Reglement betreffende het scheepvaartpersoneel op de Rijn (RSP)

Type Ministeriële regeling
Publication 2026-01-01
State In force
Source BWB
artikelen 158
Wijzigingsgeschiedenis JSON API
  • •. de mogelijkheid bestaat de rusttijd door te brengen in een slechts aan één bemanningslid toegewezen ruimte die geschikt is om uit te rusten en afgeschermd is tegen geluid of trillingen boven de toegelaten grenswaarde. In deze ruimte wordt de geluidsdruk van 60 dB(A) niet overschreden, hetgeen moet blijken uit het binnenschipcertificaat, waarbij de geluidsdruk gemeten dient te worden overeenkomstig de geldende voorschriften van de ES-TRIN.
    1. Gedurende zijn verplichte rusttijd mag een bemanningslid niet voor enigerlei taak worden ingezet, ook niet om toezicht te houden of stand-by te zijn. De in de politievoorschriften bedoelde wacht- en toezichtstaken voor stilliggende vaartuigen worden niet als taak in de zin van dit lid beschouwd.
    1. Bepalingen in de arbeidsvoorschriften met inbegrip van bepalingen voortvloeiend uit het recht van de Europese Unie of collectieve arbeidsovereenkomsten die langere rusttijden voorschrijven, blijven onverlet.
Artikel 18.03. Wisseling of herhaling van exploitatiewijze
    1. In afwijking van artikel 18.02, eerste en derde lid, is een wisseling of herhaling van de exploitatiewijze slechts mogelijk met inachtneming van de bepalingen van het tweede tot met zesde lid.
    1. Van exploitatiewijze A1 mag slechts dan naar exploitatiewijze A2 worden gewisseld, indien:
  • a). de bemanning in zijn geheel is afgelost, of
  • b). de voor exploitatiewijze A2 bestemde bemanningsleden direct vóór de wisseling een rusttijd van acht uur, waarvan zes uur buiten de vaartijd, in acht genomen en aangetoond hebben en de voor exploitatiewijze A2 voorgeschreven versterking zich aan boord bevindt.
    1. Van exploitatiewijze A2 mag slechts dan naar exploitatiewijze A1 worden gewisseld, indien:
  • a). de bemanning in zijn geheel is afgelost, of
  • b). de voor exploitatiewijze A1 bestemde bemanningsleden direct vóór de wisseling een ononderbroken rust van acht uur buiten de vaartijd in acht genomen en aangetoond hebben.
    1. Van exploitatiewijze B mag slechts dan naar exploitatiewijze A1 of A2 worden gewisseld, indien:
  • a). de bemanning in zijn geheel is afgelost, of
  • b). de voor exploitatiewijze A1, respectievelijk A2 bestemde bemanningsleden direct vóór de wisseling een ononderbroken rusttijd van acht, respectievelijk zes uur in acht genomen en aangetoond hebben.
    1. Van exploitatiewijze A1 of A2 mag slechts dan naar exploitatiewijze B worden gewisseld, indien:
  • a). de bemanning in zijn geheel is afgelost, of
  • b). de voor exploitatiewijze B bestemde bemanningsleden direct vóór de wisseling een ononderbroken rusttijd van acht, respectievelijk zes uur buiten de vaartijd of overeenkomstig de voorschriften van artikel 18.02, vierde lid, in acht genomen en aangetoond hebben, en de voor exploitatiewijze B voorgeschreven versterking zich aan boord bevindt.
    1. Een vaartuig kan onmiddellijk in aansluiting op een reis in exploitatiewijze A1 of A2 voor een volgende reis in exploitatiewijze A1 of A2 worden ingezet, indien een voltallige uitwisseling van de bemanning heeft plaatsgevonden en de nieuwe bemanningsleden onmiddellijk voorafgaand aan de verdere exploitatiewijze A1 en A2 een ononderbroken rusttijd van acht, respectievelijk zes uur buiten de vaartijd in acht genomen en aangetoond hebben.
    1. Het bewijs van een rusttijd van acht, respectievelijk zes uur wordt aangetoond met een verklaring als bedoeld in bijlage 8 of door een kopie van de pagina van het vaartijdenboek van het vaartuig waarop de laatste reis van het bemanningslid heeft plaatsgevonden en de vaar-, respectievelijk rusttijden, vermeld staan. Indien de rusttijd tijdens de vaart plaatsvond, is tevens een kopie van het binnenschipcertificaat van het betreffende schip vereist waaruit blijkt dat de maximale geluidsdruk in die ruimte van dit schip voldoet aan de voorschriften van artikel 18.02, vierde lid.
Artikel 18.04. Vaartijdenboek – Tachograaf
    1. Aan boord van elk vaartuig, met uitzondering van sleep- en duwboten die slechts in havens verkeren, onbemande duwbakken, overheidsschepen en pleziervaartuigen, moet zich in de stuurhut een actief vaartijdenboek volgens het model in de ES-QIN (Deel V, hoofdstuk 5) bevinden. Dit wordt bijgehouden overeenkomstig de daarin vervatte aanwijzingen. De schipper is verantwoordelijk voor de aanwezigheid van het vaartijdenboek en de aantekeningen die daarin worden gemaakt. Het eerste vaartijdenboek wordt afgegeven door een bevoegde autoriteit op vertoon van een binnenschipcertificaat.
    1. Alle daaropvolgende vaartijdenboeken mogen worden afgegeven door elke bevoegde autoriteit, die het vaartijdenboek van een volgnummer voorziet; zij kunnen evenwel slechts worden afgegeven tegen overlegging van het voorgaande vaartijdenboek. Het voorgaande vaartijdenboek wordt voorzien van de onuitwisbare aantekening ‘ongeldig’ en dient aan de schipper te worden teruggegeven. De afgifte van een nieuw vaartijdenboek kan geschieden op vertoon van het in het vierde lid bedoelde document. De eigenaar van het schip zorgt ervoor dat het voorafgaande vaartijdenboek binnen 30 dagen na de afgiftedatum van het nieuwe vaartijdenboek wordt voorgelegd aan dezelfde bevoegde autoriteit die voor het nieuwe vaartijdenboek de in het vierde lid bedoelde verklaring heeft opgesteld, zodat deze autoriteit het bovengenoemde voorafgaande vaartijdenboek kan voorzien van de vermelding ‘ongeldig’. De eigenaar van het schip zorgt er bovendien voor dat het vaartijdenboek daarna weer aan boord wordt gebracht.
    1. Het ongeldig gemaakte vaartijdenboek wordt gedurende zes maanden na de laatste aantekening aan boord bewaard.
    1. Bij de afgifte van het eerste vaartijdenboek overeenkomstig het eerste lid bevestigt de autoriteit die het eerste vaartijdenboek afgeeft, deze afgifte door middel van een verklaring waarop de naam van het schip, het uniek Europees identificatienummer (ENI) van het schip, het nummer van het vaartijdenboek en de datum van afgifte zijn vermeld. Deze verklaring wordt aan boord bewaard en wordt op verzoek getoond. De afgifte van latere vaartijdenboeken overeenkomstig het tweede lid moet door de bevoegde autoriteit op de verklaring worden aangetekend.
    1. De naleving van de rusttijden kan bovendien door middel van een tachograaf worden aangetoond, die voldoet aan de technische vereisten van artikel 18.01, tweede lid. De registraties van de tachografen wordt gedurende zes maanden na de laatste registratie aan boord bewaard.
    1. Bij aflossing of versterking van de bemanning als bedoeld in artikel 18.03 is voor ieder nieuw bemanningslid een verklaring overeenkomstig bijlage 8 of een kopie van de pagina met de aantekeningen van de vaar-, respectievelijk rusttijden uit het vaartijdenboek van het vaartuig waarop de laatste reis van het bemanningslid heeft plaatsgevonden, voorhanden.
  • 7.
  • a). De regeling voor het bijhouden van het vaartijdenboek op grond waarvan één enkel schema per reis voor de aantekeningen van de rusttijden voldoende is, geldt uitsluitend voor de bemanningsleden in de exploitatiewijze B. In de exploitatiewijzen A1 en A2 moeten voor elk bemanningslid het begin en het einde van de rusttijden van elke dag gedurende de reis worden genoteerd.
  • b). De na de wisseling van de exploitatiewijze vereiste aantekeningen moeten op een nieuwe bladzijde van het vaartijdenboek worden genoteerd.
  • c). Worden per dag twee of meer reizen met ongewijzigde bemanning afgelegd, kan worden volstaan met het invullen van het tijdstip van het begin van de eerste dagvaart en van het einde van de laatste dagvaart.

Hoofdstuk 19. Minimumbemanning aan boord

Artikel 19.01. Uitrusting van vaartuigen
    1. Onverminderd de bepalingen van de ES-TRIN voldoen motorschepen, duwboten, duwstellen en passagiersschepen, om met een minimumbemanning overeenkomstig deze paragraaf te worden geëxploiteerd, aan een van de volgende uitrustingsstandaarden:
  • 1.1. Standaard S1
  • a). De voortstuwingsinstallaties is zo ingericht dat de verandering van de vaarsnelheid en de omkering van de richting van de stuwkracht van de schroef vanaf de stuurstelling kunnen geschieden. De hulpmotoren die nodig zijn bij het varen met het schip moeten vanaf de stuurstelling kunnen worden aan- en afgezet, tenzij dit automatisch geschiedt, dan wel deze motoren gedurende elke reis ononderbroken in bedrijf zijn.
  • b). Het kritieke peil van de temperatuur van het koelwater van de hoofdmotoren, van de druk van de smeerolie van de hoofdmotoren en de transmissie, van de oliedruk en de luchtdruk van de omkeerinrichting van de hoofdmotoren, de keerkoppeling of de schroeven en van het bilgewater in de hoofdmachinekamer moet worden aangegeven door installaties die in het stuurhuis akoestische en optische alarmsignalen in werking stellen. De akoestische alarmsignalen mogen in één akoestisch apparaat verenigd zijn. Zij mogen worden uitgeschakeld zodra de storing is vastgesteld. De optische alarmsignalen mogen pas worden uitgeschakeld, nadat de desbetreffende storingen zijn verholpen.
  • c). De brandstoftoevoer en de koeling van de hoofdmotoren dienen automatisch te geschieden.
  • d). De bediening van de stuurinrichting moet zelfs bij de grootste toegelaten inzinking door één persoon zonder bijzondere krachtsinspanning kunnen worden verricht.
  • e). De bij het Rijnvaartpolitiereglement voorgeschreven optische tekens en geluidsseinen van varende schepen dienen vanaf de stuurstelling te kunnen worden gegeven.
  • f). Indien geen rechtstreeks contact mogelijk is tussen de stuurstelling en het voorschip, het achterschip, de verblijven en de machinekamer, dient een spreekverbinding te zijn aangebracht. Voor contact met de machinekamer mogen in plaats van een spreekverbinding optische en akoestische signalen worden gebruikt.
  • g). De kracht die nodig is om zwengels en soortgelijke draaibare voorzieningen van hefwerktuigen te bedienen, mag niet meer dan 160 N bedragen.
  • h). De in het binnenschipcertificaat vermelde sleeplieren dienen door een motor te worden aangedreven.
  • i). De lenspompen en de dekwaspompen dienen door een motor te worden aangedreven.
  • j). De voornaamste bedieningsinrichtingen en controle-instrumenten dienen ergonomisch te zijn aangebracht.
  • 1.2. Standaard S2
  • a). voor alleen varende motorschepen: Standaard S1 en bovendien een uitrusting met een vanuit de stuurstelling bedienbare boegschroefinstallatie;
  • b). voor motorschepen, die gekoppelde vaartuigen voortbewegen: Standaard S1 en bovendien een uitrusting met een vanuit de stuurstelling bedienbare boegschroefinstallatie;
  • c). voor motorschepen die een duwstel, bestaande uit het motorschip en een vaartuig ervoor, voortbewegen: Standaard S1 en bovendien een uitrusting met hydraulisch of elektrisch aangedreven koppellieren. Deze uitrusting is echter niet vereist, wanneer het vaartuig aan de kop van het duwstel met een boegschroefinstallatie is uitgerust die vanuit de stuurstelling van het duwende motorschip te bedienen is;
  • d). voor duwboten die een duwstel voortbewegen: Standaard S1 en bovendien een uitrusting met hydraulisch of elektrisch aangedreven koppellieren. Deze uitrusting is echter niet vereist, wanneer het vaartuig aan de kop van het duwstel met een boegschroefinstallatie is uitgerust die vanuit de stuurstelling van de duwende duwboot te bedienen is;
  • e). voor passagiersschepen: Standaard S1 en bovendien een uitrusting met een vanuit de stuurstelling bedienbare boegschroefinstallatie. Deze uitrusting is echter niet vereist, indien de voortstuwingsinstallatie en de stuurinrichting van het passagiersschip gelijkwaardige manoeuvreereigenschappen waarborgen.
    1. Het voldoen of niet voldoen aan de voorschriften van 1.1 of 1.2 wordt door de Commissie van Deskundigen in het binnenschipcertificaat onder nummer 47 ingeschreven.
Artikel 19.02. Minimumbemanning van motorschepen en duwboten
    1. De minimumbemanning van motorschepen en duwboten bestaat uit: 1 De lichtmatroos of één van de lichtmatrozen mag worden vervangen door een deksman. 2 Eén van de lichtmatrozen moet ouder zijn dan 18 jaar. 3 De stuurman moet houder zijn van een Rijnpatent of Uniekwalificatiecertificaat schipper. Een specifieke vergunning als bedoeld in artikel 13.01, eerste lid, onderdeel b is niet vereist.
Groep Groep Bemanningsleden Aantal bemanningsleden bij de exploitatiewijze A1, A2 of B en voor de uitrustingsstandaard S1 of S2 Aantal bemanningsleden bij de exploitatiewijze A1, A2 of B en voor de uitrustingsstandaard S1 of S2 Aantal bemanningsleden bij de exploitatiewijze A1, A2 of B en voor de uitrustingsstandaard S1 of S2 Aantal bemanningsleden bij de exploitatiewijze A1, A2 of B en voor de uitrustingsstandaard S1 of S2 Aantal bemanningsleden bij de exploitatiewijze A1, A2 of B en voor de uitrustingsstandaard S1 of S2 Aantal bemanningsleden bij de exploitatiewijze A1, A2 of B en voor de uitrustingsstandaard S1 of S2
A1 A1 A2 A2 B B
S1 S2 S1 S2 S1 S2
1 L ≤ 70 m schipper stuurman volmatroos matroos lichtmatroos 1 – – 1 – 2 – – – – 2 – – 1 11 2 – – – 2 1'2
2 70 m < L ≤ 86 m schipper stuurman volmatroos matroos lichtmatroos 1 of 1 – – 1 – – 1 – 1 1 – – 1 1 2 – – – 11 2 – – 2 – 2 – – 1 1
3 L > 86 m schipper stuurman volmatroos matroos lichtmatroos 1 of 1 1 1 – – 1 – – 2 1 1 – – 1 2 – – 1 11 2 – – – 21 2 of 2 1 13 – – 2 1 – – 2 1 – 1 1
    1. De voorgeschreven matrozen overeenkomstig de in het eerste lid genoemde tabel mogen door lichtmatrozen worden vervangen die de minimumleeftijd van 17 jaar hebben bereikt, zich ten minste in het derde leerjaar bevinden en een jaar vaartijd in de binnenvaart kunnen aantonen.
    1. De voorgeschreven minimumbemanning overeenkomstig de onder 1 genoemde tabel, kan voor de ononderbroken duur van ten hoogste drie maanden per kalenderjaar met een lichtmatroos worden verminderd, als deze lichtmatroos gedurende deze tijd een schippersschool bezoekt. Opeenvolgende periodes met een gereduceerde bemanning moeten door een periode van minimaal één maand worden onderbroken. Het bezoek aan de schippersschool moet worden aangetoond met een verklaring van de schippersschool die zich aan boord moet bevinden en waarin de tijden van het schoolbezoek zijn aangegeven. De eerste zin, onderdeel a en het tweede alternatief van onderdeel c zijn slechts van toepassing wanneer gedurende de tijd dat de ene lichtmatroos een schippersschool bezoekt, de tweede lichtmatroos aan boord is. Deze bepalingen gelden niet voor de lichtmatroos zoals bedoeld in het tweede lid.
  • a). in groep 1, exploitatiewijze B, Standaard S2,
  • b). in groep 2, exploitatiewijze A1, Standaard S2, en
  • c). in groep 3, exploitatiewijze A1, Standaard S1 en exploitatiewijze A2, Standaard S2
Artikel 19.03. Minimumbemanning van hechte samenstellen en andere hechte samenstellingen
    1. De minimumbemanning van hechte samenstellen en andere hechte samenstellingen bestaat uit: 1 De lichtmatroos of één van de lichtmatrozen mag worden vervangen door een deksman. 2 Eén van de lichtmatrozen moet ouder zijn dan 18 jaar. 3 De stuurman moet houder zijn van een Rijnpatent of Uniekwalificatiecertificaat schipper. Een specifieke vergunning als bedoeld in artikel 13.01, eerste lid, onderdeel b is niet vereist. 4 In dit artikel omvat het begrip ‘duwbak’ ook motorschepen zonder eigen in werking gestelde voortstuwingswerktuigen en sleepschepen. Bovendien is de volgende gelijkwaardigheid van toepassing: 1 duwbak = meerdere bakken met een totale lengte van niet meer dan 76,50 m en een totale breedte van niet meer dan 15 m.
Groep Groep Bemanningsleden Aantal bemanningsleden bij de exploitatiewijze A1, A2 of B en voor de uitrustingsstandaard S1 of S2 Aantal bemanningsleden bij de exploitatiewijze A1, A2 of B en voor de uitrustingsstandaard S1 of S2 Aantal bemanningsleden bij de exploitatiewijze A1, A2 of B en voor de uitrustingsstandaard S1 of S2 Aantal bemanningsleden bij de exploitatiewijze A1, A2 of B en voor de uitrustingsstandaard S1 of S2 Aantal bemanningsleden bij de exploitatiewijze A1, A2 of B en voor de uitrustingsstandaard S1 of S2 Aantal bemanningsleden bij de exploitatiewijze A1, A2 of B en voor de uitrustingsstandaard S1 of S2 Aantal bemanningsleden bij de exploitatiewijze A1, A2 of B en voor de uitrustingsstandaard S1 of S2
A1 A1 A2 A2 B B B
S1 S2 S1 S2 S1 S2 S2
1 afmeting van het samenstel L ≤ 37 m B ≤ 15 m schipper stuurman volmatroos matroos lichtmatroos machinist 1 – – 1 – – 2 – – – – – 2 – – 1 11 – 2 – – – 21,2 – 2 – – – 21,2 –
2 afmeting van het samenstel 37 m < L ≤ 86m B ≤ 15 m schipper stuurman volmatroos matroos lichtmatroos machinist 1 of 1 – – 1 – – 1 – 1 – –- 1 – – 1 1 – 2 – – – 11 – 2 – – 2 – – 2 – – 1 1 – 2 – – 1 1 –
3 duwboot + 1 duwbak met L > 86 m of afmeting van het samenstel 86 m < L ≤ 116,5 m B ≤ 15 m schipper stuurman volmatroos matroos lichtmatroos machinist 1 of 1 1 1 – – 1 – – 2 – – 1 1 – – 1 – 2 – – 1 11 – 2 – – – 21 – 2 of 2 1 13 – – 2 1 – – – – 2 1 – 1 1 – 2 1 – 1 1 –
4 duwboot + 2 duwbakken4 motorschip + 1 bak4 schipper stuurman volmatroos matroos lichtmatroos machinist 1 1 – 1 11 – 1 1 – – 21 – 2 – – 2 11 – 2 – 1 – 21 – 2 of 2 1 13 – – 2 2 – – 1 – 2 of 2 1 13 1 1 – – 1 1 1 – 2 of 2 1 13 1 1 – – 1 1 1 –
5 duwboot + 3 of meer duwbakken4 motorschip + 2 of meer duwbakken4 schipper stuurman volmatroos matroos lichtmatroos machinist 1 of 1 1 1 – – 2 1 – 2 1 1 1 1 – 1 1 1 2 – – 2 11 1 2 – 1 – 21 1 2 of 2 1 13 – – 2 2 11- 1 1 2 of 2 1 13 1 1 – – 2 1 1 1 2 of 2 1 13 1 1 – – 2 1 1 1
    1. De voorgeschreven matrozen overeenkomstig de in het eerste lid genoemde tabel mogen door lichtmatrozen worden vervangen die de minimumleeftijd van 17 jaar hebben bereikt, zich ten minste in het derde leerjaar bevinden en een jaar vaartijd in de binnenvaart kunnen aantonen.
    1. De voorgeschreven minimumbemanning overeenkomstig de in het eerste lid genoemde tabel, kan voor de ononderbroken duur van ten hoogste drie maanden per kalenderjaar met een lichtmatroos worden verminderd, als deze lichtmatroos gedurende deze tijd een schippersschool bezoekt. Opeenvolgende periodes met een gereduceerde bemanning moeten door een periode van minimaal één maand worden onderbroken. Het bezoek aan de schippersschool moet worden aangetoond met een verklaring van de schippersschool die zich aan boord moet bevinden en waarin de tijden van het schoolbezoek zijn aangegeven. De eerste zin, onderdeel a en het tweede alternatief van onderdeel c, d en het tweede alternatief van onderdeel e zijn slechts van toepassing wanneer gedurende de tijd dat de ene lichtmatroos een schippersschool bezoekt, de tweede lichtmatroos aan boord is. Deze bepalingen gelden niet voor de lichtmatroos zoals bedoeld in het tweede lid.
  • a). in de groep 1, exploitatiewijze B, Standaard S2,
  • b). in de groep 2, exploitatiewijze A1, Standaard S2,
  • c). in de groep 3, exploitatiewijze A1, Standaard S1 en exploitatiewijze A2, Standaard S2,
  • d). in de groep 4, exploitatiewijze A1, Standaard S2 en exploitatiewijze A2, Standaard S2, en
  • e). in de groep 5, exploitatiewijze A1, Standaard S1, exploitatiewijze A2, Standaard S2, en exploitatiewijze B, Standaard S2
    1. De voorgeschreven machinisten overeenkomstig de in het eerste lid genoemde tabel mogen door bijkomende volmatrozen worden vervangen. Zij mogen ook door bijkomende matrozen worden vervangen, wanneer in de tabel in het eerste lid al een volmatroos is voorgeschreven.
Artikel 19.04. Minimumbemanning van passagiersschepen
    1. De minimumbemanning van schepen voor dagtochten bestaat uit: 1 De lichtmatroos of één van de lichtmatrozen mag worden vervangen door een deksman.
Groep Groep Bemanningsleden Aantal bemanningsleden bij de exploitatiewijze A1, A2 of B en voor de uitrustingsstandaard S1 of S2 Aantal bemanningsleden bij de exploitatiewijze A1, A2 of B en voor de uitrustingsstandaard S1 of S2 Aantal bemanningsleden bij de exploitatiewijze A1, A2 of B en voor de uitrustingsstandaard S1 of S2 Aantal bemanningsleden bij de exploitatiewijze A1, A2 of B en voor de uitrustingsstandaard S1 of S2 Aantal bemanningsleden bij de exploitatiewijze A1, A2 of B en voor de uitrustingsstandaard S1 of S2 Aantal bemanningsleden bij de exploitatiewijze A1, A2 of B en voor de uitrustingsstandaard S1 of S2
A1 A1 A2 A2 B B
S1 S2 S1 S2 S1 S2
1 Toegestaan aantal passagiers tot en met 75 schipper stuurman volmatroos matroos lichtmatroos machinist 1 – – 1 – – 2 – – 1 – – 2 – – 2 – – 2 – 1 – 1 –
2 Toegestaan aantal passagiers van 76 tot en met 250 schipper stuurman volmatroos matroos lichtmatroos machinist 1 of 1 – – – – 1 – 1 – – 1 1 – – 1 1 – 2 – – – 11 1 2 – – 1 11 1
3 Toegestaan aantal passagiers van 251 tot en met 600 schipper stuurman volmatroos matroos lichtmatroos machinist 1 of 1 – –- 1 1 – – – 2 1 – 1 – 1 – 1 – 2 – – 1 – 1 2 – – – 1 1 3 – – 1 – 1 3 – – – 1 1
4 Toegestaan aantal passagiers van 601 tot en met 1000 schipper stuurman volmatroos matroos lichtmatroos machinist 1 1 – 1 11 1 1 1 – – 21 1 2 – – 2 – 1 2 – 1 – 1 1 3 – – 2 – 1 3 – 1 – 1 1
5 Toegestaan aantal passagiers van 1001 tot en met 2000 schipper stuurman volmatroos matroos lichtmatroos machinist 2 of 2 – – – – 3 2 – 2 1 1 2 – 1 1 1 1 2 – – 3 11 1 2 – 1 1 21 1 3 – – 3 11 1 3 – 1 1 21 1
6 Toegestaan aantal passagiers meer dan 2000 schipper stuurman volmatroos matroos lichtmatroos machinist 2 – – 3 11 1 2 – 1 1 21 1 2 – – 4 – 1 2 – 1 2 1 1 3 – – 4 11 1 3 – 1 2 21 1
    1. De minimumbemanning van stoomschepen voor dagtochten bestaat uit: 1 De Commissie van Deskundigen bepaalt of machinisten vereist zijn en schrijft dit in onder nummer 52 van het binnenschipcertificaat. 2 De lichtmatroos of één van de lichtmatrozen mag worden vervangen door een deksman.
Groep Groep Bemanningsleden Aantal bemanningsleden bij de exploitatiewijze A1, A2 of B en voor de uitrustingsstandaard S1 of S2 Aantal bemanningsleden bij de exploitatiewijze A1, A2 of B en voor de uitrustingsstandaard S1 of S2 Aantal bemanningsleden bij de exploitatiewijze A1, A2 of B en voor de uitrustingsstandaard S1 of S2 Aantal bemanningsleden bij de exploitatiewijze A1, A2 of B en voor de uitrustingsstandaard S1 of S2 Aantal bemanningsleden bij de exploitatiewijze A1, A2 of B en voor de uitrustingsstandaard S1 of S2 Aantal bemanningsleden bij de exploitatiewijze A1, A2 of B en voor de uitrustingsstandaard S1 of S2
A1 A1 A2 A2 B B
S1 S2 S1 S2 S1 S2
1 Toegestaan aantal passagiers van 501 tot en met 1000 schipper stuurman volmatroos matroos lichtmatroos machinist 1 1 1 1 1 – 2 1 1 1 – 1 2 2 – 1 1 – 2 2 – 1 – 1 2 3 – 1 1 – 3 3 – 1 – 1 3
2 Toegestaan aantal passagiers van 1001 tot en met 2000 schipper stuurman volmatroos matroos lichtmatroos machinist 1 2 of 2 – – – – 3 2 – 2 3 3 2 – 1 1 1 3 2 – – 3 12 3 2 – 1 1 22 3 3 – – 3 12 3 3 – 1 1 22 3
    1. De minimumbemanning van hotelschepen bestaat uit:
Groep Groep Bemanningsleden Aantal bemanningsleden bij de exploitatiewijze A1, A2 of B en voor de uitrustingsstandaard S1 of S2 Aantal bemanningsleden bij de exploitatiewijze A1, A2 of B en voor de uitrustingsstandaard S1 of S2 Aantal bemanningsleden bij de exploitatiewijze A1, A2 of B en voor de uitrustingsstandaard S1 of S2 Aantal bemanningsleden bij de exploitatiewijze A1, A2 of B en voor de uitrustingsstandaard S1 of S2 Aantal bemanningsleden bij de exploitatiewijze A1, A2 of B en voor de uitrustingsstandaard S1 of S2 Aantal bemanningsleden bij de exploitatiewijze A1, A2 of B en voor de uitrustingsstandaard S1 of S2
A1 A1 A2 A2 B B
S1 S2 S1 S2 S1 S2
1 Toegestaan aantal bedden: tot en met 50 schipper stuurman volmatroos matroos lichtmatroos machinist 1 – 1 – – 1 1 – – – 2 1 2 – – 1 – 1 2 – – – 1 1 3 – – 1 – 1 3 – – – 1 1
2 Toegestaan aantal bedden: van 51 tot en met 100 schipper stuurman volmatroos matroos lichtmatroos machinist 1 1 – 1 – 1 1 1 – – 1 1 2 – – 1 – 1 2 – – – 1 1 3 – – 1 – 1 3 – – – 1 1
3 Toegestaan aantal bedden meer dan 100 schipper stuurman volmatroos matroos lichtmatroos machinist 1 of 1 1 1 – – 2 1 - 2 1 1 1 1 – 1 1 1 2 – – 3 – 1 2 – 1 1 1 1 3 – – 3 – 1 3 – 1 1 1 1
    1. Voor passagiersschepen zoals bedoeld in het eerste en het derde lid die zonder passagiers aan boord varen, wordt de minimumbemanning bepaald overeenkomstig artikel 19.02.
    1. De voorgeschreven matrozen overeenkomstig de in het eerste lid genoemde tabel mogen door lichtmatrozen worden vervangen die de minimumleeftijd van 17 jaar hebben bereikt, zich ten minste in het derde leerjaar bevinden en een jaar vaartijd in de binnenvaart kunnen aantonen.
    1. De minimumbemanning overeenkomstig de in het eerste lid genoemde tabel (schepen voor dagtochten), kan voor de ononderbroken duur van ten hoogste drie maanden per kalenderjaar met een lichtmatroos worden verminderd, als deze lichtmatroos gedurende deze tijd een schippersschool bezoekt. Opeenvolgende periodes met een gereduceerde bemanning moeten door een periode van minimaal één maand worden onderbroken. Het bezoek aan de schippersschool moet worden aangetoond met een verklaring van de schippersschool die zich aan boord moet bevinden en waarin de tijden van het schoolbezoek zijn aangegeven. De eerste zin, onderdeel c, d en het tweede en derde alternatief van onderdeel e zijn slechts van toepassing wanneer gedurende de tijd dat de ene lichtmatroos een schippersschool bezoekt, de tweede lichtmatroos aan boord is. Deze bepalingen gelden niet voor de lichtmatroos zoals bedoeld in het vijfde lid.
  • a). in de groep 2, exploitatiewijze A1, Standaard S2,
  • b). in de groep 3, exploitatiewijze A1, Standaard S1,
  • c). in de groep 4, exploitatiewijze A1, Standaard S2,
  • d). in de groep 5, exploitatiewijze A1, Standaard S1, exploitatiewijze A2, Standaard S2 en exploitatiewijze B, Standaard S2 en
  • e). in de groep 6, exploitatiewijze A1, Standaard S2 en exploitatiewijze B, Standaard S2
    1. De minimumbemanning overeenkomstig de in het eerste lid genoemde tabel (stoomschepen voor dagtochten), kan voor de ononderbroken duur van ten hoogste drie maanden per kalenderjaar met een lichtmatroos worden verminderd, als deze lichtmatroos gedurende deze tijd een schippersschool bezoekt. Opeenvolgende periodes met een gereduceerde bemanning moeten door een periode van minimaal één maand worden onderbroken. Het bezoek aan de schippersschool moet worden aangetoond met een verklaring van de schippersschool, die zich aan boord moet bevinden en waarin de tijden van het schoolbezoek zijn aangegeven. De eerste zin, onderdeel b en c zijn slechts van toepassing wanneer gedurende de tijd dat de ene lichtmatroos een schippersschool bezoekt, de tweede lichtmatroos aan boord is. Deze bepalingen gelden niet voor de lichtmatroos zoals bedoeld in het vijfde lid.
  • a). in de groep 2, exploitatiewijze A1, Standaard S1,
  • b). in de groep 2, exploitatiewijze A2, Standaard S2, en
  • c). in de groep 2, exploitatiewijze B, Standaard S2
    1. De minimumbemanning overeenkomstig de in het eerste lid genoemde tabel (hotelschepen), kan voor de ononderbroken duur van ten hoogste drie maanden per kalenderjaar met een lichtmatroos worden verminderd, als deze lichtmatroos gedurende deze tijd een schippersschool bezoekt. Opeenvolgende periodes met een gereduceerde bemanning moeten door een periode van minimaal één maand worden onderbroken. Het bezoek aan de schippersschool moet worden aangetoond met een verklaring van de schippersschool, die zich aan boord moet bevinden en waarin de tijden van het schoolbezoek zijn aangegeven.
  • a). in de groep 1, exploitatiewijze A1, Standaard S2 en
  • b). in de groep 3, exploitatiewijze A1, Standaard S1
    1. Bij dagtochtschepen met passagiers waarvan het aantal voor vertrek vaststaat en tijdens de vaart niet wijzigt (chartervaart), kan de overeenkomstig de groepen 2 tot en met 6 voorgeschreven minimumbemanning worden gereduceerd tot de eerst lagere groep, op voorwaarde dat het overeenkomstig de groepen 1 tot en met 6 toegelaten aantal passagiers tijdens de vaart lager is dan dit toegestane aantal. De eisen van hoofdstuk 16, alsmede de eisen die gelden voor de bemanning en het boordpersoneel uit hoofde van de veiligheidsrol gelden onverminderd.
    1. De machinisten die zijn voorgeschreven overeenkomstig de in het eerste tot derde lid genoemde tabellen mogen door bijkomende volmatrozen worden vervangen. Deze volmatrozen mogen door bijkomende matrozen worden vervangen, wanneer het aantal volmatrozen dat als minimumbemanning overeenkomstig de in het eerste tot derde lid genoemde tabellen is voorgeschreven, overeenstemt met het aantal te vervangen machinisten.
Artikel 19.05. Afwijking van de in artikel 19.01 voorgeschreven uitrusting
    1. Wanneer de uitrusting van een motorschip, een duwboot, een hecht samenstel, een andere hechte samenstelling of een passagiersschip niet voldoet aan de standaard S1, zoals bepaald in artikel 19.01 van het onderhavige reglement, dient de minimumbemanning, zoals bedoeld in de artikelen 19.02, 19.03 of 19.04, te worden verhoogd
  • a). in de exploitatiewijze A1 en A2 telkens met één matroos, en
  • b). in de exploitatiewijze B met twee matrozen. Wordt alleen niet voldaan aan de gestelde eisen in de onderdelen g en j, respectievelijk de onderdelen g of j van de standaard S1, zoals bedoeld in artikel 19.01, lid 1.1, dan wordt de bemanning bij exploitatiewijze B met één matroos in plaats van twee verhoogd.
    1. Voldoet de uitrusting van een vaartuig slechts gedeeltelijk aan de standaard S1 zoals deze is bepaald in artikel 19.01 van dit reglement, en niet aan één of meer van de in artikel 19.01, lid 1.1, onderdelen a tot en met c, van dit reglement gestelde eisen wordt voldaan, dan In het in de eerste zin bedoelde geval kunnen de volmatrozen door matrozen worden vervangen, indien de volmatrozen reeds deel uitmaken van de in artikel 19.02, artikel 19.03 of artikel 19.04 voorgeschreven minimumbemanning.
  • a). moet in de exploitatiewijzen A1 en A2 de matroos, zoals voorgeschreven in het eerste lid, onderdeel a, door een volmatroos, en;
  • b). moeten de twee matrozen in de exploitatiewijze B, zoals voorgeschreven in het eerste lid, onderdeel b door twee volmatrozen worden vervangen.
    1. De verhoging van de vereiste bemanning wordt door de Commissie van Deskundigen onder nummer 47 van het binnenschipcertificaat ingeschreven.
Artikel 19.06. Minimumbemanning van overige vaartuigen
    1. De Commissie van Deskundigen bepaalt voor de vaartuigen waarop de artikelen 19.02 tot en met 19.04 niet van toepassing zijn (zoals sleepboten, sleepschepen en drijvende werktuigen) naar gelang hun afmetingen, bouwwijze, inrichting en benutting, welke bemanning zich tijdens de vaart aan boord moet bevinden.
    1. Ten aanzien van bunkerschepen, die slechts op korte riviergedeelten ingezet mogen worden, kan de Commissie van Deskundigen een minimumbemanning voorschrijven die afwijkt van artikel 19.02.
    1. De Commissie van Deskundigen schrijft deze aantekeningen in onder nummer 48 van het binnenschipcertificaat.
Artikel 19.07. Minimumbemanning voor zeeschepen
    1. Voor de bepaling van de minimumbemanning van zeeschepen is deel II van dit reglement van toepassing.
    1. In afwijking van het eerste lid kunnen zeeschepen blijven varen onder de bemanningsregeling die voorzien is in de bepalingen van Resolutie A. 481 (XII) van de IMO en van de STCW-Overeenkomst, onder voorwaarde dat het aantal bemanningsleden ten minste overeenkomt met de minimumbemanning zoals voorgeschreven in deel II voor exploitatiewijze B, waarbij met name rekening dient te worden gehouden met artikel 19.02 en 19.06 van dit reglement.

In dit geval moeten de dienovereenkomstige documenten waaruit de bekwaamheid van de bemanningsleden en hun aantal blijkt, aan boord aanwezig zijn. Bovendien bevindt zich een persoon aan boord die houder is van het kwalificatiecertificaat schipper dat geldig is voor het te bevaren riviergedeelte. Na een vaartijd van ten hoogste 14 uur per periode van 24 uur wordt deze houder van het kwalificatiecertificaat schipper door een andere houder van het kwalificatiecertificaat schipper vervangen.

In het logboek worden de volgende aantekeningen gemaakt:

  • a). de naam van de houders van het kwalificatiecertificaat schipper die zich aan boord bevinden, alsmede het begin en einde van hun diensttijd;
  • b). begin, onderbreking, voortzetting en einde van de vaart met vermelding van de volgende gegevens: datum, tijdstip en plaats met aanduiding van de kilometerraai.
Artikel 19.08. Minimumbemanning voor kanaalspitsen

De bepalingen van dit hoofdstuk zijn niet van toepassing op kanaalspitsen. Desalniettemin bestaat de bemanning ten minste uit:

  • –. een schipper die houder is van een patent als bedoeld in dit reglement;
  • –. een persoon die ten minste 16 jaar oud is en die in staat is te helpen bij het manoeuvreren met het schip.
Artikel 19.09. Minimumbemanning voor pleziervaartuigen

De bepalingen van dit hoofdstuk zijn niet van toepassing op pleziervaartuigen.

Desalniettemin moet de bemanning ten minste bestaan uit:

  • –. een schipper die houder is van een patent als bedoeld in dit reglement;
  • –. een persoon die in staat is te helpen bij het manoeuvreren met het schip.
Artikel 19.10. Uitzondering

Voor de vaart beneden het Spijksche Veer (km 857,40) kan, voor zover de Duits-Nederlandse grens tijdens de vaart noch in de ene, noch in de andere richting wordt overschreden, worden volstaan met de toepassing van de voorschriften van de Nederlandse ‘Binnenvaartwet’ (Staatsblad 2007, Nummer 498).

Deel IV. Overgangsbepalingen

Hoofdstuk 20. Overgangsbepalingen

Artikel 20.01. Geldigheid van het dienstboekje
    1. Dienstboekjes die werden afgegeven overeenkomstig de voorschriften die van toepassing waren tot aan de inwerkingtreding van dit reglement dan wel waarvan de geldigheid verlengd werd, blijven geldig met inachtneming van die voorschriften tot aan het einde van de geldigheidsduur, uiterlijk echter tot en met 17 januari 2032. De eerste zin geldt ook voor door de CCR als gelijkwaardig erkende dienstboekjes.
    1. De houder van een dienstboekje als bedoeld in het eerste lid kan voor 18 januari 2032 een nieuw dienstboekje met de bestaande kwalificaties aanvragen dat zal worden afgegeven op grond van het onderhavige reglement. Voor de afgifte van dit dienstboekje gelden de bepalingen van artikel 5.01 van dit reglement. Indien de aanvrager ouder is dan 60 jaar, moet hij bovendien zijn medische geschiktheid aantonen zoals bedoeld in artikel 4.02. Zijn medische verklaring mag niet ouder zijn dan drie maanden. Indien de houder een nieuwe beroepskwalificatie wil toevoegen of de vervanging van een document wordt aangevraagd overeenkomstig artikel 3.03 van dit reglement, geeft de bevoegde autoriteit een nieuw dienstboekje af overeenkomstig de ES-QIN (Deel V, hoofdstuk 2).
    1. De houder van een dienstboekje als bedoeld in het eerste lid, kan vóór 18 januari 2032 een nieuw dienstboekje met een kwalificatiecertificaat waarvoor de eisen hoger zijn, aanvragen, indien aan de volgende voorwaarden is voldaan: De vaarervaring moet worden aangetoond door middel van een dienstboekje, logboek of ander bewijsmateriaal. Deze minimumduur van de vaartijd, zoals bepaald in dit lid, onder a, b en c, kan met ten hoogste 360 dagen vaartijd worden verminderd wanneer de aanvrager een opleidingsprogramma heeft gevolgd dat is vermeld onder nr. 1 of nr. 3 van deel II van de lijsten en overzichten voor de implementatie van het RSP.
  • a. voor een kwalificatiecertificaat voor een matroos: 540 dagen vaartijd inclusief ten minste 180 dagen in de binnenvaart;
  • b. voor een kwalificatiecertificaat voor een volmatroos: 900 dagen vaartijd inclusief ten minste 540 dagen in de binnenvaart;
  • c. voor een kwalificatiecertificaat voor een stuurman: 1.080 dagen vaartijd inclusief ten minste 720 dagen in de binnenvaart.
    1. Het dienstboekje kan bij elke bevoegde autoriteit van een lidstaat van de CCR worden aangevraagd, zoals voorzien in het tweede en derde lid. De bevoegde autoriteit geeft het dienstboekje af op grond van het onderhavige reglement wanneer de aanvrager zijn oude dienstboekje zoals bedoeld in het eerste lid en een kopie van zijn identiteitsbewijs heeft overgelegd. Indien de aanvrager ouder is dan 60 jaar, moet hij bovendien zijn medische geschiktheid aantonen zoals bedoeld in artikel 4.02. Zijn medische verklaring mag niet ouder zijn dan drie maanden.
Artikel 20.02. Geldigheid van het vaartijdenboek
    1. Vaartijdenboeken die werden afgegeven overeenkomstig de voorschriften die van toepassing waren tot aan de inwerkingtreding van dit reglement dan wel waarvan de geldigheid verlengd werd, blijven geldig met inachtneming van die voorschriften tot aan het einde van de geldigheidsduur, uiterlijk echter tot en met 17 januari 2032. De eerste zin geldt ook voor door de CCR als gelijkwaardig erkende vaartijdenboeken.
    1. Een vaartijdenboek als bedoeld in het eerste lid kan voor 18 januari 2032 voor een vaartijdenboek overeenkomstig dit reglement worden ingewisseld.
Artikel 20.03. Geldigheid van reeds afgegeven Rijnpatenten
    1. Een groot of klein Rijnpatent dat is afgegeven overeenkomstig de voorschriften die van toepassing waren tot aan de inwerkingtreding van dit reglement dan wel waarvan de geldigheid verlengd werd, blijft geldig met inachtneming van die voorschriften tot het einde van de geldigheidsduur, uiterlijk echter tot en met 17 januari 2032.
    1. De in het eerste lid genoemde Rijnpatenten kunnen voor het einde van de in dit lid genoemde geldigheidsduur op grond van dit reglement worden ingewisseld. Om een klein Rijnpatent in te kunnen ruilen moet de houder aantonen dat hij na verkrijging van dit kleine Rijnpatent op zijn minst een jaar gevaren heeft. Het dienstboekje kan bij elke bevoegde autoriteit van een lidstaat van de CCR worden ingewisseld. De bevoegde autoriteit geeft een Rijnpatent af op grond van het onderhavige reglement, wanneer de aanvrager zijn oude Rijnpatent zoals bedoeld in het eerste lid en een kopie van zijn identiteitsbewijs heeft voorgelegd. Indien de aanvrager ouder is dan 60 jaar, moet hij bovendien zijn medische geschiktheid aantonen zoals bedoeld in artikel 4.02. Zijn medisch verklaring mag niet ouder zijn dan drie maanden.
    1. De op de Rijn door de CCR als gelijkwaardig erkende vaarbewijzen voor schipper blijven geldig tot aan het einde van de geldigheidsduur, uiterlijk echter tot en met 17 januari 2032. Deze vaarbewijzen kunnen volgens de in het tweede lid genoemde procedure bij een bevoegde autoriteit tegen een Rijnpatent worden ingewisseld.
Artikel 20.04. Geldigheid van de overheids- en sportpatenten

De overheids- en sportpatenten die geldig zijn op grond van de voorschriften die van toepassing waren tot aan de inwerkingtreding van dit reglement blijven zonder wijziging geldig.

Artikel 20.05. Geldigheid van reeds bestaande kennis van riviergedeelten

De houder van een groot of klein Rijnpatent, een overheids- of sportpatent dat werd afgegeven overeenkomstig de voorschriften die van toepassing waren tot aan de inwerkingtreding van dit reglement dan wel waarvan de geldigheid verlengd werd en die voor de in bijlage 5 van dit reglement genoemde riviergedeelten met succes het examen afgelegd heeft dat in dit reglement voorgeschreven is, mag met inachtneming van die voorschriften de riviergedeelten waarvoor het genoemde examen voor het bewijs van kennis van riviergedeelten werd afgelegd, blijven bevaren.

Artikel 20.06. Geldigheid van een reeds bestaand bewijs van kennis van riviergedeelten
    1. Indien de houder van een op de Rijn als gelijkwaardig erkend vaarbewijs voor schipper een bewijs van kennis van riviergedeelten heeft voor de in bijlage 5 van dit reglement genoemde riviergedeelten, mag hij de desbetreffende riviergedeelten blijven bevaren tot en met 17 januari 2032.
    1. Het bewijs van kennis van riviergedeelten zoals bedoeld in het eerste lid toont aan dat de houder beschikt over de specifieke vergunning voor het bevaren van de dienovereenkomstige binnenwateren met specifieke risico’s zoals bepaald in artikel 13.03.
Artikel 20.07. Geldigheid van de specifieke vergunning voor binnenwateren van maritieme aard
    1. Met een groot of klein Rijnpatent zoals bedoeld in artikel 20.03, eerste lid, mag tot aan het einde van de geldigheidsduur, uiterlijk echter tot en met 17 januari 2032, gevaren worden op binnenwateren van maritieme aard zoals bedoeld in artikel 13.04.
    1. Als het groot of klein Rijnpatent zoals bedoeld in artikel 20.03 wordt ingewisseld, wordt het nieuwe Rijnpatent meteen afgegeven met de specifieke vergunning voor het bevaren van binnenwateren van maritieme aard zoals bedoeld in artikel 13.04.
Artikel 20.08. Geldigheid van kwalificatiecertificaten krachtens de STCW-Overeenkomst

Bemanningsleden van zeeschepen die op de Rijn varen, kunnen hun kwalificatie bewijzen door middel van een in overeenstemming met de STCW-Overeenkomst afgegeven of erkend kwalificatiecertificaat. Dit geldt voor schippers slechts tot 17 januari 2038 en op voorwaarde dat de binnenvaartactiviteit wordt uitgevoerd bij het begin of aan het eind van een reis in het kader van zeevervoer.

Artikel 20.09. Geldigheid van het radarpatent
    1. Radarpatenten die zijn afgegeven overeenkomstig de voorschriften die van toepassing waren tot aan de inwerkingtreding van dit reglement of waarvan de geldigheid verlengd werd, blijven met inachtneming van die voorschriften geldig voor het varen met behulp van radar op de Rijn tot aan het einde van de geldigheidsduur.
    1. Met het omruilen van een groot of klein Rijnpatent zoals bedoeld in artikel 20.03 wordt het nieuwe Rijnpatent meteen afgegeven met de specifieke vergunning om met behulp van radar te mogen varen zoals bedoeld in artikel 13.02.
    1. De houder van een op de Rijn als gelijkwaardig erkend radarpatent mag blijven varen met behulp van radar tot en met 17 januari 2032.
Artikel 20.10. Geldigheid van de kwalificatie van deskundige voor de passagiersvaart of LNG-deskundige
    1. De verklaringen deskundige voor de passagiersvaart en de verklaringen van deskundigheid aangaande het gebruik van vloeibaar aardgas (LNG) als brandstof die door de bevoegde instanties overeenkomstig de voorschriften die van toepassing waren tot aan de inwerkingtreding van dit reglement werden afgegeven of waarvan de geldigheid verlengd werd, blijven geldig met inachtneming van die voorschriften tot aan het einde van hun huidige geldigheidsduur.
    1. Houders van de in het eerste lid genoemde verklaringen kunnen voor het einde van de geldigheidsduur van de verklaring bij de bevoegde autoriteiten een aanvraag indienen voor de afgifte van een nieuw kwalificatiecertificaat overeenkomstig artikel 15.06 of artikel 16.10. De bevoegde autoriteit geeft het aangevraagde kwalificatiecertificaat af wanneer de aanvrager zijn oude verklaring zoals bedoeld in het eerste lid en een kopie van zijn identiteitsbewijs, alsmede de in artikel 15.06 of de in artikel 16.10 vereiste bewijzen heeft voorgelegd.
Artikel 20.11. Erkenning van vaartijd

Er kan rekening worden gehouden met de volbrachte vaartijd die op grond van het onderhavige reglement vereist is, wanneer deze vaartijd werd volbracht overeenkomstig de voorschriften die van toepassing waren tot aan de inwerkingtreding van dit reglement werd volbracht.

Bijlage 1. Medische verklaring ter vaststelling van de medische geschiktheid voor de binnenvaart (Model)

Naam, voornaam (evt. geboortenaam) van de onderzochte persoon Naam, voornaam (evt. geboortenaam) van de onderzochte persoon
Geboortedatum en -plaats Getoond legitimatiebewijs
Naam en voornaam van de keuringsarts Naam en voornaam van de keuringsarts
--- ---
Adres Telefonisch te bereiken onder

De lichamelijke en geestelijke geschiktheid van de bovengenoemde persoon werd onderzocht overeenkomstig de ES-QIN-standaarden inzake de medische geschiktheid (algemene medische geschiktheid, gezichtsvermogen, gehoorvermogen). De resultaten daarvan zijn de volgende:

  • □. Permanent ongeschikt
  • □. Tijdelijk ongeschikt, naar verwachting tot ...............
  • □. Geschikt zonder beperkingen
  • □. Geschiktheid beperkt tot ...............10Is uitsluitend van toepassing indien dit in de ES-QIN-standaarden inzake de medische geschiktheid bij de desbetreffende aandoening uitdrukkelijk voorzien is.
  • □. Geschikt met een of meer van de volgende beperkingen (code overeenkomstig de ES-QIN)
  • □. 01 Optische correctie (bril en/of contactlenzen) vereist
  • □. 02 Gehoorapparaat vereist
  • □. 03 Ledemaatprothese vereist
  • □. 04 Alleen werken in het stuurhuis niet toegestaan
  • □. 05 Alleen bij daglicht
  • □. 06 Geen navigatietaken toegestaan
  • □. 07 Beperkt tot het volgende vaartuig: ...............
  • □. 08 Beperkt tot het volgende vaargebied: ...............
  • □. 09 Beperkt tot de volgende taak: ...............
  • □. Geschikt op voorwaarde dat het vaarbewijs overeenkomstig Richtlijn 96/50/EG is afgegeven vóór 1 april 2004

Stempel

..............................

Datum en handtekening van de arts

Bijlage 2. examenprogramma ter verkrijging van een sportpatent en een overheidspatent

Opmerking vooraf:

Soorten patent(kolom 4 tot en met 6)

A – Sportpatent

B – Overheidspatent

Vereiste kennis(kolom 3)

1 – Gedetailleerde kennis

2 – Basiskennis

1 2 3 4 5 5
nr. Examenstof A B B
1. Kennis van de reglementen, gidsen en handboeken
1.1 Rijnvaartpolitiereglement (inclusief de tijdelijke wijzigingen)
Hoofdstuk 1 tot en met 7, 15 1 x x x
Hoofdstuk 8: 1
Hoofdstuk 9, 10, 12, 14 (voor de betreffende riviergedeelten) 1 x x x
Hoofdstuk 11: 1
Bijlagen
3. Optische tekens van schepen 1 x x x
6. Geluidsseinen 1 x x x
7. Verkeerstekens 1 x x x
8. Verkeerstekens ter markering van de vaarweg 1 x x x
10. Olie-afgifteboekje 1 x x x
Gidsen/Handboeken
Marifonie in de binnenvaart 2 x x x
Afvalverwijdering 2 x x x
1.2 Verkeersvoorschriften voor zeescheepvaartwegen 1 x
(optische tekens van schepen, geluidsseinen, verkeerstekens, navigatiehulpmiddelen en betonningssystemen, vaarregels)
1.3 Reglement Onderzoek Schepen op de Rijn en Europese Standaard voor technische voorschriften voor binnenschepen
Opzet en inhoud 2 x x x
Inhoud van binnenschipcertificaat 2 x x x
1.4 Bemanningsvoorschriften, Deel III van het Reglement betreffende het Scheepvaartpersoneel op de Rijn 1 x x
1.5 ADN
Opzet 2 x x
Documenten/instructies 2 x x
Kennis van de voorgeschreven blauwe kegels/lichten 1 x x
Opzoeken van operationele voorschriften 2 x x
1.6 Bepalingen betreffende de Patenten: Delen II en III van het Reglement betreffende het Scheepvaartpersoneel op de Rijn
Soorten patent en specifieke vergunningen 2 x x x
Criteria voor de intrekking van een patent en de opschorting van de geldigheid 1 x x x
1.7 Voorkoming van ongevallen 2 x x x
2. Nautische kennis
2.1 Rijn en nevenwateren 2 x x x
(belangrijkste geografische, hydrologische, meteorologische en morfologische kenmerken)
2.2 Kennis van de gewenste riviergedeelten van de Rijn
Beschrijving van de vaarweg in de op- en afvaart 1 x x x
Afmetingen van de vaarweg 1 x x x
2.3 Navigatie op zeescheepvaartwegen 2 x
(koersbepaling, peilingen en plaatsbepaling, het gebruik van zeekaarten, procedures voor het controleren van het kompas, basiskennis inzake getijdewerking)
3. Praktijkkennis
(Nautische zaken, scheepvaarttechnische zaken, praktische vaardigheden)
3.1 Voeren van het schip
Praktijk van het sturen, manoeuvreereigenschappen 2 x x x
Functie van de stuurinrichtingen en de aandrijving 2 x x x
Invloed van stromingen, wind en zuiging 2 x x x
Drijfvermogen, stabiliteit en toepassing daarvan in de praktijk 2 x x x
Ankeren en meren 2 x x x
3.2 Motorenkennis
Bouw, werking van de motoren, functie van de elektrische inrichtingen 2 x x x
Bediening, bedrijfscontrole 2 x x x
Maatregelen bij bedrijfsstoringen 2 x x x
3.3 Laden en lossen
Bepalen van het gewicht van de lading aan de hand van de meetbrief 2
Gebruik van de diepgangsschaal 2
Stuwen van de lading 2 x x
3.4 Handelen onder bijzondere omstandigheden
Maatregelen bij schade, eerste hulp, stoppen van lekkage 2 x x x
Bediening van reddingsmiddelen 2 x x x
Bijzonderheden bij averij op zeescheepvaartwegen 2 x
Behandeling van afval en voorkomen van verontreiniging van de waterwegen 2 x x x
Informeren van de bevoegde autoriteiten 2 x x x
Brandbestrijding 2 x x x

Bijlage 4. Overheidspatent

De lijst van de overheidspatenten van de Rijnoeverstaten en België, alsmede de modellen staan op de website van de CCR: www.ccr-zkr.org.

I. De Rijn van kmr 335,92 (sluis Iffezheim) tot kmr 352,07 (Duits-Franse grens)

II. De Rijn vanaf kmr 352,07 (Duits-Franse grens) tot kmr 425,00 (Mannheim)

III. De Rijn van kmr 425,00 (Mannheim) tot kmr 498 (Mainz, Mainspitze)

IV. De Rijn van kmr 498,00 (Mainz, Mainspitze) tot kmr 592,00 (Koblenz, monding van de Moezel)

Bijlage 6. Verklaring eerstehulpverlener in de passagiersvaart (Model)

Bijlage 7. Verklaring persluchtmaskerdrager in de passagiersvaart (Model)

Bijlage 8. Verklaring voor het aantonen van de vereiste rusttijd, bedoeld in artikel 18.03, tweede tot en met zesde lid (Model)

(geldt alleen tezamen met het dienstboekje,

respectievelijk met het kwalificatiecertificaat schipper zoals bedoeld in artikel 11.01, eerste lid, respectievelijk het voorlopig Rijnpatent zoals bedoeld in artikel 12.08 Rsp)

Naam en voornaam:

Nummer van het dienstboekje, respectievelijk van het kwalificatiecertificaat schipper:

Nam van het schip, uniek Europees scheepsidentificatienummer (ENI) Einde van de reis Datum Einde van de reis Tijdstip Exploitatiewijze voor het einde van de reis Laatste rusttijd voor het einde van de reis Laatste rusttijd voor het einde van de reis Handtekening van de schipper
Begin Einde
E E1 E2 E3 E4
1 2 3 4 5 6 7
    1. De verklaring moet bij elke wisseling van schip door de schipper van het schip waarop de laatste reis van het bemanningslid heeft plaatsgevonden, worden ingevuld.
    1. De verklaring moet aan de schipper van het schip waarop de nieuwe reis wordt aangevangen, worden overgelegd.
    1. De gegevens in de verklaring moeten met de gegevens in het dienstboekje en het vaartijdenboek van het schip waarop de laatste reis van het bemanningslid heeft plaatsgevonden, overeenstemmen.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)