
Hoofdstuk 2. Inslag voertuigidentificatienummer
Hoofdstuk 2. Inslag van het voertuigidentificatienummer
Wijze van vaststelling, toekenning en inslag van het voertuigidentificatienummer
Hoofdstuk 1. Vaststelling en toekenning van het voertuigidentificatienummer
Indien het voertuigidentificatienummer niet is vast te stellen op de wijze, bedoeld in hoofdstuk 1, wordt geen voertuigidentificatienummer aangebracht.
Artikel 1. Begripsbepalingen
Wijze van bepalen datum eerste toelating
§ 2. Voertuigen
Artikel 2. Vaststelling voertuigidentificatienummer zonder afzonderlijk onderzoek voertuig
Indien de vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat gebruik maakt van de bevoegdheid, bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel a, van het Kentekenreglement, wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld op basis van door de aanvrager verstrekte gegevens.
Artikel 3. Vaststelling voertuigidentificatienummer met afzonderlijk onderzoek voertuig
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)