Regeling tot uitvoering de hoofdstukken III en VI van de Wegenverkeerswet 1994 (Regeling voertuigen)

Type Ministeriële regeling
Publication 2026-01-01
Laatst bijgewerkt 2026-05-14
State In force
Source BWB
artikelen 3776
Wijzigingsgeschiedenis JSON API
5.

Van het eerste lid, onderdeel a, onder 5° en 11°, punt 6, van VN/ECE-reglement nr. 74 en punt 2.3 uit bijlage IX van verordening nr. 3/2014 kan, voor wat betreft de voorschriften over de plaats in de hoogte en de breedte van achterretroreflectoren, achterrichtingaanwijzers, stoplichten en achterlichten op een bijzondere bromfiets, worden afgeweken als een bijzondere bromfiets naar het oordeel van de RDW door zijn constructie redelijkerwijs niet aan deze voorschriften kan voldoen.

6.

Bij toepassing van het vijfde lid voldoet de geometrische zichtbaarheid van de achterretroreflectoren, achterrichtingaanwijzers, stoplichten en achterlichten op een bijzondere bromfiets in afwijking van het eerste lid, onderdeel a, onder 5° en 11°, punt 6, van VN/ECE-reglement nr. 74 en punt 2.3 uit bijlage IX van verordening nr. 3/2014 aan de eis van artikel 1 van bijlage III.

Afdeling 6. Nationale goedkeuringen mobiele machines

Afdeling 7. Voorlopige nationale individuele goedkeuringen bij nieuwe technologieën of nieuwe concepten

Afdeling 8. Nationale goedkeuringen voor systemen, onderdelen, technische eenheden, voertuigdelen, uitrustingsstukken, en voorzieningen ter bescherming van inzittenden van voertuigen en kwetsbare weggebruikers

Artikel 3.11.3
1.

Een fabrikant die een bijzondere bromfiets die deel uitmaakt van een voorraad en die niet op de markt kan worden aangeboden of niet langer op de markt kan worden aangeboden of in het verkeer kan worden gebracht omdat nieuwe technische voorschriften in werking zijn getreden waarvoor die niet is goedgekeurd toch nog op de markt wil aanbieden of in de handel wil brengen, kan, zo spoedig mogelijk nadat de goedkeuring ongeldig is geworden, daarvoor een verzoek indienen bij de Dienst Wegverkeer.

2.

Het eerste lid is alleen van toepassing op bijzondere bromfietsen die zich op het Nederlandse grondgebied bevinden en waarvoor ten tijde van hun productie een geldige nationale typegoedkeuring was verleend, maar die niet op de markt zijn aangeboden of in het verkeer zijn gebracht voor deze nationale typegoedkeuring ongeldig werd.

3.

Ten aanzien van het verzoek en de behandeling ervan is artikel 44 van verordening (EU) 168/2013 en artikel 3.11.1, tweede en derde lid, van overeenkomstige toepassing.

Artikel 3.11.4
1.

Uiterlijk twee weken nadat de geldigheid van een aanwijzing die is verleend op grond van artikel 20b van de WVW 1994 zoals die luidde tot 1 januari 2024 is vervallen, verstrekt de fabrikant een overzicht van het aantal op basis van de aanwijzing geproduceerde bijzondere bromfietsen in de periode na inwerkingtreding van deze bepaling tot het moment waarop de aanwijzing is vervallen en die nog niet tot de weg zijn toegelaten, aan de Dienst Wegverkeer op een door de Dienst Wegverkeer te bepalen wijze.

2.

In het kader van de controle omtrent de juistheid van het verstrekte overzicht bepaalt de Dienst Wegverkeer:

  • a. dat de fabrikant de Dienst Wegverkeer in de gelegenheid stelt op een door deze dienst te bepalen wijze een controle uit te voeren, of

Hoofdstuk 4. Aanwijzing artikelen uit EU-verordeningen en -richtlijnen als bedoeld in artikel 29 en 31 van de wet waarvoor inbreuken tot sancties aanleiding geven

Hoofdstuk 5. Permanente eisen

Afdeling 1a. Vaststelling kenmerken voertuigen

Afdeling 2. Personenauto’s

§ 7. Stuurinrichting

Afdeling 3. Bedrijfsauto’s

Afdeling 3a. Bussen

Afdeling 4. Motorfietsen

§ 5. Assen

Afdeling 5. Driewielige motorrijtuigen

Afdeling 6. Bromfietsen

§ 5. Assen

§ 11. Verbinding tussen bromfiets en aanhangwagen

Afdeling 6a. Bijzondere bromfietsen

Artikel 5.6a.0

Een bijzondere bromfiets moet voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren, waarbij in voorkomend geval bijlage VIII van toepassing is.

Artikel 5.6a.1
Eisen Wijze van keuren
1. De bijzondere bromfiets moet in overeenstemming zijn met de op de voor het voertuig afgegeven kentekencard, dan wel het kentekenbewijs en in het kentekenregister vermelde gegevens omtrent het voertuig. Leden 1 tot en met 5: visuele controle.
2. Bijzondere bromfietsen moeten zijn voorzien van een voertuigidentificatienummer dat in het frame, in het chassis of in een vergelijkbare constructie is ingeslagen en goed leesbaar is.
3. Bijzondere bromfietsen moeten zijn voorzien van een constructieplaat waarop de volgende gegevens zijn vermeld: a. de naam of handelsnaam van de fabrikant; b. de voertuigcategorie; c. het nationale typegoedkeuringsnummer of het unieke nummer van de aanwijzing; d. het voertuigidentificatienummer; e. het geluidsniveau tijdens stilstand onder de volgende vorm: ‘… dB(A) – … min-1’ (in het geval van voertuigen die niet worden onderworpen aan de test van het geluidsniveau tijdens stilstand, wordt het volgende vermeld: ‘- – - dB(A) – – - – min-1’); f. het motorvermogen onder de volgende vorm: ‘… kW’; g. de door de constructie bepaalde maximumsnelheid onder de volgende vorm: ‘… km/u’; en h. de technisch toelaatbare maximummassa in beladen toestand onder de volgende vorm: ‘max … kg’.
4. In afwijking van het tweede lid behoeven bijzondere bromfietsen die geproduceerd zijn op basis van een aanwijzing die afgegeven is voor 2 mei 2019 niet te zijn voorzien van een constructieplaat.
5. De kentekenplaat is voorzien van het in artikel 5 van het Kentekenreglement voorgeschreven goedgekeurde soort merk en moet deugdelijk aan de achterzijde van het voertuig zijn bevestigd.
6. Het kenteken is goed leesbaar en de kentekenplaat is niet afgeschermd. Visuele controle, waarbij de letters en cijfers volledig zichtbaar zijn indien de waarnemer staat op een afstand van 20,00 m achter het midden van de bijzondere bromfiets.
7. Het vijfde lid is niet van toepassing op aangewezen bijzondere bromfietsen, als bedoeld in artikel 20b van de wet, waarvoor het kenteken op een andere plaats dan de achterzijde is geplaatst als gevolg van artikel 7, elfde lid, van de Regeling kentekens en kentekenplaten.
Artikel 5.6a.3
Eisen Wijze van keuren
1. De langs- en dwarsliggers en chassisversterkingsdelen van het chassisraam, dan wel de daarvoor in de plaats tredende delen van de mee- of zelfdragende carrosserie van bijzondere bromfietsen mogen: a. geen breuken of scheuren vertonen; en b. niet zodanig zijn bevestigd, vervormd of door corrosie aangetast, dat de stijfheid en de sterkte van het chassisraam of van de mee- of zelfdragende carrosserie in gevaar worden gebracht dan wel dat het weggedrag van het voertuig nadelig wordt beïnvloed. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. - Onderdeel a: visuele controle. - Onderdeel b: visuele controle. In geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd.
2. Indien een bijzondere bromfiets is opgebouwd uit een frame met een voor- of achtervork, mag dat frame met die voor- of achtervork: a. geen breuken of scheuren vertonen; b. niet zijn doorgeroest; en c. niet zodanig zijn vervormd dat de stijfheid en de sterkte ervan in gevaar worden gebracht. Leden 2 en 3: visuele controle.
3. De onderdelen die deel uitmaken van het frame of van de zelfdragende constructie moeten deugdelijk zijn bevestigd.
Artikel 5.6a.6
Eisen Wijze van keuren
1. Bijzondere bromfietsen: a. op drie of meer wielen voor individueel vervoer mogen: 1°. niet langer zijn dan 3,00 m; 2°. niet breder zijn dan 1,10 m; 3°. niet hoger zijn dan 2,00 m; b. op minder dan drie wielen voor individueel vervoer mogen: 1°. niet langer zijn dan 3,00 m; 2°. niet breder zijn dan 0,75 m; 3°. niet hoger zijn dan 2,00 m; c. voor personenvervoer of goederenvervoer mogen: 1°. niet langer zijn dan 3,00 m; 2°. niet breder zijn dan 1,15 m; 3°. niet hoger zijn dan 2,00 m. Leden 1 en 2: visuele controle. In geval van twijfel wordt de bijzondere bromfiets gemeten.
2. In afwijking van het eerste lid mogen bijzondere bromfietsen die geproduceerd zijn op basis van een aanwijzing die afgegeven is voor 2 mei 2019, niet breder zijn dan 1,10 m.
Artikel 5.6a.7
Eisen Wijze van keuren
1. De maximale massa in rijklare toestand mag van bijzondere bromfietsen: a. voor individueel vervoer niet meer bedragen dan 125 kg; b. voor personenvervoer of goederenvervoer, indien de bijzondere bromfiets minder dan vier wielen heeft, niet meer bedragen dan 270 kg; en c. voor personenvervoer of goederenvervoer, indien de bijzondere bromfiets vier of meer wielen heeft, niet meer bedragen dan 425 kg. Visuele controle. In geval van twijfel wordt de bijzondere bromfiets gewogen.
2. De bijzondere bromfietsen moeten zijn voorzien van een duidelijk zichtbare vermelding met hoeveel massa de bijzondere bromfiets kan worden beladen zonder dat de technisch toegestane maximummassa wordt overschreden. De technisch toegestane maximummassa is ten hoogste 200 kg voor bijzondere bromfietsen voor individueel vervoer en 565 kg voor bijzondere bromfietsen voor personenvervoer of goederenvervoer. Visuele controle
Artikel 5.6a.8
Eisen Wijze van keuren
1. Bijzondere bromfietsen moeten bij voortduring voldoen aan de op de constructieplaat vermelde maximumconstructiesnelheid, vermeerderd met 4 km/h. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 28 tot en met 29a, van toepassing. In geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd.
2. Bijzondere bromfietsen mogen niet zijn voorzien van een voorziening met het kennelijke doel de controle op de maximumconstructiesnelheid, bedoeld in het eerste lid, te bemoeilijken of te beïnvloeden. Visuele controle, waarbij eventuele aanwezige voorzieningen worden bediend of ingeschakeld. Eventueel wordt de meting opnieuw uitgevoerd.
Artikel 5.6a.12
Eisen Wijze van keuren
1. De accu van bijzondere bromfietsen moet deugdelijk zijn bevestigd. Leden 1 tot en met 3: visuele controle.
2. De elektrische bedrading van bijzondere bromfietsen moet deugdelijk zijn bevestigd en goed zijn geïsoleerd.
3. De stroom kan in geval van gevaar op eenvoudige wijze onderbroken worden.
4. Een defect in de energievoorziening leidt niet tot gevaarlijke situaties.
Artikel 5.6a.12a
Eisen Wijze van keuren
1. Elektrisch aangedreven bijzondere bromfietsen mogen zijn voorzien van een elektromotor met een nominaal continu maximumvermogen van: a. niet meer dan 1 kW als de bijzondere bromfietsen voor individueel vervoer bedoeld zijn; en b. niet meer dan 4 kW als de bijzondere bromfietsen voor personenvervoer of goederenvervoer bedoeld zijn. Visuele controle, door aflezing van de waarde aangegeven op de constructieplaat.
2. De onderdelen van de elektrische aandrijflijn van elektrisch aangedreven bijzondere bromfietsen: a. moeten deugdelijk zijn; b. moeten deugdelijk zijn bevestigd; c. mogen niet zijn beschadigd; d. mogen geen lekkage vertonen; e. moeten goed zijn afgeschermd, met uitzondering van de kabelset; f. moeten goed zijn geïsoleerd. Visuele controle
Artikel 5.6a.13
Eisen Wijze van keuren
1. De motor van bijzondere bromfietsen moet deugdelijk bevestigd zijn. Leden 1 en 2: visuele controle.
2. De motorsteunen mogen niet in ernstige mate zijn beschadigd, de rubbers mogen niet zijn doorgescheurd en de vulkanisatie mag niet geheel zijn losgeraakt.
Artikel 5.6a.15
Eisen Wijze van keuren
De snelheid van bijzondere bromfietsen moet op eenvoudige en doeltreffende wijze regelbaar zijn. Visuele controle.
Artikel 5.6a.16
Eisen Wijze van keuren
1. De voor de transmissie noodzakelijke onderdelen van bijzondere bromfietsen moeten deugdelijk zijn bevestigd. Visuele controle. Een volledig doorgescheurde flexibele koppeling is toegestaan, mits de aandrijfas op zijn plaats blijft.
2. Stofhoezen van aandrijfassen moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten. Leden 2 en 3: visuele controle.
3. De aandrijving van de bijzondere bromfiets met in langsrichting achter elkaar geplaatste wielen mag niet via het voorwiel of de voorwielen plaatsvinden.
Artikel 5.6a.18
Eisen Wijze van keuren
1. De assen van bijzondere bromfietsen moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd en mogen geen breuken of scheuren vertonen. Leden 1 tot en met 4: visuele controle.
2. De assen mogen niet zodanig zijn vervormd dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht.
3. De assen mogen niet zodanig zijn bevestigd, beschadigd of vervormd dat het weggedrag nadelig wordt beïnvloed.
4. De assen mogen niet zodanig door corrosie zijn aangetast, dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht.
Artikel 5.6a.19
Eisen Wijze van keuren
1. De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels van bromfietsen moeten deugdelijk zijn bevestigd. Leden 1 en 2: visuele controle.
2. Stofhoezen van fuseekogels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten.
3. De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels alsmede de overige draaipunten van een volledig onafhankelijke wielophanging mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 46, 47 en 48, van toepassing. Visuele controle. De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel.
4. Indien een gedeelte van de binnenkant van het fuseekogelhuis en van de fuseekogel zichtbaar is doordat de hoes is beschadigd of ontbreekt, mag dit gedeelte geen corrosie vertonen. Indien de hoes is beschadigd of ontbreekt, vindt visuele controle plaats.
Artikel 5.6a.20
Eisen Wijze van keuren
1. De wiellagers van bijzondere bromfietsen mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 49, van toepassing. Visuele controle. De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel.
2. Verschijnselen van slijtage of beschadiging van wiellagers mogen niet hoorbaar of voelbaar zijn. Visuele en auditieve controle waarbij het wiel, al dan niet met behulp van apparatuur, wordt rondgedraaid. Zo nodig wordt een rijproef uitgevoerd.
Artikel 5.6a.24
Eisen Wijze van keuren
1. De wielen, alsmede de onderdelen daarvan, van bijzondere bromfietsen mogen geen breuken, scheuren, ernstige corrosie of ernstige vervorming vertonen. Onderdelen mogen niet loszitten of ontbreken. Lid 1 en 2: visuele controle, terwijl het wiel vrij kan ronddraaien.
2. De wielen onderscheidenlijk velgen moeten met alle daarvoor bestemde bevestigingsmiddelen deugdelijk zijn bevestigd.
Artikel 5.6a.27
Eisen Wijze van keuren
1. De wielen van bijzondere bromfietsen moeten zijn voorzien van luchtbanden. Visuele controle.
2. De banden mogen geen beschadigingen vertonen waarbij het karkas zichtbaar is. Leden 2 tot en met 4: visuele controle, waarbij het wiel wordt rondgedraaid.
3. Over de gehele omtrek en breedte van het loopvlak van de banden moet profilering aanwezig zijn.
4. Het loopvlak van de banden mag geen metalen elementen bevatten die tijdens het rijden daarbuiten kunnen uitsteken.
Artikel 5.6a.28
Eisen Wijze van keuren
1. Indien de bijzondere bromfiets is voorzien van een veersysteem, moet dit systeem goed werken. Visuele controle, waarbij de bromfiets verscheidene keren wordt ingeveerd. In geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd.
2. De onderdelen van het veersysteem mogen geen breuken of scheuren vertonen, mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast en moeten deugdelijk zijn bevestigd. Hieraan wordt voor wat betreft veerschotels voldaan, indien deze niet zijn doorgeroest. Indien een veerschotel is doorgeroest, mag deze niet zijn gerepareerd. Visuele controle.
Artikel 5.6a.29
Eisen Wijze van keuren
1. Bijzondere bromfietsen moeten zijn voorzien van een mechanische stuurinrichting. Leden 1 en 2: visuele controle.
2. Van bijzondere bromfietsen: a. moet de stuurinrichting deugdelijk zijn; b. mogen de stofhoezen niet zodanig beschadigd zijn, dat de hoezen niet meer afdichten; c. moeten koppelingen en verbindingen spelingsvrij zijn; d. moeten de voor de overbrenging van de stuurkrachten noodzakelijke onderdelen deugdelijk zijn bevestigd.
Artikel 5.6a.31
Eisen Wijze van keuren
1. Bijzondere bromfietsen moeten zijn voorzien van een goedwerkend remsysteem, waarvan de onderdelen: a. deugdelijk zijn bevestigd met de daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen; b. niet door corrosie zijn aangetast; c. niet zijn beschadigd, gescheurd of gebroken; en d. geen inwendige of uitwendige lekkage vertonen; e. niet aanlopen; f. niet langs voertuigdelen schuren. Leden 1 en 2: visuele controle, waarbij een rijproef wordt uitgevoerd.
2. Het voertuig mag als gevolg van het remmen of van een snelheidsvermindering geen zijwaartse beweging maken.
3. De remhendel of het rempedaal maakt geen zodanige slag dat deze tot een aanslag kan worden ingedrukt of ingetrapt. Controle waarbij het rempedaal wordt ingetrapt met een kracht van ten hoogste 500 N (50 kg). Bij een remhendel moet dit worden uitgevoerd met de maximale handkracht.
4. De remkabels zijn niet gerafeld en goed gangbaar. Visuele controle, waarbij de rem wordt bediend.
5. De bediening van het remsysteem wordt door geen enkel onderdeel van de bijzondere bromfiets belemmerd. Leden 5 en 6: visuele controle.
6. Indien de bijzondere bromfiets is voorzien van een hydraulisch remsysteem, bevindt het remvloeistofniveau zich niet onder het minimum.
Artikel 5.6a.38
Eisen Wijze van keuren
1. Bijzondere bromfietsen moeten zijn voorzien van een remsysteem waarvan de remvertraging ten minste 4,0 m/s2 bedraagt. Bij twijfel controle door middel van een vertragingsproef, waarbij aan de hand van de afgelegde vertragingsafstand wordt bepaald of aan de vereiste vertraging wordt voldaan.
2. Bijzondere bromfietsen moeten zijn voorzien van ten minste één frictierem. Leden 2 tot en met 5: visuele controle
3. Bijzondere bromfietsen moeten op alle assen geremd zijn.
4. Bijzondere bromfietsen mogen voorzien zijn van een noodstopsysteem.
5. Bijzondere bromfietsen op meer dan twee wielen moeten zijn voorzien van een vastzetinrichting.
6. Het tweede en derde lid zijn niet van toepassing op bijzondere bromfietsen die geproduceerd zijn op basis van een aanwijzing die afgegeven is voor 2 mei 2019.
Artikel 5.6a.41
Eisen Wijze van keuren
1. Permanent aangebrachte inrichtingen aan bijzondere bromfietsen om lading of personen mee te kunnen vervoeren moeten deugdelijk zijn bevestigd. Leden 1 tot met 6: visuele controle.
2. Bijzondere bromfietsen die zijn bedoeld voor individueel vervoer of goederenvervoer bieden geen ruimte voor passagiers.
3. Bijzondere bromfietsen die zijn bedoeld voor personenvervoer hebben ten hoogste acht zitplaatsen voor passagiers. Deze zitplaatsen zijn voorzien van onbeschadigde veiligheidsgordels die deugdelijk bevestigd zijn en een goedwerkende sluiting bevatten.
4. Bijzondere bromfietsen die zijn bedoeld voor personenvervoer of goederenvervoer zijn voorzien van een bestuurdersplaats met bescherming die kan voorkomen dat de bestuurder van het voertuig valt.
5. Bijzondere bromfietsen die zijn bedoeld voor goederenvervoer zijn voorzien van een laadruimte die voldoende sterk is om goederen mee te vervoeren en die is voorzien van middelen om te voorkomen dat goederen tijdens het rijden uit het voertuig kunnen vallen.
6. Indien een bijzondere bromfiets is voorzien van een carrosserie: a. moeten de deuren of kappen die toegang geven tot de personen- of goederenruimte een deugdelijke sluiting hebben, welke sluiting wordt gewaarborgd door goed werkende sloten en scharnieren; b. moeten de deuren en kappen, bedoeld in onderdeel a, op normale wijze vanaf zowel de binnen- als de buitenzijde van het voertuig kunnen worden geopend; c. moet die zijn voorzien van een deugdelijk bevestigde linkerbuitenspiegel waarvan het glas geen verschijnselen van breuk vertoont en niet is verweerd; d. mag deze zijn voorzien van een deugdelijk bevestigde rechterbuitenspiegel; en e. moet die zijn voorzien van een deugdelijk bevestigde achteruitkijkspiegel waarvan het glas geen verschijnselen van breuk vertoont, indien zicht naar achteren mogelijk is.
7. Indien een bijzondere bromfiets is voorzien van een carrosserie met ramen: a. mogen die ramen geen beschadigingen of verkleuringen vertonen; b. mogen die ramen niet zijn voorzien van onnodige voorwerpen die het uitzicht van de bestuurder belemmeren; c. mag de lichtdoorlatendheid van die ruiten niet minder zijn dan 55%; en d. moet de voorruit zijn voorzien van een goed werkende: 1°. ruitenwisserinstallatie die bij inschakeling de bestuurder voldoende uitzicht geeft; 2°. ruitensproeierinstallatie; en 3°. ontwasemings- en ontdooiingsinstallatie, indien het een gesloten carrosserie betreft. Visuele controle, waarbij ten aanzien van onderdeel c in geval van twijfel wordt gemeten.
Artikel 5.6a.48
Eisen Wijze van keuren
1. Bijzondere bromfietsen mogen geen scherpe delen hebben die in geval van botsing gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers kunnen opleveren. Leden 1 tot en met 3: visuele controle.
2. De wielen onderscheidenlijk banden van bijzondere bromfietsen mogen niet aanlopen.
3. Geen deel aan de buitenzijde van een bijzondere bromfiets mag zodanig zijn bevestigd, beschadigd, versleten of door corrosie zijn aangetast, dat gevaar bestaat voor losraken.
Artikel 5.6a.51
Eisen Wijze van keuren
1. Bijzondere bromfietsen moeten zijn voorzien van: a. rode opvallende retroreflecterende lijnmarkering of één of twee rode retroreflectoren, aangebracht aan de achterzijde van het voertuig op een hoogte van minimaal 0,15 m en maximaal 0,90 m; b. witte of gele opvallende retroreflecterende markering of één of twee ambergele zijretroreflectoren, aangebracht aan de zijkant van het voertuig; en c. één of twee witte retroreflectoren aan de voorzijde van het voertuig. Visuele controle; in geval van twijfel wordt gemeten.
2. Bijzondere bromfietsen moeten zijn voorzien van: a. één of twee lichten aan de voorzijde van het voertuig; b. één of twee achterlichten; c. één of twee remlichten; en d. twee richtingaanwijzers aan de voorzijde en twee richtingaanwijzers aan de achterzijde van het voertuig. Visuele controle.
3. Het tweede lid is niet van toepassing op bijzondere bromfietsen zonder carrosserie die geproduceerd zijn op basis van een aanwijzing die afgegeven is voor 2 mei 2019.
Artikel 5.6a.57
Eisen Wijze van keuren
Een bijzondere bromfiets mag voorzien zijn van: Visuele controle.
Artikel 5.6a.59
Eisen Wijze van keuren
1. Het licht aan de voorzijde van een bijzondere bromfiets mag niet anders dan wit of geel stralen. Leden 1 tot en met 4: visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld.
2. Het achterlicht en het remlicht mogen niet anders dan rood stralen.
3. De richtingaanwijzers mogen niet anders dan ambergeel stralen.
4. De dagrijlichten mogen niet anders dan wit stralen.
Artikel 5.6a.64
Eisen Wijze van keuren
1. Bijzondere bromfietsen mogen niet zijn voorzien van verblindende lichten. Leden 1 en 2: visuele controle.
2. Bijzondere bromfietsen mogen, met uitzondering van de richtingaanwijzers, niet zijn voorzien van knipperende lichten.
Artikel 5.6a.65
Eisen Wijze van keuren
Bijzondere bromfietsen mogen niet zijn voorzien van meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de artikelen 5.6a.51 en 5.6a.57 is voorgeschreven of toegestaan. Visuele controle.
Artikel 5.6a.66
Eisen Wijze van keuren
Bijzondere bromfietsen mogen niet zijn voorzien van een inrichting tot het koppelen van een aanhangwagen. Visuele controle.
Artikel 5.6a.71
Eisen Wijze van keuren
1. Bijzondere bromfietsen moeten zijn voorzien van een goed werkende bel of van een goed werkende hoorn met vaste toonhoogte. Visuele en auditieve controle, waarbij de bel dan wel hoorn in werking wordt gesteld.
2. Bijzondere bromfietsen mogen zijn voorzien van een geluidssignaalinrichting die er toe strekt ongeoorloofd gebruik of diefstal van de bromfiets te voorkomen. Leden 2 tot en met 4: visuele en auditieve controle.
3. Bijzondere bromfietsen mogen zijn voorzien van een akoestisch voertuigwaarschuwingssysteem.
4. Bijzondere bromfietsen mogen niet zijn voorzien van andere geluidssignaalinrichtingen dan bedoeld in het eerste tot en met het derde lid.

Afdeling 7. Motorrijtuigen met beperkte snelheid

Afdeling 9. Fietsen

Afdeling 10. Gehandicaptenvoertuigen voorzien van een gesloten carrosserie, alsmede gehandicaptenvoertuigen uitgerust met een verbrandingsmotor en niet voorzien van een gesloten carrosserie

Afdeling 11. Gehandicaptenvoertuigen uitgerust met een elektromotor en niet voorzien van een gesloten carrosserie

Afdeling 12. Aanhangwagens van de voertuigcategorie O met een toegestane maximummassa van meer dan 750 kg

§ 3. Brandstofsystemen en milieu

§ 11. Verbinding tussen trekkend motorvoertuig en aanhangwagen

§ 3. Brandstofsystemen en milieu

§ 6. Ophanging

§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen

Afdeling 15. Motorfietsaanhangwagens en bromfietsaanhangwagens

Afdeling 16. Fietsaanhangwagens

Afdeling 17. Wagens

§ 6. Ophanging

Afdeling 18. Gebruikseisen

Artikel 5.18.26a
1.

Bijzondere bromfietsen voor individueel vervoer op minder dan drie wielen mogen met inbegrip van de lading niet breder zijn dan 0,75 m.

2.

Bijzondere bromfietsen voor individueel vervoer op meer dan twee wielen mogen met inbegrip van de lading niet breder zijn dan 1,10 m.

3.

Bijzondere bromfietsen voor personenvervoer of goederenvervoer mogen met inbegrip van de lading niet breder zijn dan 1,15 m.

4.

In afwijking van het eerste en derde lid mogen bijzondere bromfietsen die geproduceerd zijn op basis van een aanwijzing die afgegeven is voor 2 mei 2019, met inbegrip van de lading niet breder zijn dan 1,10 m.

Artikel 5.18.26b

De op een bijzondere bromfiets vermelde toegestane maximummassa mag niet worden overschreden of de som van de aslasten van het voertuig in beladen toestand mag niet meer bedragen dan de vermelde toegestane maximummassa van het voertuig.

§ 2a. Sneeuwkettingen

Hoofdstuk 6. Wijziging in de goedkeuring van voertuigen

Hoofdstuk 6. Wijziging in de goedkeuring van voertuigen

§ 3. Algemene eisen gesteld aan hulpinrichtingen

Afdeling 4. Specifieke eisen gesteld aan meetmiddelen

§ 1. Roetmeters

§ 6. Remvertragingsmeters

§ 6.1. Algemeen

§ 8. Platenremtestbanken

§ 7.2.7. Eisen aan de extrapolatie-inrichting

§ 7.2.8. Registratie-inrichting

§ 8. Platenremtestbanken

§ 9.3. Technische eisen

§ 8.2.3. Uitvoering

§ 9.3.2. Meetprogramma

§ 9.1. Algemeen

§ 10. Bromfietsrollentestbank

§ 9.3.1. Constructie

§ 9.4. Justeringen

§ 10.1. Algemeen

§ 10.1. Algemeen

§ 10.2. Technische eisen

§ 10.3. De maximale fout

§ 11. Geluidsniveaumeter

§ 11.1. Algemeen

§ 10.5. Gepresenteerde meetwaarden

§ 12. Koplamptestapparaten

Hoofdstuk 9. Ontheffingen

§ 1. Ontheffingen

§ 2. Aanvraag ontheffing

§ 3. Beschikking inzake ontheffing

§ 11. Geluidsniveaumeter

Hoofdstuk 10. Strafbepalingen

Hoofdstuk 11. Overgangs- en slotbepalingen

Bijlage I. behorende bij artikel 2.1, derde lid

Bijlage IIIb. , behorende bij artikel 3.3, tweede lid

Vervallen

Bijlage IIId. , behorende bij artikel 3.11

Vervallen

Bijlage Vb. behorende bij artikel 3.8.1

Bijlage VII. behorende bij de artikelen 3.26, derde lid, en 3.27, eerste lid

Vervallen

Bijlage VI. behorende bij de artikelen 3.1.5 en 6.4, derde lid

Bijlage IX. behorende bij artikel 6.3, tweede, vijfde en zesde lid

De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst:

De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst door middel van visuele controle, zo nodig terwijl het motorvoertuig zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.

Artikel 1.68

Artikel 1.69

Artikel 1.70

§ 2.2.9. Vulaansluiting

De in artikel 1.72 gestelde eisen worden getoetst door middel van visuele controle.

Artikel 1.73

De in artikel 1.72 gestelde eisen worden getoetst door middel van visuele controle.

Artikel 1.72

Artikel 1.73

Artikel 1.75

De automatische afsluitklep moet zodanig functioneren dat de brandstoftoevoer wordt afgesloten zodra de motor door middel van het contact tot stilstand wordt gebracht of, indien het motorvoertuig tevens is voorzien van ander brandstofsysteem, naar de andere brandstofsoort wordt omgeschakeld.

Artikel 1.74

De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst:

Bijlage XI. behorende bij artikel 6.6

Artikel 1.76

§ 2.2.12. Elektrische voorzieningen

Vervallen.

Artikel 1.77

Bijlage XII. , behorend bij artikel 3.23a, vierde lid

Vervallen

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Artikel 3.6.0
1.

Verordening (EU) 167/2013 is van overeenkomstige toepassing op fabrikanten, de wijze waarop een nationale typegoedkeuring als bedoeld in dit hoofdstuk wordt verleend en het toezicht op de conformiteit van de productie, tenzij anders bepaald in deze afdeling of in verband met de uitvoering van deze afdeling, in door de Dienst Wegverkeer vastgestelde alternatieve voorschriften.

2.

In afwijking van verordening (EU) 167/2013 kan een typegoedkeuring voor een mobiele machine tevens worden aangevraagd door en verleend aan een andere marktdeelnemer dan een fabrikant van mobiele machines, indien deze voldoet aan de eisen die voor het indienen van een aanvraag en voor het verlenen van een typegoedkeuring in de verordening en in deze regeling aan de fabrikant worden gesteld.

Artikel 3.6.3a

Mobiele machines met een datum van eerste toelating van voor 1 januari 2021, voldoen voor het verkrijgen van een nationale individuele goedkeuring aan:

  • a. de eisen in:
  • 1°. richtlijn 98/37/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 juni 1998 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten betreffende machines (PbEG 1998, L 207), indien het voertuig in gebruik genomen is na 31 december 1992 en voor 29 december 2009; of
  • b. de in hoofdstuk 5 voor de desbetreffende voertuigcategorie vastgestelde permanente eisen.

§ 1. Algemeen

§ 2. Conformiteitscontroles nationale typegoedkeuring bijzondere bromfietsen en mobiele machines

Artikel 3.9.4

De controle inzake de overeenstemming van de productie van bijzondere bromfietsen en mobiele machines waarvoor een nationale typegoedkeuring is afgegeven gebeurt op een door de Dienst Wegverkeer te bepalen wijze.

Artikel 3.11.3a
1.

Een fabrikant die een mobiele machine die deel uitmaakt van een voorraad en die niet of niet langer op de markt kan worden aangeboden of in het verkeer kan worden gebracht omdat nieuwe technische voorschriften in werking zijn getreden waarvoor die niet is goedgekeurd toch nog op de markt wil aanbieden of in de handel wil brengen, kan, zo spoedig mogelijk nadat de goedkeuring ongeldig is geworden, daarvoor een verzoek indienen bij de Dienst Wegverkeer.

2.

Het eerste lid is alleen van toepassing op mobiele machines die zich op het Nederlandse grondgebied bevinden en waarvoor ten tijde van hun productie een geldige nationale typegoedkeuring was verleend, maar die niet op de markt zijn aangeboden of in het verkeer zijn gebracht voor deze nationale typegoedkeuring ongeldig werd.

3.

Ten aanzien van het verzoek en de behandeling ervan zijn artikel 39 van verordening (EU) 167/2013 en artikel 3.11.1, tweede en derde lid, van overeenkomstige toepassing.

Afdeling 12. Uit de handel nemen of terugroepen

Hoofdstuk 4. Aanwijzing artikelen uit EU-verordeningen en -richtlijnen als bedoeld in artikel 29 en 31 van de wet waarvoor inbreuken tot sancties aanleiding geven

Hoofdstuk 5. Permanente eisen

Afdeling 1b. Algemene bepalingen wijze van keuren

§ 2. Afmetingen en massa’s

§ 9. Carrosserie

Afdeling 3. Bedrijfsauto’s

Artikel 5.3.8
Eisen Wijze van keuren
1. Bedrijfsauto’s met een maximumconstructiesnelheid van ten hoogste 25 km/h voldoen bij voortduring aan de in het kentekenregister vermelde maximumconstructiesnelheid, vermeerderd met 5 km/h. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 29a, van toepassing. In geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd.
2. Bedrijfsauto’s met een maximumconstructiesnelheid van ten hoogste 25 km/h mogen niet zijn voorzien van een voorziening met het kennelijke doel de controle op de maximumconstructiesnelheid, bedoeld in het eerste lid, te bemoeilijken of te beïnvloeden. Visuele controle, waarbij eventuele aanwezige voorzieningen worden bediend of ingeschakeld.

Afdeling 3a. Bussen

Artikel 5.3a.8
Eisen Wijze van keuren
1. Bussen met een maximumconstructiesnelheid van ten hoogste 25 km/h voldoen bij voortduring aan de in het kentekenregister vermelde maximumconstructiesnelheid, vermeerderd met 5 km/h. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 29a, van toepassing. In geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd.
2. Bussen met een maximumconstructiesnelheid van ten hoogste 25 km/h mogen niet zijn voorzien van een voorziening met het kennelijke doel de controle op de maximumconstructiesnelheid, bedoeld in het eerste lid, te bemoeilijken of te beïnvloeden. Visuele controle, waarbij eventuele aanwezige voorzieningen worden bediend of ingeschakeld.

Afdeling 4. Motorfietsen

Afdeling 5. Driewielige motorrijtuigen

§ 5. Assen

Afdeling 6. Bromfietsen

Afdeling 6a. Bijzondere bromfietsen

Afdeling 7. Motorrijtuigen met beperkte snelheid

Afdeling 7a. Mobiele machines

Afdeling 8. Landbouw- of bosbouwtrekkers

§ 7. Stuurinrichting

Afdeling 10. Gehandicaptenvoertuigen voorzien van een gesloten carrosserie, alsmede gehandicaptenvoertuigen uitgerust met een verbrandingsmotor en niet voorzien van een gesloten carrosserie

Afdeling 12. Aanhangwagens van de voertuigcategorie O met een toegestane maximummassa van meer dan 750 kg

Artikel 5.12.46
Eisen Wijze van keuren
De zitplaatsen van aanhangwagens met een maximumconstructiesnelheid van ten hoogste 25 km/h ingericht voor het vervoer van personen moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. De verstelinrichtingen van de zitplaatsen moeten goed kunnen worden vergrendeld. Visuele controle.
Artikel 5.12.47
Eisen Wijze van keuren
Indien aanhangwagens met een maximumconstructiesnelheid van ten hoogste 25 km/h ingericht voor het vervoer van personen zijn voorzien van gordels, moeten deze: a. deugdelijk zijn bevestigd en mogen deze niet zijn beschadigd. Het pluizen van de gordel wordt niet gezien als een beschadiging; en b. zijn voorzien van een goed werkende sluiting en een goed werkende blokkering. Oprolmechanismen moeten zodanig functioneren dat de gordel aanligt na het omdoen ervan. – Onderdeel a: visuele controle, waarbij een eventuele rolgordel volledig wordt uitgetrokken. – Onderdeel b: visuele controle. Hierbij wordt de gordel in de sluiting gebracht. Indien de gordel is voorzien van een oprolmechanisme wordt de gordel omgedaan. De blokkering wordt gecontroleerd door te trekken aan de gordel; indien dit geen uitsluitsel biedt, wordt tijdens een remproef op de weg het blokkeren van de gordel gecontroleerd.

Afdeling 13. Aanhangwagens van de voertuigcategorie O met een toegestane maximummassa van niet meer dan 750 kg

Artikel 5.13.46
Eisen Wijze van keuren
De zitplaatsen van aanhangwagens met een maximumconstructiesnelheid van ten hoogste 25 km/h ingericht voor het vervoer van personen moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. De verstelinrichtingen van de zitplaatsen moeten goed kunnen worden vergrendeld. Visuele controle.
Artikel 5.13.47
Eisen Wijze van keuren
Indien aanhangwagens met een maximumconstructiesnelheid van ten hoogste 25 km/h ingericht voor het vervoer van personen zijn voorzien van gordels, moeten deze: a. deugdelijk zijn bevestigd en mogen deze niet zijn beschadigd. Het pluizen van de gordel wordt niet gezien als een beschadiging; en b. zijn voorzien van een goed werkende sluiting en een goed werkende blokkering. Oprolmechanismen moeten zodanig functioneren dat de gordel aanligt na het omdoen ervan. – Onderdeel a: visuele controle, waarbij een eventuele rolgordel volledig wordt uitgetrokken. – Onderdeel b: visuele controle. Hierbij wordt de gordel in de sluiting gebracht. Indien de gordel is voorzien van een oprolmechanisme wordt de gordel omgedaan. De blokkering wordt gecontroleerd door te trekken aan de gordel; indien dit geen uitsluitsel biedt, wordt tijdens een remproef op de weg het blokkeren van de gordel gecontroleerd.

Afdeling 14. Landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken

Artikel 5.14.39
Eisen Wijze van keuren
1. Landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken die in gebruik zijn genomen na 31 december 2017 en zijn voorzien van een reminrichting, moeten zijn voorzien van een parkeerremsysteem. Leden 1 en 2: visuele controle, terwijl het voertuig zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt, waarbij het parkeerremsysteem wordt bediend.
2. Indien een landbouw- of bosbouwaanhangwagen of verwisselbaar getrokken uitrustingsstuk is voorzien van een parkeerremsysteem, moet het goed werken en in werking kunnen worden gesteld door iemand die buiten het voertuig staat. De werking van de parkeerrem moet ook gewaarborgd zijn na loskoppeling van het trekkende voertuig.
Artikel 5.14.67a
Eisen Wijze van keuren
1. Indien de aanhangwagen is voorzien van een kogelkoppeling met een nominale inwendige diameter van: a. 50 mm mag de inwendige diameter van de kogelkoppeling niet meer dan 51,0 mm bedragen; b. 80 mm mag de inwendige diameter van de kogelkoppeling niet meer dan 81,5 mm bedragen; c. 110 mm mag de inwendige diameter van de kogelkoppeling niet meer dan 112,0 mm bedragen. Er wordt in alle richtingen gemeten met een geschikt meetmiddel, bijvoorbeeld een kaliber of slijtage-indicator. Indien gebruik wordt gemaakt van een koppelingskogel in combinatie met de slijtage-indicator op de kogelkoppeling, wordt de slijtage afgelezen.
2. Indien de aanhangwagen is voorzien van een koppelingskogel met een nominale uitwendige diameter van 150 mm, moet de diameter van de kogel ten minste 148,5 mm bedragen. Het bolvormige gedeelte wordt gemeten met een geschikt meetmiddel.

Afdeling 15. Motorfietsaanhangwagens en bromfietsaanhangwagens

§ 2. Afmetingen en massa’s

§ 6. Ophanging

Afdeling 17. Wagens

§ 2. Afmetingen en massa’s

Afdeling 18. Gebruikseisen

B. Motorfietsen en motorfietsaanhangwagens

Artikel 5.18.63
1.

In het trekkend voertuig dat een samenstel vormt met één of meer aanhangwagens die zijn ingericht voor het vervoer van personen is per mogelijke indeling op een goed zichtbare plaats aangegeven voor welke hellingsgraad het samenstel geschikt is. Indien de maximummassa van het samenstel afhankelijk is van een bepaalde hellingsgraad, moet dan zijn aangegeven. De bestuurder neemt de hiervoor bedoelde grenzen in acht.

2.

Het trekkend voertuig dat een samenstel vormt met één of meer aanhangwagens die zijn ingericht voor het vervoer van personen is voorzien van ten minste één draagbaar blustoestel met een inhoud van ten minste 2 kg ABC-bluspoeder.

Hoofdstuk 6. Wijziging in de goedkeuring van voertuigen

§ 2. Eisen wijziging in de constructie

Hoofdstuk 7. Schadevoertuigen

Hoofdstuk 7. Schadevoertuigen

Afdeling 2. Aanwijzing en erkenning instellingen

§ 1. Keuringsinstellingen

§ 1. Keuringsinstellingen

Afdeling 3. Algemene eisen gesteld aan meetmiddelen

§ 1. Algemene eisen gesteld aan alle meetmiddelen

§ 3. Algemene eisen gesteld aan hulpinrichtingen

Afdeling 4. Specifieke eisen gesteld aan meetmiddelen

§ 4. Manometers

§ 6. Remvertragingsmeters

§ 6.1. Algemeen

§ 7. Rollenremtestbanken

§ 7.1. Algemeen

§ 7.2. Technische eisen

§ 7.2.5. Aanwijsinrichting

§ 8.1. Algemeen

§ 9. Deeltjestellers

§ 9.3.3. Beveiligingen

§ 9.5. Gecertificeerd kalibratiegas ten behoeve van uitlaatgastesters

§ 10. Bromfietsrollentestbank

§ 9.5. Gecertificeerd kalibratiegas ten behoeve van uitlaatgastesters

§ 10.2. Technische eisen

§ 10.3. De maximale fout

§ 10.4. Uitvoering

§ 10.5. Gepresenteerde meetwaarden

§ 10.5. Gepresenteerde meetwaarden

§ 10.7. Resulterende meetwaarde

§ 10.8. Registratie-inrichting

§ 10.9. Overige

§ 11. Geluidsniveaumeter

§ 11.1. Algemeen

§ 11.1. Algemeen

§ 12. Koplamptestapparaten

Hoofdstuk 9. Ontheffingen

§ 12. Koplamptestapparaten

§ 2. Aanvraag ontheffing

§ 3. Beschikking inzake ontheffing

§ 4. Tarieven

Hoofdstuk 10. Strafbepalingen

Hoofdstuk 10. Strafbepalingen

Bijlage I. behorende bij artikel 2.1, derde lid

Bijlage IIIa. , behorende bij artikel 3.2, derde lid

Vervallen

Bijlage IIIb. , behorende bij artikel 3.3, tweede lid

Vervallen

Bijlage IIIa. , behorende bij artikel 3.2, derde lid

Vervallen

Bijlage VI. behorende bij de artikelen 3.1.5 en 6.4, derde lid

Bijlage VII. behorende bij de artikelen 3.26, derde lid, en 3.27, eerste lid

Vervallen

Bijlage VII. behorende bij de artikelen 3.26, derde lid, en 3.27, eerste lid

Vervallen

Bijlage IX. behorende bij artikel 6.3, tweede, vijfde en zesde lid

De verbindingen moeten op een voor de controle toegankelijke plaats zijn aangebracht, zo nodig na verwijdering van een hoes.

Artikel 1.71

§ 2.2.9. Vulaansluiting

De automatische afsluitklep moet zodanig functioneren dat de brandstoftoevoer wordt afgesloten zodra de motor door middel van het contact tot stilstand wordt gebracht of, indien het motorvoertuig tevens is voorzien van ander brandstofsysteem, naar de andere brandstofsoort wordt omgeschakeld.

De in artikel 1.72 gestelde eisen worden getoetst door middel van visuele controle.

§ 2.2.10. Automatische afsluitklep

§ 2.2.11. Handafsluiter

De in artikel 1.77 gestelde eis wordt getoetst door middel van visuele controle.

§ 2.2.11. Handafsluiter

§ 2.2.12. Elektrische voorzieningen

Bij motorvoertuigen met meer dan één brandstofsysteem moet een brandstofkeuzeschakeling aanwezig zijn die voorkomt dat de motor tegelijkertijd meer dan één brandstofsoort krijgt toegevoerd.

Artikel 1.80

De in de gasdichte behuizing aanwezige elektrische verbindingen en voorzieningen moeten zodanig zijn uitgevoerd dat vonkvorming wordt voorkomen.

Artikel 1.79

Artikel 1.80

Artikel 1.81

Bij motorvoertuigen met meer dan één brandstofsysteem moet een brandstofkeuzeschakeling aanwezig zijn die voorkomt dat de motor tegelijkertijd meer dan één brandstofsoort krijgt toegevoerd.

Artikel 1.82

De in de gasdichte behuizing aanwezige elektrische verbindingen en voorzieningen moeten zodanig zijn uitgevoerd dat vonkvorming wordt voorkomen.

Bijlage XI. behorende bij artikel 6.6

Hoofdstuk 2. Wijziging van de motorbrandstof van een voertuig van een al dan niet tot vloeistof verdicht gas naar benzine of diesel

Artikel 2.1

Indien bij een voertuig als bedoeld in artikel 6.3, lid 3a, van deze regeling, de wijziging van de motorbrandstof plaatsvindt door uitbouw van een LPG-installatie, moeten de volgende onderdelen van deze installatie verwijderd worden:

Artikel 2.2

Bijlage XII. , behorend bij artikel 3.23a, vierde lid

Vervallen

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Artikel 6.11

Bij wijziging in de constructie van een bijzondere bromfiets waardoor de gevoeligheid voor elektromagnetische invloeden van het voertuig of de uitstraling van elektromagnetische straling door het voertuig beïnvloed wordt, moet dat voertuig na wijziging voldoen aan de in hoofdstuk 3, afdeling 4, opgenomen eisen, voor zover die eisen verband houden met de aangebrachte wijziging.

Hoofdstuk 8. Meetmiddelen

Afdeling 1. Algemeen

§ 1. Algemene bepalingen

Afdeling 3. Algemene eisen gesteld aan meetmiddelen

§ 3. Algemene eisen gesteld aan hulpinrichtingen

Afdeling 4. Specifieke eisen gesteld aan meetmiddelen

§ 2. Toerentellers

§ 7. Rollenremtestbanken

§ 7.2.1. Controle-inrichting

§ 7.2.2. De maximale fout

§ 7.2.4. Gepresenteerde meetwaarden

§ 7.2.7. Eisen aan de extrapolatie-inrichting

§ 8.2.3. Uitvoering

§ 9. Deeltjestellers

§ 9.3.3. Beveiligingen

§ 10.4. Uitvoering

§ 10.6. Aanwijsinrichting

§ 10.6. Aanwijsinrichting

§ 10.7. Resulterende meetwaarde

§ 10.8. Registratie-inrichting

§ 11.1. Algemeen

§ 11.2. Technische eisen

§ 12. Koplamptestapparaten

Hoofdstuk 9. Ontheffingen

§ 1. Ontheffingen

§ 1. Ontheffingen

§ 2. Aanvraag ontheffing

§ 3. Beschikking inzake ontheffing

Hoofdstuk 10. Strafbepalingen

Hoofdstuk 11. Overgangs- en slotbepalingen

Bijlage II. behorende bij artikel 2.2, tweede lid

Bijlage VI. behorende bij de artikelen 3.1.5 en 6.4, derde lid

Bijlage VIII. behorende bij hoofdstuk 5

Bijlage IX. behorende bij artikel 6.3, tweede, vijfde en zesde lid

Bijlage X. behorende bij artikel 6.3, lid 3a, en vierde lid

Model herkenningsteken aanwezigheid CNG-installatie in een bus.

De in artikel 1.58 gestelde eisen worden getoetst:

De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst:

§ 2.2.8. Gasvoerende verbindingen tussen de diverse CNG-onderdelen

De verbindingen moeten op een voor de controle toegankelijke plaats zijn aangebracht, zo nodig na verwijdering van een hoes.

De automatische afsluitklep moet zodanig functioneren dat de brandstoftoevoer wordt afgesloten zodra de motor door middel van het contact tot stilstand wordt gebracht of, indien het motorvoertuig tevens is voorzien van ander brandstofsysteem, naar de andere brandstofsoort wordt omgeschakeld.

Artikel 1.75

De automatische afsluitklep moet zodanig functioneren dat de brandstoftoevoer wordt afgesloten zodra de motor door middel van het contact tot stilstand wordt gebracht of, indien het motorvoertuig tevens is voorzien van ander brandstofsysteem, naar de andere brandstofsoort wordt omgeschakeld.

De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst:

Artikel 1.78

De in artikel 1.77 gestelde eis wordt getoetst door middel van visuele controle.

§ 2.2.12. Elektrische voorzieningen

Bij motorvoertuigen met meer dan één brandstofsysteem moet een brandstofkeuzeschakeling aanwezig zijn die voorkomt dat de motor tegelijkertijd meer dan één brandstofsoort krijgt toegevoerd.

Artikel 1.83

Indien bij een voertuig als bedoeld in artikel 6.3, lid 3a, van deze regeling, de wijziging van de motorbrandstof plaatsvindt door uitbouw van een LPG-installatie, moeten de volgende onderdelen van deze installatie verwijderd worden:

Artikel 2.1

Indien bij een voertuig als bedoeld in artikel 6.3, lid 3a, van deze regeling, de wijziging van de motorbrandstof plaatsvindt door uitbouw van een LPG-installatie, moeten de volgende onderdelen van deze installatie verwijderd worden:

Bijlage XI. behorende bij artikel 6.6

Artikel 1

Vervallen.

Artikel 1

Bijlage XI. behorende bij artikel 6.6

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Artikel 5.9.8
Fietsen met trapondersteuning mogen niet zijn voorzien van een voorziening met het kennelijke doel de controle op het vermogen of het functioneren van de trapondersteuning, bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel h, van verordening 168/2013, te bemoeilijken of te beïnvloeden. Visuele controle, waarbij eventuele aanwezige voorzieningen worden bediend of ingeschakeld. Eventueel wordt een snelheidsmeting opnieuw uitgevoerd.

Afdeling 10. Gehandicaptenvoertuigen voorzien van een gesloten carrosserie, alsmede gehandicaptenvoertuigen uitgerust met een verbrandingsmotor en niet voorzien van een gesloten carrosserie

Afdeling 11. Gehandicaptenvoertuigen uitgerust met een elektromotor en niet voorzien van een gesloten carrosserie

Afdeling 15. Motorfietsaanhangwagens en bromfietsaanhangwagens

Afdeling 18. Gebruikseisen

§ 0. Algemeen

§ 3. Reminrichting

Hoofdstuk 8. Meetmiddelen

Afdeling 1. Algemeen

Afdeling 2. Aanwijzing en erkenning instellingen

§ 3. Instellingen voor het certificeren van kalibratiegas

Afdeling 3. Algemene eisen gesteld aan meetmiddelen

Afdeling 4. Specifieke eisen gesteld aan meetmiddelen

§ 1.2.10. Meetprogramma

§ 2. Toerentellers

§ 2.2. Technische eisen

§ 5. Pedaalkrachtmeters

§ 7.2.5. Aanwijsinrichting

§ 8. Platenremtestbanken

§ 9. Deeltjestellers

§ 10.4. Uitvoering

§ 10.9. Overige

§ 11. Geluidsniveaumeter

§ 11.2. Technische eisen

Hoofdstuk 9. Ontheffingen

§ 4. Tarieven

Hoofdstuk 11. Overgangs- en slotbepalingen

Bijlage IIIc. , behorende bij artikel 3.4, tweede lid

Vervallen

Bijlage VI. behorende bij de artikelen 3.1.5 en 6.4, derde lid

Bijlage VII. behorende bij de artikelen 3.26, derde lid, en 3.27, eerste lid

Vervallen

Bijlage VIII. behorende bij hoofdstuk 5

Bijlage X. behorende bij artikel 6.3, lid 3a, en vierde lid

De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst:

De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst door middel van visuele controle, zo nodig terwijl het motorvoertuig zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.

De in artikel 1.77 gestelde eis wordt getoetst door middel van visuele controle.

De in de gasdichte behuizing aanwezige elektrische verbindingen en voorzieningen moeten zodanig zijn uitgevoerd dat vonkvorming wordt voorkomen.

Indien bij een voertuig als bedoeld in artikel 6.3, lid 3a, van deze regeling, de wijziging van de motorbrandstof plaatsvindt door uitbouw van een CNG-installatie, moeten de volgende onderdelen van deze installatie verwijderd worden:

Bijlage XI. behorende bij artikel 6.6

Vervallen.

T100-bussen

Bijlage XII. , behorend bij artikel 3.23a, vierde lid

Vervallen

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Bijlage Va. behorende bij artikel 3.9, tweede lid

Vervallen

Bijlage Vb. behorende bij artikel 3.8.1

Bijlage VII. behorende bij de artikelen 3.26, derde lid, en 3.27, eerste lid

Vervallen

Bijlage VIII. behorende bij hoofdstuk 5

Bijlage X. behorende bij artikel 6.3, lid 3a, en vierde lid

De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst door middel van visuele controle, zo nodig terwijl het motorvoertuig zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.

In de CNG-installatie mogen ten hoogste twee extra handafsluiters worden geplaatst als:

Artikel 1.83

Indien bij een voertuig als bedoeld in artikel 6.3, lid 3a, van deze regeling, de wijziging van de motorbrandstof plaatsvindt door uitbouw van een CNG-installatie, moeten de volgende onderdelen van deze installatie verwijderd worden:

Artikel 1

Vervallen.

Artikel 2

Bijlage XII. , behorend bij artikel 3.23a, vierde lid

Vervallen

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)