Wijzigingsgeschiedenis
Circulaire toelating en uitzetting Bonaire, Sint Eustatius en Saba
13 versions
· 2026-01-01
2026-01-01
Circulaire toelating en uitzetting Bonaire, Sint Eustatius en Saba — ar
2025-04-01
Circulaire toelating en uitzetting Bonaire, Sint Eustatius en Saba — ar
2024-08-07
Circulaire toelating en uitzetting Bonaire, Sint Eustatius en Saba — ar
2024-07-01
Circulaire toelating en uitzetting Bonaire, Sint Eustatius en Saba — ar
2024-02-09
Circulaire toelating en uitzetting Bonaire, Sint Eustatius en Saba — ar
2023-10-01
Circulaire toelating en uitzetting Bonaire, Sint Eustatius en Saba — ar
2019-10-01
Circulaire toelating en uitzetting Bonaire, Sint Eustatius en Saba — ar
2015-10-01
Circulaire toelating en uitzetting Bonaire, Sint Eustatius en Saba — ar
2015-02-19
Circulaire toelating en uitzetting Bonaire, Sint Eustatius en Saba — ar
2014-01-21
Circulaire toelating en uitzetting Bonaire, Sint Eustatius en Saba — ar
2012-07-01
Circulaire toelating en uitzetting Bonaire, Sint Eustatius en Saba — ar
Wijzigingen op 2012-07-01
@@ -90,7 +90,7 @@
De regels over het terugkeervisum worden nader uitgewerkt in paragraaf 6 van dit hoofdstuk.
De voorwaarden voor een mvv staan in [hoofdstuk 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028837&hoofdstuk=3&z=2010-10-08&g=2010-10-08) van de CTU-BES.
De voorwaarden voor een mvv staan in [hoofdstuk 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028837&hoofdstuk=3&z=2012-07-01&g=2012-07-01) van de CTU-BES.
### 2.3.3. Het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf
@@ -242,7 +242,7 @@
Op grond van [artikel 6 WarBES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028455&artikel=6) wordt rechtshulp bij beroep vergoed.
Het beroep kan binnen vier weken worden ingediend bij het Gerecht in Eerste Aanleg, zittingsplaats Bonaire. De behandeling van het beroepschrift mag niet in de openbare lichamen worden afgewacht. Zie [hoofdstuk 19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028837&hoofdstuk=19&z=2010-10-08&g=2010-10-08) CTU-BES.
Het beroep kan binnen vier weken worden ingediend bij het Gerecht in Eerste Aanleg, zittingsplaats Bonaire. De behandeling van het beroepschrift mag niet in de openbare lichamen worden afgewacht. Zie [hoofdstuk 19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028837&hoofdstuk=19&z=2012-07-01&g=2012-07-01) CTU-BES.
Op grond van [artikel 2n, eerste lid, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=2n), moet de vreemdeling de openbare lichamen onmiddellijk verlaten, tenzij:
@@ -606,19 +606,19 @@
De volgende categorieën vreemdelingen hebben op grond van [artikel 3, eerste lid, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=3) van rechtswege toelating tot verblijf:
Zie verder [hoofdstuk 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028837&hoofdstuk=2&z=2010-10-08&g=2010-10-08) CTU-BES.
Nederlanders hebben op grond van [artikel 3, vijfde en zesde lid WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=2) van rechtswege toelating tot verblijf (zie [hoofdstuk 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028837&hoofdstuk=2&z=2010-10-08&g=2010-10-08) CTU-BES).
Zie verder [hoofdstuk 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028837&hoofdstuk=2&z=2012-07-01&g=2012-07-01) CTU-BES.
Nederlanders hebben op grond van [artikel 3, vijfde en zesde lid WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=2) van rechtswege toelating tot verblijf (zie [hoofdstuk 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028837&hoofdstuk=2&z=2012-07-01&g=2012-07-01) CTU-BES).
### 7.1.2. Toeristen
Op grond van [artikel 4.2 BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=4.2) mogen toeristen de openbare lichamen binnenkomen zonder toelating tot verblijf. Zij mogen maximaal drie maanden op de openbare lichamen verblijven binnen een tijdsvak van zes maanden (zie [hoofdstuk 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028837&hoofdstuk=2&z=2010-10-08&g=2010-10-08) CTU-BES).
Op grond van [artikel 4.2 BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=4.2) mogen toeristen de openbare lichamen binnenkomen zonder toelating tot verblijf. Zij mogen maximaal drie maanden op de openbare lichamen verblijven binnen een tijdsvak van zes maanden (zie [hoofdstuk 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028837&hoofdstuk=2&z=2012-07-01&g=2012-07-01) CTU-BES).
### 7.1.3. Piloten en andere bemanningsleden van luchtvaartuigen
Op grond van vigerende visumregelgeving zijn piloten en andere bemanningsleden van luchtvaartuigen die gedurende een aaneengesloten periode van niet langer dan 48 uur geland zijn, en geen gevaar opleveren voor de openbare orde en veiligheid uitgezonderd van de visumplicht.
Op grond van [artikel 4.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=4.2) en [4.3 BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=4.3) mogen bemanningsleden van luchtvaartuigen de openbare lichamen binnenkomen zonder toelating tot verblijf gedurende een periode van maximaal drie maanden binnen een tijdsvak van zes maanden. De toelating tot verblijf vervalt op het tijdstip van vertrek van het luchtvaartuig (zie ook [hoofdstuk 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028837&hoofdstuk=2&z=2010-10-08&g=2010-10-08)).
Op grond van [artikel 4.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=4.2) en [4.3 BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=4.3) mogen bemanningsleden van luchtvaartuigen de openbare lichamen binnenkomen zonder toelating tot verblijf gedurende een periode van maximaal drie maanden binnen een tijdsvak van zes maanden. De toelating tot verblijf vervalt op het tijdstip van vertrek van het luchtvaartuig (zie ook [hoofdstuk 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028837&hoofdstuk=2&z=2012-07-01&g=2012-07-01)).
Op grond van [artikel 2v, tweede lid, onder b, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=2v) wordt in de‘crew member licence’ of een ‘crew member certificate’ van piloten en bemanningsleden, als bedoeld in bijlage 9 bij het Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart van 7 december 1944, geen in- of uitreisstempel aangebracht.
@@ -634,7 +634,7 @@
Op grond van [artikel 2v, tweede lid, onder c, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=2v) worden geen stempels aangebracht in de documenten voor grensoverschrijding van zeelieden die slechts gedurende het afmeren van hun schip in de binnengevaren haven van de openbare lichamen verblijven.
Op grond van [artikel 4.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=4.2) en [4.3 BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=4.3) mogen bemanningsleden van zeeschepen de openbare lichamen binnenkomen zonder toelating tot verblijf. De toelating tot verblijf vervalt op het tijdstip van vertrek van het zeeschip (zie [hoofdstuk 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028837&hoofdstuk=2&z=2010-10-08&g=2010-10-08) CTU-BES).
Op grond van [artikel 4.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=4.2) en [4.3 BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=4.3) mogen bemanningsleden van zeeschepen de openbare lichamen binnenkomen zonder toelating tot verblijf. De toelating tot verblijf vervalt op het tijdstip van vertrek van het zeeschip (zie [hoofdstuk 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028837&hoofdstuk=2&z=2012-07-01&g=2012-07-01) CTU-BES).
Op grond van [artikel 6.46 BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=6.46) moet een vreemdeling die naar de openbare lichamen is gekomen, om als zeeman werk te zoen aan boord van een zeeschip, zich binnen drie dagen na binnenkomst in de openbare lichamen in persoon melden bij de Korpschef.
@@ -682,88 +682,3766 @@
Onder eilandskinderen van de openbare lichamen wordt verstaan: Nederlanders die op Bonaire, Sint Eustatius of Saba zijn geboren of de Nederlandse nationaliteit hebben verkregen en hun Nederlandse kinderen, waar dan ook geboren.
Voor het begrip ‘woonplaats’ is aangesloten bij de definitie zoals genoemd in [artikel 10, eerste lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek van de Nederlandse Antillen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028743&artikel=10). Daaruit volgt dat perioden van afwezigheid van de openbare lichamen binnen de referteperiode van een jaar niet in de weg staan aan de behandeling als eilandskind van de openbare lichamen. De duur en de reden van afwezigheid binnen de referteperiode is niet van belang, zolang vaststaat dat de betrokken Nederlander in de referteperiode ononderbroken zijn woonplaats op de openbare lichamen heeft gehad. De referteperiode van een jaar heeft tot doel om te voorkomen dat Nederlanders zich voor 10 oktober 2010 vestigen in de openbare lichamen met het oogmerk behandeld te worden als eilandskind van de openbare lichamen.
Voor het begrip ‘woonplaats’ is aangesloten bij de definitie zoals genoemd in [artikel 10, eerste lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028743&artikel=10). Daaruit volgt dat perioden van afwezigheid van de openbare lichamen binnen de referteperiode van een jaar niet in de weg staan aan de behandeling als eilandskind van de openbare lichamen. De duur en de reden van afwezigheid binnen de referteperiode is niet van belang, zolang vaststaat dat de betrokken Nederlander in de referteperiode ononderbroken zijn woonplaats op de openbare lichamen heeft gehad. De referteperiode van een jaar heeft tot doel om te voorkomen dat Nederlanders zich voor 10 oktober 2010 vestigen in de openbare lichamen met het oogmerk behandeld te worden als eilandskind van de openbare lichamen.
### 2.3. Toelating van rechtswege van Nederlanders
### 2.3.1. Toepassing van [artikel 5a WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=5a)
Met het vorenstaande wordt aangesloten bij [artikel 4 WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=4).
Nederlanders hoeven pas na zes maanden verblijf in de openbare lichamen een verklaring aan te vragen waaruit blijkt dat zij toelating van rechtswege hebben, als bedoeld in [artikel 3, derde lid, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=3). Dit geldt ook als de Nederlander al bij binnenkomst langer dan zes maanden verblijf beoogt. Nederlanders dienen de termijn van zes maanden zelf in de gaten te houden.
Als men binnen deze zes maanden in de openbare lichamen wil werken, dan zal men wel een verklaring aan moeten vragen. Voor de opsomming van vereisten en bescheiden wordt verwezen naar paragraaf 3.2.2 van dit hoofdstuk.
### 2.3.2. Toelating van rechtswege op grond van [artikel 3, vijfde en zesde lid, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=3)
Nederlanders hoeven pas na zes maanden verblijf in de openbare lichamen een verklaring aan te vragen waaruit blijkt dat zij toelating van rechtswege hebben, als bedoeld in [artikel 3, derde lid, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=3). Dit geldt ook als de Nederlander al bij binnenkomst langer dan zes maanden verblijf beoogt. Nederlanders dienen de termijn van zes maanden zelf in de gaten te houden.
Als men binnen deze zes maanden in de openbare lichamen wil werken, dan zal men wel een verklaring aan moeten vragen. Voor de opsomming van vereisten en bescheiden wordt verwezen naar paragraaf 3.2.2 van dit hoofdstuk.
### 2.3.2. Toelating van rechtswege op grond van [artikel 3, vijfde en zesde lid, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=3)
### 3.1. Bijzondere categorieën
De minderjarige Nederlandse kinderen van de bovengenoemde Nederlanders die toelating van rechtswege hebben op grond van [artikel 3, vijfde lid, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=3), hebben toelating van rechtswege als één van de ouders het ouderlijk gezag heeft.
Dit betekent dat de aanvrager over een verklaring goed gedrag moet beschikken uit alle landen waar de Nederlander de afgelopen 5 jaar heeft verbleven.
[Artikel 3, eerste lid, onder a, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=3) moet ruim worden uitgelegd. Hieronder vallen in ieder geval:
Als de vreemdeling niet meer in overheidsdienst werkzaam is, vervalt zijn toelating van rechtswege (zie [artikel 5, aanhef en onder a, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=5)). Als hij in de openbare lichamen wil verblijven voor een ander doel, moet hij daartoe een aanvraag om verlening voor een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd indienen.
Aan de volgende bijzondere categorieën personen (vreemdelingen of Nederlanders) wordt op aanvraag de toelating van rechtswege in de openbare lichamen toegekend (zie [artikel 3, eerste lid, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=3)):
Voor vreemdelingen die vallen onder één van de bovengenoemde categorieën is het mvv-vereiste niet van toepassing. Het mvv-vereiste is alleen een afwijzingsgrond voor de aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd en is geen voorwaarde voor toelating van rechtswege.
[Artikel 3, eerste lid, onder a, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=3) moet ruim worden uitgelegd. Hieronder vallen in ieder geval:
Als de vreemdeling niet meer in overheidsdienst werkzaam is, vervalt zijn toelating van rechtswege (zie [artikel 5, aanhef en onder a, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=5)). Als hij in de openbare lichamen wil verblijven voor een ander doel, moet hij daartoe een aanvraag om verlening voor een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd indienen.
Zolang de vreemdeling pensioen of uitkering bij wijze van pensioen ontvangt, dan wel zolang de weduwe of weduwnaar niet is hertrouwd.
Zolang de vreemdeling in consulaire dienst is.
Zolang de vreemdeling militair is en is gestationeerd in de openbare lichamen.
### 3.2. De toekenning van de toelating van rechtswege
### 3.2.1. Indiening van de aanvraag
Zolang de kinderen minderjarig zijn.
### 3.2.2. Vereiste bescheiden
Op grond van [artikel 38 van de Rijkswet Gemeenschappelijk Hof van Justitie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028070&artikel=38) zijn leden en plaatsvervangend leden van het Hof alsmede hun echtgenoten of geregistreerd partners en minderjarige kinderen voor zover zij met hen een gemeenschappelijke huishouding voeren van rechtswege toegelaten tot de landen, en daarmee in voorkomend geval ook tot de openbare lichamen. Aan de leden en plaatsvervangend leden van het Hof en hun echtgenoten of geregistreerde partners worden geen nadere voorwaarden gesteld voor de uitoefening van een beroep of het verrichten van arbeid.
Gelet op het bovenstaande wordt op aanvraag een verklaring inzake toelating van rechtswege in de openbare lichamen afgegeven aan de leden en plaatsvervangend leden alsmede hun echtgenoten of geregistreerd partners en minderjarige kinderen voor zover zij met hen een gemeenschappelijke huishouding voeren.
### 3.2. De toekenning van de toelating van rechtswege
Op de verklaring staat de aantekening dat de vreemdeling van rechtswege toelating tot verblijf heeft. Arbeid is vrij toegestaan. TWV is niet vereist. Aan de verklaring zijn geen beperkingen en voorschriften verbonden.
### 3.2.4. Einde toelating van rechtswege
De toelating van rechtswege eindigt (zie [artikel 5 WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=5)):
Bij het indienen van een aanvraag om een verklaring van toelating van rechtswege moeten de volgende gegevens en bescheiden worden verstrekt dan wel overgelegd (door zowel vreemdelingen als Nederlanders):
Dit geldt alleen als uit de geboorteakte blijkt dat het kind niet het biologisch kind is van beide ouders. In dat geval moet een rechterlijke uitspraak overgelegd worden waaruit blijkt dat het ouderlijk gezag / voogdij aan de in de openbare lichamen verblijvende ouder is toegewezen.
Als de vreemdeling of Nederlander toelating van rechtswege meent te hebben op een andere grond in [art 3 WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=3), moet hij daarvoor een nieuwe verklaring vragen waaruit de toelating van rechtswege blijkt. Pas dan kan immers getoetst worden of hij toelating van rechtswege heeft op de nieuwe grond.
Op de verklaring staat de aantekening dat de vreemdeling van rechtswege toelating tot verblijf heeft. Arbeid is vrij toegestaan. TWV is niet vereist. Aan de verklaring zijn geen beperkingen en voorschriften verbonden.
Ten aanzien van de in [artikel 3, eerste lid, onder a, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=3) genoemde categorie geldt dat als de vreemdeling niet meer in overheidsdienst werkzaam is, de toelating van rechtswege eindigt.
De toelating van rechtswege eindigt (zie [artikel 5 WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=5)):
De toelating van rechtswege eindigt van rechtswege. Dat wil zeggen dat daarvoor geen intrekkingsbeschikking of beëindigingsbeschikking nodig is. Doet één van de onder a of b genoemde omstandigheden zich voor, dan eindigt de toelating van rechtswege. De vreemdeling ontvangt een mededeling dat zijn toelating van rechtswege is geëindigd. Deze mededeling is aan te merken als een beschikking in de zin van de [WarBES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028455), zodat daartegen rechtsmiddelen aangewend kunnen worden. De vreemdeling moet de openbare lichamen zelfstandig verlaten na bekendmaking van de beschikking.
Als de toelating van rechtswege is geëindigd en er ook geen andere grond van toepassing is op grond waarvan toelating van rechtswege bestaat, maar men wel voor een ander doel in de openbare lichamen wil verblijven, kan daartoe een aanvraag om een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd worden ingediend. In dat geval is bij vreemdelingen in beginsel het mvv-vereiste van toepassing.
Als de vreemdeling of Nederlander toelating van rechtswege meent te hebben op een andere grond in [art 3 WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=3), moet hij daarvoor een nieuwe verklaring vragen waaruit de toelating van rechtswege blijkt. Pas dan kan immers getoetst worden of hij toelating van rechtswege heeft op de nieuwe grond.
Deze beëindigingsgrond geldt voor alle in [artikel 3, eerste, vijfde en zesde lid, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=3) genoemde categorieën. Dit betekent dat als niet meer aan de daar genoemde beschrijving van de betreffende categorie wordt voldaan, de toelating van rechtswege eindigt.
Ten aanzien van de in [artikel 3, eerste lid, onder a, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=3) genoemde categorie geldt dat als de vreemdeling niet meer in overheidsdienst werkzaam is, de toelating van rechtswege eindigt.
### 4. Verblijf in de vrije termijn
### 4.1. Algemeen
Onder onafgebroken verblijf als bedoeld in [artikel 5, onder b, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=5) wordt verstaan onafgebroken toelating van rechtswege of verblijf grond van een verblijfsvergunning voor bepaalde of onbepaalde tijd.
De periode, bedoeld in [artikel 3, eerste lid, onder g, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=3) wordt niet onderbroken door een verblijf buiten de openbare lichamen voor studiedoeleinden of wegens geneeskundige behandeling, tenzij de vreemdeling aangeeft zijn toelating tot de openbare lichamen te willen opgeven (zie [artikel 4, eerste lid, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=4)). De toelating van rechtswege van de in artikel 3, eerste lid, onder g, WTU-BES bedoelde vreemdeling wordt geacht te zijn vervallen als de vreemdeling niet binnen een jaar na de voltooiing van zijn studie of de beëindiging van de geneeskundige behandeling is teruggekeerd naar de openbare lichamen (zie artikel 4, tweede lid, WTU-BES).
### 4.2. Categorieën
### 4.2.1. Toeristen
Met toerist wordt bedoeld een vreemdeling die:
Voor specifieke voorschriften omtrent het verkrijgen toegang wordt verwezen naar hoofdstuk 1 ‘toegang’, paragraaf 7.3.
Op grond van [artikel 5a van de WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=5a) kunnen bij of op basis van algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld over het verblijf zonder vergunning tot tijdelijk verblijf voor verblijf in de vrije termijn van niet langer dan zes maanden. Dit is uitgewerkt in de artikelen [4.1 tot en met 4.4 BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=4.1). Hierin zijn regels gesteld over verblijf in de zogenoemde vrije termijn, met een maximale verblijfsduur van zes maanden. Dit verblijf is aan te merken als een vorm van toelating van rechtswege.
De volgende categorieën hebben verblijf in de vrije termijn in de openbare lichamen voor maximaal drie maanden per tijdvak van zes maanden, als bedoeld in [artikel 5a WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=5a):
Indien men korter dan drie maanden in de openbare lichamen wenst te verblijven hoeft men niet te voldoen aan de voorwaarde van bereidheid om mee te werken aan een onderzoek naar of behandeling van tuberculose.
### 4.2.1. Toeristen
Met toerist wordt bedoeld een vreemdeling die:
Voor specifieke voorschriften omtrent het verkrijgen toegang wordt verwezen naar hoofdstuk 1 ‘toegang’, paragraaf 7.3.
Toeristen mogen ingevolge [artikel 4.2 BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=4.2) zonder toelating bij vergunning verleend in de openbare lichamen binnenkomen en er verblijven gedurende een periode van maximaal drie maanden binnen een tijdsvak van zes maanden.
### 4.3. Verklaring
Indien men korter dan drie maanden in de openbare lichamen wenst te verblijven hoeft men niet te voldoen aan de voorwaarde van bereidheid om mee te werken aan een onderzoek naar of behandeling van tuberculose.
### 4.2.2. Bemanningsleden van schepen en luchtvaartuigen
Voor specifieke voorschriften over het verkrijgen van toegang in de openbare lichamen wordt verwezen naar hoofdstuk 1 ‘toegang’, paragraaf 7.3.
Bemanningsleden van schepen (zeelieden) en luchtvaartuigen mogen zonder toelating bij vergunning verleend in de openbare lichamen binnenkomen en er verblijven gedurende een periode van maximaal drie maanden binnen een tijdvak van zes maanden, met dien verstande dat hun toelating vervalt op het tijdstip van vertrek van het schip of luchtvaartuig (zie [artikel 4.3 BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=4.3)).
Op grond van [artikel 6.46 BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=6.46) moet een vreemdeling die naar de openbare lichamen is gekomen, om als zeeman werk te zoeken aan boord van een zeeschip, zich binnen drie dagen na binnenkomst in de openbare lichamen in persoon melden bij de Korpschef.
Bijzondere omstandigheden zijn in ieder geval niet:
Het is niet nodig dat toeristen en bemanningleden van schepen en luchtvaartuigen een verklaring, als bedoeld in [artikel 3, derde lid, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=3), aanvragen waaruit blijkt dat zij van rechtswege toelating in de openbare lichamen hebben.
### 4.4. Uitzondering op de termijn
### 1. De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd
### 1.1. Inleiding
De verlengingsmogelijkheid van drie naar zes maanden is slechts bedoeld voor uitzonderlijke situaties, zoals overmacht.
### 1.2. Beperking
Voor deze situatie gelden aanvullend de volgende voorwaarden:
Deze beperkingen kunnen nader worden omschreven bij de verlening van de verblijfsvergunning (zie [artikel 5.2, tweede lid, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.2)).
Daarnaast kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd worden verleend onder een andere beperking dan hiervoor genoemd (zie [artikel 5.2, derde lid, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.2)). Hiervan zal weinig gebruik worden gemaakt om precedentwerking te voorkomen.
Voor welke situaties is [artikel 5.2, tweede lid, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.2)**niet** bedoeld?
Een vreemdeling die in de openbare lichamen verblijft en die geen toelating van rechtswege heeft op grond van [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=3) of [artikel 5a WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=5a), heeft een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd nodig (zie [artikel 6, eerste lid, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=6)).
### 1.2. Beperking
Een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt verleend onder beperkingen die verband houden met het doel waarvoor het verblijf is toegestaan (zie [artikel 7, zevende lid, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=7)). In [artikel 5.2, eerste lid, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.2) zijn de volgende beperkingen genoemd:
### 1.4. Arbeidsmarktaantekening
Daarnaast kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd worden verleend onder een andere beperking dan hiervoor genoemd (zie [artikel 5.2, derde lid, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.2)). Hiervan zal weinig gebruik worden gemaakt om precedentwerking te voorkomen.
### 1.5. Aantekening tijdelijk verblijfsrecht
Voor welke situaties is [artikel 5.2, tweede lid, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.2)**wel** bedoeld?
Er is sprake van tijdelijk verblijfsrecht als de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd is verleend onder de volgende beperkingen (zie [artikel 5.3, tweede lid, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.3)):
De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt verleend met ingang van de dag waarop de vreemdeling heeft aangetoond dat hij aan alle voorwaarden voldoet, maar niet eerder dan met ingang van de dag waarop de aanvraag is ontvangen. Dit geldt ook voor de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd. Zie [artikel 7, vierde lid, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=7).
Gevolgen tijdelijk verblijfsrecht:
Op het document waaruit de verblijfsrechtelijke positie van de vreemdeling blijkt wordt aangetekend of de vreemdeling arbeid mag verrichten en of daarvoor op grond van de [Wav-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028437) een TWV vereist is (zie [artikel 6.17, derde lid, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=6.17)).
### 1.5. Aantekening tijdelijk verblijfsrecht
Het verblijfsrecht op grond van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd kan tijdelijk of niet-tijdelijk zijn (zie [artikel 5.3, eerste lid, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.3)).
Er is sprake van tijdelijk verblijfsrecht als de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd is verleend onder de volgende beperkingen (zie [artikel 5.3, tweede lid, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.3)):
Als sprake is van een andere beperking dan hiervoor genoemd, is het verblijfsrecht van niet-tijdelijke aard, tenzij bij de verlening van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd anders is bepaald. Dit geldt ook voor de verblijfsvergunning die verleend wordt onder een andere beperking, bedoeld in [artikel 5.2, derde lid, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.2).
Gevolgen tijdelijk verblijfsrecht:
De tijdelijkheid van het verblijfsrecht heeft niets te maken met:
### 1.6. Aantekening omtrent beroep op de publieke middelen
Een beroep op de publieke middelen kan in ieder geval gevolgen hebben voor het verblijfsrecht als de verblijfsvergunning is verleend onder één van de volgende beperkingen (zie [artikel 5.2, vierde lid, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.2)):
In die gevallen kan de aantekening ‘beroep op de publieke middelen kan gevolgen hebben voor het verblijfsrecht’ op het verblijfsdocument worden geplaatst dan wel kan een met die aantekening corresponderende code op het verblijfsdocument worden geplaatst.
Als een beroep op de publieke middelen wordt gedaan kan dat betekenen dat niet meer aan de voorwaarden voor verblijf wordt voldaan zoals:
Als aan één of beide genoemde voorwaarden niet meer wordt voldaan, kan de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd om die reden worden ingetrokken (zie [artikel 14, onder d en e, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=14)) of kan een aanvraag om verlenging worden afgewezen (zie [artikel 9, eerste lid, onder b en c, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=9)).
Onder publieke middelen wordt verstaan alle middelen die niet vallen onder de in de paragraaf 1.9.3.1 genoemde middelen. Dit zijn bijvoorbeeld middelen op grond van de Wet op de onderstand BES.
Van het voorschrift tot het deponeren van een waarborgsom voor de kosten van de reis naar een plaats buiten de openbare lichamen waar toelating van de vreemdeling gewaarborgd is, wordt in beginsel geen gebruik gemaakt, maar zal een solvabele derde zich schriftelijk moeten garantstellen. Dit voorschrift kan alleen aan de verblijfsvergunning worden verbonden op aanwijzing van Onze Minister. Dit zal alleen in uitzonderlijke gevallen plaatsvinden.
Aan de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd kunnen voorschriften worden verbonden (zie [artikel 7, zevende lid, WTU- BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=7)). Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over voorschriften. Deze regels staan in de [artikelen 5.4 tot en met 5.9 BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.4).
Aan de verblijfsvergunning kunnen voorschriften tot het stellen van zekerheid worden verbonden. Met het stellen van een voorschrift tot het stellen van zekerheid wordt nog niet voldaan aan de algemene voorwaarde dat over voldoende middelen van bestaan moet worden beschikt. Ook is het stellen van een voorschrift aan een verblijfsvergunning niet hetzelfde als een voorschrift tot het stellen van zekerheid in verband met de vrije termijn.
In de betreffende hoofdstukken over de verschillende verblijfsdoelen wordt telkens aangegeven of en zo ja welke voorschriften aan de verblijfsvergunning worden verbonden.
De volgende voorschriften tot het stellen van zekerheid kunnen aan de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd worden verbonden (zie [artikel 5.4 BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.4)):
Beleidsregels:
Van het voorschrift tot het deponeren van een waarborgsom voor de kosten van de reis naar een plaats buiten de openbare lichamen waar toelating van de vreemdeling gewaarborgd is, wordt in beginsel geen gebruik gemaakt, maar zal een solvabele derde zich schriftelijk moeten garantstellen. Dit voorschrift kan alleen aan de verblijfsvergunning worden verbonden op aanwijzing van Onze Minister. Dit zal alleen in uitzonderlijke gevallen plaatsvinden.
Regels voor het in ontvangst nemen, het beheer en de teruggave van waarborgsommen staan in de [artikelen 5.5 tot en met 5.8 BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.5).
De uitvoering van de regels gaat als volgt:
In plaats van een waarborgsom kan een passagebiljet worden gedeponeerd voor de reis naar een plaats buiten de openbare lichamen waar toelating van de vreemdeling is gewaarborgd (zie [artikel 5.4, tweede lid, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.4)). Omdat passagebiljetten maar een beperkte geldigheidsduur hebben, wordt van deze mogelijkheid alleen gebruik gemaakt ten aanzien van vreemdelingen die een verblijf beogen van korter dan één jaar. De duur van de te verlenen verblijfsvergunning is dan steeds korter dan de geldigheidsduur van het passagebiljet. De vreemdeling heeft aan dit voorschrift voldaan als hij al in verband met verblijf in de vrije termijn een passagebiljet heeft gedeponeerd dat geldig is tot na het verstrijken van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning.
### 1.8. De geldigheidsduur van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd
Als het voorschrift tot schriftelijke garantstelling aan de verblijfsvergunning is verbonden, betekent dit dat een in de openbare lichamen gevestigde solvabele derde een schriftelijke garantstelling ondertekent (zie model MBES26 CTU-BES), waarmee hij zich garant stelt voor de kosten die voor de staat en andere openbare overheden voortvloeien uit het verblijf van de vreemdeling in de openbare lichamen, en voor de kosten van terugkeer van de vreemdeling naar een plaats buiten de openbare lichamen waar zijn toelating is gewaarborgd.
De verplichtingen die voortvloeien uit de garantstelling hebben uitsluitend betrekking op de kosten veroorzaakt binnen vijf jaren, nadat de verblijfsvergunning is verleend (zie [artikel 5.9, eerste lid, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.9)).
Deze periode is korter dan vijf jaren als:
In plaats van de zekerheid van een waarborgsom of een schriftelijke garantstelling kan zakelijke zekerheid worden gesteld. In beginsel zal hier geen gebruik van worden gemaakt. Wat hiervoor is bepaald over de termijn van vijf jaren en de gevallen waarin deze korter kan zijn dan vijf jaren, is van overeenkomstige toepassing op de verplichtingen die voortvloeien uit het stellen van zakelijke zekerheid (zie [artikel 5.9, eerste lid, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.9)). In beginsel zal een solvabele derde zich moeten garant stellen.
### 1.9. Afwijzingsgronden van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd
De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd kan op grond van [artikel 9, eerste lid, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=9), worden geweigerd:
De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt verleend voor ten hoogste vijf achtereenvolgende jaren (zie [artikel 6, tweede lid, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=6)). In de [artikelen 5.26 tot en met 5.30 BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.26) zijn regels gesteld over de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning en de verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning.
### 1.9.1. Mvv-vereiste
Van deze hoofdregel wordt, in geval van bepaalde verblijfsdoelen, afgeweken in de [artikelen 5.27 tot en met 5.30 BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.27).
Bij het onder a genoemde geval moet wel bedacht worden dat bij de verlenging van deze afhankelijke verblijfsvergunning de geldigheidsduur daarvan zich nooit mag uitstrekken tot na de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning van de echtgenoot of (geregistreerd) partner. Als de vreemdeling echter in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning onder een beperking verband houdend met voortgezet verblijf en hij heeft om wijziging van de beperking van zijn vergunning in voortgezet verblijf gevraagd, dan kan de vergunning wel verlengd worden tot na de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning van de echtgenoot of (geregistreerd) partner. De verblijfsvergunning kan dan dus gewoon verlengd worden met vijf jaren onder gelijktijdige wijziging van de beperking in ‘voortgezet verblijf’.
### 1.9. Afwijzingsgronden van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd
De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd kan op grond van [artikel 9, eerste lid, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=9), worden geweigerd:
Hierna worden deze afwijzingsgronden toegelicht.
Deze landen zijn: Australië, België, Bulgarije, Canada, Cyprus, Denemarken, Duitsland, Estland, Finland, Frankrijk, Griekenland, Hongarije, Ierland, Italië, Japan, Letland, Liechtenstein, Litouwen, Luxemburg, Malta, Monaco, Nieuw-Zeeland, Noorwegen, Oostenrijk, Polen, Portugal, Roemenië, Slovenië, Slowakije, Spanje, Tsjechië, Vaticaanstad, het Verenigd Koninkrijk, de Verenigde Staten van Amerika, IJsland, Zuid-Korea, Zweden en Zwitserland (zie [artikel 4.2 RTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028815&artikel=4.2)).
Als hoofdregel geldt dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning wordt afgewezen als de vreemdeling geen mvv heeft, die is afgegeven voor het verblijfsdoel waarvoor de verblijfsvergunning is aangevraagd ([artikel 9, eerste lid onder a, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=9) en [artikel 5.31, eerste lid, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.31)).
Het mvv-vereiste geldt niet voor:
Het ontbreken van een mvv wordt niet tegengeworpen aan de vreemdeling die een aanvraag indient om wijziging van het verblijfsdoel. Er wordt hierbij geen onderscheid gemaakt naar het soort verblijfsdoel. De vrijstelling geldt bijvoorbeeld ook als een vreemdeling twee maanden in het bezit geweest is van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd verband houdend met bescherming als bedoeld in [artikel 12a WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=12a) en vervolgens in aanmerking wil komen voor verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd onder een andere beperking. De aanvraag tot wijziging van het verblijfsdoel moet wel tijdig, dat wil zeggen in ieder geval niet later dan twee jaarna afloop van de geldigheidsduur van de eerdere verblijfsvergunning, zijn ingediend.
In de [WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571) en de [BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599) zijn een aantal vrijstellingen van het mvv-vereiste opgenomen.
Een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt op grond van [artikel 9, derde lid, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=9) niet afgewezen wegens het ontbreken van een geldige mvv, in de volgende gevallen:
Deze landen zijn: Australië, België, Bulgarije, Canada, Cyprus, Denemarken, Duitsland, Estland, Finland, Frankrijk, Griekenland, Hongarije, Ierland, Italië, Japan, Letland, Liechtenstein, Litouwen, Luxemburg, Malta, Monaco, Nieuw-Zeeland, Noorwegen, Oostenrijk, Polen, Portugal, Roemenië, Slovenië, Slowakije, Spanje, Tsjechië, Vaticaanstad, het Verenigd Koninkrijk, de Verenigde Staten van Amerika, IJsland, Zuid-Korea, Zweden en Zwitserland (zie [artikel 4.2 RTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028815&artikel=4.2)).
Vreemdelingen uit deze landen mogen wel onverplicht een mvv aan vragen om vooraf te laten toetsen of zij recht hebben op een verblijfsvergunning.
Voor deze vrijstelling wordt beoordeeld of de vreemdeling kan reizen naar zijn land van herkomst of bestendig verblijf om daar de behandeling af te wachten van een ingediende mvv-aanvraag. Omstandigheden die de feitelijke toegankelijkheid van de medische zorg in het land van herkomst of bestendig verblijf betreffen, worden niet betrokken bij de beoordeling.
Het ontbreken van een mvv wordt niet tegengeworpen aan de vreemdeling die een aanvraag indient om wijziging van het verblijfsdoel. Er wordt hierbij geen onderscheid gemaakt naar het soort verblijfsdoel. De vrijstelling geldt bijvoorbeeld ook als een vreemdeling twee maanden in het bezit geweest is van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd verband houdend met bescherming als bedoeld in [artikel 12a WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=12a) en vervolgens in aanmerking wil komen voor verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd onder een andere beperking. De aanvraag tot wijziging van het verblijfsdoel moet wel tijdig, dat wil zeggen in ieder geval niet later dan twee jaarna afloop van de geldigheidsduur van de eerdere verblijfsvergunning, zijn ingediend.
Een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt, in de volgende gevallen, op grond van [artikel 5.30,tweede lid, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.30) niet afgewezen wegens het ontbreken van een geldige mvv:
De vreemdeling die voor zijn negentiende levensjaar tenminste vijf achtereenvolgende jaren toelating in de openbare lichamen heeft gehad, kan in aanmerking komen voor wedertoelating tot de openbare lichamen. Als de vreemdeling minderjarig is, kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd worden verleend. Is de vreemdeling meerderjarig dan kan een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd worden verleend. Hiermee verhoudt zich niet dat het mvv-vereiste wordt tegengeworpen.
Als hoofdregel geldt dat één van de ouders binnen drie dagen na de geboorte van het kind een aanvraag ten behoeve van het kind moet indienen bij de korpschef om het verblijfsrecht mede geldig te maken voor het kind. Vanaf de leeftijd van twaalf jaar kunnen deze kinderen ook feitelijk in het bezit worden gesteld van een vreemdelingendocument waaruit het verblijfsrecht blijkt.
Als het kind niet direct na de geboorte is aangemeld, dan kan tot en met de leeftijd van twaalf jaar alsnog een aanvraag worden ingediend. De verblijfsvergunning wordt verleend als naar het oordeel van de Minister van Justitie voldoende is aangetoond dat het kind vanaf de geboorte onafgebroken in de openbare lichamen heeft verbleven en feitelijk is blijven behoren tot het gezin van de ouder die houder is van een verblijfsvergunning. Bij aanvragen van kinderen die in de openbare lichamen zijn geboren, is het niet rechtvaardig de aanvraag af te wijzen, omdat het kind niet in het bezit is van een geldige mvv.
Dit geldt ook als de ouder op het moment van de geboorte rechtmatig in de openbare lichamen verbleef, al dan niet in afwachting van een (nadere) beslissing op de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning, en die aansluitend daarop in het bezit is gesteld van een verblijfsvergunning. Van dat kind wordt ook niet verlangd dat het met die ouder vertrekt naar het land van herkomst om daar de beslissing op de mvv-aanvraag af te wachten. Ook zijn vrijgesteld andere kinderen die in de openbare lichamen zijn geboren op een moment waarop de ouder op andere gronden toelating tot verblijf had in de openbare lichamen en die aansluitend op die toelating tot verblijf in het bezit is gesteld van een verblijfsvergunning. Andere gronden voor toelating zijn bijvoorbeeld verblijf in verband met de aangifte van mensenhandel of tijdens de vrije termijn,
### 1.9.1.2. Toetsing van de vrijstellingscategorie
Gelet op het feit dat:
is het niet redelijk van hen te verlangen dat zij terugkeren naar het land van herkomst om aldaar een mvv aan te vragen.
### 1.9.1.3. Hardheidsclausule
Het is aan de vreemdeling en/of de hoofdpersoon om de duur van het verblijf aan te tonen.
Het ontbreken van een geldige mvv leidt niet tot afwijzing van de aanvraag, als een ieder verbindende bepaling van een verdrag of een besluit van een volkenrechtelijke organisatie zich daartegen verzet. Een voorbeeld van een dergelijke verplichting is artikel 8 EVRM. Toetsing aan artikel 8 EVRM vergt een op de concrete zaak toegespitste afweging van alle relevante feiten en omstandigheden van het individuele geval. Aan de vreemdeling van wie uitzetting in strijd met artikel 8 van het EVRM is, wordt op grond hiervan het mvv-vereiste niet tegen geworpen.
Toepassing van de hardheidsclausule kan alleen in zeer bijzondere gevallen.
Als een vreemdeling zich beroept op een van de vrijstellingscategorieën moet hij zelf aantonen dat hij hiervoor in aanmerking kan komen. Dit gebeurt zoveel mogelijk direct aan het loket van de IND unit Caribisch Nederland. Op het aanvraagformulier staan de vrijstellingscategorieën ingevolge de [WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571) en het [BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599) vermeld, voorzien van een korte toelichting per vrijstellingsgrond.
Ten aanzien van de beoordeling van een beroep op een van de vrijstellingscategorieën van het mvv-vereiste geldt dat hierbij uitsluitend wordt getoetst aan de voorwaarden van de vrijstellingscategorie. Hierbij wordt dus nog niet volledig aan de inhoudelijke verblijfsvoorwaarden van het gevraagde verblijfsdoel getoetst, ook al zal een toets aan de voorwaarden van de vrijstellingscategorie vaak voor een deel overeenkomen met een inhoudelijke toets aan de verblijfsvoorwaarden. Pas nadat is vastgesteld dat de vreemdeling zich met succes kan beroepen op een van de vrijstellingscategorieën, wordt aan de inhoudelijke voorwaarden voor de verlening van de verblijfsvergunning getoetst.
### 1.9.1.3. Hardheidsclausule
In het derde lid van [artikel 5.31 BTU](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.31) staat de zogenoemde hardheidsclausule. Als de vreemdeling niet beschikt over een geldige mvv en niet behoort tot een van de vrijgestelde categorieën kan het zijn dat de aanvraag niet wordt afgewezen, omdat de vreemdeling niet beschikt over een mvv. Dit gebeurt als de toepassing van het mvv-vereiste naar het oordeel van de Minister zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.
De vreemdeling die een beroep op de hardheidsclausule doet moet bij de indiening van zijn aanvraag om een verblijfsvergunning het beroep al zo veel mogelijk met bewijsstukken onderbouwen.
Toepassing van de hardheidsclausule kan alleen in zeer bijzondere gevallen.
Er is in ieder geval geen sprake van een zeer bijzonder geval, als de vreemdeling:
In bovengenoemde gevallen kan de hardheidsclausule in ieder geval niet worden toegepast.
Bij de aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd legt de vreemdeling in ieder geval een geldig document voor grensoverschrijding over (zie [artikel 5.50, eerste lid, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.50)). Als de vreemdeling dat niet overlegt, krijgt hij de gelegenheid om gedurende een redelijke termijn van vier weken de aanvraag aan te vullen door alsnog een geldig document voor grensoverschrijding te overleggen, voordat op de aanvraag wordt beslist. De redelijke termijn is in dit geval in beginsel vier weken. In bepaalde omstandigheden kan een kortere termijn worden gesteld, bijvoorbeeld als de vreemdeling snel kan worden uitgezet of als het een herhaalde aanvraag is.
Uit een geldig document voor grensoverschrijding moet blijken:
Een geldig document voor grensoverschrijding is meestal een geldig nationaal paspoort dat door Nederland wordt erkend.
Let op: het komt soms voor dat op verzoek van een vreemdeling of van een familielid een paspoort wordt toegezonden aan de vreemdeling, zonder dat de beoogde houder van het paspoort zich in persoon voor de autoriteiten van het land van afgifte heeft moeten melden. Omdat in deze gevallen geen deugdelijke toetsing van de identiteit van de betrokken vreemdeling heeft plaatsgevonden, worden deze zogenoemde blanco paspoorten niet aangemerkt als geldig document voor grensoverschrijding.
Het bezit van een geldig document voor grensoverschrijding is een voorwaarde voor verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, die wordt gesteld met het oog op het algemeen belang als bedoeld in [artikel 9, eerste lid, onder b, WTU- BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=9). Als hoofdregel geldt dat iedere vreemdeling in het bezit moet zijn van een geldig document voor grensoverschrijding. Als dat niet het geval is, kan de aanvraag om een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd worden afgewezen.
Van die bevoegdheid om een aanvraag om een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd om die reden af te wijzen wordt steeds gebruik gemaakt, behalve in de gevallen, bedoeld in [artikel 5.31 BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.31).
### 1.9.3. Middelen van bestaan
De beslistermijn van vier maanden wordt opgeschort met de redelijke termijn die is geboden voor herstel van het verzuim. Als de vreemdeling na die redelijke termijn geen geldig document voor grensoverschrijding heeft overgelegd, wordt de aanvraag afgewezen, tenzij de vrijstelling van [artikel 5.31 BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.31) van toepassing is.
Een aanvraag om een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd kan niet worden afgewezen op grond van [artikel 9, eerste lid, onder b, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=9), met het oog op het algemeen belang om de enkele reden dat de vreemdeling niet beschikt over een geldig document voor grensoverschrijding, als de vreemdeling naar het oordeel van Onze Minister heeft aangetoond dat hij vanwege de regering van het land waarvan hij onderdaan is, niet of niet meer in het bezit van een geldig document voor grensoverschrijding kan worden gesteld (zie [artikel 5.31 BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.31)).
De vreemdeling die stelt in aanmerking te komen voor deze vrijstelling moet, voor zover redelijkerwijs mogelijk, de volgende gegevens en bescheiden overleggen:
Dit kan een schriftelijke verklaring zijn van de autoriteiten van dat land, waarin gemotiveerd wordt aangegeven waarom de vreemdeling niet in het bezit wordt gesteld van een geldig document voor grensoverschrijding. Deze verklaring kan de vreemdeling vragen bij de diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging van zijn land in Nederland. Als dat niet lukt, moet de vreemdeling in beginsel naar zijn land van herkomst terugreizen om daar een geldig document voor grensoverschrijding te vragen.
### 1.9.3.1. Zelfstandige middelen van bestaan
Als zelfstandig middelen van bestaan worden aangemerkt (zie [artikel 5.32 BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.32)):
Het zelfstandig en duurzaam beschikken over voldoende middelen van bestaan is een voorwaarde voor verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd (zie [artikel 9, eerste lid, onder b en c, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=9)). Als hoofdregel geldt dat iedere vreemdeling zelfstandig en duurzaam moet beschikken over voldoende middelen van bestaan. Als dat niet het geval is, kan de aanvraag om een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd worden afgewezen.
In bepaalde gevallen geldt dat degene bij wie de vreemdeling in de openbare lichamen wil verblijven zelfstandig en duurzaam moet beschikken over voldoende middelen van bestaan.
Op enig moment tussen de datum van indiening van de aanvraag en het moment waarop op de aanvraag wordt beslist, moet gelijktijdig zijn voldaan aan alle drie de elementen van het middelenvereiste: zelfstandig, duurzaam en voldoende (zie [artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b en c, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=9) en [artikel 7, vierde lid, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=7)).
Het algemene middelenvereiste is van toepassing op alle aanvragen tot het verlenen, verlengen en wijzigen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, tenzij uitdrukkelijk anders is vermeld in het [BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599) of in de CTU-BES.
Als middelen van bestaan in de zin van de [WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571) wordt alleen aangemerkt inkomen uit arbeid als zelfstandige voor zover het is toegestaan de betreffende arbeid als zelfstandige te verrichten. Het inkomen van een houder van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt alleen aangemerkt als zelfstandige middelen van bestaan als het de houder is toegestaan die arbeid te verrichten.
Als zelfstandig middelen van bestaan worden aangemerkt (zie [artikel 5.32 BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.32)):
Hieronder vallen:
Over deze inkomsten moeten wel de vereiste premies en belastingen zijn afgedragen.
Om te kunnen controleren of sprake is van legale arbeid, wordt bij twijfel geverifieerd bij de betreffende uitvoeringsinstelling of de werknemer daar geregistreerd staat. Er kan dan gecontroleerd worden wat de aard is van het dienstverband en of er premies en belastingen voor de betreffende werknemer worden afgedragen. Als de aard van het dienstverband anders is dan zoals die is aangemeld of er worden geen premies of belastingen voor de werknemer afgedragen, dan kan aan de arbeidsovereenkomst niet de gebruikelijke waarde worden toegekend. Verder mag de arbeid ook niet in strijd zijn met de [Wav BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028437). Als dat wel het geval is, is geen sprake van wettelijk toegestane arbeid.
In beide hier genoemde gevallen is geen sprake van zelfstandige middelen van bestaan.
Als middelen van bestaan in de zin van de [WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571) wordt alleen aangemerkt inkomen uit arbeid als zelfstandige voor zover het is toegestaan de betreffende arbeid als zelfstandige te verrichten. Het inkomen van een houder van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt alleen aangemerkt als zelfstandige middelen van bestaan als het de houder is toegestaan die arbeid te verrichten.
### 1.9.3.2. Duurzaamheid middelen van bestaan
Hierbij geldt dat de bron van de inkomsten niet wordt aangetast en de vereiste premies en belastingen zijn afgedragen. Hieronder vallen bijvoorbeeld:
Naast de onder a, b en c genoemde middelen van bestaan worden als zelfstandige middelen van bestaan aangemerkt:
Dit zijn inkomsten uit een inkomensvervangende uitkering krachtens een sociale verzekeringswet, waarvoor premie is afgedragen.
De volgende middelen van bestaan uit overige bron worden eveneens als zelfstandig aangemerkt:
Niet als (bestanddeel van) middelen van bestaan wordt aangemerkt een uitkering of bijdrage uit de publieke middelen op grond van sociale voorzieningen waarvoor geen premie wordt afgedragen.
Middelen van bestaan verkregen uit eigen vermogen zijn duurzaam, als zij gedurende een aaneengesloten periode van één jaar beschikbaar zijn geweest en nog één jaar beschikbaar zijn op het tijdstip waarop de aanvraag is ontvangen of de beschikking wordt gegeven (zie [artikel 5.34, tweede lid, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.34)).
Middelen van bestaan moeten duurzaam zijn.
Hoofdregel:
Middelen van bestaan zijn duurzaam, als zij nog één jaar beschikbaar zijn op het tijdstip waarop de aanvraag is ontvangen of de beschikking wordt gegeven (zie [artikel 5.34, eerste lid, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.34)).
Proeftijd:
Als bij een arbeidscontract een proeftijd is verbonden, heeft de proeftijd geen invloed voor het bepalen van de duurzaamheid van de middelen van bestaan. Als op het moment dat de aanvraag wordt beoordeeld de proeftijd nog niet is verstreken, dan vormt dit geen reden om de beslissing op de aanvraag aan te houden. Ook wordt de proeftijd niet in mindering gebracht op de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning. Ontslag tijdens de proeftijd kan wel gevolgen hebben voor het verblijfsrecht.
### 1.9.3.3. Voldoende middelen van bestaan
Duurzaamheid van middelen van bestaan uit eigen vermogen wordt aangetoond door overlegging van de volgende stukken:
Middelen van bestaan uit arbeid als zelfstandige zijn duurzaam, als zij gedurende ten minste anderhalf jaar zijn verworven en nog één jaar beschikbaar zijn op het tijdstip waarop de aanvraag is ontvangen of de beschikking wordt gegeven (zie [artikel 5.34, derde lid, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.34) en [artikel 4.4, eerste lid, RTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028815&artikel=4.4)).
De inkomsten van een ondernemer die nog niet ten minste anderhalf jaar werkzaam is als zelfstandig kunnen derhalve niet als duurzaam aangemerkt worden, ongeacht de hoogte van zijn inkomsten uit arbeid als zelfstandige. Ook de omstandigheid dat een ondernemer een al langer bestaande onderneming overneemt, maakt niet dat de uit die onderneming verkregen inkomsten uit arbeid als zelfstandige duurzaam zijn.
Duurzaamheid van middelen van bestaan uit arbeid als zelfstandige wordt aangetoond door overlegging van:
Als het een aanvraag betreft om verlening van een verblijfsvergunning onder een beperking verband houdend met het verrichten van arbeid als zelfstandige, is bovenstaande duurzaamheidseis niet van toepassing (zie [artikel 4.4, tweede lid, RTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028815&artikel=4.4)).
Bij aanvragen van of ten behoeve van (voor)kinderen die niet in de openbare lichamen geboren zijn, moet daarnaast, als aanvullende financiële zekerheid, het volgende normbedrag worden bijgeteld:
Hoofdregel:
Middelen van bestaan zijn voldoende, als het bruto-inkomen ten minste gelijk is aan de door Onze Minister vast te stellen bedragen (zie [artikel 9, eerste lid, aanhef en onder c, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=9) en [artikel 5.33 BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.33)). Voorkomen moet worden dat na verlening van een verblijfsvergunning aanspraak gemaakt kan worden op onderstand of een andere uitkering die gefinancierd wordt uit publieke middelen.
### 1.9.4. Openbare orde en nationale veiligheid
Als uitgangspunt geldt dat voor de beperkingen zoals opgenomen in paragraaf 1.2 middelen van bestaan aan te merken zijn als voldoende als het inkomen ten minste gelijk is aan het bruto-inkomen per maand op grond van de [Wet minimumloon BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028170).
Van het uitgangspunt wordt afgeweken voor de beperking in het kader van ‘gezinshereniging’ en in het kader van verblijf als ‘gepensioneerde of rentenier’. Middelen van bestaan worden aangemerkt als voldoende als het bruto-inkomen minimaal USD 1.680 per maand is.
Bij aanvragen van of ten behoeve van (voor)kinderen die niet in de openbare lichamen geboren zijn, moet daarnaast, als aanvullende financiële zekerheid, het volgende normbedrag worden bijgeteld:
Voor kinderen zijn kinderen die zijn geboren uit een eerder huwelijk of een eerdere relatie van een ouder, die in de openbare lichamen of daarbuiten daarna een nieuwe (huwelijkse)relatie is aangegaan.
### 1.9.4.1. Eerste verblijfsaanvaarding
De verblijfsvergunning voor bepaalde of onbepaalde tijd kan door Onze Minister worden geweigerd met het oog op de openbare orde of het algemeen belang (zie [artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=9)).
De verblijfsvergunning voor bepaalde of onbepaalde tijd kan door Onze Minister worden geweigerd met het oog op de openbare orde of het algemeen belang (zie [artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=9)).
Deze paragraaf bevat algemene beleidsregels met betrekking tot de openbare orde en het algemeen belang bij de verlening, verlenging, wijziging en intrekking van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in [artikel 6 WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=6).
Onder gevaar voor de openbare orde wordt ook begrepen gevaar voor:
Gevaar voor de openbare rust, de goede zeden, de volksgezondheid, de (goede) internationale betrekkingen, ongewenste politieke activiteiten of de nationale veiligheid worden per geval beoordeeld. In deze paragraaf worden geen algemene regels gegeven met betrekking tot die gronden om het verblijf van een vreemdeling in de openbare lichamen te weigeren of te beëindigen.
Als een strafzaak wegens het plegen van een misdrijf openstaat en bekendheid met de uitkomst van de strafzaak voor de te nemen beslissing noodzakelijk is, wordt contact opgenomen met het OM. De redelijke termijn voor het geven van de beschikking wordt in dat geval schriftelijk met maximaal zes maanden verlengd.
De verblijfsvergunning voor bepaalde of onbepaalde tijd kan door Onze Minister worden geweigerd met het oog op de openbare orde of het algemeen belang (zie [artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=9)).
Van de bevoegdheid om de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd te weigeren wordt in de hieronder genoemde gevallen gebruik gemaakt.
### 1.9.5. Medisch onderzoek
Onder vrijheidsontnemende maatregelen wordt ook verstaan:
Aan gratieverlening komt geen betekenis toe. Ook hoeft de veroordeling niet onherroepelijk te zijn. Als hoger beroep is ingesteld tegen een veroordeling in eerste aanleg, of cassatieberoep is ingesteld tegen een veroordeling in hoger beroep, wordt de aanvraag om een verblijfsvergunning afgewezen. Bij een aanvraag voor een verblijfsdoel verband houdend met gezinshereniging of gezinsvorming moet bij de beoordeling van de aanvraag wel rekening worden gehouden met de aard en de hechtheid van de gezinsband van de vreemdeling en de duur van zijn verblijf, en ook het bestaan van familiebanden of culturele en sociale banden met het land van herkomst.
Als een strafzaak wegens het plegen van een misdrijf openstaat en bekendheid met de uitkomst van de strafzaak voor de te nemen beslissing noodzakelijk is, wordt contact opgenomen met het OM. De redelijke termijn voor het geven van de beschikking wordt in dat geval schriftelijk met maximaal zes maanden verlengd.
Als een straf geheel of gedeeltelijk, voorwaardelijk of onvoorwaardelijk, door Nederlandse of buitenlandse autoriteiten is kwijtgescholden, wordt daaraan voor de toepassing van deze regels geen zelfstandige betekenis toegekend.
Als geen sprake is van één van de hierboven onder a, b of c genoemde gevallen, kan de aanvraag alleen worden afgewezen wegens gevaar voor de openbare orde als sprake is van zwaarwegende belangen. Hiervan mag slechts zeer terughoudend gebruik worden gemaakt. Bij toepassing van deze afwijzingsgrond moet een volledige individuele afweging worden gemaakt van de rechtstreeks in het geding zijnde belangen.
Als de vreemdeling voor het indienen van de aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd het onderzoek naar TBC aan de ademhalingsorganen nog niet heeft ondergaan, en daar niet van is vrijgesteld, ondertekent de vreemdeling bij het indienen van de aanvraag om een verblijfsvergunning het TBC-formulier (zie model MBES22 CTU-BES). Daarin geeft de vreemdeling aan bereid te zijn een onderzoek naar en, indien nodig, behandeling van TBC te ondergaan. De vreemdeling meldt zich binnen drie maanden na datum aanvraag bij de daarvoor aangewezen instantie. De arts belast met het onderzoek vergelijkt de gegevens in het document voor grensoverschrijding van de vreemdeling met de gegevens op het TBC-formulier. De arts vult na het onderzoek het formulier in en zendt het naar de IND unit Caribisch Nederland.
De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd kan worden geweigerd door Onze Minister met het oog op het algemeen belang, namelijk bescherming van de volksgezondheid (zie [artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=9)).
### 1.9.6. Niet voldoen aan de beperking
Deze afwijzingsgrond geldt niet voor vreemdelingen die de nationaliteit bezitten van één van de in [artikel 4.3 van de RTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028815&artikel=4.3) genoemde landen (zie [artikel 5.35, tweede lid, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.35)).
### 1.10. Gevolgen van de afwijzing
Deze afwijzingsgrond geldt alleen voor de verlening van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd en niet voor het wijzigen of verlengen van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd.
Als de vreemdeling voor het indienen van de aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd het onderzoek naar TBC aan de ademhalingsorganen nog niet heeft ondergaan, en daar niet van is vrijgesteld, ondertekent de vreemdeling bij het indienen van de aanvraag om een verblijfsvergunning het TBC-formulier (zie model MBES22 CTU-BES). Daarin geeft de vreemdeling aan bereid te zijn een onderzoek naar en, indien nodig, behandeling van TBC te ondergaan. De vreemdeling meldt zich binnen drie maanden na datum aanvraag bij de daarvoor aangewezen instantie. De arts belast met het onderzoek vergelijkt de gegevens in het document voor grensoverschrijding van de vreemdeling met de gegevens op het TBC-formulier. De arts vult na het onderzoek het formulier in en zendt het naar de IND unit Caribisch Nederland.
### 1.11. Vertrektermijn
Als de toelating bij vergunning is geëindigd of de aanvraag tot het verlenen, wijzigen of verlengen van een verblijfsvergunning wordt afgewezen, wordt aangegeven binnen welke termijn de vreemdeling de openbare lichamen moet verlaten. Als regel geldt dat de vreemdeling de openbare lichamen uit eigen beweging binnen vier weken moet verlaten (zie [artikel 16 a WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=16a)). Bij de bekendmaking van de beschikking wordt dat aan de vreemdeling meegedeeld. Tegen de vertrektermijn kan geen rechtsmiddel worden ingesteld.
De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd kan met het oog op het algemeen belang worden geweigerd als de vreemdeling niet voldoet aan de beperking verband houdende met het doel waarvoor hij wil verblijven (zie de [artikelen 9, eerste lid, onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=9), en [7, zevende lid, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=7) en [artikel 5.2, eerste lid, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.2)). In het [BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599) zijn regels gesteld over de beperkingen en voorschriften.
De Minister kan met toepassing van [artikel 16a, vierde lid, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=16a) de vertrektermijn verkorten tot minder dan vier weken in het belang van:
### 1.12. Verlenging en intrekking van de verblijfsvergunning voor (on)bepaalde tijd
### 1.12.1. Verlengen van de vergunning
Een aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning voor (on)bepaalde tijd kan worden afgewezen (zie [artikel 9, eerste lid, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=9)):
Als de toelating bij vergunning is geëindigd of de aanvraag tot het verlenen, wijzigen of verlengen van een verblijfsvergunning wordt afgewezen, wordt aangegeven binnen welke termijn de vreemdeling de openbare lichamen moet verlaten. Als regel geldt dat de vreemdeling de openbare lichamen uit eigen beweging binnen vier weken moet verlaten (zie [artikel 16 a WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=16a)). Bij de bekendmaking van de beschikking wordt dat aan de vreemdeling meegedeeld. Tegen de vertrektermijn kan geen rechtsmiddel worden ingesteld.
Als de aanvraag is afgewezen, de verblijfsvergunning is ingetrokken, dan wel niet is verlengd verlaat de vreemdeling de openbare lichamen onmiddellijk als de beroepstermijn ongebruikt verstrijkt en tijdens die termijn de werking van de beschikking is opgeschort (zie [artikel 16a, tweede lid, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=16a)).
De Minister kan met toepassing van [artikel 16a, vierde lid, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=16a) de vertrektermijn verkorten tot minder dan vier weken in het belang van:
De vraag of de te late ontvangst van de aanvraag aan de vreemdeling is toe te rekenen, wordt van geval tot geval beoordeeld. Als uitgangspunt geldt dat de vreemdeling zelf de volledige verantwoordelijkheid draagt voor tijdige indiening van de verlengingsaanvraag, desnoods door tussenkomst van derden.
Onderstaande omstandigheden kunnen niet worden aangemerkt als verschoonbare redenen voor termijnoverschrijding:
Een aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning voor (on)bepaalde tijd kan worden afgewezen (zie [artikel 9, eerste lid, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=9)):
De aanvraag tot het wijzigen of het verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd is tijdig ingediend, als de aanvraag is ontvangen uiterlijk op de dag voor de dag waarop de geldigheidsduur verstrijkt (zie [artikel 5.36, eerste lid, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.36)). De aanvraag kan maximaal vier maanden voor het verstrijken van de geldigheidsduur en uiterlijk op de dag van verloop van de geldigheidsduur worden ingediend. De vreemdeling wordt geacht gedurende zijn verlengingsverzoek rechtmatig in de openbare lichamen te verblijven.
De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd kan worden verlengd met ingang van de dag waarop de vreemdeling heeft aangetoond dat hij aan alle voorwaarden voldoet, maar niet eerder dan met ingang van de dag na die waarop de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning waarvoor verlenging is gevraagd, afloopt (zie [artikel 7, vijfde lid, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=7)).
Als de aanvraag later is ontvangen en de termijnoverschrijding de vreemdeling niet kan worden toegerekend, dan kan de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd worden verlengd met ingang van de dag na die waarop de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning waarvoor verlenging is gevraagd afloopt (zie [artikel 5.36, eerste lid, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.36) en [artikel 7, zesde lid, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=7)).
De vraag of de te late ontvangst van de aanvraag aan de vreemdeling is toe te rekenen, wordt van geval tot geval beoordeeld. Als uitgangspunt geldt dat de vreemdeling zelf de volledige verantwoordelijkheid draagt voor tijdige indiening van de verlengingsaanvraag.
Onderstaande omstandigheden kunnen niet worden aangemerkt als verschoonbare redenen voor termijnoverschrijding:
### 1.12.2. Wijzigen van de vergunning
Als de aanvraag tot verlenging niet op de uiterste datum is ingediend, maar wel binnen zes maanden na afloop van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning, moet de aanvraag wel als een verlengingsaanvraag worden behandeld. Alle vereiste documenten moeten ook binnen die termijn zijn overgelegd (zie [artikel 5.38 BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.38)). De aanvraag wordt in dat geval niet afgewezen wegens het ontbreken van een geldige mvv en ook niet als de vreemdeling weigert een onderzoek naar en zonodig behandeling aan TBC te ondergaan (artikel 5.38, lid 1, BTU-BES).
Bovengenoemde geldt niet als de vreemdeling:
Als de aanvraag wordt ingewilligd dan is de ingangsdatum de datum waarop de verlengingsaanvraag is ingediend, tenzij het de vreemdeling niet is toe te rekenen dat de aanvraag te laat is ingediend (zie [artikel 7, zesde lid, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=7)). Er ontstaat een onderbreking in het verblijfsrecht van de vreemdeling wat gevolgen heeft voor de opbouw van de verdere verblijfsrechten. Als de te late indiening van de aanvraag of de te late verstrekking van de noodzakelijke gegevens of bescheiden niet aan de vreemdeling toe te rekenen is, wordt gebruik gemaakt van de bevoegdheid om de verblijfsvergunning te verlengen in aansluiting op de verlopen verblijfsvergunning.
De niet-tijdig ingediende aanvraag tot het wijzigen of tot het verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt gelijkgesteld met een aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd (zie [artikel 5.36, tweede lid, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.36)). Dat is het geval als de verlengingsaanvraag na zes maanden, na verloop van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning, is ingediend. Betrokkene heeft in die periode geen verblijfsrecht. Betrokkene moet de afhandeling van de aanvraag in het buitenland afwachten. Als positief op de aanvraag is beslist verkrijgt betrokkene weer toelating tot verblijf in de zin van [artikel 6 van de WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=6).
Volgens [artikel 5.41 BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.41) wordt de aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet op grond van [artikel 14, onder d, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=14) afgewezen, als de vreemdeling en degene bij wie hij als gezinslid in het kader van gezinshereniging of gezinsvorming verblijft gezamenlijk zelfstandig en duurzaam beschikken over een bruto-inkomen als bedoeld in [artikel 5.33 BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.33) (zie paragraaf 1.9.3).
Een tijdig ingediende aanvraag tot het wijzigen van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt getoetst als een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd voor het gewijzigde doel en de [artikelen 5.30](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.30) en [5.35 BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.35) zijn niet van toepassing (zie [artikel 5.37 BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.37)). Als de aanvraag is ontvangen uiterlijk op de dag voor de dag waarop de geldigheidsduur van de oorspronkelijke vergunning verstrijkt is er sprake van voortgezet verblijf. De aanvraag wordt in dat geval niet afgewezen wegens het ontbreken van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf en ook niet als de vreemdeling weigert een onderzoek naar en zonodig behandeling aan TBC te ondergaan.
De aanvraag wordt beoordeeld aan de hand van het recht zoals dat gold op het tijdstip waarop de aanvraag is ontvangen en niet op het tijdstip waarop de geldigheidsduur van de oorspronkelijke vergunning afliep.
### 1.12.3. Gronden intrekking
Een aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt op grond van [artikel 14, onder c, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=14) niet afgewezen, als de vreemdeling onjuiste gegevens heeft verstrekt dan wel gegevens heeft achtergehouden die tot afwijzing van de oorspronkelijke aanvraag tot het verlenen of verlengen zouden hebben geleid, als er sinds de verlening, verlenging of wijziging van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd een periode van twaalf jaar is verstreken (zie [artikel 5.40 BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.40)). Na verloop van twaalf jaren wegen de belangen van de overheid niet op tegen de belangen van de vreemdeling, namelijk voortzetting van het verblijf in de openbare lichamen. De periode van twaalf jaar wordt berekend vanaf de (op onjuiste of onvolledige gegevens gebaseerde) beslissing tot het verlenen, wijzigen of verlengen van de verblijfsvergunning.
Volgens [artikel 5.41 BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.41) wordt de aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet op grond van [artikel 14, onder d, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=14) afgewezen, als de vreemdeling en degene bij wie hij als gezinslid in het kader van gezinshereniging of gezinsvorming verblijft gezamenlijk zelfstandig en duurzaam beschikken over een bruto-inkomen als bedoeld in [artikel 5.33 BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.33) (zie paragraaf 1.9.3).
De aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd verleend onder een beperking verband houdend met de vervolging van mensenhandel, wordt niet afgewezen op grond van [artikel 14, onder e, van de WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=14), om de enkele reden dat een beslissing tot niet vervolging of niet verdere vervolging van de verdachte is genomen, als de vreemdeling tegen die beslissing schriftelijk beklag heeft gedaan bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten, Bonaire, Sint Eustatius en Saba en op dat beklag nog niet is beslist. Hiermee wordt beoogd om het slachtoffer of de getuige-aangever van mensenhandel een verblijfsvergunning voor de duur van het opsporings- en vervolgingsonderzoek in feitelijke aanleg te verlenen.
De aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, verleend onder de beperking het verrichten van arbeid in loondienst, wordt niet op grond van [artikel 14, onder c, d, e, van de WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=14) afgewezen als de vreemdeling voor een periode van korter dan één jaar beschikt over arbeid in loondienst waarmee voldoende zelfstandige middelen van bestaan geworven wordt. De verblijfsvergunning wordt dan verlengd tot aan de periode waarin de vreemdeling beschikt over de arbeid (zie [artikel 5.43 BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.43)).
Gedacht kan worden aan de volgende situaties, waarbij opgemerkt wordt dat deze lijst niet uitputtend is:
Volgens [artikel 14 WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=14) kan de verblijfsvergunning voor bepaalde of onbepaalde tijd door Onze Minister worden ingetrokken, bij een met reden omklede beslissing, in de volgende gevallen:
De gedraging van de vreemdeling moet voldoende ernstig zijn, daarom worden alleen misdrijven in aanmerking genomen. De sanctie moet voldoende zwaar zijn. Als de misdraging als een overtreding gekwalificeerd wordt of buiten het strafrecht afgedaan wordt, blijft de misdraging buiten beschouwing. De vraag of een bepaalde misdraging een misdrijf of een overtreding is, is afhankelijk van de desbetreffende wetgeving. Als het vonnis nog niet onherroepelijk is, of als de strafzaak nog openstaat, wordt contact opgenomen met het OM. Bij de berekening van de norm (drie maanden of langer) wordt alleen het onvoorwaardelijk ten uitvoer te leggen gedeelte van de straf meegeteld. In geval van meerdere veroordelingen worden de onvoorwaardelijke gedeelten bij elkaar opgesteld, als de verblijfsduur vijf jaren of korter is.
Als een straf geheel of gedeeltelijk, voorwaardelijk of onvoorwaardelijk, door Nederlandse of buitenlandse autoriteiten is kwijtgescholden, wordt daaraan voor de toepassing van deze regels geen zelfstandige betekenis toegekend.
Strafbare feiten die buiten het Koninkrijk zijn gepleegd of bestraft, worden ook betrokken bij de beoordeling van het gevaar voor de openbare orde als het strafbare feiten naar het recht van de openbare lichamen zijn. Dat geldt ook als het strafbare feit naar buitenlands recht een overtreding, maar naar het recht van de openbare lichamen een misdrijf is. Of het feit naar het recht van de openbare lichamen een misdrijf is wordt beoordeeld aan de hand van de strafbepalingen in het [Wetboek van Strafrecht BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028570) (op dit moment het Wetboek van Strafrecht van de Nederlandse Antillen) of de bijzondere strafwetten van de openbare lichamen. De vreemdeling verschaft zelf alle relevante gegevens en bescheiden met betrekking tot de strafbare feiten en de afdoening. Er wordt met het OM contact opgenomen voor de vraag welke straf in de openbare lichamen voor het strafbare feit zou worden gevorderd.
Gedacht kan worden aan de volgende situaties, waarbij opgemerkt wordt dat deze lijst niet uitputtend is:
### 1.12.3.1. Besluit tot intrekking
De verblijfsvergunning wordt ingetrokken als niet wordt voldaan aan de beperking waaronder de vergunning is verleend of een voorschrift dat aan de vergunning is verbonden.
Gedacht kan worden aan de volgende situaties waarbij opgemerkt wordt dat deze lijst niet uitputtend is:
### 1.12.3.2. Voortzetting verblijf na intrekking verblijfsvergunning
Verblijfsbeëindiging blijft achterwege als het in strijd komt met een ieder verbindende verdragsbepaling of de gevolgen wegens de bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding met de beleidsregel te dienen doel. De verblijfsvergunning kan in die gevallen ambtshalve gewijzigd worden wegens de veranderde omstandigheden. Als wordt vastgesteld dat er bij de verlening, verlenging of wijziging van een verblijfsvergunning onjuiste gegevens zijn verstrekt of relevante gegevens zijn achtergehouden, wordt de zaak bezien op aangifte van een strafbaar feit bij het OM.
### 1.12.3.1. Besluit tot intrekking
### 2.1. Algemeen
Het besluit om een verblijfsvergunning voor bepaalde of onbepaalde tijd in te trekken moet:
Het is de houder van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd toegestaan voor onbepaalde tijd in de openbare lichamen te verblijven. Aan deze verblijfsvergunning worden geen beperkingen en voorschriften verbonden en deze hoeft niet te worden verlengd (zie [artikel 7, negende lid, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=7)). Een vreemdeling die in het bezit is van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd mag arbeid verrichten, zonder dat een TWV is vereist.
### 2.2. Systematiek
De gronden waarop de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd afgewezen kunnen worden, komen overeen met de afwijzingsgronden voor het verlenen of verlengen van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd (zie [artikel 9, eerste lid, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=9)).
[Artikel 5.45 BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.45) vormt een nadere invulling van de afwijzingsgronden zoals opgenomen in [artikel 9, eerste lid, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=9). Er zijn twee situaties te onderscheiden:
De verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd wordt slechts verleend op aanvraag en ontstaat niet van rechtswege. De vreemdeling moet aan de hiervoor gestelde voorwaarden voldoen. Op het tijdstip van indiening of beoordeling van de aanvraag moet aan de voorwaarden worden voldaan. Er wordt niet ambtshalve getoetst of de vreemdeling op enig moment in het verleden aanspraak zou hebben gemaakt op de verblijfsvergunning als die destijds zou zijn aangevraagd. De afwijzing van de aanvraag betekent niet dat er sprake is van verblijfsbeëindiging.
Het is de houder van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd toegestaan voor onbepaalde tijd in de openbare lichamen te verblijven. Aan deze verblijfsvergunning worden geen beperkingen en voorschriften verbonden en deze hoeft niet te worden verlengd (zie [artikel 7, negende lid, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=7)). Een vreemdeling die in het bezit is van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd mag arbeid verrichten, zonder dat een TWV is vereist.
Bepalend is de vraag of de vreemdeling al dan niet toelating van rechtswege heeft gehad gedurende een ononderbroken periode van ten minste vijf jaren. Als dit zo is, dan wordt de vergunning voor onbepaalde tijd verleend.
De gronden waarop de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd afgewezen kunnen worden, komen overeen met de afwijzingsgronden voor het verlenen of verlengen van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd (zie [artikel 9, eerste lid, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=9)).
[Artikel 5.45 BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.45) vormt een nadere invulling van de afwijzingsgronden zoals opgenomen in [artikel 9, eerste lid, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=9). Er zijn twee situaties te onderscheiden:
[Artikel 5.45, eerste lid, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.45) stelt dat de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd wordt verleend aan de vreemdeling direct voorafgaand aan de aanvraag of op het moment van de beslissing op de aanvraag gedurende een ononderbroken periode van tenminste vijf jaren houder is van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd voor een niet-tijdelijk doel, als de vreemdeling:
Als een houder van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet aan de onder a tot en met f genoemde voorwaarden voldoet wordt de aanvraag afgewezen.
### 2.3. Intrekking van de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd
Als de vreemdeling in afwachting is van een beslissing op een aanvraag om verlening, wijziging of verlenging van een verblijfsvergunning dan is er sprake van een formeel beperkt verblijfsrecht. Hangende bezwaar of beroep tegen de weigering een verblijfsvergunning te verlenen, verlengen, wijzigen of een intrekking van een verblijfsvergunning is er ook sprake van een formeel beperkt verblijfsrecht. Als de verblijfsvergunning uiteindelijk wordt verleend, verlengd, gewijzigd dan wel dat de intrekking van de verblijfsvergunning ongedaan wordt gemaakt en deze perioden uiteindelijk worden bestreken door een verblijfsvergunning tellen deze alsnog mee.
De verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd kan worden verleend aan de vreemdeling die direct voorafgaand aan de aanvraag of op het moment van de beslissing op de aanvraag gedurende een ononderbroken periode van ten minste vijf jaren toelating van rechtswege heeft en die voldoet aan de voorwaarden a tot en met d zoals hierboven genoemd (zie [artikel 5.45 BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.45)).
In het geval dat een vreemdeling onjuiste gegevens dan wel essentiële gegevens heeft achtergehouden die hebben geleid tot de onterechte afgifte van een bewijs van toelating van rechtswege is bepalend of de vreemdeling toelating van rechtswege heeft gehad gedurende een ononderbroken periode van ten minste vijf jaren.
Als aan de bovengenoemde voorwaarden niet wordt voldaan wordt de aanvraag afgewezen.
### 2.3. Intrekking van de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd
### 3.1. De mvv-aanvraag
Zie paragraaf 1.12.3 van dit hoofdstuk voor de toelichting op de intrekkingsgronden.
[Artikel 5.46 BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.46) stelt dat de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd niet wordt ingetrokken met toepassing van [artikel 14 onder b of d WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=14). Reden hiervoor is gelegen in de versterking van de rechtspositie van de vreemdeling die in de openbare lichamen verblijft op basis van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd.
Zoals uit het bovengenoemde blijkt zijn de gronden voor intrekking van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd en onbepaalde tijd aan elkaar gelijk afgezien van [artikel 14 onderdeel e WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=14). In [artikel 7, lid 9, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=7) staat dat geen beperkingen en voorschriften verbonden worden aan de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd. Daarom staat eveneens in [artikel 5.46 BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.46) dat de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd niet wordt ingetrokken met toepassing van artikel 14 onder e WTU-BES.
In [artikel 9, derde lid, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=9) en [artikel 5.31 BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.31) is een aantal categorieën aanvragen om verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in [artikel 7 WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=7) benoemd, die niet worden afgewezen wegens het ontbreken van een geldige mvv.
De mvv is in [artikel 1, onder e, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=1) omschreven als een visum voor de toegang tot een openbaar lichaam voor verblijf van meer dan drie maanden.
Op grond van [artikel 9 WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=9) kan een aanvraag tot het verlenen van verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in [artikel 7 WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=7) worden afgewezen als de vreemdeling niet beschikt over een geldige mvv die overeenkomt met het verblijfsdoel waarvoor de verblijfsvergunning is aangevraagd. Het beschikken over een geldige mvv is één van de voorwaarden voor het verkrijgen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd.
De aanvraag om afgifte van een mvv wordt getoetst aan de voorwaarden die worden gesteld met het oog op het verlenen van een verblijfsvergunning voor de openbare lichamen. De verplichting om vóór de komst naar de openbare lichamen een mvv aan te vragen, stelt de overheid in staat te onderzoeken of de vreemdeling aan alle voor toelating gestelde vereisten voldoet, zonder daarbij door diens aanwezigheid in de openbare lichamen voor een voldongen feit te worden geplaatst.
De aanvraag om afgifte van een mvv leidt, na verstrekking van de machtiging, tot afgifte van een visum voor het Koninkijk der Nederlanden Caribisch gebied.
In [artikel 9, derde lid, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=9) en [artikel 5.31 BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.31) is een aantal categorieën aanvragen om verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in [artikel 7 WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=7) benoemd, die niet worden afgewezen wegens het ontbreken van een geldige mvv.
De mvv is in [artikel 1, onder e, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=1) omschreven als een visum voor de toegang tot een openbaar lichaam voor verblijf van meer dan drie maanden.
Een vreemdeling die langer dan drie maanden in de openbare lichamen wil moet in het algemeen in het bezit zijn van een geldig document voor grensoverschrijding voorzien van een geldige mvv.
Een mvv kan worden aangevraagd:
Indien in het land van herkomst of bestendig verblijf geen Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging aanwezig is, kan de mvv in persoon worden aangevraagd bij:
De mvv wordt verstrekt door:
Een land van bestendig verblijf is een land waar de vreemdeling gerechtigd is om langer dan drie maanden te verblijven op grond van enige verblijfstitel. Hierbij is niet vereist dat de vreemdeling al gedurende drie maanden feitelijk in dat land verbleven heeft op het moment dat de aanvraag om een mvv wordt ingediend. Wel zal op het moment van indienen van de aanvraag, dan wel op het toetsmoment, sprake moeten zijn van nog ten minste drie maanden rechtmatig verblijf om te kunnen spreken van bestendig verblijf.
Van bestendig verblijf kan sprake zijn in de volgende gevallen:
De algemene uitgangspunten dat het verblijf rechtmatig moet zijn (naar maatstaven van het betreffende land) en voor een periode langer dan drie maanden, zijn hierop steeds van toepassing. Als het handhaven van de termijn van meer dan drie maanden rechtmatig verblijf tot onredelijke gevolgen zal leiden, kan in voorkomende gevallen een kortere termijn volstaan, als er maar geen sprake is van het omzeilen van de mvv-procedure of het oneigenlijk gebruik van de mvv-procedure.
### 3.1.1. Aanvraagprocedure mvv ingediend door de vreemdeling
Het bestendig verblijf moet door de vreemdeling aangetoond worden met officiële documenten, afgegeven door de autoriteiten van het land waar de vreemdeling verblijft. Uit deze documenten zal telkens moeten blijken dat de vreemdeling daar rechtmatig verblijft, en voor welke periode.
Ingevolge [artikel 2h WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=2h) beslist Onze Minister binnen drie maanden na ontvangst van een aanvraag om verlenging of wijziging van een machtiging tot voorlopig verblijf. Onze Minister kan deze termijn verlengen met ten hoogste drie maanden. De termijn kan verlengd worden als naar het oordeel van Onze Minister voor de beoordeling van de aanvraag advies van of onderzoek door derden nodig is.
Een aanvraag tot het verlenen van een mvv wordt door de vreemdeling ingediend bij de Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging. De vreemdeling wacht de uitkomst van de aanvraag tot het verlenen van een mvv af in het land van herkomst of bestendig verblijf.
Indien de vreemdeling beschikt over een referent hier te lande, kan laatstgenoemde een aanvraag indienen tot het verlenen van een mvv aan de vreemdeling (referentprocedure). De aanvraag wordt ingediend bij de IND unit Caribisch Nederland. Gelet op de ratio van het mvv-vereiste dient de vreemdeling zich ook gedurende de beoordeling van de door de referent ingediende aanvraag buiten de openbare lichamen te bevinden.
Na ommekomst van de termijn voor het aanvullen van de aanvraag, wordt door de diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging bezien of de aldaar overgelegde buitenlandse bewijsstukken betreffende de staat van personen authentiek zijn, en of deze (voor zover vereist) zijn gelegaliseerd of geapostilleerd. Verder wordt door de diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging bezien of ambtshalve feiten en omstandigheden bekend zijn die zich verzetten tegen afgifte van de mvv en of de leges zijn voldaan, dan wel herstel verzuim daarvoor is geboden. Daarna wordt de aanvraag doorgezonden naar de IND unit Caribisch Nederland, onder mededeling van alle relevante feiten en omstandigheden.
De vreemdeling kan een aanvraagformulier opvragen bij de Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging in het land van herkomst of het land van bestendig verblijf.
De aanvraag om een mvv wordt ingediend door dit formulier ingevuld en voorzien van de gevraagde gegevens en bescheiden in persoon te retourneren aan de diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging. Immers de aanvraag dient in beginsel altijd in persoon te worden ingediend. De vreemdeling toont zijn identiteit aan. Vervolgens wordt door de diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging bezien of betrokkene de vereiste gegevens en bescheiden heeft overgelegd.
Voor zover de door de vreemdeling te verstrekken gegevens en bescheiden moeten worden aangevuld, wordt hij eenmaal in de gelegenheid gesteld de aanvraag binnen twee weken aan te vullen. De IND unit Caribisch Nederland wordt bij het doorsturen van de aanvraag door de diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging geïnformeerd over de datum waarop de herstel verzuim periode van twee weken is ingegaan.
In voorkomende gevallen kan de vreemdeling ook worden verzocht zich in persoon bij de diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging aan te melden om een mondelinge toelichting op zijn aanvraag te geven.
Na ommekomst van de termijn voor het aanvullen van de aanvraag, wordt door de diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging bezien of de aldaar overgelegde buitenlandse bewijsstukken betreffende de staat van personen authentiek zijn, en of deze (voor zover vereist) zijn gelegaliseerd of geapostilleerd. Verder wordt door de diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging bezien of ambtshalve feiten en omstandigheden bekend zijn die zich verzetten tegen afgifte van de mvv en of de leges zijn voldaan, dan wel herstel verzuim daarvoor is geboden. Daarna wordt de aanvraag doorgezonden naar de IND unit Caribisch Nederland, onder mededeling van alle relevante feiten en omstandigheden.
### 3.1.2. Aanvraagprocedure mvv ingediend door de referent
De IND unit Caribisch Nederland beoordeelt de aanvraag en stelt zo nodig nader onderzoek in naar de door de vreemdeling en/of referent aangeleverde informatie.
De IND unit Caribisch Nederland besluit vervolgens of de diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging gemachtigd kan worden om de mvv af te geven. De wettelijk beslistermijn voor een mvv-aanvraag is drie maanden (zie [artikel 2h WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=2h)).
In geval van een inwilliging wordt de diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging gemachtigd om een mvv af te geven. De IND unit Caribisch Nederland stuurt de machtiging naar de diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging en maakt deze tevens bekend aan de referent. De diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging nodigt de vreemeling uit om in persoon te verschijnen ten behoeve van de afgifte van de mvv. De vreemdeling moet zijn document voor grensoverschrijding meebrengen, zodat de mvv in dat document kan worden aangebracht. De vreemdeling moet binnen drie maanden na ontvangst van de machtiging van de diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging door deIND unit Caribisch Nederland, verschijnen voor de afgifte van de mvv ([artikel 2e, eerste lid, van de WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=2e)).
Als de aanvraag niet wordt ingewilligd, stuurt de IND unit Caribisch Nederland de beslissing naar de diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging, die de beschikking bekendmaakt aan de vreemdeling. De referent ontvangt een afschrift van de beschikking. Als zowel de referent als de vreemdeling zich in het buitenland bevinden, kan door de vreemdeling een mvv worden aangevraagd. De referent moet dan wel aantonen dat de vreemdeling na binnenkomst in de openbare lichamen zal beschikken over voldoende middelen van bestaan.
Als niet wordt voldaan aan de toelatingsvoorwaarden voor het gevraagde verblijfsdoel ontvangt de referent een negatieve beschikking.
Een in de openbare lichamen verblijvende referent kan ten behoeve van een vreemdeling in het buitenland een mvv aanvragen. Gelet op de ratio van het mvv-vereiste mag de vreemdeling zich ook gedurende de beoordeling van een door de referent ingediende aanvraag om een mvv niet in de openbare lichamen te bevinden.
De referent kan de aanvraag indienen door het daartoe bestemde formulier ingevuld en voorzien van de gevraagde gegevens en bescheiden te retourneren aan IND unit Caribisch Nederland. Als de referent bij het indienen van de aanvraag niet alle gevraagde gegevens en bescheiden heeft overgelegd, wordt de referent éénmaal een hersteltermijn van twee weken verleend.
Na ommekomst van de hersteltermijn beziet de IND unit Caribisch Nederland of de gevraagde gegevens en bescheiden zijn overgelegd, en of deze in orde zijn.
De IND unit Caribisch Nederland neemt vervolgens een beslissing op de aanvraag.
Als niet wordt voldaan aan de toelatingsvoorwaarden voor het gevraagde verblijfsdoel ontvangt de referent een negatieve beschikking.
### 3.1.3. Afgifte mvv
Verder wordt de referent op de hoogte gebracht van de positieve beslissing omtrent de afgifte van een mvv, onder vermelding van het voorbehoud. De referent wordt erop gewezen dat de vreemdeling, ter verkrijging van een mvv, zich moet wenden tot de diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging van zijn land van herkomst of bestendig verblijf. De vreemdeling wordt niet ambtshalve van de beslissing op de hoogte gebracht.
Bij de diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging wordt onderzocht of de dan door de vreemdeling te overleggen originele buitenlandse bewijsstukken betreffende de staat van personen en het document voor grensoverschrijding, die door de referent in kopie bij de IND unit Caribisch Nederland zijn overgelegd, authentiek zijn en of deze (voor zover vereist) daadwerkelijk zijn gelegaliseerd of geapostilleerd.
### 3.1.4. Samenloop aanvraagprocedures
Als uit dit onderzoek blijkt dat de betreffende documenten niet authentiek zijn of als zich feiten en omstandigheden voordoen die zich tegen de afgifte van de mvv verzetten, kan de diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging aan de IND unit Caribisch Nederland een verzoek om heroverweging doen onder vermelding van alle relevante feiten en omstandigheden. Als daarvoor aanleiding is, kan de IND unit Caribisch Nederland vervolgens de inwilligende beschikking intrekken en een nieuwe beslissing nemen op de aanvraag.
Als een vreemdeling een aanvraag heeft indiend om verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd om redenen verband houdend met bescherming, kan hij geen aanvraag om toelating doen op andere gronden dan voorzien bij [artikel 12a WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=12a) zolang niet onherroepelijk is beslist op de aanvraag om toelating verband houdend met artikel 12a WTU-BES.
### 3.1.5. Mvv en verlening verblijfsvergunning bepaalde tijd
Voordat de diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging tot afgifte van de mvv overgaat, vindt een identiteitscontrole plaats. De vreemdeling moet zijn identiteit genoegzaam aantonen.
Voor het indienen van een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd moet de vreemdeling zich melden bij de IND unit Caribisch Nederland. Aan de houder van een geldige mvv kan, uit het oogpunt van rechtszekerheid, alleen in uitzonderlijke gevallen een verblijfsvergunning worden geweigerd. Hiervan is sprake als blijkt dat niet aan de voorwaarden voor verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd is voldaan. Uitzonderlijke gevallen zijn in ieder geval situaties waarin de vreemdeling:
Het mvv-vereiste geldt niet voor aanvragen om een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd om redenen verband houdend met bescherming (zie [artikel 12a WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=12a)) en voor aanvragen om een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd.
### 3.2. De aanvraag om een verblijfsvergunning voor (on)bepaalde tijd
De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als ook de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd wordt op aanvraag verleend. Dit geldt ook voor het verlengen van de al verleende verblijfsvergunning dan wel het wijzigen van de beperking van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd.
De houder van een geldige mvv moet zich binnen drie dagen na binnenkomst in de openbare lichamen in persoon aanmelden bij de korpschef (zie [artikel 6.43, eerste lid, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=6.43)). Door de korpschef wordt in het geldige document voor grensoverschrijding van de vreemdeling of op een afzonderlijk inlegblad een aantekening gesteld omtrent het voldoen aan de aanmeldingsplicht (zie [artikel 6.25, eerste lid, onder a, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=6.25)). Op de sticker ‘Aantekeningen Toezicht’ wordt door de korpschef de datum van aanmelding en het nummer van het paspoort ingevuld achter de tekst ‘aangemeld op (datum)’.
Voor het indienen van een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd moet de vreemdeling zich melden bij de IND unit Caribisch Nederland. Aan de houder van een geldige mvv kan, uit het oogpunt van rechtszekerheid, alleen in uitzonderlijke gevallen een verblijfsvergunning worden geweigerd. Hiervan is sprake als blijkt dat niet aan de voorwaarden voor verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd is voldaan. Uitzonderlijke gevallen zijn in ieder geval situaties waarin de vreemdeling:
Er is geen sprake van een uitzonderlijk geval als degene bij wie de vreemdeling verblijf beoogt na afgifte van de mvv alleen vanwege een latere aanscherping van het middelenvereiste niet meer voldoet aan het middelenvereiste.
Een herhaalde aanvraag kan op grond van [artikel 8 WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=8) worden afgewezen. Deze aanvraag kan zich in verschillende vormen voordoen.
De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als ook de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd wordt op aanvraag verleend. Dit geldt ook voor het verlengen van de al verleende verblijfsvergunning dan wel het wijzigen van de beperking van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd.
Een vreemdeling kan met een brief een aanvraag en eventuele vervolgprocedures intrekken. Uit de brief moet duidelijk blijken welke (vervolg)procedure wordt ingetrokken.
Een vreemdeling, zijn wettelijk vertegenwoordiger of gevolmachtigde kunnen een aanvraag en eventuele vervolgprocedures schriftelijk middels ondertekening intrekken. Het moet duidelijk zijn welke aanvraag of vervolgprocedure wordt ingetrokken. Indien dat niet duidelijk is moet de IND unit Caribisch Nederland dit schriftelijk navragen. Voorts informeert de IND unit Caribisch Nederland de politie over het beëindigen van de procedure.
De intrekking moet plaatsvinden middels model MBES35 CTU-BES.
### 3.2.1. De vereisten voor het indienen van de aanvraag
In het geval dat de vreemdeling schriftelijk aan het bestuursorgaan verzoekt om terug te komen op een besluit dat in rechte onaantastbaar is geworden, dan moet dit verzoek aangemerkt als een herhaling van de eerdere aanvraag. Het verzoek is immers dat alsnog een verblijfsvergunning wordt verleend, zonder dat een nieuwe aanvraag wordt ingediend en nieuwe feiten en omstandigheden worden vermeld. Van de bevoegdheid om terug te komen op een rechtens onaantastbaar geworden besluit, wordt geen gebruik gemaakt.
In het geval dat de vreemdeling een nieuwe aanvraag indient na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking, dan moeten deze nieuwe feiten en omstandigheden worden vermeld. Er is sprake van nieuwe feiten en omstandigheden als die:
Wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, kan de aanvraag worden afgewezen onder verwijzing naar de eerdere afwijzende beschikking. De aanvrager hoeft niet in de gelegenheid te worden gesteld de aanvraag inhoudelijk dan wel procedureel aan te vullen (zie [artikel 8, tweede lid, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=8)). Als in het bezwaarschrift, gericht tegen de afwijzing van de herhaalde aanvraag, nieuwe feiten of omstandigheden worden aangevoerd vormt dat geen reden om het bezwaarschrift gegrond te verklaren. Deze nieuwe feiten en omstandigheden zijn immers niet aangevoerd bij de herhaalde aanvraag en doen daarom niet af aan de juistheid van de verkorte afdoening van de aanvraag. Dit kan voor de vreemdeling wel aanleiding zijn om een nieuwe aanvraag om een verblijfsvergunning in te dienen. Hiervoor moet wel opnieuw leges worden betaald.
Als er verzocht wordt om heroverweging van een in rechte onaantastbaar geworden beschikking wordt de vreemdeling eerst in de gelegenheid gesteld om aan de formele vereisten voor het indienen van een aanvraag te voldoen. Aan de vreemdeling wordt een termijn gegeven om het verzuim te herstellen. Als daarna nog steeds niet aan de formele vereisten wordt voldaan, kan de aanvraag buiten behandeling worden gesteld. Als de voor de aanvraag verschuldigde leges niet zijn betaald, kan de aanvraag bovendien buiten behandeling worden gesteld op grond van [artikel 7, derde lid, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=7). Als de vreemdeling wel voldoet aan de formele vereisten voor het indienen van de aanvraag, dan is het kopje ‘**herhaalde aanvraag’** in deze paragraaf van toepassing.
De aanvraag tot verlening, verlenging, vervanging of vernieuwing van een verblijfsvergunning wordt schriftelijk ingediend door middel van een formulier, waarvan het model bij ministeriële regeling is vastgesteld ([artikel 7, lid 2, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=7) en [artikel 5.47, lid 1, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.47)). Als de aanvraag niet is ingediend middels het juiste aanvraagformulier kan de aanvraag onder omstandigheden buiten behandeling worden gesteld.
De aanvraag wordt altijd schriftelijk ingediend.
De aanvraag moet in persoon worden ingediend ([artikel 5.49, eerste lid, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.49)).
De vreemdeling kan tijdens kantooruren langs gaan bij een IND-BES loket om een aanvraag om een verblijfsvergunning in te dienen.
Als de vreemdeling rechtens de vrijheid is ontnomen wordt de aanvraag om een verblijfsvergunning ingediend op de plaats waar de vrijheidsontneming ten uitvoer wordt gelegd middels het model MBES34 ([artikel 5.49, tweede lid, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.49)). De korpschef neemt de aanvraag in ontvangst en zendt haar door naar de IND unit Caribisch Nederland. De relevante stukken worden met de aanvraag meegezonden. De IND unit Caribisch Nederland beslist op de aanvraag en stelt de korpschef in kennis van de inhoud van de beslissing.
### 3.3. Aanduiding van de beschikking die wordt gevraagd
De ingediende aanvraag tot het verlenen, het wijzigen of het verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd kan ook betrekking hebben op de inwonende kinderen die jonger zijn dan twaalf jaar (zie [artikel 5.47, lid 2, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.47)). Deze kinderen worden zelf niet in het bezit gesteld van een verblijfsdocument.
Een aanvraagformulier kan worden verkregen bij de IND unit Caribisch Nederland of anders via de website.
De aanvraag wordt ondertekend door de vreemdeling zelf of door een wettelijk vertegenwoordiger. Hieronder wordt verstaan: ouder, voogd of curator. Een advocaat of een zaakwaarnemer is dus geen wettelijk vertegenwoordiger. De aanvraag tot het verlenen, wijzigen of verlengen van een verblijfsvergunning kan namelijk mede betrekking hebben op de inwonende kinderen die jonger zijn dan twaalf jaar ([artikel 5.47, lid 2, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.47)). De vreemdeling die namens een minderjarig kind een aanvraag indient, moet aantonen de wettelijke vertegenwoordiger van het kind te zijn. Als bij de aanvraag dat niet is aangetoond, dan moet de vreemdeling de gelegenheid worden geboden om dit alsnog binnen een termijn van twee weken aan te tonen. Als na deze twee weken het gebrek nog niet is hersteld, dan moet de aanvraag buiten behandeling worden gesteld. De aanvraag voldoet immers niet aan (een van) de vormvereisten.
De aanvraag bevat in ieder geval de naam en het adres van de vreemdeling, de dagtekening van de aanvraag. Bij ontvangst van de aanvraag wordt aangetekend op welke datum de aanvraag is ontvangen.
Als de vreemdeling de eerdere ingediende aanvraag wenst in te trekken dan worden de leges die de vreemdeling hiervoor heeft betaald niet teruggegeven.
De vreemdeling geeft op het aanvraagformulier aan welke verblijfsvergunning hij wenst te verkrijgen en voor welk verblijfsdoel hij in de openbare lichamen wenst te verblijven (zie [artikel 5.48, lid 1, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.48)).
### 3.4. Onderbouwende gegevens en bescheiden
Per aanvraag wordt één verblijfsdoel aangegeven. De verblijfsdoelen zijn genoemd in [artikel 5.2, eerste lid, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.2). Als de vreemdeling aangeeft voor meerdere verblijfsdoelen in de openbare lichamen te verblijven, dan moet hij voor ieder gewenst verblijfsdoel een aparte aanvraag indienen. Per aanvraag moet de vreemdeling leges betalen.
Als de vreemdeling na de indiening van de aanvraag aangeeft verblijf in de openbare lichamen voor een ander doel te wensen, moet hij hiervoor een nieuwe aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd indienen (zie [artikel 5.48, eerste lid, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.48)). Op de aanvraag moet worden beschikt zoals zij is ingediend en er mag niet iets anders worden toegewezen of afgewezen dan is aangevraagd. Alleen als redelijkerwijs niet van wijziging van het verblijfsdoel kan worden gesproken, hoeft geen nieuwe aanvraag te worden ingediend. Dit is bijvoorbeeld het geval als eerst verblijf bij een ongehuwde partner wordt beoogd en men vervolgende gedurende de behandeling van de aanvraag trouwt.
Als de vreemdeling de eerdere ingediende aanvraag wenst in te trekken dan worden de leges die de vreemdeling hiervoor heeft betaald niet teruggegeven.
Zolang geen onherroepelijke beslissing is genomen op de aanvraag om een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd verband houdend met bescherming tegen terugzending, kan de vreemdeling geen aanvraag om toelating doen op andere gronden dan genoemd in [artikel 12a WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=12a) (zie [artikel 5.48, lid 2, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.48)).
Alle buitenlandse documenten/verklaringen moeten zijn voorzien van legalisatie of apostille, afhankelijk van het land dat het stuk afgeeft. De vreemdeling moet hier zelf voor zorgen.
### 3.5. Specifieke bepalingen procedure verblijfsvergunning (on)bepaalde tijd
Als de vreemdeling niet beschikt over een geldig document voor grensoverschrijding, legt hij, voorzover mogelijk, gegevens en bescheiden over, waarmee wordt aangetoond dat hij vanwege de regering van het land waarvan hij onderdaan is, niet of niet meer in het bezit van een geldig document voor grensoverschrijding kan worden gesteld. In dat geval legt hij gegevens of bescheiden over omtrent zijn identiteit en nationaliteit (zie [artikel 5.50, lid 2, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.50)).
Alle stukken moeten zijn opgesteld in het Nederlands of Engels of zijn vertaald door een betrouwbare vertaler.
Een vreemdeling die twaalf jaar of ouder is moet bij een aanvraag om een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd een antecedentenverklaring ondertekenen. Deze verklaring is geïntegreerd in het aanvraagformulier. In het geval dat de vreemdeling dit gedeelte van het aanvraagformulier niet kan ondertekenen, moet worden onderzocht waarom hij dit niet kan. Als er sprake is van antecedenten, dan moet de vreemdeling documenten overleggen die betrekking hebben op deze antecedenten (bijvoorbeeld proces-verbaal, vonnis). Als de vreemdeling de redenen niet aangeeft of de documenten die betrekking hebben op zijn antecedenten niet overlegt, kan de aanvraag om procedurele redenen worden afgewezen (zie [artikel 5.47, derde lid, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.47)).
Alle buitenlandse documenten/verklaringen moeten zijn voorzien van legalisatie of apostille, afhankelijk van het land dat het stuk afgeeft. De vreemdeling moet hier zelf voor zorgen.
De vreemdeling kan het aanvraagformulier halen bij een IND-BES loket of anders via de website.
In de openbare lichamen zijn loketten aanwezig waar de vreemdeling een aanvraag om een verblijfsvergunning kan indienen. De vreemdeling kan via de website en brochures nagaan waar hij zich moet melden en hoe de procedure werkt. De vreemdeling kan ook langs gaan bij het loket voor informatie over de procedure. Aan het loket wordt dan een afspraak met de vreemdeling gemaakt voor het indienen van zijn aanvraag om een verblijfsvergunning.
De identiteit van de vreemdeling moet worden vastgesteld aan de hand van de vereiste brondocumenten zoals aangegeven in de basisadministratie persoonsgegevens en aan het loket worden de overgelegde documenten op echtheid beoordeeld
De IND unit Caribisch Nederland verstrekt aan de vreemdeling na de indiening van een aanvraag tot verlening dan wel wijziging van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd de sticker ‘verblijfsaantekeningen openbare lichamen algemeen’ (MBES46 CTU-BES). De sticker wordt afgegeven voor een duur die één maand korter is dan de geldigheidsduur van het document voor grensoverschrijding van de vreemdeling met een maximum van 6 maanden. De sticker bevat naast de aantekening over het rechtmatig verblijf ook informatie over de toegang tot de arbeidsmarkt (zie [artikel 7, eerste lid, WTU BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=7)).
De IND unit Caribisch Nederland maakt van alle door de vreemdeling overgelegde originele stukken kopieën.
De vreemdeling kan het aanvraagformulier halen bij een IND-BES loket of anders via de website.
### 3.6. Leges
De vreemdeling die na het verstrijken van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd in de openbare lichamen mag blijven om de beslissing op de verlengingsaanvraag af te wachten kan een sticker ‘verblijfsaantekeningen openbare lichamen algemeen’ (MBES46 CTU-BES) krijgen waaruit zijn rechtmatig verblijf blijkt. Dit geldt ook voor de vreemdeling die in afwachting is van een beslissing op een door hem ingediende aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd. De sticker bevat ook informatie over de toegang tot de arbeidsmarkt (zie [artikel 7, eerste lid, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=7)).
Na bekendmaking van de inwilligende beschikking door de IND unit Caribisch Nederland aan de vreemdeling, moet aan de vreemdeling een verblijfsdocument worden verstrekt waaruit zijn rechtmatig verblijf blijkt.
Als verblijfsdocument in de zin van [artikel 7, eerste lid, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=7) wordt aangemerkt de Sédula.
De Sédula wordt afgegeven door Burgerzaken. Voor afgifte van de Sédula moet de vreemdeling zich in persoon melden bij Burgerzaken en daar de originele beschikking tonen waarbij de verblijfsvergunning is verleend. Het verblijfsdocument wordt alleen in persoon aan de vreemdeling uitgereikt. Een eventuele eerder afgegeven Sédula moet dan worden ingeleverd. Als sprake is van vermissing van de oude Sédula moet ook (een kopie van) een proces-verbaal van aangifte van vermissing daarvan worden overgelegd. Als de vreemdeling minderjarig is, moet het verblijfsdocument door de wettelijke vertegenwoordiger in het bijzijn van de minderjarige in ontvangst worden genomen.
Een vreemdeling die een aanvraag indient tot het verlenen van een verblijfsvergunning onder een beperking gezinshereniging kan ontheven worden van de verplichting tot het betalen van leges. De vreemdeling moet een gerechtvaardigd beroep doen op artikel 8 EVRM. De hoofdpersoon bij wie de vreemdeling verblijf beoogd moet zijn financiële situatie met bewijsstukken aantonen. Hij moet aantonen dat hij niet over middelen beschikt om de leges te voldoen en dat hij de afgelopen drie jaren alles heeft gedaan om over de vereiste middelen te kunnen beschikken. Daarnaast moet hij ook aantonen dat hij op korte termijn niet zelf zal kunnen beschikken over de middelen om de leges te kunnen voldoen of door anderen in zijn omgeving. De vreemdeling moet bij het indienen van de aanvraag stukken overleggen waaruit dat blijkt. Als de vreemdeling zich beroept op vrijstelling van de leges maar bij de aanvraag geen stukken heeft overgelegd waaruit blijkt dat hij de leges niet kan betalen, dan wordt hem herstel verzuim geboden. Als de vreemdeling vervolgens geen stukken overlegt dan wordt de aanvraag buiten behandeling gesteld.
De vreemdeling is leges verschuldigd voor de afdoening van een aanvraag tot het verlenen, wijzigen of verlengen van een verblijfsvergunning. Daarnaast kan aan de vreemdeling ook leges worden gevraagd voor de afgifte van het document zelf ([artikel 7, lid 3, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=7)).
De vreemdeling moet voor een aanvraag leges betalen. Als hij meer dan één aanvraag indient, dan moet hij voor iedere afzonderlijke aanvraag leges betalen. De leges moeten betaald worden ongeacht de beslissing op de aanvraag. Als de vreemdeling de leges niet betaalt, dan wordt de aanvraag buiten behandeling gesteld of het document niet afgegeven ([artikel 7, lid 3, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=7)).
Als de vreemdeling één aanvraag indient mede ten behoeve van zijn minderjarige kinderen, dan moet voor ieder minderjarig kind ook leges worden betaald. Het totale bedrag moet in één keer worden voldaan.
Voor het afdoen van aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning met het oog op gezinshereniging kunnen twee legestarieven van toepassing zijn: een standaardtarief en een gezinstarief. Het gezinstarief is van toepassing als meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor gezinshereniging voor verblijf bij dezelfde hoofdpersoon, gelijktijdig worden ingediend. In het geval dat twee of meer vreemdelingen gelijktijdig een aanvraag indienen tot het verlenen van een verblijfsvergunning met het oog op gezinshereniging met een in de openbare lichaam verblijvende persoon, één van de aanvragers het standaardtarief moet betalen en de andere aanvragers het gezinstarief.
### 3.6.1. Restitutie leges
Het legestarief voor de afdoening van een aanvraag tot het verlengen van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd is vastgelegd in de [RTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028815).
De toepassing van het gezinstarief bij verlengingsaanvragen is niet afhankelijk van de vraag of er sprake is van meerdere gelijktijdig ingediende aanvragen. Voor alle individueel ingediende verlengingsaanvragen voor het verblijfsdoel ‘gezinshereniging’ komen de gezinsleden voor gezinstarief in aanmerking.
Als gelijktijdig aanvragen worden gedaan tot het verlengen en het wijzigen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, zijn voor de afdoening van de aanvraag tot het verlengen van de vergunning geen leges verschuldigd. Alleen voor de afdoening van de aanvraag tot het wijzigen van de vergunning moet de aanvrager leges betalen.
### 3.7. Behandeling van de aanvraag
### 3.6.1. Restitutie leges
Restitutie van de leges is slechts in uitzonderingsgevallen mogelijk en wordt per geval bekeken. Een verzoek om restitutie moet schriftelijk door de vreemdeling worden ingediend. In dit verzoek moet hij gemotiveerd aangeven waarom hij van mening is dat de leges aan hem moeten worden terugbetaald. Ook moet in het verzoek de volledige personalia van de vreemdeling bevatten en het bank- of gironummer.
Wanneer moeten de leges worden terugbetaald:
Als de vreemdeling na het indienen van de aanvraag besluit om de aanvraag in te trekken, de aanvraag is afgewezen of buiten behandeling gesteld, dan worden de leges niet terugbetaald.
### 3.7. Behandeling van de aanvraag
De beschikking op de aanvraag moet worden gegeven uiterlijk binnen zes maanden (zie [artikel 3 lid 3 WarBES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028455&artikel=3)). De wettelijke beslistermijn begint op de dag van ontvangst van de aanvraag en eindigt op het moment dat de beslissing aan de vreemdeling bekend is gemaakt.
Als niet wordt voldaan aan de vereisten voor het in behandeling nemen van de aanvraag biedt de IND unit Caribisch Nederland de vreemdeling de gelegenheid om binnen twee weken het verzuim te herstellen. Deze termijn is echter niet bedoeld om de vreemdeling alsnog in de gelegenheid te stellen om inhoudelijk aan de voorwaarden te voldoen. Als het gaat om het overleggen van een geldig document voor grensoverschrijding, dan geeft de IND unit Caribisch Nederland de aanvrager vier weken de tijd om dit verzuim te herstellen.
### 3.7.3. Rechtmatig verblijf hangende besluitvorming
De herstel verzuim termijn kan worden verlengd. Hiervoor moeten wel goede redenen aanwezig zijn. De vreemdeling moet dit schriftelijk verzoeken. In dit verzoek moet hij gemotiveerd aangeven waarom hij een langere termijn nodig heeft om het verzuim te herstellen.
### 3.7.2. Beslistermijn
De beschikking op de aanvraag moet worden gegeven uiterlijk binnen zes maanden (zie [artikel 3 lid 3 WarBES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028455&artikel=3)). De wettelijke beslistermijn begint op de dag van ontvangst van de aanvraag en eindigt op het moment dat de beslissing aan de vreemdeling bekend is gemaakt.
### 3.7.5. Bekendmaking
### 3.7.3. Rechtmatig verblijf hangende besluitvorming
De vreemdeling mag de behandeling van de aanvraag tot het verlenen, verlengen of wijzigen van de verblijfsvergunning in de openbare lichamen afwachten, tenzij het een herhaalde aanvraag betreft (zie [artikel 5.1, eerste lid, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.1)). Als de aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd mogelijk zou kunnen worden afgewezen, omdat de vreemdeling een gevaar is voor de openbare orde of nationale veiligheid, mag de vreemdeling de behandeling van de aanvraag niet afwachten in de openbare lichamen. Hij kan dan nog voordat op zijn aanvraag is beslist, worden uitgezet (zie [artikel 16a WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=16a) en [artikel 5.1, tweede lid, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.1)). Tegen de beschikking inhoudende dat de uitzetting niet achterwege wordt gelaten kan bezwaar worden gemaakt (zie [artikel 17, lid 1 sub d, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=17)).
Hoofdregel: een beschikking wordt aan de belanghebbende toegezonden.
Alle beslissingen met betrekking tot de inwilliging, de afwijzing of buitenbehandelingstelling van aanvragen tot het verlenen, verlengen of wijzigen van verblijfsvergunningen, en intrekking daarvan, worden door of namens de Minister van Justitie genomen.
Gevallen waarin de originele beschikking in persoon wordt uitgereikt.
Wordt een beschikking gegeven waarbij aan de vreemdeling (voortzetting van) verblijf wordt toegestaan, geheel of gedeeltelijk in overeenstemming met een door hem ingediende aanvraag, dan moet de vreemdeling zich in persoon met de originele beschikking melden bij Burgerzaken voor uitreiking van het verblijfsdocument.
De termijn voor het indienen van een beroep- of bezwaarschrift vangt aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt ([artikel 16, lid 1,2 en 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028455&artikel=16) en [artikel 56, lid 1,2 en 4 van de WarBES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028455&artikel=56)).
Hoofdregel: een beschikking wordt aan de belanghebbende toegezonden.
Verzending van de schriftelijk, gemotiveerde beschikking naar het adres, zoals blijkt uit de basisadministratie persoonsgegevens, van de vreemdeling als bekendmaking van de beschikking ([artikel 5.52, lid4, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.52)). In de beschikking wordt de vreemdeling gewezen op het instellen van rechtsmiddelen. Bij minderjarige kinderen geldt het adres van de wettelijk vertegenwoordiger. Als de vreemdeling niet op het bij de IND unit Caribisch Nederland bekende adres woont en hij heeft verzuimd een adreswijziging door te geven, dan moet de beschikking naar het laatst bekende adres, zoals blijkt uit de basisadministratie persoonsgegevens, worden toegezonden. De beschikking is op deze wijze op voorgeschreven wijze bekend gemaakt.
Gevallen waarin de originele beschikking in persoon wordt uitgereikt.
### 3.7.5.2. Weigering verlenging en wijziging beperking
Als de vreemdeling zich buiten het openbare lichaam bevindt dan wordt de beschikking bekendgemaakt na zijn aankomst in het openbaar lichaam (zie [artikel 5.52, lid 3, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.52)).
Na bekendmaking van de inwilligende beschikking door de IND unit Caribisch Nederland aan de vreemdeling, moet aan de vreemdeling een verblijfsdocument worden verstrekt waaruit zijn rechtmatig verblijf blijkt.
### 3.8. Overgangsrecht
### 3.8.1. Geldige verblijfstitels, verklaringen van verblijf van rechtswege en nvt-verklaringen
Een op het tijdstip van inwerkingtreding van de [WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571) geldige verblijfstitel, verklaring van verblijf van rechtswege of een verklaring, inhoudende dat de Landsverordening toelating en uitzetting niet op de houder ervan van toepassing is, afgegeven door of namens de Minister van Justitie van de Nederlandse Antillen, wordt op dat tijdstip met inachtneming van het tweede tot en met het vijfde lid van artikel II van de WTU-BES van rechtswege aangemerkt als een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, dan wel verklaring van verblijf van rechtswege, op grond van de WTU-BES.
Bij wijziging van de vergunning (beperking) overeenkomstig een door de vreemdeling ingediende aanvraag wordt een nieuw verblijfsdocument verstrekt.
Van deze beschikking wordt niet afzonderlijk kennis gegeven als tevens verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning wordt geweigerd of de vergunning wordt ingetrokken.
Een vergunning tot verblijf met als beperking een woonplaats, gelegen op Bonaire, Sint Eustatius of Saba, wordt aangemerkt als een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in de [WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571), met dien verstande dat daaraan verbonden beperkingen en voorschriften worden geacht te zijn opgeheven.
Een verklaring van verblijf van rechtswege, waarvan een vreemdeling houder is, met als beperking een woonplaats, gelegen op Bonaire, Sint Eustatius of Saba, wordt, onder handhaving van de voorwaarden waaronder de verklaring is verstrekt en de geldigheidsduur, aangemerkt als een verklaring van verblijf van rechtswege als bedoeld in de [WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571), met dien verstande dat de daaraan verbonden voorwaarde met betrekking tot de woonplaats wordt geacht te zijn opgeheven.
Een op het tijdstip van inwerkingtreding van de [WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571) geldige verblijfstitel, verklaring van verblijf van rechtswege of een verklaring, inhoudende dat de Landsverordening toelating en uitzetting niet op de houder ervan van toepassing is, afgegeven door of namens de Minister van Justitie van de Nederlandse Antillen, wordt op dat tijdstip met inachtneming van het tweede tot en met het vijfde lid van artikel II van de WTU-BES van rechtswege aangemerkt als een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, dan wel verklaring van verblijf van rechtswege, op grond van de WTU-BES.
### 3.8.2. In behandeling zijnde verzoeken
Bij de eerstvolgende aanvraag om verlenging van de geldigheidsduur moet de vreemdeling op het aanvraagformulier het verblijfsdoel aangeven dat overeenkomt met het verblijfsdoel waarvoor de aan vergunning tot tijdelijk verblijf destijds aan hem is verleend. De aanvraag om verlenging wordt vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de [WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571) getoetst aan de vanaf dat tijdstip geldende de voorwaarden voor verlenging van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd voor het betreffende verblijfsdoel.
Een vergunning tot verblijf met als beperking een woonplaats, gelegen op Bonaire, Sint Eustatius of Saba, wordt aangemerkt als een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in de [WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571), met dien verstande dat daaraan verbonden beperkingen en voorschriften worden geacht te zijn opgeheven.
Een verklaring van verblijf van rechtswege, waarvan een vreemdeling houder is, met als beperking een woonplaats, gelegen op Bonaire, Sint Eustatius of Saba, wordt, onder handhaving van de voorwaarden waaronder de verklaring is verstrekt en de geldigheidsduur, aangemerkt als een verklaring van verblijf van rechtswege als bedoeld in de [WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571), met dien verstande dat de daaraan verbonden voorwaarde met betrekking tot de woonplaats wordt geacht te zijn opgeheven.
Een verklaring, inhoudende dat de Landsverordening toelating en uitzetting niet op de houder ervan van toepassing is, wordt, indien een vreemdeling daarvan de houder is en deze op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet woonplaats heeft op Bonaire, Sint Eustatius of Saba, aangemerkt als een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, afgegeven op grond van de [WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571).
Op de behandeling van bovenstaande verzoeken blijft het recht dat gold voor het tijdstip van inwerkingtreding van de [WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571) van toepassing.
### 3.8.3. Voortgezet verblijf na vijf jaar
Een op het tijdstip van inwerkingtreding van de [WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571) in behandeling zijnd verzoek tot het verlenen van een vergunning tot verblijf wordt aangemerkt als een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd op grond van de WTU-BES.
### 3.8.4. Verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd na vijf jaar
Een op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet in behandeling zijnd verzoek tot het verstrekken van een verklaring, inhoudende dat de Landsverordening toelating en uitzetting niet van toepassing is, ingediend bij de gezaghebber van Bonaire, Sint Eustatius of Saba, wordt aangemerkt als een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd op grond van de [WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571).
Op de behandeling van bovenstaande verzoeken blijft het recht dat gold voor het tijdstip van inwerkingtreding van de [WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571) van toepassing.
### 3.8.3. Voortgezet verblijf na vijf jaar
### 1. Inleiding
In [artikel 5.20 BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.20) is geregeld in welke gevallen en onder welke voorwaarden een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt verleend voor arbeid in loondienst, als er geen afwijzingsgronden van toepassing zijn. Als aan één of meer van de in artikel 5.20 BTU-BES genoemde verblijfsvoorwaarden niet is voldaan, of wanneer een algemene weigeringsgrond (zie [artikel 9 WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=9)) van toepassing is, is de Minister niet verplicht doch wel bevoegd de verblijfsvergunning te verlenen. De gevallen waarin van de bevoegdheid om de verblijfsvergunning te verlenen gebruik wordt gemaakt, worden aangegeven in de CTU-BES.
Gedurende vijf jaar na inwerkingtreding van het [BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599) wordt de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd (zoals opgenomen in [artikel 5.45 BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.45)) verleend aan de vreemdeling die:
De aanvraag wordt beoordeeld aan de hand van het recht zoals dat gold op het tijdstip waarop de aanvraag is ontvangen en niet op het tijdstip waarop de geldigheidsduur van de oorspronkelijke vergunning afliep (zie [artikel 5.51 BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.51)).
Onder een buitenlandse werknemer wordt verstaan: een vreemdeling die in de openbare lichamen arbeid in loondienst verricht of wil (gaan) verrichten.
[Artikel 5.21 BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.21) bepaalt dat geen verblijfsvergunning wordt verleend voor het verrichten van arbeid, hetzij in loondienst, hetzij als zelfstandige, die geheel of gedeeltelijk bestaat uit het verrichten van seksuele handelingen of het verlenen van seksuele diensten.
### 1.1. Samenhang tussen de [WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571) en de [Wav BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028437)
Gelet op [artikel 5.20, eerste lid, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.20) wordt, met inachtneming van een aantal procedurele bepalingen, de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd onder een beperking verband houdend met het verrichten van arbeid in loondienst verleend:
De [Wav BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028437) kent een aantal uitzonderingen op de verplichte arbeidsmarkttoets (zie bijvoorbeeld [artikel 8, derde lid, Wav BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028437&artikel=8)). In die gevallen kan een TWV worden verleend zonder toetsing aan prioriteitgenietend aanbod op de arbeidsmarkt.
Onder een buitenlandse werknemer wordt verstaan: een vreemdeling die in de openbare lichamen arbeid in loondienst verricht of wil (gaan) verrichten.
[Artikel 5.21 BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.21) bepaalt dat geen verblijfsvergunning wordt verleend voor het verrichten van arbeid, hetzij in loondienst, hetzij als zelfstandige, die geheel of gedeeltelijk bestaat uit het verrichten van seksuele handelingen of het verlenen van seksuele diensten.
[Artikel 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028437&artikel=2), bepaalt dat het een werkgever verboden is een vreemdeling in de openbare lichamen arbeid te laten verrichten zonder TWV. De [Wav BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028437) voorziet in [artikel 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028437&artikel=7) en [8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028437&artikel=8) in een aantal uitzonderingen op deze verbodsbepaling.
Onze Minister is verantwoordelijk voor de verlening van een verblijfsvergunning op grond van het bepaalde bij en krachtens de [WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571).
De Minister van SZW is verantwoordelijk voor het beleid met betrekking tot de toelating tot de arbeidsmarkt van de openbare lichamen op grond van de [Wav BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028437). Hij heeft de uitvoering van de Wav BES gedelegeerd aan de SZW-BES unit in de openbare lichamen.
In de behoefte aan arbeidskrachten moet zoveel mogelijk worden voorzien door inschakeling van het op de lokale arbeidsmarkt aanwezige of redelijkerwijs te verwachten aanbod. Dit is het zogenaamde prioriteitgenietend aanbod op de lokale arbeidsmarkt. Onder lokale arbeidsmarkt wordt verstaan: de arbeidsmarkten van de openbare lichamen samen.
### 1.2. Meerdere werkgevers
[Artikel 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028437&artikel=2), bepaalt dat het een werkgever verboden is een vreemdeling in de openbare lichamen arbeid te laten verrichten zonder TWV. De [Wav BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028437) voorziet in [artikel 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028437&artikel=7) en [8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028437&artikel=8) in een aantal uitzonderingen op deze verbodsbepaling.
Op grond van de [WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571) wordt getoetst of aan de voorwaarden voor verlening van een verblijfsvergunning is voldaan.
Op grond van de [Wav BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028437) wordt getoetst of aan de voorwaarden voor verlening van een TWV is voldaan door de werkgever waarvoor de vreemdeling arbeid wil gaan verrichten.
De procedures die op grond van de [WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571) en de [Wav BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028437) moeten worden gevolgd hangen zeer nauw met elkaar samen en de beslissingen op de aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd en de aanvraag om verlening van een TWV beïnvloeden elkaar. Daarom is een nauwe samenwerking tussen de diensten die deze regelingen uitvoeren van belang.
**Luciano werkt bij een ICT-bedrijf dat hem bij verschillende werkgevers opdrachten laat uitvoeren. Het ICT-bedrijf moet beschikken over een TWV, op basis waarvan Luciano bij verschillende klanten opdrachten in de ICT-sector mag uitvoeren.**
### 2. Buitenlandse werknemers voor wie een TWV is vereist
### 2.1. Verblijfsvoorwaarden
**Bouwbedrijf B heeft in beginsel de TWV voor de tewerkstelling van Luciano bij bouwbedrijf A. Als bouwbedrijf B de TWV niet heeft, moet bouwbedrijf A de TWV aanvragen.**
**Luciano verricht arbeid als metselaar bij bouwbedrijf A voor 3 dagen in de week. Daarnaast verricht hij werkzaamheden als metselaar bij bouwbedrijf B voor 2 dagen in de week. Beide bouwbedrijven moeten in dit geval een TWV hebben.**
**Luciano werkt bij een ICT-bedrijf dat hem bij verschillende werkgevers opdrachten laat uitvoeren. Het ICT-bedrijf moet beschikken over een TWV, op basis waarvan Luciano bij verschillende klanten opdrachten in de ICT-sector mag uitvoeren.**
Andersom zal een aanvraag voor verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd of verlenging daarvan worden afgewezen als de vreemdeling arbeid verricht zonder dat voor die arbeid een TWV is verleend (zie [artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=9) en [artikel 5.20, eerste lid, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.20)).
### 2.1. Verblijfsvoorwaarden
De voorwaarden voor verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd voor het verrichten van arbeid in loondienst zijn (zie [artikel 5.20 BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.20)):
De van TWV-plicht vrijgestelde categorieën worden beschreven in [artikel 7 Besluit uitvoering Wav BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028231&artikel=7).
### 2.3. Procedure bij het loket van IND-BES (1-loket procedure)
Andersom zal een aanvraag voor verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd of verlenging daarvan worden afgewezen als de vreemdeling arbeid verricht zonder dat voor die arbeid een TWV is verleend (zie [artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=9) en [artikel 5.20, eerste lid, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.20)).
Om de doelmatigheid en de snelheid van de afhandeling van aanvragen om toelating en om een TWV te bevorderen en om een goede afstemming van de werkprocessen bij de IND unit Caribisch Nederland en de SZW-BES unit te waarborgen, kunnen aanvragen om een mvv /verblijfsvergunning én om een TWV bij het loket van de IND-BES worden ingediend.
### 2.3.1. 1-loket procedure
Alle stukken moeten zijn opgesteld in het Nederlands of Engels of zijn vertaald door een betrouwbare vertaler.
De formulieren voor het aanvragen van een TWV, een mvv en een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd zijn in ieder geval verkrijgbaar bij het loket van de IND-BES. In deze aanvraagformulieren staat welke gegevens en bescheiden bij het indienen van de aanvragen overgelegd moeten worden.
Van belang is de volgorde waarin de aanvragen worden ingediend en de volgorde waarin daarop wordt beslist. Ook is het belangrijk dat de bij de beslissingen betrokken instanties informatie met elkaar uitwisselen over de bij hen ingekomen aanvragen en hun beslissingen daarop. Hierdoor wordt voorkomen dat er een vicieuze cirkel ontstaat. Om deze reden is in de openbare lichamen een 1-loket procedure ingericht.
Om de doelmatigheid en de snelheid van de afhandeling van aanvragen om toelating en om een TWV te bevorderen en om een goede afstemming van de werkprocessen bij de IND unit Caribisch Nederland en de SZW-BES unit te waarborgen, kunnen aanvragen om een mvv /verblijfsvergunning én om een TWV bij het loket van de IND-BES worden ingediend.
Zodra de beslissing op de TWV-aanvraag bij de IND unit Caribisch Nederland bekend is, neemt IND unit Caribisch Nederland een beslissing op de aanvraag om een mvv of een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd. Als de aanvraag om een TWV is afgewezen, wordt ook de aanvraag om een verblijfsvergunning afgewezen. Als de aanvraag om een TWV is ingewilligd, wordt in de regel ook de aanvraag om een mvv of verblijfsvergunning ingewilligd. Dit laatste hoeft echter niet per se het geval te zijn. Het kan voorkomen dat de aanvraag om een TWV is ingewilligd, maar dat niet aan alle voorwaarden voor verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt voldaan.
De werkgever vraagt ten behoeve van de vreemdeling die in de openbare lichamen arbeid in loondienst wil gaan verrichten, bij het loket van IND-BES zoveel mogelijk gelijktijdig een TWV én een mvv voor het verrichten van arbeid in loondienst aan. Als de vreemdeling niet mvv-plichtig is, dient de werkgever bij het loket een aanvraag om een TWV in en dient de vreemdeling, zoveel mogelijk gelijktijdig, een aanvraag in om een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd voor het verrichten van arbeid in loondienst. Als de vreemdeling zelf de aanvraag om een mvv indient bij de Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging in zijn land van herkomst of bestendig verblijf, wordt deze aanvraag ter afhandeling doorgezonden naar de IND unit Caribisch Nederland. Na ontvangst van deze mvv-aanvraag wordt de werkgever door de IND unit Caribisch Nederland uitgenodigd om bij het loket een TWV-aanvraag in te dienen.
De formulieren voor het aanvragen van een TWV, een mvv en een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd zijn in ieder geval verkrijgbaar bij het loket van de IND-BES. In deze aanvraagformulieren staat welke gegevens en bescheiden bij het indienen van de aanvragen overgelegd moeten worden.
Bij het indienen van de aanvragen moeten de aanvraagformulieren:
### 2.3.2. Procedure gezinsleden bij het loket van IND-BES
Zodra de beslissing op de TWV-aanvraag bij de IND unit Caribisch Nederland bekend is, neemt IND unit Caribisch Nederland een beslissing op de aanvraag om een mvv of een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd. Als de aanvraag om een TWV is afgewezen, wordt ook de aanvraag om een verblijfsvergunning afgewezen. Als de aanvraag om een TWV is ingewilligd, wordt in de regel ook de aanvraag om een mvv of verblijfsvergunning ingewilligd. Dit laatste hoeft echter niet per se het geval te zijn. Het kan voorkomen dat de aanvraag om een TWV is ingewilligd, maar dat niet aan alle voorwaarden voor verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt voldaan.
**Uitzondering**: als meteen al duidelijk is dat de mvv of verblijfsvergunning moet worden geweigerd, ongeacht of er wel of geen TWV wordt verleend, wordt de aanvraag om een mvv of verblijfsvergunning direct afgewezen en wordt niet gewacht op de beslissing van SZW-BES unit op de aanvraag om een TWV. Hierbij moet met name worden gedacht aan gevallen waarin de aanvraag om een mvv of verblijfsvergunning wordt afgewezen wegens gevaar voor de openbare orde. De SZW-BES unit wordt zo snel mogelijk van de beslissing op de aanvraag om een mvv of verblijfsvergunning in kennis gesteld, vanwege de te nemen beslissing op de TWV-aanvraag.
De beslissingen op de aanvragen om een TWV en om een mvv/verblijfsvergunning voor bepaalde tijd worden beide in beginsel bekendgemaakt door uitreiking in persoon van de beschikkingen aan het loket van de IND-BES. In beginsel vindt dit zoveel mogelijk gelijktijdig plaats (zie voor regels over bekendmaking van besluiten hoofdstuk 3, paragraaf 3.7.6)
Als een werkgever een vreemdeling arbeid laat verrichten in de zin van de [Wav BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028437), zonder dat hij in het bezit is van de vereiste TWV, wordt vermoed dat die vreemdeling gedurende tenminste zes maanden werkzaam is geweest voor die werkgever (zie [artikel 20 Wav BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028437&artikel=20)). Met behulp van dit rechtsvermoeden kan een vreemdeling een loonvordering instellen. Voor het doorlopen van deze procedure in de openbare lichamen wordt aan de illegale vreemdeling echter geen verblijf toegestaan.
Gezinsleden van arbeidsmigranten zijn niet vrij op de arbeidsmarkt. Als zij willen werken, moet de werkgever beschikken over een TWV.
### 2.4. Samenhang beslissing aanvraag TWV en verblijfsvergunning
Het gelijktijdig afdoen van de aanvraag om toelating van gezinsleden door het IND-BES loket, samen met die van de hoofdaanvrager, is verder alleen mogelijk:
Aanvragen verband houdend met adoptie en opname als pleegkind worden niet gelijktijdig met de aanvraag van de hoofdaanvrager afgehandeld.
Voor gezinsleden gelden daarnaast de in [hoofdstuk 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028837&hoofdstuk=3&z=2012-07-01&g=2012-07-01) neergelegde toepasselijke voorwaarden, waaronder de voorwaarden inzake legalisatie en verificatie van documenten.
Gezinsleden van arbeidsmigranten zijn niet vrij op de arbeidsmarkt. Als zij willen werken, moet de werkgever beschikken over een TWV.
De afwijzing van de aanvraag om een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd is een dwingende weigeringsgrond voor een TWV (zie [artikel 8, eerste lid onder e Wav BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028437&artikel=8)). Door, als dat mogelijk is, direct op de aanvraag om een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd te beslissen wordt de ongewenste situatie voorkomen dat achteraf het verblijf moet worden ontzegd aan een vreemdeling, die inmiddels op grond van een aan de werkgever op diens aanvraag verleende TWV arbeid in loondienst is gaan verrichten. Er wordt direct op een aanvraag om een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd beslist als sprake is van de weigeringsgronden van [artikel 9 WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=9):
Voor verblijf in de openbare lichamen verband houdend met het verrichten van arbeid in loondienst moet de werkgever van de vreemdeling beschikken over een TWV en de vreemdeling over een verblijfsvergunning. De beslissing op de aanvraag om een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd enerzijds en de beslissing op de aanvraag om een TWV anderzijds beïnvloeden elkaar.
Hoofdregel:
Met de beslissing op de aanvraag om een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt gewacht totdat op de aanvraag om een TWV is beslist. Wordt de TWV verleend dan zal als regel ook de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd worden verleend, als ook aan de overige voorwaarden wordt voldaan.
Mogelijke situaties:
De afwijzing van de aanvraag om een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd is een dwingende weigeringsgrond voor een TWV (zie [artikel 8, eerste lid onder e Wav BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028437&artikel=8)). Door, als dat mogelijk is, direct op de aanvraag om een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd te beslissen wordt de ongewenste situatie voorkomen dat achteraf het verblijf moet worden ontzegd aan een vreemdeling, die inmiddels op grond van een aan de werkgever op diens aanvraag verleende TWV arbeid in loondienst is gaan verrichten. Er wordt direct op een aanvraag om een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd beslist als sprake is van de weigeringsgronden van [artikel 9 WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=9):
In afwachting van de beslissing op de aanvraag om een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd voor het verrichten van arbeid in loondienst plaatst de IND unit Caribisch Nederland een verblijfsaantekening in het paspoort of identiteitsbewijs van de vreemdeling.
Als de aanvraag om een TWV wordt geweigerd voordat op de aanvraag om een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd is beslist, wordt als regel ook een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd voor het verrichten van arbeid in loondienst geweigerd.
### 2.5. Geldigheidsduur: relatie met de TWV
Een weigering de geldigheidsduur te verlengen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd of de intrekking ervan en ook intrekking van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd vormt op grond van [artikel 10, onder b, Wav BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028437&artikel=10) een dwingende reden voor intrekking van de TWV.
Om in aanmerking te komen voor een TWV voor het verrichten van arbeid in loondienst of arbeid in loondienst als praktikant toetst SZW-BES unit of de vreemdeling met de voorgenomen arbeid een salaris zal ontvangen dat:
Om in aanmerking te komen voor een TWV voor het verrichten van arbeid in loondienst als stagiair toetst SZW-BES of de vreemdeling een stagevergoeding ontvangt van minimaal 50% van het bruto minimumloon, genoemd in [artikel 9 van de Wet minimumlonen BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028170&artikel=9), na aftrek van de daarop in te houden loonheffing.
Als in de hiervoor genoemde gevallen ten behoeve van de vreemdeling een TWV is afgegeven, is daarmee ook aangetoond dat is voldaan aan het vereiste om zelfstandig te beschikken over voldoende middelen van bestaan (zie [artikel 5.33 BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.33)). De in [hoofdstuk 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028837&hoofdstuk=3&z=2012-07-01&g=2012-07-01) genoemde bewijsstukken inkomsten uit arbeid in loondienst hoeven dan niet overgelegd te worden.
### 2.5. Geldigheidsduur: relatie met de TWV
### 2.6.1. Beperking
Een TWV wordt voor bepaalde tijd afgegeven (zie [artikel 7 Wav-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028437&artikel=7)). In normale gevallen is de geldigheidsduur van een TWV gelijk aan de duur van het arbeidscontract. De maximale geldigheidsduur van een TWV is drie jaar. Er kan daarna (ook door dezelfde werkgever, ten behoeve van dezelfde werknemer en voor hetzelfde werk) wel een nieuwe TWV worden aangevraagd en verleend. De maximale geldigheidsduur van de verblijfsvergunning met als verblijfsdoel het verrichten van arbeid in loondienst is daarom drie jaar. Dit komt overeen met de maximale duur waarvoor een TWV kan worden afgegeven. De geldigheidsduur van de verblijfsvergunning kan daarna telkens worden verlengd met de duur van daarop volgende tewerkstellingen.
### 2.6.2. Arbeidsmarktaantekening
Arbeid in loondienst is een niet-tijdelijk verblijfsdoel (zie [artikel 5.3, derde lid, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.3)).
Als een vreemdeling voor een ander doel dan het verrichten van arbeid in loondienst wordt toegelaten, wordt ook een arbeidsmarktaantekening op het verblijfsdocument geplaatst. Deze aantekening is afhankelijk van het doel waarvoor verblijf is toegestaan. In de desbetreffende hoofdstukken staat welke arbeidsmarktaantekening dan geldt.
### 2.6.1. Beperking
Als aan de hierboven in 2.1 genoemde voorwaarden wordt voldaan, wordt de verblijfsvergunning verleend onder de beperking ‘arbeid in loondienst bij ............ (naam werkgever)’.
Beleidsregel:
Op de verblijfsvergunning staat in beginsel de aantekening: ’arbeid in loondienst alleen toegestaan indien de werkgever beschikt over TWV’. (Zie [artikel 6.17, derde lid, onder b, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=6.17)).
Als een vreemdeling voor een ander doel dan het verrichten van arbeid in loondienst wordt toegelaten, wordt ook een arbeidsmarktaantekening op het verblijfsdocument geplaatst. Deze aantekening is afhankelijk van het doel waarvoor verblijf is toegestaan. In de desbetreffende hoofdstukken staat welke arbeidsmarktaantekening dan geldt.
Bij verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd in het kader van gezinshereniging bij een hoofdpersoon, die in het bezit is van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd voor het verrichten van arbeid in loondienst dan wel die daarvoor een aanvraag heeft ingediend, moet de schriftelijke garantstelling worden ondertekend door de werkgever van de hoofdpersoon, mits deze solvabel is.
Aan de verlening van de verblijfsvergunning worden de volgende voorschriften verbonden:
Beleidsregel:
### 3. Buitenlandse werknemers voor wie een TWV niet is vereist
### 3.1. Verblijfsvoorwaarden
Bij verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd in het kader van gezinshereniging bij een hoofdpersoon, die in het bezit is van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd voor het verrichten van arbeid in loondienst dan wel die daarvoor een aanvraag heeft ingediend, moet de schriftelijke garantstelling worden ondertekend door de werkgever van de hoofdpersoon, mits deze solvabel is.
Beleidsregel:
### 3.2. Vrijgestelde categorieën vreemdelingen
Het verbod voor een werkgever om een vreemdeling zonder TWV arbeid te laten verrichten geldt niet voor (zie [artikel 3 Wav BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028437&artikel=3)):
Ter uitvoering van d zijn in de [artikelen 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028231&artikel=7) en [8 van het Besluit uitvoering Wav BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028231&artikel=8) een aantal categorieën vreemdelingen respectievelijk werkzaamheden aangewezen waarvoor geen TWV is vereist. Vreemdelingen die tot één van deze aangewezen categorieën behoren, kunnen aan die aanwijzing op zichzelf geen aanspraak ontlenen op een verblijfsvergunning voor bepaalde of onbepaalde tijd.
### 3.2.1. Vreemdelingen met aantekening ‘arbeid vrij toegestaan’
Zie voor de vereiste bescheiden paragraaf 2.2 met uitzondering van een geldige TWV.
Op het verblijfsdocument wordt de volgende aantekening geplaatst: ‘Arbeid vrij toegestaan. TWV niet vereist’.
Het verbod voor een werkgever om een vreemdeling zonder TWV arbeid te laten verrichten geldt niet voor (zie [artikel 3 Wav BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028437&artikel=3)):
Ter uitvoering van d zijn in de [artikelen 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028231&artikel=7) en [8 van het Besluit uitvoering Wav BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028231&artikel=8) een aantal categorieën vreemdelingen respectievelijk werkzaamheden aangewezen waarvoor geen TWV is vereist. Vreemdelingen die tot één van deze aangewezen categorieën behoren, kunnen aan die aanwijzing op zichzelf geen aanspraak ontlenen op een verblijfsvergunning voor bepaalde of onbepaalde tijd.
### 3.2.1. Vreemdelingen met aantekening ‘arbeid vrij toegestaan’
### 4.1. Nederlandse zeeschepen
Op het verblijfsdocument wordt de volgende aantekening geplaatst: ‘Arbeid vrij toegestaan. TWV niet vereist’.
Zo’n aantekening wordt afgegeven aan een vreemdeling:
### 4.2. Internationale luchtvaart en scheepvaart
Vreemdelingen die als bemanningslid van internationale schepen en luchtvaartuigen werkzaam zijn, komen in beginsel niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd. Deze vreemdelingen mogen zonder verblijfsvergunning voor bepaalde tijd in de openbare lichamen binnenkomen en er verblijven voor een periode van maximaal drie maanden (zie [artikel 4.3 BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=4.3)). Zij hebben toelating van rechtswege op grond van [artikel 5a WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=5a).
Het algemene vreemdelingenbeleid is niet van toepassing op buitenlandse werknemers in enkele specifieke sectoren (internationale luchtvaart en scheepvaart) van de internationale arbeidsmarkt, omdat zij niet dan wel het grootste deel van de tijd niet werkzaam zijn op Nederlands grondgebied. De toelating van rechtswege voor de duur van maximaal 3 maanden vervalt op het tijdstip van vertrek van het schip of luchtvaartuig.
Vreemdelingen die werkzaam zijn (geweest) op Nederlandse zeeschepen en die hun verlof willen doorbrengen in de openbare lichamen, komen op deze grond niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd. Deze vreemdelingen mogen zonder verblijfsvergunning voor bepaalde tijd in de openbare lichamen binnenkomen en er verblijven voor de duur van maximaal drie maanden (zie [artikel 4.3 BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=4.3)).
Als Nederlands zeeschip wordt aangemerkt een schip dat onder Nederlandse vlag vaart en in Nederland is geregistreerd.
In geval van een beoogd verblijf van langer dan drie maanden moet er ook een aanvraag voor een verblijfsvergunning en indien nodig een mvv te worden ingediend. Als de TWV wordt verleend, kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd worden afgegeven onder de beperking ‘arbeid in loondienst’, met arbeidsmarktaantekening ‘Arbeid uitsluitend toegestaan indien werkgever beschikt over TWV’ (zie verder [hoofdstuk 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028837&hoofdstuk=3&z=2010-10-08&g=2010-10-08)).
Vreemdelingen die als bemanningslid van internationale schepen en luchtvaartuigen werkzaam zijn, komen in beginsel niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd. Deze vreemdelingen mogen zonder verblijfsvergunning voor bepaalde tijd in de openbare lichamen binnenkomen en er verblijven voor een periode van maximaal drie maanden (zie [artikel 4.3 BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=4.3)). Zij hebben toelating van rechtswege op grond van [artikel 5a WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=5a).
### 4.3. Stagiaires en praktikanten
### 4.3.1. Inleiding
Als een vreemdeling:
In geval van een beoogd verblijf van langer dan drie maanden moet er ook een aanvraag voor een verblijfsvergunning en indien nodig een mvv te worden ingediend. Als de TWV wordt verleend, kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd worden afgegeven onder de beperking ‘arbeid in loondienst’, met arbeidsmarktaantekening ‘Arbeid uitsluitend toegestaan indien werkgever beschikt over TWV’ (zie verder [hoofdstuk 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028837&hoofdstuk=3&z=2012-07-01&g=2012-07-01)).
### 4.3.2. Verblijfsvoorwaarden
In [artikel 5.20 BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.20) staan de voorwaarden voor verlening van een verblijfsvergunning voor het verrichten van arbeid in loondienst als stagiair of praktikant. Zie de onder dit hoofdstuk, paragraaf 2.1 genoemde voorwaarden.
[Artikel 14, eerste lid, Besluit uitvoering Wav-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028231&artikel=14) bepaalt dat een TWV voor de vreemdeling die arbeid als stagiair wil gaan verrichten, voor maximaal een jaar kan worden verleend zonder arbeidsmarkttoets.
Onder stagiair wordt verstaan een vreemdeling die naar de openbare lichamen komt om arbeid te verrichten die noodzakelijk is om de opleiding in het land van herkomst te kunnen voltooien.
Onder praktikant wordt verstaan een vreemdeling die naar de openbare lichamen komt om werkervaring op te doen die voor diens toekomstig functioneren in het land van herkomst van belang is.
### 4.3.2. Verblijfsvoorwaarden
### 4.3.3.1. Beperking
[Artikel 14, eerste lid, Besluit uitvoering Wav-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028231&artikel=14) bepaalt dat een TWV voor de vreemdeling die arbeid als stagiair wil gaan verrichten, voor maximaal een jaar kan worden verleend zonder arbeidsmarkttoets.
[Artikel 15, eerste lid, Besluit uitvoering Wav BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028231&artikel=15) bepaalt dat een TWV voor de vreemdeling die arbeid als praktikant wil gaan verrichten, voor maximaal 24 weken in een periode van een jaar kan worden verleend zonder arbeidsmarkttoets.
### 4.3.3.2. Arbeidsmarktaantekening
Op het verblijfsdocument wordt vermeld: ‘specifieke arbeid toegestaan mits werkgever beschikt over TWV; andere arbeid niet toegestaan’.
### 4.3.3.1. Beperking
De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt verleend onder de beperking ‘voor arbeid in loondienst als stagiair bij ...(naam werkgever)’ c.q. ‘voor arbeid in loondienst als praktikant bij... (naam werkgever)’.
Deze verblijfsvergunningen zijn tijdelijk van aard (zie [artikel 5.3, eerste lid, onder d, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.3)). Dit moet uitdrukkelijk steeds worden vermeld in de beschikking waarbij de verblijfsvergunning wordt verleend.
### 4.3.3.2. Arbeidsmarktaantekening
Op het verblijfsdocument wordt vermeld: ‘specifieke arbeid toegestaan mits werkgever beschikt over TWV; andere arbeid niet toegestaan’.
De geldigheidsduur van de verblijfsvergunning voor stagiaires beloopt maximaal één jaar.
Aan de verlening van de verblijfsvergunning worden de volgende voorschriften verbonden:
### 4.3.5. Voortzetting van verblijf
Voor stagiaires geldt dat een aanvraag om verlenging van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning voor het verrichten van arbeid in loondienst als stagiair voor hetzelfde doel wordt afgewezen, als de vreemdeling één jaar houder van deze verblijfsvergunning is geweest.
Het verblijf als stagiair en praktikant is op grond van [artikel 5.3, tweede lid, onder d, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.3) tijdelijk.
De geldigheidsduur van de verblijfsvergunning voor stagiaires beloopt maximaal één jaar.
De geldigheid van de verblijfsvergunning voor praktikanten beloopt niet langer dan 24 weken.
### 4.3.5. Voortzetting van verblijf
### 4.4.1. Inleiding
Voor praktikanten geldt dat een aanvraag om verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning voor het verrichten van arbeid in loondienst als praktikant voor hetzelfde doel wordt afgewezen, als de vreemdeling 24 weken houder van deze verblijfsvergunning is geweest.
Voortzetting van verblijf voor het verrichten van arbeid als stagiair of praktikant wordt dus niet toegestaan. Dit volgt uit het feit dat de TWV voor het verrichten van arbeid als stagiair of praktikant slechts voor maximaal een jaar respectievelijk 24 weken kan worden verleend.
Voortzetting van het verblijf is wel mogelijk als [artikel 5.24 BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.24) van toepassing is (zie [hoofdstuk 15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028837&hoofdstuk=15&z=2012-07-01&g=2012-07-01)).
Vreemdelingen die verblijf hebben in de vrije termijn en in die periode arbeid in loondienst verrichten zijn bijvoorbeeld:
### 4.4.1. Inleiding
Vreemdelingen mogen als toerist in de openbare lichamen binnenkomen en er in beginsel maximaal drie maanden verblijven zonder verblijfsvergunning voor bepaalde of onbepaalde tijd (zie [artikel 4.2, eerste lid, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=4.2)). Deze periode van drie maanden is de vrije termijn.
Zodra een toerist in de vrije termijn arbeid in loondienst gaat verrichten, is hij niet meer aan te merken als toerist. Hij valt dan immers niet meer onder de definitie van toerist, zoals vermeld in [artikel 1.1, onder g, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=1.1). De vrije termijn voor deze vreemdelingen bedraagt in beginsel drie maanden (zie [artikel 5a WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=5a) en [artikel 4.4, eerste lid, onder c, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=4.4)). Deze vreemdeling moet zich in dat geval melden bij de korpschef (zie paragraaf 4.4.2).
Het is mogelijk om in de vrije termijn arbeid in loondienst te verrichten in de openbare lichamen. De werkgever zal in dat geval vaak wel moeten beschikken over een TWV voor de vreemdeling.
### 4.4.3. Arbeidsovereenkomst of stage voor maximaal drie maanden
Visumplichtige vreemdelingen die voor maximaal drie maanden binnen een tijdvak van zes maanden arbeid in loondienst willen gaan verrichten in de openbare lichamen, moeten daarvoor eerst een visum aanvragen bij de Nederlandse vertegenwoordiging in het land van herkomst met als reisdoel arbeid. De vreemdeling dient daartoe bij de Nederlandse vertegenwoordiging een geldige TWV en een arbeidsovereenkomst te overleggen. Indien het visum wordt afgegeven moet de vreemdeling na binnenkomst in de openbare lichamen en binnen de maximaal toegestane verblijfsduur van het visum, bij de IND-BES unit een aanvraag indienen om verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd voor het verrichten van arbeid in loondienst. Voor verlening van deze verblijfsvergunning gelden in beginsel de verblijfsvoorwaarden als vermeld in paragraaf 2.1, behalve het mvv-vereiste. Verder geldt het volledige legestarief voor een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd voor arbeid in loondienst, zoals vermeld in [artikel 4.1, tweede lid, onder a, RTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028815&artikel=4.1).
De vreemdeling die van rechtswege is toegelaten als bedoeld in [artikel 5a WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=5a) en die arbeid gaat zoeken of arbeid gaat verrichten, meldt dit onmiddellijk bij de korpschef ([artikelen 6.38, eerste lid, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=6.38)).
Deze meldplicht geldt niet als de vreemdeling (zie [artikel 6.38, tweede lid, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=6.38)):
Dit kan onder meer aannemelijk gemaakt worden aan de hand van een arbeidsovereenkomst voor de duur van maximaal drie maanden, te rekenen vanaf het tijdstip van binnenkomst van de vreemdeling.
Niet-visumplichtige vreemdelingen en Nederlanders die op basis van een arbeidsovereenkomst voor maximaal drie maanden in de openbare lichamen arbeid in loondienst willen verrichten, hebben een vrije termijn van drie maanden binnen een tijdvak van zes maanden (zie [artikel 4.4, eerste lid, onder c, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=4.4)). Binnen deze termijn hoeven zij niet in het bezit te zijn van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd dan wel van een verklaring waaruit blijkt dat men toelating van rechtswege heeft. Ook geldt voor hen geen meldplicht, als zij aannemelijk kunnen maken dat zij naar de openbare lichamen zijn gekomen om arbeid te verrichten voor een periode van maximaal drie maanden, te rekenen vanaf hun binnenkomst (zie paragraaf 4.4.2). In het geval van de niet-visumplichtige vreemdelingen zal de werkgever in beginsel wel in het bezit moeten zijn van een geldige TWV voor deze arbeid.
Visumplichtige vreemdelingen die voor maximaal drie maanden binnen een tijdvak van zes maanden arbeid in loondienst willen gaan verrichten in de openbare lichamen, moeten daarvoor eerst een visum aanvragen bij de Nederlandse vertegenwoordiging in het land van herkomst met als reisdoel arbeid. De vreemdeling dient daartoe bij de Nederlandse vertegenwoordiging een geldige TWV en een arbeidsovereenkomst te overleggen. Indien het visum wordt afgegeven moet de vreemdeling na binnenkomst in de openbare lichamen en binnen de maximaal toegestane verblijfsduur van het visum, bij de IND-BES unit een aanvraag indienen om verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd voor het verrichten van arbeid in loondienst. Voor verlening van deze verblijfsvergunning gelden in beginsel de verblijfsvoorwaarden als vermeld in paragraaf 2.1, behalve het mvv-vereiste. Verder geldt het volledige legestarief voor een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd voor arbeid in loondienst, zoals vermeld in [artikel 4.1, tweede lid, onder a, RTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028815&artikel=4.1).
Als aan alle geldende verblijfsvoorwaarden wordt voldaan, kan de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd voor arbeid in loondienst in dit geval worden verleend voor de duur waarvoor de TWV ten behoeve van die arbeid in verleend.
Verblijf langer dan drie maanden:
Als de visumplichtige vreemdeling langer dan drie maanden in de openbare lichamen wil verblijven, voor het verrichten van arbeid in loondienst of voor een ander verblijfsdoel, moet daarvoor eerst een mvv-aanvraag worden ingediend en moet de vreemdeling de uitkomst daarvan in zijn land van herkomst afwachten, tenzij hij valt onder één van de vrijstellingscategorieën van het mvv-vereiste. Na afgifte van de mvv kan hij een aanvraag indienen om verlenging van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd dan wel een aanvraag om wijziging van de beperking.
### 4.4.4. Grensarbeiders
Als een Nederlander gedurende zijn verblijf als toerist in de vrije termijn van zes maanden besluit om arbeid in loondienst te gaan verrichten, is op hem niet langer [artikel 4.2, derde lid, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=4.2) van toepassing en bedraagt zijn vrije termijn vanaf dat moment drie maanden, te rekenen vanaf datum binnenkomst in de openbare lichamen. Als de vrije termijn van drie maanden op dat moment al is verstreken, moet de Nederlander binnen acht dagen nadat hij arbeid is gaan verrichten, een verklaring aanvragen waaruit zijn toelating van rechtswege op grond van [artikel 3 van de WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=3) blijkt (zie [artikel 4.4, tweede lid, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=4.4)).
Verblijf langer dan drie maanden:
Als de niet-visumplichtige vreemdeling langer dan drie maanden in de openbare lichamen wil verblijven, voor het verrichten van arbeid in loondienst dan wel voor een ander verblijfsdoel, moet hij daarvoor een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd aanvragen. Voor mvv-plichtige vreemdelingen die na drie maanden arbeid op basis van een arbeidsovereenkomst voor korte duur langer in de openbare lichamen willen verblijven, geldt nu wel het mvv-vereiste, tenzij men valt onder één van de vrijstellingscategorieën van het mvv-vereiste. Voor mvv-plichtige vreemdelingen dient nu eerst een mvv-aanvraag ingediend te worden, De uitkomst daarvan moet de vreemdeling in zijn land van herkomst afwachten. Dit om te voorkomen dat met het verblijf voor kortdurende arbeid het mvv-vereiste wordt omzeild.
Nederlanders die na drie maanden arbeid op basis van een arbeidsovereenkomst voor korte duur langer in de openbare lichamen willen verblijven, moeten daarvoor een verklaring aanvragen waaruit blijkt dat zij toelating van rechtswege hebben op grond van [artikel 3 van de WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=3).
### 4.4.4. Grensarbeiders
Dit zijn in de openbare lichamen tewerkgestelde vreemdelingen die hun woonplaats hebben in een ander land, binnen of buiten het Koninkrijk, waarheen zij dagelijks, of ten minste eenmaal per week, terugkeren.
Het gaat daarbij bijvoorbeeld om vreemdelingen die in Curaçao, Sint Maarten of Aruba verblijf houden en in het bezit zijn van een geldige verblijfsvergunning voor Curaçao, Sint Maarten of Aruba en die in één van de openbare lichamen werken. Ook kan het gaan om vreemdelingen die in een land buiten het Koninkrijk verblijf houden en aldaar in het bezit zijn van een verblijfsvergunning dan wel de nationaliteit hebben van dat land, en die in één van de openbare lichamen werken.
Doordat zij grensarbeid verrichten komen zij niet toe aan het tijdstip waarop zij, op grond van [artikel 4.4 BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=4.4), een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd zouden moeten hebben.
Ook zijn de [artikelen 6.45](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=6.45) en [6.46 BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=6.46) over de aanmeldingsplicht niet op grensarbeiders van toepassing, omdat deze arbeiders vallen onder de uitzonderingscategorie van [artikel 6.38, tweede lid, onder b, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=6.38).
De TWV-plicht voor de werkgever geldt niet als het gaat om een vreemdeling die zijn hoofdverblijf heeft buiten de openbare lichamen en die gedurende maximaal 4 weken incidentele arbeid verricht die uitsluitend bestaat uit werkzaamheden genoemd in [artikel 8, onder a, sub 1 tot en met 5, Besluit uitvoering Wav BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028231&artikel=8). Als deze vreemdelingen echter niet onder de omschrijving van artikel 8, onder a, Besluit uitvoering Wav BES vallen, moet de werkgever wel in het bezit zijn van een TWV.
### 4.5. Van rechtswege toegelaten vreemdelingen
De vreemdeling moet steeds binnen acht dagen terug reizen naar zijn land van herkomst, omdat zijn vrije termijn maximaal acht dagen is.
### 4.6. Directeuren-(groot)aandeelhouders
De TWV-plicht voor de werkgever geldt niet in het volgende geval:
Als deze vreemdelingen echter niet onder de omschrijving van [artikel 8, onder a, Besluit uitvoering Wav BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028231&artikel=8) vallen, moet de werkgever wel in het bezit zijn van een TWV.
Let op: voor de vreemdeling aan wie op grond van de [Wet vestiging bedrijven BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028164) een directievergunning is verleend, hoeft geen TWV te zijn afgegeven.
### 4.7. Dienstverrichters
Vreemdelingen die in het kader van dienstverlening in de openbare lichamen werken, worden wat betreft de TWV-plicht gelijk behandeld als vreemdelingen die bij een werkgever in de openbare lichamen gaan werken. De opdrachtgever of, als de dienstverrichter in loondienst werkzaam is voor een buitenlandse dienstverlener, de werkgever van deze dienstverrichter, moet in het bezit zijn van een TWV. De procedure van paragraaf 2.3 is van toepassing.
Vaak zijn directeuren-(groot)aandeelhouders feitelijk aan te merken als zelfstandig ondernemers vanwege hun positie binnen de onderneming.
### 5. Voortzetting van verblijf
### 5.1. Inleiding
Hieronder zijn factoren genoemd die van invloed kunnen zijn op het verblijfsrecht van een vreemdeling aan wie een verblijfsvergunning is verleend voor het verrichten van arbeid in loondienst.
Vreemdelingen die in het kader van dienstverlening in de openbare lichamen werken, worden wat betreft de TWV-plicht gelijk behandeld als vreemdelingen die bij een werkgever in de openbare lichamen gaan werken. De opdrachtgever of, als de dienstverrichter in loondienst werkzaam is voor een buitenlandse dienstverlener, de werkgever van deze dienstverrichter, moet in het bezit zijn van een TWV. De procedure van paragraaf 2.3 is van toepassing.
### 5.2. Ongeoorloofde tewerkstelling
De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd kan worden ingetrokken als de vreemdeling voor een werkgever arbeid verricht, zonder dat aan de [Wav BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028437) is voldaan (zie [artikel 14, onder e, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=14) jo. [artikel 5.21, eerste lid, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.21)).
Daarvan is bijvoorbeeld sprake als de vreemdeling:
Hieronder zijn factoren genoemd die van invloed kunnen zijn op het verblijfsrecht van een vreemdeling aan wie een verblijfsvergunning is verleend voor het verrichten van arbeid in loondienst.
### 5.3. Werkloosheid
### 5.2. Ongeoorloofde tewerkstelling
De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd kan worden ingetrokken als de vreemdeling voor een werkgever arbeid verricht, zonder dat aan de [Wav BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028437) is voldaan (zie [artikel 14, onder e, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=14) jo. [artikel 5.21, eerste lid, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.21)).
Daarvan is bijvoorbeeld sprake als de vreemdeling:
### 5.3.2. Houders van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd
Werkloosheid kan wel van invloed zijn op het verblijfsrecht van de buitenlandse werknemer die in het bezit is van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd voor het verrichten van arbeid in loondienst. Bij werkloosheid is de buitenlandse werknemer verplicht dit onmiddellijk te melden aan de korpschef (zie [artikel 6.39 BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=6.39)), omdat hij hierdoor niet langer voldoet aan de beperking waaronder de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd is verleend.
Beleidsregel:
Beleidsregel:
Werkloosheid is niet van invloed op het verblijfsrecht van de buitenlandse werknemer die in het bezit is van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd.
Als de buitenlandse werknemer vrijwillig werkloos is geworden, krijgt hij geen zoekperiode van zes weken en wordt de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd direct ingetrokken. Of sprake is van vrijwillige werkloosheid wordt beoordeeld door de SZW-BES unit. Hierover kan met deze unit contact worden opgenomen.
Werkloosheid kan wel van invloed zijn op het verblijfsrecht van de buitenlandse werknemer die in het bezit is van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd voor het verrichten van arbeid in loondienst. Bij werkloosheid is de buitenlandse werknemer verplicht dit onmiddellijk te melden aan de korpschef (zie [artikel 6.39 BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=6.39)), omdat hij hierdoor niet langer voldoet aan de beperking waaronder de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd is verleend.
### 5.4. Arbeidsongeschiktheid
Als de buitenlandse werknemer onvrijwillig werkloos is geworden, wordt zijn verblijfsvergunning voor bepaalde tijd om die reden ingetrokken zodra:
De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd kan in dat geval op twee gronden worden ingetrokken:
Als de buitenlandse werknemer vrijwillig werkloos is geworden, krijgt hij geen zoekperiode van zes weken en wordt de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd direct ingetrokken. Of sprake is van vrijwillige werkloosheid wordt beoordeeld door de SZW-BES unit. Hierover kan met deze unit contact worden opgenomen.
Als de vreemdeling verblijf wenst voor een ander verblijfsdoel, moet hij een nieuwe aanvraag om een verblijfsvergunning indienen dan wel wijziging van de beperking van zijn verblijfsvergunningen aanvragen. Als hij aan de daarvoor geldende voorwaarden voldoet, kan aan de vreemdeling een nieuwe verblijfsvergunning worden verleend.
Van de mogelijkheid de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd in te trekken op grond van [artikel 14, aanhef en onder c, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=14) wordt geen gebruik gemaakt als de vreemdeling arbeidsongeschikt is en hij om die reden niet meer duurzaam en zelfstandig beschikt over voldoende middelen van bestaan.
Als een vreemdeling, die in het bezit is van een voor het verrichten van arbeid in loondienst geldige verblijfsvergunning, arbeidsongeschikt wordt, kunnen zich de volgende situaties voordoen:
Als de vreemdeling in het bezit is van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, wordt deze niet ingetrokken als de vreemdeling:
De verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd kan wel worden ingetrokken op grond van het algemeen belang (zie [artikel 14, aanhef en onder c, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=14) en [artikel 5.46 BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.46)).
Beleidsregel:
Van de mogelijkheid de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd in te trekken op grond van [artikel 14, aanhef en onder c, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=14) wordt geen gebruik gemaakt als de vreemdeling arbeidsongeschikt is en hij om die reden niet meer duurzaam en zelfstandig beschikt over voldoende middelen van bestaan.
Reden hiervoor is dat het op grond van [artikel 5.46 BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.46) niet mogelijk is om de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd in te trekken op grond van [14, aanhef en onder d, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=14).
Als de vreemdeling wel langer dan 5 jaar rechtmatig verblijf heeft in de openbare lichamen, maar niet in het bezit is van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, kan zijn verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wel worden ingetrokken op grond van [artikel 14, aanhef en onder c, d en e WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=14). Dan geldt de volgende beleidsregel:
Beleidsregel:
De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, verleend onder een beperking verband houdend met het verrichten van arbeid in loondienst, wordt in geval van arbeidsongeschiktheid ingetrokken op grond van:
### 5.5. Samenwerking met de arbeidsbemiddelingsorganisatie en SZW-BES
De vreemdeling is in het bezit van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd voor het verrichten van arbeid in loondienst.
Beleidsregel:
De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, verleend onder een beperking verband houdend met het verrichten van arbeid in loondienst, wordt in geval van arbeidsongeschiktheid ingetrokken op grond van:
De onder b genoemde intrekkingsgrond kan met name gebruikt worden in geval van gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid, aangezien de vreemdeling dan vaak nog wel gedeeltelijk arbeid verricht en dus nog wel aan de beperking van de aan hem verleende verblijfsvergunning voldoet.
### 5.5. Samenwerking met de arbeidsbemiddelingsorganisatie en SZW-BES
Voor het verlengen van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd voor het verrichten van arbeid in loondienst, is het van belang te weten of de vreemdeling nog werkzaam is. Dat wil zeggen of hij nog hetzelfde werk verricht bij dezelfde werkgever als waarvoor aan hem een verblijfsvergunning is verleend.
Om dit te controleren worden bij de aanvraag om verlenging onder meer de volgende bescheiden overgelegd:
Daarnaast moet de IND unit Caribisch Nederland informatie inwinnen over de buitenlandse werknemer, bijvoorbeeld over:
Op grond van [artikel 9.2, eerste lid, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=9.2) kan de IND unit Caribisch Nederland deze informatie inwinnen bij SZW-BES en de arbeidsbemiddelingsorganisatie.
### 6. Strafbepalingen in de WTU-BES
### 1. Inleiding
Een werknemer die werkt, zonder dat zijn werkgever over de vereiste TWV beschikt, is strafbaar wegens het niet voldoen aan de beperking en voorschriften (zie [artikel 26, eerste lid, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=26)).
Een werknemer die van rechtswege toelating heeft op grond van [artikel 5a BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=5a), is op grond van [artikel 26, tweede lid, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=26) strafbaar als hij de verplichting in [artikel 6.38 BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=6.38) niet nakomt. Deze verplichting houdt in dat de vreemdeling, die gaat zoeken naar arbeid dan wel arbeid gaat verrichten, hier onmiddellijk mededeling van doet bij de korpschef. Deze verplichting geldt ook als de vreemdeling niet langer voldoet aan de [artikelen 6.39](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=6.39) en [6.40 BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=6.40).
Zie voor een algemene toelichting op de strafbepalingen in de [WTU-BES hoofdstuk 9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&hoofdstuk=9).
Onder het uitoefenen van een bedrijf/onderneming valt:
De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt niet verleend aan de vreemdeling die:
### 2. Verblijfsvoorwaarden
Onder ‘zaak’ in de zin van de [Wet vestiging bedrijven BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028164) wordt verstaan:
‘elke onderneming, waarin eenig bedrijf, door wien ook wordt uitgeoefend’ (zie [artikel 1, eerste lid, Wet vestiging bedrijven BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028164&artikel=1)).
Onder het uitoefenen van een bedrijf/onderneming valt:
De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt niet verleend aan de vreemdeling die:
Uitoefenen zelfstandig beroep:
Ten aanzien van deze voorwaarden zijn de beleidsregels met betrekking tot de algemene voorwaarden van [artikel 9, eerste lid, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=9) van toepassing. Deze staan in [hoofdstuk 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028837&hoofdstuk=3&z=2012-07-01&g=2012-07-01).
### 3. Vereiste bescheiden
Uitoefenen bedrijf:
### 4. Beperking, arbeidsmarktaantekening en voorschrift
### 4.1. Beperking
Vreemdelingen die in de openbare lichamen een zelfstandig beroep willen uitoefenen of op andere wijze als zelfstandige hun diensten aanbieden en die niet feitelijk in loondienst zijn, moeten daarvoor ook in het bezit zijn van een vergunning op grond van de [Wet vestiging bedrijven BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028164). Zij vallen onder het begrip zaak in de zin van [artikel 1, eerste lid, van de Wet vestiging bedrijven BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028164&artikel=1).
### 3. Vereiste bescheiden
Alle stukken moeten zijn opgesteld in het Nederlands of Engels of zijn vertaald door een betrouwbare vertaler.
### 4. Beperking, arbeidsmarktaantekening en voorschrift
Aan de vergunning is als voorschrift verbonden de verplichting voldoende verzekerd te zijn tegen ziektekosten met inbegrip van de kosten verbonden aan opname en verpleging in een sanatorium of een psychiatrische inrichting.
### 5. Geldigheidsduur
De geldigheidsduur van de te verlenen verblijfsvergunning voor bepaalde tijd is een jaar. Deze kan daarna steeds met een jaar worden verlengd, als aan de daarvoor geldende voorwaarden wordt voldaan.
### Hoofdstuk 6. Het Nederlands-Amerikaans vriendschapsverdrag
### 4.3. Voorschriften
Aan de vergunning is als voorschrift verbonden de verplichting voldoende verzekerd te zijn tegen ziektekosten met inbegrip van de kosten verbonden aan opname en verpleging in een sanatorium of een psychiatrische inrichting.
Het internationale recht, waaronder verdragen, gaat vóór het recht dat geldt in het Koninkrijk der Nederlanden en eist dat de verdragspartij zijn aangegane verplichtingen nakomt. De wijze waarop verdragsbepalingen in de rechtsorde van het Koninkrijk der Nederlanden doorwerken wordt echter niet geregeld door het internationale recht. Dit is een aangelegenheid van nationaal procedureel recht (zie [artikel 9.3 BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=9.3)).
### 2. Voorwaarden
### Hoofdstuk 6. Het Nederlands-Amerikaans vriendschapsverdrag
Onderdanen van de Verenigde Staten van Amerika mogen in de openbare lichamen verblijven:
Het Verdrag van vriendschap, handel en scheepvaart tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika met bijbehorend Protocol (Trb. 1956, 40) dat integrerend onderdeel uitmaakt van het verdrag (hierna: het Verdrag), heeft als doel de handel tussen Nederland en de Verenigde Staten van Amerika te vergemakkelijken. Het verdrag en Protocol zijn op 5 december 1957 inwerking getreden voor de alle toenmalige landen van het Koninkrijk. Het Verdrag is nog steeds van kracht, en dus ook van toepassing in de openbare lichamen.
Het internationale recht, waaronder verdragen, gaat vóór het recht dat geldt in het Koninkrijk der Nederlanden en eist dat de verdragspartij zijn aangegane verplichtingen nakomt. De wijze waarop verdragsbepalingen in de rechtsorde van het Koninkrijk der Nederlanden doorwerken wordt echter niet geregeld door het internationale recht. Dit is een aangelegenheid van nationaal procedureel recht (zie [artikel 9.3 BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=9.3)).
In punt 3 van het Protocol is, voor zover hier van belang, bepaald dat met betrekking tot artikel II, lid 1, onderdanen van de Verenigde Staten van Amerika in een Deel van het Koninkrijk der Nederlanden buiten Europa dezelfde behandeling genieten als Nederlandse onderdanen, die niet in dat Deel zijn geboren.
Daarbij moet de toelatingsvraag worden onderscheiden van de vraag welke rechten of behandeling de toegelatene toekomen. Aanwijzing daarvoor is dat in de Memorie van Toelichting bij de goedkeuringswet (Kamerstukken II, 1955-56, nr. 4338 (R38), nr.3, p. 4, tweede kolom) is vermeld dat na binnenkomst de wettig toegelatene aan het leven in het gastland zal kunnen deelnemen en dat een en ander is geregeld in het derde lid.
Onderdanen van de Verenigde Staten van Amerika mogen in de openbare lichamen verblijven:
De voorwaarden van artikel II, eerste lid, onder a en b, van het Verdrag zijn niet cumulatief, maar alternatief. Dit betekent dat de Amerikaanse onderdaan als regel recht op toegang en verblijf heeft op grond van het Verdrag als hij voldoet aan de voorwaarden die zijn genoemd in één van die beide artikelonderdelen.
Onderdeel c daarentegen verduidelijkt dat het recht op toegang en verblijf van Amerikaanse onderdanen die voor andere doeleinden op het grondgebied van het Koninkrijk wensen te verblijven niet wordt ontleend aan het Verdrag, maar dat daartoe de wetten met betrekking tot de toelating en het verblijf van vreemdelingen in acht moeten worden genomen.
In punt 3 van het Protocol is, voor zover hier van belang, bepaald dat met betrekking tot artikel II, lid 1, onderdanen van de Verenigde Staten van Amerika in een Deel van het Koninkrijk der Nederlanden buiten Europa dezelfde behandeling genieten als Nederlandse onderdanen, die niet in dat Deel zijn geboren.
Daarbij moet de toelatingsvraag worden onderscheiden van de vraag welke rechten of behandeling de toegelatene toekomen. Aanwijzing daarvoor is dat in de Memorie van Toelichting bij de goedkeuringswet (Kamerstukken II, 1955-56, nr. 4338 (R38), nr.3, p. 4, tweede kolom) is vermeld dat na binnenkomst de wettig toegelatene aan het leven in het gastland zal kunnen deelnemen en dat een en ander is geregeld in het derde lid.
De behandeling die een toegelaten Amerikaanse onderdaan in de openbare lichamen toekomt, is als gevolg van artikel II, derde lid, gelijk aan die van Nederlanders, maar als gevolg van punt 3 van het Protocol niet gunstiger dan die van Nederlanders die niet in de openbare lichamen zijn geboren.
Een onderdaan van de Verenigde Staten van Amerika die, op grond artikel II, eerste lid, onder a of b, van het Verdrag, voorzetting van het verblijf wenst in de openbare lichamen, hoeft niet te voldoen aan het middelenvereiste zoals neergelegd in [artikel 9, eerste lid, aanhef en onder c, van de WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=9), als hij voldoet aan de overige voorwaarden zoals omschreven in dit hoofdstuk.
Overigens zijn de onderdanen van de Verenigde Staten van Amerika in de openbare lichamen onderworpen aan de voor vreemdelingen in het algemeen geldende bepalingen van de [WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571). Dit geldt zowel op het gebied van toegang en verblijf als op het gebied van de gronden waarop hun verblijf of voortzetting van verblijf kan worden ontzegd (zie artikel II, vierde lid, van het Verdrag).
Dit sluit de mogelijkheid niet uit om maatregelen toe te passen die noodzakelijk zijn voor de handhaving van de openbare orde en voor de bescherming van de volksgezondheid, de goede zeden en de veiligheid. Hiermee wordt, voor zover hier van belang, bedoeld maatregelen die zijn voorzien bij de [WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571), zoals:
Op grond van artikel II, vierde lid, van het Verdrag laten de bepalingen van dat artikel namelijk het recht van ieder der Partijen onverlet om maatregelen toe te passen, welke noodzakelijk zijn ter handhaving van de openbare orde en ter bescherming van de volksgezondheid, de goede zeden en de veiligheid. Zoals blijkt uit de memorie van antwoord (Kamerstukken I, 1956-57, nr. 4338 (R38), nr. 140a, p2, rechter kolom) moet onderscheid worden gemaakt tussen het begrip ‘openbare orde’ in het Nederlandse staatsrecht en ditzelfde begrip in verdragen als het onderwerpelijke. Onder ‘maatregelen ter handhaving van de openbare orde’ in de zin van artikel II, vierde lid, van het Verdrag moeten niet alleen incidentele overheidsmaatregelen te voorkoming van onmiddellijk dreigende ordeverstoring worden begrepen, maar ook wettelijke bepalingen welke zijn geschreven met het oog op de handhaving van de openbare orde in de ruimste zin van het woord.
Onder het begrip ‘bedrijfsuitoefening van een onderneming’ moet ook worden verstaan een persoon die een Amerikaanse onderneming in de openbare lichamen vertegenwoordigt en in dienst van deze onderneming in een sleutelfunctie werkzaam is (zie punt 2 van het Protocol).
Een vreemdeling die een vrij beroep uitoefent valt in het algemeen onder de werking van het Verdrag. Beroepsbeoefenaren met een zekere publieke taak, dan wel een functie in de gezondheidszorg of publieke veiligheidsector, worden van de werkingssfeer van het Verdrag uitgesloten. De werkzaamheden die iemand uitoefent, zijn daarom van belang bij de bepaling of de vreemdeling onder werking van het Verdrag valt.
Hieronder volgt een uitleg van het begrip ‘aanzienlijk kapitaal’ ten aanzien van de diverse mogelijke ondernemingsvormen.
### 2.2. Vereiste bescheiden arbeid als zelfstandige op grond van het Verdrag
De onderneming moet zijn ingeschreven in het handelsregister op het betreffende openbare lichaam met een omschrijving van het bedrijf of de bedrijven die in de onderneming worden uitgeoefend.
### 2.3. Vereiste bescheiden arbeid in loondienst als sleutelpersoneel op grond van het Verdrag
Bij een VoF kan het aanzienlijk kapitaal worden aangetoond met enerzijds een oprichtingsakte (of contract) waarin staat hoe groot de financiële deelname is van iedere vennoot en anderzijds de (openings)balans waarin aan de rechterkant (credit) de rekeningen staan met de bedragen zoals die in de oprichtingsakte staan vermeld. Deze rekeningen heten ‘Vermogen’ en dan de eigen naam van de vennoot. Bij een VoF wordt het woord ‘Eigen’ weggelaten en wordt in plaats daarvan de naam van de vennoot eraan toegevoegd. Dus bijvoorbeeld **‘Vermogen Robinson 100.000 ’.** Er kan ook een bankafschrift van de onderneming worden gevraagd als bewijs dat het geld daadwerkelijk is overgemaakt.
### 3. Arbeid in loondienst
Als een Amerikaanse vreemdeling (hoofdpersoon) die op grond van het Verdrag in de openbare lichamen verblijft geen arbeid in loondienst als sleutelpersoneel wenst te verrichten, moet wijziging van de vergunning worden gevraagd en moet de werkgever beschikken over een TWV (zie hoofdstuk 4 ‘Arbeid in loondienst’ en punt 11 van het bijbehorende Protocol).
### 4. Gezinshereniging
Aan de echtgeno(o)t(e) of ongehuwd minderjarig kind – ongeacht hun nationaliteit – van een persoon die op grond van artikel II, eerste lid, onder a of b, van het Verdrag is toegelaten (de hoofdpersoon), kan verblijf worden toegestaan, indien zij hem vergezellen of voor gezinshereniging nareizen.
De vreemdeling moet bij de aanvraag de volgende documenten overleggen:
### 3. Arbeid in loondienst
### 5.1. Beperking en arbeidsmarktaantekening
De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt, al naar gelang de situatie, verleend onder de beperking:
Aan de echtgeno(o)t(e) of ongehuwd minderjarig kind – ongeacht hun nationaliteit – van een persoon die op grond van artikel II, eerste lid, onder a of b, van het Verdrag is toegelaten (de hoofdpersoon), kan verblijf worden toegestaan, indien zij hem vergezellen of voor gezinshereniging nareizen.
### 5.2. Voorschrift
Aan de vergunning wordt als voorschrift verbonden de verplichting voldoende te zijn verzekerd tegen ziektekosten met inbegrip van de kosten verbonden aan opname en verpleging in een sanatorium of een psychiatrische inrichting.
### 5.1. Beperking en arbeidsmarktaantekening
De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt, al naar gelang de situatie, verleend onder de beperking:
### Hoofdstuk 7. Studie
### 5.2. Voorschrift
Aan de vergunning wordt als voorschrift verbonden de verplichting voldoende te zijn verzekerd tegen ziektekosten met inbegrip van de kosten verbonden aan opname en verpleging in een sanatorium of een psychiatrische inrichting.
Uitgangspunten:
Op grond van [artikel 5.25 BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.25) wordt de verblijfsvergunning verleend voor één jaar.
### Hoofdstuk 7. Studie
Vreemdelingen die al in het bezit zijn van een verblijfsvergunning onder een beperking verband houdend met een ander doel, bijvoorbeeld gezinshereniging of arbeid, kunnen ook een studie volgen in de openbare lichamen. Zij hoeven daarvoor geen wijziging van hun verblijfsvergunning voor studie aan te vragen, wanneer zij nog aan de voorwaarden van de aan hen verleende verblijfsvergunning voldoen.
### 3. Aanvraag gedurende verblijf in de vrije termijn
Uitgangspunten:
De voorwaarden voor verblijf voor studie aan het hoger onderwijs staan in [artikel 9, eerste lid, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=9) en in dit hoofdstuk.
Als een mvv-plichtige vreemdeling in de openbare lichamen verblijft zonder dat hij een geldige mvv heeft en hij gedurende zijn verblijf in de vrije termijn een aanvraag indient om een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd voor het volgen van een studie, dan verstrijkt de vrije termijn op de achtste dag na het indienen van die aanvraag (zie [artikel 5a WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=5a) en [artikel 4.4, eerste lid, onder c, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=4.4)).
Vreemdelingen die al in het bezit zijn van een verblijfsvergunning onder een beperking verband houdend met een ander doel, bijvoorbeeld gezinshereniging of arbeid, kunnen ook een studie volgen in de openbare lichamen. Zij hoeven daarvoor geen wijziging van hun verblijfsvergunning voor studie aan te vragen, wanneer zij nog aan de voorwaarden van de aan hen verleende verblijfsvergunning voldoen.
Het starten van een studie in de vrije termijn zonder in het bezit te zijn van een geldige mvv heeft dus 2 gevolgen:
De vreemdeling die:
moet een aanvraag om een mvv indienen, terwijl hij nog verblijft in zijn land van herkomst of bestendig verblijf. De vreemdeling moet de beslissing op de aanvraag om een mvv ook daar afwachten en niet, vooruitlopend op die beslissing, de openbare lichamen inreizen. De vreemdeling kan dus niet met een studie starten in de openbare lichamen voordat de IND unit Caribisch Nederland positief op de aanvraag om een mvv heeft beslist.
Als een mvv-plichtige vreemdeling in de openbare lichamen verblijft zonder dat hij een geldige mvv heeft en hij gedurende zijn verblijf in de vrije termijn een aanvraag indient om een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd voor het volgen van een studie, dan verstrijkt de vrije termijn op de achtste dag na het indienen van die aanvraag (zie [artikel 5a WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=5a) en [artikel 4.4, eerste lid, onder c, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=4.4)).
### 4. Verblijfsvoorwaarden
Het starten van een studie in de vrije termijn zonder in het bezit te zijn van een geldige mvv heeft dus 2 gevolgen:
De niet mvv-plichtige vreemdeling kan wel gedurende zijn verblijf in de vrije termijn een aanvraag om een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd voor het volgen van studie indienen.
Het gevolg daarvan is ook:
Deze aanvraag wordt in elk geval niet afgewezen wegens het ontbreken van een geldige mvv. Bovendien heeft het indienen van de aanvraag om verlening van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd in dit geval in beginsel tot gevolg dat de uitzetting achterwege blijft (zie [artikel 5.1, eerste lid, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.1)). De vreemdeling kan gedurende de periode dat de aanvraag in behandeling is, een document vragen bij de IND BES unit, waarin een aantekening is gemaakt omtrent de verblijfsrechtelijke positie.
Let op:
Ten aanzien van deze voorwaarden zijn de beleidsregels met betrekking tot de algemene voorwaarden van [artikel 9, eerste lid, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=9) van toepassing. Zie [hoofdstuk 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028837&hoofdstuk=3&z=2012-07-01&g=2012-07-01).
De financiële middelen van de vreemdeling moeten toereikend zijn om zijn studie, kosten van levensonderhoud en het college- of lesgeld te kunnen betalen gedurende de periode dat hij in de openbare lichamen wil verblijven.
Om te kunnen beoordelen of de vreemdeling beschikt over voldoende middelen van bestaan moet eerst gekeken worden door wie de studie en het verblijf worden bekostigd. Dit kan zijn:
Middelen van bestaan kunnen dan bijvoorbeeld zijn:
Let op:
De vreemdeling die een aanvraag om een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd voor studie heeft ingediend of die in het bezit is van deze verblijfsvergunning, mag zijn studie niet bekostigen door het verrichten van arbeid in loondienst of als zelfstandige. Hij mag wel arbeid verrichten van bijkomstige aard. Zie hiervoor [hoofdstuk 3/7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028837&hoofdstuk=3&z=2012-07-01&g=2012-07-01).
De geldelijke bijdrage (het bruto-inkomen) die de vreemdeling per maand ontvangt moet tenminste gelijk zijn aan USD 559 per maand, aangevuld met college- of lesgelden.
Als de vreemdeling een bedrag ineens ontvangt voor het gehele studiejaar, moet dit bedrag tenminste gelijk zijn aan 12 x USD 559 + college- of lesgeld.
Vincent wil op Saba studeren en heeft een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd voor studie aangevraagd. Hij krijgt een studiebeurs van een organisatie uit de Verenigde Staten. Deze betaalt de beurs per jaar in zijn geheel uit aan het begin van het studiejaar op de bankrekening van Vincent in de Verenigde Staten. Deze beurs bedraagt voor het eerste studiejaar in totaal USD 25.000. Het collegegeld is USD 15.600 voor het eerste studiejaar (USD 7.800 per semester). Het bruto-inkomen van Vincent moet gelijk zijn aan 12 x USD 559 + USD 15.600 = USD 22.308. Zijn beurs is USD 25.000. Het bruto-inkomen van Vincent, aangevuld met college- of lesgeld, is dus in dit geval voldoende.
Middelen van bestaan kunnen dan bijvoorbeeld zijn:
De vreemdeling moet aantonen dat de financiële positie van deze (rechts)persoon toereikend is om de studie, het levensonderhoud en het college- of lesgeld te kunnen bekostigen. Toereikend wil zeggen dat de financier over voldoende middelen van bestaan moet beschikken om in zijn eigen onderhoud (en eventueel in dat van zijn gezin) en dat van de vreemdeling te kunnen voorzien.
Dit betekent dat het bruto-inkomen van de financier op maandbasis tenminste gelijk moeten zijn aan de norm als genoemd in hoofdstuk 3, paragraaf 1.9.3.3 + USD 559 + college- of lesgeld (omgerekend naar een maandbedrag).
De financier moet daarnaast een garantverklaring ondertekenen (zie model MBES26 CTU-BES).
De garantverklaring kan niet worden ondertekend door de onderwijsinstelling zelf. Deze zal immers niet de financier zijn van de studie en het levensonderhoud van de vreemdeling.
Bij de berekening van het bruto-inkomen van de in de openbare lichamen gevestigde persoon kan in bepaalde gevallen het inkomen van de echtgenoot of (geregistreerd) partner worden meegeteld. Zie hiervoor de regels in hoofdstuk 3, paragraaf 1.9.3.1), De garantverklaring moet dan ook door de echtgenoot of (geregistreerd) partner worden ondertekend.
[Artikel 5.32, eerste lid, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.32) bepaalt welke inkomensbronnen in ieder geval zelfstandig zijn. Daarnaast kunnen middelen van bestaan ook zelfstandig zijn als ze afkomstig zijn uit andere inkomensbronnen dan genoemd in artikel 5.32, eerste lid, BTU-BES. Middelen van bestaan die afkomstig zijn uit de in onder ad c en d genoemde inkomensbronnen zijn zelfstandige middelen van bestaan.
Middelen van bestaan zijn duurzaam als ze nog één jaar beschikbaar zijn op het tijdstip waarop de aanvraag is ontvangen of de beschikking wordt gegeven (zie [artikel 5.34, eerste lid, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.34) en hoofdstuk 3, paragraaf 1.9.3.2). Uitzondering: als de student korter dan één jaar in de openbare lichamen wil verblijven voor studie, moeten de middelen van bestaan beschikbaar zijn voor de daadwerkelijke duur van het verblijf. Als hij dus een verblijf van zes maanden voor studie wil, moet hij aantonen dat hij voor die periode over voldoende middelen van bestaan beschikt.
De bekostiging van de studie kan op twee manieren plaatsvinden:
Bekostiging door periodieke betalingen kunnen afkomstig zijn van zowel een buiten als binnen de openbare lichamen gevestigde persoon of instelling. Deze middelen zijn duurzaam als door de vreemdeling voldoende zekerheid is verschaft over het ongestoorde verloop van de periodieke geldstroom aan de hand van een verklaring van een bank.
Als de student beschikt over een bedrag op een (buitenlandse) bankrekening, moet dit bedrag minimaal gelijk zijn aan USD 559 x 12 maanden (of zoveel minder als de daadwerkelijke duur van het verblijf) + het verschuldigde college- of lesgeld. Het geld dat op de (buitenlandse) bankrekening is gestort, hoeft niet afkomstig te zijn van de student zelf. Voorwaarde is wel dat de bankrekening uitsluitend op naam van de student is gesteld.
De verblijfsvergunning kan worden verleend als sprake is van (voorlopige) inschrijving aan één van de volgende onderwijsinstellingen die voltijds hoger onderwijs aanbieden:
De verblijfsvergunning kan ook worden verleend als sprake is van (voorlopige) inschrijving aan een onderwijsinstelling die voltijds hoger onderwijs aanbiedt en die voldoet aan de voorwaarden van de overgangsregeling van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap betreffende de verkrijging van de status van rechtspersoon voor hoger onderwijs.
(Voorlopige) inschrijving:
De vreemdeling moet aantonen dat hij voor een studie aan één van de hiervoor genoemde in de openbare lichamen gevestigde onderwijsinstellingen voor voltijds hoger onderwijs is of zal worden ingeschreven. Dit kan hij aantonen door een verklaring te overleggen die is afgegeven door het College van Bestuur of het bevoegd gezag van de onderwijsinstelling.
Een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd voor het volgen van een studie is tijdelijk (zie [artikel 5.3, tweede lid, onder c, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.3)). Dit betekent dat de vreemdeling die een verblijfsvergunning voor studie heeft, bij tussentijdse beëindiging van de studie of als de studie niet tijdig (dus niet binnen de maximale verblijfsduur) is afgerond, de openbare lichamen moet verlaten. De vreemdeling moet een verklaring ondertekenen dat hij ermee bekend is dat hij alleen voor het verblijfsdoel studie in de openbare lichamen mag verblijven.
Voor vreemdelingen met een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd voor studie geldt een maximale verblijfsduur. De maximale verblijfsduur is afhankelijk van de studielast van de studie die wordt gevolgd en bedraagt één jaar meer dan die studielast. Als de vreemdeling de studie niet binnen de maximale verblijfsduur afrondt, is sprake van onvoldoende studievoortgang. In dat geval wordt de verblijfsvergunning niet verlengd en komt de vreemdeling ook niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning voor het volgen van een andere studie.
Als de vreemdeling tussentijds van studie verandert (van een studie met een studielast van meer dan vier jaar in een andere studie, of andersom), wordt de tijd die al is gestudeerd afgetrokken van de studielast van de nieuwe studie.
Alice, van Amerikaanse nationaliteit, gaat geneeskunde studeren (studielast 6 jaar). Maximale verblijfsduur voor deze studie is 7 jaar. Na één jaar breekt zij deze studie af en gaat een hoger beroepsopleiding volgen (studielast 4 jaar). De maximale verblijfsduur is bij deze studie normaliter 5 jaar. Doordat zij al 1 jaar heeft gestudeerd, heeft zij nog een maximale verblijfsduur voor studiedoeleinden van 4 jaar over (4 jaar studielast – 1 jaar al gestudeerd +1 jaar extra).
### 5. Vereiste bescheiden
Jason, van Canadese nationaliteit, rondt binnen de maximale verblijfsduur zijn medische studie af. Hij wil nu een ‘master of business administration’ gaan volgen. Omdat hij zijn medische studie binnen de maximale verblijfsduur heeft afgerond, wordt aan hem nu opnieuw een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd voor het volgen van zijn nieuwe studie verleend, mits hij ook aan alle overige voorwaarden voldoet.
Als sprake is van een bachelor/masterstructuur wordt de studielast voor de bacheloropleiding en de masteropleiding bij elkaar opgeteld. De maximale verblijfsduur bedraagt één jaar meer dan die studielast. Het is niet noodzakelijk dat de master aan dezelfde instelling wordt gevolgd als de bachelor. Als de vreemdeling een schakeljaar volgt tussen HBO bachelor en universitaire master wordt de maximale verblijfsduur met één jaar verlengd.
### 5. Vereiste bescheiden
### 6.1. Beperking
Alle stukken moeten zijn opgesteld in het Nederlands of Engels of zijn vertaald door een betrouwbare vertaler.
Dit verblijfsrecht is tijdelijk van aard. Dit moet uitdrukkelijk in de beschikking waarbij de verblijfsvergunning wordt verleend, worden vermeld.
### 6.1. Beperking
De verblijfsvergunning wordt verleend onder de beperking: ‘Studie aan (naam onderwijsinstelling) te ......................... (plaatsnaam)’.
### 6.3. Voorschriften
De schriftelijke garantstelling door de onderwijsinstelling (MBES28 CTU-BES) is hier een voorschrift tot het stellen van zekerheid als bedoeld in [artikel 5.4, eerste lid, onder b, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.4).
Op de verblijfsvergunning staat de aantekening: ‘arbeid niet toegestaan met uitzondering van arbeid van bijkomende aard; TWV vereist’.
### 6.3. Voorschriften
De schriftelijke garantstelling door de onderwijsinstelling (MBES28 CTU-BES) is hier een voorschrift tot het stellen van zekerheid als bedoeld in [artikel 5.4, eerste lid, onder b, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.4).
De schriftelijke garantstelling (MBES26 CTU-BES) genoemd in paragraaf 3, onder c, sub 1 dient om aan te tonen dat wordt voldaan aan het middelenvereiste.
### 7. Het verrichten van arbeid
Als de vreemdeling als onderdeel van de opleiding als stagiair wordt tewerkgesteld kan voor maximaal een jaar een TWV worden verleend (zie [artikel 14, eerste lid, Besluit uitvoering Wav BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028231&artikel=14)). Voorwaarde is onder meer dat de werkgever beschikt over een stageovereenkomst met de desbetreffende student en onderwijsinstelling.
Een vreemdeling die in het bezit is van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd voor studie mag arbeid van bijkomende aard verrichten. Het gaat hier om arbeid van maximaal 10 uur per week of seizoenarbeid in de maanden juni, juli en augustus. Voor het verrichten van arbeid van bijkomende aard is een TWV vereist. Deze kan voor de duur van maximaal een jaar worden verleend (zie [artikel 16, eerste lid, Besluit uitvoering Wav BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028231&artikel=16)).
Het verblijfsrecht van de hoofdpersoon/student is tijdelijk (zie [artikel 5.3, tweede lid, onder c, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.3)). [Artikel 5.9, tweede lid, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.9) en bovenstaande beleidsregel maken het mogelijk dat ook in dat geval een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd verband houdend met gezinshereniging kan worden verleend.
Beleidsregel:
Aan de echtgeno(o)t(e) of (geregistreerde) partner en de minderjarige kinderen van de student kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd verband houdend met gezinshereniging worden verleend, mits wordt voldaan aan de voor die beperking geldende voorwaarden, met uitzondering van de voorwaarde die betrekking heeft op het niet-tijdelijk verblijf van de hoofdpersoon (zie [artikel 5.9, tweede lid, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.9)).
### 9. Verandering van opleiding of onderwijsinstelling
Voor de overige verblijfsvoorwaarden en de vereiste bescheiden wordt verwezen [hoofdstuk 11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028837&hoofdstuk=11&z=2012-07-01&g=2012-07-01) CTU-BES.
In geval van gezinshereniging bij een student zijn de middelen voldoende als wordt beschikt over het in hoofdstuk 3, paragraaf 1.9.3.3. genoemde normbedrag voor gezinshereniging in plaats van de in paragraaf 4 genoemde USD 559. Deze bedragen moeten dus niet bij elkaar opgeteld worden. Wel moet de student daarnaast voor zijn verblijfsrecht als student nog beschikken over middelen ter hoogte van het bedrag van het verschuldigde college- of lesgeld.
Het volgen van een studie/opleiding is primair gericht op voltooiing ervan. Daarom is een verklaring van de onderwijsinstelling nodig, waaruit blijkt dat voltooiing van de studie/opleiding binnen het resterende deel van de maximale verblijfsduur mogelijk is. De vreemdeling legt deze verklaring over bij de aanvraag om wijziging van de beperking van de verblijfsvergunning. Wanneer van opleiding wordt veranderd binnen dezelfde onderwijsinstelling legt de vreemdeling deze verklaring over bij de aanvraag om verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning.
### Hoofdstuk 8. Gepensioneerden en renteniers
### 1. Inleiding
Het volgen van een studie/opleiding is primair gericht op voltooiing ervan. Daarom is een verklaring van de onderwijsinstelling nodig, waaruit blijkt dat voltooiing van de studie/opleiding binnen het resterende deel van de maximale verblijfsduur mogelijk is. De vreemdeling legt deze verklaring over bij de aanvraag om wijziging van de beperking van de verblijfsvergunning. Wanneer van opleiding wordt veranderd binnen dezelfde onderwijsinstelling legt de vreemdeling deze verklaring over bij de aanvraag om verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning.
Het verblijf als gepensioneerde of rentenier moet het algemeen belang dienen van de openbare lichamen. Voor gepensioneerden en renteniers is dat het economisch belang. Dat wil zeggen dat van het verblijf van de vreemdeling als gepensioneerde of rentenier een stimulerende werking uit gaat op de economie van de openbare lichamen.
Onder een gepensioneerde wordt verstaan een vreemdeling die:
De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd kan onder voorwaarden worden verleend onder een beperking die verband houdt met verblijf als gepensioneerde of rentenier (zie [artikel 7, zevende lid, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=7) en [artikel 5.2, eerste lid, onder f, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.2)).
Het verblijf als gepensioneerde of rentenier moet het algemeen belang dienen van de openbare lichamen. Voor gepensioneerden en renteniers is dat het economisch belang. Dat wil zeggen dat van het verblijf van de vreemdeling als gepensioneerde of rentenier een stimulerende werking uit gaat op de economie van de openbare lichamen.
### 2. Vreemdelingen die een beroep doen op de penshonado/rentenierswetgeving
Onder een gepensioneerde wordt verstaan een vreemdeling die:
**Rentenier:**
Onder een rentenier wordt verstaan een vermogende vreemdeling die:
### 3. Reguliere gepensioneerden en renteniers
### 2. Vreemdelingen die een beroep doen op de penshonado/rentenierswetgeving
De ‘penshonado/rentenierregeling’ uit de artikelen 23B, 23C, 23D en 23E van de Landsverordening op de inkomstenbelasting 1943 zal op grond van [artikel 13b van de Wet geldstelsel BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028551&artikel=13b) na de transitie tot 1 januari 2011 ongewijzigd worden voortgezet. Dit betekent dat voor zover een gepensioneerde of rentenier op het tijdstip onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van de transitie rechten en verplichtingen heeft op grond van genoemde regeling, deze rechten en verplichtingen daarna door blijven lopen.
### 3.2. Verblijfsvoorwaarden
In de Landsverordening op de inkomstenbelasting 1943 staan de voorwaarden vermeld waaraan een vreemdeling of Nederlander moet voldoen om een beroep te kunnen doen op de ‘penshonado/rentenierregeling’. Eén van de voorwaarden is dat men voor onbepaalde tijd toegelaten moet zijn. Dit betekent dat men in het bezit moet zijn van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd of een verklaring dat men toelating van rechtswege heeft, dan wel dat men als Nederlander was toegelaten op grond van artikel 1 Landsverordening toelating en uitzetting.
Het enkel voldoen aan de voorwaarden van de fiscale ‘penshonado/rentenierregeling’ is op zichzelf geen grond voor toelating.
Een pensioenuitkering moet op het tijdstip waarop de aanvraag om een verblijfsvergunning is ontvangen of de beschikking wordt gegeven nog ten minste één jaar beschikbaar is. Dit kan worden aangetoond met een verklaring of brief van het pensioenfonds.
### 3.1. Inleiding
Een vreemdeling die geen beroep doet of kan doen op de fiscale ‘penshonado/rentenierregeling’, maar die zich wel als gepensioneerde of rentenier in de openbare lichamen wil vestigen, kan in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd onder de beperking ‘verblijf als gepensioneerde of rentenier’ als hij voldoet aan de onder 3.2 genoemde voorwaarden.
Daarnaast moet ook altijd gecontroleerd worden of de vreemdeling hoofdverblijf heeft in de betreffende woning in de openbare lichamen. Dit kan bijvoorbeeld aangetoond worden doordat blijkt dat de vreemdeling op het adres van de woning ingeschreven staat bij Burgerzaken.
Ten aanzien van deze voorwaarden zijn de beleidsregels met betrekking tot de algemene voorwaarden van [artikel 9, eerste lid, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=9) van toepassing. Deze staan in [hoofdstuk 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028837&hoofdstuk=3&z=2012-07-01&g=2012-07-01).
### 4. Overwinteraars
### 4.1. Inleiding
Overwinteraars zijn Nederlanders en vreemdelingen die gedurende een periode van maximaal zes maanden per jaar in de openbare lichamen verblijven, veelal gedurende de wintermaanden in het land van herkomst.
Er moet altijd gecontroleerd worden of de vreemdeling hoofdverblijf heeft in de betreffende woning in de openbare lichamen. Dit kan bijvoorbeeld aangetoond worden doordat blijkt dat de vreemdeling op het adres van de woning ingeschreven staat bij Burgerzaken.
Alle stukken moeten zijn opgesteld in het Nederlands of Engels of zijn vertaald door een betrouwbare vertaler.
### 4. Overwinteraars
Ten aanzien van deze voorwaarden zijn de beleidsregels met betrekking tot de algemene voorwaarden van [artikel 9, eerste lid, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=9) van toepassing. Deze staan in [hoofdstuk 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028837&hoofdstuk=3&z=2010-10-08&g=2010-10-08).
Overwinteraars zijn Nederlanders en vreemdelingen die gedurende een periode van maximaal zes maanden per jaar in de openbare lichamen verblijven, veelal gedurende de wintermaanden in het land van herkomst.
Voor Nederlanders geldt een vrije termijn van zes maanden binnen een tijdvak van een jaar (zie [artikel 4.2, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=4.2)) gedurende welke zij in de openbare lichamen kunnen verblijven.
### 4.3. Vereiste bescheiden
Alle stukken moeten zijn opgesteld in het Nederlands of Engels of zijn vertaald door een betrouwbare vertaler.
### 5. Beperking, arbeidsmarktaantekening en voorschrift
### 5.1. Beperking
Een pensioenuitkering moet op het tijdstip waarop de aanvraag om een verblijfsvergunning is ontvangen of de beschikking wordt gegeven nog ten minste één jaar beschikbaar zijn. Dit kan worden aangetoond met een verklaring of brief van het pensioenfonds.
### 4.3. Vereiste bescheiden
Alle stukken moeten zijn opgesteld in het Nederlands of Engels of zijn vertaald door een betrouwbare vertaler.
De geldigheidsduur van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd is maximaal zes maanden per jaar en is tijdelijk van aard. De tijdelijkheid moet altijd uitdrukkelijk in de beschikking waarbij de verblijfsvergunning wordt verleend, worden vermeld.
De geldigheidsduur van deze verblijfsvergunning voor bepaalde tijd kan niet worden verlengd. Als de vreemdeling in een volgend tijdvak van een jaar opnieuw als overwinteraar in de openbare lichamen wil verblijven, dan moet hij daarvoor een nieuwe aanvraag voor verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd indienen.
### 5.3. Arbeidsmarktaantekening
Op de verblijfsvergunning staat de aantekening: ’arbeid in loondienst alleen toegestaan indien de werkgever beschikt over TWV’.
### 5.4. Voorschriften
De geldigheidsduur van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd is maximaal zes maanden per jaar en is tijdelijk van aard. De tijdelijkheid moet altijd uitdrukkelijk in de beschikking waarbij de verblijfsvergunning wordt verleend, worden vermeld.
### Hoofdstuk 9. Investeerders
### 5.3. Arbeidsmarktaantekening
Op de verblijfsvergunning staat de aantekening: ’arbeid in loondienst alleen toegestaan indien de werkgever beschikt over TWV’.
Het verblijf als investeerder moet het algemeen belang van de openbare lichamen dienen. Voor investeerders is dat het economisch belang. Met de toelating van een vreemdeling moet een wezenlijk belang worden gediend binnen de openbare lichamen.
De verplichting voldoende verzekerd te zijn tegen ziektekosten met inbegrip van de kosten verbonden aan opname en verpleging in een sanatorium of psychiatrische inrichting.
‘het inbrengen van buitenlandse deviezen waarmee een bijdrage geleverd wordt aan de economische ontwikkeling van de gemeenschap binnen de openbare lichamen’.
Onder het inbrengen van ‘ buitenlandse deviezen’ valt:
De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd kan onder voorwaarden worden verleend onder een beperking die verband houdt met verblijf als investeerder (zie [artikel 7, zevende lid, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=7) en [artikel 5.2, eerste lid, onder k, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.2)).
Het verblijf als investeerder moet het algemeen belang van de openbare lichamen dienen. Voor investeerders is dat het economisch belang. Met de toelating van een vreemdeling moet een wezenlijk belang worden gediend binnen de openbare lichamen.
### 2. Verblijfsvoorwaarden
‘het inbrengen van buitenlandse deviezen waarmee een bijdrage geleverd wordt aan de economische ontwikkeling van de gemeenschap binnen de openbare lichamen’.
Onder het inbrengen van ‘ buitenlandse deviezen’ valt:
De verblijfsvergunning biedt de mogelijkheid aan kapitaalkrachtige vreemdelingen om een langere periode in de openbare lichamen te kunnen verblijven zonder dat zij zich zakelijk moet vestigen in de openbare lichamen of hoofdverblijf moeten hebben in de openbare lichamen.
De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd kan onder een beperking verband houdend met verblijf als investeerder worden verleend als de vreemdeling voldoet aan de onder 2 genoemde verblijfsvoorwaarden. Als de vreemdeling niet voldoet aan één of meer van deze voorwaarden, wordt de aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning afgewezen.
### 2. Verblijfsvoorwaarden
Ten aanzien van deze voorwaarden zijn de beleidsregels met betrekking tot de algemene voorwaarden van [artikel 9, eerste lid, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=9) van toepassing. Deze staan in [hoofdstuk 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028837&hoofdstuk=3&z=2012-07-01&g=2012-07-01).
### 4. Gezinshereniging
Een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd voor het verblijf als investeerder is tijdelijk (zie [artikel 5.3, tweede lid, onder f, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.3)). Dit betekent dat de vreemdeling die een verblijfsvergunning als investeerder heeft, bij het niet nakomen van de hiervoor geldende verplichtingen de openbare lichamen moet verlaten. De vreemdeling moet een verklaring ondertekenen dat hij ermee bekend is dat hij alleen voor het verblijfsdoel investeerder in de openbare lichamen mag verblijven.
Voor vreemdelingen met een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als ‘investeerder’ geldt een maximale verblijfsduur in de openbare lichamen van 120 dagen per jaar.
Naast de gezinsleden zoals genoemd in [artikel 5.10 BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.10) kunnen meerderjarige kinderen in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning op grond van gezinshereniging als:
Alle stukken moeten zijn opgesteld in het Nederlands of Engels of zijn vertaald door een betrouwbare vertaler.
De gezinsleden moeten de in paragraaf 3 onder a, b, c, d, e, g, j en k genoemde bescheiden overleggen.
### 5. Beperking, arbeidsmarktaantekening en voorschrift
### 5.1. Beperking
Naast de gezinsleden zoals genoemd in [artikel 5.10 BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.10) kunnen meerderjarige kinderen in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning op grond van gezinshereniging als:
Als de verblijfsvergunning van de hoofdpersoon vervalt dan vervalt eveneens de verblijfsvergunning van de gezinsleden.
### 5.2. Arbeidsmarktaantekening
Op de vergunning staat de aantekening: ‘arbeid in loondienst alleen toegestaan indien werkgever beschikt over TWV’.
### 5.1. Beperking
De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt verleend onder de beperking: ‘verblijf als investeerder’.
### Hoofdstuk 10. Vrijwilligers
### 5.2. Arbeidsmarktaantekening
Op de vergunning staat de aantekening: ‘arbeid in loondienst alleen toegestaan indien werkgever beschikt over TWV’.
Een vrijwilliger is een natuurlijke persoon die deelneemt aan arbeid die gebruikelijk onbetaald wordt verricht, geen winstoogmerk heeft en een algemeen maatschappelijk doel dient.
Aan de verblijfsvergunning is als voorschrift verbonden de verplichting voldoende verzekerd te zijn tegen ziektekosten met inbegrip van de kosten verbonden aan opname en verpleging in een sanatorium of een psychiatrische inrichting.
Als een vreemdeling vrijwilligerswerk verricht voor langer dan 12 weken, dan is hiervoor wel een TWV vereist en moet de vreemdeling ook een aanvraag om een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd aanvragen onder een beperking verband houdend met ‘verblijf als vrijwilliger’. Dit is een tijdelijk verblijfsrecht dat voor maximaal één jaar kan worden verleend. Na één jaar kan de verblijfsvergunning niet meer worden verlengd.
### 1. Inleiding
Aan een vreemdeling die vrijwilligerswerk verricht in de openbare lichamen kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd worden verleend onder een beperking verband houdend met ‘verblijf als vrijwilliger’, als aan de daarvoor geldende voorwaarden wordt voldaan (zie [artikel 5.2, eerste lid, onder m, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.2)). De verblijfsvoorwaarden voor dit verblijfsdoel zijn hieronder uitgewerkt in beleidsregels.
Een vrijwilliger is een natuurlijke persoon die deelneemt aan arbeid die gebruikelijk onbetaald wordt verricht, geen winstoogmerk heeft en een algemeen maatschappelijk doel dient.
Als een vreemdeling vrijwilligerswerk verricht voor maximaal 12 weken binnen een periode van 52 weken, dan is hiervoor geen TWV vereist. Aangezien de vreemdeling in dat geval ook binnen de vrije termijn verblijft, hoeft hij ook geen verblijfsvergunning voor bepaalde tijd aan te vragen.
Als een vreemdeling vrijwilligerswerk verricht voor langer dan 12 weken, dan is hiervoor wel een TWV vereist en moet de vreemdeling ook een aanvraag om een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd aanvragen onder een beperking verband houdend met ‘verblijf als vrijwilliger’. Dit is een tijdelijk verblijfsrecht dat voor maximaal één jaar kan worden verleend. Na één jaar kan de verblijfsvergunning niet meer worden verlengd.
### 2. Verblijfsvoorwaarden
Ten aanzien van deze voorwaarden zijn de beleidsregels met betrekking tot de algemene voorwaarden van [artikel 9, eerste lid, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=9) van toepassing. Deze staan in [hoofdstuk 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028837&hoofdstuk=3&z=2012-07-01&g=2012-07-01).
Beleidsregel:
Middelen van bestaan zijn in geval van een beoogd verblijf als vrijwilliger voldoende als de vreemdeling een voor het betreffende vrijwilligerswerk naar het oordeel van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid gebruikelijk salaris of gebruikelijke vergoeding ontvangt.
Wat een gebruikelijk salaris of een gebruikelijke vergoeding is voor het door de vreemdeling te verrichten vrijwilligerswerk, wordt beoordeeld in het kader van de aanvraag om verlening van een TWV. Als een TWV voor het beoogde vrijwilligerswerk is afgegeven door de SZW unit, dan kan ervan worden uitgegaan dat de vreemdeling een gebruikelijk salaris of gebruikelijke vergoeding ontvangt voor zijn werkzaamheden als vrijwilliger en dat daarmee aan de onder d genoemde voorwaarde wordt voldaan.
Beleidsregel:
Alle stukken moeten zijn opgesteld in het Nederlands of Engels of zijn vertaald door een betrouwbare vertaler.
### 4. Beperking, arbeidsmarktaantekening en voorschrift
### 4.1. Beperking
Bij verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd in het kader van gezinshereniging bij een hoofdpersoon, die in het bezit is van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd voor verblijf als vrijwilliger dan wel die daarvoor een aanvraag heeft ingediend, moet de schriftelijke garantstelling worden ondertekend door de organisatie voor wie de hoofdpersoon als vrijwilliger werkt.
Beleidsregel:
### 4.2. Arbeidsmarktaantekening
Op de verblijfsvergunning staat de aantekening: 'arbeid in loondienst alleen toegestaan indien werkgever beschikt over TWV’.
### 4.1. Beperking
### 5. Geldigheidsduur
Dit verblijfsrecht is tijdelijk van aard. Dit moet uitdrukkelijk in de beschikking waarbij de verblijfsvergunning wordt verleend, worden vermeld.
Beleidsregel:
Op de verblijfsvergunning staat de aantekening: 'arbeid in loondienst alleen toegestaan indien werkgever beschikt over TWV’.
### 4.3. Voorschriften
Beleidsregel:
De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd onder een beperking verband houdend met ‘verblijf als vrijwilliger’ kan worden verleend voor de duur waarvoor de TWV is afgegeven, met een maximum van één jaar (zie [artikel 5.25 BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.25)).
Beleidsregel:
De geldigheidsduur van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt daarna niet verlengd.
In geval van gezinshereniging bij een vrijwilliger geldt het middelenvereiste voor gezinshereniging zoals vermeld in hoofdstuk 3, paragraaf 1.9.3.3.
### Hoofdstuk 11. Gezinshereniging en gezinsvorming
### 1. Algemeen
### 1.1. Inleiding
Voor de overige verblijfsvoorwaarden en de vereiste bescheiden wordt verwezen naar [hoofdstuk 11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028837&hoofdstuk=11&z=2012-07-01&g=2012-07-01) CTU-BES.
In geval van gezinshereniging bij een vrijwilliger geldt het middelenvereiste voor gezinshereniging zoals vermeld in hoofdstuk 3, paragraaf 1.9.3.3.
In dit hoofdstuk wordt onder hoofdpersoon verstaan de persoon bij wie de vreemdeling als gezinslid (bijvoorbeeld als echtgenoot, geregistreerde partner, niet-geregistreerde partner, kind of ouder) in de openbare lichamen wil verblijven.
### 1. Algemeen
In het kader van gezinshereniging kan verblijf in de openbare lichamen worden toegestaan op grond van een huwelijk, geregistreerd partnerschap, of niet-geregistreerd partnerschap dat al bestond toen beide (huwelijks)partners nog buiten de openbare lichamen verbleven. Voor toelating van kinderen die uit deze (huwelijks)relatie zijn geboren wordt verwezen naar paragraaf 5 (en verder) van dit hoofdstuk.
### 1.3. Beleid gezinsvorming
Gezinsvorming is dus een bijzondere vorm van gezinshereniging. Verder wordt met de aansluiting bij het begrip ‘hoofdverblijf’ voorkomen dat ook in geval van een tijdens een buitenlandse vakantie van een in de openbare lichamen gevestigde persoon gesloten huwelijk of relatie, om de enkele reden dat het huwelijk of de relatie buiten de openbare lichamen tot stand is gekomen, sprake zou zijn van ‘gezinshereniging’.
### 2. Huwelijk en geregistreerd partnerschap
### 1.2. Beleid gezinshereniging
In het kader van gezinshereniging kan verblijf in de openbare lichamen worden toegestaan op grond van een huwelijk, geregistreerd partnerschap, of niet-geregistreerd partnerschap dat al bestond toen beide (huwelijks)partners nog buiten de openbare lichamen verbleven. Voor toelating van kinderen die uit deze (huwelijks)relatie zijn geboren wordt verwezen naar paragraaf 5 (en verder) van dit hoofdstuk.
Het huwelijk is geldig als:
In het kader van gezinsvorming kan verblijf in de openbare lichamen worden toegestaan op grond van een huwelijk, geregistreerd partnerschap, of niet-geregistreerd partnerschap gesloten op een tijdstip dat een van de echtgenoten al in de openbare lichamen verbleef.
Gelegaliseerde akten:
De verblijfsvergunning wordt niet op grond van een huwelijk of een geregistreerd partnerschap verleend als het huwelijk of het geregistreerde partnerschap niet is aangetoond.
Ingevolge [artikel 5.10, onder a, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.10) wordt de verblijfsvergunning op grond van een huwelijk verleend als het huwelijk naar Nederlands internationaal privaatrecht rechtsgeldig is. De verblijfsvergunning wordt niet op grond van een geregistreerd partnerschap verleend als dat partnerschap niet in Nederland is geregistreerd.
Het huwelijk is geldig als:
Het bestaan van een geldig huwelijk moet met gelegaliseerde documenten worden aangetoond. Als het huwelijk, gesloten buiten een land van het Koninkrijk, wegens strijd met de openbare orde, niet voor erkenning door de openbare lichamen in aanmerking komt, dan heeft dit tot gevolg dat dit huwelijk niet de basis kan vormen voor verlening van een vergunning tot (tijdelijk) verblijf.
Gelegaliseerde akten:
De verblijfsvergunning wordt niet op grond van een huwelijk of een geregistreerd partnerschap verleend als het huwelijk of het geregistreerde partnerschap niet is aangetoond.
De verblijfsvergunning wordt ingevolge [artikel 5.11, onder a en b, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.11) verleend, als de hoofdpersoon in de openbare lichamen verblijft als:
Ingeval van gezinshereniging of gezinsvorming wordt de verblijfsvergunning ingevolge de [artikelen 5.10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.10) en [5.11 BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.11) verleend als de vreemdeling en de hoofdpersoon eenentwintig jaar of ouder zijn.
Op grond van [artikel 5.10 BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.10) en [artikel 5.12 BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.12) wordt, zolang de vreemdeling of de hoofdpersoon met meer dan één andere persoon tegelijkertijd door een huwelijk of een (al dan niet geregistreerd) partnerschap is verbonden, de verblijfsvergunning maar aan één echtgenoot, geregistreerd partner of partner tegelijkertijd verleend, en aan de uit die vreemdeling geboren (minderjarige) kinderen.
Ook als de in de openbare lichamen verblijvende hoofdpersoon met een andere man of vrouw duurzaam samenleeft, komen de wettelijke echtgenote en de eventuele gezinsleden niet voor een verblijfsvergunning in aanmerking. Als de polygame situatie is beëindigd, bijvoorbeeld door overlijden of door een echtscheiding die naar het internationaal privaatrecht van de openbare lichamen is erkend, staat de vroegere polygame situatie niet aan verlening van de verblijfsvergunning in de weg.
### 2.2. Vereiste bescheiden
### 2.3. Beperkingen, arbeidsmarktaantekeningen en voorschrift
### 2.3.1. Beperking
De verblijfsvergunning wordt op grond van [artikel 5.16 BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.16) verleend als de vreemdeling geen gevaar vormt voor de openbare orde en nationale veiligheid.
### 2.3.2. Arbeidsmarktaantekening
Op de verblijfsvergunning staat de aantekening: 'arbeid in loondienst alleen toegestaan indien werkgever beschikt over TWV’. Beroep op de publieke middelen kan gevolgen hebben voor het verblijfsrecht’.
Als [artikel 7 Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028231&artikel=7) van toepassing is, wordt de arbeidsmarktaantekening: ‘Arbeid vrij toegestaan. TWV niet vereist. Beroep op de publieke middelen kan gevolgen hebben voor het verblijfsrecht’.
### 2.3.1. Beperking
De verblijfsvergunning wordt verleend onder de beperking: ‘verblijf bij echtgeno(o)t(e) / geregistreerd partner (naam)’.
### 2.3.2. Arbeidsmarktaantekening
Op de verblijfsvergunning staat de aantekening: 'arbeid in loondienst alleen toegestaan indien werkgever beschikt over TWV’. Beroep op de publieke middelen kan gevolgen hebben voor het verblijfsrecht’.
### 3. Schijnhuwelijk
Een schijnhuwelijk is een huwelijk dat wordt aangegaan met als doel de nog niet of niet meer tot de openbare lichamen toegelaten buitenlandse partner een verblijfsrecht te verschaffen. Het gaat hierbij om voorgenomen huwelijken die op de openbare lichamen zullen plaatsvinden en huwelijken die in het buitenland zijn gesloten.
Aan de verblijfsvergunning wordt het voorschrift verbonden van het sluiten van een voldoende ziektekostenverzekering, met inbegrip van de kosten die zijn verbonden aan opname en verpleging in een sanatorium of een psychiatrische inrichting.
Als het huwelijk binnen de openbare lichamen wordt gesloten, zal het bevolkingsregister bij twijfel ook de vreemdelingenpolitie verzoeken een onderzoek te laten plaatsvinden.
Op grond van [artikel 5.25 BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.25) wordt de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd verleend voor ten hoogste één jaar en kan de verblijfsvergunning telkens met ten hoogste één jaar worden verlengd.
### 3. Schijnhuwelijk
### 4.1. Verblijfsvoorwaarden
Huwelijken met vreemdelingen die tijdens het rechtmatig verblijf van de vreemdeling of Nederlander worden gesloten buiten de openbare lichamen moeten voordat er een verzoek tot gezinsvorming kan worden ingediend eerst ingeschreven worden in het bevolkingsregister. Bij twijfel zal de vreemdelingenpolitie worden verzocht een onderzoek in te stellen.
Als het huwelijk binnen de openbare lichamen wordt gesloten, zal het bevolkingsregister bij twijfel ook de vreemdelingenpolitie verzoeken een onderzoek te laten plaatsvinden.
Aan huwelijken gesloten binnen of buiten de openbare lichamen kunnen geen rechten voor het verkrijgen van een verblijfstitel worden ontleend. Andere criteria, zoals voldoende geldelijke middelen, moeten worden overlegd om een vergunning tot tijdelijk verblijf in het kader van gezinsvorming te verkrijgen.
Op grond van [artikel 5.10 BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.10) wordt de verblijfsvergunning verleend als de vreemdeling en de hoofdpersoon niet tot elkaar in een zodanig nauwe relatie staan dat die naar Nederlands recht een huwelijksbeletsel zou vormen.
Op grond van [artikel 5.10, onder 2, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.10) wordt de verblijfsvergunning verleend als de vreemdeling of de hoofdpersoon niet met een ander een in Nederland geregistreerd partnerschap is aangegaan of gehuwd is, tenzij het huwelijk of het geregistreerd partnerschap door wettelijke beletselen, waarop geen invloed kan worden uitgeoefend, niet is ontbonden.
Op grond van [artikel 5.10 BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.10) wordt de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd op grond van een relatie verleend, als de vreemdeling een duurzame en exclusieve relatie onderhoudt met de in de openbare lichamen gevestigde hoofdpersoon. Van een duurzame en exclusieve relatie is sprake als de (homo- of heteroseksuele) relatie in voldoende mate met een huwelijk op één lijn is te stellen.
Het bestaan van een duurzame en een exclusieve relatie kan worden aangetoond door de ondertekening van een relatieverklaring door beide partners. Door de ondertekening van die schriftelijke verklaring verklaren de vreemdeling en de hoofdpersoon feitelijk samen te (gaan) wonen en een duurzame en exclusieve relatie te onderhouden.
Verwantschap:
Op grond van [artikel 5.10 BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.10) wordt de verblijfsvergunning verleend als de vreemdeling en de hoofdpersoon niet tot elkaar in een zodanig nauwe relatie staan dat die naar Nederlands recht een huwelijksbeletsel zou vormen.
Op grond van [artikel 5.10, onder 2, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.10) wordt de verblijfsvergunning verleend als de vreemdeling of de hoofdpersoon niet met een ander een in Nederland geregistreerd partnerschap is aangegaan of gehuwd is, tenzij het huwelijk of het geregistreerd partnerschap door wettelijke beletselen, waarop geen invloed kan worden uitgeoefend, niet is ontbonden.
Gelegaliseerde akten:
De (ongehuwde) burgerlijke staat wordt aangetoond met officiële gelegaliseerde bescheiden.
Een verklaring van ongehuwd zijn mag niet ouder zijn dan zes maanden na afgifte door de daartoe bevoegde autoriteiten. De termijn van zes maanden wordt gezien als een redelijke termijn waarbinnen men wordt geacht niet (opnieuw) in het huwelijk te zijn getreden. Uiteraard wordt een bewijs van ongehuwd zijn dat minder dan zes maanden oud is in geval van contra-indicaties niet geaccepteerd. Hierbij valt te denken aan de situatie dat een vier maanden oud bewijs van ongehuwd zijn, wordt overgelegd en een echtscheidingsakte waaruit blijkt dat een huwelijksontbinding binnen die vier maanden heeft plaatsgevonden.
De verblijfsvergunning wordt op grond van [artikel 5.11, onder a en b, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.11) verleend als de hoofdpersoon in de openbare lichamen verblijft als:
Ingeval van gezinshereniging of gezinsvorming wordt de verblijfsvergunning op grond van de [artikelen 5.10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.10) en [5.11 BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.11) verleend als de vreemdeling en de hoofdpersoon eenentwintig jaar of ouder zijn.
Op grond van [artikel 5.10 BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.10) en [artikel 5.12 BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.12) wordt, zolang de vreemdeling of de hoofdpersoon met meer dan één andere persoon tegelijkertijd door een huwelijk of een (al dan niet geregistreerd) partnerschap is verbonden, de verblijfsvergunning maar aan één echtgenoot, geregistreerd partner of partner tegelijkertijd verleend, en aan de uit die vreemdeling geboren (minderjarige) kinderen.
Ook als de in de openbare lichamen verblijvende hoofdpersoon met een andere man of vrouw duurzaam samenleeft, komen de buitenlandse partner en de eventuele gezinsleden niet voor een verblijfsvergunning in aanmerking. Als de polygame situatie is beëindigd, bijvoorbeeld door overlijden of door een echtscheiding die naar het internationaal privaatrecht van de openbare lichamen is erkend, staat de vroegere polygame situatie niet aan verlening van de verblijfsvergunning in de weg.
### 4.2. Vereiste bescheiden
### 4.3. Beperkingen, arbeidsmarktaantekeningen en voorschrift
### 4.3.1. Beperking
In geval van gezinshereniging of gezinsvorming wordt op grond van [artikel 5.18, onder a, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.18) juncto [artikel 5.33 BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.33), de verblijfsvergunning verleend als de hoofdpersoon duurzaam en zelfstandig beschikt over voldoende middelen van bestaan (zie hoofdstuk 3, paragraaf 1.9.3.3).
### 4.3.2. Arbeidsmarktaantekening
Op de verblijfsvergunning staat de aantekening: 'arbeid in loondienst alleen toegestaan indien werkgever beschikt over TWV’. Beroep op de publieke middelen kan gevolgen hebben voor het verblijfsrecht’.
Als [artikel 7 Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028231&artikel=7) van toepassing is, wordt de arbeidsmarktaantekening: ‘Arbeid vrij toegestaan. TWV niet vereist. Beroep op de publieke middelen kan gevolgen hebben voor het verblijfsrecht’.
### 4.3.1. Beperking
De verblijfsvergunning wordt verleend onder de beperking: ‘verblijf bij partner (naam)’.
### 4.3.2. Arbeidsmarktaantekening
Op de verblijfsvergunning staat de aantekening: 'arbeid in loondienst alleen toegestaan indien werkgever beschikt over TWV’. Beroep op de publieke middelen kan gevolgen hebben voor het verblijfsrecht’.
### 5. Minderjarige kinderen
### 4.3.3. Voorschrift
Aan de verblijfsvergunning wordt het voorschrift verbonden van het sluiten van een voldoende ziektekostenverzekering, met inbegrip van de kosten die zijn verbonden aan opname en verpleging in een sanatorium of een psychiatrische inrichting.
Het gestelde rechtmatig gezag van de om verblijf vragende echtgenoot, geregistreerd partner of partner van de hoofdpersoon moet in beginsel met gelegaliseerde bescheiden worden aangetoond.
Op grond van [artikel 5.25 BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.25) wordt de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd verleend voor ten hoogste één jaar en kan de verblijfsvergunning telkens met ten hoogste één jaar worden verlengd.
Kinderen die alleen bij moeder of alleen bij vader verblijf aanvragen, terwijl de (biologische) vader of moeder in het land van herkomst achterblijft, moeten, naast de gebruikelijke voorwaarden, aan de volgende voorwaarde voldoen:
Gelegaliseerde akten:
Op grond van [artikel 5.10, onder c, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.10) wordt de verblijfsvergunning, bedoeld in [artikel 5.9 BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.9), op aanvraag verleend aan het minderjarige biologische of juridische kind van een in de openbare lichamen gevestigde hoofdpersoon. Het kind moet wel onder het rechtmatig gezag van de hoofdpersoon staan. Daarbij geldt als voorwaarde dat het kind naar het oordeel van de Minister feitelijk behoort en al in het land van herkomst feitelijk behoorde tot het gezin van de hoofdpersoon.
Het gestelde rechtmatig gezag van de om verblijf vragende echtgenoot, geregistreerd partner of partner van de hoofdpersoon moet in beginsel met gelegaliseerde bescheiden worden aangetoond.
Als het gestelde rechtmatig gezag niet met gelegaliseerde bescheiden wordt aangetoond, wordt de aanvraag afgewezen.
De aanvraag om een verblijfsvergunning, bedoeld in [artikel 5.9 BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.9), wordt niet vanwege het ontbreken van een familierechtelijke relatie afgewezen als het minderjarige kind een pleegkind is van de hoofdpersoon. Daarbij geldt als voorwaarde dat het kind naar het oordeel van de Minister feitelijk behoort en al in het land van herkomst feitelijk behoorde tot het gezin van de hoofdpersoon.
Gelegaliseerde akten:
Door middel van officiële gelegaliseerde documenten wordt aangetoond dat de ouder(s) of wettelijk vertegenwoordiger, of (als zij zijn overleden of een onbekende verblijfplaats hebben) de autoriteiten in het land van herkomst instemmen met het verblijf van het kind in het gezin van de pleegouders. Alleen als het recht van het land van herkomst dit vereist, is naast instemming van de ouder(s) of de wettelijke vertegenwoordiger ook instemming van de autoriteiten van het land van herkomst vereist.
De ouders moeten ook het wettelijk gezag over de minderjarige (tijdelijk) aan de pleegouders overdragen. Per land moet onderzocht worden of dit kan via een notariële verklaring of dat de ouders hiervoor een rechtelijke uitspraak nodig hebben.
De ouders verliezen niet het ouderlijk gezag over het kind.
Kinderen die alleen bij moeder of alleen bij vader verblijf aanvragen, terwijl de (biologische) vader of moeder in het land van herkomst achterblijft, moeten, naast de gebruikelijke voorwaarden, aan de volgende voorwaarde voldoen:
Gelegaliseerde akten:
De familierechtelijke relatie tot degene bij wie verblijf wordt beoogd, wordt door middel van officiële gelegaliseerde bescheiden aangetoond.
Op grond van [artikel 5.10, onder c, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.10) wordt de verblijfsvergunning verleend, als het kind feitelijk behoort en al in het buitenland feitelijk behoorde tot het gezin van de in de openbare lichamen wonende ouder(s) bij wie verblijf wordt beoogd. De gezinsband moet al in het buitenland hebben bestaan en het kind moet gaan samenwonen met de ouder(s).
De aanvraag wordt afgewezen, als het kind niet feitelijk behoort en al in het buitenland behoorde tot het gezin van de in de openbare lichamen wonende ouder(s) bij wie verblijf wordt beoogd.
Voor de invulling van het begrip feitelijke gezinsband in zaken waarin minderjarige biologische of juridische kinderen bij een in de openbare lichamen verblijvende ouder verblijf vragen, wordt aangesloten bij het begrip familie- en gezinsleven in de zin van artikel 8 EVRM.
Het gezinsleven tussen ouders en kinderen in de zin van artikel 8 EVRM eindigt slechts in zeer uitzonderlijke situaties. Ook als men niet samenwoont of maar heel kort heeft samengewoond, of er in een periode weinig of geheel geen contact is geweest, zijn er andere zwaarwegende feiten nodig om het gezinsleven als beëindigd te kunnen beschouwen. Alleen de ondertoezichtstelling of uithuisplaatsing van het kind beëindigt bijvoorbeeld niet het gezinsleven.
Als sprake is van gezinsleven in de zin van artikel 8 EVRM wordt aangenomen dat een biologisch of juridisch kind feitelijk behoort en al in het buitenland behoorde tot het gezin van de ouder(s).
### 5.2. Vereiste bescheiden
### 5.3. Kinderen geboren uit rechtmatig verblijvende ouders
Met de genoemde uitzonderingsgevallen is duidelijk gemaakt dat er omstandigheden kunnen zijn, waarin geoordeeld kan worden dat het kind niet (meer) feitelijk behoort tot het gezin van de ouder(s). In de eerste twee genoemde omstandigheden kan worden aangenomen dat het kind een zekere mate van zelfstandigheid heeft bereikt. In deze gevallen komt aan de handhaving van een restrictief vreemdelingenbeleid meer gewicht toe dan aan het individuele belang van het kind om alsnog bij zijn ouder(s) in de openbare lichamen te verblijven. De zorg voor afhankelijke gezinsleden, onder wie (buitenechtelijke) kinderen, kan uitsluitend tot het oordeel leiden dat het kind niet feitelijk behoort tot het gezin van de ouder(s), als het kind daarnaast zelfstandig woont en in eigen onderhoud voorziet, óf door het aangaan van een huwelijk of een relatie een zelfstandig gezin heeft gevormd.
### 5.3.1. In de openbare lichamen geboren kinderen
Als de referent met meer dan één andere persoon tegelijkertijd door een huwelijk of (geregistreerd) partnerschap is verbonden, wordt op grond van [artikel 5.12 BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.12) geen verblijfsvergunning verleend aan het minderjarige biologische of juridische kind van de referent als:
Op grond van [artikel 5.13 BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.13) wordt de verblijfsvergunning verleend als het minderjarige kind en de hoofdpersoon (gaan) samenwonen.
### 5.3.2. Vereiste bescheiden
### 5.4. Beperkingen, arbeidsmarktaantekeningen en voorschrift
### 5.4.1. Beperking
Daarbij geldt als aanvullende voorwaarde dat, tenzij de bovenbedoelde partner, geregistreerde partner of huwelijkspartner biologisch of juridisch ouder van de vreemdeling is, deze een garantstelling moet hebben ondertekend.
### 5.2. Vereiste bescheiden
Op de verblijfsvergunning staat de aantekening: 'arbeid in loondienst alleen toegestaan indien werkgever beschikt over TWV’. Beroep op de publieke middelen kan gevolgen hebben voor het verblijfsrecht’.
Voor kinderen die in de openbare lichamen zijn geboren uit niet-Nederlandse ouders van wie ten minste één houder is van een verblijfsvergunning voor (on)bepaalde tijd, is er een bijzondere regeling.
### 5.3.1. In de openbare lichamen geboren kinderen
De verblijfsvergunning wordt verleend aan het in de openbare lichamen geboren kind, als:
### 5.5. Geldigheidsduur
In afwijking van [artikel 5.25 BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.25) kan op grond van [artikel 5.26 BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.26) de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd onder een beperking verband houdend met gezinshereniging als minderjarige worden verleend voor de duur van ten hoogste:
### 5.4. Beperkingen, arbeidsmarktaantekeningen en voorschrift
De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd in het kader van verruimde gezinshereniging kan, op grond van [artikel 5.9, lid 2, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.9), op aanvraag worden verleend aan vreemdelingen van 65 jaar of ouder die in de openbare lichamen willen verblijven bij hun kind(eren). Het gaat hier dus om ouders op leeftijd, die bij een volwassen kind willen komen wonen.
De verblijfsvergunning wordt verleend onder de beperking: ‘gezinshereniging bij (naam ouder(s))’.
Verder wordt de eis gesteld dat achterlating van de persoon die om toelating verzoekt een onevenredige hardheid oplevert.
### 6.1. Bijzondere vereisten voor toelating
Bovengenoemde arbeidsmarktaantekening staat niet in de weg dat bij andere wetten beperkingen ten aanzien van het verrichten van arbeid door minderjarigen gesteld worden.
De verblijfsvergunning wordt verleend, als de in de openbare lichamen verblijvende kinderen in de openbare lichamen verblijven als:
Aan de verblijfsvergunning wordt het voorschrift verbonden van het sluiten van een voldoende ziektekostenverzekering, met inbegrip van de kosten die zijn verbonden aan opname en verpleging in een sanatorium of een psychiatrische inrichting.
### 5.5. Geldigheidsduur
### 6.3. Beperkingen, arbeidsmarktaantekeningen en voorschrift
### 6. Verruimde gezinshereniging
De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd in het kader van verruimde gezinshereniging kan, op grond van [artikel 5.9, lid 2, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.9), op aanvraag worden verleend aan vreemdelingen van 60 jaar of ouder die in de openbare lichamen willen verblijven bij hun kind(eren). Het gaat hier dus om ouders op leeftijd, die bij een volwassen kind willen komen wonen.
### 6.3.2. Arbeidsmarktaantekening
Verder wordt de eis gesteld dat achterlating van de persoon die om toelating verzoekt een onevenredige hardheid oplevert.
### 6.1. Bijzondere vereisten voor toelating
De bijzondere vereisten voor toelating zijn de volgende:
### 6.4. Geldigheidsduur
De verblijfsvergunning wordt niet verleend als één van de kinderen niet duurzaam beschikt of de kinderen niet duurzaam beschikken over voldoende middelen van bestaan (zie hoofdstuk 3, paragraaf 1.9.3.3).
### 6.2. Vereiste bescheiden
### 6.3. Beperkingen, arbeidsmarktaantekeningen en voorschrift
In de volgende gevallen is in ieder geval sprake van familie- of gezinsleven als bedoeld in artikel 8 EVRM:
De verblijfsvergunning wordt verleend onder de beperking: ‘verruimde gezinshereniging bij (naam gezinslid)’.
Het familie- of gezinsleven tussen (geregistreerde en huwelijks)partners eindigt met de feitelijke verbreking van de (huwelijkse) relatie.
### 7.2. Inmenging
Inmenging op het familie- en gezinsleven, dan wel het privé-leven wordt aangenomen, als de vreemdeling:
### 7.3. Belangenafweging
Om te kunnen bepalen of weigering van (voortzetting van) het verblijf van de vreemdeling in strijd is met artikel 8 EVRM, moeten alle relevante feiten en omstandigheden van het geval worden bekeken en tot uitdrukking worden gebracht in een belangenafweging. Welke belangen bij de belangenafweging moeten worden betrokken, hangt af van de concrete individuele casus. Van belang is dat het altijd gaat om de feitelijke situatie in het individuele geval, die per casus zal verschillen. Aangezien het gaat om de beoordeling en afweging van diverse belangen van verschillende aard, komt in beide gevallen aan de overheid een zekere beoordelingsvrijheid (a certain margin of appreciation) toe.
Op grond van [artikel 5.25 BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.25) wordt de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd verleend voor ten hoogste één jaar en kan de verblijfsvergunning telkens met ten hoogste één jaar worden verlengd.
Ook als er geen sprake is van inmenging moet er een belangenafweging tussen de belangen van de Staat en die van de vreemdeling plaatsvinden.
### 7.1. Familie- of gezinsleven
### 7.4.1. Beperking
In de volgende gevallen kan ook sprake zijn van familie- of gezinsleven als bedoeld in artikel 8 EVRM:
Het familie- of gezinsleven tussen (geregistreerde en huwelijks)partners eindigt met de feitelijke verbreking van de (huwelijkse) relatie.
Als het verblijf wordt verleend op grond van de pogingen van de vreemdeling om aan het gezinsleven met zijn kind invulling te gaan geven, is het verblijfsrecht altijd tijdelijk van aard.
### 7.4.2. Arbeidsmarktaantekening
Op de verblijfsvergunning staat de aantekening: ‘arbeid in loondienst alleen toegestaan indien werkgever beschikt over TWV’. Beroep op de publieke middelen kan gevolgen hebben voor het verblijfsrecht’.
Om te kunnen bepalen of weigering van (voortzetting van) het verblijf van de vreemdeling in strijd is met artikel 8 EVRM, moeten alle relevante feiten en omstandigheden van het geval worden bekeken en tot uitdrukking worden gebracht in een belangenafweging. Welke belangen bij de belangenafweging moeten worden betrokken, hangt af van de concrete individuele casus. Van belang is dat het altijd gaat om de feitelijke situatie in het individuele geval, die per casus zal verschillen. Aangezien het gaat om de beoordeling en afweging van diverse belangen van verschillende aard, komt in beide gevallen aan de overheid een zekere beoordelingsvrijheid (a certain margin of appreciation) toe.
### 7.5. Geldigheidsduur
Ook als er geen sprake is van inmenging moet er een belangenafweging tussen de belangen van de Staat en die van de vreemdeling plaatsvinden.
### 7.4. Beperkingen, arbeidsmarktaantekeningen en voorschrift
### 7.4.1. Beperking
De verblijfsvergunning wordt verleend onder de beperking: ‘uitoefenen van het gezinsleven conform artikel 8 EVRM bij (naam)’.
Als het verblijfsrecht van de persoon bij wie de vreemdeling wil verblijven, tijdelijk van aard is, is het verblijfsrecht van de vreemdeling ook tijdelijk van aard.
Als het verblijf wordt verleend op grond van de pogingen van de vreemdeling om aan het gezinsleven met zijn kind invulling te gaan geven, is het verblijfsrecht altijd tijdelijk van aard.
### 7.4.2. Arbeidsmarktaantekening
Op de verblijfsvergunning staat de aantekening: ‘arbeid in loondienst alleen toegestaan indien werkgever beschikt over TWV’. Beroep op de publieke middelen kan gevolgen hebben voor het verblijfsrecht’.
### 3. Buitenlandse pleegkinderen
### 7.5. Geldigheidsduur
Op grond van [artikel 5.25 BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.25) wordt de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd verleend voor ten hoogste één jaar en kan de verblijfsvergunning telkens met ten hoogste één jaar worden verlengd.
Verblijf kan alleen worden verleend wanneer de verblijfgever de grootouder, broer, zuster, oom of tante van het pleegkind is.
Het is niet mogelijk een vast kader te geven wanneer wel of geen sprake is van een onaanvaardbare toekomst in het land van herkomst. Bij elke aanvraag wordt gekeken naar de individuele omstandigheden van het kind. Hierbij wordt gekeken naar de omstandigheden waaronder het kind leeft in het land van herkomst en de omstandigheden waaronder kinderen in vergelijkbare situaties in dat land leven.
Het verschil tussen buitenlandse adoptiekinderen en buitenlandse pleegkinderen is een juridisch verschil.
Bij buitenlandse adoptie gaat het om een minderjarig kind van niet-Nederlandse nationaliteit, dat niet in de openbare lichamen is geboren en dat, als gevolg van een erkende buitenlandse adoptiebeslissing, geldt als kind van de adoptanten. Dit betekent dat de banden tussen de biologische ouders en het adoptiekind ophouden te bestaan, dat zij afstand hebben gedaan van het kind en dat de adoptiefouders in familierechtelijke band komen te staan tot dat kind. Het gaat ook om een permanente situatie.
Buitenlandse pleegkinderen zijn minderjarige kinderen die om welke reden dan ook thuis (in het buitenland) niet meer kunnen opgroeien en in een pleeggezin worden geplaatst waarbij de pleegouders feitelijk de verzorging over de kinderen van de ouders overnemen, maar niet juridisch de ouders van het kind worden.
Zo nodig wint de Minister van Justitie aanvullende gegevens in bij de Voogdijraad over de geschiktheid van de aspirant pleegouders voor de verzorging en opvoeding van het kind.
**Gereserveerd**
Dit vereiste zal er echter niet toe leiden dat een gehandicapt kind niet zou kunnen worden opgenomen. De Voogdijraad doet hier een uitspraak over.
Uit de medische verklaring moet blijken dat het kind is getest op TBC. Een onderzoek op TBC is verplicht, tenzij het kind de nationaliteit bezit van een van de bij ministeriële regeling vast te stellen landen die zijn vrijgesteld van de verplichting een TBC onderzoek te ondergaan.
In aanvulling op de algemene voorwaarden voor verblijf gelden voor de verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd voor verblijf als pleegkind de volgende cumulatieve voorwaarden:
Verblijf kan alleen worden verleend wanneer de verblijfgever de grootouder, broer, zuster, oom of tante van het pleegkind is.
Het is niet mogelijk een vast kader te geven wanneer wel of geen sprake is van een onaanvaardbare toekomst in het land van herkomst. Bij elke aanvraag wordt gekeken naar de individuele omstandigheden van het kind. Hierbij wordt gekeken naar de omstandigheden waaronder het kind leeft in het land van herkomst en de omstandigheden waaronder kinderen in vergelijkbare situaties in dat land leven.
Zo zijn factoren als armoede, alleenstaande ouders en werkloosheid op zichzelf geen factoren die van belang zijn bij de beslissing of een minderjarige wel of niet als pleegkind naar de openbare lichamen kan komen. Dit kunnen omstandigheden zijn die voor vele gezinnen met kinderen of alleenstaande ouders met kinderen gelden.
Wanneer deze omstandigheden er echter voor zorgen dat het kind, in vergelijking met andere kinderen van dezelfde leeftijd in dat land, wordt uitgesloten van zaken als bijvoorbeeld onderwijs en medische zorg en daardoor niet in staat zal zijn voor zichzelf een goede toekomst op te bouwen, dan wegen deze factoren, voor dat specifieke kind, anders.
De aspirant pleegouders overleggen een schriftelijke motivering van de bijzondere omstandigheden van het kind of die van de familieleden in het land van herkomst, waaruit blijkt dat het kind niet of bezwaarlijk kan worden verzorgd door de ouders of familieleden die in het land van herkomst wonen al dan niet met (financiële) steun van familieleden die in de openbare lichamen verblijven.
### 3.2. Vereiste bescheiden
### 3.3. Beperking, arbeidsmarktaantekening en voorschrift
### 3.3.1. Beperking
Uit de medische verklaring moet blijken dat het kind is getest op TBC. Een onderzoek op TBC is verplicht, tenzij het kind de nationaliteit bezit van een van de bij ministeriële regeling vast te stellen landen die zijn vrijgesteld van de verplichting een TBC onderzoek te ondergaan.
### 3.3.2. Arbeidsmarktaantekening
De aanvraag wordt afgewezen als niet door middel van officiële gelegaliseerde documenten wordt aangetoond dat de ouder(s) of wettelijke vertegenwoordiger, of (indien zij zijn overleden of een onbekende verblijfplaats hebben) de autoriteiten in het land van herkomst instemmen met het verblijf van het kind in het gezin van de aspirant-pleegouders. Alleen als het recht van het land van herkomst dit vereist, is naast instemming van de ouder(s) of de wettelijke vertegenwoordiger ook instemming van de autoriteiten van het land van herkomst vereist.
### 3.3.3. Voorschrift
De ouders verliezen niet het ouderlijk gezag over het kind.
### 3.4. Geldigheidsduur
Als het familielid bij wie de vreemdeling verblijf beoogt een echtgenoot of partner heeft, kan het inkomen van die persoon worden meegeteld bij de berekening van het gezinsinkomen. Als aanvullende voorwaarde geldt dan dat ondertekening van de garantverklaring, bedoeld in [artikel art. 3.9, lid 2, onder c, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=3.9) geschiedt door de hoofdpersoon en bedoelde partner.
Als de vreemdeling niet beschikt over een geldig document voor grensoverschrijding wordt dat niet tegengeworpen.
### 3.3. Beperking, arbeidsmarktaantekening en voorschrift
### 3.3.1. Beperking
De verblijfsvergunning voor verblijf als buitenlands pleegkind wordt verleend onder de beperking ‘Verblijf bij ............. (naam pleegouder)’.
Voor wedertoelating komen, onder voorwaarden, in aanmerking:
### 2. Oud-Nederlanders
### 3.3.3. Voorschrift
Aan de verblijfsvergunning wordt als voorschrift verbonden voldoende verzekerd te zijn tegen ziektekosten, met inbegrip van kosten verbonden aan opname en verpleging in een sanatorium of een psychiatrische inrichting.
Verder kan onderscheid gemaakt worden tussen Nederlanders die in of buiten de openbare lichamen zijn geboren en getogen.
### 2.2. Oud-Nederlanders die geboren en getogen zijn in de openbare lichamen
### 2.2.1. Verblijfsvoorwaarden
Ten aanzien van de oud-Nederlanders die in de openbare lichamen zijn geboren en getogen, geldt dat zij, op grond van het feit dat zij in die periode als Nederlander in de openbare lichamen hebben verbleven, geacht worden zodanig sterke banden met de openbare lichamen te hebben opgebouwd en na hun vertrek uit de openbare lichamen te hebben behouden, dat zij met voorbijgaan aan een aantal algemene voorwaarden in aanmerking kunnen komen voor verblijf in de openbare lichamen.
Tegen het verblijf van de vreemdeling mag **geen** bezwaar bestaan uit oogpunt van openbare orde of nationale veiligheid.
### 2.2.2. Vereiste bescheiden
### 2.3. Oud-Nederlanders die geboren en getogen zijn buiten de openbare lichamen
### 2. Oud-Nederlanders
De meerderjarige oud-Nederlander die buiten de openbare lichamen is geboren en die woont in een ander land dan dat waarvan hij onderdaan is, kan in aanmerking komen voor verblijf in de openbare lichamen, als er naar het oordeel van de Minister sprake is van bijzondere banden met de openbare lichamen.
Als oud-Nederlanders kunnen in ieder geval worden aangemerkt:
### 2.3.2. Verblijfsvoorwaarden
### 2.2. Oud-Nederlanders die geboren en getogen zijn in de openbare lichamen
### 2.2.1. Verblijfsvoorwaarden
### 3.1. Algemeen
Tegen het verblijf van de vreemdeling mag **geen** bezwaar bestaan uit oogpunt van openbare orde of nationale veiligheid.
### 2.2.2. Vereiste bescheiden
De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd kan worden verleend aan de vreemdeling die:
### 2.3.1. Algemeen
De meerderjarige oud-Nederlander die buiten de openbare lichamen is geboren en die woont in een ander land dan dat waarvan hij onderdaan is, kan in aanmerking komen voor verblijf in de openbare lichamen, als er naar het oordeel van de Minister sprake is van bijzondere banden met de openbare lichamen.
De ouders zijn beiden geboren en getogen op Saba en in het bezit van de Nederlandse nationaliteit. De ouders verhuizen naar Venezuela alwaar hun kinderen zijn geboren. De kinderen hadden bij geboorte de Nederlandse nationaliteit. De ouders en de kinderen verkrijgen na verloop van tijd de Venezolaanse nationaliteit en verliezen daarbij de Nederlandse nationaliteit. Een van de kinderen verblijft inmiddels in Colombia en verzoekt nu om wedertoelating tot Saba op grond van het feit dat hij oud-Nederlander is.
### 2.3.2. Verblijfsvoorwaarden
Bij de aanvraag om een verblijfsvergunning voor bepaalde- of onbepaalde tijd moet de vreemdeling de volgende bescheiden overleggen:
### 3. Oud-Nederlanders ([artikel 15, eerste lid, aanhef onder d of f, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15))
### 3.1. Algemeen
Aan de meerderjarige vreemdeling die het Nederlanderschap heeft verloren, omdat hij na de totstandkoming van zijn naturalisatie of optie heeft nagelaten al het mogelijke te doen om zijn oorspronkelijke nationaliteit te verliezen, kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd of onbepaalde tijd worden verleend.
Het gaat hier om een vrijwillige handeling. De vreemdeling realiseert zich dat hij toch niet zijn oorspronkelijke wil verliezen en kiest er daarom zelf voor om afstand te doen van de Nederlandse nationaliteit, voordat hij hiertoe wordt gedwongen. De vreemdeling moet binnen twee jaar nadat hij de verklaring van afstand heeft afgelegd een aanvraag om een verblijfsvergunning indienen.
De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd kan worden verleend aan de vreemdeling die:
### 3.3. Verblijfsvoorwaarden voor een vergunning voor onbepaalde tijd
### 5. Beperking, arbeidsmarktaantekening en voorschrift
### 5.1. Beperking
De genoemde verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt aan de oud-Nederlanders verleend onder de beperking ‘wedertoelating’.
### 5.2. Arbeidsmarktaantekening
Op de verblijfsvergunning staat de aantekening: 'arbeid in loondienst alleen toegestaan indien werkgever beschikt over TWV’.
Als [artikel 7 Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028231&artikel=7) van toepassing is, wordt de arbeidsmarktaantekening: ‘Arbeid vrij toegestaan. TWV niet vereist’.
### 5.3. Voorschrift
Het gaat hier om een vrijwillige handeling. De vreemdeling realiseert zich dat hij toch niet zijn oorspronkelijke wil verliezen en kiest er daarom zelf voor om afstand te doen van de Nederlandse nationaliteit, voordat hij hiertoe wordt gedwongen. De vreemdeling moet binnen twee jaar nadat hij de verklaring van afstand heeft afgelegd een aanvraag om een verblijfsvergunning indienen.
### 6. Geldigheidsduur
De verblijfsvergunning is geldig voor de duur van vijf jaar ([art. 6, tweede lid, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=6) en [art. 5.28 BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.28)).
### 5. Beperking, arbeidsmarktaantekening en voorschrift
### 5.1. Beperking
De genoemde verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt aan de oud-Nederlanders verleend onder de beperking ‘wedertoelating’.
### 5.2. Arbeidsmarktaantekening
Op de verblijfsvergunning staat de aantekening: 'arbeid in loondienst alleen toegestaan indien werkgever beschikt over TWV’.
### 8. Verblijfsvergunning in afwachting van verzoek ex [artikel 17 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=17)
Aan personen die een verzoek als bedoeld in [artikel 17 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=17) hebben ingediend tot vaststelling van het Nederlanderschap kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd worden verleend.
### 8.1. Verblijfsvoorwaarden
De verblijfsvergunning kan worden verleend aan de persoon die bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba een verzoek, als bedoeld in [artikel 17 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=17), heeft ingediend, als:
De verblijfsvergunning is geldig voor de duur van vijf jaar ([art. 6, tweede lid, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=6) en [art. 5.28 BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.28)).
### 7. Verlenging en intrekking van de verblijfsvergunning
### 7.1. Verlenging
### 8.3.1. Beperking
De verblijfsvergunning wordt verleend onder de beperking ‘in afwachting verzoek ex [artikel 17 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=17)’.
### 8.3.2. Arbeidsmarktaantekening
Op de verblijfsvergunning staat de aantekening: 'arbeid in loondienst alleen toegestaan indien werkgever beschikt over TWV’.
Aan personen die een verzoek als bedoeld in [artikel 17 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=17) hebben ingediend tot vaststelling van het Nederlanderschap kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd worden verleend.
### 8.1. Verblijfsvoorwaarden
De verblijfsvergunning kan worden verleend aan de persoon die bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba een verzoek, als bedoeld in [artikel 17 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=17), heeft ingediend, als:
### 8.4. Geldigheidsduur van de verblijfsvergunning
De verblijfsvergunning wordt verleend met een geldigheidsduur van ten hoogste een jaar of zoveel korter als het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba uitspraak zal doen.
### 8.3. Beperking, arbeidsmarktaantekening en voorschrift
Het verblijfsrecht is tijdelijk van aard. De houder van deze vergunning komt daarom niet in aanmerking voor naturalisatie of optie op grond van deze verblijfsvergunning.
### 8.6. Verlenging geldigheidsduur van de verblijfsvergunning
### 8.3.2. Arbeidsmarktaantekening
Op de verblijfsvergunning staat de aantekening: 'arbeid in loondienst alleen toegestaan indien werkgever beschikt over TWV’.
### 8.6.2. Vereiste bescheiden
Als het openbare orde criterium wordt tegengeworpen, wordt de vreemdeling niet uitgezet, zolang niet is beslist op de procedure ex [artikel 17 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=17). De vreemdeling overlegt in ieder geval een volledig afschrift van het cassatieberoepschrift.
### 8.6.3. Geldigheidsduur
De geldigheidsduur van de vergunning kan worden verlengd met maximaal een jaar of zoveel korter als de Hoge Raad uitspraak zal doen.
### Hoofdstuk 14. Mensenhandel
### 8.5. Aard van het verblijfsrecht
Het verblijfsrecht is tijdelijk van aard. De houder van deze vergunning komt daarom niet in aanmerking voor naturalisatie of optie op grond van deze verblijfsvergunning.
Mensenhandel is een grove schending van de rechten van de mens en een ernstig misdrijf. Het delict is strafbaar gesteld in [artikel 286f van het Wetboek van Strafrecht BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028570&artikel=286f). Dit artikel ziet op mensenhandel in het algemeen, daaraan gerelateerde vormen van uitbuiting en het trekken van profijt daaruit.
Hoewel het merendeel van de slachtoffers van mensenhandel vrouw is, is in dit hoofdstuk afgezien van het hanteren van de meer gangbare term ‘vrouwenhandel’. Dit om eventuele verwarring te voorkomen, omdat ook mannelijke en minderjarige slachtoffers een beroep kunnen doen op de procedure die in dit hoofdstuk is beschreven.
Nadat het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba een negatieve uitspraak heeft gedaan op het verzoek ex [artikel 17 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=17), wordt de aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning niet afgewezen om de enkele reden dat niet meer wordt voldaan aan de beperking waaronder de vergunning is verleend, als:
Mensenhandel is gericht op uitbuiting. Bij de strafbaarstelling van mensenhandel staat het belang van het individu steeds voorop. Dat belang is het behoud van zijn of haar lichamelijke en geestelijke integriteit en persoonlijke vrijheid.
Als het openbare orde criterium wordt tegengeworpen, wordt de vreemdeling niet uitgezet, zolang niet is beslist op de procedure ex [artikel 17 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=17). De vreemdeling overlegt in ieder geval een volledig afschrift van het cassatieberoepschrift.
Het behandelen met respect van het slachtoffer en van de getuige-aangever die aangifte doet, maakt daarvan onderdeel uit. Evenals het garanderen van de veiligheid van slachtoffers en het beschermen van de rechten van de slachtoffers en getuige-aangevers van mensenhandel.
De geldigheidsduur van de vergunning kan worden verlengd met maximaal een jaar of zoveel korter als de Hoge Raad uitspraak zal doen.
### Hoofdstuk 14. Mensenhandel
### 1. Inleiding
In deze paragraaf wordt het rechtmatige verblijf van slachtoffer- en getuige-aangevers en slachtoffers die op andere wijze medewerking verlenen aan het opsporings- of vervolgingsonderzoek van mensenhandel voorafgaande aan de aangifte en gedurende de periode van opsporing, vervolging en berechting in feitelijke aanleg na aangifte van mensenhandel geregeld.
Mensenhandel is een grove schending van de rechten van de mens en een ernstig misdrijf. Het delict is strafbaar gesteld in [artikel 286f van het Wetboek van Strafrecht BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028570&artikel=286f). Dit artikel ziet op mensenhandel in het algemeen, daaraan gerelateerde vormen van uitbuiting en het trekken van profijt daaruit.
Hoewel het merendeel van de slachtoffers van mensenhandel vrouw is, is in dit hoofdstuk afgezien van het hanteren van de meer gangbare term ‘vrouwenhandel’. Dit om eventuele verwarring te voorkomen, omdat ook mannelijke en minderjarige slachtoffers een beroep kunnen doen op de procedure die in dit hoofdstuk is beschreven.
Voor zowel het opsporings- als het vervolgingsonderzoek is van groot belang dat zowel slachtoffers die aangifte doen of op andere wijze medewerking verlenen aan het opsporings- of vervolgingsonderzoek, als getuigen die aangifte doen, gedurende langere tijd ter beschikking blijven van het OM om de bewijsvorming te kunnen afronden. Dit rechtvaardigt het verlenen van een tijdelijke verblijfsvergunning.
Mensenhandel is gericht op uitbuiting. Bij de strafbaarstelling van mensenhandel staat het belang van het individu steeds voorop. Dat belang is het behoud van zijn of haar lichamelijke en geestelijke integriteit en persoonlijke vrijheid.
### 2.2. Vereiste bescheiden
### 3. Getuige-aangever
### 3.1. Verblijfsvoorwaarden getuige-aangever
De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in [artikel 7 WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=7), kan onder een beperking verband houdend met de vervolging van mensenhandel worden verleend, als:
Getuige-aangevers zijn vreemdelingen die niet zelf slachtoffer zijn van mensenhandel maar hier wel getuige van zijn geweest. Getuige-aangevers kunnen vreemdelingen zijn die zelf werkzaam zijn in dezelfde sector als het slachtoffer. Tevens kunnen het personen zijn, die werkzaam zijn buiten deze sector en die kennis dragen van mensenhandel. Alleen de getuige-aangevers die geen geldige verblijfstitel hebben in de openbare lichamen kunnen rechten ontlenen aan de in deze paragraaf omschreven procedure.
De verblijfsvergunning, bedoeld in [artikel 7 WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=7), kan onder een beperking verband houdend met de vervolging van mensenhandel worden verleend, als aan de volgende voorwaarden is voldaan:
Zodra de strafzaak door het OM wordt geseponeerd of tegen de uitspraak van de rechtbank in het proces tegen de verdachte geen beroep is ingesteld dan wel het gerechtshof uitspraak heeft gedaan, komt de grond aan de verblijfsvergunning als bedoeld in deze paragraaf te ontvallen.
In afwijking van de algemene voorwaarden genoemd in [artikel 9 WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=9) wordt de aanvraag niet afgewezen:
De vreemdeling die een aanvraag om een verblijfsvergunning indient wegens verblijf als slachtoffers van mensenhandel is vrijgesteld van het betalen van leges.
### 3.2. Vereiste bescheiden
### 2.2. Vereiste bescheiden
### 3. Getuige-aangever
Ten aanzien van de termijn waarbinnen op de aanvraag dient te worden beslist, wordt onderscheid gemaakt of het een aanvraag van een slachtoffer of van een getuige-aangever betreft. Op de aanvraag van een slachtoffer dient – onvoorziene omstandigheden daargelaten – binnen 24 uur nadat de aanvraag is ingediend te worden beslist. Bij een aanvraag van een getuige-aangever is het praktisch niet haalbaar binnen een dergelijke termijn te beslissen. Dit in verband met het verplicht consulteren van het OM, voordat op de aanvraag kan worden beslist.
De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in [artikel 7 WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=7), kan onder een beperking verband houdend met de vervolging van mensenhandel worden verleend, als:
### 4.2. Beperking, arbeidsmarktaantekening en voorschrift
### 4.2.1. Beperking
De getuige-aangever van mensenhandel is vrijgesteld van het betalen van leges voor het indienen van een verblijfsvergunning verband houdend met mensenhandel.
De vreemdeling kan een aanvraag om een verblijfsvergunning verband houdend met mensenhandel indienen bij de IND unit Caribisch Nederland.
### 4.2.2. Arbeidsmarktaantekening
Bij de verlening wordt de arbeidsmarktaantekening gesteld: ‘Arbeid vrij toegestaan. TWV niet vereist’.
### 4. De beslissing
Aan de verlening van de verblijfsvergunning wordt het voorschrift verbonden dat de vreemdeling voldoet aan de verplichting voldoende verzekerd te zijn tegen ziektekosten met inbegrip van de kosten verbonden aan opname en verpleging in een sanatorium of psychiatrische inrichting (zie [artikel 5.4, eerste lid, aanhef en onder c, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.4)).
### 5. Geldigheidsduur
### 5.1. Slachtoffer
De verblijfsvergunning wordt in beginsel voor een periode van één jaar verleend. De verblijfsvergunning is geldig zolang er sprake is van een strafrechtelijk opsporings- of vervolgingsonderzoek naar of berechting in feitelijke aanleg van de verdachte van het strafbare feit waarvan aangifte is gedaan of waaraan op andere wijze medewerking is verleend.
Zodra de strafzaak door het OM wordt geseponeerd of tegen de uitspraak van de rechtbank in het proces tegen de verdachte geen beroep is ingesteld dan wel het gerechtshof uitspraak heeft gedaan en hiertegen geen beroep in cassatie is ingesteld, komt de grond aan de verblijfsvergunning verband houdend met de vervolging van mensenhandel te ontvallen. Het OM doet hiervan melding aan de IND unit Caribisch Nederland, alsmede aan het slachtoffer van mensenhandel.
De genoemde verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt verleend onder de beperking als genoemd in [hoofdstuk 14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028837&hoofdstuk=14&z=2012-07-01&g=2012-07-01) van de CTU-BES.
### 5.2. Getuige-aangever
De verblijfsvergunning wordt in beginsel voor de periode van één jaar verleend. De verblijfsvergunning is geldig zolang het OM de aanwezigheid van de vreemdeling in de openbare lichamen noodzakelijk acht.
Bij de verlening wordt de arbeidsmarktaantekening gesteld: ‘Arbeid vrij toegestaan. TWV niet vereist’.
De IND unit Caribisch Nederland trekt de verblijfsvergunning vervolgens in.
Aan de verlening van de verblijfsvergunning wordt het voorschrift verbonden dat de vreemdeling voldoet aan de verplichting voldoende verzekerd te zijn tegen ziektekosten met inbegrip van de kosten verbonden aan opname en verpleging in een sanatorium of psychiatrische inrichting (zie [artikel 5.4, eerste lid, aanhef en onder c, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.4)).
### 5. Geldigheidsduur
### 5.1. Slachtoffer
De verblijfsvergunning wordt in beginsel voor een periode van één jaar verleend. De verblijfsvergunning is geldig zolang er sprake is van een strafrechtelijk opsporings- of vervolgingsonderzoek naar of berechting in feitelijke aanleg van de verdachte van het strafbare feit waarvan aangifte is gedaan of waaraan op andere wijze medewerking is verleend.
Zodra de strafzaak door het OM wordt geseponeerd of tegen de uitspraak van de rechtbank in het proces tegen de verdachte geen beroep is ingesteld dan wel het gerechtshof uitspraak heeft gedaan en hiertegen geen beroep in cassatie is ingesteld, komt de grond aan de verblijfsvergunning verband houdend met de vervolging van mensenhandel te ontvallen. Het OM doet hiervan melding aan de IND unit Caribisch Nederland, alsmede aan het slachtoffer van mensenhandel.
De IND unit Caribisch Nederland trekt de verblijfsvergunning vervolgens in.
### 5.2. Getuige-aangever
De verblijfsvergunning wordt in beginsel voor de periode van één jaar verleend. De verblijfsvergunning is geldig zolang het OM de aanwezigheid van de vreemdeling in de openbare lichamen noodzakelijk acht.
### 6.3. Vereiste bescheiden
De IND unit Caribisch Nederland trekt de verblijfsvergunning vervolgens in.
Het bovenstaande geldt ook als de strafzaak door het OM wordt geseponeerd of tegen de uitspraak van de rechtbank in het proces tegen de verdachte geen beroep is ingesteld dan wel het gerechtshof uitspraak heeft gedaan. Het OM doet hiervan melding aan de IND BES unit, alsmede aan de getuige-aangever van mensenhandel.
De aanvraag wordt niet afgewezen wegens gevaar voor de openbare orde, indien er sprake is van een inbreuk op de openbare orde die naar het oordeel van de Minister rechtstreeks verband houdt met het feit waarvan aangifte is gedaan.
### 6.1. Verblijfsvoorwaarden slachtoffermensenhandel
De geldigheidsduur van de verblijfsvergunning van het slachtoffer kan worden verlengd zolang er sprake is van een strafrechtelijk opsporings- of vervolgingsonderzoek naar of berechting in feitelijke aanleg van de verdachte van het strafbare feit ter zake waarvan aangifte is gedaan of waaraan op andere wijze medewerking is verleend.
### 7. Gezinshereniging
### 7.1. Algemeen
Voor verlening van een verblijfsvergunning komen in aanmerking:
De geldigheidsduur van de verblijfsvergunning van de getuige-aangever kan worden verlengd zolang er sprake is van een strafrechtelijk opsporings- en vervolgingsonderzoek naar of berechting in feitelijke aanleg van de verdachte van het strafbare feit waarvan aangifte is gedaan. Hierbij is van belang dat het OM de aanwezigheid van de vreemdeling in de openbare lichamen noodzakelijk acht. Als het OM de aanwezigheid van de vreemdeling in de openbare lichamen niet van belang acht, wordt de aanvraag om verlenging afgewezen.
Om te verzekeren dat de minderjarige kinderen slechts verblijf krijgen gedurende de periode van toelating van de slachtoffer- of de getuige-aangever, krijgt de aan hen verstrekte verblijfsvergunning dezelfde geldigheidsduur als die van de slachtoffer- of de getuige-aangever.
### Hoofdstuk 15. Voortgezet verblijf
### 1. Inleiding
De aanvraag wordt niet afgewezen wegens gevaar voor de openbare orde, indien er sprake is van een inbreuk op de openbare orde die naar het oordeel van de Minister rechtstreeks verband houdt met het feit waarvan aangifte is gedaan.
In de regel kan een verblijfsvergunning met als doel voortgezet verblijf pas na vijf jaar rechtmatig verblijf worden aangevraagd. In die vijf voorafgaande jaren moet de vreemdeling verblijf hebben gehad in het kader van gezinshereniging of gezinsvorming.
Het slachtoffer of getuige-aangever van mensenhandel die in aanmerking komt voor verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, is vrijgesteld van het betalen van leges.
### 7. Gezinshereniging
De vreemdeling die als minderjarige in het bezit is gesteld van een verblijfsvergunning in het kader van gezinshereniging komt na vijf jaar verblijf in aanmerking voor een zelfstandige verblijfsvergunning. Ook de minderjarige die als pleeg- of adoptiekind verblijf heeft gehad, kan onder deze voorwaarden in aanmerking komen voor voortgezet verblijf.
### 2.1. Verblijfsvoorwaarden
Op deze aanvraag zijn de algemene toelatingsvoorwaarden voor gezinshereniging van toepassing, met uitzondering van de bepalingen inzake het middelenvereiste.
Om te verzekeren dat de minderjarige kinderen slechts verblijf krijgen gedurende de periode van toelating van de slachtoffer- of de getuige-aangever, krijgt de aan hen verstrekte verblijfsvergunning dezelfde geldigheidsduur als die van de slachtoffer- of de getuige-aangever.
Een kind krijgt op 17 jarige leeftijd verblijf bij ouders. Wanneer dit kind 22 jaar oud is komt hij in aanmerking voor voortgezet verblijf. Deze vreemdeling is gedurende bijna de gehele verblijfsperiode van vijf jaar meerderjarig geweest.
Daarnaast gelden de algemene voorwaarden voor verblijf:
Een verblijfsvergunning in het kader van voortgezet verblijf wordt alleen op aanvraag verleend.
In de regel kan een verblijfsvergunning met als doel voortgezet verblijf pas na vijf jaar rechtmatig verblijf worden aangevraagd. In die vijf voorafgaande jaren moet de vreemdeling verblijf hebben gehad in het kader van gezinshereniging of gezinsvorming.
### 2.2. Vereiste bescheiden
### 2. Voortgezet verblijf na verblijf als minderjarige in het kader van gezinshereniging
### 2.3.1. Beperking
De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt verleend onder de beperking: ‘voortgezet verblijf’.
### 2.3.2. Arbeidsmarktaantekening
Wanneer de minderjarige gedurende de periode van vijf jaar meerderjarig wordt, komt hij ook in aanmerking voor voortgezet verblijf. Deze regel geldt ook wanneer het kind gedurende het grootste gedeelte van de vijf jaar meerderjarig is geweest.
Een kind krijgt op 17 jarige leeftijd verblijf bij ouders. Wanneer dit kind 22 jaar oud is komt hij in aanmerking voor voortgezet verblijf. Deze vreemdeling is gedurende bijna de gehele verblijfsperiode van vijf jaar meerderjarig geweest.
### 2.3.3. Voorschriften
Wanneer de vreemdeling op het moment van de aanvraag van de verblijfsvergunning nog minderjarig is, geldt het vereiste zelfstandig en duurzaam te beschikken over voldoende middelen van bestaan niet.
### 2.4. Geldigheidsduur
De verblijfsvergunning is geldig voor de duur van vijf jaar ([art. 6 lid 2 WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=6) en [art. 5.28 BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.28)).
### 2.3. Beperkingen, arbeidsmarktaantekeningen en voorschrift
### 2.3.1. Beperking
De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt verleend onder de beperking: ‘voortgezet verblijf’.
De (huwelijks)partner van een vreemdeling die zelf toegelaten is als student komt niet in aanmerking voor voortgezet verblijf. Dit zou immers betekenen dat de afhankelijke vreemdeling sneller in een betere verblijfsrechtelijke positie terecht zou komen dan de verblijfgever.
Op de verblijfsvergunning staat de aantekening: 'arbeid in loondienst alleen toegestaan indien werkgever beschikt over TWV’.
Als [artikel 7 Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028231&artikel=7) van toepassing is, wordt de arbeidsmarktaantekening: ‘Arbeid vrij toegestaan.
Een man en vrouw hebben al gedurende acht jaar een relatie. De man heeft gedurende de afgelopen vijf jaar verblijf bij haar gehad. De man en vrouw hebben nog steeds een relatie en blijven bij elkaar wonen. Toch wil de man een verblijfsvergunning aanvragen in het kader van voortgezet verblijf. Wanneer aan de voorwaarden voor verblijf wordt voldaan, krijgt de man de gevraagde verblijfsvergunning. Dat hij nog steeds een relatie met zijn vriendin heeft is geen reden de man te verplichten de afhankelijke verblijfsvergunning – afhankelijk van de relatie met zijn vriendin – te houden.
Aan de verlening van de verblijfsvergunning wordt het voorschrift verbonden dat de vreemdeling voldoet aan de verplichting voldoende verzekerd te zijn tegen ziektekosten met inbegrip van de kosten verbonden aan opname en verpleging in een sanatorium of psychiatrische inrichting (zie [artikel 5.4, eerste lid, aanhef en onder c, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.4)).
Wanneer vastgesteld wordt dat een vreemdeling niet aan de voorwaarden voor voortgezet verblijf voldoet en niet tot inwilliging van de aanvraag kan worden overgegaan, wordt altijd rekening gehouden met de werking van artikel 8 EVRM. In sommige gevallen kan er toch reden bestaan om de vreemdeling voortzetting van het verblijf toe te staan, zonder verblijf onder de beperking ‘voortgezet verblijf’ te verlenen. Het verblijf dat dan verleend wordt, is verblijf in het kader van artikel 8 EVRM.
De verblijfsvergunning is geldig voor de duur van vijf jaar ([art. 6 lid 2 WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=6) en [art. 5.28 BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.28)).
In dergelijke gevallen wordt de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning slechts verleend voor de duur van maximaal één jaar. Bij elk verzoek om verlenging dient vastgesteld te worden dat de bijzondere gezinsband nog steeds bestaat.
Uit de (huwelijks)relatie is een kind geboren. Het kind is acht jaar oud en gaat naar school. Het kind heeft een dubbele nationaliteit, de Nederlandse en de Venezolaanse. Het kind woont bij zijn moeder, maar de vader brengt en haalt het kind twee dagen in de week naar en van school. Het kind eet dan bij hem. Hij heeft samen met de moeder regelmatig contact met de school over de voortgang van het kind en wanneer er belangrijke beslissingen genomen moeten worden doen de ouders dit samen. De ouders hebben nog regelmatig contact over het kind. De vader draagt ook bij in de kosten van levensonderhoud van het kind. De ouders zijn voor deze regeling niet naar een rechter geweest. Zij hebben de afspraken in goede harmonie gemaakt en houden zich er ook aan.
Het gaat hier om vreemdelingen die als echtgenoot, (geregistreerd) partner, meerderjarig kind, als ouder of ander gezinslid in het kader van gezinsvorming of (verruimde) gezinshereniging verblijf in de openbare lichamen hebben gehad.
Als het gaat om een meerderjarig kind dat nog feitelijk bij zijn ouders woont, studeert en financieel afhankelijk is van zijn ouders, dan mag het inkomen van de ouders meegenomen worden bij de middeleneis.
De (huwelijks)partner van een vreemdeling die zelf toegelaten is als student komt niet in aanmerking voor voortgezet verblijf. Dit zou immers betekenen dat de afhankelijke vreemdeling sneller in een betere verblijfsrechtelijke positie terecht zou komen dan de verblijfgever.
Dat de relatie op het moment van aanvragen van de vergunning voor voortgezet verblijf is verbroken, is niet van belang. Wel is van belang dat gedurende de voorafgaande periode van vijf jaar aan alle voorwaarden voor verblijf is voldaan en dat nog steeds aan de voorwaarden van [artikel 9 WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=9) wordt voldaan. Wanneer de relatie binnen een periode van vijf jaar is verbroken bestaat er in beginsel, geen recht op voortgezet verblijf.
Voorbeeld 1:
Een echtpaar is gedurende zes jaar gehuwd geweest. Gedurende de afgelopen vijf jaar heeft de vrouw verblijf bij haar echtgenoot gehad. Gedurende deze periode is aan alle voorwaarden voor verblijf voldaan. De echtgenote verzoekt om voortgezet verblijf, omdat zij inmiddels gescheiden is van haar echtgenoot. Zij kan, mits zij aan de voorwaarden voor verblijf voldoet, in het bezit gesteld worden van de verblijfsvergunning.
### 3.2. Vereiste bescheiden
### 3.3. Beperking, arbeidsmarktaantekening en voorschrift
### 3.3.1. Beperking
Wanneer vastgesteld wordt dat een vreemdeling niet aan de voorwaarden voor voortgezet verblijf voldoet en niet tot inwilliging van de aanvraag kan worden overgegaan, wordt altijd rekening gehouden met de werking van artikel 8 EVRM. In sommige gevallen kan er toch reden bestaan om de vreemdeling voortzetting van het verblijf toe te staan, zonder verblijf onder de beperking ‘voortgezet verblijf’ te verlenen. Het verblijf dat dan verleend wordt, is verblijf in het kader van artikel 8 EVRM.
### 3.3.2. Arbeidsmarktaantekening
In dergelijke gevallen wordt de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning slechts verleend voor de duur van maximaal één jaar. Bij elk verzoek om verlenging dient vastgesteld te worden dat de bijzondere gezinsband nog steeds bestaat.
Voorbeeld 1:
### 3.3.3. Voorschrift
Voorbeeld 2:
### 3.4. Geldigheidsduur van de verblijfsvergunning
In dit geval is er geen noemenswaardige band tussen vader en kind en ook geen reden om daarom woonachtig te blijven op de openbare lichamen.
### 4. Voortgezet verblijf na overlijden van (huwelijks) partner
### 4.1. Verblijfsvoorwaarden
Een ouder die verblijf heeft verband houdend met bescherming, maar die niet betrokken is bij het leven van zijn biologische kind, vormt geen objectieve belemmering. Dat de vertrekkende ouder ‘hoopt’ dat deze ouder in de toekomst wel betrokken wil zijn bij het leven van het bewuste kind is onvoldoende reden om op dit moment een objectieve belemmering aan te nemen.
Een vrouw die stelt dat haar kind niet zal worden toegelaten tot het land waar zij naar toe terug moet keren, dient dit aan te tonen door het overleggen van een schriftelijke verklaring van de autoriteiten van dat land. Uit deze verklaring moet blijken dat het kind niet wordt toegelaten tot het land van herkomst van de moeder.
### 3.2. Vereiste bescheiden
### 3.3. Beperking, arbeidsmarktaantekening en voorschrift
### 3.3.1. Beperking
De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt verleend onder de beperking: ‘voortgezet verblijf’’.
### 3.3.2. Arbeidsmarktaantekening
Op de verblijfsvergunning staat de aantekening: 'arbeid in loondienst alleen toegestaan indien werkgever beschikt over TWV’.
Als [artikel 7 Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028231&artikel=7) van toepassing is, wordt de arbeidsmarktaantekening: ‘Arbeid vrij toegestaan. TWV niet vereist’.
### 3.3.3. Voorschrift
Aan de verlening van de verblijfsvergunning wordt het voorschrift verbonden dat de vreemdeling voldoet aan de verplichting voldoende verzekerd te zijn tegen ziektekosten met inbegrip van de kosten verbonden aan opname en verpleging in een sanatorium of psychiatrische inrichting (zie [artikel 5.4, eerste lid, aanhef en onder c, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.4)).
### 3.4. Geldigheidsduur van de verblijfsvergunning
De verblijfsvergunning is geldig voor de duur van vijf jaar ([art. 6 lid 2 WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=6) en [art. 5.28 BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.28)).
### 4. Voortgezet verblijf na overlijden van (huwelijks) partner
### 4.1. Verblijfsvoorwaarden
Wanneer de (huwelijks) partner binnen vijf jaar komt te overlijden komt de vreemdeling op grond van de voorwaarden van [artikel. 5.24, derde lid, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.24) in aanmerking voor voortgezet verblijf ook al is nog geen sprake van vijf jaar verblijf. In dat geval wegen de humanitaire omstandigheden zwaar mee. Wel dient de vreemdeling te beschikken over voldoende middelen van bestaan.
Wanneer de vreemdeling is toegelaten in het kader van het ouderenbeleid en de verblijfgever – het kind van de ouder – binnen vijf jaar komt te overlijden komt de vreemdeling niet in aanmerking voor voortgezet verblijf. Bij de boordeling van de aanvraag moet een afweging gemaakt worden op grond van [artikel 5.25 BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.25). Voortgezet verblijf op grond van bijzondere, individuele humanitaire omstandigheden kan nog steeds gewenst zijn. De vreemdeling moet in dat geval de bijzondere omstandigheden onderbouwen.
De vreemdeling moet de bijzondere individuele omstandigheden zelf onderbouwen met een schriftelijke verklaring en aanvullende stukken. Het belang van de vreemdeling kan alleen in bijzondere omstandigheden zwaarder wegen dan het algemeen belang van de overheid.
De IND unit Caribisch Nederland verleent de verblijfsvergunning als sprake is van aantoonbaar ondervonden (seksueel) geweld binnen de familie dat heeft geleid tot de feitelijke verbreking van de (huwelijks)relatie.
Bij een minderjarige is in verband met de leeftijd van de vreemdeling niet noodzakelijk dat de gezinsband is verbroken.
De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt verleend onder de beperking: ‘voortgezet verblijf’.
De IND unit Caribisch Nederland kan aan een slachtoffer of getuige-aangever van mensenhandel aan wie voor de duur en in het belang van het strafproces tijdelijk verblijf in Nederland was toegestaan een verblijfsvergunning verlenen op grond van [artikel 5.24 BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.24).
Op de verblijfsvergunning staat de aantekening: 'arbeid in loondienst alleen toegestaan indien werkgever beschikt over TWV’.
Als [artikel 7 Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028231&artikel=7) van toepassing is, wordt de arbeidsmarktaantekening: ‘Arbeid vrij toegestaan. TWV niet vereist’.
De IND unit Caribisch Nederland kan de verblijfsvergunning voor voortgezet verblijf verlenen als:
Aan de verlening van de verblijfsvergunning wordt het voorschrift verbonden dat de vreemdeling voldoet aan de verplichting voldoende verzekerd te zijn tegen ziektekosten met inbegrip van de kosten verbonden aan opname en verpleging in een sanatorium of psychiatrische inrichting (zie [artikel 5.4, eerste lid, aanhef en onder c, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.4)).
Als de aangifte of het op andere wijze verlenen van medewerking aan een strafzaak door het slachtoffer, terzake mensenhandel tot een veroordeling van de verdachte heeft geleid, wordt aangenomen dat terugkeer voor het slachtoffer risico’s met zich brengt.
De verblijfsvergunning is geldig voor de duur van vijf jaar ([art. 6 lid 2 WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=6) en [art. 5.28 BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.28)).
Bij deze grond tot inwilliging is doorslaggevend dat het slachtoffer drie jaar of langer heeft bijgedragen aan de opsporing of de vervolging én er een rechterlijke uitspraak is gedaan. In het geval de zaak eerder geseponeerd is geweest en de daadwerkelijke vervolging eerst na een beklag ter hand is genomen, telt de termijn van de beklagprocedure mee voor de berekening van de driejaren termijn.
De IND unit Caribisch Nederland kan de verblijfsvergunning voortgezet verblijf ook verlenen als:
[Artikel 5.24 BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.24) regelt de mogelijkheid dat ook wanneer niet voldaan wordt aan de voorwaarden voor verblijf als genoemd in [artikel 5.22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.22) en [5.23 BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.23) die hierboven in paragraaf 2 en 3 zijn beschreven, toch voortgezet verblijf verleend kan worden vanwege bijzondere omstandigheden.
Hoewel het zowel om groepen als om individuele gevallen kan gaan moet vooral gedacht worden aan:
De vreemdeling moet de bijzondere individuele omstandigheden zelf onderbouwen met een schriftelijke verklaring en aanvullende stukken. Het belang van de vreemdeling kan alleen in bijzondere omstandigheden zwaarder wegen dan het algemeen belang van de overheid.
De IND unit Caribisch Nederland verleent de verblijfsvergunning als sprake is van aantoonbaar ondervonden (seksueel) geweld binnen de familie dat heeft geleid tot de feitelijke verbreking van de (huwelijks)relatie.
Bij een minderjarige is in verband met de leeftijd van de vreemdeling niet noodzakelijk dat de gezinsband is verbroken.
Huiselijk geweld, waaronder seksueel geweld, wordt aangetoond door:
De IND unit Caribisch Nederland kan aan een slachtoffer of getuige-aangever van mensenhandel aan wie voor de duur en in het belang van het strafproces tijdelijk verblijf in Nederland was toegestaan een verblijfsvergunning verlenen op grond van [artikel 5.24 BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.24).
Er zijn verschillende situaties mogelijk die kunnen leiden tot het verlenen van een verblijfsvergunning voortgezet verblijf aan slachtoffers of getuige-aangevers van mensenhandel.
### 5.2. Vereiste bescheiden
### 5.3. Beperking, arbeidsmarktaantekening en voorschrift
### 5.3.1. Beperking
Als de aangifte of het op andere wijze verlenen van medewerking aan een strafzaak door het slachtoffer, terzake mensenhandel tot een veroordeling van de verdachte heeft geleid, wordt aangenomen dat terugkeer voor het slachtoffer risico’s met zich brengt.
### 5.3.2. Arbeidsmarktaantekening
Bij deze grond tot inwilliging is doorslaggevend dat het slachtoffer drie jaar of langer heeft bijgedragen aan de opsporing of de vervolging én er een rechterlijke uitspraak is gedaan. In het geval de zaak eerder geseponeerd is geweest en de daadwerkelijke vervolging eerst na een beklag ter hand is genomen, telt de termijn van de beklagprocedure mee voor de berekening van de driejaren termijn.
De IND unit Caribisch Nederland kan de verblijfsvergunning voortgezet verblijf ook verlenen als:
### 5.3.3. Voorschrift
Bij de beoordeling van een dergelijke aanvraag betrekt de IND unit Caribisch Nederland in elk geval de volgende factoren:
### 5.4. Geldigheidsduur
Bij de beoordeling van de mogelijkheden van sociale en maatschappelijke herintegratie wordt rekening gehouden met specifieke culturele achtergrond en het eventuele prostitutieverleden van betrokkene, duurzame ontwrichting van familierelaties, de eventuele maatschappelijke opvattingen over prostitutie en het overheidsbeleid terzake.
### Hoofdstuk 16. Aanvragen om bescherming tegen terugzending
### 1. Inleiding
De hiervoor genoemde factoren zijn niet de enige factoren die van belang zijn voor de beoordeling of aan het slachtoffer of de getuige-aangever, op grond van klemmende redenen van humanitaire aard verblijf dient te worden toegestaan. Buiten de reeds genoemde factoren kan bijvoorbeeld gedacht worden aan psychische problemen waarvoor de vreemdeling in Nederland in behandeling is, de zorg die de vreemdeling heeft voor kinderen die in Nederland zijn geboren of een opleiding volgen, de positie van alleenstaande vrouwen in het land van herkomst. Hierbij is nog van belang dat, indien psychische of andere medische omstandigheden worden aangevoerd, dit slechts als onderdeel van de te wegen factoren kan worden meegenomen. Indien enkel een beroep wordt gedaan op medische omstandigheden dan ligt beoordeling in het kader van het beleid medische behandeling meer in de rede.
Het is nadrukkelijk de eigen verantwoordelijkheid van de vreemdeling om bij het indienen van de aanvraag om voortgezet verblijf aan te geven welke factoren van belang zijn, en die met terzake relevante gegevens en bescheiden te onderbouwen. Hij is daartoe de meest gerede partij. Als het beroep op klemmende redenen van humanitaire aard niet, of niet afdoende met terzake relevante gegevens en bescheiden is onderbouwd bij het indienen van de aanvraag om voortgezet verblijf, stelt de IND unit Caribisch Nederland de vreemdeling in de gelegenheid dit gebrek te herstellen. In beginsel wordt de vreemdeling hiertoe een termijn van twee weken gegund. Bij de beoordeling van het beroep op klemmende redenen van humanitaire aard, wordt altijd een belangenafweging gemaakt, waarbij de belangen van de vreemdeling worden afgewogen tegen die van de Staat.
Een vreemdeling kan op de openbare lichamen bescherming inroepen tegen terugzending (refoulement) naar zijn land van herkomst als hij niet over de juiste documenten beschikt voor toegang en/of toelating tot de openbare lichamen maar wel voldoet aan de non-refoulement criteria die in de volgende internationale verdragen zijn vastgelegd, namelijk:
Het vorenstaande is vastgelegd in [artikel 12a van de WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=12a).
Het EG-recht is op de openbare lichamen niet van toepassing. Dat betekent dat de invloed die de EG-richtlijnen, zoals Richtlijn EG/2004/83 (de Kwalificatie- of Definitierichtlijn), hebben gehad op de Nederlandse interpretatie van de voornoemde Verdragen vanaf circa 2006 niet geldt,
De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt verleend onder de beperking: ‘voortgezet verblijf’.
Aanvragen om bescherming worden individueel beoordeeld.
Op de verblijfsvergunning staat de aantekening: 'arbeid in loondienst alleen toegestaan indien werkgever beschikt over TWV’.
Als [artikel 7 Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028231&artikel=7) van toepassing is, wordt de arbeidsmarktaantekening: ‘Arbeid vrij toegestaan. TWV niet vereist’.
### 5.3.3. Voorschrift
### 2.1. De vreemdeling is verdragsvluchteling op grond van artikel 1A
Een verblijfsvergunning verband houdend met bescherming kan worden verleend op grond van [artikel 12a, eerste lid, onder a, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=12a) indien de vreemdeling verdragsvluchteling is.
De verblijfsvergunning is geldig voor de duur van vijf jaar ([art. 6 lid 2 WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=6) en [art. 5.28 BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.28)).
Een vreemdeling moet zich wel buiten het land van zijn nationaliteit bevinden voordat hij voor erkenning als vluchteling in aanmerking kan komen.
Als de vervolging:
Een vreemdeling kan op verschillende wijze te kennen geven dat hij voor bescherming op de openbare lichamen in aanmerking wenst te komen. Hij kan dit bijvoorbeeld doen in de zeehavens of op de luchthavens bij een ambtenaar belast met de grensbewaking. In het geval hij zich al op het grondgebied bevindt, kan hij dit aangeven bij de ambtenaar belast met het toezicht of bij de IND unit Caribisch Nederland.
Voor de indiening van een aanvraag om bescherming moet de vreemdeling worden doorverwezen naar de IND unit Caribisch Nederland.
Een vreemdeling kan op de openbare lichamen bescherming inroepen tegen terugzending (refoulement) naar zijn land van herkomst als hij niet over de juiste documenten beschikt voor toegang en/of toelating tot de openbare lichamen maar wel voldoet aan de non-refoulement criteria die in de volgende internationale verdragen zijn vastgelegd, namelijk:
Het vorenstaande is vastgelegd in [artikel 12a van de WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=12a).
Het EG-recht is op de openbare lichamen niet van toepassing. Dat betekent dat de invloed die de EG-richtlijnen, zoals Richtlijn EG/2004/83 (de Kwalificatie- of Definitierichtlijn), hebben gehad op de Nederlandse interpretatie van de voornoemde Verdragen vanaf circa 2006 niet geldt,
De verzoeken om bescherming worden vertrouwelijk behandeld. De [Wbp](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011468) is van toepassing. Er wordt tijdens de procedure géén contact gelegd met de autoriteiten van het land van herkomst van de vreemdeling om zijn identiteit en/of de verklaringen te toetsen. Wanneer er na de beslissing op de aanvraag contact wordt opgenomen met de autoriteiten van het land van herkomst, wordt niet bekend gemaakt dat de vreemdeling een verzoek om bescherming heeft ingediend op de openbare lichamen.
Aanvragen om bescherming worden individueel beoordeeld.
In de verschillende fasen van de beschermingsprocedure handelen de ambtenaren belast met het toezicht en met de grensbewaking in overeenstemming met de door de IND unit Caribisch Nederland namens de Minister van Justitie gegeven aanwijzingen. Hierdoor wordt gewaarborgd dat internationale afspraken uniform worden nageleefd en dat de belangen van de vreemdeling optimaal tot hun recht komen.
De IND unit Caribisch Nederland is de organisatie die het beschermingsbeleid op de openbare lichamen uitvoert. Een aanvraag om bescherming kan daarom formeel alleen worden ingediend bij de IND unit Caribisch Nederland.
Onder een (internationale) organisatie wordt in dit verband verstaan:
Onder ‘land van herkomst’ wordt verstaan het land waarvan de vreemdeling de nationaliteit heeft.
Een verblijfsvergunning verband houdend met bescherming kan worden verleend op grond van [artikel 12a, eerste lid, onder a, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=12a) indien de vreemdeling verdragsvluchteling is.
Een verdragsvluchteling is een persoon die voldoet aan de voorwaarden van artikel 1A van het Vluchtelingenverdrag. Een vreemdeling kan worden erkend als vluchteling als hij afkomstig is uit een land, waarin hij gegronde vrees heeft voor vervolging vanwege:
Een vreemdeling moet zich wel buiten het land van zijn nationaliteit bevinden voordat hij voor erkenning als vluchteling in aanmerking kan komen.
Als de vervolging:
dan is de vreemdeling geen vluchteling.
### 2.2. Vervolgingsgronden
### 2.2.1. Discriminatie als daad van vervolging
Het is mogelijk dat zich situaties voordoen waarbij een hele (bevolkings)groep te vrezen heeft voor vervolging. Een dergelijke groep kan bestaan uit:
Wanneer alle leden van deze groep te vrezen hebben voor vervolging, spreekt men van groepsvervolging. Ook in het geval van groepsvervolging moet op individuele basis worden vastgesteld of een vreemdeling vluchteling is, door te beoordelen of hij tot de betrokken groep behoort.
Vervolging kan plaatsvinden door:
### 2.2.2. Vervolging vanwege godsdienst
Als de vervolging plaatsvindt door partijen of organisaties die niet het gehele grondgebied beheersen, komt de vreemdeling niet voor bescherming in aanmerking als is vastgesteld dat hij zich aan die vervolging kan onttrekken door zich elders in het land van herkomst te vestigen.
Vervolging door derden wordt alleen aangenomen als de vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat de staat, of partijen of (internationale) organisaties in het land geen bescherming kunnen of willen bieden tegen de vervolging. Om dit te kunnen beoordelen dient te worden onderzocht of de vreemdeling aangifte heeft gedaan bij de (lokale) autoriteiten en, wanneer dit niet het geval is, waarom hij dit niet heeft gedaan.
Onder een (internationale) organisatie wordt in dit verband verstaan:
Onder ‘land van herkomst’ wordt verstaan het land waarvan de vreemdeling de nationaliteit heeft.
Als de vreemdeling door geen enkel land als onderdaan wordt erkend, wordt hij aangemerkt als staatloze. In dat geval moet eerst het land van herkomst worden vastgesteld, vóór de beoordeling of betrokkene gegronde vrees voor vervolging heeft in het land van herkomst.
Als land van herkomst van een staatloze wordt aangemerkt, een land:
### 2.2.3. Vervolging vanwege politieke overtuiging
Voorzover van toepassing kan bij de beoordeling van de vraag of de vreemdeling verdragsvluchteling is gebruik worden gemaakt van de in het Nederlandse landgebonden beleid van de Vreemdelingenwet aangewezen risicogroepen. Wanneer de vreemdeling aannemelijk maakt dat hij tot een aangewezen risicogroep behoort en problemen heeft, kan snel worden geconcludeerd dat deze problemen ook voldoende zwaarwegend zijn om vluchtelingschap aan te nemen. Indien een vreemdeling bijvoorbeeld aannemelijk maakt dat hij journalist was in een land van herkomst en in het betrokken landgebonden beleid journalisten als risicogroep zijn aangewezen omdat het centrale gezag censuur toepast, valt de toets al snel in het voordeel van de vreemdeling uit en kan hij in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning.
Het behoren tot een verboden geloof, het verspreiden van pamfletten voor een verboden politieke partij, het voeren van een strijd tegen misstanden in de lokale samenleving kunnen motieven zijn die in de volledige samenhang van het verhaal en bezien tegen de lokale achtergrond kunnen leiden tot een conclusie dat een vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat hij in het land van herkomst persoonlijk een gegronde vrees heeft voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag, Een beroep op de algemene situatie is over het algemeen onvoldoende om vluchtelingschap aan te nemen.
Voorbeelden van een uiting van een politieke overtuiging kunnen zijn een pamflet of een journalistiek stuk of een lidmaatschap van een verboden partij. Het bestaan ervan op zich is nog niet voldoende om al een situatie aan te nemen van vervolging. Bij vervolging wordt gedoeld op een situatie waarin de autoriteiten op de hoogte zijn van genoemde situaties en in deze omstandigheden de schrijver van het stuk of het lid van een verboden partij of de bezitter van een pamflet onderwerpt aan gevangenis- of lijfstraffen vanwege het enkele feit dat zij lid zijn van de verboden partij.
Als de vreemdeling een vrouw is, kan het overtreden van seksediscriminerende sociale gebruiken, religieuze voorschriften of culturele normen voor vrouwen; of het overtreden van strafbepalingen die in zichzelf in strijd zijn met de universele mensenrechten, in de volgende gevallen worden opgevat als het uiten van een bepaalde politieke overtuiging:
### 2.2.4. Vervolging vanwege nationaliteit en ras
Een beschermingszoeker wordt als verdragsvluchteling aangemerkt, als hij:
In het geval de vreemdeling vóór zijn vlucht geen bescherming aan de autoriteiten heeft gevraagd, moet worden onderzocht waarom dat niet is gebeurd. Als dit wel is gebeurd, maar de vreemdeling heeft het na één mislukte poging niet bij een andere overheidsinstantie geprobeerd, moet worden onderzocht waarom het bij één poging is gebleven.
Hierbij kan gedacht worden aan een volk zonder eigen staat, maar met een eigen taal, geschiedenis en achtergrond.
Het begrip ‘godsdienst’ omvat met name theïstische, niet-theïstische en atheïstische geloofsovertuigingen. Dat wil zeggen: handelingen en gedachten die voortvloeien uit een (godsdienstige) stroming en overtuiging dat de mens door een bovennatuurlijke macht wordt geleid, of de overtuiging dat er geen bovennatuurlijke besturing bestaat en/of dat de mens zelf verantwoordelijk is voor zijn handelen.
Hierbij kan het gaan om het deelnemen aan, of het zich onthouden van, formele erediensten in de particuliere of openbare sfeer, hetzij alleen of in gemeenschap met anderen. Het kan ook gaan om andere religieuze activiteiten of uitingen of om vormen van persoonlijk of gemeenschappelijk gedrag die op een godsdienstige overtuiging zijn gebaseerd of daardoor worden bepaald.
Onder het begrip ‘godsdienst’ valt iedere godsdienst, levensbeschouwing of sekte, waartoe de vreemdeling behoort of waarvan de autoriteiten of andere actoren van vervolging (zie paragraaf 2.1, kopje ‘**Actoren van vervolging’)** stellen dat de vreemdeling ertoe behoort.
### 2.2.5. Vervolging vanwege het behoren tot een sociale groep
Beperkingen op het recht een godsdienst te belijden moeten dusdanig streng zijn, dat het leven als gevolg van de overtuiging in het land van herkomst daardoor ernstig wordt belemmerd. Van personen die in het land van herkomst een minderheidsreligie aanhangen wordt niet verlangd dat zij deze verborgen houden. Dit betekent bijvoorbeeld dat personen die gevlucht zijn uit hun land van herkomst omdat ze verborgen moesten houden dat ze de overtuiging van een minderheidsgroepering aanhangen, kunnen erkend worden als om godsdienst vervolgde vluchteling.
Te denken valt bijvoorbeeld aan een situatie waarin de autoriteiten van een land personen die een bepaalde godsdienst belijden actief opspoort en ze, onder bedreiging van gevangenis- of lijfstraffen, verbiedt om hun geloof uit te oefenen.
Onder vervolging wegens het behoren tot een sociale groep als bedoeld in artikel 1A Vluchtelingenverdrag wordt mede vervolging wegens seksuele geaardheid begrepen.
Het begrip ‘politieke overtuiging’ houdt onder andere in dat de vreemdeling een opvatting, gedachte of mening heeft over bijvoorbeeld het beleid of de methoden van de autoriteiten of andere actoren van vervolging (zie paragraaf 2.1, kopje ‘**Actoren van vervolging’)**, ofwel dat laatstgenoemden stellen dat de vreemdeling deze overtuiging heeft.
Om vervolging vanwege politieke overtuiging te kunnen aannemen dient de bedoelde opvatting, mening of gedachte onder de aandacht van de autoriteiten of andere actoren van vervolging te zijn gekomen, of moet het waarschijnlijk zijn dat dit alsnog zal gebeuren.
Voorbeelden van een uiting van een politieke overtuiging kunnen zijn een pamflet of een journalistiek stuk of een lidmaatschap van een verboden partij. Het bestaan ervan op zich is nog niet voldoende om al een situatie aan te nemen van vervolging. Bij vervolging wordt gedoeld op een situatie waarin de autoriteiten op de hoogte zijn van genoemde situaties en in deze omstandigheden de schrijver van het stuk of het lid van een verboden partij of de bezitter van een pamflet onderwerpt aan gevangenis- of lijfstraffen vanwege het enkele feit dat zij lid zijn van de verboden partij.
Als de vreemdeling een vrouw is, kan het overtreden van seksediscriminerende sociale gebruiken, religieuze voorschriften of culturele normen voor vrouwen; of het overtreden van strafbepalingen die in zichzelf in strijd zijn met de universele mensenrechten, in de volgende gevallen worden opgevat als het uiten van een bepaalde politieke overtuiging:
Ten slotte geldt dat het inroepen van de bescherming van de autoriteiten niet wordt verlangd in de gevallen waarin homoseksualiteit of homoseksuele handelingen strafbaar zijn in het land van herkomst.
Het begrip ‘nationaliteit’ is niet beperkt tot staatsburgerschap of het ontbreken daarvan, maar omvat ook het behoren tot een groep die wordt bepaald:
De omvang van deze groepering is daarbij niet relevant.
### 2.3. Politieke en commune delicten en discriminatoire of onevenredige bestraffing
Voor het bepalen van ‘ras’ als vervolgingsgrond kan onder andere worden afgegaan op de aspecten:
Bij het vaststellen van ras kan zowel op etnografische als sociale aspecten worden teruggegrepen.
Indien een overheid aanleiding ziet in een uiterlijk kenmerk van een persoon of een groep om over te gaan tot vervolging dan is er sprake van vervolging als hier bedoeld.
Het gaat hier dus om dat deel van de (tenuitvoerlegging van de) bestraffing, waarin tot uiting komt dat de beschermingszoeker (ook) wordt gestraft om redenen die verband houden met de vervolgingsgronden in het Vluchtelingenverdrag.
Een groep wordt geacht een specifieke sociale groep te vormen als:
### 2.4. Vervolging wegens dienstweigering of desertie
Onder vervolging wegens het behoren tot een sociale groep als bedoeld in artikel 1A Vluchtelingenverdrag wordt mede vervolging wegens seksuele geaardheid begrepen.
Als een vreemdeling zich beroept op problemen vanwege de (gestelde) seksuele geaardheid moet de aanvraag worden beoordeeld met bijzondere aandacht voor de positie van homoseksuelen in het land van herkomst.
Als er sprake is van een bestraffing op basis van een strafbepaling die alleen betrekking heeft op homoseksuelen, is dit een daad van vervolging. Dit is bijvoorbeeld het geval als het homoseksueel zijn of het uiten van specifiek homoseksuele gevoelens strafbaar is gesteld. Voor de conclusie dat er sprake is van vluchtelingschap moet wel sprake zijn van een strenge bestraffingsmaatregel. Zo zal een enkele boete meestal onvoldoende zijn om te concluderen dat er sprake is van vluchtelingschap. De enkele strafbaarstelling van homoseksualiteit of homoseksuele handelingen in een land leidt niet zonder meer tot de conclusie dat een homoseksueel uit dat land vluchteling is. De vreemdeling moet (indien mogelijk met documenten) aannemelijk maken dat hij persoonlijk een gegronde reden heeft om te vrezen voor vervolging.
Van vreemdelingen met een homoseksuele voorkeur wordt niet verlangd dat zij deze voorkeur bij terugkeer verbergen.
Als de vreemdeling niet daadwerkelijk homoseksueel is, maar het geloofwaardig is dat de autoriteiten of andere actoren van vervolging hem of haar als zodanig beschouwen en het aannemelijk is dat vervolging plaatsvindt of zal vinden, is hij eveneens te beschouwen als verdragsvluchteling.
Ten slotte geldt dat het inroepen van de bescherming van de autoriteiten niet wordt verlangd in de gevallen waarin homoseksualiteit of homoseksuele handelingen strafbaar zijn in het land van herkomst.
Sekse kan niet het enige criterium zijn op grond waarvan wordt geconcludeerd dat sprake is van het behoren tot een ‘bepaalde sociale groep’. Vrouwen in het algemeen vormen niet een bepaalde sociale groep, omdat zij als sociale groep te divers van samenstelling zijn. Het individualiseringsvereiste is het uitgangspunt. Strafvervolging van een voorschrift dat specifiek voor vrouwen geldt, levert vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag op, als aannemelijk is dat:
Als de betrokken vreemdeling zich erop beroept dat er sprake is van discriminatie die specifiek tegen vrouwen is gericht, dan blijft de toepasselijkheid van één van de vervolgingsgronden een voorwaarde voor het concluderen van vluchtelingschap. Uiteraard geldt ook in deze gevallen het individualiseringsvereiste. Zo is het enkele bestaan van kledingvoorschriften voor vrouwen nog geen vorm van discriminatie op grond waarvan vervolging kan worden aangenomen.
Verder moet het gaan om ernstige, onoverkomelijke gewetensbezwaren op grond van een godsdienstige of een andere diepgewortelde overtuiging.
Vervolging ingesteld vanwege een overtreding of een misdrijf dat over het algemeen als commuun delict (een ‘normaal’, niet politiek delict) wordt beschouwd levert in beginsel geen vluchtelingschap op. Er is sprake van een commuun delict, als de betrokkene in zijn land van herkomst een strafbepaling heeft overtreden die niet kan worden herleid tot één van de gronden van het Vluchtelingenverdrag.
Bestraffing wegens commune delicten leidt over het algemeen niet tot de conclusie dat de betrokkene verdragsvluchteling is. Wel moet steeds worden onderzocht of er sprake is van onevenredige of discriminatoire bestraffing die wel verband houdt met de gronden in het Vluchtelingenverdrag.
Hiervan is sprake als:
Het gaat hier dus om dat deel van de (tenuitvoerlegging van de) bestraffing, waarin tot uiting komt dat de beschermingszoeker (ook) wordt gestraft om redenen die verband houden met de vervolgingsgronden in het Vluchtelingenverdrag.
In dat geval kan de betrokkene worden gezien als een verdragsvluchteling. Hiervan is bijvoorbeeld sprake als in plaats van de gebruikelijke strafmaat van één jaar gevangenisstraf voor een individu twee jaar gevangenisstraf wordt opgelegd omdat hij behoort tot een geloofsgroepering waar de vervolgende instantie bezwaar tegen heeft. Een ander voorbeeld kan zijn als de straf geheel of gedeeltelijk in de brandende zon zonder bescherming moet worden doorgebracht in plaats van in een gewone cel omdat hij behoort tot een sociale groep waar de vervolgende instantie bezwaar tegen heeft. Er moet een causaal verband zijn tussen één van de vervolgingsgronden van het verdrag en de zwaarte van de bestraffing.
Voor de beoordeling of een militaire actie behoort tot de tweede subcategorie is geen internationale veroordeling vereist. Wel moet zijn vastgesteld dat de betreffende militaire actie systematisch strijd oplevert met de fundamentele normen die gelden tijdens een gewapend conflict om bijvoorbeeld burgerslachtoffers te voorkomen. Een dergelijke vaststelling kan worden gedaan door:
Een land kan een dienstplicht instellen. Strafvervolging wegens het ontduiken van dienstplicht wordt in beginsel niet aangemerkt als vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag. In de volgende gevallen kan dienstweigering of desertie desondanks leiden tot vluchtelingschap.
### 2.5. Bijzondere situaties
### 2.5.1. Refugiés sur place
waarin tot uiting komt dat hier sprake is van een discriminatoire maatregel of een andere vervolgingshandeling, die in andere gevallen niet wordt opgelegd.
Bij deze categorie gaat het om een evenwicht tussen het onvervreemdbare recht van een staat om zich te verdedigen en het eveneens onvervreemdbare recht van het individu op gewetensvrijheid. Dit evenwicht kan blijken uit het feit dat aan het individu de mogelijkheid wordt geboden om een vervangende, niet-militaire dienstplicht te vervullen.
Als die mogelijkheid in het land van herkomst niet wordt geboden, kan:
aanleiding zijn om tot vluchtelingschap te besluiten, indien de betrokkene ernstige, onoverkomelijke gewetensbezwaren heeft tegen de vervulling van de dienstplicht.
Bij de beoordeling of er sprake is van vluchtelingschap is bij deze categorie niet vereist dat er sprake is van een discriminatoire of onevenredige bestraffing zoals genoemd onder a. In dit geval is er sprake van een inbreuk op de gewetensvrijheid van het individu die tot vluchtelingschap kan leiden. Er moet echter wel sprake zijn van een strenge bestraffingsmaatregel. Zo is een enkele boete onvoldoende om te concluderen dat er sprake is van vluchtelingschap.
### 2.5.2. Als de UNHCR de vreemdeling heeft erkend als vluchteling
De betrokkene moet dus kunnen aangeven op welke (geloofs)overtuiging hij zijn gewetensbezwaren baseert en waarom deze overtuiging zijn dienstweigering of desertie voorschrijft. De gewetensbezwaren moeten zich richten tegen het gebruik van geweld over het algemeen. Vanzelfsprekend mogen aan een goed geschoolde persoon hogere eisen worden gesteld over de wijze waarop dit wordt onderbouwd dan aan een zeer jeugdig of ongeletterd persoon.
Hier is eigenlijk sprake van twee subcategorieën. Er is sprake van een militaire actie die:
Voor wat betreft de eerste subcategorie geldt als veroordeling door de internationale gemeenschap een veroordeling door:
Een resolutie van het Europees Parlement en een verklaring van de Secretaris-Generaal van de VN kunnen niet als zodanig worden beschouwd.
In een dergelijke veroordeling moet zijn opgenomen dat de militaire actie als zodanig als onrechtmatig wordt aangemerkt.
### 2.5.3. Minderjarige vreemdelingen
Als aannemelijk is dat bestraffing zal plaatsvinden omdat de vreemdeling geweigerd heeft aan een dergelijke militaire actie deel te nemen, of omdat hij de eerst mogelijke gelegenheid heeft aangewend om te deserteren, kan dit leiden tot de conclusie dat hij vluchteling is. Wel moet worden nagegaan of de vreemdeling, voordat hij deserteerde, zich schuldig heeft gemaakt aan handelingen als genoemd in artikel 1F Vluchtelingenverdrag Als de vreemdeling zich erop beroept dat hij niet wenst te worden ingezet in een conflict tegen het volk waarvan hij deel uitmaakt, wordt dit meegewogen bij de beoordeling of er ernstige, onoverkomelijke gewetensbezwaren zijn, zoals onder b (ofwel in strijd is met de fundamentele normen die gelden tijdens een gewapend conflict) beschreven. De enkele inzet tegen eigen volk of familie is onvoldoende voor de erkenning als vluchteling. Het bestaan van de ernstige, onoverkomelijke gewetensbezwaren tegen de inzet tegen eigen volk dienen te blijken uit (al dan niet politieke) activiteiten van de vreemdeling.
Een minderjarige vreemdeling niet wordt begeleid door zijn ouders of een voogd kan ook vanwege zelfstandige motieven in aanmerking komen voor een vergunning tot verblijf op grond van [artikel 12a WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=12a). Om te kunnen vaststellen of een minderjarige vreemdeling als vluchteling kan worden erkend, gelden dezelfde criteria als voor volwassen vreemdelingen. Bij de beoordeling van een aanvraag om bescherming van een minderjarige vreemdeling moet wel rekening worden gehouden met de mate van geestelijke ontwikkeling en volwassenheid van de minderjarige, in relatie tot zijn (persoonlijke en culturele) achtergrond. Over het algemeen genomen geldt dat van een minderjarige niet dezelfde mate van onderbouwing en gedetailleerdheid van verklaringen kan worden verwacht als van een volwassene.
### 2.5.1. Refugiés sur place
### 2.6.1. Algemeen
**Ten eerste** kan iemand een refugié sur place worden doordat de omstandigheden in het land van herkomst zich, tijdens zijn verblijf buiten het land van herkomst, zodanig wijzigen (bijvoorbeeld door een machtswisseling), dat hij bij terugkeer gegronde reden heeft te vrezen voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag.
### 2.6.2. Artikel 1B
**Ten tweede** is het mogelijk dat iemand ten gevolge van zijn eigen activiteiten buiten het land van herkomst gegronde reden heeft te vrezen voor vervolging als hij naar dat land zou terugkeren. Hierbij kan gedacht worden aan:
### 2.6.3. Artikel 1C
Een vreemdeling verliest op grond van artikel 1C Vluchtelingenverdrag zijn recht op erkenning als vluchteling wanneer:
Een bij het Vluchtelingenverdrag aangesloten land heeft een eigen bevoegdheid op het gebied van de statusbepaling en de beslissing of een verblijfsvergunning wordt verleend. De plicht van ieder aangesloten land tot samenwerking met UNHCR zoals deze is vastgelegd in artikel 35 van het Vluchtelingenverdrag doet hier niet aan af. Wanneer de UNHCR een vreemdeling al als vluchteling heeft erkend, hoeft dit oordeel dus niet te worden overgenomen.
Als de vreemdeling al door de UNHCR als vluchteling is erkend, wordt bekeken of deze erkenning:
### 2.6.4. Artikel 1D
Verder wordt bekeken in hoeverre de beoordeling van de situatie in het land van herkomst – die tot stand is gekomen op onder meer een landgebonden positie van de UNHCR – op dezelfde wijze wordt beoordeeld en of deze nog actueel is.
Overigens zal in een zaak waarin een individuele verklaring door de UNHCR is gegeven ook altijd een individuele toets plaatsvinden, waarbij gewijzigde omstandigheden in het land van herkomst sinds de verklaring worden meegewogen.
### 2.5.3. Minderjarige vreemdelingen
In het Vluchtelingenverdrag zijn geen aparte bepalingen opgenomen over (alleenstaande) minderjarige vreemdelingen. Indien hij vergezeld wordt door zijn ouder(s), kan hij vanwege het behoren tot het gezin een afhankelijke status krijgen in het geval de hoofdpersoon van het gezin wordt erkend en toegelaten als vluchteling. Indien het minderjarige kind een andere nationaliteit heeft dan de hoofdpersoon, heeft hij in beginsel geen recht op een afhankelijke status. Maar indien de minderjarige in dit geval zelfstandige vluchtmotieven heeft, kan hij vanwege deze zelfstandige motieven mogelijk op eigen titel een vergunning tot verblijf op grond van [artikel 12a WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=12a) krijgen.
### 2.6.6. Artikel 1F
Het Vluchtelingenverdrag is voorts op grond van artikel 1F niet van toepassing op een persoon ten aanzien van wie er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat hij oorlogsmisdrijven of andere ernstige misdrijven heeft gepleegd. Personen op wie deze bepaling van toepassing is komen niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning voor bescherming op grond van [artikel 12a, eerste lid, onder a, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=12a). Zij komen evenmin voor bescherming in aanmerking op grond van artikel 12a, eerste lid, onder b, WTU-BES.
Bij de beoordeling of de vreemdeling bescherming toekomt op grond van het Vluchtelingenverdrag, wordt daarom eerst de toepasselijkheid van artikel 1F Vluchtelingenverdrag onderzocht voordat wordt bezien of de vreemdeling een verdragsvluchteling in de zin van artikel 1A van het Vluchtelingenverdrag is. Voor het tegenwerpen van artikel 1F is een (buitenlands) strafvonnis niet nodig, omdat vervolging van deze misdaden niet altijd kan plaatsvinden. Wordt artikel 1F tegengeworpen, dan is de toets aan het Vluchtelingenverdrag afgerond.
De toets aan artikel 1A Vluchtelingenverdrag wordt pas uitgevoerd indien is vastgesteld dat de situatie onder 1C tot en met 1F Vluchtelingenverdrag niet van toepassing is.
Hierbij valt bijvoorbeeld te denken aan een individu of een land dat een gewapende aanval op burgers heeft ingezet.
Op grond van artikel 1B hebben landen die bij het Vluchtelingenverdrag zijn aangesloten, de mogelijkheid om de reikwijdte van het verdrag geografisch en in tijd te beperken. Nederland en de openbare lichamen kennen een dergelijke beperking niet. Dat betekent dat personen vanuit de hele wereld als vluchteling kunnen worden beschouwd. Artikel 1B heeft op de openbare lichamen dus geen zelfstandige betekenis.
Factoren die een rol spelen bij het bepalen van de ernst van een misdrijf zijn de aard van de handeling en de omvang van de gevolgen van de handeling. Wanneer er wordt gesteld dat een ernstig misdrijf is gepleegd om een politieke doelstelling na te streven, wordt een predominantie test uitgevoerd, dat wil zeggen dat het politieke element van het misdrijf afgewogen wordt tegen het commune element ervan en dat wordt gekeken of wordt voldaan aan de beginselen van subsidiariteit en proportionaliteit. Dat wil zeggen dat beoordeeld moet worden in hoeverre het delict dat betrokkene heeft gepleegd, zich verhoudt tot het bereiken van het beoogde politieke doel. Met andere woorden: had hij dit doel misschien ook op een andere, minder vergaande, manier kunnen bereiken.
Een vreemdeling verliest op grond van artikel 1C Vluchtelingenverdrag zijn recht op erkenning als vluchteling wanneer:
Voorbeelden van e en f zijn bijvoorbeeld situaties dat er in een land een machtswisseling heeft plaatsgevonden, waardoor onderdanen van dit land en personen die in dit land hun gewone verblijfplaats hadden, weer veilig kunnen terugkeren nadat zij eerder vanwege het heersende regime waren gevlucht.
Dat is alleen anders wanneer de situatie in dat land voor een individuele vluchteling, ondanks de gewijzigde situatie, nog altijd niet veilig is.
De doelstellingen van de VN staan opgesomd in de preambule en artikel 1 van het Handvest van de VN van 1945. De beginselen van de VN staan opgesomd in artikel 2 van het Handvest. Artikel 1F (c) is van toepassing op gevallen van schendingen van deze doelstellingen en beginselen. Het heeft in het bijzonder betrekking op personen met een hoge openbare functie die uit hoofde van hun verantwoordelijkheden handelingen hebben bevolen of toegestaan die in strijd zijn met genoemde doelstellingen en/of beginselen, alsmede op personen die verantwoordelijkheid hebben gedragen voor dergelijke handelingen, bijvoorbeeld omdat zij deel uitmaakten van de veiligheidsdiensten.
Het Vluchtelingenverdrag is op grond van artikel 1D niet van toepassing op personen die bescherming of bijstand genieten van andere organen of instellingen van de VN dan de UNHCR. Wanneer deze bescherming of bijstand om welke reden dan ook is opgehouden, zullen de personen die zich nog in het voormalig mandaatgebied bevinden van rechtswege, dus automatisch, onder het Vluchtelingenverdrag vallen.
Bijvoorbeeld is het Vluchtelingenverdrag niet van toepassing op staatloze Palestijnen in Jordanië, Libanon, Syrië en in de door Israël bezette gebieden omdat zij onder het mandaat vallen van de UNRWA. In het geval een Palestijn het mandaatgebied van de UNRWA zelfstandig verlaat, valt de uitsluitingsgrond van artikel 1D, eerste paragraaf, Vluchtelingenverdrag weg en is het Vluchtelingenverdrag weer van toepassing. Dit betekent echter niet dat voor deze persoon automatisch een verblijfsvergunning voor bescherming moet worden verleend. In gevallen waarin de personen het mandaatgebied hebben verlaten en in een ander land bescherming vragen dient een individuele beoordeling van de aanvraag om bescherming plaats te vinden.
Bezien moet worden of de vreemdeling individueel verantwoordelijk kan worden gehouden voor het misdrijf/de misdrijven. Daarvoor dient er een ernstig vermoeden te zijn dat hij op enige wijze persoonlijk heeft deelgenomen ('personal participation') en weet heeft gehad of had behoren te hebben van het plegen van het betreffende misdrijf/de misdrijven ('knowing participation').
Als een vreemdeling dezelfde rechten en plichten heeft als een geboren Nederlandse onderdaan van de openbare lichamenis het Vluchtelingenverdrag niet van toepassing. De opstellers van het Verdrag hadden de vreemdelingen van Duitse herkomst voor ogen die zich na de Tweede Wereldoorlog rond 1951 vestigden in Duitsland.
Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord of iemands opzet ook gericht was op het plegen van het misdrijf overeenkomstig artikel 30 van het Statuut van Rome.
Het Vluchtelingenverdrag is voorts op grond van artikel 1F niet van toepassing op een persoon ten aanzien van wie er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat hij oorlogsmisdrijven of andere ernstige misdrijven heeft gepleegd. Personen op wie deze bepaling van toepassing is komen niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning voor bescherming op grond van [artikel 12a, eerste lid, onder a, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=12a). Zij komen evenmin voor bescherming in aanmerking op grond van artikel 12a, eerste lid, onder b, WTU-BES.
### 2.7. Terugzending (refoulement)
Ingevolge artikel 1F zijn de bepalingen van het Vluchtelingenverdrag niet van toepassing op een persoon ten aanzien van wie er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat:
Hierbij valt bijvoorbeeld te denken aan een individu of een land dat een gewapende aanval op burgers heeft ingezet.
Belangrijke instrumenten ter invulling van art. 1Fa zijn bijvoorbeeld:
Factoren die een rol spelen bij het bepalen van de ernst van een misdrijf zijn de aard van de handeling en de omvang van de gevolgen van de handeling. Wanneer er wordt gesteld dat een ernstig misdrijf is gepleegd om een politieke doelstelling na te streven, wordt een predominantie test uitgevoerd, dat wil zeggen dat het politieke element van het misdrijf afgewogen wordt tegen het commune element ervan en dat wordt gekeken of wordt voldaan aan de beginselen van subsidiariteit en proportionaliteit. Dat wil zeggen dat beoordeeld moet worden in hoeverre het delict dat betrokkene heeft gepleegd, zich verhoudt tot het bereiken van het beoogde politieke doel. Met andere woorden: had hij dit doel misschien ook op een andere, minder vergaande, manier kunnen bereiken.
### 3. Bescherming in het EVRM tegen foltering of onmenselijke behandeling
### 3.1. Foltering of onmenselijke behandeling
Voorbeelden van dit soort misdrijven zijn onder meer moord, doodslag, verkrachting, foltering, genocide, slavernij, slavenhandel, hoogverraad en het verstoren van verkiezingen, vliegtuigkaping, aanslagen op internationaal beschermde personen, ontvoering, gijzeling, vrijheidsberoving en bomaanslagen en -brieven.
De doelstellingen van de VN staan opgesomd in de preambule en artikel 1 van het Handvest van de VN van 1945. De beginselen van de VN staan opgesomd in artikel 2 van het Handvest. Artikel 1F (c) is van toepassing op gevallen van schendingen van deze doelstellingen en beginselen. Het heeft in het bijzonder betrekking op personen met een hoge openbare functie die uit hoofde van hun verantwoordelijkheden handelingen hebben bevolen of toegestaan die in strijd zijn met genoemde doelstellingen en/of beginselen, alsmede op personen die verantwoordelijkheid hebben gedragen voor dergelijke handelingen, bijvoorbeeld omdat zij deel uitmaakten van de veiligheidsdiensten.
De volgende handelingen vallen in ieder geval onder artikel 1F(c):
Om artikel 1F tegen te kunnen werpen dient er sprake zijn van een ernstig vermoeden dat de betrokken vreemdeling heeft deelgenomen aan een misdrijf vallend onder artikel 1F. De bewijslast hierbij ligt in dit bijzondere geval bij de Minister.
Bezien moet worden of de vreemdeling individueel verantwoordelijk kan worden gehouden voor het misdrijf/de misdrijven. Daarvoor dient er een ernstig vermoeden te zijn dat hij op enige wijze persoonlijk heeft deelgenomen ('personal participation') en weet heeft gehad of had behoren te hebben van het plegen van het betreffende misdrijf/de misdrijven ('knowing participation').
Bij de toetsing van de verschillende deelnemingsvormen aan een misdrijf, bijv. het plegen van of iemand aanzetten tot het plegen van een misdrijf of deelnemen aan een criminele organisatie moet aansluiting worden gezocht bij de artikelen 25, en 28 van het Statuut van Rome.
Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord of iemands opzet ook gericht was op het plegen van het misdrijf overeenkomstig artikel 30 van het Statuut van Rome.
Wanneer het vermoeden bestaat dat een vreemdeling oorlogsmisdrijven of andere ernstige misdrijven als bedoeld in artikel 1F Vluchtelingenverdrag heeft gepleegd, dient voor advies hoe te handelen bij de beoordeling van de aanvraag contact te worden opgenomen met de unit 1F van de IND in Nederland.
### 2.7. Terugzending (refoulement)
In het geval is vastgesteld dat een vreemdeling een vluchteling is, dan mag deze vreemdeling niet – op welke wijze dan ook – worden teruggezonden naar een land waar zijn leven of vrijheid zou worden bedreigd wegens de in artikel 1A Vluchtelingenverdrag genoemde gronden (het gebod van non-refoulement; zie artikel 33, eerste lid, Vluchtelingenverdrag).
### 3.2.1. Uitzonderlijke situatie
Als de vreemdeling zich erop beroept dat hij vluchteling is, moet voorafgaand aan de terugzending worden onderzocht of de terugzending van de vreemdeling naar het land van zijn nationaliteit een schending van het Vluchtelingenverdrag is. Er moet ook worden onderzocht of er andere mogelijkheden zijn om de vluchteling van het grondgebied te verwijderen zonder dat er sprake is van schending van het Vluchtelingenverdrag. Dit kan als bescherming ergens anders kan worden verleend of als één van de andere gronden van het Vluchtelingenverdrag van toepassing is (artikel 1B tot en met 1F: zie 4.2.6).
Artikel 33, tweede lid, Vluchtelingenverdrag staat een uitzondering op het verbod van refoulement toe, namelijk wanneer de vluchteling een bedreiging vormt van de nationale veiligheid of de openbare orde.
Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn wanneer de UNHCR de situatie in een bepaald land aanmerkt als uitzonderlijk slecht, terwijl uit een ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken blijkt dat de aard en de intensiteit van het geweld in het land niet dusdanig is, dat moet worden geconcludeerd dat iedere burger in dat land een reëel risico op ernstige schade loopt.
### 3.1. Foltering of onmenselijke behandeling
Op grond van [artikel 12a, eerste lid, onder b, WTU](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=12a), kan een verblijfsvergunning worden verleend voor bescherming, indien de vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting naar zijn land van herkomst een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen, aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen.
### 3.2.3. Kwetsbare minderheidsgroep
Vreemdelingen kunnen bescherming inroepen tegen terugkeer naar het land van herkomst als zij aannemelijk maken dat zij na de verwijdering naar dat land een reëel risico (‘real risk’) lopen te worden onderworpen aan:
In het geval van een reëel risico mag het gastland dat is aangesloten bij het EVRM de betrokken vreemdeling niet terugsturen naar zijn land van herkomst, omdat dit een schending is van artikel 3 EVRM. De openbare lichamen zijn aangesloten bij het EVRM.
De reikwijdte van artikel 3 EVRM wordt bepaald door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in Straatsburg. De jurisprudentie blijft in ontwikkeling.
Actoren van een behandeling in de zin van artikel 3 EVRM kunnen onder meer zijn:
Indien de behandeling niet plaatsvindt door de centrale autoriteiten van een land, maar bijvoorbeeld door de lokale autoriteiten, is van belang dat de betrokkene, van wie is vastgesteld dat er een reëel risico bestaat op een dergelijke behandeling, niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van [artikel 12a, eerste lid, onder b. WTU](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=12a), indien is vastgesteld dat hij zich aan de gevreesde gebeurtenissen kan onttrekken door zich elders in het land van herkomst te vestigen.
Een reëel risico op een behandeling als bedoeld in artikel 3 EVRM door derden wordt alleen aangenomen als de betrokkene aannemelijk heeft gemaakt dat de staat, of partijen of (internationale) organisaties in het land geen bescherming kunnen of willen bieden tegen de bedoelde behandeling.
Zie uitspraak Salah Sheekh (nr. 1948/04), tegen Nederland
### 3.2.4. Individuele indicaties in de persoonlijke omstandigheden
Als geen sprake is van een situatie als genoemd in de paragrafen 3.2.1, 3.2.2, of 3.2.3 dient de vreemdeling, om toch in aanmerking te komen voor een verblijfsvergunning bescherming voor bepaalde tijd op grond van [artikel 12, eerste lid, onder b, WTU](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=12), aannemelijk te maken dat hij bij terugkeer een reëel risico loopt op de in die bepaling bedoelde behandeling. De bewijslast is hoog. De vreemdeling dient specifieke individuele kenmerken (‘special distinguishing features’) naar voren te brengen, waaruit dit persoonlijk risico op een behandeling in de zin van artikel 3 EVRM valt af te leiden. Hiervan kan bijvoorbeeld sprake zijn als de vreemdeling aannemelijk maakt dat hij vanwege het feit dat hij overspel heeft gepleegd bij terugkeer in zijn land van herkomst een reëel risico loopt te worden bestraft met zweepslagen. Zie de uitspraken inzake Vilvarajah en anderen tegen het Verenigd Koninkrijk, uitspraaknummers 13163/87, 13164/87, 13165/87, 13447/87, 13448/87.
### 3.3. Het verbod op uitzetting heeft een absoluut karakter
In het geval UNHCR in een actuele positie over een land verklaart dat in dit land sprake is van een uitzonderlijke slechte veiligheidssituatie, is deze positie in beginsel leidend voor de beoordeling maar niet bindend voor het verbod op uitzetting. Dat wil zeggen dat als er naast deze informatie van UNHCR ook andersluidende objectieve informatie beschikbaar is uit andere bronnen, de uitkomst van de weging van de informatie en de bronnen kan zijn dat de situatie toch niet zodanig uitzonderlijk slecht is dat de terugkeer van betrokkene een schending van het verdrag betekent.
Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn wanneer de UNHCR de situatie in een bepaald land aanmerkt als uitzonderlijk slecht, terwijl uit een ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken blijkt dat de aard en de intensiteit van het geweld in het land niet dusdanig is, dat moet worden geconcludeerd dat iedere burger in dat land een reëel risico op ernstige schade loopt.
Maar het EVRM verplicht in beginsel niet tot het verlenen van een verblijfsvergunning; er moet enkel worden afgezien van uitzetting van de vreemdeling naar het land van herkomst. Indien de vreemdeling naar een ander land kan worden uitgezet waar diens toelating wordt gewaarborgd is dit onder het EVRM ook toegestaan.
### 4. De beoordeling van aanvragen om bescherming
### 3.2.3. Kwetsbare minderheidsgroep
Bij de bepaling of een bevolkingsgroep moet worden aangemerkt als een kwetsbare minderheidsgroep zijn de volgende aspecten van belang:
In het landgebonden beleid dat in Nederland onder de Vreemdelingenwet is uitgewerkt, zijn verschillende groepen aangewezen als kwetsbare minderheidsgroepen. Deze aangewezen groepen gelden ook op de openbare lichamen als kwetsbare minderheidsgroepen. Indien in Nederland wijzigingen in deze aanwijzing worden doorgevoerd, gelden ze ook op de openbare lichamen. Voor de meest actuele informatie over kwetsbare minderheidsgroepen kan contact worden opgenomen met de IND in het Europese deel van Nederland.
Voor het oordeel dat de vreemdeling met op zichzelf beperkte indicaties aannemelijk heeft gemaakt dat een schending van artikel 3 EVRM dreigt, is niet vereist dat betrokkene persoonlijk een behandeling heeft ondervonden die voldoet aan de omschrijving van [artikel 12, eerste lid, onder b, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=12).
Ook indien er sprake is van mensenrechtenschendingen in de naaste omgeving van de vreemdeling bij personen die behoren tot de zelfde kwetsbare minderheidsgroep, kan dit voldoende grond zijn om beperkte indicaties aan te nemen. Onder mensenrechtenschendingen wordt in dit verband onder meer verstaan: moord, verkrachting, mishandeling, intimidatie of beroving. In deze gevallen wordt niet van de vreemdeling verlangd om aannemelijk te maken dat de betreffende mensenrechtenschendingen zijn ingegeven door het behoren tot dezelfde kwetsbare minderheidsgroep.
In beginsel wordt ervan uitgegaan dat de mensenrechtenschendingen die ten aanzien van de vreemdeling zelf of in zijn naaste omgeving hebben plaatsgevonden, voldoende grond opleveren voor het oordeel dat de vreemdeling bij terugkeer – opnieuw dan wel alsnog – een reëel risico zal lopen op een behandeling als bedoeld in artikel 3 EVRM. Dit kan echter anders zijn, als er sprake is van een aanzienlijk tijdsverloop tussen de desbetreffende mensenrechtenschendingen en het vertrek uit het land van herkomst en de vreemdeling gedurende die periode geen nieuwe problemen heeft ondervonden.
Onder ‘mensenrechtenschendingen in de naaste omgeving’ wordt ook verstaan gebeurtenissen die hebben plaatsgevonden in de naaste omgeving van de vreemdeling in het land van herkomst nadat de vreemdeling zelf al uit het land was vertrokken. Het oordeel, dat de vreemdeling bij terugkeer een reëel risico loopt op een behandeling als bedoeld in [artikel 12 WTU](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=12) kan dus ook gevormd worden op basis van gebeurtenissen die hebben plaatsgevonden na vertrek van de vreemdeling.
Zie uitspraak Salah Sheekh (nr. 1948/04), tegen Nederland
Indien de toelating in een eerder ontvangend of derde land een tijdelijk of voorlopig karakter kent hoeft dit geen aanwijzing te zijn dat de betrokkene aangewezen is op bescherming op de openbare lichamen, aangezien een verblijfstitel verband houdend met bescherming op de openbare lichamen eveneens een tijdelijke karakter kent.
### 4.2. Toetsingsvolgorde
### 3.3. Het verbod op uitzetting heeft een absoluut karakter
Artikel 3 EVRM heeft een absoluut karakter, dat wil zeggen dat het geen uitzonderingen toelaat op het bereik ervan. Anders dan het Vluchtelingenverdrag (artikel 33, tweede lid), kent het EVRM geen uitzondering op de plicht van non-refoulement wanneer de vreemdeling een bedreiging vormt voor de nationale veiligheid of openbare orde.
Dit betekent dat wanneer de vreemdeling aannemelijk maakt dat hem een reëel risico op executie of de doodstraf wacht of een andere onmenselijke behandeling in zijn land op grond van het feit dat hij daar een commuun delict heeft gepleegd, het EVRM de terugkeer naar het land van herkomst verbiedt.
Maar het EVRM verplicht in beginsel niet tot het verlenen van een verblijfsvergunning; er moet enkel worden afgezien van uitzetting van de vreemdeling naar het land van herkomst. Indien de vreemdeling naar een ander land kan worden uitgezet waar diens toelating wordt gewaarborgd is dit onder het EVRM ook toegestaan.
Zie 4.4. voor de situatie waarin een vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde of de nationale veiligheid.
### 4.1. Afwijzing zonder statusbepaling
Bij de beoordeling van de aanvraag om bescherming wordt eerst bekeken of de aanvraag zonder specifieke statusbepaling kan worden afgehandeld:
Een verzoek om bescherming kan worden afgewezen zonder statusbepaling als:
Een aanvraag om bescherming kan worden afgewezen zonder statusbepaling indien aannemelijk is dat de openbare lichamen niet het eerste land van ontvangst zijn omdat de vreemdeling:
### 4.2.3. Toetsingsvolgorde bij toetsing aan artikel 3 EVRM
Bij de beantwoording van de vraag of een vreemdeling rechtstreeks naar de openbare lichamen is gekomen kan de al in het vervolgingsland bestaande bedoeling van de vreemdeling om juist op de openbare lichamen bescherming te verkrijgen een rol spelen. Dit is alleen het geval als het bestaan van deze bedoeling uit objectieve feiten en/of omstandigheden blijkt.
Het kan ook zijn dat er sprake is van een derde land waar de toelating en het verblijf gewaarborgd is. Het is niet noodzakelijk dat de vreemdeling in een derde land eerder verbleven heeft, maar er moet wel op grond van objectieve feiten en omstandigheden worden beoordeeld of betrokkene tot het land zal worden toegelaten.
Voorts moet er sprake zijn van enige omstandigheden op grond waarvan geconcludeerd kan worden dat betrokkene beschermd is tegen refoulement.
Indien de toelating in een eerder ontvangend of derde land een tijdelijk of voorlopig karakter kent hoeft dit geen aanwijzing te zijn dat de betrokkene aangewezen is op bescherming op de openbare lichamen, aangezien een verblijfstitel verband houdend met bescherming op de openbare lichamen eveneens een tijdelijke karakter kent.
### 4.2. Toetsingsvolgorde
De vreemdeling hoeft niet expliciet te bewijzen maar moet aannemelijk maken dat hij gegronde vrees heeft voor vervolging of dat hij een reëel risico loopt op een behandeling als bedoeld in artikel 3 EVRM. Hij moet alle relevante gegevens aanreiken. Zijn verklaringen moeten:
Wanneer een aanvraag om bescherming niet zonder statusbepaling kan worden afgewezen, dient eerst te worden beoordeeld of de vreemdeling een verdragsvluchteling is en in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning verband houdend met bescherming op grond van [artikel 12a, eerste lid, onder a, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=12a)
Als de vreemdeling hier niet voor in aanmerking komt, dient te worden beoordeeld of de vreemdeling bij terugkeer een schending van artikel 3 EVRM staat te wachten en in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning verband houdend met bescherming op grond van [artikel 12a, eerste lid, onder b, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=12a).
Daartoe wordt allereerst beoordeeld of het relaas geloofwaardig is, zie 4.3.
### 4.4. Openbare orde en nationale veiligheid
### 4.2.2. Toetsingsvolgorde bij toetsing aan het Vluchtelingenverdrag
De toetsing aan het Vluchtelingenverdrag vindt plaats in de volgende volgorde:
Bij de beoordeling of betrokkene een vluchteling is in de zin van het Vluchtelingenverdrag speelt de geloofwaardigheid van de verklaringen van de vreemdeling een grote rol (zie 4.4.3).
Wanneer wordt geconstateerd dat betrokkene een vluchteling is in de zin van het Vluchtelingenverdrag, dan kan hij in aanmerking komen voor een vergunning tot verblijf voor bescherming als bedoeld in [artikel 12a, eerste lid, onder a, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=12a). De aanvraag dient echter eerst nog getoetst te worden aan de vraag of betrokkene een gevaar vormt voor de nationale veiligheid en openbare orde.
Onder gevaar voor de gemeenschap of de nationale veiligheid wordt ook verstaan de situatie waarin het verlenen van een verblijfsvergunning zou betekenen dat de openbare lichamen zouden worden tot een gastland van mensen die elders de publieke rechtsorde ernstig schokten door daden die ook naar Nederlands recht zware misdrijven zouden opleveren.
### 4.4.2. Openbare orde en het Vluchtelingenverdrag
Het gaat steeds om de beoordeling van de situatie zoals die is in het land van herkomst op het moment dat het vertrek van de vreemdeling naar het land van herkomst aan de orde is. Dat geldt dus:
Ook bij de toetsing aan artikel 3 EVRM speelt de geloofwaardigheid van de verklaringen van de vreemdeling een grote rol.
Wanneer wordt geconstateerd dat betrokkene bij terugkeer naar zijn land van herkomst een behandeling als bedoeld in artikel 3 EVRM staat te wachten, dient vervolgens getoetst te worden of betrokkene een gevaar vormt voor de nationale veiligheid en openbare orde. Zo dit niet het geval is kan de vreemdeling in aanmerking komen voor een vergunning tot verblijf voor bescherming als bedoeld in [artikel 12a, eerste lid, onder b, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=12a). wanneer.
Voor het weigeren van de vergunning is tevens vereist dat de vreemdeling een gevaar vormt voor de gemeenschap van de openbare lichamen. Dit wordt ex nunc (op het moment van de beslissing) beoordeeld. Het feit dat sinds de veroordeling een aanzienlijke tijd is verstreken zonder dat recidive heeft plaatsgevonden, kan een aanwijzing vormen dat de vreemdeling geen gevaar meer oplevert. In geval van een bijzonder misdrijf wordt een verjaringstermijn van tien jaren gehanteerd.
### 4.4.3. Openbare orde en artikel 3 EVRM
Wanneer de verklaringen van de vreemdeling niet consistent of geloofwaardig zijn en/of niet passen in wat algemeen bekend is over de situatie in het land van herkomst, heeft de vreemdeling onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij voor bescherming in aanmerking komt en dient de aanvraag om bescherming te worden afgewezen.
Als de vreemdeling niet over zodanig bewijs beschikt, moet hij een verklaring hebben voor het ontbreken ervan. Slaagt hij hierin, dan kan nader onderzoek worden ingesteld en/of hem het voordeel van de twijfel worden toegekend.
Ambtsberichten van de Minister van Buitenlandse Zaken van Nederland kunnen als gezaghebbende bronnen worden aangemerkt.
Er is sprake van een ernstig misdrijf als:
Deze afwijzingsgrond komt overeen met de handelingen, bedoeld in artikel 1F, onder c, Vluchtelingenverdrag.
Aanvragen om bescherming kunnen worden afgewezen indien de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde of nationale veiligheid.
Op verschillende manieren kan duidelijk worden dat de vreemdeling een misdrijf heeft gepleegd:
### 5. De procedure van verzoeken om bescherming
### 5.1. Start van de procedure
Een aanvraag om bescherming kan alleen worden ingediend bij de IND unit Caribisch Nederland. Voorafgaand aan de indiening van de aanvraag dient de vreemdeling contact op te nemen met een ambtenaar belast met de grensbewaking en/of het toezicht.
Als de vreemdeling een verdragsvluchteling is, mag de betrokkene een verblijfsvergunning geweigerd worden en mag de vreemdeling uitgezet worden op grond van artikel 33, tweede lid, van het Vluchtelingenverdrag als:
Een gevaar voor de nationale veiligheid is een afwijzingsgrond ontleend aan het algemeen belang. Dit is niet afhankelijk van een strafrechtelijke veroordeling en wordt per geval beoordeeld. Er dienen concrete aanwijzingen te zijn, bijvoorbeeld een ambtsbericht van een (inter-)nationaal ministerie of inlichtingendienst.
Er is sprake van een bijzonder ernstig misdrijf als:
### 5.2. Situatie in bewaring
In het geval de vreemdeling de procedure in bewaring moet afwachten wordt de IND unit Caribisch Nederland zo spoedig mogelijk op de hoogte gesteld dat de vreemdeling een aanvraag om bescherming wil indienen. De vreemdeling wordt op de locatie waar de bewaring ten uitvoer wordt gelegd in de gelegenheid gesteld een aanvraagformulier te ondertekenen. Hij wordt omtrent de aanvraag in bewaring gehoord door de IND unit Caribisch Nederland. De rechtsbijstandverlener die de vreemdeling bijstaat in het kader van de inbewaringstelling, wordt vooraf door de IND unit Caribisch Nederland geïnformeerd over de datum waarop het gehoor plaatsvindt.
### 5.3. Handelingen in het kader van het toezicht
Er zijn ernstige redenen om aan te nemen dat:
Deze weigeringsgrond komt overeen met de in artikel 1F Vluchtelingenverdrag onder a. genoemde misdrijven
Er is sprake van een ernstig misdrijf als:
Deze afwijzingsgrond komt overeen met de handelingen, bedoeld in artikel 1F, onder c, Vluchtelingenverdrag.
Een gevaar voor de nationale veiligheid is een weigeringsgrond ontleend aan het algemeen belang. Dit is niet afhankelijk van een strafrechtelijke veroordeling en wordt per geval beoordeeld. Er moeten concrete aanwijzingen te zijn, bijvoorbeeld een ambtsbericht van een (inter-)nationaal ministerie of inlichtingendienst
Of hiervan sprake is, wordt aan de hand van de concrete omstandigheden van het geval beoordeeld. Voor verdere informatie kan de medewerker van de IND unit Caribisch Nederland contact opnemen met de unit 1F van de IND in het Europese deel van Nederland.
Vervolgens wordt telefonisch een afspraak gemaakt voor de vreemdeling(en) voor een gesprek met de IND unit Caribisch Nederland op het openbare lichaam waar hij verblijft.
De volgende gegevens van de vreemdeling worden bij dit telefoongesprek telefonisch aan de IND unit Caribisch Nederland verstrekt:
Een aanvraag om bescherming kan alleen worden ingediend bij de IND unit Caribisch Nederland. Voorafgaand aan de indiening van de aanvraag dient de vreemdeling contact op te nemen met een ambtenaar belast met de grensbewaking en/of het toezicht.
Steeds dienen de ambtenaren belast met de grensbewaking en het toezicht in contacten met vreemdelingen die niet over de juiste documenten beschikken en daarom in beginsel geen recht op toegang of toelating hebben, zorgvuldig te beoordelen of een vreemdeling een aanvraag om bescherming wil indienen, ook al verzoekt de vreemdeling niet met zoveel woorden om bescherming.
Zodra de ambtenaar belast met de grensbewaking duidelijk is dat de vreemdeling bescherming wil aanvragen, moet hij eerst beoordelen of de vreemdeling in dit kader toegang krijgt om zich in persoon op afspraak bij de IND unit Caribisch Nederland te melden. Als de ambtenaar overweegt de toegang te weigeren, moet hij hiervoor een bijzondere aanwijzing vragen aan de IND unit Caribisch Nederland. Weigering van de toegang kan bijvoorbeeld aan de orde zijn in het geval er sprake is van een claimmogelijkheid op een vervoerder of in het geval er aanleiding is voor het vermoeden dat de vreemdeling zich aan het toezicht gaat onttrekken.
### 5.4. Geen aantekeningen in documenten
Met nadruk wordt erop gewezen dat in de identiteits- en/of reisdocumenten van iemand die om bescherming verzoekt nooit aantekeningen mogen worden geplaatst, daar dit – bij afwijzing van het verzoek – voor de vreemdeling moeilijkheden in zijn land van herkomst met zich mee kan brengen.
In het geval de vreemdeling de procedure in bewaring moet afwachten wordt de IND unit Caribisch Nederland zo spoedig mogelijk op de hoogte gesteld dat de vreemdeling een aanvraag om bescherming wil indienen. De vreemdeling wordt op de locatie waar de bewaring ten uitvoer wordt gelegd in de gelegenheid gesteld een aanvraagformulier te ondertekenen. Hij wordt omtrent de aanvraag in bewaring gehoord door de IND unit Caribisch Nederland. De rechtsbijstandverlener die de vreemdeling bijstaat in het kader van de inbewaringstelling, wordt vooraf door de IND unit Caribisch Nederland geïnformeerd over de datum waarop het gehoor plaatsvindt.
Onder vreemdelingen die bescherming verzoeken wordt in dit verband ook begrepen vreemdelingen wier verzoek om bescherming is afgewezen of die hun verzoek om bescherming hebben ingetrokken. In deze gevallen is het plaatsen van aantekeningen echter wel mogelijk als de vreemdeling niet langer enige procedure voert over zijn verzoek om bescherming én
### 5.5. Aanmelding en meldplicht
Voor zover een goede communicatie dit vergt moet voor dit eerste contact een betrouwbare tolk worden ingeschakeld. De tolk kan in persoon of op afstand worden ingezet via telefoon of videoconference.
In het kader van toezicht en de voorbereiding op de indiening en behandeling van de aanvraag wordt de identiteit van de vreemdeling vastgesteld. De vreemdeling en diens kleding en bagage worden onderzocht op de aanwezigheid van reis- of identiteitspapieren, documenten of bescheiden die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de aanvraag. In het geval de vreemdeling vergezeld wordt door gezinsleden, geldt voor hen hetzelfde. De gegevens van de vreemdeling(en) worden geregistreerd, voorzover hun gegevens nog niet in de vreemdelingenadministratie voorkomen.
In het geval de hoofdpersoon vergezeld wordt door gezinsleden die ouder zijn dan twaalf jaar, vraagt de toezichthouder de gezinsleden of zij bescherming willen omdat de hoofdpersoon problemen heeft met terugkeer of dat zij vanwege hun eigen identiteit en/of activiteiten problemen hebben met terugkeer. De IND unit Caribisch Nederland legt uit dat het verschil relevant is omdat in het geval zij zelf problemen vrezen, zij zelf een aanvraag om bescherming kunnen indienen en zij zelf gehoord worden. In het geval zij zelf niet gehoord willen worden, kunnen zij om gezinshereniging vragen en in aanmerking komen voor een afgeleide vergunning tot verblijf (zie onder 6.)
### 5.6. Voorbereidende handelingen van de IND unit Caribisch Nederland
Op basis van de verzamelde gegevens gaat de ambtenaar na of betrokkene(n) in de beschikbare (opsporings)registers voorkomt/voorkomen.
Vervolgens wordt telefonisch een afspraak gemaakt voor de vreemdeling(en) voor een gesprek met de IND unit Caribisch Nederland op het openbare lichaam waar hij verblijft.
De volgende gegevens van de vreemdeling worden bij dit telefoongesprek telefonisch aan de IND unit Caribisch Nederland verstrekt:
### 5.7. Melding op afspraak en het indienen van de aanvraag bij de IND unit Caribisch Nederland
Per fax of op andere geschikte wijze worden aanvullend op het gesprek kopieën van documenten en de schriftelijke verklaring met de asielmotieven doorgegeven aan de IND unit Caribisch Nederland.
Er worden zo min mogelijk originele documenten van de vreemdeling ingenomen. Als originele documenten worden ingenomen, krijgt de vreemdeling een bewijs van ontvangst en een afschrift van de stukken. Als er twijfel bestaat of terugkeer mogelijk is enkel op basis van kopieën van de reisdocumenten, kunnen de reisdocumenten worden ingenomen totdat de terugkeer feitelijk wordt geëffectueerd of op het moment dat terugkeer niet aan de orde is omdat de gevraagde vergunning wordt afgegeven of omdat beslist is dat er weliswaar geen vergunning behoeft te worden afgegeven, bijvoorbeeld vanwege artikel 1F maar dat een gedwongen uitzetting naar het land van herkomst een schending van artikel 3 EVRM betekent en niet wordt overwogen.
### 5.4. Geen aantekeningen in documenten
Met nadruk wordt erop gewezen dat in de identiteits- en/of reisdocumenten van iemand die om bescherming verzoekt nooit aantekeningen mogen worden geplaatst, daar dit – bij afwijzing van het verzoek – voor de vreemdeling moeilijkheden in zijn land van herkomst met zich mee kan brengen.
Aantekeningen kunnen slechts worden gesteld op een afzonderlijk los inlegblad.
Onder vreemdelingen die bescherming verzoeken wordt in dit verband ook begrepen vreemdelingen wier verzoek om bescherming is afgewezen of die hun verzoek om bescherming hebben ingetrokken. In deze gevallen is het plaatsen van aantekeningen echter wel mogelijk als de vreemdeling niet langer enige procedure voert over zijn verzoek om bescherming én
De IND unit Caribisch Nederland neemt ter plaatse het concept-verslag met hem door, zo nodig door tussenkomst van de tolk, en de vreemdeling krijgt de gelegenheid ter plaatse correcties aan te brengen.
De vreemdeling meldt zich bij de toezichthouder aan als hij bescherming wil vragen. De vreemdeling krijgt bij de aanmelding een periodieke meldplicht opgelegd. Hangende de beslissing op zijn aanvraag geldt in beginsel een wekelijkse aanmeldplicht. De ambtenaar maakt in het kader van toezicht een aantekening op een inlegformulier bij het reisdocument van de vreemdeling waaruit blijkt wanneer en waar de betrokkene zich moet melden en of het de vreemdeling is toegestaan arbeid te verrichten.
In het geval de vreemdeling is vergezeld door gezinsleden gelden de aanwijzingen ook voor hen.
De ambtenaar belast met het toezicht wijst de vreemdeling erop dat de aanvraag kan worden afgewezen wegens het ontbreken van een belang indien de vreemdeling zonder opgaaf van reden niet verschijnt. De vreemdeling wordt er tevens op gewezen eventuele wijzigingen omtrent zijn bereikbaarheid direct door te geven.
### 5.6. Voorbereidende handelingen van de IND unit Caribisch Nederland
De IND unit Caribisch Nederland verwerkt de gegevens die ten aanzien van de vreemdeling die om bescherming wil verzoeken beschikbaar zijn gesteld en stelt een dossier samen. Voordat de afspraak voor indiening van de aanvraag en een gehoor met de vreemdeling gemaakt wordt, regelt de IND unit Caribisch Nederland zo nodig dat een tolk op het afgesproken tijdstip beschikbaar is.
Voordat de vreemdeling op de afgesproken tijd verwacht wordt, bereidt de IND unit Caribisch Nederland het gehoor zorgvuldig voor. Op basis van de schriftelijke motivering van de vreemdeling en aan de hand van de opgegeven nationaliteit en de verdere beschikbare gegevens bepaalt de IND unit Caribisch Nederland welke documentatie hij tijdens het gehoor nodig heeft, zoals een atlas om de woonomgeving en de vluchtroute van de vreemdeling te kunnen verifiëren. De IND unit Caribisch Nederland zet voor zichzelf de informatie van de vreemdeling af tegen de feiten die hij in de landeninformatie heeft gevonden. Op deze wijze kan de IND unit Caribisch Nederland gericht vragen voorbereiden en wellicht aansluitend aan het gehoor een beslissing nemen op de aanvraag.
In het geval het om een gezin gaat, bereidt de IND unit Caribisch Nederland ook vragen voor die aan de gezinsleden gesteld worden en bepaalt de IND unit Caribisch Nederland de volgorde waarin gehoord gaat worden. De IND unit Caribisch Nederland gaat na of er nog aanvullende handelingen verricht moeten worden. Hierbij valt te denken aan het eventueel collegiaal raadplegen van de IND in Nederland vooraf, tijdens of na het gehoor met het oog op dossieronderzoek of voor nader overleg. Een planning vooraf van de duur van het gehoor en over de mogelijkheid gezinsleden separaat van elkaar te horen kunnen nuttig zijn.
Tevens dient de vreemdeling en de hem bijstaande personen of instanties erop gewezen te worden dat het van belang is dat ook zij relevante gegevens aan de IND unit Caribisch Nederland – al dan niet door tussenkomst van de politie – doorgeven.
### 5.10. De strekking van de beslissing
De IND unit Caribisch Nederland gaat na of alle formulieren ondertekend zijn en of het dossier nu compleet is of dat er nog aandachtspunten zijn voor de beslissing op de verblijfsvergunning. Daarbij kan gedacht aan bijvoorbeeld een controle van de verblijfshistorie van betrokkene in de vreemdelingenadministratie of het maken van een aantekening in het dossier van zaken die bij het eerste persoonlijk contact opvallen, zoals bijvoorbeeld een ziek kind.Er dienen ook foto’s van de vreemdeling in het dossier aanwezig te zijn.
De beslissing houdt tevens een uitspraak in over de verwijdering.
### 5.10.1. Inwilligende beslissing
De IND unit Caribisch Nederland stelt tijdens het gehoor een verslag van het gehoor op.
Na afloop van het gehoor ontvangt de vreemdeling een exemplaar van het afgedrukte concept-verslag van het gehoor.
### 5.10.2. Ingangsdatum
In het geval de vreemdeling het verslag corrigeert, verwerkt de IND unit Caribisch Nederland de correcties in het verslag. De IND-BES medewerker maakt het verslag definitief. In het definitieve verslag gehoor vermeldt de IND unit Caribisch Nederland dat de vreemdeling correcties heeft voorgesteld en dat deze zijn verwerkt. De IND unit Caribisch Nederland geeft de vreemdeling een exemplaar van het aangepaste en uitgeprinte verslag van het gehoor mee en voegt tevens een exemplaar toe aan het dossier van de vreemdeling. De datum van het gehoor en de gegevens uit het gehoor worden door de IND unit Caribisch Nederland in het registratiesysteem vastgelegd.
### 5.10.3. Afwijzende beslissing met de beslissing dat de vreemdeling mag worden uitgezet
Indien de beslissing niet direct wordt genomen, stelt de IND unit Caribisch Nederland de vreemdeling op de hoogte van de vermoedelijke datum waarop de beslissing genomen zal worden. De IND unit Caribisch Nederland informeert de vreemdeling tevens of hij, in het geval de wachtperiode dit rechtvaardigt, naar tijdelijk werk kan gaan zoeken. De vreemdeling wordt erop gewezen dat hij een werkgever moet zoeken die bereid is voor hem een tewerkstellingsvergunning aan te vragen. Als hij een werkgever heeft gevonden, dient hij de IND unit Caribisch Nederland op de hoogte te stellen zodat de IND unit Caribisch Nederland ten behoeve van de tewerkstellingsvergunning kan aangeven tot wanneer hij in verband met de lopende toelatingsprocedure in de openbare lichamen mag blijven.
De vreemdeling wordt verzocht de IND unit Caribisch Nederland en de politie in kennis te stellen in het geval hij een rechtsmiddel heeft ingesteld.
Het is mogelijk dat zich tijdens de procedure feiten of omstandigheden voordoen die van belang kunnen zijn voor de inhoud van de te nemen beslissing.
### 5.10.4. Bijzondere situatie: de vreemdeling krijgt geen verblijfsvergunning maar mag niet worden uitgezet
Van dergelijke feiten of omstandigheden moet de IND unit Caribisch Nederland onmiddellijk in kennis worden stellen in verband met de consequenties voor de beschikking Het kan ook voorkomen dat de IND unit Caribisch Nederland in verband met de voorbereiding van de beslissing op de aanvraag nog nadere informatie behoeft. In voorkomende gevallen zal de politie gevraagd worden deze informatie te verzamelen.
Tevens dient de vreemdeling en de hem bijstaande personen of instanties erop gewezen te worden dat het van belang is dat ook zij relevante gegevens aan de IND unit Caribisch Nederland – al dan niet door tussenkomst van de politie – doorgeven.
Het derde exemplaar is bestemd voor de administratie van de politie.
De beslissing op de aanvraag kan inwilligend of afwijzend zijn.
De beslissing houdt tevens een uitspraak in over de verwijdering.
### 5.10.1. Inwilligende beslissing
In het geval de beslissing inhoudt dat de vreemdeling beschermd moet worden tegen terugzending wordt dit in beschikking aan de vreemdeling vastgelegd. Tevens wordt hierin aangetekend:
De IND unit Caribisch Nederland registreert de uitkomst van de beslissing en de datum van de uitreiking van de beslissing.
Een afschrift van de beschikking wordt per brief aan de politie aangeboden. Tevens wordt de politie verzocht de periodieke meldplicht te beëindigen, tenzij de vreemdeling inmiddels naar aanleiding van een afwijzende beschikking een rechtsmiddel heeft ingesteld dat het aangezegde vertrek opschort.
Indien de aanvraag wordt ingewilligd geldt de datum van de indiening van de aanvraag in beginsel als ingangsdatum voor de te verlenen vergunning. Indien de inwilliging berust op feiten en/of omstandigheden die zich na het indienen van de aanvraag hebben voorgedaan, wordt de aanvraag ingewilligd met ingang van de dag dat door de vreemdeling is aangetoond dat aan de voorwaarden voor bescherming wordt voldaan.
Als het niet mogelijk is de beschikking in persoon aan de vreemdeling uit te reiken en zijn adres onbekend is, maakt de IND unit Caribisch Nederland een proces-verbaal op. Daarin wordt opgenomen dat het niet mogelijk is om de afwijzende beschikking aan de vreemdeling in persoon uit te reiken, terwijl vast staat dat hij niet verblijft op het laatst bekende adres. De IND unit Caribisch Nederland dient de beschikking op een andere geschikte wijze bekend te maken. In het geval de vreemdeling een gemachtigde heeft, kan de beschikking naar de gemachtigde worden gezonden.
In het geval de beslissing inhoudt dat de vreemdeling niet tegen terugkeer beschermd hoeft te worden, maakt de IND unit Caribisch Nederland een gemotiveerde afwijzende beschikking op de aanvraag. Tevens beslist de IND unit Caribisch Nederland of de vreemdeling van het grondgebied verwijderd mag worden. Aangehecht aan de negatieve beschikking wordt gewezen op de mogelijkheid om rechtsmiddelen aan te wenden tegen het meervoudig besluit. Daarbij wordt vermeld dat het aanwenden van rechtsmiddelen het besluit niet schorst. Wel mag de vreemdeling een tijdig aanhangig gemaakte voorlopige voorziening afwachten (zie [hoofdstuk 19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028837&hoofdstuk=19&z=2012-07-01&g=2012-07-01)).
### 5.12. Vertrek van de vreemdeling
De IND unit Caribisch Nederland registreert de uitkomst van de beslissing en de datum van de uitreiking van de beslissing.
Als de vreemdeling niet in bewaring is gesteld en de vreemdeling de openbare lichamen niet uit eigen beweging heeft verlaten binnen de vertrektermijn dan moet tot uitzetting worden overgegaan.
### 5.13. Rechtsmiddelen na afwijzing van de aanvraag
In tegenstelling tot de gebruikelijke werkwijze (zie **tekst** hieronder), wordt de beschikking in dit geval in drievoud per brief aan de politie aangeboden met het verzoek om:
Het derde exemplaar is bestemd voor de administratie van de politie.
In dit geval wordt de vreemdeling verzocht na te gaan of er een derde land bereid is hem toe te laten. De periodieke meldplicht blijft gelden zolang er nog gebruik kan worden gemaakt of is gemaakt van de mogelijkheid om rechtsmiddelen in te stellen.
### 5.14. Regeling van het verblijf na inwilliging van de aanvraag
Wanneer de aanvraag om beschikking wordt ingewilligd, wordt de vreemdeling op de hoogte gesteld van de wijze waarop hij in het bezit wordt gesteld van een verblijfsdocument voor verblijf. Verder wordt hij gewezen op het belang dat hij tijdig vóór het verstrijken van de geldigheidsduur van het document om verlenging vraagt.
De beschikking wordt in beginsel door de IND unit Caribisch Nederland in persoon uitgereikt.
Bij de uitreiking dient aan de vreemdeling, in een voor hem kenbare taal, te worden medegedeeld wat de inhoud van de beschikking is. Wanneer de aanvraag om bescherming is afgewezen dient aan de vreemdeling te worden meegedeeld dat hij het land binnen vier weken moet verlaten, of korter als op grond van de uitzetting of de openbare orde een kortere vertrektermijn is gegeven. Daarnaast dient aan de vreemdeling te worden verteld dat een bezwaarschrift de termijn niet opschort maar dat een voorlopige voorziening met het verzoek om schorsing wel mag worden afgewacht. Voorts wordt de vreemdeling verzocht om de IND unit Caribisch Nederland en de politie in kennis te stellen van eventuele rechtsmiddelen die hij instelt.
Een afschrift van de beschikking wordt per brief aan de politie aangeboden. Tevens wordt de politie verzocht de periodieke meldplicht te beëindigen, tenzij de vreemdeling inmiddels naar aanleiding van een afwijzende beschikking een rechtsmiddel heeft ingesteld dat het aangezegde vertrek opschort.
### 5.15. Doormigratie
Als het niet mogelijk is de beschikking in persoon aan de vreemdeling uit te reiken en zijn adres onbekend is, maakt de IND unit Caribisch Nederland een proces-verbaal op. Daarin wordt opgenomen dat het niet mogelijk is om de afwijzende beschikking aan de vreemdeling in persoon uit te reiken, terwijl vast staat dat hij niet verblijft op het laatst bekende adres. De IND unit Caribisch Nederland dient de beschikking op een andere geschikte wijze bekend te maken. In het geval de vreemdeling een gemachtigde heeft, kan de beschikking naar de gemachtigde worden gezonden.
### 6. Afgeleide status voor gezinsleden en nareizende gezinsleden
Als aan de hoofdpersoon van een gezin een verblijfsvergunning is verleend verband houdend met bescherming op grond van [artikel 12a, eerste lid en onder a of b, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=12a), kan een van hem afhankelijk gezinslid in aanmerking komen voor een afgeleide verblijfsvergunning. Er zijn daarbij twee situaties te onderscheiden:
De politie of ambtenaar belast met de grensbewaking stelt de IND unit Caribisch Nederland zo spoedig mogelijk in kennis over het vertrek van de vreemdeling aan wie bescherming geweigerd is.
Als de vreemdeling niet in bewaring is gesteld en de vreemdeling de openbare lichamen niet uit eigen beweging heeft verlaten binnen de vertrektermijn dan moet tot uitzetting worden overgegaan.
Achtergebleven gezinsleden kunnen vanuit het buitenland een mvv voor gezinshereniging aanvragen. Kiezen zij ervoor om zonder mvv spontaan in te reizen, dan dienen zij een zelfstandige aanvraag te doen voor een vergunning tot verblijf verband houdend met bescherming.
Wanneer de vreemdeling tegen de afwijzing van de aanvraag om bescherming bezwaar bij de IND unit Caribisch Nederland en/of rechtstreeks beroep bij de rechtbank instelt, dan schorst dit rechtsmiddel de werking van het besluit niet. Uitzettingshandelingen kunnen dus plaatsvinden vanaf het moment van bekendmaking van de eerste afwijzende beslissing.
Wanneer de vreemdeling de rechtbank verzoekt om een voorlopige voorziening te treffen gericht tegen de uitzetting hangende het bezwaar en/of beroep, mag de vreemdeling deze eerste spoedprocedure in beginsel afwachten.
### 7. Herhaalde aanvraag
Indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan is de vreemdeling gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden.
Wanneer de aanvraag om beschikking wordt ingewilligd, wordt de vreemdeling op de hoogte gesteld van de wijze waarop hij in het bezit wordt gesteld van een verblijfsdocument voor verblijf. Verder wordt hij gewezen op het belang dat hij tijdig vóór het verstrijken van de geldigheidsduur van het document om verlenging vraagt.
Voorts wordt hem verzocht binnen drie maanden een TBC-onderzoek te ondergaan. De IND hoeft niet op de hoogte gesteld te worden van de uitkomsten van dit onderzoek omdat het wel of niet ondergaan van dit onderzoek geen consequenties heeft voor het verblijfsrecht verband houdend met bescherming.
Het verblijfsdocument voor bepaalde tijd verband houdend met bescherming wordt verleend voor de duur van een jaar. Op het document komt de aantekening ‘Arbeid is vrij toegestaan’.
De vreemdeling is vrijgesteld van het betalen van een waarborgsom en leges.
### 5.15. Doormigratie
Bescherming op de openbare lichamen wordt tijdelijk verleend. De vreemdeling wordt aangemoedigd door de IND unit Caribisch Nederland om door te migreren naar een ander land in de regio waar zijn toelating en bescherming gewaarborgd is en zijn kansen op de arbeidsmarkt wellicht beter zijn.
Zolang de noodzaak tot bescherming blijft bestaan en er geen contra-indicaties bekend zijn die tot verblijfsbeëindiging aanleiding geven, kan het verblijfsdocument worden verlengd met een jaar. De vreemdeling kan in dat geval worden vrijgesteld van het vereiste om in het bezit te zijn van een geldig document voor grensoverschrijding.
### 9. Verblijfsbeëindiging
### 9.1. Verblijfsbeëindiging omdat de grond voor bescherming is vervallen
Het huwelijk of partnerschap moet reeds bestaan hebben in het buitenland en er moet sprake zijn geweest van samenwoning in het land van herkomst. Een traditioneel huwelijk wordt gelijkgesteld aan partnerschap.
Achtergebleven gezinsleden kunnen vanuit het buitenland een mvv voor gezinshereniging aanvragen. Kiezen zij ervoor om zonder mvv spontaan in te reizen, dan dienen zij een zelfstandige aanvraag te doen voor een vergunning tot verblijf verband houdend met bescherming.
Wanneer de gezinsleden zijn ingereisd met een mvv, dienen zij zich te melden bij de IND unit Caribisch Nederland voor het indienen van een aanvraag voor een vergunning tot tijdelijk verblijf om redenen verband houdend met bescherming. Hiernaar wordt verwezen in de brieven bij de afgifte van de mvv. Ook gezinsleden die zijn ingereisd zonder een mvv, dienen zich voor het indienen van deze aanvraag te vervoegen bij de IND unit Caribisch Nederland.
### 9.2. Verblijfsbeëindiging in verband met onjuiste gegevens
Wanneer na afgifte van de vergunning tot tijdelijk verblijf verband houdend met bescherming blijkt dat de vergunning is verleend op onjuiste gegevens die door de vreemdeling zijn verstrekt, kan de vergunning worden ingetrokken en het rechtmatig verblijf van de vreemdeling worden beëindigd. Hetzelfde geldt als de vreemdeling gegevens heeft achtergehouden. De intrekking dient te berusten op het uitgangspunt dat de vergunning nimmer zou zijn verstrekt als op het moment van de verlening de feiten bekend waren geweest zoals ze nu bekend zijn geworden.
Indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan is de vreemdeling gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden.
### 9.3. Verblijfsbeëindiging in verband met een strafbaar feit
De IND unit Caribisch Nederland maakt zo spoedig mogelijk een beslissing op de aanvraag en stelt, indien mogelijk, de vreemdeling hiervan schriftelijk in kennis. De politie wordt eveneens geïnformeerd.
### Hoofdstuk 17. Vertrek, uitzetting en ongewenstverklaring
### 1. Inleiding
In [hoofdstuk 9 WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&hoofdstuk=9) zijn regels opgenomen over het vertrek, de uitzetting en de ongewenstverklaring van de vreemdeling. Uitgangspunt is dat de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf in de openbare lichamen (meer) heeft, deze uit eigen beweging verlaat. De vreemdeling is daarbij zelf verantwoordelijk voor het vertrek uit de openbare lichamen. Deze eigen verantwoordelijkheid is neergelegd in [artikel 16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=16) en [16a WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=16a).
Zodra de vreemdeling een aanvraag heeft ingediend om verlenging van het verblijf verband houdend met bescherming, beoordeelt de IND unit Caribisch Nederland of de gronden voor bescherming nog steeds van toepassing zijn.
### 2. Vertrek
### 9. Verblijfsbeëindiging
Van de vreemdeling kan worden geëist dat hij meewerkt aan de voorbereiding van zijn vertrek uit de openbare lichamen. Deze eis kan ook gesteld worden als een aanvraag om een verblijfsvergunning is afgewezen of de verblijfsvergunning is ingetrokken, terwijl de werking van het besluit is opgeschort. Dit is neergelegd in [artikel 16, tweede lid, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=16). De ambtenaar belast met het toezicht zal aan de vreemdeling duidelijk maken wat er wordt verlangd. In de vreemdelingenadministratie wordt dit geregistreerd.
### 2.2. Vertrek naar een ander land dan het land van herkomst
Ook hangende de geldigheid van de vergunning tot verblijf kan verblijfsbeëindiging worden ingezet. In dit geval wordt een intrekkingsprocedure gestart.
### 2.3. Vertrektermijnen
### 9.2. Verblijfsbeëindiging in verband met onjuiste gegevens
Wanneer na afgifte van de vergunning tot tijdelijk verblijf verband houdend met bescherming blijkt dat de vergunning is verleend op onjuiste gegevens die door de vreemdeling zijn verstrekt, kan de vergunning worden ingetrokken en het rechtmatig verblijf van de vreemdeling worden beëindigd. Hetzelfde geldt als de vreemdeling gegevens heeft achtergehouden. De intrekking dient te berusten op het uitgangspunt dat de vergunning nimmer zou zijn verstrekt als op het moment van de verlening de feiten bekend waren geweest zoals ze nu bekend zijn geworden.
### 2.3.2. In mindering brengen van beroepstermijn op de vertrektermijn
Als de vreemdeling geen gebruik maakt van de beroepstermijn, kan deze in mindering worden gebracht op de vertrektermijn van vier weken (zie [artikel 16a, tweede lid, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=16a)). Omdat de beroepstermijn vier weken bedraagt, moet de vreemdeling de openbare lichamen in deze gevallen onmiddellijk verlaten. Reden hiervoor is dat de vreemdeling al voorbereidingen voor zijn vertrek heeft kunnen treffen.
### 2.3.3. Verkorten van de vertrektermijn
Er kunnen zich omstandigheden voordoen, die het wenselijk maken om een kortere vertrektermijn te geven. Om die reden is in [artikel 16a, vierde lid, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=16a) de bevoegdheid van de Minister opgenomen om de vertrektermijn tot minder dan vier weken te verkorten.
De vertrektermijn kan in de volgende gevallen verkort worden in het belang van de uitzetting:
### 2.3.4. Onthouden van een vertrektermijn
De termijn waarbinnen deze vreemdelingen de openbare lichamen moeten verlaten varieert en is geregeld in [artikel 16a WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=16a).
### 2. Vertrek
Wanneer een vreemdeling niet beschikt over geldige reisdocumenten, moet hij hier zoveel mogelijk zelf voor zorgen.
### 2.4.1. Het stellen van aantekeningen in reisdocumenten
Ten aanzien van het plaatsen van aantekeningen over de verwijdering in het reisdocument van de vreemdeling, gelden de volgende hoofdregels:
Vreemdelingen die de openbare lichamen moeten verlaten, zijn vrij te gaan naar ieder land waar de toegang is gewaarborgd. Toegang tot een ander land dan het land van herkomst moet de vreemdeling zelf aannemelijk maken. Als de vreemdeling niet is vertrokken in de vertrektermijn en de overheid de uitzetting van de vreemdeling op zich heeft genomen, wordt de uitzetting niet opgeschort wanneer de vreemdeling aangeeft naar een ander land te willen vertrekken.
### 2.3. Vertrektermijnen
### 2.3.1. De algemene termijn van vier weken
De vreemdeling van wie het rechtmatig verblijf is geëindigd, moet de openbare lichamen op eigen gelegenheid binnen vier weken (vertrektermijn) verlaten. Dit is op grond van [artikel 16a, eerste lid, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=16a). De vertrektermijn van vier weken gaat in nadat het rechtmatig verblijf is geëindigd. Voldoet de vreemdeling niet aan deze verplichting, dan kan uitzetting aan de orde zijn.
In [artikel 16b WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=16b) is opgenomen dat de vreemdeling kan worden uitgezet als hij de openbare lichamen niet uit eigen beweging verlaat binnen de daartoe gestelde termijn. De rechter kan in zijn uitspraak beoordelen of er beletselen bestaan tegen uitzetting. Als de rechter de beschikking in stand laat, wordt daarmee bevestigd dat de vreemdeling de openbare lichamen moet verlaten.
Als de vreemdeling geen gebruik maakt van de beroepstermijn, kan deze in mindering worden gebracht op de vertrektermijn van vier weken (zie [artikel 16a, tweede lid, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=16a)). Omdat de beroepstermijn vier weken bedraagt, moet de vreemdeling de openbare lichamen in deze gevallen onmiddellijk verlaten. Reden hiervoor is dat de vreemdeling al voorbereidingen voor zijn vertrek heeft kunnen treffen.
Indien geen van de bovenstaande opties mogelijk is:
Er kunnen zich omstandigheden voordoen, die het wenselijk maken om een kortere vertrektermijn te geven. Om die reden is in [artikel 16a, vierde lid, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=16a) de bevoegdheid van de Minister opgenomen om de vertrektermijn tot minder dan vier weken te verkorten.
De vertrektermijn kan in de volgende gevallen verkort worden in het belang van de uitzetting:
### 2.3.4. Onthouden van een vertrektermijn
In een aantal gevallen wordt de vreemdeling geen vertrektermijn gegund (zie [artikel 16a, derde lid, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=16a)). Dit geldt voor de vreemdeling:
Een verzoek om een voorlopige voorziening mag niet in de openbare lichamen worden afgewacht:
### 3.3. Verantwoordelijkheid voor maatregelen uitzetting
De Minister is verantwoordelijk voor de effectuering van de uitzetting. De feitelijke uitzetting geschiedt door de Commandant van de Koninklijke Marechaussee.
### 3.4. Informatie-uitwisseling ten behoeve van de uitzetting
Aantekeningen over verwijdering mogen nooit worden geplaatst in de identiteits- of reisdocumenten van:
### 3. Uitzetting
In [hoofdstuk 6 van de Ambtsinstructie BES voor de politie, Koninklijke Marechaussee en de buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028717&hoofdstuk=6) zijn regels opgesteld voor het gebruik van hulpmiddelen ten behoeve van de uitzetting.
Uitzetting is een bevoegdheid en geen verplichting van de Minister. De titel tot uitzetting is het gevolg van:
In [artikel 16b WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=16b) is opgenomen dat de vreemdeling kan worden uitgezet als hij de openbare lichamen niet uit eigen beweging verlaat binnen de daartoe gestelde termijn. De rechter kan in zijn uitspraak beoordelen of er beletselen bestaan tegen uitzetting. Als de rechter de beschikking in stand laat, wordt daarmee bevestigd dat de vreemdeling de openbare lichamen moet verlaten.
Uitzetting vindt plaats:
### 3.6. Geen uitzetting om gezondheidsredenen
Rechtstreeks, dan wel indirect door middel van een tussenstop, naar een land waarvan kan worden aangenomen dat de vreemdeling aldaar de toegang wordt verleend.
### 3.7. Uitzetting via aanvoerende vervoersonderneming
Op grond van [artikel 22 WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=22) is de gezagvoerder, reder of de luchtvaartmaatschappij die een, niet tot verblijf in de openbare lichamen gerechtigde, vreemdeling heeft aangebracht verplicht deze vreemdeling voor zijn rekening weer uit de openbare lichamen te vervoeren of doen vervoeren (zie [hoofdstuk 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028837&hoofdstuk=1&z=2010-10-08&g=2010-10-08) CTU-BES).
In de volgende gevallen vindt vooralsnog geen uitzetting plaats ondanks het feit dat de vertrekplicht is ingegaan:
Een verzoek om een voorlopige voorziening mag niet in de openbare lichamen worden afgewacht:
### 3.3. Verantwoordelijkheid voor maatregelen uitzetting
De Minister is verantwoordelijk voor de effectuering van de uitzetting. De feitelijke uitzetting geschiedt door de Commandant van de Koninklijke Marechaussee.
### 3.4. Informatie-uitwisseling ten behoeve van de uitzetting
Middels een vastgesteld model worden vooraf alle revelante omstandigheden gemeld. Het gaat hierbij om informatie over het gedrag van de vreemdeling en medische omstandigheden. Dit kan van belang kunnen zijn voor de veiligheid in het algemeen of de veiligheid van de ambtenaren die belast zijn met de begeleiding tijdens de vlucht. Als het gedrag van de vreemdeling daartoe aanleiding geeft, kan de Kmar besluiten de vreemdeling te begeleiden tijdens de vlucht.
### 3.5. Hulpmiddelen ten behoeve van uitzetting
### 6.1. Inleiding
De volgende hulpmiddelen kunnen, afzonderlijk dan wel gecombineerd, worden gebruikt:
Op grond van [artikel 34 Ambtsinstructie BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028717&artikel=34) wordt de toepassing van een hulpmiddel bij uitzetting onmiddellijk schriftelijk gemeld aan de meerdere. Dit onder vermelding van:
De meerdere ziet toe op de registratie van deze melding.
### 3.6. Geen uitzetting om gezondheidsredenen
[Artikel 16b, derde lid WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=16b) bepaalt dat de uitzetting achterwege moet blijven zolang het, gelet op de gezondheidstoestand van de vreemdeling of van een van zijn gezinsleden, niet verantwoord is om te reizen. De ambtenaar belast met de uitzetting vraagt bij twijfel of het voor een vreemdeling verantwoord is om te reizen een verklaring ‘fit to fly’ aan bij een daartoe geautoriseerde arts.
Het betreft hier vreemdelingen die bij herhaling een bij de [WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571) strafbaar gesteld feit hebben begaan (zie [artikel 26 WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=26)). Om bij een tweede of latere overtreding tot ongewenstverklaring over te kunnen gaan, wordt een proces-verbaal opgemaakt als er een overtreding wordt geconstateerd. Of er is sprake van een transactie dan wel een uitgevaardigde strafbeschikking ter zake van de gepleegde strafbare feiten.
Op grond van [artikel 22 WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=22) is de gezagvoerder, reder of de luchtvaartmaatschappij die een, niet tot verblijf in de openbare lichamen gerechtigde, vreemdeling heeft aangebracht verplicht deze vreemdeling voor zijn rekening weer uit de openbare lichamen te vervoeren of doen vervoeren (zie [hoofdstuk 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028837&hoofdstuk=1&z=2012-07-01&g=2012-07-01) CTU-BES).
Onder de toepassing van [artikel 22 WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=22) vallen niet alleen vreemdelingen:
Verstekelingen vallen ook onder deze regelgeving.
Vreemdelingen vormen een gevaar voor de openbare orde als zij:
De vreemdelingenpolitie of KMar meldt het vertrek of de uitzetting van een vreemdeling uit de openbare lichamen aan de IND unit Caribisch Nederland door het toesturen van een bericht van vertrek.
De taakstraf komt in plaats van een gevangenisstraf. In het geval dat de vreemdeling wordt veroordeeld tot het verrichten van een taakstraf wordt de duur van de door de rechter bepaalde vervangende hechtenis als uitgangspunt genomen. Dit betekent dat iedere taakstraf wordt tegengeworpen ongeacht de duur van de taakstraf. Het is niet vereist dat de uitspraak onherroepelijk is geworden.
De vreemdeling die strafrechtelijk gedetineerd is en geen rechtmatig verblijf (meer) heeft, wordt zo spoedig mogelijk (afhankelijk van de feitelijke omstandigheden van zowel de overheid als de gedetineerde) na het ontslag uit de gevangenis/huis van bewaring uit de openbare lichamen verwijderd. Hiertoe worden voorbereidingen voorafgaand aan zijn ontslag genomen. Dit kunnen zijn:
Een vreemdeling die buiten de rechtsmacht van Nederland een ernstig misdrijf heeft begaan, wordt in het belang van de internationale betrekkingen van Nederland ongewenst verklaard. Hierbij moet worden gedacht aan de vreemdelingen van wie het verblijf is geweigerd dan wel is beëindigd op grond van artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag (een oorlogsmisdrijf, of een misdrijf tegen de vrede of tegen de menselijkheid).
### 6.1. Inleiding
De ongewenstverklaring is een administratieve maatregel, bedoeld om bepaalde vreemdelingen te weren, die niet (langer) in de openbare lichamen mogen verblijven.
Door de ongewenstverklaring wordt het verblijf in en illegale terugkeer naar de openbare lichamen van de vreemdeling strafbaar. Een vreemdeling die in de openbare lichamen verblijft, terwijl hij weet of vermoedt dat hij tot ongewenste vreemdeling is verklaard, maakt zich schuldig aan:
De ongewenstverklaring heeft tot gevolg dat de vreemdeling:
Wanneer geen gemachtigde bekend is volstaat de mededeling van de beschikking in de Staatscourant.
De vreemdeling kan ongewenst worden verklaard (zie [artikel 16d, eerste lid WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=16d)):
Het betreft hier vreemdelingen die bij herhaling een bij de [WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571) strafbaar gesteld feit hebben begaan (zie [artikel 26 WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=26)). Om bij een tweede of latere overtreding tot ongewenstverklaring over te kunnen gaan, wordt een proces-verbaal opgemaakt als er een overtreding wordt geconstateerd. Of er is sprake van een transactie dan wel een uitgevaardigde strafbeschikking ter zake van de gepleegde strafbare feiten.
Nadat de vreemdeling tweemaal een op basis van de [WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571) strafbaar gesteld feit heeft begaan, wordt zijn ongewenstverklaring voorgesteld aan de hand van de opgemaakte processen-verbaal, transactie of strafbeschikking.
Het betreft hier vreemdelingen van wie het verblijfsrecht, door intrekking of het niet-verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning, is beëindigd. Dit op grond van een onherroepelijk geworden veroordeling voor een misdrijf, waarbij een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van drie maanden of langer is opgelegd (zie [artikel 14, onder a WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=14)). De veroordeling moet een misdrijf betreffen waartegen een gevangenisstraf van drie jaren of meer is bedreigd. Als aan een vreemdeling de maatregel als bedoeld in [artikel 39, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028570&artikel=39) is opgelegd, kan dit inhouden dat het verblijfsrecht pas bij verlenging van die maatregel kan worden beëindigd. Na intrekking van het verblijfsrecht of het niet-verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning kan tot ongewenstverklaring worden overgegaan.
Het betreft hier vreemdelingen die geen toelating van rechtswege of geen verblijfsvergunning hebben. Zij kunnen ongewenst worden verklaard vanwege het vormen van een gevaar voor de openbare orde of voor de nationale veiligheid. Vreemdelingen kunnen een gevaar voor de nationale veiligheid vormen zonder dat een strafrechtelijke veroordeling vereist is. Het gevaar voor de nationale veiligheid moet blijken uit concrete aanwijzingen, waarbij kan worden gedacht aan ambtsberichten van de AIVD, de Dienst Nationale Recherche, ((inter)nationale) ministeries of inlichtingendiensten.
Vreemdelingen vormen een gevaar voor de openbare orde als zij:
Een taakstraf is:
### 6.4. Opheffing van de ongewenstverklaring
### 6.4.1. Inleiding
Een vreemdeling die buiten de rechtsmacht van Nederland een ernstig misdrijf heeft begaan, wordt in het belang van de internationale betrekkingen van Nederland ongewenst verklaard. Hierbij moet worden gedacht aan de vreemdelingen van wie het verblijf is geweigerd dan wel is beëindigd op grond van artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag (een oorlogsmisdrijf, of een misdrijf tegen de vrede of tegen de menselijkheid).
In [artikel 8.5 BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=8.5) zijn nadere regels gesteld over de mogelijkheden en bevoegdheden om de ongewenstverklaring op te heffen.
### 6.4.2. Aanvraag
De beschikking waarmee de vreemdeling ongewenst wordt verklaard, vermeldt:
Wanneer de beschikking niet in persoon aan de vreemdeling kan worden uitgereikt, wordt:
Wanneer geen gemachtigde bekend is volstaat de mededeling van de beschikking in de Staatscourant.
### 6.4.3. Termijnen
Tegen een beschikking waarbij de vreemdeling ongewenst is verklaard, kan binnen vier weken een bezwaarschrift worden ingediend. De ongewenstverklaring heeft onmiddellijke werking en de vreemdeling wordt in principe uitgezet. Het indienen van een bezwaarschrift leidt er niet toe dat de werking van het besluit wordt opgeschort (zie [artikel 16a WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=16a)).
Tegen het besluit op bezwaar staat beroep bij de rechtbank open.
De ambtenaar belast met grensbewaking is bevoegd een aantekening te plaatsen in het reisdocument van de vreemdeling over de reden van weigering van de toegang (zie [artikel 6.23 BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=6.23)).
De hier bedoelde aantekening luidt: ‘ongewenst verklaard op (datum beschikking Minister)’.
Aantekeningen mogen nooit worden geplaatst in een document voor grensoverschrijding of identiteitsbewijs van een vreemdeling die om bescherming vraagt.
### 6.4.4. De inhoud van de aanvraag
Bij de aanvraag moet in ieder geval de volgende informatie worden verstrekt (zie [artikel 8.5 derde lid, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=8.5)):
Het overleggen van een verklaring als bedoeld onder d, kan achterwege blijven als het overleggen van een dergelijke verklaring niet mogelijk is, dit bijvoorbeeld vanwege de algemene (oorlogs)situatie of het ontbreken van een registratie in dat land.
### 6.5. Tijdelijke opheffing van de ongewenstverklaring
### 6.5.1. Inleiding
Tijdelijke opheffing van de ongewenstverklaring vindt alleen plaats in zeer uitzonderlijke en dringende gevallen. Aan de tijdelijke opheffing worden voorwaarden gesteld ten aanzien van de plaats van binnenkomst en de duur van het verblijf in de openbare lichamen (zie [artikel 8.6 BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=8.6)).
De vreemdeling moet expliciet om opheffing van zijn ongewenstverklaring vragen.
### 6.5.2. Inhoud van het verzoek
Een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd of onbepaalde tijd wordt niet ambtshalve aangemerkt als een aanvraag om opheffing van de ongewenstverklaring.
Hieronder staan (niet limitatief) verblijfsdoelen vermeld die kunnen leiden tot tijdelijke opheffing van de ongewenstverklaring.
### 6.5.3. Voorwaarden aan de tijdelijke opheffing
Bij het vaststellen van deze termijnen wordt er vanuit gegaan, dat na het verstrijken van de respectievelijke termijnen het gevaar voor de openbare orde of de nationale veiligheid in een aanvaardbare mate is geweken. Ook wordt er vanuit gegaan dat het algemeen belang (gediend met de ongewenstverklaring) in redelijkheid moet wijken voor het persoonlijk belang van de vreemdeling. Er kunnen zich echter (uitzonderlijke) gevallen voordoen, waarbij het gevaar voor de openbare orde is geweken of het persoonlijk belang van de vreemdeling zwaarder moet wegen vóórdat de hierboven genoemde termijn is verstreken. Het persoonlijk belang van de vreemdeling weegt alleen zwaarder als sprake is van bijzondere feiten en omstandigheden die niet zijn meegewogen bij de totstandkoming van de algemene regel (lees: de bovengrens). Het enkele gegeven dat de vreemdeling zich gedurende de ongewenstverklaring niet schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit en buiten de openbare lichamen heeft verbleven, wordt niet aangemerkt als een bijzonder feit of omstandigheid.
Indien naar het oordeel van Onze Minister sprake is van zwaarwegende belangen die zich verzetten tegen opheffing van de ongewenstverklaring na vijf jaren, wordt in afwijking van de termijn als genoemd onder a, onder 2 de aanvraag ingewilligd nadat de daar bedoelde vreemdeling ten minste tien achtereenvolgende jaren buiten Nederland heeft verbleven.
### Hoofdstuk 18. Vrijheidsbeperkende en vrijheidsontnemende maatregelen
### 1. Inleiding
Het vreemdelingentoezicht en het terugkeerbeleid maken deel uit van het door de overheid gevoerde vreemdelingenbeleid. De terugkeer van vreemdelingen is het sluitstuk van het binnenlandse vreemdelingentoezicht. Om deze taken van toezicht en terugkeer te realiseren maakt de overheid gebruik van vrijheidsbeperkende en vrijheidsontnemende maatregelen. Deze maatregelen zijn alleen geoorloofd op basis van een wettelijke bepaling.
Bij de aanvraag moet in ieder geval de volgende informatie worden verstrekt (zie [artikel 8.5 derde lid, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=8.5)):
### 2. Maatregelen
### 6.5. Tijdelijke opheffing van de ongewenstverklaring
De [WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571) kent vijf maatregelen van vrijheidsbeperking:
### 2.2. Vrijheidsontnemende maatregelen
Een verzoek tot tijdelijke opheffing van de ongewenstverklaring:
Er wordt sterk terughoudend gehandeld bij vrijheidsontneming van minderjarigen. Voor deze groep wordt extra aandacht besteed aan het gebruik van minder ingrijpende maatregelen dan vrijheidsontneming.
### 2.2.1. Mededeling van vrijheidsontnemende maatregelen
Hieronder staan (niet limitatief) verblijfsdoelen vermeld die kunnen leiden tot tijdelijke opheffing van de ongewenstverklaring.
Op verzoek van de vreemdeling wordt zo snel mogelijk mededeling gedaan van de uitvoering van een maatregel op grond van [artikel 2o](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=2o), [15b, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=15b) of [15c, eerste lid WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=15c). De mededeling wordt gedaan aan de naaste verwanten en aan een in het Koninkrijk gevestigde diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging van de staat waarvan de vreemdeling onderdaan is. Er wordt tijdens de contacten met de diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging geen mededeling gedaan omtrent een door de vreemdeling ingediende toelatingsaanvraag.
Aan de overkomst van de vreemdeling worden de volgende voorwaarden gesteld:
Ook tijdens het verblijf in de openbare lichamen blijft de vreemdeling ondertoezicht. Hoe dat toezicht wordt ingericht, wordt per individueel geval bezien. Dit hangt onder meer af van de ernst van de feiten die tot de ongewenstverklaring hebben geleid en van de reden waarom tot de tijdelijke opheffing daarvan is besloten. Waar mogelijk wordt de toe te passen vorm van toezicht afgestemd met de instantie die om de tijdelijke opheffing van de ongewenstverklaring heeft verzocht.
### Hoofdstuk 18. Vrijheidsbeperkende en vrijheidsontnemende maatregelen
Ten behoeve van een zorgvuldige en efficiënte informatievoorziening aan alle betrokkenen, bij de uitzetting van een vreemdeling, wordt een aanmeldformulier vreemdeling opgemaakt. Het ingevulde formulier bevat informatie om de vrijheidsontneming en de uitzetting van een vreemdeling zo probleemloos mogelijk te laten verlopen. Het wordt opgemaakt bij iedere vrijheidsontneming op grond van [artikel 2o](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=2o), [15b, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=15b), of [15c, eerste lid, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=15c) en moet de vreemdeling begeleiden van het moment van ingang van de maatregel tot zijn uitzetting of invrijheidstelling. Eventuele wijzigingen en aanvullingen worden gelijk aangebracht. Hierna wordt het formulier bewaard in de vreemdelingenadministratie.
Het vreemdelingentoezicht en het terugkeerbeleid maken deel uit van het door de overheid gevoerde vreemdelingenbeleid. De terugkeer van vreemdelingen is het sluitstuk van het binnenlandse vreemdelingentoezicht. Om deze taken van toezicht en terugkeer te realiseren maakt de overheid gebruik van vrijheidsbeperkende en vrijheidsontnemende maatregelen. Deze maatregelen zijn alleen geoorloofd op basis van een wettelijke bepaling.
### 2.2.3. Het lichten van vreemdelingen
Gedurende de tenuitvoerlegging van de vrijheidsontneming op grond van [artikel 2o](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=2o), [15b, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=15b), of [15c, eerste lid, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=15c) kan de vreemdeling voor korte duur naar een andere locatie (bijvoorbeeld politiebureau, brigade van KMar, een ambassade of consulaat etc.) overgebracht worden, als dit nodig is voor de toepassing van de [WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571). De op grond van [artikel 2o](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=2o), [15b, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=15b), of [15c, eerste lid WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=15c) opgelegde maatregel blijft gedurende de tijd dat de vreemdeling gelicht is van kracht.
Ten aanzien van gezinnen met minderjarige kinderen wordt zo veel mogelijk een vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd in plaats van een vrijheidsontnemende maatregel om het vertrek voor te bereiden.
De [WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571) kent vijf maatregelen van vrijheidsbeperking:
Als sprake is van een gezin met twee ouders en het gevaar van onttrekking aan het toezicht of de uitzetting bestaat, wordt zo veel mogelijk een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd aan één ouder. Aan de overige gezinsleden wordt in dat geval een vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd. Echter, als het gezin de toegang tot de openbare lichamen is geweigerd, kan het gehele gezin de vrijheidsontnemende maatregel worden opgelegd, ongeacht of sprake is van een één- of tweeoudergezin. Dit is in het belang van een effectieve grensbewaking. Vrijheidsontneming van het gehele gezin blijft verder beperkt tot die situaties waarin gedwongen vertrek op korte termijn kan worden gerealiseerd. De beschikbaarheid van het gezin kan in dat geval noodzakelijk worden geacht en kan een reden zijn om een vrijheidsontnemende maatregel op te leggen. In de regel wordt aangenomen dat het gedwongen vertrek op korte termijn realiseerbaar is op het moment dat reisdocumenten (op korte termijn) beschikbaar (zullen) zijn.
De [WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571) kent vier vrijheidsontnemende maatregelen:
### 3. Beroep
Tegen een besluit tot het opleggen van een vrijheidsbeperkende of vrijheidsontnemende maatregel kan de vreemdeling beroep instellen bij de rechtbank (zie [artikel 22k WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=22k)). Het indienen van bezwaar of administratief beroep tegen deze maatregelen is niet mogelijk (zie [hoofdstuk 4 WarBES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028455&hoofdstuk=4)).
De ambtenaar belast met grensbewaking, het toezicht op vreemdelingen of de hulpofficier van justitie die een vreemdeling een maatregel op grond van [artikel 2o](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=2o), [artikel 15b, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=15b) of [artikel 15c, eerste lid, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=15c) oplegt, brengt de IND unit Caribisch Nederland, namens de Minister, hiervan op de hoogte door middel van een vastgesteld model (zie [artikel 7.6 BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=7.6)). Dit gebeurt vóór het verstrijken van de in [artikel 22l, eerste lid, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=22l) genoemde termijn. Deze mededeling aan De Minister vindt ook plaats als de maatregel inmiddels is opgeheven. In verband met de kennisgeving van De Minister aan het Gerecht of een beroep bij de rechtbank van de vreemdeling tegen één van deze maatregelen wordt een aantal noodzakelijke bescheiden aan De Minister verzonden.
### Hoofdstuk 19. Rechtsmiddelen
### 1. Inleiding
Wordt een vrijheidsontnemende maatregel aan een minderjarige opgelegd dan wordt hier, ambtshalve, zo spoedig mogelijk mededeling van gedaan bij de ouder(s) of de voogd van die minderjarige, voor zover die zich in de openbare lichamen bevinden. Is dat niet mogelijk, dan wordt de zich in het Koninkrijk bevindende diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging ingelicht.
De Awb is niet van toepassing op beschikkingen die op de openbare lichamen zijn gegeven. Ten aanzien van een klachtbehandeling is de [Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537) wel van toepassing ([hoofdstuk 9 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&hoofdstuk=9)).
### 2. Bezwaar en beroep algemeen
Het formulier wordt ingevuld door of namens de ambtenaar die verantwoordelijk is voor het opleggen van de maatregel. Deze ambtenaar is ook verantwoordelijk voor het aanbrengen van wijzigingen en aanvullingen op het formulier. Vanaf het moment dat de vrijheidsontneming in een inrichting plaatsvindt, is de ambtenaar die in die inrichting verantwoordelijk is voor uitzetting verantwoordelijk voor het formulier. Nadat de uitzetting is uitgevoerd, stuurt de ambtenaar die belast is met de grensbewaking het hele formulier aan de ambtenaar die verantwoordelijk was voor de oorspronkelijke vrijheidsbeneming.
De IND unit Caribisch Nederland kan besluiten een dergelijk beroepschrift als een bezwaarschrift te behandelen. Dit gebeurt in de volgende gevallen:
Gedurende de tenuitvoerlegging van de vrijheidsontneming op grond van [artikel 2o](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=2o), [15b, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=15b), of [15c, eerste lid, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=15c) kan de vreemdeling voor korte duur naar een andere locatie (bijvoorbeeld politiebureau, brigade van KMar, een ambassade of consulaat etc.) overgebracht worden, als dit nodig is voor de toepassing van de [WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571). De op grond van [artikel 2o](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=2o), [15b, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=15b), of [15c, eerste lid WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=15c) opgelegde maatregel blijft gedurende de tijd dat de vreemdeling gelicht is van kracht.
### 2.1. Vereisten voor de indiening van bezwaar
Onder het begrip ‘gezin’ wordt hier verstaan:
Als sprake is van een gezin met twee ouders en het gevaar van onttrekking aan het toezicht of de uitzetting bestaat, wordt zo veel mogelijk een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd aan één ouder. Aan de overige gezinsleden wordt in dat geval een vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd. Echter, als het gezin de toegang tot de openbare lichamen is geweigerd, kan het gehele gezin de vrijheidsontnemende maatregel worden opgelegd, ongeacht of sprake is van een één- of tweeoudergezin. Dit is in het belang van een effectieve grensbewaking. Vrijheidsontneming van het gehele gezin blijft verder beperkt tot die situaties waarin gedwongen vertrek op korte termijn kan worden gerealiseerd. De beschikbaarheid van het gezin kan in dat geval noodzakelijk worden geacht en kan een reden zijn om een vrijheidsontnemende maatregel op te leggen. In de regel wordt aangenomen dat het gedwongen vertrek op korte termijn realiseerbaar is op het moment dat reisdocumenten (op korte termijn) beschikbaar (zullen) zijn.
De bewaring van een gezin met minderjarige kinderen mag niet langer duren dan veertien dagen. Deze termijn kan slechts worden overschreden indien de binnen de hier bedoelde termijn geplande uitzetting geen doorgang kan vinden vanwege:
In een bezwaarschrift moet de volgende informatie staan ([artikel 57, vierde lid, WarBES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028455&artikel=57)):
Tegen een besluit tot het opleggen van een vrijheidsbeperkende of vrijheidsontnemende maatregel kan de vreemdeling beroep instellen bij de rechtbank (zie [artikel 22k WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=22k)). Het indienen van bezwaar of administratief beroep tegen deze maatregelen is niet mogelijk (zie [hoofdstuk 4 WarBES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028455&hoofdstuk=4)).
De Minister kan aan de Korpschef en aan de Commandant der Koninklijke Marechaussee aanwijzingen geven over de uitvoering van de [WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571), ook ten aanzien van de in dit hoofdstuk genoemde maatregelen (zie [artikel 22b, tweede lid, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=22b)).
Een bezwaarschrift mag worden ingediend door de volgende personen (zie [artikel 7, WarBES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028455&artikel=7)):
Natuurlijke personen of rechtspersonen, die door een beschikking rechtstreeks in hun belang zijn getroffen. Natuurlijke personen zijn levende personen, rechtspersonen zijn instanties die volgens het Burgerlijk Wetboek BES in bepaalde gevallen als personen mogen handelen, zoals een vennootschap of een pensioenfonds.
De [WarBES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028455) bepaalt welke rechtsmiddelen mogelijk zijn tegen beschikkingen die op de openbare lichamen zijn gegeven. In de [WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571) zijn enkele uitzonderingen op enkele bepalingen over rechtsmiddelen in de WarBES opgenomen. Dit geldt bijvoorbeeld ten aanzien van de termijnen voor het indienen van rechtsmiddelen.
De Awb is niet van toepassing op beschikkingen die op de openbare lichamen zijn gegeven. Ten aanzien van een klachtbehandeling is de [Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537) wel van toepassing ([hoofdstuk 9 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&hoofdstuk=9)).
Als de besproken tolk een al gemaakte afspraak afzegt, komt dit voor rekening van de vreemdeling, tenzij sprake is van overmacht van de zijde van de tolk.
Het indienen van bezwaar is niet verplicht (zie [artikel 54 WarBES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028455&artikel=54)). Dit betekent dat een vreemdeling rechtstreeks bij het Gerecht in Eerste Aanleg in beroep kan gaan tegen een beschikking van de IND-unit Caribisch Nederland.
De IND-unit Caribisch Nederland kan besluiten een dergelijk beroepschrift als een bezwaarschrift te behandelen. Dit gebeurt in de volgende gevallen:
Daarnaast kan het Gerecht in eerste aanleg de IND-unit Caribisch Nederland voorafgaande aan de openbare behandeling van het beroepschrift verzoeken om binnen een bepaalde termijn te verklaren of de IND-unit Caribisch Nederland bereid is de beschikking in heroverweging te nemen.
Bij niet of niet tijdige indiening van de gronden het bezwaar verklaart de IND BES unit het bezwaarschrift niet-ontvankelijk.
Wanneer de IND-unit Caribisch Nederland van plan is om voorafgaand aan een beroepschrift een bezwaarschrift te behandelen, dan wordt de mogelijkheid om bezwaar in te dienen in de beschikking opgenomen (zie [artikel 56, vierde lid, WarBES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028455&artikel=56)).
Een bezwaarschrift in mvv-zaken moet worden toegezonden aan de IND-unit Caribisch Nederland.
### 2.2. Opschorting van de werking van het (afwijzende) besluit
In een bezwaarschrift moet de volgende informatie staan ([artikel 57, vierde lid, WarBES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028455&artikel=57)):
Bij het bezwaarschrift worden zo mogelijk een kopie van de beschikking en de overige op de beschikking betrekking hebbende stukken overgelegd.
De bezwaartermijn bedraagt, in afwijking van de [WarBES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028455), vier weken.
Een bezwaarschrift mag worden ingediend door de volgende personen (zie [artikel 7, WarBES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028455&artikel=7)):
Natuurlijke personen of rechtspersonen, die door een beschikking rechtstreeks in hun belang zijn getroffen. Natuurlijke personen zijn levende personen, rechtspersonen zijn instanties die volgens het Burgerlijk Wetboek BES in bepaalde gevallen als personen mogen handelen, zoals een vennootschap of een pensioenfonds.
Wanneer een bezwaarschrift niet voldoet aan (één van) de hierboven genoemde vereisten, dan stelt de IND-unit Caribisch Nederland de indiener van het bezwaarschrift in de gelegenheid om binnen een termijn van twee weken alsnog het verzuim te herstellen.
De IND-unit Caribisch Nederland verleent voor het indienen van de nadere gronden, als bedoeld in [artikel 57, vierde lid, onder c, WarBES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028455&artikel=57), bij het bezwaarschrift uitstel:
Als de besproken tolk een al gemaakte afspraak afzegt, komt dit voor rekening van de vreemdeling, tenzij sprake is van overmacht van de zijde van de tolk.
### 2.3. Het verzoek om een voorlopige voorziening
Voor eenmanskantoren wordt op uitdrukkelijk verzoek een ruimere termijn bepaald. Als uit het dossier blijkt dat de betrokken rechtshulpverlener al in eerdere fase van de procedure als rechtshulpverlener/gemachtigde is opgetreden, dan willigt de IND-unit Caribisch Nederland het verzoek om uitstel in.
### 2.4. Beroep
Bij niet of niet tijdige indiening van de gronden het bezwaar verklaart de IND-unit Caribisch Nederland het bezwaarschrift niet-ontvankelijk.
De IND-unit Caribisch Nederland streeft er naar om binnen uiterlijk vier maanden na de datum van indiening op het bezwaarschrift te beslissen (zie [artikel 69, eerste lid, WarBES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028455&artikel=69)).
Als de IND-unit Caribisch Nederland de streeftermijn niet haalt, verlengt de IND-unit Caribisch Nederland deze termijn eenmaal met ten hoogste dertig dagen. De IND-unit Caribisch Nederland zendt hiervan tijdig bericht aan de bezwaarde en eventuele andere partijen.
Het Gerecht in Eerste Aanleg kan aanvullende informatie inwinnen bij de IND unit Caribisch Nederland, maar ook bij andere overheidsinstanties.
### 2.5. Hoger beroep
De vreemdeling kan het Gerecht in Eerste Aanleg verzoeken om de werking van een beschikking waartegen beroep bij het Gerecht in Eerste Aanleg of bezwaar bij de IND-unit Caribisch Nederland is ingediend geheel of gedeeltelijk te schorsen (zie [artikel 85, eerste lid, WarBES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028455&artikel=85)). Ook kan de vreemdeling een verzoek om een voorlopige voorziening indienen (zie paragraaf 9.1.3) ter voorkoming van onevenredig nadeel. Hiervan is bijvoorbeeld sprake als de vreemdeling meent dat er redenen zijn om niet uitgezet te worden zolang zijn aanwezigheid nog nodig is voor de behandeling van het bezwaar- of beroepschrift of indien de uitzetting een schending meebrengt van de non-refoulement verplichtingen (zie voor non-refoulement [hoofdstuk 16 CTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028837&hoofdstuk=16&z=2012-07-01&g=2012-07-01)).
Wanneer het Gerecht in Eerste Aanleg een verzoek om schorsing toewijst, wordt de werking van de beschikking onmiddellijk gestuit totdat over het beroep uitspraak is gedaan (zie [artikel 88 WarBES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028455&artikel=88)).
### 3. Bijzondere rechtsmiddelen in de situatie van vrijheidsontneming
In het geval de vreemdeling een rechtsmiddel aanwendt maakt de IND-unit Caribisch Nederland een aantekening wat dit voor de opschorting van het aangezegde vertrek van de vreemdeling betekent. De IND-unit Caribisch Nederland stelt of plaatst in het identiteitspapier/document voor grensoverschrijding van een vreemdeling een aantekening waaruit blijkt dat op welke datum bezwaar of beroep en/of een voorlopige voorziening is ingediend. In het geval van een lopende procedure over bescherming maakt de IND-unit Caribisch Nederland de aantekening op een los inlegblad.
### 4. Klachten
In het geval de vreemdeling bezwaar of beroep instelt tegen een beschikking waarbij hem verder verblijf wordt ontzegd, neemt de IND-unit Caribisch Nederland het verblijfsdocument niet in als de uitzetting hangende het bezwaar of beroep mag worden afgewacht.
De IND-unit Caribisch Nederland haalt de genoemde aantekening door als het bezwaarschrift ongegrond is verklaard. Deze doorhaling wordt door de ambtenaar die de doorhaling verricht gedateerd en van zijn paraaf voorzien.
### 2.3. Het verzoek om een voorlopige voorziening
De periode genoemd onder d wordt niet als onderbroken beschouwd door een verblijf buiten de openbare lichamen voor studiedoeleinden of wegens geneeskundige behandeling. In dat geval zijn de bepalingen van de [WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571) niet van toepassing.
Als de Nederlander niet binnen een jaar na de voltooiing van zijn studie of de beëindiging van de geneeskundige behandeling is teruggekeerd naar de openbare lichamen, dan wordt de vreemdeling geacht zijn hoofdverblijf te hebben verplaatst. De bepalingen van de [WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571) zijn in dat geval wel op die vreemdeling van toepassing.
### 2.3. Toelating van rechtswege van Nederlanders
### 2.3.1. Toepassing van [artikel 5a WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=5a)
Nederlanders mogen zonder toelating van rechtswege toegekend in de openbare lichamen verblijven gedurende een periode van maximaal zes maanden binnen een tijdvak van een jaar (zie [artikel 5a WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=5a) en artikel 1 Regeling van de Minister van Justitie, houdende wijziging van het Besluit toelating en uitzetting BES). In dit geval is wel sprake van toelating van rechtswege, maar is deze alleen niet toegekend middels het verstrekken van een verklaring waaruit dat blijkt.
Nederlanders hoeven pas na zes maanden verblijf in de openbare lichamen een verklaring aan te vragen waaruit blijkt dat zij toelating van rechtswege hebben, als bedoeld in [artikel 3, derde lid, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=3). Dit geldt ook als de Nederlander al bij binnenkomst langer dan zes maanden verblijf beoogt. Nederlanders dienen de termijn van zes maanden zelf in de gaten te houden.
Als men binnen deze zes maanden in de openbare lichamen wil werken, dan zal men wel een verklaring aan moeten vragen. Voor de opsomming van vereisten en bescheiden wordt verwezen naar paragraaf 3.2.2 van dit hoofdstuk.
### 2.3.2. Toelating van rechtswege op grond van [artikel 3, vijfde en zesde lid, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=3)
Meerderjarige Nederlanders op wie de [WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571) van toepassing is hebben toelating van rechtswege als wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
De minderjarige Nederlandse kinderen van de bovengenoemde Nederlanders die toelating van rechtswege hebben op grond van [artikel 3, vijfde lid, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=3), hebben toelating van rechtswege als één van de ouders het ouderlijk gezag heeft.
### 3. Bijzondere categorieën
### 3.1. Bijzondere categorieën
Aan de volgende bijzondere categorieën personen (vreemdelingen of Nederlanders) wordt op aanvraag de toelating van rechtswege in de openbare lichamen toegekend (zie [artikel 3, eerste lid, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=3)):
Voor vreemdelingen die vallen onder één van de bovengenoemde categorieën is het mvv-vereiste niet van toepassing. Het mvv-vereiste is alleen een afwijzingsgrond voor de aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd en is geen voorwaarde voor toelating van rechtswege.
[Artikel 3, eerste lid, onder a, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=3) moet ruim worden uitgelegd. Hieronder vallen in ieder geval:
Als de vreemdeling niet meer in overheidsdienst werkzaam is, vervalt zijn toelating van rechtswege (zie [artikel 5, aanhef en onder a, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=5)). Als hij in de openbare lichamen wil verblijven voor een ander doel, moet hij daartoe een aanvraag om verlening voor een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd indienen.
Zolang de vreemdeling pensioen of uitkering bij wijze van pensioen ontvangt, dan wel zolang de weduwe of weduwnaar niet is hertrouwd.
Zolang de vreemdeling in consulaire dienst is.
Zolang de vreemdeling militair is en is gestationeerd in de openbare lichamen.
Gedurende de tijd dat de openbare lichamen met toestemming van de bevoegde autoriteit wordt aangedaan.
Zolang de echtgenoot niet van tafel en bed is gescheiden.
Zolang de kinderen minderjarig zijn.
De ongehuwde partner, van vreemde nationaliteit, van een vreemdeling die van rechtswege toelating heeft, kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd aanvragen voor een verblijfsdoel verband houdend met gezinshereniging bij partner. De geldigheidsduur van deze verblijfsvergunning is in beginsel een jaar. Als de hoofdpersoon korter dan een jaar van rechtswege is toegelaten, dan is de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning van de ongehuwde partner daarop afgestemd. Dit geldt ook voor de minderjarige kinderen, als deze kinderen zelf niet de Nederlandse nationaliteit hebben.
### 3.2. De toekenning van de toelating van rechtswege
### 3.2.1. Indiening van de aanvraag
Om voor een verklaring in aanmerking te komen waaruit blijkt dat de toelating van rechtswege is toegekend moet een daartoe strekkende aanvraag worden ingediend bij de IND unit Caribisch Nederland middels model MBES8 CTU-BES.
### 3.2.2. Vereiste bescheiden
Bij het indienen van een aanvraag om een verklaring van toelating van rechtswege moeten de volgende gegevens en bescheiden worden verstrekt dan wel overgelegd (door zowel vreemdelingen als Nederlanders):
Dit geldt alleen als uit de geboorteakte blijkt dat het kind niet het biologisch kind is van beide ouders. In dat geval moet een rechterlijke uitspraak overgelegd worden waaruit blijkt dat het ouderlijk gezag / voogdij aan de in de openbare lichamen verblijvende ouder is toegewezen.
### 3.2.3. Verklaring
Op de verklaring staat de aantekening dat de vreemdeling van rechtswege toelating tot verblijf heeft. Arbeid is vrij toegestaan. TWV is niet vereist. Aan de verklaring zijn geen beperkingen en voorschriften verbonden.
### 3.2.4. Einde toelating van rechtswege
De toelating van rechtswege eindigt (zie [artikel 5 WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=5)):
De toelating van rechtswege eindigt van rechtswege. Dat wil zeggen dat daarvoor geen intrekkingsbeschikking of beëindigingsbeschikking nodig is. Doet één van de onder a of b genoemde omstandigheden zich voor, dan eindigt de toelating van rechtswege. De vreemdeling ontvangt een mededeling dat zijn toelating van rechtswege is geëindigd. Deze mededeling is aan te merken als een beschikking in de zin van de [WarBES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028455), zodat daartegen rechtsmiddelen aangewend kunnen worden. De vreemdeling moet de openbare lichamen zelfstandig verlaten na bekendmaking van de beschikking.
Als de toelating van rechtswege is geëindigd en er ook geen andere grond van toepassing is op grond waarvan toelating van rechtswege bestaat, maar men wel voor een ander doel in de openbare lichamen wil verblijven, kan daartoe een aanvraag om een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd worden ingediend. In dat geval is bij vreemdelingen in beginsel het mvv-vereiste van toepassing.
Als de vreemdeling of Nederlander toelating van rechtswege meent te hebben op een andere grond in [art 3 WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=3), moet hij daarvoor een nieuwe verklaring vragen waaruit de toelating van rechtswege blijkt. Pas dan kan immers getoetst worden of hij toelating van rechtswege heeft op de nieuwe grond.
Deze beëindigingsgrond geldt voor alle in [artikel 3, eerste, vijfde en zesde lid, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=3) genoemde categorieën. Dit betekent dat als niet meer aan de daar genoemde beschrijving van de betreffende categorie wordt voldaan, de toelating van rechtswege eindigt.
Ten aanzien van de in [artikel 3, eerste lid, onder a, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=3) genoemde categorie geldt dat als de vreemdeling niet meer in overheidsdienst werkzaam is, de toelating van rechtswege eindigt.
Ten aanzien van de in [artikel 3, vijfde lid, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=3) genoemde categorie geldt dat als de Nederlander niet langer beschikt over huisvesting dan wel over voldoende middelen van bestaan, de toelating van rechtswege eindigt.
Ten aanzien van de in [artikel 3, zesde lid, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=3) genoemde categorie geldt dat als één van de ouders niet langer voldoet aan de voorwaarden genoemd in artikel 3, vijfde lid, WTU-BES, de toelating van rechtswege van de minderjarige Nederlandse kinderen van die ouder eindigt.
Onder onafgebroken verblijf als bedoeld in [artikel 5, onder b, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=5) wordt verstaan onafgebroken toelating van rechtswege of verblijf grond van een verblijfsvergunning voor bepaalde of onbepaalde tijd.
De periode, bedoeld in [artikel 3, eerste lid, onder g, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=3) wordt niet onderbroken door een verblijf buiten de openbare lichamen voor studiedoeleinden of wegens geneeskundige behandeling, tenzij de vreemdeling aangeeft zijn toelating tot de openbare lichamen te willen opgeven (zie [artikel 4, eerste lid, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=4)). De toelating van rechtswege van de in artikel 3, eerste lid, onder g, WTU-BES bedoelde vreemdeling wordt geacht te zijn vervallen als de vreemdeling niet binnen een jaar na de voltooiing van zijn studie of de beëindiging van de geneeskundige behandeling is teruggekeerd naar de openbare lichamen (zie artikel 4, tweede lid, WTU-BES).
Als de toelating van rechtswege is geëindigd, betekent dit dat ook de afhankelijke toelating van de echtgeno(o)t(e) en minderjarige kinderen is geëindigd. Dit geldt echter niet voor echtgenoten die zelf op basis van [artikel 3 WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=3) van rechtswege zijn toegelaten (zie [artikel 13 WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=13)).
Als een vreemdeling, van wie de toelating van rechtswege is geëindigd, een minderjarig kind heeft dat niet zelf toelating van rechtswege heeft op grond van [artikel 3, eerste lid, onder g, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=3), eindigt ook de toelating van dit minderjarige kind. Dat is ook het geval als dit kind buiten de openbare lichamen verblijft voor studiedoeleinden of wegens geneeskundige behandeling (zie [artikel 4, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=4), juncto [artikel 13 WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=13)).
@@ -772,358 +4450,90 @@
### 4.1. Algemeen
Op grond van [artikel 5a van de WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=5a) kunnen bij of op basis van algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld over het verblijf zonder vergunning tot tijdelijk verblijf voor verblijf in de vrije termijn van niet langer dan zes maanden. Dit is uitgewerkt in de artikelen [4.1 tot en met 4.4 BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=4.1). Hierin zijn regels gesteld over verblijf in de zogenoemde vrije termijn, met een maximale verblijfsduur van zes maanden. Dit verblijf is aan te merken als een vorm van toelating van rechtswege.
De volgende categorieën hebben verblijf in de vrije termijn in de openbare lichamen voor maximaal drie maanden per tijdvak van zes maanden, als bedoeld in [artikel 5a WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=5a):
### 4.2. Categorieën
### 4.2.1. Toeristen
Met toerist wordt bedoeld een vreemdeling die:
Voor specifieke voorschriften omtrent het verkrijgen toegang wordt verwezen naar hoofdstuk 1 ‘toegang’, paragraaf 7.3.
Toeristen mogen ingevolge [artikel 4.2 BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=4.2) zonder toelating bij vergunning verleend in de openbare lichamen binnenkomen en er verblijven gedurende een periode van maximaal drie maanden binnen een tijdsvak van zes maanden.
Op grond van [artikel 4.2, tweede lid BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=4.2) zijn toeristen onderworpen aan de bepalingen die gelden voor vreemdelingen die tot verblijf bij vergunning verleend zijn toegelaten. Zie hiervoor [hoofdstuk 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028837&hoofdstuk=3&z=2010-10-08&g=2010-10-08) CTU-BES.
Indien men korter dan drie maanden in de openbare lichamen wenst te verblijven hoeft men niet te voldoen aan de voorwaarde van bereidheid om mee te werken aan een onderzoek naar of behandeling van tuberculose.
### 4.2.2. Bemanningsleden van schepen en luchtvaartuigen
Voor specifieke voorschriften over het verkrijgen van toegang in de openbare lichamen wordt verwezen naar hoofdstuk 1 ‘toegang’, paragraaf 7.3.
Bemanningsleden van schepen (zeelieden) en luchtvaartuigen mogen zonder toelating bij vergunning verleend in de openbare lichamen binnenkomen en er verblijven gedurende een periode van maximaal drie maanden binnen een tijdvak van zes maanden, met dien verstande dat hun toelating vervalt op het tijdstip van vertrek van het schip of luchtvaartuig (zie [artikel 4.3 BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=4.3)).
Op grond van [artikel 6.46 BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=6.46) moet een vreemdeling die naar de openbare lichamen is gekomen, om als zeeman werk te zoeken aan boord van een zeeschip, zich binnen drie dagen na binnenkomst in de openbare lichamen in persoon melden bij de Korpschef.
Op grond van [artikel 4.2, tweede lid BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=4.2) zijn toeristen onderworpen aan de bepalingen die gelden voor vreemdelingen die tot verblijf bij vergunning verleend zijn toegelaten. Zie hiervoor [hoofdstuk 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028837&hoofdstuk=3&z=2012-07-01&g=2012-07-01) CTU-BES.
### 4.3. Verklaring
Het is niet nodig dat toeristen en bemanningleden van schepen en luchtvaartuigen een verklaring, als bedoeld in [artikel 3, derde lid, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=3), aanvragen waaruit blijkt dat zij van rechtswege toelating in de openbare lichamen hebben.
### 4.4. Uitzondering op de termijn
Behalve voor de categorieën als genoemd in paragraaf 4.2 geldt er op grond van [artikel 4.4 BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=4.4) voor sommige gevallen een afwijkende termijn gedurende welke het aan vreemdelingen is toegestaan in de vrije termijn in de openbare lichamen te verblijven:
Voor deze situatie gelden aanvullend de volgende voorwaarden:
De verlengingsmogelijkheid van drie naar zes maanden is slechts bedoeld voor uitzonderlijke situaties, zoals overmacht.
Bijzondere omstandigheden zijn in ieder geval niet:
Voor deze situatie gelden aanvullend de volgende voorwaarden:
### Hoofdstuk 3. Toelating bij vergunning verleend
### 1. De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd
### 1.1. Inleiding
Een vreemdeling die in de openbare lichamen verblijft en die geen toelating van rechtswege heeft op grond van [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=3) of [artikel 5a WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=5a), heeft een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd nodig (zie [artikel 6, eerste lid, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=6)).
### 1.2. Beperking
Een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt verleend onder beperkingen die verband houden met het doel waarvoor het verblijf is toegestaan (zie [artikel 7, zevende lid, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=7)). In [artikel 5.2, eerste lid, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.2) zijn de volgende beperkingen genoemd:
Deze beperkingen kunnen nader worden omschreven bij de verlening van de verblijfsvergunning (zie [artikel 5.2, tweede lid, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.2)).
Daarnaast kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd worden verleend onder een andere beperking dan hiervoor genoemd (zie [artikel 5.2, derde lid, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.2)). Hiervan zal weinig gebruik worden gemaakt om precedentwerking te voorkomen.
Voor welke situaties is [artikel 5.2, tweede lid, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.2)**niet** bedoeld?
Voor welke situaties is [artikel 5.2, tweede lid, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.2)**wel** bedoeld?
### 1.3. Ingangsdatum
De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt verleend met ingang van de dag waarop de vreemdeling heeft aangetoond dat hij aan alle voorwaarden voldoet, maar niet eerder dan met ingang van de dag waarop de aanvraag is ontvangen. Dit geldt ook voor de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd. Zie [artikel 7, vierde lid, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=7).
### 1.4. Arbeidsmarktaantekening
Op het document waaruit de verblijfsrechtelijke positie van de vreemdeling blijkt wordt aangetekend of de vreemdeling arbeid mag verrichten en of daarvoor op grond van de [Wav-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028437) een TWV vereist is (zie [artikel 6.17, derde lid, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=6.17)).
### 1.5. Aantekening tijdelijk verblijfsrecht
Het verblijfsrecht op grond van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd kan tijdelijk of niet-tijdelijk zijn (zie [artikel 5.3, eerste lid, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.3)).
Er is sprake van tijdelijk verblijfsrecht als de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd is verleend onder de volgende beperkingen (zie [artikel 5.3, tweede lid, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.3)):
Als sprake is van een andere beperking dan hiervoor genoemd, is het verblijfsrecht van niet-tijdelijke aard, tenzij bij de verlening van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd anders is bepaald. Dit geldt ook voor de verblijfsvergunning die verleend wordt onder een andere beperking, bedoeld in [artikel 5.2, derde lid, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.2).
Gevolgen tijdelijk verblijfsrecht:
De tijdelijkheid van het verblijfsrecht heeft niets te maken met:
### 1.6. Aantekening omtrent beroep op de publieke middelen
Een beroep op de publieke middelen kan in ieder geval gevolgen hebben voor het verblijfsrecht als de verblijfsvergunning is verleend onder één van de volgende beperkingen (zie [artikel 5.2, vierde lid, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.2)):
In die gevallen kan de aantekening ‘beroep op de publieke middelen kan gevolgen hebben voor het verblijfsrecht’ op het verblijfsdocument worden geplaatst dan wel kan een met die aantekening corresponderende code op het verblijfsdocument worden geplaatst.
Als een beroep op de publieke middelen wordt gedaan kan dat betekenen dat niet meer aan de voorwaarden voor verblijf wordt voldaan zoals:
Als aan één of beide genoemde voorwaarden niet meer wordt voldaan, kan de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd om die reden worden ingetrokken (zie [artikel 14, onder d en e, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=14)) of kan een aanvraag om verlenging worden afgewezen (zie [artikel 9, eerste lid, onder b en c, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=9)).
Onder publieke middelen wordt verstaan alle middelen die niet vallen onder de in de paragraaf 1.9.3.1 genoemde middelen. Dit zijn bijvoorbeeld middelen op grond van de Wet op de onderstand BES.
### 1.7. Voorschriften
Aan de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd kunnen voorschriften worden verbonden (zie [artikel 7, zevende lid, WTU- BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=7)). Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over voorschriften. Deze regels staan in de [artikelen 5.4 tot en met 5.9 BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.4).
Aan de verblijfsvergunning kunnen voorschriften tot het stellen van zekerheid worden verbonden. Met het stellen van een voorschrift tot het stellen van zekerheid wordt nog niet voldaan aan de algemene voorwaarde dat over voldoende middelen van bestaan moet worden beschikt. Ook is het stellen van een voorschrift aan een verblijfsvergunning niet hetzelfde als een voorschrift tot het stellen van zekerheid in verband met de vrije termijn.
In de betreffende hoofdstukken over de verschillende verblijfsdoelen wordt telkens aangegeven of en zo ja welke voorschriften aan de verblijfsvergunning worden verbonden.
De volgende voorschriften tot het stellen van zekerheid kunnen aan de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd worden verbonden (zie [artikel 5.4 BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.4)):
De uitvoering gaat als volgt:
De vreemdeling moet met een schriftelijk bewijsstuk aantonen dat hij voldoende verzekerd is tegen ziektekosten, met inbegrip van de kosten verbonden aan opname en verpleging in een sanatorium of een psychiatrische inrichting. Een voorschrift tot het voldoende verzekerd zijn tegen ziektekosten wordt altijd aan de verblijfsvergunning verbonden.
### 1.8. De geldigheidsduur van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd
De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt verleend voor ten hoogste één jaar en kan telkens met ten hoogste één jaar worden verlengd ([artikel 5.26 BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.26)).
### 1.9.1. Mvv-vereiste
### 1.9.1.1. Vrijstellingen
De persoon die feitelijk in de openbare lichamen verblijft en bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten, Bonaire, Sint Eustatius en Saba een [artikel 17 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=17) verzoek heeft ingediend tot vaststelling van zijn vermeende Nederlanderschap, wordt in het algemeen niet de openbare lichamen uitgezet als dat verzoek naar het oordeel van Minister van Justitie niet klaarblijkelijk van elke grond ontbloot is. In dat geval kan de vreemdeling, onder omstandigheden, in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, in afwachting van de beslissing op het artikel 17 RWN verzoek.
Het gezinslid wordt vrijgesteld van het mvv-vereiste als:
### 1.9.1.2. Toetsing van de vrijstellingscategorie
### 1.9.2. Geldig document voor grensoverschrijding
Bij de aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd legt de vreemdeling in ieder geval een geldig document voor grensoverschrijding over (zie [artikel 5.50, eerste lid, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.50)). Als de vreemdeling dat niet overlegt, krijgt hij de gelegenheid om gedurende een redelijke termijn van vier weken de aanvraag aan te vullen door alsnog een geldig document voor grensoverschrijding te overleggen, voordat op de aanvraag wordt beslist. De redelijke termijn is in dit geval in beginsel vier weken. In bepaalde omstandigheden kan een kortere termijn worden gesteld, bijvoorbeeld als de vreemdeling snel kan worden uitgezet of als het een herhaalde aanvraag is.
Er wordt geen vrijstelling verleend om de enkele reden dat:
### 1.9.3. Middelen van bestaan
### 1.9.3.1. Zelfstandige middelen van bestaan
Of de betreffende arbeid als zelfstandige wettelijk is toegestaan moet worden aangetoond door overlegging van:
### 1.9.3.2. Duurzaamheid middelen van bestaan
Middelen van bestaan verkregen uit eigen vermogen zijn duurzaam, als zij gedurende een aaneengesloten periode van één jaar beschikbaar zijn geweest en nog één jaar beschikbaar zijn op het tijdstip waarop de aanvraag is ontvangen of de beschikking wordt gegeven (zie [artikel 5.34, tweede lid, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.34)).
### 1.9.3.3. Voldoende middelen van bestaan
Beleidsregels:
Van het voorschrift tot het deponeren van een waarborgsom voor de kosten van de reis naar een plaats buiten de openbare lichamen waar toelating van de vreemdeling gewaarborgd is, wordt in beginsel geen gebruik gemaakt, maar zal een solvabele derde zich schriftelijk moeten garantstellen. Dit voorschrift kan alleen aan de verblijfsvergunning worden verbonden op aanwijzing van Onze Minister. Dit zal alleen in uitzonderlijke gevallen plaatsvinden.
Regels voor het in ontvangst nemen, het beheer en de teruggave van waarborgsommen staan in de [artikelen 5.5 tot en met 5.8 BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.5).
De uitvoering van de regels gaat als volgt:
In plaats van een waarborgsom kan een passagebiljet worden gedeponeerd voor de reis naar een plaats buiten de openbare lichamen waar toelating van de vreemdeling is gewaarborgd (zie [artikel 5.4, tweede lid, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.4)). Omdat passagebiljetten maar een beperkte geldigheidsduur hebben, wordt van deze mogelijkheid alleen gebruik gemaakt ten aanzien van vreemdelingen die een verblijf beogen van korter dan één jaar. De duur van de te verlenen verblijfsvergunning is dan steeds korter dan de geldigheidsduur van het passagebiljet. De vreemdeling heeft aan dit voorschrift voldaan als hij al in verband met verblijf in de vrije termijn een passagebiljet heeft gedeponeerd dat geldig is tot na het verstrijken van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning.
De uitvoering gaat als volgt:
Als het voorschrift tot schriftelijke garantstelling aan de verblijfsvergunning is verbonden, betekent dit dat een in de openbare lichamen gevestigde solvabele derde een schriftelijke garantstelling ondertekent (zie model MBES26 CTU-BES), waarmee hij zich garant stelt voor de kosten die voor de staat en andere openbare overheden voortvloeien uit het verblijf van de vreemdeling in de openbare lichamen, en voor de kosten van terugkeer van de vreemdeling naar een plaats buiten de openbare lichamen waar zijn toelating is gewaarborgd.
De verplichtingen die voortvloeien uit de garantstelling hebben uitsluitend betrekking op de kosten veroorzaakt binnen vijf jaren, nadat de verblijfsvergunning is verleend (zie [artikel 5.9, eerste lid, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.9)).
Deze periode is korter dan vijf jaren als:
In plaats van de zekerheid van een waarborgsom of een schriftelijke garantstelling kan zakelijke zekerheid worden gesteld. In beginsel zal hier geen gebruik van worden gemaakt. Wat hiervoor is bepaald over de termijn van vijf jaren en de gevallen waarin deze korter kan zijn dan vijf jaren, is van overeenkomstige toepassing op de verplichtingen die voortvloeien uit het stellen van zakelijke zekerheid (zie [artikel 5.9, eerste lid, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.9)). In beginsel zal een solvabele derde zich moeten garant stellen.
De vreemdeling moet met een schriftelijk bewijsstuk aantonen dat hij voldoende verzekerd is tegen ziektekosten, met inbegrip van de kosten verbonden aan opname en verpleging in een sanatorium of een psychiatrische inrichting. Een voorschrift tot het voldoende verzekerd zijn tegen ziektekosten wordt altijd aan de verblijfsvergunning verbonden.
### 1.8. De geldigheidsduur van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd
De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt verleend voor ten hoogste vijf achtereenvolgende jaren (zie [artikel 6, tweede lid, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=6)). In de [artikelen 5.26 tot en met 5.30 BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.26) zijn regels gesteld over de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning en de verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning.
De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt verleend voor ten hoogste één jaar en kan telkens met ten hoogste één jaar worden verlengd ([artikel 5.26 BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.26)).
Van deze hoofdregel wordt, in geval van bepaalde verblijfsdoelen, afgeweken in de [artikelen 5.27 tot en met 5.30 BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.27).
Bij het onder a genoemde geval moet wel bedacht worden dat bij de verlenging van deze afhankelijke verblijfsvergunning de geldigheidsduur daarvan zich nooit mag uitstrekken tot na de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning van de echtgenoot of (geregistreerd) partner. Als de vreemdeling echter in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning onder een beperking verband houdend met voortgezet verblijf en hij heeft om wijziging van de beperking van zijn vergunning in voortgezet verblijf gevraagd, dan kan de vergunning wel verlengd worden tot na de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning van de echtgenoot of (geregistreerd) partner. De verblijfsvergunning kan dan dus gewoon verlengd worden met vijf jaren onder gelijktijdige wijziging van de beperking in ‘voortgezet verblijf’.
### 1.9. Afwijzingsgronden van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd
De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd kan op grond van [artikel 9, eerste lid, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=9), worden geweigerd:
Hierna worden deze afwijzingsgronden toegelicht.
### 1.9.1. Mvv-vereiste
Als hoofdregel geldt dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning wordt afgewezen als de vreemdeling geen mvv heeft, die is afgegeven voor het verblijfsdoel waarvoor de verblijfsvergunning is aangevraagd ([artikel 9, eerste lid onder a, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=9) en [artikel 5.31, eerste lid, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.31)).
Het mvv-vereiste geldt niet voor:
### 1.9.1.1. Vrijstellingen
In de [WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571) en de [BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599) zijn een aantal vrijstellingen van het mvv-vereiste opgenomen.
Een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt op grond van [artikel 9, derde lid, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=9) niet afgewezen wegens het ontbreken van een geldige mvv, in de volgende gevallen:
Deze landen zijn: Australië, België, Bulgarije, Canada, Cyprus, Denemarken, Duitsland, Estland, Finland, Frankrijk, Griekenland, Hongarije, Ierland, Italië, Japan, Letland, Liechtenstein, Litouwen, Luxemburg, Malta, Monaco, Nieuw-Zeeland, Noorwegen, Oostenrijk, Polen, Portugal, Roemenië, Slovenië, Slowakije, Spanje, Tsjechië, Vaticaanstad, het Verenigd Koninkrijk, de Verenigde Staten van Amerika, IJsland, Zuid-Korea, Zweden en Zwitserland (zie [artikel 4.2 RTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028815&artikel=4.2)).
Vreemdelingen uit deze landen mogen wel onverplicht een mvv aan vragen om vooraf te laten toetsen of zij recht hebben op een verblijfsvergunning.
Voor deze vrijstelling wordt beoordeeld of de vreemdeling kan reizen naar zijn land van herkomst of bestendig verblijf om daar de behandeling af te wachten van een ingediende mvv-aanvraag. Omstandigheden die de feitelijke toegankelijkheid van de medische zorg in het land van herkomst of bestendig verblijf betreffen, worden niet betrokken bij de beoordeling.
Het ontbreken van een mvv wordt niet tegengeworpen aan de vreemdeling die een aanvraag indient om wijziging van het verblijfsdoel. Er wordt hierbij geen onderscheid gemaakt naar het soort verblijfsdoel. De vrijstelling geldt bijvoorbeeld ook als een vreemdeling twee maanden in het bezit geweest is van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd verband houdend met bescherming als bedoeld in [artikel 12a WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=12a) en vervolgens in aanmerking wil komen voor verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd onder een andere beperking. De aanvraag tot wijziging van het verblijfsdoel moet wel tijdig, dat wil zeggen in ieder geval niet later dan twee jaarna afloop van de geldigheidsduur van de eerdere verblijfsvergunning, zijn ingediend.
Een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt, in de volgende gevallen, op grond van [artikel 5.30,tweede lid, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.30) niet afgewezen wegens het ontbreken van een geldige mvv:
De vreemdeling die voor zijn negentiende levensjaar tenminste vijf achtereenvolgende jaren toelating in de openbare lichamen heeft gehad, kan in aanmerking komen voor wedertoelating tot de openbare lichamen. Als de vreemdeling minderjarig is, kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd worden verleend. Is de vreemdeling meerderjarig dan kan een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd worden verleend. Hiermee verhoudt zich niet dat het mvv-vereiste wordt tegengeworpen.
Als hoofdregel geldt dat één van de ouders binnen drie dagen na de geboorte van het kind een aanvraag ten behoeve van het kind moet indienen bij de korpschef om het verblijfsrecht mede geldig te maken voor het kind. Vanaf de leeftijd van twaalf jaar kunnen deze kinderen ook feitelijk in het bezit worden gesteld van een vreemdelingendocument waaruit het verblijfsrecht blijkt.
Als het kind niet direct na de geboorte is aangemeld, dan kan tot en met de leeftijd van twaalf jaar alsnog een aanvraag worden ingediend. De verblijfsvergunning wordt verleend als naar het oordeel van de Minister van Justitie voldoende is aangetoond dat het kind vanaf de geboorte onafgebroken in de openbare lichamen heeft verbleven en feitelijk is blijven behoren tot het gezin van de ouder die houder is van een verblijfsvergunning. Bij aanvragen van kinderen die in de openbare lichamen zijn geboren, is het niet rechtvaardig de aanvraag af te wijzen, omdat het kind niet in het bezit is van een geldige mvv.
Dit geldt ook als de ouder op het moment van de geboorte rechtmatig in de openbare lichamen verbleef, al dan niet in afwachting van een (nadere) beslissing op de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning, en die aansluitend daarop in het bezit is gesteld van een verblijfsvergunning. Van dat kind wordt ook niet verlangd dat het met die ouder vertrekt naar het land van herkomst om daar de beslissing op de mvv-aanvraag af te wachten. Ook zijn vrijgesteld andere kinderen die in de openbare lichamen zijn geboren op een moment waarop de ouder op andere gronden toelating tot verblijf had in de openbare lichamen en die aansluitend op die toelating tot verblijf in het bezit is gesteld van een verblijfsvergunning. Andere gronden voor toelating zijn bijvoorbeeld verblijf in verband met de aangifte van mensenhandel of tijdens de vrije termijn,
De persoon die feitelijk in de openbare lichamen verblijft en bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten, Bonaire, Sint Eustatius en Saba een [artikel 17 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=17) verzoek heeft ingediend tot vaststelling van zijn vermeende Nederlanderschap, wordt in het algemeen niet de openbare lichamen uitgezet als dat verzoek naar het oordeel van Minister van Justitie niet klaarblijkelijk van elke grond ontbloot is. In dat geval kan de vreemdeling, onder omstandigheden, in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, in afwachting van de beslissing op het artikel 17 RWN verzoek.
Gelet op het feit dat:
is het niet redelijk van hen te verlangen dat zij terugkeren naar het land van herkomst om aldaar een mvv aan te vragen.
Het gezinslid wordt vrijgesteld van het mvv-vereiste als:
Het is aan de vreemdeling en/of de hoofdpersoon om de duur van het verblijf aan te tonen.
Het ontbreken van een geldige mvv leidt niet tot afwijzing van de aanvraag, als een ieder verbindende bepaling van een verdrag of een besluit van een volkenrechtelijke organisatie zich daartegen verzet. Een voorbeeld van een dergelijke verplichting is artikel 8 EVRM. Toetsing aan artikel 8 EVRM vergt een op de concrete zaak toegespitste afweging van alle relevante feiten en omstandigheden van het individuele geval. Aan de vreemdeling van wie uitzetting in strijd met artikel 8 van het EVRM is, wordt op grond hiervan het mvv-vereiste niet tegen geworpen.
### 1.9.1.2. Toetsing van de vrijstellingscategorie
Als een vreemdeling zich beroept op een van de vrijstellingscategorieën moet hij zelf aantonen dat hij hiervoor in aanmerking kan komen. Dit gebeurt zoveel mogelijk direct aan het loket van de IND unit Caribisch Nederland. Op het aanvraagformulier staan de vrijstellingscategorieën ingevolge de [WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571) en het [BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599) vermeld, voorzien van een korte toelichting per vrijstellingsgrond.
Ten aanzien van de beoordeling van een beroep op een van de vrijstellingscategorieën van het mvv-vereiste geldt dat hierbij uitsluitend wordt getoetst aan de voorwaarden van de vrijstellingscategorie. Hierbij wordt dus nog niet volledig aan de inhoudelijke verblijfsvoorwaarden van het gevraagde verblijfsdoel getoetst, ook al zal een toets aan de voorwaarden van de vrijstellingscategorie vaak voor een deel overeenkomen met een inhoudelijke toets aan de verblijfsvoorwaarden. Pas nadat is vastgesteld dat de vreemdeling zich met succes kan beroepen op een van de vrijstellingscategorieën, wordt aan de inhoudelijke voorwaarden voor de verlening van de verblijfsvergunning getoetst.
### 1.9.1.3. Hardheidsclausule
In het derde lid van [artikel 5.31 BTU](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.31) staat de zogenoemde hardheidsclausule. Als de vreemdeling niet beschikt over een geldige mvv en niet behoort tot een van de vrijgestelde categorieën kan het zijn dat de aanvraag niet wordt afgewezen, omdat de vreemdeling niet beschikt over een mvv. Dit gebeurt als de toepassing van het mvv-vereiste naar het oordeel van de Minister zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.
De vreemdeling die een beroep op de hardheidsclausule doet moet bij de indiening van zijn aanvraag om een verblijfsvergunning het beroep al zo veel mogelijk met bewijsstukken onderbouwen.
Toepassing van de hardheidsclausule kan alleen in zeer bijzondere gevallen.
Er is in ieder geval geen sprake van een zeer bijzonder geval, als de vreemdeling:
In bovengenoemde gevallen kan de hardheidsclausule in ieder geval niet worden toegepast.
### 1.9.2. Geldig document voor grensoverschrijding
Uit een geldig document voor grensoverschrijding moet blijken:
Een geldig document voor grensoverschrijding is meestal een geldig nationaal paspoort dat door Nederland wordt erkend.
Let op: het komt soms voor dat op verzoek van een vreemdeling of van een familielid een paspoort wordt toegezonden aan de vreemdeling, zonder dat de beoogde houder van het paspoort zich in persoon voor de autoriteiten van het land van afgifte heeft moeten melden. Omdat in deze gevallen geen deugdelijke toetsing van de identiteit van de betrokken vreemdeling heeft plaatsgevonden, worden deze zogenoemde blanco paspoorten niet aangemerkt als geldig document voor grensoverschrijding.
Het bezit van een geldig document voor grensoverschrijding is een voorwaarde voor verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, die wordt gesteld met het oog op het algemeen belang als bedoeld in [artikel 9, eerste lid, onder b, WTU- BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=9). Als hoofdregel geldt dat iedere vreemdeling in het bezit moet zijn van een geldig document voor grensoverschrijding. Als dat niet het geval is, kan de aanvraag om een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd worden afgewezen.
Van die bevoegdheid om een aanvraag om een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd om die reden af te wijzen wordt steeds gebruik gemaakt, behalve in de gevallen, bedoeld in [artikel 5.31 BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.31).
Bij de aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd legt de vreemdeling in ieder geval een geldig document voor grensoverschrijding over (zie [artikel 5.50, eerste lid, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.50)). Als de vreemdeling dat niet overlegt, krijgt hij de gelegenheid om gedurende een redelijke termijn van vier weken de aanvraag aan te vullen door alsnog een geldig document voor grensoverschrijding te overleggen, voordat op de aanvraag wordt beslist. De redelijke termijn is in dit geval in beginsel vier weken. In bepaalde omstandigheden kan een kortere termijn worden gesteld, bijvoorbeeld als de vreemdeling snel kan worden uitgezet of als het een herhaalde aanvraag is.
De beslistermijn van vier maanden wordt opgeschort met de redelijke termijn die is geboden voor herstel van het verzuim. Als de vreemdeling na die redelijke termijn geen geldig document voor grensoverschrijding heeft overgelegd, wordt de aanvraag afgewezen, tenzij de vrijstelling van [artikel 5.31 BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.31) van toepassing is.
Een aanvraag om een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd kan niet worden afgewezen op grond van [artikel 9, eerste lid, onder b, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=9), met het oog op het algemeen belang om de enkele reden dat de vreemdeling niet beschikt over een geldig document voor grensoverschrijding, als de vreemdeling naar het oordeel van Onze Minister heeft aangetoond dat hij vanwege de regering van het land waarvan hij onderdaan is, niet of niet meer in het bezit van een geldig document voor grensoverschrijding kan worden gesteld (zie [artikel 5.31 BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.31)).
De vreemdeling die stelt in aanmerking te komen voor deze vrijstelling moet, voor zover redelijkerwijs mogelijk, de volgende gegevens en bescheiden overleggen:
Dit kan een schriftelijke verklaring zijn van de autoriteiten van dat land, waarin gemotiveerd wordt aangegeven waarom de vreemdeling niet in het bezit wordt gesteld van een geldig document voor grensoverschrijding. Deze verklaring kan de vreemdeling vragen bij de diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging van zijn land in Nederland. Als dat niet lukt, moet de vreemdeling in beginsel naar zijn land van herkomst terugreizen om daar een geldig document voor grensoverschrijding te vragen.
Er wordt geen vrijstelling verleend om de enkele reden dat:
### 1.9.3. Middelen van bestaan
Het zelfstandig en duurzaam beschikken over voldoende middelen van bestaan is een voorwaarde voor verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd (zie [artikel 9, eerste lid, onder b en c, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=9)). Als hoofdregel geldt dat iedere vreemdeling zelfstandig en duurzaam moet beschikken over voldoende middelen van bestaan. Als dat niet het geval is, kan de aanvraag om een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd worden afgewezen.
In bepaalde gevallen geldt dat degene bij wie de vreemdeling in de openbare lichamen wil verblijven zelfstandig en duurzaam moet beschikken over voldoende middelen van bestaan.
Op enig moment tussen de datum van indiening van de aanvraag en het moment waarop op de aanvraag wordt beslist, moet gelijktijdig zijn voldaan aan alle drie de elementen van het middelenvereiste: zelfstandig, duurzaam en voldoende (zie [artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b en c, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=9) en [artikel 7, vierde lid, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=7)).
Het algemene middelenvereiste is van toepassing op alle aanvragen tot het verlenen, verlengen en wijzigen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, tenzij uitdrukkelijk anders is vermeld in het [BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599) of in de CTU-BES.
### 1.9.3.1. Zelfstandige middelen van bestaan
Als zelfstandig middelen van bestaan worden aangemerkt (zie [artikel 5.32 BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.32)):
Hieronder vallen:
Over deze inkomsten moeten wel de vereiste premies en belastingen zijn afgedragen.
Om te kunnen controleren of sprake is van legale arbeid, wordt bij twijfel geverifieerd bij de betreffende uitvoeringsinstelling of de werknemer daar geregistreerd staat. Er kan dan gecontroleerd worden wat de aard is van het dienstverband en of er premies en belastingen voor de betreffende werknemer worden afgedragen. Als de aard van het dienstverband anders is dan zoals die is aangemeld of er worden geen premies of belastingen voor de werknemer afgedragen, dan kan aan de arbeidsovereenkomst niet de gebruikelijke waarde worden toegekend. Verder mag de arbeid ook niet in strijd zijn met de [Wav BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028437). Als dat wel het geval is, is geen sprake van wettelijk toegestane arbeid.
In beide hier genoemde gevallen is geen sprake van zelfstandige middelen van bestaan.
Als middelen van bestaan in de zin van de [WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571) wordt alleen aangemerkt inkomen uit arbeid als zelfstandige voor zover het is toegestaan de betreffende arbeid als zelfstandige te verrichten. Het inkomen van een houder van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt alleen aangemerkt als zelfstandige middelen van bestaan als het de houder is toegestaan die arbeid te verrichten.
Of de betreffende arbeid als zelfstandige wettelijk is toegestaan moet worden aangetoond door overlegging van:
Hierbij geldt dat de bron van de inkomsten niet wordt aangetast en de vereiste premies en belastingen zijn afgedragen. Hieronder vallen bijvoorbeeld:
Naast de onder a, b en c genoemde middelen van bestaan worden als zelfstandige middelen van bestaan aangemerkt:
Dit zijn inkomsten uit een inkomensvervangende uitkering krachtens een sociale verzekeringswet, waarvoor premie is afgedragen.
De volgende middelen van bestaan uit overige bron worden eveneens als zelfstandig aangemerkt:
Niet als (bestanddeel van) middelen van bestaan wordt aangemerkt een uitkering of bijdrage uit de publieke middelen op grond van sociale voorzieningen waarvoor geen premie wordt afgedragen.
### 1.9.3.2. Duurzaamheid middelen van bestaan
Middelen van bestaan moeten duurzaam zijn.
Hoofdregel:
Middelen van bestaan zijn duurzaam, als zij nog één jaar beschikbaar zijn op het tijdstip waarop de aanvraag is ontvangen of de beschikking wordt gegeven (zie [artikel 5.34, eerste lid, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.34)).
Proeftijd:
Als bij een arbeidscontract een proeftijd is verbonden, heeft de proeftijd geen invloed voor het bepalen van de duurzaamheid van de middelen van bestaan. Als op het moment dat de aanvraag wordt beoordeeld de proeftijd nog niet is verstreken, dan vormt dit geen reden om de beslissing op de aanvraag aan te houden. Ook wordt de proeftijd niet in mindering gebracht op de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning. Ontslag tijdens de proeftijd kan wel gevolgen hebben voor het verblijfsrecht.
Middelen van bestaan verkregen uit eigen vermogen zijn duurzaam, als zij gedurende een aaneengesloten periode van één jaar beschikbaar zijn geweest en nog één jaar beschikbaar zijn op het tijdstip waarop de aanvraag is ontvangen of de beschikking wordt gegeven (zie [artikel 5.34, tweede lid, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.34)).
Duurzaamheid van middelen van bestaan uit eigen vermogen wordt aangetoond door overlegging van de volgende stukken:
Middelen van bestaan uit arbeid als zelfstandige zijn duurzaam, als zij gedurende ten minste anderhalf jaar zijn verworven en nog één jaar beschikbaar zijn op het tijdstip waarop de aanvraag is ontvangen of de beschikking wordt gegeven (zie [artikel 5.34, derde lid, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.34) en [artikel 4.4, eerste lid, RTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028815&artikel=4.4)).
De inkomsten van een ondernemer die nog niet ten minste anderhalf jaar werkzaam is als zelfstandig kunnen derhalve niet als duurzaam aangemerkt worden, ongeacht de hoogte van zijn inkomsten uit arbeid als zelfstandige. Ook de omstandigheid dat een ondernemer een al langer bestaande onderneming overneemt, maakt niet dat de uit die onderneming verkregen inkomsten uit arbeid als zelfstandige duurzaam zijn.
Duurzaamheid van middelen van bestaan uit arbeid als zelfstandige wordt aangetoond door overlegging van:
Als het een aanvraag betreft om verlening van een verblijfsvergunning onder een beperking verband houdend met het verrichten van arbeid als zelfstandige, is bovenstaande duurzaamheidseis niet van toepassing (zie [artikel 4.4, tweede lid, RTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028815&artikel=4.4)).
### 1.9.3.3. Voldoende middelen van bestaan
Hoofdregel:
Middelen van bestaan zijn voldoende, als het bruto-inkomen ten minste gelijk is aan de door Onze Minister vast te stellen bedragen (zie [artikel 9, eerste lid, aanhef en onder c, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=9) en [artikel 5.33 BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.33)). Voorkomen moet worden dat na verlening van een verblijfsvergunning aanspraak gemaakt kan worden op onderstand of een andere uitkering die gefinancierd wordt uit publieke middelen.
Beleidsregels:
Als uitgangspunt geldt dat voor de beperkingen zoals opgenomen in paragraaf 1.2 middelen van bestaan aan te merken zijn als voldoende als het inkomen ten minste gelijk is aan het bruto-inkomen per maand op grond van de [Wet minimumloon BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028170).
Van het uitgangspunt wordt afgeweken voor de beperking in het kader van ‘gezinshereniging’ en in het kader van verblijf als ‘gepensioneerde of rentenier’. Middelen van bestaan worden aangemerkt als voldoende als het bruto-inkomen minimaal USD 1.680 per maand is.
Bij aanvragen van of ten behoeve van (voor)kinderen die niet in de openbare lichamen geboren zijn, moet daarnaast, als aanvullende financiële zekerheid, het volgende normbedrag worden bijgeteld:
Voor kinderen zijn kinderen die zijn geboren uit een eerder huwelijk of een eerdere relatie van een ouder, die in de openbare lichamen of daarbuiten daarna een nieuwe (huwelijkse)relatie is aangegaan.
Bij de berekening van het totale inkomen worden alle bestanddelen van het inkomen (dus ook inkomsten uit bijvoorbeeld een nevenbetrekking) meegeteld als deze zelfstandig verworven en duurzaam beschikbaar zijn.
### 1.9.4. Openbare orde en nationale veiligheid
De verblijfsvergunning voor bepaalde of onbepaalde tijd kan door Onze Minister worden geweigerd met het oog op de openbare orde of het algemeen belang (zie [artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=9)).
Deze paragraaf bevat algemene beleidsregels met betrekking tot de openbare orde en het algemeen belang bij de verlening, verlenging, wijziging en intrekking van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in [artikel 6 WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=6).
Onder gevaar voor de openbare orde wordt ook begrepen gevaar voor:
Gevaar voor de openbare rust, de goede zeden, de volksgezondheid, de (goede) internationale betrekkingen, ongewenste politieke activiteiten of de nationale veiligheid worden per geval beoordeeld. In deze paragraaf worden geen algemene regels gegeven met betrekking tot die gronden om het verblijf van een vreemdeling in de openbare lichamen te weigeren of te beëindigen.
### 1.9.4.1. Eerste verblijfsaanvaarding
De verblijfsvergunning voor bepaalde of onbepaalde tijd kan door Onze Minister worden geweigerd met het oog op de openbare orde of het algemeen belang (zie [artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=9)).
Van de bevoegdheid om de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd te weigeren wordt in de hieronder genoemde gevallen gebruik gemaakt.
De aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd kan worden afgewezen als:
Onder vrijheidsontnemende maatregelen wordt ook verstaan:
Aan gratieverlening komt geen betekenis toe. Ook hoeft de veroordeling niet onherroepelijk te zijn. Als hoger beroep is ingesteld tegen een veroordeling in eerste aanleg, of cassatieberoep is ingesteld tegen een veroordeling in hoger beroep, wordt de aanvraag om een verblijfsvergunning afgewezen. Bij een aanvraag voor een verblijfsdoel verband houdend met gezinshereniging of gezinsvorming moet bij de beoordeling van de aanvraag wel rekening worden gehouden met de aard en de hechtheid van de gezinsband van de vreemdeling en de duur van zijn verblijf, en ook het bestaan van familiebanden of culturele en sociale banden met het land van herkomst.
Als een strafzaak wegens het plegen van een misdrijf openstaat en bekendheid met de uitkomst van de strafzaak voor de te nemen beslissing noodzakelijk is, wordt contact opgenomen met het OM. De redelijke termijn voor het geven van de beschikking wordt in dat geval schriftelijk met maximaal zes maanden verlengd.
Als een straf geheel of gedeeltelijk, voorwaardelijk of onvoorwaardelijk, door Nederlandse of buitenlandse autoriteiten is kwijtgescholden, wordt daaraan voor de toepassing van deze regels geen zelfstandige betekenis toegekend.
Als geen sprake is van één van de hierboven onder a, b of c genoemde gevallen, kan de aanvraag alleen worden afgewezen wegens gevaar voor de openbare orde als sprake is van zwaarwegende belangen. Hiervan mag slechts zeer terughoudend gebruik worden gemaakt. Bij toepassing van deze afwijzingsgrond moet een volledige individuele afweging worden gemaakt van de rechtstreeks in het geding zijnde belangen.
### 1.9.5. Medisch onderzoek
De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd kan worden geweigerd door Onze Minister met het oog op het algemeen belang, namelijk bescherming van de volksgezondheid (zie [artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=9)).
Als de vreemdeling niet bereid is onderzoek naar of behandeling van tuberculose te ondergaan of daaraan niet meewerkt wordt aangenomen dat het algemeen belang zich verzet tegen verlening van de vergunning (zie [artikel 5.35, eerste lid, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.35)).
Deze afwijzingsgrond geldt niet voor vreemdelingen die de nationaliteit bezitten van één van de in [artikel 4.3 van de RTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028815&artikel=4.3) genoemde landen (zie [artikel 5.35, tweede lid, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.35)).
Als TBC wordt vastgesteld, is dat op zichzelf geen grond om de aanvraag af te wijzen. Het gaat alleen om de bereidheid een onderzoek naar TBC dan wel behandeling van TBC te ondergaan of daaraan mee te werken.
Deze afwijzingsgrond geldt alleen voor de verlening van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd en niet voor het wijzigen of verlengen van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd.
Als de vreemdeling voor het indienen van de aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd het onderzoek naar TBC aan de ademhalingsorganen nog niet heeft ondergaan, en daar niet van is vrijgesteld, ondertekent de vreemdeling bij het indienen van de aanvraag om een verblijfsvergunning het TBC-formulier (zie model MBES22 CTU-BES). Daarin geeft de vreemdeling aan bereid te zijn een onderzoek naar en, indien nodig, behandeling van TBC te ondergaan. De vreemdeling meldt zich binnen drie maanden na datum aanvraag bij de daarvoor aangewezen instantie. De arts belast met het onderzoek vergelijkt de gegevens in het document voor grensoverschrijding van de vreemdeling met de gegevens op het TBC-formulier. De arts vult na het onderzoek het formulier in en zendt het naar de IND unit Caribisch Nederland.
Als blijkt dat de vreemdeling niet bereid is om het TBC-formulier te ondertekenen dan wordt de aanvraag afgewezen. Als de vreemdeling het TBC-formulier wel heeft ondertekend en voldoet aan de overige voorwaarden van het beoogde verblijfsdoel kan de verblijfsvergunning worden verleend. De IND unit Caribisch Nederland stelt achteraf vast, op basis van informatie verkregen van de arts, of de vreemdeling aan de verplichting om een TBC-onderzoek te ondergaan heeft voldaan. Als achteraf blijkt dat de vreemdeling ondanks ondertekening van het TBC-formulier niet daadwerkelijk bereid is gebleken onderzoek naar TBC of behandeling daarvan te ondergaan of daaraan mee te werken, wordt de verblijfsvergunning ingetrokken op grond van het algemeen belang wegens het verstrekken van onjuiste gegevens (zie [artikel 14, onder c, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=14)).
### 1.9.6. Niet voldoen aan de beperking
De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd kan met het oog op het algemeen belang worden geweigerd als de vreemdeling niet voldoet aan de beperking verband houdende met het doel waarvoor hij wil verblijven (zie de [artikelen 9, eerste lid, onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=9), en [7, zevende lid, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=7) en [artikel 5.2, eerste lid, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.2)). In het [BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599) zijn regels gesteld over de beperkingen en voorschriften.
### 1.10. Gevolgen van de afwijzing
Als een vreemdeling geen verblijfsvergunning (meer) heeft en het hem niet is toegestaan de beslissing op de openbare lichamen af te wachten, moet de vreemdeling uit zichzelf de openbare lichamen verlaten binnen een gestelde termijn (zie [artikel 16a WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=16a)). Mocht de vreemdeling hier geen gehoor aan geven, dan kan hij worden uitgezet (zie [artikel 16 WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=16)).
@@ -1132,3267 +4542,1225 @@
### 1.11. Vertrektermijn
Als de toelating bij vergunning is geëindigd of de aanvraag tot het verlenen, wijzigen of verlengen van een verblijfsvergunning wordt afgewezen, wordt aangegeven binnen welke termijn de vreemdeling de openbare lichamen moet verlaten. Als regel geldt dat de vreemdeling de openbare lichamen uit eigen beweging binnen vier weken moet verlaten (zie [artikel 16 a WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=16a)). Bij de bekendmaking van de beschikking wordt dat aan de vreemdeling meegedeeld. Tegen de vertrektermijn kan geen rechtsmiddel worden ingesteld.
Als de aanvraag is afgewezen, de verblijfsvergunning is ingetrokken, dan wel niet is verlengd verlaat de vreemdeling de openbare lichamen onmiddellijk als de beroepstermijn ongebruikt verstrijkt en tijdens die termijn de werking van de beschikking is opgeschort (zie [artikel 16a, tweede lid, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=16a)).
De Minister kan met toepassing van [artikel 16a, vierde lid, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=16a) de vertrektermijn verkorten tot minder dan vier weken in het belang van:
### 1.12. Verlenging en intrekking van de verblijfsvergunning voor (on)bepaalde tijd
### 1.12.1. Verlengen van de vergunning
Een aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning voor (on)bepaalde tijd kan worden afgewezen (zie [artikel 9, eerste lid, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=9)):
De aanvraag tot het wijzigen of het verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd is tijdig ingediend, als de aanvraag is ontvangen uiterlijk op de dag voor de dag waarop de geldigheidsduur verstrijkt (zie [artikel 5.36, eerste lid, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.36)). De aanvraag kan maximaal vier maanden voor het verstrijken van de geldigheidsduur en uiterlijk op de dag van verloop van de geldigheidsduur worden ingediend. De vreemdeling wordt geacht gedurende zijn verlengingsverzoek rechtmatig in de openbare lichamen te verblijven.
De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd kan worden verlengd met ingang van de dag waarop de vreemdeling heeft aangetoond dat hij aan alle voorwaarden voldoet, maar niet eerder dan met ingang van de dag na die waarop de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning waarvoor verlenging is gevraagd, afloopt (zie [artikel 7, vijfde lid, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=7)).
Als de aanvraag later is ontvangen en de termijnoverschrijding de vreemdeling niet kan worden toegerekend, dan kan de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd worden verlengd met ingang van de dag na die waarop de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning waarvoor verlenging is gevraagd afloopt (zie [artikel 5.36, eerste lid, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.36) en [artikel 7, zesde lid, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=7)).
De vraag of de te late ontvangst van de aanvraag aan de vreemdeling is toe te rekenen, wordt van geval tot geval beoordeeld. Als uitgangspunt geldt dat de vreemdeling zelf de volledige verantwoordelijkheid draagt voor tijdige indiening van de verlengingsaanvraag, desnoods door tussenkomst van derden.
Onderstaande omstandigheden kunnen niet worden aangemerkt als verschoonbare redenen voor termijnoverschrijding:
Als de te late indiening van de aanvraag of de te late verstrekking van de noodzakelijke gegevens of bescheiden niet aan de vreemdeling toe te rekenen is, wordt gebruik gemaakt van de bevoegdheid om de verblijfsvergunning te verlengen in aansluiting op de verlopen vergunning.
### 1.12.2. Wijzigen van de vergunning
Een aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt op grond van [artikel 14, onder c, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=14) niet afgewezen, als de vreemdeling niet of niet langer beschikt over een geldig document voor grensoverschrijding en naar het oordeel van Onze Minister heeft aangetoond dat hij niet of niet meer in het bezit van een geldig document voor grensoverschrijding kan worden gesteld (zie [artikel 5.39 BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.39)). Wat geldt voor het verlenen van de verblijfsvergunning (zie paragraaf 1.9.2) geldt ook voor de verlenging van de verblijfsvergunning. Als eerder bij de verlening van een verblijfsvergunning het ontbreken van een geldig document voor grensoverschrijding niet is tegengeworpen, moet bij de wijzigings- of verlengingsaanvraag beoordeeld worden of de vreemdeling inmiddels wel in het bezit kan worden gesteld van een geldig document voor grensoverschrijding of daarvan wederom kan worden vrijgesteld. De situatie kan namelijk zijn gewijzigd.
### 1.12.3. Gronden intrekking
Van vergaande behoeftigheid is bijvoorbeeld sprake als de vreemdeling tot bedelarij en/of landloperij (geen onderkomen) is vervallen.
De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd die is verleend onder de beperking gezinshereniging of gezinsvorming, wordt niet ingetrokken op de enkele grond dat de samenwoning tijdelijk is verbroken, als de vreemdeling de persoon bij wie verblijf is toegestaan wegens gewelddaden heeft verlaten. Dit geldt niet als sinds de verbreking van de samenwoning een jaar is verstreken (zie [artikel 5.44 BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.44)).
Voordat tot intrekking van de verblijfsvergunning wordt overgegaan moet de vreemdeling in de gelegenheid gesteld worden om zijn zienswijze naar voren te brengen. Als de vreemdeling onvindbaar is kan de IND unit Caribisch Nederland direct tot intrekking van de verblijfsvergunning overgaan.
### 1.12.3.2. Voortzetting verblijf na intrekking verblijfsvergunning
De aanvraag van de vreemdeling wiens verblijfsvergunning is ingetrokken, maar waarbij de aanvraag nog is ontvangen binnen de redelijke termijn van zes maanden na de datum waarop de intrekkingsbeschikking is bekendgemaakt, wordt getoetst aan de voorwaarden voor voortzetting van verblijf. Het valt onder de categorie **‘niet-tijdig maar binnen de redelijke termijn’**. De aanvraag is slechts tijdig als deze is ingediend vóór het tijdstip tot wanneer de verblijfsvergunning is ingetrokken. Als de verblijfsvergunning is ingetrokken tot en met de datum waarop zij is verleend, kan betrokkene per definitie niet tijdig een verlengingsaanvraag indienen. De aanvraag wordt in deze gevallen aangemerkt als een aanvraag om eerste toelating.
### 2. De verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd
### 2.1. Algemeen
### 2.2. Systematiek
Bepalend is de vraag of de vreemdeling al dan niet toelating van rechtswege heeft gehad gedurende een ononderbroken periode van ten minste vijf jaren. Als dit zo is, dan wordt de vergunning voor onbepaalde tijd verleend.
Volgens [artikel 14 WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=14) kan de verblijfsvergunning voor bepaalde of onbepaalde tijd door Onze Minister worden ingetrokken, bij een met reden omklede beslissing, in de volgende gevallen:
### 3. Procedurele bepalingen
### 3.1. De mvv-aanvraag
In ieder geval zal geen bestendig verblijf worden aangenomen indien de vreemdeling in het bezit is van een toeristen- of zakenvisum.
### 3.1.1. Aanvraagprocedure mvv ingediend door de vreemdeling
Na ontvangst van de aanvraag gaat de IND unit Caribisch Nederland aan de hand van de door de vreemdeling verstrekte gegevens na of een (in de openbare lichamen woonachtige) referent bekend is. Als dat het geval is, dan wordt (behoudens bijzondere omstandigheden) de referent door de IND unit Caribisch Nederland schriftelijk in de gelegenheid gesteld om binnen twee weken de vereiste gegevens en bescheiden in te dienen. Als de referent van deze gelegenheid geen gebruik maakt, of niet alle gevraagde stukken overlegt, wordt hem éénmaal een hersteltermijn van twee weken verleend. Na ommekomst van de hersteltermijn beziet de IND unit Caribisch Nederland of de gevraagde documenten zijn overgelegd, en of deze documenten in orde zijn. Zonodig vindt onderzoek plaats naar de inhoud of authenticiteit van de overgelegde stukken.
### 3.1.2. Aanvraagprocedure mvv ingediend door de referent
Als wordt voldaan aan de toelatingsvoorwaarden voor het gevraagde verblijfsdoel, machtigt de IND unit Caribisch Nederland onder voorbehoud de diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging om de mvv af te geven. Dit voorbehoud houdt in, dat door nader onderzoek door de diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging naar de authenticiteit van de originele buitenlandse bewijsstukken betreffende de staat van personen en van het document voor grensoverschrijding, de identiteit van de vreemdeling komt vast te staan en dat zich ook verder geen feiten of omstandigheden voordoen die zich tegen de afgifte van de mvv verzetten.
Als het onderzoek de authenticiteit van de desbetreffende documenten bevestigt en zich ook overigens geen feiten of omstandigheden voordoen die zich tegen de afgifte van de mvv verzetten, wordt de mvv afgegeven.
### 3.1.3. Afgifte mvv
De mvv wordt afgegeven door de Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging in het buitenland. De mvv kan alleen worden afgegeven na de kennisgeving van de IND unit Caribisch Nederland. Deze machtiging is drie maanden geldig te rekenen vanaf de datum van dagtekening van het bericht van de IND unit Caribisch Nederland aan de diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging om een mvv te verstrekken. Binnen die drie maanden moet de vreemdeling de mvv hebben afgehaald. Als de vreemdeling zich niet binnen drie maanden bij de Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging heeft vervoegd voor de afgifte van de mvv, zal een nieuwe aanvraag om een mvv moeten worden ingediend. Als de afgifte van de mvv plaats heeft gevonden binnen die drie maanden, heeft de vreemdeling vervolgens drie maanden, vanaf datum afgifte mvv, om naar de openbare lichamen te reizen.
### 3.1.4. Samenloop aanvraagprocedures
Als een vreemdeling een aanvraag heeft indiend om verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd om redenen verband houdend met bescherming, kan hij geen aanvraag om toelating doen op andere gronden dan voorzien bij [artikel 12a WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=12a) zolang niet onherroepelijk is beslist op de aanvraag om toelating verband houdend met artikel 12a WTU-BES.
### 3.1.5. Mvv en verlening verblijfsvergunning bepaalde tijd
### 3.2. De aanvraag om een verblijfsvergunning voor (on)bepaalde tijd
Een herhaalde aanvraag kan op grond van [artikel 8 WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=8) worden afgewezen. Deze aanvraag kan zich in verschillende vormen voordoen.
### 3.2.1. De vereisten voor het indienen van de aanvraag
De aanvraag tot verlening, verlenging, vervanging of vernieuwing van een verblijfsvergunning wordt schriftelijk ingediend door middel van een formulier, waarvan het model bij ministeriële regeling is vastgesteld ([artikel 7, lid 2, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=7) en [artikel 5.47, lid 1, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.47)). Als de aanvraag niet is ingediend middels het juiste aanvraagformulier kan de aanvraag onder omstandigheden buiten behandeling worden gesteld.
### 3.3. Aanduiding van de beschikking die wordt gevraagd
Als de vreemdeling aangeeft op grond van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd zonder beperking in de openbare lichamen te willen verblijven, dan moet hij in de gelegenheid worden gesteld om de aanvraag nader aan te vullen met een concreet verblijfsdoel. Ook moet hij de aanvraag nader met gegevens en bescheiden onderbouwen. De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt niet zonder beperking verleend, maar altijd onder een beperking die verband houdt met een specifiek verblijfsdoel (zie [artikel 5.2 BTU BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.2)).
### 3.4. Onderbouwende gegevens en bescheiden
Bij de indiening van de aanvraag legt de vreemdeling een geldig document voor grensoverschrijding over en verstrekt hij de gegevens en bescheiden waarmee wordt aangetoond dat hij voldoet aan de voorwaarden (zie [artikel 5.50, lid 1, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.50)). Uitgangspunt is dat de vreemdeling een complete aanvraag indient. De vreemdeling draagt de verantwoordelijkheid om zich op de hoogte te stellen welke gegevens nodig zijn.
### 3.5. Specifieke bepalingen procedure verblijfsvergunning (on)bepaalde tijd
De vreemdeling moet hiervoor langs bij het IND-BES loket en aan het loket wordt een afspraak gemaakt met de vreemdeling voor het indienen van zijn aanvraag.
### 3.6. Leges
Een vreemdeling die een aanvraag indient tot het verlenen van een verblijfsvergunning onder een beperking gezinshereniging kan ontheven worden van de verplichting tot het betalen van leges. De vreemdeling moet een gerechtvaardigd beroep doen op artikel 8 EVRM. De hoofdpersoon bij wie de vreemdeling verblijf beoogd moet zijn financiële situatie met bewijsstukken aantonen. Hij moet aantonen dat hij niet over middelen beschikt om de leges te voldoen en dat hij de afgelopen drie jaren alles heeft gedaan om over de vereiste middelen te kunnen beschikken. Daarnaast moet hij ook aantonen dat hij op korte termijn niet zelf zal kunnen beschikken over de middelen om de leges te kunnen voldoen of door anderen in zijn omgeving. De vreemdeling moet bij het indienen van de aanvraag stukken overleggen waaruit dat blijkt. Als de vreemdeling zich beroept op vrijstelling van de leges maar bij de aanvraag geen stukken heeft overgelegd waaruit blijkt dat hij de leges niet kan betalen, dan wordt hem herstel verzuim geboden. Als de vreemdeling vervolgens geen stukken overlegt dan wordt de aanvraag buiten behandeling gesteld.
Als gelijktijdig aanvragen worden gedaan tot het verlengen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd en het verlenen van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, dan moet de vreemdeling alleen de leges voor de afdoening van de aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd betalen.
### 3.7.1. Herstel verzuim
Het bieden van herstel verzuim is niet nodig als van te voren al vast staat dat de vreemdeling niet aan een bepaalde inhoudelijke voorwaarde voldoet.
Dat geldt voor:
### 3.7.4. Bevoegdheid
### 3.7.5. Bekendmaking
### 3.7.5.1. Algemene regels
Wordt een beschikking gegeven waarbij aan de vreemdeling (voortzetting van) verblijf wordt toegestaan, geheel of gedeeltelijk in overeenstemming met een door hem ingediende aanvraag, dan moet de vreemdeling zich in persoon met de originele beschikking melden bij Burgerzaken voor uitreiking van het verblijfsdocument.
Als verblijfsdocument in de zin van [artikel 7, eerste lid, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=7) wordt aangemerkt de Sédula.
De Sédula wordt afgegeven door Burgerzaken. Voor afgifte van de Sédula moet de vreemdeling zich in persoon melden bij Burgerzaken en daar de originele beschikking tonen waarbij de verblijfsvergunning is verleend. Het verblijfsdocument wordt alleen in persoon aan de vreemdeling uitgereikt. Een eventuele eerder afgegeven Sédula moet dan worden ingeleverd. Als sprake is van vermissing van de oude Sédula moet ook (een kopie van) een proces-verbaal van aangifte van vermissing daarvan worden overgelegd. Als de vreemdeling minderjarig is, moet het verblijfsdocument door de wettelijke vertegenwoordiger in het bijzijn van de minderjarige in ontvangst worden genomen.
### 3.7.5.2. Weigering verlenging en wijziging beperking
### 3.8. Overgangsrecht
### 3.8.1. Geldige verblijfstitels, verklaringen van verblijf van rechtswege en nvt-verklaringen
Een vergunning tot tijdelijk verblijf met als beperking een woonplaats, gelegen op Bonaire, Sint Eustatius of Saba, wordt, onder handhaving van de beperkingen en de geldigheidsduur, aangemerkt als een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in de [WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571), met dien verstande dat de beperking met betrekking tot de woonplaats geacht wordt te zijn opgeheven.
### 3.8.2. In behandeling zijnde verzoeken
Een op het tijdstip van inwerkingtreding van de [WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571) in behandeling zijnd verzoek tot het verlenen, wijzigen of verlengen van een vergunning tot tijdelijk verblijf wordt aangemerkt als een aanvraag tot het verlenen, wjzigen of verlengen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd op grond van de WTU-BES.
Een op het tijdstip van inwerkingtreding van de [WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571) in behandeling zijnd verzoek tot het verstrekken van een verklaring van verblijf van rechtswege, ingediend bij de gezaghebber van Bonaire, Sint Eustatius of Saba, wordt aangemerkt als een aanvraag tot het verstrekken van een verklaring van verblijf van rechtswege op grond van de WTU-BES.
Gedurende vijf jaar na inwerkingtreding van het [BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599) wordt de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd in het kader van ‘voortgezet verblijf’ (zoals opgenomen in [artikel 5.2, lid 1 sub e, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.2)) verleend aan de vreemdeling die:
### 3.8.4. Verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd na vijf jaar
### Hoofdstuk 4. Arbeid in loondienst
### 1. Inleiding
In [artikel 5.20 BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.20) is geregeld in welke gevallen en onder welke voorwaarden een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt verleend voor arbeid in loondienst, als er geen afwijzingsgronden van toepassing zijn. Als aan één of meer van de in artikel 5.20 BTU-BES genoemde verblijfsvoorwaarden niet is voldaan, of wanneer een algemene weigeringsgrond (zie [artikel 9 WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=9)) van toepassing is, is de Minister niet verplicht doch wel bevoegd de verblijfsvergunning te verlenen. De gevallen waarin van de bevoegdheid om de verblijfsvergunning te verlenen gebruik wordt gemaakt, worden aangegeven in de CTU-BES.
### 1.1. Samenhang tussen de [WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571) en de [Wav BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028437)
Op grond van de [Wav BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028437) is een werkgever:
### 1.2. Meerdere werkgevers
Het werkgeversbegrip verwijst niet naar een juridische verhouding, gebaseerd op een arbeidsovereenkomst of aanstelling, maar naar de feitelijke situatie, waarbij een vreemdeling feitelijk arbeid verricht in opdracht van of voor een ander. Als gevolg van het brede werkgeversbegrip kunnen zich situaties voordoen dat een vreemdeling voor hetzelfde werk meerdere werkgevers heeft (uitzendarbeid, aanneming van werk). Met hetzelfde werk wordt hier letterlijk bedoeld hetzelfde werk (dus niet hetzelfde soort werk of dezelfde soort functie bij meerdere werkgevers). Als één van de werkgevers al beschikt over een TWV voor het betreffende werk, hoeven andere werkgevers geen TWV aan te vragen (zie voorbeeld 1). Als de vreemdeling meerdere werkgevers heeft als gevolg van het feit dat hij ook meerdere banen heeft, geldt dat elk van de werkgevers over een TWV moet beschikken voor de werkzaamheden die de vreemdeling voor die betreffende werkgever verricht (zie voorbeeld 2).
**Luciano verricht arbeid als metselaar bij bouwbedrijf A dat hem heeft ingeleend van bouwbedrijf B.**
### 2. Buitenlandse werknemers voor wie een TWV is vereist
Als er geen voor arbeid geldige verblijfsvergunning is aangevraagd, is dat een dwingende grond om een TWV te weigeren op grond van [artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d, Wav BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028437&artikel=8).
### 2.2. Vereiste bescheiden
De vreemdeling moet de volgende bescheiden overleggen:
### 2.3. Procedure bij het loket van IND-BES (1-loket procedure)
### 2.3.1. 1-loket procedure
De IND unit Caribisch Nederland stuurt de TWV-aanvraag ter behandeling door naar de SZW-BES unit. Deze voert een arbeidsmarkttoets uit en neemt een beslissing op de aanvraag om een TWV. Vervolgens wordt deze beslissing dan wel de TWV doorgestuurd naar de IND unit Caribisch Nederland.
### 2.3.2. Procedure gezinsleden bij het loket van IND-BES
Aanvragen om een mvv in het kader van gezinshereniging met een arbeidsmigrant worden eveneens bij het IND-BES loket ingediend als:
### 2.4. Samenhang beslissing aanvraag TWV en verblijfsvergunning
Een vreemdeling, die naar de openbare lichamen komt om arbeid in loondienst te verrichten, vraagt een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd voor het verrichten van arbeid in loondienst aan bij de IND unit Caribisch Nederland. In de periode, gelegen tussen verlening van een TWV en de beslissing op de aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning, is het de vreemdeling toegestaan de arbeid te verrichten waarvoor de TWV is afgegeven. Zolang geen beslissing op de aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning is genomen, wordt hij daarom niet uit de openbare lichamen verwijderd. De verlening van een TWV betekent dat met de komst van een vreemdeling een wezenlijk belang is gediend. De verblijfsvergunning zal dan ook in principe worden verleend, tenzij één van de weigeringsgronden van [artikel 9 WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=9) van toepassing is.
Een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd voor het verrichten van arbeid in loondienst wordt verleend voor een duur die maximaal gelijk is aan de duur van de TWV (zie [artikel 5.27 BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.27)).
Het is van belang dat de ingangsdatum van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd zo veel mogelijk gelijk is aan de ingangsdatum van de TWV. Is dat niet zo, dan moet tijdig (d.w.z. voor afloop van de TWV waarvan verlening wordt beoogd), contact worden opgenomen met het loket van de IND unit Caribisch Nederland om verlenging van de verblijfsvergunning aan te vragen, als dat mogelijk is.
### 2.6. Beperking, arbeidsmarktaantekening en voorschrift
### 2.6.2. Arbeidsmarktaantekening
### 2.6.3. Voorschrift
Bij verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd voor het verrichten van arbeid
in loondienst, moet de schriftelijke garantstelling worden ondertekend door de werkgever, mits deze solvabel is.
Een werkgever wordt geacht solvabel te zijn als aan hem een TWV is verleend voor de door de vreemdeling te verrichten arbeid.
### 3. Buitenlandse werknemers voor wie een TWV niet is vereist
### 3.1. Verblijfsvoorwaarden
De voorwaarden voor verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd voor het verrichten van arbeid in loondienst door deze categorie buitenlandse werknemers zijn (zie [artikel 5.20 BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.20) en [artikel 3 Wav BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028437&artikel=3)):
### 3.2. Vrijgestelde categorieën vreemdelingen
Het verbod voor een werkgever om een vreemdeling zonder TWV arbeid te laten verrichten geldt niet voor een vreemdeling die beschikt over een verblijfsvergunning welke is voorzien van een aantekening van de Minister van Justitie waaruit blijkt dat aan die vergunning geen beperkingen zijn verbonden voor het verrichten van arbeid (zie [artikel 8,onder e, Besluit uitvoering Wav BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028231&artikel=8)).
De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd voor het verrichten van arbeid in loondienst kan worden verleend aan een vreemdeling die in het bezit is van een arbeidsmarktaantekening ‘arbeid vrij toegestaan; TWV niet vereist’ als hij in ieder geval voldoet aan de voorwaarden genoemd in [artikel 5.20, tweede lid, onder b, c en e, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.20).
### 4. Bijzondere categorieën vreemdelingen
### 4.1. Nederlandse zeeschepen
### 4.2. Internationale luchtvaart en scheepvaart
Het algemene vreemdelingenbeleid is niet van toepassing op buitenlandse werknemers in enkele specifieke sectoren (internationale luchtvaart en scheepvaart) van de internationale arbeidsmarkt, omdat zij niet dan wel het grootste deel van de tijd niet werkzaam zijn op Nederlands grondgebied. De toelating van rechtswege voor de duur van maximaal 3 maanden vervalt op het tijdstip van vertrek van het schip of luchtvaartuig.
De verbodsbepaling van de [Wav BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028437) is niet van toepassing op een vreemdeling die zijn hoofdverblijf buiten Nederland heeft én geen arbeidsovereenkomst heeft met een in de openbare lichamen gevestigde werkgever én uitsluitend arbeid verricht op buiten de openbare lichamen geregistreerde vervoermiddelen in het internationale verkeer (zie [artikel 8, onder b, Besluit uitvoering Wav-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028231&artikel=8)).
Van bovengenoemde buitenlandse werknemers moeten worden onderscheiden opvarenden van tot de zee- of luchtmacht van enige mogendheid behorende schepen of luchtvaartuigen. [Artikel 3, eerste lid, onder e, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=3) bepaalt dat deze opvarenden van rechtswege toelating tot verblijf hebben in de openbare lichamen, gedurende de tijd dat de openbare lichamen met toestemming van de bevoegde autoriteiten worden aangedaan. Laatstgenoemde vreemdelingen hoeven derhalve niet in het bezit te zijn van een verblijfsvergunning als bedoeld in [artikel 6, eerste lid, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=6).
### 4.3. Stagiaires en praktikanten
### 4.3.1. Inleiding
In [artikel 5.20 BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.20) staan de voorwaarden voor verlening van een verblijfsvergunning voor het verrichten van arbeid in loondienst als stagiair of praktikant. Zie de onder dit hoofdstuk, paragraaf 2.1 genoemde voorwaarden.
Zie voor de vereiste bescheiden [hoofdstuk 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028837&hoofdstuk=3&z=2012-07-01&g=2012-07-01) CTU-BES.
### 4.3.3. Beperking, arbeidsmarktaantekening en voorschrift
### 4.3.3.3. Voorschriften
Hier gelden de beleidsregels zoals vermeld in 2.6.3.
### 4.3.4. Geldigheidsduur
Voor stagiaires geldt dat een aanvraag om verlenging van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning voor het verrichten van arbeid in loondienst als stagiair voor hetzelfde doel wordt afgewezen, als de vreemdeling één jaar houder van deze verblijfsvergunning is geweest.
### 4.4. Kortdurende arbeid (maximaal drie maanden)
Vreemdelingen die verblijf hebben in de vrije termijn en in die periode arbeid in loondienst verrichten zijn bijvoorbeeld:
### 4.4.2. Meldplicht
### 4.4.3. Arbeidsovereenkomst of stage voor maximaal drie maanden
Niet-visumplichtige vreemdelingen en Nederlanders die op basis van een arbeidsovereenkomst voor maximaal drie maanden in de openbare lichamen arbeid in loondienst willen verrichten, hebben een vrije termijn van drie maanden binnen een tijdvak van zes maanden (zie [artikel 4.4, eerste lid, onder c, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=4.4)). Binnen deze termijn hoeven zij niet in het bezit te zijn van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd dan wel van een verklaring waaruit blijkt dat men toelating van rechtswege heeft. Ook geldt voor hen geen meldplicht, als zij aannemelijk kunnen maken dat zij naar de openbare lichamen zijn gekomen om arbeid te verrichten voor een periode van maximaal drie maanden, te rekenen vanaf hun binnenkomst (zie paragraaf 4.4.2). In het geval van de niet-visumplichtige vreemdelingen zal de werkgever in beginsel wel in het bezit moeten zijn van een geldige TWV voor deze arbeid.
### 4.4.4.1. Verblijfsvoorwaarden
De zekerheid bestaat uit het overleggen van een verklaring van een solvabele derde die zich voor de kosten garant stelt (zie [artikel 3.9, tweede lid, onder c, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=3.9)). In dit geval moet deze verklaring door de werkgever worden ondertekend. Van de overige in artikel 3.9, tweede lid, BTU-BES genoemde zekerheidstellingen wordt in beginsel geen gebruik gemaakt.
De werkgever moet in beginsel in het bezit zijn van een TWV (behoudens uitzonderingen genoemd in [artikel 3 Wav BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028437&artikel=3) en de [artikelen 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028231&artikel=7) en [8 Besluit uitvoering Wav BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028231&artikel=8)). Voor de verlening van de TWV voor arbeid voor maximaal 12 weken moet de vreemdeling in het bezit zijn van een bewijs van rechtmatig verblijf. Met het oog daarop kan de vreemdeling zich melden bij de IND-unit Caribisch Nederland, die hem een verklaring afgeeft als aan de daarvoor geldende voorwaarden wordt voldaan (zie [artikel 3, derde lid, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=3)).
### 4.5. Van rechtswege toegelaten vreemdelingen
Voor vreemdelingen die op grond van [artikel 3, eerste lid, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=3) van rechtswege toelating tot verblijf hebben, hoeft de werkgever niet in het bezit te zijn van een TWV. Zie verder [hoofdstuk 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028837&hoofdstuk=2&z=2012-07-01&g=2012-07-01).
### 4.6. Directeuren-(groot)aandeelhouders
Als zij een belang van 25% of meer hebben in het bedrijf, ondernemingsrisico lopen en de hoogte van hun salaris zelf kunnen beïnvloeden, moeten zij een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als zelfstandige aanvragen. Als zij niet aan deze voorwaarden voldoen, is de procedure voor werknemers van toepassing. Zie in dat geval de voorwaarden voor verblijf genoemd in dit hoofdstuk, paragraaf 2.1.
Let op: voor de vreemdeling aan wie op grond van de [Wet vestiging bedrijven BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028164) een directievergunning is verleend, hoeft geen TWV te zijn afgegeven.
### 4.7. Dienstverrichters
Het kan bijvoorbeeld gaan om een buiten de openbare lichamen gevestigd bouwbedrijf dat in opdracht van een in de openbare lichamen gevestigde persoon of bedrijf een woning of kantoorpand bouwt in de openbare lichamen of om een bedrijf dat een buiten de openbare lichamen gevestigd bedrijf opdracht geeft tot het aanleggen van een ICT-systeem. De vreemdeling die in dienst is van dat buiten de openbare lichamen gevestigde bedrijf verricht diensten voor de binnen de openbare lichamen gevestigde opdrachtgever en valt in beginsel onder de TWV-plicht.
### 5. Voortzetting van verblijf
### 5.1. Inleiding
Daarnaast kunnen er algemene gronden zijn die kunnen leiden tot verblijfsbeëindiging. Zie daarvoor hoofdstuk 3, paragraaf 1.12.3.
In dat geval wordt immers niet meer voldaan aan de beperking waaronder de verblijfsvergunning aan de vreemdeling is verleend.
### 5.3. Werkloosheid
### 5.3.1. Houders van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd
### 5.3.2. Houders van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd
Beleidsregel:
Als de aanvraag tot verlenging niet op de uiterste datum is ingediend, maar wel binnen twee jaar na afloop van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning, moet de aanvraag wel als een verlengingsaanvraag worden behandeld. Alle vereiste documenten moeten ook binnen die termijn zijn overgelegd (zie [artikel 5.38 BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.38)). De aanvraag wordt in dat geval niet afgewezen wegens het ontbreken van een geldige mvv en ook niet als de vreemdeling weigert een onderzoek naar en zonodig behandeling aan TBC te ondergaan ([artikel 5.38, lid 1, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.38)).
Bovengenoemde geldt niet als de vreemdeling:
Als de aanvraag wordt ingewilligd dan is de ingangsdatum de datum waarop de verlengingsaanvraag is ingediend, tenzij het de vreemdeling niet is toe te rekenen dat de aanvraag te laat is ingediend (zie [artikel 7, zesde lid, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=7)). Er ontstaat een onderbreking in het verblijfsrecht van de vreemdeling wat gevolgen heeft voor de opbouw van de verdere verblijfsrechten. Als de te late indiening van de aanvraag of de te late verstrekking van de noodzakelijke gegevens of bescheiden niet aan de vreemdeling toe te rekenen is, wordt gebruik gemaakt van de bevoegdheid om de verblijfsvergunning te verlengen in aansluiting op de verlopen vergunning.
De niet-tijdig ingediende aanvraag tot het wijzigen of tot het verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt gelijkgesteld met een aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd (zie [artikel 5.36, tweede lid, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.36)). Dat is het geval als de verlengingsaanvraag na twee jaar, na verloop van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning, is ingediend. Betrokkene heeft in die periode geen verblijfsrecht. Betrokkene moet de afhandeling van de aanvraag in het buitenland afwachten. Als positief op de aanvraag is beslist verkrijgt betrokkene weer toelating tot verblijf in de zin van [artikel 6 van de WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=6).
### 1.12.2. Wijzigen van de vergunning
Een tijdig ingediende aanvraag tot het wijzigen van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt getoetst als een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd voor het gewijzigde doel en de [artikelen 5.30](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.30) en [5.35 BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.35) zijn niet van toepassing (zie [artikel 5.37 BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.37)). Als de aanvraag is ontvangen uiterlijk op de dag voor de dag waarop de geldigheidsduur van de oorspronkelijke vergunning verstrijkt is er sprake van voortgezet verblijf. De aanvraag wordt in dat geval niet afgewezen wegens het ontbreken van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf en ook niet als de vreemdeling weigert een onderzoek naar en zonodig behandeling aan TBC te ondergaan.
De aanvraag wordt beoordeeld aan de hand van het recht zoals dat gold op het tijdstip waarop de aanvraag is ontvangen en niet op het tijdstip waarop de geldigheidsduur van de oorspronkelijke vergunning afliep.
Een aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt op grond van [artikel 14, onder c, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=14) niet afgewezen, als de vreemdeling niet of niet langer beschikt over een geldig document voor grensoverschrijding en naar het oordeel van Onze Minister heeft aangetoond dat hij niet of niet meer in het bezit van een geldig document voor grensoverschrijding kan worden gesteld (zie [artikel 5.39 BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.39)). Wat geldt voor het verlenen van de verblijfsvergunning (zie paragraaf 1.9.2) geldt ook voor de verlenging van de verblijfsvergunning. Als eerder bij de verlening van een verblijfsvergunning het ontbreken van een geldig document voor grensoverschrijding niet is tegengeworpen, moet bij de wijzigings- of verlengingsaanvraag beoordeeld worden of de vreemdeling inmiddels wel in het bezit kan worden gesteld van een geldig document voor grensoverschrijding of daarvan wederom kan worden vrijgesteld. De situatie kan namelijk zijn gewijzigd.
Een aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt op grond van [artikel 14, onder c, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=14) niet afgewezen, als de vreemdeling onjuiste gegevens heeft verstrekt dan wel gegevens heeft achtergehouden die tot afwijzing van de oorspronkelijke aanvraag tot het verlenen of verlengen zouden hebben geleid, als er sinds de verlening, verlenging of wijziging van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd een periode van twaalf jaar is verstreken (zie [artikel 5.40 BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.40)). Na verloop van twaalf jaren wegen de belangen van de overheid niet op tegen de belangen van de vreemdeling, namelijk voortzetting van het verblijf in de openbare lichamen. De periode van twaalf jaar wordt berekend vanaf de (op onjuiste of onvolledige gegevens gebaseerde) beslissing tot het verlenen, wijzigen of verlengen van de verblijfsvergunning.
Volgens [artikel 5.41 BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.41) wordt de aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet op grond van [artikel 14, onder d, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=14) afgewezen, als de vreemdeling en degene bij wie hij als gezinslid in het kader van gezinshereniging of gezinsvorming verblijft gezamenlijk zelfstandig en duurzaam beschikken over een bruto-inkomen als bedoeld in [artikel 5.33 BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.33) (zie paragraaf 1.9.3).
De aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd verleend onder een beperking verband houdend met de vervolging van mensenhandel, wordt niet afgewezen op grond van [artikel 14, onder e, van de WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=14), om de enkele reden dat een beslissing tot niet vervolging of niet verdere vervolging van de verdachte is genomen, als de vreemdeling tegen die beslissing schriftelijk beklag heeft gedaan bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten, Bonaire, Sint Eustatius en Saba en op dat beklag nog niet is beslist. Hiermee wordt beoogd om het slachtoffer of de getuige-aangever van mensenhandel een verblijfsvergunning voor de duur van het opsporings- en vervolgingsonderzoek in feitelijke aanleg te verlenen.
De aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, verleend onder de beperking het verrichten van arbeid in loondienst, wordt niet op grond van [artikel 14, onder c, d, e, van de WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=14) afgewezen als de vreemdeling voor een periode van korter dan één jaar beschikt over arbeid in loondienst waarmee voldoende zelfstandige middelen van bestaan geworven wordt. De verblijfsvergunning wordt dan verlengd tot aan de periode waarin de vreemdeling beschikt over de arbeid (zie [artikel 5.43 BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.43)).
### 1.12.3. Gronden intrekking
Volgens [artikel 14 WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=14) kan de verblijfsvergunning voor bepaalde of onbepaalde tijd door Onze Minister worden ingetrokken, bij een met reden omklede beslissing, in de volgende gevallen:
De gedraging van de vreemdeling moet voldoende ernstig zijn, daarom worden alleen misdrijven in aanmerking genomen. De sanctie moet voldoende zwaar zijn. Als de misdraging als een overtreding gekwalificeerd wordt of buiten het strafrecht afgedaan wordt, blijft de misdraging buiten beschouwing. De vraag of een bepaalde misdraging een misdrijf of een overtreding is, is afhankelijk van de desbetreffende wetgeving. Als het vonnis nog niet onherroepelijk is, of als de strafzaak nog openstaat, wordt contact opgenomen met het OM. Bij de berekening van de norm (drie maanden of langer) wordt alleen het onvoorwaardelijk ten uitvoer te leggen gedeelte van de straf meegeteld. In geval van meerdere veroordelingen worden de onvoorwaardelijke gedeelten bij elkaar opgesteld, als de verblijfsduur vijf jaren of korter is.
Als een straf geheel of gedeeltelijk, voorwaardelijk of onvoorwaardelijk, door Nederlandse of buitenlandse autoriteiten is kwijtgescholden, wordt daaraan voor de toepassing van deze regels geen zelfstandige betekenis toegekend.
Strafbare feiten die buiten het Koninkrijk zijn gepleegd of bestraft, worden ook betrokken bij de beoordeling van het gevaar voor de openbare orde als het strafbare feiten naar het recht van de openbare lichamen zijn. Dat geldt ook als het strafbare feit naar buitenlands recht een overtreding, maar naar het recht van de openbare lichamen een misdrijf is. Of het feit naar het recht van de openbare lichamen een misdrijf is wordt beoordeeld aan de hand van de strafbepalingen in het [Wetboek van Strafrecht BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028570) (op dit moment het Wetboek van Strafrecht van de Nederlandse Antillen) of de bijzondere strafwetten van de openbare lichamen. De vreemdeling verschaft zelf alle relevante gegevens en bescheiden met betrekking tot de strafbare feiten en de afdoening. Er wordt met het OM contact opgenomen voor de vraag welke straf in de openbare lichamen voor het strafbare feit zou worden gevorderd.
Gedacht kan worden aan de volgende situaties, waarbij opgemerkt wordt dat deze lijst niet uitputtend is:
Van vergaande behoeftigheid is bijvoorbeeld sprake als de vreemdeling tot bedelarij en/of landloperij (geen onderkomen) is vervallen.
De verblijfsvergunning wordt ingetrokken als niet wordt voldaan aan de beperking waaronder de vergunning is verleend of een voorschrift dat aan de vergunning is verbonden.
Gedacht kan worden aan de volgende situaties waarbij opgemerkt wordt dat deze lijst niet uitputtend is:
De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd die is verleend onder de beperking gezinshereniging of gezinsvorming, wordt niet ingetrokken op de enkele grond dat de samenwoning tijdelijk is verbroken, als de vreemdeling de persoon bij wie verblijf is toegestaan wegens gewelddaden heeft verlaten. Dit geldt niet als sinds de verbreking van de samenwoning een jaar is verstreken (zie [artikel 5.44 BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.44)).
Verblijfsbeëindiging blijft achterwege als het in strijd komt met een ieder verbindende verdragsbepaling of de gevolgen wegens de bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding met de beleidsregel te dienen doel. De verblijfsvergunning kan in die gevallen ambtshalve gewijzigd worden wegens de veranderde omstandigheden. Als wordt vastgesteld dat er bij de verlening, verlenging of wijziging van een verblijfsvergunning onjuiste gegevens zijn verstrekt of relevante gegevens zijn achtergehouden, wordt de zaak bezien op aangifte van een strafbaar feit bij het OM.
### 1.12.3.1. Besluit tot intrekking
Voordat tot intrekking van de verblijfsvergunning wordt overgegaan moet de vreemdeling in de gelegenheid gesteld worden om zijn zienswijze naar voren te brengen. Als de vreemdeling onvindbaar is kan de IND unit Caribisch Nederland direct tot intrekking van de verblijfsvergunning overgaan.
Het besluit om een verblijfsvergunning voor bepaalde of onbepaalde tijd in te trekken moet:
### 1.12.3.2. Voortzetting verblijf na intrekking verblijfsvergunning
De aanvraag van de vreemdeling wiens verblijfsvergunning is ingetrokken, maar waarbij de aanvraag nog is ontvangen binnen de redelijke termijn van twee jaar na de datum waarop de intrekkingsbeschikking is bekendgemaakt, wordt getoetst aan de voorwaarden voor voortzetting van verblijf. Het valt onder de categorie **‘niet-tijdig maar binnen de redelijke termijn’**. De aanvraag is slechts tijdig als deze is ingediend vóór het tijdstip tot wanneer de verblijfsvergunning is ingetrokken. Als de verblijfsvergunning is ingetrokken tot en met de datum waarop zij is verleend, kan betrokkene per definitie niet tijdig een verlengingsaanvraag indienen. De aanvraag wordt in deze gevallen aangemerkt als een aanvraag om eerste toelating.
### 2. De verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd
### 5.4. Arbeidsongeschiktheid
De onder b genoemde intrekkingsgrond kan met name gebruikt worden in geval van gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid, aangezien de vreemdeling dan vaak nog wel gedeeltelijk arbeid verricht en dus nog wel aan de beperking van de aan hem verleende verblijfsvergunning zou kunnen voldoen.
Een werkgever is strafbaar op grond van [artikel 23, tweede lid, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=23) wegens het niet nakomen van een vordering van Onze Minister op grond van [artikel 6.39 BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=6.39) tot het verstrekken van gegevens over vreemdelingen die hij in dienst heeft gehad.
### Hoofdstuk 5. Arbeid als zelfstandige
### 1. Inleiding
Aan een vreemdeling die een zelfstandig bedrijf uitoefent kan onder voorwaarden een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd worden verleend onder een beperking die verband houdt met het verrichten van arbeid als zelfstandige (zie [artikel 7, zevende lid, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=7) en [artikel 5.2, eerste lid, onder d, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.2)).
### 2. Verblijfsvoorwaarden
De vreemdeling moet aantonen dat hij door de uitoefening van zijn beroep of bedrijf beschikt over voldoende middelen van bestaan (zie [artikel 9, eerste lid, onder c, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=9) en [artikel 5.33 BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.33) en de beleidsregels bij deze algemene voorwaarde in hoofdstuk 3, paragraaf 1.9.3.3). Dat wil zeggen dat de vreemdeling een inkomen moet hebben dat ten minste gelijk is aan het bruto-inkomen per maand op grond van de [Wet minimumloon BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028170).
Vreemdelingen die in de openbare lichamen werkzaamheden als zelfstandige willen verrichten (uitoefenen van een bedrijf of starten van een bedrijf) of die als directeur van een bedrijf werkzaam willen zijn, moeten in het bezit zijn van een daartoe strekkende vergunning op grond van de [Wet vestiging bedrijven BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028164). Deze vestigingsvergunning of directievergunning kan worden aangevraagd bij het Bestuurscollege van het openbare lichaam waar de vreemdeling zich wil vestigen. Op grond van het [Besluit uitvoering Wav BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028231) geldt voor zelfstandig ondernemers/directeuren geen TWV-vereiste.
Uitoefenen zelfstandig beroep:
### 4.1. Beperking
De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt verleend onder de beperking: ‘arbeid als zelfstandige ......(aanduiding van het bedrijf)’.
### 4.2. Arbeidsmarktaantekening
Op de vergunning staat de aantekening: ‘arbeid in loondienst alleen toegestaan indien werkgever beschikt over TWV’.
### 5. Geldigheidsduur
De geldigheidsduur van de te verlenen verblijfsvergunning voor bepaalde tijd is een jaar. Deze kan daarna steeds met een jaar worden verlengd, als aan de daarvoor geldende voorwaarden wordt voldaan.
### 1. Inleiding
### 2. Voorwaarden
### 2.1. Verblijfsvoorwaarden
Het moet gaan om eigen kapitaal, niet om geleend geld. Het belegde ‘aanzienlijk kapitaal’ moet op peil worden gehouden. Dit houdt in dat het kapitaal nooit lager mag zijn dan het voor de desbetreffende ondernemingsvorm geldende minimum. De vreemdeling moet ter onderbouwing van zijn aanvraag recente cijfers overleggen die zijn gecontroleerd door een daartoe bevoegde externe deskundige.
Bij een eenmanszaak kan het aanzienlijk kapitaal worden aangetoond met enerzijds een bankafschrift van de onderneming waarop het geïnvesteerde geldbedrag staat én anderzijds de (openings)balans waarop het bedrag staat vermeld achter de rekening ‘Eigen vermogen’ (= de schuld van de zaak aan de eigenaar).
Bij een BV en een NV kan het aanzienlijk kapitaal worden aangetoond met de oprichtingsakte.
### 2.2. Vereiste bescheiden arbeid als zelfstandige op grond van het Verdrag
De vreemdeling moet bij de aanvraag de volgende documenten overleggen:
### 2.3. Vereiste bescheiden arbeid in loondienst als sleutelpersoneel op grond van het Verdrag
Als een Amerikaanse vreemdeling (hoofdpersoon) die op grond van het Verdrag in de openbare lichamen verblijft geen arbeid in loondienst als sleutelpersoneel wenst te verrichten, moet wijziging van de vergunning worden gevraagd en moet de werkgever beschikken over een TWV (zie hoofdstuk 4 ‘Arbeid in loondienst’ en punt 11 van het bijbehorende Protocol).
### 4. Gezinshereniging
Het verblijf van de echtgeno(o)t(e) of ongehuwd minderjarig kind van de hoofdpersoon, ongeacht hun nationaliteit, kan met toepassing van [artikel 9 WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=9) worden geweigerd, met uitzondering van het middelenvereiste (artikel 9, eerste lid, aanhef en onder c, WTU-BES). Dit geldt, zolang de hoofdpersoon voldoet aan de voorwaarden van het Verdrag, zowel voor eerste toelating als ook voor de verlengingsaanvraag van de gezinsleden.
### 5. Beperking, arbeidsmarktaantekening en voorschrift
De afhankelijke verblijfsvergunning voor bepaalde tijd aan echtgenoten en de minderjarige kinderen wordt verleend onder de beperking: ‘Verblijf bij .............. (naam hoofdpersoon).’
### 6. Geldigheidsduur
### 1. Inleiding
De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd kan onder voorwaarden worden verleend onder een beperking die verband houdt met het volgen van studie (zie [artikel 7, zevende lid, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=7) en [artikel 5.2, eerste lid, onder h, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.2)). Het beleid voor buitenlandse studenten is erop gericht om onder bepaalde voorwaarden vreemdelingen in de gelegenheid te stellen tijdelijk in de openbare lichamen te studeren of een opleiding te volgen.
### 2. Studenten die al in het bezit zijn van een verblijfsvergunning voor een ander doel
### 3. Aanvraag gedurende verblijf in de vrije termijn
Als een mvv-plichtige vreemdeling in de openbare lichamen verblijft zonder dat hij een geldige mvv heeft en er doen zich andere omstandigheden voor, waaruit kan worden afgeleid dat hij het voornemen heeft langer dan drie maanden in de openbare lichamen te verblijven, dan verstrijkt de vrije termijn uiterlijk op de achtste dag nadat deze omstandigheden zich hebben voorgedaan (zie [artikel 4.4, tweede lid, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=4.4)). Dit is bijvoorbeeld het geval bij inschrijving gedurende de vrije termijn als student bij een onderwijsinstelling voor een studie die langer dan drie maanden duurt.
### 4. Verblijfsvoorwaarden
Als de vreemdeling binnen de maximale verblijfsduur de studie afrondt en een nieuwe studie begint, is de maximale verblijfsduur niet van toepassing. In dat geval is immers geen sprake van onvoldoende studievoortgang. Als hij aan alle voorwaarden voor verlening van een verblijfsvergunning voor studie voldoet, wordt opnieuw een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd voor studie verleend. De berekening van de maximale verblijfsduur begint dan opnieuw.
Als de studie wordt bekostigd met middelen die afkomstig zijn uit een buiten de openbare lichamen aanwezige trust, kan het zijn dat er wel sprake is van een referent in de openbare lichamen gevestigde referent, die kan optreden als tussenpersoon/vertegenwoordiger van de trust. Deze referent is dan mogelijk niet gerechtigd om zelf te bepalen hoeveel er vanuit de trust wordt betaald ten behoeve van de studie en het levensonderhoud van de student. In dat geval is sprake van een buiten de openbare lichamen gevestigde (rechts)persoon die de studie en het levensonderhoud bekostigt en moeten de onder c1 of c2 genoemde bescheiden worden overgelegd als bewijs dat zelfstandige en duurzaam wordt beschikt over voldoende middelen van bestaan.
### 6. Beperkingen, arbeidsmarktaantekeningen en voorschrift
Dit verblijfsrecht is tijdelijk van aard. Dit moet uitdrukkelijk in de beschikking waarbij de verblijfsvergunning wordt verleend, worden vermeld.
### 6.2. Arbeidsmarktaantekening
### 8. Gezinshereniging
Het verblijfsrecht van de hoofdpersoon/student is tijdelijk (zie [artikel 5.3, tweede lid, onder c, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.3)). [Artikel 5.9, tweede lid, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.9) en bovenstaande beleidsregel maken het mogelijk dat ook in dat geval een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd verband houdend met gezinshereniging kan worden verleend.
### 9. Verandering van opleiding of onderwijsinstelling
Voor verandering van onderwijsinstelling moet wijziging gevraagd worden van de beperking waaronder de verblijfsvergunning is verleend. De totale termijn op grond waarvan verblijf in de openbare lichamen voor studie is toegestaan mag echter de maximale verblijfsduur niet mag overschrijden.
Voor verandering van opleiding bij dezelfde onderwijsinstelling hoeft geen wijziging van de beperking van de verblijfsvergunning te worden gevraagd. Ook hier geldt dat de maximale verblijfsduur niet mag worden overschreden als bij dezelfde onderwijsinstelling van opleiding wordt veranderd, terwijl de eerdere opleiding nog niet is afgerond.
### Hoofdstuk 8. Gepensioneerden en renteniers
### 1. Inleiding
**Gepensioneerde:**
De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd kan onder een beperking verband houdend met verblijf als gepensioneerde of rentenier wordt verleend als de vreemdeling voldoet aan de onder paragraaf 2, 3.2 of 4.2 van dit hoofdstuk genoemde voorwaarden. Als hij niet voldoet aan één of meer van deze voorwaarden, wordt de aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning afgewezen.
In [artikel X](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029268&artikel=X) en [XI van de Invoeringswet fiscaal stelsel BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029268&artikel=XI) is een overgangsrecht opgenomen. In dit overgangsrecht wordt aangegeven dat de ‘penshonado/rentenierregeling’ uit de artikelen 23B, 23C, 23D en 23E van de Landsverordening op de inkomstenbelasting 1943 wordt voortgezet tot maximaal 1 januari 2015 voor de belastingplichtige die:
### 3. Reguliere gepensioneerden en renteniers
### 3.2. Verblijfsvoorwaarden
De middelen van bestaan van een gepensioneerde of rentenier zijn voldoende, zelfstandig en duurzaam als:
Een pensioenuitkering moet op het tijdstip waarop de aanvraag om een verblijfsvergunning is ontvangen of de beschikking wordt gegeven nog ten minste één jaar beschikbaar zijn. Dit kan worden aangetoond met een verklaring of brief van het pensioenfonds.
### 3.3. Vereiste bescheiden
### 4.1. Inleiding
Vreemdelingen die in de openbare lichamen willen overwinteren dan wel als toerist tijdelijk, gedurende een periode van maximaal zes maanden binnen een tijdvak van een jaar, in de openbare lichamen willen verblijven, kunnen een aanvraag indienen om een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd onder de beperking ‘verblijf als gepensioneerde of rentenier’. Dit betreft een tijdelijk verblijfsrecht en moet uitdrukkelijk in de beschikking waarbij de verblijfsvergunning wordt verleend worden vermeld (zie [artikel 5.3, derde lid, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.3)).
### 4.2. Verblijfsvoorwaarden
Ten aanzien van deze voorwaarden zijn de beleidsregels met betrekking tot de algemene voorwaarden van [artikel 9, eerste lid, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=9) van toepassing. Deze staan in [hoofdstuk 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028837&hoofdstuk=3&z=2012-07-01&g=2012-07-01).
De middelen van bestaan zijn voldoende, zelfstandig en duurzaam als:
### 5. Beperking, arbeidsmarktaantekening en voorschrift
### 5.1. Beperking
Als door de vreemdeling aan de hierboven in 2.2, 3.2 dan wel 4.2 genoemde voorwaarden wordt voldaan, wordt de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd verleend onder de beperking: ‘verblijf als gepensioneerde of rentenier’.
### 5.2. Geldigheidsduur
De geldigheidsduur van de te verlenen verblijfsvergunning voor bepaalde tijd is een jaar. Deze kan daarna steeds met een jaar verlengd worden, als aan de daarvoor geldende voorwaarden wordt voldaan.
De geldigheidsduur van deze verblijfsvergunning voor bepaalde tijd kan niet worden verlengd. Als de vreemdeling in een volgend tijdvak van een jaar opnieuw als overwinteraar in de openbare lichamen wil verblijven, dan moet hij daarvoor een nieuwe aanvraag voor verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd indienen.
### 5.4. Voorschriften
### Hoofdstuk 9. Investeerders
### 1. Inleiding
Onder ‘wezenlijk belang’ wordt verstaan:
De vreemdeling moet een zakelijke investering doen en/of onroerend goed aanschaffen met een totale waarde van tenminste USD 365.000,00. Deze investering moet binnen 18 maanden na de eerste aanvraag zijn verwezenlijkt.
### 3. Vereiste bescheiden
### 4. Gezinshereniging
Als hoofdregel geldt dat de gezinsleden in aanmerking kunnen komen voor een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd verband houdend met gezinshereniging als de hoofdpersoon in het bezit is van een verblijfsvergunning die niet-tijdelijk is als bedoeld in [artikel 5.3 BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.3) (zie [artikel 5.9, eerste lid, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.9) en [artikel 5.11 BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.11)). In andere gevallen kan de verblijfsvergunning worden verleend (zie artikel 5.9, tweede lid, BTU-BES). Een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd onder de beperking ‘investeerder’ is tijdelijk van aard (zie artikel 5.11, eerste lid, onder b, BTU-BES en artikel 5.3, tweede lid, BTU-BES).
De gezinsleden, zoals genoemd in [artikel 5.10 BTU BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.10), komen in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning op grond van gezinshereniging als aan de hoofdpersoon een verblijfsvergunning als ‘investeerders’ is verleend.
De gezinsleden moeten de in paragraaf 3 onder a, b, c, d, e, g, j en k genoemde bescheiden overleggen.
### 5. Beperking, arbeidsmarktaantekening en voorschrift
De verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van gezinshereniging wordt aan de gezinsleden verleend onder de beperking: ‘Verblijf bij (naam hoofdpersoon).’
### 5.3. Voorschriften
### Hoofdstuk 10. Vrijwilligers
### 3. Vereiste bescheiden
Beleidsregel:
Bij verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd voor verblijf als vrijwilliger, moet de schriftelijke garantstelling worden ondertekend door de organisatie voor wie men als vrijwilliger werkt, mits deze solvabel is.
De organisatie voor wie vrijwilligerswerk wordt verricht wordt geacht solvabel te zijn als daaraan een TWV is verleend voor het door de vreemdeling te verrichten vrijwilligerswerk.
### 4. Beperking, arbeidsmarktaantekening en voorschrift
De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt verleend onder de beperking: ‘verblijf als vrijwilliger’.
### 4.2. Arbeidsmarktaantekening
### 5. Geldigheidsduur
### 6. Gezinshereniging
Beleidsregel:
Aan de echtgeno(o)t(e) of (geregistreerde) partner en de minderjarige kinderen van de vrijwilliger kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd verband houdend met gezinshereniging worden verleend, mits wordt voldaan aan de voor die beperking geldende voorwaarden, met uitzondering van de voorwaarde die betrekking heeft op het niet-tijdelijk verblijf van de hoofdpersoon (zie [artikel 5.9, tweede lid, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.9)).
Het verblijfsrecht van de hoofdpersoon/vrijwilliger is tijdelijk (zie [artikel 5.3, tweede lid, onder f, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.3)). [Artikel 5.9, tweede lid, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.9) en bovenstaande beleidsregel maken het mogelijk dat ook in dat geval een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd verband houdend met gezinshereniging kan worden verleend.
### Hoofdstuk 11. Gezinshereniging en gezinsvorming
### 1.1. Inleiding
Gezinsvorming wordt gedefinieerd als: ‘gezinshereniging van de echtgenoot, geregistreerd partner of niet-geregistreerde partner, voor zover de gezinsband tot stand is gekomen op een tijdstip waarop de hoofdpersoon in de openbare lichamen hoofdverblijf had.’
In dit hoofdstuk wordt onder hoofdpersoon verstaan de persoon bij wie de vreemdeling als gezinslid (bijvoorbeeld als echtgenoot, geregistreerde partner, niet-geregistreerde partner, kind of ouder) in de openbare lichamen wil verblijven.
### 1.3. Beleid gezinsvorming
### 2. Huwelijk en geregistreerd partnerschap
### 2.1. Verblijfsvoorwaarden
Op grond van [artikel 5.13 BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.13) wordt de verblijfsvergunning verleend als de vreemdeling en de hoofdpersoon samenwonen en een gemeenschappelijke huishouding voeren.
De vreemdeling en de persoon bij wie deze wil verblijven, moeten feitelijk samenwonen en een gemeenschappelijke huishouding voeren. Zij moeten ook naar buiten toe, bijvoorbeeld naar de werkgever en de zorgverzekeraar, hetzelfde adres voeren. Daarnaast moeten de vreemdeling en de persoon bij wie deze wil verblijven op hetzelfde adres in de basisadministratie persoonsgegevens staan ingeschreven.
Voor vreemdelingen die vanuit het buitenland verblijf (mvv) aanvragen, geldt dat zij direct na inreis in de openbare lichamen met hun echtgeno(o)t(e) moeten gaan samenwonen als hier bedoeld.
In geval van gezinshereniging of gezinsvorming wordt op grond van [artikel 5.18, onder a, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.18) juncto [artikel 5.33 BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.33), de verblijfsvergunning verleend als de hoofdpersoon duurzaam en zelfstandig beschikt over voldoende middelen van bestaan (zie hoofdstuk 3, paragraaf 1.9.3.3).
### 2.2. Vereiste bescheiden
### 2.3. Beperkingen, arbeidsmarktaantekeningen en voorschrift
Als [artikel 7 Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028231&artikel=7) van toepassing is, wordt de arbeidsmarktaantekening: ‘Arbeid vrij toegestaan. TWV niet vereist. Beroep op de publieke middelen kan gevolgen hebben voor het verblijfsrecht’.
### 2.3.3. Voorschrift
### 2.4. Geldigheidsduur
Een schijnhuwelijk is een huwelijk dat wordt aangegaan met als doel de nog niet of niet meer tot de openbare lichamen toegelaten buitenlandse partner een verblijfsrecht te verschaffen. Het gaat hierbij om voorgenomen huwelijken die op de openbare lichamen zullen plaatsvinden en huwelijken die in het buitenland zijn gesloten.
### 4. Relatie
### 4.1. Verblijfsvoorwaarden
De vreemdeling en de persoon bij wie deze wil verblijven, moeten feitelijk samenwonen en een gemeenschappelijke huishouding voeren. Zij moeten ook naar buiten toe, bijvoorbeeld naar de werkgever en de ziektekostenverzekeraar, hetzelfde adres voeren. Daarnaast moeten de vreemdeling en de persoon bij wie deze wil verblijven op hetzelfde adres in de basisadministratie persoonsgegevens staan ingeschreven.
Voor vreemdelingen die vanuit het buitenland verblijf (mvv) aanvragen, geldt dat zij direct na inreis in de openbare lichamen met hun (huwelijks)partner moeten gaan samenwonen als hier bedoeld.
De verblijfsvergunning wordt op grond van [artikel 5.16 BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.16) verleend als de vreemdeling geen gevaar vormt voor de openbare orde of nationale veiligheid.
De in de openbare lichamen gevestigde partner ondertekent een garantstelling, waarmee hij zich garant stelt voor de kosten die voor de staat en voor andere openbare lichamen voortvloeien uit het verblijf van de buitenlandse partner en ook voor de kosten van terugkeer naar een land waar de toelating van die buitenlandse partner is gewaarborgd. De garantverklaring kan niet door een derde worden ondertekend.
### 4.2. Vereiste bescheiden
### 4.3. Beperkingen, arbeidsmarktaantekeningen en voorschrift
Als [artikel 7 Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028231&artikel=7) van toepassing is, wordt de arbeidsmarktaantekening: ‘Arbeid vrij toegestaan. TWV niet vereist. Beroep op de publieke middelen kan gevolgen hebben voor het verblijfsrecht’.
### 4.4. Geldigheidsduur
### 5. Minderjarige kinderen
### 5.1. Verblijfsvoorwaarden
Als sprake is van één of meer van de volgende genoemde omstandigheden wordt, in uitzondering op het bovenstaande, aangenomen dat een kind niet langer feitelijk behoort tot het gezin van de ouder(s):
Als het kind zelf de zorg heeft voor afhankelijke gezinsleden, onder wie (buitenechtelijke) kinderen, is dit alleen een reden om aan te nemen dat het niet langer feitelijk behoort tot het gezin van de ouder(s), als daarnaast sprake is van één van de eerste twee hiervóór genoemde omstandigheden.
Op grond van [artikel 5.11 BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.11) wordt de verblijfsvergunning verleend, als de hoofdpersoon in de openbare lichamen verblijft als:
De verblijfsvergunning wordt op grond van [artikel 5.16 BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.16) verleend als de vreemdeling geen gevaar vormt voor de openbare orde en nationale veiligheid.
De verblijfsvergunning wordt op grond van [artikel 5.18, onder a, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.18) verleend als de hoofdpersoon duurzaam en zelfstandig beschikt over voldoende middelen van bestaan (zie hoofdstuk 3, paragraaf 1.9.3.3).
Als de hoofdpersoon (de biologische of juridische ouder bij wie de vreemdeling verblijf beoogt) een naar Nederlands internationaal privaatrecht geldig huwelijk of een in Nederland geregistreerd partnerschap is aangegaan, dan wel een relatie onderhoudt in de zin van [artikel 5.10, aanhef en onder b, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.10) met een persoon die houder is van een verblijfsvergunning, dan wel Nederlander is, kan het duurzame, zelfstandig verworven bruto-inkomen van die persoon – mits deze samenwoont met de hoofdpersoon – worden meegeteld bij de berekening van de bestaansmiddelen.
### 5.3. Kinderen geboren uit rechtmatig verblijvende ouders
De aanvraag wordt niet afgewezen wegens het ontbreken van een geldig mvv of het ontbreken van voldoende middelen van bestaan. De aanvraag wordt ook niet afgewezen wegens het niet bereid zijn een onderzoek naar of behandeling voor TBC te ondergaan en daaraan mee te werken.
### 5.3.2. Vereiste bescheiden
### 5.4.1. Beperking
### 5.4.2. Arbeidsmarktaantekening
Op de verblijfsvergunning staat de aantekening: 'arbeid in loondienst alleen toegestaan indien werkgever beschikt over TWV’. Beroep op de publieke middelen kan gevolgen hebben voor het verblijfsrecht’.
### 5.4.3. Voorschrift
In afwijking van [artikel 5.25 BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.25) kan op grond van [artikel 5.26 BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.26) de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd onder een beperking verband houdend met gezinshereniging als minderjarige worden verleend voor de duur van ten hoogste:
De familierechtelijke relatie moet worden aangetoond met officiële gelegaliseerde documenten.
De verblijfsvergunning wordt verleend, als de in de openbare lichamen verblijvende kinderen in de openbare lichamen verblijven als:
### 6.3.1. Beperking
### 6.3.2. Arbeidsmarktaantekening
Op de verblijfsvergunning staat de aantekening: ‘arbeid in loondienst alleen toegestaan indien werkgever beschikt over TWV’. Beroep op de publieke middelen kan gevolgen hebben voor het verblijfsrecht’.
### 6.3.3. Voorschrift
Aan de verblijfsvergunning wordt het voorschrift verbonden van het sluiten van een voldoende ziektekostenverzekering, met inbegrip van de kosten die zijn verbonden aan opname en verpleging in een sanatorium of een psychiatrische inrichting.
### 6.4. Geldigheidsduur
### 7. Artikel 8 EVRM
In de volgende gevallen is in ieder geval sprake van familie- of gezinsleven als bedoeld in artikel 8 EVRM:
### 7.2. Inmenging
Inmenging op het familie- en gezinsleven, dan wel het privé-leven wordt aangenomen, als de vreemdeling:
### 7.3. Belangenafweging
De uitgangspositie van de belangenafweging wordt mede bepaald door de omstandigheid of sprake is van inmenging. Bij de weigering van voortgezet verblijf is de uitgangspositie van de vreemdeling sterker dan bij eerste toelating van vreemdelingen tot de openbare lichamen. De omstandigheid dat nooit sprake is geweest van rechtmatig verblijf zal ten nadele van de vreemdeling worden betrokken bij deze belangenafweging.
Als [artikel 7 Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028231&artikel=7) van toepassing is, wordt de arbeidsmarktaantekening: ‘Arbeid vrij toegestaan. TWV niet vereist. Beroep op de publieke middelen kan gevolgen hebben voor het verblijfsrecht’.
### Hoofdstuk 12. Buitenlandse adoptiekinderen en buitenlandse pleegkinderen
### 1. Inleiding
### 2. Adoptiekinderen
### 3. Buitenlandse pleegkinderen
### 3.1. Verblijfsvoorwaarden
Zo nodig wint de Minister voor Immigratie, Integratie en Asiel aanvullende gegevens in bij de Voogdijraad over de geschiktheid van de aspirant pleegouders voor de verzorging en opvoeding van het kind.
De aanvraag wordt afgewezen als uit de medische verklaring met betrekking tot het buitenlandse pleegkind niet blijkt dat in redelijkheid niet valt aan te nemen dat het kind lijdt aan een gevaarlijke besmettelijke of langdurige lichamelijke of geestelijke ziekte.
Dit vereiste zal er echter niet toe leiden dat een gehandicapt kind niet zou kunnen worden opgenomen. De Voogdijraad doet hier een uitspraak over.
Wanneer dit niet uit de medische verklaring blijkt, moet het kind (in de openbare lichamen) alsnog een TBC onderzoek ondergaan. Alleen wanneer niet aan dit onderzoek wordt meegewerkt of wanneer het kind weigert mee te werken aan de behandeling van TBC aan de ademhalingsorganen, wordt de aanvraag met toepassing van artikel [WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571) afgewezen.
De ouders moeten ook het wettelijk gezag over de minderjarige (tijdelijk) aan de aspirant pleegouders overdragen. Per land moet onderzocht te worden of dit kan via een notariële verklaring of dat de ouders hiervoor een rechterlijke uitspraak nodig hebben.
De verblijfsvergunning wordt niet verleend als de aspirant-pleegouders niet zelfstandig en duurzaam beschikken over voldoende middelen van bestaan.
### 3.2. Vereiste bescheiden
### 3.3.2. Arbeidsmarktaantekening
Op de verblijfsvergunning staat de aantekening: ‘arbeid is niet toegestaan’.
### 3.4. Geldigheidsduur
De verblijfsvergunning krijgt dezelfde geldigheidsduur als de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd van de hoofdpersoon. Als de hoofdpersoon een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd heeft of Nederlander is, bedraagt de geldigheidsduur vijf jaren.
Als de vreemdeling niet beschikt over een geldig document voor grensoverschrijding wordt dat niet tegengeworpen.
### Hoofdstuk 13. Wedertoelating
### 1. Inleiding
Op grond van [artikel 5.2 lid 1 onder g, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.2) kan aan een oud-Nederlander verblijf verleend worden in het kader van wedertoelating tot de openbare lichamen.
Voor wedertoelating komen, onder voorwaarden, in aanmerking:
### 2.1. Algemeen
De verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd wordt slechts verleend op aanvraag en ontstaat niet van rechtswege. De vreemdeling moet aan de hiervoor gestelde voorwaarden voldoen. Op het tijdstip van indiening of beoordeling van de aanvraag moet aan de voorwaarden worden voldaan. Er wordt niet ambtshalve getoetst of de vreemdeling op enig moment in het verleden aanspraak zou hebben gemaakt op de verblijfsvergunning als die destijds zou zijn aangevraagd. De afwijzing van de aanvraag betekent niet dat er sprake is van verblijfsbeëindiging.
Het is de houder van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd toegestaan voor onbepaalde tijd in de openbare lichamen te verblijven. Aan deze verblijfsvergunning worden geen beperkingen en voorschriften verbonden en deze hoeft niet te worden verlengd (zie [artikel 7, negende lid, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=7)). Een vreemdeling die in het bezit is van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd mag arbeid verrichten, zonder dat een TWV is vereist.
### 2.2. Systematiek
De gronden waarop de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd afgewezen kunnen worden, komen overeen met de afwijzingsgronden voor het verlenen of verlengen van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd (zie [artikel 9, eerste lid, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=9)).
[Artikel 5.45 BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.45) vormt een nadere invulling van de afwijzingsgronden zoals opgenomen in [artikel 9, eerste lid, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=9). Er zijn twee situaties te onderscheiden:
[Artikel 5.45, eerste lid, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.45) stelt dat de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd wordt verleend aan de vreemdeling direct voorafgaand aan de aanvraag of op het moment van de beslissing op de aanvraag gedurende een ononderbroken periode van tenminste vijf jaren houder is van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd voor een niet-tijdelijk doel, als de vreemdeling:
Als een houder van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet aan de onder a tot en met f genoemde voorwaarden voldoet wordt de aanvraag afgewezen.
Bepalend is de vraag of de vreemdeling al dan niet toelating van rechtswege heeft gehad gedurende een ononderbroken periode van ten minste vijf jaren. Als dit zo is, dan wordt de vergunning voor onbepaalde tijd verleend.
Als de vreemdeling in afwachting is van een beslissing op een aanvraag om verlening, wijziging of verlenging van een verblijfsvergunning dan is er sprake van een formeel beperkt verblijfsrecht. Hangende bezwaar of beroep tegen de weigering een verblijfsvergunning te verlenen, verlengen, wijzigen of een intrekking van een verblijfsvergunning is er ook sprake van een formeel beperkt verblijfsrecht. Als de verblijfsvergunning uiteindelijk wordt verleend, verlengd, gewijzigd dan wel dat de intrekking van de verblijfsvergunning ongedaan wordt gemaakt en deze perioden uiteindelijk worden bestreken door een verblijfsvergunning tellen deze alsnog mee.
De verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd kan worden verleend aan de vreemdeling die direct voorafgaand aan de aanvraag of op het moment van de beslissing op de aanvraag gedurende een ononderbroken periode van ten minste vijf jaren toelating van rechtswege heeft en die voldoet aan de voorwaarden a tot en met d zoals hierboven genoemd (zie [artikel 5.45 BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.45)).
In het geval dat een vreemdeling onjuiste gegevens dan wel essentiële gegevens heeft achtergehouden die hebben geleid tot de onterechte afgifte van een bewijs van toelating van rechtswege is bepalend of de vreemdeling toelating van rechtswege heeft gehad gedurende een ononderbroken periode van ten minste vijf jaren.
Als aan de bovengenoemde voorwaarden niet wordt voldaan wordt de aanvraag afgewezen.
### 2.3. Intrekking van de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd
Volgens [artikel 14 WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=14) kan de verblijfsvergunning voor bepaalde of onbepaalde tijd door Onze Minister worden ingetrokken, bij een met reden omklede beslissing, in de volgende gevallen:
Zie paragraaf 1.12.3 van dit hoofdstuk voor de toelichting op de intrekkingsgronden.
[Artikel 5.46 BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.46) stelt dat de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd niet wordt ingetrokken met toepassing van [artikel 14 onder b of d WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=14). Reden hiervoor is gelegen in de versterking van de rechtspositie van de vreemdeling die in de openbare lichamen verblijft op basis van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd.
Zoals uit het bovengenoemde blijkt zijn de gronden voor intrekking van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd en onbepaalde tijd aan elkaar gelijk afgezien van [artikel 14 onderdeel e WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=14). In [artikel 7, lid 9, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=7) staat dat geen beperkingen en voorschriften verbonden worden aan de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd. Daarom staat eveneens in [artikel 5.46 BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.46) dat de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd niet wordt ingetrokken met toepassing van artikel 14 onder e WTU-BES.
### 3. Procedurele bepalingen
### 3.1. De mvv-aanvraag
Op grond van [artikel 9 WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=9) kan een aanvraag tot het verlenen van verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in [artikel 7 WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=7) worden afgewezen als de vreemdeling niet beschikt over een geldige mvv die overeenkomt met het verblijfsdoel waarvoor de verblijfsvergunning is aangevraagd. Het beschikken over een geldige mvv is één van de voorwaarden voor het verkrijgen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd.
De aanvraag om afgifte van een mvv wordt getoetst aan de voorwaarden die worden gesteld met het oog op het verlenen van een verblijfsvergunning voor de openbare lichamen. De verplichting om vóór de komst naar de openbare lichamen een mvv aan te vragen, stelt de overheid in staat te onderzoeken of de vreemdeling aan alle voor toelating gestelde vereisten voldoet, zonder daarbij door diens aanwezigheid in de openbare lichamen voor een voldongen feit te worden geplaatst.
De aanvraag om afgifte van een mvv leidt, na verstrekking van de machtiging, tot afgifte van een visum voor het Koninkijk der Nederlanden Caribisch gebied.
In [artikel 9, derde lid, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=9) en [artikel 5.31 BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.31) is een aantal categorieën aanvragen om verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in [artikel 7 WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=7) benoemd, die niet worden afgewezen wegens het ontbreken van een geldige mvv.
De mvv is in [artikel 1, onder e, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=1) omschreven als een visum voor de toegang tot een openbaar lichaam voor verblijf van meer dan drie maanden.
Een vreemdeling die langer dan drie maanden in de openbare lichamen wil moet in het algemeen in het bezit zijn van een geldig document voor grensoverschrijding voorzien van een geldige mvv.
Een mvv kan worden aangevraagd:
Indien in het land van herkomst of bestendig verblijf geen Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging aanwezig is, kan de mvv in persoon worden aangevraagd bij:
De mvv wordt verstrekt door:
Een land van bestendig verblijf is een land waar de vreemdeling gerechtigd is om langer dan drie maanden te verblijven op grond van enige verblijfstitel. Hierbij is niet vereist dat de vreemdeling al gedurende drie maanden feitelijk in dat land verbleven heeft op het moment dat de aanvraag om een mvv wordt ingediend. Wel zal op het moment van indienen van de aanvraag, dan wel op het toetsmoment, sprake moeten zijn van nog ten minste drie maanden rechtmatig verblijf om te kunnen spreken van bestendig verblijf.
Van bestendig verblijf kan sprake zijn in de volgende gevallen:
De algemene uitgangspunten dat het verblijf rechtmatig moet zijn (naar maatstaven van het betreffende land) en voor een periode langer dan drie maanden, zijn hierop steeds van toepassing. Als het handhaven van de termijn van meer dan drie maanden rechtmatig verblijf tot onredelijke gevolgen zal leiden, kan in voorkomende gevallen een kortere termijn volstaan, als er maar geen sprake is van het omzeilen van de mvv-procedure of het oneigenlijk gebruik van de mvv-procedure.
In ieder geval zal geen bestendig verblijf worden aangenomen indien de vreemdeling in het bezit is van een toeristen- of zakenvisum.
Het bestendig verblijf moet door de vreemdeling aangetoond worden met officiële documenten, afgegeven door de autoriteiten van het land waar de vreemdeling verblijft. Uit deze documenten zal telkens moeten blijken dat de vreemdeling daar rechtmatig verblijft, en voor welke periode.
Ingevolge [artikel 2h WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=2h) beslist Onze Minister binnen drie maanden na ontvangst van een aanvraag om verlenging of wijziging van een machtiging tot voorlopig verblijf. Onze Minister kan deze termijn verlengen met ten hoogste drie maanden. De termijn kan verlengd worden als naar het oordeel van Onze Minister voor de beoordeling van de aanvraag advies van of onderzoek door derden nodig is.
Een aanvraag tot het verlenen van een mvv wordt door de vreemdeling ingediend bij de Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging. De vreemdeling wacht de uitkomst van de aanvraag tot het verlenen van een mvv af in het land van herkomst of bestendig verblijf.
Indien de vreemdeling beschikt over een referent hier te lande, kan laatstgenoemde een aanvraag indienen tot het verlenen van een mvv aan de vreemdeling (referentprocedure). De aanvraag wordt ingediend bij de IND unit Caribisch Nederland. Gelet op de ratio van het mvv-vereiste dient de vreemdeling zich ook gedurende de beoordeling van de door de referent ingediende aanvraag buiten de openbare lichamen te bevinden.
### 3.1.1. Aanvraagprocedure mvv ingediend door de vreemdeling
De vreemdeling kan een aanvraagformulier opvragen bij de Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging in het land van herkomst of het land van bestendig verblijf.
De aanvraag om een mvv wordt ingediend door dit formulier ingevuld en voorzien van de gevraagde gegevens en bescheiden in persoon te retourneren aan de diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging. Immers de aanvraag dient in beginsel altijd in persoon te worden ingediend. De vreemdeling toont zijn identiteit aan. Vervolgens wordt door de diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging bezien of betrokkene de vereiste gegevens en bescheiden heeft overgelegd.
Voor zover de door de vreemdeling te verstrekken gegevens en bescheiden moeten worden aangevuld, wordt hij eenmaal in de gelegenheid gesteld de aanvraag binnen twee weken aan te vullen. De IND unit Caribisch Nederland wordt bij het doorsturen van de aanvraag door de diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging geïnformeerd over de datum waarop de herstel verzuim periode van twee weken is ingegaan.
In voorkomende gevallen kan de vreemdeling ook worden verzocht zich in persoon bij de diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging aan te melden om een mondelinge toelichting op zijn aanvraag te geven.
Na ommekomst van de termijn voor het aanvullen van de aanvraag, wordt door de diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging bezien of de aldaar overgelegde buitenlandse bewijsstukken betreffende de staat van personen authentiek zijn, en of deze (voor zover vereist) zijn gelegaliseerd of geapostilleerd. Verder wordt door de diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging bezien of ambtshalve feiten en omstandigheden bekend zijn die zich verzetten tegen afgifte van de mvv en of de leges zijn voldaan, dan wel herstel verzuim daarvoor is geboden. Daarna wordt de aanvraag doorgezonden naar de IND unit Caribisch Nederland, onder mededeling van alle relevante feiten en omstandigheden.
Na ontvangst van de aanvraag gaat de IND unit Caribisch Nederland aan de hand van de door de vreemdeling verstrekte gegevens na of een (in de openbare lichamen woonachtige) referent bekend is. Als dat het geval is, dan wordt (behoudens bijzondere omstandigheden) de referent door de IND unit Caribisch Nederland schriftelijk in de gelegenheid gesteld om binnen twee weken de vereiste gegevens en bescheiden in te dienen. Als de referent van deze gelegenheid geen gebruik maakt, of niet alle gevraagde stukken overlegt, wordt hem éénmaal een hersteltermijn van twee weken verleend. Na ommekomst van de hersteltermijn beziet de IND unit Caribisch Nederland of de gevraagde documenten zijn overgelegd, en of deze documenten in orde zijn. Zonodig vindt onderzoek plaats naar de inhoud of authenticiteit van de overgelegde stukken.
De IND unit Caribisch Nederland beoordeelt de aanvraag en stelt zo nodig nader onderzoek in naar de door de vreemdeling en/of referent aangeleverde informatie.
De IND unit Caribisch Nederland besluit vervolgens of de diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging gemachtigd kan worden om de mvv af te geven. De wettelijk beslistermijn voor een mvv-aanvraag is drie maanden (zie [artikel 2h WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=2h)).
In geval van een inwilliging wordt de diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging gemachtigd om een mvv af te geven. De IND unit Caribisch Nederland stuurt de machtiging naar de diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging en maakt deze tevens bekend aan de referent. De diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging nodigt de vreemeling uit om in persoon te verschijnen ten behoeve van de afgifte van de mvv. De vreemdeling moet zijn document voor grensoverschrijding meebrengen, zodat de mvv in dat document kan worden aangebracht. De vreemdeling moet binnen drie maanden na ontvangst van de machtiging van de diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging door deIND unit Caribisch Nederland, verschijnen voor de afgifte van de mvv ([artikel 2e, eerste lid, van de WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=2e)).
Als de aanvraag niet wordt ingewilligd, stuurt de IND unit Caribisch Nederland de beslissing naar de diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging, die de beschikking bekendmaakt aan de vreemdeling. De referent ontvangt een afschrift van de beschikking. Als zowel de referent als de vreemdeling zich in het buitenland bevinden, kan door de vreemdeling een mvv worden aangevraagd. De referent moet dan wel aantonen dat de vreemdeling na binnenkomst in de openbare lichamen zal beschikken over voldoende middelen van bestaan.
### 3.1.2. Aanvraagprocedure mvv ingediend door de referent
Een in de openbare lichamen verblijvende referent kan ten behoeve van een vreemdeling in het buitenland een mvv aanvragen. Gelet op de ratio van het mvv-vereiste mag de vreemdeling zich ook gedurende de beoordeling van een door de referent ingediende aanvraag om een mvv niet in de openbare lichamen te bevinden.
De referent kan de aanvraag indienen door het daartoe bestemde formulier ingevuld en voorzien van de gevraagde gegevens en bescheiden te retourneren aan IND unit Caribisch Nederland. Als de referent bij het indienen van de aanvraag niet alle gevraagde gegevens en bescheiden heeft overgelegd, wordt de referent éénmaal een hersteltermijn van twee weken verleend.
Na ommekomst van de hersteltermijn beziet de IND unit Caribisch Nederland of de gevraagde gegevens en bescheiden zijn overgelegd, en of deze in orde zijn.
De IND unit Caribisch Nederland neemt vervolgens een beslissing op de aanvraag.
Als niet wordt voldaan aan de toelatingsvoorwaarden voor het gevraagde verblijfsdoel ontvangt de referent een negatieve beschikking.
Als wordt voldaan aan de toelatingsvoorwaarden voor het gevraagde verblijfsdoel, machtigt de IND unit Caribisch Nederland onder voorbehoud de diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging om de mvv af te geven. Dit voorbehoud houdt in, dat door nader onderzoek door de diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging naar de authenticiteit van de originele buitenlandse bewijsstukken betreffende de staat van personen en van het document voor grensoverschrijding, de identiteit van de vreemdeling komt vast te staan en dat zich ook verder geen feiten of omstandigheden voordoen die zich tegen de afgifte van de mvv verzetten.
Verder wordt de referent op de hoogte gebracht van de positieve beslissing omtrent de afgifte van een mvv, onder vermelding van het voorbehoud. De referent wordt erop gewezen dat de vreemdeling, ter verkrijging van een mvv, zich moet wenden tot de diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging van zijn land van herkomst of bestendig verblijf. De vreemdeling wordt niet ambtshalve van de beslissing op de hoogte gebracht.
Bij de diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging wordt onderzocht of de dan door de vreemdeling te overleggen originele buitenlandse bewijsstukken betreffende de staat van personen en het document voor grensoverschrijding, die door de referent in kopie bij de IND unit Caribisch Nederland zijn overgelegd, authentiek zijn en of deze (voor zover vereist) daadwerkelijk zijn gelegaliseerd of geapostilleerd.
Als het onderzoek de authenticiteit van de desbetreffende documenten bevestigt en zich ook overigens geen feiten of omstandigheden voordoen die zich tegen de afgifte van de mvv verzetten, wordt de mvv afgegeven.
Als uit dit onderzoek blijkt dat de betreffende documenten niet authentiek zijn of als zich feiten en omstandigheden voordoen die zich tegen de afgifte van de mvv verzetten, kan de diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging aan de IND unit Caribisch Nederland een verzoek om heroverweging doen onder vermelding van alle relevante feiten en omstandigheden. Als daarvoor aanleiding is, kan de IND unit Caribisch Nederland vervolgens de inwilligende beschikking intrekken en een nieuwe beslissing nemen op de aanvraag.
### 3.1.3. Afgifte mvv
De mvv wordt afgegeven door de Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging in het buitenland. De mvv kan alleen worden afgegeven na de kennisgeving van de IND unit Caribisch Nederland. Deze machtiging is drie maanden geldig te rekenen vanaf de datum van dagtekening van het bericht van de IND unit Caribisch Nederland aan de diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging om een mvv te verstrekken. Binnen die drie maanden moet de vreemdeling de mvv hebben afgehaald. Als de vreemdeling zich niet binnen drie maanden bij de Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging heeft vervoegd voor de afgifte van de mvv, zal een nieuwe aanvraag om een mvv moeten worden ingediend. Als de afgifte van de mvv plaats heeft gevonden binnen die drie maanden, heeft de vreemdeling vervolgens drie maanden, vanaf datum afgifte mvv, om naar de openbare lichamen te reizen.
Voordat de diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging tot afgifte van de mvv overgaat, vindt een identiteitscontrole plaats. De vreemdeling moet zijn identiteit genoegzaam aantonen.
### 3.1.4. Samenloop aanvraagprocedures
Het mvv-vereiste geldt niet voor aanvragen om een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd om redenen verband houdend met bescherming (zie [artikel 12a WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=12a)) en voor aanvragen om een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd.
Als een vreemdeling een aanvraag heeft indiend om verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd om redenen verband houdend met bescherming, kan hij geen aanvraag om toelating doen op andere gronden dan voorzien bij [artikel 12a WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=12a) zolang niet onherroepelijk is beslist op de aanvraag om toelating verband houdend met artikel 12a WTU-BES.
### 3.1.5. Mvv en verlening verblijfsvergunning bepaalde tijd
De houder van een geldige mvv moet zich binnen drie dagen na binnenkomst in de openbare lichamen in persoon aanmelden bij de korpschef (zie [artikel 6.43, eerste lid, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=6.43)). Door de korpschef wordt in het geldige document voor grensoverschrijding van de vreemdeling of op een afzonderlijk inlegblad een aantekening gesteld omtrent het voldoen aan de aanmeldingsplicht (zie [artikel 6.25, eerste lid, onder a, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=6.25)). Op de sticker ‘Aantekeningen Toezicht’ wordt door de korpschef de datum van aanmelding en het nummer van het paspoort ingevuld achter de tekst ‘aangemeld op (datum)’.
Voor het indienen van een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd moet de vreemdeling zich melden bij de IND unit Caribisch Nederland. Aan de houder van een geldige mvv kan, uit het oogpunt van rechtszekerheid, alleen in uitzonderlijke gevallen een verblijfsvergunning worden geweigerd. Hiervan is sprake als blijkt dat niet aan de voorwaarden voor verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd is voldaan. Uitzonderlijke gevallen zijn in ieder geval situaties waarin de vreemdeling:
Er is geen sprake van een uitzonderlijk geval als degene bij wie de vreemdeling verblijf beoogt na afgifte van de mvv alleen vanwege een latere aanscherping van het middelenvereiste niet meer voldoet aan het middelenvereiste.
### 3.2. De aanvraag om een verblijfsvergunning voor (on)bepaalde tijd
De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als ook de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd wordt op aanvraag verleend. Dit geldt ook voor het verlengen van de al verleende verblijfsvergunning dan wel het wijzigen van de beperking van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd.
Een vreemdeling kan met een brief een aanvraag en eventuele vervolgprocedures intrekken. Uit de brief moet duidelijk blijken welke (vervolg)procedure wordt ingetrokken.
Een vreemdeling, zijn wettelijk vertegenwoordiger of gevolmachtigde kunnen een aanvraag en eventuele vervolgprocedures schriftelijk middels ondertekening intrekken. Het moet duidelijk zijn welke aanvraag of vervolgprocedure wordt ingetrokken. Indien dat niet duidelijk is moet de IND unit Caribisch Nederland dit schriftelijk navragen. Voorts informeert de IND unit Caribisch Nederland de politie over het beëindigen van de procedure.
De intrekking moet plaatsvinden middels model MBES35 CTU-BES.
Een herhaalde aanvraag kan op grond van [artikel 8 WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=8) worden afgewezen. Deze aanvraag kan zich in verschillende vormen voordoen.
In het geval dat de vreemdeling schriftelijk aan het bestuursorgaan verzoekt om terug te komen op een besluit dat in rechte onaantastbaar is geworden, dan moet dit verzoek aangemerkt als een herhaling van de eerdere aanvraag. Het verzoek is immers dat alsnog een verblijfsvergunning wordt verleend, zonder dat een nieuwe aanvraag wordt ingediend en nieuwe feiten en omstandigheden worden vermeld. Van de bevoegdheid om terug te komen op een rechtens onaantastbaar geworden besluit, wordt geen gebruik gemaakt.
In het geval dat de vreemdeling een nieuwe aanvraag indient na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking, dan moeten deze nieuwe feiten en omstandigheden worden vermeld. Er is sprake van nieuwe feiten en omstandigheden als die:
Wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, kan de aanvraag worden afgewezen onder verwijzing naar de eerdere afwijzende beschikking. De aanvrager hoeft niet in de gelegenheid te worden gesteld de aanvraag inhoudelijk dan wel procedureel aan te vullen (zie [artikel 8, tweede lid, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=8)). Als in het bezwaarschrift, gericht tegen de afwijzing van de herhaalde aanvraag, nieuwe feiten of omstandigheden worden aangevoerd vormt dat geen reden om het bezwaarschrift gegrond te verklaren. Deze nieuwe feiten en omstandigheden zijn immers niet aangevoerd bij de herhaalde aanvraag en doen daarom niet af aan de juistheid van de verkorte afdoening van de aanvraag. Dit kan voor de vreemdeling wel aanleiding zijn om een nieuwe aanvraag om een verblijfsvergunning in te dienen. Hiervoor moet wel opnieuw leges worden betaald.
Als er verzocht wordt om heroverweging van een in rechte onaantastbaar geworden beschikking wordt de vreemdeling eerst in de gelegenheid gesteld om aan de formele vereisten voor het indienen van een aanvraag te voldoen. Aan de vreemdeling wordt een termijn gegeven om het verzuim te herstellen. Als daarna nog steeds niet aan de formele vereisten wordt voldaan, kan de aanvraag buiten behandeling worden gesteld. Als de voor de aanvraag verschuldigde leges niet zijn betaald, kan de aanvraag bovendien buiten behandeling worden gesteld op grond van [artikel 7, derde lid, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=7). Als de vreemdeling wel voldoet aan de formele vereisten voor het indienen van de aanvraag, dan is het kopje ‘**herhaalde aanvraag’** in deze paragraaf van toepassing.
### 3.2.1. De vereisten voor het indienen van de aanvraag
De aanvraag wordt altijd schriftelijk ingediend.
De aanvraag moet in persoon worden ingediend ([artikel 5.49, eerste lid, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.49)).
De vreemdeling kan tijdens kantooruren langs gaan bij een IND-BES loket om een aanvraag om een verblijfsvergunning in te dienen.
Als de vreemdeling rechtens de vrijheid is ontnomen wordt de aanvraag om een verblijfsvergunning ingediend op de plaats waar de vrijheidsontneming ten uitvoer wordt gelegd middels het model MBES34 ([artikel 5.49, tweede lid, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.49)). De korpschef neemt de aanvraag in ontvangst en zendt haar door naar de IND unit Caribisch Nederland. De relevante stukken worden met de aanvraag meegezonden. De IND unit Caribisch Nederland beslist op de aanvraag en stelt de korpschef in kennis van de inhoud van de beslissing.
De aanvraag tot verlening, verlenging, vervanging of vernieuwing van een verblijfsvergunning wordt schriftelijk ingediend door middel van een formulier, waarvan het model bij ministeriële regeling is vastgesteld ([artikel 7, lid 2, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=7) en [artikel 5.47, lid 1, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.47)). Als de aanvraag niet is ingediend middels het juiste aanvraagformulier kan de aanvraag onder omstandigheden buiten behandeling worden gesteld.
De ingediende aanvraag tot het verlenen, het wijzigen of het verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd kan ook betrekking hebben op de inwonende kinderen die jonger zijn dan twaalf jaar (zie [artikel 5.47, lid 2, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.47)). Deze kinderen worden zelf niet in het bezit gesteld van een verblijfsdocument.
Een aanvraagformulier kan worden verkregen bij de IND unit Caribisch Nederland of anders via de website.
De aanvraag wordt ondertekend door de vreemdeling zelf of door een wettelijk vertegenwoordiger. Hieronder wordt verstaan: ouder, voogd of curator. Een advocaat of een zaakwaarnemer is dus geen wettelijk vertegenwoordiger. De aanvraag tot het verlenen, wijzigen of verlengen van een verblijfsvergunning kan namelijk mede betrekking hebben op de inwonende kinderen die jonger zijn dan twaalf jaar ([artikel 5.47, lid 2, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.47)). De vreemdeling die namens een minderjarig kind een aanvraag indient, moet aantonen de wettelijke vertegenwoordiger van het kind te zijn. Als bij de aanvraag dat niet is aangetoond, dan moet de vreemdeling de gelegenheid worden geboden om dit alsnog binnen een termijn van twee weken aan te tonen. Als na deze twee weken het gebrek nog niet is hersteld, dan moet de aanvraag buiten behandeling worden gesteld. De aanvraag voldoet immers niet aan (een van) de vormvereisten.
De aanvraag bevat in ieder geval de naam en het adres van de vreemdeling, de dagtekening van de aanvraag. Bij ontvangst van de aanvraag wordt aangetekend op welke datum de aanvraag is ontvangen.
### 3.3. Aanduiding van de beschikking die wordt gevraagd
De vreemdeling geeft op het aanvraagformulier aan welke verblijfsvergunning hij wenst te verkrijgen en voor welk verblijfsdoel hij in de openbare lichamen wenst te verblijven (zie [artikel 5.48, lid 1, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.48)).
Als de vreemdeling aangeeft op grond van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd zonder beperking in de openbare lichamen te willen verblijven, dan moet hij in de gelegenheid worden gesteld om de aanvraag nader aan te vullen met een concreet verblijfsdoel. Ook moet hij de aanvraag nader met gegevens en bescheiden onderbouwen. De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt niet zonder beperking verleend, maar altijd onder een beperking die verband houdt met een specifiek verblijfsdoel (zie [artikel 5.2 BTU BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.2)).
Per aanvraag wordt één verblijfsdoel aangegeven. De verblijfsdoelen zijn genoemd in [artikel 5.2, eerste lid, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.2). Als de vreemdeling aangeeft voor meerdere verblijfsdoelen in de openbare lichamen te verblijven, dan moet hij voor ieder gewenst verblijfsdoel een aparte aanvraag indienen. Per aanvraag moet de vreemdeling leges betalen.
Als de vreemdeling na de indiening van de aanvraag aangeeft verblijf in de openbare lichamen voor een ander doel te wensen, moet hij hiervoor een nieuwe aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd indienen (zie [artikel 5.48, eerste lid, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.48)). Op de aanvraag moet worden beschikt zoals zij is ingediend en er mag niet iets anders worden toegewezen of afgewezen dan is aangevraagd. Alleen als redelijkerwijs niet van wijziging van het verblijfsdoel kan worden gesproken, hoeft geen nieuwe aanvraag te worden ingediend. Dit is bijvoorbeeld het geval als eerst verblijf bij een ongehuwde partner wordt beoogd en men vervolgende gedurende de behandeling van de aanvraag trouwt.
Als de vreemdeling de eerdere ingediende aanvraag wenst in te trekken dan worden de leges die de vreemdeling hiervoor heeft betaald niet teruggegeven.
Zolang geen onherroepelijke beslissing is genomen op de aanvraag om een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd verband houdend met bescherming tegen terugzending, kan de vreemdeling geen aanvraag om toelating doen op andere gronden dan genoemd in [artikel 12a WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=12a) (zie [artikel 5.48, lid 2, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.48)).
### 3.4. Onderbouwende gegevens en bescheiden
Bij de indiening van de aanvraag legt de vreemdeling een geldig document voor grensoverschrijding over en verstrekt hij de gegevens en bescheiden waarmee wordt aangetoond dat hij voldoet aan de voorwaarden (zie [artikel 5.50, lid 1, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.50)). Uitgangspunt is dat de vreemdeling een complete aanvraag indient. De vreemdeling draagt de verantwoordelijkheid om zich op de hoogte te stellen welke gegevens nodig zijn.
Als de vreemdeling niet beschikt over een geldig document voor grensoverschrijding, legt hij, voorzover mogelijk, gegevens en bescheiden over, waarmee wordt aangetoond dat hij vanwege de regering van het land waarvan hij onderdaan is, niet of niet meer in het bezit van een geldig document voor grensoverschrijding kan worden gesteld. In dat geval legt hij gegevens of bescheiden over omtrent zijn identiteit en nationaliteit (zie [artikel 5.50, lid 2, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.50)).
Alle stukken moeten zijn opgesteld in het Nederlands of Engels of zijn vertaald door een betrouwbare vertaler.
Een vreemdeling die twaalf jaar of ouder is moet bij een aanvraag om een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd een antecedentenverklaring ondertekenen. Deze verklaring is geïntegreerd in het aanvraagformulier. In het geval dat de vreemdeling dit gedeelte van het aanvraagformulier niet kan ondertekenen, moet worden onderzocht waarom hij dit niet kan. Als er sprake is van antecedenten, dan moet de vreemdeling documenten overleggen die betrekking hebben op deze antecedenten (bijvoorbeeld proces-verbaal, vonnis). Als de vreemdeling de redenen niet aangeeft of de documenten die betrekking hebben op zijn antecedenten niet overlegt, kan de aanvraag om procedurele redenen worden afgewezen (zie [artikel 5.47, derde lid, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.47)).
Alle buitenlandse documenten/verklaringen moeten zijn voorzien van legalisatie of apostille, afhankelijk van het land dat het stuk afgeeft. De vreemdeling moet hier zelf voor zorgen.
### 3.5. Specifieke bepalingen procedure verblijfsvergunning (on)bepaalde tijd
In de openbare lichamen zijn loketten aanwezig waar de vreemdeling een aanvraag om een verblijfsvergunning kan indienen. De vreemdeling kan via de website en brochures nagaan waar hij zich moet melden en hoe de procedure werkt. De vreemdeling kan ook langs gaan bij het loket voor informatie over de procedure. Aan het loket wordt dan een afspraak met de vreemdeling gemaakt voor het indienen van zijn aanvraag om een verblijfsvergunning.
De identiteit van de vreemdeling moet worden vastgesteld aan de hand van de vereiste brondocumenten zoals aangegeven in de basisadministratie persoonsgegevens en aan het loket worden de overgelegde documenten op echtheid beoordeeld
De IND unit Caribisch Nederland verstrekt aan de vreemdeling na de indiening van een aanvraag tot verlening dan wel wijziging van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd de sticker ‘verblijfsaantekeningen openbare lichamen algemeen’ (MBES46 CTU-BES). De sticker wordt afgegeven voor een duur die één maand korter is dan de geldigheidsduur van het document voor grensoverschrijding van de vreemdeling met een maximum van 6 maanden. De sticker bevat naast de aantekening over het rechtmatig verblijf ook informatie over de toegang tot de arbeidsmarkt (zie [artikel 7, eerste lid, WTU BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=7)).
De IND unit Caribisch Nederland maakt van alle door de vreemdeling overgelegde originele stukken kopieën.
De vreemdeling kan het aanvraagformulier halen bij een IND-BES loket of anders via de website.
De vreemdeling moet hiervoor langs bij het IND-BES loket en aan het loket wordt een afspraak gemaakt met de vreemdeling voor het indienen van zijn aanvraag.
De vreemdeling die na het verstrijken van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd in de openbare lichamen mag blijven om de beslissing op de verlengingsaanvraag af te wachten kan een sticker ‘verblijfsaantekeningen openbare lichamen algemeen’ (MBES46 CTU-BES) krijgen waaruit zijn rechtmatig verblijf blijkt. Dit geldt ook voor de vreemdeling die in afwachting is van een beslissing op een door hem ingediende aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd. De sticker bevat ook informatie over de toegang tot de arbeidsmarkt (zie [artikel 7, eerste lid, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=7)).
Na bekendmaking van de inwilligende beschikking door de IND unit Caribisch Nederland aan de vreemdeling, moet aan de vreemdeling een verblijfsdocument worden verstrekt waaruit zijn rechtmatig verblijf blijkt.
Als verblijfsdocument in de zin van [artikel 7, eerste lid, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=7) wordt aangemerkt de Sédula.
De Sédula wordt afgegeven door Burgerzaken. Voor afgifte van de Sédula moet de vreemdeling zich in persoon melden bij Burgerzaken en daar de originele beschikking tonen waarbij de verblijfsvergunning is verleend. Het verblijfsdocument wordt alleen in persoon aan de vreemdeling uitgereikt. Een eventuele eerder afgegeven Sédula moet dan worden ingeleverd. Als sprake is van vermissing van de oude Sédula moet ook (een kopie van) een proces-verbaal van aangifte van vermissing daarvan worden overgelegd. Als de vreemdeling minderjarig is, moet het verblijfsdocument door de wettelijke vertegenwoordiger in het bijzijn van de minderjarige in ontvangst worden genomen.
### 3.6. Leges
De vreemdeling is leges verschuldigd voor de afdoening van een aanvraag tot het verlenen, wijzigen of verlengen van een verblijfsvergunning. Daarnaast kan aan de vreemdeling ook leges worden gevraagd voor de afgifte van het document zelf ([artikel 7, lid 3, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=7)).
De vreemdeling moet voor een aanvraag leges betalen. Als hij meer dan één aanvraag indient, dan moet hij voor iedere afzonderlijke aanvraag leges betalen. De leges moeten betaald worden ongeacht de beslissing op de aanvraag. Als de vreemdeling de leges niet betaalt, dan wordt de aanvraag buiten behandeling gesteld of het document niet afgegeven ([artikel 7, lid 3, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=7)).
Als de vreemdeling één aanvraag indient mede ten behoeve van zijn minderjarige kinderen, dan moet voor ieder minderjarig kind ook leges worden betaald. Het totale bedrag moet in één keer worden voldaan.
Voor het afdoen van aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning met het oog op gezinshereniging kunnen twee legestarieven van toepassing zijn: een standaardtarief en een gezinstarief. Het gezinstarief is van toepassing als meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor gezinshereniging voor verblijf bij dezelfde hoofdpersoon, gelijktijdig worden ingediend. In het geval dat twee of meer vreemdelingen gelijktijdig een aanvraag indienen tot het verlenen van een verblijfsvergunning met het oog op gezinshereniging met een in de openbare lichaam verblijvende persoon, één van de aanvragers het standaardtarief moet betalen en de andere aanvragers het gezinstarief.
Een vreemdeling die een aanvraag indient tot het verlenen van een verblijfsvergunning onder een beperking gezinshereniging kan ontheven worden van de verplichting tot het betalen van leges. De vreemdeling moet een gerechtvaardigd beroep doen op artikel 8 EVRM. De hoofdpersoon bij wie de vreemdeling verblijf beoogd moet zijn financiële situatie met bewijsstukken aantonen. Hij moet aantonen dat hij niet over middelen beschikt om de leges te voldoen en dat hij de afgelopen drie jaren alles heeft gedaan om over de vereiste middelen te kunnen beschikken. Daarnaast moet hij ook aantonen dat hij op korte termijn niet zelf zal kunnen beschikken over de middelen om de leges te kunnen voldoen of door anderen in zijn omgeving. De vreemdeling moet bij het indienen van de aanvraag stukken overleggen waaruit dat blijkt. Als de vreemdeling zich beroept op vrijstelling van de leges maar bij de aanvraag geen stukken heeft overgelegd waaruit blijkt dat hij de leges niet kan betalen, dan wordt hem herstel verzuim geboden. Als de vreemdeling vervolgens geen stukken overlegt dan wordt de aanvraag buiten behandeling gesteld.
Het legestarief voor de afdoening van een aanvraag tot het verlengen van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd is vastgelegd in de [RTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028815).
De toepassing van het gezinstarief bij verlengingsaanvragen is niet afhankelijk van de vraag of er sprake is van meerdere gelijktijdig ingediende aanvragen. Voor alle individueel ingediende verlengingsaanvragen voor het verblijfsdoel ‘gezinshereniging’ komen de gezinsleden voor gezinstarief in aanmerking.
Als gelijktijdig aanvragen worden gedaan tot het verlengen en het wijzigen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, zijn voor de afdoening van de aanvraag tot het verlengen van de vergunning geen leges verschuldigd. Alleen voor de afdoening van de aanvraag tot het wijzigen van de vergunning moet de aanvrager leges betalen.
Als gelijktijdig aanvragen worden gedaan tot het verlengen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd en het verlenen van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, dan moet de vreemdeling alleen de leges voor de afdoening van de aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd betalen.
### 3.6.1. Restitutie leges
Restitutie van de leges is slechts in uitzonderingsgevallen mogelijk en wordt per geval bekeken. Een verzoek om restitutie moet schriftelijk door de vreemdeling worden ingediend. In dit verzoek moet hij gemotiveerd aangeven waarom hij van mening is dat de leges aan hem moeten worden terugbetaald. Ook moet in het verzoek de volledige personalia van de vreemdeling bevatten en het bank- of gironummer.
Wanneer moeten de leges worden terugbetaald:
Als de vreemdeling na het indienen van de aanvraag besluit om de aanvraag in te trekken, de aanvraag is afgewezen of buiten behandeling gesteld, dan worden de leges niet terugbetaald.
### 3.7. Behandeling van de aanvraag
### 3.7.1. Herstel verzuim
Als niet wordt voldaan aan de vereisten voor het in behandeling nemen van de aanvraag biedt de IND unit Caribisch Nederland de vreemdeling de gelegenheid om binnen twee weken het verzuim te herstellen. Deze termijn is echter niet bedoeld om de vreemdeling alsnog in de gelegenheid te stellen om inhoudelijk aan de voorwaarden te voldoen. Als het gaat om het overleggen van een geldig document voor grensoverschrijding, dan geeft de IND unit Caribisch Nederland de aanvrager vier weken de tijd om dit verzuim te herstellen.
Het bieden van herstel verzuim is niet nodig als van te voren al vast staat dat de vreemdeling niet aan een bepaalde inhoudelijke voorwaarde voldoet.
De herstel verzuim termijn kan worden verlengd. Hiervoor moeten wel goede redenen aanwezig zijn. De vreemdeling moet dit schriftelijk verzoeken. In dit verzoek moet hij gemotiveerd aangeven waarom hij een langere termijn nodig heeft om het verzuim te herstellen.
### 3.7.2. Beslistermijn
De beschikking op de aanvraag moet worden gegeven uiterlijk binnen zes maanden (zie [artikel 3 lid 3 WarBES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028455&artikel=3)). De wettelijke beslistermijn begint op de dag van ontvangst van de aanvraag en eindigt op het moment dat de beslissing aan de vreemdeling bekend is gemaakt.
Dat geldt voor:
### 3.7.3. Rechtmatig verblijf hangende besluitvorming
De vreemdeling mag de behandeling van de aanvraag tot het verlenen, verlengen of wijzigen van de verblijfsvergunning in de openbare lichamen afwachten, tenzij het een herhaalde aanvraag betreft (zie [artikel 5.1, eerste lid, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.1)). Als de aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd mogelijk zou kunnen worden afgewezen, omdat de vreemdeling een gevaar is voor de openbare orde of nationale veiligheid, mag de vreemdeling de behandeling van de aanvraag niet afwachten in de openbare lichamen. Hij kan dan nog voordat op zijn aanvraag is beslist, worden uitgezet (zie [artikel 16a WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=16a) en [artikel 5.1, tweede lid, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.1)). Tegen de beschikking inhoudende dat de uitzetting niet achterwege wordt gelaten kan bezwaar worden gemaakt (zie [artikel 17, lid 1 sub d, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=17)).
### 3.7.4. Bevoegdheid
Alle beslissingen met betrekking tot de inwilliging, de afwijzing of buitenbehandelingstelling van aanvragen tot het verlenen, verlengen of wijzigen van verblijfsvergunningen, en intrekking daarvan, worden door of namens de Minister van Justitie genomen.
### 3.7.5. Bekendmaking
### 3.7.5.1. Algemene regels
De termijn voor het indienen van een beroep- of bezwaarschrift vangt aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt ([artikel 16, lid 1,2 en 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028455&artikel=16) en [artikel 56, lid 1,2 en 4 van de WarBES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028455&artikel=56)).
Hoofdregel: een beschikking wordt aan de belanghebbende toegezonden.
Verzending van de schriftelijk, gemotiveerde beschikking naar het adres, zoals blijkt uit de basisadministratie persoonsgegevens, van de vreemdeling als bekendmaking van de beschikking ([artikel 5.52, lid4, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.52)). In de beschikking wordt de vreemdeling gewezen op het instellen van rechtsmiddelen. Bij minderjarige kinderen geldt het adres van de wettelijk vertegenwoordiger. Als de vreemdeling niet op het bij de IND unit Caribisch Nederland bekende adres woont en hij heeft verzuimd een adreswijziging door te geven, dan moet de beschikking naar het laatst bekende adres, zoals blijkt uit de basisadministratie persoonsgegevens, worden toegezonden. De beschikking is op deze wijze op voorgeschreven wijze bekend gemaakt.
Gevallen waarin de originele beschikking in persoon wordt uitgereikt.
Wordt een beschikking gegeven waarbij aan de vreemdeling (voortzetting van) verblijf wordt toegestaan, geheel of gedeeltelijk in overeenstemming met een door hem ingediende aanvraag, dan moet de vreemdeling zich in persoon met de originele beschikking melden bij Burgerzaken voor uitreiking van het verblijfsdocument.
Als de vreemdeling zich buiten het openbare lichaam bevindt dan wordt de beschikking bekendgemaakt na zijn aankomst in het openbaar lichaam (zie [artikel 5.52, lid 3, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.52)).
Na bekendmaking van de inwilligende beschikking door de IND unit Caribisch Nederland aan de vreemdeling, moet aan de vreemdeling een verblijfsdocument worden verstrekt waaruit zijn rechtmatig verblijf blijkt.
Als verblijfsdocument in de zin van [artikel 7, eerste lid, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=7) wordt aangemerkt de Sédula.
De Sédula wordt afgegeven door Burgerzaken. Voor afgifte van de Sédula moet de vreemdeling zich in persoon melden bij Burgerzaken en daar de originele beschikking tonen waarbij de verblijfsvergunning is verleend. Het verblijfsdocument wordt alleen in persoon aan de vreemdeling uitgereikt. Een eventuele eerder afgegeven Sédula moet dan worden ingeleverd. Als sprake is van vermissing van de oude Sédula moet ook (een kopie van) een proces-verbaal van aangifte van vermissing daarvan worden overgelegd. Als de vreemdeling minderjarig is, moet het verblijfsdocument door de wettelijke vertegenwoordiger in het bijzijn van de minderjarige in ontvangst worden genomen.
### 3.7.5.2. Weigering verlenging en wijziging beperking
Bij wijziging van de vergunning (beperking) overeenkomstig een door de vreemdeling ingediende aanvraag wordt een nieuw verblijfsdocument verstrekt.
Van deze beschikking wordt niet afzonderlijk kennis gegeven als tevens verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning wordt geweigerd of de vergunning wordt ingetrokken.
### 3.8. Overgangsrecht
### 3.8.1. Geldige verblijfstitels, verklaringen van verblijf van rechtswege en nvt-verklaringen
Een op het tijdstip van inwerkingtreding van de [WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571) geldige verblijfstitel, verklaring van verblijf van rechtswege of een verklaring, inhoudende dat de Landsverordening toelating en uitzetting niet op de houder ervan van toepassing is, afgegeven door of namens de Minister van Justitie van de Nederlandse Antillen, wordt op dat tijdstip met inachtneming van het tweede tot en met het vijfde lid van artikel II van de WTU-BES van rechtswege aangemerkt als een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, dan wel verklaring van verblijf van rechtswege, op grond van de WTU-BES.
Een vergunning tot tijdelijk verblijf met als beperking een woonplaats, gelegen op Bonaire, Sint Eustatius of Saba, wordt, onder handhaving van de beperkingen en de geldigheidsduur, aangemerkt als een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in de [WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571), met dien verstande dat de beperking met betrekking tot de woonplaats geacht wordt te zijn opgeheven.
Bij de eerstvolgende aanvraag om verlenging van de geldigheidsduur moet de vreemdeling op het aanvraagformulier het verblijfsdoel aangeven dat overeenkomt met het verblijfsdoel waarvoor de aan vergunning tot tijdelijk verblijf destijds aan hem is verleend. De aanvraag om verlenging wordt vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de [WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571) getoetst aan de vanaf dat tijdstip geldende de voorwaarden voor verlenging van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd voor het betreffende verblijfsdoel.
Een vergunning tot verblijf met als beperking een woonplaats, gelegen op Bonaire, Sint Eustatius of Saba, wordt aangemerkt als een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in de [WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571), met dien verstande dat daaraan verbonden beperkingen en voorschriften worden geacht te zijn opgeheven.
Een verklaring van verblijf van rechtswege, waarvan een vreemdeling houder is, met als beperking een woonplaats, gelegen op Bonaire, Sint Eustatius of Saba, wordt, onder handhaving van de voorwaarden waaronder de verklaring is verstrekt en de geldigheidsduur, aangemerkt als een verklaring van verblijf van rechtswege als bedoeld in de [WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571), met dien verstande dat de daaraan verbonden voorwaarde met betrekking tot de woonplaats wordt geacht te zijn opgeheven.
Een verklaring, inhoudende dat de Landsverordening toelating en uitzetting niet op de houder ervan van toepassing is, wordt, indien een vreemdeling daarvan de houder is en deze op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet woonplaats heeft op Bonaire, Sint Eustatius of Saba, aangemerkt als een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, afgegeven op grond van de [WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571).
### 3.8.2. In behandeling zijnde verzoeken
Een op het tijdstip van inwerkingtreding van de [WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571) in behandeling zijnd verzoek tot het verlenen, wijzigen of verlengen van een vergunning tot tijdelijk verblijf wordt aangemerkt als een aanvraag tot het verlenen, wjzigen of verlengen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd op grond van de WTU-BES.
Een op het tijdstip van inwerkingtreding van de [WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571) in behandeling zijnd verzoek tot het verlenen van een vergunning tot verblijf wordt aangemerkt als een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd op grond van de WTU-BES.
Een op het tijdstip van inwerkingtreding van de [WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571) in behandeling zijnd verzoek tot het verstrekken van een verklaring van verblijf van rechtswege, ingediend bij de gezaghebber van Bonaire, Sint Eustatius of Saba, wordt aangemerkt als een aanvraag tot het verstrekken van een verklaring van verblijf van rechtswege op grond van de WTU-BES.
Een op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet in behandeling zijnd verzoek tot het verstrekken van een verklaring, inhoudende dat de Landsverordening toelating en uitzetting niet van toepassing is, ingediend bij de gezaghebber van Bonaire, Sint Eustatius of Saba, wordt aangemerkt als een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd op grond van de [WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571).
Op de behandeling van bovenstaande verzoeken blijft het recht dat gold voor het tijdstip van inwerkingtreding van de [WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571) van toepassing.
### 3.8.3. Voortgezet verblijf na vijf jaar
Vijf jaar na inwerkingtreding van het [BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599) wordt de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd in het kader van ‘voortgezet verblijf’ (zoals opgenomen in [artikel 5.2, lid 1 sub e, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.2)) verleend aan de vreemdeling die:
### 3.8.4. Verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd na vijf jaar
Vijf jaar na inwerkingtreding van het [BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599) wordt de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd (zoals opgenomen in [artikel 6 BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=6)) verleend aan de vreemdeling die:
De aanvraag wordt beoordeeld aan de hand van het recht zoals dat gold op het tijdstip waarop de aanvraag is ontvangen en niet op het tijdstip waarop de geldigheidsduur van de oorspronkelijke vergunning afliep (zie [artikel 5.51 BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.51)).
### Hoofdstuk 4. Arbeid in loondienst
Verder kan onderscheid gemaakt worden tussen Nederlanders die in of buiten de openbare lichamen zijn geboren en getogen.
Ten aanzien van de oud-Nederlanders die in de openbare lichamen zijn geboren en getogen, geldt dat zij, op grond van het feit dat zij in die periode als Nederlander in de openbare lichamen hebben verbleven, geacht worden zodanig sterke banden met de openbare lichamen te hebben opgebouwd en na hun vertrek uit de openbare lichamen te hebben behouden, dat zij met voorbijgaan aan een aantal algemene voorwaarden in aanmerking kunnen komen voor verblijf in de openbare lichamen.
### 2.3. Oud-Nederlanders die geboren en getogen zijn buiten de openbare lichamen
### 2.3.3. Vereiste bescheiden
### 3.2. Verblijfsvoorwaarden voor een vergunning voor bepaalde tijd
De verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd kan worden verleend aan de vreemdeling die:
Het gevaar voor de openbare orde wordt beoordeeld aan de hand van de maatstaven die zijn aangelegd voor verblijfsbeëindiging. Bij de vaststelling van de verblijfsduur wordt mede betrokken de periode waarin de vreemdeling als Nederlander in de openbare lichamen heeft verbleven. Onder strafmaat wordt verstaan de totale duur van de vrijheidsbenemende straffen of maatregelen, met inbegrip van die welke bij al dan niet onherroepelijk geworden uitspraak zijn opgelegd in de periode waarin de vreemdeling het Nederlanderschap bezat en in de periode na het verlies van het Nederlanderschap.
### 3.4. Vereiste bescheiden
Bij de aanvraag om een verblijfsvergunning voor bepaalde- of onbepaalde tijd moet de vreemdeling de volgende bescheiden overleggen:
### 4. Oud-Nederlanders ([artikel 15, eerste lid, aanhef onder b, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15))
### 4.1. Verblijfsvoorwaarden
Verblijf kan worden verleend aan de vreemdeling:
Het gaat hier om een vrijwillige handeling. De vreemdeling remigreert op grond van de remigratiewet naar het land van herkomst. Om in aanmerking te komen voor deze regelgeving moet de vreemdeling afstand doen van de Nederlandse nationaliteit. De vreemdeling moet binnen één jaar nadat hij de verklaring van afstand heeft afgelegd een aanvraag om een verblijfsvergunning indienen.
### 4.2. Vereiste bescheiden
Als [artikel 7 Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028231&artikel=7) van toepassing is, wordt de arbeidsmarktaantekening: ‘Arbeid vrij toegestaan. TWV niet vereist’.
### 5.3. Voorschrift
Aan de verlening van de verblijfsvergunning is als voorschrift verbonden de verplichting voldoende verzekerd te zijn tegen ziektekosten met inbegrip van de kosten aan opname of verpleging in een sanatorium of psychiatrische inrichting (zie [artikel 5.4, eerste lid, aanhef en onder c, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.4)).
### 6. Geldigheidsduur
De aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘wedertoelating’ wordt niet afgewezen om de reden dat niet meer wordt voldaan aan de beperking waaronder de vergunning is verleend.
### 7.2. Intrekking
Gegeven de aard van de toelatingsgrond – een periode van eerder verblijf in Nederland – zal het zich niet voordoen dat de verblijfsvergunning die is verleend onder de beperking ‘wedertoelating’ kan worden ingetrokken, omdat niet meer wordt voldaan aan de beperking. Wel is het uiteraard mogelijk dat er onjuiste gegevens zijn verstrekt, die hebben geleid tot de verlening van de verblijfsvergunning. Verblijfsbeëindiging om die reden is niet uitgesloten.
### 8. Verblijfsvergunning in afwachting van verzoek ex [artikel 17 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=17)
De beoordeling van de vraag of het verzoek ex [artikel 17 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=17) klaarblijkelijk van elke grond is ontbloot, en de beslissing of de persoon hangende de beslissing op dat verzoek als vreemdeling uit de openbare lichamen zal worden verwijderd, geschiedt uitsluitend bij de IND unit Caribisch Nederland.
### 8.2. Vereiste bescheiden
### 8.3.1. Beperking
De verblijfsvergunning wordt verleend onder de beperking ‘in afwachting verzoek ex [artikel 17 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=17)’.
Als [artikel 7 Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028231&artikel=7) van toepassing is, wordt de arbeidsmarktaantekening: ‘Arbeid vrij toegestaan. TWV niet vereist.
### 8.3.3. Voorschrift
Aan de verlening van de verblijfsvergunning is als voorschrift verbonden de verplichting voldoende verzekerd te zijn tegen ziektekosten met inbegrip van de kosten aan opname of verpleging in een sanatorium of psychiatrische inrichting (zie [artikel 5.4, eerste lid, aanhef en onder c, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.4)).
### 8.4. Geldigheidsduur van de verblijfsvergunning
De verblijfsvergunning wordt verleend met een geldigheidsduur van ten hoogste een jaar of zoveel korter als het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba uitspraak zal doen.
### 8.6. Verlenging geldigheidsduur van de verblijfsvergunning
### 8.6.1. Verblijfsvoorwaarden
### 8.6.2. Vereiste bescheiden
### 8.6.3. Geldigheidsduur
Het begrip mensenhandel bevat de volgende elementen:
Het behandelen met respect van het slachtoffer en van de getuige-aangever die aangifte doet, maakt daarvan onderdeel uit. Evenals het garanderen van de veiligheid van slachtoffers en het beschermen van de rechten van de slachtoffers en getuige-aangevers van mensenhandel.
In dit hoofdstuk wordt uiteengezet onder welke voorwaarden de verblijfsvergunning in het kader van mensenhandel kan worden verleend.
### 2. Slachtoffer mensenhandel
### 2.1. Verblijfsvoorwaarden slachtoffer mensenhandel
Kinderen van het slachtoffer van mensenhandel die een mvv-aanvraag in het kader van gezinshereniging indienen, zijn eveneens vrijgesteld van het betalen van leges.
### 3.1. Verblijfsvoorwaarden getuige-aangever
Getuige-aangevers zijn vreemdelingen die niet zelf slachtoffer zijn van mensenhandel maar hier wel getuige van zijn geweest. Getuige-aangevers kunnen vreemdelingen zijn die zelf werkzaam zijn in dezelfde sector als het slachtoffer. Tevens kunnen het personen zijn, die werkzaam zijn buiten deze sector en die kennis dragen van mensenhandel. Alleen de getuige-aangevers die geen geldige verblijfstitel hebben in de openbare lichamen kunnen rechten ontlenen aan de in deze paragraaf omschreven procedure.
De aanvraag wordt niet afgewezen:
De IND unit Caribisch Nederland neemt naar aanleiding van de aanvraag om een verblijfsvergunning contact op met het OM. Wat de getuige-aangevers betreft is de stem van het OM doorslaggevend of een verblijfsvergunning zal worden verstrekt of niet. Criterium is hierbij de vraag of de aanwezigheid van de getuige-aangever in de openbare lichamen gewenst is voor het opsporings- en vervolgingsonderzoek tegen de verdachte.
### 3.2. Vereiste bescheiden
### 4.1. Beslissing op de aanvraag
Ten aanzien van de termijn waarbinnen op de aanvraag dient te worden beslist, wordt onderscheid gemaakt of het een aanvraag van een slachtoffer of van een getuige-aangever betreft. Op de aanvraag van een slachtoffer dient – onvoorziene omstandigheden daargelaten – binnen 24 uur nadat de aanvraag is ingediend te worden beslist. Bij een aanvraag van een getuige-aangever is het praktisch niet haalbaar binnen een dergelijke termijn te beslissen. Dit in verband met het verplicht consulteren van het OM, voordat op de aanvraag kan worden beslist.
De IND unit Caribisch Nederland stelt de politie in kennis van de beslissing op de aanvraag om een verblijfsvergunning.
### 4.2. Beperking, arbeidsmarktaantekening en voorschrift
### 4.2.1. Beperking
Op het verblijfsdocument zal evenwel worden vermeld ‘beperking conform beschikking Minister’
### 4.2.2. Arbeidsmarktaantekening
### 4.2.3. Voorschrift
Zodra het OM de aanwezigheid van de vreemdeling in de openbare lichamen niet langer noodzakelijk acht, komt de grond aan de verblijfsvergunning verband houdend met mensenhandel te ontvallen. Het OM doet hiervan melding aan de IND unit Caribisch Nederland en aan de getuige-aangever.
### 6. Verlenging
De geldigheid van de verblijfsvergunning wordt niet verlengd als er geen sprake meer is van een strafrechtelijk opsporings- of vervolgingsonderzoek naar of berechting in feitelijke aanleg van de verdachte van het strafbare feit ter zake waarvan aangifte is gedaan of waaraan op andere wijze medewerking is verleend.
Bij de beoordeling van de verlengingsaanvraag moet de IND unit Caribisch Nederland bij het OM na gaan of er nog sprake is van een strafrechtelijk opsporings- of vervolgingsonderzoek dan wel of de berechting in feitelijke aanleg van de verdachte heeft plaatsgevonden.
### 6.2. Verblijfsvoorwaarden getuige-aangever
### 6.3. Vereiste bescheiden
De aanvraag wordt niet afgewezen wegens het ontbreken van voldoende zelfstandige en duurzame middelen van bestaan.
De eerste aanvraag om een verblijfsvergunning verband houdend met mensenhandel wordt niet afgewezen als de vreemdeling niet over een geldig document voor grensoverschrijding beschikt. Ondertussen moet een geldig document voor grensoverschrijding worden aangevraagd bij de diplomatieke vertegenwoordiging van het land waarvan het slachtoffer de nationaliteit bezit. Bij de aanvraag tot verlenging van de verblijfsvergunning zal, als de vreemdeling nog steeds niet beschikt over een geldig document tot grensoverschrijding, worden beoordeeld of er aanleiding is (tijdelijk) vrij te stellen van het paspoort vereiste, omdat de vreemdeling heeft aangetoond dat hij vanwege de regering van het land waarvan hij onderdaan is niet of niet meer in het bezit van een geldig document voor grensoverschrijding kan worden gesteld. (zie [hoofdstuk 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028837&hoofdstuk=3&z=2012-07-01&g=2012-07-01) CTU-BES).
### 6.4. Leges
### 7.1. Algemeen
Voor verlening van een verblijfsvergunning komen in aanmerking:
### Hoofdstuk 15. Voortgezet verblijf
### 1. Inleiding
In [artikel 5.20 BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.20) is geregeld in welke gevallen en onder welke voorwaarden een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt verleend voor arbeid in loondienst, als er geen afwijzingsgronden van toepassing zijn. Als aan één of meer van de in artikel 5.20 BTU-BES genoemde verblijfsvoorwaarden niet is voldaan, of wanneer een algemene weigeringsgrond (zie [artikel 9 WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=9)) van toepassing is, is de Minister niet verplicht doch wel bevoegd de verblijfsvergunning te verlenen. De gevallen waarin van de bevoegdheid om de verblijfsvergunning te verlenen gebruik wordt gemaakt, worden aangegeven in de CTU-BES.
Gelet op [artikel 5.20, eerste lid, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.20) wordt, met inachtneming van een aantal procedurele bepalingen, de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd onder een beperking verband houdend met het verrichten van arbeid in loondienst verleend:
De [Wav BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028437) kent een aantal uitzonderingen op de verplichte arbeidsmarkttoets (zie bijvoorbeeld [artikel 8, derde lid, Wav BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028437&artikel=8)). In die gevallen kan een TWV worden verleend zonder toetsing aan prioriteitgenietend aanbod op de arbeidsmarkt.
Onder een buitenlandse werknemer wordt verstaan: een vreemdeling die in de openbare lichamen arbeid in loondienst verricht of wil (gaan) verrichten.
[Artikel 5.21 BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.21) bepaalt dat geen verblijfsvergunning wordt verleend voor het verrichten van arbeid, hetzij in loondienst, hetzij als zelfstandige, die geheel of gedeeltelijk bestaat uit het verrichten van seksuele handelingen of het verlenen van seksuele diensten.
### 1.1. Samenhang tussen de [WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571) en de [Wav BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028437)
Onze Minister is verantwoordelijk voor de verlening van een verblijfsvergunning op grond van het bepaalde bij en krachtens de [WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571).
De Minister van SZW is verantwoordelijk voor het beleid met betrekking tot de toelating tot de arbeidsmarkt van de openbare lichamen op grond van de [Wav BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028437). Hij heeft de uitvoering van de Wav BES gedelegeerd aan de SZW-BES unit in de openbare lichamen.
In de behoefte aan arbeidskrachten moet zoveel mogelijk worden voorzien door inschakeling van het op de lokale arbeidsmarkt aanwezige of redelijkerwijs te verwachten aanbod. Dit is het zogenaamde prioriteitgenietend aanbod op de lokale arbeidsmarkt. Onder lokale arbeidsmarkt wordt verstaan: de arbeidsmarkten van de openbare lichamen samen.
Op grond van de [Wav BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028437) is een werkgever:
[Artikel 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028437&artikel=2), bepaalt dat het een werkgever verboden is een vreemdeling in de openbare lichamen arbeid te laten verrichten zonder TWV. De [Wav BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028437) voorziet in [artikel 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028437&artikel=7) en [8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028437&artikel=8) in een aantal uitzonderingen op deze verbodsbepaling.
Op grond van de [WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571) wordt getoetst of aan de voorwaarden voor verlening van een verblijfsvergunning is voldaan.
Op grond van de [Wav BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028437) wordt getoetst of aan de voorwaarden voor verlening van een TWV is voldaan door de werkgever waarvoor de vreemdeling arbeid wil gaan verrichten.
De procedures die op grond van de [WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571) en de [Wav BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028437) moeten worden gevolgd hangen zeer nauw met elkaar samen en de beslissingen op de aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd en de aanvraag om verlening van een TWV beïnvloeden elkaar. Daarom is een nauwe samenwerking tussen de diensten die deze regelingen uitvoeren van belang.
### 1.2. Meerdere werkgevers
Het werkgeversbegrip verwijst niet naar een juridische verhouding, gebaseerd op een arbeidsovereenkomst of aanstelling, maar naar de feitelijke situatie, waarbij een vreemdeling feitelijk arbeid verricht in opdracht van of voor een ander. Als gevolg van het brede werkgeversbegrip kunnen zich situaties voordoen dat een vreemdeling voor hetzelfde werk meerdere werkgevers heeft (uitzendarbeid, aanneming van werk). Met hetzelfde werk wordt hier letterlijk bedoeld hetzelfde werk (dus niet hetzelfde soort werk of dezelfde soort functie bij meerdere werkgevers). Als één van de werkgevers al beschikt over een TWV voor het betreffende werk, hoeven andere werkgevers geen TWV aan te vragen (zie voorbeeld 1). Als de vreemdeling meerdere werkgevers heeft als gevolg van het feit dat hij ook meerdere banen heeft, geldt dat elk van de werkgevers over een TWV moet beschikken voor de werkzaamheden die de vreemdeling voor die betreffende werkgever verricht (zie voorbeeld 2).
**Luciano verricht arbeid als metselaar bij bouwbedrijf A dat hem heeft ingeleend van bouwbedrijf B.**
**Bouwbedrijf B heeft in beginsel de TWV voor de tewerkstelling van Luciano bij bouwbedrijf A. Als bouwbedrijf B de TWV niet heeft, moet bouwbedrijf A de TWV aanvragen.**
**Luciano verricht arbeid als metselaar bij bouwbedrijf A voor 3 dagen in de week. Daarnaast verricht hij werkzaamheden als metselaar bij bouwbedrijf B voor 2 dagen in de week. Beide bouwbedrijven moeten in dit geval een TWV hebben.**
**Luciano werkt bij een ICT-bedrijf dat hem bij verschillende werkgevers opdrachten laat uitvoeren. Het ICT-bedrijf moet beschikken over een TWV, op basis waarvan Luciano bij verschillende klanten opdrachten in de ICT-sector mag uitvoeren.**
### 2. Buitenlandse werknemers voor wie een TWV is vereist
Naast de voorwaarden zoals beschreven in de [artikelen 5.22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.22), [5.23](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.23) en [5.24 BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.24) gelden ook de algemene voorwaarden zoals beschreven in [artikel 9 WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=9).
De vreemdeling die als minderjarige in het bezit is gesteld van een verblijfsvergunning in het kader van gezinshereniging komt na vijf jaar verblijf in aanmerking voor een zelfstandige verblijfsvergunning. Ook de minderjarige die als pleeg- of adoptiekind verblijf heeft gehad, kan onder deze voorwaarden in aanmerking komen voor voortgezet verblijf.
### 2.1. Verblijfsvoorwaarden
De voorwaarden voor verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd voor het verrichten van arbeid in loondienst zijn (zie [artikel 5.20 BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.20)):
De van TWV-plicht vrijgestelde categorieën worden beschreven in [artikel 7 Besluit uitvoering Wav BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028231&artikel=7).
Als er geen voor arbeid geldige verblijfsvergunning is aangevraagd, is dat een dwingende grond om een TWV te weigeren op grond van [artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d, Wav BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028437&artikel=8).
Andersom zal een aanvraag voor verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd of verlenging daarvan worden afgewezen als de vreemdeling arbeid verricht zonder dat voor die arbeid een TWV is verleend (zie [artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=9) en [artikel 5.20, eerste lid, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.20)).
Op grond van [artikel 5.22 BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.22) wordt de vergunning voor bepaalde tijd onder een beperking verband houdend met voortgezet verblijf verleend aan de vreemdeling die:
Daarnaast gelden de algemene voorwaarden voor verblijf:
Wanneer niet aan de voorwaarden voor verblijf wordt voldaan, betekent dit niet zonder meer dat de vergunning wordt geweigerd. Individuele omstandigheden kunnen altijd een rol spelen. (zie verder paragraaf 5.).
### 2.2. Vereiste bescheiden
De vreemdeling moet de volgende bescheiden overleggen:
Alle stukken moeten zijn opgesteld in het Nederlands of Engels of zijn vertaald door een betrouwbare vertaler.
### 2.3. Procedure bij het loket van IND-BES (1-loket procedure)
Van belang is de volgorde waarin de aanvragen worden ingediend en de volgorde waarin daarop wordt beslist. Ook is het belangrijk dat de bij de beslissingen betrokken instanties informatie met elkaar uitwisselen over de bij hen ingekomen aanvragen en hun beslissingen daarop. Hierdoor wordt voorkomen dat er een vicieuze cirkel ontstaat. Om deze reden is in de openbare lichamen een 1-loket procedure ingericht.
Om de doelmatigheid en de snelheid van de afhandeling van aanvragen om toelating en om een TWV te bevorderen en om een goede afstemming van de werkprocessen bij de IND unit Caribisch Nederland en de SZW-BES unit te waarborgen, kunnen aanvragen om een mvv /verblijfsvergunning én om een TWV bij het loket van de IND-BES worden ingediend.
### 2.3.1. 1-loket procedure
De werkgever vraagt ten behoeve van de vreemdeling die in de openbare lichamen arbeid in loondienst wil gaan verrichten, bij het loket van IND-BES zoveel mogelijk gelijktijdig een TWV én een mvv voor het verrichten van arbeid in loondienst aan. Als de vreemdeling niet mvv-plichtig is, dient de werkgever bij het loket een aanvraag om een TWV in en dient de vreemdeling, zoveel mogelijk gelijktijdig, een aanvraag in om een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd voor het verrichten van arbeid in loondienst. Als de vreemdeling zelf de aanvraag om een mvv indient bij de Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging in zijn land van herkomst of bestendig verblijf, wordt deze aanvraag ter afhandeling doorgezonden naar de IND unit Caribisch Nederland. Na ontvangst van deze mvv-aanvraag wordt de werkgever door de IND unit Caribisch Nederland uitgenodigd om bij het loket een TWV-aanvraag in te dienen.
De formulieren voor het aanvragen van een TWV, een mvv en een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd zijn in ieder geval verkrijgbaar bij het loket van de IND-BES. In deze aanvraagformulieren staat welke gegevens en bescheiden bij het indienen van de aanvragen overgelegd moeten worden.
Bij het indienen van de aanvragen moeten de aanvraagformulieren:
De IND unit Caribisch Nederland stuurt de TWV-aanvraag ter behandeling door naar de SZW-BES unit. Deze voert een arbeidsmarkttoets uit en neemt een beslissing op de aanvraag om een TWV. Vervolgens wordt deze beslissing dan wel de TWV doorgestuurd naar de IND unit Caribisch Nederland.
Zodra de beslissing op de TWV-aanvraag bij de IND unit Caribisch Nederland bekend is, neemt IND unit Caribisch Nederland een beslissing op de aanvraag om een mvv of een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd. Als de aanvraag om een TWV is afgewezen, wordt ook de aanvraag om een verblijfsvergunning afgewezen. Als de aanvraag om een TWV is ingewilligd, wordt in de regel ook de aanvraag om een mvv of verblijfsvergunning ingewilligd. Dit laatste hoeft echter niet per se het geval te zijn. Het kan voorkomen dat de aanvraag om een TWV is ingewilligd, maar dat niet aan alle voorwaarden voor verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt voldaan.
**Uitzondering**: als meteen al duidelijk is dat de mvv of verblijfsvergunning moet worden geweigerd, ongeacht of er wel of geen TWV wordt verleend, wordt de aanvraag om een mvv of verblijfsvergunning direct afgewezen en wordt niet gewacht op de beslissing van SZW-BES unit op de aanvraag om een TWV. Hierbij moet met name worden gedacht aan gevallen waarin de aanvraag om een mvv of verblijfsvergunning wordt afgewezen wegens gevaar voor de openbare orde. De SZW-BES unit wordt zo snel mogelijk van de beslissing op de aanvraag om een mvv of verblijfsvergunning in kennis gesteld, vanwege de te nemen beslissing op de TWV-aanvraag.
De beslissingen op de aanvragen om een TWV en om een mvv/verblijfsvergunning voor bepaalde tijd worden beide in beginsel bekendgemaakt door uitreiking in persoon van de beschikkingen aan het loket van de IND-BES. In beginsel vindt dit zoveel mogelijk gelijktijdig plaats (zie voor regels over bekendmaking van besluiten hoofdstuk 3, paragraaf 3.7.6)
Als een werkgever een vreemdeling arbeid laat verrichten in de zin van de [Wav BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028437), zonder dat hij in het bezit is van de vereiste TWV, wordt vermoed dat die vreemdeling gedurende tenminste zes maanden werkzaam is geweest voor die werkgever (zie [artikel 20 Wav BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028437&artikel=20)). Met behulp van dit rechtsvermoeden kan een vreemdeling een loonvordering instellen. Voor het doorlopen van deze procedure in de openbare lichamen wordt aan de illegale vreemdeling echter geen verblijf toegestaan.
### 2.3.2. Procedure gezinsleden bij het loket van IND-BES
Aanvragen om een mvv in het kader van gezinshereniging met een arbeidsmigrant worden eveneens bij het IND-BES loket ingediend als:
Het gelijktijdig afdoen van de aanvraag om toelating van gezinsleden door het IND-BES loket, samen met die van de hoofdaanvrager, is verder alleen mogelijk:
Aanvragen verband houdend met adoptie en opname als pleegkind worden niet gelijktijdig met de aanvraag van de hoofdaanvrager afgehandeld.
Voor gezinsleden gelden daarnaast de in [hoofdstuk 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028837&hoofdstuk=3&z=2010-10-08&g=2010-10-08) neergelegde toepasselijke voorwaarden, waaronder de voorwaarden inzake legalisatie en verificatie van documenten.
Gezinsleden van arbeidsmigranten zijn niet vrij op de arbeidsmarkt. Als zij willen werken, moet de werkgever beschikken over een TWV.
### 2.4. Samenhang beslissing aanvraag TWV en verblijfsvergunning
Voor verblijf in de openbare lichamen verband houdend met het verrichten van arbeid in loondienst moet de werkgever van de vreemdeling beschikken over een TWV en de vreemdeling over een verblijfsvergunning. De beslissing op de aanvraag om een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd enerzijds en de beslissing op de aanvraag om een TWV anderzijds beïnvloeden elkaar.
Hoofdregel:
Met de beslissing op de aanvraag om een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt gewacht totdat op de aanvraag om een TWV is beslist. Wordt de TWV verleend dan zal als regel ook de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd worden verleend, als ook aan de overige voorwaarden wordt voldaan.
Mogelijke situaties:
De afwijzing van de aanvraag om een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd is een dwingende weigeringsgrond voor een TWV (zie [artikel 8, eerste lid onder e Wav BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028437&artikel=8)). Door, als dat mogelijk is, direct op de aanvraag om een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd te beslissen wordt de ongewenste situatie voorkomen dat achteraf het verblijf moet worden ontzegd aan een vreemdeling, die inmiddels op grond van een aan de werkgever op diens aanvraag verleende TWV arbeid in loondienst is gaan verrichten. Er wordt direct op een aanvraag om een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd beslist als sprake is van de weigeringsgronden van [artikel 9 WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=9):
In afwachting van de beslissing op de aanvraag om een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd voor het verrichten van arbeid in loondienst plaatst de IND unit Caribisch Nederland een verblijfsaantekening in het paspoort of identiteitsbewijs van de vreemdeling.
Als de aanvraag om een TWV wordt geweigerd voordat op de aanvraag om een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd is beslist, wordt als regel ook een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd voor het verrichten van arbeid in loondienst geweigerd.
Een vreemdeling, die naar de openbare lichamen komt om arbeid in loondienst te verrichten, vraagt een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd voor het verrichten van arbeid in loondienst aan bij de IND unit Caribisch Nederland. In de periode, gelegen tussen verlening van een TWV en de beslissing op de aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning, is het de vreemdeling toegestaan de arbeid te verrichten waarvoor de TWV is afgegeven. Zolang geen beslissing op de aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning is genomen, wordt hij daarom niet uit de openbare lichamen verwijderd. De verlening van een TWV betekent dat met de komst van een vreemdeling een wezenlijk belang is gediend. De verblijfsvergunning zal dan ook in principe worden verleend, tenzij één van de weigeringsgronden van [artikel 9 WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=9) van toepassing is.
Een weigering de geldigheidsduur te verlengen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd of de intrekking ervan en ook intrekking van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd vormt op grond van [artikel 10, onder b, Wav BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028437&artikel=10) een dwingende reden voor intrekking van de TWV.
Om in aanmerking te komen voor een TWV voor het verrichten van arbeid in loondienst of arbeid in loondienst als praktikant toetst SZW-BES unit of de vreemdeling met de voorgenomen arbeid een salaris zal ontvangen dat:
Om in aanmerking te komen voor een TWV voor het verrichten van arbeid in loondienst als stagiair toetst SZW-BES of de vreemdeling een stagevergoeding ontvangt van minimaal 50% van het bruto minimumloon, genoemd in [artikel 9 van de Wet minimumlonen BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028170&artikel=9), na aftrek van de daarop in te houden loonheffing.
Als in de hiervoor genoemde gevallen ten behoeve van de vreemdeling een TWV is afgegeven, is daarmee ook aangetoond dat is voldaan aan het vereiste om zelfstandig te beschikken over voldoende middelen van bestaan (zie [artikel 5.33 BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.33)). De in [hoofdstuk 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028837&hoofdstuk=3&z=2010-10-08&g=2010-10-08) genoemde bewijsstukken inkomsten uit arbeid in loondienst hoeven dan niet overgelegd te worden.
### 2.5. Geldigheidsduur: relatie met de TWV
Een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd voor het verrichten van arbeid in loondienst wordt verleend voor een duur die maximaal gelijk is aan de duur van de TWV (zie [artikel 5.27 BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.27)).
Een TWV wordt voor bepaalde tijd afgegeven (zie [artikel 7 Wav-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028437&artikel=7)). In normale gevallen is de geldigheidsduur van een TWV gelijk aan de duur van het arbeidscontract. De maximale geldigheidsduur van een TWV is drie jaar. Er kan daarna (ook door dezelfde werkgever, ten behoeve van dezelfde werknemer en voor hetzelfde werk) wel een nieuwe TWV worden aangevraagd en verleend. De maximale geldigheidsduur van de verblijfsvergunning met als verblijfsdoel het verrichten van arbeid in loondienst is daarom drie jaar. Dit komt overeen met de maximale duur waarvoor een TWV kan worden afgegeven. De geldigheidsduur van de verblijfsvergunning kan daarna telkens worden verlengd met de duur van daarop volgende tewerkstellingen.
Het is van belang dat de ingangsdatum van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd zo veel mogelijk gelijk is aan de ingangsdatum van de TWV. Is dat niet zo, dan moet tijdig (d.w.z. voor afloop van de TWV waarvan verlening wordt beoogd), contact worden opgenomen met het loket van de IND unit Caribisch Nederland om verlenging van de verblijfsvergunning aan te vragen, als dat mogelijk is.
Arbeid in loondienst is een niet-tijdelijk verblijfsdoel (zie [artikel 5.3, derde lid, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.3)).
### 2.6. Beperking, arbeidsmarktaantekening en voorschrift
### 2.6.1. Beperking
Als aan de hierboven in 2.1 genoemde voorwaarden wordt voldaan, wordt de verblijfsvergunning verleend onder de beperking ‘arbeid in loondienst bij ............ (naam werkgever)’.
### 2.6.2. Arbeidsmarktaantekening
Op de verblijfsvergunning staat in beginsel de aantekening: ’arbeid in loondienst alleen toegestaan indien de werkgever beschikt over TWV’. (Zie [artikel 6.17, derde lid, onder b, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=6.17)).
Als een vreemdeling voor een ander doel dan het verrichten van arbeid in loondienst wordt toegelaten, wordt ook een arbeidsmarktaantekening op het verblijfsdocument geplaatst. Deze aantekening is afhankelijk van het doel waarvoor verblijf is toegestaan. In de desbetreffende hoofdstukken staat welke arbeidsmarktaantekening dan geldt.
### 2.6.3. Voorschrift
Aan de verlening van de verblijfsvergunning worden de volgende voorschriften verbonden:
Beleidsregel:
Bij verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd voor het verrichten van arbeid
in loondienst, moet de schriftelijke garantstelling worden ondertekend door de werkgever, mits deze solvabel is.
Bij verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd in het kader van gezinshereniging bij een hoofdpersoon, die in het bezit is van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd voor het verrichten van arbeid in loondienst dan wel die daarvoor een aanvraag heeft ingediend, moet de schriftelijke garantstelling worden ondertekend door de werkgever van de hoofdpersoon, mits deze solvabel is.
Beleidsregel:
Een werkgever wordt geacht solvabel te zijn als aan hem een TWV is verleend voor de door de vreemdeling te verrichten arbeid.
### 3. Buitenlandse werknemers voor wie een TWV niet is vereist
### 2.3.2. Arbeidsmarktaantekening
### 2.3.3. Voorschriften
### 2.4. Geldigheidsduur
### 3. Voortgezet verblijf voor de overige gezinsleden
### 3.1. Verblijfsvoorwaarden
De voorwaarden voor verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd voor het verrichten van arbeid in loondienst door deze categorie buitenlandse werknemers zijn (zie [artikel 5.20 BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.20) en [artikel 3 Wav BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028437&artikel=3)):
Zie voor de vereiste bescheiden paragraaf 2.2 met uitzondering van een geldige TWV.
### 3.2. Vrijgestelde categorieën vreemdelingen
Het verbod voor een werkgever om een vreemdeling zonder TWV arbeid te laten verrichten geldt niet voor (zie [artikel 3 Wav BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028437&artikel=3)):
Ter uitvoering van d zijn in de [artikelen 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028231&artikel=7) en [8 van het Besluit uitvoering Wav BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028231&artikel=8) een aantal categorieën vreemdelingen respectievelijk werkzaamheden aangewezen waarvoor geen TWV is vereist. Vreemdelingen die tot één van deze aangewezen categorieën behoren, kunnen aan die aanwijzing op zichzelf geen aanspraak ontlenen op een verblijfsvergunning voor bepaalde of onbepaalde tijd.
### 3.2.1. Vreemdelingen met aantekening ‘arbeid vrij toegestaan’
Het verbod voor een werkgever om een vreemdeling zonder TWV arbeid te laten verrichten geldt niet voor een vreemdeling die beschikt over een verblijfsvergunning welke is voorzien van een aantekening van de Minister van Justitie waaruit blijkt dat aan die vergunning geen beperkingen zijn verbonden voor het verrichten van arbeid (zie [artikel 8,onder e, Besluit uitvoering Wav BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028231&artikel=8)).
Op het verblijfsdocument wordt de volgende aantekening geplaatst: ‘Arbeid vrij toegestaan. TWV niet vereist’.
Zo’n aantekening wordt afgegeven aan een vreemdeling:
De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd voor het verrichten van arbeid in loondienst kan worden verleend aan een vreemdeling die in het bezit is van een arbeidsmarktaantekening ‘arbeid vrij toegestaan; TWV niet vereist’ als hij in ieder geval voldoet aan de voorwaarden genoemd in [artikel 5.20, tweede lid, onder b, c en e, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.20).
### 4. Bijzondere categorieën vreemdelingen
### 4.1. Nederlandse zeeschepen
Vreemdelingen die werkzaam zijn (geweest) op Nederlandse zeeschepen en die hun verlof willen doorbrengen in de openbare lichamen, komen op deze grond niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd. Deze vreemdelingen mogen zonder verblijfsvergunning voor bepaalde tijd in de openbare lichamen binnenkomen en er verblijven voor de duur van maximaal drie maanden (zie [artikel 4.3 BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=4.3)).
Als Nederlands zeeschip wordt aangemerkt een schip dat onder Nederlandse vlag vaart en in Nederland is geregistreerd.
### 4.2. Internationale luchtvaart en scheepvaart
Vreemdelingen die als bemanningslid van internationale schepen en luchtvaartuigen werkzaam zijn, komen in beginsel niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd. Deze vreemdelingen mogen zonder verblijfsvergunning voor bepaalde tijd in de openbare lichamen binnenkomen en er verblijven voor een periode van maximaal drie maanden (zie [artikel 4.3 BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=4.3)). Zij hebben toelating van rechtswege op grond van [artikel 5a WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=5a).
Het algemene vreemdelingenbeleid is niet van toepassing op buitenlandse werknemers in enkele specifieke sectoren (internationale luchtvaart en scheepvaart) van de internationale arbeidsmarkt, omdat zij niet dan wel het grootste deel van de tijd niet werkzaam zijn op Nederlands grondgebied. De toelating van rechtswege voor de duur van maximaal 3 maanden vervalt op het tijdstip van vertrek van het schip of luchtvaartuig.
De verbodsbepaling van de [Wav BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028437) is niet van toepassing op een vreemdeling die zijn hoofdverblijf buiten Nederland heeft én geen arbeidsovereenkomst heeft met een in de openbare lichamen gevestigde werkgever én uitsluitend arbeid verricht op buiten de openbare lichamen geregistreerde vervoermiddelen in het internationale verkeer (zie [artikel 8, onder b, Besluit uitvoering Wav-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028231&artikel=8)).
Als een vreemdeling:
In geval van een beoogd verblijf van langer dan drie maanden moet er ook een aanvraag voor een verblijfsvergunning en indien nodig een mvv te worden ingediend. Als de TWV wordt verleend, kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd worden afgegeven onder de beperking ‘arbeid in loondienst’, met arbeidsmarktaantekening ‘Arbeid uitsluitend toegestaan indien werkgever beschikt over TWV’ (zie verder [hoofdstuk 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028837&hoofdstuk=3&z=2010-10-08&g=2010-10-08)).
Van bovengenoemde buitenlandse werknemers moeten worden onderscheiden opvarenden van tot de zee- of luchtmacht van enige mogendheid behorende schepen of luchtvaartuigen. [Artikel 3, eerste lid, onder e, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=3) bepaalt dat deze opvarenden van rechtswege toelating tot verblijf hebben in de openbare lichamen, gedurende de tijd dat de openbare lichamen met toestemming van de bevoegde autoriteiten worden aangedaan. Laatstgenoemde vreemdelingen hoeven derhalve niet in het bezit te zijn van een verblijfsvergunning als bedoeld in [artikel 6, eerste lid, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=6).
### 4.3. Stagiaires en praktikanten
### 4.3.1. Inleiding
Onder stagiair wordt verstaan een vreemdeling die naar de openbare lichamen komt om arbeid te verrichten die noodzakelijk is om de opleiding in het land van herkomst te kunnen voltooien.
Onder praktikant wordt verstaan een vreemdeling die naar de openbare lichamen komt om werkervaring op te doen die voor diens toekomstig functioneren in het land van herkomst van belang is.
### 4.3.2. Verblijfsvoorwaarden
In [artikel 5.20 BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.20) staan de voorwaarden voor verlening van een verblijfsvergunning voor het verrichten van arbeid in loondienst als stagiair of praktikant. Zie de onder dit hoofdstuk, paragraaf 2.1 genoemde voorwaarden.
[Artikel 14, eerste lid, Besluit uitvoering Wav-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028231&artikel=14) bepaalt dat een TWV voor de vreemdeling die arbeid als stagiair wil gaan verrichten, voor maximaal een jaar kan worden verleend zonder arbeidsmarkttoets.
[Artikel 15, eerste lid, Besluit uitvoering Wav BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028231&artikel=15) bepaalt dat een TWV voor de vreemdeling die arbeid als praktikant wil gaan verrichten, voor maximaal 24 weken in een periode van een jaar kan worden verleend zonder arbeidsmarkttoets.
Zie voor de vereiste bescheiden [hoofdstuk 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028837&hoofdstuk=3&z=2010-10-08&g=2010-10-08) CTU-BES.
### 4.3.3. Beperking, arbeidsmarktaantekening en voorschrift
### 4.3.3.1. Beperking
De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt verleend onder de beperking ‘voor arbeid in loondienst als stagiair bij ...(naam werkgever)’ c.q. ‘voor arbeid in loondienst als praktikant bij... (naam werkgever)’.
Deze verblijfsvergunningen zijn tijdelijk van aard (zie [artikel 5.3, eerste lid, onder d, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.3)). Dit moet uitdrukkelijk steeds worden vermeld in de beschikking waarbij de verblijfsvergunning wordt verleend.
### 4.3.3.2. Arbeidsmarktaantekening
Op het verblijfsdocument wordt vermeld: ‘specifieke arbeid toegestaan mits werkgever beschikt over TWV; andere arbeid niet toegestaan’.
### 4.3.3.3. Voorschriften
Aan de verlening van de verblijfsvergunning worden de volgende voorschriften verbonden:
Hier gelden de beleidsregels zoals vermeld in 2.6.3.
### 4.3.4. Geldigheidsduur
Het verblijf als stagiair en praktikant is op grond van [artikel 5.3, tweede lid, onder d, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.3) tijdelijk.
De geldigheidsduur van de verblijfsvergunning voor stagiaires beloopt maximaal één jaar.
De geldigheid van de verblijfsvergunning voor praktikanten beloopt niet langer dan 24 weken.
### 4.3.5. Voortzetting van verblijf
Voor stagiaires geldt dat een aanvraag om verlenging van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning voor het verrichten van arbeid in loondienst als stagiair voor hetzelfde doel wordt afgewezen, als de vreemdeling één jaar houder van deze verblijfsvergunning is geweest.
Voor praktikanten geldt dat een aanvraag om verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning voor het verrichten van arbeid in loondienst als praktikant voor hetzelfde doel wordt afgewezen, als de vreemdeling 24 weken houder van deze verblijfsvergunning is geweest.
Voortzetting van verblijf voor het verrichten van arbeid als stagiair of praktikant wordt dus niet toegestaan. Dit volgt uit het feit dat de TWV voor het verrichten van arbeid als stagiair of praktikant slechts voor maximaal een jaar respectievelijk 24 weken kan worden verleend.
Voortzetting van het verblijf is wel mogelijk als [artikel 5.24 BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.24) van toepassing is (zie [hoofdstuk 15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028837&hoofdstuk=15&z=2010-10-08&g=2010-10-08)).
### 4.4. Kortdurende arbeid (maximaal drie maanden)
### 4.4.1. Inleiding
Vreemdelingen mogen als toerist in de openbare lichamen binnenkomen en er in beginsel maximaal drie maanden verblijven zonder verblijfsvergunning voor bepaalde of onbepaalde tijd (zie [artikel 4.2, eerste lid, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=4.2)). Deze periode van drie maanden is de vrije termijn.
Zodra een toerist in de vrije termijn arbeid in loondienst gaat verrichten, is hij niet meer aan te merken als toerist. Hij valt dan immers niet meer onder de definitie van toerist, zoals vermeld in [artikel 1.1, onder g, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=1.1). De vrije termijn voor deze vreemdelingen bedraagt in beginsel drie maanden (zie [artikel 5a WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=5a) en [artikel 4.4, eerste lid, onder c, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=4.4)). Deze vreemdeling moet zich in dat geval melden bij de korpschef (zie paragraaf 4.4.2).
Het is mogelijk om in de vrije termijn arbeid in loondienst te verrichten in de openbare lichamen. De werkgever zal in dat geval vaak wel moeten beschikken over een TWV voor de vreemdeling.
Vreemdelingen die verblijf hebben in de vrije termijn en in die periode arbeid in loondienst verrichten zijn bijvoorbeeld:
### 4.4.2. Meldplicht
De vreemdeling die van rechtswege is toegelaten als bedoeld in [artikel 5a WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=5a) en die arbeid gaat zoeken of arbeid gaat verrichten, meldt dit onmiddellijk bij de korpschef ([artikelen 6.38, eerste lid, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=6.38)).
Deze meldplicht geldt niet als de vreemdeling (zie [artikel 6.38, tweede lid, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=6.38)):
Dit kan onder meer aannemelijk gemaakt worden aan de hand van een arbeidsovereenkomst voor de duur van maximaal drie maanden, te rekenen vanaf het tijdstip van binnenkomst van de vreemdeling.
### 4.4.3. Arbeidsovereenkomst of stage voor maximaal drie maanden
Visumplichtige vreemdelingen die voor maximaal drie maanden binnen een tijdvak van zes maanden arbeid in loondienst willen gaan verrichten in de openbare lichamen, moeten daarvoor eerst een visum aanvragen bij de Nederlandse vertegenwoordiging in het land van herkomst met als reisdoel arbeid. De vreemdeling dient daartoe bij de Nederlandse vertegenwoordiging een geldige TWV en een arbeidsovereenkomst te overleggen. Indien het visum wordt afgegeven moet de vreemdeling na binnenkomst in de openbare lichamen en binnen de maximaal toegestane verblijfsduur van het visum, bij de IND-BES unit een aanvraag indienen om verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd voor het verrichten van arbeid in loondienst. Voor verlening van deze verblijfsvergunning gelden in beginsel de verblijfsvoorwaarden als vermeld in paragraaf 2.1, behalve het mvv-vereiste. Verder geldt het volledige legestarief voor een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd voor arbeid in loondienst, zoals vermeld in [artikel 4.1, tweede lid, onder a, RTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028815&artikel=4.1).
Als aan alle geldende verblijfsvoorwaarden wordt voldaan, kan de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd voor arbeid in loondienst in dit geval worden verleend voor de duur waarvoor de TWV ten behoeve van die arbeid in verleend.
Verblijf langer dan drie maanden:
Als de visumplichtige vreemdeling langer dan drie maanden in de openbare lichamen wil verblijven, voor het verrichten van arbeid in loondienst of voor een ander verblijfsdoel, moet daarvoor eerst een mvv-aanvraag worden ingediend en moet de vreemdeling de uitkomst daarvan in zijn land van herkomst afwachten, tenzij hij valt onder één van de vrijstellingscategorieën van het mvv-vereiste. Na afgifte van de mvv kan hij een aanvraag indienen om verlenging van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd dan wel een aanvraag om wijziging van de beperking.
Niet-visumplichtige vreemdelingen en Nederlanders die op basis van een arbeidsovereenkomst voor maximaal drie maanden in de openbare lichamen arbeid in loondienst willen verrichten, hebben een vrije termijn van drie maanden binnen een tijdvak van zes maanden (zie [artikel 4.4, eerste lid, onder c, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=4.4)). Binnen deze termijn hoeven zij niet in het bezit te zijn van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd dan wel van een verklaring waaruit blijkt dat men toelating van rechtswege heeft. Ook geldt voor hen geen meldplicht, als zij aannemelijk kunnen maken dat zij naar de openbare lichamen zijn gekomen om arbeid te verrichten voor een periode van maximaal drie maanden, te rekenen vanaf hun binnenkomst (zie paragraaf 4.4.2). In het geval van de niet-visumplichtige vreemdelingen zal de werkgever in beginsel wel in het bezit moeten zijn van een geldige TWV voor deze arbeid.
Als een Nederlander gedurende zijn verblijf als toerist in de vrije termijn van zes maanden besluit om arbeid in loondienst te gaan verrichten, is op hem niet langer [artikel 4.2, derde lid, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=4.2) van toepassing en bedraagt zijn vrije termijn vanaf dat moment drie maanden, te rekenen vanaf datum binnenkomst in de openbare lichamen. Als de vrije termijn van drie maanden op dat moment al is verstreken, moet de Nederlander binnen acht dagen nadat hij arbeid is gaan verrichten, een verklaring aanvragen waaruit zijn toelating van rechtswege op grond van [artikel 3 van de WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=3) blijkt (zie [artikel 4.4, tweede lid, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=4.4)).
Verblijf langer dan drie maanden:
Als de niet-visumplichtige vreemdeling langer dan drie maanden in de openbare lichamen wil verblijven, voor het verrichten van arbeid in loondienst dan wel voor een ander verblijfsdoel, moet hij daarvoor een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd aanvragen. Voor mvv-plichtige vreemdelingen die na drie maanden arbeid op basis van een arbeidsovereenkomst voor korte duur langer in de openbare lichamen willen verblijven, geldt nu wel het mvv-vereiste, tenzij men valt onder één van de vrijstellingscategorieën van het mvv-vereiste. Voor mvv-plichtige vreemdelingen dient nu eerst een mvv-aanvraag ingediend te worden, De uitkomst daarvan moet de vreemdeling in zijn land van herkomst afwachten. Dit om te voorkomen dat met het verblijf voor kortdurende arbeid het mvv-vereiste wordt omzeild.
Nederlanders die na drie maanden arbeid op basis van een arbeidsovereenkomst voor korte duur langer in de openbare lichamen willen verblijven, moeten daarvoor een verklaring aanvragen waaruit blijkt dat zij toelating van rechtswege hebben op grond van [artikel 3 van de WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=3).
### 4.4.4. Grensarbeiders
Dit zijn in de openbare lichamen tewerkgestelde vreemdelingen die hun woonplaats hebben in een ander land, binnen of buiten het Koninkrijk, waarheen zij dagelijks, of ten minste eenmaal per week, terugkeren.
Het gaat daarbij bijvoorbeeld om vreemdelingen die in Curaçao, Sint Maarten of Aruba verblijf houden en in het bezit zijn van een geldige verblijfsvergunning voor Curaçao, Sint Maarten of Aruba en die in één van de openbare lichamen werken. Ook kan het gaan om vreemdelingen die in een land buiten het Koninkrijk verblijf houden en aldaar in het bezit zijn van een verblijfsvergunning dan wel de nationaliteit hebben van dat land, en die in één van de openbare lichamen werken.
Doordat zij grensarbeid verrichten komen zij niet toe aan het tijdstip waarop zij, op grond van [artikel 4.4 BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=4.4), een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd zouden moeten hebben.
Ook zijn de [artikelen 6.45](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=6.45) en [6.46 BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=6.46) over de aanmeldingsplicht niet op grensarbeiders van toepassing, omdat deze arbeiders vallen onder de uitzonderingscategorie van [artikel 6.38, tweede lid, onder b, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=6.38).
### 4.4.4.1. Verblijfsvoorwaarden
Beleidsregel:
De zekerheid bestaat uit het overleggen van een verklaring van een solvabele derde die zich voor de kosten garant stelt (zie [artikel 3.9, tweede lid, onder c, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=3.9)). In dit geval moet deze verklaring door de werkgever worden ondertekend. Van de overige in artikel 3.9, tweede lid, BTU-BES genoemde zekerheidstellingen wordt in beginsel geen gebruik gemaakt.
De vreemdeling dient steeds binnen acht dagen terug te reizen naar zijn land van herkomst, aangezien zijn vrije termijn maximaal acht dagen is.
De werkgever moet in beginsel in het bezit zijn van een TWV (behoudens uitzonderingen genoemd in [artikel 3 Wav BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028437&artikel=3) en de [artikelen 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028231&artikel=7) en [8 Besluit uitvoering Wav BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028231&artikel=8)). Voor de verlening van de TWV voor arbeid voor maximaal 12 weken moet de vreemdeling in het bezit zijn van een bewijs van rechtmatig verblijf. Met het oog daarop kan de vreemdeling zich melden bij de IND unit Caribisch Nederland, die hem een verklaring afgeeft als aan de daarvoor geldende voorwaarden wordt voldaan (zie [artikel 3, derde lid, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=3)).
De TWV-plicht voor de werkgever geldt niet als het gaat om een vreemdeling die zijn hoofdverblijf heeft buiten de openbare lichamen en die gedurende maximaal 4 weken incidentele arbeid verricht die uitsluitend bestaat uit werkzaamheden genoemd in [artikel 8, onder a, sub 1 tot en met 5, Besluit uitvoering Wav BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028231&artikel=8). Als deze vreemdelingen echter niet onder de omschrijving van artikel 8, onder a, Besluit uitvoering Wav BES vallen, moet de werkgever wel in het bezit zijn van een TWV.
### 4.5. Van rechtswege toegelaten vreemdelingen
Voor vreemdelingen die op grond van [artikel 3, eerste lid, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=3) van rechtswege toelating tot verblijf hebben, hoeft de werkgever niet in het bezit te zijn van een TWV. Zie verder [hoofdstuk 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028837&hoofdstuk=2&z=2010-10-08&g=2010-10-08).
### 4.6. Directeuren-(groot)aandeelhouders
Vaak zijn directeuren-(groot)aandeelhouders feitelijk aan te merken als zelfstandig ondernemers vanwege hun positie binnen de onderneming.
Als zij een belang van 25% of meer hebben in het bedrijf, ondernemingsrisico lopen en de hoogte van hun salaris zelf kunnen beïnvloeden, moeten zij een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als zelfstandige aanvragen. Als zij niet aan deze voorwaarden voldoen, is de procedure voor werknemers van toepassing. Zie in dat geval de voorwaarden voor verblijf genoemd in dit hoofdstuk, paragraaf 2.1.
Let op: voor de vreemdeling aan wie op grond van de [Wet vestiging bedrijven BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028164) een directievergunning is verleend, hoeft geen TWV te zijn afgegeven.
### 4.7. Dienstverrichters
Vreemdelingen die in het kader van dienstverlening in de openbare lichamen werken, worden wat betreft de TWV-plicht gelijk behandeld als vreemdelingen die bij een werkgever in de openbare lichamen gaan werken. De opdrachtgever of, als de dienstverrichter in loondienst werkzaam is voor een buitenlandse dienstverlener, de werkgever van deze dienstverrichter, moet in het bezit zijn van een TWV. De procedure van paragraaf 2.3 is van toepassing.
Het kan bijvoorbeeld gaan om een buiten de openbare lichamen gevestigd bouwbedrijf dat in opdracht van een in de openbare lichamen gevestigde persoon of bedrijf een woning of kantoorpand bouwt in de openbare lichamen of om een bedrijf dat een buiten de openbare lichamen gevestigd bedrijf opdracht geeft tot het aanleggen van een ICT-systeem. De vreemdeling die in dienst is van dat buiten de openbare lichamen gevestigde bedrijf verricht diensten voor de binnen de openbare lichamen gevestigde opdrachtgever en valt in beginsel onder de TWV-plicht.
### 5. Voortzetting van verblijf
### 5.1. Inleiding
Hieronder zijn factoren genoemd die van invloed kunnen zijn op het verblijfsrecht van een vreemdeling aan wie een verblijfsvergunning is verleend voor het verrichten van arbeid in loondienst.
Daarnaast kunnen er algemene gronden zijn die kunnen leiden tot verblijfsbeëindiging. Zie daarvoor hoofdstuk 3, paragraaf 1.12.3.
### 5.2. Ongeoorloofde tewerkstelling
De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd kan worden ingetrokken als de vreemdeling voor een werkgever arbeid verricht, zonder dat aan de [Wav BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028437) is voldaan (zie [artikel 14, onder e, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=14) jo. [artikel 5.21, eerste lid, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.21)).
Daarvan is bijvoorbeeld sprake als de vreemdeling:
In dat geval wordt immers niet meer voldaan aan de beperking waaronder de verblijfsvergunning aan de vreemdeling is verleend.
### 5.3. Werkloosheid
### 5.3.1. Houders van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd
Beleidsregel:
Werkloosheid is niet van invloed op het verblijfsrecht van de buitenlandse werknemer die in het bezit is van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd.
### 5.3.2. Houders van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd
Werkloosheid kan wel van invloed zijn op het verblijfsrecht van de buitenlandse werknemer die in het bezit is van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd voor het verrichten van arbeid in loondienst. Bij werkloosheid is de buitenlandse werknemer verplicht dit onmiddellijk te melden aan de korpschef (zie [artikel 6.39 BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=6.39)), omdat hij hierdoor niet langer voldoet aan de beperking waaronder de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd is verleend.
Beleidsregel:
Als de buitenlandse werknemer onvrijwillig werkloos is geworden, wordt zijn verblijfsvergunning voor bepaalde tijd om die reden ingetrokken zodra:
De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd kan in dat geval op twee gronden worden ingetrokken:
Als de buitenlandse werknemer vrijwillig werkloos is geworden, krijgt hij geen zoekperiode van zes weken en wordt de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd direct ingetrokken. Of sprake is van vrijwillige werkloosheid wordt beoordeeld door de SZW-BES unit. Hierover kan met deze unit contact worden opgenomen.
Als de vreemdeling verblijf wenst voor een ander verblijfsdoel, moet hij een nieuwe aanvraag om een verblijfsvergunning indienen dan wel wijziging van de beperking van zijn verblijfsvergunningen aanvragen. Als hij aan de daarvoor geldende voorwaarden voldoet, kan aan de vreemdeling een nieuwe verblijfsvergunning worden verleend.
### 5.4. Arbeidsongeschiktheid
Als een vreemdeling, die in het bezit is van een voor het verrichten van arbeid in loondienst geldige verblijfsvergunning, arbeidsongeschikt wordt, kunnen zich de volgende situaties voordoen:
Als de vreemdeling in het bezit is van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, wordt deze niet ingetrokken als de vreemdeling:
De verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd kan wel worden ingetrokken op grond van het algemeen belang (zie [artikel 14, aanhef en onder c, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=14) en [artikel 5.46 BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.46)).
Beleidsregel:
Van de mogelijkheid de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd in te trekken op grond van [artikel 14, aanhef en onder c, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=14) wordt geen gebruik gemaakt als de vreemdeling arbeidsongeschikt is en hij om die reden niet meer duurzaam en zelfstandig beschikt over voldoende middelen van bestaan.
Reden hiervoor is dat het op grond van [artikel 5.46 BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.46) niet mogelijk is om de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd in te trekken op grond van [14, aanhef en onder d, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=14).
Als de vreemdeling wel langer dan 5 jaar rechtmatig verblijf heeft in de openbare lichamen, maar niet in het bezit is van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, kan zijn verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wel worden ingetrokken op grond van [artikel 14, aanhef en onder c, d en e WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=14). Dan geldt de volgende beleidsregel:
Beleidsregel:
De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, verleend onder een beperking verband houdend met het verrichten van arbeid in loondienst, wordt in geval van arbeidsongeschiktheid ingetrokken op grond van:
De onder b genoemde intrekkingsgrond kan met name gebruikt worden in geval van gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid, aangezien de vreemdeling dan vaak nog wel gedeeltelijk arbeid verricht en dus nog wel aan de beperking van de aan hem verleende verblijfsvergunning zou kunnen voldoen.
De vreemdeling is in het bezit van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd voor het verrichten van arbeid in loondienst.
Beleidsregel:
De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, verleend onder een beperking verband houdend met het verrichten van arbeid in loondienst, wordt in geval van arbeidsongeschiktheid ingetrokken op grond van:
De onder b genoemde intrekkingsgrond kan met name gebruikt worden in geval van gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid, aangezien de vreemdeling dan vaak nog wel gedeeltelijk arbeid verricht en dus nog wel aan de beperking van de aan hem verleende verblijfsvergunning voldoet.
### 5.5. Samenwerking met de arbeidsbemiddelingsorganisatie en SZW-BES
Voor het verlengen van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd voor het verrichten van arbeid in loondienst, is het van belang te weten of de vreemdeling nog werkzaam is. Dat wil zeggen of hij nog hetzelfde werk verricht bij dezelfde werkgever als waarvoor aan hem een verblijfsvergunning is verleend.
Om dit te controleren worden bij de aanvraag om verlenging onder meer de volgende bescheiden overgelegd:
Daarnaast moet de IND unit Caribisch Nederland informatie inwinnen over de buitenlandse werknemer, bijvoorbeeld over:
Op grond van [artikel 9.2, eerste lid, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=9.2) kan de IND unit Caribisch Nederland deze informatie inwinnen bij SZW-BES en de arbeidsbemiddelingsorganisatie.
### 6. Strafbepalingen in de WTU-BES
Een werkgever is strafbaar op grond van [artikel 23, tweede lid, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=23) wegens het niet nakomen van een vordering van Onze Minister op grond van [artikel 6.39 BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=6.39) tot het verstrekken van gegevens over vreemdelingen die hij in dienst heeft gehad.
Een werknemer die werkt, zonder dat zijn werkgever over de vereiste TWV beschikt, is strafbaar wegens het niet voldoen aan de beperking en voorschriften (zie [artikel 26, eerste lid, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=26)).
Een werknemer die van rechtswege toelating heeft op grond van [artikel 5a BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=5a), is op grond van [artikel 26, tweede lid, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=26) strafbaar als hij de verplichting in [artikel 6.38 BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=6.38) niet nakomt. Deze verplichting houdt in dat de vreemdeling, die gaat zoeken naar arbeid dan wel arbeid gaat verrichten, hier onmiddellijk mededeling van doet bij de korpschef. Deze verplichting geldt ook als de vreemdeling niet langer voldoet aan de [artikelen 6.39](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=6.39) en [6.40 BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=6.40).
Zie voor een algemene toelichting op de strafbepalingen in de [WTU-BES hoofdstuk 9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&hoofdstuk=9).
### Hoofdstuk 5. Arbeid als zelfstandige
Voorbeeld 2:
Een man en vrouw hebben al gedurende acht jaar een relatie. De man heeft gedurende de afgelopen vijf jaar verblijf bij haar gehad. De man en vrouw hebben nog steeds een relatie en blijven bij elkaar wonen. Toch wil de man een verblijfsvergunning aanvragen in het kader van voortgezet verblijf. Wanneer aan de voorwaarden voor verblijf wordt voldaan, krijgt de man de gevraagde verblijfsvergunning. Dat hij nog steeds een relatie met zijn vriendin heeft is geen reden de man te verplichten de afhankelijke verblijfsvergunning – afhankelijk van de relatie met zijn vriendin – te houden.
Uitzondering op deze regel zijn:
Bij de beoordeling of artikel 8 EVRM aanleiding vormt om toch voortzetting van het verblijf toe te staan moet gedacht worden aan de volgende omstandigheden:
Uit de (huwelijks)relatie is een kind geboren. Het kind is acht jaar oud en gaat naar school. Het kind heeft een dubbele nationaliteit, de Nederlandse en de Venezolaanse. Het kind woont bij zijn moeder, maar de vader brengt en haalt het kind twee dagen in de week naar en van school. Het kind eet dan bij hem. Hij heeft samen met de moeder regelmatig contact met de school over de voortgang van het kind en wanneer er belangrijke beslissingen genomen moeten worden doen de ouders dit samen. De ouders hebben nog regelmatig contact over het kind. De vader draagt ook bij in de kosten van levensonderhoud van het kind. De ouders zijn voor deze regeling niet naar een rechter geweest. Zij hebben de afspraken in goede harmonie gemaakt en houden zich er ook aan.
Uit de (huwelijks)relatie is een kind geboren. Het kind is 12 jaar oud en gaat naar school. Het kind heeft een dubbele nationaliteit, de Nederlandse en de Venezolaanse. De vader geeft, af en toe, geld aan de moeder voor het levensonderhoud van het kind. Soms ziet hij het kind wanneer zijn ex-partner zijn familie bezoekt. Hij gaat nooit alleen met zijn kind op stap en is niet betrokken bij de opvoeding van het kind.
Er kan ook sprake zijn van objectieve belemmeringen om het gezinsleven buiten de openbare lichamen voort te zetten. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan:
In dat geval is het volgende van belang: hij die stelt toont aan. Niet de IND-unit Caribisch Nederland toont aan dat het niet zo is, de vreemdeling bewijst dat het wel zo is.
### 4.2. Vereiste bescheiden
### 4.3. Beperking, arbeidsmarktaantekening en voorschrift
### 4.3.1. Beperking
### 4.3.2. Arbeidsmarktaantekening
### 4.3.3. Voorschrift
### 4.4. Geldigheidsduur
### 5. Voortgezet verblijf wanneer sprake is van bijzondere omstandigheden
### 5.1. Verblijfsvoorwaarden
De vreemdeling die onder één van de hierboven genoemde twee categorieën valt, is de eerst aangewezene om dit aan te tonen middels het overleggen van een afschrift van de rechterlijke uitspraak in de strafzaak.
De IND unit Caribisch Nederland kan de verblijfsvergunning voor voortgezet verblijf verlenen als:
Een veroordeling op grond van één van de andere in de strafzaak ten laste gelegde misdrijven is ook voldoende, als mensenhandel een onderdeel vormt van de tenlastelegging.
Om het recht op voortgezet verblijf niet geheel afhankelijk te maken van het verloop van de strafzaak zal, als de strafzaak niet tot een veroordeling leidt, doch de uitspraak anders luidt, en er wel tenminste drie jaar is verstreken tussen de verlening van de verblijfsvergunning verband houdend met de vervolging van mensenhandel en het in kracht van gewijsde gaan van de rechterlijke uitspraak, de verblijfsduur van het slachtoffer als belangrijkste humanitaire factor wegen. Hierbij is dan ook van belang dat de rechterlijke uitspraak in de strafzaak onherroepelijk is geworden.
Aanvragen om voortgezet verblijf na afloop van de verblijfsvergunning verband houdend met de vervolging van mensenhandel van vreemdelingen die niet onder één van de hierboven genoemde categorieën vallen kunnen alleen voor voortgezet verblijf in aanmerking komen als naar het oordeel van Onze Minister wegens bijzondere individuele omstandigheden van de vreemdeling niet gevergd kan worden dat hij de openbare lichamen verlaat.
De vreemdeling geeft aan welke klemmende redenen van humanitaire aard naar zijn mening tot voortgezet verblijf dienen te leiden en onderbouwt het beroep met terzake relevante gegevens en documenten.
Als een getuige-aangever aangifte heeft gedaan en de aangifte uiteindelijk heeft geleid tot een veroordeling van de verdachte(n), moet bij de beoordeling van het risico van represailles per geval bezien worden of zwaar gewicht dient te worden toegekend aan deze veroordeling. Als de veroordeling de conclusie rechtvaardigt dat in geval van de getuige-aangever bij terugkeer naar het land van herkomst gevaar voor represailles aanwezig is, kan hieraan doorslaggevende betekenis worden toegekend bij de belangenafweging op grond van [artikel 5.24 BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.24).
Ten aanzien van getuige-aangevers geldt evenals ten aanzien van slachtoffers van mensenhandel dat onder de veroordeling ook de veroordeling wordt verstaan op grond van één van de andere in de strafzaak ten laste gelegde misdrijven, mits mensenhandel een onderdeel vormt van de tenlastelegging.
### 5.2. Vereiste bescheiden
### 5.3. Beperking, arbeidsmarktaantekening en voorschrift
### 5.3.1. Beperking
### 5.3.2. Arbeidsmarktaantekening
Aan de verlening van de verblijfsvergunning wordt het voorschrift verbonden dat de vreemdeling voldoet aan de verplichting voldoende verzekerd te zijn tegen ziektekosten met inbegrip van de kosten verbonden aan opname en verpleging in een sanatorium of psychiatrische inrichting (zie [artikel 5.4, eerste lid, aanhef en onder c, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.4)).
### 5.4. Geldigheidsduur
### Hoofdstuk 16. Aanvragen om bescherming tegen terugzending
### 1. Inleiding
Aan een vreemdeling die een zelfstandig bedrijf uitoefent kan onder voorwaarden een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd worden verleend onder een beperking die verband houdt met het verrichten van arbeid als zelfstandige (zie [artikel 7, zevende lid, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=7) en [artikel 5.2, eerste lid, onder d, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.2)).
Onder ‘zaak’ in de zin van de [Wet vestiging bedrijven BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028164) wordt verstaan:
‘elke onderneming, waarin eenig bedrijf, door wien ook wordt uitgeoefend’ (zie [artikel 1, eerste lid, Wet vestiging bedrijven BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028164&artikel=1)).
Onder het uitoefenen van een bedrijf/onderneming valt:
De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt niet verleend aan de vreemdeling die:
### 2. Verblijfsvoorwaarden
Ten aanzien van deze voorwaarden zijn de beleidsregels met betrekking tot de algemene voorwaarden van [artikel 9, eerste lid, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=9) van toepassing. Deze staan in [hoofdstuk 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028837&hoofdstuk=3&z=2010-10-08&g=2010-10-08).
De vreemdeling moet aantonen dat hij door de uitoefening van zijn beroep of bedrijf beschikt over voldoende middelen van bestaan (zie [artikel 9, eerste lid, onder c, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=9) en [artikel 5.33 BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.33) en de beleidsregels bij deze algemene voorwaarde in hoofdstuk 3, paragraaf 1.9.3.3). Dat wil zeggen dat de vreemdeling een inkomen moet hebben dat ten minste gelijk is aan het bruto-inkomen per maand op grond van de [Wet minimumloon BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028170).
Uitoefenen bedrijf:
Vreemdelingen die in de openbare lichamen werkzaamheden als zelfstandige willen verrichten (uitoefenen van een bedrijf of starten van een bedrijf) of die als directeur van een bedrijf werkzaam willen zijn, moeten in het bezit zijn van een daartoe strekkende vergunning op grond van de [Wet vestiging bedrijven BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028164). Deze vestigingsvergunning of directievergunning kan worden aangevraagd bij het Bestuurscollege van het openbare lichaam waar de vreemdeling zich wil vestigen. Op grond van het [Besluit uitvoering Wav BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028231) geldt voor zelfstandig ondernemers/directeuren geen TWV-vereiste.
Uitoefenen zelfstandig beroep:
Vreemdelingen die in de openbare lichamen een zelfstandig beroep willen uitoefenen of op andere wijze als zelfstandige hun diensten aanbieden en die niet feitelijk in loondienst zijn, moeten daarvoor ook in het bezit zijn van een vergunning op grond van de [Wet vestiging bedrijven BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028164). Zij vallen onder het begrip zaak in de zin van [artikel 1, eerste lid, van de Wet vestiging bedrijven BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028164&artikel=1).
### 3. Vereiste bescheiden
Alle stukken moeten zijn opgesteld in het Nederlands of Engels of zijn vertaald door een betrouwbare vertaler.
### 4. Beperking, arbeidsmarktaantekening en voorschrift
### 4.1. Beperking
De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt verleend onder de beperking: ‘arbeid als zelfstandige ......(aanduiding van het bedrijf)’.
### 4.2. Arbeidsmarktaantekening
Op de vergunning staat de aantekening: ‘arbeid in loondienst alleen toegestaan indien werkgever beschikt over TWV’.
### 4.3. Voorschriften
Aan de vergunning is als voorschrift verbonden de verplichting voldoende verzekerd te zijn tegen ziektekosten met inbegrip van de kosten verbonden aan opname en verpleging in een sanatorium of een psychiatrische inrichting.
### 5. Geldigheidsduur
De geldigheidsduur van de te verlenen verblijfsvergunning voor bepaalde tijd is een jaar. Deze kan daarna steeds met een jaar worden verlengd, als aan de daarvoor geldende voorwaarden wordt voldaan.
### Hoofdstuk 6. Het Nederlands-Amerikaans vriendschapsverdrag
### 2. Bescherming op grond van het Vluchtelingenverdrag
### 2.1. De vreemdeling is verdragsvluchteling op grond van artikel 1A
Een vreemdeling moet als vluchteling worden aangemerkt, zodra hij voldoet aan de hierboven genoemde criteria. De beslissing om een vreemdeling als vluchteling te erkennen is declaratoir: na de vlucht wordt vastgesteld of de vreemdeling op het moment dat hij zijn land van herkomst verliet gegronde vrees voor vervolging had (zie ook réfugiés sur place).
Of een vreemdeling als vluchteling moet worden beschouwd, wordt beoordeeld op individuele basis. Op grond van de specifieke bijzonderheden van het geval wordt beoordeeld of de vreemdeling vluchteling is. Hierbij is onder andere van belang of hij persoonlijk de aandacht van de autoriteiten of derden heeft getrokken en daardoor gevaar loopt.
Van de vreemdeling van wie is vastgesteld dat hij een gegronde vrees voor vervolging heeft van de zijde van de centrale autoriteiten, kan niet verwacht worden dat hij zich aan die vervolging kan onttrekken door zich ergens anders in het land van herkomst te vestigen.
Bepalend hiervoor is de vraag of de vreemdeling in het betreffende land het centrum van zijn activiteiten (werk, wonen, familie) heeft.
### 2.2. Vervolgingsgronden
### 2.2.1. Discriminatie als daad van vervolging
Discriminatie door de autoriteiten en/of door medeburgers kan onder omstandigheden als daad van vervolging worden aangemerkt. Hiervan is sprake als de ondervonden discriminatie een dusdanig ernstige beperking van de bestaansmogelijkheden oplevert dat het onmogelijk is om op maatschappelijk en sociaal gebied te kunnen functioneren.
### 2.2.2. Vervolging vanwege godsdienst
Vervolging om reden van godsdienst doet zich op verschillende manieren voor, zoals:
### 2.2.3. Vervolging vanwege politieke overtuiging
### 2.2.4. Vervolging vanwege nationaliteit en ras
Hierbij kan gedacht worden aan een volk zonder eigen staat, maar met een eigen taal, geschiedenis en achtergrond.
### 2.2.5. Vervolging vanwege het behoren tot een sociale groep
Deze categorie functioneert als restcategorie ten opzichte van de overige vervolgingsgronden in het Vluchtelingenverdrag.
### 2.3. Politieke en commune delicten en discriminatoire of onevenredige bestraffing
### 2.4. Vervolging wegens dienstweigering of desertie
Een dienstweigeraar of deserteur is vluchteling als hij:
Bij deze categorie is de dienstweigering of desertie niet de oorzaak van de vervolging. De oorzaak is gelegen in de omstandigheid dat de vreemdeling behoort tot een van de genoemde groeperingen. De dienstweigering of desertie is slechts een aanleiding om tot vervolgingsmaatregelen over te gaan. Het enkele feit dat de dienstweigering wordt bestraft, leidt hier dan ook niet tot de conclusie dat de vreemdeling vluchteling is. Het moet gaan om een bestraffing met:
Verder moet het gaan om ernstige, onoverkomelijke gewetensbezwaren op grond van een godsdienstige of een andere diepgewortelde overtuiging.
Voor de beoordeling of een militaire actie behoort tot de tweede subcategorie is geen internationale veroordeling vereist. Wel moet zijn vastgesteld dat de betreffende militaire actie systematisch strijd oplevert met de fundamentele normen die gelden tijdens een gewapend conflict om bijvoorbeeld burgerslachtoffers te voorkomen. Een dergelijke vaststelling kan worden gedaan door:
### 2.5. Bijzondere situaties
De vrees voor vervolging hoeft niet altijd aanwezig te zijn op het moment dat iemand zijn land verlaat. Een persoon die geen vervolging te vrezen had op het moment dat hij zijn land van herkomst verliet, maar op een later tijdstip tijdens zijn verblijf buiten het land van herkomst vluchteling wordt heet ‘refugié sur place’. Er zijn twee mogelijke omstandigheden die iemand tot refugié sur place maken.
Ook wanneer een vreemdeling zijn politieke overtuiging pas verkondigt na vertrek uit zijn land van herkomst, kan hij refugié sur place worden. Dit kan het geval zijn als hij aannemelijk maakt dat de overtuiging al bestond in het land van herkomst. In ieder geval is vereist dat:
Deze activiteiten kunnenaanleiding zijn voor statusverlening als het gaat om een voortzetting van activiteiten die de vreemdeling in het land van herkomst heeft ontplooid.
### 2.5.2. Als de UNHCR de vreemdeling heeft erkend als vluchteling
Vaak heeft de UNHCR geen tijd om een individueel onderzoek in te stellen en beoordeelt de UNHCR een verzoek om bescherming vooruitlopend op nader individueel onderzoek ‘prima facie’.
Een minderjarige vreemdeling niet wordt begeleid door zijn ouders of een voogd kan ook vanwege zelfstandige motieven in aanmerking komen voor een vergunning tot verblijf op grond van [artikel 12a WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=12a). Om te kunnen vaststellen of een minderjarige vreemdeling als vluchteling kan worden erkend, gelden dezelfde criteria als voor volwassen vreemdelingen. Bij de beoordeling van een aanvraag om bescherming van een minderjarige vreemdeling moet wel rekening worden gehouden met de mate van geestelijke ontwikkeling en volwassenheid van de minderjarige, in relatie tot zijn (persoonlijke en culturele) achtergrond. Over het algemeen genomen geldt dat van een minderjarige niet dezelfde mate van onderbouwing en gedetailleerdheid van verklaringen kan worden verwacht als van een volwassene.
### 2.6. Artikelen 1B tot en met 1F Vluchtelingenverdrag
### 2.6.1. Algemeen
### 2.6.2. Artikel 1B
### 2.6.3. Artikel 1C
### 2.6.4. Artikel 1D
### 2.6.5. Artikel 1E
### 2.6.6. Artikel 1F
Bij de beoordeling of de vreemdeling bescherming toekomt op grond van het Vluchtelingenverdrag, wordt daarom eerst de toepasselijkheid van artikel 1F Vluchtelingenverdrag onderzocht voordat wordt bezien of de vreemdeling een verdragsvluchteling in de zin van artikel 1A van het Vluchtelingenverdrag is. Voor het tegenwerpen van artikel 1F is een (buitenlands) strafvonnis niet nodig, omdat vervolging van deze misdaden niet altijd kan plaatsvinden. Wordt artikel 1F tegengeworpen, dan is de toets aan het Vluchtelingenverdrag afgerond.
Deze pre-dominantietest wordt toegepast bij relatieve politieke misdrijven als mishandeling (tenzij mishandeling hier moet worden beschouwd als foltering/marteling), drugshandel, roofovervallen met buitensporig geweld en brandstichting.
De pre-dominantietest kan achterwege blijven bij misdrijven die vallen binnen de delictsomschrijving van enig bindend internationaal instrument dat bepaalt dat er in geval van een misdrijf dat binnen het bereik van dat instrument valt geen sprake kan zijn van een politiek misdrijf en/of van vluchtelingschap. Voorbeelden van zulke internationale instrumenen zijn het Genocide Verdrag, het Europees Verdrag ter bestrijding van terrorisme van 1977 en de resoluties 1269 en 1373 van de Veiligheidsraad van de VN van respectievelijk 19 oktober 1999 en september 2001 inzake terrorisme.
In beginsel zal terugzending van een vreemdeling aan de orde zijn als de openbare lichamen een vreemdeling van het grondgebied willen verwijderen of willen voorkomen dat de vreemdeling het grondgebied betreedt. Landen van herkomst worden geacht hun eigen onderdanen terug nemen. Terugzending van een vreemdeling zal dus in beginsel plaatsvinden naar het land waar de vreemdeling de nationaliteit van heeft. De vreemdeling heeft als gevolg van het Vluchtelingenverdrag in deze situatie het recht zich te beroepen op zijn status van vluchteling.
### 3. Bescherming in het EVRM tegen foltering of onmenselijke behandeling
Deze bepaling is ontleend aan artikel 3 EVRM. De verwijdering naar een land waar iemand een reëel risico (‘real risk’) loopt aan een dergelijke behandeling te worden onderworpen, vormt een schending van dit artikel. Indien dit reële risico aannemelijk is gemaakt of geworden, is dit in beginsel aanleiding tot verlening van een verblijfsvergunning bescherming. De enkele mogelijkheid (mere possibility) van schending van artikel 3 EVRM is onvoldoende.
### 3.2. Individualiseringsvereiste in de jurisprudentie
Om in aanmerking te komen voor een verblijfsvergunning bescherming voor bepaalde tijd op grond van [artikel 12, eerste lid, onder b, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=12), dient de vreemdeling aannemelijk te maken dat hij bij terugkeer een reëel risico loopt op de in die bepaling bedoelde behandeling. Bij de beantwoording van de vraag of de vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer een reëel risico loopt op een behandeling als bedoeld in artikel 3 EVRM is niet alleen de persoonlijke situatie van de vreemdeling van belang, maar ook de situatie in zijn land van herkomst. Met andere woorden: de individuele aspecten die de vreemdeling naar voren brengt, moeten worden afgewogen tegen de gewelds- en mensenrechtensituatie in het land van herkomst. Hoe slechter de situatie in het land van herkomst (‘most extreme cases’) hoe minder ‘distinguishing features’ nodig zijn om een reëel risico als bedoeld in artikel 3 EVRM aan te tonen. Dit vloeit voort uit de jurisprudentie van het Europese Hof van de rechten van de Mens. Er zijn vier situaties te onderscheiden.
### 3.2.1. Uitzonderlijke situatie
Wanneer er in het land van herkomst sprake is van een uitzonderlijk slechte veiligheidssituatie, kan de vreemdeling in aanmerking komen voor bescherming om de enkele reden dat hij uit dit land komt (zie de uitspraak N.A. tegen het Verenigd Koninkrijk, EHRM 17 juli 2008, nr 25904/07). Van een uitzonderlijke situatie als hier bedoeld zal slechts zelden sprake zijn en er zijn nog geen voorbeelden van bekend. In de jurisprudentie zal dit criterium verder uitgewerkt worden. Het zal in ieder geval moeten gaan om een situatie gaan waarin heel veel gebruik wordt gemaakt van dodelijke wapens zodat het gevaar om een dodelijk slachtoffer te worden heel erg groot is.
### 3.2.2. De mensenrechten van een bevolkingsgroep worden systematisch geschonden
Bij de bepaling of de mensenrechten van een bevolkingsgroep systematisch worden geschonden, zal de beschikbare landeninformatie een richtsnoer vormen om te concluderen of deze situatie zich in een land van herkomst van de vreemdeling voordoet. Deze situatie zal zich niet snel voordoen. Indien de vreemdeling aannemelijk maakt dat hij behoort tot een bevolkingsgroep van wie mensenrechten systematisch worden geschonden, komt hij in aanmerking voor bescherming. zie de uitspraak N.A. tegen het Verenigd Koninkrijk, EHRM 17 juli 2008, nr 25904/07
### 3.2.4. Individuele indicaties in de persoonlijke omstandigheden
Als geen sprake is van een situatie als genoemd in de paragrafen 3.2.1, 3.2.2, of 3.2.3 dient de vreemdeling, om toch in aanmerking te komen voor een verblijfsvergunning bescherming voor bepaalde tijd op grond van [artikel 12, eerste lid, onder b, WTU](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=12), aannemelijk te maken dat hij bij terugkeer een reëel risico loopt op de in die bepaling bedoelde behandeling. De bewijslast is hoog. De vreemdeling dient specifieke individuele kenmerken (‘special distinguishing features’) naar voren te brengen, waaruit dit persoonlijk risico op een behandeling in de zin van artikel 3 EVRM valt af te leiden. Hiervan kan bijvoorbeeld sprake zijn als de vreemdeling aannemelijk maakt dat hij vanwege het feit dat hij overspel heeft gepleegd bij terugkeer in zijn land van herkomst een reëel risico loopt te worden bestraft met zweepslagen. Zie de uitspraken inzake Vilvarajah en anderen tegen het Verenigd Koninkrijk, uitspraaknummers 13163/87, 13164/87, 13165/87, 13447/87, 13448/87.
### 4. De beoordeling van aanvragen om bescherming
Hierbij kan het gestelde onder artikel 1C van het Vluchtelingenverdrag worden betrokken.
### 4.2.1. Algemeen
Zie 4.4. voor de situatie waarin een vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde of de nationale veiligheid.
### 4.2.3. Toetsingsvolgorde bij toetsing aan artikel 3 EVRM
Binnen het uitgangspunt dat er steeds sprake is van een individuele beoordeling, valt de toets in vier achtereenvolgende stappen uiteen. Om praktische redenen geldt de volgende volgorde:
### 4.3. Bewijslast en geloofwaardigheid
De vreemdeling hoeft niet expliciet te bewijzen maar moet aannemelijk maken dat hij gegronde vrees heeft voor vervolging of dat hij een reëel risico loopt op een behandeling als bedoeld in artikel 3 EVRM. Hij moet alle relevante gegevens aanreiken. Zijn verklaringen moeten:
### 4.4. Openbare orde en nationale veiligheid
### 4.4.1. Algemeen
Onder gevaar voor de openbare orde wordt ook begrepen gevaar voor de openbare rust, de goede zeden, de volksgezondheid of de (goede) internationale betrekkingen. Ook ongewenste politieke activiteiten kunnen onder het openbare orde begrip worden geschaard.
Onder gevaar voor de gemeenschap of de nationale veiligheid wordt ook verstaan de situatie waarin het verlenen van een verblijfsvergunning zou betekenen dat de openbare lichamen zouden worden tot een gastland van mensen die elders de publieke rechtsorde ernstig schokten door daden die ook naar Nederlands recht zware misdrijven zouden opleveren.
### 4.4.2. Openbare orde en het Vluchtelingenverdrag
Voor het weigeren van de vergunning is tevens vereist dat de vreemdeling een gevaar vormt voor de gemeenschap van de openbare lichamen. Dit wordt ex nunc (op het moment van de beslissing) beoordeeld. Het feit dat sinds de veroordeling een aanzienlijke tijd is verstreken zonder dat recidive heeft plaatsgevonden, kan een aanwijzing vormen dat de vreemdeling geen gevaar meer oplevert. In geval van een bijzonder misdrijf wordt een verjaringstermijn van tien jaren gehanteerd.
### 4.4.3. Openbare orde en artikel 3 EVRM
Indien de vreemdeling beschermd moet worden tegen terugkeer naar het land van herkomst omdat er een reëel risico is op een onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 3 EVRM, betekent dit niet automatisch dat hij in aanmerking komt voor de gevraagde vergunning tot tijdelijk verblijf. In de onderstaande situaties wordt de betrokkene niet teruggezonden, maar wordt de gevraagde vergunning niet verleend.
### 5. De procedure van verzoeken om bescherming
### 5.1. Start van de procedure
De ambtenaar belast met het toezicht dan wel de ambtenaar belast met de grensbewaking beoordeelt tevens in overleg met de IND unit Caribisch Nederland of de vreemdeling de procedure in bewaring moet afwachten of dat hij op afspraak bij de IND unit Caribisch Nederland kan verschijnen voor de indiening van de aanvraag.
### 5.2. Situatie in bewaring
### 5.3. Handelingen in het kader van het toezicht
Wanneer een vreemdeling een aanvraag om bescherming wil indienen en er geen aanleiding bestaat om de vreemdeling in bewaring te stellen, dient de ambtenaar belast met grensbewaking (die tevens bevoegd is om handelingen in het kader van toezicht uit te voeren) of de ambtenaar belast met toezicht handelingen uit te voeren ter voorbereiding van de indiening en behandeling van de aanvraag om bescherming.
De toezichthouder of, indien nodig de IND unit Caribisch Nederland stelt de vreemdeling(en) bij het eerste contact in de gelegenheid de motieven voor de aanvraag om bescherming op schrift te stellen.
In het geval dat de gezinsleden zelfstandig om bescherming verzoeken, moeten van hen dezelfde gegevens verstrekt te worden.
### 5.5. Aanmelding en meldplicht
### 5.7. Melding op afspraak en het indienen van de aanvraag bij de IND unit Caribisch Nederland
Zodra de vreemdeling zich meldt bij de IND unit Caribisch Nederland stelt de IND unit Caribisch Nederland de vreemdeling(en) in de gelegenheid om de aanvraagformulieren en de antecedentenverklaring te ondertekenen. De aanvraag kan door de hoofdpersoon worden ondertekend mede namens de minderjarige kinderen in het geval zij hebben aangegeven dat zij niet zelfstandig hoeven te worden gehoord omdat zij geen zelfstandige motieven hebben.
### 5.8. Het horen van de vreemdeling en de beslissing
Nadat de IND unit Caribisch Nederland de door de vreemdeling ondertekende aanvraagformulieren heeft gevoegd in het dossier, wordt de vreemdeling al dan niet met tussenkomst van een tolk en al dan niet in het bijzijn van een (rechts)hulpverlener gehoord over de motieven om beschermd te worden tegen terugkeer. Tevens vraagt de IND unit Caribisch Nederland naar de gezinssamenstelling en naar de persoonsgegevens van eventuele achtergebleven gezinsleden die mogelijk later nog gezinshereniging willen vragen. Ook wordt gevraagd naar het eventuele verblijf in derde landen voorafgaand aan de komst naar de openbare lichamen.
De IND unit Caribisch Nederland neemt ter plaatse het concept-verslag met hem door, zo nodig door tussenkomst van de tolk, en de vreemdeling krijgt de gelegenheid ter plaatse correcties aan te brengen.
De IND unit Caribisch Nederland gaat vervolgens na of alle gegevens aanwezig zijn om te beslissen op de aanvraag of dat er eerst andere handelingen moeten worden verricht, zoals het uitvoeren van een onderzoek naar de reisroute of naar een eventueel strafregister van de vreemdeling. Zoveel mogelijk wordt direct gehandeld. Dat betekent dat hetzij het wordt onderzoek gestart hetzij direct de beslissing wordt genomen.
### 5.9. Mededelingen omtrent wijziging van de situatie
Hierbij moet gedacht worden aan:
### 5.10. De strekking van de beslissing
### 5.10.2. Ingangsdatum
### 5.10.3. Afwijzende beslissing met de beslissing dat de vreemdeling mag worden uitgezet
De vreemdeling wordt verzocht de IND unit Caribisch Nederland en de politie in kennis te stellen in het geval hij een rechtsmiddel heeft ingesteld.
### 5.10.4. Bijzondere situatie: de vreemdeling krijgt geen verblijfsvergunning maar mag niet worden uitgezet
In bijzondere gevallen kan de beslissing op de aanvraag inhouden dat de betrokkene vanwege het belang van de openbare orde en/of vanwege artikel 1F uitgesloten wordt van verblijf, maar niet mag worden uitgezet naar het land van herkomst. Aangehecht aan de negatieve beschikking wordt gewezen op de mogelijkheid om rechtsmiddelen aan te wenden tegen het meervoudig besluit. In het geval rechtsmiddelen worden ingesteld wordt de vreemdeling verzocht de IND unit Caribisch Nederland en de politie hiervan in kennis te stellen.
De IND unit Caribisch Nederland registreert de uitkomst van de beslissing en de datum van de verzending van de beslissing.
### 5.11. Kennisgeving van beslissingen en aanzegging van vertrek
Er kan zo nodig aansluitend aan de uitreiking van de beschikking worden overgegaan tot inbewaringstelling, voorzover is voldaan aan de voorwaarden voor inbewaringstelling. In dit geval dient de vreemdeling onmiddellijk vertrek aangezegd te worden en direct na het uitreiken van de beschikking in de gelegenheid te worden gesteld een advocaat te raadplegen.
Wanneer de aanvraag om bescherming is afgewezen, wordt op de aan de vreemdeling uit te reiken beschikking aangetekend:
### 5.12. Vertrek van de vreemdeling
### 5.13. Rechtsmiddelen na afwijzing van de aanvraag
Als de vreemdeling minvermogend is kan hij voor de indiening van een beroep een rechtsbijstandverlener via een toevoeging vragen. Het is niet mogelijk een toevoeging te vragen in het kader van een bezwaarschrift.
### 5.14. Regeling van het verblijf na inwilliging van de aanvraag
### 6. Afgeleide status voor gezinsleden en nareizende gezinsleden
Als aan de hoofdpersoon van een gezin een verblijfsvergunning is verleend verband houdend met bescherming op grond van [artikel 12a, eerste lid en onder a of b, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=12a), kan een van hem afhankelijk gezinslid in aanmerking komen voor een afgeleide verblijfsvergunning. Er zijn daarbij twee situaties te onderscheiden:
Cumulatieve vereisten in beide gevallen zijn:
De afgeleide vergunning tot verblijf verband houdend met bescherming wordt ook voor één jaar verleend.
### 7. Herhaalde aanvraag
De vreemdeling kan zich in verbinding stellen met de IND unit Caribisch Nederland om een afspraak te maken voor de indiening van een tweede of opvolgende aanvraag. Op de afgesproken datum wordt de vreemdeling in de gelegenheid gesteld de aanvraagformulieren te ondertekenen. De vreemdeling wordt gevraagd de nieuwe feiten en omstandigheden te noemen. Indien de IND unit Caribisch Nederland constateert dat er sprake is van een herhaling van hetgeen al in de eerdere procedure naar voren is gebracht, wordt het gehoor gestopt. De IND unit Caribisch Nederland brengt in dit geval de politie of de ambtenaar belast met de grensbewaking, direct – telefonisch en schriftelijk – van het voorlopig oordeel op de hoogte dat de betrokkene de afronding van de procedure niet mag afwachten. Een voorlopige voorziening gericht tegen het vertrek mag, indien er geen nieuwe feiten en omstandigheden zijn, niet worden afgewacht.
De aanvraag, het voorlopig oordeel en de datum van de opmaak en uitreiking van de beschikking worden geregistreerd door de IND unit Caribisch Nederland.
In het geval wel sprake is van nieuw gebleken feiten en/of omstandigheden is er geen sprake van een herhaalde maar van een opvolgende aanvraag en wordt gehandeld als bij een eerste aanvraag.
### 8. Verlenging van de verblijfstitel
Zolang de noodzaak tot bescherming blijft bestaan en er geen contra-indicaties bekend zijn die tot verblijfsbeëindiging aanleiding geven, kan het verblijfsdocument worden verlengd met een jaar. De vreemdeling kan in dat geval worden vrijgesteld van het vereiste om in het bezit te zijn van een geldig document voor grensoverschrijding.
### 9.1. Verblijfsbeëindiging omdat de grond voor bescherming is vervallen
Indien bij de jaarlijkse verlenging blijkt dat de grond voor bescherming is vervallen, kan de gevraagde verlenging van de bescherming worden geweigerd. Hiervan kan bijvoorbeeld sprake zijn indien de situatie in het land van herkomst ingrijpend is gewijzigd of als de vreemdeling vrijwillig zich weer onder de bescherming van de autoriteiten van het land van herkomst heeft begeven.
In beide situaties dient de betrokkene voorafgaand aan het besluit gehoord te worden door de IND unit Caribisch Nederland.
De rechtspositie van de vreemdeling is nadien dezelfde als die van een vreemdeling die nimmer in het bezit is geweest van een vergunning tot verblijf.
### 9.3. Verblijfsbeëindiging in verband met een strafbaar feit
Als blijkt dat de houder van een vergunning tot tijdelijk verblijf verband houdend met bescherming een strafbaar feit heeft gepleegd op de openbare lichamen, stelt de politie de IND unit Caribisch Nederland hiervan zo snel mogelijk in kennis. De IND unit Caribisch Nederland toetst aan het beleidskader voor de openbare orde en beoordeelt of er aanleiding bestaat het toegestane verblijf te beëindigen.
### Hoofdstuk 17. Vertrek, uitzetting en ongewenstverklaring
### 1. Inleiding
Het Verdrag van vriendschap, handel en scheepvaart tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika met bijbehorend Protocol (Trb. 1956, 40) dat integrerend onderdeel uitmaakt van het verdrag (hierna: het Verdrag), heeft als doel de handel tussen Nederland en de Verenigde Staten van Amerika te vergemakkelijken. Het verdrag en Protocol zijn op 5 december 1957 inwerking getreden voor de alle toenmalige landen van het Koninkrijk. Het Verdrag is nog steeds van kracht, en dus ook van toepassing in de openbare lichamen.
Het internationale recht, waaronder verdragen, gaat vóór het recht dat geldt in het Koninkrijk der Nederlanden en eist dat de verdragspartij zijn aangegane verplichtingen nakomt. De wijze waarop verdragsbepalingen in de rechtsorde van het Koninkrijk der Nederlanden doorwerken wordt echter niet geregeld door het internationale recht. Dit is een aangelegenheid van nationaal procedureel recht (zie [artikel 9.3 BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=9.3)).
### 2. Voorwaarden
### 2.1. Verblijfsvoorwaarden
Onderdanen van de Verenigde Staten van Amerika mogen in de openbare lichamen verblijven:
De voorwaarden van artikel II, eerste lid, onder a en b, van het Verdrag zijn niet cumulatief, maar alternatief. Dit betekent dat de Amerikaanse onderdaan als regel recht op toegang en verblijf heeft op grond van het Verdrag als hij voldoet aan de voorwaarden die zijn genoemd in één van die beide artikelonderdelen.
Onderdeel c daarentegen verduidelijkt dat het recht op toegang en verblijf van Amerikaanse onderdanen die voor andere doeleinden op het grondgebied van het Koninkrijk wensen te verblijven niet wordt ontleend aan het Verdrag, maar dat daartoe de wetten met betrekking tot de toelating en het verblijf van vreemdelingen in acht moeten worden genomen.
In punt 3 van het Protocol is, voor zover hier van belang, bepaald dat met betrekking tot artikel II, lid 1, onderdanen van de Verenigde Staten van Amerika in een Deel van het Koninkrijk der Nederlanden buiten Europa dezelfde behandeling genieten als Nederlandse onderdanen, die niet in dat Deel zijn geboren.
Daarbij moet de toelatingsvraag worden onderscheiden van de vraag welke rechten of behandeling de toegelatene toekomen. Aanwijzing daarvoor is dat in de Memorie van Toelichting bij de goedkeuringswet (Kamerstukken II, 1955-56, nr. 4338 (R38), nr.3, p. 4, tweede kolom) is vermeld dat na binnenkomst de wettig toegelatene aan het leven in het gastland zal kunnen deelnemen en dat een en ander is geregeld in het derde lid.
De behandeling die een toegelaten Amerikaanse onderdaan in de openbare lichamen toekomt, is als gevolg van artikel II, derde lid, gelijk aan die van Nederlanders, maar als gevolg van punt 3 van het Protocol niet gunstiger dan die van Nederlanders die niet in de openbare lichamen zijn geboren.
Een onderdaan van de Verenigde Staten van Amerika die, op grond artikel II, eerste lid, onder a of b, van het Verdrag, voorzetting van het verblijf wenst in de openbare lichamen, hoeft niet te voldoen aan het middelenvereiste zoals neergelegd in [artikel 9, eerste lid, aanhef en onder c, van de WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=9), als hij voldoet aan de overige voorwaarden zoals omschreven in dit hoofdstuk.
Overigens zijn de onderdanen van de Verenigde Staten van Amerika in de openbare lichamen onderworpen aan de voor vreemdelingen in het algemeen geldende bepalingen van de [WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571). Dit geldt zowel op het gebied van toegang en verblijf als op het gebied van de gronden waarop hun verblijf of voortzetting van verblijf kan worden ontzegd (zie artikel II, vierde lid, van het Verdrag).
Dit sluit de mogelijkheid niet uit om maatregelen toe te passen die noodzakelijk zijn voor de handhaving van de openbare orde en voor de bescherming van de volksgezondheid, de goede zeden en de veiligheid. Hiermee wordt, voor zover hier van belang, bedoeld maatregelen die zijn voorzien bij de [WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571), zoals:
Op grond van artikel II, vierde lid, van het Verdrag laten de bepalingen van dat artikel namelijk het recht van ieder der Partijen onverlet om maatregelen toe te passen, welke noodzakelijk zijn ter handhaving van de openbare orde en ter bescherming van de volksgezondheid, de goede zeden en de veiligheid. Zoals blijkt uit de memorie van antwoord (Kamerstukken I, 1956-57, nr. 4338 (R38), nr. 140a, p2, rechter kolom) moet onderscheid worden gemaakt tussen het begrip ‘openbare orde’ in het Nederlandse staatsrecht en ditzelfde begrip in verdragen als het onderwerpelijke. Onder ‘maatregelen ter handhaving van de openbare orde’ in de zin van artikel II, vierde lid, van het Verdrag moeten niet alleen incidentele overheidsmaatregelen te voorkoming van onmiddellijk dreigende ordeverstoring worden begrepen, maar ook wettelijke bepalingen welke zijn geschreven met het oog op de handhaving van de openbare orde in de ruimste zin van het woord.
Onder het begrip ‘bedrijfsuitoefening van een onderneming’ moet ook worden verstaan een persoon die een Amerikaanse onderneming in de openbare lichamen vertegenwoordigt en in dienst van deze onderneming in een sleutelfunctie werkzaam is (zie punt 2 van het Protocol).
Een vreemdeling die een vrij beroep uitoefent valt in het algemeen onder de werking van het Verdrag. Beroepsbeoefenaren met een zekere publieke taak, dan wel een functie in de gezondheidszorg of publieke veiligheidsector, worden van de werkingssfeer van het Verdrag uitgesloten. De werkzaamheden die iemand uitoefent, zijn daarom van belang bij de bepaling of de vreemdeling onder werking van het Verdrag valt.
Hieronder volgt een uitleg van het begrip ‘aanzienlijk kapitaal’ ten aanzien van de diverse mogelijke ondernemingsvormen.
Het moet gaan om eigen kapitaal, niet om geleend geld. Het belegde ‘aanzienlijk kapitaal’ moet op peil worden gehouden. Dit houdt in dat het kapitaal nooit lager mag zijn dan het voor de desbetreffende ondernemingsvorm geldende minimum. De vreemdeling moet ter onderbouwing van zijn aanvraag recente cijfers overleggen die zijn gecontroleerd door een daartoe bevoegde externe deskundige.
De onderneming moet zijn ingeschreven in het handelsregister op het betreffende openbare lichaam met een omschrijving van het bedrijf of de bedrijven die in de onderneming worden uitgeoefend.
Bij een eenmanszaak kan het aanzienlijk kapitaal worden aangetoond met enerzijds een bankafschrift van de onderneming waarop het geïnvesteerde geldbedrag staat én anderzijds de (openings)balans waarop het bedrag staat vermeld achter de rekening ‘Eigen vermogen’ (= de schuld van de zaak aan de eigenaar).
Bij een VoF kan het aanzienlijk kapitaal worden aangetoond met enerzijds een oprichtingsakte (of contract) waarin staat hoe groot de financiële deelname is van iedere vennoot en anderzijds de (openings)balans waarin aan de rechterkant (credit) de rekeningen staan met de bedragen zoals die in de oprichtingsakte staan vermeld. Deze rekeningen heten ‘Vermogen’ en dan de eigen naam van de vennoot. Bij een VoF wordt het woord ‘Eigen’ weggelaten en wordt in plaats daarvan de naam van de vennoot eraan toegevoegd. Dus bijvoorbeeld **‘Vermogen Robinson 100.000 ’.** Er kan ook een bankafschrift van de onderneming worden gevraagd als bewijs dat het geld daadwerkelijk is overgemaakt.
Bij een BV en een NV kan het aanzienlijk kapitaal worden aangetoond met de oprichtingsakte.
### 2.2. Vereiste bescheiden arbeid als zelfstandige op grond van het Verdrag
De vreemdeling moet bij de aanvraag de volgende documenten overleggen:
### 2.3. Vereiste bescheiden arbeid in loondienst als sleutelpersoneel op grond van het Verdrag
De vreemdeling moet bij de aanvraag de volgende documenten overleggen:
### 3. Arbeid in loondienst
Als een Amerikaanse vreemdeling (hoofdpersoon) die op grond van het Verdrag in de openbare lichamen verblijft geen arbeid in loondienst als sleutelpersoneel wenst te verrichten, moet wijziging van de vergunning worden gevraagd en moet de werkgever beschikken over een TWV (zie hoofdstuk 4 ‘Arbeid in loondienst’ en punt 11 van het bijbehorende Protocol).
### 4. Gezinshereniging
Aan de echtgeno(o)t(e) of ongehuwd minderjarig kind – ongeacht hun nationaliteit – van een persoon die op grond van artikel II, eerste lid, onder a of b, van het Verdrag is toegelaten (de hoofdpersoon), kan verblijf worden toegestaan, indien zij hem vergezellen of voor gezinshereniging nareizen.
Het verblijf van de echtgeno(o)t(e) of ongehuwd minderjarig kind van de hoofdpersoon, ongeacht hun nationaliteit, kan met toepassing van [artikel 9 WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=9) worden geweigerd, met uitzondering van het middelenvereiste (artikel 9, eerste lid, aanhef en onder c, WTU-BES). Dit geldt, zolang de hoofdpersoon voldoet aan de voorwaarden van het Verdrag, zowel voor eerste toelating als ook voor de verlengingsaanvraag van de gezinsleden.
### 5. Beperking, arbeidsmarktaantekening en voorschrift
### 5.1. Beperking en arbeidsmarktaantekening
De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt, al naar gelang de situatie, verleend onder de beperking:
De afhankelijke verblijfsvergunning voor bepaalde tijd aan echtgenoten en de minderjarige kinderen wordt verleend onder de beperking: ‘Verblijf bij .............. (naam hoofdpersoon).’
### 5.2. Voorschrift
Aan de vergunning wordt als voorschrift verbonden de verplichting voldoende te zijn verzekerd tegen ziektekosten met inbegrip van de kosten verbonden aan opname en verpleging in een sanatorium of een psychiatrische inrichting.
### 6. Geldigheidsduur
Op grond van [artikel 5.25 BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.25) wordt de verblijfsvergunning verleend voor één jaar.
### Hoofdstuk 7. Studie
In [hoofdstuk 9 WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&hoofdstuk=9) zijn regels opgenomen over het vertrek, de uitzetting en de ongewenstverklaring van de vreemdeling. Uitgangspunt is dat de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf in de openbare lichamen (meer) heeft, deze uit eigen beweging verlaat. De vreemdeling is daarbij zelf verantwoordelijk voor het vertrek uit de openbare lichamen. Deze eigen verantwoordelijkheid is neergelegd in [artikel 16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=16) en [16a WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=16a).
### 2.1. Het vorderen van medewerking aan de voorbereiding van vertrek
Van de vreemdeling kan worden geëist dat hij meewerkt aan de voorbereiding van zijn vertrek uit de openbare lichamen. Deze eis kan ook gesteld worden als een aanvraag om een verblijfsvergunning is afgewezen of de verblijfsvergunning is ingetrokken, terwijl de werking van het besluit is opgeschort. Dit is neergelegd in [artikel 16, tweede lid, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=16). De ambtenaar belast met het toezicht zal aan de vreemdeling duidelijk maken wat er wordt verlangd. In de vreemdelingenadministratie wordt dit geregistreerd.
### 2.2. Vertrek naar een ander land dan het land van herkomst
### 2.3.2. In mindering brengen van beroepstermijn op de vertrektermijn
### 2.3.3. Verkorten van de vertrektermijn
### 2.4. Reisdocumenten
Wanneer een vreemdeling niet beschikt over geldige reisdocumenten, moet hij hier zoveel mogelijk zelf voor zorgen.
### 2.4.1. Het stellen van aantekeningen in reisdocumenten
Ten aanzien van het plaatsen van aantekeningen over de verwijdering in het reisdocument van de vreemdeling, gelden de volgende hoofdregels:
### 3.1. Inleiding
Indien geen van de bovenstaande opties mogelijk is:
Van belang is dat in het kader van de uitzetting nooit aan de autoriteiten van het land van herkomst van de vreemdeling, noch aan autoriteiten van het land van doorreis of bestemming, wordt meegedeeld dat de vreemdeling eerder om bescherming heeft gevraagd. Er worden ook geen documenten verstrekt waaruit dit blijkt. Om te voorkomen dat deze informatie de genoemde autoriteiten bereikt, mag ook nooit aan het personeel van de vervoersmaatschappij waarmee de vreemdeling wordt uitgezet, worden meegedeeld dat de vreemdeling bescherming heeft gevraagd. Er wordt alleen aangegeven dat de vreemdeling geen rechtmatig verblijf in de openbare lichamen (meer) heeft.
### 3.2. Geen uitzetting ondanks de vertrekplicht
In [hoofdstuk 6 van de Ambtsinstructie BES voor de politie, Koninklijke Marechaussee en de buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028717&hoofdstuk=6) zijn regels opgesteld voor het gebruik van hulpmiddelen ten behoeve van de uitzetting.
### 3.7. Uitzetting via aanvoerende vervoersonderneming
### 4. Bericht van vertrek of uitzetting
### 5. Vreemdelingen in de strafrechtketen
### 6. Ongewenstverklaring
### 6.2. Gronden voor ongewenstverklaring
De taakstraf komt in plaats van een gevangenisstraf. In het geval dat de vreemdeling wordt veroordeeld tot het verrichten van een taakstraf wordt de duur van de door de rechter bepaalde vervangende hechtenis als uitgangspunt genomen. Dit betekent dat iedere taakstraf wordt tegengeworpen ongeacht de duur van de taakstraf. Het is niet vereist dat de uitspraak onherroepelijk is geworden.
Een ander land dat een vreemdeling ongewenst heeft verklaard, kan een onderbouwd verzoek doen om de vreemdeling ook in de openbare lichamen ongewenst te verklaren. Aan een dergelijk verzoek moet een verdrag ten grondslag liggen. Op dit moment zijn er geen verdragen gesloten die hierop zien en die gelden voor de openbare lichamen.
### 6.3. Procedurele aspecten
Voordat besloten wordt een vreemdeling ongewenst te verklaren, wordt hij in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen. De vreemdeling kan daarbij feiten en omstandigheden aanvoeren die naar diens mening bij de besluitvorming moeten worden betrokken. Deze zienswijze kan de vreemdeling mondeling of schriftelijk naar voren brengen. Van een mondelinge zienswijze wordt een verslag of proces-verbaal opgemaakt. Personen die volgens de verklaring van de vreemdeling iets in diens voordeel kunnen aanvoeren, worden ook zoveel mogelijk in de gelegenheid gesteld hun zienswijze naar voren te brengen. Wanneer de vreemdeling weigert zijn zienswijze te geven, of wanneer het niet mogelijk is gebleken de vreemdeling naar diens zienswijze te vragen, wordt niet afgezien van het voornemen om de vreemdeling ongewenst te verklaren. De beslissing om de vreemdeling ongewenst te verklaren wordt dan ook genomen. In de beschikking wordt de reden vermeld waarom de zienswijze ontbreekt.
De ongewenstverklaring treedt onmiddellijk in werking nadat de beschikking bekend is gemaakt. De vreemdeling heeft vanaf dat moment geen rechtmatig verblijf meer in de openbare lichamen. De vreemdeling moet de openbare lichamen onmiddellijk uit eigen beweging verlaten en kan daartoe worden uitgezet (zie [artikel 16b, eerste lid WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=16b)).
Het plaatsen van een dergelijke aantekening kan onder omstandigheden gevolgen hebben voor de doorreis of toelating tot een derde land. Als door deze aantekening de doorreis van de vreemdeling door, of diens toelating tot, een derde land wordt bemoeilijkt, mag deze aantekening niet in het document voor grensoverschrijding worden geplaatst.
### 6.4. Opheffing van de ongewenstverklaring
### 6.4.1. Inleiding
De ongewenstverklaring wordt alleen op aanvraag van de vreemdeling opgeheven. Dit volgt uit [artikel 16e WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=16e).
In [artikel 8.5 BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=8.5) zijn nadere regels gesteld over de mogelijkheden en bevoegdheden om de ongewenstverklaring op te heffen.
### 6.4.2. Aanvraag
De aanvraag moet:
### 6.4.3. Termijnen
De ongewenstverklaring wordt op aanvraag van de vreemdeling opgeheven, wanneer hij:
Een ongewenstverklaring op grond van een gevaar voor de nationale veiligheid wordt alleen op aanvraag opgeheven als de vreemdeling ten minste tien jaren onafgebroken buiten de openbare lichamen verbleef. Zolang de vreemdeling een gevaar vormt voor de nationale veiligheid wordt de ongewenstverklaring echter niet opgeheven. Het gevaar voor de nationale veiligheid is geweken als dat blijkt uit ambtsberichten van de AIVD, de Dienst Nationale Recherche, ((inter)nationale) ministeries of inlichtingendiensten.
De termijn die de ongewenst verklaarde vreemdeling ten minste buiten de openbare lichamen moet verblijven begint weer opnieuw te lopen (zie [artikel 8.5, tweede lid BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=8.5)) als hij:
### 6.4.4. De inhoud van de aanvraag
Het overleggen van een verklaring als bedoeld onder d, kan achterwege blijven als het overleggen van een dergelijke verklaring niet mogelijk is, dit bijvoorbeeld vanwege de algemene (oorlogs)situatie of het ontbreken van een registratie in dat land.
### 6.5.1. Inleiding
Tijdelijke opheffing van de ongewenstverklaring vindt alleen plaats in zeer uitzonderlijke en dringende gevallen. Aan de tijdelijke opheffing worden voorwaarden gesteld ten aanzien van de plaats van binnenkomst en de duur van het verblijf in de openbare lichamen (zie [artikel 8.6 BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=8.6)).
### 6.5.2. Inhoud van het verzoek
Het verzoek moet minimaal de volgende gegevens bevatten:
### 6.5.3. Voorwaarden aan de tijdelijke opheffing
### 1. Inleiding
De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd kan onder voorwaarden worden verleend onder een beperking die verband houdt met het volgen van studie (zie [artikel 7, zevende lid, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=7) en [artikel 5.2, eerste lid, onder h, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.2)). Het beleid voor buitenlandse studenten is erop gericht om onder bepaalde voorwaarden vreemdelingen in de gelegenheid te stellen tijdelijk in de openbare lichamen te studeren of een opleiding te volgen.
Uitgangspunten:
De voorwaarden voor verblijf voor studie aan het hoger onderwijs staan in [artikel 9, eerste lid, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=9) en in dit hoofdstuk.
### 2. Studenten die al in het bezit zijn van een verblijfsvergunning voor een ander doel
Vreemdelingen die al in het bezit zijn van een verblijfsvergunning onder een beperking verband houdend met een ander doel, bijvoorbeeld gezinshereniging of arbeid, kunnen ook een studie volgen in de openbare lichamen. Zij hoeven daarvoor geen wijziging van hun verblijfsvergunning voor studie aan te vragen, wanneer zij nog aan de voorwaarden van de aan hen verleende verblijfsvergunning voldoen.
### 3. Aanvraag gedurende verblijf in de vrije termijn
De vreemdeling die:
moet een aanvraag om een mvv indienen, terwijl hij nog verblijft in zijn land van herkomst of bestendig verblijf. De vreemdeling moet de beslissing op de aanvraag om een mvv ook daar afwachten en niet, vooruitlopend op die beslissing, de openbare lichamen inreizen. De vreemdeling kan dus niet met een studie starten in de openbare lichamen voordat de IND unit Caribisch Nederland positief op de aanvraag om een mvv heeft beslist.
Als een mvv-plichtige vreemdeling in de openbare lichamen verblijft zonder dat hij een geldige mvv heeft en hij gedurende zijn verblijf in de vrije termijn een aanvraag indient om een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd voor het volgen van een studie, dan verstrijkt de vrije termijn op de achtste dag na het indienen van die aanvraag (zie [artikel 5a WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=5a) en [artikel 4.4, eerste lid, onder c, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=4.4)).
Als een mvv-plichtige vreemdeling in de openbare lichamen verblijft zonder dat hij een geldige mvv heeft en er doen zich andere omstandigheden voor, waaruit kan worden afgeleid dat hij het voornemen heeft langer dan drie maanden in de openbare lichamen te verblijven, dan verstrijkt de vrije termijn uiterlijk op de achtste dag nadat deze omstandigheden zich hebben voorgedaan (zie [artikel 4.4, tweede lid, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=4.4)). Dit is bijvoorbeeld het geval bij inschrijving gedurende de vrije termijn als student bij een onderwijsinstelling voor een studie die langer dan drie maanden duurt.
Het starten van een studie in de vrije termijn zonder in het bezit te zijn van een geldige mvv heeft dus 2 gevolgen:
De niet mvv-plichtige vreemdeling kan wel gedurende zijn verblijf in de vrije termijn een aanvraag om een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd voor het volgen van studie indienen.
Het gevolg daarvan is ook:
Deze aanvraag wordt in elk geval niet afgewezen wegens het ontbreken van een geldige mvv. Bovendien heeft het indienen van de aanvraag om verlening van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd in dit geval in beginsel tot gevolg dat de uitzetting achterwege blijft (zie [artikel 5.1, eerste lid, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.1)). De vreemdeling kan gedurende de periode dat de aanvraag in behandeling is, een document vragen bij de IND BES unit, waarin een aantekening is gemaakt omtrent de verblijfsrechtelijke positie.
### 4. Verblijfsvoorwaarden
Ten aanzien van deze voorwaarden zijn de beleidsregels met betrekking tot de algemene voorwaarden van [artikel 9, eerste lid, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=9) van toepassing. Zie [hoofdstuk 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028837&hoofdstuk=3&z=2010-10-08&g=2010-10-08).
De financiële middelen van de vreemdeling moeten toereikend zijn om zijn studie, kosten van levensonderhoud en het college- of lesgeld te kunnen betalen gedurende de periode dat hij in de openbare lichamen wil verblijven.
Om te kunnen beoordelen of de vreemdeling beschikt over voldoende middelen van bestaan moet eerst gekeken worden door wie de studie en het verblijf worden bekostigd. Dit kan zijn:
Middelen van bestaan kunnen dan bijvoorbeeld zijn:
Let op:
De vreemdeling die een aanvraag om een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd voor studie heeft ingediend of die in het bezit is van deze vergunning, mag zijn studie niet bekostigen door het verrichten van arbeid in loondienst of als zelfstandige. Hij mag wel arbeid verrichten van bijkomstige aard. Zie hiervoor [hoofdstuk 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028837&hoofdstuk=3&z=2010-10-08&g=2010-10-08)/[7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028837&hoofdstuk=7&z=2010-10-08&g=2010-10-08).
De geldelijke bijdrage (het bruto-inkomen) die de vreemdeling per maand ontvangt moet tenminste gelijk zijn aan USD 559 per maand, aangevuld met college- of lesgelden.
Als de vreemdeling een bedrag ineens ontvangt voor het gehele studiejaar, moet dit bedrag tenminste gelijk zijn aan 12 x USD 559 + college- of lesgeld.
Vincent wil op Saba studeren en heeft een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd voor studie aangevraagd. Hij krijgt een studiebeurs van een organisatie uit de Verenigde Staten. Deze betaalt de beurs per jaar in zijn geheel uit aan het begin van het studiejaar op de bankrekening van Vincent in de Verenigde Staten. Deze beurs bedraagt voor het eerste studiejaar in totaal
USD 25.000. Het collegegeld is USD 15.600 voor het eerste studiejaar (USD 7.800 per semester). Het bruto-inkomen van Vincent moet gelijk zijn aan 12 x USD 559 + USD 15.600 = USD 22.308. Zijn beurs is USD 25.000. Het bruto-inkomen van Vincent, aangevuld met college- of lesgeld, is dus in dit geval voldoende.
Middelen van bestaan kunnen dan bijvoorbeeld zijn:
De vreemdeling moet aantonen dat de financiële positie van deze (rechts)persoon toereikend is om de studie, het levensonderhoud en het college- of lesgeld te kunnen bekostigen. Toereikend wil zeggen dat de financier over voldoende middelen van bestaan moet beschikken om in zijn eigen onderhoud (en eventueel in dat van zijn gezin) en dat van de vreemdeling te kunnen voorzien.
Dit betekent dat het bruto-inkomen van de financier op maandbasis tenminste gelijk moeten zijn aan de norm als genoemd in hoofdstuk 3, paragraaf 1.9.3.3 + USD 559 + college- of lesgeld (omgerekend naar een maandbedrag).
De financier moet daarnaast een garantverklaring ondertekenen (zie model MBES26 CTU-BES).
De garantverklaring kan niet worden ondertekend door de onderwijsinstelling zelf. Deze zal immers niet de financier zijn van de studie en het levensonderhoud van de vreemdeling.
Bij de berekening van het bruto-inkomen van de in de openbare lichamen gevestigde persoon kan in bepaalde gevallen het inkomen van de echtgenoot of (geregistreerd) partner worden meegeteld. Zie hiervoor de regels in hoofdstuk 3, paragraaf 1.9.3.1), De garantverklaring moet dan ook door de echtgenoot of (geregistreerd) partner worden ondertekend.
[Artikel 5.32, eerste lid, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.32) bepaalt welke inkomensbronnen in ieder geval zelfstandig zijn. Daarnaast kunnen middelen van bestaan ook zelfstandig zijn als ze afkomstig zijn uit andere inkomensbronnen dan genoemd in artikel 5.32, eerste lid, BTU-BES. Middelen van bestaan die afkomstig zijn uit de in onder ad c en d genoemde inkomensbronnen zijn zelfstandige middelen van bestaan.
Middelen van bestaan zijn duurzaam als ze nog één jaar beschikbaar zijn op het tijdstip waarop de aanvraag is ontvangen of de beschikking wordt gegeven (zie [artikel 5.34, eerste lid, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.34) en hoofdstuk 3, paragraaf 1.9.3.2). Uitzondering: als de student korter dan één jaar in de openbare lichamen wil verblijven voor studie, moeten de middelen van bestaan beschikbaar zijn voor de daadwerkelijke duur van het verblijf. Als hij dus een verblijf van zes maanden voor studie wil, moet hij aantonen dat hij voor die periode over voldoende middelen van bestaan beschikt.
De bekostiging van de studie kan op twee manieren plaatsvinden:
Bekostiging door periodieke betalingen kunnen afkomstig zijn van zowel een buiten als binnen de openbare lichamen gevestigde persoon of instelling. Deze middelen zijn duurzaam als door de vreemdeling voldoende zekerheid is verschaft over het ongestoorde verloop van de periodieke geldstroom aan de hand van een verklaring van een bank.
Als de student beschikt over een bedrag op een (buitenlandse) bankrekening, moet dit bedrag minimaal gelijk zijn aan USD 559 x 12 maanden (of zoveel minder als de daadwerkelijke duur van het verblijf) + het verschuldigde college- of lesgeld. Het geld dat op de (buitenlandse) bankrekening is gestort, hoeft niet afkomstig te zijn van de student zelf. Voorwaarde is wel dat de bankrekening uitsluitend op naam van de student is gesteld.
Onderwijsinstellingen:
De verblijfsvergunning kan worden verleend als sprake is van (voorlopige) inschrijving aan één van de volgende onderwijsinstellingen die voltijds hoger onderwijs aanbieden:
Saba University (Saba). De verblijfsvergunning kan ook worden verleend als sprake is van (voorlopige) inschrijving aan een onderwijsinstelling die voltijds hoger onderwijs aanbiedt en die voldoet aan de voorwaarden van de overgangsregeling van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap betreffende de verkrijging van de status van rechtspersoon voor hoger onderwijs.
(Voorlopige) inschrijving:
De vreemdeling moet aantonen dat hij voor een studie aan één van de hiervoor genoemde in de openbare lichamen gevestigde onderwijsinstellingen voor voltijds hoger onderwijs is of zal worden ingeschreven. Dit kan hij aantonen door een verklaring te overleggen die is afgegeven door het College van Bestuur of het bevoegd gezag van de onderwijsinstelling.
Een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd voor het volgen van een studie is tijdelijk (zie [artikel 5.3, tweede lid, onder c, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.3)). Dit betekent dat de vreemdeling die een verblijfsvergunning voor studie heeft, bij tussentijdse beëindiging van de studie of als de studie niet tijdig (dus niet binnen de maximale verblijfsduur) is afgerond, de openbare lichamen moet verlaten. De vreemdeling moet een verklaring ondertekenen dat hij ermee bekend is dat hij alleen voor het verblijfsdoel studie in de openbare lichamen mag verblijven.
Voor vreemdelingen met een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd voor studie geldt een maximale verblijfsduur. De maximale verblijfsduur is afhankelijk van de studielast van de studie die wordt gevolgd en bedraagt één jaar meer dan die studielast. Als de vreemdeling de studie niet binnen de maximale verblijfsduur afrondt, is sprake van onvoldoende studievoortgang. In dat geval wordt de verblijfsvergunning niet verlengd en komt de vreemdeling ook niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning voor het volgen van een andere studie.
Als de vreemdeling tussentijds van studie verandert (van een studie met een studielast van meer dan vier jaar in een andere studie, of andersom), wordt de tijd die al is gestudeerd afgetrokken van de studielast van de nieuwe studie.
Alice, van Amerikaanse nationaliteit, gaat geneeskunde studeren (studielast 6 jaar). Maximale verblijfsduur voor deze studie is 7 jaar. Na één jaar breekt zij deze studie af en gaat een hoger beroepsopleiding volgen (studielast 4 jaar). De maximale verblijfsduur is bij deze studie normaliter 5 jaar. Doordat zij al 1 jaar heeft gestudeerd, heeft zij nog een maximale verblijfsduur voor studiedoeleinden van 4 jaar over (4 jaar studielast – 1 jaar al gestudeerd +1 jaar extra).
Als de vreemdeling binnen de maximale verblijfsduur de studie afrondt en een nieuwe studie begint, is de maximale verblijfsduur niet van toepassing. In dat geval is immers geen sprake van onvoldoende studievoortgang. Als hij aan alle voorwaarden voor verlening van een verblijfsvergunning voor studie voldoet, wordt opnieuw een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd voor studie verleend. De berekening van de maximale verblijfsduur begint dan opnieuw.
Jason, van Canadese nationaliteit, rondt binnen de maximale verblijfsduur zijn medische studie af. Hij wil nu een ‘master of business administration’ gaan volgen. Omdat hij zijn medische studie binnen de maximale verblijfsduur heeft afgerond, wordt aan hem nu opnieuw een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd voor het volgen van zijn nieuwe studie verleend, mits hij ook aan alle overige voorwaarden voldoet.
Als sprake is van een bachelor/masterstructuur wordt de studielast voor de bacheloropleiding en de masteropleiding bij elkaar opgeteld. De maximale verblijfsduur bedraagt één jaar meer dan die studielast. Het is niet noodzakelijk dat de master aan dezelfde instelling wordt gevolgd als de bachelor. Als de vreemdeling een schakeljaar volgt tussen HBO bachelor en universitaire master wordt de maximale verblijfsduur met één jaar verlengd.
### 5. Vereiste bescheiden
Als de studie wordt bekostigd met middelen die afkomstig zijn uit een buiten de openbare lichamen aanwezige trust, kan het zijn dat er wel sprake is van een referent in de openbare lichamen gevestigde referent, die kan optreden als tussenpersoon/vertegenwoordiger van de trust. Deze referent is dan mogelijk niet gerechtigd om zelf te bepalen hoeveel er vanuit de trust wordt betaald ten behoeve van de studie en het levensonderhoud van de student. In dat geval is sprake van een buiten de openbare lichamen gevestigde (rechts)persoon die de studie en het levensonderhoud bekostigt en moeten de onder c1 of c2 genoemde bescheiden worden overgelegd als bewijs dat zelfstandige en duurzaam wordt beschikt over voldoende middelen van bestaan.
Alle stukken moeten zijn opgesteld in het Nederlands of Engels of zijn vertaald door een betrouwbare vertaler.
### 6. Beperkingen, arbeidsmarktaantekeningen en voorschrift
### 6.1. Beperking
De verblijfsvergunning wordt verleend onder de beperking: ‘Studie aan (naam onderwijsinstelling) te ......................... (plaatsnaam)’.
Dit verblijfsrecht is tijdelijk van aard. Dit moet uitdrukkelijk in de beschikking waarbij de verblijfsvergunning wordt verleend, worden vermeld.
### 6.2. Arbeidsmarktaantekening
Op de verblijfsvergunning staat de aantekening: ‘arbeid niet toegestaan met uitzondering van arbeid van bijkomende aard; TWV vereist’.
### 6.3. Voorschriften
De schriftelijke garantstelling door de onderwijsinstelling (MBES28 CTU-BES) is hier een voorschrift tot het stellen van zekerheid als bedoeld in [artikel 5.4, eerste lid, onder b, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.4).
De schriftelijke garantstelling (MBES26 CTU-BES) genoemd in paragraaf 3, onder c, sub 1 dient om aan te tonen dat wordt voldaan aan het middelenvereiste.
### 7. Het verrichten van arbeid
Als de vreemdeling als onderdeel van de opleiding als stagiair wordt tewerkgesteld kan voor maximaal een jaar een TWV worden verleend (zie [artikel 14, eerste lid, Besluit uitvoering Wav BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028231&artikel=14)). Voorwaarde is onder meer dat de werkgever beschikt over een stageovereenkomst met de desbetreffende student en onderwijsinstelling.
Een vreemdeling die in het bezit is van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd voor studie mag arbeid van bijkomende aard verrichten. Het gaat hier om arbeid van maximaal 10 uur per week of seizoenarbeid in de maanden juni, juli en augustus. Voor het verrichten van arbeid van bijkomende aard is een TWV vereist. Deze kan voor de duur van maximaal een jaar worden verleend (zie [artikel 16, eerste lid, Besluit uitvoering Wav BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028231&artikel=16)).
### 8. Gezinshereniging
Beleidsregel:
Aan de echtgeno(o)t(e) of (geregistreerde) partner en de minderjarige kinderen van de student kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd verband houdend met gezinshereniging worden verleend, mits wordt voldaan aan de voor die beperking geldende voorwaarden, met uitzondering van de voorwaarde die betrekking heeft op het niet-tijdelijk verblijf van de hoofdpersoon (zie [artikel 5.9, tweede lid, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.9)).
Het verblijfsrecht van de hoofdpersoon/student is tijdelijk (zie [artikel 5.3, tweede lid, onder c, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.3)). [Artikel 5.9, tweede lid, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.9) en bovenstaande beleidsregel maken het mogelijk dat ook in dat geval een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd verband houdend met gezinshereniging kan worden verleend.
Voor de overige verblijfsvoorwaarden en de vereiste bescheiden wordt verwezen [hoofdstuk 11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028837&hoofdstuk=11&z=2010-10-08&g=2010-10-08) CTU-BES.
In geval van gezinshereniging bij een student zijn de middelen voldoende als wordt beschikt over het in hoofdstuk 3, paragraaf 1.9.3.3. genoemde normbedrag voor gezinshereniging in plaats van de in paragraaf 4 genoemde USD 559. Deze bedragen moeten dus niet bij elkaar opgeteld worden. Wel moet de student daarnaast voor zijn verblijfsrecht als student nog beschikken over middelen ter hoogte van het bedrag van het verschuldigde college- of lesgeld.
### 9. Verandering van opleiding of onderwijsinstelling
Voor verandering van onderwijsinstelling moet wijziging gevraagd worden van de beperking waaronder de verblijfsvergunning is verleend. De totale termijn op grond waarvan verblijf in de openbare lichamen voor studie is toegestaan mag echter de maximale verblijfsduur niet mag overschrijden.
Voor verandering van opleiding bij dezelfde onderwijsinstelling hoeft geen wijziging van de beperking van de verblijfsvergunning te worden gevraagd. Ook hier geldt dat de maximale verblijfsduur niet mag worden overschreden als bij dezelfde onderwijsinstelling van opleiding wordt veranderd, terwijl de eerdere opleiding nog niet is afgerond.
Het volgen van een studie/opleiding is primair gericht op voltooiing ervan. Daarom is een verklaring van de onderwijsinstelling nodig, waaruit blijkt dat voltooiing van de studie/opleiding binnen het resterende deel van de maximale verblijfsduur mogelijk is. De vreemdeling legt deze verklaring over bij de aanvraag om wijziging van de beperking van de verblijfsvergunning. Wanneer van opleiding wordt veranderd binnen dezelfde onderwijsinstelling legt de vreemdeling deze verklaring over bij de aanvraag om verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning.
### Hoofdstuk 8. Gepensioneerden en renteniers
Vanwege het ingrijpende karakter blijft de toepassing van een vrijheidsbeperkende of vrijheidsontnemende maatregel beperkt tot het strikt noodzakelijke. De beginselen van proportionaliteit (doelmatigheid) en subsidiariteit (toepassen lichter middel indien mogelijk) worden voortdurend in acht genomen. De uitvoering van deze maatregelen is met strikte waarborgen omkleed.
### 2. Maatregelen
### 2.1. Vrijheidsbeperkende maatregelen
### 2.2. Vrijheidsontnemende maatregelen
Er wordt sterk terughoudend gehandeld bij vrijheidsontneming van minderjarigen. Voor deze groep wordt extra aandacht besteed aan het gebruik van minder ingrijpende maatregelen dan vrijheidsontneming.
### 2.2.1. Mededeling van vrijheidsontnemende maatregelen
Op verzoek van de vreemdeling wordt zo snel mogelijk mededeling gedaan van de uitvoering van een maatregel op grond van [artikel 2o](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=2o), [15b, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=15b) of [15c, eerste lid WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=15c). De mededeling wordt gedaan aan de naaste verwanten en aan een in het Koninkrijk gevestigde diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging van de staat waarvan de vreemdeling onderdaan is. Er wordt tijdens de contacten met de diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging geen mededeling gedaan omtrent een door de vreemdeling ingediende toelatingsaanvraag.
Er wordt geen mededeling over zijn vrijheidsontneming gedaan als de vreemdeling geen contact met de betreffende vertegenwoordiging wenst.
### 2.2.2. Aanmelding vreemdeling
Ten behoeve van een zorgvuldige en efficiënte informatievoorziening aan alle betrokkenen, bij de uitzetting van een vreemdeling, wordt een aanmeldformulier vreemdeling opgemaakt. Het ingevulde formulier bevat informatie om de vrijheidsontneming en de uitzetting van een vreemdeling zo probleemloos mogelijk te laten verlopen. Het wordt opgemaakt bij iedere vrijheidsontneming op grond van [artikel 2o](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=2o), [15b, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=15b), of [15c, eerste lid, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=15c) en moet de vreemdeling begeleiden van het moment van ingang van de maatregel tot zijn uitzetting of invrijheidstelling. Eventuele wijzigingen en aanvullingen worden gelijk aangebracht. Hierna wordt het formulier bewaard in de vreemdelingenadministratie.
### 2.2.3. Het lichten van vreemdelingen
Ten aanzien van gezinnen met minderjarige kinderen wordt zo veel mogelijk een vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd in plaats van een vrijheidsontnemende maatregel om het vertrek voor te bereiden.
### 3. Beroep
### Hoofdstuk 19. Rechtsmiddelen
### 1. Inleiding
De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd kan onder voorwaarden worden verleend onder een beperking die verband houdt met verblijf als gepensioneerde of rentenier (zie [artikel 7, zevende lid, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=7) en [artikel 5.2, eerste lid, onder f, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.2)).
Het verblijf als gepensioneerde of rentenier moet het algemeen belang dienen van de openbare lichamen. Voor gepensioneerden en renteniers is dat het economisch belang. Dat wil zeggen dat van het verblijf van de vreemdeling als gepensioneerde of rentenier een stimulerende werking uit gaat op de economie van de openbare lichamen.
Onder een gepensioneerde wordt verstaan een vreemdeling die:
Onder een rentenier wordt verstaan een vermogende vreemdeling die:
De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd kan onder een beperking verband houdend met verblijf als gepensioneerde of rentenier wordt verleend als de vreemdeling voldoet aan de onder 2.2, 3.2 of 4.2 genoemde voorwaarden. Als hij niet voldoet aan één of meer van deze voorwaarden, wordt de aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning afgewezen.
### 2. Vreemdelingen die een beroep doen op de penshonado/rentenierswetgeving
De ‘penshonado/rentenierregeling’ uit de artikelen 23B, 23C, 23D en 23E van de Landverordening op de inkomstenbelasting 1943 zal op grond van [artikel 13b van de Wet geldstelsel BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028551&artikel=13b) na de transitie tot 1 januari 2011 ongewijzigd worden voortgezet. Dit betekent dat voor zover een gepensioneerde of rentenier op het tijdstip onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van transitie rechten en verplichtingen heeft op grond van genoemde regeling, deze rechten en verplichtingen daarna door blijven lopen.
In de Landsverordening op de inkomstenbelasting 1943 staan de voorwaarden vermeld waaraan een vreemdeling of Nederlander moet voldoen om een beroep te kunnen doen op deze regeling. Eén van de voorwaarden is dat men voor onbepaalde tijd toegelaten moet zijn. Dit betekent dat men in het bezit moet zijn van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd of een verklaring dat men toelating van rechtswege heeft, dan wel dat men als Nederlander was toegelaten op grond van artikel 1 Landsverordening toelating en uitzetting.
Het enkel voldoen aan de voorwaarden van de fiscale ‘penshonado/rentenierregeling’ is op zichzelf geen grond voor toelating.
### 3. Reguliere gepensioneerden en renteniers
### 3.1. Inleiding
Een vreemdeling die geen beroep doet of kan doen op de fiscale ‘penshonado/rentenierregeling’, maar die zich wel als gepensioneerde of rentenier in de openbare lichamen wil vestigen, kan in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd onder de beperking ‘verblijf als gepensioneerde of rentenier’ als hij voldoet aan de onder 3.2 genoemde voorwaarden.
### 3.2. Verblijfsvoorwaarden
Ten aanzien van deze voorwaarden zijn de beleidsregels met betrekking tot de algemene voorwaarden van [artikel 9, eerste lid, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=9) van toepassing. Deze staan in [hoofdstuk 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028837&hoofdstuk=3&z=2010-10-08&g=2010-10-08).
De middelen van bestaan van een gepensioneerde of rentenier zijn voldoende, zelfstandig en duurzaam als:
Een pensioenuitkering moet op het tijdstip waarop de aanvraag om een verblijfsvergunning is ontvangen of de beschikking wordt gegeven nog ten minste één jaar beschikbaar is. Dit kan worden aangetoond met een verklaring of brief van het pensioenfonds.
### 3.3. Vereiste bescheiden
Als uit de notariële akte/eigendomsakte van de woning niet blijkt wat de waarde in het economisch verkeer was ten tijde van de aankoop van de woning, kunnen ook andere bescheiden aan de vreemdeling worden gevraagd waaruit die waarde zou kunnen blijken. Dat kan ook als twijfel bestaat of de waarde genoemd in de akte wel de waarde in het economisch verkeer vertegenwoordigt.
Daarnaast moet ook altijd gecontroleerd worden of de vreemdeling hoofdverblijf heeft in de betreffende woning in de openbare lichamen. Dit kan bijvoorbeeld aangetoond worden doordat blijkt dat de vreemdeling op het adres van de woning ingeschreven staat bij Burgerzaken.
Alle stukken moeten zijn opgesteld in het Nederlands of Engels of zijn vertaald door een betrouwbare vertaler.
### 4. Overwinteraars
### 4.1. Inleiding
Overwinteraars zijn Nederlanders en vreemdelingen die gedurende een periode van maximaal zes maanden per jaar in de openbare lichamen verblijven, veelal gedurende de wintermaanden in het land van herkomst.
Voor Nederlanders geldt een vrije termijn van zes maanden binnen een tijdvak van een jaar (zie [artikel 4.2, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=4.2)) gedurende welke zij in de openbare lichamen kunnen verblijven.
Vreemdelingen die in de openbare lichamen willen overwinteren dan wel als toerist tijdelijk, gedurende een periode van maximaal zes maanden binnen een tijdvak van een jaar, in de openbare lichamen willen verblijven, kunnen een aanvraag indienen om een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd onder de beperking ‘verblijf als gepensioneerde of rentenier’. Dit betreft een tijdelijk verblijfsrecht en moet uitdrukkelijk in de beschikking waarbij de verblijfsvergunning wordt verleend worden vermeld (zie [artikel 5.3, derde lid, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.3)).
### 4.2. Verblijfsvoorwaarden
Ten aanzien van deze voorwaarden zijn de beleidsregels met betrekking tot de algemene voorwaarden van [artikel 9, eerste lid, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=9) van toepassing. Deze staan in [hoofdstuk 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028837&hoofdstuk=3&z=2010-10-08&g=2010-10-08).
De middelen van bestaan zijn voldoende, zelfstandig en duurzaam als:
Een pensioenuitkering moet op het tijdstip waarop de aanvraag om een verblijfsvergunning is ontvangen of de beschikking wordt gegeven nog ten minste één jaar beschikbaar zijn. Dit kan worden aangetoond met een verklaring of brief van het pensioenfonds.
### 4.3. Vereiste bescheiden
Alle stukken moeten zijn opgesteld in het Nederlands of Engels of zijn vertaald door een betrouwbare vertaler.
### 5. Beperking, arbeidsmarktaantekening en voorschrift
### 5.1. Beperking
Als door de vreemdeling aan de hierboven in 2.2, 3.2 dan wel 4.2 genoemde voorwaarden wordt voldaan, wordt de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd verleend onder de beperking: ‘verblijf als gepensioneerde of rentenier’.
### 5.2. Geldigheidsduur
De geldigheidsduur van de te verlenen verblijfsvergunning voor bepaalde tijd is een jaar. Deze kan daarna steeds met een jaar verlengd worden, als aan de daarvoor geldende voorwaarden wordt voldaan.
De geldigheidsduur van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd is maximaal zes maanden per jaar en is tijdelijk van aard. De tijdelijkheid moet altijd uitdrukkelijk in de beschikking waarbij de verblijfsvergunning wordt verleend, worden vermeld.
De geldigheidsduur van deze verblijfsvergunning voor bepaalde tijd kan niet worden verlengd. Als de vreemdeling in een volgend tijdvak van een jaar opnieuw als overwinteraar in de openbare lichamen wil verblijven, dan moet hij daarvoor een nieuwe aanvraag voor verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd indienen.
### 5.3. Arbeidsmarktaantekening
Op de verblijfsvergunning staat de aantekening: ’arbeid in loondienst alleen toegestaan indien de werkgever beschikt over TWV’.
### 5.4. Voorschriften
De verplichting voldoende verzekerd te zijn tegen ziektekosten met inbegrip van de kosten verbonden aan opname en verpleging in een sanatorium of psychiatrische inrichting.
### Hoofdstuk 9. Investeerders
### 1. Inleiding
De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd kan onder voorwaarden worden verleend onder een beperking die verband houdt met verblijf als investeerder (zie [artikel 7, zevende lid, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=7) en [artikel 5.2, eerste lid, onder k, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.2)).
Het verblijf als investeerder moet het algemeen belang van de openbare lichamen dienen. Voor investeerders is dat het economisch belang. Met de toelating van een vreemdeling moet een wezenlijk belang worden gediend binnen de openbare lichamen.
Onder ‘wezenlijk belang’ wordt verstaan:
‘het inbrengen van buitenlandse deviezen waarmee een bijdrage geleverd wordt aan de economische ontwikkeling van de gemeenschap binnen de openbare lichamen’.
Onder het inbrengen van ‘ buitenlandse deviezen’ valt:
De verblijfsvergunning biedt de mogelijkheid aan kapitaalkrachtige vreemdelingen om een langere periode in de openbare lichamen te kunnen verblijven zonder dat zij zich zakelijk moet vestigen in de openbare lichamen of hoofdverblijf moeten hebben in de openbare lichamen.
De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd kan onder een beperking verband houdend met verblijf als investeerder worden verleend als de vreemdeling voldoet aan de onder 2 genoemde verblijfsvoorwaarden. Als de vreemdeling niet voldoet aan één of meer van deze voorwaarden, wordt de aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning afgewezen.
### 2. Verblijfsvoorwaarden
Ten aanzien van deze voorwaarden zijn de beleidsregels met betrekking tot de algemene voorwaarden van [artikel 9, eerste lid, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=9) van toepassing. Deze staan in [hoofdstuk 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028837&hoofdstuk=3&z=2010-10-08&g=2010-10-08).
De vreemdeling moet een zakelijke investering doen en/of onroerend goed aanschaffen met een totale waarde van tenminste USD 365.000,00. Deze investering moet binnen 18 maanden na de eerste aanvraag zijn verwezenlijkt.
Een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd voor het verblijf als investeerder is tijdelijk (zie [artikel 5.3, tweede lid, onder f, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.3)). Dit betekent dat de vreemdeling die een verblijfsvergunning als investeerder heeft, bij het niet nakomen van de hiervoor geldende verplichtingen de openbare lichamen moet verlaten. De vreemdeling moet een verklaring ondertekenen dat hij ermee bekend is dat hij alleen voor het verblijfsdoel investeerder in de openbare lichamen mag verblijven.
Voor vreemdelingen met een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als ‘investeerder’ geldt een maximale verblijfsduur in de openbare lichamen van 120 dagen per jaar.
### 3. Vereiste bescheiden
Alle stukken moeten zijn opgesteld in het Nederlands of Engels of zijn vertaald door een betrouwbare vertaler.
### 4. Gezinshereniging
Als hoofdregel geldt dat de gezinsleden in aanmerking kunnen komen voor een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd verband houdend met gezinshereniging als de hoofdpersoon in het bezit is van een verblijfsvergunning die niet-tijdelijk is als bedoeld in [artikel 5.3 BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.3) (zie [artikel 5.9, eerste lid, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.9) en [artikel 5.11 BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.11)). In andere gevallen kan de verblijfsvergunning worden verleend (zie artikel 5.9, tweede lid, BTU-BES). Een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd onder de beperking ‘investeerder’ is tijdelijk van aard (zie artikel 5.11, eerste lid, onder b, BTU-BES en artikel 5.3, tweede lid, BTU-BES).
De gezinsleden, zoals genoemd in [artikel 5.10 BTU BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.10), komen in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning op grond van gezinshereniging als aan de hoofdpersoon een verblijfsvergunning als ‘investeerders’ is verleend.
Naast de gezinsleden zoals genoemd in [artikel 5.10 BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.10) kunnen meerderjarige kinderen in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning op grond van gezinshereniging als:
Als de verblijfsvergunning van de hoofdpersoon vervalt dan vervalt eveneens de verblijfsvergunning van de gezinsleden.
De gezinsleden moeten de in paragraaf 3 onder a, b, c, d, e, g, j en k genoemde bescheiden overleggen.
### 5. Beperking, arbeidsmarktaantekening en voorschrift
### 5.1. Beperking
De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt verleend onder de beperking: ‘verblijf als investeerder’.
De verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van gezinshereniging wordt aan de gezinsleden verleend onder de beperking: ‘Verblijf bij (naam hoofdpersoon).’
### 5.2. Arbeidsmarktaantekening
Op de vergunning staat de aantekening: ‘arbeid in loondienst alleen toegestaan indien werkgever beschikt over TWV’.
### 5.3. Voorschriften
Aan de verblijfsvergunning is als voorschrift verbonden de verplichting voldoende verzekerd te zijn tegen ziektekosten met inbegrip van de kosten verbonden aan opname en verpleging in een sanatorium of een psychiatrische inrichting.
### Hoofdstuk 10. Vrijwilligers
### 1. Inleiding
Aan een vreemdeling die vrijwilligerswerk verricht in de openbare lichamen kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd worden verleend onder een beperking verband houdend met ‘verblijf als vrijwilliger’, als aan de daarvoor geldende voorwaarden wordt voldaan (zie [artikel 5.2, eerste lid, onder m, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.2)). De verblijfsvoorwaarden voor dit verblijfsdoel zijn hieronder uitgewerkt in beleidsregels.
Een vrijwilliger is een natuurlijke persoon die deelneemt aan arbeid die gebruikelijk onbetaald wordt verricht, geen winstoogmerk heeft en een algemeen maatschappelijk doel dient.
Als een vreemdeling vrijwilligerswerk verricht voor maximaal 12 weken binnen een periode van 52 weken, dan is hiervoor geen TWV vereist. Aangezien de vreemdeling in dat geval ook binnen de vrije termijn verblijft, hoeft hij ook geen verblijfsvergunning voor bepaalde tijd aan te vragen.
Als een vreemdeling vrijwilligerswerk verricht voor langer dan 12 weken, dan is hiervoor wel een TWV vereist en moet de vreemdeling ook een aanvraag om een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd aanvragen onder een beperking verband houdend met ‘verblijf als vrijwilliger’. Dit is een tijdelijk verblijfsrecht dat voor maximaal één jaar kan worden verleend. Na één jaar kan de verblijfsvergunning niet meer worden verlengd.
### 2. Verblijfsvoorwaarden
Ten aanzien van deze voorwaarden zijn de beleidsregels met betrekking tot de algemene voorwaarden van [artikel 9, eerste lid, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=9) van toepassing. Deze staan in [hoofdstuk 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028837&hoofdstuk=3&z=2010-10-08&g=2010-10-08).
Beleidsregel:
Middelen van bestaan zijn in geval van een beoogd verblijf als vrijwilliger voldoende als de vreemdeling een voor het betreffende vrijwilligerswerk naar het oordeel van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid gebruikelijk salaris of gebruikelijke vergoeding ontvangt.
Wat een gebruikelijk salaris of een gebruikelijke vergoeding is voor het door de vreemdeling te verrichten vrijwilligerswerk, wordt beoordeeld in het kader van de aanvraag om verlening van een TWV. Als een TWV voor het beoogde vrijwilligerswerk is afgegeven door de SZW unit, dan kan ervan worden uitgegaan dat de vreemdeling een gebruikelijk salaris of gebruikelijke vergoeding ontvangt voor zijn werkzaamheden als vrijwilliger en dat daarmee aan de onder d genoemde voorwaarde wordt voldaan.
### 3. Vereiste bescheiden
Alle stukken moeten zijn opgesteld in het Nederlands of Engels of zijn vertaald door een betrouwbare vertaler.
Beleidsregel:
Bij verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd voor verblijf als vrijwilliger, moet de schriftelijke garantstelling worden ondertekend door de organisatie voor wie men als vrijwilliger werkt, mits deze solvabel is.
Bij verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd in het kader van gezinshereniging bij een hoofdpersoon, die in het bezit is van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd voor verblijf als vrijwilliger dan wel die daarvoor een aanvraag heeft ingediend, moet de schriftelijke garantstelling worden ondertekend door de organisatie voor wie de hoofdpersoon als vrijwilliger werkt.
Beleidsregel:
De organisatie voor wie vrijwilligerswerk wordt verricht wordt geacht solvabel te zijn als daaraan een TWV is verleend voor het door de vreemdeling te verrichten vrijwilligerswerk.
### 4. Beperking, arbeidsmarktaantekening en voorschrift
### 4.1. Beperking
De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt verleend onder de beperking: ‘verblijf als vrijwilliger’.
Dit verblijfsrecht is tijdelijk van aard. Dit moet uitdrukkelijk in de beschikking waarbij de verblijfsvergunning wordt verleend, worden vermeld.
### 4.2. Arbeidsmarktaantekening
Op de verblijfsvergunning staat de aantekening: 'arbeid in loondienst alleen toegestaan indien werkgever beschikt over TWV’.
### 4.3. Voorschriften
### 5. Geldigheidsduur
De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd onder een beperking verband houdend met ‘verblijf als vrijwilliger’ kan worden verleend voor de duur waarvoor de TWV is afgegeven, met een maximum van één jaar (zie [artikel 5.25 BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.25)).
Beleidsregel:
De geldigheidsduur van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt daarna niet verlengd.
### 6. Gezinshereniging
Beleidsregel:
Aan de echtgeno(o)t(e) of (geregistreerde) partner en de minderjarige kinderen van de vrijwilliger kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd verband houdend met gezinshereniging worden verleend, mits wordt voldaan aan de voor die beperking geldende voorwaarden, met uitzondering van de voorwaarde die betrekking heeft op het niet-tijdelijk verblijf van de hoofdpersoon (zie [artikel 5.9, tweede lid, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.9)).
Het verblijfsrecht van de hoofdpersoon/vrijwilliger is tijdelijk (zie [artikel 5.3, tweede lid, onder f, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.3)). [Artikel 5.9, tweede lid, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.9) en bovenstaande beleidsregel maken het mogelijk dat ook in dat geval een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd verband houdend met gezinshereniging kan worden verleend.
Voor de overige verblijfsvoorwaarden en de vereiste bescheiden wordt verwezen naar [hoofdstuk 11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028837&hoofdstuk=11&z=2010-10-08&g=2010-10-08) CTU-BES.
In geval van gezinshereniging bij een vrijwilliger geldt het middelenvereiste voor gezinshereniging zoals vermeld in hoofdstuk 3, paragraaf 1.9.3.3.
### Hoofdstuk 11. Gezinshereniging en gezinsvorming
### 1. Algemeen
### 1.1. Inleiding
Gezinsvorming wordt gedefinieerd als: ‘gezinshereniging van de echtgenoot, geregistreerd partner of niet-geregistreerde partner, voor zover de gezinsband tot stand is gekomen op een tijdstip waarop de hoofdpersoon in de openbare lichamen hoofdverblijf had.’
Gezinsvorming is dus een bijzondere vorm van gezinshereniging. Verder wordt met de aansluiting bij het begrip ‘hoofdverblijf’ voorkomen dat ook in geval van een tijdens een buitenlandse vakantie van een in de openbare lichamen gevestigde persoon gesloten huwelijk of relatie, om de enkele reden dat het huwelijk of de relatie buiten de openbare lichamen tot stand is gekomen, sprake zou zijn van ‘gezinshereniging’.
In dit hoofdstuk wordt onder hoofdpersoon verstaan de persoon bij wie de vreemdeling als gezinslid (bijvoorbeeld als echtgenoot, geregistreerde partner, niet-geregistreerde partner, kind of ouder) in de openbare lichamen wil verblijven.
### 1.2. Beleid gezinshereniging
In het kader van gezinshereniging kan verblijf in de openbare lichamen worden toegestaan op grond van een huwelijk, geregistreerd partnerschap, of niet-geregistreerd partnerschap dat al bestond toen beide (huwelijks)partners nog buiten de openbare lichamen verbleven. Voor toelating van kinderen die uit deze (huwelijks)relatie zijn geboren wordt verwezen naar paragraaf 5 (en verder) van dit hoofdstuk.
### 1.3. Beleid gezinsvorming
In het kader van gezinsvorming kan verblijf in de openbare lichamen worden toegestaan op grond van een huwelijk, geregistreerd partnerschap, of niet-geregistreerd partnerschap gesloten op een tijdstip dat een van de echtgenoten al in de openbare lichamen verbleef.
### 2. Huwelijk en geregistreerd partnerschap
### 2.1. Verblijfsvoorwaarden
Ingevolge [artikel 5.10, onder a, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.10) wordt de verblijfsvergunning op grond van een huwelijk verleend als het huwelijk naar Nederlands internationaal privaatrecht rechtsgeldig is. De verblijfsvergunning wordt niet op grond van een geregistreerd partnerschap verleend als dat partnerschap niet in Nederland is geregistreerd.
Het huwelijk is geldig als:
Het bestaan van een geldig huwelijk moet met gelegaliseerde documenten worden aangetoond. Als het huwelijk, gesloten buiten een land van het Koninkrijk, wegens strijd met de openbare orde, niet voor erkenning door de openbare lichamen in aanmerking komt, dan heeft dit tot gevolg dat dit huwelijk niet de basis kan vormen voor verlening van een vergunning tot (tijdelijk) verblijf.
Gelegaliseerde akten:
De verblijfsvergunning wordt niet op grond van een huwelijk of een geregistreerd partnerschap verleend als het huwelijk of het geregistreerde partnerschap niet is aangetoond.
De verblijfsvergunning wordt ingevolge [artikel 5.11, onder a en b, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.11) verleend, als de hoofdpersoon in de openbare lichamen verblijft als:
Ingeval van gezinshereniging of gezinsvorming wordt de verblijfsvergunning ingevolge de [artikelen 5.10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.10) en [5.11 BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.11) verleend als de vreemdeling en de hoofdpersoon eenentwintig jaar of ouder zijn.
Op grond van [artikel 5.10 BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.10) en [artikel 5.12 BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.12) wordt, zolang de vreemdeling of de hoofdpersoon met meer dan één andere persoon tegelijkertijd door een huwelijk of een (al dan niet geregistreerd) partnerschap is verbonden, de verblijfsvergunning maar aan één echtgenoot, geregistreerd partner of partner tegelijkertijd verleend, en aan de uit die vreemdeling geboren (minderjarige) kinderen.
Ook als de in de openbare lichamen verblijvende hoofdpersoon met een andere man of vrouw duurzaam samenleeft, komen de wettelijke echtgenote en de eventuele gezinsleden niet voor een verblijfsvergunning in aanmerking. Als de polygame situatie is beëindigd, bijvoorbeeld door overlijden of door een echtscheiding die naar het internationaal privaatrecht van de openbare lichamen is erkend, staat de vroegere polygame situatie niet aan verlening van de verblijfsvergunning in de weg.
Op grond van [artikel 5.13 BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.13) wordt de verblijfsvergunning verleend als de vreemdeling en de hoofdpersoon samenwonen en een gemeenschappelijke huishouding voeren.
De vreemdeling en de persoon bij wie deze wil verblijven, moeten feitelijk samenwonen en een gemeenschappelijke huishouding voeren. Zij moeten ook naar buiten toe, bijvoorbeeld naar de werkgever en de zorgverzekeraar, hetzelfde adres voeren. Daarnaast moeten de vreemdeling en de persoon bij wie deze wil verblijven op hetzelfde adres in de basisadministratie persoonsgegevens staan ingeschreven.
Voor vreemdelingen die vanuit het buitenland verblijf (mvv) aanvragen, geldt dat zij direct na inreis in de openbare lichamen met hun echtgeno(o)t(e) moeten gaan samenwonen als hier bedoeld.
De verblijfsvergunning wordt op grond van [artikel 5.16 BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.16) verleend als de vreemdeling geen gevaar vormt voor de openbare orde en nationale veiligheid.
In geval van gezinshereniging of gezinsvorming wordt op grond van [artikel 5.18, onder a, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.18) juncto [artikel 5.33 BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.33), de verblijfsvergunning verleend als de hoofdpersoon duurzaam en zelfstandig beschikt over voldoende middelen van bestaan (zie hoofdstuk 3, paragraaf 1.9.3.3).
### 2.2. Vereiste bescheiden
### 2.3. Beperkingen, arbeidsmarktaantekeningen en voorschrift
### 2.3.1. Beperking
De verblijfsvergunning wordt verleend onder de beperking: ‘verblijf bij echtgeno(o)t(e) / geregistreerd partner (naam)’.
### 2.3.2. Arbeidsmarktaantekening
Op de verblijfsvergunning staat de aantekening: 'arbeid in loondienst alleen toegestaan indien werkgever beschikt over TWV’. Beroep op de publieke middelen kan gevolgen hebben voor het verblijfsrecht’.
Als [artikel 7 Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028231&artikel=7) van toepassing is, wordt de arbeidsmarktaantekening: ‘Arbeid vrij toegestaan. TWV niet vereist. Beroep op de publieke middelen kan gevolgen hebben voor het verblijfsrecht’.
### 2.3.3. Voorschrift
Aan de verblijfsvergunning wordt het voorschrift verbonden van het sluiten van een voldoende ziektekostenverzekering, met inbegrip van de kosten die zijn verbonden aan opname en verpleging in een sanatorium of een psychiatrische inrichting.
### 2.4. Geldigheidsduur
Op grond van [artikel 5.25 BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.25) wordt de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd verleend voor ten hoogste één jaar en kan de verblijfsvergunning telkens met ten hoogste één jaar worden verlengd.
### 3. Schijnhuwelijk
Een schijnhuwelijk is een huwelijk dat wordt aangegaan met als doel de nog niet of niet meer tot de openbare lichamen toegelaten buitenlandse partner een verblijfsrecht te verschaffen. Het gaat hierbij om voorgenomen huwelijken die op de openbare lichamen zullen plaatsvinden en huwelijken die in het buitenland zijn gesloten.
Huwelijken met vreemdelingen die tijdens het rechtmatig verblijf van de vreemdeling of Nederlander worden gesloten buiten de openbare lichamen moeten voordat er een verzoek tot gezinsvorming kan worden ingediend eerst ingeschreven worden in het bevolkingsregister. Bij twijfel zal de vreemdelingenpolitie worden verzocht een onderzoek in te stellen.
Als het huwelijk binnen de openbare lichamen wordt gesloten, zal het bevolkingsregister bij twijfel ook de vreemdelingenpolitie verzoeken een onderzoek te laten plaatsvinden.
Aan huwelijken gesloten binnen of buiten de openbare lichamen kunnen geen rechten voor het verkrijgen van een verblijfstitel worden ontleend. Andere criteria, zoals voldoende geldelijke middelen, moeten worden overlegd om een vergunning tot tijdelijk verblijf in het kader van gezinsvorming te verkrijgen.
### 4. Relatie
### 4.1. Verblijfsvoorwaarden
Op grond van [artikel 5.10 BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.10) wordt de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd op grond van een relatie verleend, als de vreemdeling een duurzame en exclusieve relatie onderhoudt met de in de openbare lichamen gevestigde hoofdpersoon. Van een duurzame en exclusieve relatie is sprake als de (homo- of heteroseksuele) relatie in voldoende mate met een huwelijk op één lijn is te stellen.
Het bestaan van een duurzame en een exclusieve relatie kan worden aangetoond door de ondertekening van een relatieverklaring door beide partners. Door de ondertekening van die schriftelijke verklaring verklaren de vreemdeling en de hoofdpersoon feitelijk samen te (gaan) wonen en een duurzame en exclusieve relatie te onderhouden.
Verwantschap:
Op grond van [artikel 5.10 BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.10) wordt de verblijfsvergunning verleend als de vreemdeling en de hoofdpersoon niet tot elkaar in een zodanig nauwe relatie staan dat die naar Nederlands recht een huwelijksbeletsel zou vormen.
Op grond van [artikel 5.10, onder 2, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.10) wordt de verblijfsvergunning verleend als de vreemdeling of de hoofdpersoon niet met een ander een in Nederland geregistreerd partnerschap is aangegaan of gehuwd is, tenzij het huwelijk of het geregistreerd partnerschap door wettelijke beletselen, waarop geen invloed kan worden uitgeoefend, niet is ontbonden.
Gelegaliseerde akten:
De (ongehuwde) burgerlijke staat wordt aangetoond met officiële gelegaliseerde bescheiden.
Een verklaring van ongehuwd zijn mag niet ouder zijn dan zes maanden na afgifte door de daartoe bevoegde autoriteiten. De termijn van zes maanden wordt gezien als een redelijke termijn waarbinnen men wordt geacht niet (opnieuw) in het huwelijk te zijn getreden. Uiteraard wordt een bewijs van ongehuwd zijn dat minder dan zes maanden oud is in geval van contra-indicaties niet geaccepteerd. Hierbij valt te denken aan de situatie dat een vier maanden oud bewijs van ongehuwd zijn, wordt overgelegd en een echtscheidingsakte waaruit blijkt dat een huwelijksontbinding binnen die vier maanden heeft plaatsgevonden.
De verblijfsvergunning wordt op grond van [artikel 5.11, onder a en b, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.11) verleend als de hoofdpersoon in de openbare lichamen verblijft als:
Ingeval van gezinshereniging of gezinsvorming wordt de verblijfsvergunning op grond van de [artikelen 5.10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.10) en [5.11 BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.11) verleend als de vreemdeling en de hoofdpersoon eenentwintig jaar of ouder zijn.
Op grond van [artikel 5.10 BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.10) en [artikel 5.12 BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.12) wordt, zolang de vreemdeling of de hoofdpersoon met meer dan één andere persoon tegelijkertijd door een huwelijk of een (al dan niet geregistreerd) partnerschap is verbonden, de verblijfsvergunning maar aan één echtgenoot, geregistreerd partner of partner tegelijkertijd verleend, en aan de uit die vreemdeling geboren (minderjarige) kinderen.
Ook als de in de openbare lichamen verblijvende hoofdpersoon met een andere man of vrouw duurzaam samenleeft, komen de buitenlandse partner en de eventuele gezinsleden niet voor een verblijfsvergunning in aanmerking. Als de polygame situatie is beëindigd, bijvoorbeeld door overlijden of door een echtscheiding die naar het internationaal privaatrecht van de openbare lichamen is erkend, staat de vroegere polygame situatie niet aan verlening van de verblijfsvergunning in de weg.
De vreemdeling en de persoon bij wie deze wil verblijven, moeten feitelijk samenwonen en een gemeenschappelijke huishouding voeren. Zij moeten ook naar buiten toe, bijvoorbeeld naar de werkgever en de ziektekostenverzekeraar, hetzelfde adres voeren. Daarnaast moeten de vreemdeling en de persoon bij wie deze wil verblijven op hetzelfde adres in de basisadministratie persoonsgegevens staan ingeschreven.
Voor vreemdelingen die vanuit het buitenland verblijf (mvv) aanvragen, geldt dat zij direct na inreis in de openbare lichamen met hun (huwelijks)partner moeten gaan samenwonen als hier bedoeld.
De verblijfsvergunning wordt op grond van [artikel 5.16 BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.16) verleend als de vreemdeling geen gevaar vormt voor de openbare orde of nationale veiligheid.
In geval van gezinshereniging of gezinsvorming wordt op grond van [artikel 5.18, onder a, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.18) juncto [artikel 5.33 BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.33), de verblijfsvergunning verleend als de hoofdpersoon duurzaam en zelfstandig beschikt over voldoende middelen van bestaan (zie hoofdstuk 3, paragraaf 1.9.3.3).
De in de openbare lichamen gevestigde partner ondertekent een garantstelling, waarmee hij zich garant stelt voor de kosten die voor de staat en voor andere openbare lichamen voortvloeien uit het verblijf van de buitenlandse partner en ook voor de kosten van terugkeer naar een land waar de toelating van die buitenlandse partner is gewaarborgd. De garantverklaring kan niet door een derde worden ondertekend.
### 4.2. Vereiste bescheiden
### 4.3. Beperkingen, arbeidsmarktaantekeningen en voorschrift
### 4.3.1. Beperking
De verblijfsvergunning wordt verleend onder de beperking: ‘verblijf bij partner (naam)’.
### 4.3.2. Arbeidsmarktaantekening
Op de verblijfsvergunning staat de aantekening: 'arbeid in loondienst alleen toegestaan indien werkgever beschikt over TWV’. Beroep op de publieke middelen kan gevolgen hebben voor het verblijfsrecht’.
Als [artikel 7 Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028231&artikel=7) van toepassing is, wordt de arbeidsmarktaantekening: ‘Arbeid vrij toegestaan. TWV niet vereist. Beroep op de publieke middelen kan gevolgen hebben voor het verblijfsrecht’.
### 4.3.3. Voorschrift
Aan de verblijfsvergunning wordt het voorschrift verbonden van het sluiten van een voldoende ziektekostenverzekering, met inbegrip van de kosten die zijn verbonden aan opname en verpleging in een sanatorium of een psychiatrische inrichting.
### 4.4. Geldigheidsduur
Op grond van [artikel 5.25 BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.25) wordt de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd verleend voor ten hoogste één jaar en kan de verblijfsvergunning telkens met ten hoogste één jaar worden verlengd.
### 5. Minderjarige kinderen
### 5.1. Verblijfsvoorwaarden
Op grond van [artikel 5.10, onder c, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.10) wordt de verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 5.10 BTU-BES, op aanvraag verleend aan het minderjarige biologische of juridische kind van een in de openbare lichamen gevestigde hoofdpersoon. Het kind moet wel onder het rechtmatig gezag van de hoofdpersoon staan. Daarbij geldt als voorwaarde dat het kind naar het oordeel van de Minister feitelijk behoort en al in het land van herkomst feitelijk behoorde tot het gezin van de hoofdpersoon.
Het gestelde rechtmatig gezag van de om verblijf vragende echtgenoot, geregistreerd partner of partner van de hoofdpersoon moet in beginsel met gelegaliseerde bescheiden worden aangetoond.
Als het gestelde rechtmatig gezag niet met gelegaliseerde bescheiden wordt aangetoond, wordt de aanvraag afgewezen.
Kinderen die alleen bij moeder of alleen bij vader verblijf aanvragen, terwijl de (biologische) vader of moeder in het land van herkomst achterblijft, moeten, naast de gebruikelijke voorwaarden, aan de volgende voorwaarde voldoen:
Gelegaliseerde akten:
De familierechtelijke relatie tot degene bij wie verblijf wordt beoogd, wordt door middel van officiële gelegaliseerde bescheiden aangetoond.
Op grond van [artikel 5.10, onder c, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.10) wordt de verblijfsvergunning verleend, als het kind feitelijk behoort en al in het buitenland feitelijk behoorde tot het gezin van de in de openbare lichamen wonende ouder(s) bij wie verblijf wordt beoogd. De gezinsband moet al in het buitenland hebben bestaan en het kind moet gaan samenwonen met de ouder(s).
De aanvraag wordt afgewezen, als het kind niet feitelijk behoort en al in het buitenland behoorde tot het gezin van de in de openbare lichamen wonende ouder(s) bij wie verblijf wordt beoogd.
Voor de invulling van het begrip feitelijke gezinsband in zaken waarin minderjarige biologische of juridische kinderen bij een in de openbare lichamen verblijvende ouder verblijf vragen, wordt aangesloten bij het begrip familie- en gezinsleven in de zin van artikel 8 EVRM.
Het gezinsleven tussen ouders en kinderen in de zin van artikel 8 EVRM eindigt slechts in zeer uitzonderlijke situaties. Ook als men niet samenwoont of maar heel kort heeft samengewoond, of er in een periode weinig of geheel geen contact is geweest, zijn er andere zwaarwegende feiten nodig om het gezinsleven als beëindigd te kunnen beschouwen. Alleen de ondertoezichtstelling of uithuisplaatsing van het kind beëindigt bijvoorbeeld niet het gezinsleven.
Als sprake is van gezinsleven in de zin van artikel 8 EVRM wordt aangenomen dat een biologisch of juridisch kind feitelijk behoort en al in het buitenland behoorde tot het gezin van de ouder(s).
Als sprake is van één of meer van de volgende genoemde omstandigheden wordt, in uitzondering op het bovenstaande, aangenomen dat een kind niet langer feitelijk behoort tot het gezin van de ouder(s):
Als het kind zelf de zorg heeft voor afhankelijke gezinsleden, onder wie (buitenechtelijke) kinderen, is dit alleen een reden om aan te nemen dat het niet langer feitelijk behoort tot het gezin van de ouder(s), als daarnaast sprake is van één van de eerste twee hiervóór genoemde omstandigheden.
Met de genoemde uitzonderingsgevallen is duidelijk gemaakt dat er omstandigheden kunnen zijn, waarin geoordeeld kan worden dat het kind niet (meer) feitelijk behoort tot het gezin van de ouder(s). In de eerste twee genoemde omstandigheden kan worden aangenomen dat het kind een zekere mate van zelfstandigheid heeft bereikt. In deze gevallen komt aan de handhaving van een restrictief vreemdelingenbeleid meer gewicht toe dan aan het individuele belang van het kind om alsnog bij zijn ouder(s) in de openbare lichamen te verblijven. De zorg voor afhankelijke gezinsleden, onder wie (buitenechtelijke) kinderen, kan uitsluitend tot het oordeel leiden dat het kind niet feitelijk behoort tot het gezin van de ouder(s), als het kind daarnaast zelfstandig woont en in eigen onderhoud voorziet, óf door het aangaan van een huwelijk of een relatie een zelfstandig gezin heeft gevormd.
Op grond van [artikel 5.11 BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.11) wordt de verblijfsvergunning verleend, als de hoofdpersoon in de openbare lichamen verblijft als:
Als de referent met meer dan één andere persoon tegelijkertijd door een huwelijk of (geregistreerd) partnerschap is verbonden, wordt op grond van [artikel 5.12 BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.12) geen verblijfsvergunning verleend aan het minderjarige biologische of juridische kind van de referent als:
Op grond van [artikel 5.13 BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.13) wordt de verblijfsvergunning verleend als het minderjarige kind en de hoofdpersoon (gaan) samenwonen.
De verblijfsvergunning wordt op grond van [artikel 5.16 BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.16) verleend als de vreemdeling geen gevaar vormt voor de openbare orde en nationale veiligheid.
De verblijfsvergunning wordt op grond van [artikel 5.18, onder a, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.18) verleend als de hoofdpersoon duurzaam en zelfstandig beschikt over voldoende middelen van bestaan (zie hoofdstuk 3, paragraaf 1.9.3.3).
Als de hoofdpersoon (de biologische of juridische ouder bij wie de vreemdeling verblijf beoogt) een naar Nederlands internationaal privaatrecht geldig huwelijk of een in Nederland geregistreerd partnerschap is aangegaan, dan wel een relatie onderhoudt in de zin van artikel [5.10, aanhef en onder b, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.10) met een persoon die houder is van een verblijfsvergunning, dan wel Nederlander is, kan het duurzame, zelfstandig verworven bruto-inkomen van die persoon – mits deze samenwoont met de hoofdpersoon – worden meegeteld bij de berekening van de bestaansmiddelen.
Daarbij geldt als aanvullende voorwaarde dat, tenzij de bovenbedoelde partner, geregistreerde partner of huwelijkspartner biologisch of juridisch ouder van de vreemdeling is, deze een garantstelling moet hebben ondertekend.
### 5.2. Vereiste bescheiden
### 5.3. Kinderen geboren uit rechtmatig verblijvende ouders
Voor kinderen die in de openbare lichamen zijn geboren uit niet-Nederlandse ouders van wie ten minste één houder is van een verblijfsvergunning voor (on)bepaalde tijd, is er een bijzondere regeling.
### 5.3.1. In de openbare lichamen geboren kinderen
De verblijfsvergunning wordt verleend aan het in de openbare lichamen geboren kind, als:
De aanvraag wordt niet afgewezen wegens het ontbreken van een geldig mvv of het ontbreken van voldoende middelen van bestaan. De aanvraag wordt ook niet afgewezen wegens het niet bereid zijn een onderzoek naar of behandeling voor TBC te ondergaan en daaraan mee te werken.
### 5.3.2. Vereiste bescheiden
### 5.4. Beperkingen, arbeidsmarktaantekeningen en voorschrift
### 5.4.1. Beperking
De verblijfsvergunning wordt verleend onder de beperking: ‘gezinshereniging bij (naam ouder(s))’.
### 5.4.2. Arbeidsmarktaantekening
Op de verblijfsvergunning staat de aantekening: 'arbeid in loondienst alleen toegestaan indien werkgever beschikt over TWV’. Beroep op de publieke middelen kan gevolgen hebben voor het verblijfsrecht’.
Bovengenoemde arbeidsmarktaantekening staat niet in de weg dat bij andere wetten beperkingen ten aanzien van het verrichten van arbeid door minderjarigen gesteld worden.
### 5.4.3. Voorschrift
Aan de verblijfsvergunning wordt het voorschrift verbonden van het sluiten van een voldoende ziektekostenverzekering, met inbegrip van de kosten die zijn verbonden aan opname en verpleging in een sanatorium of een psychiatrische inrichting.
### 5.5. Geldigheidsduur
In afwijking van [artikel 5.25 BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.25) kan op grond van [artikel 5.26 BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.26) de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd onder een beperking verband houdend met gezinshereniging als minderjarige worden verleend voor de duur van ten hoogste:
### 6. Verruimde gezinshereniging
De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd in het kader van verruimde gezinshereniging kan, op grond van [artikel 5.9, lid 2, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.9), op aanvraag worden verleend aan vreemdelingen van 65 jaar of ouder die in de openbare lichamen willen verblijven bij hun kind(eren). Het gaat hier dus om ouders op leeftijd, die bij een volwassen kind willen komen wonen.
De familierechtelijke relatie moet worden aangetoond met officiële gelegaliseerde documenten.
Verder wordt de eis gesteld dat achterlating van de persoon die om toelating verzoekt een onevenredige hardheid oplevert.
### 6.1. Bijzondere vereisten voor toelating
De bijzondere vereisten voor toelating zijn de volgende:
De verblijfsvergunning wordt verleend, als de in de openbare lichamen verblijvende kinderen in de openbare lichamen verblijven als:
De verblijfsvergunning wordt niet verleend als één van de kinderen niet duurzaam beschikt of de kinderen niet duurzaam beschikken over voldoende middelen van bestaan (zie hoofdstuk 3, paragraaf 1.9.3.3).
### 6.2. Vereiste bescheiden
### 6.3. Beperkingen, arbeidsmarktaantekeningen en voorschrift
### 6.3.1. Beperking
De verblijfsvergunning wordt verleend onder de beperking: ‘verruimde gezinshereniging bij (naam gezinslid)’.
### 6.3.2. Arbeidsmarktaantekening
Op de verblijfsvergunning staat de aantekening: ‘arbeid in loondienst alleen toegestaan indien werkgever beschikt over TWV’. Beroep op de publieke middelen kan gevolgen hebben voor het verblijfsrecht’.
### 6.3.3. Voorschrift
Aan de verblijfsvergunning wordt het voorschrift verbonden van het sluiten van een voldoende ziektekostenverzekering, met inbegrip van de kosten die zijn verbonden aan opname en verpleging in een sanatorium of een psychiatrische inrichting.
### 6.4. Geldigheidsduur
Op grond van [artikel 5.25 BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.25) wordt de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd verleend voor ten hoogste één jaar en kan de verblijfsvergunning telkens met ten hoogste één jaar worden verlengd.
### 7. Artikel 8 EVRM
### 7.1. Familie- of gezinsleven
In de volgende gevallen is in ieder geval sprake van familie- of gezinsleven als bedoeld in artikel 8 EVRM:
In de volgende gevallen kan ook sprake zijn van familie- of gezinsleven als bedoeld in artikel 8 EVRM:
Het familie- of gezinsleven tussen (geregistreerde en huwelijks)partners eindigt met de feitelijke verbreking van de (huwelijkse) relatie.
### 7.2. Inmenging
Inmenging op het familie- en gezinsleven, dan wel het privé-leven wordt aangenomen, als de vreemdeling:
### 7.3. Belangenafweging
Om te kunnen bepalen of weigering van (voortzetting van) het verblijf van de vreemdeling in strijd is met artikel 8 EVRM, moeten alle relevante feiten en omstandigheden van het geval worden bekeken en tot uitdrukking worden gebracht in een belangenafweging. Welke belangen bij de belangenafweging moeten worden betrokken, hangt af van de concrete individuele casus. Van belang is dat het altijd gaat om de feitelijke situatie in het individuele geval, die per casus zal verschillen. Aangezien het gaat om de beoordeling en afweging van diverse belangen van verschillende aard, komt in beide gevallen aan de overheid een zekere beoordelingsvrijheid (a certain margin of appreciation) toe.
De uitgangspositie van de belangenafweging wordt mede bepaald door de omstandigheid of sprake is van inmenging. Bij de weigering van voortgezet verblijf is de uitgangspositie van de vreemdeling sterker dan bij eerste toelating van vreemdelingen tot de openbare lichamen. De omstandigheid dat nooit sprake is geweest van rechtmatig verblijf zal ten nadele van de vreemdeling worden betrokken bij deze belangenafweging.
Ook als er geen sprake is van inmenging moet er een belangenafweging tussen de belangen van de Staat en die van de vreemdeling plaatsvinden.
### 7.4. Beperkingen, arbeidsmarktaantekeningen en voorschrift
### 7.4.1. Beperking
De verblijfsvergunning wordt verleend onder de beperking: ‘uitoefenen van het gezinsleven conform artikel 8 EVRM bij (naam)’.
Als het verblijfsrecht van de persoon bij wie de vreemdeling wil verblijven, tijdelijk van aard is, is het verblijfsrecht van de vreemdeling ook tijdelijk van aard.
Als het verblijf wordt verleend op grond van de pogingen van de vreemdeling om aan het gezinsleven met zijn kind invulling te gaan geven, is het verblijfsrecht altijd tijdelijk van aard.
### 7.4.2. Arbeidsmarktaantekening
Op de verblijfsvergunning staat de aantekening: ‘arbeid in loondienst alleen toegestaan indien werkgever beschikt over TWV’. Beroep op de publieke middelen kan gevolgen hebben voor het verblijfsrecht’.
Als [artikel 7 Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028231&artikel=7) van toepassing is, wordt de arbeidsmarktaantekening: ‘Arbeid vrij toegestaan. TWV niet vereist. Beroep op de publieke middelen kan gevolgen hebben voor het verblijfsrecht’.
### 7.5. Geldigheidsduur
Op grond van [artikel 5.25 BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.25) wordt de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd verleend voor ten hoogste één jaar en kan de verblijfsvergunning telkens met ten hoogste één jaar worden verlengd.
### Hoofdstuk 12. Buitenlandse adoptiekinderen en buitenlandse pleegkinderen
### 1. Inleiding
Het verschil tussen buitenlandse adoptiekinderen en buitenlandse pleegkinderen is een juridisch verschil.
Bij buitenlandse adoptie gaat het om een minderjarig kind van niet-Nederlandse nationaliteit, dat niet in de openbare lichamen is geboren en dat, als gevolg van een erkende buitenlandse adoptiebeslissing, geldt als kind van de adoptanten. Dit betekent dat de banden tussen de biologische ouders en het adoptiekind ophouden te bestaan, dat zij afstand hebben gedaan van het kind en dat de adoptiefouders in familierechtelijke band komen te staan tot dat kind. Het gaat ook om een permanente situatie.
Buitenlandse pleegkinderen zijn minderjarige kinderen die om welke reden dan ook thuis (in het buitenland) niet meer kunnen opgroeien en in een pleeggezin worden geplaatst waarbij de pleegouders feitelijk de verzorging over de kinderen van de ouders overnemen, maar niet juridisch de ouders van het kind worden.
### 2. Adoptiekinderen
**Gereserveerd**
### 3. Buitenlandse pleegkinderen
### 3.1. Verblijfsvoorwaarden
In aanvulling op de algemene voorwaarden voor verblijf gelden voor de verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd voor verblijf als pleegkind de volgende cumulatieve voorwaarden:
Verblijf kan alleen worden verleend wanneer de verblijfgever de grootouder, broer, zuster, oom of tante van het pleegkind is.
Het is niet mogelijk een vast kader te geven wanneer wel of geen sprake is van een onaanvaardbare toekomst in het land van herkomst. Bij elke aanvraag wordt gekeken naar de individuele omstandigheden van het kind. Hierbij wordt gekeken naar de omstandigheden waaronder het kind leeft in het land van herkomst en de omstandigheden waaronder kinderen in vergelijkbare situaties in dat land leven.
Zo zijn factoren als armoede, alleenstaande ouders en werkloosheid op zichzelf geen factoren die van belang zijn bij de beslissing of een minderjarige wel of niet als pleegkind naar de openbare lichamen kan komen. Dit kunnen omstandigheden zijn die voor vele gezinnen met kinderen of alleenstaande ouders met kinderen gelden.
Wanneer deze omstandigheden er echter voor zorgen dat het kind, in vergelijking met andere kinderen van dezelfde leeftijd in dat land, wordt uitgesloten van zaken als bijvoorbeeld onderwijs en medische zorg en daardoor niet in staat zal zijn voor zichzelf een goede toekomst op te bouwen, dan wegen deze factoren, voor dat specifieke kind, anders.
De aspirant pleegouders overleggen een schriftelijke motivering van de bijzondere omstandigheden van het kind of die van de familieleden in het land van herkomst, waaruit blijkt dat het kind niet of bezwaarlijk kan worden verzorgd door de ouders of familieleden die in het land van herkomst wonen al dan niet met (financiële) steun van familieleden die in de openbare lichamen verblijven.
Zo nodig wint de Minister van Justitie aanvullende gegevens in bij de Voogdijraad over de geschiktheid van de aspirant pleegouders voor de verzorging en opvoeding van het kind.
De aanvraag wordt afgewezen als uit de medische verklaring met betrekking tot het buitenlandse pleegkind niet blijkt dat in redelijkheid niet valt aan te nemen dat het kind lijdt aan een gevaarlijke besmettelijke of langdurige lichamelijke of geestelijke ziekte.
Dit vereiste zal er echter niet toe leiden dat een gehandicapt kind niet zou kunnen worden opgenomen. De Voogdijraad doet hier een uitspraak over.
Uit de medische verklaring moet blijken dat het kind is getest op TBC. Een onderzoek op TBC is verplicht, tenzij het kind de nationaliteit bezit van een van de bij ministeriële regeling vast te stellen landen die zijn vrijgesteld van de verplichting een TBC onderzoek te ondergaan.
Wanneer dit niet uit de medische verklaring blijkt, moet het kind (in de openbare lichamen) alsnog een TBC onderzoek ondergaan. Alleen wanneer niet aan dit onderzoek wordt meegewerkt of wanneer het kind weigert mee te werken aan de behandeling van TBC aan de ademhalingsorganen, wordt de aanvraag met toepassing van [artikel WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571) afgewezen.
De aanvraag wordt afgewezen als niet door middel van officiële gelegaliseerde documenten wordt aangetoond dat de ouder(s) of wettelijke vertegenwoordiger, of (indien zij zijn overleden of een onbekende verblijfplaats hebben) de autoriteiten in het land van herkomst instemmen met het verblijf van het kind in het gezin van de aspirant-pleegouders. Alleen als het recht van het land van herkomst dit vereist, is naast instemming van de ouder(s) of de wettelijke vertegenwoordiger ook instemming van de autoriteiten van het land van herkomst vereist.
De pleegouders moeten ook het wettelijk gezag over de minderjarige (tijdelijk) aan de aspirant pleegouders overdragen. Per land moet onderzocht te worden of dit kan via een notariële verklaring of dat de ouders hiervoor een rechterlijke uitspraak nodig hebben.
De ouders verliezen niet het ouderlijk gezag over het kind.
De verblijfsvergunning wordt niet verleend als de aspirant-pleegouders niet beschikken over voldoende middelen van bestaan.
Als het familielid bij wie de vreemdeling verblijf beoogt een echtgenoot of partner heeft, kan het inkomen van die persoon worden meegeteld bij de berekening van het gezinsinkomen. Als aanvullende voorwaarde geldt dan dat ondertekening van de garantverklaring, bedoeld in artikel [art. 3.9 lid 1 onder c BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=3.9) geschiedt door de hoofdpersoon en bedoelde partner.
### 3.2. Vereiste bescheiden
### 3.3. Beperking, arbeidsmarktaantekening en voorschrift
### 3.3.1. Beperking
De verblijfsvergunning voor verblijf als buitenlands pleegkind wordt verleend onder de beperking ‘Verblijf bij ............. (naam pleegouder)’.
### 3.3.2. Arbeidsmarktaantekening
Op de verblijfsvergunning staat de aantekening: ‘arbeid is niet toegestaan’.
### 3.3.3. Voorschrift
Aan de verblijfsvergunning wordt als voorschrift verbonden voldoende verzekerd te zijn tegen ziektekosten, met inbegrip van kosten verbonden aan opname en verpleging in een sanatorium of een psychiatrische inrichting.
### 3.4. Geldigheidsduur
De verblijfsvergunning krijgt dezelfde geldigheidsduur als de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd van de hoofdpersoon. Als de hoofdpersoon een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd heeft of Nederlander is, bedraagt de geldigheidsduur vijf jaren.
Als de vreemdeling niet beschikt over een geldig document voor grensoverschrijding wordt dat niet tegengeworpen.
### Hoofdstuk 13. Wedertoelating
### 1. Inleiding
Op grond van [artikel 5.2 lid 1 onder g, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.2) kan aan een oud-Nederlander verblijf verleend worden in het kader van wedertoelating tot de openbare lichamen.
Voor wedertoelating komen, onder voorwaarden, in aanmerking:
### 2. Oud-Nederlanders
### 2.1. Algemeen
Als oud-Nederlanders kunnen in ieder geval worden aangemerkt:
Verder kan onderscheid gemaakt worden tussen Nederlanders die in of buiten de openbare lichamen zijn geboren en getogen.
### 2.2. Oud-Nederlanders die geboren en getogen zijn in de openbare lichamen
### 2.2.1. Verblijfsvoorwaarden
Ten aanzien van de oud-Nederlanders die in de openbare lichamen zijn geboren en getogen, geldt dat zij, op grond van het feit dat zij in die periode als Nederlander in de openbare lichamen hebben verbleven, geacht worden zodanig sterke banden met de openbare lichamen te hebben opgebouwd en na hun vertrek uit de openbare lichamen te hebben behouden, dat zij met voorbijgaan aan een aantal algemene voorwaarden in aanmerking kunnen komen voor verblijf in de openbare lichamen.
Tegen het verblijf van de vreemdeling mag **geen** bezwaar bestaan uit oogpunt van openbare orde of nationale veiligheid.
### 2.2.2. Vereiste bescheiden
### 2.3. Oud-Nederlanders die geboren en getogen zijn buiten de openbare lichamen
### 2.3.1. Algemeen
De meerderjarige oud-Nederlander die buiten de openbare lichamen is geboren en die woont in een ander land dan dat waarvan hij onderdaan is, kan in aanmerking komen voor verblijf in de openbare lichamen, als er naar het oordeel van de Minister sprake is van bijzondere banden met de openbare lichamen.
De ouders zijn beiden geboren en getogen op Saba en in het bezit van de Nederlandse nationaliteit. De ouders verhuizen naar Venezuela alwaar hun kinderen zijn geboren. De kinderen hadden bij geboorte de Nederlandse nationaliteit. De ouders en de kinderen verkrijgen na verloop van tijd de Venezolaanse nationaliteit en verliezen daarbij de Nederlandse nationaliteit. Een van de kinderen verblijft inmiddels in Colombia en verzoekt nu om wedertoelating tot Saba op grond van het feit dat hij oud-Nederlander is.
### 2.3.2. Verblijfsvoorwaarden
### 2.3.3. Vereiste bescheiden
### 3. Oud-Nederlanders ([artikel 15, eerste lid, aanhef onder d of f, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15))
### 3.1. Algemeen
Aan de meerderjarige vreemdeling die het Nederlanderschap heeft verloren, omdat hij na de totstandkoming van zijn naturalisatie of optie heeft nagelaten al het mogelijke te doen om zijn oorspronkelijke nationaliteit te verliezen, kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd of onbepaalde tijd worden verleend.
### 3.2. Verblijfsvoorwaarden voor een vergunning voor bepaalde tijd
De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd kan worden verleend aan de vreemdeling die:
### 3.3. Verblijfsvoorwaarden voor een vergunning voor onbepaalde tijd
De verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd kan worden verleend aan de vreemdeling die:
Het gevaar voor de openbare orde wordt beoordeeld aan de hand van de maatstaven die zijn aangelegd voor verblijfsbeëindiging. Bij de vaststelling van de verblijfsduur wordt mede betrokken de periode waarin de vreemdeling als Nederlander in de openbare lichamen heeft verbleven. Onder strafmaat wordt verstaan de totale duur van de vrijheidsbenemende straffen of maatregelen, met inbegrip van die welke bij al dan niet onherroepelijk geworden uitspraak zijn opgelegd in de periode waarin de vreemdeling het Nederlanderschap bezat en in de periode na het verlies van het Nederlanderschap.
### 3.4. Vereiste bescheiden
Bij de aanvraag om een verblijfsvergunning voor bepaalde- of onbepaalde tijd moet de vreemdeling de volgende bescheiden overleggen:
### 4. Oud-Nederlanders ([artikel 15, eerste lid, aanhef onder b, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15))
### 4.1. Verblijfsvoorwaarden
Verblijf kan worden verleend aan de vreemdeling:
Het gaat hier om een vrijwillige handeling. De vreemdeling realiseert zich dat hij toch niet zijn oorspronkelijke wil verliezen en kiest er daarom zelf voor om afstand te doen van de Nederlandse nationaliteit, voordat hij hiertoe wordt gedwongen. De vreemdeling moet binnen twee jaar nadat hij de verklaring van afstand heeft afgelegd een aanvraag om een verblijfsvergunning indienen.
Het gaat hier om een vrijwillige handeling. De vreemdeling remigreert op grond van de remigratiewet naar het land van herkomst. Om in aanmerking te komen voor deze regelgeving moet de vreemdeling afstand doen van de Nederlandse nationaliteit. De vreemdeling moet binnen één jaar nadat hij de verklaring van afstand heeft afgelegd een aanvraag om een verblijfsvergunning indienen.
### 4.2. Vereiste bescheiden
### 5. Beperking, arbeidsmarktaantekening en voorschrift
### 5.1. Beperking
De genoemde verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt aan de oud-Nederlanders verleend onder de beperking ‘wedertoelating’.
### 5.2. Arbeidsmarktaantekening
Op de verblijfsvergunning staat de aantekening: 'arbeid in loondienst alleen toegestaan indien werkgever beschikt over TWV’.
Als [artikel 7 Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028231&artikel=7) van toepassing is, wordt de arbeidsmarktaantekening: ‘Arbeid vrij toegestaan. TWV niet vereist’.
### 5.3. Voorschrift
Aan de verlening van de verblijfsvergunning is als voorschrift verbonden de verplichting voldoende verzekerd te zijn tegen ziektekosten met inbegrip van de kosten aan opname of verpleging in een sanatorium of psychiatrische inrichting (zie [artikel 5.4, eerste lid, aanhef en onder c, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.4)).
### 6. Geldigheidsduur
De verblijfsvergunning is geldig voor de duur van vijf jaar ([art. 6, tweede lid, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=6) en [art. 5.28 BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.28)).
### 7. Verlenging en intrekking van de verblijfsvergunning
### 7.1. Verlenging
De aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘wedertoelating’ wordt niet afgewezen om de reden dat niet meer wordt voldaan aan de beperking waaronder de vergunning is verleend.
### 7.2. Intrekking
Gegeven de aard van de toelatingsgrond – een periode van eerder verblijf in Nederland – zal het zich niet voordoen dat de verblijfsvergunning die is verleend onder de beperking ‘wedertoelating’ kan worden ingetrokken, omdat niet meer wordt voldaan aan de beperking. Wel is het uiteraard mogelijk dat er onjuiste gegevens zijn verstrekt, die hebben geleid tot de verlening van de verblijfsvergunning. Verblijfsbeëindiging om die reden is niet uitgesloten.
### 8. Verblijfsvergunning in afwachting van verzoek ex [artikel 17 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=17)
Aan personen die een verzoek als bedoeld in [artikel 17 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=17) hebben ingediend tot vaststelling van het Nederlanderschap kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd worden verleend.
### 8.1. Verblijfsvoorwaarden
De verblijfsvergunning kan worden verleend aan de persoon die bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba een verzoek, als bedoeld in [artikel 17 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=17), heeft ingediend, als:
De beoordeling van de vraag of het verzoek ex [artikel 17 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=17) klaarblijkelijk van elke grond is ontbloot, en de beslissing of de persoon hangende de beslissing op dat verzoek als vreemdeling uit de openbare lichamen zal worden verwijderd, geschiedt uitsluitend bij de IND unit Caribisch Nederland.
### 8.2. Vereiste bescheiden
### 8.3. Beperking, arbeidsmarktaantekening en voorschrift
### 8.3.1. Beperking
De verblijfsvergunning wordt verleend onder de beperking ‘in afwachting verzoek ex [artikel 17 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=17)’.
### 8.3.2. Arbeidsmarktaantekening
Op de verblijfsvergunning staat de aantekening: 'arbeid in loondienst alleen toegestaan indien werkgever beschikt over TWV’.
Als [artikel 7 Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028231&artikel=7) van toepassing is, wordt de arbeidsmarktaantekening: ‘Arbeid vrij toegestaan. TWV niet vereist.
### 8.3.3. Voorschrift
Aan de verlening van de verblijfsvergunning is als voorschrift verbonden de verplichting voldoende verzekerd te zijn tegen ziektekosten met inbegrip van de kosten aan opname of verpleging in een sanatorium of psychiatrische inrichting (zie [artikel 5.4, eerste lid, aanhef en onder c, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.4)).
### 8.4. Geldigheidsduur van de verblijfsvergunning
De verblijfsvergunning wordt verleend met een geldigheidsduur van ten hoogste een jaar of zoveel korter als het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba uitspraak zal doen.
### 8.5. Aard van het verblijfsrecht
Het verblijfsrecht is tijdelijk van aard. De houder van deze vergunning komt daarom niet in aanmerking voor naturalisatie of optie op grond van deze verblijfsvergunning.
### 8.6. Verlenging geldigheidsduur van de verblijfsvergunning
### 8.6.1. Verblijfsvoorwaarden
Nadat het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba een negatieve uitspraak heeft gedaan op het verzoek ex [artikel 17 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=17), wordt de aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning niet afgewezen om de enkele reden dat niet meer wordt voldaan aan de beperking waaronder de vergunning is verleend, als:
### 8.6.2. Vereiste bescheiden
Als het openbare orde criterium wordt tegengeworpen, wordt de vreemdeling niet uitgezet, zolang niet is beslist op de procedure ex [artikel 17 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=17). De vreemdeling overlegt in ieder geval een volledig afschrift van het cassatieberoepschrift.
### 8.6.3. Geldigheidsduur
De geldigheidsduur van de vergunning kan worden verlengd met maximaal een jaar of zoveel korter als de Hoge Raad uitspraak zal doen.
### Hoofdstuk 14. Mensenhandel
### 1. Inleiding
In deze paragraaf wordt het rechtmatige verblijf van slachtoffer- en getuige-aangevers en slachtoffers die op andere wijze medewerking verlenen aan het opsporings- of vervolgingsonderzoek van mensenhandel voorafgaande aan de aangifte en gedurende de periode van opsporing, vervolging en berechting in feitelijke aanleg na aangifte van mensenhandel geregeld.
Mensenhandel is een grove schending van de rechten van de mens en een ernstig misdrijf. Het delict is strafbaar gesteld in [artikel 286f van het Wetboek van Strafrecht BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028570&artikel=286f). Dit artikel ziet op mensenhandel in het algemeen, daaraan gerelateerde vormen van uitbuiting en het trekken van profijt daaruit.
Hoewel het merendeel van de slachtoffers van mensenhandel vrouw is, is in dit hoofdstuk afgezien van het hanteren van de meer gangbare term ‘vrouwenhandel’. Dit om eventuele verwarring te voorkomen, omdat ook mannelijke en minderjarige slachtoffers een beroep kunnen doen op de procedure die in dit hoofdstuk is beschreven.
Voor zowel het opsporings- als het vervolgingsonderzoek is van groot belang dat zowel slachtoffers die aangifte doen of op andere wijze medewerking verlenen aan het opsporings- of vervolgingsonderzoek, als getuigen die aangifte doen, gedurende langere tijd ter beschikking blijven van het OM om de bewijsvorming te kunnen afronden. Dit rechtvaardigt het verlenen van een tijdelijke verblijfsvergunning.
Mensenhandel is gericht op uitbuiting. Bij de strafbaarstelling van mensenhandel staat het belang van het individu steeds voorop. Dat belang is het behoud van zijn of haar lichamelijke en geestelijke integriteit en persoonlijke vrijheid.
Het begrip mensenhandel bevat de volgende elementen:
Het behandelen met respect van het slachtoffer en van de getuige-aangever die aangifte doet, maakt daarvan onderdeel uit. Evenals het garanderen van de veiligheid van slachtoffers en het beschermen van de rechten van de slachtoffers en getuige-aangevers van mensenhandel.
In dit hoofdstuk wordt uiteengezet onder welke voorwaarden de verblijfsvergunning in het kader van mensenhandel kan worden verleend.
### 2. Slachtoffer mensenhandel
### 2.1. Verblijfsvoorwaarden slachtoffer mensenhandel
De verblijfsvergunning, bedoeld in [artikel 7 WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=7), kan onder een beperking verband houdend met de vervolging van mensenhandel worden verleend, als aan de volgende voorwaarden is voldaan:
Zodra de strafzaak door het OM wordt geseponeerd of tegen de uitspraak van de rechtbank in het proces tegen de verdachte geen beroep is ingesteld dan wel het gerechtshof uitspraak heeft gedaan, komt de grond aan de verblijfsvergunning als bedoeld in deze paragraaf te ontvallen.
In afwijking van de algemene voorwaarden genoemd in [artikel 9 WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=9) wordt de aanvraag niet afgewezen:
De vreemdeling die een aanvraag om een verblijfsvergunning indient wegens verblijf als slachtoffers van mensenhandel is vrijgesteld van het betalen van leges.
Kinderen van het slachtoffer van mensenhandel die een mvv-aanvraag in het kader van gezinshereniging indienen, zijn eveneens vrijgesteld van het betalen van leges.
### 2.2. Vereiste bescheiden
### 3. Getuige-aangever
### 3.1. Verblijfsvoorwaarden getuige-aangever
De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in [artikel 7 WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=7), kan onder een beperking verband houdend met de vervolging van mensenhandel worden verleend, als:
Getuige-aangevers zijn vreemdelingen die niet zelf slachtoffer zijn van mensenhandel maar hier wel getuige van zijn geweest. Getuige-aangevers kunnen vreemdelingen zijn die zelf werkzaam zijn in dezelfde sector als het slachtoffer. Tevens kunnen het personen zijn, die werkzaam zijn buiten deze sector en die kennis dragen van mensenhandel. Alleen de getuige-aangevers die geen geldige verblijfstitel hebben in de openbare lichamen kunnen rechten ontlenen aan de in deze paragraaf omschreven procedure.
De aanvraag wordt niet afgewezen:
De getuige-aangever van mensenhandel is vrijgesteld van het betalen van leges voor het indienen van een verblijfsvergunning verband houdend met mensenhandel.
De vreemdeling kan een aanvraag om een verblijfsvergunning verband houdend met mensenhandel indienen bij de IND unit Caribisch Nederland.
De IND unit Caribisch Nederland neemt naar aanleiding van de aanvraag om een verblijfsvergunning contact op met het OM. Wat de getuige-aangevers betreft is de stem van het OM doorslaggevend of een verblijfsvergunning zal worden verstrekt of niet. Criterium is hierbij de vraag of de aanwezigheid van de getuige-aangever in de openbare lichamen gewenst is voor het opsporings- en vervolgingsonderzoek tegen de verdachte.
### 3.2. Vereiste bescheiden
### 4. De beslissing
### 4.1. Beslissing op de aanvraag
Ten aanzien van de termijn waarbinnen op de aanvraag dient te worden beslist, wordt onderscheid gemaakt of het een aanvraag van een slachtoffer of van een getuige-aangever betreft. Op de aanvraag van een slachtoffer dient – onvoorziene omstandigheden daargelaten – binnen 24 uur nadat de aanvraag is ingediend te worden beslist. Bij een aanvraag van een getuige-aangever is het praktisch niet haalbaar binnen een dergelijke termijn te beslissen. Dit in verband met het verplicht consulteren van het OM, voordat op de aanvraag kan worden beslist.
De IND unit Caribisch Nederland stelt de politie in kennis van de beslissing op de aanvraag om een verblijfsvergunning.
### 4.2. Beperking, arbeidsmarktaantekening en voorschrift
### 4.2.1. Beperking
De genoemde verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt verleend onder de beperking als genoemd in [hoofdstuk 14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028837&hoofdstuk=14&z=2010-10-08&g=2010-10-08) van de CTU-BES.
Op het verblijfsdocument zal evenwel worden vermeld ‘beperking conform beschikking Minister’
### 4.2.2. Arbeidsmarktaantekening
Bij de verlening wordt de arbeidsmarktaantekening gesteld: ‘Arbeid vrij toegestaan. TWV niet vereist’.
### 4.2.3. Voorschrift
Aan de verlening van de verblijfsvergunning wordt het voorschrift verbonden dat de vreemdeling voldoet aan de verplichting voldoende verzekerd te zijn tegen ziektekosten met inbegrip van de kosten verbonden aan opname en verpleging in een sanatorium of psychiatrische inrichting (zie [artikel 5.4, eerste lid, aanhef en onder c, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.4)).
### 5. Geldigheidsduur
### 5.1. Slachtoffer
De verblijfsvergunning wordt in beginsel voor een periode van één jaar verleend. De verblijfsvergunning is geldig zolang er sprake is van een strafrechtelijk opsporings- of vervolgingsonderzoek naar of berechting in feitelijke aanleg van de verdachte van het strafbare feit waarvan aangifte is gedaan of waaraan op andere wijze medewerking is verleend.
Zodra de strafzaak door het OM wordt geseponeerd of tegen de uitspraak van de rechtbank in het proces tegen de verdachte geen beroep is ingesteld dan wel het gerechtshof uitspraak heeft gedaan en hiertegen geen beroep in cassatie is ingesteld, komt de grond aan de verblijfsvergunning verband houdend met de vervolging van mensenhandel te ontvallen. Het OM doet hiervan melding aan de IND unit Caribisch Nederland, alsmede aan het slachtoffer van mensenhandel.
De IND unit Caribisch Nederland trekt de verblijfsvergunning vervolgens in.
### 5.2. Getuige-aangever
De verblijfsvergunning wordt in beginsel voor de periode van één jaar verleend. De verblijfsvergunning is geldig zolang het OM de aanwezigheid van de vreemdeling in de openbare lichamen noodzakelijk acht.
Zodra het OM de aanwezigheid van de vreemdeling in de openbare lichamen niet langer noodzakelijk acht, komt de grond aan de verblijfsvergunning verband houdend met mensenhandel te ontvallen. Het OM doet hiervan melding aan de IND unit Caribisch Nederland en aan de getuige-aangever.
De IND unit Caribisch Nederland trekt de verblijfsvergunning vervolgens in.
Het bovenstaande geldt ook als de strafzaak door het OM wordt geseponeerd of tegen de uitspraak van de rechtbank in het proces tegen de verdachte geen beroep is ingesteld dan wel het gerechtshof uitspraak heeft gedaan. Het OM doet hiervan melding aan de IND BES unit, alsmede aan de getuige-aangever van mensenhandel.
### 6. Verlenging
### 6.1. Verblijfsvoorwaarden slachtoffermensenhandel
De geldigheidsduur van de verblijfsvergunning van het slachtoffer kan worden verlengd zolang er sprake is van een strafrechtelijk opsporings- of vervolgingsonderzoek naar of berechting in feitelijke aanleg van de verdachte van het strafbare feit ter zake waarvan aangifte is gedaan of waaraan op andere wijze medewerking is verleend.
De geldigheid van de verblijfsvergunning wordt niet verlengd als er geen sprake meer is van een strafrechtelijk opsporings- of vervolgingsonderzoek naar of berechting in feitelijke aanleg van de verdachte van het strafbare feit ter zake waarvan aangifte is gedaan of waaraan op andere wijze medewerking is verleend.
Bij de beoordeling van de verlengingsaanvraag moet de IND unit Caribisch Nederland bij het OM na gaan of er nog sprake is van een strafrechtelijk opsporings- of vervolgingsonderzoek dan wel of de berechting in feitelijke aanleg van de verdachte heeft plaatsgevonden.
### 6.2. Verblijfsvoorwaarden getuige-aangever
De geldigheidsduur van de verblijfsvergunning van de getuige-aangever kan worden verlengd zolang er sprake is van een strafrechtelijk opsporings- en vervolgingsonderzoek naar of berechting in feitelijke aanleg van de verdachte van het strafbare feit waarvan aangifte is gedaan. Hierbij is van belang dat het OM de aanwezigheid van de vreemdeling in de openbare lichamen noodzakelijk acht. Als het OM de aanwezigheid van de vreemdeling in de openbare lichamen niet van belang acht, wordt de aanvraag om verlenging afgewezen.
### 6.3. Vereiste bescheiden
De aanvraag wordt niet afgewezen wegens het ontbreken van voldoende zelfstandige en duurzame middelen van bestaan.
De eerste aanvraag om een verblijfsvergunning verband houdend met mensenhandel wordt niet afgewezen als de vreemdeling niet over een geldig document voor grensoverschrijding beschikt. Ondertussen moet een geldig document voor grensoverschrijding worden aangevraagd bij de diplomatieke vertegenwoordiging van het land waarvan het slachtoffer de nationaliteit bezit. Bij de aanvraag tot verlenging van de verblijfsvergunning zal, als de vreemdeling nog steeds niet beschikt over een geldig document tot grensoverschrijding, worden beoordeeld of er aanleiding is (tijdelijk) vrij te stellen van het paspoort vereiste, omdat de vreemdeling heeft aangetoond dat hij vanwege de regering van het land waarvan hij onderdaan is niet of niet meer in het bezit van een geldig document voor grensoverschrijding kan worden gesteld. (zie [hoofdstuk 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028837&hoofdstuk=3&z=2010-10-08&g=2010-10-08) CTU-BES).
De aanvraag wordt niet afgewezen wegens gevaar voor de openbare orde, indien er sprake is van een inbreuk op de openbare orde die naar het oordeel van de Minister rechtstreeks verband houdt met het feit waarvan aangifte is gedaan.
### 6.4. Leges
Het slachtoffer of getuige-aangever van mensenhandel die in aanmerking komt voor verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, is vrijgesteld van het betalen van leges.
### 7. Gezinshereniging
### 7.1. Algemeen
Voor verlening van een verblijfsvergunning komen in aanmerking:
Op deze aanvraag zijn de algemene toelatingsvoorwaarden voor gezinshereniging van toepassing, met uitzondering van de bepalingen inzake het middelenvereiste.
Om te verzekeren dat de minderjarige kinderen slechts verblijf krijgen gedurende de periode van toelating van de slachtoffer- of de getuige-aangever, krijgt de aan hen verstrekte verblijfsvergunning dezelfde geldigheidsduur als die van de slachtoffer- of de getuige-aangever.
### Hoofdstuk 15. Voortgezet verblijf
### 1. Inleiding
Een verblijfsvergunning in het kader van voortgezet verblijf wordt alleen op aanvraag verleend.
In de regel kan een verblijfsvergunning met als doel voortgezet verblijf pas na vijf jaar rechtmatig verblijf worden aangevraagd. In die vijf voorafgaande jaren moet de vreemdeling verblijf hebben gehad in het kader van gezinshereniging of gezinsvorming.
Naast de voorwaarden zoals beschreven in de [artikelen 5.22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.22), [5.23](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.23) en [5.24 BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.24) gelden ook de algemene voorwaarden zoals beschreven in [artikel 9 WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=9).
### 2. Voortgezet verblijf na verblijf als minderjarige in het kader van gezinshereniging
De vreemdeling die als minderjarige in het bezit is gesteld van een verblijfsvergunning in het kader van gezinshereniging komt na vijf jaar verblijf in aanmerking voor een zelfstandige verblijfsvergunning. Ook de minderjarige die als pleeg- of adoptiekind verblijf heeft gehad, kan onder deze voorwaarden in aanmerking komen voor voortgezet verblijf.
### 2.1. Verblijfsvoorwaarden
Op grond van [artikel 5.22 BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.22) wordt de vergunning voor bepaalde tijd onder een beperking verband houdend met voortgezet verblijf verleend aan de vreemdeling die:
Wanneer de minderjarige gedurende de periode van vijf jaar meerderjarig wordt, komt hij ook in aanmerking voor voortgezet verblijf. Deze regel geldt ook wanneer het kind gedurende het grootste gedeelte van de vijf jaar meerderjarig is geweest.
Een kind krijgt op 17 jarige leeftijd verblijf bij ouders. Wanneer dit kind 22 jaar oud is komt hij in aanmerking voor voortgezet verblijf. Deze vreemdeling is gedurende bijna de gehele verblijfsperiode van vijf jaar meerderjarig geweest.
Daarnaast gelden de algemene voorwaarden voor verblijf:
Wanneer de vreemdeling op het moment van de aanvraag van de verblijfsvergunning nog minderjarig is, geldt het vereiste zelfstandig en duurzaam te beschikken over voldoende middelen van bestaan niet.
Wanneer niet aan de voorwaarden voor verblijf wordt voldaan, betekent dit niet zonder meer dat de vergunning wordt geweigerd. Individuele omstandigheden kunnen altijd een rol spelen. (zie verder paragraaf 5.).
### 2.2. Vereiste bescheiden
### 2.3. Beperkingen, arbeidsmarktaantekeningen en voorschrift
### 2.3.1. Beperking
De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt verleend onder de beperking: ‘voortgezet verblijf’.
### 2.3.2. Arbeidsmarktaantekening
Op de verblijfsvergunning staat de aantekening: 'arbeid in loondienst alleen toegestaan indien werkgever beschikt over TWV’.
Als [artikel 7 Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028231&artikel=7) van toepassing is, wordt de arbeidsmarktaantekening: ‘Arbeid vrij toegestaan.
### 2.3.3. Voorschriften
Aan de verlening van de verblijfsvergunning wordt het voorschrift verbonden dat de vreemdeling voldoet aan de verplichting voldoende verzekerd te zijn tegen ziektekosten met inbegrip van de kosten verbonden aan opname en verpleging in een sanatorium of psychiatrische inrichting (zie [artikel 5.4, eerste lid, aanhef en onder c, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.4)).
### 2.4. Geldigheidsduur
De verblijfsvergunning is geldig voor de duur van vijf jaar ([art. 6 lid 2 WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=6) en [art. 5.28 BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.28)).
### 3. Voortgezet verblijf voor de overige gezinsleden
### 3.1. Verblijfsvoorwaarden
Het gaat hier om vreemdelingen die als echtgenoot, (geregistreerd) partner, meerderjarig kind, als ouder of ander gezinslid in het kader van gezinsvorming of (verruimde) gezinshereniging verblijf in de openbare lichamen hebben gehad.
De (huwelijks)partner van een vreemdeling die zelf toegelaten is als student komt niet in aanmerking voor voortgezet verblijf. Dit zou immers betekenen dat de afhankelijke vreemdeling sneller in een betere verblijfsrechtelijke positie terecht zou komen dan de verblijfgever.
Dat de relatie op het moment van aanvragen van de vergunning voor voortgezet verblijf is verbroken, is niet van belang. Wel is van belang dat gedurende de voorafgaande periode van vijf jaar aan alle voorwaarden voor verblijf is voldaan en dat nog steeds aan de voorwaarden van [artikel 9 WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=9) wordt voldaan. Wanneer de relatie binnen een periode van vijf jaar is verbroken bestaat er in beginsel, geen recht op voortgezet verblijf.
Een echtpaar is gedurende zes jaar gehuwd geweest. Gedurende de afgelopen vijf jaar heeft de vrouw verblijf bij haar echtgenoot gehad. Gedurende deze periode is aan alle voorwaarden voor verblijf voldaan. De echtgenote verzoekt om voortgezet verblijf, omdat zij inmiddels gescheiden is van haar echtgenoot. Zij kan, mits zij aan de voorwaarden voor verblijf voldoet, in het bezit gesteld worden van de verblijfsvergunning.
Een man en vrouw hebben al gedurende acht jaar een relatie. De man heeft gedurende de afgelopen vijf jaar verblijf bij haar gehad. De man en vrouw hebben nog steeds een relatie en blijven bij elkaar wonen. Toch wil de man een verblijfsvergunning aanvragen in het kader van voortgezet verblijf. Wanneer aan de voorwaarden voor verblijf wordt voldaan, krijgt de man de gevraagde verblijfsvergunning. Dat hij nog steeds een relatie met zijn vriendin heeft is geen reden de man te verplichten de afhankelijke verblijfsvergunning – afhankelijk van de relatie met zijn vriendin – te houden.
Uitzondering op deze regel zijn:
Wanneer vastgesteld wordt dat een vreemdeling niet aan de voorwaarden voor voortgezet verblijf voldoet en niet tot inwilliging van de aanvraag kan worden overgegaan, wordt altijd rekening gehouden met de werking van artikel 8 EVRM. In sommige gevallen kan er toch reden bestaan om de vreemdeling voortzetting van het verblijf toe te staan, zonder verblijf onder de beperking ‘voortgezet verblijf’ te verlenen. Het verblijf dat dan verleend wordt, is verblijf in het kader van artikel 8 EVRM.
Bij de beoordeling of artikel 8 EVRM aanleiding vormt om toch voortzetting van het verblijf toe te staan moet gedacht worden aan de volgende omstandigheden:
In dergelijke gevallen wordt de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning slechts verleend voor de duur van maximaal één jaar. Bij elk verzoek om verlenging dient vastgesteld te worden dat de bijzondere gezinsband nog steeds bestaat.
Uit de (huwelijks)relatie is een kind geboren. Het kind is acht jaar oud en gaat naar school. Het kind heeft een dubbele nationaliteit, de Nederlandse en de Venezolaanse. Het kind woont bij zijn moeder, maar de vader brengt en haalt het kind twee dagen in de week naar en van school. Het kind eet dan bij hem. Hij heeft samen met de moeder regelmatig contact met de school over de voortgang van het kind en wanneer er belangrijke beslissingen genomen moeten worden doen de ouders dit samen. De ouders hebben nog regelmatig contact over het kind. De vader draagt ook bij in de kosten van levensonderhoud van het kind. De ouders zijn voor deze regeling niet naar een rechter geweest. Zij hebben de afspraken in goede harmonie gemaakt en houden zich er ook aan.
Uit de (huwelijks)relatie is een kind geboren. Het kind is 12 jaar oud en gaat naar school. Het kind heeft een dubbele nationaliteit, de Nederlandse en de Venezolaanse. De vader geeft, af en toe, geld aan de moeder voor het levensonderhoud van het kind. Soms ziet hij het kind wanneer zijn ex-partner zijn familie bezoekt. Hij gaat nooit alleen met zijn kind op stap en is niet betrokken bij de opvoeding van het kind.
In dit geval is er geen noemenswaardige band tussen vader en kind en ook geen reden om daarom woonachtig te blijven op de openbare lichamen.
Er kan ook sprake zijn van objectieve belemmeringen om het gezinsleven buiten de openbare lichamen voort te zetten. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan:
In dat geval is het volgende van belang: hij die stelt toont aan. Niet de IND unit Caribisch Nederland toont aan dat het **niet** zo is, de vreemdeling bewijst dat het **wel** zo is.
Een ouder die verblijf heeft verband houdend met bescherming, maar die niet betrokken is bij het leven van zijn biologische kind, vormt geen objectieve belemmering. Dat de vertrekkende ouder ‘hoopt’ dat deze ouder in de toekomst wel betrokken wil zijn bij het leven van het bewuste kind is onvoldoende reden om op dit moment een objectieve belemmering aan te nemen.
Een vrouw die stelt dat haar kind niet zal worden toegelaten tot het land waar zij naar toe terug moet keren, dient dit aan te tonen door het overleggen van een schriftelijke verklaring van de autoriteiten van dat land. Uit deze verklaring moet blijken dat het kind niet wordt toegelaten tot het land van herkomst van de moeder.
### 3.2. Vereiste bescheiden
### 3.3. Beperking, arbeidsmarktaantekening en voorschrift
### 3.3.1. Beperking
De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt verleend onder de beperking: ‘voortgezet verblijf’’.
### 3.3.2. Arbeidsmarktaantekening
Op de verblijfsvergunning staat de aantekening: 'arbeid in loondienst alleen toegestaan indien werkgever beschikt over TWV’.
Als [artikel 7 Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028231&artikel=7) van toepassing is, wordt de arbeidsmarktaantekening: ‘Arbeid vrij toegestaan. TWV niet vereist’.
### 3.3.3. Voorschrift
Aan de verlening van de verblijfsvergunning wordt het voorschrift verbonden dat de vreemdeling voldoet aan de verplichting voldoende verzekerd te zijn tegen ziektekosten met inbegrip van de kosten verbonden aan opname en verpleging in een sanatorium of psychiatrische inrichting (zie [artikel 5.4, eerste lid, aanhef en onder c, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.4)).
### 3.4. Geldigheidsduur van de verblijfsvergunning
De verblijfsvergunning is geldig voor de duur van vijf jaar ([art. 6 lid 2 WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=6) en [art. 5.28 BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.28)).
### 4. Voortgezet verblijf na overlijden van (huwelijks) partner
### 4.1. Verblijfsvoorwaarden
Wanneer de (huwelijks) partner binnen vijf jaar komt te overlijden komt de vreemdeling op grond van de voorwaarden van [artikel. 5.24, derde lid, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.24) in aanmerking voor voortgezet verblijf ook al is nog geen sprake van vijf jaar verblijf. In dat geval wegen de humanitaire omstandigheden zwaar mee. Wel dient de vreemdeling te beschikken over voldoende middelen van bestaan.
Wanneer de vreemdeling is toegelaten in het kader van het ouderenbeleid en de verblijfgever – het kind van de ouder – binnen vijf jaar komt te overlijden komt de vreemdeling niet in aanmerking voor voortgezet verblijf. Bij de boordeling van de aanvraag moet een afweging gemaakt worden op grond van [artikel 5.25 BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.25). Voortgezet verblijf op grond van bijzondere, individuele humanitaire omstandigheden kan nog steeds gewenst zijn. De vreemdeling moet in dat geval de bijzondere omstandigheden onderbouwen.
### 4.2. Vereiste bescheiden
### 4.3. Beperking, arbeidsmarktaantekening en voorschrift
### 4.3.1. Beperking
De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt verleend onder de beperking: ‘voortgezet verblijf’.
### 4.3.2. Arbeidsmarktaantekening
Op de verblijfsvergunning staat de aantekening: 'arbeid in loondienst alleen toegestaan indien werkgever beschikt over TWV’.
Als [artikel 7 Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028231&artikel=7) van toepassing is, wordt de arbeidsmarktaantekening: ‘Arbeid vrij toegestaan. TWV niet vereist’.
### 4.3.3. Voorschrift
Aan de verlening van de verblijfsvergunning wordt het voorschrift verbonden dat de vreemdeling voldoet aan de verplichting voldoende verzekerd te zijn tegen ziektekosten met inbegrip van de kosten verbonden aan opname en verpleging in een sanatorium of psychiatrische inrichting (zie [artikel 5.4, eerste lid, aanhef en onder c, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.4)).
### 4.4. Geldigheidsduur
De verblijfsvergunning is geldig voor de duur van vijf jaar ([art. 6 lid 2 WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=6) en [art. 5.28 BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.28)).
### 5. Voortgezet verblijf wanneer sprake is van bijzondere omstandigheden
### 5.1. Verblijfsvoorwaarden
[Artikel 5.24 BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.24) regelt de mogelijkheid dat ook wanneer niet voldaan wordt aan de voorwaarden voor verblijf als genoemd in [artikel 5.22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.22) en [5.23 BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.23) die hierboven in paragraaf 2 en 3 zijn beschreven, toch voortgezet verblijf verleend kan worden vanwege bijzondere omstandigheden.
Hoewel het zowel om groepen als om individuele gevallen kan gaan moet vooral gedacht worden aan:
De vreemdeling moet de bijzondere individuele omstandigheden zelf onderbouwen met een schriftelijke verklaring en aanvullende stukken. Het belang van de vreemdeling kan alleen in bijzondere omstandigheden zwaarder wegen dan het algemeen belang van de overheid.
De IND unit Caribisch Nederland verleent de verblijfsvergunning als sprake is van aantoonbaar ondervonden (seksueel) geweld binnen de familie dat heeft geleid tot de feitelijke verbreking van de (huwelijks)relatie.
Bij een minderjarige is in verband met de leeftijd van de vreemdeling niet noodzakelijk dat de gezinsband is verbroken.
Huiselijk geweld, waaronder seksueel geweld, wordt aangetoond door:
De IND unit Caribisch Nederland kan aan een slachtoffer of getuige-aangever van mensenhandel aan wie voor de duur en in het belang van het strafproces tijdelijk verblijf in Nederland was toegestaan een verblijfsvergunning verlenen op grond van [artikel 5.24 BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.24).
Er zijn verschillende situaties mogelijk die kunnen leiden tot het verlenen van een verblijfsvergunning voortgezet verblijf aan slachtoffers of getuige-aangevers van mensenhandel.
De vreemdeling die onder één van de hierboven genoemde twee categorieën valt, is de eerst aangewezene om dit aan te tonen middels het overleggen van een afschrift van de rechterlijke uitspraak in de strafzaak.
De IND unit Caribisch Nederland kan de verblijfsvergunning voor voortgezet verblijf verlenen als:
Een veroordeling op grond van één van de andere in de strafzaak ten laste gelegde misdrijven is ook voldoende, als mensenhandel een onderdeel vormt van de tenlastelegging.
Als de aangifte of het op andere wijze verlenen van medewerking aan een strafzaak door het slachtoffer, terzake mensenhandel tot een veroordeling van de verdachte heeft geleid, wordt aangenomen dat terugkeer voor het slachtoffer risico’s met zich brengt.
Om het recht op voortgezet verblijf niet geheel afhankelijk te maken van het verloop van de strafzaak zal, als de strafzaak niet tot een veroordeling leidt, doch de uitspraak anders luidt, en er wel tenminste drie jaar is verstreken tussen de verlening van de verblijfsvergunning verband houdend met de vervolging van mensenhandel en het in kracht van gewijsde gaan van de rechterlijke uitspraak, de verblijfsduur van het slachtoffer als belangrijkste humanitaire factor wegen. Hierbij is dan ook van belang dat de rechterlijke uitspraak in de strafzaak onherroepelijk is geworden.
Bij deze grond tot inwilliging is doorslaggevend dat het slachtoffer drie jaar of langer heeft bijgedragen aan de opsporing of de vervolging én er een rechterlijke uitspraak is gedaan. In het geval de zaak eerder geseponeerd is geweest en de daadwerkelijke vervolging eerst na een beklag ter hand is genomen, telt de termijn van de beklagprocedure mee voor de berekening van de driejaren termijn.
De IND unit Caribisch Nederland kan de verblijfsvergunning voortgezet verblijf ook verlenen als:
Aanvragen om voortgezet verblijf na afloop van de verblijfsvergunning verband houdend met de vervolging van mensenhandel van vreemdelingen die niet onder één van de hierboven genoemde categorieën vallen kunnen alleen voor voortgezet verblijf in aanmerking komen als naar het oordeel van Onze Minister wegens bijzondere individuele omstandigheden van de vreemdeling niet gevergd kan worden dat hij de openbare lichamen verlaat.
Bij de beoordeling van een dergelijke aanvraag betrekt de IND unit Caribisch Nederland in elk geval de volgende factoren:
De vreemdeling geeft aan welke klemmende redenen van humanitaire aard naar zijn mening tot voortgezet verblijf dienen te leiden en onderbouwt het beroep met terzake relevante gegevens en documenten.
Bij de beoordeling van de mogelijkheden van sociale en maatschappelijke herintegratie wordt rekening gehouden met specifieke culturele achtergrond en het eventuele prostitutieverleden van betrokkene, duurzame ontwrichting van familierelaties, de eventuele maatschappelijke opvattingen over prostitutie en het overheidsbeleid terzake.
Als een getuige-aangever aangifte heeft gedaan en de aangifte uiteindelijk heeft geleid tot een veroordeling van de verdachte(n), moet bij de beoordeling van het risico van represailles per geval bezien worden of zwaar gewicht dient te worden toegekend aan deze veroordeling. Als de veroordeling de conclusie rechtvaardigt dat in geval van de getuige-aangever bij terugkeer naar het land van herkomst gevaar voor represailles aanwezig is, kan hieraan doorslaggevende betekenis worden toegekend bij de belangenafweging op grond van [artikel 5.24 BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.24).
Ten aanzien van getuige-aangevers geldt evenals ten aanzien van slachtoffers van mensenhandel dat onder de veroordeling ook de veroordeling wordt verstaan op grond van één van de andere in de strafzaak ten laste gelegde misdrijven, mits mensenhandel een onderdeel vormt van de tenlastelegging.
De hiervoor genoemde factoren zijn niet de enige factoren die van belang zijn voor de beoordeling of aan het slachtoffer of de getuige-aangever, op grond van klemmende redenen van humanitaire aard verblijf dient te worden toegestaan. Buiten de reeds genoemde factoren kan bijvoorbeeld gedacht worden aan psychische problemen waarvoor de vreemdeling in Nederland in behandeling is, de zorg die de vreemdeling heeft voor kinderen die in Nederland zijn geboren of een opleiding volgen, de positie van alleenstaande vrouwen in het land van herkomst. Hierbij is nog van belang dat, indien psychische of andere medische omstandigheden worden aangevoerd, dit slechts als onderdeel van de te wegen factoren kan worden meegenomen. Indien enkel een beroep wordt gedaan op medische omstandigheden dan ligt beoordeling in het kader van het beleid medische behandeling meer in de rede.
Het is nadrukkelijk de eigen verantwoordelijkheid van de vreemdeling om bij het indienen van de aanvraag om voortgezet verblijf aan te geven welke factoren van belang zijn, en die met terzake relevante gegevens en bescheiden te onderbouwen. Hij is daartoe de meest gerede partij. Als het beroep op klemmende redenen van humanitaire aard niet, of niet afdoende met terzake relevante gegevens en bescheiden is onderbouwd bij het indienen van de aanvraag om voortgezet verblijf, stelt de IND unit Caribisch Nederland de vreemdeling in de gelegenheid dit gebrek te herstellen. In beginsel wordt de vreemdeling hiertoe een termijn van twee weken gegund. Bij de beoordeling van het beroep op klemmende redenen van humanitaire aard, wordt altijd een belangenafweging gemaakt, waarbij de belangen van de vreemdeling worden afgewogen tegen die van de Staat.
### 5.2. Vereiste bescheiden
### 5.3. Beperking, arbeidsmarktaantekening en voorschrift
### 5.3.1. Beperking
De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt verleend onder de beperking: ‘voortgezet verblijf’.
### 5.3.2. Arbeidsmarktaantekening
Op de verblijfsvergunning staat de aantekening: 'arbeid in loondienst alleen toegestaan indien werkgever beschikt over TWV’.
Als [artikel 7 Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028231&artikel=7) van toepassing is, wordt de arbeidsmarktaantekening: ‘Arbeid vrij toegestaan. TWV niet vereist’.
### 5.3.3. Voorschrift
Aan de verlening van de verblijfsvergunning wordt het voorschrift verbonden dat de vreemdeling voldoet aan de verplichting voldoende verzekerd te zijn tegen ziektekosten met inbegrip van de kosten verbonden aan opname en verpleging in een sanatorium of psychiatrische inrichting (zie [artikel 5.4, eerste lid, aanhef en onder c, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.4)).
### 5.4. Geldigheidsduur
De verblijfsvergunning is geldig voor de duur van vijf jaar ([art. 6 lid 2 WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=6) en [art. 5.28 BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.28)).
### Hoofdstuk 16. Aanvragen om bescherming tegen terugzending
### 1. Inleiding
Een vreemdeling kan op verschillende wijze te kennen geven dat hij voor bescherming op de openbare lichamen in aanmerking wenst te komen. Hij kan dit bijvoorbeeld doen in de zeehavens of op de luchthavens bij een ambtenaar belast met de grensbewaking. In het geval hij zich al op het grondgebied bevindt, kan hij dit aangeven bij de ambtenaar belast met het toezicht of bij de IND unit Caribisch Nederland.
Voor de indiening van een aanvraag om bescherming moet de vreemdeling worden doorverwezen naar de IND unit Caribisch Nederland.
Een vreemdeling kan op de openbare lichamen bescherming inroepen tegen terugzending (refoulement) naar zijn land van herkomst als hij niet over de juiste documenten beschikt voor toegang en/of toelating tot de openbare lichamen maar wel voldoet aan de non-refoulement criteria die in de volgende internationale verdragen zijn vastgelegd, namelijk:
Het vorenstaande is vastgelegd in [artikel 12a van de WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=12a).
Het EG-recht is op de openbare lichamen niet van toepassing. Dat betekent dat de invloed die de EG-richtlijnen, zoals Richtlijn EG/2004/83 (de Kwalificatie- of Definitierichtlijn), hebben gehad op de Nederlandse interpretatie van de voornoemde Verdragen vanaf circa 2006 niet geldt,
De verzoeken om bescherming worden vertrouwelijk behandeld. De [Wbp](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011468) is van toepassing. Er wordt tijdens de procedure géén contact gelegd met de autoriteiten van het land van herkomst van de vreemdeling om zijn identiteit en/of de verklaringen te toetsen. Wanneer er na de beslissing op de aanvraag contact wordt opgenomen met de autoriteiten van het land van herkomst, wordt niet bekend gemaakt dat de vreemdeling een verzoek om bescherming heeft ingediend op de openbare lichamen.
Aanvragen om bescherming worden individueel beoordeeld.
In de verschillende fasen van de beschermingsprocedure handelen de ambtenaren belast met het toezicht en met de grensbewaking in overeenstemming met de door de IND unit Caribisch Nederland namens de Minister van Justitie gegeven aanwijzingen. Hierdoor wordt gewaarborgd dat internationale afspraken uniform worden nageleefd en dat de belangen van de vreemdeling optimaal tot hun recht komen.
De IND unit Caribisch Nederland is de organisatie die het beschermingsbeleid op de openbare lichamen uitvoert. Een aanvraag om bescherming kan daarom formeel alleen worden ingediend bij de IND unit Caribisch Nederland.
### 2. Bescherming op grond van het Vluchtelingenverdrag
### 2.1. De vreemdeling is verdragsvluchteling op grond van artikel 1A
Een verblijfsvergunning verband houdend met bescherming kan worden verleend op grond van [artikel 12a, eerste lid, onder a, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=12a) indien de vreemdeling verdragsvluchteling is.
Een verdragsvluchteling is een persoon die voldoet aan de voorwaarden van artikel 1A van het Vluchtelingenverdrag. Een vreemdeling kan worden erkend als vluchteling als hij afkomstig is uit een land, waarin hij gegronde vrees heeft voor vervolging vanwege:
Een vreemdeling moet zich wel buiten het land van zijn nationaliteit bevinden voordat hij voor erkenning als vluchteling in aanmerking kan komen.
Als de vervolging:
dan is de vreemdeling geen vluchteling.
Een vreemdeling moet als vluchteling worden aangemerkt, zodra hij voldoet aan de hierboven genoemde criteria. De beslissing om een vreemdeling als vluchteling te erkennen is declaratoir: na de vlucht wordt vastgesteld of de vreemdeling op het moment dat hij zijn land van herkomst verliet gegronde vrees voor vervolging had (zie ook réfugiés sur place).
Of een vreemdeling als vluchteling moet worden beschouwd, wordt beoordeeld op individuele basis. Op grond van de specifieke bijzonderheden van het geval wordt beoordeeld of de vreemdeling vluchteling is. Hierbij is onder andere van belang of hij persoonlijk de aandacht van de autoriteiten of derden heeft getrokken en daardoor gevaar loopt.
Het is mogelijk dat zich situaties voordoen waarbij een hele (bevolkings)groep te vrezen heeft voor vervolging. Een dergelijke groep kan bestaan uit:
Wanneer alle leden van deze groep te vrezen hebben voor vervolging, spreekt men van groepsvervolging. Ook in het geval van groepsvervolging moet op individuele basis worden vastgesteld of een vreemdeling vluchteling is, door te beoordelen of hij tot de betrokken groep behoort.
Vervolging kan plaatsvinden door:
Van de vreemdeling van wie is vastgesteld dat hij een gegronde vrees voor vervolging heeft van de zijde van de centrale autoriteiten, kan niet verwacht worden dat hij zich aan die vervolging kan onttrekken door zich ergens anders in het land van herkomst te vestigen.
Als de vervolging plaatsvindt door partijen of organisaties die niet het gehele grondgebied beheersen, komt de vreemdeling niet voor bescherming in aanmerking als is vastgesteld dat hij zich aan die vervolging kan onttrekken door zich elders in het land van herkomst te vestigen.
Vervolging door derden wordt alleen aangenomen als de vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat de staat, of partijen of (internationale) organisaties in het land geen bescherming kunnen of willen bieden tegen de vervolging. Om dit te kunnen beoordelen dient te worden onderzocht of de vreemdeling aangifte heeft gedaan bij de (lokale) autoriteiten en, wanneer dit niet het geval is, waarom hij dit niet heeft gedaan.
Onder een (internationale) organisatie wordt in dit verband verstaan:
Onder ‘land van herkomst’ wordt verstaan het land waarvan de vreemdeling de nationaliteit heeft.
Als de vreemdeling door geen enkel land als onderdaan wordt erkend, wordt hij aangemerkt als staatloze. In dat geval moet eerst het land van herkomst worden vastgesteld, vóór de beoordeling of betrokkene gegronde vrees voor vervolging heeft in het land van herkomst.
Als land van herkomst van een staatloze wordt aangemerkt, een land:
Bepalend hiervoor is de vraag of de vreemdeling in het betreffende land het centrum van zijn activiteiten (werk, wonen, familie) heeft.
Voorzover van toepassing kan bij de beoordeling van de vraag of de vreemdeling verdragsvluchteling is gebruik worden gemaakt van de in het Nederlandse landgebonden beleid van de Vreemdelingenwet aangewezen risicogroepen. Wanneer de vreemdeling aannemelijk maakt dat hij tot een aangewezen risicogroep behoort en problemen heeft, kan snel worden geconcludeerd dat deze problemen ook voldoende zwaarwegend zijn om vluchtelingschap aan te nemen. Indien een vreemdeling bijvoorbeeld aannemelijk maakt dat hij journalist was in een land van herkomst en in het betrokken landgebonden beleid journalisten als risicogroep zijn aangewezen omdat het centrale gezag censuur toepast, valt de toets al snel in het voordeel van de vreemdeling uit en kan hij in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning.
Het behoren tot een verboden geloof, het verspreiden van pamfletten voor een verboden politieke partij, het voeren van een strijd tegen misstanden in de lokale samenleving kunnen motieven zijn die in de volledige samenhang van het verhaal en bezien tegen de lokale achtergrond kunnen leiden tot een conclusie dat een vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat hij in het land van herkomst persoonlijk een gegronde vrees heeft voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag, Een beroep op de algemene situatie is over het algemeen onvoldoende om vluchtelingschap aan te nemen.
### 2.2. Vervolgingsgronden
### 2.2.1. Discriminatie als daad van vervolging
Discriminatie door de autoriteiten en/of door medeburgers kan onder omstandigheden als daad van vervolging worden aangemerkt. Hiervan is sprake als de ondervonden discriminatie een dusdanig ernstige beperking van de bestaansmogelijkheden oplevert dat het onmogelijk is om op maatschappelijk en sociaal gebied te kunnen functioneren.
Een beschermingszoeker wordt als verdragsvluchteling aangemerkt, als hij:
In het geval de vreemdeling vóór zijn vlucht geen bescherming aan de autoriteiten heeft gevraagd, moet worden onderzocht waarom dat niet is gebeurd. Als dit wel is gebeurd, maar de vreemdeling heeft het na één mislukte poging niet bij een andere overheidsinstantie geprobeerd, moet worden onderzocht waarom het bij één poging is gebleven.
### 2.2.2. Vervolging vanwege godsdienst
Het begrip ‘godsdienst’ omvat met name theïstische, niet-theïstische en atheïstische geloofsovertuigingen. Dat wil zeggen: handelingen en gedachten die voortvloeien uit een (godsdienstige) stroming en overtuiging dat de mens door een bovennatuurlijke macht wordt geleid, of de overtuiging dat er geen bovennatuurlijke besturing bestaat en/of dat de mens zelf verantwoordelijk is voor zijn handelen.
Hierbij kan het gaan om het deelnemen aan, of het zich onthouden van, formele erediensten in de particuliere of openbare sfeer, hetzij alleen of in gemeenschap met anderen. Het kan ook gaan om andere religieuze activiteiten of uitingen of om vormen van persoonlijk of gemeenschappelijk gedrag die op een godsdienstige overtuiging zijn gebaseerd of daardoor worden bepaald.
Onder het begrip ‘godsdienst’ valt iedere godsdienst, levensbeschouwing of sekte, waartoe de vreemdeling behoort of waarvan de autoriteiten of andere actoren van vervolging (zie paragraaf 2.1, kopje ‘**Actoren van vervolging’)** stellen dat de vreemdeling ertoe behoort.
Vervolging om reden van godsdienst doet zich op verschillende manieren voor, zoals:
Beperkingen op het recht een godsdienst te belijden moeten dusdanig streng zijn, dat het leven als gevolg van de overtuiging in het land van herkomst daardoor ernstig wordt belemmerd. Van personen die in het land van herkomst een minderheidsreligie aanhangen wordt niet verlangd dat zij deze verborgen houden. Dit betekent bijvoorbeeld dat personen die gevlucht zijn uit hun land van herkomst omdat ze verborgen moesten houden dat ze de overtuiging van een minderheidsgroepering aanhangen, kunnen erkend worden als om godsdienst vervolgde vluchteling.
Te denken valt bijvoorbeeld aan een situatie waarin de autoriteiten van een land personen die een bepaalde godsdienst belijden actief opspoort en ze, onder bedreiging van gevangenis- of lijfstraffen, verbiedt om hun geloof uit te oefenen.
### 2.2.3. Vervolging vanwege politieke overtuiging
Het begrip ‘politieke overtuiging’ houdt onder andere in dat de vreemdeling een opvatting, gedachte of mening heeft over bijvoorbeeld het beleid of de methoden van de autoriteiten of andere actoren van vervolging (zie paragraaf 2.1, kopje ‘**Actoren van vervolging’)**, ofwel dat laatstgenoemden stellen dat de vreemdeling deze overtuiging heeft.
Om vervolging vanwege politieke overtuiging te kunnen aannemen dient de bedoelde opvatting, mening of gedachte onder de aandacht van de autoriteiten of andere actoren van vervolging te zijn gekomen, of moet het waarschijnlijk zijn dat dit alsnog zal gebeuren.
Voorbeelden van een uiting van een politieke overtuiging kunnen zijn een pamflet of een journalistiek stuk of een lidmaatschap van een verboden partij. Het bestaan ervan op zich is nog niet voldoende om al een situatie aan te nemen van vervolging. Bij vervolging wordt gedoeld op een situatie waarin de autoriteiten op de hoogte zijn van genoemde situaties en in deze omstandigheden de schrijver van het stuk of het lid van een verboden partij of de bezitter van een pamflet onderwerpt aan gevangenis- of lijfstraffen vanwege het enkele feit dat zij lid zijn van de verboden partij.
Als de vreemdeling een vrouw is, kan het overtreden van seksediscriminerende sociale gebruiken, religieuze voorschriften of culturele normen voor vrouwen; of het overtreden van strafbepalingen die in zichzelf in strijd zijn met de universele mensenrechten, in de volgende gevallen worden opgevat als het uiten van een bepaalde politieke overtuiging:
### 2.2.4. Vervolging vanwege nationaliteit en ras
Het begrip ‘nationaliteit’ is niet beperkt tot staatsburgerschap of het ontbreken daarvan, maar omvat ook het behoren tot een groep die wordt bepaald:
De omvang van deze groepering is daarbij niet relevant.
Hierbij kan gedacht worden aan een volk zonder eigen staat, maar met een eigen taal, geschiedenis en achtergrond.
Voor het bepalen van ‘ras’ als vervolgingsgrond kan onder andere worden afgegaan op de aspecten:
Bij het vaststellen van ras kan zowel op etnografische als sociale aspecten worden teruggegrepen.
Indien een overheid aanleiding ziet in een uiterlijk kenmerk van een persoon of een groep om over te gaan tot vervolging dan is er sprake van vervolging als hier bedoeld.
### 2.2.5. Vervolging vanwege het behoren tot een sociale groep
Een groep wordt geacht een specifieke sociale groep te vormen als:
Deze categorie functioneert als restcategorie ten opzichte van de overige vervolgingsgronden in het Vluchtelingenverdrag.
Onder vervolging wegens het behoren tot een sociale groep als bedoeld in artikel 1A Vluchtelingenverdrag wordt mede vervolging wegens seksuele geaardheid begrepen.
Als een vreemdeling zich beroept op problemen vanwege de (gestelde) seksuele geaardheid moet de aanvraag worden beoordeeld met bijzondere aandacht voor de positie van homoseksuelen in het land van herkomst.
Als er sprake is van een bestraffing op basis van een strafbepaling die alleen betrekking heeft op homoseksuelen, is dit een daad van vervolging. Dit is bijvoorbeeld het geval als het homoseksueel zijn of het uiten van specifiek homoseksuele gevoelens strafbaar is gesteld. Voor de conclusie dat er sprake is van vluchtelingschap moet wel sprake zijn van een strenge bestraffingsmaatregel. Zo zal een enkele boete meestal onvoldoende zijn om te concluderen dat er sprake is van vluchtelingschap. De enkele strafbaarstelling van homoseksualiteit of homoseksuele handelingen in een land leidt niet zonder meer tot de conclusie dat een homoseksueel uit dat land vluchteling is. De vreemdeling moet (indien mogelijk met documenten) aannemelijk maken dat hij persoonlijk een gegronde reden heeft om te vrezen voor vervolging.
Van vreemdelingen met een homoseksuele voorkeur wordt niet verlangd dat zij deze voorkeur bij terugkeer verbergen.
Als de vreemdeling niet daadwerkelijk homoseksueel is, maar het geloofwaardig is dat de autoriteiten of andere actoren van vervolging hem of haar als zodanig beschouwen en het aannemelijk is dat vervolging plaatsvindt of zal vinden, is hij eveneens te beschouwen als verdragsvluchteling.
Ten slotte geldt dat het inroepen van de bescherming van de autoriteiten niet wordt verlangd in de gevallen waarin homoseksualiteit of homoseksuele handelingen strafbaar zijn in het land van herkomst.
Sekse kan niet het enige criterium zijn op grond waarvan wordt geconcludeerd dat sprake is van het behoren tot een ‘bepaalde sociale groep’. Vrouwen in het algemeen vormen niet een bepaalde sociale groep, omdat zij als sociale groep te divers van samenstelling zijn. Het individualiseringsvereiste is het uitgangspunt. Strafvervolging van een voorschrift dat specifiek voor vrouwen geldt, levert vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag op, als aannemelijk is dat:
Als de betrokken vreemdeling zich erop beroept dat er sprake is van discriminatie die specifiek tegen vrouwen is gericht, dan blijft de toepasselijkheid van één van de vervolgingsgronden een voorwaarde voor het concluderen van vluchtelingschap. Uiteraard geldt ook in deze gevallen het individualiseringsvereiste. Zo is het enkele bestaan van kledingvoorschriften voor vrouwen nog geen vorm van discriminatie op grond waarvan vervolging kan worden aangenomen.
### 2.3. Politieke en commune delicten en discriminatoire of onevenredige bestraffing
Vervolging ingesteld vanwege een overtreding of een misdrijf dat over het algemeen als commuun delict (een ‘normaal’, niet politiek delict) wordt beschouwd levert in beginsel geen vluchtelingschap op. Er is sprake van een commuun delict, als de betrokkene in zijn land van herkomst een strafbepaling heeft overtreden die niet kan worden herleid tot één van de gronden van het Vluchtelingenverdrag.
Bestraffing wegens commune delicten leidt over het algemeen niet tot de conclusie dat de betrokkene verdragsvluchteling is. Wel moet steeds worden onderzocht of er sprake is van onevenredige of discriminatoire bestraffing die wel verband houdt met de gronden in het Vluchtelingenverdrag.
Hiervan is sprake als:
Het gaat hier dus om dat deel van de (tenuitvoerlegging van de) bestraffing, waarin tot uiting komt dat de beschermingszoeker (ook) wordt gestraft om redenen die verband houden met de vervolgingsgronden in het Vluchtelingenverdrag.
In dat geval kan de betrokkene worden gezien als een verdragsvluchteling. Hiervan is bijvoorbeeld sprake als in plaats van de gebruikelijke strafmaat van één jaar gevangenisstraf voor een individu twee jaar gevangenisstraf wordt opgelegd omdat hij behoort tot een geloofsgroepering waar de vervolgende instantie bezwaar tegen heeft. Een ander voorbeeld kan zijn als de straf geheel of gedeeltelijk in de brandende zon zonder bescherming moet worden doorgebracht in plaats van in een gewone cel omdat hij behoort tot een sociale groep waar de vervolgende instantie bezwaar tegen heeft. Er moet een causaal verband zijn tussen één van de vervolgingsgronden van het verdrag en de zwaarte van de bestraffing.
### 2.4. Vervolging wegens dienstweigering of desertie
Een land kan een dienstplicht instellen. Strafvervolging wegens het ontduiken van dienstplicht wordt in beginsel niet aangemerkt als vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag. In de volgende gevallen kan dienstweigering of desertie desondanks leiden tot vluchtelingschap.
Een dienstweigeraar of deserteur is vluchteling als hij:
Bij deze categorie is de dienstweigering of desertie niet de oorzaak van de vervolging. De oorzaak is gelegen in de omstandigheid dat de vreemdeling behoort tot een van de genoemde groeperingen. De dienstweigering of desertie is slechts een aanleiding om tot vervolgingsmaatregelen over te gaan. Het enkele feit dat de dienstweigering wordt bestraft, leidt hier dan ook niet tot de conclusie dat de vreemdeling vluchteling is. Het moet gaan om een bestraffing met:
waarin tot uiting komt dat hier sprake is van een discriminatoire maatregel of een andere vervolgingshandeling, die in andere gevallen niet wordt opgelegd.
Bij deze categorie gaat het om een evenwicht tussen het onvervreemdbare recht van een staat om zich te verdedigen en het eveneens onvervreemdbare recht van het individu op gewetensvrijheid. Dit evenwicht kan blijken uit het feit dat aan het individu de mogelijkheid wordt geboden om een vervangende, niet-militaire dienstplicht te vervullen.
Als die mogelijkheid in het land van herkomst niet wordt geboden, kan:
aanleiding zijn om tot vluchtelingschap te besluiten, indien de betrokkene ernstige, onoverkomelijke gewetensbezwaren heeft tegen de vervulling van de dienstplicht.
Bij de beoordeling of er sprake is van vluchtelingschap is bij deze categorie niet vereist dat er sprake is van een discriminatoire of onevenredige bestraffing zoals genoemd onder a. In dit geval is er sprake van een inbreuk op de gewetensvrijheid van het individu die tot vluchtelingschap kan leiden. Er moet echter wel sprake zijn van een strenge bestraffingsmaatregel. Zo is een enkele boete onvoldoende om te concluderen dat er sprake is van vluchtelingschap.
Verder moet het gaan om ernstige, onoverkomelijke gewetensbezwaren op grond van een godsdienstige of een andere diepgewortelde overtuiging.
De betrokkene moet dus kunnen aangeven op welke (geloofs)overtuiging hij zijn gewetensbezwaren baseert en waarom deze overtuiging zijn dienstweigering of desertie voorschrijft. De gewetensbezwaren moeten zich richten tegen het gebruik van geweld over het algemeen. Vanzelfsprekend mogen aan een goed geschoolde persoon hogere eisen worden gesteld over de wijze waarop dit wordt onderbouwd dan aan een zeer jeugdig of ongeletterd persoon.
Hier is eigenlijk sprake van twee subcategorieën. Er is sprake van een militaire actie die:
Voor wat betreft de eerste subcategorie geldt als veroordeling door de internationale gemeenschap een veroordeling door:
Een resolutie van het Europees Parlement en een verklaring van de Secretaris-Generaal van de VN kunnen niet als zodanig worden beschouwd.
In een dergelijke veroordeling moet zijn opgenomen dat de militaire actie als zodanig als onrechtmatig wordt aangemerkt.
Voor de beoordeling of een militaire actie behoort tot de tweede subcategorie is geen internationale veroordeling vereist. Wel moet zijn vastgesteld dat de betreffende militaire actie systematisch strijd oplevert met de fundamentele normen die gelden tijdens een gewapend conflict om bijvoorbeeld burgerslachtoffers te voorkomen. Een dergelijke vaststelling kan worden gedaan door:
Als aannemelijk is dat bestraffing zal plaatsvinden omdat de vreemdeling geweigerd heeft aan een dergelijke militaire actie deel te nemen, of omdat hij de eerst mogelijke gelegenheid heeft aangewend om te deserteren, kan dit leiden tot de conclusie dat hij vluchteling is. Wel moet worden nagegaan of de vreemdeling, voordat hij deserteerde, zich schuldig heeft gemaakt aan handelingen als genoemd in artikel 1F Vluchtelingenverdrag Als de vreemdeling zich erop beroept dat hij niet wenst te worden ingezet in een conflict tegen het volk waarvan hij deel uitmaakt, wordt dit meegewogen bij de beoordeling of er ernstige, onoverkomelijke gewetensbezwaren zijn, zoals onder b (ofwel in strijd is met de fundamentele normen die gelden tijdens een gewapend conflict) beschreven. De enkele inzet tegen eigen volk of familie is onvoldoende voor de erkenning als vluchteling. Het bestaan van de ernstige, onoverkomelijke gewetensbezwaren tegen de inzet tegen eigen volk dienen te blijken uit (al dan niet politieke) activiteiten van de vreemdeling.
### 2.5. Bijzondere situaties
### 2.5.1. Refugiés sur place
De vrees voor vervolging hoeft niet altijd aanwezig te zijn op het moment dat iemand zijn land verlaat. Een persoon die geen vervolging te vrezen had op het moment dat hij zijn land van herkomst verliet, maar op een later tijdstip tijdens zijn verblijf buiten het land van herkomst vluchteling wordt heet ‘refugié sur place’. Er zijn twee mogelijke omstandigheden die iemand tot refugié sur place maken.
**Ten eerste** kan iemand een refugié sur place worden doordat de omstandigheden in het land van herkomst zich, tijdens zijn verblijf buiten het land van herkomst, zodanig wijzigen (bijvoorbeeld door een machtswisseling), dat hij bij terugkeer gegronde reden heeft te vrezen voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag.
Ook wanneer een vreemdeling zijn politieke overtuiging pas verkondigt na vertrek uit zijn land van herkomst, kan hij refugié sur place worden. Dit kan het geval zijn als hij aannemelijk maakt dat de overtuiging al bestond in het land van herkomst. In ieder geval is vereist dat:
**Ten tweede** is het mogelijk dat iemand ten gevolge van zijn eigen activiteiten buiten het land van herkomst gegronde reden heeft te vrezen voor vervolging als hij naar dat land zou terugkeren. Hierbij kan gedacht worden aan:
Deze activiteiten kunnenaanleiding zijn voor statusverlening als het gaat om een voortzetting van activiteiten die de vreemdeling in het land van herkomst heeft ontplooid.
### 2.5.2. Als de UNHCR de vreemdeling heeft erkend als vluchteling
Een bij het Vluchtelingenverdrag aangesloten land heeft een eigen bevoegdheid op het gebied van de statusbepaling en de beslissing of een verblijfsvergunning wordt verleend. De plicht van ieder aangesloten land tot samenwerking met UNHCR zoals deze is vastgelegd in artikel 35 van het Vluchtelingenverdrag doet hier niet aan af. Wanneer de UNHCR een vreemdeling al als vluchteling heeft erkend, hoeft dit oordeel dus niet te worden overgenomen.
Als de vreemdeling al door de UNHCR als vluchteling is erkend, wordt bekeken of deze erkenning:
Vaak heeft de UNHCR geen tijd om een individueel onderzoek in te stellen en beoordeelt de UNHCR een verzoek om bescherming vooruitlopend op nader individueel onderzoek ‘prima facie’.
Verder wordt bekeken in hoeverre de beoordeling van de situatie in het land van herkomst – die tot stand is gekomen op onder meer een landgebonden positie van de UNHCR – op dezelfde wijze wordt beoordeeld en of deze nog actueel is.
Overigens zal in een zaak waarin een individuele verklaring door de UNHCR is gegeven ook altijd een individuele toets plaatsvinden, waarbij gewijzigde omstandigheden in het land van herkomst sinds de verklaring worden meegewogen.
### 2.5.3. Minderjarige vreemdelingen
In het Vluchtelingenverdrag zijn geen aparte bepalingen opgenomen over (alleenstaande) minderjarige vreemdelingen. Indien hij vergezeld wordt door zijn ouder(s), kan hij vanwege het behoren tot het gezin een afhankelijke status krijgen in het geval de hoofdpersoon van het gezin wordt erkend en toegelaten als vluchteling. Indien het minderjarige kind een andere nationaliteit heeft dan de hoofdpersoon, heeft hij in beginsel geen recht op een afhankelijke status. Maar indien de minderjarige in dit geval zelfstandige vluchtmotieven heeft, kan hij vanwege deze zelfstandige motieven mogelijk op eigen titel een vergunning tot verblijf op grond van [artikel 12a WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=12a) krijgen.
Een minderjarige vreemdeling niet wordt begeleid door zijn ouders of een voogd kan ook vanwege zelfstandige motieven in aanmerking komen voor een vergunning tot verblijf op grond van [artikel 12a WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=12a). Om te kunnen vaststellen of een minderjarige vreemdeling als vluchteling kan worden erkend, gelden dezelfde criteria als voor volwassen vreemdelingen. Bij de beoordeling van een aanvraag om bescherming van een minderjarige vreemdeling moet wel rekening worden gehouden met de mate van geestelijke ontwikkeling en volwassenheid van de minderjarige, in relatie tot zijn (persoonlijke en culturele) achtergrond. Over het algemeen genomen geldt dat van een minderjarige niet dezelfde mate van onderbouwing en gedetailleerdheid van verklaringen kan worden verwacht als van een volwassene.
### 2.6. Artikelen 1B tot en met 1F Vluchtelingenverdrag
### 2.6.1. Algemeen
De toets aan artikel 1A Vluchtelingenverdrag wordt pas uitgevoerd indien is vastgesteld dat de situatie onder 1C tot en met 1F Vluchtelingenverdrag niet van toepassing is.
### 2.6.2. Artikel 1B
Op grond van artikel 1B hebben landen die bij het Vluchtelingenverdrag zijn aangesloten, de mogelijkheid om de reikwijdte van het verdrag geografisch en in tijd te beperken. Nederland en de openbare lichamen kennen een dergelijke beperking niet. Dat betekent dat personen vanuit de hele wereld als vluchteling kunnen worden beschouwd. Artikel 1B heeft op de openbare lichamen dus geen zelfstandige betekenis.
### 2.6.3. Artikel 1C
Een vreemdeling verliest op grond van artikel 1C Vluchtelingenverdrag zijn recht op erkenning als vluchteling wanneer:
Voorbeelden van e en f zijn bijvoorbeeld situaties dat er in een land een machtswisseling heeft plaatsgevonden, waardoor onderdanen van dit land en personen die in dit land hun gewone verblijfplaats hadden, weer veilig kunnen terugkeren nadat zij eerder vanwege het heersende regime waren gevlucht.
Dat is alleen anders wanneer de situatie in dat land voor een individuele vluchteling, ondanks de gewijzigde situatie, nog altijd niet veilig is.
### 2.6.4. Artikel 1D
Het Vluchtelingenverdrag is op grond van artikel 1D niet van toepassing op personen die bescherming of bijstand genieten van andere organen of instellingen van de VN dan de UNHCR. Wanneer deze bescherming of bijstand om welke reden dan ook is opgehouden, zullen de personen die zich nog in het voormalig mandaatgebied bevinden van rechtswege, dus automatisch, onder het Vluchtelingenverdrag vallen.
Bijvoorbeeld is het Vluchtelingenverdrag niet van toepassing op staatloze Palestijnen in Jordanië, Libanon, Syrië en in de door Israël bezette gebieden omdat zij onder het mandaat vallen van de UNRWA. In het geval een Palestijn het mandaatgebied van de UNRWA zelfstandig verlaat, valt de uitsluitingsgrond van artikel 1D, eerste paragraaf, Vluchtelingenverdrag weg en is het Vluchtelingenverdrag weer van toepassing. Dit betekent echter niet dat voor deze persoon automatisch een verblijfsvergunning voor bescherming moet worden verleend. In gevallen waarin de personen het mandaatgebied hebben verlaten en in een ander land bescherming vragen dient een individuele beoordeling van de aanvraag om bescherming plaats te vinden.
### 2.6.5. Artikel 1E
Als een vreemdeling dezelfde rechten en plichten heeft als een geboren Nederlandse onderdaan van de openbare lichamenis het Vluchtelingenverdrag niet van toepassing. De opstellers van het Verdrag hadden de vreemdelingen van Duitse herkomst voor ogen die zich na de Tweede Wereldoorlog rond 1951 vestigden in Duitsland.
### 2.6.6. Artikel 1F
Het Vluchtelingenverdrag is voorts op grond van artikel 1F niet van toepassing op een persoon ten aanzien van wie er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat hij oorlogsmisdrijven of andere ernstige misdrijven heeft gepleegd. Personen op wie deze bepaling van toepassing is komen niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning voor bescherming op grond van [artikel 12a, eerste lid, onder a, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=12a). Zij komen evenmin voor bescherming in aanmerking op grond van artikel 12a, eerste lid, onder b, WTU-BES.
Bij de beoordeling of de vreemdeling bescherming toekomt op grond van het Vluchtelingenverdrag, wordt daarom eerst de toepasselijkheid van artikel 1F Vluchtelingenverdrag onderzocht voordat wordt bezien of de vreemdeling een verdragsvluchteling in de zin van artikel 1A van het Vluchtelingenverdrag is. Voor het tegenwerpen van artikel 1F is een (buitenlands) strafvonnis niet nodig, omdat vervolging van deze misdaden niet altijd kan plaatsvinden. Wordt artikel 1F tegengeworpen, dan is de toets aan het Vluchtelingenverdrag afgerond.
Ingevolge artikel 1F zijn de bepalingen van het Vluchtelingenverdrag niet van toepassing op een persoon ten aanzien van wie er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat:
Hierbij valt bijvoorbeeld te denken aan een individu of een land dat een gewapende aanval op burgers heeft ingezet.
Belangrijke instrumenten ter invulling van art. 1Fa zijn bijvoorbeeld:
Factoren die een rol spelen bij het bepalen van de ernst van een misdrijf zijn de aard van de handeling en de omvang van de gevolgen van de handeling. Wanneer er wordt gesteld dat een ernstig misdrijf is gepleegd om een politieke doelstelling na te streven, wordt een predominantie test uitgevoerd, dat wil zeggen dat het politieke element van het misdrijf afgewogen wordt tegen het commune element ervan en dat wordt gekeken of wordt voldaan aan de beginselen van subsidiariteit en proportionaliteit. Dat wil zeggen dat beoordeeld moet worden in hoeverre het delict dat betrokkene heeft gepleegd, zich verhoudt tot het bereiken van het beoogde politieke doel. Met andere woorden: had hij dit doel misschien ook op een andere, minder vergaande, manier kunnen bereiken.
Deze pre-dominantietest wordt toegepast bij relatieve politieke misdrijven als mishandeling (tenzij mishandeling hier moet worden beschouwd als foltering/marteling), drugshandel, roofovervallen met buitensporig geweld en brandstichting.
De pre-dominantietest kan achterwege blijven bij misdrijven die vallen binnen de delictsomschrijving van enig bindend internationaal instrument dat bepaalt dat er in geval van een misdrijf dat binnen het bereik van dat instrument valt geen sprake kan zijn van een politiek misdrijf en/of van vluchtelingschap. Voorbeelden van zulke internationale instrumenen zijn het Genocide Verdrag, het Europees Verdrag ter bestrijding van terrorisme van 1977 en de resoluties 1269 en 1373 van de Veiligheidsraad van de VN van respectievelijk 19 oktober 1999 en september 2001 inzake terrorisme.
Voorbeelden van dit soort misdrijven zijn onder meer moord, doodslag, verkrachting, foltering, genocide, slavernij, slavenhandel, hoogverraad en het verstoren van verkiezingen, vliegtuigkaping, aanslagen op internationaal beschermde personen, ontvoering, gijzeling, vrijheidsberoving en bomaanslagen en -brieven.
De doelstellingen van de VN staan opgesomd in de preambule en artikel 1 van het Handvest van de VN van 1945. De beginselen van de VN staan opgesomd in artikel 2 van het Handvest. Artikel 1F (c) is van toepassing op gevallen van schendingen van deze doelstellingen en beginselen. Het heeft in het bijzonder betrekking op personen met een hoge openbare functie die uit hoofde van hun verantwoordelijkheden handelingen hebben bevolen of toegestaan die in strijd zijn met genoemde doelstellingen en/of beginselen, alsmede op personen die verantwoordelijkheid hebben gedragen voor dergelijke handelingen, bijvoorbeeld omdat zij deel uitmaakten van de veiligheidsdiensten.
De volgende handelingen vallen in ieder geval onder artikel 1F(c):
Om artikel 1F tegen te kunnen werpen dient er sprake zijn van een ernstig vermoeden dat de betrokken vreemdeling heeft deelgenomen aan een misdrijf vallend onder artikel 1F. De bewijslast hierbij ligt in dit bijzondere geval bij de Minister.
Bezien moet worden of de vreemdeling individueel verantwoordelijk kan worden gehouden voor het misdrijf/de misdrijven. Daarvoor dient er een ernstig vermoeden te zijn dat hij op enige wijze persoonlijk heeft deelgenomen ('personal participation') en weet heeft gehad of had behoren te hebben van het plegen van het betreffende misdrijf/de misdrijven ('knowing participation').
Bij de toetsing van de verschillende deelnemingsvormen aan een misdrijf, bijv. het plegen van of iemand aanzetten tot het plegen van een misdrijf of deelnemen aan een criminele organisatie moet aansluiting worden gezocht bij de artikelen 25, en 28 van het Statuut van Rome.
Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord of iemands opzet ook gericht was op het plegen van het misdrijf overeenkomstig artikel 30 van het Statuut van Rome.
Wanneer het vermoeden bestaat dat een vreemdeling oorlogsmisdrijven of andere ernstige misdrijven als bedoeld in artikel 1F Vluchtelingenverdrag heeft gepleegd, dient voor advies hoe te handelen bij de beoordeling van de aanvraag contact te worden opgenomen met de unit 1F van de IND in Nederland.
### 2.7. Terugzending (refoulement)
In het geval is vastgesteld dat een vreemdeling een vluchteling is, dan mag deze vreemdeling niet – op welke wijze dan ook – worden teruggezonden naar een land waar zijn leven of vrijheid zou worden bedreigd wegens de in artikel 1A Vluchtelingenverdrag genoemde gronden (het gebod van non-refoulement; zie artikel 33, eerste lid, Vluchtelingenverdrag).
In beginsel zal terugzending van een vreemdeling aan de orde zijn als de openbare lichamen een vreemdeling van het grondgebied willen verwijderen of willen voorkomen dat de vreemdeling het grondgebied betreedt. Landen van herkomst worden geacht hun eigen onderdanen terug nemen. Terugzending van een vreemdeling zal dus in beginsel plaatsvinden naar het land waar de vreemdeling de nationaliteit van heeft. De vreemdeling heeft als gevolg van het Vluchtelingenverdrag in deze situatie het recht zich te beroepen op zijn status van vluchteling.
Als de vreemdeling zich erop beroept dat hij vluchteling is, moet voorafgaand aan de terugzending worden onderzocht of de terugzending van de vreemdeling naar het land van zijn nationaliteit een schending van het Vluchtelingenverdrag is. Er moet ook worden onderzocht of er andere mogelijkheden zijn om de vluchteling van het grondgebied te verwijderen zonder dat er sprake is van schending van het Vluchtelingenverdrag. Dit kan als bescherming ergens anders kan worden verleend of als één van de andere gronden van het Vluchtelingenverdrag van toepassing is (artikel 1B tot en met 1F: zie 4.2.6).
Artikel 33, tweede lid, Vluchtelingenverdrag staat een uitzondering op het verbod van refoulement toe, namelijk wanneer de vluchteling een bedreiging vormt van de nationale veiligheid of de openbare orde.
### 3. Bescherming in het EVRM tegen foltering of onmenselijke behandeling
### 3.1. Foltering of onmenselijke behandeling
Op grond van [artikel 12a, eerste lid, onder b, WTU](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=12a), kan een verblijfsvergunning worden verleend voor bescherming, indien de vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting naar zijn land van herkomst een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen, aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen.
Deze bepaling is ontleend aan artikel 3 EVRM. De verwijdering naar een land waar iemand een reëel risico (‘real risk’) loopt aan een dergelijke behandeling te worden onderworpen, vormt een schending van dit artikel. Indien dit reële risico aannemelijk is gemaakt of geworden, is dit in beginsel aanleiding tot verlening van een verblijfsvergunning bescherming. De enkele mogelijkheid (mere possibility) van schending van artikel 3 EVRM is onvoldoende.
Vreemdelingen kunnen bescherming inroepen tegen terugkeer naar het land van herkomst als zij aannemelijk maken dat zij na de verwijdering naar dat land een reëel risico (‘real risk’) lopen te worden onderworpen aan:
In het geval van een reëel risico mag het gastland dat is aangesloten bij het EVRM de betrokken vreemdeling niet terugsturen naar zijn land van herkomst, omdat dit een schending is van artikel 3 EVRM. De openbare lichamen zijn aangesloten bij het EVRM.
De reikwijdte van artikel 3 EVRM wordt bepaald door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in Straatsburg. De jurisprudentie blijft in ontwikkeling.
Actoren van een behandeling in de zin van artikel 3 EVRM kunnen onder meer zijn:
Indien de behandeling niet plaatsvindt door de centrale autoriteiten van een land, maar bijvoorbeeld door de lokale autoriteiten, is van belang dat de betrokkene, van wie is vastgesteld dat er een reëel risico bestaat op een dergelijke behandeling, niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van [artikel 12a, eerste lid, onder b. WTU](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=12a), indien is vastgesteld dat hij zich aan de gevreesde gebeurtenissen kan onttrekken door zich elders in het land van herkomst te vestigen.
Een reëel risico op een behandeling als bedoeld in artikel 3 EVRM door derden wordt alleen aangenomen als de betrokkene aannemelijk heeft gemaakt dat de staat, of partijen of (internationale) organisaties in het land geen bescherming kunnen of willen bieden tegen de bedoelde behandeling.
### 3.2. Individualiseringsvereiste in de jurisprudentie
Om in aanmerking te komen voor een verblijfsvergunning bescherming voor bepaalde tijd op grond van [artikel 12, eerste lid, onder b, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=12), dient de vreemdeling aannemelijk te maken dat hij bij terugkeer een reëel risico loopt op de in die bepaling bedoelde behandeling. Bij de beantwoording van de vraag of de vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer een reëel risico loopt op een behandeling als bedoeld in artikel 3 EVRM is niet alleen de persoonlijke situatie van de vreemdeling van belang, maar ook de situatie in zijn land van herkomst. Met andere woorden: de individuele aspecten die de vreemdeling naar voren brengt, moeten worden afgewogen tegen de gewelds- en mensenrechtensituatie in het land van herkomst. Hoe slechter de situatie in het land van herkomst (‘most extreme cases’) hoe minder ‘distinguishing features’ nodig zijn om een reëel risico als bedoeld in artikel 3 EVRM aan te tonen. Dit vloeit voort uit de jurisprudentie van het Europese Hof van de rechten van de Mens. Er zijn vier situaties te onderscheiden.
### 3.2.1. Uitzonderlijke situatie
Wanneer er in het land van herkomst sprake is van een uitzonderlijk slechte veiligheidssituatie, kan de vreemdeling in aanmerking komen voor bescherming om de enkele reden dat hij uit dit land komt (zie de uitspraak N.A. tegen het Verenigd Koninkrijk, EHRM 17 juli 2008, nr 25904/07). Van een uitzonderlijke situatie als hier bedoeld zal slechts zelden sprake zijn en er zijn nog geen voorbeelden van bekend. In de jurisprudentie zal dit criterium verder uitgewerkt worden. Het zal in ieder geval moeten gaan om een situatie gaan waarin heel veel gebruik wordt gemaakt van dodelijke wapens zodat het gevaar om een dodelijk slachtoffer te worden heel erg groot is.
In het geval UNHCR in een actuele positie over een land verklaart dat in dit land sprake is van een uitzonderlijke slechte veiligheidssituatie, is deze positie in beginsel leidend voor de beoordeling maar niet bindend voor het verbod op uitzetting. Dat wil zeggen dat als er naast deze informatie van UNHCR ook andersluidende objectieve informatie beschikbaar is uit andere bronnen, de uitkomst van de weging van de informatie en de bronnen kan zijn dat de situatie toch niet zodanig uitzonderlijk slecht is dat de terugkeer van betrokkene een schending van het verdrag betekent.
Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn wanneer de UNHCR de situatie in een bepaald land aanmerkt als uitzonderlijk slecht, terwijl uit een ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken blijkt dat de aard en de intensiteit van het geweld in het land niet dusdanig is, dat moet worden geconcludeerd dat iedere burger in dat land een reëel risico op ernstige schade loopt.
### 3.2.2. De mensenrechten van een bevolkingsgroep worden systematisch geschonden
Bij de bepaling of de mensenrechten van een bevolkingsgroep systematisch worden geschonden, zal de beschikbare landeninformatie een richtsnoer vormen om te concluderen of deze situatie zich in een land van herkomst van de vreemdeling voordoet. Deze situatie zal zich niet snel voordoen. Indien de vreemdeling aannemelijk maakt dat hij behoort tot een bevolkingsgroep van wie mensenrechten systematisch worden geschonden, komt hij in aanmerking voor bescherming. zie de uitspraak N.A. tegen het Verenigd Koninkrijk, EHRM 17 juli 2008, nr 25904/07
### 3.2.3. Kwetsbare minderheidsgroep
Bij de bepaling of een bevolkingsgroep moet worden aangemerkt als een kwetsbare minderheidsgroep zijn de volgende aspecten van belang:
In het landgebonden beleid dat in Nederland onder de Vreemdelingenwet is uitgewerkt, zijn verschillende groepen aangewezen als kwetsbare minderheidsgroepen. Deze aangewezen groepen gelden ook op de openbare lichamen als kwetsbare minderheidsgroepen. Indien in Nederland wijzigingen in deze aanwijzing worden doorgevoerd, gelden ze ook op de openbare lichamen. Voor de meest actuele informatie over kwetsbare minderheidsgroepen kan contact worden opgenomen met de IND in het Europese deel van Nederland.
Voor het oordeel dat de vreemdeling met op zichzelf beperkte indicaties aannemelijk heeft gemaakt dat een schending van artikel 3 EVRM dreigt, is niet vereist dat betrokkene persoonlijk een behandeling heeft ondervonden die voldoet aan de omschrijving van [artikel 12, eerste lid, onder b, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=12).
Ook indien er sprake is van mensenrechtenschendingen in de naaste omgeving van de vreemdeling bij personen die behoren tot de zelfde kwetsbare minderheidsgroep, kan dit voldoende grond zijn om beperkte indicaties aan te nemen. Onder mensenrechtenschendingen wordt in dit verband onder meer verstaan: moord, verkrachting, mishandeling, intimidatie of beroving. In deze gevallen wordt niet van de vreemdeling verlangd om aannemelijk te maken dat de betreffende mensenrechtenschendingen zijn ingegeven door het behoren tot dezelfde kwetsbare minderheidsgroep.
In beginsel wordt ervan uitgegaan dat de mensenrechtenschendingen die ten aanzien van de vreemdeling zelf of in zijn naaste omgeving hebben plaatsgevonden, voldoende grond opleveren voor het oordeel dat de vreemdeling bij terugkeer – opnieuw dan wel alsnog – een reëel risico zal lopen op een behandeling als bedoeld in artikel 3 EVRM. Dit kan echter anders zijn, als er sprake is van een aanzienlijk tijdsverloop tussen de desbetreffende mensenrechtenschendingen en het vertrek uit het land van herkomst en de vreemdeling gedurende die periode geen nieuwe problemen heeft ondervonden.
Onder ‘mensenrechtenschendingen in de naaste omgeving’ wordt ook verstaan gebeurtenissen die hebben plaatsgevonden in de naaste omgeving van de vreemdeling in het land van herkomst nadat de vreemdeling zelf al uit het land was vertrokken. Het oordeel, dat de vreemdeling bij terugkeer een reëel risico loopt op een behandeling als bedoeld in [artikel 12 WTU](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=12) kan dus ook gevormd worden op basis van gebeurtenissen die hebben plaatsgevonden na vertrek van de vreemdeling.
Zie uitspraak Salah Sheekh (nr. 1948/04), tegen Nederland
### 3.2.4. Individuele indicaties in de persoonlijke omstandigheden
Als geen sprake is van een situatie als genoemd in de paragrafen 3.2.1, 3.2.2, of 3.2.3 dient de vreemdeling, om toch in aanmerking te komen voor een verblijfsvergunning bescherming voor bepaalde tijd op grond van [artikel 12, eerste lid, onder b, WTU](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=12), aannemelijk te maken dat hij bij terugkeer een reëel risico loopt op de in die bepaling bedoelde behandeling. De bewijslast is hoog. De vreemdeling dient specifieke individuele kenmerken (‘special distinguishing features’) naar voren te brengen, waaruit dit persoonlijk risico op een behandeling in de zin van artikel 3 EVRM valt af te leiden. Hiervan kan bijvoorbeeld sprake zijn als de vreemdeling aannemelijk maakt dat hij vanwege het feit dat hij overspel heeft gepleegd bij terugkeer in zijn land van herkomst een reëel risico loopt te worden bestraft met zweepslagen. Zie de uitspraken inzake Vilvarajah en anderen tegen het Verenigd Koninkrijk, uitspraaknummers 13163/87, 13164/87, 13165/87, 13447/87, 13448/87.
### 3.3. Het verbod op uitzetting heeft een absoluut karakter
Artikel 3 EVRM heeft een absoluut karakter, dat wil zeggen dat het geen uitzonderingen toelaat op het bereik ervan. Anders dan het Vluchtelingenverdrag (artikel 33, tweede lid), kent het EVRM geen uitzondering op de plicht van non-refoulement wanneer de vreemdeling een bedreiging vormt voor de nationale veiligheid of openbare orde.
Dit betekent dat wanneer de vreemdeling aannemelijk maakt dat hem een reëel risico op executie of de doodstraf wacht of een andere onmenselijke behandeling in zijn land op grond van het feit dat hij daar een commuun delict heeft gepleegd, het EVRM de terugkeer naar het land van herkomst verbiedt.
Maar het EVRM verplicht in beginsel niet tot het verlenen van een verblijfsvergunning; er moet enkel worden afgezien van uitzetting van de vreemdeling naar het land van herkomst. Indien de vreemdeling naar een ander land kan worden uitgezet waar diens toelating wordt gewaarborgd is dit onder het EVRM ook toegestaan.
### 4. De beoordeling van aanvragen om bescherming
### 4.1. Afwijzing zonder statusbepaling
Bij de beoordeling van de aanvraag om bescherming wordt eerst bekeken of de aanvraag zonder specifieke statusbepaling kan worden afgehandeld:
Een verzoek om bescherming kan worden afgewezen zonder statusbepaling als:
Een aanvraag om bescherming kan worden afgewezen zonder statusbepaling indien aannemelijk is dat de openbare lichamen niet het eerste land van ontvangst zijn omdat de vreemdeling:
Hierbij kan het gestelde onder artikel 1C van het Vluchtelingenverdrag worden betrokken.
Bij de beantwoording van de vraag of een vreemdeling rechtstreeks naar de openbare lichamen is gekomen kan de al in het vervolgingsland bestaande bedoeling van de vreemdeling om juist op de openbare lichamen bescherming te verkrijgen een rol spelen. Dit is alleen het geval als het bestaan van deze bedoeling uit objectieve feiten en/of omstandigheden blijkt.
Het kan ook zijn dat er sprake is van een derde land waar de toelating en het verblijf gewaarborgd is. Het is niet noodzakelijk dat de vreemdeling in een derde land eerder verbleven heeft, maar er moet wel op grond van objectieve feiten en omstandigheden worden beoordeeld of betrokkene tot het land zal worden toegelaten.
Voorts moet er sprake zijn van enige omstandigheden op grond waarvan geconcludeerd kan worden dat betrokkene beschermd is tegen refoulement.
Indien de toelating in een eerder ontvangend of derde land een tijdelijk of voorlopig karakter kent hoeft dit geen aanwijzing te zijn dat de betrokkene aangewezen is op bescherming op de openbare lichamen, aangezien een verblijfstitel verband houdend met bescherming op de openbare lichamen eveneens een tijdelijke karakter kent.
### 4.2. Toetsingsvolgorde
### 4.2.1. Algemeen
Wanneer een aanvraag om bescherming niet zonder statusbepaling kan worden afgewezen, dient eerst te worden beoordeeld of de vreemdeling een verdragsvluchteling is en in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning verband houdend met bescherming op grond van [artikel 12a, eerste lid, onder a, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=12a)
Als de vreemdeling hier niet voor in aanmerking komt, dient te worden beoordeeld of de vreemdeling bij terugkeer een schending van artikel 3 EVRM staat te wachten en in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning verband houdend met bescherming op grond van [artikel 12a, eerste lid, onder b, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=12a).
Daartoe wordt allereerst beoordeeld of het relaas geloofwaardig is, zie 4.3.
Zie 4.4. voor de situatie waarin een vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde of de nationale veiligheid.
### 4.2.2. Toetsingsvolgorde bij toetsing aan het Vluchtelingenverdrag
De toetsing aan het Vluchtelingenverdrag vindt plaats in de volgende volgorde:
Bij de beoordeling of betrokkene een vluchteling is in de zin van het Vluchtelingenverdrag speelt de geloofwaardigheid van de verklaringen van de vreemdeling een grote rol (zie 4.4.3).
Wanneer wordt geconstateerd dat betrokkene een vluchteling is in de zin van het Vluchtelingenverdrag, dan kan hij in aanmerking komen voor een vergunning tot verblijf voor bescherming als bedoeld in [artikel 12a, eerste lid, onder a, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=12a). De aanvraag dient echter eerst nog getoetst te worden aan de vraag of betrokkene een gevaar vormt voor de nationale veiligheid en openbare orde.
### 4.2.3. Toetsingsvolgorde bij toetsing aan artikel 3 EVRM
Binnen het uitgangspunt dat er steeds sprake is van een individuele beoordeling, valt de toets in vier achtereenvolgende stappen uiteen. Om praktische redenen geldt de volgende volgorde:
Het gaat steeds om de beoordeling van de situatie zoals die is in het land van herkomst op het moment dat het vertrek van de vreemdeling naar het land van herkomst aan de orde is. Dat geldt dus:
Ook bij de toetsing aan artikel 3 EVRM speelt de geloofwaardigheid van de verklaringen van de vreemdeling een grote rol.
Wanneer wordt geconstateerd dat betrokkene bij terugkeer naar zijn land van herkomst een behandeling als bedoeld in artikel 3 EVRM staat te wachten, dient vervolgens getoetst te worden of betrokkene een gevaar vormt voor de nationale veiligheid en openbare orde. Zo dit niet het geval is kan de vreemdeling in aanmerking komen voor een vergunning tot verblijf voor bescherming als bedoeld in [artikel 12a, eerste lid, onder b, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=12a). wanneer.
### 4.3. Bewijslast en geloofwaardigheid
De vreemdeling hoeft niet expliciet te bewijzen maar moet aannemelijk maken dat hij gegronde vrees heeft voor vervolging of dat hij een reëel risico loopt op een behandeling als bedoeld in artikel 3 EVRM. Hij moet alle relevante gegevens aanreiken. Zijn verklaringen moeten:
Wanneer de verklaringen van de vreemdeling niet consistent of geloofwaardig zijn en/of niet passen in wat algemeen bekend is over de situatie in het land van herkomst, heeft de vreemdeling onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij voor bescherming in aanmerking komt en dient de aanvraag om bescherming te worden afgewezen.
Als de vreemdeling niet over zodanig bewijs beschikt, moet hij een verklaring hebben voor het ontbreken ervan. Slaagt hij hierin, dan kan nader onderzoek worden ingesteld en/of hem het voordeel van de twijfel worden toegekend.
Ambtsberichten van de Minister van Buitenlandse Zaken van Nederland kunnen als gezaghebbende bronnen worden aangemerkt.
### 4.4. Openbare orde en nationale veiligheid
### 4.4.1. Algemeen
Aanvragen om bescherming kunnen worden afgewezen indien de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde of nationale veiligheid.
Op verschillende manieren kan duidelijk worden dat de vreemdeling een misdrijf heeft gepleegd:
Onder gevaar voor de openbare orde wordt ook begrepen gevaar voor de openbare rust, de goede zeden, de volksgezondheid of de (goede) internationale betrekkingen. Ook ongewenste politieke activiteiten kunnen onder het openbare orde begrip worden geschaard.
Onder gevaar voor de gemeenschap of de nationale veiligheid wordt ook verstaan de situatie waarin het verlenen van een verblijfsvergunning zou betekenen dat de openbare lichamen zouden worden tot een gastland van mensen die elders de publieke rechtsorde ernstig schokten door daden die ook naar Nederlands recht zware misdrijven zouden opleveren.
### 4.4.2. Openbare orde en het Vluchtelingenverdrag
Als de vreemdeling een verdragsvluchteling is, mag de betrokkene een verblijfsvergunning geweigerd worden en mag de vreemdeling uitgezet worden op grond van artikel 33, tweede lid, van het Vluchtelingenverdrag als:
Een gevaar voor de nationale veiligheid is een afwijzingsgrond ontleend aan het algemeen belang. Dit is niet afhankelijk van een strafrechtelijke veroordeling en wordt per geval beoordeeld. Er dienen concrete aanwijzingen te zijn, bijvoorbeeld een ambtsbericht van een (inter-)nationaal ministerie of inlichtingendienst.
Er is sprake van een bijzonder ernstig misdrijf als:
Voor het weigeren van de vergunning is tevens vereist dat de vreemdeling een gevaar vormt voor de gemeenschap van de openbare lichamen. Dit wordt ex nunc (op het moment van de beslissing) beoordeeld. Het feit dat sinds de veroordeling een aanzienlijke tijd is verstreken zonder dat recidive heeft plaatsgevonden, kan een aanwijzing vormen dat de vreemdeling geen gevaar meer oplevert. In geval van een bijzonder misdrijf wordt een verjaringstermijn van tien jaren gehanteerd.
### 4.4.3. Openbare orde en artikel 3 EVRM
Indien de vreemdeling beschermd moet worden tegen terugkeer naar het land van herkomst omdat er een reëel risico is op een onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 3 EVRM, betekent dit niet automatisch dat hij in aanmerking komt voor de gevraagde vergunning tot tijdelijk verblijf. In de onderstaande situaties wordt de betrokkene niet teruggezonden, maar wordt de gevraagde vergunning niet verleend.
Er zijn ernstige redenen om aan te nemen dat:
Deze weigeringsgrond komt overeen met de in artikel 1F Vluchtelingenverdrag onder a. genoemde misdrijven
Er is sprake van een ernstig misdrijf als:
Deze afwijzingsgrond komt overeen met de handelingen, bedoeld in artikel 1F, onder c, Vluchtelingenverdrag.
Een gevaar voor de nationale veiligheid is een weigeringsgrond ontleend aan het algemeen belang. Dit is niet afhankelijk van een strafrechtelijke veroordeling en wordt per geval beoordeeld. Er moeten concrete aanwijzingen te zijn, bijvoorbeeld een ambtsbericht van een (inter-)nationaal ministerie of inlichtingendienst
Of hiervan sprake is, wordt aan de hand van de concrete omstandigheden van het geval beoordeeld. Voor verdere informatie kan de medewerker van de IND unit Caribisch Nederland contact opnemen met de unit 1F van de IND in het Europese deel van Nederland.
### 5. De procedure van verzoeken om bescherming
### 5.1. Start van de procedure
Een aanvraag om bescherming kan alleen worden ingediend bij de IND unit Caribisch Nederland. Voorafgaand aan de indiening van de aanvraag dient de vreemdeling contact op te nemen met een ambtenaar belast met de grensbewaking en/of het toezicht.
Steeds dienen de ambtenaren belast met de grensbewaking en het toezicht in contacten met vreemdelingen die niet over de juiste documenten beschikken en daarom in beginsel geen recht op toegang of toelating hebben, zorgvuldig te beoordelen of een vreemdeling een aanvraag om bescherming wil indienen, ook al verzoekt de vreemdeling niet met zoveel woorden om bescherming.
Zodra de ambtenaar belast met de grensbewaking duidelijk is dat de vreemdeling bescherming wil aanvragen, moet hij eerst beoordelen of de vreemdeling in dit kader toegang krijgt om zich in persoon op afspraak bij de IND unit Caribisch Nederland te melden. Als de ambtenaar overweegt de toegang te weigeren, moet hij hiervoor een bijzondere aanwijzing vragen aan de IND unit Caribisch Nederland. Weigering van de toegang kan bijvoorbeeld aan de orde zijn in het geval er sprake is van een claimmogelijkheid op een vervoerder of in het geval er aanleiding is voor het vermoeden dat de vreemdeling zich aan het toezicht gaat onttrekken.
De ambtenaar belast met het toezicht dan wel de ambtenaar belast met de grensbewaking beoordeelt tevens in overleg met de IND unit Caribisch Nederland of de vreemdeling de procedure in bewaring moet afwachten of dat hij op afspraak bij de IND unit Caribisch Nederland kan verschijnen voor de indiening van de aanvraag.
### 5.2. Situatie in bewaring
In het geval de vreemdeling de procedure in bewaring moet afwachten wordt de IND unit Caribisch Nederland zo spoedig mogelijk op de hoogte gesteld dat de vreemdeling een aanvraag om bescherming wil indienen. De vreemdeling wordt op de locatie waar de bewaring ten uitvoer wordt gelegd in de gelegenheid gesteld een aanvraagformulier te ondertekenen. Hij wordt omtrent de aanvraag in bewaring gehoord door de IND unit Caribisch Nederland. De rechtsbijstandverlener die de vreemdeling bijstaat in het kader van de inbewaringstelling, wordt vooraf door de IND unit Caribisch Nederland geïnformeerd over de datum waarop het gehoor plaatsvindt.
### 5.3. Handelingen in het kader van het toezicht
Wanneer een vreemdeling een aanvraag om bescherming wil indienen en er geen aanleiding bestaat om de vreemdeling in bewaring te stellen, dient de ambtenaar belast met grensbewaking (die tevens bevoegd is om handelingen in het kader van toezicht uit te voeren) of de ambtenaar belast met toezicht handelingen uit te voeren ter voorbereiding van de indiening en behandeling van de aanvraag om bescherming.
Voor zover een goede communicatie dit vergt moet voor dit eerste contact een betrouwbare tolk worden ingeschakeld. De tolk kan in persoon of op afstand worden ingezet via telefoon of videoconference.
In het kader van toezicht en de voorbereiding op de indiening en behandeling van de aanvraag wordt de identiteit van de vreemdeling vastgesteld. De vreemdeling en diens kleding en bagage worden onderzocht op de aanwezigheid van reis- of identiteitspapieren, documenten of bescheiden die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de aanvraag. In het geval de vreemdeling vergezeld wordt door gezinsleden, geldt voor hen hetzelfde. De gegevens van de vreemdeling(en) worden geregistreerd, voorzover hun gegevens nog niet in de vreemdelingenadministratie voorkomen.
In het geval de hoofdpersoon vergezeld wordt door gezinsleden die ouder zijn dan twaalf jaar, vraagt de toezichthouder de gezinsleden of zij bescherming willen omdat de hoofdpersoon problemen heeft met terugkeer of dat zij vanwege hun eigen identiteit en/of activiteiten problemen hebben met terugkeer. De IND unit Caribisch Nederland legt uit dat het verschil relevant is omdat in het geval zij zelf problemen vrezen, zij zelf een aanvraag om bescherming kunnen indienen en zij zelf gehoord worden. In het geval zij zelf niet gehoord willen worden, kunnen zij om gezinshereniging vragen en in aanmerking komen voor een afgeleide vergunning tot verblijf (zie onder 6.)
De toezichthouder of, indien nodig de IND unit Caribisch Nederland stelt de vreemdeling(en) bij het eerste contact in de gelegenheid de motieven voor de aanvraag om bescherming op schrift te stellen.
Op basis van de verzamelde gegevens gaat de ambtenaar na of betrokkene(n) in de beschikbare (opsporings)registers voorkomt/voorkomen.
Vervolgens wordt telefonisch een afspraak gemaakt voor de vreemdeling(en) voor een gesprek met de IND unit Caribisch Nederland op het openbare lichaam waar hij verblijft.
De volgende gegevens van de vreemdeling worden bij dit telefoongesprek telefonisch aan de IND unit Caribisch Nederland verstrekt:
In het geval dat de gezinsleden zelfstandig om bescherming verzoeken, moeten van hen dezelfde gegevens verstrekt te worden.
Per fax of op andere geschikte wijze worden aanvullend op het gesprek kopieën van documenten en de schriftelijke verklaring met de asielmotieven doorgegeven aan de IND unit Caribisch Nederland.
Er worden zo min mogelijk originele documenten van de vreemdeling ingenomen. Als originele documenten worden ingenomen, krijgt de vreemdeling een bewijs van ontvangst en een afschrift van de stukken. Als er twijfel bestaat of terugkeer mogelijk is enkel op basis van kopieën van de reisdocumenten, kunnen de reisdocumenten worden ingenomen totdat de terugkeer feitelijk wordt geëffectueerd of op het moment dat terugkeer niet aan de orde is omdat de gevraagde vergunning wordt afgegeven of omdat beslist is dat er weliswaar geen vergunning behoeft te worden afgegeven, bijvoorbeeld vanwege artikel 1F maar dat een gedwongen uitzetting naar het land van herkomst een schending van artikel 3 EVRM betekent en niet wordt overwogen.
### 5.4. Geen aantekeningen in documenten
Met nadruk wordt erop gewezen dat in de identiteits- en/of reisdocumenten van iemand die om bescherming verzoekt nooit aantekeningen mogen worden geplaatst, daar dit – bij afwijzing van het verzoek – voor de vreemdeling moeilijkheden in zijn land van herkomst met zich mee kan brengen.
Aantekeningen kunnen slechts worden gesteld op een afzonderlijk los inlegblad.
Onder vreemdelingen die bescherming verzoeken wordt in dit verband ook begrepen vreemdelingen wier verzoek om bescherming is afgewezen of die hun verzoek om bescherming hebben ingetrokken. In deze gevallen is het plaatsen van aantekeningen echter wel mogelijk als de vreemdeling niet langer enige procedure voert over zijn verzoek om bescherming én
### 5.5. Aanmelding en meldplicht
De vreemdeling meldt zich bij de toezichthouder aan als hij bescherming wil vragen. De vreemdeling krijgt bij de aanmelding een periodieke meldplicht opgelegd. Hangende de beslissing op zijn aanvraag geldt in beginsel een wekelijkse aanmeldplicht. De ambtenaar maakt in het kader van toezicht een aantekening op een inlegformulier bij het reisdocument van de vreemdeling waaruit blijkt wanneer en waar de betrokkene zich moet melden en of het de vreemdeling is toegestaan arbeid te verrichten.
In het geval de vreemdeling is vergezeld door gezinsleden gelden de aanwijzingen ook voor hen.
De ambtenaar belast met het toezicht wijst de vreemdeling erop dat de aanvraag kan worden afgewezen wegens het ontbreken van een belang indien de vreemdeling zonder opgaaf van reden niet verschijnt. De vreemdeling wordt er tevens op gewezen eventuele wijzigingen omtrent zijn bereikbaarheid direct door te geven.
### 5.6. Voorbereidende handelingen van de IND unit Caribisch Nederland
De IND unit Caribisch Nederland verwerkt de gegevens die ten aanzien van de vreemdeling die om bescherming wil verzoeken beschikbaar zijn gesteld en stelt een dossier samen. Voordat de afspraak voor indiening van de aanvraag en een gehoor met de vreemdeling gemaakt wordt, regelt de IND unit Caribisch Nederland zo nodig dat een tolk op het afgesproken tijdstip beschikbaar is.
Voordat de vreemdeling op de afgesproken tijd verwacht wordt, bereidt de IND unit Caribisch Nederland het gehoor zorgvuldig voor. Op basis van de schriftelijke motivering van de vreemdeling en aan de hand van de opgegeven nationaliteit en de verdere beschikbare gegevens bepaalt de IND unit Caribisch Nederland welke documentatie hij tijdens het gehoor nodig heeft, zoals een atlas om de woonomgeving en de vluchtroute van de vreemdeling te kunnen verifiëren. De IND unit Caribisch Nederland zet voor zichzelf de informatie van de vreemdeling af tegen de feiten die hij in de landeninformatie heeft gevonden. Op deze wijze kan de IND unit Caribisch Nederland gericht vragen voorbereiden en wellicht aansluitend aan het gehoor een beslissing nemen op de aanvraag.
In het geval het om een gezin gaat, bereidt de IND unit Caribisch Nederland ook vragen voor die aan de gezinsleden gesteld worden en bepaalt de IND unit Caribisch Nederland de volgorde waarin gehoord gaat worden. De IND unit Caribisch Nederland gaat na of er nog aanvullende handelingen verricht moeten worden. Hierbij valt te denken aan het eventueel collegiaal raadplegen van de IND in Nederland vooraf, tijdens of na het gehoor met het oog op dossieronderzoek of voor nader overleg. Een planning vooraf van de duur van het gehoor en over de mogelijkheid gezinsleden separaat van elkaar te horen kunnen nuttig zijn.
### 5.7. Melding op afspraak en het indienen van de aanvraag bij de IND unit Caribisch Nederland
Zodra de vreemdeling zich meldt bij de IND unit Caribisch Nederland stelt de IND unit Caribisch Nederland de vreemdeling(en) in de gelegenheid om de aanvraagformulieren en de antecedentenverklaring te ondertekenen. De aanvraag kan door de hoofdpersoon worden ondertekend mede namens de minderjarige kinderen in het geval zij hebben aangegeven dat zij niet zelfstandig hoeven te worden gehoord omdat zij geen zelfstandige motieven hebben.
De IND unit Caribisch Nederland gaat na of alle formulieren ondertekend zijn en of het dossier nu compleet is of dat er nog aandachtspunten zijn voor de beslissing op de verblijfsvergunning. Daarbij kan gedacht aan bijvoorbeeld een controle van de verblijfshistorie van betrokkene in de vreemdelingenadministratie of het maken van een aantekening in het dossier van zaken die bij het eerste persoonlijk contact opvallen, zoals bijvoorbeeld een ziek kind.Er dienen ook foto’s van de vreemdeling in het dossier aanwezig te zijn.
### 5.8. Het horen van de vreemdeling en de beslissing
Nadat de IND unit Caribisch Nederland de door de vreemdeling ondertekende aanvraagformulieren heeft gevoegd in het dossier, wordt de vreemdeling al dan niet met tussenkomst van een tolk en al dan niet in het bijzijn van een (rechts)hulpverlener gehoord over de motieven om beschermd te worden tegen terugkeer. Tevens vraagt de IND unit Caribisch Nederland naar de gezinssamenstelling en naar de persoonsgegevens van eventuele achtergebleven gezinsleden die mogelijk later nog gezinshereniging willen vragen. Ook wordt gevraagd naar het eventuele verblijf in derde landen voorafgaand aan de komst naar de openbare lichamen.
De IND unit Caribisch Nederland stelt tijdens het gehoor een verslag van het gehoor op.
Na afloop van het gehoor ontvangt de vreemdeling een exemplaar van het afgedrukte concept-verslag van het gehoor.
De IND unit Caribisch Nederland neemt ter plaatse het concept-verslag met hem door, zo nodig door tussenkomst van de tolk, en de vreemdeling krijgt de gelegenheid ter plaatse correcties aan te brengen.
In het geval de vreemdeling het verslag corrigeert, verwerkt de IND unit Caribisch Nederland de correcties in het verslag. De IND-BES medewerker maakt het verslag definitief. In het definitieve verslag gehoor vermeldt de IND unit Caribisch Nederland dat de vreemdeling correcties heeft voorgesteld en dat deze zijn verwerkt. De IND unit Caribisch Nederland geeft de vreemdeling een exemplaar van het aangepaste en uitgeprinte verslag van het gehoor mee en voegt tevens een exemplaar toe aan het dossier van de vreemdeling. De datum van het gehoor en de gegevens uit het gehoor worden door de IND unit Caribisch Nederland in het registratiesysteem vastgelegd.
De IND unit Caribisch Nederland gaat vervolgens na of alle gegevens aanwezig zijn om te beslissen op de aanvraag of dat er eerst andere handelingen moeten worden verricht, zoals het uitvoeren van een onderzoek naar de reisroute of naar een eventueel strafregister van de vreemdeling. Zoveel mogelijk wordt direct gehandeld. Dat betekent dat hetzij het wordt onderzoek gestart hetzij direct de beslissing wordt genomen.
Indien de beslissing niet direct wordt genomen, stelt de IND unit Caribisch Nederland de vreemdeling op de hoogte van de vermoedelijke datum waarop de beslissing genomen zal worden. De IND unit Caribisch Nederland informeert de vreemdeling tevens of hij, in het geval de wachtperiode dit rechtvaardigt, naar tijdelijk werk kan gaan zoeken. De vreemdeling wordt erop gewezen dat hij een werkgever moet zoeken die bereid is voor hem een tewerkstellingsvergunning aan te vragen. Als hij een werkgever heeft gevonden, dient hij de IND unit Caribisch Nederland op de hoogte te stellen zodat de IND unit Caribisch Nederland ten behoeve van de tewerkstellingsvergunning kan aangeven tot wanneer hij in verband met de lopende toelatingsprocedure in de openbare lichamen mag blijven.
### 5.9. Mededelingen omtrent wijziging van de situatie
Het is mogelijk dat zich tijdens de procedure feiten of omstandigheden voordoen die van belang kunnen zijn voor de inhoud van de te nemen beslissing.
Hierbij moet gedacht worden aan:
Van dergelijke feiten of omstandigheden moet de IND unit Caribisch Nederland onmiddellijk in kennis worden stellen in verband met de consequenties voor de beschikking Het kan ook voorkomen dat de IND unit Caribisch Nederland in verband met de voorbereiding van de beslissing op de aanvraag nog nadere informatie behoeft. In voorkomende gevallen zal de politie gevraagd worden deze informatie te verzamelen.
Tevens dient de vreemdeling en de hem bijstaande personen of instanties erop gewezen te worden dat het van belang is dat ook zij relevante gegevens aan de IND unit Caribisch Nederland – al dan niet door tussenkomst van de politie – doorgeven.
### 5.10. De strekking van de beslissing
De beslissing op de aanvraag kan inwilligend of afwijzend zijn.
De beslissing houdt tevens een uitspraak in over de verwijdering.
### 5.10.1. Inwilligende beslissing
In het geval de beslissing inhoudt dat de vreemdeling beschermd moet worden tegen terugzending wordt dit in beschikking aan de vreemdeling vastgelegd. Tevens wordt hierin aangetekend:
De IND unit Caribisch Nederland registreert de uitkomst van de beslissing en de datum van de uitreiking van de beslissing.
### 5.10.2. Ingangsdatum
Indien de aanvraag wordt ingewilligd geldt de datum van de indiening van de aanvraag in beginsel als ingangsdatum voor de te verlenen vergunning. Indien de inwilliging berust op feiten en/of omstandigheden die zich na het indienen van de aanvraag hebben voorgedaan, wordt de aanvraag ingewilligd met ingang van de dag dat door de vreemdeling is aangetoond dat aan de voorwaarden voor bescherming wordt voldaan.
### 5.10.3. Afwijzende beslissing met de beslissing dat de vreemdeling mag worden uitgezet
In het geval de beslissing inhoudt dat de vreemdeling niet tegen terugkeer beschermd hoeft te worden, maakt de IND unit Caribisch Nederland een gemotiveerde afwijzende beschikking op de aanvraag. Tevens beslist de IND unit Caribisch Nederland of de vreemdeling van het grondgebied verwijderd mag worden. Aangehecht aan de negatieve beschikking wordt gewezen op de mogelijkheid om rechtsmiddelen aan te wenden tegen het meervoudig besluit. Daarbij wordt vermeld dat het aanwenden van rechtsmiddelen het besluit niet schorst. Wel mag de vreemdeling een tijdig aanhangig gemaakte voorlopige voorziening afwachten (zie [hoofdstuk 19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028837&hoofdstuk=19&z=2010-10-08&g=2010-10-08)).
De vreemdeling wordt verzocht de IND unit Caribisch Nederland en de politie in kennis te stellen in het geval hij een rechtsmiddel heeft ingesteld.
De IND unit Caribisch Nederland registreert de uitkomst van de beslissing en de datum van de uitreiking van de beslissing.
### 5.10.4. Bijzondere situatie: de vreemdeling krijgt geen verblijfsvergunning maar mag niet worden uitgezet
In bijzondere gevallen kan de beslissing op de aanvraag inhouden dat de betrokkene vanwege het belang van de openbare orde en/of vanwege artikel 1F uitgesloten wordt van verblijf, maar niet mag worden uitgezet naar het land van herkomst. Aangehecht aan de negatieve beschikking wordt gewezen op de mogelijkheid om rechtsmiddelen aan te wenden tegen het meervoudig besluit. In het geval rechtsmiddelen worden ingesteld wordt de vreemdeling verzocht de IND unit Caribisch Nederland en de politie hiervan in kennis te stellen.
In tegenstelling tot de gebruikelijke werkwijze (zie **tekst** hieronder), wordt de beschikking in dit geval in drievoud per brief aan de politie aangeboden met het verzoek om:
Het derde exemplaar is bestemd voor de administratie van de politie.
In dit geval wordt de vreemdeling verzocht na te gaan of er een derde land bereid is hem toe te laten. De periodieke meldplicht blijft gelden zolang er nog gebruik kan worden gemaakt of is gemaakt van de mogelijkheid om rechtsmiddelen in te stellen.
De IND unit Caribisch Nederland registreert de uitkomst van de beslissing en de datum van de verzending van de beslissing.
### 5.11. Kennisgeving van beslissingen en aanzegging van vertrek
De beschikking wordt in beginsel door de IND unit Caribisch Nederland in persoon uitgereikt.
Bij de uitreiking dient aan de vreemdeling, in een voor hem kenbare taal, te worden medegedeeld wat de inhoud van de beschikking is. Wanneer de aanvraag om bescherming is afgewezen dient aan de vreemdeling te worden meegedeeld dat hij het land binnen vier weken moet verlaten, of korter als op grond van de uitzetting of de openbare orde een kortere vertrektermijn is gegeven. Daarnaast dient aan de vreemdeling te worden verteld dat een bezwaarschrift de termijn niet opschort maar dat een voorlopige voorziening met het verzoek om schorsing wel mag worden afgewacht. Voorts wordt de vreemdeling verzocht om de IND unit Caribisch Nederland en de politie in kennis te stellen van eventuele rechtsmiddelen die hij instelt.
Een afschrift van de beschikking wordt per brief aan de politie aangeboden. Tevens wordt de politie verzocht de periodieke meldplicht te beëindigen, tenzij de vreemdeling inmiddels naar aanleiding van een afwijzende beschikking een rechtsmiddel heeft ingesteld dat het aangezegde vertrek opschort.
Er kan zo nodig aansluitend aan de uitreiking van de beschikking worden overgegaan tot inbewaringstelling, voorzover is voldaan aan de voorwaarden voor inbewaringstelling. In dit geval dient de vreemdeling onmiddellijk vertrek aangezegd te worden en direct na het uitreiken van de beschikking in de gelegenheid te worden gesteld een advocaat te raadplegen.
Als het niet mogelijk is de beschikking in persoon aan de vreemdeling uit te reiken en zijn adres onbekend is, maakt de IND unit Caribisch Nederland een proces-verbaal op. Daarin wordt opgenomen dat het niet mogelijk is om de afwijzende beschikking aan de vreemdeling in persoon uit te reiken, terwijl vast staat dat hij niet verblijft op het laatst bekende adres. De IND unit Caribisch Nederland dient de beschikking op een andere geschikte wijze bekend te maken. In het geval de vreemdeling een gemachtigde heeft, kan de beschikking naar de gemachtigde worden gezonden.
Wanneer de aanvraag om bescherming is afgewezen, wordt op de aan de vreemdeling uit te reiken beschikking aangetekend:
### 5.12. Vertrek van de vreemdeling
De politie of ambtenaar belast met de grensbewaking stelt de IND unit Caribisch Nederland zo spoedig mogelijk in kennis over het vertrek van de vreemdeling aan wie bescherming geweigerd is.
Als de vreemdeling niet in bewaring is gesteld en de vreemdeling de openbare lichamen niet uit eigen beweging heeft verlaten binnen de vertrektermijn dan moet tot uitzetting worden overgegaan.
### 5.13. Rechtsmiddelen na afwijzing van de aanvraag
Wanneer de vreemdeling tegen de afwijzing van de aanvraag om bescherming bezwaar bij de IND unit Caribisch Nederland en/of rechtstreeks beroep bij de rechtbank instelt, dan schorst dit rechtsmiddel de werking van het besluit niet. Uitzettingshandelingen kunnen dus plaatsvinden vanaf het moment van bekendmaking van de eerste afwijzende beslissing.
Wanneer de vreemdeling de rechtbank verzoekt om een voorlopige voorziening te treffen gericht tegen de uitzetting hangende het bezwaar en/of beroep, mag de vreemdeling deze eerste spoedprocedure in beginsel afwachten.
Als de vreemdeling minvermogend is kan hij voor de indiening van een beroep een rechtsbijstandverlener via een toevoeging vragen. Het is niet mogelijk een toevoeging te vragen in het kader van een bezwaarschrift.
### 5.14. Regeling van het verblijf na inwilliging van de aanvraag
Wanneer de aanvraag om beschikking wordt ingewilligd, wordt de vreemdeling op de hoogte gesteld van de wijze waarop hij in het bezit wordt gesteld van een verblijfsdocument voor verblijf. Verder wordt hij gewezen op het belang dat hij tijdig vóór het verstrijken van de geldigheidsduur van het document om verlenging vraagt.
Voorts wordt hem verzocht binnen drie maanden een TBC-onderzoek te ondergaan. De IND hoeft niet op de hoogte gesteld te worden van de uitkomsten van dit onderzoek omdat het wel of niet ondergaan van dit onderzoek geen consequenties heeft voor het verblijfsrecht verband houdend met bescherming.
Het verblijfsdocument voor bepaalde tijd verband houdend met bescherming wordt verleend voor de duur van een jaar. Op het document komt de aantekening ‘Arbeid is vrij toegestaan’.
De vreemdeling is vrijgesteld van het betalen van een waarborgsom en leges.
### 5.15. Doormigratie
Bescherming op de openbare lichamen wordt tijdelijk verleend. De vreemdeling wordt aangemoedigd door de IND unit Caribisch Nederland om door te migreren naar een ander land in de regio waar zijn toelating en bescherming gewaarborgd is en zijn kansen op de arbeidsmarkt wellicht beter zijn.
### 6. Afgeleide status voor gezinsleden en nareizende gezinsleden
Als aan de hoofdpersoon van een gezin een verblijfsvergunning is verleend verband houdend met bescherming op grond van [artikel 12a, eerste lid en onder a of b, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=12a), kan een van hem afhankelijk gezinslid in aanmerking komen voor een afgeleide verblijfsvergunning. Er zijn daarbij twee situaties te onderscheiden:
Cumulatieve vereisten in beide gevallen zijn:
Het huwelijk of partnerschap moet reeds bestaan hebben in het buitenland en er moet sprake zijn geweest van samenwoning in het land van herkomst. Een traditioneel huwelijk wordt gelijkgesteld aan partnerschap.
Achtergebleven gezinsleden kunnen vanuit het buitenland een mvv voor gezinshereniging aanvragen. Kiezen zij ervoor om zonder mvv spontaan in te reizen, dan dienen zij een zelfstandige aanvraag te doen voor een vergunning tot verblijf verband houdend met bescherming.
Wanneer de gezinsleden zijn ingereisd met een mvv, dienen zij zich te melden bij de IND unit Caribisch Nederland voor het indienen van een aanvraag voor een vergunning tot tijdelijk verblijf om redenen verband houdend met bescherming. Hiernaar wordt verwezen in de brieven bij de afgifte van de mvv. Ook gezinsleden die zijn ingereisd zonder een mvv, dienen zich voor het indienen van deze aanvraag te vervoegen bij de IND unit Caribisch Nederland.
De afgeleide vergunning tot verblijf verband houdend met bescherming wordt ook voor één jaar verleend.
### 7. Herhaalde aanvraag
Indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan is de vreemdeling gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden.
De vreemdeling kan zich in verbinding stellen met de IND unit Caribisch Nederland om een afspraak te maken voor de indiening van een tweede of opvolgende aanvraag. Op de afgesproken datum wordt de vreemdeling in de gelegenheid gesteld de aanvraagformulieren te ondertekenen. De vreemdeling wordt gevraagd de nieuwe feiten en omstandigheden te noemen. Indien de IND unit Caribisch Nederland constateert dat er sprake is van een herhaling van hetgeen al in de eerdere procedure naar voren is gebracht, wordt het gehoor gestopt. De IND unit Caribisch Nederland brengt in dit geval de politie of de ambtenaar belast met de grensbewaking, direct – telefonisch en schriftelijk – van het voorlopig oordeel op de hoogte dat de betrokkene de afronding van de procedure niet mag afwachten. Een voorlopige voorziening gericht tegen het vertrek mag, indien er geen nieuwe feiten en omstandigheden zijn, niet worden afgewacht.
De IND unit Caribisch Nederland maakt zo spoedig mogelijk een beslissing op de aanvraag en stelt, indien mogelijk, de vreemdeling hiervan schriftelijk in kennis. De politie wordt eveneens geïnformeerd.
De aanvraag, het voorlopig oordeel en de datum van de opmaak en uitreiking van de beschikking worden geregistreerd door de IND unit Caribisch Nederland.
In het geval wel sprake is van nieuw gebleken feiten en/of omstandigheden is er geen sprake van een herhaalde maar van een opvolgende aanvraag en wordt gehandeld als bij een eerste aanvraag.
### 8. Verlenging van de verblijfstitel
Zodra de vreemdeling een aanvraag heeft ingediend om verlenging van het verblijf verband houdend met bescherming, beoordeelt de IND unit Caribisch Nederland of de gronden voor bescherming nog steeds van toepassing zijn.
Zolang de noodzaak tot bescherming blijft bestaan en er geen contra-indicaties bekend zijn die tot verblijfsbeëindiging aanleiding geven, kan het verblijfsdocument worden verlengd met een jaar. De vreemdeling kan in dat geval worden vrijgesteld van het vereiste om in het bezit te zijn van een geldig document voor grensoverschrijding.
### 9. Verblijfsbeëindiging
### 9.1. Verblijfsbeëindiging omdat de grond voor bescherming is vervallen
Indien bij de jaarlijkse verlenging blijkt dat de grond voor bescherming is vervallen, kan de gevraagde verlenging van de bescherming worden geweigerd. Hiervan kan bijvoorbeeld sprake zijn indien de situatie in het land van herkomst ingrijpend is gewijzigd of als de vreemdeling vrijwillig zich weer onder de bescherming van de autoriteiten van het land van herkomst heeft begeven.
Ook hangende de geldigheid van de vergunning tot verblijf kan verblijfsbeëindiging worden ingezet. In dit geval wordt een intrekkingsprocedure gestart.
In beide situaties dient de betrokkene voorafgaand aan het besluit gehoord te worden door de IND unit Caribisch Nederland.
### 9.2. Verblijfsbeëindiging in verband met onjuiste gegevens
Wanneer na afgifte van de vergunning tot tijdelijk verblijf verband houdend met bescherming blijkt dat de vergunning is verleend op onjuiste gegevens die door de vreemdeling zijn verstrekt, kan de vergunning worden ingetrokken en het rechtmatig verblijf van de vreemdeling worden beëindigd. Hetzelfde geldt als de vreemdeling gegevens heeft achtergehouden. De intrekking dient te berusten op het uitgangspunt dat de vergunning nimmer zou zijn verstrekt als op het moment van de verlening de feiten bekend waren geweest zoals ze nu bekend zijn geworden.
De rechtspositie van de vreemdeling is nadien dezelfde als die van een vreemdeling die nimmer in het bezit is geweest van een vergunning tot verblijf.
### 9.3. Verblijfsbeëindiging in verband met een strafbaar feit
Als blijkt dat de houder van een vergunning tot tijdelijk verblijf verband houdend met bescherming een strafbaar feit heeft gepleegd op de openbare lichamen, stelt de politie de IND unit Caribisch Nederland hiervan zo snel mogelijk in kennis. De IND unit Caribisch Nederland toetst aan het beleidskader voor de openbare orde en beoordeelt of er aanleiding bestaat het toegestane verblijf te beëindigen.
### Hoofdstuk 17. Vertrek, uitzetting en ongewenstverklaring
### 1. Inleiding
In [hoofdstuk 9 WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&hoofdstuk=9) zijn regels opgenomen over het vertrek, de uitzetting en de ongewenstverklaring van de vreemdeling. Uitgangspunt is dat de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf in de openbare lichamen (meer) heeft, deze uit eigen beweging verlaat. De vreemdeling is daarbij zelf verantwoordelijk voor het vertrek uit de openbare lichamen. Deze eigen verantwoordelijkheid is neergelegd in [artikel 16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=16) en [16a WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=16a).
De termijn waarbinnen deze vreemdelingen de openbare lichamen moeten verlaten varieert en is geregeld in [artikel 16a WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=16a).
### 2. Vertrek
### 2.1. Het vorderen van medewerking aan de voorbereiding van vertrek
Van de vreemdeling kan worden geëist dat hij meewerkt aan de voorbereiding van zijn vertrek uit de openbare lichamen. Deze eis kan ook gesteld worden als een aanvraag om een verblijfsvergunning is afgewezen of de verblijfsvergunning is ingetrokken, terwijl de werking van het besluit is opgeschort. Dit is neergelegd in [artikel 16, tweede lid, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=16). De ambtenaar belast met het toezicht zal aan de vreemdeling duidelijk maken wat er wordt verlangd. In de vreemdelingenadministratie wordt dit geregistreerd.
### 2.2. Vertrek naar een ander land dan het land van herkomst
Vreemdelingen die de openbare lichamen moeten verlaten, zijn vrij te gaan naar ieder land waar de toegang is gewaarborgd. Toegang tot een ander land dan het land van herkomst moet de vreemdeling zelf aannemelijk maken. Als de vreemdeling niet is vertrokken in de vertrektermijn en de overheid de uitzetting van de vreemdeling op zich heeft genomen, wordt de uitzetting niet opgeschort wanneer de vreemdeling aangeeft naar een ander land te willen vertrekken.
### 2.3. Vertrektermijnen
### 2.3.1. De algemene termijn van vier weken
De vreemdeling van wie het rechtmatig verblijf is geëindigd, moet de openbare lichamen op eigen gelegenheid binnen vier weken (vertrektermijn) verlaten. Dit is op grond van [artikel 16a, eerste lid, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=16a). De vertrektermijn van vier weken gaat in nadat het rechtmatig verblijf is geëindigd. Voldoet de vreemdeling niet aan deze verplichting, dan kan uitzetting aan de orde zijn.
### 2.3.2. In mindering brengen van beroepstermijn op de vertrektermijn
Als de vreemdeling geen gebruik maakt van de beroepstermijn, kan deze in mindering worden gebracht op de vertrektermijn van vier weken (zie [artikel 16a, tweede lid, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=16a)). Omdat de beroepstermijn vier weken bedraagt, moet de vreemdeling de openbare lichamen in deze gevallen onmiddellijk verlaten. Reden hiervoor is dat de vreemdeling al voorbereidingen voor zijn vertrek heeft kunnen treffen.
### 2.3.3. Verkorten van de vertrektermijn
Er kunnen zich omstandigheden voordoen, die het wenselijk maken om een kortere vertrektermijn te geven. Om die reden is in [artikel 16a, vierde lid, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=16a) de bevoegdheid van de Minister opgenomen om de vertrektermijn tot minder dan vier weken te verkorten.
De vertrektermijn kan in de volgende gevallen verkort worden in het belang van de uitzetting:
### 2.3.4. Onthouden van een vertrektermijn
In een aantal gevallen wordt de vreemdeling geen vertrektermijn gegund (zie [artikel 16a, derde lid, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=16a)). Dit geldt voor de vreemdeling:
### 2.4. Reisdocumenten
Wanneer een vreemdeling niet beschikt over geldige reisdocumenten, moet hij hier zoveel mogelijk zelf voor zorgen.
### 2.4.1. Het stellen van aantekeningen in reisdocumenten
Ten aanzien van het plaatsen van aantekeningen over de verwijdering in het reisdocument van de vreemdeling, gelden de volgende hoofdregels:
Aantekeningen over verwijdering mogen nooit worden geplaatst in de identiteits- of reisdocumenten van:
### 3. Uitzetting
### 3.1. Inleiding
Uitzetting is een bevoegdheid en geen verplichting van de Minister. De titel tot uitzetting is het gevolg van:
In [artikel 16b WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=16b) is opgenomen dat de vreemdeling kan worden uitgezet als hij de openbare lichamen niet uit eigen beweging verlaat binnen de daartoe gestelde termijn. De rechter kan in zijn uitspraak beoordelen of er beletselen bestaan tegen uitzetting. Als de rechter de beschikking in stand laat, wordt daarmee bevestigd dat de vreemdeling de openbare lichamen moet verlaten.
Uitzetting vindt plaats:
Indien geen van de bovenstaande opties mogelijk is:
Rechtstreeks, dan wel indirect door middel van een tussenstop, naar een land waarvan kan worden aangenomen dat de vreemdeling aldaar de toegang wordt verleend.
Van belang is dat in het kader van de uitzetting nooit aan de autoriteiten van het land van herkomst van de vreemdeling, noch aan autoriteiten van het land van doorreis of bestemming, wordt meegedeeld dat de vreemdeling eerder om bescherming heeft gevraagd. Er worden ook geen documenten verstrekt waaruit dit blijkt. Om te voorkomen dat deze informatie de genoemde autoriteiten bereikt, mag ook nooit aan het personeel van de vervoersmaatschappij waarmee de vreemdeling wordt uitgezet, worden meegedeeld dat de vreemdeling bescherming heeft gevraagd. Er wordt alleen aangegeven dat de vreemdeling geen rechtmatig verblijf in de openbare lichamen (meer) heeft.
### 3.2. Geen uitzetting ondanks de vertrekplicht
In de volgende gevallen vindt vooralsnog geen uitzetting plaats ondanks het feit dat de vertrekplicht is ingegaan:
Een verzoek om een voorlopige voorziening mag niet in de openbare lichamen worden afgewacht:
### 3.3. Verantwoordelijkheid voor maatregelen uitzetting
De Minister is verantwoordelijk voor de effectuering van de uitzetting. De feitelijke uitzetting geschiedt door de Commandant van de Koninklijke Marechaussee.
### 3.4. Informatie-uitwisseling ten behoeve van de uitzetting
Middels een vastgesteld model worden vooraf alle revelante omstandigheden gemeld. Het gaat hierbij om informatie over het gedrag van de vreemdeling en medische omstandigheden. Dit kan van belang kunnen zijn voor de veiligheid in het algemeen of de veiligheid van de ambtenaren die belast zijn met de begeleiding tijdens de vlucht. Als het gedrag van de vreemdeling daartoe aanleiding geeft, kan de Kmar besluiten de vreemdeling te begeleiden tijdens de vlucht.
### 3.5. Hulpmiddelen ten behoeve van uitzetting
In [hoofdstuk 6 van de Ambtsinstructie BES voor de politie, Koninklijke Marechaussee en de buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028717&hoofdstuk=6) zijn regels opgesteld voor het gebruik van hulpmiddelen ten behoeve van de uitzetting.
De volgende hulpmiddelen kunnen, afzonderlijk dan wel gecombineerd, worden gebruikt:
Op grond van [artikel 34 Ambtsinstructie BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028717&artikel=34) wordt de toepassing van een hulpmiddel bij uitzetting onmiddellijk schriftelijk gemeld aan de meerdere. Dit onder vermelding van:
De meerdere ziet toe op de registratie van deze melding.
### 3.6. Geen uitzetting om gezondheidsredenen
[Artikel 16b, derde lid WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=16b) bepaalt dat de uitzetting achterwege moet blijven zolang het, gelet op de gezondheidstoestand van de vreemdeling of van een van zijn gezinsleden, niet verantwoord is om te reizen. De ambtenaar belast met de uitzetting vraagt bij twijfel of het voor een vreemdeling verantwoord is om te reizen een verklaring ‘fit to fly’ aan bij een daartoe geautoriseerde arts.
### 3.7. Uitzetting via aanvoerende vervoersonderneming
Op grond van [artikel 22 WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=22) is de gezagvoerder, reder of de luchtvaartmaatschappij die een, niet tot verblijf in de openbare lichamen gerechtigde, vreemdeling heeft aangebracht verplicht deze vreemdeling voor zijn rekening weer uit de openbare lichamen te vervoeren of doen vervoeren (zie [hoofdstuk 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028837&hoofdstuk=1&z=2010-10-08&g=2010-10-08) CTU-BES).
Onder de toepassing van [artikel 22 WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=22) vallen niet alleen vreemdelingen:
Verstekelingen vallen ook onder deze regelgeving.
### 4. Bericht van vertrek of uitzetting
De vreemdelingenpolitie of KMar meldt het vertrek of de uitzetting van een vreemdeling uit de openbare lichamen aan de IND unit Caribisch Nederland door het toesturen van een bericht van vertrek.
### 5. Vreemdelingen in de strafrechtketen
De vreemdeling die strafrechtelijk gedetineerd is en geen rechtmatig verblijf (meer) heeft, wordt zo spoedig mogelijk (afhankelijk van de feitelijke omstandigheden van zowel de overheid als de gedetineerde) na het ontslag uit de gevangenis/huis van bewaring uit de openbare lichamen verwijderd. Hiertoe worden voorbereidingen voorafgaand aan zijn ontslag genomen. Dit kunnen zijn:
### 6. Ongewenstverklaring
### 6.1. Inleiding
De ongewenstverklaring is een administratieve maatregel, bedoeld om bepaalde vreemdelingen te weren, die niet (langer) in de openbare lichamen mogen verblijven.
Door de ongewenstverklaring wordt het verblijf in en illegale terugkeer naar de openbare lichamen van de vreemdeling strafbaar. Een vreemdeling die in de openbare lichamen verblijft, terwijl hij weet of vermoedt dat hij tot ongewenste vreemdeling is verklaard, maakt zich schuldig aan:
De ongewenstverklaring heeft tot gevolg dat de vreemdeling:
### 6.2. Gronden voor ongewenstverklaring
De vreemdeling kan ongewenst worden verklaard (zie [artikel 16d, eerste lid WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=16d)):
Het betreft hier vreemdelingen die bij herhaling een bij de [WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571) strafbaar gesteld feit hebben begaan (zie [artikel 26 WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=26)). Om bij een tweede of latere overtreding tot ongewenstverklaring over te kunnen gaan, wordt een proces-verbaal opgemaakt als er een overtreding wordt geconstateerd. Of er is sprake van een transactie dan wel een uitgevaardigde strafbeschikking ter zake van de gepleegde strafbare feiten.
Nadat de vreemdeling tweemaal een op basis van de [WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571) strafbaar gesteld feit heeft begaan, wordt zijn ongewenstverklaring voorgesteld aan de hand van de opgemaakte processen-verbaal, transactie of strafbeschikking.
Het betreft hier vreemdelingen van wie het verblijfsrecht, door intrekking of het niet-verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning, is beëindigd. Dit op grond van een onherroepelijk geworden veroordeling voor een misdrijf, waarbij een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van drie maanden of langer is opgelegd (zie [artikel 14, onder a WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=14)). De veroordeling moet een misdrijf betreffen waartegen een gevangenisstraf van drie jaren of meer is bedreigd. Als aan een vreemdeling de maatregel als bedoeld in [artikel 39, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028570&artikel=39) is opgelegd, kan dit inhouden dat het verblijfsrecht pas bij verlenging van die maatregel kan worden beëindigd. Na intrekking van het verblijfsrecht of het niet-verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning kan tot ongewenstverklaring worden overgegaan.
Het betreft hier vreemdelingen die geen toelating van rechtswege of geen verblijfsvergunning hebben. Zij kunnen ongewenst worden verklaard vanwege het vormen van een gevaar voor de openbare orde of voor de nationale veiligheid. Vreemdelingen kunnen een gevaar voor de nationale veiligheid vormen zonder dat een strafrechtelijke veroordeling vereist is. Het gevaar voor de nationale veiligheid moet blijken uit concrete aanwijzingen, waarbij kan worden gedacht aan ambtsberichten van de AIVD, de Dienst Nationale Recherche, ((inter)nationale) ministeries of inlichtingendiensten.
Vreemdelingen vormen een gevaar voor de openbare orde als zij:
Een taakstraf is:
De taakstraf komt in plaats van een gevangenisstraf. In het geval dat de vreemdeling wordt veroordeeld tot het verrichten van een taakstraf wordt de duur van de door de rechter bepaalde vervangende hechtenis als uitgangspunt genomen. Dit betekent dat iedere taakstraf wordt tegengeworpen ongeacht de duur van de taakstraf. Het is niet vereist dat de uitspraak onherroepelijk is geworden.
Een ander land dat een vreemdeling ongewenst heeft verklaard, kan een onderbouwd verzoek doen om de vreemdeling ook in de openbare lichamen ongewenst te verklaren. Aan een dergelijk verzoek moet een verdrag ten grondslag liggen. Op dit moment zijn er geen verdragen gesloten die hierop zien en die gelden voor de openbare lichamen.
Een vreemdeling die buiten de rechtsmacht van Nederland een ernstig misdrijf heeft begaan, wordt in het belang van de internationale betrekkingen van Nederland ongewenst verklaard. Hierbij moet worden gedacht aan de vreemdelingen van wie het verblijf is geweigerd dan wel is beëindigd op grond van artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag (een oorlogsmisdrijf, of een misdrijf tegen de vrede of tegen de menselijkheid).
### 6.3. Procedurele aspecten
Voordat besloten wordt een vreemdeling ongewenst te verklaren, wordt hij in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen. De vreemdeling kan daarbij feiten en omstandigheden aanvoeren die naar diens mening bij de besluitvorming moeten worden betrokken. Deze zienswijze kan de vreemdeling mondeling of schriftelijk naar voren brengen. Van een mondelinge zienswijze wordt een verslag of proces-verbaal opgemaakt. Personen die volgens de verklaring van de vreemdeling iets in diens voordeel kunnen aanvoeren, worden ook zoveel mogelijk in de gelegenheid gesteld hun zienswijze naar voren te brengen. Wanneer de vreemdeling weigert zijn zienswijze te geven, of wanneer het niet mogelijk is gebleken de vreemdeling naar diens zienswijze te vragen, wordt niet afgezien van het voornemen om de vreemdeling ongewenst te verklaren. De beslissing om de vreemdeling ongewenst te verklaren wordt dan ook genomen. In de beschikking wordt de reden vermeld waarom de zienswijze ontbreekt.
De beschikking waarmee de vreemdeling ongewenst wordt verklaard, vermeldt:
Wanneer de beschikking niet in persoon aan de vreemdeling kan worden uitgereikt, wordt:
Wanneer geen gemachtigde bekend is volstaat de mededeling van de beschikking in de Staatscourant.
De ongewenstverklaring treedt onmiddellijk in werking nadat de beschikking bekend is gemaakt. De vreemdeling heeft vanaf dat moment geen rechtmatig verblijf meer in de openbare lichamen. De vreemdeling moet de openbare lichamen onmiddellijk uit eigen beweging verlaten en kan daartoe worden uitgezet (zie [artikel 16b, eerste lid WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=16b)).
Tegen een beschikking waarbij de vreemdeling ongewenst is verklaard, kan binnen vier weken een bezwaarschrift worden ingediend. De ongewenstverklaring heeft onmiddellijke werking en de vreemdeling wordt in principe uitgezet. Het indienen van een bezwaarschrift leidt er niet toe dat de werking van het besluit wordt opgeschort (zie [artikel 16a WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=16a)).
Tegen het besluit op bezwaar staat beroep bij de rechtbank open.
De ambtenaar belast met grensbewaking is bevoegd een aantekening te plaatsen in het reisdocument van de vreemdeling over de reden van weigering van de toegang (zie [artikel 6.23 BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=6.23)).
De hier bedoelde aantekening luidt: ‘ongewenst verklaard op (datum beschikking Minister)’.
Aantekeningen mogen nooit worden geplaatst in een document voor grensoverschrijding of identiteitsbewijs van een vreemdeling die om bescherming vraagt.
Het plaatsen van een dergelijke aantekening kan onder omstandigheden gevolgen hebben voor de doorreis of toelating tot een derde land. Als door deze aantekening de doorreis van de vreemdeling door, of diens toelating tot, een derde land wordt bemoeilijkt, mag deze aantekening niet in het document voor grensoverschrijding worden geplaatst.
### 6.4. Opheffing van de ongewenstverklaring
### 6.4.1. Inleiding
De ongewenstverklaring wordt alleen op aanvraag van de vreemdeling opgeheven. Dit volgt uit [artikel 16e WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=16e).
In [artikel 8.5 BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=8.5) zijn nadere regels gesteld over de mogelijkheden en bevoegdheden om de ongewenstverklaring op te heffen.
### 6.4.2. Aanvraag
De vreemdeling moet expliciet om opheffing van zijn ongewenstverklaring vragen.
De aanvraag moet:
Een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd of onbepaalde tijd wordt niet ambtshalve aangemerkt als een aanvraag om opheffing van de ongewenstverklaring.
### 6.4.3. Termijnen
De ongewenstverklaring wordt op aanvraag van de vreemdeling opgeheven, wanneer hij:
Bij het vaststellen van deze termijnen wordt er vanuit gegaan, dat na het verstrijken van de respectievelijke termijnen het gevaar voor de openbare orde of de nationale veiligheid in een aanvaardbare mate is geweken. Ook wordt er vanuit gegaan dat het algemeen belang (gediend met de ongewenstverklaring) in redelijkheid moet wijken voor het persoonlijk belang van de vreemdeling. Er kunnen zich echter (uitzonderlijke) gevallen voordoen, waarbij het gevaar voor de openbare orde is geweken of het persoonlijk belang van de vreemdeling zwaarder moet wegen vóórdat de hierboven genoemde termijn is verstreken. Het persoonlijk belang van de vreemdeling weegt alleen zwaarder als sprake is van bijzondere feiten en omstandigheden die niet zijn meegewogen bij de totstandkoming van de algemene regel (lees: de bovengrens). Het enkele gegeven dat de vreemdeling zich gedurende de ongewenstverklaring niet schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit en buiten de openbare lichamen heeft verbleven, wordt niet aangemerkt als een bijzonder feit of omstandigheid.
Indien naar het oordeel van Onze Minister sprake is van zwaarwegende belangen die zich verzetten tegen opheffing van de ongewenstverklaring na vijf jaren, wordt in afwijking van de termijn als genoemd onder a, onder 2 de aanvraag ingewilligd nadat de daar bedoelde vreemdeling ten minste tien achtereenvolgende jaren buiten Nederland heeft verbleven.
Een ongewenstverklaring op grond van een gevaar voor de nationale veiligheid wordt alleen op aanvraag opgeheven als de vreemdeling ten minste tien jaren onafgebroken buiten de openbare lichamen verbleef. Zolang de vreemdeling een gevaar vormt voor de nationale veiligheid wordt de ongewenstverklaring echter niet opgeheven. Het gevaar voor de nationale veiligheid is geweken als dat blijkt uit ambtsberichten van de AIVD, de Dienst Nationale Recherche, ((inter)nationale) ministeries of inlichtingendiensten.
De termijn die de ongewenst verklaarde vreemdeling ten minste buiten de openbare lichamen moet verblijven begint weer opnieuw te lopen (zie [artikel 8.5, tweede lid BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=8.5)) als hij:
### 6.4.4. De inhoud van de aanvraag
Bij de aanvraag moet in ieder geval de volgende informatie worden verstrekt (zie [artikel 8.5 derde lid, BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=8.5)):
Het overleggen van een verklaring als bedoeld onder d, kan achterwege blijven als het overleggen van een dergelijke verklaring niet mogelijk is, dit bijvoorbeeld vanwege de algemene (oorlogs)situatie of het ontbreken van een registratie in dat land.
### 6.5. Tijdelijke opheffing van de ongewenstverklaring
### 6.5.1. Inleiding
Tijdelijke opheffing van de ongewenstverklaring vindt alleen plaats in zeer uitzonderlijke en dringende gevallen. Aan de tijdelijke opheffing worden voorwaarden gesteld ten aanzien van de plaats van binnenkomst en de duur van het verblijf in de openbare lichamen (zie [artikel 8.6 BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=8.6)).
Een verzoek tot tijdelijke opheffing van de ongewenstverklaring:
### 6.5.2. Inhoud van het verzoek
Het verzoek moet minimaal de volgende gegevens bevatten:
Hieronder staan (niet limitatief) verblijfsdoelen vermeld die kunnen leiden tot tijdelijke opheffing van de ongewenstverklaring.
### 6.5.3. Voorwaarden aan de tijdelijke opheffing
Aan de overkomst van de vreemdeling worden de volgende voorwaarden gesteld:
Ook tijdens het verblijf in de openbare lichamen blijft de vreemdeling ondertoezicht. Hoe dat toezicht wordt ingericht, wordt per individueel geval bezien. Dit hangt onder meer af van de ernst van de feiten die tot de ongewenstverklaring hebben geleid en van de reden waarom tot de tijdelijke opheffing daarvan is besloten. Waar mogelijk wordt de toe te passen vorm van toezicht afgestemd met de instantie die om de tijdelijke opheffing van de ongewenstverklaring heeft verzocht.
### Hoofdstuk 18. Vrijheidsbeperkende en vrijheidsontnemende maatregelen
### 1. Inleiding
Het vreemdelingentoezicht en het terugkeerbeleid maken deel uit van het door de overheid gevoerde vreemdelingenbeleid. De terugkeer van vreemdelingen is het sluitstuk van het binnenlandse vreemdelingentoezicht. Om deze taken van toezicht en terugkeer te realiseren maakt de overheid gebruik van vrijheidsbeperkende en vrijheidsontnemende maatregelen. Deze maatregelen zijn alleen geoorloofd op basis van een wettelijke bepaling.
Vanwege het ingrijpende karakter blijft de toepassing van een vrijheidsbeperkende of vrijheidsontnemende maatregel beperkt tot het strikt noodzakelijke. De beginselen van proportionaliteit (doelmatigheid) en subsidiariteit (toepassen lichter middel indien mogelijk) worden voortdurend in acht genomen. De uitvoering van deze maatregelen is met strikte waarborgen omkleed.
### 2. Maatregelen
### 2.1. Vrijheidsbeperkende maatregelen
De [WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571) kent vijf maatregelen van vrijheidsbeperking:
### 2.2. Vrijheidsontnemende maatregelen
De [WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571) kent vier vrijheidsontnemende maatregelen:
Er wordt sterk terughoudend gehandeld bij vrijheidsontneming van minderjarigen. Voor deze groep wordt extra aandacht besteed aan het gebruik van minder ingrijpende maatregelen dan vrijheidsontneming.
### 2.2.1. Mededeling van vrijheidsontnemende maatregelen
De ambtenaar belast met grensbewaking, het toezicht op vreemdelingen of de hulpofficier van justitie die een vreemdeling een maatregel op grond van [artikel 2o](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=2o), [artikel 15b, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=15b) of [artikel 15c, eerste lid, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=15c) oplegt, brengt de IND unit Caribisch Nederland, namens de Minister, hiervan op de hoogte door middel van een vastgesteld model (zie [artikel 7.6 BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=7.6)). Dit gebeurt vóór het verstrijken van de in [artikel 22l, eerste lid, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=22l) genoemde termijn. Deze mededeling aan De Minister vindt ook plaats als de maatregel inmiddels is opgeheven. In verband met de kennisgeving van De Minister aan het Gerecht of een beroep bij de rechtbank van de vreemdeling tegen één van deze maatregelen wordt een aantal noodzakelijke bescheiden aan De Minister verzonden.
Op verzoek van de vreemdeling wordt zo snel mogelijk mededeling gedaan van de uitvoering van een maatregel op grond van [artikel 2o](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=2o), [15b, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=15b) of [15c, eerste lid WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=15c). De mededeling wordt gedaan aan de naaste verwanten en aan een in het Koninkrijk gevestigde diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging van de staat waarvan de vreemdeling onderdaan is. Er wordt tijdens de contacten met de diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging geen mededeling gedaan omtrent een door de vreemdeling ingediende toelatingsaanvraag.
Er wordt geen mededeling over zijn vrijheidsontneming gedaan als de vreemdeling geen contact met de betreffende vertegenwoordiging wenst.
Wordt een vrijheidsontnemende maatregel aan een minderjarige opgelegd dan wordt hier, ambtshalve, zo spoedig mogelijk mededeling van gedaan bij de ouder(s) of de voogd van die minderjarige, voor zover die zich in de openbare lichamen bevinden. Is dat niet mogelijk, dan wordt de zich in het Koninkrijk bevindende diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging ingelicht.
### 2.2.2. Aanmelding vreemdeling
Ten behoeve van een zorgvuldige en efficiënte informatievoorziening aan alle betrokkenen, bij de uitzetting van een vreemdeling, wordt een aanmeldformulier vreemdeling opgemaakt. Het ingevulde formulier bevat informatie om de vrijheidsontneming en de uitzetting van een vreemdeling zo probleemloos mogelijk te laten verlopen. Het wordt opgemaakt bij iedere vrijheidsontneming op grond van [artikel 2o](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=2o), [15b, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=15b), of [15c, eerste lid, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=15c) en moet de vreemdeling begeleiden van het moment van ingang van de maatregel tot zijn uitzetting of invrijheidstelling. Eventuele wijzigingen en aanvullingen worden gelijk aangebracht. Hierna wordt het formulier bewaard in de vreemdelingenadministratie.
Het formulier wordt ingevuld door of namens de ambtenaar die verantwoordelijk is voor het opleggen van de maatregel. Deze ambtenaar is ook verantwoordelijk voor het aanbrengen van wijzigingen en aanvullingen op het formulier. Vanaf het moment dat de vrijheidsontneming in een inrichting plaatsvindt, is de ambtenaar die in die inrichting verantwoordelijk is voor uitzetting verantwoordelijk voor het formulier. Nadat de uitzetting is uitgevoerd, stuurt de ambtenaar die belast is met de grensbewaking het hele formulier aan de ambtenaar die verantwoordelijk was voor de oorspronkelijke vrijheidsbeneming.
### 2.2.3. Het lichten van vreemdelingen
Gedurende de tenuitvoerlegging van de vrijheidsontneming op grond van [artikel 2o](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=2o), [15b, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=15b), of [15c, eerste lid, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=15c) kan de vreemdeling voor korte duur naar een andere locatie (bijvoorbeeld politiebureau, brigade van KMar, een ambassade of consulaat etc.) overgebracht worden, als dit nodig is voor de toepassing van de [WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571). De op grond van [artikel 2o](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=2o), [15b, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=15b), of [15c, eerste lid WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=15c) opgelegde maatregel blijft gedurende de tijd dat de vreemdeling gelicht is van kracht.
Ten aanzien van gezinnen met minderjarige kinderen wordt zo veel mogelijk een vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd in plaats van een vrijheidsontnemende maatregel om het vertrek voor te bereiden.
Onder het begrip ‘gezin’ wordt hier verstaan:
Als sprake is van een gezin met twee ouders en het gevaar van onttrekking aan het toezicht of de uitzetting bestaat, wordt zo veel mogelijk een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd aan één ouder. Aan de overige gezinsleden wordt in dat geval een vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd. Echter, als het gezin de toegang tot de openbare lichamen is geweigerd, kan het gehele gezin de vrijheidsontnemende maatregel worden opgelegd, ongeacht of sprake is van een één- of tweeoudergezin. Dit is in het belang van een effectieve grensbewaking. Vrijheidsontneming van het gehele gezin blijft verder beperkt tot die situaties waarin gedwongen vertrek op korte termijn kan worden gerealiseerd. De beschikbaarheid van het gezin kan in dat geval noodzakelijk worden geacht en kan een reden zijn om een vrijheidsontnemende maatregel op te leggen. In de regel wordt aangenomen dat het gedwongen vertrek op korte termijn realiseerbaar is op het moment dat reisdocumenten (op korte termijn) beschikbaar (zullen) zijn.
De bewaring van een gezin met minderjarige kinderen mag niet langer duren dan veertien dagen. Deze termijn kan slechts worden overschreden indien de binnen de hier bedoelde termijn geplande uitzetting geen doorgang kan vinden vanwege:
### 3. Beroep
Tegen een besluit tot het opleggen van een vrijheidsbeperkende of vrijheidsontnemende maatregel kan de vreemdeling beroep instellen bij de rechtbank (zie [artikel 22k WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=22k)). Het indienen van bezwaar of administratief beroep tegen deze maatregelen is niet mogelijk (zie [hoofdstuk 4 WarBES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028455&hoofdstuk=4)).
De Minister kan aan de Korpschef en aan de Commandant der Koninklijke Marechaussee aanwijzingen geven over de uitvoering van de [WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571), ook ten aanzien van de in dit hoofdstuk genoemde maatregelen (zie [artikel 22b, tweede lid, WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=22b)).
### Hoofdstuk 19. Rechtsmiddelen
### 1. Inleiding
De [WarBES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028455) bepaalt welke rechtsmiddelen mogelijk zijn tegen beschikkingen die op de openbare lichamen zijn gegeven. In de [WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571) zijn enkele uitzonderingen op enkele bepalingen over rechtsmiddelen in de WarBES opgenomen. Dit geldt bijvoorbeeld ten aanzien van de termijnen voor het indienen van rechtsmiddelen.
De Awb is niet van toepassing op beschikkingen die op de openbare lichamen zijn gegeven. Ten aanzien van een klachtbehandeling is de [Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537) wel van toepassing ([hoofdstuk 9 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&hoofdstuk=9)).
### 2. Bezwaar en beroep algemeen
Het indienen van bezwaar is niet verplicht (zie [artikel 54 WarBES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028455&artikel=54)). Dit betekent dat een vreemdeling rechtstreeks bij het Gerecht in Eerste Aanleg in beroep kan gaan tegen een beschikking van de IND unit Caribisch Nederland.
De IND unit Caribisch Nederland kan besluiten een dergelijk beroepschrift als een bezwaarschrift te behandelen. Dit gebeurt in de volgende gevallen:
Daarnaast kan het Gerecht in eerste aanleg de IND unit Caribisch Nederland voorafgaande aan de openbare behandeling van het beroepschrift verzoeken om binnen een bepaalde termijn te verklaren of de IND unit Caribisch Nederland bereid is de beschikking in heroverweging te nemen.
### 2.1. Vereisten voor de indiening van bezwaar
Wanneer de IND unit Caribisch Nederland van plan is om voorafgaand aan een beroepschrift een bezwaarschrift te behandelen, dan wordt de mogelijkheid om bezwaar in te dienen in de beschikking opgenomen (zie [artikel 56, vierde lid, WarBES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028455&artikel=56)).
Een bezwaarschrift in visum- en mvv-zaken wordt gericht aan de minister van Buitenlandse Zaken, maar moet worden toegezonden aan de IND unit Caribisch Nederland.
Tegen de afwijzing van een verzoek verband houdende met bescherming als bedoeld in [artikel 12a WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=12a) moet rechtstreeks beroep worden ingesteld.
In een bezwaarschrift moet de volgende informatie staan ([artikel 57, vierde lid, WarBES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028455&artikel=57)):
Bij het bezwaarschrift worden zo mogelijk een kopie van de beschikking en de overige op de beschikking betrekking hebbende stukken overgelegd.
De bezwaartermijn bedraagt, in afwijking van de [WarBES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028455), vier weken.
Een bezwaarschrift mag worden ingediend door de volgende personen (zie [artikel 7, WarBES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028455&artikel=7)):
Natuurlijke personen of rechtspersonen, die door een beschikking rechtstreeks in hun belang zijn getroffen. Natuurlijke personen zijn levende personen, rechtspersonen zijn instanties die volgens het Burgerlijk Wetboek BES in bepaalde gevallen als personen mogen handelen, zoals een vennootschap of een pensioenfonds.
Wanneer een bezwaarschrift niet voldoet aan (één van) de hierboven genoemde vereisten, dan stelt de IND unit Caribisch Nederland de indiener van het bezwaarschrift in de gelegenheid om binnen een termijn van twee weken alsnog het verzuim te herstellen.
De IND unit Caribisch Nederland verleent voor het indienen van de nadere gronden, als bedoeld in [artikel 57, vierde lid, onder c, WarBES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028455&artikel=57), bij het bezwaarschrift uitstel:
Als de besproken tolk een al gemaakte afspraak afzegt, komt dit voor rekening van de vreemdeling, tenzij sprake is van overmacht van de zijde van de tolk.
Als door het uitstel de benodigde tolk niet tijdig beschikbaar is, geldt het gestelde onder a. Na afloop van de uitsteltermijn van vijf werkdagen gaat de IND unit Caribisch Nederland ervan uit dat de zaken van de betreffende advocaat door de kantoorgenoten of collega’s zijn overgenomen.
Voor eenmanskantoren wordt op uitdrukkelijk verzoek een ruimere termijn bepaald. Als uit het dossier blijkt dat de betrokken rechtshulpverlener al in eerdere fase van de procedure als rechtshulpverlener/gemachtigde is opgetreden, dan willigt de IND unit Caribisch Nederland het verzoek om uitstel in.
De IND unit Caribisch Nederland wijst een verzoek om uitstel af bij wijziging van de rechtshulpverlener.
Bij niet of niet tijdige indiening van de gronden het bezwaar verklaart de IND BES unit het bezwaarschrift niet-ontvankelijk.
De IND unit Caribisch Nederland streeft er naar om binnen uiterlijk vier maanden na de datum van indiening op het bezwaarschrift te beslissen (zie [artikel 69, eerste lid, WarBES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028455&artikel=69)).
Indien de IND unit Caribisch Nederland de streeftermijn niet haalt, verlengt de IND unit Caribisch Nederland deze termijn eenmaal met ten hoogste dertig dagen. De IND unit Caribisch Nederland zendt hiervan tijdig bericht aan de bezwaarde en eventuele andere partijen.
Als door het uitstel de benodigde tolk niet tijdig beschikbaar is, geldt het gestelde onder a. Na afloop van de uitsteltermijn van vijf werkdagen gaat de IND-unit Caribisch Nederland ervan uit dat de zaken van de betreffende advocaat door de kantoorgenoten of collega’s zijn overgenomen.
De IND-unit Caribisch Nederland wijst een verzoek om uitstel af bij wijziging van de rechtshulpverlener.
### 2.2. Opschorting van de werking van het (afwijzende) besluit
Beschikkingen genomen op grond van de [WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571) hebben onmiddellijke werking. Het instellen van een rechtsmiddel schorst de werking ervan in beginsel niet. In individuele gevallen kan dit anders worden bepaald. In de volgende situaties zal de IND unit Caribisch Nederland hiertoe in ieder geval niet overgaan):
De vreemdeling kan het Gerecht in Eerste Aanleg verzoeken om de werking van een beschikking waartegen beroep bij het Gerecht in Eerste Aanleg of bezwaar bij de IND unit Caribisch Nederland is ingediend geheel of gedeeltelijk te schorsen (zie [artikel 85, eerste lid, WarBES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028455&artikel=85)). Ook kan de vreemdeling een verzoek om een voorlopige voorziening indienen (zie paragraaf 9.1.3) ter voorkoming van onevenredig nadeel. Hiervan is bijvoorbeeld sprake als de vreemdeling meent dat er redenen zijn om niet uitgezet te worden zolang zijn aanwezigheid nog nodig is voor de behandeling van het bezwaar- of beroepschrift of indien de uitzetting een schending meebrengt van de non-refoulement verplichtingen (zie voor non-refoulement [hoofdstuk 16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028837&hoofdstuk=16&z=2010-10-08&g=2010-10-08) CTU-BES).
Wanneer het Gerecht in Eerste Aanleg een verzoek om schorsing toewijst, wordt de werking van de beschikking onmiddellijk gestuit totdat over het beroep uitspraak is gedaan (zie [artikel 88 WarBES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028455&artikel=88)).
Beschikkingen genomen op grond van de [WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571) hebben onmiddellijke werking. Het instellen van een rechtsmiddel schorst de werking ervan in beginsel niet. In individuele gevallen kan dit anders worden bepaald. In de volgende situaties zal de IND-unit Caribisch Nederland hiertoe in ieder geval niet overgaan), indien:
De vreemdeling kan ook een verzoek om schorsing indienen hangende het hoger beroep (zie [artikel 94 WarBES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028455&artikel=94)).
In het geval de vreemdeling een rechtsmiddel aanwendt maakt de IND unit Caribisch Nederland een aantekening wat dit voor de opschorting van het aangezegde vertrek van de vreemdeling betekent. De IND unit Caribisch Nederland stelt of plaatst in het identiteitspapier/document voor grensoverschrijding van een vreemdeling een aantekening waaruit blijkt dat op welke datum bezwaar of beroep en/of een voorlopige voorziening is ingediend. In het geval van een lopende procedure over bescherming maakt de IND-BES de aantekening op een los inlegblad.
Ook tekent de IND-BES aan of de vreemdeling dit rechtsmiddel mag afwachten en of de vreemdeling gedurende deze periode mag werken. Tenslotte geeft de IND unit Caribisch Nederland aan tot wanneer de aantekening geldig blijft. Indien niet bekend is op welke datum de uitspraak bekend, vermeldt de IND-BES een datum waarbinnen redelijkerwijs de beslissing of uitspraak te verwachten is.
In het geval de vreemdeling bezwaar of beroep instelt tegen een beschikking waarbij hem verder verblijf wordt ontzegd, neemt de IND-BES het verblijfsdocument niet in als de uitzetting hangende het bezwaar of beroep mag worden afgewacht.
De IND unit Caribisch Nederland haalt de genoemde aantekening door als het bezwaarschrift ongegrond is verklaard. Deze doorhaling wordt door de ambtenaar die de doorhaling verricht gedateerd en van zijn paraaf voorzien.
### 2.3. Het verzoek om een voorlopige voorziening
Ook tekent de IND-unit Caribisch Nederland aan of de vreemdeling dit rechtsmiddel mag afwachten en of de vreemdeling gedurende deze periode mag werken. Tenslotte geeft de IND-unit Caribisch Nederland aan tot wanneer de aantekening geldig blijft. Indien niet bekend is op welke datum de uitspraak bekend, vermeldt de IND-unit Caribisch Nederland een datum waarbinnen redelijkerwijs de beslissing of uitspraak te verwachten is.
Een vreemdeling mag een verzoek om een voorlopige voorziening, gericht tegen de uitzetting afwachten, tenzij:
### 2.4. Beroep
De IND unit Caribisch Nederland is verplicht om bij de beschikking mededeling te doen van de mogelijkheid van het indienen van beroep en de termijn waarbinnen het beroepschrift moet zijn ingediend bij het Gerecht in Eerste Aanleg ([artikel 16 WarBES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028455&artikel=16)). De beroepstermijn bedraagt, in afwijking van de [WarBES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028455), vier weken.
Wanneer een vreemdeling beroep indient, moet hij een kopie van het beroepschrift aan de IND unit Caribisch Nederland verzenden.
De IND unit Caribisch Nederland kan, in het geval gewichtige redenen daartoe aanleiding geven, het verstrekken van inlichtingen of stukken weigeren dan wel meedelen dat uitsluitend het Gerecht in Eerste Aanleg kennis mag nemen van de verstrekte inlichtingen of stukken. Hiervan is sprake als de beslissing berust op vertrouwelijke informatie.
Het Gerecht in Eerste Aanleg kan aanvullende informatie inwinnen bij de IND unit Caribisch Nederland, maar ook bij andere overheidsinstanties.
De IND-unit Caribisch Nederland is verplicht om bij de beschikking mededeling te doen van de mogelijkheid van het indienen van beroep en de termijn waarbinnen het beroepschrift moet zijn ingediend bij het Gerecht in Eerste Aanleg ([artikel 16, lid 4, WarBES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028455&artikel=16)). De beroepstermijn bedraagt, in afwijking van de [WarBES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028455), vier weken.
Wanneer een vreemdeling beroep indient, moet hij een kopie van het beroepschrift aan de IND-unit Caribisch Nederland verzenden.
Als betrokkene verblijft op Bonaire, dan moet het beroepschrift worden gestuurd naar de Griffie van het Gerecht in Eerste Aanleg te Bonaire.
Als betrokkene verblijft op Saba of Sint Eustatius, dan moet het beroepschrift worden gestuurd naar de Griffie van het Gerecht in Eerste Aanleg te Sint Maarten.
De IND-unit Caribisch Nederland kan, in het geval gewichtige redenen daartoe aanleiding geven, het verstrekken van inlichtingen of stukken weigeren dan wel meedelen dat uitsluitend het Gerecht in Eerste Aanleg kennis mag nemen van de verstrekte inlichtingen of stukken. Hiervan is sprake als de beslissing berust op vertrouwelijke informatie.
Het Gerecht in Eerste Aanleg kan aanvullende informatie inwinnen bij de IND-unit Caribisch Nederland, maar ook bij andere overheidsinstanties.
### 2.5. Hoger beroep
Een vreemdeling kan in hoger beroep gaan bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao en Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba.
Wanneer een vreemdeling in hoger beroep gaat, moet hij een kopie van het hoger beroepschrift aan de Minister van Justitie (dus de IND unit Caribisch Nederland) verzenden.
Wanneer een vreemdeling in hoger beroep gaat, moet hij een kopie van het hoger beroepschrift aan de Minister voor Immigratie, Integratie en Asiel (dus de IND-unit Caribisch Nederland) verzenden.
### 3. Bijzondere rechtsmiddelen in de situatie van vrijheidsontneming
2010-10-08
Circulaire toelating en uitzetting Bonaire, Sint Eustatius en Saba — ar
2010-10-08
Circulaire toelating en uitzetting Bonaire, Sint Eustatius en Saba —
original version
Tekst op deze datum