§ 2. Ophanging personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen, landbouw- of bosbouwtrekkers, motorrijtuigen met beperkte snelheid en mobiele machines
Afdeling 3. Algemene eisen gesteld aan meetmiddelen
§ 2a. Sneeuwkettingen
§ 2. Algemene eisen gesteld aan elektronische meetmiddelen
§ 3. Algemene eisen gesteld aan hulpinrichtingen
Afdeling 4. Specifieke eisen gesteld aan meetmiddelen
§ 1. Roetmeters
§ 1. Algemeen
§ 8. Platenremtestbanken
§ 1.2.7. Aanwijsinrichting
§ 2. Toerentellers
§ 6. Remvertragingsmeters
§ 7.2.2.1. De maximale fout bij statische meting
Hoofdstuk 9. Ontheffingen
§ 6. Remvertragingsmeters
§ 6. Remvertragingsmeters
Hoofdstuk 10. Strafbepalingen
Hoofdstuk 11. Overgangs- en slotbepalingen
Bijlage IIIb. , behorende bij artikel 3.3, tweede lid
Vervallen
Bijlage IIId. , behorende bij artikel 3.11
Vervallen
Bijlage VII. behorende bij de artikelen 3.26, derde lid, en 3.27, eerste lid
Vervallen
Bijlage XI. behorende bij artikel 6.6
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
Afdeling 1a. Aanvulling grondslagen
Artikel 1.1a
Deze regeling berust mede op de artikelen 20f, tweede lid, 21, tweede lid, onderdeel b, derde lid, onderdeel b, vierde lid, onderdeel b, en vijfde lid, 23, eerste lid, 27, tweede lid, 29, 31, 51a, derde lid, 60, tweede lid, 71, tweede lid, en 94, eerste lid, van de wet.
Afdeling 2. Besluiten van volkenrechtelijke organisaties of van één of meer instellingen van de Europese Unie
§ 1. Eisen voor de aanwijzing
Artikel 3.1.3a
1.De Dienst Wegverkeer kan voertuigen van voertuigcategorieën M, N en O die niet aan de in artikel 3.1.2, eerste of tweede lid, of 3.1.3 bedoelde goedkeuringseisen wat betreft afmetingen en massa’s kunnen voldoen, hiervan vrijstelling verlenen en voor deze voertuigen een nationale individuele goedkeuring verlenen.
2.Deze nationale individuele goedkeuring wordt verleend voor zover wordt voldaan aan de in verband daarmee door de Dienst Wegverkeer vastgestelde alternatieve voorschriften.
3.In het goedkeuringscertificaat voor het voertuig wordt beschreven voor welke goedkeuringseisen een vrijstelling is verleend en wordt vermeld dat om die reden het rijden met het voertuig alleen is toegestaan indien een ontheffing als bedoeld in artikel 149 of 149a van de wet aanwezig is.
Afdeling 2. Nationale goedkeuringen personenauto’s, bedrijfsauto’s en bussen met een maximumconstructiesnelheid van ten hoogste 25 km/h
Artikel 3.2.1
1.Voertuigen met een maximumconstructiesnelheid van ten hoogste 25 km/h die bij een maximumconstructiesnelheid van meer dan 25 km/h voertuigen van voertuigcategorieën M en N zouden zijn, met een datum van eerste toelating op of na 1 januari 2021 voldoen voor het verkrijgen van een nationale individuele goedkeuring aan:
- a. de voor de overeenkomstige voertuigcategorie M respectievelijk N vastgestelde eisen in bijlage II, deel I, van verordening (EU) 2018/858 omtrent:
- 2°. voorzieningen voor indirect zicht;
- 4°. elektromagnetische compatibiliteit;
- 8°. installatie van lichtsignaal-, wegverlichtings- en retroflecterende inrichtingen;
- 9°. voorgeschreven plaat en voertuigidentificatienummer;
- 11°. emissie van verontreinigende stoffen;
- 12°. veiligheid van vloeibaar petroleumgas;
- 13°. veiligheid van gecomprimeerd en vloeibaar aardgas;
- 14°. veiligheid van waterstof;
- 15°. elektrische veiligheid tijdens gebruik;
- 16°. montage van banden en bandenveiligheid;
- 17°. remsysteem, met uitzondering van de eisen omtrent ABS;
- 18°. ruimte voor de kentekenplaat;
- 19°. achteruitrijbeweging;
- 20°. mechanische koppelingen; en
- 21°. ontvlambaarheid in bussen;
- b. de voor de voertuigcategorie T vastgestelde en op de voertuigcategorieën M en N toe te passen eisen in bijlage I van verordening (EU) 167/2013 omtrent voorwaarts zicht en zitplaatsen voor meerijders; en
- c. de in hoofdstuk 5 voor de desbetreffende voertuigsoort vastgestelde permanente eisen.
2.Het eerste lid, aanhef en onderdelen a en c, is van overeenkomstige toepassing op de nationale individuele goedkeuring van voertuigen van voertuigcategorie O ingericht voor het vervoer van personen met een maximumconstructiesnelheid van ten hoogste 25 km/h. Die voertuigen zijn:
- a. van het carrosserietype autonome aanhangwagen;
- 2°. meerdere passagiersdekken; of
- 3°. meer dan 25 zitplaatsen; en
- 1°. een vloer waarvan de hoogte niet hoger ligt dan 75 cm boven het wegdek;
- 2°. een communicatie-inrichting om te kunnen communiceren met de bestuurder indien het een gesloten ruimte betreft;
- 3°. een plaat of duidelijk opschrift hoeveel personen vervoerd mogen worden;
- 4°. minimaal één zijmarkeringslicht;
- 5°. een nooduitgang, aan een andere zijde dan de passagiersuitgangen, met een minimale afmeting van 1.200 mm bij 550 mm;
- 6°. een deur, ketting, of band op alle zitplaatstoegangen die de passagiersruimte afbakenen;
- 7°. een technische toegestane maximummassa die minimaal de rijklare massa vermeerderd met het aantal passagiersplaatsen maal 75 kg bedraagt.
3.In afwijking van het eerste lid, onderdeel a, kan de Dienst Wegverkeer vrijstelling verlenen van de daarin bedoelde goedkeuringseisen en een nationale individuele goedkeuring verlenen voor zover wordt voldaan aan de in verband daarmee door de Dienst Wegverkeer vastgestelde alternatieve voorschriften.
4.De Dienst Wegverkeer stelt in elk geval alternatieve voorschriften als bedoeld in het derde lid vast voor de goedkeuring van voertuigen die ten behoeve van het gebruik door een gehandicapte zijn aangepast.
Artikel 3.2.2
1.Voertuigen met een maximumconstructiesnelheid van ten hoogste 25 km/h die bij een maximumconstructiesnelheid van meer dan 25 km/h voertuigen van voertuigcategorieën M en N zouden zijn, met een datum van eerste toelating van voor 1 januari 2021, voldoen voor het verkrijgen van een nationale individuele goedkeuring aan:
- a. de voor de overeenkomstige voertuigcategorie vastgestelde goedkeuringseisen in bijlage IV, zoals deze bijlage luidde op 31 augustus 2020 omtrent:
- 2°. voorzieningen voor indirect zicht;
- 4°. elektromagnetische compatibiliteit;
- 7°. installatie van lichtsignaal-, wegverlichtings- en retroflecterende inrichtingen;
- 8°. voorgeschreven plaat en voertuigidentificatienummer;
- 10°. emissie van verontreinigende stoffen;
- 11°. veiligheid van vloeibaar petroleumgas;
- 12°. veiligheid van gecomprimeerd en vloeibaar aardgas;
- 13°. veiligheid van waterstof;
- 14°. elektrische veiligheid tijdens gebruik;
- 15°. montage van banden en bandenveiligheid;
- 16°. remsysteem, met uitzondering van de eisen omtrent ABS;
- 17°. ruimte voor de kentekenplaat;
- 18°. achteruitrijbeweging;
- 19°. mechanische koppelingen; en
- 20°. ontvlambaarheid in bussen; en
- b. de voor de voertuigcategorie T vastgestelde en op de voertuigcategorieën M en N toe te passen eisen in bijlage I van verordening (EU) 167/2013 omtrent voorwaarts zicht en zitplaatsen voor meerijders; en
- c. de in hoofdstuk 5 voor de desbetreffende voertuigcategorie vastgestelde permanente eisen.
2.Het eerste lid, aanhef en onderdelen a en c, is van overeenkomstige toepassing op voertuigen van voertuigcategorie O ingericht voor het vervoer van personen met een maximumconstructiesnelheid van ten hoogste 25 km/h. Die voertuigen zijn:
- a. van het carrosserietype autonome aanhangwagen;
- 2°. meerdere passagiersdekken; of
- 3°. meer dan 25 zitplaatsen; en
- 1°. een vloer waarvan de hoogte niet hoger ligt dan 75 cm boven het wegdek;
- 2°. een communicatie-inrichting om te kunnen communiceren met de bestuurder indien het een gesloten ruimte betreft;
- 3°. een plaat of duidelijk opschrift hoeveel personen vervoerd mogen worden;
- 4°. minimaal één zijmarkeringslicht;
- 5°. een nooduitgang, aan een andere zijde dan de passagiersuitgangen, met een minimale afmeting van 1.200 mm bij 550 mm;
- 6°. een deur, ketting, of band op alle zitplaatstoegangen die de passagiersruimte afbakenen;
- 7°. een technische toegestane maximummassa die minimaal de rijklare massa vermeerderd met het aantal passagierszitplaatsen maal 75 kg bedraagt.
3.In afwijking van het eerste lid, onderdeel a, kan de Dienst Wegverkeer vrijstelling verlenen van de daarin bedoelde goedkeuringseisen en een nationale individuele goedkeuring verlenen voor zover wordt voldaan aan de in verband daarmee door de Dienst Wegverkeer vastgestelde alternatieve voorschriften.
4.De Dienst Wegverkeer stelt in elk geval alternatieve voorschriften als bedoeld in het derde lid vast voor de goedkeuring van voertuigen die ten behoeve van het gebruik door een gehandicapte zijn aangepast.
5.In afwijking van het eerste lid kan de Dienst Wegverkeer in verband met de goedkeuring van een voertuig met een datum van eerste toelating van voor 1 januari 1978 dat in de oorspronkelijke uitvoering niet voldoet aan de op het betreffende voertuig van toepassing zijnde permanente eisen, van deze eisen vrijstelling verlenen.
Afdeling 4. Gereserveerd
Artikel 3.5.4
1.De Dienst Wegverkeer kan voertuigen van voertuigcategorieën T, C, R en S die niet aan de in artikel 3.5.2, eerste of tweede lid, of 3.5.3 bedoelde goedkeuringseisen wat betreft afmetingen en massa’s kunnen voldoen, hiervan vrijstelling verlenen en voor deze voertuigen een nationale individuele goedkeuring verlenen.
2.Deze nationale individuele goedkeuring wordt verleend voor zover wordt voldaan aan de in verband daarmee door de Dienst Wegverkeer vastgestelde alternatieve voorschriften.
3.In het goedkeuringscertificaat voor het voertuig wordt beschreven voor welke goedkeuringseisen een vrijstelling is verleend en wordt vermeld dat daarom het rijden met het voertuig alleen is toegestaan indien een ontheffing als bedoeld in artikel 149 of 149a van de wet aanwezig is.
Artikel 3.6.1
1.Mobiele machines voldoen voor het verkrijgen van een nationale typegoedkeuring aan:
- 2°. verordening (EU) 2016/1628;
- 3°. bijlage XX bij verordening (EU) 2015/208;
- 4°. VN/ECE-reglement nr. 67 inzake uniforme voorschriften voor de goedkeuring van specifieke voorzieningen en voertuigen voor het gebruik van vloeibaar petroleumgas;
- 5°. VN/ECE-reglement nr. 100 inzake uniforme voorschriften voor de goedkeuring van voertuigen wat de specifieke voorschriften voor de elektrische aandrijflijn betreft;
- 6°. VN/ECE-reglement nr. 110 inzake uniforme voorschriften voor de goedkeuring van specifieke voorzieningen en voertuigen voor het gebruik van gecomprimeerd aardgas en/of vloeibaar aardgas;
- 7°. VN/ECE-reglement nr. 115 inzake uniforme bepalingen voor de goedkeuring van specifieke retrofitsystemen voor installatie in motorvoertuigen met het oog op het gebruik van LPG of CNG als brandstof, ten aanzien van de voorschriften voor de bevestiging van LPG- en CNG-tanks;
- 11°. bijlage XII bij verordening (EU) 2015/208, ten aanzien van het gestelde omtrent signalisatieborden en signalisatiefolies; en
- b. de in hoofdstuk 5 voor de desbetreffende voertuigcategorie vastgestelde permanente eisen.
2.In afwijking van het eerste lid, onderdeel a, kan de Dienst Wegverkeer vrijstelling verlenen van de daarin bedoelde goedkeuringseisen en een nationale typegoedkeuring verlenen voor zover wordt voldaan aan de in verband daarmee door de Dienst Wegverkeer vastgestelde alternatieve voorschriften.
Artikel 3.6.2
1.De Dienst Wegverkeer kan voor mobiele machines die niet aan de in artikel 3.6.1, eerste of tweede lid, bedoelde goedkeuringseisen wat betreft afmetingen en massa’s kunnen voldoen, hiervan vrijstelling verlenen en voor deze voertuigen een nationale typegoedkeuring verlenen.
2.Deze nationale typegoedkeuring wordt verleend voor zover wordt voldaan aan de in verband daarmee door de Dienst Wegverkeer vastgestelde alternatieve voorschriften en tevens:
- a. indien de breedte meer dan 3,00 m bedraagt, een geel zwaai-, flits of knipperlicht op de mobiele machine is gemonteerd dat voldoet aan VN/ECE-reglement nr. 65 en overeenkomstig dat reglement gecertificeerd is, waarbij het licht zodanig gemonteerd is dat het signaal kan worden waargenomen rondom het voertuig vanaf een afstand van 20,00 m vanaf het voertuig, gemeten op 1,50 m boven het wegdek;
- b. indien de breedte meer dan 3,00 m bedraagt:
- 1°. de maximumconstructiesnelheid niet hoger is dan 40 km/h;
- 2°. de buitenspiegels en cameramonitoringsystemen inclusief hun armen omklapbaar zijn; en
- 3°. een markering van de breedte aan de voor- en achterzijde van de mobiele machine aanwezig is die voldoet aan artikel 132 van bijlage VIII bij deze regeling;
- c. indien de massa onder een niet-geveerde aangedreven as meer is dan 12.000 kg, de maximumconstructiesnelheid niet hoger is dan 40 km/h.
3.In het goedkeuringscertificaat voor het voertuig wordt beschreven van welke goedkeuringseisen een vrijstelling is verleend en wordt vermeld dat om die reden het rijden met het voertuig alleen is toegestaan indien een ontheffing als bedoeld in artikel 149 of 149a van de wet aanwezig is.
Artikel 3.6.3
1.Mobiele machines met een datum van eerste toelating op of na 1 januari 2021 voldoen voor het verkrijgen van een nationale individuele goedkeuring aan:
- 2°. verordening (EU) 2016/1628;
- 3°. bijlage XX bij verordening (EU) 2015/208;
- 4°. VN/ECE-reglement nr. 67 inzake uniforme voorschriften voor de goedkeuring van specifieke voorzieningen en voertuigen voor het gebruik van vloeibaar petroleumgas;
- 5°. VN/ECE-reglement nr. 100 inzake uniforme voorschriften voor de goedkeuring van voertuigen wat de specifieke voorschriften voor de elektrische aandrijflijn betreft;
- 6°. VN/ECE-reglement nr. 110 inzake uniforme voorschriften voor de goedkeuring van specifieke voorzieningen en voertuigen met betrekking tot de installatie van specifieke onderdelen van een goedgekeurd type voor het gebruik van gecomprimeerd aardgas (CNG) en/of vloeibaar aardgas (LNG) als brandstof;
- 7°. VN/ECE-reglement nr. 115 inzake uniforme bepalingen voor de goedkeuring van specifieke retrofitsystemen voor installatie in motorvoertuigen met het oog op het gebruik van LPG of CNG als brandstof, ten aanzien van de voorschriften voor de bevestiging van LPG- en CNG-tanks;
- 11°. bijlage XII bij verordening (EU) 2015/208, ten aanzien van het gestelde omtrent signalisatieborden en signalisatiefolies; en
- b. de in hoofdstuk 5 voor de desbetreffende voertuigcategorie vastgestelde permanente eisen.
2.In afwijking van het eerste lid, onderdeel a, kan de Dienst Wegverkeer voor een voertuig vrijstelling verlenen van de in het eerste lid voor de desbetreffende voertuigcategorie opgenomen goedkeuringseisen en een nationale individuele goedkeuring verlenen voor zover wordt voldaan aan de in verband daarmee door de Dienst Wegverkeer vastgestelde alternatieve voorschriften.
3.De Dienst Wegverkeer stelt in elk geval alternatieve voorschriften als bedoeld in het tweede lid vast voor de goedkeuring van voertuigen die ten behoeve van het gebruik door een gehandicapte zijn aangepast.
Artikel 3.6.4
1.De Dienst Wegverkeer kan voor mobiele machines die niet aan de in artikel 3.6.3, eerste of tweede lid, of 3.6.3a bedoelde goedkeuringseisen wat betreft afmetingen en massa’s kunnen voldoen, hiervan vrijstelling verlenen en voor deze voertuigen een nationale individuele goedkeuring verlenen.
2.Deze nationale individuele goedkeuring wordt verleend voor zover wordt voldaan aan de in verband daarmee door de Dienst Wegverkeer vastgestelde alternatieve voorschriften en tevens:
- a. indien de breedte meer dan 3,00 m bedraagt, een geel zwaai-, flits of knipperlicht op de mobiele machine is gemonteerd dat voldoet aan VN/ECE-reglement nr. 65 en overeenkomstig dat reglement gecertificeerd is, waarbij het licht zodanig gemonteerd is dat het signaal kan worden waargenomen rondom het voertuig vanaf een afstand van 20,00 m vanaf het voertuig, gemeten op 1,50 m boven het wegdek;
- b. indien de breedte meer dan 3,00 m bedraagt:
- 1°. de maximumconstructiesnelheid niet hoger is dan 40 km/h;
- 2°. de buitenspiegels en cameramonitoringsystemen inclusief hun armen omklapbaar zijn; en
- 3°. een markering van de breedte aan de voor- en achterzijde van de mobiele machine aanwezig is die voldoet aan artikel 132 van bijlage VIII bij deze regeling;
- c. indien de massa onder een niet-geveerde aangedreven as meer is dan 12.000 kg, de maximumconstructiesnelheid niet hoger is dan 40 km/h.
3.In het goedkeuringscertificaat voor het voertuig wordt beschreven van welke goedkeuringseisen een vrijstelling is verleend en wordt vermeld dat om die reden het rijden met het voertuig alleen is toegestaan indien een ontheffing als bedoeld in artikel 149 of 149a van de wet aanwezig is.
Afdeling 7. Voorlopige nationale individuele goedkeuringen bij nieuwe technologieën of nieuwe concepten
Artikel 3.8.3
Reminrichtingen, verlichting, geluidsinrichtingen, spiegels en camera-monitorsystemen die zijn bedoeld om deel uit te maken van een mobiele machine voldoen voor het verkrijgen van een nationale typegoedkeuring aan de relevante voorschriften opgenomen in hoofdstuk 5, afdeling 7a, van deze regeling.
Afdeling 10. Uitzonderingen als bedoeld in artikel 21, vijfde lid, van de wet, op de goedkeuringsverplichting, bedoeld in artikel 21, eerste lid, van de wet
Hoofdstuk 4. Aanwijzing artikelen uit EU-verordeningen als bedoeld in artikel 29 en 31 van de wet waarvoor inbreuken erop tot sancties aanleiding geven
Hoofdstuk 5. Permanente eisen
Afdeling 1. Algemeen
Afdeling 2. Personenauto’s
§ 5. Assen
§ 9. Carrosserie
§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
§ 12. Diversen
Afdeling 3. Bedrijfsauto’s
§ 2. Afmetingen en massa’s
§ 7. Stuurinrichting
Afdeling 3a. Bussen
§ 11. Verbinding tussen bedrijfsauto en aanhangwagen
§ 4. Krachtoverbrenging
§ 4. Krachtoverbrenging
Afdeling 4. Motorfietsen
§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
§ 8. Reminrichting
Afdeling 5. Driewielige motorrijtuigen
§ 2. Afmetingen en massa’s
§ 7. Stuurinrichting
Afdeling 6. Bromfietsen
Afdeling 7. Motorrijtuigen met beperkte snelheid
Artikel 5.7.10
|
Eisen |
Wijze van keuren |
| 1. |
Indien een motorrijtuig met beperkte snelheid is voorzien van een LPG-installatie, moet deze, onverminderd het bepaalde in artikel 5.7.9, voldoen aan de in de volgende leden gestelde eisen. |
– |
| 2. |
De LPG-tank: a. mag niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak; en b. mag geen deuken vertonen. |
Visuele controle, zo nodig terwijl het motorrijtuig met beperkte snelheid zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 3. |
De LPG-tank mag niet in de motorruimte zijn geplaatst. |
Visuele controle. |
| 4. |
De LPG-tank moet, indien het voertuig in gebruik is genomen na 31 maart 1979, zijn voorzien van een deugdelijke gasdichte behuizing die in de buitenlucht moet uitmonden, tenzij de tank in de open lucht is geplaatst. |
Leden 4 en 5: de wijze van keuren bij het tweede lid is van toepassing. |
| 5. |
Op de LPG-installatie mogen geen andere verbruikers zijn aangesloten dan die welke strikt noodzakelijk zijn voor het goed functioneren van de motor van het voertuig, met uitzondering van een verwarmingsinstallatie ten behoeve van de passagiers- of laadruimte. |
– |
| 6. |
Indien het voertuig na 30 september 1978 in gebruik is genomen, mag het vullen van de tank alleen buiten het voertuig kunnen geschieden. De vulaansluiting moet zijn voorzien van een stofkap, tenzij deze is beschermd tegen vuil en water. |
Visuele controle. |
| 7. |
De leidingen mogen geen knikken vertonen en mogen niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak. |
Leden 7 en 8: de wijze van keuren bij het tweede lid is van toepassing. |
| 8. |
De gasvoerende slangen mogen geen beschadiging vertonen waarbij het wapeningsmateriaal zichtbaar is. De slangen die aan de buitenzijde van een metalen wapening zijn voorzien, mogen geen beschadiging vertonen. |
|
Artikel 5.7.10a
|
Eisen |
Wijze van keuren |
| 1. |
Indien een motorrijtuig met beperkte snelheid is voorzien van een CNG- of LNG-installatie, moet deze, onverminderd het bepaalde in artikel 5.7.9, voldoen aan de in de volgende leden gestelde eisen. |
– |
| 2. |
De CNG- of LNG-tank mag geen deuken vertonen. |
Visuele controle, zo nodig terwijl het motorrijtuig met beperkte snelheid zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 3. |
De CNG- of LNG-tank mag niet in de motorruimte zijn geplaatst. |
Visuele controle. |
| 4. |
De CNG- of LNG-tank moet, indien het voertuig in gebruik is genomen na 31 december 2002, zijn voorzien van een deugdelijke gasdichte behuizing die in de buitenlucht moet uitmonden, tenzij de tank in de open lucht is geplaatst. |
De wijze van keuren bij het tweede lid is van toepassing. |
| 5. |
De vervaldatum van de goedkeuring en, indien van toepassing, van de herkwalificatie van een CNG- of LNG-tank, mag niet verstreken zijn. |
Visuele controle. |
| 6. |
Op de CNG- of LNG-installatie mogen geen andere verbruikers zijn aangesloten dan die welke strikt noodzakelijk zijn voor het goed functioneren van de motor van het voertuig, met uitzondering van een verwarmingsinstallatie ten behoeve van de passagiers- of bagageruimte. |
Leden 6 tot en met 10: de wijze van keuren bij het tweede lid is van toepassing. |
| 7. |
De onderdelen van de CNG- of LNG-installatie moeten vrij zijn van ernstige beschadigingen en mogen niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak. |
|
| 8. |
De leidingen en gasvoerende slangen mogen geen knikken vertonen. |
|
| 9. |
De gasvoerende slangen mogen geen beschadiging vertonen waarbij het wapeningsmateriaal zichtbaar is. |
|
| 10. |
De vulaansluiting moet: a. zijn geplaatst aan de buitenzijde van het voertuig of in het motorcompartiment; b. zijn voorzien van een stofkap, tenzij de vulaansluiting is beschermd tegen vuil en water. |
|
Artikel 5.7.10b
|
Eisen |
Wijze van keuren |
| 1. |
Indien een motorrijtuig met beperkte snelheid is voorzien van een waterstofinstallatie, moet deze, onverminderd het bepaalde in artikel 5.7.9, voldoen aan de in de volgende leden gestelde eisen. |
– |
| 2. |
De waterstoftank mag geen deuken vertonen. |
Visuele controle, zo nodig terwijl het motorrijtuig met beperkte snelheid zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 3. |
De waterstoftank mag niet in de motorruimte zijn geplaatst. |
Visuele controle. |
| 4. |
De waterstoftank moet, indien het voertuig in gebruik is genomen na 31 december 2014, zijn voorzien van een deugdelijke gasdichte behuizing die in de buitenlucht moet uitmonden, tenzij de tank in de open lucht is geplaatst. |
Visuele controle, zo nodig terwijl het motorrijtuig met beperkte snelheid zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 5. |
De vervaldatum van de goedkeuring en, indien van toepassing, van de herkwalificatie van een waterstoftank mag niet verstreken zijn. |
Visuele controle. |
| 6. |
De onderdelen van de waterstofinstallatie moeten vrij zijn van ernstige beschadigingen en mogen niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak. |
Leden 6 tot en met 9: Visuele controle, zo nodig terwijl het motorrijtuig met beperkte snelheid zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 7. |
De leidingen en gasvoerende slangen mogen geen knikken vertonen. |
|
| 8. |
De gasvoerende slangen mogen geen beschadiging vertonen waarbij het wapeningsmateriaal zichtbaar is. |
|
| 9. |
De vulaansluiting moet: a. zijn geplaatst aan de buitenzijde van het voertuig; b. zijn voorzien van een stofkap, tenzij de vulaansluiting is beschermd tegen vuil en water. |
|
| 10. |
Motorrijtuigen met beperkte snelheid met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg voorzien van een waterstofinstallatie, moeten zowel in de motorruimte als in de nabijheid van de tankverbinding of het aansluitpunt zijn voorzien van een weerbestendige sticker met één van de volgende herkenningstekens: |
|
| 11. |
Motorrijtuigen met beperkte snelheid met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg voorzien van een waterstofinstallatie, moeten zowel aan de voor- en achterzijde als in de nabijheid van de tankverbinding of het aansluitpunt zijn voorzien van een weerbestendige sticker met één van de volgende herkenningstekens: |
|
Afdeling 7a. Mobiele machines
Artikel 5.7a.0
Een mobiele machine die in gebruik is genomen na 31 december 2020, moet voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren, waarbij in voorkomend geval bijlage VIII van toepassing is.
Artikel 5.7a.1
|
Eisen |
Wijze van keuren |
| 1. |
Een geregistreerde mobiele machine moet in overeenstemming zijn met de op de voor het voertuig afgegeven kentekencard en in het kentekenregister omtrent het voertuig vermelde gegevens. |
Leden 1 tot en met 3: visuele controle. |
| 2. |
De geregistreerde mobiele machine moet aan de achterzijde zijn voorzien van de juiste kentekenplaat. |
|
| 3. |
De kentekenplaat moet zijn voorzien van het in artikel 5 van het Kentekenreglement voorgeschreven goedkeuringsmerk en moeten deugdelijk zijn bevestigd. |
|
| 4. |
De kentekenplaat mag niet zijn afgeschermd en het kenteken moet goed leesbaar zijn. |
Visuele controle, waarbij de letters en cijfers volledig zichtbaar moeten zijn indien de waarnemer op een afstand van 20,00 m achter het midden van de mobiele machine staat. |
| 5. |
Het voertuigidentificatienummer moet in het chassis, frame of soortgelijke dragende structuur zijn ingeslagen en goed leesbaar zijn. |
Leden 5 en 6: visuele controle. |
| 6. |
Mobiele machines moeten zijn voorzien van één of meerdere constructieplaten die goed leesbaar zijn en in geval een geregistreerd voertuig moeten de gegevens in overeenstemming zijn met het kentekenregister, met dien verstande dat de technisch toegestane maximummassa’s die op de constructieplaten zijn vermeld ten minste gelijk zijn aan de massa’s die zijn aangegeven in het kentekenregister. |
|
| 7. |
Het eerste tot en met vierde lid zijn niet van toepassing op mobiele machines als bedoeld in artikel 1b van het Kentekenreglement. |
– |
Artikel 5.7a.3
| Eisen |
Wijze van keuren |
| De langs- en dwarsliggers en chassisversterkingsdelen van het chassisraam dan wel de daarvoor in de plaats tredende delen van de mee- of zelfdragende carrosserie van mobiele machines mogen: a. geen breuken of scheuren vertonen; en b. niet zodanig zijn bevestigd, vervormd of door corrosie aangetast dat de stijfheid en de sterkte van het chassisraam of van de mee- of zelfdragende carrosserie in gevaar worden gebracht. |
Visuele controle. |
Artikel 5.7a.4
|
Eisen |
Wijze van keuren |
| 1. |
De boven-, op- en aanbouw van mobiele machines moet deugdelijk op het onderstel zijn bevestigd. |
Leden 1 en 2: visuele controle. |
| 2. |
De ondersteuning van de boven-, op- en aanbouw van mobiele machines moet deugdelijk zijn. |
|
Artikel 5.7a.6
|
Eisen |
Wijze van keuren |
| 1. |
Mobiele machines mogen: a. niet langer zijn dan 12,00 m; b. niet breder zijn dan 3,00 m; en c. niet hoger zijn dan 4,00 m. |
Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten, waarbij artikel 5.1a.1 van toepassing is. |
| 2. |
In de afmetingen, bedoeld in het eerste lid, zijn afneembare bovenbouwen en gestandaardiseerde laadstructuren, zoals containers, inbegrepen. |
|
| 3. |
In afwijking van het bepaalde in het eerste lid, onderdeel a, mogen mobiele machines die zijn ingericht voor het uitvoeren van in hoofdzaak andere werkzaamheden dan het vervoer van goederen of personen niet langer zijn dan 20,00 m. |
|
Artikel 5.7a.7
|
Eisen |
Wijze van keuren |
| 1. |
De last onder de assen van mobiele machines mag niet meer bedragen dan de voor het betrokken voertuig in het kentekenregister of op de constructieplaat vermelde technisch toegestane maximum aslasten, met dien verstande dat het draagvermogen van de gemonteerde banden niet mag worden overschreden. |
Leden 1 en 2: in geval van twijfel wordt het voertuig gewogen. |
| 2. |
De totale massa of de som van de aslasten van mobiele machines mag niet meer bedragen dan de voor het betrokken voertuig in het kentekenregister of op de constructieplaat vermelde toegestane maximummassa, met dien verstande dat het draagvermogen van de gemonteerde banden niet mag worden overschreden. |
|
Artikel 5.7a.8
|
Eisen |
Wijze van keuren |
| 1. |
Mobiele machines moeten bij voortduring voldoen aan de in het kentekenregister geregistreerde maximumconstructiesnelheid, vermeerderd met 5 km/h. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 29a, van toepassing. |
Visuele controle door middel van een beproeving op de weg. |
| 2. |
Mobiele machines mogen niet zijn voorzien van een voorziening met het kennelijke doel de controle op maximumconstructiesnelheid, bedoeld in het eerste lid, te bemoeilijken of te beïnvloeden. |
Visuele controle, waarbij eventuele aanwezige voorzieningen worden bediend of ingeschakeld. |
Artikel 5.7a.9
|
Eisen |
Wijze van keuren |
| 1. |
Alle onderdelen van brandstofsystemen moeten veilig zijn en deugdelijk zijn bevestigd. |
Visuele controle. |
| 2. |
De brandstofsystemen mogen geen lekkage vertonen. |
Visuele controle. Een installatie voor een al dan niet tot vloeistof verdicht gas, wordt gecontroleerd met behulp van apparatuur die lekkage vaststelt, waarbij het contact ingeschakeld moet zijn. |
| 3. |
De vulopening van een brandstofreservoir moet zijn afgesloten met een passende tankdop. |
Visuele controle. |
Artikel 5.7a.10
|
Eisen |
Wijze van keuren |
| 1. |
Indien een mobiele machine is voorzien van een LPG-installatie, moet deze, onverminderd het bepaalde in artikel 5.7a.9, voldoen aan de in de volgende leden gestelde eisen. |
– |
| 2. |
De LPG-tank: a. mag niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak; en b. mag geen deuken vertonen. |
Visuele controle, zo nodig terwijl de mobiele machine zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 3. |
De LPG-tank mag niet in de motorruimte zijn geplaatst. |
Visuele controle. |
| 4. |
De LPG-tank moet zijn voorzien van een deugdelijke gasdichte behuizing die in de buitenlucht moet uitmonden, tenzij de tank in de open lucht is geplaatst. |
Leden 4 en 5: de wijze van keuren bij het tweede lid is van toepassing. |
| 5. |
Op de LPG-installatie mogen geen andere verbruikers zijn aangesloten dan die welke strikt noodzakelijk zijn voor het goed functioneren van de motor van het voertuig, met uitzondering van een verwarmingsinstallatie ten behoeve van de passagiers- of laadruimte. |
– |
| 6. |
Het vullen van de tank mag alleen buiten het voertuig kunnen geschieden. De vulaansluiting moet zijn voorzien van een stofkap, tenzij deze is beschermd tegen vuil en water. |
Visuele controle. |
| 7. |
De leidingen mogen geen knikken vertonen en mogen niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak. |
Leden 7 en 8: de wijze van keuren bij het tweede lid is van toepassing. |
| 8. |
De gasvoerende slangen mogen geen beschadiging vertonen waarbij het wapeningsmateriaal zichtbaar is. De slangen die aan de buitenzijde van een metalen wapening zijn voorzien, mogen geen beschadiging vertonen. |
|
Artikel 5.7a.10a
|
Eisen |
Wijze van keuren |
| 1. |
Indien een mobiele machine is voorzien van een CNG- of LNG-installatie, moet deze, onverminderd het bepaalde in artikel 5.7a.9, voldoen aan de in de volgende leden gestelde eisen. |
– |
| 2. |
De CNG- of LNG-tank mag geen deuken vertonen. |
Visuele controle, zo nodig terwijl de mobiele machine zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 3. |
De CNG- of LNG-tank mag niet in de motorruimte zijn geplaatst. |
Visuele controle. |
| 4. |
De CNG- of LNG-tank moet zijn voorzien van een deugdelijke gasdichte behuizing die in de buitenlucht moet uitmonden, tenzij de tank in de open lucht is geplaatst. |
De wijze van keuren bij het tweede lid is van toepassing. |
| 5. |
De vervaldatum van de goedkeuring en, indien van toepassing, van de herkwalificatie van een CNG- of LNG-tank, mag niet verstreken zijn. |
Visuele controle. |
| 6. |
Op de CNG- of LNG-installatie mogen geen andere verbruikers zijn aangesloten dan die welke strikt noodzakelijk zijn voor het goed functioneren van de motor van het voertuig, met uitzondering van een verwarmingsinstallatie ten behoeve van de passagiers- of bagageruimte. |
Leden 6 tot en met 10: de wijze van keuren bij het tweede lid is van toepassing. |
| 7. |
De onderdelen van de CNG- of LNG-installatie moeten vrij zijn van ernstige beschadigingen en mogen niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak. |
|
| 8. |
De leidingen en gasvoerende slangen mogen geen knikken vertonen. |
|
| 9. |
De gasvoerende slangen mogen geen beschadiging vertonen waarbij het wapeningsmateriaal zichtbaar is. |
|
| 10. |
De vulaansluiting moet: a. zijn geplaatst aan de buitenzijde van het voertuig of in het motorcompartiment; b. zijn voorzien van een stofkap, tenzij de vulaansluiting is beschermd tegen vuil en water. |
|
Artikel 5.7a.10b
|
Eisen |
Wijze van keuren |
| 1 |
Indien een mobiele machine is voorzien van een waterstofinstallatie, moet deze, onverminderd het bepaalde in artikel 5.7a.9, voldoen aan de in de volgende leden gestelde eisen. |
– |
| 2 |
De waterstoftank mag geen deuken vertonen. |
Visuele controle, zo nodig terwijl de mobiele machine zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 3 |
De waterstoftank mag niet in de motorruimte zijn geplaatst. |
Visuele controle. |
| 4 |
De waterstoftank moet zijn voorzien van een deugdelijke gasdichte behuizing die in de buitenlucht moet uitmonden, tenzij de tank in de open lucht is geplaatst. |
De wijze van keuren bij het tweede lid is van toepassing. |
| 5 |
De vervaldatum van de goedkeuring en, indien van toepassing, van de herkwalificatie van een waterstoftank mag niet verstreken zijn. |
Visuele controle. |
| 6 |
De onderdelen van de waterstofinstallatie moeten vrij zijn van ernstige beschadigingen en mogen niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak. |
Leden 6 tot en met 9: de wijze van keuren bij het tweede lid is van toepassing. |
| 7 |
De leidingen en gasvoerende slangen mogen geen knikken vertonen. |
|
| 8 |
De gasvoerende slangen mogen geen beschadiging vertonen waarbij het wapeningsmateriaal zichtbaar is. |
|
| 9 |
De vulaansluiting moet: a. zijn geplaatst aan de buitenzijde van het voertuig; b. zijn voorzien van een stofkap, tenzij de vulaansluiting is beschermd tegen vuil en water. |
|
| 10 |
Mobiele machines voorzien van een waterstofinstallatie, moeten zowel in de motorruimte als in de nabijheid van de tankverbinding of het aansluitpunt zijn voorzien van een weerbestendige sticker met één van de volgende herkenningstekens: [956640-004.eps] |
|
Artikel 5.7a.11
|
Eisen |
Wijze van keuren |
| 1. |
Mobiele machines met een verbrandingsmotor moeten zijn voorzien van een uitlaatsysteem dat over de gehele lengte gasdicht is, met uitzondering van de afwateringsgaatjes. |
Visuele en auditieve controle met draaiende motor. |
| 2. |
Het uitlaatsysteem moet deugdelijk zijn bevestigd. |
Visuele controle. |
| 3. |
Het uitlaatsysteem moet behoorlijk geluiddempend zijn. |
Auditieve controle. |
Artikel 5.7a.11a
| Eisen |
Wijze van keuren |
| Onderdelen van mobiele machines, niet zijnde onderdelen van het brandstofsysteem, het remsysteem, de stuurbekrachtiging of het veersysteem, mogen geen overmatige lekkage van vloeistof, met uitzondering van water, vertonen. |
Visuele controle. |
Artikel 5.7a.12
|
Eisen |
Wijze van keuren |
| 1. |
De accu van mobiele machines moet deugdelijk zijn bevestigd. |
Leden 1 en 2: visuele controle. |
| 2. |
De elektrische bedrading van mobiele machines moet deugdelijk zijn bevestigd en goed zijn geïsoleerd. |
|
Artikel 5.7a.12a
| Eisen |
Wijze van keuren |
| De onderdelen van de elektrische aandrijflijn van elektrisch aangedreven of hybride elektrische mobiele machines: a. moeten deugdelijk zijn; b. moeten deugdelijk zijn bevestigd; c. mogen niet zijn beschadigd; d. mogen geen lekkage vertonen; e. moeten goed zijn afgeschermd, met uitzondering van de kabelset; en f. moeten goed zijn geïsoleerd. |
Visuele controle. |
Artikel 5.7a.13
|
Eisen |
Wijze van keuren |
| 1. |
De motorsteunen moeten deugdelijk aan het chassis dan wel aan de carrosserie, alsmede aan de motor, zijn bevestigd. |
Leden 1 en 2: visuele controle. |
| 2. |
De motorsteunen mogen niet in ernstige mate zijn beschadigd, de rubbers mogen niet zijn doorgescheurd en de vulkanisatie mag niet geheel zijn losgeraakt. |
|
Artikel 5.7a.14
| Eisen |
Wijze van keuren |
| Mobiele machines moeten zijn voorzien van een inrichting om achteruit te rijden. |
Visuele controle. |
Artikel 5.7a.15
| Eisen |
Wijze van keuren |
| Mobiele machines met een maximumconstructiesnelheid van meer dan 40 km/h moeten zijn voorzien van een goed werkende snelheidsmeter die ook bij nacht voor de bestuurder goed afleesbaar is. |
Visuele controle. |
Artikel 5.7a.16
|
Eisen |
Wijze van keuren |
| 1. |
De aandrijving en de bevestiging daarvan moeten deugdelijk zijn. |
Visuele controle. Een volledig doorgescheurde flexibele koppeling is toegestaan mits de aandrijfas op zijn plaats blijft. |
| 2. |
Stofhoezen van aandrijfassen moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten. |
Visuele controle. |
Artikel 5.7a.18
|
Eisen |
Wijze van keuren |
| 1. |
De assen moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd en mogen geen breuken of scheuren vertonen. Indien sprake is van corrosie, is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. |
Leden 1 tot en met 4: visuele controle. |
| 2. |
De assen mogen niet zodanig zijn vervormd dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht. |
|
| 3. |
De assen mogen niet zodanig zijn bevestigd, beschadigd of vervormd dat het weggedrag nadelig wordt beïnvloed. |
|
| 4. |
De assen mogen niet zodanig door corrosie zijn aangetast, dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht. Hieraan wordt voor wat betreft wielgeleidingselementen voldaan, indien deze niet zijn doorgeroest. Indien een wielgeleidingselement is doorgeroest, mag deze niet zijn gerepareerd. Indien er sprake is van corrosie ter plaatse van de bevestiging is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. |
|
Artikel 5.7a.19
|
Eisen |
Wijze van keuren |
| 1. |
De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels moeten deugdelijk zijn bevestigd. |
Leden 1 tot en met 3: visuele controle. |
| 2. |
Stofhoezen van fuseekogels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten. |
|
| 3. |
De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels alsmede de overige draaipunten van een volledig onafhankelijke wielophanging mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 46, 47 en 48, van toepassing. |
|
| 4. |
Indien een gedeelte van de binnenkant van het fuseekogelhuis en van de fuseekogel zichtbaar is doordat de hoes is beschadigd of ontbreekt, mag dit gedeelte geen corrosie vertonen. |
Indien de hoes is beschadigd of ontbreekt, vindt visuele controle plaats. |
Artikel 5.7a.20
|
Eisen |
Wijze van keuren |
| 1. |
De wiellagers mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 49, van toepassing. |
Visuele controle. De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 2. |
Verschijnselen van slijtage of beschadiging mogen niet hoorbaar of voelbaar zijn. |
Visuele en auditieve controle, waarbij het wiel wordt rondgedraaid, al dan niet met behulp van apparatuur. |
Artikel 5.7a.24
|
Eisen |
Wijze van keuren |
| 1. |
De wielen onderscheidenlijk velgen mogen geen breuken, scheuren, ondeugdelijk laswerk, ernstige corrosie of ernstige vervorming vertonen. |
Leden 1 en 2: visuele controle. |
| 2. |
De wielen onderscheidenlijk velgen moeten met alle daarvoor bestemde bevestigingsmiddelen deugdelijk zijn bevestigd. |
|
Artikel 5.7a.25
| Eisen |
Wijze van keuren |
| De wielnaven moeten met alle daarvoor bestemde bevestigingsmiddelen deugdelijk zijn bevestigd. |
Visuele controle. |
Artikel 5.7a.26
| Eisen |
Wijze van keuren |
| Stabilisatoren moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen geen breuken of scheuren vertonen. |
Visuele controle. |
Artikel 5.7a.27
|
Eisen |
Wijze van keuren |
| 1. |
Mobiele machines moeten zijn voorzien van banden of rupsbanden, waarvan het loopvlak niet bestaat uit metaal of een materiaal dat voor wat betreft hardheid en vervormbaarheid dezelfde eigenschappen heeft. |
Visuele controle. |
| 2. |
Het bepaalde in het eerste lid inzake het loopvlak, is niet van toepassing op mobiele machines als bedoeld in artikel 1b van het Kentekenreglement. |
|
| 3. |
De luchtbanden mogen geen beschadigingen vertonen waarbij het karkas zichtbaar is. |
Visuele controle, waarbij het wiel wordt rondgedraaid. |
| 4. |
De luchtbanden mogen geen uitstulpingen vertonen. |
Leden 4 en 5: visuele controle. |
| 5. |
Het loopvlak van de banden mag geen metalen elementen bevatten die tijdens het rijden daarbuiten kunnen uitsteken. |
|
| 6. |
De profilering van de hoofdgroeven van de banden die van fabriekswege profiel hebben van mobiele machines moet over de gehele omtrek van het loopvlak ten minste 1,6 mm bedragen, met uitzondering van de slijtage-indicatoren. |
Visuele controle, waarbij het wiel wordt rondgedraaid. In geval van twijfel wordt de profieldiepte gemeten met een profieldieptemeter. De minimale profieldiepte wordt gemeten in de brede groeven waarin door de fabrikant de maximale diepte is bepaald, alsmede in de groeven waarin een slijtage-indicator aanwezig is. |
Artikel 5.7a.28
|
Eisen |
Wijze van keuren |
| 1. |
Indien de mobiele machine is voorzien van een veersysteem, moet dit goed werken. |
Leden 1 tot en met 3: visuele controle. |
| 2. |
De onderdelen van het veersysteem mogen geen breuken, ernstige lekkage of scheuren vertonen, mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast en moeten deugdelijk zijn bevestigd. Hieraan wordt voor wat betreft veerschotels voldaan, indien deze niet zijn doorgeroest of gerepareerd. Bij luchtveerbalgen mogen de koordlagen zichtbaar zijn, maar niet beschadigd. Indien sprake is van corrosie, is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. |
|
| 3. |
Indien de mobiele machine is voorzien van schokdempers, moeten deze deugdelijk zijn bevestigd en goed werken |
|
Artikel 5.7a.29
|
Eisen |
Wijze van keuren |
| 1. |
Mobiele machines moeten zijn voorzien van een deugdelijke stuurinrichting. |
Leden 1 tot en met 3: visuele controle. |
| 2. |
De bestuurde wielen moeten goed reageren op de draaiing van de stuurbediening. |
|
| 3. |
De stuurinrichting mag niet zijn voorzien van een uitsluitend elektrische overbrenging dan wel een uitsluitend pneumatische overbrenging. |
|
| 4. |
Bij draaiing van de stuurbediening tot aan de aanslagen, mogen geen weerstanden voelbaar zijn en moeten de wielen onderscheidenlijk de banden vrij kunnen draaien. |
Visuele controle, waarbij indien noodzakelijk de stuurbekrachtiging in werking is gesteld. De bestuurde wielen worden naar de uiterste linker- en rechterstuurstand bewogen waarbij de bestuurde wielen gedeeltelijk mogen worden ontlast. |
| 5. |
De voor de overbrenging van de stuurbeweging bestemde onderdelen: a. moeten deugdelijk zijn bevestigd met alle daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen; b. mogen geen breuken of scheuren vertonen; c. mogen niet zijn vervormd; en d. mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast. Indien sprake is van corrosie, is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. |
Visuele controle. De stuurbediening wordt met krachtige korte bewegingen naar links en naar rechts gedraaid, waarbij de massa van de mobiele machine op de wielen rust. |
| 6. |
Koppelingen moeten een zichtbaar spelingsvrije overbrenging kunnen bewerkstelligen. |
Leden 6 en 7: visuele controle. |
| 7. |
Flexibele koppelingen mogen niet in ernstige mate zijn gescheurd. |
|
| 8. |
De verbindingen in het stangenstelsel mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 52, van toepassing. |
Visuele controle. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 9. |
De stuurbekrachtiger moet goed werken. |
Voor de controle van de stuurbekrachtiger wordt bij uitgeschakelde motor het stuurwiel naar links en rechts bewogen. Vervolgens wordt met draaiende motor het stuurwiel opnieuw naar links en rechts bewogen, hierbij moet de werking van de stuurbekrachtiger voelbaar zijn. |
| 10. |
Slangen ten behoeve van de stuurbekrachtiger mogen geen beschadigingen vertonen waarbij het wapeningsmateriaal zichtbaar is en mogen geen bewegende delen raken. |
Leden 10 en 11: visuele controle. |
| 11. |
Stofhoezen van het stuurhuis en de stuurkogels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten. |
|
| 12. |
De onderdelen van een volledig hydraulische stuurinrichting mogen geen lekkage vertonen. |
Visuele controle. Het stuurwiel wordt bij stationair draaiende motor in de uiterste stand gedraaid en gehouden. |
Artikel 5.7a.31
|
Eisen |
Wijze van keuren |
| 1. |
Mobiele machines moeten zijn voorzien van een goedwerkende reminrichting waarvan de: a. onderdelen deugdelijk zijn bevestigd met de daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen; b. onderdelen niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast; c. onderdelen niet zijn beschadigd, gescheurd of gebroken; d. onderdelen geen inwendige of uitwendige lekkage vertonen; en e. remschijven geen dusdanige slijtage vertonen dat er kans op breuk ontstaat. |
– Onderdeel a tot en met c: visuele controle. – Onderdeel d: visuele controle. In geval van twijfel wordt het remsysteem onder druk gezet. – Onderdeel e: visuele controle. |
| 2. |
De rembekrachtiger en de hydraulische remkrachtregelaar moeten goed functioneren. |
Controle waarbij de rem in werking wordt gesteld bij draaiende motor. |
| 3. |
De compressor en de drukregelaar moeten goed werken en tijdig in werking treden. |
Visuele controle met behulp van de dashboardmeter(s) door bij draaiende motor het rempedaal diverse malen in te trappen. |
| 4. |
Bij hydraulische remsystemen mag bij het bedienen van het rempedaal de slag van het pedaal niet door een aanslag worden beperkt, tenzij de bediening van de hydraulische remsystemen vanuit een energievoorraad wordt gevoed. |
Controle door het rempedaal in te trappen. |
| 5. |
Rempedalen moeten een stroef oppervlak hebben en deugdelijk functioneren, alsmede in voorkomend geval zijn voorzien van een deugdelijke koppeling tussen het linker- en rechterrempedaal. |
Visuele controle. |
| 6. |
Remslangen mogen: a. niet in ernstige mate zijn misvormd; b. niet langs andere voertuigdelen schuren; en c. geen zodanige beschadigingen vertonen dat het wapeningsmateriaal zichtbaar is. De slangen die aan de buitenzijde van een metalen wapening zijn voorzien, mogen geen beschadiging vertonen. |
– Onderdeel a: visuele controle. – Onderdeel b: visuele controle. De bestuurde wielen worden naar de uiterste linker- en rechterstuurstand gebracht. – Onderdeel c: visuele controle. |
| 7. |
Remleidingen mogen geen knikken vertonen. |
Visuele controle. |
| 8. |
Wielen die zijn voorzien van een trommelrem, moeten in onberemde toestand in beide richtingen kunnen draaien zonder dat de remvoering aanloopt. De remvoering van wielen van een schijfrem, mag in onberemde toestand in beide richtingen enigszins slepen. |
Controle door de wielen vrij van de grond met de hand rond te draaien. |
| 9. |
De remtrommel of remschijf mag tijdens het remmen niet worden geraakt door delen die zijn bestemd als drager of bevestigingsmiddel van de remvoering. |
Visuele controle. Indien de remvoering niet zonder demontage zichtbaar te maken is, moet de rem in werking worden gesteld terwijl het wiel met de hand of met behulp van een wielspinner wordt rondgedraaid. Hierbij mogen geen schurende geluiden van metaal op metaal hoorbaar zijn. |
| 10. |
De noodzakelijke bewegingsvrijheid van de remonderdelen mag niet worden beperkt. |
Visuele controle. |
| 11. |
Remcilinders moeten zijn voorzien van stofhoezen die niet in ernstige mate mogen zijn beschadigd. |
Visuele controle. De hoezen worden gecontroleerd voor zover dit mogelijk is zonder demontage. |
| 12. |
De onderdelen van een antiblokkeersysteem: a. moeten deugdelijk zijn bevestigd met de daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen; b. mogen niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast; c. mogen niet zijn beschadigd, gescheurd, gebroken; en d. mogen geen lekkage vertonen. |
Visuele controle. |
| 13. |
De waarschuwingsinrichting van het antiblokkeersysteem mag geen defect aangeven. |
Wanneer na het starten van de motor een optisch of akoestisch waarschuwingssignaal wordt afgegeven dat het systeem niet goed functioneert, wordt ervan uitgegaan dat niet aan deze eis is voldaan. In geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd. |
Artikel 5.7a.32
|
Eisen |
Wijze van keuren |
| 1. |
In het hydraulisch remsysteem moet voldoende vloeistof aanwezig zijn. |
Visuele controle, waarbij het vloeistofniveau zich niet onder de minimumaanduiding mag bevinden, of auditieve controle, waarbij ervan wordt uitgegaan dat niet aan deze eis is voldaan wanneer na het starten van de motor een optisch of akoestisch waarschuwingssignaal wordt afgegeven dat onvoldoende vloeistof aanwezig is. |
| 2. |
Indien aanwezig moet de vulopening van het remsysteem of van het reservoir zijn afgesloten met een passende dop. |
Visuele controle. |
Artikel 5.7a.33
| Eisen |
Wijze van keuren |
| Mobiele machines met een drukluchtremsysteem, moeten zijn voorzien van een optische of akoestische waarschuwingsinrichting die in werking treedt zodra de energievoorraad in een van de bedrijfskringen onder de vereiste minimumdruk is gedaald. |
Visuele of auditieve controle, door om de beurt de bedrijfsremkringen leeg te laten lopen en weer te vullen. |
Artikel 5.7a.34
| Eisen |
Wijze van keuren |
| Mobiele machines met een veerrem moeten zijn voorzien van een optische of akoestische waarschuwingsinrichting die in werking treedt zodra de veerrem in werking is gesteld. |
Visuele of auditieve controle, terwijl de veerrem in werking wordt gesteld. |
Artikel 5.7a.36
|
Eisen |
Wijze van keuren |
| 1. |
De slag van drukluchtremcilinders die door middel van een nok een trommelrem bedienen, mag niet worden begrensd door delen die daar niet voor zijn bestemd. |
Visuele controle, waarbij de rem in werking wordt gesteld. |
| 2. |
De slag van drukluchtremcilinders van trommelremmen mag vanuit onberemde toestand tot in beremde stand niet groter zijn dan twee derde deel van de maximumslag van de betrokken remcilinder. |
Visuele controle, waarbij de rem maximaal in werking wordt gesteld. In geval van twijfel wordt gemeten. |
Artikel 5.7a.38
|
Eisen |
Wijze van keuren |
| 1. |
Mobiele machines moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem die ten minste op één as werkt. |
Leden 1 tot en met 3: visuele controle. |
| 2. |
Mobiele machines moeten tevens zijn voorzien van een hulprem. |
|
| 3. |
De bedrijfsrem en de hulprem mogen gemeenschappelijke delen hebben. |
|
| 4. |
Mobiele machines met een maximumconstructiesnelheid van: a. meer dan 40 km/h moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem, waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 4,5 m/s2 bedraagt; b. meer dan 30 km/h maar niet meer dan 40 km/h moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem, waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 3,1 m/s2 bedraagt; c. niet meer dan 30 km/h moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem, waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 2,4 m/s2 bedraagt. |
Leden 4 en 5: visuele controle door middel van een beproeving op de weg. De snelheid moet bij de aanvang van de remproef de maximumconstructiesnelheid bedragen met een maximum van 40 km/h. De remvertraging wordt met een elektronische zelfregistrerende remvertragingsmeter als volgt vastgesteld: a. indien op de remvertragingsmeter een resulterende of gemiddelde waarde wordt aangegeven, geldt deze waarde als de minimaal behaalde remvertraging; b. indien de remvertraging niet volgens onderdeel a kan worden vastgesteld, geldt de waarde die met behulp van de meetwaardentabel op de registratiestrook wordt vastgesteld, door het gemiddelde te nemen van alle gemeten waarden die gelijk of groter zijn aan de minimaal vereiste remvertraging en gedurende minimaal een halve seconde zijn gemeten; c. indien de remvertraging niet volgens onderdeel a of b kan worden vastgesteld, geldt als remvertraging de waarde die met behulp van de grafiek op de registratiestrook als volgt is vastgesteld: 1°. indien op het moment dat het voertuig nagenoeg stilstond geen plotselinge stijging van de remvertraging is waar te nemen, is de hoogst behaalde waarde van remvertraging bepalend; 2°. indien op het moment dat het voertuig nagenoeg stilstond een plotselinge stijging van de remvertraging is waar te nemen, is de waarde van de behaalde remvertraging vlak vóór deze stijging bepalend. Indien op een remtestinrichting kan worden vastgesteld dat de remvertraging voldoet, kan de beproeving op de weg achterwege gelaten worden. De bij de remproef behaalde remvertraging wordt berekend door de remkrachten bij elkaar op te tellen en vervolgens te delen door de in het kentekenregister vermelde massa in rijklare toestand. |
| 5. |
Het voertuig mag bij het gebruik van de rem of remsystemen geen zijwaartse beweging maken, tenzij dit ten behoeve van sturen bedoeld is. |
|
Artikel 5.7a.39
| Eisen |
Wijze van keuren |
| Van mobiele machines moet één van de remmen in aangezette toestand kunnen worden vastgezet, tenzij een afzonderlijke vastzetinrichting aanwezig is. |
Visuele controle. |
Artikel 5.7a.41
| Eisen |
Wijze van keuren |
| De deuren van mobiele machines moeten goed sluiten. Minimaal één deur die direct toegang geeft tot de bestuurdersruimte, moet op zowel vanaf de binnenzijde als vanaf de buitenzijde kunnen worden geopend. |
Visuele controle, waarbij de deuren worden geopend en gesloten. |
Artikel 5.7a.42
|
Eisen |
Wijze van keuren |
| 1. |
Voor- en zijruiten van mobiele machines mogen: a. niet in ernstige mate beschadigd zijn; b. niet zijn voorzien van onnodige voorwerpen die het uitzicht van de bestuurder belemmeren. |
Visuele controle. |
| 2. |
Mobiele machines moeten zodanig zijn gebouwd of ingericht dat er vanaf de bestuurderszitplaats voldoende uitzicht naar voren en opzij is. |
Visuele controle, door een persoon van gemiddeld gestalte die op gebruikelijke wijze is gezeten op de voor hem in de juiste rijstand gestelde bestuurderszitplaats. Hierbij is het toegestaan dat de bestuurder zittende op de bestuurdersplaats zich zijwaarts verplaatst om de onderbreking van het zicht te beperken. In geval van twijfel wordt gemeten volgens de volgende methode: – vanuit een punt op de grond recht onder de oogpunten van de bestuurder wordt een halve denkbeeldige cirkel getrokken van 12,00 m; – naar voren gezien mogen binnen een afstand van 9,50 m op dezelfde hoogte als de denkbeeldige cirkel één of twee objecten van maximaal 0,70 m breed zijn afgeschermd. Een onderbreking van het zicht op de cirkel met een straal van 12,00 m vanuit de oogpunten van de bestuurder, buiten het zicht naar voren binnen 9,50 m, zowel links als rechts, mag niet groter zijn dan 5,5 m gemeten op de omtrek van die cirkel. |
| 3. |
Om te voldoen aan het tweede lid mogen ook voorzieningen voor indirect zicht worden gebruikt. |
|
Artikel 5.7a.43
| Eisen |
Wijze van keuren |
| Mobiele machines met een voorruit, moeten zijn voorzien van een goed werkende ruitenwisserinstallatie die de bestuurder voldoende uitzicht geeft. De installatie mag niet door handkracht worden aangedreven. |
Visuele controle. Indien bij het in werking stellen van de installatie ten minste één stand, niet zijnde een intervalstand, werkt, blijft verdere controle achterwege. |
Artikel 5.7a.45
|
Eisen |
Wijze van keuren |
| 1. |
Mobiele machines moeten zijn voorzien van een linkerbuitenspiegel of camera-monitorsysteem. |
Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 136a van toepassing. |
| 2. |
Mobiele machines moeten zijn voorzien van een rechterbuitenspiegel of camera-monitorsysteem. |
Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 137a van toepassing. |
| 3. |
Mobiele machines moeten zijn voorzien van spiegels waarmee de bestuurder het wegdek naast het voertuig aan de linker- en rechterzijde kan overzien of camera-monitorsysteem. |
Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 142a van toepassing. |
| 4. |
Indien een spiegel als bedoeld in het derde lid of camera-monitorsysteem is gemonteerd, moet deze zodanig zijn aangebracht dat geen enkel punt van de spiegel, camera-monitorsysteem of van de steun waarop deze is gemonteerd, zich op een hoogte van minder dan 2,00 m boven het wegdek bevindt. Indien de hoogte van de cabine zodanig is dat niet aan dit voorschrift kan worden voldaan, mag het voertuig niet van een spiegel als bedoeld in het derde lid zijn voorzien. |
Leden 4 tot en met 6: visuele controle. |
| 5. |
De spiegels en camera-monitorsystemen moeten deugdelijk zijn bevestigd. |
|
| 6. |
Het spiegelglas van de verplichte spiegels mag geen verschijnselen van breuk vertonen en mag niet in ernstige mate zijn verweerd. |
|
| 7. |
Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op mobiele machines met een maximumconstructiesnelheid van ten hoogste 25 km/h waarbij de bestuurder de vereiste gezichtsvelden, bedoeld in bijlage VIII, artikelen 136a en 137a, kan verkrijgen door direct zicht. |
Leden 7 en 8: visuele controle, door een persoon van gemiddeld gestalte die op gebruikelijke wijze zit of staat, waarbij een aanwezige zitplaats in de juiste rijstand is afgesteld. Hierbij mogen het hoofd en bovenlichaam bewogen worden. In geval van twijfel wordt gemeten. |
| 8. |
Het derde lid is niet van toepassing op mobiele machines waarbij de bestuurder de vereiste gezichtsvelden, bedoeld in bijlage VIII, artikel 142a, kan verkrijgen door direct zicht. |
|
Artikel 5.7a.46
| Eisen |
Wijze van keuren |
| De zitplaatsen van mobiele machines moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. De verstelinrichtingen van de zitplaatsen moeten goed kunnen worden vergrendeld. |
Visuele controle. |
Artikel 5.7a.47
| Eisen |
Wijze van keuren |
| Indien mobiele machines zijn voorzien van gordels, moeten deze: a. deugdelijk zijn bevestigd en mogen deze niet zijn beschadigd. Het pluizen van de gordel wordt niet gezien als een beschadiging; en b. zijn voorzien van een goed werkende sluiting en een goed werkende blokkering. Oprolmechanismen moeten zodanig functioneren dat de gordel aanligt na het omdoen ervan. |
– Onderdeel a: visuele controle, waarbij een eventuele rolgordel volledig wordt uitgetrokken. – Onderdeel b: visuele controle. Hierbij wordt de gordel in de sluiting gebracht. Indien de gordel is voorzien van een oprolmechanisme wordt de gordel omgedaan. De blokkering wordt gecontroleerd door te trekken aan de gordel indien dit geen uitsluitsel biedt, moet tijdens een remproef op de weg het blokkeren van de gordel worden gecontroleerd. |
Artikel 5.7a.48
| 1. |
Scherpe of uitstekende delen aan de voor- en achterzijde van mobiele machines die in geval van botsing het gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers aanzienlijk kunnen vergroten, moeten zijn afgeschermd. |
Visuele controle. |
| 2. |
Scherpe of uitstekende delen aan de zijkanten van mobiele machines die in geval van botsing het gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers aanzienlijk kunnen vergroten, moeten zijn afgeschermd. |
Visuele controle, waarbij het beoordelingsgebied is gelegen aan beide zijkanten en wordt begrensd door de buitenrand van het voertuig uitgezonderd de delen die gelegen zijn op meer dan 80 mm vanaf de buitenrand van het voertuig in de richting van het middenlangsvlak. De buitenrand van het voertuig is de zijrand van het voertuig die met een verticale lijn met een lengte van 2 m, haaks op het middenlangsvlak van het voertuig, als eerste wordt geraakt. De bolling van de banden boven het wegdek wordt daarbij buiten beschouwing gelaten. Voor de buitenrand van het beoordelingsgebied van het voertuig die in de lengterichting achter de grootste breedte is gelegen wordt de grootste breedte van het voertuig gehanteerd. De bolling van de banden boven het wegdek wordt daarbij buiten beschouwing gelaten. De delen van het voertuig gelegen achter de grootste breedte van het voertuig en die een snij- of prikfunctie hebben en direct raakbaar zijn met de verticale 2 m lijn moeten zijn afgeschermd, ook als die zijn gelegen buiten het beoordelingsgebied. |
| 3. |
Onverminderd het tweede lid mag het buitenoppervlak aan elke zijkant van de mobiele machine geen naar buiten gerichte delen bevatten waaraan andere weggebruikers kunnen blijven haken. |
Leden 3 en 4: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. |
| 4. |
Het eerste tot en met derde lid zijn niet van toepassing op voertuigdelen die zich hoger dan 2,00 m boven het wegdek bevinden. |
|
| 5. |
Het tweede en derde lid zijn niet van toepassing op: a. buitenachteruitkijkspiegels, met inbegrip van de steunen ervan; b. rupskettingen en delen van een rupsband of -ketting die zich bevinden in het door de buitenste rand van de rupsband; c. wielen en wielafschermingen die zich bevinden in het door de buitenzijkant van de banden gevormde verticale vlak; d. opstappen en treden, met inbegrip van de steunen ervan; e. mechanische, elektrische, pneumatische of hydraulische verbindingen, met inbegrip van de steunen ervan; f. scharnierstructuren op inklapbare kantelbeveiligingsinrichtingen; g. bandenspanningsmeters en inrichtingen of leidingen om de banden op te pompen of leeg te laten lopen; h. antislipinrichtingen op de wielen; i. delen, niet zijnde direct raakbare delen met een snij- of prikfunctie, die zijn gemarkeerd met een breedtemarkering die voldoet aan de in bijlage VIII, artikelen 132 en 133, gestelde eisen; en j. zijrichtingaanwijzers, markeringslichten, stads- en achterlichten, parkeerlichten, retroreflectoren, markeringen van de breedte aan de voor- en achterzijde van het voertuig en de rode reflector in de vorm van een afgeknotte driehoek. |
|
| 6. |
De wielen onderscheidenlijk banden van mobiele machines met een maximumconstructiesnelheid van meer dan 40 km/h, niet zijnde voertuigen breder dan 2,55 m waarbij de montage van afscherming onverenigbaar is in verband met de noodzakelijke bewegingsvrijheid van de wielen in ruw terrein, moeten aan de bovenzijde voor ten minste twee derde deel van de totale breedte van de banden zijn afgeschermd, onverminderd het bepaalde in artikel 5.18.32, tweede lid. De voorste en de achterste rand van de afscherming moeten een hoek van ten minste 90 graden afdekken. |
Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. |
| 7. |
De wielen onderscheidenlijk banden van mobiele machines mogen niet aanlopen. |
Leden 7 en 8: Visuele controle. |
| 8. |
Geen deel van de buitenzijde van de mobiele machine mag zodanig zijn bevestigd, beschadigd, versleten of door corrosie zijn aangetast, dat gevaar bestaat voor losraken. |
|
Artikel 5.7a.51