Regeling tot uitvoering de hoofdstukken III en VI van de Wegenverkeerswet 1994 (Regeling voertuigen)
De retroreflector wordt ontdaan van alle afneembare onderdelen en wordt daarna gedurende 60 minuten ondergedompeld in water met een temperatuur van 25 °C (waarbij een afwijking van 5 °C is toegestaan), waarbij het hoogste punt van de retroreflector zich ten minste 1,00 m (waarbij een afwijking van 50 mm is toegestaan) onder het wateroppervlak bevindt.
Bijlage IX. , behorende bij hoofdstuk 6, artikel 6.3, tweede lid, en bijlage IV, artikelen 1, tweede lid, en artikel 2, tweede lid
Bijlage X. , behorende bij artikel 6.3
Het beeldscherm van het camera-monitorsysteem moet dusdanig zijn gemonteerd dat de kijkrichting voor het beeldscherm ongeveer overeenkomt met die voor de linker- of de rechterbuitenspiegel.
Motorvoertuigen die geen volledig dragend chassis hebben; roestschadegradatie bij maximum functieverlies per onderdeel, per bevestiging van een onderdeel of per sectie van de bodemplaat.
4: aanduiding van het land dat goedkeuring heeft verleend (‘4’ staat voor ‘Nederland’);
Een voertuig dat in de bouw of inrichting is gewijzigd als bedoeld in artikel 6.3, tweede lid, van deze regeling, moet voldoen aan de in deze bijlage opgenomen eisen, voor zover die eisen verband houden met de aangebrachte wijziging en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren.
Een voertuig dat in de bouw of inrichting is gewijzigd als bedoeld in artikel 6.3, tweede lid, van deze regeling, moet voldoen aan de in deze bijlage opgenomen eisen, voor zover die eisen verband houden met de aangebrachte wijziging en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren.
In deze annex:
Een duurbeproeving in langsrichting van het voertuig wordt uitgevoerd met 20.000 lastwisselingen waarbij de volgende krachten worden uitgeoefend:
In deze annex:
Bijlage X. behorende bij artikel 6.3, lid 3a, en vierde lid
Bijlage XII. , behorend bij artikel 3.23.a, vierde lid, van de Regeling voertuigen
Artikel 1.0
Artikel 1.31
Artikel 1.54
Artikel 1.42
Artikel 1.37
Artikel 1.62
Artikel 1.42
Model herkenningsteken aanwezigheid CNG-installatie in een bus.
Het herkenningsteken bestaat uit een sticker die weerbestendig is en de hierboven aangegeven parallelvormen weergeeft. De aanduiding ‘CNG’ moet onuitwisbaar en duidelijk leesbaar in het midden van de sticker zijn aangebracht.
§ 2.2.2. CNG-tank
Artikel 1.41
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
Het voertuigidentificatienummer van een samengesteld voertuig voorzien van een frame wordt bepaald door het frame.
Bijlage II. , behorende bij artikel 2.2, tweede lid
Bijlage IIIa. , behorende bij artikel 3.2, derde lid
Vervallen
Bijlage I. behorende bij artikel 2.1, derde lid
Bijlage IIIc. , behorende bij artikel 3.4, tweede lid
Bijlage IIId. , behorende bij artikel 3.11
Bijlage I. behorende bij artikel 2.1, derde lid
Bijlage I. behorende bij artikel 2.1, derde lid
Bijlage Vb. , behorende bij artikel 3.9, vierde lid
Bijlage IV. behorende bij de artikelen 3.2, vierde lid, 3.3, 3.4, 3.7, eerste lid, 6.1, derde lid, 6.3, eerste lid, 6.4, eerste, tweede en vierde lid, 6.5, 6.7, 6.8 en 6.10, eerste lid
Vervallen
Bijlage IIId. , behorende bij artikel 3.11
Vervallen
In deze bijlage en de bijbehorende annexen wordt verstaan onder:
Bijlage VIII. , behorende bij hoofdstuk 5
Indien de retroreflector gevormd wordt door een fietsband, een band van een fietsaanhangwagen, een band van een zijspanwagen aan een fiets dan wel een velg waarvan de zijkanten zijn voorzien van retroreflecterend materiaal, moet worden voldaan aan VN/ECE-reglement 88.
Indien de retroreflector wordt gevormd door een cirkelvormige voorziening die aan de spaken dan wel aan de daarvoor in de plaats tredende delen kan worden bevestigd, moet deze voorziening voldoen aan de in de artikelen 20 tot en met 24 gestelde eisen.
Artikel 106a
Bedrijfsauto’s in gebruik genomen na 31 december 2016 met een toegestane maximummassa van meer dan 7.500 kg en aanhangwagens in gebruik genomen na 31 december 2016 waarbij de som van de aslasten meer bedraagt dan 3.500 kg, moeten zijn voorzien van een deugdelijke opspatafscherming die de verstuiving van water door de banden beperkt.
Het eerste lid is niet van toepassing op bedrijfsauto’s die een aantekening in het kentekenregister ‘G’ hebben.
Artikel 106b
De opspatafscherming moet:
- a. zijn aangebracht achter de wielen van de vooras of voorassen en achter de wielen van de achterste achteras;
- b. reiken tot maximaal 30 cm boven het wegdek;
- c. minimaal de gehele breedte van het loopvlak van de band bedekken, en
- d. deugdelijk zijn bevestigd.
Artikel 106c
Delen van de permanente opbouw kunnen als deel van de opspatafscherming dienen.
Bijlage X. , behorende bij artikel 6.3
Vervallen.
De onderdelen van de CNG-installatie moeten bestand zijn tegen de druk die, onder normale bedrijfsomstandigheden, maximaal kan heersen in het gedeelte van de CNG-installatie waar deze onderdelen zijn aangebracht.
2439: nummer en aantal posities kan variëren; dit is het goedkeuringsnummer specifiek voor het merk en type van het onderdeel.
In deze annex:
Een duurbeproeving in dwarsrichting van het voertuig wordt uitgevoerd met 20.000 lastwisselingen waarbij een zijdelingse kracht op het wiel moeten worden uitgeoefend, overeenkomstig figuur 5.
Vervallen.
Bijlage XI. , behorende bij artikel 6.6
Hoofdstuk 1. Wijziging van de motorbrandstof van een voertuig in een al dan niet tot vloeistof verdicht gas
Bijlage XII. , behorende bij artikel 3.9, vijfde lid
Artikel 1.1
Artikel 1.40
Artikel 1.42
Artikel 1.44
Indien de CNG-tank met behulp van een tankframe en tankbanden wordt aangebracht, moet tussen de CNG-tank en het frame beschermend materiaal, zoals vilt, leer of kunststof, zijn aangebracht.
De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst door middel van visuele controle, zo nodig terwijl het motorvoertuig zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.
Artikel 1.47
Artikel 1.49
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
Bijlage II. behorende bij artikel 2.2, tweede lid
Bijlage IIId. , behorende bij artikel 3.11
Vervallen
Bijlage Vb. , behorende bij artikel 3.9, derde lid
Bijlage IIIa. , behorende bij artikel 3.2, derde lid
Vervallen
De koppeling van voertuigen met de voertuigclassificatie O1 tot en met O4 moet zijn voorzien van een van de volgende goedkeuringsmerken:
In deze bijlage wordt verstaan onder:
Bijlage IX. , behorende bij hoofdstuk 6, artikel 6.3, tweede lid, en bijlage IV, artikelen 1, tweede lid, en artikel 2, tweede lid
Bijlage X. , behorende bij artikel 6.3
De stand van de lichtbundel van het mistvoorlicht wordt gecontroleerd met behulp van een koplamptestapparaat dat juist voor het voertuig moet zijn opgesteld en waarbij:
De linkerbuitenspiegel van het motorvoertuig, met uitzondering van een motorfiets, moet zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder hiermee het gezichtsveld op grondniveau kan overzien, zoals weergegeven in figuur 44 of 45, waarbij de bestuurder:
De vooruitkijkspiegel of het camera-monitorsysteem van de bedrijfsauto die in gebruik is genomen na 25 januari 2008, moet zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder hiermee het gezichtsveld kan overzien, zoals weergegeven in figuur 58, waarbij de bestuurder zicht heeft op:
2 Bij snelheidssymbolen hoger dan ‘P’, mag voor de waarde van de variatie in aslast de waarde worden gehanteerd die onder ‘P’ is aangegeven.
Bijlage XI. , behorende bij artikel 6.6
Bijlage XII. , behorend bij artikel 3.23a, vierde lid
Een CNG-onderdeel waarop paragraaf 2.1 van deze afdeling van toepassing is, moet zijn voorzien van het volgende goedkeuringsmerk.
Het goedkeuringsmerk ingevolge VN/ECE-reglement 110 ziet er als volgt uit:
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
Bijlage IX. behorende bij artikel 6.3, tweede, vijfde en zesde lid
waarbij de volgende codes de daarbij vermelde betekenis hebben:
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
Indien twijfel bestaat over de juistheid van het voertuigidentificatienummer, onder meer omdat het van fabriekswege ingeslagen voertuigidentificatienummer ontbreekt, teniet is gegaan of geheel of ten dele onleesbaar is geworden, kan de Dienst Wegverkeer een nader onderzoek instellen.
Bijlage II. , behorende bij artikel 2.2, tweede lid
Indien vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt in het kader van de aanvraag van een inschrijving, dan wel inschrijving en tenaamstelling, met gebruikmaking van de bevoegdheid bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel a, met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, voor een individuele goedkeuring, dan wel voor een ander onderzoek, wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 10.
Het voertuigidentificatienummer van een samengesteld voertuig voorzien van motor en chassis, wordt bepaald door het chassis.
Bijlage IIIc. , behorende bij artikel 3.4, tweede lid
Vervallen
Bijlage IIId. , behorende bij artikel 3.11
Vervallen
Bijlage IV. , behorende bij de artikelen 3.2, vierde lid, 3.3, 3.4 en 3.7, eerste lid
Bijlage IIIb. , behorende bij artikel 3.3, tweede lid
Vervallen
Bijlage II. behorende bij artikel 2.2, tweede lid
Indien de vaststelling van de datum van eerste toelating geschiedt in het kader van de aanvraag tot inschrijving zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat beschikt over de bevoegdheid, bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel a, van het Kentekenreglement, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld aan de hand van het op basis van bijlage I vastgestelde voertuigidentificatienummer waarbij de datum van eerste toelating wordt gesteld op de datum van eerste tenaamstelling.
Bijlage Va. behorende bij artikel 3.9, tweede lid
Vervallen
Bijlage IX. , behorende bij artikel 6.3, tweede lid, en bijlage IV, artikelen 2a, vierde lid, 2b, eerste, tweede, vierde en vijfde lid, en 3, tweede lid
Bijlage X. , behorende bij artikel 6.3
2 Bij snelheidssymbolen hoger dan ‘P’, mag voor de waarde van de variatie in aslast de waarde worden gehanteerd die onder ‘P’ is aangegeven.
Bijlage X. behorende bij artikel 6.3, lid 3a, en vierde lid
Een CNG-installatie moet ten minste zijn voorzien van de volgende onderdelen:
waarbij de volgende codes de daarbij vermelde betekenis hebben:
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
Artikel 5.4.59b
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Het mistvoorlicht of de mistvoorlichten moeten goed zijn afgesteld, waarbij het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 114a en 114b, van toepassing is. | – |
| 2. | Het extra dimlicht moet goed zijn afgesteld, waarbij het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 113 en 114, van toepassing is. | – |
§ 11. Verbinding tussen motorfiets en aanhangwagen
Afdeling 5. Driewielige motorrijtuigen
§ 8. Reminrichting
§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
§ 11. Verbinding tussen motorfiets en aanhangwagen
§ 11. Verbinding tussen motorfiets en aanhangwagen
§ 4. Krachtoverbrenging
§ 11. Verbinding tussen motorfiets en aanhangwagen
§ 6. Ophanging
Afdeling 6. Bromfietsen
§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
§ 8. Reminrichting
Afdeling 7. Motorrijtuigen met beperkte snelheid
§ 3. Motor en brandstofsystemen
Artikel 5.7.59b
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De mistvoorlichten moeten goed zijn afgesteld, waarbij het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 114a en 114b, van toepassing is. | – |
| 2. | De extra dimlichten moeten goed zijn afgesteld, waarbij het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 113 en 114, van toepassing is. | – |
Artikel 5.7.61
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De richtingaanwijzers, stadslichten, parkeerlichten en achterlichten, bedoeld in de artikelen 5.7.51 en 5.7.57, en de rode retroreflectoren aan de achterzijde, bedoeld in artikel 5.7.51, zijn aangebracht op een afstand van niet meer dan 0,50 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig. | Leden 1 en 2: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. |
| 2. | Indien het voertuig breder is dan 2,55 m en de montage in het desbetreffende gebied op het voertuig door opspattend zand en vuil van de banden onverenigbaar is, mogen in afwijking van het eerste lid de richtingaanwijzers, achterlichten en rode retroreflectoren aan de achterzijde van het voertuig op een afstand van meer dan 0,50 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig zijn aangebracht, doch niet meer dan noodzakelijk, mits de markering van de breedte aan de achterzijde van het voertuig voldoet aan de in bijlage VIII, artikelen 132 en 133, gestelde eisen. |
§ 7. Stuurinrichting
Afdeling 8. Landbouw- of bosbouwtrekkers
Artikel 5.8.11a
| Eisen | Wijze van keuren |
|---|---|
| Onderdelen van landbouw- of bosbouwtrekkers in gebruik genomen na 31 december 2017, niet zijnde onderdelen van het brandstofsysteem, het remsysteem, de stuurbekrachtiging of het veersysteem, mogen met uitzondering van water geen overmatige vloeistoflekkage vertonen. | Visuele controle. |
Artikel 5.8.15
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Landbouw- of bosbouwtrekkers met een maximumconstructiesnelheid van meer dan 40 km/h, moeten zijn voorzien van een goed werkende snelheidsmeter die ook bij nacht voor de bestuurder goed afleesbaar is. | Visuele controle. De werking en afleesbaarheid worden niet getoetst tijdens de algemene periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 2. | Indien een landbouw- of bosbouwtrekker moet zijn voorzien van een controleapparaat: a. moet de landbouw- of bosbouwtrekker zijn voorzien van een installatieplaatje en mag de op dat installatieplaatje vermelde geldigheidsduur niet zijn verstreken, met dien verstande dat de geldigheidsduur maximaal twee jaar vanaf de installatiedatum bedraagt; b. moet het installatieplaatje, bedoeld in onderdeel a, zijn voorzien van een verzegeling dan wel zodanig zijn aangebracht dat dit bij verwijdering onherstelbaar wordt beschadigd; c. mag de omtrek van de op de aangedreven wielen gemonteerde banden niet meer dan 4% afwijken van de waarde die op het installatieplaatje is vermeld; en d. moeten het controleapparaat en de voor het functioneren noodzakelijke aansluitingen met behulp van een verzegeling zijn beschermd tegen een niet-toegestane wijziging in de instellingen of onderbreking van de stroomvoorziening. | – Onderdeel a: de aanwezigheid van en de geldigheidsduur op het installatieplaatje van het controleapparaat wordt visueel gecontroleerd. – Onderdeel b: visuele controle van de verzegeling van het installatieplaatje van het controleapparaat. – Onderdeel c: bij twijfel meting van de bandenomtrek. – Onderdeel d: visuele controle van alle zichtbare aansluitingen en verbindingen van het controleapparaat. – De wijze van gebruik van het voertuig en de onderdelen a tot en met d worden niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport, indien er geen installatieplaatje in of op het voertuig aanwezig is. |
§ 3. Motor en brandstofsystemen
Artikel 5.8.32
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | In de reservoirs van het hydraulisch remsysteem moet voldoende remvloeistof aanwezig zijn. | Visuele controle, waarbij het remvloeistofniveau zich niet onder de minimumaanduiding mag bevinden. |
| 2. | Indien aanwezig moet de vulopening van het remsysteem of van het reservoir zijn afgesloten met een passende dop. | Visuele controle. |
Artikel 5.8.33
| Eisen | Wijze van keuren |
|---|---|
| Landbouw- of bosbouwtrekkers met een drukluchtremsysteem die in gebruik zijn genomen na 31 december 2020, moeten zijn voorzien van een optische of akoestische waarschuwingsinrichting die in werking treedt zodra de energievoorraad in een van de bedrijfskringen onder de vereiste minimumdruk is gedaald. | Visuele of auditieve controle, door om de beurt de bedrijfsremkringen leeg te laten lopen en weer te vullen. |
Artikel 5.8.34
| Eisen | Wijze van keuren |
|---|---|
| Landbouw- of bosbouwtrekkers met een veerrem die in gebruik zijn genomen na 31 december 2020, moeten zijn voorzien van een optische of akoestische waarschuwingsinrichting die in werking treedt zodra de veerrem in werking is gesteld. | Visuele of auditieve controle, terwijl de veerrem in werking wordt gesteld. |
Artikel 5.8.36
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De slag van drukluchtremcilinders die door middel van een nok een trommelrem bedienen, mag niet worden begrensd door delen die daar niet voor zijn bestemd. | Visuele controle, waarbij de rem in werking wordt gesteld. |
| 2. | De slag van drukluchtremcilinders van trommelremmen mag vanuit onberemde toestand tot in beremde stand niet groter zijn dan twee derde deel van de maximumslag van de betrokken remcilinder. | Visuele controle, waarbij de rem maximaal in werking wordt gesteld. In geval van twijfel wordt gemeten. |
Artikel 5.8.37
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Landbouw- of bosbouwtrekkers met een: a. tweeleidingremsysteem ten behoeve van aanhangwagens, moeten aan de aansluitkop van de voorraadleiding een druk bezitten met een grenswaarde van 6,0 tot 8,5 bar en aan de aansluitkop van de commandoleiding, bij een maximale voorraaddruk, een druk met een grenswaarde van 6,0 tot 8,5 bar; b. éénleiding hydraulisch remsysteem ten behoeve van aanhangwagens, moet aan de aansluitkop een druk bezitten met een grenswaarde van 100 tot 160 bar; c. tweeleiding hydraulisch remsysteem ten behoeve van aanhangwagens, moeten aan de aansluitkop van de supplementaire leiding een druk bezitten met een grenswaarde van 15 tot 35 bar en aan de aansluitkop van de bedieningsleiding een druk met een grenswaarde van 115 tot 150 bar. | Visuele controle met behulp van een manometer, waarbij de rem in werking wordt gesteld. |
| 2. | Bij landbouw- of bosbouwtrekkers in gebruik genomen na 31 december 2020, moeten de voorraad- en commandoleiding zijn voorzien van goed werkende automatische afsluiters. | Visuele controle. |
Artikel 5.8.59b
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De mistvoorlichten moeten goed zijn afgesteld, waarbij het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 114a en 114b, van toepassing is. | – |
| 2. | De extra dimlichten moeten goed zijn afgesteld, waarbij het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 113 en 114, van toepassing is. | – |
Artikel 5.8.61
| Eisen | Wijze van keuren |
|---|---|
| De richtingaanwijzers, stadslichten, parkeerlichten en achterlichten, bedoeld in de artikelen 5.8.51 en 5.8.57, en de rode retroreflectoren aan de achterzijde, bedoeld in artikel 5.8.51, moeten zijn aangebracht op een afstand van niet meer dan 0,50 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig. | Visuele controle; in geval van twijfel wordt gemeten. |
Artikel 5.8.67
| Eisen | Wijze van keuren |
|---|---|
| Indien de landbouw- of bosbouwtrekker is voorzien van een koppelingskogel met een nominale diameter van: a. 50 mm, moet de diameter van de kogel ten minste 49,0 mm bedragen; b. 80 mm, moet de diameter van de kogel ten minste 78,5 mm bedragen. | Het bolvormige gedeelte wordt gemeten met een geschikt meetmiddel. |
Artikel 5.8.68
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Indien de landbouw- of bosbouwtrekker is voorzien van een vangmuilkoppeling met een nominale pendiameter van: a. 25 mm, moet de pendiameter ten minste 23,0 mm bedragen; b. 32 mm, moet de pendiameter ten minste 30,0 mm bedragen; c. 36 mm, moet de pendiameter ten minste 34,0 mm bedragen; d. 38 mm, moet de pendiameter ten minste 36,0 mm bedragen; e. 40 mm, moet de pendiameter ten minste 36,5 mm bedragen; f. 50 mm, moet de pendiameter ten minste 46,0 mm bedragen; g. 57,5 mm, moet de pendiameter ten minste 55,0 mm bedragen. | Het contactgedeelte van de pen met het trekoog, wordt gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 2. | De koppelingen, bedoeld in het eerste lid, moeten voldoen aan de volgende eisen: a. de opwaartse speling van de pen mag niet meer dan 5 mm bedragen; b. de radiale speling in de onderste bus mag niet meer dan 2 mm bedragen; c. de onderste lagerbus mag niet loszitten en de bevestiging ervan mag niet zijn uitgeslagen; d. de sluit- en borginrichting moet goed werken; e. de radiale speling van de trekstang in de lagering in de achterbalk mag niet meer dan 2 mm bedragen; f. axiale speling van de trekstang in de lagering in de achterbalk is niet toegestaan; g. de bevestigingsmoer van de trekstang moet deugdelijk vastzitten en moet goed geborgd zijn; en h. het gedeelte van de vangmuil dat als geleiding voor het trekoog tijdens het aankoppelen is bedoeld, mag tekenen van vervorming, scheuren of uitgebroken delen vertonen, mits daardoor de sterkte of het functioneren van de koppeling, met inbegrip van de sluit- en borginrichting, niet wordt aangetast. Herstel daarvan door middel van lassen is toegestaan. | – Onderdeel a: de pen wordt omhoog bewogen met behulp van bijvoorbeeld een schroevendraaier, waarbij de koppeling gesloten moet zijn en de handborg of controlestift, voor zover mogelijk, buiten werking moet zijn gesteld, teneinde de speling in het sluitingsmechanisme en de bovenste lagerbus van de pen bij de beoordeling te betrekken. In geval van twijfel wordt gemeten met een geschikt meetmiddel. – Onderdeel b: in geval van twijfel wordt meten, bijvoorbeeld met een stukje haaks omgezet rondstaal van 2 mm. – Onderdeel c: visuele controle. – Onderdeel d: visuele controle, terwijl de koppeling wordt geopend en gesloten. – Onderdeel e: de trekstang wordt op- en neerwaarts en van links naar rechts bewogen. In geval van twijfel wordt gemeten, bijvoorbeeld met een stukje haaks omgezet rondstaal van 2 mm. – Onderdeel f: de trekstang wordt axiaal bewogen. – Onderdeel g: visuele controle. Een eventuele stofkap wordt verwijderd. – Onderdeel h: visuele controle. |
Artikel 5.8.69
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Indien de landbouw- of bosbouwtrekker is voorzien van een schotelkoppeling van 2 of 3,5 inch, mag: a. de onvlakheid van de schotel niet meer dan 3,5 mm bedragen, en b. de onvlakheid van de schotel, in afwijking van onderdeel a, voor wat betreft de uiterste linker- en rechterzijde over een breedte van 50 mm, gemeten vanaf de buitenzijde van de schotel, niet meer dan 5 mm bedragen. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt met behulp van een geschikt meetmiddel en een aanliggende stalen rei in alle richtingen over het hart van de schotel gemeten. |
| 2. | Het eerste lid is niet van toepassing op kunststofdelen op de schotelkoppeling die bedoeld zijn als slijtvlak. | – |
| 3. | Een schotelkoppeling moet deugdelijk zijn bevestigd. | Visuele controle. |
| 4. | De speling in de sluitinrichting van een schotelkoppeling van 2 inch mag, uitgaande van een niet gesleten 2 inch pen, in de lengterichting van het voertuig niet meer dan 2 mm bedragen. | In geval van twijfel wordt gemeten met een geschikt meetmiddel. Controle geschiedt met behulp van: a. een standaard pen van 2 inch die voldoet aan de nieuwmaat toleranties en voorzien is van een vlakke plaat, waarbij het uitstekende deel van de pen een hoogte heeft van ten minste 82,5 mm en ten hoogste 82,7 mm, dan wel b. een oplegger met een pen van 2 inch, daarbij rekening houdend met een eventuele gemeten slijtage van de pen. |
| 5. | De sluit- en borginrichting moet goed werken. | Visuele controle, terwijl de sluit- en borginrichting wordt geopend en gesloten. |
Artikel 5.8.70
| Eisen | Wijze van keuren |
|---|---|
| Indien de landbouw- of bosbouwtrekker is voorzien van een penkoppeling met een nominale diameter van: a. 30 mm, moet de pendiameter ten minste 28,0 mm bedragen; b. 30,6 mm, moet de pendiameter ten minste 28,6 mm bedragen; c. 44,5 mm, moet de diameter van de pen ten minste 41,0 mm bedragen. | Het contactgedeelte van de pen met het trekoog wordt gemeten met een geschikt meetmiddel. |
Afdeling 9. Fietsen
§ 9. Carrosserie
Afdeling 10. Gehandicaptenvoertuigen voorzien van een gesloten carrosserie, alsmede gehandicaptenvoertuigen uitgerust met een verbrandingsmotor en niet voorzien van een gesloten carrosserie
§ 2. Afmetingen en massa’s
§ 12. Diversen
Artikel 5.10.59b
| Eisen | Wijze van keuren |
|---|---|
| De mistvoorlichten moeten goed zijn afgesteld, waarbij het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 114a en 114b, van toepassing is. | – |
Afdeling 11. Gehandicaptenvoertuigen uitgerust met een elektromotor en niet voorzien van een gesloten carrosserie
§ 8. Reminrichting
§ 8. Reminrichting
Afdeling 12. Aanhangwagens van de voertuigcategorie O met een toegestane maximummassa van meer dan 750 kg
§ 12. Diversen
§ 2. Afmetingen en massa’s
Afdeling 13. Aanhangwagens van de voertuigcategorie O met een toegestane maximummassa van niet meer dan 750 kg
Afdeling 14. Landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken
Artikel 5.14.1
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De geregistreerde landbouw- of bosbouwaanhangwagen of het geregistreerde verwisselbaar getrokken uitrustingsstuk moet in overeenstemming zijn met de op de voor het voertuig afgegeven kentekencard en in het kentekenregister omtrent het voertuig vermelde gegevens. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. |
| 2. | De geregistreerde landbouw- of bosbouwaanhangwagen of het geregistreerde verwisselbaar getrokken uitrustingsstuk moet zijn voorzien van de juiste kentekenplaat. | |
| 3. | De kentekenplaat moet zijn voorzien van het in artikel 5 van het Kentekenreglement voorgeschreven goedkeuringsmerk en moet deugdelijk aan de achterzijde van het voertuig zijn bevestigd. | |
| 4. | Het kenteken moet goed leesbaar zijn en de kentekenplaat mag niet zijn afgeschermd. | Visuele controle, waarbij de letters en cijfers volledig zichtbaar moeten zijn indien de waarnemer op een afstand van 20,00 m achter het midden van het voertuig staat. |
| 5. | Het voertuigidentificatienummer moet in het chassis, frame of een soortgelijke dragende structuur zijn ingeslagen en moet goed leesbaar zijn. | Leden 5 en 6: Visuele controle. |
| 6. | Landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken die in gebruik zijn genomen na 31 december 2017, moeten zijn voorzien van één of meerdere constructieplaten die goed leesbaar zijn en waarvan in het geval van een geregistreerd voertuig de gegevens in overeenstemming zijn met het kentekenregister, met dien verstande dat de technisch toegestane maximummassa’s die op de constructieplaten zijn vermeld ten minste gelijk zijn aan de massa’s die in het kentekenregister zijn opgenomen. | |
| 7. | Het eerste tot en met vijfde lid zijn niet van toepassing op landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken die niet zijn opgenomen in het kentekenregister, in gebruik zijn genomen vóór 1 januari 2021 en een maximumconstructiesnelheid van niet meer dan 25 km/h hebben. | – |
| 8. | Het eerste tot en met vierde lid zijn niet van toepassing op landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken met een technische toegestane maximummassa van niet meer dan 750 kg. | – |
| 9. | Het eerste tot en met het vierde lid zijn tot 1 januari 2025 niet van toepassing op landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken waarop ingevolge artikel III van de Wet van 20 mei 2020 tot wijziging van de Wegenverkeerswet 1994 in verband met de implementatie van richtlijn 2014/45/EU alsmede ter invoering van een registratie- en kentekenplicht voor landbouw- en bosbouwtrekkers, motorrijtuigen met beperkte snelheid, mobiele machines en aanhangwagens die uitsluitend bestemd zijn om daardoor te worden voortbewogen en het niet meer toelaten tot het verkeer van nieuwe motorrijtuigen met beperkte snelheid (Stb. 2020, 167) geen kenteken behoorlijk zichtbaar aanwezig hoeft te zijn. | – |
§ 5. Assen
§ 5. Assen
Artikel 5.14.35
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken voorzien van een drukluchtremsysteem, moeten zijn voorzien van: a. drukmeetpunten waarmee de drukken die worden ingestuurd in de drukluchtremcilinders op iedere as, kunnen worden gemeten, en b. een drukmeetpunt waarmee de druk vóór elke drukluchtremkrachtregelaar kan worden gemeten. | Visuele controle. |
| 2. | Drukluchtremkrachtregelaars moeten goed werken. | Visuele controle met behulp van manometers, waarbij de rem in werking wordt gesteld. Indien mogelijk, wordt de controle ook uitgevoerd wanneer de drukluchtremkrachtregelaar de volle druk doorstuurt. |
| 3. | De ontwateringsventielen van reservoirs moeten goed werken. | Visuele controle, waarbij het ontwateringsventiel, indien mogelijk, moet worden bediend. |
Artikel 5.14.36
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De slag van drukluchtremcilinders of hydraulische remcilinders die door middel van een nok een trommelrem bedienen, mag niet worden begrensd door delen die daar niet voor zijn bestemd. | Visuele controle, waarbij de rem in werking wordt gesteld. |
| 2. | De slag van drukluchtremcilinders of hydraulische remcilinders van trommelremmen mag vanuit onberemde toestand tot in beremde stand niet groter zijn dan twee derde deel van de maximumslag van de betrokken remcilinder. | Visuele controle, waarbij de rem maximaal in werking wordt gesteld. In geval van twijfel wordt gemeten. |
Artikel 5.14.38
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg: a. ten minste 2,4 m/s2 bedraagt, indien de maximumconstructiesnelheid niet meer is dan 30 km/h en het voertuig in gebruik is genomen vóór 1 januari 2018; b. ten minste 3,1 m/s2 bedraagt, indien de maximumconstructiesnelheid meer is dan 30 km/h en het voertuig in gebruik is genomen vóór 1 januari 2018; c. ten minste 3,0 m/s2 bedraagt, indien de maximumconstructiesnelheid niet meer is dan 30 km/h en het voertuig in gebruik is genomen na 31 december 2017; d. ten minste 4,5 m/s2 bedraagt, indien de maximumconstructiesnelheid meer is dan 30 km/h en het voertuig in gebruik is genomen na 31 december 2017. Bij controle van de remvertraging van aanhangwagens is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2 van overeenkomstige toepassing. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt een remproef uitgevoerd. |
| 2. | De bedrijfsrem van landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken met een maximumconstructiesnelheid van meer dan 40 km/h moet op ten minste twee wielen van iedere as werken. | Visuele controle. Terwijl de wielen zich vrij van de grond of van de hefinrichting bevinden, wordt de bedrijfsrem bediend en wordt gecontroleerd of elk wiel wordt geremd. Bij gebruik van een remtestinrichting voor de controle van de remwerking, wordt gelijktijdig hierop gecontroleerd. |
| 3. | Landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken mogen op een droge of nagenoeg droge weg niet uitbreken ten gevolge van een verschil in remwerking tussen de geremde wielen van elke as. | Visuele controle; in geval van twijfel wordt een remproef uitgevoerd. |
Artikel 5.14.40
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken die in gebruik zijn genomen na 31 december 2017 en zijn voorzien van een remsysteem, moeten zijn voorzien van een losbreekreminrichting. | Leden 1 en 2: visuele controle. Bij een tweeleiding-drukluchtremsysteem wordt de luchtslang van de voorraad tussen het trekkende voertuig of een andere externe bron en de aanhangwagen losgenomen. |
| 2. | Indien de landbouw- of bosbouwaanhangwagen of het verwisselbaar getrokken uitrustingsstuk is voorzien van een losbreekinrichting, moet deze goed werken. | |
| 3. | Bij het koppelen van een tweeleiding-drukluchtremsysteem aan het trekkende voertuig, moet de reminrichting automatisch in de bedrijfstoestand komen. | Visuele controle. Indien een losknop aanwezig is, moet deze, nadat de luchtslang van de voorraad is losgekoppeld, worden bediend en moet vervolgens de luchtslang van de voorraad worden aangesloten. Hierbij moet de losknop terugkeren in zijn oorspronkelijke stand. |
Artikel 5.14.61
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De verlichting, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen, bedoeld in de artikelen 5.14.51 en 5.14.57, moeten zijn aangebracht op een afstand van niet meer dan 0,50 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig. | Leden 1 en 2: visuele controle; in geval van twijfel wordt gemeten. |
| 2. | In afwijking van het eerste lid, moeten de stadslichten zijn aangebracht op een afstand van niet meer dan 0,25 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig. | |
| 3. | Het eerste lid is niet van toepassing op de achteruitrijlichten, remlichten, achterkentekenplaatverlichting, rode retroreflector in de vorm van een afgeknotte driehoek, mistachterlichten en werklichten. | – |
Artikel 5.14.70
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Op aanhangwagens die zijn voorzien van andere inrichtingen tot het koppelen van voertuigen dan bedoeld in de artikelen 5.14.67 tot en met 5.14.69, zijn de artikelen 5.8.66 tot en met 5.8.70 van overeenkomstige toepassing. | De wijze van keuren bij de artikelen 5.8.66 tot en met 5.8.70 is van overeenkomstige toepassing. |
| 2. | De achtertraverse, met inbegrip van alle profielen die daar deel van uitmaken, moet deugdelijk zijn bevestigd en mag: a. geen breuken of scheuren vertonen; en b. niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak. | Visuele controle, terwijl het voertuig zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
Afdeling 12. Aanhangwagens van de voertuigcategorie O met een toegestane maximummassa van meer dan 750 kg
Afdeling 16. Aanhangwagens achter fietsen
Afdeling 17. Wagens
§ 8. Reminrichting
§ 2. Afmetingen en massa’s
§ 3. Brandstofsystemen en milieu
§ 0. Algemeen
§ 0. Algemeen
Afdeling 14. Landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken
§ 5. Assen
Artikel 5.18.25b
De op de kentekencard, in het kentekenregister of op de constructieplaat van een landbouw- of bosbouwaanhangwagen of verwisselbaar getrokken uitrustingsstuk vermelde technisch toegestane maximummassa mag niet worden overschreden, met dien verstande dat het draagvermogen van de gemonteerde banden niet overschreden mag worden.
Indien van een landbouw- of bosbouwaanhangwagen of verwisselbaar getrokken uitrustingsstuk de toegestane maximummassa niet met behulp van het eerste lid kan worden vastgesteld, geldt voor dit voertuig een maximumlast onder enig wiel van 5.000 kg.
Artikel 5.18.25c
Van een landbouw- of bosbouwtrekker, motorrijtuig met beperkte snelheid, mobiele machine, landbouw- of bosbouwaanhangwagen of verwisselbaar getrokken uitrustingsstuk, mag:
- a. de in het kentekenregister of op de constructieplaat vermelde technisch toegestane maximumlast onder de as niet worden overschreden; en
- b. het draagvermogen van de gemonteerde banden niet worden overschreden.
De toegestane maximumlast onder de as van een landbouw- of bosbouwtrekker, motorrijtuig met beperkte snelheid, mobiele machine, landbouw- of bosbouwaanhangwagen of verwisselbaar getrokken uitrustingsstuk, mag niet meer bedragen dan:
- a. voor enige as: 10.000 kg voor een niet-aangedreven as en 11.500 kg voor een aangedreven as;
- b. de technisch toegestane maximumlast onder de as van het voertuig.
In afwijking van het tweede lid, mag de toegestane maximumlast onder de as van motorrijtuigen met beperkte snelheid of mobiele machines die zijn ingericht voor het uitvoeren van in hoofdzaak andere werkzaamheden dan het vervoer van goederen of personen niet meer bedragen dan 12.000 kg.
Eveneens in afwijking van het tweede lid, mag de toegestane maximumlast van landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken onder een pendelas niet meer bedragen dan 13.000 kg, waarbij de last onder ieder der assen niet meer mag bedragen dan 6.500 kg.
Artikel 5.18.25d
De op de constructieplaat van een landbouw- of bosbouwtrekker, motorrijtuig met beperkte snelheid, mobiele machine, landbouw- of bosbouwaanhangwagen of verwisselbaar getrokken uitrustingsstuk vermelde technisch toegestane maximumlast onder het asstel mag niet worden overschreden.
De toegestane maximumlast onder het asstel van een landbouw- of bosbouwtrekker, motorrijtuig met beperkte snelheid, mobiele machine, landbouw- of bosbouwaanhangwagen of verwisselbaar getrokken uitrustingsstuk, mag niet meer bedragen dan de technisch toegestane maximumlast onder het asstel van het voertuig.
Artikel 5.18.25e
Indien met een motorrijtuig met beperkte snelheid dat een combinatie vormt met één of meer aanhangwagens die zijn ingericht voor het vervoer van personen als bedoeld in artikel 1.1, de begripsbepaling van ‘motorrijtuig met beperkte snelheid’, onderdeel b, onder 2°, geen passagiers in de aanhangwagen worden vervoerd, mag in het motorrijtuig slechts één passagier worden vervoerd.
B. Motorfietsen en motorfietsaanhangwagens
G. Middenasaanhangwagens en aanhangwagens met een stijve dissel van de voertuigcategorie O
§ 2. Ophanging personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen, landbouw- of bosbouwtrekkers en motorrijtuigen met beperkte snelheid
A. Personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen, dolly’s of aanhangwagens van de voertuigcategorie O en samenstellen hiervan
B. Alle categorieën samenstellen van voertuigen
D. Bromfietsen en bromfietsaanhangwagens
B. Alle categorieën samenstellen van voertuigen
D. Fietsaanhangwagens achter fietsen op twee wielen
Hoofdstuk 6. Wijziging in de constructie
Hoofdstuk 7. Schadevoertuigen
Hoofdstuk 8. Meetmiddelen
Afdeling 18. Gebruikseisen
§ 0. Algemeen
Afdeling 2. Aanwijzing en erkenning instellingen
§ 9. Carrosserie
Afdeling 2. Aanwijzing en erkenning instellingen
§ 1. Keuringsinstellingen
§ 2. Onderzoeksgerechtigden
§ 4. Bijzondere eisen gesteld aan hulpinrichtingen
Afdeling 1. Algemeen
§ 2a. Sneeuwkettingen
§ 1.1. Algemeen
§ 4. Verlichting, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
§ 3. Algemene eisen gesteld aan hulpinrichtingen
§ 5. Pedaalkrachtmeters
§ 3. Olietemperatuurmeters
§ 8. Platenremtestbanken
§ 1.2.2. Maximale fout
§ 1.2.5. Monsternamesysteem
§ 2.2. Technische eisen
§ 2.1. Algemeen
§ 2.2. Technische eisen
§ 1.2.6. Functiestanden
§ 1.1. Algemeen
§ 1.2. Technische eisen
§ 1.2.3. Optisch systeem
§ 1.2.4. Temperatuuraspecten
§ 1.2.5. Monsternamesysteem
§ 11. Geluidsniveaumeter
§ 1.2.7. Aanwijsinrichting
§ 1.2.7. Aanwijsinrichting
§ 12. Koplamptestapparaten
Hoofdstuk 9. Ontheffingen
§ 2. Toerentellers
§ 4. Manometers
§ 11. Geluidsniveaumeter
§ 4. Tarieven
Hoofdstuk 10. Strafbepalingen
Hoofdstuk 11. Overgangs- en slotbepalingen
Bijlage I. , behorende bij artikel 2.1, derde lid
Bijlage II. behorende bij artikel 2.2, tweede lid
Bijlage IIIb. , behorende bij artikel 3.3, tweede lid
Vervallen
Bijlage IIIc. , behorende bij artikel 3.4, tweede lid
Vervallen
Bijlage II. behorende bij artikel 2.2, tweede lid
Indien na vaststelling van de datum eerste toelating blijkt dat deze datum onjuist is, wordt de datum eerste toelating opnieuw vastgesteld overeenkomstig deze bijlage.
Bijlage I. behorende bij artikel 2.1, derde lid
Bijlage Vb. , behorende bij artikel 3.9, derde lid
Bijlage IV. behorende bij de artikelen 3.2, vierde lid, 3.3, 3.4, 3.7, eerste lid, 6.1, derde lid, 6.3, eerste lid, 6.4, eerste, tweede en vierde lid, 6.5, 6.7, 6.8 en 6.10, eerste lid
Vervallen
Bijlage VIII. , behorende bij hoofdstuk 5
Bijlage IX. , behorende bij artikel 6.3, tweede lid, en bijlage IV, artikelen 2a, vierde lid, 2b, eerste, tweede, vierde en vijfde lid, en 3, tweede lid
Bijlage IX. behorende bij artikel 6.3, tweede, vijfde en zesde lid, en bijlage IV, artikelen 2a, vierde lid, 2b, eerste, tweede, vierde en vijfde lid, en 3, tweede lid
Artikel 5.2.10b
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Indien de personenauto is voorzien van een waterstofinstallatie, moet deze, onverminderd het bepaalde in artikel 5.2.9, voldoen aan de in de volgende leden gestelde eisen. | – |
| 2. | De waterstoftank mag geen deuken vertonen. | Visuele controle, zo nodig terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 3. | De waterstoftank mag niet in de motorruimte zijn geplaatst. | Visuele controle. |
| 4. | De waterstoftank moet, indien het voertuig in gebruik is genomen na 31 december 2014, zijn voorzien van een deugdelijke gasdichte behuizing die in de buitenlucht moet uitmonden, tenzij de tank in de open lucht is geplaatst. | De wijze van keuren bij het tweede lid is van toepassing. |
| 5. | De vervaldatum van de goedkeuring, en indien van toepassing van de herkwalificatie, van een waterstoftank mag niet verstreken zijn. | Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 6. | De onderdelen van de waterstofinstallatie moeten vrij zijn van ernstige beschadigingen en mogen niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak. | Leden 6 tot en met 9: de wijze van keuren bij het tweede lid is van toepassing. |
| 7. | De leidingen en gasvoerende slangen mogen geen knikken vertonen. | |
| 8. | De gasvoerende slangen mogen geen beschadiging vertonen waarbij het wapeningsmateriaal zichtbaar is. | |
| 9. | De vulaansluiting moet: a. zijn geplaatst aan de buitenzijde van het voertuig; b. zijn voorzien van een stofkap, tenzij de vulaansluiting is beschermd tegen vuil en water. | |
| 10. | Personenauto’s voorzien van een waterstofinstallatie moeten zowel in de motorruimte als in de nabijheid van de tankverbinding of het aansluitpunt zijn voorzien van een weerbestendige sticker met één van de volgende herkenningstekens: | Visuele controle. |
Artikel 5.2.11a
| Eisen | Wijze van keuren |
|---|---|
| Onderdelen van personenauto’s in gebruik genomen na 31 december 2017, niet zijnde onderdelen van het brandstofsysteem, het remsysteem, de stuurbekrachtiging of het veersysteem, mogen behoudens van water geen overmatige lekkage van vloeistof vertonen. | Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
§ 5. Assen
Artikel 5.2.59b
| Eisen | Wijze van keuren |
|---|---|
| De mistvoorlichten moeten goed zijn afgesteld, waarbij het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 114a en 114b, van toepassing is. | – |
§ 9. Carrosserie
Afdeling 3. Bedrijfsauto’s
§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
Artikel 5.3.10b
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Indien de bedrijfsauto is voorzien van een waterstofinstallatie, moet deze, onverminderd het bepaalde in artikel 5.3.9, voldoen aan de in de volgende leden gestelde eisen. | – |
| 2. | De waterstoftank mag geen deuken vertonen. | Visuele controle, zo nodig terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 3. | De waterstoftank mag niet in de motorruimte zijn geplaatst. | Visuele controle. |
| 4. | De waterstoftank moet, indien het voertuig in gebruik is genomen na 31 december 2014, zijn voorzien van een deugdelijke gasdichte behuizing die in de buitenlucht moet uitmonden, tenzij de tank in de open lucht is geplaatst. | De wijze van keuren bij het tweede lid is van toepassing. |
| 5. | De vervaldatum van de goedkeuring, en indien van toepassing van de herkwalificatie, van een waterstoftank mag niet verstreken zijn. | Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 6. | De onderdelen van de waterstofinstallatie moeten vrij zijn van ernstige beschadigingen en mogen niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak. | Leden 6 tot en met 9: de wijze van keuren bij het tweede lid is van toepassing. |
| 7. | De leidingen en gasvoerende slangen mogen geen knikken vertonen. | |
| 8. | De gasvoerende slangen mogen geen beschadiging vertonen waarbij het wapeningsmateriaal zichtbaar is. | |
| 9. | De vulaansluiting moet: a. zijn geplaatst aan de buitenzijde van het voertuig; b. zijn voorzien van een stofkap, tenzij de vulaansluiting is beschermd tegen vuil en water. | |
| 10. | Bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg voorzien van een waterstofinstallatie, moeten zowel in de motorruimte als in de nabijheid van de tankverbinding of het aansluitpunt zijn voorzien van een weerbestendige sticker met één van de volgende herkenningstekens: | Leden 10 en 11: visuele controle. |
| 11. | Bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg voorzien van een waterstofinstallatie, moeten zowel aan de voor- en achterzijde als in de nabijheid van de tankverbinding of het aansluitpunt zijn voorzien van een weerbestendige sticker met één van de volgende herkenningstekens: |
Artikel 5.3.11a
| Eisen | Wijze van keuren |
|---|---|
| Onderdelen van bedrijfsauto’s in gebruik genomen na 31 december 2017, niet zijnde onderdelen van het brandstofsysteem, het remsysteem, de stuurbekrachtiging of het veersysteem, mogen behoudens van water geen overmatige lekkage van vloeistof vertonen. | Visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
§ 3. Motor, brandstofsystemen en milieu
§ 13. Aanvullende eisen taxi’s
§ 7. Stuurinrichting
§ 2. Afmetingen en massa’s
§ 8. Reminrichting
§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
Artikel 5.3.59b
| Eisen | Wijze van keuren |
|---|---|
| De mistvoorlichten moeten goed zijn afgesteld, waarbij het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 114a en 114b, van toepassing is. | – |
§ 11. Verbinding tussen bedrijfsauto en aanhangwagen
Afdeling 3a. Bussen
§ 0. Algemeen
Artikel 5.3a.10b
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Indien de bus is voorzien van een waterstofinstallatie, moet deze, onverminderd artikel 5.3a.9, voldoen aan de in de volgende leden gestelde eisen. | – |
| 2. | De waterstoftank mag geen deuken vertonen. | Visuele controle, zo nodig terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 3. | De waterstoftank mag niet in de motorruimte zijn geplaatst. | Visuele controle. |
| 4. | De waterstoftank moet, indien het voertuig in gebruik is genomen na 31 december 2014, zijn voorzien van een deugdelijke gasdichte behuizing die in de buitenlucht moet uitmonden, tenzij de tank in de open lucht is geplaatst. | De wijze van keuren bij het tweede lid is van toepassing. |
| 5. | De vervaldatum van de goedkeuring, en indien van toepassing van de herkwalificatie, van een waterstoftank mag niet verstreken zijn. | Visuele controle. |
| 6. | De onderdelen van de waterstofinstallatie moeten vrij zijn van ernstige beschadigingen en mogen niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak. | Leden 6 tot en met 9: de wijze van keuren bij het tweede lid is van toepassing. |
| 7. | De leidingen en gasvoerende slangen mogen geen knikken vertonen. | |
| 8. | De gasvoerende slangen mogen geen beschadiging vertonen waarbij het wapeningsmateriaal zichtbaar is. | |
| 9. | De vulaansluiting moet: a. zijn geplaatst aan de buitenzijde van het voertuig; b. zijn voorzien van een stofkap, tenzij de vulaansluiting is beschermd tegen vuil en water. | |
| 10. | De voorzijde, de achterzijde en minimaal één deur aan de rechterzijde van de bus die is voorzien van een waterstofinstallatie, zijn voorzien van een weerbestendige sticker met één van de volgende herkenningstekens: | Visuele controle. |
| 11. | Zolang de tankverbinding of het aansluitpunt verbonden is met het tankstation, moet het onmogelijk zijn het aandrijfsysteem te bedienen of de bus voort te bewegen. | Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
Artikel 5.3a.11a
| Eisen | Wijze van keuren |
|---|---|
| Onderdelen van bussen in gebruik genomen na 31 december 2017, niet zijnde onderdelen van het brandstofsysteem, het remsysteem, de stuurbekrachtiging of het veersysteem, mogen behoudens van water geen overmatige lekkage van vloeistof vertonen. | Visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
§ 6. Ophanging
§ 5. Assen
§ 6. Ophanging
§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
Artikel 5.3a.59b
| Eisen | Wijze van keuren |
|---|---|
| De mistvoorlichten moeten goed zijn afgesteld, waarbij het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 114a en 114b, van toepassing is. | – |
§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
Afdeling 4. Motorfietsen
§ 0. Algemeen
§ 3. Motor, brandstofsystemen en milieu
§ 11. Verbinding tussen bus en aanhangwagen
§ 11. Verbinding tussen bus en aanhangwagen
§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
§ 3. Motor, brandstofsystemen en milieu
§ 3. Motor, brandstofsystemen en milieu
§ 8. Reminrichting
§ 9. Carrosserie
Afdeling 5. Driewielige motorrijtuigen
§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
§ 12. Diversen
Artikel 5.5.10b
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)