Regeling tot uitvoering de hoofdstukken III en VI van de Wegenverkeerswet 1994 (Regeling voertuigen)
Artikel 3. Vaststelling met afzonderlijk onderzoek voertuig
Indien de vaststelling van de datum van eerste toelating geschiedt in het kader van de aanvraag tot inschrijving met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld aan de hand van het in bijlage I vastgestelde voertuigidentificatienummer en overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 10 van deze bijlage.
Artikel 4. Vaststelling datum eerste toelating indien het voertuig niet eerder in gebruik is genomen en niet eerder is geregistreerd.
Artikel 5. Identificatie
Artikel 6. Nader onderzoek
Wijze van vaststelling, toekenning en inslag van het voertuigidentificatienummer
Hoofdstuk 1. Vaststelling en toekenning van het voertuigidentificatienummer
§ 1. Algemeen
Indien de vastgestelde datum van eerste toelating na de datum van het onderzoek van het voertuig ligt, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld op de datum van het onderzoek.
Wijze van vaststelling, toekenning en inslag van het voertuigidentificatienummer
Indien een voertuig in gebruik is genomen en niet eerder is geregistreerd, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld,overeenkomstig het bepaalde in artikel 7.
§ 1. Algemeen
Wijze van vaststelling, toekenning en inslag van het voertuigidentificatienummer
Hoofdstuk 1. Vaststelling en toekenning van het voertuigidentificatienummer
Indien vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt in het kader van de aanvraag van een inschrijving, dan wel inschrijving en tenaamstelling, met gebruikmaking van de bevoegdheid bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel a, met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, voor een individuele goedkeuring, dan wel voor een ander onderzoek, wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 10.
Artikel 1. Begripsbepalingen
Wijze van vaststelling, toekenning en inslag van het voertuigidentificatienummer
Hoofdstuk 1. Vaststelling en toekenning van het voertuigidentificatienummer
Indien vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt in het kader van de aanvraag van een inschrijving, dan wel inschrijving en tenaamstelling, met gebruikmaking van de bevoegdheid bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel a, met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, voor een individuele goedkeuring, dan wel voor een ander onderzoek, wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 10.
Artikel 1. Begripsbepalingen
In deze bijlage wordt verstaan onder:
§ 2. Voertuigen
Artikel 2. Vaststelling voertuigidentificatienummer zonder afzonderlijk onderzoek voertuig
Indien de vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat gebruik maakt van de bevoegdheid, bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel a, van het Kentekenreglement, wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld op basis van door de aanvrager verstrekte gegevens.
Artikel 3. Vaststelling voertuigidentificatienummer met afzonderlijk onderzoek voertuig
Indien vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt in het kader van de aanvraag van een inschrijving, dan wel inschrijving en tenaamstelling, met gebruikmaking van de bevoegdheid bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel a, met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, voor een individuele goedkeuring, dan wel voor een ander onderzoek, wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 10.
Artikel 4. Toegekende en vastgestelde voertuigidentificatienummer
In aanvulling op de artikelen 2 en 3, moet het aan het voertuig door de voertuigfabrikant toegekende en door de Dienst Wegverkeer voor hetzelfde voertuig vastgestelde voertuigidentificatienummer op een vast voertuigdeel van het voertuig zijn ingeslagen. Indien het voertuig niet van een ingeslagen voertuigidentificatienummer is voorzien, wordt door de Dienst Wegverkeer op de wijze, bedoeld in artikel 11, een voertuigidentificatienummer ingeslagen.
Bijlage Va. , behorende bij artikel 3.8, derde lid
Artikel 6. Nader onderzoek
Indien twijfel bestaat over de juistheid van het voertuigidentificatienummer, onder meer omdat het van fabriekswege ingeslagen voertuigidentificatienummer ontbreekt, teniet is gegaan of geheel of ten dele onleesbaar is geworden, kan de Dienst Wegverkeer een nader onderzoek instellen.
Bijlage Vb. , behorende bij artikel 3.8, vierde lid
Artikel 7. Samengestelde voertuigen voorzien van een volledig dragend of semi-dragend chassis, een carrosserie en een aandrijflijn
Artikel 7a. Samengestelde landbouw- of bosbouwtrekkers of motorrijtuigen met beperkte snelheid waarvan de voor- en achterzijde ten opzichte van elkaar verticaal scharnierend zijn of waarvan de bovenbouw en het onderstel ten opzichte van elkaar meer dan 180° draaibaar zijn
Artikel 6. Nader onderzoek
Artikel 7b. Samengestelde landbouw- of bosbouwtrekkers of motorrijtuigen met beperkte snelheid waarvan de voor- en achterzijde ten opzichte van elkaar niet verticaal scharnierend zijn of waarvan de bovenbouw en het onderstel ten opzichte van elkaar niet meer dan 180° draaibaar zijn
§ 3. Samengestelde voertuigen
Artikel 8. Samengestelde voertuigen met een volledig zelfdragende carrosserie en een aandrijflijn
Artikel 9. Samengestelde voertuigen voorzien van een frame en een aandrijflijn
Het voertuigidentificatienummer van een samengesteld voertuig voorzien van een frame, wordt bepaald door het frame.
Artikel 10. Samengestelde aanhangwagen voorzien van een chassis of chassis en een carrosserie
Het voertuigidentificatienummer van een samengesteld voertuig voorzien van een chassis of chassis en carrosserie, wordt bepaald door het chassis.
Hoofdstuk 2. Inslag van het voertuigidentificatienummer
Indien de vaststelling van de datum van eerste toelating geschiedt in het kader van de aanvraag tot inschrijving met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld aan de hand van het in bijlage I vastgestelde voertuigidentificatienummer en overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 10.
Artikel 12. Geen inslag van het voertuigidentificatienummer
Artikel 10. Samengestelde aanhangwagen voorzien van een chassis of chassis en een carrosserie
§ 2. Voertuigen
Wijze van bepalen datum eerste toelating
Indien de vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat gebruik maakt van de bevoegdheid, bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel a, van het Kentekenreglement, wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld op basis van door de aanvrager verstrekte gegevens.
Artikel 1. Begripsbepalingen
§ 2. Voertuigen
Indien een voertuig reeds voor 1 januari 2014 in Nederland is geregistreerd, wordt, in afwijking van de voorgaande artikelen, de datum van eerste toelating vastgesteld op de datum van eerste toelating welke blijkt uit het kentekenregister of het voor 1 januari 2014 afgegeven kentekenbewijs.
Wijze van bepalen datum eerste toelating
Zelfbalancerende bromfietsen moeten zijn voorzien van:
Artikel 1. Begripsbepalingen
Indien twijfel bestaat over de juistheid van het voertuigidentificatienummer, onder meer omdat het van fabriekswege ingeslagen voertuigidentificatienummer ontbreekt, teniet is gegaan of geheel of ten dele onleesbaar is geworden, kan de Dienst Wegverkeer een nader onderzoek instellen.
Artikel 5. Documenten indien het voertuig eerder is geregistreerd in het buitenland
Artikel 6. Voertuig is eerder in Nederland geregistreerd
Indien een voertuig reeds voor 1 januari 2014 in Nederland is geregistreerd, wordt, in afwijking van de voorgaande artikelen, de datum van eerste toelating vastgesteld op de datum van eerste toelating welke blijkt uit het kentekenregister of het voor 1 januari 2014 afgegeven kentekenbewijs.
Artikel 7. Datum van eerste toelating blijkt niet uit documenten
Zelfbalancerende bromfietsen moeten deugdelijk van bouw en inrichting zijn.
Artikel 5. Documenten indien het voertuig eerder is geregistreerd in het buitenland
Artikel 9. Voertuig is eerder in gebruik genomen
Artikel 6. Nader onderzoek
Artikel 10. Nader onderzoek
De vrije ruimte tussen de nooduitgang in het dak en een denkbeeldig plat vlak gelegen op 1,40 m boven en evenwijdig aan de vloer van de bus moet een vrije doorgang bieden aan een horizontaal gehouden rechthoekig plat vlak met zijden van 0,45 m en 0,65 m dat in een richting loodrecht op deze nooduitgang wordt voortbewogen. Klapbare, draaibare of verschuifbare delen, die in een vaste positie de vrije doorgang voor het vlak belemmeren zijn niet toegestaan tenzij deze delen van een inrichting zijn voorzien die de doorgang automatisch vrijgeeft. De voorgeschreven opening in het dak mag niet door aan het dak bevestigde delen zoals een windscherm en dergelijk worden verkleind.
Artikel 7. Samengestelde voertuigen voorzien van een volledig dragend of semi-dragend chassis, een carrosserie en een aandrijflijn
Artikel 9. Voertuig is eerder in gebruik genomen
Indien een voertuig in gebruik is genomen en niet eerder is geregistreerd, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in artikel 7.
Artikel 10. Nader onderzoek
Het voertuigidentificatienummer van een samengesteld voertuig voorzien van motor en chassis, wordt bepaald door het chassis.
Artikel 8. Samengestelde voertuigen met een volledig zelfdragende carrosserie en een aandrijflijn
De in de artikelen 26 tot en met 28 opgenomen voorschriften zijn van toepassing bij een onbelaste zitting en rugleuning. Hierbij wordt onder ‘voor de voorzijde van de rugleuning gemeten’ verstaan, gemeten in het mediaanlangsvlak van de zitplaats horizontaal en voor de voorzijde van de rugleuning.
§ 1. Algemeen
Zelfbalancerende bromfietsen moeten deugdelijk van bouw en inrichting zijn.
§ 1. Begripsbepalingen
De vrije ruimte tussen de nooduitgang in het dak en een denkbeeldig plat vlak gelegen op 1,40 m boven en evenwijdig aan de vloer van de bus moet een vrije doorgang bieden aan een horizontaal gehouden rechthoekig plat vlak met zijden van 0,45 m en 0,65 m dat in een richting loodrecht op deze nooduitgang wordt voortbewogen. Klapbare, draaibare of verschuifbare delen, die in een vaste positie de vrije doorgang voor het vlak belemmeren zijn niet toegestaan tenzij deze delen van een inrichting zijn voorzien die de doorgang automatisch vrijgeeft. De voorgeschreven opening in het dak mag niet door aan het dak bevestigde delen zoals een windscherm en dergelijk worden verkleind.
Nationale kleine serie typegoedkeuring en individuele goedkeuring van voertuigen van de voertuigcategorieën L, M, N, O, T, C, R en S
§ 2. Eisen retroreflectie voor fietsen, zijspanwagens aan fietsen, fietsaanhangwagens, alsmede wagens
§ 2.1. Eisen niet-driehoekige rode retroreflectoren voor fietsen, zijspanwagens aan fietsen, fietsaanhangwagens, alsmede wagens
Vervallen.
Artikel 3
Artikel 2b
Indien een voertuig reeds voor 1 januari 2014 in Nederland is geregistreerd, wordt, in afwijking van de voorgaande artikelen, de datum van eerste toelating vastgesteld op de datum van eerste toelating welke blijkt uit het kentekenregister of het voor 1 januari 2014 afgegeven kentekenbewijs.
Artikel 2d
Artikel 5
Nadat de retroreflector de beproevingen zoals vermeld in de onderdelen B tot en met F van annex 1 heeft ondergaan, mag:
Artikel 6
Artikel 7
Artikel 8
Artikel 9
Artikel 6. Voertuig is eerder in Nederland geregistreerd
§ 2.2. Eisen witte of gele retroreflectoren voor de wielen van fietsen, zijspanwagens aan fietsen en fietsaanhangwagens
Artikel 10
Individuele toelatingseisen voor voertuigen van de voertuigcategorie O
Indien de vastgestelde datum van eerste toelating na de datum van het onderzoek van het voertuig ligt, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld op de datum van het onderzoek.
Artikel 9. Voertuig is eerder in gebruik genomen
Artikel 12
Individuele inrichtingseisen voor voertuigen met de voertuigclassificatie M2 of M3
Artikel 13
Artikel 14
Hoofdstuk 2. Goedkeuringseisen
Artikel 15
Nadat de retroreflector de beproevingen zoals vermeld in de onderdelen A tot en met E van annex 2 heeft ondergaan, mag:
Bijlage IIId. , behorende bij artikel 3.11
Vervallen
Artikel 17
Artikel 18
De vrije ruimte tussen de nooduitgang in het dak en een denkbeeldig plat vlak gelegen op 1,40 m boven en evenwijdig aan de vloer van de bus moet een vrije doorgang bieden aan een horizontaal gehouden rechthoekig plat vlak met zijden van 0,45 m en 0,65 m dat in een richting loodrecht op deze nooduitgang wordt voortbewogen. Klapbare, draaibare of verschuifbare delen, die in een vaste positie de vrije doorgang voor het vlak belemmeren zijn niet toegestaan tenzij deze delen van een inrichting zijn voorzien die de doorgang automatisch vrijgeeft. De voorgeschreven opening in het dak mag niet door aan het dak bevestigde delen zoals een windscherm en dergelijk worden verkleind.
Artikel 7. Bescherming tegen brandrisico’s; elektrische installatie
§ 2.3. Eisen ambergele of gele retroreflectoren voor de trappers van fietsen
Nadat de retroreflector de beproevingen zoals vermeld in de onderdelen B tot en met F van annex 1 heeft ondergaan, mag:
Artikel 10. Deuren; plaats en aantal
Artikel 21
Artikel 12. Deuren; overige eisen
Artikel 22
De lichtsterktecoëfficiënt van de retroreflector, te meten volgens onderdeel A van annex 1, moet, uitgedrukt in millicandela/lux (mcd/lux), ten minste aan de in tabel 5 gestelde eisen voldoen.
Artikel 23
Artikel 16. Toegangen; verbindingsweg tussen twee compartimenten
De vrije ruimte tussen het noodraam en een denkbeeldig verticaal vlak evenwijdig aan het mediaanlangsvlak van de bus op een afstand van 0,50 m van het noodraam moet een vrije doorgang bieden aan een rechthoekig verticaal plat vlak met een breedte van 0,60 m en een hoogte van 0,40 m dat in een richting loodrecht op het raam wordt bewogen.
Wijze van vaststelling, toekenning en inslag van het voertuigidentificatienummer
Hoofdstuk 1. Vaststelling en toekenning van het voertuigidentificatienummer
§ 1. Algemeen
Artikel 1. Begripsbepalingen
Wijze van vaststelling, toekenning en inslag van het voertuigidentificatienummer
Bijlage VII. , behorende bij de artikelen 3.26 en 3.27
§ 1. Algemeen
Artikel 1. Begripsbepalingen
In deze bijlage wordt verstaan onder:
§ 2. Voertuigen
Indien vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt in het kader van de aanvraag van een inschrijving, dan wel inschrijving en tenaamstelling, met gebruikmaking van de bevoegdheid bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel a, met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, voor een individuele goedkeuring, dan wel voor een ander onderzoek, wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 10.
Artikel 2. Vaststelling voertuigidentificatienummer zonder afzonderlijk onderzoek voertuig
Indien de vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat gebruik maakt van de bevoegdheid, bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel a, van het Kentekenreglement, wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld op basis van door de aanvrager verstrekte gegevens.
Bijlage VI. , behorende bij artikel 3.12
Artikel 4. Toegekende en vastgestelde voertuigidentificatienummer
§ 3. Samengestelde voertuigen
Artikel 5. Identificatie
Artikel 6. Nader onderzoek
Artikel 6. Nader onderzoek
Indien twijfel bestaat over de juistheid van het voertuigidentificatienummer, onder meer omdat het van fabriekswege ingeslagen voertuigidentificatienummer ontbreekt, teniet is gegaan of geheel of ten dele onleesbaar is geworden, kan de Dienst Wegverkeer een nader onderzoek instellen.
Artikel 7. Samengestelde voertuigen voorzien van een volledig dragend of semi-dragend chassis, een carrosserie en een aandrijflijn
Artikel 7a. Samengestelde landbouw- of bosbouwtrekkers, motorrijtuig met beperkte snelheid of mobiele machine waarvan de voor- en achterzijde ten opzichte van elkaar verticaal scharnierend zijn of waarvan de bovenbouw en het onderstel ten opzichte van elkaar meer dan 180° draaibaar zijn
Het voertuigidentificatienummer van een samengesteld voertuig wordt bepaald door het grootste deel waarin een voertuigidentificatienummer is ingeslagen.
Artikel 7b. Samengestelde landbouw- of bosbouwtrekkers, motorrijtuig met beperkte snelheid of mobiele machine waarvan de voor- en achterzijde ten opzichte van elkaar niet verticaal scharnierend zijn of waarvan de bovenbouw en het onderstel ten opzichte van elkaar niet meer dan 180° draaibaar zijn
Wijze van vaststelling, toekenning en inslag van het voertuigidentificatienummer
Hoofdstuk 1. Vaststelling en toekenning van het voertuigidentificatienummer
§ 1. Algemeen
Artikel 1. Begripsbepalingen
Artikel 10. Samengestelde aanhangwagen voorzien van een chassis of chassis en een carrosserie
Het voertuigidentificatienummer van een samengesteld voertuig voorzien van een chassis of chassis en carrosserie, wordt bepaald door het chassis.
Artikel 2. Vaststelling voertuigidentificatienummer zonder afzonderlijk onderzoek voertuig
Indien de vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat gebruik maakt van de bevoegdheid, bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel a, van het Kentekenreglement, wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld op basis van door de aanvrager verstrekte gegevens.
Artikel 3. Vaststelling voertuigidentificatienummer met afzonderlijk onderzoek voertuig
Artikel 1. Begripsbepalingen
Artikel 4. Toegekende en vastgestelde voertuigidentificatienummer
Wijze van bepalen datum eerste toelating
Indien de vaststelling van de datum van eerste toelating geschiedt in het kader van de aanvraag tot inschrijving zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat beschikt over de bevoegdheid, bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel a, van het Kentekenreglement, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld aan de hand van het op basis van bijlage I vastgestelde voertuigidentificatienummer waarbij de datum van eerste toelating wordt gesteld op de datum van eerste tenaamstelling.
Artikel 6. Nader onderzoek
§ 2. Voertuigen
Wijze van vaststelling, toekenning en inslag van het voertuigidentificatienummer
Indien de vaststelling van de datum van eerste toelating geschiedt in het kader van de aanvraag tot inschrijving zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat beschikt over de bevoegdheid, bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel a, van het Kentekenreglement, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld aan de hand van het op basis van bijlage I vastgestelde voertuigidentificatienummer waarbij de datum van eerste toelating wordt gesteld op de datum van eerste tenaamstelling.
Hoofdstuk 1. Vaststelling en toekenning van het voertuigidentificatienummer
Wijze van vaststelling, toekenning en inslag van het voertuigidentificatienummer
Hoofdstuk 1. Vaststelling en toekenning van het voertuigidentificatienummer
§ 1. Algemeen
Artikel 1. Begripsbepalingen
Artikel 2. Vaststelling voertuigidentificatienummer zonder afzonderlijk onderzoek voertuig
§ 2. Voertuigen
Indien vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt in het kader van de aanvraag van een inschrijving, dan wel inschrijving en tenaamstelling, met gebruikmaking van de bevoegdheid bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel a, met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, voor een individuele goedkeuring, dan wel voor een ander onderzoek, wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 10.
Artikel 4. Toegekende en vastgestelde voertuigidentificatienummer
In aanvulling op de artikelen 2 en 3, moet het aan het voertuig door de voertuigfabrikant toegekende en door de Dienst Wegverkeer voor hetzelfde voertuig vastgestelde voertuigidentificatienummer op een vast voertuigdeel van het voertuig zijn ingeslagen. Indien het voertuig niet van een ingeslagen voertuigidentificatienummer is voorzien, wordt door de Dienst Wegverkeer op de wijze, bedoeld in artikel 11, een voertuigidentificatienummer ingeslagen.
Artikel 5. Identificatie
Artikel 4. Toegekende en vastgestelde voertuigidentificatienummer
Artikel 6. Nader onderzoek
Artikel 5. Identificatie
Indien na vaststelling van de datum eerste toelating blijkt dat deze datum onjuist is, wordt de datum eerste toelating opnieuw vastgesteld overeenkomstig deze bijlage.
Artikel 7. Samengestelde voertuigen voorzien van een volledig dragend of semi-dragend chassis, een carrosserie en een aandrijflijn
§ 3. Samengestelde voertuigen
Het voertuigidentificatienummer van een samengesteld voertuig wordt bepaald door het grootste deel waarin een voertuigidentificatienummer is ingeslagen.
Artikel 7a. Samengestelde landbouw- of bosbouwtrekkers, motorrijtuig met beperkte snelheid of mobiele machine waarvan de voor- en achterzijde ten opzichte van elkaar verticaal scharnierend zijn of waarvan de bovenbouw en het onderstel ten opzichte van elkaar meer dan 180° draaibaar zijn
Artikel 8. Samengestelde voertuigen met een volledig zelfdragende carrosserie en een aandrijflijn
Artikel 7b. Samengestelde landbouw- of bosbouwtrekkers, motorrijtuig met beperkte snelheid of mobiele machine waarvan de voor- en achterzijde ten opzichte van elkaar niet verticaal scharnierend zijn of waarvan de bovenbouw en het onderstel ten opzichte van elkaar niet meer dan 180° draaibaar zijn
Het voertuigidentificatienummer van een samengesteld voertuig voorzien van motor en chassis, wordt bepaald door het chassis.
Artikel 8. Samengestelde voertuigen met een volledig zelfdragende carrosserie en een aandrijflijn
Het voertuigidentificatienummer van een samengesteld voertuig voorzien van een chassis of chassis en carrosserie, wordt bepaald door het chassis.
Hoofdstuk 2. Inslag van het voertuigidentificatienummer
Artikel 10. Samengestelde aanhangwagen voorzien van een chassis of chassis en een carrosserie
Artikel 11. Wijze van inslag
Indien het voertuigidentificatienummer niet is vast te stellen op de wijze, bedoeld in hoofdstuk 1, wordt geen voertuigidentificatienummer aangebracht.
Artikel 11. Wijze van inslag
De lichtsterktecoëfficiënt van de retroreflector, te meten volgens onderdeel A van annex 1, moet, uitgedrukt in millicandela/lux (mcd/lux), ten minste voldoen aan de in tabel 1 gestelde eisen.
Wijze van bepalen datum eerste toelating
§ 1. Algemeen
Wijze van bepalen datum eerste toelating
§ 1. Algemeen
Artikel 1. Begripsbepalingen
Indien de vaststelling van de datum van eerste toelating geschiedt in het kader van de aanvraag tot inschrijving zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat beschikt over de bevoegdheid, bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel a, van het Kentekenreglement, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld aan de hand van het op basis van bijlage I vastgestelde voertuigidentificatienummer waarbij de datum van eerste toelating wordt gesteld op de datum van eerste tenaamstelling.
Artikel 2. Vaststelling zonder afzonderlijk onderzoek voertuig
Artikel 4. Vaststelling datum eerste toelating indien het voertuig niet eerder in gebruik is genomen en niet eerder is geregistreerd.
Artikel 3. Vaststelling met afzonderlijk onderzoek voertuig
Artikel 5. Documenten indien het voertuig eerder is geregistreerd in het buitenland
Indien een voertuig reeds voor 1 januari 2014 in Nederland is geregistreerd, wordt, in afwijking van de voorgaande artikelen, de datum van eerste toelating vastgesteld op de datum van eerste toelating welke blijkt uit het kentekenregister of het voor 1 januari 2014 afgegeven kentekenbewijs.
Artikel 5. Documenten indien het voertuig eerder is geregistreerd in het buitenland
Artikel 6. Voertuig is eerder in Nederland geregistreerd
Artikel 8. Datum eerste onderzoek als datum van eerste toelating
Artikel 7. Datum van eerste toelating blijkt niet uit documenten
Indien een voertuig in gebruik is genomen en niet eerder is geregistreerd, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in artikel 7.
Artikel 10. Nader onderzoek
Artikel 9. Voertuig is eerder in gebruik genomen
Artikel 11. Onjuiste datum eerste toelating
Artikel 10. Nader onderzoek
Artikel 11. Onjuiste datum eerste toelating
Artikel 16
Artikel 5
Artikel 18
Artikel 6
Artikel 7
Toelatingseisen retroreflecterende voorzieningen voor fietsen, zijspanwagens aan fietsen, fietsaanhangwagens en wagens
Toelatingseisen retroreflecterende voorzieningen voor fietsen, zijspanwagens aan fietsen, fietsaanhangwagens en wagens
§ 1. Begripsbepalingen
Toelatingseisen retroreflecterende voorzieningen voor fietsen, zijspanwagens aan fietsen, fietsaanhangwagens en wagens
§ 1. Begripsbepalingen
Artikel 1
Toelatingseisen retroreflecterende voorzieningen voor fietsen, zijspanwagens aan fietsen, fietsaanhangwagens en wagens
§ 1. Begripsbepalingen
Artikel 1
Artikel 2
§ 2. Eisen retroreflectie voor fietsen, zijspanwagens aan fietsen, fietsaanhangwagens, alsmede wagens
§ 2.1. Eisen niet-driehoekige rode retroreflectoren voor fietsen, zijspanwagens aan fietsen, fietsaanhangwagens, alsmede wagens
Artikel 2
Artikel 3
Artikel 5
Artikel 4
Artikel 6
Artikel 5
Artikel 8
Artikel 6
Op de retroreflector moet:
Artikel 8
Artikel 9
Artikel 12
§ 2.2. Eisen witte of gele retroreflectoren voor de wielen van fietsen, zijspanwagens aan fietsen en fietsaanhangwagens
Indien de retroreflector wordt gevormd door een cirkelvormige voorziening die aan de spaken dan wel aan de daarvoor in de plaats tredende delen kan worden bevestigd, moet deze voorziening voldoen aan de in de artikelen 20 tot en met 24 gestelde eisen.
Artikel 12
Artikel 11
Artikel 13
Artikel 12
Artikel 16
Artikel 13
Nadat de retroreflector de beproevingen zoals vermeld in de onderdelen A tot en met E van annex 2 heeft ondergaan, mag:
Artikel 16
Artikel 15
Artikel 18
Artikel 16
Artikel 17
Ambergele of gele retroreflectoren voor trappers van bromfietsen moeten voldoen aan het bepaalde in verordening (EU) 2019/2144 omtrent de retroreflector van Klasse I.
Artikel 19
Artikel 22
De lichtsterktecoëfficiënt van de retroreflector, te meten volgens onderdeel A van annex 1, moet, uitgedrukt in millicandela/lux (mcd/lux), ten minste aan de in tabel 5 gestelde eisen voldoen.
Artikel 20
Artikel 22
Artikel 21
Artikel 23
Nadat de retroreflector de beproeving zoals vermeld in onderdeel B van annex 3 heeft ondergaan, moet de lichtsterktecoëfficiënt, te meten volgens onderdeel A van annex 3, ten minste nog aan de in tabel 6 gestelde eis voldoen.
Artikel 24
Nadat de retroreflector de beproeving zoals vermeld in onderdeel B van annex 3 heeft ondergaan, mag:
Annex 1. behorende bij de artikelen 3, 4, 5, 6, eerste lid, 7, vierde lid, 8, eerste lid, en 22
De retroreflector wordt ontdaan van alle afneembare onderdelen en wordt daarna gedurende 60 minuten ondergedompeld in water met een temperatuur van 25 °C (waarbij een afwijking van 5 °C is toegestaan), waarbij het hoogste punt van de retroreflector zich ten minste 1,00 m (waarbij een afwijking van 50 mm is toegestaan) onder het wateroppervlak bevindt.
B. Proef waterpenetratie
Annex 1. behorende bij de artikelen 3, 4, 5, 6, eerste lid, 7, vierde lid, 8, eerste lid, en 22
Deze proef is alleen van toepassing indien de achterzijde van het retroreflecterend oppervlak van een spiegellaag is voorzien.
B. Proef waterpenetratie
F. Warmteproef
De retroreflector wordt gedurende 12 opeenvolgende uren opgesteld in een ruimte met een temperatuur van 65 °C (waarbij een afwijking van 2 °C is toegestaan).
D. Brandstoffenproef achterzijde
Deze proef is alleen van toepassing indien de achterzijde van het retroreflecterend oppervlak van een spiegellaag is voorzien.
E. Smeermiddelenproef voorzijde
F. Warmteproef
De retroreflector wordt gedurende 12 opeenvolgende uren opgesteld in een ruimte met een temperatuur van 65 °C (waarbij een afwijking van 2 °C is toegestaan).
G. Meetopstelling ter bepaling van de kleur van het retroreflecterende licht
H. Corrosieproef
Het buitenoppervlak van de retroreflector en in het bijzonder het lichtterugkaatsend oppervlak wordt voorzichtig ingewreven met een katoenen doek, gedrenkt in een smeerolie met dispergerend vermogen.
Annex 2. behorende bij de artikelen 14, 15, 16, eerste lid, 17, derde lid, en 18, eerste lid
A. Proef waterpenetratie
B. Brandstoffenproef voorzijde
C. Brandstoffenproef achterzijde
Een bedrijfsuitgang moet van ten minste één handgreep zijn voorzien, die op een duidelijk zichtbare en doelmatige plaats is bevestigd.
G. Corrosieproef
Remslangen mogen:
F. Proef bestandheid tegen inslag
G. Corrosieproef
De in annex 1 vermelde onderdelen en bevestigingen van onderdelen van motorvoertuigen met een zelfdragende carrosserie mogen per onderdeel, per bevestiging van een onderdeel, of per sectie van een bodemplaat niet meer roestschade hebben dan 2E.
Annex 3. behorende bij de artikelen 23 en 24
In deze bijlage wordt verstaan onder:
B. Proef waterpenetratie
Artikel 1. Begripsbepalingen
Artikel 3.1. Aantal uitgangen
Vanuit elke zitplaats moeten twee uitgangen bereikbaar zijn.
Artikel 1. Begripsbepalingen
In deze bijlage wordt verstaan onder:
Artikel 2. Algemeen
Een bedrijfsuitgang moet van ten minste één handgreep zijn voorzien, die op een duidelijk zichtbare en doelmatige plaats is bevestigd.
Artikel 3.4. Uitvoering uitgangen
De beoordeling van roestschade vindt plaats:
Artikel 3.3. Afmetingen uitgangen
Artikel 3.4. Uitvoering uitgangen
Artikel 3.5. Handgrepen uitgangen
Een bedrijfsuitgang moet van ten minste één handgreep zijn voorzien, die op een duidelijk zichtbare en doelmatige plaats is bevestigd.
Artikel 3.6. Treden uitgangen
Voor de bepaling van de mate van roestschade in schade-eenheden ‘E’, moet de volgende procedure worden gevolgd:
Een voorziening bedoeld om een persoon in een rolstoel het voertuig in en uit te rijden, moet aan de volgende eisen voldoen:
De in annex 1 vermelde onderdelen en bevestigingen van onderdelen van motorvoertuigen met een zelfdragende carrosserie mogen per onderdeel, per bevestiging van een onderdeel, of per sectie van een bodemplaat niet meer roestschade hebben dan 2E.
Voor de bepaling van de mate van roestschade in schade-eenheden ‘E’, moet de volgende procedure worden gevolgd:
De beoordeling van roestschade vindt plaats:
De beoordeling van roestschade vindt plaats:
Artikel 7. Ligplaatsen
Hoofdstuk 1. Voertuigeisen
De beoordeling van roestschade vindt plaats:
De bepaling van de roestschade-omvang van wielkasten geschiedt aan de hand van de volgende beoordelingsprincipes, waarbij het hoogste percentage maatgevend is:
De volgende gegevens, voor zover in het kentekenregister vermeld, moeten in overeenstemming zijn met het voertuig:
De volgende gegevens, voor zover in het kentekenregister vermeld, moeten in overeenstemming zijn met het voertuig:
Een roestschadereparatie moet zodanig zijn uitgevoerd dat het onderdeel, de bevestiging van het onderdeel of de sectie van de bodemplaat zijn oorspronkelijke functie weer kan vervullen.
De volgende gegevens, voor zover in het kentekenregister vermeld, moeten in overeenstemming zijn met het voertuig:
Voor het bepalen van de remvertraging van de parkeerrem moet de bij de remproef behaalde remkrachten aan de wielen worden gedeeld door de in het kentekenregister vermelde massa in rijklare toestand. Indien de massa in rijklare toestand niet in het kentekenregister is vermeld, geldt voor een personenauto of bedrijfsauto de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig vermeerderd met 100 kg en voor een aanhangwagen de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig.
Een afwijkende reparatie als bedoeld in de artikelen 24 en 25 is toegestaan, indien dit door middel van documentatie van de voertuigfabrikant wordt aangetoond. De reparatie moet volgens voorschrift van de voertuigfabrikant zijn uitgevoerd.
De volgende gegevens, voor zover in het kentekenregister vermeld, moeten in overeenstemming zijn met het voertuig:
De in annex 1 vermelde onderdelen en bevestigingen van onderdelen van motorvoertuigen met een zelfdragende carrosserie mogen per onderdeel, per bevestiging van een onderdeel, of per sectie van een bodemplaat niet meer roestschade hebben dan 2E.
De in annex 1 vermelde onderdelen en bevestigingen van onderdelen van motorvoertuigen met een zelfdragende carrosserie mogen per onderdeel, per bevestiging van een onderdeel, of per sectie van een bodemplaat niet meer roestschade hebben dan 2E.
Voor de bepaling van de mate van roestschade in schade-eenheden ‘E’, moet de volgende procedure worden gevolgd:
De in annex 1 vermelde onderdelen en bevestigingen van onderdelen van motorvoertuigen met een zelfdragende carrosserie mogen per onderdeel, per bevestiging van een onderdeel, of per sectie van een bodemplaat niet meer roestschade hebben dan 2E.
De in annex 3 vermelde onderdelen en bevestigingen van onderdelen van motorvoertuigen die niet zijn voorzien van een zelfdragende carrosserie en aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, mogen per onderdeel dan wel per bevestiging van een onderdeel niet meer roestschade hebben dan 2E.
Artikel 5
Artikel 7
De bepaling van de roestschade-omvang van wielkasten geschiedt aan de hand van de volgende beoordelingsprincipes, waarbij het hoogste percentage maatgevend is:
Voor de bepaling van de mate van roestschade in schade-eenheden ‘E’, moet de volgende procedure worden gevolgd:
De meting van het geluidsniveau wordt uitgevoerd aan de hand van de onderstaande wijze van keuren:
De bepaling van de roestschade-omvang van wielkasten geschiedt aan de hand van de volgende beoordelingsprincipes, waarbij het hoogste percentage maatgevend is:
De beoordeling van roestschade vindt plaats:
De beoordeling van roestschade vindt plaats:
De bepaling van de roestschade-omvang van wielkasten geschiedt aan de hand van de volgende beoordelingsprincipes, waarbij het hoogste percentage maatgevend is:
De beoordeling van roestschade vindt plaats:
Vervallen.
Artikel 13
Artikel 14
Afdeling 2. Voertuigen met een volledig dragend chassis
§ 1. Chassisraam
De in annex 3 vermelde onderdelen en bevestigingen van onderdelen van motorvoertuigen die niet zijn voorzien van een zelfdragende carrosserie en aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, mogen per onderdeel dan wel per bevestiging van een onderdeel niet meer roestschade hebben dan 2E.
Artikel 15
§ 2. Overige onderdelen
Artikel 16
Voor de bepaling van de mate van roestschade in schade-eenheden ‘E’, moet de volgende procedure worden gevolgd:
Artikel 19
De beoordeling van roestschade vindt plaats:
Artikel 21
Artikel 19
De beoordeling van roestschade vindt plaats:
Artikel 21
Artikel 22
Artikel 25
Een afwijkende reparatie als bedoeld in de artikelen 24 en 25 is toegestaan, indien dit door middel van documentatie van de voertuigfabrikant wordt aangetoond. De reparatie moet volgens voorschrift van de voertuigfabrikant zijn uitgevoerd.
Artikel 23
Een roestschadereparatie moet zodanig zijn uitgevoerd dat het onderdeel, de bevestiging van het onderdeel of de sectie van de bodemplaat zijn oorspronkelijke functie weer kan vervullen.
Artikel 24
Artikel 25
Artikel 26
Titel 3. Motor en brandstofsystemen
Artikel 27
Artikel 28
De meting van het geluidsniveau wordt uitgevoerd aan de hand van de onderstaande wijze van keuren:
Afdeling 1. Maximumconstructiesnelheid
Artikel 28
Artikel 29
Bij het gebruik van de bromfietsrollentestbank om de maximumconstructiesnelheid te meten:
Artikel 29a
Afdeling 2. Geluid
§ 1. Personenauto’s, bedrijfsauto’s en bussen
De meting van het geluidsniveau wordt uitgevoerd aan de hand van de onderstaande wijze van keuren:
Artikel 31
De meting van het geluidsniveau wordt uitgevoerd aan de hand van de onderstaande wijze van keuren:
Artikel 34
2,8 m/s2: remweg max. 22,0 m
Artikel 33
Aan de hand van de in onderstaande tabel vermelde afgelegde remweg, wordt bepaald of aan de vereiste remvertraging wordt voldaan.
Artikel 35
Artikel 37
§ 3. Bromfietsen
Artikel 36
Artikel 37
De meting van het geluidsniveau wordt uitgevoerd aan de hand van de onderstaande wijze van keuren:
Artikel 38b
§ 4. Landbouw- en bosbouwtrekkers
Artikel 38a
Vervallen.
Artikel 38c
De meting van het geluidsniveau wordt uitgevoerd aan de hand van de onderstaande wijze van keuren:
Afdeling 3. Emissie
Een remleiding mag niet zodanig door corrosie zijn aangetast dat deze na verwijdering van de corrosie van het oppervlak nog zogenaamde putcorrosie vertoont, zoals weergegeven in figuur 17.
Artikel 39
Artikel 42. Koolmonoxidegehalte en lambdawaarde bij verhoogd toerental
Artikel 40. Controle werking emissiebestrijdingssysteem
Artikel 41. Koolmonoxidegehalte bij stationair toerental
Remslangen mogen:
Artikel 43. Wijze van keuren
§ 2. Roet
De in deze afdeling gestelde eisen worden beoordeeld door middel van visuele controle, terwijl het voertuig, met uitzondering van driewielige motorrijtuigen, zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.
Artikel 45. Wijze van keuren
Indien wordt voldaan aan artikel 45b en het uitleesapparaat geen foutcodes beginnend met de letter P weergeeft in modus 03 en de readiness-test is afgerond, is de EOBD-procedure succesvol doorlopen.
Artikel 45a
§ 3. Snelheidscategorie
De bij de vaststelling van de remvertraging uitgeoefende pedaalkrachten en remkrachten worden uitgedrukt in Newton (N).
Artikel 45c
Titel 4. Assen
§ 4. Deeltjes
De bij de vaststelling van de remvertraging uitgeoefende pedaalkrachten en remkrachten worden uitgedrukt in Newton (N).
§ 1. Fusees
Het verschil in remkrachten tussen de wielen op één as mag niet meer bedragen dan 30% van de hoogst gemeten remkracht (bovenwaarde), waarbij de wielen niet blokkeren.
Titel 4. Assen
§ 1. Fusees
Voor het bepalen van het verschil in remwerking tussen de wielen op één as:
Artikel 47
§ 2. Draaipunten
Vervallen.
§ 3. Wiellagers
Artikel 49
Titel 5. Ophanging
§ 1. Loadindex
Het snelheidscategoriesymbool, zoals in onderstaande lijst is vermeld, van een band van een landbouw- of bosbouwaanhangwagen of verwisselbaar getrokken uitrustingsstuk, mag niet lager zijn dan de in het kentekenregister vermelde maximumconstructiesnelheid.
§ 2. Draagvermogen
Artikel 50a
§ 3. Snelheidscategorie
Bij de beoordeling van het verschil in remkrachten op een rollenremtestbank mag het verschil in remkrachten tussen de wielen op één as niet meer bedragen dan 30% van de hoogst gemeten remkracht (bovenwaarde), waarbij de wielen niet blokkeren.
Artikel 51. Controle stuurkoppeling
Titel 6. Stuurinrichting
De bij de vaststelling van de remvertraging uitgeoefende pedaalkrachten en remkrachten worden uitgedrukt in Newton (N).
Artikel 51. Controle stuurkoppeling
§ 2. Stuurkogels
Artikel 52. Maximale toegestane speling stuurkogels
Titel 7. Reminrichting
Een remleiding mag niet zodanig door corrosie zijn aangetast dat deze na verwijdering van de corrosie van het oppervlak nog zogenaamde putcorrosie vertoont, zoals weergegeven in figuur 17.
§ 1. Remleiding
Remslangen mogen:
§ 3. Remslang
§ 2. Remschijf
Artikel 54. Remschijf
De in deze afdeling gestelde eisen worden beoordeeld door middel van visuele controle, terwijl het voertuig, met uitzondering van driewielige motorrijtuigen, zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.
Artikel 55. Remslang
Remslangen mogen:
§ 4. Wijze van keuren
De bij de vaststelling van de remvertraging uitgeoefende pedaalkrachten en remkrachten worden uitgedrukt in Newton (N).
Artikel 57. Wijze van bepaling remvertraging personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen en aanhangwagens
Bij de beoordeling van het verschil in remkrachten op een rollenremtestbank mag het verschil in remkrachten tussen de wielen op één as niet meer bedragen dan 30% van de hoogst gemeten remkracht (bovenwaarde), waarbij de wielen niet blokkeren.
§ 1. Wijze van bepaling van remvertraging
Artikel 57. Wijze van bepaling remvertraging personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen en aanhangwagens
Artikel 58. Pedaal- en remkrachten
Artikel 59. Bepalen van de remvertraging
§ 2. Rollenremtestbank
§ 2.1. Voertuigen met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg
Artikel 59. Bepalen van de remvertraging
Voor het bepalen van de remvertraging van de parkeerrem moet de bij de remproef behaalde remkrachten aan de wielen worden gedeeld door de in het kentekenregister vermelde massa in rijklare toestand. Indien de massa in rijklare toestand niet in het kentekenregister is vermeld, moet hiervoor gerekend worden met de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig, vermeerderd met 100 kg.
Artikel 61. Beoordeling verschil in remkrachten bedrijfsrem
Het verschil in remkrachten tussen de wielen op één as mag niet meer bedragen dan 30% van de hoogst gemeten remkracht (bovenwaarde), waarbij de wielen niet blokkeren.
Artikel 62
§ 2.2. Voertuig met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, met uitzondering van een aanhangwagen met elektrisch bekrachtigde remmen
Artikel 63. Bepalen remvertraging parkeerrem
Voor het bepalen van de remvertraging van de parkeerrem moet de bij de remproef behaalde remkrachten aan de wielen worden gedeeld door de in het kentekenregister vermelde massa in rijklare toestand. Indien de massa in rijklare toestand niet in het kentekenregister is vermeld, moet hiervoor gerekend worden met de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig, vermeerderd met 100 kg.
§ 2.2. Voertuig met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, met uitzondering van een aanhangwagen met elektrisch bekrachtigde remmen
Bij de vaststelling van de maximale remkrachten moet het volgende in acht worden genomen:
Artikel 65. Extrapolatiedruk bedrijfsauto, bus en aanhangwagen bedrijfsrem
Artikel 66. Bepaling remkrachten bedrijfsrem
Bij de vaststelling van de maximale remkrachten moet het volgende in acht worden genomen:
Artikel 67. Beoordeling verschil in remkrachten bedrijfsrem
§ 2.3. Voertuig met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, met behulp van referentieremkrachten
Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:
Artikel 71. Beoordeling verschil in remkrachten bedrijfsrem
Indien de remwerking wordt vastgesteld door middel van referentieremkrachten, mag het verschil in remwerking tussen de wielen op één as niet meer bedragen dan 30% van de hoogst gemeten remkracht, zoals vastgesteld volgens artikel 70, eerste lid.
Artikel 69. Referentieremkracht
De referentieremkracht is de remkracht van een as ontwikkeld aan de omtrek van de band op een rollenremtestbank, in relatie tot de remcilinderdruk en bekend gemaakt ten tijde van de goedkeuring. De referentieremkrachten worden voor voertuigen met luchtdrukremmen door de voertuigfabrikant zodanig aangegeven dat het voertuig geschikt is om een remvertraging te behalen gelijk aan 5,0 m/s2 in het geval van motorvoertuigen en aanhangwagens en 4,5 m/s2 in het geval van opleggers, indien, ongeacht de beladingstoestand, de gemeten remkrachten op de rollenremtestbank bij een gegeven remcilinderdruk groter of gelijk zijn aan de referentieremkrachten.
Artikel 70. Bepalen remvertraging bedrijfsrem
Voor het bepalen van de remvertraging van de parkeerrem moet de bij de remproef behaalde remkrachten aan de wielen worden gedeeld door de in het kentekenregister vermelde massa in rijklare toestand. Indien de massa in rijklare toestand niet in het kentekenregister is vermeld, geldt voor een personenauto of bedrijfsauto de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig vermeerderd met 100 kg en voor een aanhangwagen de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig.
§ 2.4. Aanhangwagen met elektrisch bekrachtigde remmen, met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg
m ahw = de in het kentekenregister vermelde massa in rijklare toestand van de aanhangwagen. Indien de massa in rijklare toestand niet in het kentekenregister is vermeld, moet hiervoor gerekend worden met de in het kentekenregister vermelde massa ledig voertuig of, anders dan bij de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport, de gemeten massa van de aanhangwagen of de last onder de assen van de oplegger.
Artikel 75. Maximale remkrachten bedrijfsrem
§ 2.4. Aanhangwagen met elektrisch bekrachtigde remmen, met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg
Voor het bepalen van de remvertraging door middel van een beproeving op de weg, moet de kracht die wordt uitgeoefend op het rempedaal, nagenoeg constant gehouden worden. De hoogst bereikbare remvertraging wordt vastgesteld wanneer iets minder druk wordt ingestuurd, dan wel iets minder pedaalkracht wordt gebruikt dan nodig is om de blokkeergrens van één of meer wielen van het voertuig te bereiken.
Indien de controle van de remvertraging van de bedrijfsrem van een aanhangwagen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg plaatsvindt door middel van een beproeving van het voertuig op een rollenremtestbank waarbij de belasting van het voertuig door middel van spanbanden of spankettingen wordt gesimuleerd:
Artikel 74. Bepaling remkrachten bedrijfsrem
Voor het bepalen van de remvertraging:
Bij de controle van de remvertraging van de bedrijfsrem van een aanhangwagen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg door middel van een beproeving van het voertuig op een rollenremtestbank zonder dat de belasting van het voertuig wordt gesimuleerd, moet voor iedere as de maximale remkrachten aan de wielen worden vastgesteld.
Bijlage IX. , behorende bij hoofdstuk 6, artikel 6.3, tweede lid, en bijlage IV, artikelen 1, tweede lid, en artikel 2, tweede lid
§ 3. Platenremtestbank
§ 3.1. Personenauto, bedrijfsauto of bus met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg
Artikel 77. Bepalen remvertraging
Voor het bepalen van de remvertraging:
Artikel 78. Bepalen verschil in remwerking bedrijfsrem
Artikel 80
Vervallen.
Artikel 81. Bepalen remvertraging parkeerrem
Artikel 80
§ 4. Elektronische zelfregistrerende remvertragingsmeter
Artikel 81. Bepalen remvertraging parkeerrem
Artikel 82. Pedaalkracht bedrijfsrem
§ 4. Elektronische zelfregistrerende remvertragingsmeter
§ 4.1. Personenauto, bedrijfsauto of bus
De remvertraging wordt met een elektronische, zelfregistrerende remvertragingsmeter als volgt vastgesteld:
Artikel 84. Bepalen uitbreken van het voertuig door bediening bedrijfsrem
Artikel 83. Bepalen remvertraging
De remvertraging wordt met een elektronische, zelfregistrerende remvertragingsmeter als volgt vastgesteld:
Artikel 84. Bepalen uitbreken van het voertuig door bediening bedrijfsrem
Voor het bepalen van het uitbreken van een voertuig bij een beproeving op de weg:
Artikel 85. Bepalen remvertraging parkeerrem
Bijlage X. , behorende bij artikel 6.3
§ 4.2. Aanhangwagen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg
Artikel 86. Voorwaarden beproeving bedrijfsrem
Artikel 87. Bepalen remvertraging bedrijfsrem
Bij het bepalen van de remvertraging moet het volgende in acht worden genomen:
Artikel 88. Formule bepaling remvertraging bedrijfsrem
Afdeling 3. Remvertraging motorfietsen
Afdeling 3. Remvertraging motorfietsen
a ahw = remvertraging aanhangwagen;
Afdeling 3. Remvertraging motorfietsen
Artikel 89. Afgelegde remweg
Artikel 96
Afdeling 3. Remvertraging motorfietsen
Artikel 89. Afgelegde remweg
Artikel 99
Artikel 99
Artikel 100
4,8 m/s2: remweg max. 12,9 m
Titel 8. Carrosserie
4,2 m/s2: remweg max. 14,7 m
4,1 m/s2: remweg max. 15,1 m
3,9 m/s2: remweg max. 15,5 m
3,8 m/s2: remweg max. 16,2 m
3,5 m/s2: remweg max. 17,6 m
3,2 m/s2: remweg max. 18,9 m
2,8 m/s2: remweg max. 22,0 m
Artikel 90. afgelegde remweg
2,2 m/s2: remweg max. 28,0 m
Afdeling 4. Remvertraging bromfietsen
Artikel 90. afgelegde remweg
Artikel 96
Artikel 106a
4,0 m/s2: remweg max. 6,0 m
Titel 8. Carrosserie
Titel 8. Carrosserie
Aanvangssnelheid 40 km/h:
4,0 m/s2: remweg max. 15,4 m
2,5 m/s2: remweg max. 24,7 m
2,4 m/s2: remweg max. 25,7 m
Titel 8. Carrosserie
Afdeling 1. Voorruiten
§ 1. Voertuigen met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg
Artikel 91
Artikel 94
Artikel 92
Artikel 93
Artikel 94
De voorruit mag meerdere luchtbellen, beschadigingen of verkleuringen vertonen die ten aanzien van de afmetingen ieder afzonderlijk voldoen aan artikel 93, mits het uitzicht van de bestuurder daardoor niet wordt belemmerd.
Artikel 95
De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst:
§ 2. Voertuig met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg
Artikel 96
Artikel 99
De voorruit mag meerdere luchtbellen, beschadigingen of verkleuringen vertonen die ten aanzien van de afmetingen ieder afzonderlijk voldoen aan artikel 98, mits het uitzicht van de bestuurder daardoor niet wordt belemmerd.
Artikel 98
De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst:
Afdeling 2. Trottoirspiegel
Artikel 100
Artikel 101
Afdeling 2. Trottoirspiegel
Afdeling 3. Afscherming
De wielafscherming moet het gehele horizontale projectievlak boven ieder wiel afdekken. De wielen, inclusief alle bevestigingsmiddelen en naven, mogen in de breedterichting niet meer dan 30 mm buiten deze afscherming uitsteken, zoals weergegeven in figuur 26.
Artikel 102
Afdeling 3. Afscherming
§ 1. Wiel- en opspatafscherming
Artikel 102
Artikel 103
De wielafscherming moet het gehele horizontale projectievlak boven ieder wiel afdekken. De wielen, inclusief alle bevestigingsmiddelen en naven, mogen in de breedterichting niet meer dan 30 mm buiten deze afscherming uitsteken, zoals weergegeven in figuur 26.
Artikel 104
Artikel 105
Artikel 106
Delen van de permanente opbouw kunnen als deel van de wielafscherming dienen.
Artikel 106a
Artikel 106b
§ 2. Zijdelingse afscherming
Artikel 106c
Artikel 108
§ 2. Zijdelingse afscherming
Artikel 107
De in deze afdeling gestelde eisen worden getoetst:
Artikel 111
Artikel 109
Artikel 110
Artikel 111
De in deze afdeling gestelde eisen worden getoetst:
§ 3. Frontbeschermingsinrichting
2439: nummer en aantal posities kan variëren; dit is het goedkeuringsnummer specifiek voor het merk en type van het onderdeel.
Titel 9. Lichten en retroreflecterende voorzieningen
Afdeling 1. Dimlicht
Artikel 113
Het mistvoorlicht moet zodanig zijn afgesteld dat bij controle met een koplamptestapparaat dan wel een lichtscherm ten aanzien van het geprojecteerde beeld, na fixatie van dat apparaat of scherm, het geprojecteerde lichtste vlak voor zowel een beladen als onbeladen voertuig zich globaal niet bevindt boven de horizontale lijn die overeenkomt met het midden van het mistvoorlicht.
Afdeling 1a. Mistvoorlicht
Artikel 114a
Afdeling 2. Gasontladingslichtbronnen
Vervallen.
Artikel 117
Bij dimlichten met gasontladingslichtbronnen blijven de gasontladingslichtbronnen ingeschakeld wanneer het groot licht brandt.
Artikel 115
Artikel 117
Bij dimlichten met gasontladingslichtbronnen blijven de gasontladingslichtbronnen ingeschakeld wanneer het groot licht brandt.
Artikel 118
Vervallen.
Afdeling 3. Zijmarkeringslichten en retroreflectoren
Artikel 118
Artikel 119
Afdeling 3. Zijmarkeringslichten en retroreflectoren
De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst:
Artikel 119
Zijmarkeringslichten en ambergele retroreflectoren moeten zijn aangebracht aan elke zijkant van het voertuig.
Artikel 120
Artikel 121
Artikel 122
De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst:
§ 2. Rode retroreflectoren in de vorm van een afgeknotte driehoek
Vervallen.
Bijlage XI. , behorende bij artikel 6.6
Artikel 124
§ 4. Retroreflecterende voorzieningen gehandicaptenvoertuigen
§ 3. Retroreflecterende voorzieningen fietsen
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
§ 12. Diversen
Afdeling 7. Motorrijtuigen met beperkte snelheid
§ 6. Ophanging
§ 0. Algemeen
§ 5. Assen
§ 8. Reminrichting
§ 6. Ophanging
§ 7. Stuurinrichting
§ 9. Carrosserie
§ 9. Carrosserie
§ 7. Stuurinrichting
§ 12. Diversen
§ 12. Diversen
§ 0. Algemeen
§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
Afdeling 8. Landbouw- of bosbouwtrekkers
§ 3. Motor, brandstofsystemen en milieu
§ 0. Algemeen
§ 2. Afmetingen en massa’s
§ 3. Motor, brandstofsystemen en milieu
§ 0. Algemeen
§ 4. Krachtoverbrenging
§ 7. Stuurinrichting
§ 3. Motor, brandstofsystemen en milieu
§ 9. Carrosserie
§ 7. Stuurinrichting
§ 2. Afmetingen en massa’s
§ 4. Krachtoverbrenging
§ 9. Carrosserie
Afdeling 9. Fietsen
§ 6. Ophanging
§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
§ 12. Diversen
§ 11. Verbinding tussen motorrijtuig met beperkte snelheid en aanhangwagen
§ 0. Algemeen
§ 5. Assen
§ 12. Diversen
Afdeling 9. Fietsen
§ 4. Krachtoverbrenging
§ 2. Afmetingen en massa’s
§ 3. Motor, brandstofsystemen en milieu
§ 2. Afmetingen en massa’s
§ 12. Diversen
§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
§ 6. Ophanging
§ 2. Afmetingen en massa’s
§ 8. Reminrichting
§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
§ 5. Assen
§ 0. Algemeen
Afdeling 11. Gehandicaptenvoertuigen, uitgerust met een elektromotor en niet voorzien van een gesloten carrosserie
§ 2. Afmetingen en massa’s
§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
§ 11. Verbinding tussen mobiele machine en aanhangwagen
§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
§ 12. Diversen
§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
§ 2. Afmetingen en massa’s
§ 3. Motor, brandstofsystemen en milieu
§ 9. Carrosserie
Afdeling 12. Aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 750 kg achter personenauto’s, bedrijfsauto’s en driewielige motorrijtuigen
§ 8. Reminrichting
§ 2. Afmetingen en massa’s
§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
§ 6. Ophanging
§ 7. Stuurinrichting
§ 9. Carrosserie
§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
§ 4. Krachtoverbrenging
§ 6. Ophanging
§ 6. Ophanging
§ 11. Verbinding tussen landbouw- of bosbouwtrekker en aanhangwagen
Afdeling 13. Aanhangwagens met een toegestane maximummassa van niet meer dan 750 kg achter personenauto’s, bedrijfsauto’s en driewielige motorrijtuigen
§ 2. Afmetingen en massa’s
§ 3. Motor
§ 8. Reminrichting
§ 7. Stuurinrichting
§ 11. Verbinding tussen landbouw- of bosbouwtrekker en aanhangwagen
§ 9. Carrosserie
§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
§ 2. Afmetingen en massa’s
§ 2. Afmetingen en massa’s
Afdeling 14. Aanhangwagens achter landbouw- of bosbouwtrekkers en achter motorrijtuigen met beperkte snelheid
§ 3. Brandstofsystemen
§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
§ 0. Algemeen
§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
§ 0. Algemeen
§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
§ 4. Krachtoverbrenging
§ 3. Motor, brandstofsystemen en milieu
§ 5. Assen
Afdeling 15. Aanhangwagens achter motorfietsen of bromfietsen
§ 5. Assen
§ 8. Reminrichting
§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
§ 9. Carrosserie
§ 2. Afmetingen en massa’s
§ 2. Afmetingen en massa’s
§ 8. Reminrichting
Afdeling 16. Aanhangwagens achter fietsen
§ 12. Diversen
§ 9. Carrosserie
Afdeling 13. Aanhangwagens van de voertuigcategorie O met een toegestane maximummassa van niet meer dan 750 kg
§ 0. Algemeen
§ 4. Krachtoverbrenging
§ 6. Ophanging
§ 6. Ophanging
§ 0. Algemeen
§ 2. Afmetingen en massa’s
Afdeling 17. Wagens
§ 6. Ophanging
§ 0. Algemeen
A. Personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen en daardoor voortbewogen aanhangwagens
B. Motorfietsen en daardoor voortbewogen aanhangwagens
C. Landbouw- of bosbouwtrekkers, motorrijtuigen met beperkte snelheid en daardoor voortbewogen aanhangwagens
D. Bromfietsen en daardoor voortbewogen aanhangwagens
E. Fietsen en daardoor voortbewogen aanhangwagens
F. Gehandicaptenvoertuigen en wagens
G. Middenasaanhangwagens
§ 11. Verbinding tussen trekkend motorvoertuig en aanhangwagen
§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
B. Motorfietsen en daardoor voortbewogen aanhangwagens
C. Landbouw- of bosbouwtrekkers, motorrijtuigen met beperkte snelheid en daardoor voortbewogen aanhangwagens
§ 11. Verbinding tussen trekkend motorvoertuig en aanhangwagen
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)