Wijzigingsgeschiedenis

Regeling van de Minister van Economische Zaken van 3 december 2014, nr. WJZ / 13149501, tot uitvoering van de Wet op de Dierproeven en het Dierproevenbesluit 2014 (Dierproevenregeling 2014)

10 versions · 2024-01-01
2024-01-01
Dierproevenregeling 2014 — arts. 8, 1, 1 y 11 más
2023-01-01
Dierproevenregeling 2014
2022-09-06
Dierproevenregeling 2014
2021-01-01
Dierproevenregeling 2014 — arts. 2, 3540, 1 y 26 más

Wijzigingen op 2021-01-01

@@ -24,7 +24,7 @@
- –. **levensloopdossier:** het levensloopdossier bedoeld in [artikel 15a, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003081&artikel=15a);
- –. **Minister:** de Minister van Economische Zaken.
- –. **Minister:** Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit.
2. Als richtlijn, bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onderdeel i, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003081&artikel=1) wordt aangewezen: [Richtlijn 2010/63/EG](32010L0063) van 22 september 2010 betreffende de bescherming van dieren die voor wetenschappelijke doeleinden worden gebruikt (PbEU L 276/33).
@@ -32,11 +32,11 @@
##### Artikel 2
1. Een aanvraag om een instellingsvergunning wordt ingediend met gebruikmaking van het formulier in [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035873&bijlage=1&z=2017-01-01&g=2017-01-01) bij deze regeling.
1. Een aanvraag om een instellingsvergunning wordt ingediend met gebruikmaking van het formulier in [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035873&bijlage=1&z=2021-01-01&g=2021-01-01) bij deze regeling.
2. Vervallen.
3. Na verlening van de instellingsvergunning meldt de vergunninghouder aan Onze Minister onverwijld:
3. Na verlening van de instellingsvergunning meldt de vergunninghouder aan de Minister onverwijld:
- a. iedere wijziging van de personen bedoeld in [artikel 6, derde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003081&artikel=6);
@@ -52,9 +52,9 @@
- b. het projectvoorstel, en
- c. de niet-technische samenvatting van het project overeenkomstig [artikel 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035873&paragraaf=3&artikel=4&z=2017-01-01&g=2017-01-01).
2. Een aanvraag om een projectvergunning wordt ingediend met gebruikmaking van het formulier in [bijlage 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035873&bijlage=2&z=2017-01-01&g=2017-01-01) bij deze regeling en het format voor het projectvoorstel in [bijlage 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035873&bijlage=3&z=2017-01-01&g=2017-01-01) bij deze regeling.
- c. de niet-technische samenvatting van het project overeenkomstig [artikel 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035873&paragraaf=3&artikel=4&z=2021-01-01&g=2021-01-01).
2. Een aanvraag om een projectvergunning wordt ingediend met gebruikmaking van het formulier in [bijlage 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035873&bijlage=2&z=2021-01-01&g=2021-01-01) bij deze regeling en het format voor het projectvoorstel in [bijlage 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035873&bijlage=3&z=2021-01-01&g=2021-01-01) bij deze regeling.
3. Bij de aanvraag verstrekt de aanvrager die informatie die nodig is om, voor zover relevant, aan te tonen dat wordt voldaan aan de regels gesteld bij of krachtens de [artikelen 2, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003081&artikel=2), [9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003081&artikel=9), [10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003081&artikel=10), [10a2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003081&artikel=10a2), [10b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003081&artikel=10b) en [13f van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003081&artikel=13f). De aanvraag bevat in ieder geval de volgende gegevens:
@@ -72,13 +72,13 @@
- g. indien van toepassing, de motivering bedoeld in [artikel 10a2, tweede lid, onder e, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003081&artikel=10a2);
- h. de gegevens opgenomen in [bijlage 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035873&bijlage=4&z=2017-01-01&g=2017-01-01) bij deze regeling.
- h. de gegevens opgenomen in [bijlage 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035873&bijlage=4&z=2021-01-01&g=2021-01-01) bij deze regeling.
4. Bij de indiening van de aanvraag om een projectvergunning wordt een door de centrale commissie dierproeven vastgesteld en door de Minister goedgekeurd bedrag voldaan. Het bedrag is een vast bedrag dat de gemiddelde kosten die samenhangen met het behandelen van een aanvraag om een projectvergunning dekt. Van het in de eerste volzin bedoelde goedkeuringsbesluit wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.
##### Artikel 4
1. Voor de niet-technische samenvatting van het project en eventuele aanvullingen hierop als gevolg van wijzigingen als bedoeld in [artikel 10a5 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003081&artikel=10a5), of een beoordeling van het project achteraf als bedoeld in [artikel 10a1, eerste lid, onder d, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003081&artikel=10a1), maakt de aanvrager respectievelijk vergunninghouder gebruik van het in [bijlage 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035873&bijlage=5&z=2017-01-01&g=2017-01-01) bij deze regeling opgenomen model.
1. Voor de niet-technische samenvatting van het project en eventuele aanvullingen hierop als gevolg van wijzigingen als bedoeld in [artikel 10a5 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003081&artikel=10a5), of een beoordeling van het project achteraf als bedoeld in [artikel 10a1, eerste lid, onder d, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003081&artikel=10a1), maakt de aanvrager respectievelijk vergunninghouder gebruik van het in [bijlage 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035873&bijlage=5&z=2021-01-01&g=2021-01-01) bij deze regeling opgenomen model.
2. Onverminderd de bescherming van de intellectuele eigendom en vertrouwelijke informatie bevat de niet-technische samenvatting de volgende gegevens:
@@ -96,19 +96,19 @@
1. De wetenschappelijke opleiding, bedoeld in [artikel 2, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035866&artikel=2), bestaat uit een master in een relevante studierichting.
2. De cursus proefdierkunde, bedoeld in [artikel 2, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035866&artikel=2), voldoet aan de eisen in [bijlage 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035873&bijlage=6&z=2017-01-01&g=2017-01-01) bij deze regeling.
2. De cursus proefdierkunde, bedoeld in [artikel 2, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035866&artikel=2), voldoet aan de eisen in [bijlage 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035873&bijlage=6&z=2021-01-01&g=2021-01-01) bij deze regeling.
3. De Minister kan op verzoek een ontheffing verlenen van het vereiste in het eerste lid, indien op andere wijze wordt aangetoond dat de persoon, bedoeld in [artikel 9 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003081&artikel=9), beschikt over een vergelijkbaar deskundigheids- en bekwaamheidsniveau.
##### Artikel 6
1. De opleidingen bedoeld in [artikel 8, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035866&artikel=8), voldoen aan de volgende minimumeisen:
- a. ten aanzien van de persoon die proefdieren verzorgt en een of meer biotechnische handelingen als bedoeld in het derde lid, onder a, verricht of in dat onderdeel bedoelde dieren doodt: de eisen voor de opleiding proefdierverzorger zoals beschreven in het kwalificatiedossier Proefdieren, Crebonummer 97770 of 95360, dan wel de eisen voor de opleiding dierverzorger, zoals beschreven in het kwalificatiedosssier Proefdierverzorger, Crebonummer 25449, dan wel de eisen opgenomen in ‘Curriculumeisen ten behoeve van een erkenning ex artikel 6 van de Dierproevenregeling 2014 op HBO-niveau’ zoals gepubliceerd op http://www.rijksoverheid.nl/documenten-en-publicaties/besluiten/2015/08/01/opleidingseisen-tbv-een-erkenning-ex-artikel-6-proefdierverzorger-op-hbo-niveau.html;
- b. ten aanzien van de persoon die dierproeven uitvoert, waarbij een of meer biotechnische handelingen als bedoeld in het derde lid, onder b, worden verricht of in dat onderdeel bedoelde dieren worden gedood: de eisen voor de opleiding biotechnicus zoals beschreven in het kwalificatiedossier Proefdieren, Crebonummer 97780 of 95370, dan wel de eisen voor de opleiding specialist dierverzorging, zoals beschreven in het kwalificatiedossier Gespecialiseerde proefdierverzorging, Crebonummer 25466, dan wel de eisen opgenomen in ‘Curriculumeisen ten behoeve van een erkenning ex artikel 6 van de Dierproevenregeling 2014 op HBO-niveau’ zoals gepubliceerd op http://www.rijksoverheid.nl/documenten-en-publicaties/besluiten/2015/08/01/opleidingseisen-tbv-een-erkenning-ex-artikel-6-biotechnicus-op-hbo-niveau.html;
- c. ten aanzien van de persoon die kleine proefdieren doodt: de eisen voor het onderdeel ‘Euthanaseren van kleine proefdieren (C0002)’, onderdeel van de opleiding dierverzorger zoals beschreven in het kwalificatiedossier Proefdierverzorger (Crebonummer 25449).
1. De opleidingen, bedoeld in [artikel 8, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035866&artikel=8), voldoen aan de volgende minimumeisen:
- a. ten aanzien van de persoon die proefdieren verzorgt en een of meer biotechnische handelingen als bedoeld in het derde lid, onderdeel a, verricht of in dat onderdeel bedoelde dieren doodt: de eisen voor de kwalificatie Proefdierverzorger, Crebonummer 25578, beschreven in het kwalificatiedossier Dierverzorging, bedoeld in de [bijlagen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037678&bijlage=1) en [5 van de Regeling vaststelling kwalificatiedossiers en opleidingsdomeinen 2016](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037678&bijlage=5), dan wel de eisen opgenomen in [bijlage 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035873&bijlage=8&z=2021-01-01&g=2021-01-01) bij deze regeling;
- b. ten aanzien van de persoon die dierproeven uitvoert, waarbij een of meer biotechnische handelingen als bedoeld in het derde lid, onderdeel b, worden verricht of in dat onderdeel bedoelde dieren worden gedood: de eisen voor de kwalificatie Specialist proefdierverzorging, Crebonummer 25466, beschreven in het kwalificatiedossier Gespecialiseerde proefdierverzorging, bedoeld in de [bijlagen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037678&bijlage=1) en [5 van de Regeling vaststelling kwalificatiedossiers en opleidingsdomeinen 2016](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037678&bijlage=5), dan wel de eisen opgenomen in [bijlage 9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035873&bijlage=9&z=2021-01-01&g=2021-01-01) bij deze regeling;
- c. ten aanzien van de persoon die kleine proefdieren doodt: de eisen voor het onderdeel ‘Euthanaseren van kleine proefdieren (C0002)’ van de kwalificatie Proefdierverzorger, Crebonummer 25578, zoals beschreven in het kwalificatiedossier Dierverzorging, bedoeld in de [bijlagen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037678&bijlage=1) en [5 van de Regeling vaststelling kwalificatiedossiers en opleidingsdomeinen 2016](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037678&bijlage=5).
2. De Minister kan op verzoek een ontheffing verlenen van het vereiste in het eerste lid, indien op andere wijze wordt aangetoond dat de persoon die proefdieren verzorgt, biotechnische werkzaamheden uitvoert of proefdieren doodt, beschikt over een vergelijkbaar deskundigheids- en bekwaamheidsniveau. De ontheffing kan worden beperkt tot specifieke werkzaamheden op proefdieren.
@@ -118,7 +118,7 @@
- b. het uitvoeren van andere biotechnische werkzaamheden dan bedoeld onder a, zoals het canuleren van (bloed)vaten, het wegnemen van (delen van) organen, het toepassen van (inhalatie)narcose, het met gebruikmaking van complexere methoden dan bedoeld in onderdeel a op verantwoorde wijze doden van kleine proefdieren en het op verantwoorde wijze doden van grote proefdieren: degene die beschikt over een door de Minister erkend diploma of getuigschrift voor de opleiding bedoeld in het eerste lid, onderdeel b en degene die voldoet aan de deskundigheids- en bekwaamheidseisen gesteld aan de persoon, bedoeld in [artikel 9 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003081&artikel=9), en die beschikt over de benodigde kennis en ervaring om de biotechnische handelingen en werkzaamheden te verrichten.
- b. het op verantwoorde wijze doden van kleine proefdieren: degene die beschikt over een door de Minister erkend diploma of certificaat voor de opleiding bedoeld in het eerste lid, onderdelen a, b of c.
- c. het op verantwoorde wijze doden van kleine proefdieren: degene die beschikt over een door de Minister erkend diploma of certificaat voor de opleiding, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, b of c.
4. In afwijking van het derde lid mogen in het kader van een opleiding voor de personen bedoeld in [artikel 9 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003081&artikel=9) en [artikel 8 van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035866&artikel=8) de daar genoemde werkzaamheden worden verricht door personen die nog niet beschikken over de vereiste bekwaamheid en deskundigheid mits deze werkzaamheden onder toezicht worden verricht van een persoon die wel over de vereiste bekwaamheid en deskundigheid beschikt.
@@ -166,11 +166,11 @@
2. De in het eerste lid bedoelde gegevens worden bewaard tot vijf jaren na afloop van het kalenderjaar waarop de gegevens betrekking hebben.
3. De fokker, de leverancier en de gebruiker verstrekken de Minister jaarlijks uiterlijk op 15 maart de in [bijlage 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035873&bijlage=7&z=2017-01-01&g=2017-01-01) bij deze regeling genoemde gegevens over het voorafgaande kalenderjaar.
3. De fokker, de leverancier en de gebruiker verstrekken de Minister jaarlijks uiterlijk op 15 maart de in [bijlage 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035873&bijlage=7&z=2021-01-01&g=2021-01-01) bij deze regeling genoemde gegevens over het voorafgaande kalenderjaar.
##### Artikel 9
1. In aanvulling op het bepaalde in [artikel 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035873&paragraaf=6&artikel=8&z=2017-01-01&g=2017-01-01) houden de fokker, de leverancier en de gebruiker over elke hond, kat en niet-menselijke primaat die zij houden aantekening van de volgende gegevens:
1. In aanvulling op het bepaalde in [artikel 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035873&paragraaf=6&artikel=8&z=2021-01-01&g=2021-01-01) houden de fokker, de leverancier en de gebruiker over elke hond, kat en niet-menselijke primaat die zij houden aantekening van de volgende gegevens:
- a. identiteit;
@@ -202,9 +202,9 @@
##### Artikel 11
1. Met een ontheffing op grond van [artikel 5, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035873&paragraaf=4&artikel=5&z=2017-01-01&g=2017-01-01), wordt gelijkgesteld een vóór de inwerkingtreding van de [wet tot wijziging van de Wet op de dierproeven in verband met implementatie van richtlijn 2010/63/EU](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035875) op grond van [artikel 16 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003081&artikel=16) verleende ontheffing, voor zover deze betrekking heeft op het vereiste dat de persoon bedoeld in [artikel 9 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003081&artikel=9) beschikt over een master in een relevante studierichting.
2. Met een ontheffing op grond van [artikel 6, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035873&paragraaf=4&artikel=6&z=2017-01-01&g=2017-01-01), wordt gelijkgesteld een vóór de inwerkingtreding van de wet tot [wijziging van de Wet op de dierproeven in verband met implementatie van richtlijn 2010/63/EU](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035875) op grond van [artikel 16 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003081&artikel=16) verleende ontheffing, voor zover deze ontheffing betrekking heeft op de opleidingsvereisten ten aanzien van personen die proefdieren verzorgen, biotechnische werkzaamheden uitvoeren of proefdieren doden.
1. Met een ontheffing op grond van [artikel 5, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035873&paragraaf=4&artikel=5&z=2021-01-01&g=2021-01-01), wordt gelijkgesteld een vóór de inwerkingtreding van de [wet tot wijziging van de Wet op de dierproeven in verband met implementatie van richtlijn 2010/63/EU](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035875) op grond van [artikel 16 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003081&artikel=16) verleende ontheffing, voor zover deze betrekking heeft op het vereiste dat de persoon bedoeld in [artikel 9 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003081&artikel=9) beschikt over een master in een relevante studierichting.
2. Met een ontheffing op grond van [artikel 6, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035873&paragraaf=4&artikel=6&z=2021-01-01&g=2021-01-01), wordt gelijkgesteld een vóór de inwerkingtreding van de wet tot [wijziging van de Wet op de dierproeven in verband met implementatie van richtlijn 2010/63/EU](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035875) op grond van [artikel 16 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003081&artikel=16) verleende ontheffing, voor zover deze ontheffing betrekking heeft op de opleidingsvereisten ten aanzien van personen die proefdieren verzorgen, biotechnische werkzaamheden uitvoeren of proefdieren doden.
##### Artikel 12
@@ -214,7 +214,7 @@
Deze regeling wordt aangehaald als: Dierproevenregeling 2014.
## Bijlage 1. behorende bij [artikel 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035873&paragraaf=2&artikel=2&z=2017-01-01&g=2017-01-01), van de Dierproevenregeling 2014
## Bijlage 1. behorende bij [artikel 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035873&paragraaf=2&artikel=2&z=2021-01-01&g=2021-01-01), van de Dierproevenregeling 2014
Aanvraagformulier voor instellingsvergunning:
@@ -264,21 +264,21 @@
- 6. Ondertekening De vergunninghouder: Naam: Functie: Plaats: Dagtekening: Handtekening:
## Bijlage 2. behorend bij [artikel 3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035873&paragraaf=3&artikel=3&z=2017-01-01&g=2017-01-01), van de Dierproevenregeling 2014
### Aanvraagformulier Projectvergunning Dierproeven
## Bijlage 2. als bedoeld in [artikel 3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035873&paragraaf=3&artikel=3&z=2021-01-01&g=2021-01-01)
### Aanvraag Projectvergunning Dierproeven
### Administratieve gegevens
## Bijlage 3. behorend bij [artikel 3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035873&paragraaf=3&artikel=3&z=2017-01-01&g=2017-01-01), van de Dierproevenregeling 2014
## Bijlage 3. als bedoeld in [artikel 3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035873&paragraaf=3&artikel=3&z=2021-01-01&g=2021-01-01)
### Format Projectvoorstel dierproeven
### Bijlage bij het projectvoorstel dierproeven
### Bijlage
### Beschrijving dierproeven
## Bijlage 4. behorend bij [artikel 3, derde lid, onderdeel h](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035873&paragraaf=3&artikel=3&z=2017-01-01&g=2017-01-01), van de Dierproevenregeling 2014
## Bijlage 4. behorend bij [artikel 3, derde lid, onderdeel h](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035873&paragraaf=3&artikel=3&z=2021-01-01&g=2021-01-01), van de Dierproevenregeling 2014
Bij de aanvraag om een projectvergunning worden de volgende gegevens verstrekt:
@@ -310,50 +310,268 @@
- 12. de bekwaamheid van de bij het project betrokken personen.
## Bijlage 5. behorend bij [artikel 4, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035873&paragraaf=3&artikel=4&z=2017-01-01&g=2017-01-01), van de Dierproevenregeling 2014
## Bijlage 5. als bedoeld in [artikel 4, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035873&paragraaf=3&artikel=4&z=2021-01-01&g=2021-01-01)
**Model voor een niet-technische samenvatting**
| Naam van het project | | | | | | |
| --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- |
| Projectduur (in maanden) | | | | | | |
| Trefwoorden (maximaal 5)1 | | | | | | |
| Doel van het project2 (meerdere antwoorden mogelijk) | – Fundamenteel onderzoek3 – Translationeel en toegepast onderzoek3 – Gebruik op grond van regelgeving en voor routineproductie: – kwaliteitscontrole (m.i.v. tests van de veiligheid en werkzaamheid van charges) – andere doeltreffendheids- en tolerantietests – toxiciteits- en andere veiligheidstests m.i.v. farmacologie – routineproductie – Bescherming van het milieu in het belang van de gezondheid of het welzijn van mens of dier – Behoud van de soort – Hoger onderwijs – Opleiding – Forensisch onderzoek – Instandhouding van kolonies van genetisch gewijzigde dieren, niet gebruikt in andere procedures | – Fundamenteel onderzoek3 – Translationeel en toegepast onderzoek3 – Gebruik op grond van regelgeving en voor routineproductie: – kwaliteitscontrole (m.i.v. tests van de veiligheid en werkzaamheid van charges) – andere doeltreffendheids- en tolerantietests – toxiciteits- en andere veiligheidstests m.i.v. farmacologie – routineproductie – Bescherming van het milieu in het belang van de gezondheid of het welzijn van mens of dier – Behoud van de soort – Hoger onderwijs – Opleiding – Forensisch onderzoek – Instandhouding van kolonies van genetisch gewijzigde dieren, niet gebruikt in andere procedures | – Fundamenteel onderzoek3 – Translationeel en toegepast onderzoek3 – Gebruik op grond van regelgeving en voor routineproductie: – kwaliteitscontrole (m.i.v. tests van de veiligheid en werkzaamheid van charges) – andere doeltreffendheids- en tolerantietests – toxiciteits- en andere veiligheidstests m.i.v. farmacologie – routineproductie – Bescherming van het milieu in het belang van de gezondheid of het welzijn van mens of dier – Behoud van de soort – Hoger onderwijs – Opleiding – Forensisch onderzoek – Instandhouding van kolonies van genetisch gewijzigde dieren, niet gebruikt in andere procedures | – Fundamenteel onderzoek3 – Translationeel en toegepast onderzoek3 – Gebruik op grond van regelgeving en voor routineproductie: – kwaliteitscontrole (m.i.v. tests van de veiligheid en werkzaamheid van charges) – andere doeltreffendheids- en tolerantietests – toxiciteits- en andere veiligheidstests m.i.v. farmacologie – routineproductie – Bescherming van het milieu in het belang van de gezondheid of het welzijn van mens of dier – Behoud van de soort – Hoger onderwijs – Opleiding – Forensisch onderzoek – Instandhouding van kolonies van genetisch gewijzigde dieren, niet gebruikt in andere procedures | – Fundamenteel onderzoek3 – Translationeel en toegepast onderzoek3 – Gebruik op grond van regelgeving en voor routineproductie: – kwaliteitscontrole (m.i.v. tests van de veiligheid en werkzaamheid van charges) – andere doeltreffendheids- en tolerantietests – toxiciteits- en andere veiligheidstests m.i.v. farmacologie – routineproductie – Bescherming van het milieu in het belang van de gezondheid of het welzijn van mens of dier – Behoud van de soort – Hoger onderwijs – Opleiding – Forensisch onderzoek – Instandhouding van kolonies van genetisch gewijzigde dieren, niet gebruikt in andere procedures | – Fundamenteel onderzoek3 – Translationeel en toegepast onderzoek3 – Gebruik op grond van regelgeving en voor routineproductie: – kwaliteitscontrole (m.i.v. tests van de veiligheid en werkzaamheid van charges) – andere doeltreffendheids- en tolerantietests – toxiciteits- en andere veiligheidstests m.i.v. farmacologie – routineproductie – Bescherming van het milieu in het belang van de gezondheid of het welzijn van mens of dier – Behoud van de soort – Hoger onderwijs – Opleiding – Forensisch onderzoek – Instandhouding van kolonies van genetisch gewijzigde dieren, niet gebruikt in andere procedures |
| Doelstellingen en verwachte voordelen van het project | Doelstellingen en verwachte voordelen van het project | Doelstellingen en verwachte voordelen van het project | Doelstellingen en verwachte voordelen van het project | Doelstellingen en verwachte voordelen van het project | Doelstellingen en verwachte voordelen van het project | Doelstellingen en verwachte voordelen van het project |
| Beschrijf de doelstellingen van het project (bijvoorbeeld het aanpakken van bepaalde wetenschappelijke onduidelijkheden, of wetenschappelijke of klinische behoeften). | | | | | | |
| Welke potentiële voordelen kan dit project opleveren? Leg uit hoe de wetenschap vooruit kan worden geholpen of mensen, dieren of het milieu uiteindelijk voordeel kunnen hebben bij het project. Maak, waar van toepassing, een onderscheid tussen voordelen op korte termijn (binnen de looptijd van het project) en voordelen op lange termijn (die mogelijk pas worden bereikt nadat het project is afgerond). | | | | | | |
| Voorspelde schade | Voorspelde schade | Voorspelde schade | Voorspelde schade | Voorspelde schade | Voorspelde schade | Voorspelde schade |
| In welke procedures worden de dieren gewoonlijk gebruikt (bijvoorbeeld injecties, chirurgische procedures)? Vermeld het aantal en de duur van deze procedures. | | | | | | |
| Wat zijn de verwachte gevolgen/nadelige effecten voor de dieren, bijvoorbeeld pijn, gewichtsverlies, inactiviteit/verminderde mobiliteit, stress, abnormaal gedrag, en wat is de duur van die effecten? | | | | | | |
| Welke soorten en aantallen dieren zullen naar verwachting worden gebruikt? Wat zijn de verwachte ernstgraden en de aantallen dieren in elke ernstcategorie (per soort)? | **Soort** 4 | **Geraamde totaalaantallen** | **Geraamde aantallen naar ernstgraad** | **Geraamde aantallen naar ernstgraad** | **Geraamde aantallen naar ernstgraad** | **Geraamde aantallen naar ernstgraad** |
| Welke soorten en aantallen dieren zullen naar verwachting worden gebruikt? Wat zijn de verwachte ernstgraden en de aantallen dieren in elke ernstcategorie (per soort)? | **Soort** 4 | **Geraamde totaalaantallen** | **Terminaal** | **Licht** | **Matig** | **Ernstig** |
| Welke soorten en aantallen dieren zullen naar verwachting worden gebruikt? Wat zijn de verwachte ernstgraden en de aantallen dieren in elke ernstcategorie (per soort)? | | | | | | |
| Welke soorten en aantallen dieren zullen naar verwachting worden gebruikt? Wat zijn de verwachte ernstgraden en de aantallen dieren in elke ernstcategorie (per soort)? | | | | | | |
| Welke soorten en aantallen dieren zullen naar verwachting worden gebruikt? Wat zijn de verwachte ernstgraden en de aantallen dieren in elke ernstcategorie (per soort)? | | | | | | |
| Welke soorten en aantallen dieren zullen naar verwachting worden gebruikt? Wat zijn de verwachte ernstgraden en de aantallen dieren in elke ernstcategorie (per soort)? | | | | | | |
| Welke soorten en aantallen dieren zullen naar verwachting worden gebruikt? Wat zijn de verwachte ernstgraden en de aantallen dieren in elke ernstcategorie (per soort)? | | | | | | |
| Wat gebeurt er met de dieren die aan het einde van de procedure in leven worden gehouden?56 | **Geraamd te hergebruiken aantal** | **Geraamd te hergebruiken aantal** | **Geraamd in het habitat/houderijsysteem terug te plaatsen aantal** | **Geraamd in het habitat/houderijsysteem terug te plaatsen aantal** | **Geraamd voor adoptie vrijgegeven aantal** | **Geraamd voor adoptie vrijgegeven aantal** |
| Geef de redenen voor het geplande lot van de dieren na de procedure. | | | | | | |
| **Toepassing van de drie V’s** | **Toepassing van de drie V’s** | **Toepassing van de drie V’s** | **Toepassing van de drie V’s** | **Toepassing van de drie V’s** | **Toepassing van de drie V’s** | **Toepassing van de drie V’s** |
| **1. Vervanging** Beschrijf welke diervrije alternatieven op dit gebied voorhanden zijn en waarom zij niet voor het project kunnen worden gebruikt. | | | | | | |
| **2. Vermindering** Leg uit hoe de aantallen dieren voor dit project zijn bepaald. Beschrijf de stappen die zijn genomen om het aantal te gebruiken dieren te verminderen en de beginselen die zijn gebruikt bij het opzetten van de studies. Beschrijf, waar van toepassing, de praktijken die gedurende het hele project zullen worden toegepast om het aantal dieren die in overeenstemming met de wetenschappelijke doelstellingen werden gebruikt, tot een minimum te beperken. Deze praktijken kunnen bijvoorbeeld bestaan uit proefprojecten, computermodellen, het delen van weefsel en hergebruik. | | | | | | |
| **3. Verfijning** Geef voorbeelden van de specifieke maatregelen (bv. verscherpte monitoring, postoperatieve behandeling, pijnbestrijding, training van dieren) die in verband met de procedures moeten worden genomen om de welzijnskosten (schade) voor de dieren tot een minimum te beperken. Beschrijf de mechanismen om gedurende de looptijd van het project nieuwe verfijningstechnieken in gebruik te nemen. | | | | | | |
| Licht de keuze van de soorten en de bijbehorende levensstadia toe. | | | | | | |
1 Inclusief wetenschappelijke termen die uit meer dan vijf afzonderlijke woorden kunnen bestaan en exclusief soorten en doeleinden die elders in het document zijn opgenomen.
2 Te verstrekken via een dropdownmenu.
3 Lijst van doeleinden in overeenstemming met de statistische rapportagecategorieën en - subcategorieën in Bijlage III bij Uitvoeringsbesluit 2020/569 van de Commissie van 16 april 2020 tot vaststelling van een gemeenschappelijk format en gemeenschappelijke inhoud voor de indiening van de informatie die door de lidstaten moet worden gerapporteerd overeenkomstig [Richtlijn 2010/63](32010L0063)/EU van het Europees Parlement en de Raad betreffende de bescherming van dieren die voor wetenschappelijke doeleinden worden gebruikt en tot intrekking van Uitvoeringsbesluit 2012/707/EU van de Commissie (PbEU 2020, L 129).
4 Soorten in overeenstemming met de statische rapportagecategorieën in bijlage III bij het hiervoor onder (3) genoemde Uitvoeringsbesluit, met een aanvullende optie van ‘niet-gespecificeerd zoogdier’ om in uitzonderlijke gevallen de anonimiteit te waarborgen.
5 Uit het vorige antwoord over te nemen soorten die onder de desbetreffende categorie kunnen worden geselecteerd (aandeel).
6 Meerdere antwoorden per soort mogelijk.
### Model voor een niet-technische samenvatting
1 Geef een omschrijving van de negatieve gevolgen die de proefdieren als gevolg van de dierproeven in dit project zullen ondervinden.
2 De indeling naar ernst zoals bedoeld in [artikel 10b, eerste lid, van de Wet op de dierproeven](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003081&artikel=10b).
## Bijlage 6. behorende bij [artikel 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035873&paragraaf=4&artikel=5&z=2017-01-01&g=2017-01-01) van de Dierproevenregeling 2014
De cursus proefdierkunde bedoeld in [artikel 2, eerste lid, van het Dierproevenbesluit 2014](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035866&artikel=2), voor de persoon die het project en de dierproef opzet als bedoeld in [artikel 9 van de Wet op de dierproeven](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003081&artikel=9), voldoet aan de volgende minimumeisen:
## Bijlage 7. behorend bij [artikel 8, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035873&paragraaf=6&artikel=8&z=2021-01-01&g=2021-01-01), van de Dierproevenregeling 2014
### Toelichting bij de registratie proefdieren en dierproeven
De cursus proefdierkunde bedoeld in [artikel 2, eerste lid, van het Dierproevenbesluit 2014](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035866&artikel=2), voor de persoon die het project en de dierproef opzet als bedoeld in [artikel 9 van de Wet op de dierproeven](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003081&artikel=9), voldoet aan de volgende minimumeisen:
## Bijlage 7. behorend bij [artikel 8, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035873&paragraaf=6&artikel=8&z=2017-01-01&g=2017-01-01), van de Dierproevenregeling 2014
### Toelichting bij de registratie proefdieren en dierproeven
### Algemeen
De gevraagde gegevens dienen door of namens de vergunninghouder te worden verstrekt.
De ingevulde registratieformulieren worden na afloop van het registratiejaar, maar vóór 15 maart van het daarop volgende jaar, door de vergunninghouder als één geheel digitaal toegezonden aan de Centrale Handhaving Dierproeven van de NVWA (chd@nvwa.nl).
NVWA, Centrale Handhaving Dierproeven
Postbus 43006
3540 AA UTRECHT
Publicatie van registratiegegevens zal zodanig geschieden dat de herkomst van de informatie niet door derden kan worden vastgesteld.
Postbus 43006
3540 AA UTRECHT
Registratieformulier 1 bevat informatie ten aanzien van de vergunninghouder, waaronder het adres van de vergunninghouder en indien van toepassing de locaties waar proefdieren elders (buiten de instelling) dan op het in het formulier aangegeven adres waren gehuisvest.
### Toelichting registratieformulier 1
### Gegevens over de vergunninghouders
Registratieformulier 1 bevat informatie ten aanzien van de vergunninghouder, waaronder het adres van de vergunninghouder en indien van toepassing de locaties waar proefdieren elders (buiten de instelling) dan op het in het formulier aangegeven adres waren gehuisvest.
Middels ondertekening van registratieformulier 1 verklaart de vergunninghouder dat de registratieformulieren 1 tot en met 3 correct en conform de feitelijke omstandigheden waaronder de proefdieren zijn gehouden (registratieformulier 2) en de dierproeven zijn uitgevoerd (registratieformulier 3) zijn ingevuld.
Deze formulieren bevatten per diersoort informatie over de herkomst en bestemming van alle binnen de vergunninghouder in de loop van het verslagjaar aanwezige proefdieren.
### Toelichting registratieformulieren 2a, b en c
### Totaaljaarstaat aan- en afvoer dieren
De diersoorten, in kolom 1, dienen weergegeven te worden in de bij deze kolom beschikbaar gestelde codes. In de daaropvolgende kolommen dienen steeds de aantallen dieren gegeven te worden die voldoen aan de beschrijving van de betreffende kolom.
Kolom 2: Aanwezig op 1 januari van het registratiejaar.
Kolom 3: Eigen fok binnen de instelling. Zoogdieren tellen mee zodra ze zijn gespeend en tevens wanneer ze na hun geboorte, maar vóór het spenen, in proef zijn genomen. Vogels tellen zodra het ei is verlaten. Reptielen, amfibieën en vissen: volwassen dieren tellen mee en tevens, indien deze in proef zijn genomen: larvale vormen vanaf het moment waarop zij in staat zijn zich autonoom te voeden. Kolom 3 is niet van toepassing voor formulier 2c.
Kolom 4: Verkregen van geregistreerde vergunninghoudende fok- of afleveringsbedrijf/bedrijven van proefdieren in de Europese Unie (EU), inclusief Nederland. Kolom 4 is niet van toepassing voor formulier 2c.
Kolom 5*: Verkregen van een niet-geregistreerde instelling(en) in de Europese Unie (inclusief Nederland). Kolom 5 is niet van toepassing voor formulier 2c.
Kolom 6*: Verkregen van een instelling uit de rest van Europa. Kolom 6 is niet van toepassing voor formulier 2c.
Kolom 7*: Andere herkomst: in tabel 2c moet in deze kolom het aantal in het wild geboren dieren worden ingevuld.
Kolom 8: Dood of gedood voor gebruik in proef of fok, bijvoorbeeld wegens ongeschiktheid (genotype, geslacht, gewicht, ziekte, e.d.) of overtolligheid.
Kolom 9: Dood of gedood na gebruik in fok.
Kolom 10: Dood of gedood tijdens of in het kader van de proef.
Kolom 11: Dood of gedood na gebruik in proef.
Kolom 12: Levend afgevoerd naar een andere geregistreerde vergunninghouder binnen de EU, inclusief Nederland.
Kolom 13: Levende dieren terug naar eigenaar, vrijgelaten of geadopteerd. NB. Geadopteerde dieren moeten worden gespecificeerd in kolom 17.
Kolom 14: Levend afgevoerde dieren naar overige bestemming.
Kolom 15: Aantal dieren aanwezig op 31 december van het registratiejaar.
Kolom 16: Specificatie diersoorten.
Kolom 17: Specificatie aantal vrijgelaten of geadopteerde dieren.
Het totaal van de kolommen 2 tot en met 7 dient gelijk te zijn aan het totaal van de kolommen 8 tot en met 15. Bij de jaarlijkse registratie dient het aantal dieren aanwezig op 1 januari gelijk te zijn aan het aantal dieren dat aanwezig was op 31 december van het voorgaande registratiejaar.
Kolom 16: Specificatie diersoorten.
Kolom 17: Specificatie aantal vrijgelaten of geadopteerde dieren.
De gegevens over een dierproeven dienen slechts éénmaal, en wel aan het eind van de dierproef, in codenummers te worden vastgelegd. Het gaat hier derhalve om dierproeven welke in het registratiejaar zijn beëindigd, ongeacht de duur van de proef.
### Toelichting registratieformulier 3
### Gegevens over dierproeven
Dieren die niet voldoen aan de omschrijvingen bij codes 2 tot en met 9 worden geregistreerd met code 1.
Indien de dierproef is verricht met een dier dat drager is van een genetische modificatie is code 2 van toepassing, tenzij sprake is van een pathologisch fenotype dan is code 3 van toepassing.
Niet-genetisch gemodificeerde dieren benodigd voor het vervaardigen van een genetisch gemodificeerd dier, zoals eiceldonoren, gevasectomeerde dieren en ontvangerdieren (draagmoeders) dienen met code 1 worden geregistreerd. In dat geval dient bovendien in kolom 9 het codenummer 3 worden ingevuld, dat staat voor het vervaardigen van een nieuwe genetisch gemodificeerde lijn.
Voor dieren die uit de wilde fauna zijn verworven en waarop dierproeven bij de vergunninghouder zijn uitgevoerd is code 4 van toepassing.
Dierproeven met dieren in het vrije veld (biotoop) worden geregistreerd met een code 5. Het betreft hier veldbiologisch onderzoek waarbij het dier niet in een instelling komt.
Apen worden niet geregistreerd met codes 1 tot en met 5.
Kolom 2: Diersoort
Voor de te gebruiken codes zie de toelichting bij kolom 1 van registratieformulier 2. Diersoorten met een sterretje (*) moeten nader gespecificeerd worden in kolom 15 van registratieformulier 3.
Kolom 3: Herkomst dieren (geboorteplaats) en hergebruik
Gebruik van eenzelfde dier wordt als hergebruik beschouwd indien tussen de betrokken proeven geen verband bestaat of indien even goed een ander dier gebruikt kan worden. Hergebruik is op alle diersoorten van toepassing; indien sprake is van tweede of vaker gebruik van eenzelfde dier conform de definitie van hergebruik, wordt code 1 ingevuld en hoeft de geboorteplaats niet geregistreerd te worden. Voor het uniform registreren van hergebruik van dieren voor dierproeven in het onderwijs, waarbij aan de dieren geen onherstelbare schade is berokkend, wordt gesteld dat het aantal handelingen met een dier per cursus/practicum als één dierproef wordt geregistreerd. Als een dier voor meerdere practica per jaar wordt ingezet wordt dat als hergebruik geteld.
Bij de codes 2 tot en met 11 dient de geboorteplaats van het dier weergegeven te worden. Code 2 tot en met 5 zijn niet van toepassing op niet-menselijke primaten (apen); codes 6 tot en met 11 zijn uitsluitend van toepassing op apen. De geboorteplaats van de onder code 11 (elders ter wereld geboren apen) opgevoerde dieren moet nader worden gepreciseerd in kolom 17.
Kolom 4: Het aantal dierproeven
Per record kan een aantal dierproeven met dezelfde identieke codes worden geregistreerd.
Kolom 5: Doel van de proef
Voor de omschrijving van het doel van de dierproef, dienen onderstaande codes gebruikt te worden. De code die het meest van toepassing is dient hiervoor gebruikt te worden. Indien geen van de codes van toepassing is, dient een code Anders/Andere/Overig(e) gekozen te worden in de meest van toepassing zijnde categorie (gekenmerkt met de letters FW, TO, WV/RP, WV/QC, WV/Tox). Bij de keuze voor deze optie dient de daadwerkelijke doelstelling verwoord te worden in een bijlage bij de registratie. Indien sprake is van een doelstelling die herhaald zal worden toegepast, kan de vergunninghouder dit vermelden. De vergunninghouder wordt verzocht hiervoor een code te verstrekken voor algemeen gebruik.
Kolom 6: Specificatie ander doel
Indien vergunninghouders kiezen voor een Andere*/Overige*-doelstelling, dient een omschrijving gegeven te worden van de daadwerkelijke doelstelling. De Minister kan besluiten om voor deze doelstelling een code toe te kennen in deze kolom, welke een volgend registratiejaar beschikbaar komt voor gebruik.
Kolom 7: Wettelijke bepalingen
Hierbij moet worden aangegeven aan welke wetgeving moet worden voldaan, waarbij het ruimst mogelijke harmonisatieniveau in aanmerking wordt genomen. Codes 2 tot en met 4 kunnen alleen gecombineerd worden met doelstellingscodes uit de categorieën WV/RP, WV/QC en WV/Tox.
Kolom 8: Toxiciteitsonderzoek en ander wettelijk voorgeschreven veiligheidsonderzoek
Indien er, mede blijkend uit de beantwoording van kolom 5, sprake is van krachtens wetgeving vereist toxiciteits- en ander veiligheidsonderzoek (categorie met WV/Tox), dient in deze kolom aangegeven te worden welke categorie het meest van toepassing is op grond van het beoogde voornaamste gebruik van de onderzochte stof. Codes 2 tot en met 11 zijn alleen mogelijk in combinatie met WV/Tox-doelstellingen. Bij de keuze voor code 11 dient in kolom 17 de daadwerkelijke toepassing verwoord te worden. Indien sprake is van een toepassing die herhaald vóórkomt, kan de vergunninghouder dit vermelden, met het verzoek hiervoor een code te verstrekken voor algemeen gebruik.
Kolom 9: Bijzondere technieken
Code 2 wordt toegepast wanneer de proef uitsluitend bestaat uit het op de juiste wijze doden van het dier ter verkrijging van biologisch materiaal. Deze techniek kan derhalve alleen maar geregistreerd worden als de code voor anesthesie in kolom 10=1 (niet toegepast), en voor pijnbestrijding in kolom 11=1 (niet toegepast) en de code voor ongerief in kolom 12=1 (licht ongerief) en de code voor de toestand na de proef in kolom 13=1 (dood of gedood tijdens of in het kader van de proef). Anders is er wellicht toch sprake van een voorafgaande handeling.
Kolom 10: Anesthesie
Onder anesthesie wordt verstaan het toepassen van algehele of locale anesthesie. Beide omvatten pijnbestrijding op het moment van de ingreep. Pijnbestrijding die dient ter bestrijding van napijn of langdurige pijn dient geregistreerd te worden in kolom 11.
Code 2 wordt gebruikt indien er wel sprake was van een handeling die op zichzelf pijn of ander ongerief veroorzaakte en waarbij anesthesie geïndiceerd was, maar waarbij anesthesie niet is toegepast omdat dit onverenigbaar was met de proef of praktisch onuitvoerbaar was.
Kolom 11: Pijnbestrijding
Onder pijnbestrijding wordt niet verstaan een sensibel blok op het moment van de ingreep; dit wordt geregistreerd in kolom 10. Alleen pijnbestrijding die dient ter bestrijding van napijn of langdurige pijn moet geregistreerd worden in kolom 11.
Code 2 wordt gebruikt indien er wel sprake was van een handeling die op zichzelf pijn veroorzaakte en waarbij pijnbestrijding geïndiceerd was, maar waarbij geen pijnbestrijding is toegepast omdat dit onverenigbaar was met de proef of praktisch onuitvoerbaar was.
Kolom 12: Mate van ongerief
Indien de proef alleen bestaat uit een handeling waarbij het dier onder algehele anesthesie wordt gehouden en aansluitend (zonder bij te komen) wordt gedood, wordt code 1 gebruikt.
Vermeld in deze kolom het cumulatieve ongerief, rekening houdend met de ernst en de duur van het ongerief, herhaald ongerief binnen de dierproef, en maatregelen ter bestrijding van ongerief. Bij Bijzondere techniek, code 2 (kolom 9, Doden zonder daaraan voorafgaande handeling) dient u in kolom 12 altijd ongeriefcode 2 (licht ongerief) te gebruiken.
Indien de ernst van de procedure die van de categorie "ernstig" overtrof -ongeacht of dit voorafgaand was toegestaan of niet- dient ongeriefcode 5 (ernstig overstijgend ongerief) te worden gekozen. In een toe te voegen bijlage bij de registratie dient, onder verwijzing naar het betreffende recordnummer, aan de CHD van de NVWA gemeld te worden welke omstandigheden hebben geleid tot zeer ernstig ongerief.
Kolom 13: Toestand van het dier na beëindiging van de proef
Dieren die zijn gedood in het kader, tijdens, tengevolge of ter beëindiging van een dierproef worden geregistreerd met code 1. Dit betreft ook dieren die zijn gedood zonder voorafgaande handeling. Hierbij tellen ook de dieren mee die na afloop van de proef pathologisch onderzocht worden.
Kolom 14: Projectvergunning/onderzoeksplan/protocol
Code of nummer van de projectvergunning of studieplan vermelden.
Kolom 15: Specificatie andere diersoort
Van de dieren aangeduid met een* dient de juiste diersoort te worden aangegeven. In deze kolom dient u de Nederlandse en wetenschappelijke naam weer te geven.
Kolom 16: Specificatie andere geboorteplaats apen
Hier dient u aan te geven wat de geboorteplaats is van apen, indien u gekozen heeft voor code 11 in kolom 3 (elders ter wereld geboren apen).
Kolom 17: Specificatie ander Tox-onderzoek
Indien vergunninghouders in kolom 8 kiezen voor code 11, dient een omschrijving gegeven te worden van de daadwerkelijke toepassing van de onderzochte stof. De Minister kan besluiten om voor deze toepassing een code toe te kennen in deze kolom, welke een volgend registratiejaar beschikbaar komt voor algemeen gebruik.
Hier dient u aan te geven wat de geboorteplaats is van apen, indien u gekozen heeft voor code 11 in kolom 3 (elders ter wereld geboren apen).
Kolom 17: Specificatie ander Tox-onderzoek
Op basis van artikel 54 lid 1 van [Richtlijn 2010/63](32010L0063)/EU en de daarmee samenhangende artikelen en Bijlage I van het Uitvoeringsbesluit 2012/707, zullen de vergunninghouders over het verslagjaar 2018 en daarna volgens een vijfjarige cyclus, ofwel -in uitzonderlijke gevallen- over de volledige vijfjarige periode, uitgesplitst per jaar gevraagd worden om nadere gegevens te verstrekken over specifieke gebeurtenissen. Deze informatie zal worden opgevraagd middels een met de vergunninghouders en NC opgesteld Formulier 4.
### Toelichting bij registratieformulier 4
### Vijfjaarlijkse gegevens
Op basis van artikel 54 lid 1 van [Richtlijn 2010/63](32010L0063)/EU en de daarmee samenhangende artikelen en Bijlage I van het Uitvoeringsbesluit 2012/707, zullen de vergunninghouders over het verslagjaar 2018 en daarna volgens een vijfjarige cyclus, ofwel -in uitzonderlijke gevallen- over de volledige vijfjarige periode, uitgesplitst per jaar gevraagd worden om nadere gegevens te verstrekken over specifieke gebeurtenissen. Deze informatie zal worden opgevraagd middels een met de vergunninghouders en NC opgesteld Formulier 4.
De specifieke proefdierkundige leerdoelen van het opleidingstraject zijn dat de student na het succesvol afsluiten van het traject:
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
**Administratieve gegevens**
Projectvoorstel dierproeven
Beschrijving dierproeven
## Bijlage 6. behorende bij [artikel 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035873&paragraaf=4&artikel=5&z=2021-01-01&g=2021-01-01) van de Dierproevenregeling 2014
### Opleidingseisen met betrekking tot de persoon die het project en de dierproef opzet
De cursus proefdierkunde bedoeld in [artikel 2, eerste lid, van het Dierproevenbesluit 2014](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035866&artikel=2), voor de persoon die het project en de dierproef opzet als bedoeld in [artikel 9 van de Wet op de dierproeven](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003081&artikel=9), voldoet aan de volgende minimumeisen:
## Bijlage 7. behorend bij [artikel 8, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035873&paragraaf=6&artikel=8&z=2017-01-01&g=2017-01-01), van de Dierproevenregeling 2014
### Toelichting bij de registratie proefdieren en dierproeven
### Algemeen
De Registratie van dierproeven en proefdieren berust op [artikel 8, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035873&paragraaf=6&artikel=8&z=2017-01-01&g=2017-01-01), van de Dierproevenregeling 2014 en het uitvoeringsbesluit 2012/707/EU bij de [Richtlijn 2010/63](32010L0063)/EU. Aan de Registratie dient te worden deelgenomen door allen die krachtens [artikel 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003081&artikel=2), en [artikel 11a van de Wet op de dierproeven](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003081&artikel=11a) (verder: Wod) een instellingsvergunning tot het verrichten van dierproeven en/of voor het fokken en afleveren van proefdieren bezitten (verder: vergunninghouder).
De Registratie van dierproeven en proefdieren berust op [artikel 8, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035873&paragraaf=6&artikel=8&z=2021-01-01&g=2021-01-01), van de Dierproevenregeling 2014 en het uitvoeringsbesluit 2012/707/EU bij de [Richtlijn 2010/63](32010L0063)/EU. Aan de Registratie dient te worden deelgenomen door allen die krachtens [artikel 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003081&artikel=2), en [artikel 11a van de Wet op de dierproeven](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003081&artikel=11a) (verder: Wod) een instellingsvergunning tot het verrichten van dierproeven en/of voor het fokken en afleveren van proefdieren bezitten (verder: vergunninghouder).
De Registratie omvat vier onderdelen.
De gegevens dienen op afzonderlijke toegezonden digitale formulieren (registratieformulieren 1, 2 en 3) te worden ingevuld. De formulieren worden jaarlijks aan de vergunninghouders toegezonden. De vragen over de dierproeven zijn zodanig opgesteld dat de antwoorden softwarematig kunnen worden verwerkt. Deze antwoorden dienen met behulp van de daarvoor aangegeven codenummers te worden geplaatst in een speciaal daarvoor ingericht formulier. Bij de invulling van het formulier dient u ervoor zorg te dragen dat de integriteit van het formulier behouden blijft, zodat het geschikt blijft voor softwarematige verwerking. Bij het plakken van gegevens uit een ander softwaredocument, dient u ervoor te zorgen dat de opmaak van het invulformulier behouden blijft.
De gevraagde gegevens dienen door of namens de vergunninghouder te worden verstrekt.
De ingevulde registratieformulieren worden na afloop van het registratiejaar, maar vóór 15 maart van het daarop volgende jaar, door de vergunninghouder als één geheel digitaal toegezonden aan de Centrale Handhaving Dierproeven van de NVWA (chd@nvwa.nl).
NVWA, Centrale Handhaving Dierproeven
Postbus 43006
3540 AA UTRECHT
Publicatie van registratiegegevens zal zodanig geschieden dat de herkomst van de informatie niet door derden kan worden vastgesteld.
### Toelichting registratieformulier 1
### Gegevens over de vergunninghouders
Registratieformulier 1 bevat informatie ten aanzien van de vergunninghouder, waaronder het adres van de vergunninghouder en indien van toepassing de locaties waar proefdieren elders (buiten de instelling) dan op het in het formulier aangegeven adres waren gehuisvest.
Middels ondertekening van registratieformulier 1 verklaart de vergunninghouder dat de registratieformulieren 1 tot en met 3 correct en conform de feitelijke omstandigheden waaronder de proefdieren zijn gehouden (registratieformulier 2) en de dierproeven zijn uitgevoerd (registratieformulier 3) zijn ingevuld.
Ondertekening dient in het geval van een vergunninghoudende natuurlijk persoon te geschieden door de vergunninghouder en in het geval van een rechtspersoon door een tekenbevoegd persoon namens de vergunninghouder.
@@ -362,150 +580,409 @@
### Totaaljaarstaat aan- en afvoer dieren
Deze formulieren bevatten per diersoort informatie over de herkomst en bestemming van alle binnen de vergunninghouder in de loop van het verslagjaar aanwezige proefdieren.
Genetisch gemodificeerde dieren en dieren uit de wilde fauna dienen geregistreerd te worden in respectievelijk formulieren 2b en 2c; alle overige dieren moeten worden geregistreerd in formulier 2a.
Kolom 1: Diersoort
De diersoorten, in kolom 1, dienen weergegeven te worden in de bij deze kolom beschikbaar gestelde codes. In de daaropvolgende kolommen dienen steeds de aantallen dieren gegeven te worden die voldoen aan de beschrijving van de betreffende kolom.
Kolom 2: Aanwezig op 1 januari van het registratiejaar.
Kolom 3: Eigen fok binnen de instelling. Zoogdieren tellen mee zodra ze zijn gespeend en tevens wanneer ze na hun geboorte, maar vóór het spenen, in proef zijn genomen. Vogels tellen zodra het ei is verlaten. Reptielen, amfibieën en vissen: volwassen dieren tellen mee en tevens, indien deze in proef zijn genomen: larvale vormen vanaf het moment waarop zij in staat zijn zich autonoom te voeden. Kolom 3 is niet van toepassing voor formulier 2c.
Kolom 4: Verkregen van geregistreerde vergunninghoudende fok- of afleveringsbedrijf/bedrijven van proefdieren in de Europese Unie (EU), inclusief Nederland. Kolom 4 is niet van toepassing voor formulier 2c.
Kolom 5*: Verkregen van een niet-geregistreerde instelling(en) in de Europese Unie (inclusief Nederland). Kolom 5 is niet van toepassing voor formulier 2c.
Kolom 6*: Verkregen van een instelling uit de rest van Europa. Kolom 6 is niet van toepassing voor formulier 2c.
Kolom 7*: Andere herkomst: in tabel 2c moet in deze kolom het aantal in het wild geboren dieren worden ingevuld.
Kolom 8: Dood of gedood voor gebruik in proef of fok, bijvoorbeeld wegens ongeschiktheid (genotype, geslacht, gewicht, ziekte, e.d.) of overtolligheid.
Kolom 9: Dood of gedood na gebruik in fok.
Kolom 10: Dood of gedood tijdens of in het kader van de proef.
Kolom 11: Dood of gedood na gebruik in proef.
Kolom 12: Levend afgevoerd naar een andere geregistreerde vergunninghouder binnen de EU, inclusief Nederland.
Kolom 13: Levende dieren terug naar eigenaar, vrijgelaten of geadopteerd. NB. Geadopteerde dieren moeten worden gespecificeerd in kolom 17.
Kolom 14: Levend afgevoerde dieren naar overige bestemming.
Kolom 15: Aantal dieren aanwezig op 31 december van het registratiejaar.
Kolom 16: Specificatie diersoorten.
Kolom 17: Specificatie aantal vrijgelaten of geadopteerde dieren.
Het totaal van de kolommen 2 tot en met 7 dient gelijk te zijn aan het totaal van de kolommen 8 tot en met 15. Bij de jaarlijkse registratie dient het aantal dieren aanwezig op 1 januari gelijk te zijn aan het aantal dieren dat aanwezig was op 31 december van het voorgaande registratiejaar.
### Toelichting registratieformulier 3
### Gegevens over dierproeven
De gegevens over een dierproeven dienen slechts éénmaal, en wel aan het eind van de dierproef, in codenummers te worden vastgelegd. Het gaat hier derhalve om dierproeven welke in het registratiejaar zijn beëindigd, ongeacht de duur van de proef.
De aspecten van een dierproef die vermeld dienen te worden, moeten worden weergegeven met behulp van, de per vraag (kolom) voorgeschreven, codes. Per dier dient één rij (record) te worden gebruikt. Indien alle kolommen identieke codes bevatten. mogen gegevens van dieren gecombineerd worden in één record, Zodra één code verschilt, dienen de gegevens gesplitst te worden en dient een nieuwe record ingevuld te worden.
Kolom 1: Bijzonderheid dier
Dieren die niet voldoen aan de omschrijvingen bij codes 2 tot en met 9 worden geregistreerd met code 1.
Indien de dierproef is verricht met een dier dat drager is van een genetische modificatie is code 2 van toepassing, tenzij sprake is van een pathologisch fenotype dan is code 3 van toepassing.
Niet-genetisch gemodificeerde dieren benodigd voor het vervaardigen van een genetisch gemodificeerd dier, zoals eiceldonoren, gevasectomeerde dieren en ontvangerdieren (draagmoeders) dienen met code 1 worden geregistreerd. In dat geval dient bovendien in kolom 9 het codenummer 3 worden ingevuld, dat staat voor het vervaardigen van een nieuwe genetisch gemodificeerde lijn.
Voor dieren die uit de wilde fauna zijn verworven en waarop dierproeven bij de vergunninghouder zijn uitgevoerd is code 4 van toepassing.
Dierproeven met dieren in het vrije veld (biotoop) worden geregistreerd met een code 5. Het betreft hier veldbiologisch onderzoek waarbij het dier niet in een instelling komt.
Apen worden niet geregistreerd met codes 1 tot en met 5.
Kolom 2: Diersoort
Voor de te gebruiken codes zie de toelichting bij kolom 1 van registratieformulier 2. Diersoorten met een sterretje (*) moeten nader gespecificeerd worden in kolom 15 van registratieformulier 3.
Kolom 3: Herkomst dieren (geboorteplaats) en hergebruik
Gebruik van eenzelfde dier wordt als hergebruik beschouwd indien tussen de betrokken proeven geen verband bestaat of indien even goed een ander dier gebruikt kan worden. Hergebruik is op alle diersoorten van toepassing; indien sprake is van tweede of vaker gebruik van eenzelfde dier conform de definitie van hergebruik, wordt code 1 ingevuld en hoeft de geboorteplaats niet geregistreerd te worden. Voor het uniform registreren van hergebruik van dieren voor dierproeven in het onderwijs, waarbij aan de dieren geen onherstelbare schade is berokkend, wordt gesteld dat het aantal handelingen met een dier per cursus/practicum als één dierproef wordt geregistreerd. Als een dier voor meerdere practica per jaar wordt ingezet wordt dat als hergebruik geteld.
Bij de codes 2 tot en met 11 dient de geboorteplaats van het dier weergegeven te worden. Code 2 tot en met 5 zijn niet van toepassing op niet-menselijke primaten (apen); codes 6 tot en met 11 zijn uitsluitend van toepassing op apen. De geboorteplaats van de onder code 11 (elders ter wereld geboren apen) opgevoerde dieren moet nader worden gepreciseerd in kolom 17.
Kolom 4: Het aantal dierproeven
Per record kan een aantal dierproeven met dezelfde identieke codes worden geregistreerd.
Kolom 5: Doel van de proef
Voor de omschrijving van het doel van de dierproef, dienen onderstaande codes gebruikt te worden. De code die het meest van toepassing is dient hiervoor gebruikt te worden. Indien geen van de codes van toepassing is, dient een code Anders/Andere/Overig(e) gekozen te worden in de meest van toepassing zijnde categorie (gekenmerkt met de letters FW, TO, WV/RP, WV/QC, WV/Tox). Bij de keuze voor deze optie dient de daadwerkelijke doelstelling verwoord te worden in een bijlage bij de registratie. Indien sprake is van een doelstelling die herhaald zal worden toegepast, kan de vergunninghouder dit vermelden. De vergunninghouder wordt verzocht hiervoor een code te verstrekken voor algemeen gebruik.
Kolom 6: Specificatie ander doel
Indien vergunninghouders kiezen voor een Andere*/Overige*-doelstelling, dient een omschrijving gegeven te worden van de daadwerkelijke doelstelling. De Minister kan besluiten om voor deze doelstelling een code toe te kennen in deze kolom, welke een volgend registratiejaar beschikbaar komt voor gebruik.
Kolom 7: Wettelijke bepalingen
Hierbij moet worden aangegeven aan welke wetgeving moet worden voldaan, waarbij het ruimst mogelijke harmonisatieniveau in aanmerking wordt genomen. Codes 2 tot en met 4 kunnen alleen gecombineerd worden met doelstellingscodes uit de categorieën WV/RP, WV/QC en WV/Tox.
Kolom 8: Toxiciteitsonderzoek en ander wettelijk voorgeschreven veiligheidsonderzoek
Indien er, mede blijkend uit de beantwoording van kolom 5, sprake is van krachtens wetgeving vereist toxiciteits- en ander veiligheidsonderzoek (categorie met WV/Tox), dient in deze kolom aangegeven te worden welke categorie het meest van toepassing is op grond van het beoogde voornaamste gebruik van de onderzochte stof. Codes 2 tot en met 11 zijn alleen mogelijk in combinatie met WV/Tox-doelstellingen. Bij de keuze voor code 11 dient in kolom 17 de daadwerkelijke toepassing verwoord te worden. Indien sprake is van een toepassing die herhaald vóórkomt, kan de vergunninghouder dit vermelden, met het verzoek hiervoor een code te verstrekken voor algemeen gebruik.
Kolom 9: Bijzondere technieken
Code 2 wordt toegepast wanneer de proef uitsluitend bestaat uit het op de juiste wijze doden van het dier ter verkrijging van biologisch materiaal. Deze techniek kan derhalve alleen maar geregistreerd worden als de code voor anesthesie in kolom 10=1 (niet toegepast), en voor pijnbestrijding in kolom 11=1 (niet toegepast) en de code voor ongerief in kolom 12=1 (licht ongerief) en de code voor de toestand na de proef in kolom 13=1 (dood of gedood tijdens of in het kader van de proef). Anders is er wellicht toch sprake van een voorafgaande handeling.
Kolom 10: Anesthesie
Onder anesthesie wordt verstaan het toepassen van algehele of locale anesthesie. Beide omvatten pijnbestrijding op het moment van de ingreep. Pijnbestrijding die dient ter bestrijding van napijn of langdurige pijn dient geregistreerd te worden in kolom 11.
Code 2 wordt gebruikt indien er wel sprake was van een handeling die op zichzelf pijn of ander ongerief veroorzaakte en waarbij anesthesie geïndiceerd was, maar waarbij anesthesie niet is toegepast omdat dit onverenigbaar was met de proef of praktisch onuitvoerbaar was.
Kolom 11: Pijnbestrijding
Onder pijnbestrijding wordt niet verstaan een sensibel blok op het moment van de ingreep; dit wordt geregistreerd in kolom 10. Alleen pijnbestrijding die dient ter bestrijding van napijn of langdurige pijn moet geregistreerd worden in kolom 11.
Code 2 wordt gebruikt indien er wel sprake was van een handeling die op zichzelf pijn veroorzaakte en waarbij pijnbestrijding geïndiceerd was, maar waarbij geen pijnbestrijding is toegepast omdat dit onverenigbaar was met de proef of praktisch onuitvoerbaar was.
Kolom 12: Mate van ongerief
Indien de proef alleen bestaat uit een handeling waarbij het dier onder algehele anesthesie wordt gehouden en aansluitend (zonder bij te komen) wordt gedood, wordt code 1 gebruikt.
Vermeld in deze kolom het cumulatieve ongerief, rekening houdend met de ernst en de duur van het ongerief, herhaald ongerief binnen de dierproef, en maatregelen ter bestrijding van ongerief. Bij Bijzondere techniek, code 2 (kolom 9, Doden zonder daaraan voorafgaande handeling) dient u in kolom 12 altijd ongeriefcode 2 (licht ongerief) te gebruiken.
Indien de ernst van de procedure die van de categorie "ernstig" overtrof -ongeacht of dit voorafgaand was toegestaan of niet- dient ongeriefcode 5 (ernstig overstijgend ongerief) te worden gekozen. In een toe te voegen bijlage bij de registratie dient, onder verwijzing naar het betreffende recordnummer, aan de CHD van de NVWA gemeld te worden welke omstandigheden hebben geleid tot zeer ernstig ongerief.
Kolom 13: Toestand van het dier na beëindiging van de proef
Dieren die zijn gedood in het kader, tijdens, tengevolge of ter beëindiging van een dierproef worden geregistreerd met code 1. Dit betreft ook dieren die zijn gedood zonder voorafgaande handeling. Hierbij tellen ook de dieren mee die na afloop van de proef pathologisch onderzocht worden.
Kolom 14: Projectvergunning/onderzoeksplan/protocol
Code of nummer van de projectvergunning of studieplan vermelden.
Kolom 15: Specificatie andere diersoort
Van de dieren aangeduid met een* dient de juiste diersoort te worden aangegeven. In deze kolom dient u de Nederlandse en wetenschappelijke naam weer te geven.
Kolom 16: Specificatie andere geboorteplaats apen
Hier dient u aan te geven wat de geboorteplaats is van apen, indien u gekozen heeft voor code 11 in kolom 3 (elders ter wereld geboren apen).
Kolom 17: Specificatie ander Tox-onderzoek
Indien vergunninghouders in kolom 8 kiezen voor code 11, dient een omschrijving gegeven te worden van de daadwerkelijke toepassing van de onderzochte stof. De Minister kan besluiten om voor deze toepassing een code toe te kennen in deze kolom, welke een volgend registratiejaar beschikbaar komt voor algemeen gebruik.
### Toelichting bij registratieformulier 4
### Vijfjaarlijkse gegevens
Op basis van artikel 54 lid 1 van [Richtlijn 2010/63](32010L0063)/EU en de daarmee samenhangende artikelen en Bijlage I van het Uitvoeringsbesluit 2012/707, zullen de vergunninghouders over het verslagjaar 2018 en daarna volgens een vijfjarige cyclus, ofwel -in uitzonderlijke gevallen- over de volledige vijfjarige periode, uitgesplitst per jaar gevraagd worden om nadere gegevens te verstrekken over specifieke gebeurtenissen. Deze informatie zal worden opgevraagd middels een met de vergunninghouders en NC opgesteld Formulier 4.
Dit heeft betrekking op het nemen van weefselmonsters van genetisch gewijzigde dieren (artikelen 4, 30 en 38 van [Richtlijn 2010/63](32010L0063)/EU), representatieve gegevens over de benaderde aantallen, diersoorten, types methoden en de daarmee samenhangende ernst van de ingrepen voor het nemen van weefselmonsters ter genetische karakterisering, uitgevoerd met of zonder projectvergunning.
## Bijlage 8. als bedoeld in [artikel 6, eerste lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035873&paragraaf=4&artikel=6&z=2021-01-01&g=2021-01-01)
De specifieke proefdierkundige leerdoelen van het opleidingstraject zijn dat de student na het succesvol afsluiten van het traject:
- −. De juiste attitude bezit om ethisch verantwoord proefdierkundig werk te kunnen uitvoeren.
- −. Kennis heeft van de setting (motivatie keuze diermodel, relevantie onderzoek, wettelijk kader) waarin dierexperimenten plaatsvinden.
- −. Kennis heeft van, en inzicht heeft in de anatomie/fysiologie, gezondheid en welzijn, gedrag en voedingsbehoefte van relevante diersoorten dat bijdraagt aan verantwoord diergebruik.
- −. Basisvaardigheden bezit om zich later in het werkveld snel vaardigheden als proefdierverzorger eigen te kunnen maken.
Uitgangspunten bij deze opleidingseisen zijn:
- −. het welzijn van proefdieren centraal stellen, zoals dat in Nederland gebruikelijk is;
- −. de [Wet op de dierproeven](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003081);
- −. de vergelijkbaarheid van opleidingseisen tussen EU-landen, daarom is er aangesloten bij de ‘Richtsnoeren’.
- −. de wettelijk vastgestelde kaders t.a.v. de organisatie binnen het Hoger Onderwijs
Aan de volgende aspecten dient voldaan te zijn:
- 1). HBO-niveau met voldoende biologische basiskennis.
- 2). Het programma voor het geheel aan specifieke proefdierkundige theorie en praktijktrainingen op het opleidingsinstituut.
- 3). Specifieke proefdierkundige eisen aan stage/afstudeeropdracht (cq.praktijkervaringsperiode).
Ad 2: Specifieke theorie en praktijktrainingen op het opleidingsinstituut
De theorie en praktijktrainingen op het opleidingsinstituut kunnen worden onderscheiden in basis- en diersoortspecifieke modulen (tabel 1).
- –. De diersoortspecifieke modulen richten zich op diersoorten gebruikt in biomedisch onderzoek of op andere diersoorten die relevant zijn voor het werkveld na de opleiding. Studenten die tijdens hun studie weten dat ze met andere diersoorten willen werken, kunnen, indien die mogelijkheid bij een opleidingsinstituut aanwezig is, modulen met betrekking tot andere diersoorten volgen.
- –. De opleidingsinstituten bepalen zelf hoe zij de modulen inbedden in het onderwijs.
| Nummer1 | Basismodulen theorie |
| --- | --- |
| 1 | Wetgeving |
| 2 | Ethiek, dierenwelzijn en de 3 V’s - niveau 1 |
| 3.1 | Basis en relevante biologische kennis |
| 4 | Verzorging, gezondheid en behandeling van dieren |
| 5 | Herkennen van pijn, lijden en angst |
| 6.1 | Manieren van humaan doden |
| 7 | Eenvoudige (non-)invasieve procedures zonder verdoving |
| 10 | Opzetten van procedures en projecten |
| | |
| | **Diersoortspecifieke modulen theorie** |
| 3.2 | Basis en relevante biologische kennis |
| | |
| | **Diersoortspecifieke modulen praktijk** |
| 3.2 | Basis en relevante biologische kennis |
| 6.2 | Manieren van humaan doden |
| 8 | Eenvoudige (non-)invasieve procedures zonder verdoving |
1 De nummers zijn gebaseerd op het consensus document ‘Education and training’
http://ec.europa.eu/environment/chemicals/lab_animals/interpretation_en.htm
- −. De omschrijving van de modulen met de bijbehorende leerdoelen is opgenomen in onderdeel B. Modulebeschrijving en leerdoelen.
- −. De relevantie en toepassing van verschillende modulen en leerdoelen kunnen per diersoort verschillen. Opleidingsinstituten kunnen diersoortspecifieke accenten en toepassingen aanbrengen.
- −. De keuze van de diersoort voor het oefenen van praktische vaardigheden wordt door het opleidingsinstituut bepaald.
- −. De aan te leren technieken dienen zodanig beheerst te worden dat ze een basis vormen waarop in de beroepspraktijk voortgebouwd kan worden om snel en verantwoord eenvoudige procedures op dieren uit te kunnen voeren. De minimale eisen met betrekking tot het praktisch onderwijs zijn het aanleren van:
- −. twee verschillende injectietechnieken op een levend wakker dier;
- −. een bloedafnametechniek;
- −. een manier van doden;
- −. Naast het aanleren van praktische vaardigheden is het vormen van een juiste attitude een belangrijk leerdoel.
- −. Of de student qua omvang van werkzaamheden en qua inhoud aan voornoemde eisen voldoet is ter beoordeling van het opleidingsinstituut in overleg met de begeleider vanuit de onderzoeksinstelling.
- −. De wijze waarop dit wordt geregistreerd is middels een aftekenlijst voor de specifieke handelingen en een verslag over de proefdierkundige werkzaamheden.
- −. Het gehele opleidingstraject leidt op tot een beginnende beroepsuitoefenaar. Bekwaamheid voor een bepaalde handeling wordt pas bereikt als de student blijk heeft gegeven een bepaalde handeling bij een bepaalde diersoort echt te beheersen.
- −. Indien een stageverlenende instelling van mening is dat een student een bepaalde bekwaamheid tijdens de stageperiode heeft bereikt, dan kan een bewijs daarvan door de stageverlenende instelling worden afgegeven.
- a. De minister wijst opleidingen aan die voldoen aan de vastgestelde, en door de NVAO geaccrediteerde, eisen. Indien de student een getuigschrift en/of verklaring heeft zoals bedoeld in [artikel 7.11 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.11), waaruit blijkt dat voldaan is aan de opleidingseisen voor een proefdierverzorger, dan is de student bevoegd proefdierverzorger.
- b. Personen die een andere Bachelor-opleiding dan bedoeld bij IIIa hebben afgerond, kunnen door het volgen van het curriculum voor proefdierverzorger op HBO-niveau aan de eisen voldoen.
- c. Studenten van andere Bachelor-opleidingen als bedoeld onder IIIa maar wel voldoen aan de instroomeisen, kunnen tijdens hun opleiding als minor het curriculum voor proefdierverzorger op HBO-niveau volgen indien dat bij een opleidingsinstituut mogelijk is.
De examencommissie van de opleiding/onderwijsinstelling verklaart dat een student heeft voldaan aan de opleidingseisen.
De (eind)verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van de opleiding en de toetsing ligt altijd bij het opleidingsinstituut (de Hogeschool).
- −. Vanuit het opleidingsinstituut zal een persoon worden aangewezen (schoolpraktijkbegeleider) die de vorderingen van de student volgt en voor de uiteindelijke beoordeling verantwoordelijk is. Deze schoolbegeleider zal voor de praktische uitvoering samenwerking zoeken en werkafspraken maken met een begeleider binnen de stageverlenende instelling.
- −. Vanuit de stageverlenende instelling zal een deskundige begeleider worden aangesteld. Voor de begeleiding van het proefdierkundig handelen van de student wordt een qua proefdierkundig handelen bekwame begeleider aangesteld.
**Functie: het verzorgen van proefdieren (proefdierverzorger)**
**Basis- en diersoortspecifieke theorie modules**
Deze module biedt relevante inzichten in de nationale en Europese wet- en regelgeving waarbinnen projecten worden opgezet en uitgevoerd.
Het biedt ook inzichten in de wettelijke verantwoordelijkheden van de betrokken personen, d.w.z. degenen die procedures uitvoeren op dieren; procedures en projecten opzetten; dieren verzorgen; of dieren doden, waarbij ook andere relevante wetgeving aan de orde kan komen.
Studenten:
- 1.1. Hebben kennis van de nationale en Europese wetgeving en leidraden inzake het gebruik van dieren in onderzoek en onderwijs.
- 1.2. Hebben kennis van daaraan gerelateerde wetgeving inzake dierenwelzijn.
- 1.3. Kunnen het vergunningstelsel, registratieplicht en de deskundigheid, taken en verantwoordelijkheden van de betrokken personen (art. 24, 25, 26 van [richtlijn 2010/63](32010L0063)/EU1PbEU, L 276) beschrijven.
- 1.4. Weten waar informatie en ondersteuning verkrijgbaar zijn (inzake nationale wetgeving).
- 1.5. Hebben kennis van de taken en verantwoordelijkheden van de lokale Instanties voor dierenwelzijn, Dierexperimentencommissies, Centrale commissie dierproeven en het Nationaal comité voor de bescherming van dieren.
- 1.6. Kunnen aangeven of een bepaalde procedure, bij een bepaalde diersoort, een dierproef is.
Deze module biedt een leidraad en geeft informatie om personen die procedures op dieren uitvoeren in staat te stellen ethische en welzijnskwesties in kaart te brengen, inzichtelijk te maken en er op passende wijze op te reageren. Het gaat hierbij om kwesties die zich voordoen bij het gebruik van dieren voor wetenschappelijke procedures in het algemeen en in het bijzonder binnen het eigen werkprogramma. Hieronder valt ook een goede afweging tussen het belang van de procedures en het verwachte ongerief aan het proefdier. De module geeft informatie om studenten inzicht te geven in de uitgangspunten van de drie V’s en hen in staat te stellen deze toe te passen.
Studenten:
- 2.1.1. Hebben kennis van de verschillende opvattingen die in de maatschappij leven ten aanzien van het wetenschappelijke gebruik van dieren en zijn zich bewust van de noodzaak die te respecteren.
- 2.1.2. Kunnen ethische kwesties en kwesties op het gebied van dierenwelzijn in het eigen werk in kaart brengen, zijn zich bewust van de gevolgen van het eigen handelen en kunnen op basis daarvan inbreng hebben in het maken van een ethische afweging.
- 2.1.3. Kunnen beschrijven hoe de wet gebaseerd is op een ethisch kader waarbinnen 1) de voor- en nadelen van projecten moeten worden afgewogen (de evaluatie van voor-/nadelen), 2) de drie V’s moeten worden toegepast om de nadelen tot een minimum te beperken en de voordelen te maximaliseren en 3) goede praktijken op het vlak van dierenwelzijn moeten worden bevorderd.
- 2.1.4. Kunnen het belang van de drie V’s beschrijven en bespreken, als leidend beginsel voor het gebruik van dieren in wetenschappelijke procedures.
- 2.1.5. Kunnen de vijf vrijheden, en de wijze waarop die op proefdieren van toepassing zijn, toelichten.
- 2.1.6. Hebben kennis van het begrip ongerief, kunnen de indeling beschrijven en aangeven hoe in een bepaalde situatie lijden vermijdbaar is.
- 2.1.7. Hebben kennis van de regelgeving inzake hergebruik van dieren.
- 2.1.8. Hebben kennis van het belang van goed dierenwelzijn, met inbegrip van het effect op wetenschappelijke resultaten en de (onderliggende) maatschappelijke en morele gronden.
- 2.1.9. Hebben kennis van de relevante informatiebronnen (zoekmachines en zoekmethoden) met betrekking tot ethiek, dierenwelzijn en de implementatie van de drie V’s.
Deze module geeft een inleiding in de basisprincipes van diergedrag, verzorging, biologie en dierhouderij. De module bevat informatie over anatomie en fysiologische kenmerken, inclusief voortplanting en gedrag, en routinematige praktijken op het gebied van dierhouderij en omgevingsverrijking.
De diersoortspecifieke module bevat aanvullende informatie betreffende de diersoort die ingezet wordt bij een bepaalde procedure.
Studenten:
- 3.1.1. Kunnen de basis en relevante anatomie, fysiologie, voorplanting en het gedrag van de betreffende diersoorten beschrijven.
- 3.1.2. Herkennen en kunnen beschrijven welke omstandigheden en handelingen lijden kunnen veroorzaken, met inbegrip van aankoop, vervoer, huisvesting, houderij, behandeling en procedure (op basisniveau).
- 3.1.3. Begrijpen dat goed welzijn bevorderlijk kan zijn voor goede wetenschap: bijv. uitleggen hoe het niet voldoen aan biologische en ethologische behoeften van invloed kan zijn op de resultaten van procedures.
- 3.1.4. Begrijpen hoe houderij en verzorging van invloed kunnen zijn op de resultaten van experimenten en het aantal benodigde dieren.
- 3.1.5. Kunnen de voedingsbehoefte (inclusief tijdens groei, dracht en lactatie) van de betreffende diersoort beschrijven en uitleggen hoe daaraan kan worden voldaan.
- 3.1.6. Hebben kennis van het belang van een verrijkte huisvesting (geschikt voor zowel de diersoort als de wetenschap), met inbegrip van groepsverblijven en mogelijkheden om te bewegen, rusten, slapen en fourageren.
- 3.1.7. Begrijpen, indien relevant voor de diersoort, dat er verschillende rassen zijn met mogelijk verschillende eigenschappen die van invloed kunnen zijn op het dierenwelzijn en de wetenschap.
- 3.1.8. Begrijpen, indien relevant voor de diersoort, dat wijzigingen van het genoom op onverwachte en subtiele wijze van invloed kunnen zijn op het fenotype en erkennen het belang van een zeer zorgvuldige monitoring van de betrokken dieren.
Deze module geeft informatie over verschillende aspecten van de gezondheid, verzorging en behandeling van dieren, met inbegrip van houderijpraktijken, voeding, gezondheid, ziekte en het monitoren van de leefomgeving. De module bevat ook relevante leerdoelen die verband houden met de humane gezondheid en zoönoses.
De diersoortspecifieke module bevat aanvullende informatie betreffende de diersoort die ingezet wordt bij een bepaalde procedure.
Studenten kunnen:
- 4.1. Geschikte routines en houderijpraktijken beschrijven voor het houden, verzorgen en het welzijn van een aantal voor onderzoek gebruikte dieren.
- 4.2. Passende omgevings- en verblijfsomstandigheden voor proefdieren beschrijven, rekening houdend met wet- en regelgeving, welzijn en experiment en weten hoe dit gemonitord dient te worden.
- 4.3. Uitleggen wat de gevolgen zijn van veranderingen of verstoringen van het circadiane ritme of de fotoperiodiciteit op dieren en experiment.
- 4.4. Het effect van acclimatisatie, gewenning en training op welzijn en experiment uitleggen.
- 4.5. De verschillende microbiologische kwaliteiten (conventioneel, SPF, gnotobiont, kiemvrij) van proefdieren uitleggen.
- 4.6. De microbiologische kwaliteit van dieren handhaven en uitleggen hoe procedures en barrieres bijdragen aan microbiologische standaardisatie en veiligheid.
- 4.7. De voor- en nadelen van ad libitum voeren opnoemen en voersamenstelling en verstrekkingsvormen in relatie tot dierenwelzijn en experiment uitleggen, inclusief het kopen en opslag.
- 4.8. Aangeven hoe je een dier van een betreffende diersoort op een veilige en humane wijze moet vangen, hanteren, fixeren, merken en seksen.
- 4.9. Relevante begrippen, zoals Whitten- en Bruce-effect, monogame/polygame fok en cryopreservatie, met betrekking tot fok beschrijven.
- 4.10. De verschillende genetische kwaliteiten, zoals inbred, outbred, KO en genetisch gemodificeerd, van stammen beschrijven en aangeven welke kwaliteit voor welk type onderzoek ingezet kan worden.
- 4.11. De juiste procedures noemen om de gezondheid, het welzijn en de verzorging van de dieren tijdens hun vervoer te garanderen.
- 4.12. Mogelijke risico’s voor de menselijke gezondheid noemen in het contact met proefdieren (met inbegrip van allergieën, letsel, infecties en zoönoses) en hoe die voorkomen kunnen worden.
Deze module bereidt de studenten voor op het kunnen vaststellen van de normale conditie en het normale gedrag van proefdieren en stelt hen in staat een dier te herkennen dat tekenen vertoont van pijn, lijden of angst, die een gevolg zouden kunnen zijn van factoren zoals de omgeving, de houderij of procedures. Ook geeft de module informatie over indelingen naar ongerief, gecumuleerd ongerief en het gebruik van humane eindpunten.
De diersoortspecifieke module bevat aanvullende informatie betreffende de diersoort die ingezet wordt bij een bepaalde procedure.
Studenten kunnen:
- 5.1. Normaal of wenselijk gedrag en uiterlijk van individuele dieren herkennen, binnen de context van de diersoort, de omgeving en de fysiologische toestand.
- 5.2. Tekenen van zowel welzijn herkennen als van abnormaal gedrag, ongemak, pijn, lijden of angst en weten hoe het dier pijn, lijden en angst kan beheersen (coping styles).
- 5.3. Welzijn bewaken volgens Code of practice, welzijnsdagboek bijhouden, gegevens evalueren en adequaat hierop reageren.
- 5.4. Beschrijven wat een humaan eindpunt is. Criteria in kaart brengen die gehanteerd moeten worden om een humaan eindpunt vast te stellen. Vaststellen welke acties moeten worden genomen bij het bereiken van een humaan eindpunt (op eerder eindpunt stoppen, op humane wijze doden of uit onderzoek halen om door dierenarts te worden behandeld).
- 5.5. De indelingen naar ongerief in de Richtlijn beschrijven en voorbeelden geven van elke categorie; uitleggen wat gecumuleerde ongerief is en het mogelijke effect daarvan op de indeling naar ongerief kennen.
- 5.6. De omstandigheden beschrijven waarin anesthesie of analgesie nodig kunnen zijn om pijn, lijden, angst of blijvende schade tot een minimum te beperken.
Deze module geeft informatie over de uitgangspunten van humaan doden en over de noodzaak dat er te allen tijde iemand beschikbaar is die een dier humaan kan doden. De module bevat informatie over en beschrijvingen van de verschillende beschikbare methodes, gegevens van de diersoorten waarvoor deze methodes geschikt zijn en informatie om de studenten te helpen de toegestane methodes te vergelijken en te bepalen hoe ze de meest geschikte methode kunnen selecteren.
Studenten kunnen:
- 6.1.1. De uitgangspunten van humaan doden beschrijven (bijv. wat houdt ‘een goede dood’ in).
- 6.1.2. De verschillende methodes beschrijven waarmee de desbetreffende dieren gedood mogen worden, de mogelijke invloed van de verschillende methodes op de wetenschappelijke resultaten, en hoe de meest geschikte methode kan worden gekozen.
- 6.1.3. Uitleggen waarom er altijd iemand beschikbaar moet zijn die bevoegd is dieren te doden (of het nu gaat om verzorgend personeel of iemand die procedures verricht).
Deze module geeft een inleiding in de theorie over eenvoudige procedures. De module geeft informatie over passende methodes van hanteren en fixeren en beschrijft geschikte technieken voor het injecteren, doseren en monsters nemen, en over waar actuele informatie hierover gevonden kan worden.
De diersoortspecifieke module bevat aanvullende informatie betreffende de diersoort die ingezet wordt bij een bepaalde procedure.
Studenten kunnen:
- 7.1. Passende methodes en principes beschrijven die moeten worden gehanteerd bij het behandelen van dieren (inclusief methodes om dieren te fixeren met de hand en met het gebruik van restrainers).
- 7.2. De biologische impact van procedures, inclusief het vasthouden en fixeren, op de fysiologie beschrijven.
- 7.3. Verfijningsmogelijkheden voor procedures en fixeren beschrijven, bijv. door middel van training (met beloning), gewenning en socialisatie van dieren.
- 7.4. Technieken/procedures beschrijven, met inbegrip van injectie-, monsternemings- en doseertechnieken (toedieningswijze/volumes/frequentie), verandering van voeding, onder dwang voeden, weefselbiopsie, gedragstesten, en het gebruik van metabole kooien.
- 7.5. Beschrijven hoe eenvoudige technieken moeten worden uitgevoerd en de juiste monstergroottes en afnamefrequenties voor de betreffende diersoort noemen.
- 7.6. De noodzaak beschrijven van de juiste en nauwkeurige uitvoering van procedures, wijze van registreren en behandelen van monsters.
- 7.7. Beseffen dat verfijning een voortdurend proces is en bronnen van relevante, actuele informatie kennen.
- 7.8. De biologische gevolgen van vervoer, acclimatisatie, houderij/huisvestingsomstandigheden en experimentele procedures op de betreffende diersoort beschrijven, en hoe deze tot een minimum beperkt kunnen worden.
Deze module bevat informatie over het opzetten van projecten en het ontwerpen van procedures, de mogelijke oorzaken van bias en het wegnemen daarvan en over het statistische model. Tevens geeft de module informatie waar expertise te vinden is die kan helpen bij het opzetten en uitvoering van de procedures, en bij de interpretatie van resultaten.
Studenten kunnen:
- 10.1. Uitleggen wat bedoeld wordt met face-, predictive, construct-, interne en externe validiteit met betrekking tot het diermodel.
- 10.2. Het concept ‘variabiliteit’ (veranderlijkheid) uitleggen, evenals de oorzaken ervan en de methodes om variabiliteit te verminderen (toepassingen en beperkingen van isogene stammen, outbred-populaties en genetisch gemodificeerde stammen, aankoop, stress en de waarde van habituatie, klinische of subklinische infecties, en basisbiologie).
- 10.3. Mogelijke oorzaken van ‘bias’ (bevooroordeeldheid) beschrijven en manieren om die te verminderen (bijv. toepassen van de gebruikelijke randomisatie-methoden, proeven ‘blind’ uitvoeren, en mogelijkheden wanneer randomisatie en ‘blinde’ uitvoering van proeven niet mogelijk zijn).
Deze module omvat een praktijktraining in het op een rustige, zelfverzekerde en empathische wijze benaderen, behandelen/oppakken, vangen en vasthouden en in zijn kooi/hok terugzetten of vrijlaten van een dier van de betreffende diersoort, op een zodanige manier dat het dier geen onnodige angst of schade ondervindt.
Studenten kunnen:
- 3.2.1. Een dier op een rustige, zelfverzekerde en empathische wijze benaderen, behandelen/oppakken, vangen en vasthouden en in zijn kooi/hok terugzetten of vrijlaten van een dier van de betreffende diersoort, op een zodanige manier dat het dier geen angst of schade ondervindt.
Deze module omvat een praktijktraining in passende, vakkundige en humane methodes voor het doden van een dier van de betreffende diersoort en geschikte methodes om de dood vast te stellen.
Studenten kunnen:
- 6.1.1. Met geschikte technieken op vakkundige, humane en veilige wijze euthanasie toepassen op de betreffende dieren van een bepaalde diersoort.
- 6.1.2. Aantonen hoe de dood wordt vastgesteld en hoe kadavers verwerkt of anderszins afgevoerd moeten worden.
Deze module omvat een praktijktraining in het hanteren en uitvoeren van de juiste techniek voor de meest gangbare eenvoudige procedures bij de betreffende diersoort. De module stelt de studenten in staat een zodanig bekwaamheidsniveau te halen dat zij, wanneer ze beginnen te werken in de beroepspraktijk, geen onnodige pijn, lijden, angst of blijvende schade bij het dier veroorzaken.
Studenten kunnen:
- 8.1.1. De beste methodes voor gangbare procedures selecteren en toelichten (zoals bloed afnemen en het toedienen van stoffen), met inbegrip van toedieningswijze/volume/frequentie, indien van toepassing.
- 8.1.2. Aantonen dat hij/zij het dier in de beste positie voor de techniek kan vasthouden.
- 3.1.3. Eenvoudige technieken onder toezicht uitvoeren, op een wijze die geen vermijdbare pijn, lijden, angst of blijvende schade aan het dier berokkent.
## Bijlage 9. als bedoeld in [artikel 6, eerste lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035873&paragraaf=4&artikel=6&z=2021-01-01&g=2021-01-01)
Uitgangspunten bij deze opleidingseisen zijn:
Aan de volgende 3 aspecten dient voldaan te zijn:
Ad 2: Specifieke theorie en praktijktrainingen op het opleidingsinstituut
De theorie en praktijktrainingen op het opleidingsinstituut kunnen worden onderscheiden in basis en diersoortspecifieke modulen (tabel 1).
1 http://ec.europa.eu/environment/chemicals/lab_animals/pdf/Endorsed_E-T.pdf
Ad 3) Specifieke proefdierkundige eisen aan stage/afstudeeropdracht (cq praktijkervaringsperiode)
De stageperiode dient een omvang van minimaal 4 maanden te hebben en te worden uitgevoerd bij een erkende instelling die dierproeven uitvoert en/of proefdieren fokt. Dit kan een Nederlandse instelling zijn of een instelling binnen de EU. Voor instellingen buiten de EU dient eerst te worden vastgesteld of zij dezelfde criteria met betrekking tot dierenwelzijn en alternatieven hanteren als instellingen binnen de EU.
Gedurende de stageperiode werkt de student minimaal 150 uur direct mee aan een proefdier gerelateerd onderzoek.
De specifieke leerdoelen van de stageperiode zijn:
Het verwerven van competenties met betrekking tot minimaal 3 modulen uit tabel 1, passend bij de studieloopbaan van de student, minimaal op het niveau van analyseren volgens taxonomie van Bloom2http://talentstimuleren.nl/thema/stimulerend-signaleren/rijke-leeractiviteiten/bloom.
Over de proefdierkundige werkzaamheden dient de student een verslag te schrijven, waaruit duidelijk blijkt dat is voldaan aan bovenstaande eisen. Het verslag wordt beoordeeld door de begeleider van het opleidingsinstituut na consultering van de stage verlenende instelling.
De opleidingsinstituten zijn vrij om desgewenst aanvullende eisen aan de inhoud en omvang van de stageperiode te stellen.
**Toetsing:**
De examencommissie van de opleiding/onderwijsinstelling verklaart dat een student heeft voldaan aan de opleidingseisen.
De (eind)verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van de opleiding en de toetsing ligt altijd bij het opleidingsinstituut (de Hogeschool).
### Bijlage 1. Modulebeschrijving en leerdoelen
Deze module biedt relevante inzichten in de nationale en Europese wet- en regelgeving waarbinnen projecten worden opgezet en uitgevoerd.
Het biedt ook inzichten in de wettelijke verantwoordelijkheden van de betrokken personen, d.w.z. degenen die procedures uitvoeren op dieren; procedures en projecten opzetten; dieren verzorgen; of dieren doden, waarbij ook andere relevante wetgeving aan de orde kan komen.
Studenten:
Deze module biedt een leidraad en geeft informatie om personen die procedures op dieren uitvoeren in staat te stellen ethische en welzijnskwesties in kaart te brengen, inzichtelijk te maken en er op passende wijze op te reageren. Het gaat hierbij om kwesties die zich voordoen bij het gebruik van dieren voor wetenschappelijke procedures in het algemeen en in het bijzonder binnen het eigen werkprogramma. Hieronder valt ook een goede afweging tussen het belang van de procedures en het verwachte ongerief aan het proefdier. De module geeft informatie om studenten inzicht te geven in de uitgangspunten van de drie V’s en hen in staat te stellen deze toe te passen.
Studenten:
Deze module geeft een inleiding in de basisprincipes van diergedrag, verzorging, biologie en dierhouderij. De module bevat informatie over anatomie en fysiologische kenmerken, inclusief voortplanting en gedrag, en routinematige praktijken op het gebied van dierhouderij en omgevingsverrijking.
De diersoortspecifieke module bevat aanvullende informatie betreffende de diersoort die ingezet wordt bij een bepaalde procedure.
Studenten:
Deze module geeft informatie over verschillende aspecten van de gezondheid, verzorging en behandeling van dieren, met inbegrip van houderijpraktijken, voeding, gezondheid, ziekte en het monitoren van de leefomgeving. De module bevat ook relevante leerdoelen die verband houden met de humane gezondheid en zoönoses.
De diersoortspecifieke module bevat aanvullende informatie betreffende de diersoort die ingezet wordt bij een bepaalde procedure.
Studenten kunnen:
Deze module bereidt de studenten voor op het kunnen vaststellen van de normale conditie en het normale gedrag van proefdieren en stelt hen in staat een dier te herkennen dat tekenen vertoont van pijn, lijden of angst, die een gevolg zouden kunnen zijn van factoren zoals de omgeving, de houderij of procedures. Ook geeft de module informatie over indelingen naar ongerief, gecumuleerd ongerief en het gebruik van humane eindpunten.
De diersoortspecifieke module bevat aanvullende informatie betreffende de diersoort die ingezet wordt bij een bepaalde procedure.
Studenten kunnen:
Deze module geeft informatie over de uitgangspunten van humaan doden en over de noodzaak dat er te allen tijde iemand beschikbaar is die een dier humaan kan doden. De module bevat informatie over en beschrijvingen van de verschillende beschikbare methodes, gegevens van de diersoorten waarvoor deze methodes geschikt zijn en informatie om de studenten te helpen de toegestane methodes te vergelijken en te bepalen hoe ze de meest geschikte methode kunnen selecteren.
Studenten kunnen:
Deze module geeft een inleiding in de theorie over eenvoudige procedures. De module geeft informatie over passende methodes van hanteren en fixeren en beschrijft geschikte technieken voor het injecteren, doseren en monsters nemen, en over waar actuele informatie hierover gevonden kan worden.
De diersoortspecifieke module bevat aanvullende informatie betreffende de diersoort die ingezet wordt bij een bepaalde procedure.
Studenten kunnen:
Deze module bevat informatie over het opzetten van projecten en het ontwerpen van procedures, de mogelijke oorzaken van bias en het wegnemen daarvan en over het statistische model. Tevens geeft de module informatie waar expertise te vinden is die kan helpen bij het opzetten en uitvoering van de procedures, en bij de interpretatie van resultaten.
Studenten kunnen:
Deze module beoogt de noodzakelijke kennis te geven voor een juiste en veilige toepassing van sedatie of korte anesthesie (of langere, terminale verdoving), met een eenvoudige inductie en basisonderhoud om eenvoudige procedures (zoals toegang tot aan oppervlakte gelegen bloedvaten of toegang tot lichaamsholten bij terminale verdoving) met een geringe mate van ongerief uit te voeren, evenals kennis over pijnstilling.
De diersoortspecifieke module bevat aanvullende informatie betreffende de diersoort die ingezet wordt bij een bepaalde procedure.
Studenten kunnen:
Deze module gaat over principes van pre-operatieve beoordeling van, en zorg voor dieren, voorbereidingen voor chirurgie, met inbegrip van het voorbereiden van instrumenten en sterilisatietechnieken en de principes van succesvolle chirurgie, inclusief aseptiek.
De module geeft informatie over mogelijke complicaties, peri-operatieve zorg en monitoring. Ook worden de veelgebruikte instrumenten gedemonstreerd.
Studenten kunnen:
Deze module omvat een praktijktraining in het op een rustige, zelfverzekerde en empathische wijze benaderen, behandelen/oppakken, vangen en vasthouden en in zijn kooi/hok terugzetten of vrijlaten van een dier van de betreffende diersoort, op een zodanige manier dat het dier geen onnodige angst of schade ondervindt.
Studenten kunnen:
Deze module omvat een praktijktraining in passende, vakkundige en humane methodes voor het doden van een dier van de betreffende diersoort en geschikte methodes om de dood vast te stellen.
Studenten kunnen:
Deze module omvat een praktijktraining in het hanteren en uitvoeren van de juiste techniek voor de meest gangbare eenvoudige procedures bij de betreffende diersoort. De module moet zodanig zijn opgezet dat ze de studenten in staat stelt een zodanig bekwaamheidsniveau te halen dat zij, wanneer ze beginnen te werken in de beroepspraktijk, geen onnodige pijn, lijden, angst of blijvende schade bij het dier veroorzaken.
Studenten kunnen:
Deze module omvat een praktijktraining in een juiste en veilige toepassing van sedatie of korte anesthesie (of langere, terminale verdoving), met een eenvoudige inductie en basisonderhoud om eenvoudige procedures (zoals toegang tot aan oppervlakte gelegen bloedvaten of toegang tot lichaamsholten bij terminale verdoving) met een geringe mate van ongerief uit te voeren bij een dier van de betreffende diersoort.
Studenten kunnen:
Deze module omvat een praktijktraining in de basisbeginselen van de chirurgie, zoals het op de juiste wijze toegang krijgen tot de te opereren plek, behandelen van weefsel en hechten van incisies. Als basis omvat deze module een praktijktraining in de anatomie voor het verwerven van praktische vaardigheden en worden bepaalde praktische aspecten van chirurgische technieken geoefend op geschikte, niet-dierlijke modellen. De module moet zodanig zijn opgezet dat ze de studenten in staat stelt een zodanig bekwaamheidsniveau te halen dat zij, wanneer ze beginnen te werken in de beroepspraktijk, geen onnodige pijn, lijden, angst of blijvende schade bij het dier veroorzaken.
Studenten kunnen:
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
2017-01-01
Dierproevenregeling 2014
2016-10-15
Dierproevenregeling 2014
2016-05-01
Dierproevenregeling 2014
2015-08-01
Dierproevenregeling 2014
2014-12-18
Dierproevenregeling 2014 — arts. 2010, 1, 1 y 26 más
2014-12-18
Dierproevenregeling 2014
original version Tekst op deze datum