Wijzigingsgeschiedenis
Regeling van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 27 oktober 2009, nr. CEND/HDJZ-2009/1166 sector LUV, houdende regels in verband met de aanleg, de inrichting, de uitrusting en het veilig gebruik van luchthavens en andere terreinen met het oog op de orde en de veiligheid op die luchthavens en terreinen (Regeling veilig gebruik luchthavens en andere terreinen)
16 versions
· 2024-07-01
2024-07-01
Regeling veilig gebruik luchthavens en andere terreinen — arts. 6, 18
2024-01-01
Regeling veilig gebruik luchthavens en andere terreinen — arts. 6, 18,
Wijzigingen op 2024-01-01
@@ -40,6 +40,8 @@
- –. **obstakel:** een roerende of onroerende zaak, zowel tijdelijk als permanent, of een deel daarvan, die een belemmering vormt voor een luchtvaartuig, in een gebied bestemd voor bewegingen van een luchtvaartuig op de grond dan wel uitsteekt boven een omschreven vlak ter bescherming van een luchtvaartuig in zijn vlucht;
- –. **paramotortrike:** luchtvaartuig zonder starre hoofdstructuur, dat wordt gestart en geland door gebruik te maken van een wielconstructie en over een hulpmotor beschikt, met niet meer dan twee zitplaatsen en een maximum startmassa van niet meer dan: 300 kg voor een eenzitter; 450 kg voor een tweezitter;
- –. **politievlucht:** vlucht uitgevoerd met een vliegtuig of helikopter in het kader van de politietaak, bedoeld in [artikel 3 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=3);
- –. **RPA:** op afstand bestuurd luchtvaartuig (remotely piloted aircraft), niet zijnde een modelluchtvaartuig;
@@ -104,7 +106,7 @@
- e. de volgende helikopterluchthavens: Amsterdam (Amsterdam Heliport), Emmercompascuum (Heli Holland BV), Rotterdam Maasvlakte (ten behoeve van het loodswezen) en Zierikzee (Prince Helicopters).
2. In afwijking van het eerste lid, aanhef, zijn de [artikelen 12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026570&hoofdstuk=2&afdeling=3¶graaf=2&artikel=12&z=2021-07-06&g=2021-07-06), [14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026570&hoofdstuk=2&afdeling=3¶graaf=2&artikel=14&z=2021-07-06&g=2021-07-06), [14a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026570&hoofdstuk=2&afdeling=3¶graaf=2&artikel=14a&z=2021-07-06&g=2021-07-06) en [14b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026570&hoofdstuk=2&afdeling=3¶graaf=2&artikel=14b&z=2021-07-06&g=2021-07-06) van toepassing op alle luchthavens die onder één of meer van de onderdelen van het eerste lid vallen.
2. In afwijking van het eerste lid, aanhef, zijn de [artikelen 12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026570&hoofdstuk=2&afdeling=3¶graaf=2&artikel=12&z=2024-01-01&g=2024-01-01), [14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026570&hoofdstuk=2&afdeling=3¶graaf=2&artikel=14&z=2024-01-01&g=2024-01-01), [14a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026570&hoofdstuk=2&afdeling=3¶graaf=2&artikel=14a&z=2024-01-01&g=2024-01-01) en [14b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026570&hoofdstuk=2&afdeling=3¶graaf=2&artikel=14b&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van toepassing op alle luchthavens die onder één of meer van de onderdelen van het eerste lid vallen.
### Afdeling 2. Certificering
@@ -150,7 +152,7 @@
##### Artikel 6
1. Als sleutelfunctionaris als bedoeld in [artikel 4, onderdeel c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026570&hoofdstuk=2&afdeling=2&artikel=4&z=2021-07-06&g=2021-07-06), wordt in ieder geval aangemerkt een door de exploitant te benoemen havenmeester.
1. Als sleutelfunctionaris als bedoeld in [artikel 4, onderdeel c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026570&hoofdstuk=2&afdeling=2&artikel=4&z=2024-01-01&g=2024-01-01), wordt in ieder geval aangemerkt een door de exploitant te benoemen havenmeester.
2. De havenmeester wordt door de exploitant belast met het dagelijkse toezicht op de luchthaven en in het bijzonder met het toezicht op de orde en veiligheid in het luchtvaartgebied.
@@ -206,7 +208,7 @@
##### Artikel 11
De in [artikel 10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026570&hoofdstuk=2&afdeling=3¶graaf=2&artikel=10&z=2021-07-06&g=2021-07-06) niet uitgezonderde onderdelen van deel I (Aerodrome Design and Operations) van bijlage 14 bij het verdrag gelden met dien verstande dat:
De in [artikel 10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026570&hoofdstuk=2&afdeling=3¶graaf=2&artikel=10&z=2024-01-01&g=2024-01-01) niet uitgezonderde onderdelen van deel I (Aerodrome Design and Operations) van bijlage 14 bij het verdrag gelden met dien verstande dat:
- a. de exploitant ervoor zorgt dat de gegevens, bedoeld in hoofdstuk 2 van deel I van bijlage 14, worden verstrekt aan de organisatie die verantwoordelijk is voor de uitgifte van luchtvaartpublicaties;
@@ -319,7 +321,7 @@
##### Artikel 13
Op het deel van een luchthaven, buiten het deel van de luchthaven dat wordt gebruikt voor en ten behoeve van de hoofdbaan, dat wordt gebruikt door een van de luchtvaartuigen als bedoeld in de [paragrafen 4 tot en met 12 van hoofdstuk 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026570&hoofdstuk=3¶graaf=4&z=2021-07-06&g=2021-07-06) van deze regeling, zijn de eisen die in deze paragrafen zijn opgenomen met betrekking tot een luchthaven en het gebruik hiervan door een dergelijk luchtvaartuig van overeenkomstige toepassing.
Op het deel van een luchthaven, buiten het deel van de luchthaven dat wordt gebruikt voor en ten behoeve van de hoofdbaan, dat wordt gebruikt door een van de luchtvaartuigen als bedoeld in de [paragrafen 4 tot en met 12 van hoofdstuk 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026570&hoofdstuk=3¶graaf=4&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze regeling, zijn de eisen die in deze paragrafen zijn opgenomen met betrekking tot een luchthaven en het gebruik hiervan door een dergelijk luchtvaartuig van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 14
@@ -383,7 +385,7 @@
##### Artikel 17
De in [artikel 16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026570&hoofdstuk=2&afdeling=4¶graaf=2&artikel=16&z=2021-07-06&g=2021-07-06) niet uitgezonderde onderdelen van deel II (Heliports) van bijlage 14 bij het verdrag gelden met dien verstande dat:
De in [artikel 16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026570&hoofdstuk=2&afdeling=4¶graaf=2&artikel=16&z=2024-01-01&g=2024-01-01) niet uitgezonderde onderdelen van deel II (Heliports) van bijlage 14 bij het verdrag gelden met dien verstande dat:
- a. de voorschriften en aanbevelingen in hoofdstuk 2 van deel II van bijlage 14 alleen van toepassing zijn op de helikopterluchthaven Amsterdam (Amsterdam Heliport) en de exploitant ervoor zorg draagt dat de gegevens, bedoeld in hoofdstuk 2, worden verstrekt aan de organisatie die verantwoordelijk is voor de uitgifte van luchtvaartpublicaties;
@@ -409,7 +411,7 @@
1. Een verhoogde helikopterluchthaven die gebruikt wordt door een helikopter die is ingedeeld in performance klasse 3, bedoeld in onderdeel III van bijlage 6 bij het verdrag, is zodanig gelegen dat in de directe omgeving van de luchthaven geschikte gronden aanwezig zijn voor het uitvoeren van een nood- of voorzorgslanding.
2. [Artikel 14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026570&hoofdstuk=2&afdeling=3¶graaf=2&artikel=14&z=2021-07-06&g=2021-07-06) is, met uitzondering van helikopterluchthavens die verbonden zijn met een mijnbouwinstallatie als bedoeld in [artikel 51 van het Mijnbouwbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014394&artikel=51), van overeenkomstige toepassing.
2. [Artikel 14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026570&hoofdstuk=2&afdeling=3¶graaf=2&artikel=14&z=2024-01-01&g=2024-01-01) is, met uitzondering van helikopterluchthavens die verbonden zijn met een mijnbouwinstallatie als bedoeld in [artikel 51 van het Mijnbouwbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014394&artikel=51), van overeenkomstige toepassing.
### Hoofdstuk 3. Regels veilig gebruik overige burgerluchthavens en terreinen voor tijdelijk en uitzonderlijk gebruik
@@ -419,7 +421,7 @@
1. Dit hoofdstuk is van toepassing op:
- a. burgerluchthavens die niet onder de reikwijdte van [hoofdstuk 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026570&hoofdstuk=2&z=2021-07-06&g=2021-07-06) vallen en die niet gecertificeerd zijn als bedoeld in artikel 6 van Verordening (EU) nr. 139/2014;
- a. burgerluchthavens die niet onder de reikwijdte van [hoofdstuk 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026570&hoofdstuk=2&z=2024-01-01&g=2024-01-01) vallen en die niet gecertificeerd zijn als bedoeld in artikel 6 van Verordening (EU) nr. 139/2014;
- b. terreinen voor tijdelijk en uitzonderlijk gebruik;
@@ -463,11 +465,11 @@
9. In het geval een openbare weg of spoorweg in de nabijheid van een luchthaven aanwezig is, dan geldt deze als een obstakel van 5 respectievelijk 5,5 meter boven die weg of spoorweg.
10. Het eerste, zesde, zevende en negende lid zijn van overeenkomstige toepassing op een terrein als bedoeld in [artikel 19, eerste lid, onderdelen b en c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026570&hoofdstuk=3¶graaf=1&artikel=19&z=2021-07-06&g=2021-07-06).
10. Het eerste, zesde, zevende en negende lid zijn van overeenkomstige toepassing op een terrein als bedoeld in [artikel 19, eerste lid, onderdelen b en c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026570&hoofdstuk=3¶graaf=1&artikel=19&z=2024-01-01&g=2024-01-01).
##### Artikel 21
Een terrein als bedoeld in [artikel 19, eerste lid, onderdelen b en c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026570&hoofdstuk=3¶graaf=1&artikel=19&z=2021-07-06&g=2021-07-06), is niet gelegen:
Een terrein als bedoeld in [artikel 19, eerste lid, onderdelen b en c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026570&hoofdstuk=3¶graaf=1&artikel=19&z=2024-01-01&g=2024-01-01), is niet gelegen:
- a. in een gebied waar het uitoefenen van het burgerluchtverkeer tijdelijk of blijvend is verboden op grond van [artikel 5.10, eerste lid, van de Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=5.10);
@@ -517,7 +519,7 @@
##### Artikel 23
Een helikopterluchthaven en het gebruik hiervan voldoen, onverminderd het bepaalde in [§ 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026570&hoofdstuk=3¶graaf=2&z=2021-07-06&g=2021-07-06), aan de volgende eisen:
Een helikopterluchthaven en het gebruik hiervan voldoen, onverminderd het bepaalde in [§ 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026570&hoofdstuk=3¶graaf=2&z=2024-01-01&g=2024-01-01), aan de volgende eisen:
- a. de luchthaven en het gebruik hiervan voldoen aan de voorschriften en aanbevelingen uit de navolgende onderdelen van deel II (heliports) van bijlage 14 bij het verdrag: 3.1.1, 3.1.2, 3.1.3, 3.1.7, 3.1.8, 3.1.9, 3.1.13, 3.1.22, 3.1.24 en 5.2.2;
@@ -527,7 +529,7 @@
##### Artikel 24
Een terrein voor tijdelijk en uitzonderlijk gebruik dat gebruikt wordt door een helikopter en het gebruik hiervan voldoen, onverminderd het bepaalde in [§ 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026570&hoofdstuk=3¶graaf=2&z=2021-07-06&g=2021-07-06), aan de volgende eisen:
Een terrein voor tijdelijk en uitzonderlijk gebruik dat gebruikt wordt door een helikopter en het gebruik hiervan voldoen, onverminderd het bepaalde in [§ 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026570&hoofdstuk=3¶graaf=2&z=2024-01-01&g=2024-01-01), aan de volgende eisen:
- a. het terrein is verder gelegen dan 50 meter van aaneengesloten woonbebouwing;
@@ -541,7 +543,7 @@
##### Artikel 25
1. Een luchthaven die gebruikt wordt door een mla en het gebruik hiervan voldoen, onverminderd het bepaalde in [§ 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026570&hoofdstuk=3¶graaf=2&z=2021-07-06&g=2021-07-06), aan de volgende eisen:
1. Een luchthaven die gebruikt wordt door een mla en het gebruik hiervan voldoen, onverminderd het bepaalde in [§ 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026570&hoofdstuk=3¶graaf=2&z=2024-01-01&g=2024-01-01), aan de volgende eisen:
- a. voor het landen en opstijgen is een baan beschikbaar met een lengte van ten minste 200 meter en een breedte van ten minste 30 meter;
@@ -561,337 +563,411 @@
##### Artikel 26
1. Een luchthaven die gebruikt wordt door een gemotoriseerd schermvliegtuig en het gebruik hiervan voldoen, onverminderd het bepaalde in [§ 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026570&hoofdstuk=3¶graaf=2&z=2021-07-06&g=2021-07-06), aan de volgende eisen:
- a. voor het landen en opstijgen is een baan beschikbaar met een lengte van ten minste 70 meter en een breedte van ten minste 25 meter;
- b. de baan ligt in een obstakelvrije strook met een lengte van ten minste 170 meter en een breedte van ten minste 125 meter, waarbij de korte zijde van de baan op een afstand van 50 meter van het begin van de strook is gelegen;
- c. indien binnen een gebied met een straal van 500 meter vanuit de vastgestelde geografische positie van de luchthaven obstakels steken door een denkbeeldig horizontaal vlak op een hoogte van 45 meter boven het hoogst gelegen punt binnen de luchthaven, neemt de exploitant ter waarborging van het veilig gebruik van de luchthaven maatregelen met betrekking tot die obstakels;
- d. de luchthaven is zodanig gelegen dat in het verlengde van de strook geen obstakels steken door een denkbeeldig vlak dat met de breedte van de strook als basis, oploopt met een helling van 1:5 (hoogte:afstand) en divergeert met 10% tot op een afstand van 225 meter van de baan of de landingsplaats;
- e. de luchthaven is zodanig gelegen dat ter weerszijden van de strook geen obstakels steken door een denkbeeldig vlak dat met de lengte van de strook als basis, oploopt met een helling van 1:2 (hoogte:afstand) en aansluit op het horizontale vlak, bedoeld in onderdeel c.
2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een terrein voor tijdelijk en uitzonderlijk gebruik dat gebruikt wordt door een gemotoriseerd schermvliegtuig.
1. Een luchthaven die gebruikt wordt door een gemotoriseerd schermvliegtuig of een paramotortrike en het gebruik hiervan voldoen, onverminderd het bepaalde in [paragraaf 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026570&hoofdstuk=3¶graaf=2&z=2024-01-01&g=2024-01-01), aan de volgende eisen:
- a. voor het opstijgen en landen is een cirkelvormige start- en landingsplaats beschikbaar met de diameter die nodig is voor een veilige start en landing van het luchtvaartuig, doch niet minder dan 40 meter;
- b. rond de cirkelvormige start- en landingsplaats ligt een cirkelvormige obstakelvrije strook met een breedte van 15 meter;
- c. indien binnen een gebied met een straal van 500 meter vanuit de vastgestelde geografische positie van de luchthaven obstakels steken door een denkbeeldig horizontaal vlak op een hoogte van 45 meter boven het hoogstgelegen punt binnen de luchthaven, neemt de exploitant ter waarborging van het veilig gebruik van de luchthaven maatregelen met betrekking tot die obstakels;
- d. de luchthaven is zodanig gelegen dat rondom de luchthaven geen obstakels steken door een denkbeeldig vlak dat met de buitenste cirkel als basis oploopt met een helling van 1:10 (hoogte:afstand) tot 225 meter van de luchthaven, voor zover deze obstakels een gevaar vormen voor een veilige start en landing van het luchtvaartuig.
2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een terrein voor tijdelijk en uitzonderlijk gebruik dat gebruikt wordt door een gemotoriseerd schermvliegtuig of een paramotortrike.
#### § 5. Gemotoriseerde schermvliegtuigen en paramotortrikes
##### Artikel 27
1. Een luchthaven die gebruikt wordt door een vrije ballon en het gebruik hiervan voldoen, onverminderd het bepaalde in [§ 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026570&hoofdstuk=3¶graaf=2&z=2024-01-01&g=2024-01-01), aan de volgende eisen:
- a. de luchthaven is zodanig gelegen dat in de richting van de opstijging eventuele obstakels met een hoogteverschil van ten minste 15 meter overvaren kunnen worden;
- b. de startplaats is tijdens de opbouw van de ballon en tijdens de start van de ballon zodanig vrij gehouden, dat toeschouwers niet in gevaar worden gebracht;
- c. personen die werkzaamheden hebben te verrichten zijn als zodanig duidelijk herkenbaar;
- d. ingeval van een opstijging met een vulling bestaande uit brandbaar gas wordt op de startplaats niet gerookt en zijn daar geen vuurverwekkende voorwerpen of middelen aanwezig;
- e. een opstijging van een vrije ballon die door middel van een kabel tijdelijk is bevestigd aan het aardoppervlak wordt alleen gevoerd bij windsnelheden van minder dan 3 meter/seconden, de vrije ballon mag daarbij niet hoger stijgen dan 50 meter boven het aardoppervlak.
2. [Artikel 20, eerste lid, onderdeel a, het derde tot en met het achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026570&hoofdstuk=3¶graaf=2&artikel=20&z=2024-01-01&g=2024-01-01) en [artikel 22, eerste lid, onderdeel c, onder 3, 4 en 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026570&hoofdstuk=3¶graaf=2&artikel=22&z=2024-01-01&g=2024-01-01) zijn niet van toepassing op een luchthaven als bedoeld in het eerste lid.
3. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een terrein als bedoeld in [artikel 19, eerste lid, onderdelen b en c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026570&hoofdstuk=3¶graaf=1&artikel=19&z=2024-01-01&g=2024-01-01), voor zover het terrein wordt gebruikt voor het landen of opstijgen van een vrije ballon.
4. [Artikel 20, eerste lid, onderdeel a en het zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026570&hoofdstuk=3¶graaf=2&artikel=20&z=2024-01-01&g=2024-01-01) zijn niet van toepassing op een terrein als bedoeld in het derde lid.
#### § 6. Vrije ballonnen
##### Artikel 28
1. Een waterluchthaven en het gebruik hiervan voldoen, onverminderd het bepaalde in [§ 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026570&hoofdstuk=3¶graaf=2&z=2024-01-01&g=2024-01-01), aan de volgende eisen:
- a. in het betreffende watergebied is een baan geprojecteerd met een lengte van ten minste 1000 meter;
- b. een start of een landing wordt alleen uitgevoerd indien de golfhoogte dit toelaat en zich in de geprojecteerde baan geen personen en vaartuigen bevinden;
- c. het gelijktijdig landen en starten door meerdere watervliegtuigen op en van de luchthaven is niet toegestaan;
- d. de luchthaven is zodanig gelegen dat in het verlengde van de baan geen obstakels steken door een denkbeeldig vlak dat met de breedte van de baan als basis, oploopt met een helling van 1:20 (hoogte:afstand) en divergeert met 10% tot op een afstand van 900 meter van de baan;
- e. de luchthaven is zodanig gelegen dat ter weerszijden van de baan geen obstakels steken door een denkbeeldig vlak dat met de lengte van de baan als basis, oploopt met een helling van 1:5 (hoogte:afstand) tot een afstand van 150 meter.
2. [Artikel 22, eerste lid, onderdeel c, onder 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026570&hoofdstuk=3¶graaf=2&artikel=22&z=2024-01-01&g=2024-01-01), is niet van toepassing op een luchthaven als bedoeld in het eerste lid.
3. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een terrein voor tijdelijk en uitzonderlijk gebruik dat gebruikt wordt door een watervliegtuig.
#### § 7. Watervliegtuigen
##### Artikel 29
1. Een luchthaven die gebruikt wordt door een zweefvliegtuig en het gebruik hiervan voldoen, onverminderd het bepaalde in [§ 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026570&hoofdstuk=3¶graaf=2&z=2024-01-01&g=2024-01-01), aan de volgende eisen:
- a. de lengte van de luchthaven is ten minste gelijk aan de lengte van de lierkabel;
- b. de breedte van de luchthaven is ten minste 150 meter of ten minste 100 meter indien aan één of weerszijden van de luchthaven een stuk grond is gelegen met een totale breedte van ten minste 50 meter dat als veiligheidsstrook kan dienen;
- c. de luchthaven en de veiligheidsstrook zijn vrij van obstakels en oneffenheden welke gevaar kunnen opleveren bij een afgebroken start of noodlanding;
- d. de opstelplaats van de lier is gelegen op een afstand van ten minste 25 meter binnen de grens van de luchthaven;
- e. de startplaats heeft een lengte van ten minste 150 meter en een breedte van ten minste 50 meter;
- f. de opstelplaats voor een zweefvliegtuig is niet gelegen op de startplaats;
- g. de landingsplaats heeft een lengte van ten minste 75 meter en indien gelijktijdig met meerdere zweefvliegtuigen wordt geland, per zweefvliegtuig een breedte van ten minste twee maal de spanwijdte van het betreffende zweefvliegtuig;
- h. de landingsplaats is niet gelegen op de lierbaan, startplaats of opstelplaats;
- i. indien binnen een gebied met een straal van 2000 meter vanuit de vastgestelde geografische positie van de luchthaven obstakels steken door een denkbeeldig horizontaal vlak op een hoogte van 45 meter boven het hoogst gelegen punt binnen de luchthaven of door het vlak dat aansluit op het horizontale vlak en dat in hoogte oploopt met een helling van 1:10 (hoogte:afstand) tot een hoogte van 80 meter, neemt de exploitant ter waarborging van het veilig gebruik van de luchthaven maatregelen met betrekking tot die obstakels;
- j. de luchthaven is zodanig gelegen dat in het verlengde van de baan geen obstakels steken door een denkbeeldig vlak dat met de breedte van de baan als basis, oploopt met een helling van 1:20 (hoogte:afstand) en divergeert met 10% tot op een afstand van 900 meter van de baan;
- k. de luchthaven is zodanig gelegen dat ter weerszijden van de start- of landingsplaats geen obstakels steken door een denkbeeldig vlak dat met de lengte van de start- of landingsplaats als basis, oploopt met een helling van 1:2 (hoogte:afstand) en aansluit op het horizontale vlak, bedoeld in onderdeel i.
2. Indien een luchthaven als bedoeld in het eerste lid mede wordt gebruikt door een TMG of zelfstartend zweefvliegtuig, dan is ten behoeve van het gebruik door de TMG of het zelfstartend zweefvliegtuig een baan beschikbaar met een lengte van ten minste 300 meter die gelegen is in een strook met een lengte van ten minste 660 meter en een breedte van ten minste 30 meter.
3. Indien een luchthaven als bedoeld in het eerste lid mede wordt gebruikt door een vliegtuig dat wordt gebruikt ten behoeve van het slepen van een zweefvliegtuig, dan is ten behoeve van het gebruik van een dergelijk vliegtuig een baan beschikbaar met een lengte van ten minste 600 meter en een breedte van ten minste 30 meter die gelegen is in een strook met een lengte van ten minste 660 meter.
4. Een luchthaven als bedoeld in het tweede en derde lid is zodanig gelegen dat ter weerszijden van de baan geen obstakels steken door een denkbeeldig vlak dat met de lengte van de baan als basis, oploopt met een helling van 1:5 (hoogte:afstand) en aansluit op het vlak, bedoeld in het vierde lid.
5. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een terrein voor tijdelijk en uitzonderlijk gebruik dat gebruikt wordt door een zweefvliegtuig.
##### Artikel 30
1. Het gebruik van een luchthaven door een zweefvliegtuig voldoet, onverminderd het bepaalde in [§ 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026570&hoofdstuk=3¶graaf=2&z=2024-01-01&g=2024-01-01), aan de volgende eisen:
- a. gedurende het opstijgen en landen zijn er geen onbevoegde personen aanwezig op de lierbaan, de startplaats en de landingsplaats;
- b. de lierkabel wordt binnen de grenzen van de luchthaven in een rechte lijn uitgebracht;
- c. het opstijgen of doen opstijgen van een zweefvliegtuig door middel van een lier vindt alleen plaats indien de vallende lierkabel niet buiten de grens van de luchthaven of de veiligheidstrook, bedoeld in [artikel 29, eerste lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026570&hoofdstuk=3¶graaf=8&artikel=29&z=2024-01-01&g=2024-01-01), kan vallen en geen letsel aan personen of schade aan zaken zal kunnen veroorzaken;
- d. het afwerpen van de sleepkabel door een sleepvliegtuig vindt alleen plaats als de sleepkabel niet buiten de grens van de luchthaven kan vallen en geen letsel aan personen of schade aan zaken zal kunnen veroorzaken;
- e. behoudens in geval van de koppeling van een zweefvliegtuig aan een sleepvliegtuig, is het gelijktijdig landen of starten van een zweefvliegtuig, een TMG of een sleepvliegtuig niet toegestaan.
2. [Artikel 22, eerste lid, onderdeel c, onder 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026570&hoofdstuk=3¶graaf=2&artikel=22&z=2024-01-01&g=2024-01-01), is niet van toepassing op een luchthaven als bedoeld in het eerste lid.
3. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een terrein voor tijdelijk en uitzonderlijk gebruik dat gebruikt wordt door een zweefvliegtuig met dien verstande dat:
- a. de lierhoogte niet de ondergrens van de ter plaatse geldende TMA overschrijdt;
- b. de lierhoogte niet de ter plaatse geldende minimum vlieghoogte overschrijdt, tenzij een NOTAM is uitgegeven met vermelding van locatie, lierhoogte en telefoonnummer, waar men op locatie bereikbaar is.
4. Een terrein voor tijdelijk en uitzonderlijk gebruik wordt door een zweefvliegtuig niet gebruikt:
- a. binnen een afstand van 6 zeemijlen van de grens van de CTR van de luchthaven, Schiphol, Maastricht, Rotterdam, Eelde, De Kooij of Eindhoven, tenzij de ontheffinghouder zich ervan heeft vergewist dat zijn activiteit de veilige uitvoering van het luchtverkeer van en naar de betreffende luchthaven niet belemmert;
- b. binnen een afstand van 3 zeemijlen van de grens van de CTR van een andere luchthaven dan genoemd in onderdeel a, tenzij de ontheffinghouder zich ervan heeft vergewist dat zijn activiteit de veilige uitvoering van het luchtverkeer van en naar de betreffende luchthaven niet belemmert;
- c. binnen een afstand van 3 zeemijl van de grens van een luchthaven waarboven geen CTR is ingesteld, tenzij de ontheffinghouder zich ervan heeft vergewist dat zijn activiteit de veilige uitvoering van het luchtverkeer van en naar de betreffende luchthaven niet belemmert.
#### § 8a. Zeilvliegtuigen en schermzweeftoestellen
##### Artikel 31
1. Een luchthaven die gebruikt wordt door een landbouwluchtvaartuig en het gebruik hiervan voldoen, onverminderd het bepaalde in [§ 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026570&hoofdstuk=3¶graaf=2&z=2024-01-01&g=2024-01-01), aan de volgende eisen:
- a. voor het landen en opstijgen is een strook beschikbaar met een lengte die ten minste gelijk is aan de startlengte als vermeld in het vlieghandboek behorende bij het betreffende luchtvaartuig;
- b. de breedte van de strook bedraagt ten minste tweemaal de spanwijdte van het luchtvaartuig dat gebruik maakt van de strook, doch niet minder dan 30 meter;
- c. in de strook is de bodemgesteldheid, voor wat betreft de vlakheid en de draagkracht, dusdanig dat het betreffende landbouwluchtvaartuig op een veilige wijze kan starten en landen binnen de in het bij het betreffende luchtvaartuig behorende vlieghandboek gestelde gebruiksbeperkingen;
- d. in het midden, binnen de grenzen van de strook, is een baan aanwezig met een lengte die gelijk is aan die van de strook en een breedte van ten minste twee maal de spoorbreedte van het betreffende luchtvaartuig;
- e. indien binnen een gebied met een straal van 2000 meter vanuit de vastgestelde geografische positie van de luchthaven obstakels steken door een denkbeeldig horizontaal vlak op een hoogte van 45 meter boven het hoogst gelegen punt binnen de luchthaven, neemt de exploitant ter waarborging van het veilig gebruik van de luchthaven maatregelen met betrekking tot die obstakels;
- f. de luchthaven is zodanig gelegen dat geen obstakels steken door een vlak, aansluitend op het vlak, bedoeld in het vorige onderdeel, dat in hoogte oploopt met een helling van 1:10 (hoogte: afstand) tot een hoogte van 80 meter boven de grond;
- g. de luchthaven is zodanig gelegen dat in het verlengde van de strook geen obstakels steken door een denkbeeldig vlak dat met de breedte van de strook als basis, oploopt met een helling van 1:20 (hoogte:afstand) en divergeert met 10% tot op een afstand van 900 meter van de strook;
- h. de luchthaven is zodanig gelegen dat ter weerszijden van de strook geen obstakels steken door een denkbeeldig vlak dat met de lengte van de strook als basis, oploopt met een helling van 1:5 (hoogte:afstand) en aansluit op het horizontale vlak, bedoeld in onderdeel e.
2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een terrein voor tijdelijk en uitzonderlijk gebruik dat gebruikt wordt door een landbouwluchtvaartuig.
#### § 8a. Zeilvliegtuigen en schermzweeftoestellen
##### Artikel 32
1. Een luchthaven die gebruikt wordt door een luchtschip dat op zeeniveau in de internationale standaard-atmosfeer in geheel gevulde toestand een afmeting heeft van meer dan 5 meter of een inhoud van meer dan 4 kubieke meter, en het gebruik hiervan voldoen, onverminderd het bepaalde in [§ 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026570&hoofdstuk=3¶graaf=2&z=2024-01-01&g=2024-01-01), aan de volgende eisen:
- a. de luchthaven bevat een obstakelvrij grondvlak in de vorm van een cirkel met een straal van ten minste de lengte van het luchtschip;
- b. indien binnen een gebied met een straal van 2000 meter vanuit de vastgestelde geografische positie van de luchthaven obstakels steken door een denkbeeldig horizontaal vlak op een hoogte van 45 meter boven het hoogst gelegen punt binnen de luchthaven, neemt de exploitant ter waarborging van het veilig gebruik van de luchthaven maatregelen met betrekking tot die obstakels;
- c. de luchthaven is zodanig gelegen dat geen obstakels steken door een vlak, aansluitend op het vlak, bedoeld in het vorige onderdeel, dat in hoogte oploopt met een helling van 1:10 (hoogte:afstand) tot een hoogte van 80 meter boven de grond;
- d. de luchthaven is zodanig gelegen dat in de vliegrichting geen obstakels steken door een denkbeeldig vlak dat met de doorsnede van het grondvlak als basis oploopt met een helling van 1:20 (hoogte:afstand) en divergeert met 10% tot op een afstand van 900 meter van de grens van de luchthaven.
2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een terrein voor tijdelijk en uitzonderlijk gebruik dat gebruikt wordt door een luchtschip als bedoeld in het eerste lid.
#### § 9. Landbouwluchtvaartuigen
##### Artikel 33
1. Onverminderd het bepaalde in [§ 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026570&hoofdstuk=3¶graaf=2&z=2024-01-01&g=2024-01-01), zijn de eisen, bedoeld in [artikel 31, eerste lid, onderdelen a tot en met e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026570&hoofdstuk=3¶graaf=9&artikel=31&z=2024-01-01&g=2024-01-01), van overeenkomstige toepassing op een luchthaven die gebruikt wordt door een onbemand vliegtuig van maximaal 150 kilogram, met dien verstande dat de lengte van de strook, bedoeld in onderdeel a, niet minder is dan 100 meter en de breedte van de strook, bedoeld in onderdeel b, niet minder is dan 10 meter.
2. Onverminderd het bepaalde in [§ 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026570&hoofdstuk=3¶graaf=2&z=2024-01-01&g=2024-01-01), is de eis, bedoeld in [artikel 32, eerste lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026570&hoofdstuk=3¶graaf=10&artikel=32&z=2024-01-01&g=2024-01-01), van overeenkomstige toepassing op een luchthaven die gebruikt wordt door een onbemand luchtschip van maximaal 150 kilogram.
3. Onverminderd het bepaalde in [§ 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026570&hoofdstuk=3¶graaf=2&z=2024-01-01&g=2024-01-01), zijn de eisen, bedoeld in [artikel 24, met uitzondering van onderdeel d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026570&hoofdstuk=3¶graaf=3&artikel=24&z=2024-01-01&g=2024-01-01), van overeenkomstige toepassing op een luchthaven die gebruikt wordt door een onbemande helikopter van maximaal 150 kilogram.
4. Een luchthaven die gebruikt wordt door een RPA van maximaal 150 kilogram is zodanig gelegen dat:
- a. tijdens de start- en landingsfase een vrij uitzicht op de luchthaven mogelijk is;
- b. in de nabije omgeving van de luchthaven geen obstakels aanwezig zijn die een belemmering vormen voor het veilige gebruik van de luchthaven.
5. [Artikel 22, eerste lid, onderdeel c, onder 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026570&hoofdstuk=3¶graaf=2&artikel=22&z=2024-01-01&g=2024-01-01), is niet van toepassing op een luchthaven als bedoeld in het eerste tot en met het derde lid.
6. Het eerste tot en met het vierde lid zijn van overeenkomstige toepassing op een terrein voor tijdelijk en uitzonderlijk gebruik dat gebruikt wordt door een van de in deze leden bedoelde luchtvaartuigen.
#### § 10. Luchtschepen
##### Artikel 34
1. Een luchthaven die gebruikt wordt door een gyrokopter en het gebruik hiervan voldoen, onverminderd het bepaalde in [§ 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026570&hoofdstuk=3¶graaf=2&z=2024-01-01&g=2024-01-01), aan de volgende eisen:
- a. voor het landen en opstijgen is een baan beschikbaar met een lengte die ten minste gelijk is aan de startlengte die vermeld is in het vlieghandboek van het betreffende luchtvaartuig, doch niet minder dan 200 meter en een breedte van ten minste 30 meter;
- b. de baan is gelegen in een obstakelvrije strook met een lengte van ten minste 300 meter en een breedte van ten minste 30 meter, waarbij de korte zijde van de baan op een afstand van 50 meter van de korte zijde van de strook is gelegen;
- c. de luchthaven is zodanig gelegen dat in het verlengde van de baan geen obstakels steken door een denkbeeldig vlak dat met de breedte van de strook als basis, oploopt met een helling van 1:20 (hoogte:afstand) en divergeert met 10% tot op een afstand van 225 meter van de baan of de landingsplaats;
- d. de luchthaven is zodanig gelegen dat ter weerszijden van de strook geen obstakels steken door een denkbeeldig vlak dat met de lengte van de strook als basis, oploopt met een helling van 1:5 (hoogte:afstand) en aansluit op het horizontale vlak, bedoeld in onderdeel e;
- e. indien binnen een gebied met een straal van 750 meter vanuit de vastgestelde geografische positie van de luchthaven obstakels steken door een denkbeeldig horizontaal vlak op een hoogte van 45 meter boven het hoogst gelegen punt binnen de luchthaven, neemt de exploitant ter waarborging van het veilig gebruik van de luchthaven maatregelen met betrekking tot die obstakels.
2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een terrein voor tijdelijk en uitzonderlijk gebruik dat gebruikt wordt door een gyrokopter.
### Hoofdstuk 4. Procedurebepalingen
##### Artikel 35
1. De termijn voor het nemen van een besluit op de aanvraag voor een ontheffing als bedoeld in [artikel 8a.51 van de Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=8a.51) bedraagt vier weken.
2. De ontheffing wordt niet verleend dan nadat gedeputeerde staten over de aanvraag tot ontheffing overleg hebben gevoerd met de burgemeester van de gemeente waarin het betreffende terrein ligt.
3. De houder van de ontheffing meldt ten minste 24 uur voor de dag dat het terrein zal worden gebruikt dit voornemen schriftelijk of per e-mail aan de minister en de burgemeester van de gemeente waarin het betreffende terrein ligt.
##### Artikel 36
1. De minister kan ontheffing verlenen van de voorschriften die op grond van [hoofdstuk 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026570&hoofdstuk=3&z=2024-01-01&g=2024-01-01) gelden voor een terrein voor tijdelijk en uitzonderlijk gebruik. Deze ontheffing wordt slechts verleend indien:
- a. als gevolg van bijzondere omstandigheden de voorschriften in redelijkheid geen toepassing kunnen vinden, en
- b. de veiligheid van het terrein en van het luchtverkeer dat van het terrein gebruik maakt met het verlenen van een ontheffing niet in gevaar worden gebracht.
2. Aan de ontheffing, bedoeld in het eerste lid, kunnen voorschriften of beperkingen worden verbonden.
### Hoofdstuk 4. Procedurebepalingen
##### Artikel 37
Wijzigt het Algemeen luchthavenreglement.
##### Artikel 38
Wijzigt het Aanvullend luchthavenreglement luchthaven Schiphol.
##### Artikel 39
Wijzigt het Aanvullend luchthavenreglement luchthaven Maastricht.
##### Artikel 40
Wijzigt het Aanvullend luchthavenreglement Rotterdam.
##### Artikel 41
Wijzigt het Aanvullend luchthavenreglement luchthaven Eelde.
##### Artikel 42
Wijzigt het Aanvullend Luchthaven Reglement Lelystad.
##### Artikel 43
Wijzigt het Aanvullend luchthavenreglement Teuge.
##### Artikel 44
Wijzigt het Aanvullend luchthavenreglement Texel.
##### Artikel 45
Wijzigt het Aanvullend luchthavenreglement Midden Zeeland.
### Hoofdstuk 6. Slotbepalingen
##### Artikel 46
Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 november 2009.
##### Artikel 47
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling veilig gebruik luchthavens en andere terreinen.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
##### Artikel 30a
1. Een luchthaven die gebruikt wordt door een zeilvliegtuig of schermzweeftoestel en het gebruik hiervan voldoen, onverminderd het bepaalde in [§ 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026570&hoofdstuk=3¶graaf=2&z=2024-01-01&g=2024-01-01), aan de volgende eisen:
- a. de luchthaven is vrij van obstakels en oneffenheden welke gevaar kunnen opleveren bij een afgebroken start of noodlanding;
- b. de opstelplaats van de lier is gelegen op een afstand van ten minste 10 meter binnen de grens van de luchthaven;
- c. de startplaats heeft een lengte van ten minste 50 meter en een breedte van ten minste 30 meter;
- d. de opstelplaats voor een zeilvliegtuig is niet gelegen op de startplaats;
- e. de landingsplaats heeft een lengte van ten minste 60 meter en indien gelijktijdig met meerdere zeilvliegtuigen of schermzweeftoestellen wordt geland, per zeilvliegtuig of schermzweeftoestel een breedte van ten minste twee maal de spanwijdte van het betreffende zeilvliegtuig of schermzweeftoestel;
- f. de landingsplaats is niet gelegen op de lierbaan, startplaats of opstelplaats;
- g. indien binnen een gebied met een straal van 500 meter vanuit de vastgestelde geografische positie van de luchthaven obstakels steken door een denkbeeldig horizontaal vlak op een hoogte van 45 meter boven het hoogst gelegen punt binnen de luchthaven, neemt de exploitant ter waarborging van het veilig gebruik van de luchthaven maatregelen met betrekking tot die obstakels;
- h. de luchthaven is zodanig gelegen dat in het verlengde van de baan geen obstakels steken door een denkbeeldig vlak dat met de breedte van de baan als basis, oploopt met een helling van 1:5 (hoogte:afstand) en divergeert met 10% tot op een afstand van 225 meter van de baan;
- i. de luchthaven is zodanig gelegen dat ter weerszijden van de baan geen obstakels steken door een denkbeeldig vlak dat met de lengte van de baan als basis, oploopt met een helling van 1:2 (hoogte:afstand) en aansluit op het horizontale vlak, bedoeld in onderdeel g.
2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een terrein als bedoeld in [artikel 19, eerste lid, onderdelen b en c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026570&hoofdstuk=3¶graaf=1&artikel=19&z=2024-01-01&g=2024-01-01), voor zover het terrein wordt gebruikt voor het landen of opstijgen van een schermzweeftoestel of een zeilvliegtuig.
##### Artikel 30b
1. Het gebruik van een luchthaven door een zeilvliegtuig of schermzweeftoestel voldoet, onverminderd het bepaalde in [§ 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026570&hoofdstuk=3¶graaf=2&z=2024-01-01&g=2024-01-01), aan de volgende eisen:
- a. gedurende het opstijgen en landen zijn er geen onbevoegde personen en obstakels aanwezig op de lierbaan, de startplaats en de landingsplaats;
- b. het opstijgen of doen opstijgen van een zeilvliegtuig of schermzweeftoestel door middel van een lier vindt alleen plaats indien de vallende lierkabel niet buiten de grens van de luchthaven kan vallen en geen letsel aan personen of schade aan zaken zal kunnen veroorzaken;
- c. de lierkabel wordt binnen de grenzen van de luchthaven in een rechte lijn uitgebracht;
- d. het afwerpen van de sleepkabel door een sleepvliegtuig vindt alleen plaats als de sleepkabel niet buiten de grens van de luchthaven kan vallen en geen letsel aan personen of schade aan zaken zal kunnen veroorzaken;
- e. behoudens in geval van de koppeling van een zeilvliegtuig of een schermzweeftoestel aan een sleepvliegtuig, is het gelijktijdig landen of starten van een zeilvliegtuig of schermzweeftoestel en een sleepvliegtuig niet toegestaan;
- f. de lierhoogte overschrijdt niet de ondergrens van de ter plaatse geldende TMA;
- g. de lierhoogte overschrijdt niet de ter plaatse geldende minimum vlieghoogte, tenzij een NOTAM is uitgegeven of een publicatie in de luchtvaartgids heeft plaatsgevonden inhoudende de vermelding van locatie, lierhoogte en telefoonnummer.
2. [Artikel 22, eerste lid, onderdeel c, onder 1, 3, 4 en 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026570&hoofdstuk=3¶graaf=2&artikel=22&z=2024-01-01&g=2024-01-01) zijn niet van toepassing op een luchthaven als bedoeld in het eerste lid.
3. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een terrein als bedoeld in [artikel 19, eerste lid, onderdelen b en c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026570&hoofdstuk=3¶graaf=1&artikel=19&z=2024-01-01&g=2024-01-01), voor zover het terrein wordt gebruikt voor het landen of opstijgen van een schermzweeftoestel of een zeilvliegtuig.
4. Een terrein als bedoeld in [artikel 19, eerste lid, onderdelen b en c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026570&hoofdstuk=3¶graaf=1&artikel=19&z=2024-01-01&g=2024-01-01), wordt, voor zover het terrein wordt gebruikt voor het landen of opstijgen van een schermzweeftoestel of een zeilvliegtuig, niet gebruikt:
- a. binnen een afstand van 6 zeemijlen van de grens van de CTR van de luchthaven, Schiphol, Maastricht, Rotterdam, Eelde, De Kooij of Eindhoven, tenzij de ontheffinghouder zich ervan heeft vergewist dat zijn activiteit de veilige uitvoering van het luchtverkeer van en naar de betreffende luchthaven niet belemmert;
- b. binnen een afstand van 3 zeemijlen van de grens van de CTR van een andere luchthaven dan genoemd in onderdeel a, tenzij de ontheffinghouder zich ervan heeft vergewist dat zijn activiteit de veilige uitvoering van het luchtverkeer van en naar de betreffende luchthaven niet belemmert;
- c. binnen een afstand van 3 zeemijl van de grens van een luchthaven waarboven geen CTR is ingesteld, tenzij de ontheffinghouder zich ervan heeft vergewist dat zijn activiteit de veilige uitvoering van het luchtverkeer van en naar de betreffende luchthaven niet belemmert.
#### § 9. Landbouwluchtvaartuigen
#### § 9. Landbouwluchtvaartuigen
#### § 10. Luchtschepen
#### § 11. Onbemande luchtvaartuigen tot 150 kilogram
### Hoofdstuk 5. Wijziging andere regelingen
### Hoofdstuk 6. Slotbepalingen
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
##### Artikel 14a
Gebruikers van de luchthaven, toeleveranciers, organisaties die op de luchthaven voor de exploitant werkzaamheden verrichten, alsmede organisaties die op de luchthaven zelfstandig grondafhandelingsdiensten verrichten, zijn verplicht te voldoen aan de eisen die door de exploitant zijn gesteld ten aanzien van de orde en veiligheid op, alsmede het veilig gebruik van de luchthaven.
### Afdeling 4. Helikopterluchthavens
#### § 1. Reikwijdte
#### § 2. Aanleg, inrichting, uitrusting en gebruik van de luchthaven
### Hoofdstuk 3. Regels veilig gebruik overige burgerluchthavens en terreinen voor tijdelijk en uitzonderlijk gebruik
#### § 1. Reikwijdte
#### § 2. Algemene aanleg-, inrichtings-, uitrustings- en gebruiksvoorschriften
#### § 3. Helikopters
#### § 4. Mla’s
#### § 5. Gemotoriseerde schermvliegtuigen
##### Artikel 27
1. Een luchthaven die gebruikt wordt door een vrije ballon en het gebruik hiervan voldoen, onverminderd het bepaalde in [§ 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026570&hoofdstuk=3¶graaf=2&z=2021-07-06&g=2021-07-06), aan de volgende eisen:
- a. de luchthaven is zodanig gelegen dat in de richting van de opstijging eventuele obstakels met een hoogteverschil van ten minste 15 meter overvaren kunnen worden;
- b. de startplaats is tijdens de opbouw van de ballon en tijdens de start van de ballon zodanig vrij gehouden, dat toeschouwers niet in gevaar worden gebracht;
- c. personen die werkzaamheden hebben te verrichten zijn als zodanig duidelijk herkenbaar;
- d. ingeval van een opstijging met een vulling bestaande uit brandbaar gas wordt op de startplaats niet gerookt en zijn daar geen vuurverwekkende voorwerpen of middelen aanwezig;
- e. een opstijging van een vrije ballon die door middel van een kabel tijdelijk is bevestigd aan het aardoppervlak wordt alleen gevoerd bij windsnelheden van minder dan 3 meter/seconden, de vrije ballon mag daarbij niet hoger stijgen dan 50 meter boven het aardoppervlak.
2. [Artikel 20, eerste lid, onderdeel a, het derde tot en met het achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026570&hoofdstuk=3¶graaf=2&artikel=20&z=2021-07-06&g=2021-07-06) en [artikel 22, eerste lid, onderdeel c, onder 3, 4 en 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026570&hoofdstuk=3¶graaf=2&artikel=22&z=2021-07-06&g=2021-07-06) zijn niet van toepassing op een luchthaven als bedoeld in het eerste lid.
3. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een terrein als bedoeld in [artikel 19, eerste lid, onderdelen b en c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026570&hoofdstuk=3¶graaf=1&artikel=19&z=2021-07-06&g=2021-07-06), voor zover het terrein wordt gebruikt voor het landen of opstijgen van een vrije ballon.
4. [Artikel 20, eerste lid, onderdeel a en het zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026570&hoofdstuk=3¶graaf=2&artikel=20&z=2021-07-06&g=2021-07-06) zijn niet van toepassing op een terrein als bedoeld in het derde lid.
#### § 6. Vrije ballonnen
##### Artikel 28
1. Een waterluchthaven en het gebruik hiervan voldoen, onverminderd het bepaalde in [§ 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026570&hoofdstuk=3¶graaf=2&z=2021-07-06&g=2021-07-06), aan de volgende eisen:
- a. in het betreffende watergebied is een baan geprojecteerd met een lengte van ten minste 1000 meter;
- b. een start of een landing wordt alleen uitgevoerd indien de golfhoogte dit toelaat en zich in de geprojecteerde baan geen personen en vaartuigen bevinden;
- c. het gelijktijdig landen en starten door meerdere watervliegtuigen op en van de luchthaven is niet toegestaan;
- d. de luchthaven is zodanig gelegen dat in het verlengde van de baan geen obstakels steken door een denkbeeldig vlak dat met de breedte van de baan als basis, oploopt met een helling van 1:20 (hoogte:afstand) en divergeert met 10% tot op een afstand van 900 meter van de baan;
- e. de luchthaven is zodanig gelegen dat ter weerszijden van de baan geen obstakels steken door een denkbeeldig vlak dat met de lengte van de baan als basis, oploopt met een helling van 1:5 (hoogte:afstand) tot een afstand van 150 meter.
2. [Artikel 22, eerste lid, onderdeel c, onder 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026570&hoofdstuk=3¶graaf=2&artikel=22&z=2021-07-06&g=2021-07-06), is niet van toepassing op een luchthaven als bedoeld in het eerste lid.
3. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een terrein voor tijdelijk en uitzonderlijk gebruik dat gebruikt wordt door een watervliegtuig.
#### § 7. Watervliegtuigen
##### Artikel 29
1. Een luchthaven die gebruikt wordt door een zweefvliegtuig en het gebruik hiervan voldoen, onverminderd het bepaalde in [§ 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026570&hoofdstuk=3¶graaf=2&z=2021-07-06&g=2021-07-06), aan de volgende eisen:
- a. de lengte van de luchthaven is ten minste gelijk aan de lengte van de lierkabel;
- b. de breedte van de luchthaven is ten minste 150 meter of ten minste 100 meter indien aan één of weerszijden van de luchthaven een stuk grond is gelegen met een totale breedte van ten minste 50 meter dat als veiligheidsstrook kan dienen;
- c. de luchthaven en de veiligheidsstrook zijn vrij van obstakels en oneffenheden welke gevaar kunnen opleveren bij een afgebroken start of noodlanding;
- d. de opstelplaats van de lier is gelegen op een afstand van ten minste 25 meter binnen de grens van de luchthaven;
- e. de startplaats heeft een lengte van ten minste 150 meter en een breedte van ten minste 50 meter;
- f. de opstelplaats voor een zweefvliegtuig is niet gelegen op de startplaats;
- g. de landingsplaats heeft een lengte van ten minste 75 meter en indien gelijktijdig met meerdere zweefvliegtuigen wordt geland, per zweefvliegtuig een breedte van ten minste twee maal de spanwijdte van het betreffende zweefvliegtuig;
- h. de landingsplaats is niet gelegen op de lierbaan, startplaats of opstelplaats;
- i. indien binnen een gebied met een straal van 2000 meter vanuit de vastgestelde geografische positie van de luchthaven obstakels steken door een denkbeeldig horizontaal vlak op een hoogte van 45 meter boven het hoogst gelegen punt binnen de luchthaven of door het vlak dat aansluit op het horizontale vlak en dat in hoogte oploopt met een helling van 1:10 (hoogte:afstand) tot een hoogte van 80 meter, neemt de exploitant ter waarborging van het veilig gebruik van de luchthaven maatregelen met betrekking tot die obstakels;
- j. de luchthaven is zodanig gelegen dat in het verlengde van de baan geen obstakels steken door een denkbeeldig vlak dat met de breedte van de baan als basis, oploopt met een helling van 1:20 (hoogte:afstand) en divergeert met 10% tot op een afstand van 900 meter van de baan;
- k. de luchthaven is zodanig gelegen dat ter weerszijden van de start- of landingsplaats geen obstakels steken door een denkbeeldig vlak dat met de lengte van de start- of landingsplaats als basis, oploopt met een helling van 1:2 (hoogte:afstand) en aansluit op het horizontale vlak, bedoeld in onderdeel i.
2. Indien een luchthaven als bedoeld in het eerste lid mede wordt gebruikt door een TMG of zelfstartend zweefvliegtuig, dan is ten behoeve van het gebruik door de TMG of het zelfstartend zweefvliegtuig een baan beschikbaar met een lengte van ten minste 300 meter die gelegen is in een strook met een lengte van ten minste 660 meter en een breedte van ten minste 30 meter.
3. Indien een luchthaven als bedoeld in het eerste lid mede wordt gebruikt door een vliegtuig dat wordt gebruikt ten behoeve van het slepen van een zweefvliegtuig, dan is ten behoeve van het gebruik van een dergelijk vliegtuig een baan beschikbaar met een lengte van ten minste 600 meter en een breedte van ten minste 30 meter die gelegen is in een strook met een lengte van ten minste 660 meter.
4. Een luchthaven als bedoeld in het tweede en derde lid is zodanig gelegen dat ter weerszijden van de baan geen obstakels steken door een denkbeeldig vlak dat met de lengte van de baan als basis, oploopt met een helling van 1:5 (hoogte:afstand) en aansluit op het vlak, bedoeld in het vierde lid.
5. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een terrein voor tijdelijk en uitzonderlijk gebruik dat gebruikt wordt door een zweefvliegtuig.
##### Artikel 30
1. Het gebruik van een luchthaven door een zweefvliegtuig voldoet, onverminderd het bepaalde in [§ 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026570&hoofdstuk=3¶graaf=2&z=2021-07-06&g=2021-07-06), aan de volgende eisen:
- a. gedurende het opstijgen en landen zijn er geen onbevoegde personen aanwezig op de lierbaan, de startplaats en de landingsplaats;
- b. de lierkabel wordt binnen de grenzen van de luchthaven in een rechte lijn uitgebracht;
- c. het opstijgen of doen opstijgen van een zweefvliegtuig door middel van een lier vindt alleen plaats indien de vallende lierkabel niet buiten de grens van de luchthaven of de veiligheidstrook, bedoeld in [artikel 29, eerste lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026570&hoofdstuk=3¶graaf=8&artikel=29&z=2021-07-06&g=2021-07-06), kan vallen en geen letsel aan personen of schade aan zaken zal kunnen veroorzaken;
- d. het afwerpen van de sleepkabel door een sleepvliegtuig vindt alleen plaats als de sleepkabel niet buiten de grens van de luchthaven kan vallen en geen letsel aan personen of schade aan zaken zal kunnen veroorzaken;
- e. behoudens in geval van de koppeling van een zweefvliegtuig aan een sleepvliegtuig, is het gelijktijdig landen of starten van een zweefvliegtuig, een TMG of een sleepvliegtuig niet toegestaan.
2. [Artikel 22, eerste lid, onderdeel c, onder 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026570&hoofdstuk=3¶graaf=2&artikel=22&z=2021-07-06&g=2021-07-06), is niet van toepassing op een luchthaven als bedoeld in het eerste lid.
3. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een terrein voor tijdelijk en uitzonderlijk gebruik dat gebruikt wordt door een zweefvliegtuig met dien verstande dat:
- a. de lierhoogte niet de ondergrens van de ter plaatse geldende TMA overschrijdt;
- b. de lierhoogte niet de ter plaatse geldende minimum vlieghoogte overschrijdt, tenzij een NOTAM is uitgegeven met vermelding van locatie, lierhoogte en telefoonnummer, waar men op locatie bereikbaar is.
4. Een terrein voor tijdelijk en uitzonderlijk gebruik wordt door een zweefvliegtuig niet gebruikt:
- a. binnen een afstand van 6 zeemijlen van de grens van de CTR van de luchthaven, Schiphol, Maastricht, Rotterdam, Eelde, De Kooij of Eindhoven, tenzij de ontheffinghouder zich ervan heeft vergewist dat zijn activiteit de veilige uitvoering van het luchtverkeer van en naar de betreffende luchthaven niet belemmert;
- b. binnen een afstand van 3 zeemijlen van de grens van de CTR van een andere luchthaven dan genoemd in onderdeel a, tenzij de ontheffinghouder zich ervan heeft vergewist dat zijn activiteit de veilige uitvoering van het luchtverkeer van en naar de betreffende luchthaven niet belemmert;
- c. binnen een afstand van 3 zeemijl van de grens van een luchthaven waarboven geen CTR is ingesteld, tenzij de ontheffinghouder zich ervan heeft vergewist dat zijn activiteit de veilige uitvoering van het luchtverkeer van en naar de betreffende luchthaven niet belemmert.
#### § 8. Zweefvliegtuigen
#### § 8a. Zeilvliegtuigen en schermzweeftoestellen
##### Artikel 31
1. Een luchthaven die gebruikt wordt door een landbouwluchtvaartuig en het gebruik hiervan voldoen, onverminderd het bepaalde in [§ 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026570&hoofdstuk=3¶graaf=2&z=2021-07-06&g=2021-07-06), aan de volgende eisen:
- a. voor het landen en opstijgen is een strook beschikbaar met een lengte die ten minste gelijk is aan de startlengte als vermeld in het vlieghandboek behorende bij het betreffende luchtvaartuig;
- b. de breedte van de strook bedraagt ten minste tweemaal de spanwijdte van het luchtvaartuig dat gebruik maakt van de strook, doch niet minder dan 30 meter;
- c. in de strook is de bodemgesteldheid, voor wat betreft de vlakheid en de draagkracht, dusdanig dat het betreffende landbouwluchtvaartuig op een veilige wijze kan starten en landen binnen de in het bij het betreffende luchtvaartuig behorende vlieghandboek gestelde gebruiksbeperkingen;
- d. in het midden, binnen de grenzen van de strook, is een baan aanwezig met een lengte die gelijk is aan die van de strook en een breedte van ten minste twee maal de spoorbreedte van het betreffende luchtvaartuig;
- e. indien binnen een gebied met een straal van 2000 meter vanuit de vastgestelde geografische positie van de luchthaven obstakels steken door een denkbeeldig horizontaal vlak op een hoogte van 45 meter boven het hoogst gelegen punt binnen de luchthaven, neemt de exploitant ter waarborging van het veilig gebruik van de luchthaven maatregelen met betrekking tot die obstakels;
- f. de luchthaven is zodanig gelegen dat geen obstakels steken door een vlak, aansluitend op het vlak, bedoeld in het vorige onderdeel, dat in hoogte oploopt met een helling van 1:10 (hoogte: afstand) tot een hoogte van 80 meter boven de grond;
- g. de luchthaven is zodanig gelegen dat in het verlengde van de strook geen obstakels steken door een denkbeeldig vlak dat met de breedte van de strook als basis, oploopt met een helling van 1:20 (hoogte:afstand) en divergeert met 10% tot op een afstand van 900 meter van de strook;
- h. de luchthaven is zodanig gelegen dat ter weerszijden van de strook geen obstakels steken door een denkbeeldig vlak dat met de lengte van de strook als basis, oploopt met een helling van 1:5 (hoogte:afstand) en aansluit op het horizontale vlak, bedoeld in onderdeel e.
2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een terrein voor tijdelijk en uitzonderlijk gebruik dat gebruikt wordt door een landbouwluchtvaartuig.
#### § 8a. Zeilvliegtuigen en schermzweeftoestellen
##### Artikel 32
1. Een luchthaven die gebruikt wordt door een luchtschip dat op zeeniveau in de internationale standaard-atmosfeer in geheel gevulde toestand een afmeting heeft van meer dan 5 meter of een inhoud van meer dan 4 kubieke meter, en het gebruik hiervan voldoen, onverminderd het bepaalde in [§ 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026570&hoofdstuk=3¶graaf=2&z=2021-07-06&g=2021-07-06), aan de volgende eisen:
- a. de luchthaven bevat een obstakelvrij grondvlak in de vorm van een cirkel met een straal van ten minste de lengte van het luchtschip;
- b. indien binnen een gebied met een straal van 2000 meter vanuit de vastgestelde geografische positie van de luchthaven obstakels steken door een denkbeeldig horizontaal vlak op een hoogte van 45 meter boven het hoogst gelegen punt binnen de luchthaven, neemt de exploitant ter waarborging van het veilig gebruik van de luchthaven maatregelen met betrekking tot die obstakels;
- c. de luchthaven is zodanig gelegen dat geen obstakels steken door een vlak, aansluitend op het vlak, bedoeld in het vorige onderdeel, dat in hoogte oploopt met een helling van 1:10 (hoogte:afstand) tot een hoogte van 80 meter boven de grond;
- d. de luchthaven is zodanig gelegen dat in de vliegrichting geen obstakels steken door een denkbeeldig vlak dat met de doorsnede van het grondvlak als basis oploopt met een helling van 1:20 (hoogte:afstand) en divergeert met 10% tot op een afstand van 900 meter van de grens van de luchthaven.
2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een terrein voor tijdelijk en uitzonderlijk gebruik dat gebruikt wordt door een luchtschip als bedoeld in het eerste lid.
#### § 9. Landbouwluchtvaartuigen
##### Artikel 33
1. Onverminderd het bepaalde in [§ 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026570&hoofdstuk=3¶graaf=2&z=2021-07-06&g=2021-07-06), zijn de eisen, bedoeld in [artikel 31, eerste lid, onderdelen a tot en met e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026570&hoofdstuk=3¶graaf=9&artikel=31&z=2021-07-06&g=2021-07-06), van overeenkomstige toepassing op een luchthaven die gebruikt wordt door een onbemand vliegtuig van maximaal 150 kilogram, met dien verstande dat de lengte van de strook, bedoeld in onderdeel a, niet minder is dan 100 meter en de breedte van de strook, bedoeld in onderdeel b, niet minder is dan 10 meter.
2. Onverminderd het bepaalde in [§ 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026570&hoofdstuk=3¶graaf=2&z=2021-07-06&g=2021-07-06), is de eis, bedoeld in [artikel 32, eerste lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026570&hoofdstuk=3¶graaf=10&artikel=32&z=2021-07-06&g=2021-07-06), van overeenkomstige toepassing op een luchthaven die gebruikt wordt door een onbemand luchtschip van maximaal 150 kilogram.
3. Onverminderd het bepaalde in [§ 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026570&hoofdstuk=3¶graaf=2&z=2021-07-06&g=2021-07-06), zijn de eisen, bedoeld in [artikel 24, met uitzondering van onderdeel d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026570&hoofdstuk=3¶graaf=3&artikel=24&z=2021-07-06&g=2021-07-06), van overeenkomstige toepassing op een luchthaven die gebruikt wordt door een onbemande helikopter van maximaal 150 kilogram.
4. Een luchthaven die gebruikt wordt door een RPA van maximaal 150 kilogram is zodanig gelegen dat:
- a. tijdens de start- en landingsfase een vrij uitzicht op de luchthaven mogelijk is;
- b. in de nabije omgeving van de luchthaven geen obstakels aanwezig zijn die een belemmering vormen voor het veilige gebruik van de luchthaven.
5. [Artikel 22, eerste lid, onderdeel c, onder 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026570&hoofdstuk=3¶graaf=2&artikel=22&z=2021-07-06&g=2021-07-06), is niet van toepassing op een luchthaven als bedoeld in het eerste tot en met het derde lid.
6. Het eerste tot en met het vierde lid zijn van overeenkomstige toepassing op een terrein voor tijdelijk en uitzonderlijk gebruik dat gebruikt wordt door een van de in deze leden bedoelde luchtvaartuigen.
#### § 10. Luchtschepen
##### Artikel 34
1. Een luchthaven die gebruikt wordt door een gyrokopter en het gebruik hiervan voldoen, onverminderd het bepaalde in [§ 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026570&hoofdstuk=3¶graaf=2&z=2021-07-06&g=2021-07-06), aan de volgende eisen:
- a. voor het landen en opstijgen is een baan beschikbaar met een lengte die ten minste gelijk is aan de startlengte die vermeld is in het vlieghandboek van het betreffende luchtvaartuig, doch niet minder dan 200 meter en een breedte van ten minste 30 meter;
- b. de baan is gelegen in een obstakelvrije strook met een lengte van ten minste 300 meter en een breedte van ten minste 30 meter, waarbij de korte zijde van de baan op een afstand van 50 meter van de korte zijde van de strook is gelegen;
- c. de luchthaven is zodanig gelegen dat in het verlengde van de baan geen obstakels steken door een denkbeeldig vlak dat met de breedte van de strook als basis, oploopt met een helling van 1:20 (hoogte:afstand) en divergeert met 10% tot op een afstand van 225 meter van de baan of de landingsplaats;
- d. de luchthaven is zodanig gelegen dat ter weerszijden van de strook geen obstakels steken door een denkbeeldig vlak dat met de lengte van de strook als basis, oploopt met een helling van 1:5 (hoogte:afstand) en aansluit op het horizontale vlak, bedoeld in onderdeel e;
- e. indien binnen een gebied met een straal van 750 meter vanuit de vastgestelde geografische positie van de luchthaven obstakels steken door een denkbeeldig horizontaal vlak op een hoogte van 45 meter boven het hoogst gelegen punt binnen de luchthaven, neemt de exploitant ter waarborging van het veilig gebruik van de luchthaven maatregelen met betrekking tot die obstakels.
2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een terrein voor tijdelijk en uitzonderlijk gebruik dat gebruikt wordt door een gyrokopter.
#### § 11. Onbemande luchtvaartuigen tot 150 kilogram
#### § 12. Gyroplanes
### Hoofdstuk 4. Procedurebepalingen
##### Artikel 35
1. De termijn voor het nemen van een besluit op de aanvraag voor een ontheffing als bedoeld in [artikel 8a.51 van de Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=8a.51) bedraagt vier weken.
2. De ontheffing wordt niet verleend dan nadat gedeputeerde staten over de aanvraag tot ontheffing overleg hebben gevoerd met de burgemeester van de gemeente waarin het betreffende terrein ligt.
3. De houder van de ontheffing meldt ten minste 24 uur voor de dag dat het terrein zal worden gebruikt dit voornemen schriftelijk of per e-mail aan de minister en de burgemeester van de gemeente waarin het betreffende terrein ligt.
##### Artikel 36
1. De minister kan ontheffing verlenen van de voorschriften die op grond van [hoofdstuk 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026570&hoofdstuk=3&z=2021-07-06&g=2021-07-06) gelden voor een terrein voor tijdelijk en uitzonderlijk gebruik. Deze ontheffing wordt slechts verleend indien:
- a. als gevolg van bijzondere omstandigheden de voorschriften in redelijkheid geen toepassing kunnen vinden, en
- b. de veiligheid van het terrein en van het luchtverkeer dat van het terrein gebruik maakt met het verlenen van een ontheffing niet in gevaar worden gebracht.
2. Aan de ontheffing, bedoeld in het eerste lid, kunnen voorschriften of beperkingen worden verbonden.
### Hoofdstuk 4. Procedurebepalingen
##### Artikel 37
Wijzigt het Algemeen luchthavenreglement.
##### Artikel 38
Wijzigt het Aanvullend luchthavenreglement luchthaven Schiphol.
##### Artikel 39
Wijzigt het Aanvullend luchthavenreglement luchthaven Maastricht.
##### Artikel 40
Wijzigt het Aanvullend luchthavenreglement Rotterdam.
##### Artikel 41
Wijzigt het Aanvullend luchthavenreglement luchthaven Eelde.
##### Artikel 42
Wijzigt het Aanvullend Luchthaven Reglement Lelystad.
##### Artikel 43
Wijzigt het Aanvullend luchthavenreglement Teuge.
##### Artikel 44
Wijzigt het Aanvullend luchthavenreglement Texel.
##### Artikel 45
Wijzigt het Aanvullend luchthavenreglement Midden Zeeland.
### Hoofdstuk 6. Slotbepalingen
##### Artikel 46
Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 november 2009.
##### Artikel 47
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling veilig gebruik luchthavens en andere terreinen.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
##### Artikel 30a
1. Een luchthaven die gebruikt wordt door een zeilvliegtuig of schermzweeftoestel en het gebruik hiervan voldoen, onverminderd het bepaalde in [§ 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026570&hoofdstuk=3¶graaf=2&z=2021-07-06&g=2021-07-06), aan de volgende eisen:
- a. de luchthaven is vrij van obstakels en oneffenheden welke gevaar kunnen opleveren bij een afgebroken start of noodlanding;
- b. de opstelplaats van de lier is gelegen op een afstand van ten minste 10 meter binnen de grens van de luchthaven;
- c. de startplaats heeft een lengte van ten minste 50 meter en een breedte van ten minste 30 meter;
- d. de opstelplaats voor een zeilvliegtuig is niet gelegen op de startplaats;
- e. de landingsplaats heeft een lengte van ten minste 60 meter en indien gelijktijdig met meerdere zeilvliegtuigen of schermzweeftoestellen wordt geland, per zeilvliegtuig of schermzweeftoestel een breedte van ten minste twee maal de spanwijdte van het betreffende zeilvliegtuig of schermzweeftoestel;
- f. de landingsplaats is niet gelegen op de lierbaan, startplaats of opstelplaats;
- g. indien binnen een gebied met een straal van 500 meter vanuit de vastgestelde geografische positie van de luchthaven obstakels steken door een denkbeeldig horizontaal vlak op een hoogte van 45 meter boven het hoogst gelegen punt binnen de luchthaven, neemt de exploitant ter waarborging van het veilig gebruik van de luchthaven maatregelen met betrekking tot die obstakels;
- h. de luchthaven is zodanig gelegen dat in het verlengde van de baan geen obstakels steken door een denkbeeldig vlak dat met de breedte van de baan als basis, oploopt met een helling van 1:5 (hoogte:afstand) en divergeert met 10% tot op een afstand van 225 meter van de baan;
- i. de luchthaven is zodanig gelegen dat ter weerszijden van de baan geen obstakels steken door een denkbeeldig vlak dat met de lengte van de baan als basis, oploopt met een helling van 1:2 (hoogte:afstand) en aansluit op het horizontale vlak, bedoeld in onderdeel g.
2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een terrein als bedoeld in [artikel 19, eerste lid, onderdelen b en c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026570&hoofdstuk=3¶graaf=1&artikel=19&z=2021-07-06&g=2021-07-06), voor zover het terrein wordt gebruikt voor het landen of opstijgen van een schermzweeftoestel of een zeilvliegtuig.
##### Artikel 30b
1. Het gebruik van een luchthaven door een zeilvliegtuig of schermzweeftoestel voldoet, onverminderd het bepaalde in [§ 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026570&hoofdstuk=3¶graaf=2&z=2021-07-06&g=2021-07-06), aan de volgende eisen:
- a. gedurende het opstijgen en landen zijn er geen onbevoegde personen en obstakels aanwezig op de lierbaan, de startplaats en de landingsplaats;
- b. het opstijgen of doen opstijgen van een zeilvliegtuig of schermzweeftoestel door middel van een lier vindt alleen plaats indien de vallende lierkabel niet buiten de grens van de luchthaven kan vallen en geen letsel aan personen of schade aan zaken zal kunnen veroorzaken;
- c. de lierkabel wordt binnen de grenzen van de luchthaven in een rechte lijn uitgebracht;
- d. het afwerpen van de sleepkabel door een sleepvliegtuig vindt alleen plaats als de sleepkabel niet buiten de grens van de luchthaven kan vallen en geen letsel aan personen of schade aan zaken zal kunnen veroorzaken;
- e. behoudens in geval van de koppeling van een zeilvliegtuig of een schermzweeftoestel aan een sleepvliegtuig, is het gelijktijdig landen of starten van een zeilvliegtuig of schermzweeftoestel en een sleepvliegtuig niet toegestaan;
- f. de lierhoogte overschrijdt niet de ondergrens van de ter plaatse geldende TMA;
- g. de lierhoogte overschrijdt niet de ter plaatse geldende minimum vlieghoogte, tenzij een NOTAM is uitgegeven of een publicatie in de luchtvaartgids heeft plaatsgevonden inhoudende de vermelding van locatie, lierhoogte en telefoonnummer.
2. [Artikel 22, eerste lid, onderdeel c, onder 1, 3, 4 en 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026570&hoofdstuk=3¶graaf=2&artikel=22&z=2021-07-06&g=2021-07-06) zijn niet van toepassing op een luchthaven als bedoeld in het eerste lid.
3. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een terrein als bedoeld in [artikel 19, eerste lid, onderdelen b en c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026570&hoofdstuk=3¶graaf=1&artikel=19&z=2021-07-06&g=2021-07-06), voor zover het terrein wordt gebruikt voor het landen of opstijgen van een schermzweeftoestel of een zeilvliegtuig.
4. Een terrein als bedoeld in [artikel 19, eerste lid, onderdelen b en c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026570&hoofdstuk=3¶graaf=1&artikel=19&z=2021-07-06&g=2021-07-06), wordt, voor zover het terrein wordt gebruikt voor het landen of opstijgen van een schermzweeftoestel of een zeilvliegtuig, niet gebruikt:
- a. binnen een afstand van 6 zeemijlen van de grens van de CTR van de luchthaven, Schiphol, Maastricht, Rotterdam, Eelde, De Kooij of Eindhoven, tenzij de ontheffinghouder zich ervan heeft vergewist dat zijn activiteit de veilige uitvoering van het luchtverkeer van en naar de betreffende luchthaven niet belemmert;
- b. binnen een afstand van 3 zeemijlen van de grens van de CTR van een andere luchthaven dan genoemd in onderdeel a, tenzij de ontheffinghouder zich ervan heeft vergewist dat zijn activiteit de veilige uitvoering van het luchtverkeer van en naar de betreffende luchthaven niet belemmert;
- c. binnen een afstand van 3 zeemijl van de grens van een luchthaven waarboven geen CTR is ingesteld, tenzij de ontheffinghouder zich ervan heeft vergewist dat zijn activiteit de veilige uitvoering van het luchtverkeer van en naar de betreffende luchthaven niet belemmert.
#### § 9. Landbouwluchtvaartuigen
#### § 9. Landbouwluchtvaartuigen
#### § 10. Luchtschepen
#### § 11. Onbemande luchtvaartuigen tot 150 kilogram
##### Artikel 14b
1. Indien een luchthaven buiten de reguliere openstellingstijden wordt gebruikt voor het innemen van brandstof ten behoeve van een HEMS-vlucht of een politievlucht, draagt de exploitant er zorg voor dat voorafgaande aan het gebruik schriftelijke afspraken met de betreffende gebruiker van de luchthaven zijn gemaakt over het veilig gebruik van de luchthaven.
2. De afspraken, bedoeld in het eerste lid, hebben in ieder geval betrekking op:
- a. het landen en starten;
- b. het gebruik van de tankinstallatie;
- c. het voorkomen en bestrijden van brand ten gevolge van een ongeval of incident en het redden van mensenlevens.
### Afdeling 4. Helikopterluchthavens
#### § 2. Aanleg, inrichting, uitrusting en gebruik van de luchthaven
### Hoofdstuk 3. Regels veilig gebruik overige burgerluchthavens en andere terreinen
#### § 2. Algemene aanleg-, inrichtings-, uitrustings- en gebruiksvoorschriften
#### § 3. Helikopters
#### § 8. Zweefvliegtuigen
#### § 12. Gyrokopters
### Hoofdstuk 4. Procedurebepalingen
### Hoofdstuk 5. Wijziging andere regelingen
@@ -899,94 +975,18 @@
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
##### Artikel 14a
Gebruikers van de luchthaven, toeleveranciers, organisaties die op de luchthaven voor de exploitant werkzaamheden verrichten, alsmede organisaties die op de luchthaven zelfstandig grondafhandelingsdiensten verrichten, zijn verplicht te voldoen aan de eisen die door de exploitant zijn gesteld ten aanzien van de orde en veiligheid op, alsmede het veilig gebruik van de luchthaven.
### Afdeling 4. Helikopterluchthavens
#### § 1. Reikwijdte
#### § 2. Aanleg, inrichting, uitrusting en gebruik van de luchthaven
### Hoofdstuk 3. Regels veilig gebruik overige burgerluchthavens en terreinen voor tijdelijk en uitzonderlijk gebruik
#### § 1. Reikwijdte
#### § 2. Algemene aanleg-, inrichtings-, uitrustings- en gebruiksvoorschriften
#### § 3. Helikopters
#### § 4. Mla’s
#### § 5. Gemotoriseerde schermvliegtuigen
#### § 6. Vrije ballonnen
#### § 7. Watervliegtuigen
#### § 8. Zweefvliegtuigen
#### § 8a. Zeilvliegtuigen en schermzweeftoestellen
#### § 11. Onbemande luchtvaartuigen tot 150 kilogram
#### § 12. Gyroplanes
### Hoofdstuk 4. Procedurebepalingen
### Hoofdstuk 4. Procedurebepalingen
#### § 13. Luchtvaartuigen die een nood- of voorzorgslanding hebben gemaakt
##### Artikel 34a
1. De gezagvoerder van een luchtvaartuig dat op een terrein een nood- of voorzorgslanding heeft gemaakt, meldt dit onverwijld aan de Minister.
2. Het is verboden om met een luchtvaartuig op te stijgen vanaf een terrein als bedoeld in [artikel 19, eerste lid, onderdeel d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026570&hoofdstuk=3¶graaf=1&artikel=19&z=2024-01-01&g=2024-01-01), zonder voorafgaande toestemming van de Minister.
3. Handelen in strijd met dit artikel is een strafbaar feit.
### Hoofdstuk 5. Wijziging andere regelingen
### Hoofdstuk 6. Slotbepalingen
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
##### Artikel 14b
1. Indien een luchthaven buiten de reguliere openstellingstijden wordt gebruikt voor het innemen van brandstof ten behoeve van een HEMS-vlucht of een politievlucht, draagt de exploitant er zorg voor dat voorafgaande aan het gebruik schriftelijke afspraken met de betreffende gebruiker van de luchthaven zijn gemaakt over het veilig gebruik van de luchthaven.
2. De afspraken, bedoeld in het eerste lid, hebben in ieder geval betrekking op:
- a. het landen en starten;
- b. het gebruik van de tankinstallatie;
- c. het voorkomen en bestrijden van brand ten gevolge van een ongeval of incident en het redden van mensenlevens.
### Afdeling 4. Helikopterluchthavens
#### § 2. Aanleg, inrichting, uitrusting en gebruik van de luchthaven
### Hoofdstuk 3. Regels veilig gebruik overige burgerluchthavens en andere terreinen
#### § 2. Algemene aanleg-, inrichtings-, uitrustings- en gebruiksvoorschriften
#### § 3. Helikopters
#### § 8. Zweefvliegtuigen
#### § 12. Gyrokopters
### Hoofdstuk 4. Procedurebepalingen
### Hoofdstuk 5. Wijziging andere regelingen
### Hoofdstuk 6. Slotbepalingen
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
#### § 13. Luchtvaartuigen die een nood- of voorzorgslanding hebben gemaakt
##### Artikel 34a
1. De gezagvoerder van een luchtvaartuig dat op een terrein een nood- of voorzorgslanding heeft gemaakt, meldt dit onverwijld aan de Minister.
2. Het is verboden om met een luchtvaartuig op te stijgen vanaf een terrein als bedoeld in [artikel 19, eerste lid, onderdeel d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026570&hoofdstuk=3¶graaf=1&artikel=19&z=2021-07-06&g=2021-07-06), zonder voorafgaande toestemming van de Minister.
3. Handelen in strijd met dit artikel is een strafbaar feit.
### Hoofdstuk 5. Wijziging andere regelingen
### Hoofdstuk 6. Slotbepalingen
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
2021-07-06
Regeling veilig gebruik luchthavens en andere terreinen — arts. 6, 18,
2020-07-11
Regeling veilig gebruik luchthavens en andere terreinen — arts. 6, 18,
2020-04-01
Regeling veilig gebruik luchthavens en andere terreinen — arts. 6, 18,
2019-11-07
Regeling veilig gebruik luchthavens en andere terreinen — arts. 6, 18,
2017-10-21
Regeling veilig gebruik luchthavens en andere terreinen
2017-05-11
Regeling veilig gebruik luchthavens en andere terreinen — arts. 6, 18,
2015-07-01
Regeling veilig gebruik luchthavens en andere terreinen — arts. 6, 18,
2015-01-28
Regeling veilig gebruik luchthavens en andere terreinen
2014-08-01
Regeling veilig gebruik luchthavens en andere terreinen — arts. 6, 18,
2013-07-01
Regeling veilig gebruik luchthavens en andere terreinen — arts. 6, 18,
2012-07-24
Regeling veilig gebruik luchthavens en andere terreinen
2010-07-06
Regeling veilig gebruik luchthavens en andere terreinen
2009-11-01
Regeling veilig gebruik luchthavens en andere terreinen — arts. 1, 1, 2
2009-11-01
Regeling veilig gebruik luchthavens en andere terreinen — versión or
original version
Tekst op deze datum