Reglement betreffende het scheepvaartpersoneel op de Rijn (RSP)
| Soorten patent | (kolom 4 tot en met 7) |
|---|---|
| A – | Groot patent |
| B – | Klein patent |
| C – | Sportpatent |
| D – | verheidspatent |
| Vereiste kennis | (kolom 3) |
| 1 – | Gedetailleerde kennis |
| 2 – | Basiskennis |
| 1 | 2 |
| --- | --- |
| nr. | Examenstof |
| 1. | Kennis van de reglementen, gidsen en handboeken |
| 1.1 | Rijnvaartpolitiereglement (inclusief de tijdelijke wijzigingen) |
| Hoofdstuk 1 tot en met 7, 15 | |
| Hoofdstuk 8: | |
| Hoofdstuk 9, 10, 12, 14 (voor de betreffende riviergedeelten) | |
| Hoofdstuk 11: | |
| Bijlagen | |
| 3. Optische tekens van schepen | |
| 6. Geluidsseinen | |
| 7. Verkeerstekens | |
| 8. Verkeerstekens ter markering van de vaarweg | |
| 10. Olie-afgifteboekje | |
| Gidsen/Handboeken | |
| Marifonie in de binnenvaart | |
| Afvalverwijdering | |
| 1.2 | Verkeersvoorschriften voor zeescheepvaartwegen |
| (optische tekens van schepen, geluidsseinen, verkeerstekens, navigatiehulpmiddelen en betonningssystemen, vaarregels) | |
| 1.3 | Reglement onderzoek Schepen op de Rijn |
| Opzet en inhoud | |
| Inhoud certificaat van onderzoek | |
| 1.4 | Bemanningsvoorschriften, Deel II van het Reglement betreffende het Scheepvaartpersoneel op de Rijn |
| 1.5 | ADN |
| Opzet | |
| Documenten/instructies | |
| Kennis van de voorgeschreven blauwe kegels/lichten | |
| Opzoeken van operationele voorschriften | |
| 1.6 | Bepalingen betreffende de Rijnpatenten: Deel III van het Reglement betreffende het Scheepvaartpersoneel op de Rijn |
| Soorten patent | |
| Criteria voor de intrekking van een patent en de opschorting van de geldigheid | |
| 1.7 | Voorkoming van ongevallen |
| 2. | Nautische kennis en kennis van riviergedeelten |
| (aan de hand van kaarten) | |
| 2.1 | Rijn en nevenwateren |
| (belangrijkste geografische, hydrologische, meteorologische en morfologische kenmerken) | |
| 2.2 | Kennis van de gewenste riviergedeelten van de Rijn |
| Beschrijving van de vaarweg in de op- en afvaart | |
| Afmetingen van de vaarweg | |
| 2.3 | Navigatie op zeescheepvaartwegen |
| (koersbepaling, peilingen en plaatsbepaling, het gebruik van zeekaarten, procedures voor het controleren van het kompas, basiskennis inzake getijdewerking) | |
| 3. | Praktijkkennis |
| (Nautische zaken, scheepvaarttechnische zaken, praktische vaardigheden) | |
| 3.1 | Voeren van het schip |
| Praktijk van het sturen, manoeuvreereigenschappen | |
| Functie van de stuurinrichtingen en de aandrijving | |
| Invloed van stromingen, wind en zuiging | |
| Drijfvermogen, stabiliteit en toepassing daarvan in de praktijk | |
| Ankeren en meren | |
| 3.2 | Motorenkennis |
| Bouw, werking van de motoren, functie van de elektrische inrichtingen | |
| Bediening, bedrijfscontrole | |
| Maatregelen bij bedrijfsstoringen | |
| 3.3 | Laden en lossen |
| Bepalen van het gewicht van de lading aan de hand van de meetbrief | |
| Gebruik van de diepgangsschaal | |
| Stuwen van de lading | |
| 3.4 | Handelen onder bijzondere omstandigheden |
| Maatregelen bij schade, eerste hulp, stoppen van lekkage | |
| Bediening van reddingsmiddelen | |
| Bijzonderheden bij averij op zeescheepvaartwegen | |
| Behandeling van afval en voorkomen van verontreiniging van de waterwegen | |
| Informeren van de bevoegde autoriteiten | |
| Brandbestrijding |
Bijlage D7. Examenprogramma ter verkrijging van een Rijnpatent
Opmerking vooraf:
| Soorten patent | (kolom 4 tot en met 7) |
|---|---|
| A – | Groot patent |
| B – | Klein patent |
| C – | Sportpatent |
| D – | verheidspatent |
| Vereiste kennis | (kolom 3) |
| 1 – | Gedetailleerde kennis |
| 2 – | Basiskennis |
| 1 | 2 |
| --- | --- |
| nr. | Examenstof |
| 1. | Kennis van de reglementen, gidsen en handboeken |
| 1.1 | Rijnvaartpolitiereglement (inclusief de tijdelijke wijzigingen) |
| Hoofdstuk 1 tot en met 7, 15 | |
| Hoofdstuk 8: | |
| Hoofdstuk 9, 10, 12, 14 (voor de betreffende riviergedeelten) | |
| Hoofdstuk 11: | |
| Bijlagen | |
| 3. Optische tekens van schepen | |
| 6. Geluidsseinen | |
| 7. Verkeerstekens | |
| 8. Verkeerstekens ter markering van de vaarweg | |
| 10. Olie-afgifteboekje | |
| Gidsen/Handboeken | |
| Marifonie in de binnenvaart | |
| Afvalverwijdering | |
| 1.2 | Verkeersvoorschriften voor zeescheepvaartwegen |
| (optische tekens van schepen, geluidsseinen, verkeerstekens, navigatiehulpmiddelen en betonningssystemen, vaarregels) | |
| 1.3 | Reglement onderzoek Schepen op de Rijn |
| Opzet en inhoud | |
| Inhoud binnenschipcertificaat | |
| 1.4 | Bemanningsvoorschriften, Deel II van het Reglement betreffende het Scheepvaartpersoneel op de Rijn |
| 1.5 | ADN |
| Opzet | |
| Documenten/instructies | |
| Kennis van de voorgeschreven blauwe kegels/lichten | |
| Opzoeken van operationele voorschriften | |
| 1.6 | Bepalingen betreffende de Rijnpatenten: Deel III van het Reglement betreffende het Scheepvaartpersoneel op de Rijn |
| Soorten patent | |
| Criteria voor de intrekking van een patent en de opschorting van de geldigheid | |
| 1.7 | Voorkoming van ongevallen |
| 2. | Nautische kennis en kennis van riviergedeelten |
| (aan de hand van kaarten) | |
| 2.1 | Rijn en nevenwateren |
| (belangrijkste geografische, hydrologische, meteorologische en morfologische kenmerken) | |
| 2.2 | Kennis van de gewenste riviergedeelten van de Rijn |
| Beschrijving van de vaarweg in de op- en afvaart | |
| Afmetingen van de vaarweg | |
| 2.3 | Navigatie op zeescheepvaartwegen |
| (koersbepaling, peilingen en plaatsbepaling, het gebruik van zeekaarten, procedures voor het controleren van het kompas, basiskennis inzake getijdewerking) | |
| 3. | Praktijkkennis |
| (Nautische zaken, scheepvaarttechnische zaken, praktische vaardigheden) | |
| 3.1 | Voeren van het schip |
| Praktijk van het sturen, manoeuvreereigenschappen | |
| Functie van de stuurinrichtingen en de aandrijving | |
| Invloed van stromingen, wind en zuiging | |
| Drijfvermogen, stabiliteit en toepassing daarvan in de praktijk | |
| Ankeren en meren | |
| 3.2 | Motorenkennis |
| Bouw, werking van de motoren, functie van de elektrische inrichtingen | |
| Bediening, bedrijfscontrole | |
| Maatregelen bij bedrijfsstoringen | |
| 3.3 | Laden en lossen |
| Bepalen van het gewicht van de lading aan de hand van de meetbrief | |
| Gebruik van de diepgangsschaal | |
| Stuwen van de lading | |
| 3.4 | Handelen onder bijzondere omstandigheden |
| Maatregelen bij schade, eerste hulp, stoppen van lekkage | |
| Bediening van reddingsmiddelen | |
| Bijzonderheden bij averij op zeescheepvaartwegen | |
| Behandeling van afval en voorkomen van verontreiniging van de waterwegen | |
| Informeren van de bevoegde autoriteiten | |
| Brandbestrijding |
Bijlage D8. Examenprogramma ter verkrijging van een radarpatent
Deel A. – Theoretisch gedeelte
Het theoretische gedeelte van de cursus omvat de volgende onderwerpen:
B. Praktisch gedeelte van de cursus
Het praktische gedeelte van de cursus omvat de volgende onderwerpen:
I. Vaarbevoegdheidsbewijzen van de lidstaten
II. – Vaarbevoegdheidsbewijs van derde landen
Hongaarse modellen vaarbewijs klasse A en klasse B
Kapiteinspatent A
Kapiteinspatent A
De lijst van de als gelijkwaardig erkende bevoegdheidsbewijzen voor de radarvaart en de bijbehorende informatie inzake de afgevende autoriteiten en de modellen worden door de CCR gepubliceerd op haar website www.ccr-zkr.org.
Model van het Roemeense bevoegdheidsbewijs voor het varen op radar
(van kracht vanaf 15.3.2015)
Deel A. – Theoretisch gedeelte
E. Bemanningsleden van schepen die vloeibaar aardgas (LNG) als brandstof gebruiken
E. Bemanningsleden van schepen die vloeibaar aardgas (LNG) als brandstof gebruiken
Bijlage E1. Model van de verklaring van deskundigheid aangaande het gebruik van vloeibaar aardgas (LNG) als brandstof
A. Theoretisch gedeelte van de cursus
Het theoretische gedeelte van de cursus omvat de volgende onderwerpen:
B. Praktisch gedeelte van de cursus
Het praktische gedeelte van de cursus omvat de volgende onderwerpen:
Model van de Poolse vaarbevoedheidsbewijzen van de klassen A en B
Vaarbewijs type B
Vaarbewijs van kapitein klasse I (B)
De lijst van de als gelijkwaardig erkende bevoegdheidsbewijzen voor de radarvaart en de bijbehorende informatie inzake de afgevende autoriteiten en de modellen worden door de CCR gepubliceerd op haar website www.ccr-zkr.org.
Modellen van de Tsjechische bevoegdheidsbewijzen voor de radarvaart
(van kracht vanaf 15.3.2015)
Radarbevoegdheidsbewijs
Deel B. – Praktisch gedeelte
Bijlage E2. Programma van de cursus voor bemanningsleden van schepen die vloeibaar aardgas (LNG) als brandstof gebruiken
A. Theoretisch gedeelte van de cursus
Het theoretische gedeelte van de cursus omvat de volgende onderwerpen:
B. Praktisch gedeelte van de cursus
Het praktische gedeelte van de cursus omvat de volgende onderwerpen:
Deel I. Algemene bepalingen
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen voor de delen I, II en III
Artikel 1.04. Dienstinstructies
In het belang van een eenvoudige en uniforme toepassing van het onderhavige reglement kan de CCR dienstinstructies voor de bevoegde autoriteiten vaststellen. De bevoegde autoriteiten dienen zich aan deze dienstinstructies te houden. Daarnaast publiceert de CCR met het oog op de toepassing van het RSP diverse lijsten en tabellen in een digitaal format.
Artikel 1.05. Monitoring
-
- Op alle activiteiten die verband houden met opleiding, competentiebeoordeling en de afgifte, verlenging, schorsing, intrekking en actualisering van kwalificatiecertificaten, dienstboekjes en vaartijdenboeken, en die door of onder het gezag van de bevoegde autoriteit van de Rijnoeverstaten of België worden uitgevoerd, moet voortdurend toezicht worden gehouden door middel van een stelsel van kwaliteitsnormen, om de verwezenlijking van de doelstellingen van dit reglement te waarborgen.
-
- De bevoegde autoriteit zorgt ervoor dat de opleidingsdoelstellingen en de daarmee verband houdende te bereiken competentienormen duidelijk zijn omschreven met vermelding van de niveaus van kennis en vaardigheden die overeenkomstig dit reglement moeten worden beoordeeld en geëxamineerd.
-
- De bevoegde autoriteit zorgt ervoor dat de kwaliteitsnormen, met inachtneming van de beleidslijnen, systemen, controles en interne kwaliteitsbeoordelingen die zijn ingesteld ter verwezenlijking van de omschreven doelstellingen van toepassing zijn op:
- a). de afgifte, verlenging, schorsing en intrekking van kwalificatiecertificaten, dienstboekjes en vaartijdenboeken;
- b). alle opleidingscursussen en -programma’s;
- c). de door of onder het gezag van de Rijnoeverstaten of België afgenomen examens en de beoordelingen; en
- d). de van opleiders en examinatoren verlangde kwalificaties en ervaring.
Artikel 1.06. Evaluatie
-
- De bevoegde autoriteit laat de werkzaamheden met betrekking tot de verwerving en beoordeling van competenties, alsmede het beheer van de kwalificatiecertificaten, dienstboekjes en vaartijdenboeken, uiterlijk op 17 januari 2037 en vervolgens ten minste om de tien jaar door onafhankelijke instanties evalueren.
-
- De bevoegde autoriteit zorgt ervoor dat de resultaten van de evaluaties van deze onafhankelijke instanties vergezeld gaan van bewijsstukken en aan de desbetreffende bevoegde autoriteiten worden voorgelegd. Indien nodig neemt de bevoegde autoriteit passende maatregelen om de bij de onafhankelijke evaluatie geconstateerde tekortkomingen te verhelpen.
Hoofdstuk 2. Register
Deel II. Kwalificaties
Paragraaf 1. Algemene bepalingen
Hoofdstuk 3. Algemene bepalingen
Hoofdstuk 4. Medische geschiktheid
Artikel 4.02. Regelmatige controle van de medische geschiktheid
-
- Alle houders van een kwalificatiecertificaat moeten hun medische geschiktheid aantonen overeenkomstig de bepalingen van artikel 4.01, eerste en tweede lid:
- a). om de vijf jaar vanaf het bereiken van de leeftijd van 60 jaar;
- b). om de twee jaar vanaf het bereiken van de leeftijd van 70 jaar.
-
- Om een definitieve of tijdelijke beperkte medische geschiktheid die overeenkomstig artikel 4.01, derde lid, vermeld staat op het kwalificatiecertificaat te laten doorhalen, moet de houder van het kwalificatiecertificaat een medische verklaring overleggen overeenkomstig de voorwaarden van artikel 4.01, tweede lid.
-
- De houder van het kwalificatiecertificaat overlegt een medische verklaring aan de autoriteit van afgifte van het kwalificatiecertificaat. Hij kan de medische verklaring aan een andere bevoegde autoriteit overleggen wanneer hij een overeenkomstig dit reglement afgegeven kwalificatiecertificaat verlengt. De bevoegde autoriteit zendt de documenten door aan de autoriteit van afgifte. In geval van verlenging van een patent kan de bevoegde autoriteit een voorlopig Rijn- of sportpatent afgeven voor de periode tot de autoriteit van afgifte een besluit genomen heeft, op voorwaarde dat de vereiste medische geschiktheid is aangetoond.
Artikel 4.03. Medische geschiktheid van machinisten
In afwijking van artikel 4.01, eerste lid, tweede zin, zijn voor de houder van een kwalificatiecertificaat machinist voor het gezichtsvermogen de volgende voorwaarden voor de medische geschiktheid van toepassing:
De in de STCW Code tabel A-I/9: ‘Minimum in service eyesight standards for seafarers’ vermelde voorwaarden voor ‘All engineer officers’, behalve voor wat betreft het kleuren zien. Voor machinisten is een stoornis van het kleurenzien toegestaan.
Hoofdstuk 5. Dienstboekje en vaartijd
Hoofdstuk 6. Goedgekeurde opleidingsprogramma’s
Hoofdstuk 7. Toelating tot en procedure van het administratief examen
Hoofdstuk 8. Controle en intrekking van kwalificatiecertificaten
Paragraaf 2. Kwalificaties op instroom- en operationeel niveau
Hoofdstuk 9. Toepassingsgebied van deze paragraaf
Hoofdstuk 10. Voorwaarden voor de verkrijging van kwalificatiecertificaten op instroom- en operationeel niveau
Artikel 10.01. Minimumeisen met betrekking tot leeftijd, naleving van de administratieve voorschriften, competentie en vaartijd
Ter verkrijging van een kwalificatiecertificaat moeten de leden van de dekbemanning op instroom- en operationeel niveau voldoen aan de volgende minimumeisen inzake leeftijd, naleving van de administratieve voorschriften, competentie en vaartijd:
-
- voor de deksman:
- a). een minimumleeftijd van16 jaar en
- b). een afgeronde basisopleiding veiligheid overeenkomstig de nationale voorschriften;
-
- voor de lichtmatroos:
- a). een minimumleeftijd van 15 jaar en
- b). een leerovereenkomst die voorziet in een goedgekeurd opleidingsprogramma overeenkomstig hoofdstuk 6 voor het operationele niveau;
-
- voor de matroos:
- a). hetzij
- aa). een minimumleeftijd van 17 jaar en
- bb). een met goed gevolg afgerond, goedgekeurd opleidingsprogramma overeenkomstig hoofdstuk 6 van minstens twee jaar voor het operationele niveau, dat een vaartijd van ten minste 90 dagen omvat;
- b). of
- aa). een minimumleeftijd van 18 jaar en
- bb). een met goed gevolg afgelegd administratief examen voor het operationele niveau; en
- cc). een vaartijd als lid van de dekbemanning van ten minste 360 dagen; daarvan kunnen maximaal 180 dagen vaartijd vervangen worden door 250 dagen beroepservaring als lid van de dekbemanning aan boord van een zeeschip;
- c). of
- aa). een met goed gevolg afgerond goedgekeurd opleidingsprogramma overeenkomstig hoofdstuk 6 van ten minste negen maanden voor het operationele niveau, dat een vaartijd van ten minste 90 dagen omvat, alsook
- bb). ten minste vijf jaar werkervaring, voorafgaand aan de inschrijving voor dit opleidingsprogramma, of
- cc). ten minste 500 dagen werkervaring, voorafgaand aan de inschrijving voor dit opleidingsprogramma als lid van de dekbemanning aan boord van een zeeschip, of
- dd). voorafgaand aan de inschrijving voor dit programma een willekeurig beroepsopleidingsprogramma van ten minste drie jaar met goed gevolg afgerond hebben;
-
- voor de volmatroos:
- a). hetzij een vaartijd in de binnenvaart van ten minste 180 dagen als matroos;
- b). of een met goed gevolg afgesloten, goedgekeurd opleidingsprogramma overeenkomstig hoofdstuk 6 van ten minste drie jaar voor het operationele niveau, dat een vaartijd van ten minste 270 dagen omvat;
-
- voor de stuurman:
- a). hetzij een vaartijd in de binnenvaart van ten minste 180 dagen als volmatroos en houder zijn van een geldig marifoonbedieningscertificaat;
- b). of
- aa). een met goed gevolg afgesloten, goedgekeurd opleidingsprogramma als bedoeld in hoofdstuk 6 van ten minste drie jaar voor het operationele niveau, dat een vaartijd van ten minste 360 dagen omvat, en
- bb). houder zijn van een geldig marifoonbedieningscertificaat;
- c). of
- aa). werkervaring van ten minste 500 dagen als kapitein van een zeeschip;
- bb). een met goed gevolg afgelegd administratief examen voor het operationele niveau en
- cc). houder zijn van een geldig marifoonbedieningscertificaat.
Artikel 10.01*. Minimumeisen met betrekking tot leeftijd, naleving van de administratieve voorschriften, competentie en vaartijd van de machinist
Ter verkrijging van een kwalificatiecertificaat moet de machinist voldoen aan de volgende minimumeisen inzake leeftijd, naleving van de administratieve voorschriften, competentie en vaartijd:
- a). een minimumleeftijd van 18 jaar en een met goed gevolg afgelegd eindexamen van een vakopleiding op het gebied van motoren, werktuigbouwkunde of wanneer motorkennis daarvan deel uitmaakt, mechatronica; of
- b). een minimumleeftijd van 19 jaar en een vaartijd van ten minste 360 dagen als volmatroos op een gemotoriseerd schip.
Artikel 10.03. Geldigheid en afgifte van kwalificatiecertificaten op instroom – en operationeel niveau
-
- De geldigheid van kwalificatiecertificaten voor het instroom- en operationeel niveau eindigt uiterlijk op de dag van het volgende, in artikel 4.02, eerste lid, voorgeschreven medische onderzoek. Na dit tijdstip verliezen de kwalificatiecertificaten van ambtswege hun geldigheid, zelfs zonder een besluit van de bevoegde autoriteit.
-
- De kwalificatiecertificaten voor het instroom- en operationeel niveau worden volgens het toepasselijke model overeenkomstig de ES-QIN (Deel V, hoofdstuk 2) afgegeven.
Paragraaf 3. Kwalificaties op managementniveau
Hoofdstuk 11. Patentplicht en patentsoorten
Artikel 11.01. Patentplicht
-
- Degene die op de Rijn een vaartuig wil voeren, moet houder zijn van een Uniekwalificatiecertificaat schipper dat overeenkomstig Richtlijn (EU) 2017/2397 is afgegeven of van een kwalificatiecertificaat schipper dat overeenkomstig dit reglement is afgegeven.
-
- Voor het voeren van een vaartuig benedenstrooms van het Spijksche Veer (km 857,40) en op het riviergedeelte tussen Bazel (Mittlere Rheinbrücke – km 166,53) en de sluizen van Iffezheim (km 335,92), volstaat in plaats van de patenten, als bedoeld in de artikelen 12.02 en 12.03, een ander door de bevoegde autoriteit als gelijkwaardig erkend patent.
-
- Voor vaartuigen met een lengte van minder dan 20 m, met uitzondering van passagiersschepen, duw- en sleepboten, volstaat een kwalificatiecertificaat schipper voor binnenwateren dat in overeenstemming is met de nationale voorschriften van de Rijnoeverstaten en België.
-
- De verplichting tot het hebben van een patent wordt uitsluitend geregeld door de nationale voorschriften van de Rijnoeverstaten en België:
- a). voor veerponten;
- b). voor vaartuigen die slechts door spierkracht worden voortbewogen;
- c). voor vaartuigen met een lengte van minder dan 20 m die slechts door middel van zeilen worden voortbewogen of voorzien zijn van een voortstuwingsmotor met een vermogen van niet meer dan 11,03 kW;
- d). voor vaartuigen van de strijdkrachten.
Artikel 11.02. Soorten patent
Overeenkomstig dit reglement wordt een onderscheid gemaakt tussen:
- a). het Rijnpatent voor het voeren van alle vaartuigen;
- b). het sportpatent voor het voeren van een pleziervaartuig met een lengte van minder dan 25 m;
- c). het overheidspatent voor het voeren van overheidsvaartuigen en van brandweerboten.
Met de bovengenoemde patenten is het eveneens geoorloofd een vaartuig te voeren als bedoeld in artikel 11.01, derde lid.
Hoofdstuk 12. Verkrijging van patenten
Artikel 12.01. Rijnpatent
-
- Elke kandidaat voldoet aan de volgende voorwaarden:
- a). hetzij
- aa). een minimumleeftijd van 18 jaar;
- bb). een met goed gevolg afgesloten, goedgekeurd opleidingsprogramma als bedoeld in hoofdstuk 6 van ten minste drie jaar voor het managementniveau;
- cc). een vaartijd van ten minste 360 dagen als onderdeel van dit programma, of na het afronden ervan, en
- dd). houder zijn van een geldig marifoonbedieningscertificaat;
- b). of
- aa). een minimumleeftijd van 18 jaar;
- bb). houder zijn van een kwalificatiecertificaat stuurman als bedoeld in dit reglement of als bedoeld in Richtlijn (EU) 2017/2397;
- cc). een vaartijd van ten minste 180 dagen;
- dd). een met goed gevolg afgelegd administratief examen voor het managementniveau en
- ee). houder zijn van een geldig marifoonbedieningscertificaat;
- c). of
- aa). een minimumleeftijd van 18 jaar;
- bb). een vaartijd van ten minste 540 dagen, of van ten minste 180 dagen, wanneer bovendien werkervaring aan boord van een zeeschip als lid van de dekbemanning van ten minste 500 dagen kan worden aangetoond;
- cc). een met goed gevolg afgelegd administratief examen voor het managementniveau en
- dd). houder zijn van een geldig marifoonbedieningscertificaat;
- d). of
- aa). een met goed gevolg afgesloten, goedgekeurd opleidingsprogramma als bedoeld in hoofdstuk 6 van ten minste anderhalf jaar voor het managementniveau, dat een vaartijd van ten minste 180 dagen omvat, met in aanvulling daarop na afronding van deze opleiding een vaartijd van 180 dagen, alsook
- bb). ten minste vijf jaar werkervaring, voorafgaand aan de inschrijving voor dit opleidingsprogramma, of
- cc). ten minste 500 dagen werkervaring, voorafgaand aan de inschrijving voor dit opleidingsprogramma als lid van de dekbemanning aan boord van een zeeschip, of
- dd). voorafgaand aan de inschrijving voor dit programma een willekeurig beroepsopleidingsprogramma van ten minste drie jaar met goed gevolg afgerond hebben, en
- ee). houder zijn van een geldig marifoonbedieningscertificaat.
-
- Bovendien moet elke kandidaat geschikt zijn voor het beroep van schipper. Geschikt is degene die:
- a). medisch geschikt is als bedoeld in artikel 4.01 van dit reglement;
- b). capabel is, dat wil zeggen, beschikt over de vereiste beroepsmatige vaardigheden en kennis als bedoeld in de ES-QIN (Deel I, hoofdstuk 2).
-
- De kwalificatie als bedoeld in het tweede lid, onderdeel b wordt aangetoond door een met goed gevolg afgelegd theoretisch examen met betrekking tot de vereiste kennis overeenkomstig de ES-QIN (Deel I, hoofdstuk 2) en een met goed gevolg afgelegd praktijkexamen overeenkomstig de ES-QIN (Deel II, hoofdstuk 4).
-
- Het praktijkexamen als bedoeld in het derde lid kan worden afgelegd aan boord van een vaartuig als genoemd in de ES-QIN of aan een door de bevoegde autoriteit overeenkomstig de ES-QIN hiervoor toegelaten simulator (Deel III, hoofdstuk 2). De simulator voldoet aan de technische en functionele eisen van de ES-QIN (Deel III, hoofdstuk 1).
Artikel 12.02. Sportpatent
-
- Elke kandidaat moet op de dag dat het sportpatent wordt afgegeven, ten minste 18 jaar oud zijn.
-
- De kandidaat bezit de benodigde kwalificaties. Gekwalificeerd is degene die:
- a). medisch geschikt is als bedoeld in artikel 4.01;
- b). geen strafbare feiten heeft begaan die zouden doen verwachten dat hij gezien zijn vroegere gedrag een schip niet veilig kan voeren;
- c). gekwalificeerd is, dat wil zeggen, beschikt over de noodzakelijke vaardigheden en kennis, ook in nautisch opzicht, alsmede over voldoende kennis van de reglementen en de vaarweg.
-
- De kwalificatie wordt door een met goed gevolg afgelegd theoretisch examen en praktijkexamen overeenkomstig bijlage 2 aangetoond.
Het praktijkexamen kan worden afgelegd aan boord van een sportvaartuig of aan een door de bevoegde autoriteit hiervoor toegelaten simulator.
Artikel 12.03. Overheidspatent
-
- Elke kandidaat moet op de dag dat het overheidspatent wordt afgegeven:
- a). ten minste 18 jaar oud zijn;
- b). in dienst zijn bij de overheid, in het bijzonder bij een politie- of douanedienst of een erkende noodhulpdienst, zoals bijvoorbeeld een particuliere brandweerdienst;
- c). medisch geschikt zijn als bedoeld in artikel 4.01 van dit reglement;
- d). gekwalificeerd zijn, dat wil zeggen, beschikken over de noodzakelijke vaardigheden en kennis ook in nautisch opzicht, alsmede over voldoende kennis van de reglementen en de vaarweg;
- e). ten minste drie jaar praktische ervaring in de binnenvaart hebben opgedaan, waarvan ten minste drie maanden gedurende het laatste jaar.
-
- De autoriteit waaronder de kandidaat ressorteert, moet een verklaring hebben afgegeven waarin wordt bevestigd dat de kandidaat voldoet aan de eisen in het eerste lid, onderdelen b en e.
-
- De kwalificatie wordt door een met goed gevolg afgelegd theoretisch examen en praktijkexamen overeenkomstig bijlage 2 aangetoond.
Het praktijkexamen kan worden afgelegd aan boord van een overheidsvaartuig of aan een door de bevoegde autoriteit hiervoor toegelaten simulator.
Artikel 12.04. Aanvraag om toegelaten te worden tot een administratief examen
-
- Degene die door middel van een administratief examen een kwalificatiecertificaat schipper wil verkrijgen, richt een aanvraag voor toelating tot dit examen en afgifte van het patent aan de bevoegde autoriteit, onder opgave van het volgende:
- a). voor- en achternaam, geboortedatum, geboorteplaats en adres;
- b). soort patent dat men wil verkrijgen.
-
- Bij de aanvraag van een patent worden de volgende stukken worden overhandigd:
- a). een recente pasfoto;
- b). een bewijs van medische geschiktheid overeenkomstig de bepalingen van artikel 4.02, tweede lid;
- c). een bewijs van de vaartijd;
- d). een kopie van het marifoonbedieningscertificaat.
-
- De identiteit moet door een identiteitsbewijs of paspoort worden aangetoond.
Artikel 12.05. Vrijstellingen en verlichting van de exameneisen
-
- Degene die met goed gevolg een eindexamen van een beroepsopleiding heeft afgelegd, kan voor de verkrijging van het Rijnpatent worden vrijgesteld van het theoretisch gedeelte van het examen dat betrekking heeft op kennis die reeds onderwerp was van een examen in het kader van de beroepsopleiding. De CCR publiceert een lijst van deze eindexamens van beroepsopleidingen en gedeelten van het examen ter verkrijging van het Rijnpatent die recht geven op een vrijstelling. De lijst van als gelijkwaardig erkende examens wordt door de CCR op de website geplaatst.
-
- De houder van een kwalificatiecertificaat zoals bedoeld in artikel 11.01, derde lid, voor de verkrijging van het sportpatent worden vrijgesteld van dat gedeelte van het examen dat betrekking heeft op nautische vakkennis.
-
- De houder van een overheidspatent verkrijgt op aanvraag een sportpatent zonder daarvoor examen te doen.
Artikel 12.06. Examen in het kader van een goedgekeurd opleidingsprogramma
-
- In het geval van een examen in het kader van een goedgekeurd opleidingsprogramma zoals bedoeld in artikel 12.01, eerste lid, onderdeel a of d verzoekt de kandidaat, nadat hij het opleidingsprogramma met goed gevolg heeft afgerond, de bevoegde autoriteit overeenkomstig de bepalingen van artikel 12.04, tweede tot en met vierde lid een Rijnpatent af te geven. Naast de in dit artikel genoemde documenten, voegt de kandidaat het diploma bij waaruit blijkt dat hij het opleidingsprogramma met goed gevolg heeft afgerond.
-
- De autoriteit controleert of voldaan is aan de voorwaarden van artikel 12.01. Een voorafgaande, aparte toelating tot het examen zoals bedoeld in artikel 7.01 in niet nodig.
-
- Als aan alle voorwaarden van artikel 12.01 is voldaan, geeft de bevoegde autoriteit het Rijnpatent af overeenkomstig de bepalingen van artikel 12.07, eerste lid.
Artikel 12.07. Geldigheid en afgifte van kwalificatiecertificaten schipper
-
- Onverminderd de bepalingen van artikel 4.01, eerste lid, wordt het Rijnpatent (artikel 12.01) afgegeven met een geldigheid van 13 jaar vanaf het tijdstip waarop het laatste vereiste examendeel met goed gevolg werd afgerond. Het Rijnpatent verliest na de in artikel 4.02, eerste lid genoemde datum van ambtswege zijn geldigheid, zelfs zonder dat hiervoor een specifiek besluit van de bevoegde autoriteit nodig is. Het Rijnpatent wordt door de bevoegde autoriteit overeenkomstig het model in de ES-QIN (Deel V, hoofdstuk 1) afgegeven.
-
- Het sportpatent (artikel 12.02) wordt met een geldigheid tot het in artikel 4.02, eerste lid genoemde tijdstip afgegeven. Het sportpatent verliest na deze datum van ambtswege zijn geldigheid, zelfs zonder dat hiervoor een specifiek besluit van de bevoegde autoriteit nodig is. De lijst van de door de Rijnoeverstaten en België afgegeven sportpatenten staat in bijlage 3.
-
- Het overheidspatent (artikel 12.03) wordt met een onbeperkte geldigheidsduur afgegeven, maar op voorwaarde dat het overheidspatent aan de bevoegde autoriteit wordt teruggegeven, nadat de houder de dienst heeft beëindigd. De lijst van de door de Rijnoeverstaten en België afgegeven overheidspatenten staat in bijlage 4.
Artikel 12.08. Voorlopig Rijnpatent
Indien de kandidaat na het slagen voor het examen voor een fysiek document kiest, verstrekt de bevoegde autoriteit voor de periode tussen het succesvol afleggen van het examen en de afgifte van de patentkaart een voorlopig Rijnpatent. Hiertoe print de autoriteit een uittreksel uit de elektronische gegevensbank, dat als voorlopig Rijnpatent geldt. De bevoegde autoriteit kan ook een voorlopig Rijnpatent verstrekken voor de tijd tussen de vervaldatum voor de verlenging van het patent en de afgifte van het nieuwe Rijnpatent.
Hoofdstuk 13. Verkrijging van specifieke vergunningen
Artikel 13.01. Specifieke vergunningen
-
- Voor het besturen van een schip moet de verantwoordelijke schipper beschikken over een specifieke vergunning als hij
- a). met behulp van een radar moet varen,
- b). waterwegen bevaart die als binnenwatertrajecten met specifieke risico’s geclassificeerd zijn,
- c). wateren bevaart die zijn geclassificeerd als binnenwateren van maritieme aard,
- d). vaartuigen voert die vloeibaar aardgas (LNG) als brandstof gebruiken, of
- e). met grote konvooien vaart.
-
- Specifieke vergunningen met uitzondering van het eerste lid, onderdeel d worden op het kwalificatiecertificaat schipper vermeld.
-
- De voor specifieke vergunningen vereiste examens kunnen in het kader van een administratief examen of in het kader van een goedgekeurd opleidingsprogramma worden afgelegd.
-
- Bij de aanvraag van een specifieke vergunning worden de volgende stukken overhandigd: De identiteit moet door een identiteitsbewijs of paspoort worden aangetoond.
- a). een kopie van het kwalificatiecertificaat schipper of een document waarmee wordt aangetoond dat aan de minimumeisen voor het kwalificatiecertificaat schipper voldaan wordt;
- b). een kopie van de desbetreffende pagina´s van het dienstboekjes, indien nodig.
-
- De geldigheid van een specifieke vergunning is afhankelijk van het desbetreffende kwalificatiecertificaat schipper. De geldigheid van de specifieke vergunning eindigt wanneer de geldigheid van het kwalificatiecertificaat eindigt. De specifieke vergunning wordt op het kwalificatiecertificaat schipper overeenkomstig het model van de ES-QIN vermeld.
Artikel 13.02. Specifieke vergunning voor het varen met behulp van radar
-
- Voor het varen met behulp van een radar als radarvaart zoals bedoeld in het Rijnvaartpolitiereglement, is een specifieke vergunning vereist.
-
- Een kandidaat beschikt over de in de ES-QIN (Deel 1, hoofdstuk 4) genoemde competenties. Dit wordt aangetoond door een met goed gevolg afgelegd theoretisch examen met betrekking tot de vereiste kennis overeenkomstig de ES-QIN (Deel I, hoofdstuk 4) en een praktijkexamen overeenkomstig de ES-QIN (Deel II, hoofdstuk 1).
-
- Het praktijkexamen kan worden afgelegd aan boord van een vaartuig zoals genoemd in de ES-QIN of op een door de bevoegde autoriteit overeenkomstig de ES-QIN (Deel III, Hoofdstuk 2) hiervoor toegelaten simulator. De simulator moet voldoen aan de technische en functionele eisen van de ES-QIN (Deel III, hoofdstuk 1).
-
- De bevoegde autoriteit geeft de specifieke vergunning voor het varen met behulp van een radar af na te hebben vastgesteld dat de aanvrager aan de in het tweede en derde lid gestelde eisen voldoet en na de echtheid en de geldigheid van de door de aanvrager overeenkomstig artikel 13.01 verstrekte documenten te hebben gecontroleerd.
-
- Houders van nationale kwalificatiecertificaten als bedoeld in artikel 11.01, derde lid, kunnen eveneens de specifieke vergunning voor het varen met behulp van radar verkrijgen overeenkomstig de bepalingen van het tweede en derde lid.
Artikel 13.03. Specifieke vergunning voor het bevaren van waterwegen die als binnenwatertrajecten met specifieke risico’s geclassificeerd zijn
-
- Voor het besturen van een vaartuig op een waterweg die geclassificeerd is als binnenwatertraject met een specifiek risico als bedoeld in het tweede lid, is een specifieke vergunning vereist.
-
- Wanneer dit nodig is om de veiligheid van de scheepvaart te waarborgen, kunnen de Oeverstaten trajecten die door hun eigen grondgebied lopen, classificeren als binnenwateren met specifieke risico’s wanneer deze risico’s het gevolg zijn van een of meer van de volgende omstandigheden:
- a). vaak veranderende stroompatronen en -snelheid
- b). de hydromorfologische kenmerken van de binnenwaterweg en het ontbreken van passende vaarweginformatiediensten over de binnenwaterweg of van geschikte kaarten;
- c). de aanwezigheid van een specifieke lokale verkeersregeling die wordt gerechtvaardigd door specifieke hydromorfologische kenmerken van de binnenwaterweg, of
- d). een hoge ongevallenfrequentie op een specifiek traject van de binnenwateren, die wordt toegeschreven aan het ontbreken van een competentie die niet door de in ES-QIN, Deel I, Hoofdstuk 2 wordt gedekt.
-
- De binnenwatertrajecten met specifieke risico’s van de Rijn staan in bijlage 5.
-
- De aanvrager verstrekt de bevoegde autoriteit toereikende bewijsstukken voor:
- a). zijn identiteit;
- b). het voldoen aan de overeenkomstig het eerste lid bepaalde competentievereisten voor specifieke risico’s voor het specifieke binnenwatertraject waarvoor de vergunning vereist is;
- c). het beschikken over een kwalificatiecertificaat schipper of het voldoen aan de minimumeisen voor kwalificatiecertificaten schipper.
-
- Voor het verkrijgen van de specifieke vergunning voor de Rijn moet de houder van een kwalificatiecertificaat schipper het in bijlage 5 genoemde examen met succes afgelegd hebben. Om tot het examen voor een door de aanvrager bepaald traject toegelaten te worden, moet de bevoegde autoriteit het bewijs overgelegd worden van het bevaren van de desbetreffende riviergedeelten zoals bepaald in bijlage 5.
-
- De bevoegde autoriteit beoordeelt de competentie van de aanvragers voor specifieke risico’s en geeft de specifieke vergunning af na de echtheid en de geldigheid van de door de aanvrager verstrekte documenten te hebben gecontroleerd.
-
- Houders van nationale kwalificatiecertificaten als bedoeld in artikel 11.01, derde lid, kunnen eveneens de specifieke vergunning voor het bevaren van binnenwateren met specifieke risico’s verkrijgen overeenkomstig bijlage 5.
Artikel 13.04. Specifieke vergunning voor het varen op binnenwateren van maritieme aard
-
- Voor het besturen van een vaartuig op binnenwateren van maritieme aard is een specifieke vergunning vereist.
-
- Een kandidaat moet met goed gevolg een theoretisch examen overeenkomstig de ES-QIN (Deel I, hoofdstuk 3) afgelegd hebben.
-
- De bevoegde autoriteit geeft de specifieke vergunning voor het varen op binnenwateren van maritieme aard af na te hebben vastgesteld dat de aanvrager aan de in het tweede lid gestelde eisen voldoet en na de echtheid en de geldigheid van de door de aanvrager, overeenkomstig artikel 13.01, verstrekte documenten te hebben gecontroleerd.
Artikel 13.05. Specifieke vergunning voor het varen met vaartuigen die vloeibaar aardgas (LNG) als brandstof gebruiken
Voor het besturen van een vaartuig dat vloeibaar aardgas als brandstof gebruikt, is een specifieke vergunning vereist. Deze wordt aangetoond door een kwalificatiecertificaat voor LNG-deskundige, dat wordt verkregen zoals bepaald in artikel 15.02 tot en met 15.04.
Artikel 13.06. Specifieke vergunning voor het varen met grote konvooien
-
- Voor het besturen van een groot konvooi is een specifieke vergunning vereist. Een kandidaat moet een vaartijd van ten minste 720 dagen kunnen aantonen, waarvan ten minste 540 dagen als schipper. Hij moet ten minste 180 dagen de koers en snelheid van een groot konvooi zelfstandig bepaald hebben.
-
- De bevoegde autoriteit geeft de specifieke vergunning voor het varen met grote konvooien af na te hebben vastgesteld dat de aanvrager aan de in het eerste lid gestelde eisen voldoet en na de echtheid en de geldigheid van de door de aanvrager, overeenkomstig artikel 13.01, verstrekte documenten te hebben gecontroleerd.
Paragraaf 4. Kwalificaties voor specifieke activiteiten
Hoofdstuk 14. Veiligheidspersoneel aan boord van schepen die onder het ADN vallen
Artikel 14.01. Verwijzing naar de bepalingen van het ADN
Onverminderd de bepalingen van Richtlijn 2008/68/EG is aan boord van schepen die gevaarlijke stoffen vervoeren een persoon aanwezig zoals bedoeld in de randnummers 7.1.3.15 en 7.2.3.15 van het ADN die houder is van een verklaring van deskundigen volgens het model van randnummer 8.6.2. van het ADN.
Hoofdstuk 15. Veiligheidspersoneel aan boord van schepen die vloeibaar aardgas (LNG) als brandstof gebruiken
Artikel 15.01. Kennis en instructie
De schipper en de personen die houder zijn van een kwalificatiecertificaat en die betrokken zijn bij de bunkerprocedure van schepen die op vloeibaar aardgas (LNG) varen, zijn gekwalificeerd als deskundige op het gebied van vloeibaar aardgas (LNG).
Artikel 15.02. Kwalificatiecertificaat
-
- Deskundigen op het gebied van vloeibaar aardgas (LNG-deskundigen) tonen hun deskundigheid aan met een kwalificatiecertificaat deskundige op het gebied van vloeibaar aardgas (LNG) overeenkomstig het model in de ES-QIN (Deel V, hoofdstuk 1).
-
- Het kwalificatiecertificaat deskundige op het gebied van vloeibaar aardgas (LNG) wordt afgegeven aan degene die voldoet aan de eisen van de artikelen 15.03 en 15.04, en tenminste 18 jaar oud is.
Artikel 15.03. Cursus en examen
-
- De cursus om de vereiste kennis op te doen bestaat uit een theoretisch gedeelte en een praktisch gedeelte en wordt door een examen afgesloten.
-
- Het theoretisch gedeelte van de cursus omvat de in de ES-QIN (Deel I, hoofdstuk 6) genoemde competenties, aangegeven met ‘kennis van’.
-
- Het praktische gedeelte van de cursus betreft de toepassing van de verworven theoretische kennis in de praktijk aan boord van een schip dat vloeibaar aardgas (LNG) als brandstof gebruikt en/of in een daarvoor geschikte walinstallatie. Het omvat de in de ES-QIN (Deel V, Hoofdstuk 6) genoemde competenties, aangegeven met ‘vaardigheid om’.
-
- Het examen bestaat uit een theoretisch en uit een praktisch deel. Het theoretisch deel van het examen is met goed gevolg afgelegd wanneer de kandidaat heeft aangetoond in voldoende mate over de competenties te beschikken die in de ES-QIN (Deel I, hoofdstuk 6) zijn aangegeven met ‘kennis van’. Het praktisch deel van het examen is met goed gevolg afgelegd wanneer de kandidaat is geslaagd voor het praktijkexamen ter verkrijging van het kwalificatiecertificaat van deskundige op het gebied van vloeibaar aardgas (LNG), als vastgelegd in de ES-QIN (Deel II, hoofdstuk 3).
-
- Het praktische deel van het examen wordt afgenomen aan boord van een schip en/of in een daarvoor geschikte walinstallatie, die voldoet aan de ‘Technische eisen inzake vaartuigen en faciliteiten aan de wal die voor praktijkexamens worden gebruikt’, als opgenomen in de ES-QIN (Deel II, hoofdstuk 3).
Artikel 15.04. Goedkeuring van cursussen
-
- De cursussen worden goedgekeurd door de bevoegde autoriteiten op basis van de uniforme criteria overeenkomstig artikel 15.05.
-
- De bevoegde autoriteiten stellen de CCR in kennis van elk besluit over de goedkeuring van een cursus of over de intrekking of schorsing van een dergelijke goedkeuring.
De lijst van goedgekeurde cursussen wordt door de CCR op de website geplaatst.
Artikel 15.05. Criteria voor de goedkeuring van cursussen
-
- De bevoegde autoriteit kan een cursus goedkeuren wanneer zij tot de overtuiging is gekomen dat het opleidingsinstituut cursussen aanbiedt en examens afneemt die garant staan voor de benodigde kennis van bemanningsleden van vaartuigen die vloeibaar aardgas (LNG) als brandstof gebruiken. De cursussen en examens moeten voldoen aan artikel 15.03.
-
- De aanvraag om goedkeuring moet schriftelijk worden ingediend en de onderstaande documenten bevatten:
- a). een gedetailleerd programma van de cursussen, met vermelding van de te onderwijzen onderwerpen, het lesrooster en de voorgenomen onderwijsmethoden,
- b). een lijst van de onderwijskrachten, hun kwalificaties en werkterreinen,
- c). informatie over de ruimte waar de cursussen plaatsvinden, over het onderwijsmateriaal alsook de faciliteiten voor de praktijkoefeningen en voor het praktijkexamen,
- d). de voorwaarden voor deelname aan de cursussen, bijvoorbeeld het aantal deelnemers,
- e). een beschrijving van het examenprogramma (theoretische en praktijkexamens) en het vereiste examenniveau om voor het examen te slagen, zowel voor het initiële examen als voor het examen dat vereist is voor de verlenging van de kwalificatie,
- f). een verklaring waarin het opleidingsinstituut zich ertoe verplicht de bevoegde autoriteit onverwijld en op eigen initiatief op de hoogte te stellen van elke wijziging in de gegevens, die genoemd zijn in onderdelen a) tot e).
-
- De bevoegde autoriteit houdt toezicht op de cursussen en examens. De bevoegde autoriteit kan een verleende goedkeuring intrekken wanneer:
- a). blijkt dat niet aan de voorwaarden voor een goedkeuring voldaan was of niet meer aan deze voorwaarden wordt voldaan, of
- b). het opleidingsinstituut niet heeft voldaan aan zijn verplichting tot medewerking of andere verplichtingen.
Artikel 15.06. Geldigheid en verlenging van het kwalificatiecertificaat
-
- Het kwalificatiecertificaat heeft een geldigheidsduur van vijf jaar.
-
- Het geldige kwalificatiecertificaat overeenkomstig het model van de ES-QIN (Deel V, hoofdstuk 1) wordt op verzoek van de houder door de bevoegde autoriteit met vijf jaar verlengd met ingang van de datum van aanvraag wanneer de houder
- a). de onderstaande vaartijd kan aantonen op een vaartuig dat vaart op vloeibaar aardgas (LNG): of, wanneer dit niet het geval is,
- –. ten minste 180 dagen in de afgelopen vijf jaar, of
- –. ten minste 90 dagen in het afgelopen jaar;
- b). hij in het kader van een goedgekeurd opleidingsprogramma het examen zoals bedoeld in artikel 15.03 nogmaals met succes heeft afgelegd.
Hoofdstuk 16. Veiligheidspersoneel aan boord van passagiersschepen
Artikel 16.01. Veiligheidspersoneel aan boord van passagiersschepen
-
- Aan boord van elk passagiersschip is veiligheidspersoneel in voldoende aantal aanwezig zolang er passagiers aan boord zijn.
-
- De leden van het veiligheidspersoneel kunnen deel uitmaken van de bemanning of het boordpersoneel.
Artikel 16.02. Verkrijging van het kwalificatiecertificaat deskundige voor de passagiersvaart
Om voor de eerste maal het kwalificatiecertificaat deskundige voor de passagiersvaart te verkrijgen, is de kandidaat ten minste 18 jaar en beschikt over de in de ES-QIN (Deel I, hoofdstuk 5) genoemde competenties. Deze competenties worden geacht aanwezig te zijn indien de betreffende persoon geslaagd is voor een examen overeenkomstig artikel 16.03, dat werd georganiseerd:
- a). als onderdeel van een goedgekeurde opleiding overeenkomstig artikel 16.04, of
- b). onder verantwoordelijkheid van een bevoegde autoriteit.
Het kwalificatiecertificaat deskundige voor de passagiersvaart is vijf jaar geldig.
Iedere aanvrager van een verlenging van een kwalificatiecertificaat deskundige voor de passagiersvaart, legt het examen, genoemd in het eerste lid, opnieuw met succes af.
Artikel 16.03. Examen voor deskundigen voor de passagiersvaart
Het examen bestaat uit een theoretisch en praktijkgedeelte.
Aan het theoretisch gedeelte van het examen wordt voldaan wanneer de kandidaat aantoont dat hij beschikt over de in de ES-QIN (Deel I, hoofdstuk 5) genoemde kennis.
Aan het praktijkgedeelte wordt voldaan wanneer de kandidaat met goed gevolg een praktijkexamen heeft afgelegd overeenkomstig de ES-QIN (Deel II, hoofdstuk 2). Het praktijkgedeelte van het examen wordt afgelegd aan boord van een vaartuig of met behulp van een walinstallatie die voldoet aan de technische eisen zoals vastgelegd in de ES-QIN (Deel II, hoofdstuk 2).
Artikel 16.04. Opleiding voor deskundigen voor de passagiersvaart
De opleiding als bedoeld in artikel 16.02, eerste lid, tweede zin, onderdeel a, wordt door de bevoegde autoriteit overeenkomstig de in artikel 16.05 vastgelegde voorwaarden toegelaten en bestaat uit:
- a). een theoretische scholing om de in de ES-QIN (Deel I, hoofdstuk 5) genoemde kennis te verwerven;
- b). een praktische scholing om de in de ES-QIN (Deel II, hoofdstuk 2) genoemde vaardigheden op te doen.
Artikel 16.05. Goedkeuring van de opleidingen voor deskundige
-
- De goedkeuring van de opleidingen wordt gedaan door de bevoegde autoriteiten op basis van artikel 16.06.
-
- De bevoegde autoriteiten stellen de CCR op de hoogte van elke besluit over de goedkeuring van een cursus of de intrekking of opschorting van een goedkeuring.
De lijst van de goedgekeurde opleidingen wordt door de CCR op de website geplaatst.
Artikel 16.06. Criteria voor de goedkeuring van cursussen
-
- De bevoegde autoriteit kan op basis van de voorwaarden van artikel 16.03, een cursus goedkeuren wanneer zij tot de overtuiging is gekomen dat het opleidingsinstituut cursussen aanbiedt of examens afneemt die garant staan voor de benodigde kennis van deskundigen voor passagiersvaart.
-
- De aanvraag ter goedkeuring wordt schriftelijk ingediend en bevat de onderstaande documenten:
- a). een gedetailleerd programma van de cursussen, met vermelding van de te onderwijzen onderwerpen, het lesrooster en de voorgenomen onderwijsmethoden, zowel voor de initiële opleiding als de opfriscursus,
- b). een lijst van de onderwijskrachten, hun kwalificaties en werkterreinen,
- c). informatie over de ruimte waar de cursussen plaatsvinden, over het onderwijsmateriaal alsook de faciliteiten voor de praktijkoefeningen,
- d). de voorwaarden voor deelname aan de cursussen, bijvoorbeeld het aantal deelnemers,
- e). een beschrijving van het examenprogramma (theoretische en praktijkexamens) en de vereiste resultaten om voor het examen te slagen, zowel voor het initiële examen als voor het examen in het kader van de verlenging van het kwalificatiecertificaat,
- f). een verklaring waarin het opleidingsinstituut zich ertoe verplicht de bevoegde autoriteit onverwijld en op eigen initiatief op de hoogte te stellen van elke wijziging in de gegevens, die genoemd zijn in onderdelen a) tot e).
-
- De bevoegde autoriteit houdt toezicht op de cursussen en examens. De bevoegde autoriteit kan een verleende goedkeuring overeenkomstig de nationale voorschriften van een Rijnoeverstaat en België intrekken wanneer
- a). blijkt dat niet aan de voorwaarden voor een goedkeuring voldaan was of niet meer aan deze voorwaarden wordt voldaan, of
- b). het opleidingsinstituut niet heeft voldaan aan zijn verplichting tot medewerking of andere verplichtingen.
Artikel 16.07. Eerstehulpverlener
De eerstehulpverlener moet ten minste 17 jaar zijn en de vereiste kwalificatie bezitten. Deze wordt geacht aanwezig te zijn, indien de desbetreffende persoon
- a). aan een cursus voor eerstehulpverlener heeft deelgenomen, en
- b). regelmatig overeenkomstig artikel 16.09 aan de opfriscursussen heeft deelgenomen.
Artikel 16.08. Persluchtmaskerdrager
De persluchtmaskerdrager moet ten minste 18 jaar zijn en geschikt zijn om de ademhalingsapparatuur zoals bedoeld in artikel 19.12, tiende lid, onderdeel a, van de ES-TRIN, voor de redding van personen te kunnen gebruiken. Deze wordt geacht aanwezig te zijn, indien de betreffende persoon de lichamelijke en geestelijke geschiktheid en de kwalificatie overeenkomstig de nationale voorschriften van de Rijnoeverstaten of België aantoont en regelmatig overeenkomstig artikel 16.09 aan de opfriscursussen heeft deelgenomen.
Artikel 16.09. Cursussen en opfriscursussen voor eerstehulpverleners en persluchtmaskerdragers
De opleiding en opfriscursussen voor eerstehulpverleners en persluchtmaskerdragers worden gevolgd overeenkomstig de voorschriften van één van de Rijnoeverstaten of België.
Artikel 16.10. Aantonen van de functie
-
- De bevoegde autoriteit geeft na het succesvol afleggen van het examen, als bedoeld in artikel 16.03, het kwalificatiecertificaat af van deskundige voor de passagiersvaart overeenkomstig de ES-QIN (Deel V, hoofdstuk 1).
-
- Op vertoon van het bewijs van de opleiding zoals bedoeld in artikel 16.07 en 16.09 geeft de bevoegde autoriteit een verklaring af betreffende de bevoegdheid als eerstehulpverlener volgens het model van bijlage 6 of verlengt deze. Als verklaringen gelden ook de documenten van de nationale of regionale organisaties van het Rode Kruis of vergelijkbare nationale of regionale reddingsorganisaties die door de CCR bekend worden gemaakt.
-
- Op vertoon van het bewijs van de opleiding zoals bedoeld in artikel 16.08 en 16.09 geeft de bevoegde autoriteit een verklaring af betreffende de bevoegdheid als persluchtmaskerdrager volgens het model van bijlage 7 of verlengt deze.
Deze cursusbewijzen gelden als verklaring, als deze zijn afgegeven door een volgens het nationale recht van de Rijnoeverstaten of België erkend opleidingsinstituut en het dienovereenkomstige model door de CCR bekend gemaakt is.
Artikel 16.11. Aantal leden veiligheidspersoneel
-
- Deskundigen voor de passagiersvaart, eerstehulpverleners en persluchtmaskerdragers moeten ten minste in de navolgende aantallen aanwezig zijn: Voor hotelschepen met een lengte van 45 m of minder, waarvan de hutten voorzien zijn van een aantal vluchtmaskers dat overeenkomt met het aantal bedden en deze vluchtmaskers binnen handbereik liggen, zijn persluchtmaskerdragers niet vereist.
- a). gedurende de vaart aan boord:
| aa) schepen voor dagtochten | aa) schepen voor dagtochten | aa) schepen voor dagtochten | aa) schepen voor dagtochten |
|---|---|---|---|
| Groep | Aantal personen aan boord | Deskundige voor de passagiersvaart | Eerstehulpverleners |
| 1 | tot en met 250 | 1 | 1 |
| 2 | meer dan 250 | 1 | 2 |
| bb) hotelschepen | bb) hotelschepen | bb) hotelschepen | bb) hotelschepen |
| --- | --- | --- | --- |
| Groep | Aantal bezette bedden | Deskundigen voor de passagiersvaart | Eerstehulp-verleners |
| 1 | tot en met 100 | 1 | 1 |
| 2 | meer dan 100 | 1 | 2 |
- b). permanent beschikbaar tijdens het stilliggen: het in bovenstaande tabel voorgeschreven veiligheidspersoneel in onderdeel a voor groep 1.
-
- Op schepen voor dagtochten met een toegelaten aantal personen van niet meer dan 75 en op stilliggende passagiersschepen mogen de functies van deskundigen voor de passagiersvaart en eerstehulpverlener door één en dezelfde persoon worden waargenomen. In alle andere gevallen mag de taak van deskundige voor de passagiersvaart, eerstehulpverlener en persluchtmaskerdrager niet door één en dezelfde persoon worden waargenomen.
Artikel 16.12. Plichten van de schipper en de deskundige
-
- Onverminderd de voorschriften van het Rijnvaartpolitiereglement draagt de schipper er zorg voor:
- a). de deskundige voor de passagiersvaart met het veiligheidsdossier en het veiligheidsplan, zoals bedoeld in artikel 19.13 van de ES-TRIN vertrouwd te maken,
- b). het veiligheidspersoneel te instrueren en bekend maken met het passagiersschip,
- c). de vereiste kwalificatie van het veiligheidspersoneel aan boord, zoals bedoeld in de artikelen 16.02 tot en met 16.09, op ieder momentaan de hand van de verklaringen zoals bedoeld in artikel 16.10 te kunnen aantonen,
- d). ervoor te zorgen dat gecontroleerd kan worden dat er regelmatig veiligheidsrondes plaatsvinden.
-
- De deskundige voor de passagiersvaart draagt zorg voor het toezicht van de veiligheidsinrichtingen en -uitrustingen overeenkomstig het veiligheidsdossier en voor de veiligheid van de passagiers in geval van gevaar en in noodsituaties aan boord. Hij kent het veiligheidsdossier en het veiligheidsplan in detail en overeenkomstig de door de schipper verstrekte instructies moet hij:
- a). de leden van de bemanning en het boordpersoneel die op grond van het veiligheidsdossier in noodsituaties bepaalde taken te vervullen hebben, deze taken toekennen;
- b). de leden van de bemanning en het boordpersoneel regelmatig over de hun toebedeelde taken informeren;
- c). de passagiers aan boord van hotelschepen bij het begin van de reis over de inhoud van het veiligheidsplan informeren en wat zij moeten doen;
- d). passagiers bijstaan ten aanzien van hun rechten als passagiers.
Artikel 16.13. Toezicht
Zolang zich passagiers aan boord bevinden, moet er ’s nachts ieder uur een controleronde gemaakt worden. Er moet op een adequate wijze kunnen worden gecontroleerd of deze rondes plaatsvinden.
Deel III. Bemanning
Hoofdstuk 17. Algemene bepalingen
Artikel 17.01. Algemene bepalingen
-
- De bemanning en het veiligheidspersoneel die zich overeenkomstig het Rijnvaartpolitiereglement aan boord bevinden van schepen die de Rijn bevaren, voldoen aan de voorschriften van dit reglement. De voor de desbetreffende exploitatiewijze en vaartijd voorgeschreven bemanning en veiligheidspersoneel bevinden zich tijdens de vaart voortdurend aan boord. Het is niet toegestaan zonder de voorgeschreven bemanning of zonder het veiligheidspersoneel te vertrekken. Schepen waarvan door onvoorziene omstandigheden (bijvoorbeeld ziekte, ongeval, bevel van een bevoegde autoriteit) tijdens de vaart ten hoogste één lid van de voorgeschreven bemanning uitvalt, mogen niettemin hun reis voortzetten tot de eerstvolgende geschikte aanlegplaats in de richting waarin gevaren wordt – passagiersschepen tot het eindpunt van de reis van die dag – indien zich aan boord naast een persoon die houder is van een kwalificatiecertificaat schipper voor het desbetreffende riviergedeelte, nog een lid van de voorgeschreven bemanning bevindt. De persoon die belast is met het toezicht op en de verzorging van zich aan boord bevindende kinderen onder de zes jaar, mag geen lid van de minimumbemanning zijn, tenzij er maatregelen zijn getroffen om de veiligheid van de kinderen ook zonder voortdurend toezicht te waarborgen.
-
- Elke Rijnoeverstaat of België kan bepalen dat de nationale voorschriften betreffende de arbeidsbescherming van toepassing zijn op de Rijnschepen die in die staat zijn ingeschreven. Niet in een register ingeschreven schepen vallen onder de wettelijke voorschriften van die Rijnoeverstaat of België waarin het bedrijf zijn hoofdzetel of de eigenaar zijn wettelijke domicilie heeft. In afwijking hiervan kunnen de bevoegde autoriteiten van de Rijnoeverstaten of België bilateraal overeenkomen dat bepaalde schepen die in de ene staat zijn ingeschreven, onder de voorschriften van de andere staat vallen. Zwangere vrouwen en kraamvrouwen mogen gedurende ten minste 14 weken, waarvan ten minste zes weken voor en zeven weken na de bevalling geen deel uitmaken van de bemanning.
-
- Voor de toepassing van de artikelen 18.01, 18.02 en 18.03 wordt tevens rekening gehouden met vaar- en rusttijden die buiten het toepassingsgebied van dit reglement vervuld zijn.
-
- De houder van een Rijnpatent mag alleen de functie van schipper uitoefenen indien hij daartoe de nodige geschiktheid bezit.
-
- De in het vierde lid genoemde geschiktheid kan door de bevoegde autoriteiten krachtens nationaal recht worden onderzocht. Indien de bevoegde autoriteit tot de conclusie komt dat de houder van het Rijnpatent ongeschikt is kan hem de uitoefening van de functie van schipper worden verboden. Een intrekking of schorsing als bedoeld in artikel 8.01 of 8.02 uitsluitend om deze reden is niet toegestaan.
Artikel 17.02. Gelijkwaardigheid en afwijkingen
-
- Wanneer in de bepalingen van dit gedeelte is vastgelegd dat bepaalde bemanningsvoorschriften van toepassing zijn, kan de bevoegde autoriteit rekening houdend met de voorschriften in het Rijnvaartpolitiereglement toestaan dat andere bemanningsvoorschriften worden toegepast, op voorwaarde dat deze op grond van aanbevelingen van de CCR als gelijkwaardig zijn erkend.
-
- Bij wijze van proef en voor een beperkte tijdsduur kan een bevoegde autoriteit op grond van een aanbeveling van de CCR voor een vaartuig met nieuwe technische voorzieningen andere regelingen voor de minimumbemanning vastleggen, op voorwaarde dat deze regelingen in het kader van de nieuwe technische voorzieningen voldoende veiligheid waarborgen.
-
- De gelijkwaardigheden en afwijkingen zoals bedoeld in het eerste en tweede lid moeten in het binnenschipcertificaat worden ingeschreven.
-
- De bevoegde autoriteiten informeren de CCR binnen één maand over de toekenning van een gelijkwaardigheid of afwijking. De CCR publiceert een lijst met de toegekende gelijkwaardigheden en afwijkingen.
Hoofdstuk 18. Exploitatiewijzen, verplichte rusttijd, vaartijdenboek
Artikel 18.01. Exploitatiewijzen
-
- Men onderscheidt de volgende exploitatiewijzen: telkens binnen een periode van 24 uur.
- A1. vaart van ten hoogste 14 uur,
- A2. vaart van ten hoogste 18 uur,
- B. vaart van ten hoogste 24 uur,
-
- Bij exploitatiewijze A1 mag de vaart eenmaal per kalenderweek tot maximaal 16 uur worden verlengd, indien de vaartijd kan worden aangetoond met de registraties van een tachograaf die voldoet aan de eisen van Bijlage 5, Onderdeel V van de ES-TRIN betreffende minimumeisen en voorschriften omtrent de inbouw en de controle van het functioneren van tachografen in de binnenvaart, en wanneer afgezien van de schipper nog een ander bemanningslid van de minimumbemanning een kwalificatiecertificaat stuurman heeft.
-
- Een schip dat in exploitatiewijze A1, respectievelijk A2 wordt geëxploiteerd, moet de vaart gedurende acht, respectievelijk zes aaneengesloten uren onderbreken, te weten:
- a). in de exploitatiewijze A1 tussen 22.00 en 06.00 uur, en
- b). in de exploitatiewijze A2 tussen 23.00 en 05.00 uur.
Er mag van deze tijden worden afgeweken, indien de vaartijd wordt geregistreerd door middel van een tachograaf die voldoet aan de eisen van Bijlage 5, Onderdeel V van de ES-TRIN betreffende minimumeisen en voorschriften omtrent de inbouw en de controle van het functioneren van tachografen in de binnenvaart, en naar behoren functioneert. De tachograaf moet ten minste vanaf het begin van de laatste ononderbroken rusttijd van acht, respectievelijk zes uur zijn ingeschakeld en voor de controlerende diensten te allen tijde bereikbaar zijn.
Artikel 18.02. Verplichte rusttijd
-
- Bij exploitatiewijze A1 heeft elk bemanningslid recht op een ononderbroken rusttijd van acht uur buiten de vaartijd per periode van 24 uur, gerekend vanaf het einde van elke rusttijd van acht uur.
-
- Bij exploitatiewijze A2 heeft elk bemanningslid recht op een rusttijd van acht uur, waarvan zes uur ononderbroken buiten de vaartijd per periode van 24 uur, gerekend vanaf het einde van elke rusttijd van zes uur. Voor bemanningsleden onder de 18 jaar wordt een ononderbroken rusttijd van acht uur in acht genomen waarvan zes uur buiten de vaartijd.
-
- Bij exploitatiewijze B heeft elk bemanningslid recht op een rusttijd van 24 uur per periode van 48 uur, waarvan ten minste twee maal zes uur ononderbroken zijn.
-
- In afwijking van het eerste en tweede lid kan de rusttijd tevens tijdens de vaart plaatsvinden, indien:
- •. ook tijdens deze rusttijd te allen tijde het voor de veiligheid van het schip vereiste aantal bemanningsleden – waaronder tenminste één schipper – wordt ingezet, en
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)