Wijzigingsgeschiedenis
Besluit van 9 december 2014, houdende regels inzake de langdurige zorg (Besluit langdurige zorg)
32 versions
· 2015-01-01 — 2026-04-01
2026-04-01
Besluit langdurige zorg
2026-01-01
Besluit langdurige zorg — arts. 3, 3, 3 y 4 más
2025-07-01
Besluit langdurige zorg — arts. 3, 3, 3 y 6 más
2025-01-01
Besluit langdurige zorg — arts. 3, 3, 3 y 6 más
2024-01-01
Besluit langdurige zorg
2023-01-01
Besluit langdurige zorg — arts. 3, 3, 3 y 6 más
2022-01-01
Besluit langdurige zorg — arts. 3, 3, 3 y 7 más
2021-09-01
Besluit langdurige zorg — arts. 3, 3, 3 y 7 más
2021-07-15
Besluit langdurige zorg — arts. 3, 3, 3 y 7 más
2021-01-01
Besluit langdurige zorg — arts. 3, 3, 3 y 17 más
2020-10-01
Besluit langdurige zorg — arts. 3, 3, 3 y 17 más
2020-01-01
Besluit langdurige zorg — arts. 3, 3, 3 y 27 más
2019-11-27
Besluit langdurige zorg
2019-10-01
Besluit langdurige zorg — arts. 3, 3, 3 y 37 más
2019-03-30
Besluit langdurige zorg — arts. 3, 3, 3 y 37 más
2019-01-01
Besluit langdurige zorg
2018-07-28
Besluit langdurige zorg — arts. 3, 3, 3 y 7 más
2018-06-18
Besluit langdurige zorg — arts. 3, 3, 3 y 17 más
2018-05-25
Besluit langdurige zorg — arts. 3, 3, 3 y 17 más
2018-01-01
Besluit langdurige zorg — arts. 3, 3, 3 y 7 más
2017-12-16
Besluit langdurige zorg
2017-01-01
Besluit langdurige zorg — arts. 3, 3, 3 y 22 más
2016-12-01
Besluit langdurige zorg — arts. 3, 3, 3 y 36 más
2016-11-09
Besluit langdurige zorg
2016-08-01
Besluit langdurige zorg — arts. 3, 3, 3 y 49 más
2016-02-01
Besluit langdurige zorg — arts. 3, 3, 3 y 62 más
2016-01-26
Besluit langdurige zorg — arts. 3, 3, 3 y 49 más
2016-01-04
Besluit langdurige zorg — arts. 3, 3, 3 y 62 más
2016-01-01
Besluit langdurige zorg
2015-05-30
Besluit langdurige zorg — arts. 1, 1, 1 y 89 más
2015-01-01
Besluit langdurige zorg — arts. 1, 1, 1 y 222 más
2015-01-01
Besluit langdurige zorg
original version
Tekst op deze datum
Wijzigingen op 2026-01-01
@@ -28,8 +28,6 @@
- **budgetplan:** overzicht van de door de verzekerde of diens wettelijk vertegenwoordiger voorgenomen besteding van een aan te vragen persoonsgebonden budget;
- **compensatie vervallen ouderentoeslag:** een aftrek in de berekening van het bijdrageplichtig inkomen als bedoeld in [artikel 3.3.1.2a, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035948&hoofdstuk=3¶graaf=3.1&artikel=3.3.1.2a&z=2025-07-01&g=2025-07-01);
- **dag:** kalenderdag;
- **deeltijdverblijf:** verblijf in een instelling zonder behandeling van gemiddeld zeven etmalen gedurende een periode van veertien aaneengesloten etmalen overeenkomstig van tevoren vastgestelde tijdsperioden;
@@ -58,9 +56,9 @@
- **standaardpremie:** bedrag, bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onderdeel g, van de Wet op de zorgtoeslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018451&artikel=1);
- **vermogen:** vermogen, bedoeld in [artikel 3.3.1.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035948&hoofdstuk=3¶graaf=3.1&artikel=3.3.1.2&z=2025-07-01&g=2025-07-01);
- **vermogensinkomensbijtelling:** bijtelling van het vermogen als bedoeld in [artikel 3.3.1.2a, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035948&hoofdstuk=3¶graaf=3.1&artikel=3.3.1.2a&z=2025-07-01&g=2025-07-01);
- **vermogen:** vermogen, bedoeld in [artikel 3.3.1.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035948&hoofdstuk=3¶graaf=3.1&artikel=3.3.1.2&z=2026-01-01&g=2026-01-01);
- **vermogensinkomensbijtelling:** bijtelling van het vermogen als bedoeld in [artikel 3.3.1.2a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035948&hoofdstuk=3¶graaf=3.1&artikel=3.3.1.2a&z=2026-01-01&g=2026-01-01);
- **volledig pakket thuis:** integraal en volledig pakket thuis als bedoeld in [artikel 3.3.2, eerste lid, onderdeel a, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=3.3.2);
@@ -182,13 +180,13 @@
Indien de verzekerde is aangewezen op zorg, vermeldt het indicatiebesluit:
- a. de resultaten van het voorbereidend onderzoek, bedoeld in [artikel 3.2.2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035948&hoofdstuk=3¶graaf=2&artikel=3.2.2&z=2025-07-01&g=2025-07-01);
- a. de resultaten van het voorbereidend onderzoek, bedoeld in [artikel 3.2.2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035948&hoofdstuk=3¶graaf=2&artikel=3.2.2&z=2026-01-01&g=2026-01-01);
- b. aandoeningen, beperkingen, stoornissen of handicaps als gevolg waarvan hij op de zorg is aangewezen;
- c. het zorgprofiel waarop hij is aangewezen;
- d. bij ministeriële regeling te bepalen kenmerken van de verzekerde of van zijn zorgbehoefte die aanleiding kunnen geven tot de toekenning van meer zorg als bedoeld in [artikel 3.1.1, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035948&hoofdstuk=3¶graaf=1&artikel=3.1.1&z=2025-07-01&g=2025-07-01);
- d. bij ministeriële regeling te bepalen kenmerken van de verzekerde of van zijn zorgbehoefte die aanleiding kunnen geven tot de toekenning van meer zorg als bedoeld in [artikel 3.1.1, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035948&hoofdstuk=3¶graaf=1&artikel=3.1.1&z=2026-01-01&g=2026-01-01);
- e. voorwaarden en beperkingen die aan het geïndiceerde recht op zorg verbonden zijn;
@@ -216,25 +214,15 @@
##### Artikel 3.3.1.2
1. Het vermogen van een persoon is zijn vermogensgrondslag, bedoeld in het tweede of derde lid, waarvan de volgende vermogensbestanddelen worden afgetrokken:
- a. op aanvraag van de verzekerde, het bedrag ter grootte van door de verzekerde in het peiljaar of enig eerder jaar ontvangen eenmalige uitkeringen die bij ministeriële regeling van Onze Minister of Onze Minister van Financiën krachtens [artikel 47 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018472&artikel=47) zijn aangewezen;
- b. voor de toepassing van [artikel 3.3.2.3, eerste lid, onderdeel c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035948&hoofdstuk=3¶graaf=3.2&artikel=3.3.2.3&z=2025-07-01&g=2025-07-01), en [artikel 3.3.2.4, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035948&hoofdstuk=3¶graaf=3.2&artikel=3.3.2.4&z=2025-07-01&g=2025-07-01), een bedrag van € 11.534 voor de verzekerde die de pensioengerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt en van € 11.534 voor zijn echtgenoot die:
- 1°. de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt, of
- 2°. de pensioengerechtigde leeftijd niet heeft bereikt en geen bijdrage als bedoeld in [artikel 3.3.2.1, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035948&hoofdstuk=3¶graaf=3.2&artikel=3.3.2.1&z=2025-07-01&g=2025-07-01), of [artikel 3.3.2.2, eerste of tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035948&hoofdstuk=3¶graaf=3.2&artikel=3.3.2.2&z=2025-07-01&g=2025-07-01), dan wel [artikel 3.11, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035733&artikel=3.11), of [artikel 3.12, eerste of tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035733&artikel=3.12) verschuldigd is,
met dien verstande dat het vermogen ten minste nihil bedraagt.
1. Het vermogen van een persoon is zijn vermogensgrondslag, bedoeld in het tweede of derde lid, waarvan op aanvraag van de verzekerde wordt afgetrokken het bedrag ter grootte van door de verzekerde in het peiljaar of enig eerder jaar ontvangen eenmalige uitkeringen die bij ministeriële regeling van Onze Minister of Onze Minister van Financiën krachtens [artikel 47 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018472&artikel=47) zijn aangewezen, met dien verstande dat het vermogen ten minste nihil bedraagt.
2. De vermogensgrondslag van een persoon is zijn rendementsgrondslag aan het begin van het peiljaar voor zover die rendementsgrondslag meer bedraagt dan het voor dat jaar van toepassing zijnde bedrag in [artikel 9.4, eerste lid, onderdeel c, van de Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=9.4).
3. In afwijking van het tweede lid is de vermogensgrondslag van een persoon in geval [artikel 3.3.2.3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035948&hoofdstuk=3¶graaf=3.2&artikel=3.3.2.3&z=2025-07-01&g=2025-07-01), [artikel 3.3.2.4, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035948&hoofdstuk=3¶graaf=3.2&artikel=3.3.2.4&z=2025-07-01&g=2025-07-01), of [artikel 3.3.2.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035948&hoofdstuk=3¶graaf=3.2&artikel=3.3.2.5&z=2025-07-01&g=2025-07-01) van toepassing is, de te verwachten rendementsgrondslag over het lopende jaar voor zover die rendementsgrondslag meer bedraagt dan het van toepassing zijnde bedrag in [artikel 9.4, eerste lid, onderdeel c, van de Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=9.4).
4. Het deel van het bedrag, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, dat de vermogensgrondslag van de persoon overtreft, wordt voor zijn echtgenoot als vermindering toegepast.
5. Bij ministeriële regeling kan een periode worden vastgesteld gedurende welke het bedrag van een uitkering als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, kan worden afgetrokken, welke periode kan verschillen per uitkering.
3. In afwijking van het tweede lid is de vermogensgrondslag van een persoon in geval [artikel 3.3.2.3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035948&hoofdstuk=3¶graaf=3.2&artikel=3.3.2.3&z=2026-01-01&g=2026-01-01), of [artikel 3.3.2.4, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035948&hoofdstuk=3¶graaf=3.2&artikel=3.3.2.4&z=2026-01-01&g=2026-01-01), van toepassing is, de te verwachten rendementsgrondslag over het lopende jaar voor zover die rendementsgrondslag meer bedraagt dan het van toepassing zijnde bedrag in [artikel 9.4, eerste lid, onderdeel c, van de Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=9.4).
4. Het deel van het bedrag, bedoeld in het eerste lid, dat de vermogensgrondslag van de persoon overtreft, wordt voor zijn echtgenoot als vermindering toegepast.
5. Bij ministeriële regeling kan een periode worden vastgesteld gedurende welke het bedrag van een uitkering als bedoeld in het eerste lid, kan worden afgetrokken, welke periode kan verschillen per uitkering.
##### Artikel 3.3.1.3
@@ -252,13 +240,13 @@
##### Artikel 3.3.1.4
1. Een wijziging in de burgerlijke staat van de verzekerde en het bereiken van een voor de toepassing van dit besluit van belang zijnde leeftijd door de verzekerde of zijn echtgenoot wordt in aanmerking genomen met ingang van de datum waarop de bijdrage wordt vastgesteld, met dien verstande dat bij de jaarlijkse herberekening, bedoeld in [artikel 3.3.2.8, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035948&hoofdstuk=3¶graaf=3.2&artikel=3.3.2.8&z=2025-07-01&g=2025-07-01), een verzekerde als pensioengerechtigde wordt beschouwd indien hij uiterlijk op 31 januari van het kalenderjaar waarop de herberekening betrekking heeft, de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt.
1. Een wijziging in de burgerlijke staat van de verzekerde en het bereiken van een voor de toepassing van dit besluit van belang zijnde leeftijd door de verzekerde of zijn echtgenoot wordt in aanmerking genomen met ingang van de datum waarop de bijdrage wordt vastgesteld, met dien verstande dat bij de jaarlijkse herberekening, bedoeld in [artikel 3.3.2.8, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035948&hoofdstuk=3¶graaf=3.2&artikel=3.3.2.8&z=2026-01-01&g=2026-01-01), een verzekerde als pensioengerechtigde wordt beschouwd indien hij uiterlijk op 31 januari van het kalenderjaar waarop de herberekening betrekking heeft, de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt.
2. De verzekerde meldt aan het CAK wijzigingen als bedoeld in het eerste lid.
##### Artikel 3.3.1.5
1. De eigen bijdrage wordt zo spoedig mogelijk vastgesteld nadat de gegevens, bedoeld in [artikel 3.3.1.3, vierde lid, onderdelen a en b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035948&hoofdstuk=3¶graaf=3.1&artikel=3.3.1.3&z=2025-07-01&g=2025-07-01), door het CAK zijn ontvangen.
1. De eigen bijdrage wordt zo spoedig mogelijk vastgesteld nadat de gegevens, bedoeld in [artikel 3.3.1.3, vierde lid, onderdelen a en b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035948&hoofdstuk=3¶graaf=3.1&artikel=3.3.1.3&z=2026-01-01&g=2026-01-01), door het CAK zijn ontvangen.
2. De eigen bijdrage is verschuldigd met ingang van de maand waarin de verzekerde zorg is verleend of, indien het een persoonsgebonden budget betreft, met ingang van de eerste maand waarover dat is verleend, doch ten hoogste over de 12 maanden die voorafgaan aan de maand waarin het besluit, waarmee de eigen bijdrage is vastgesteld, aan de verzekerde is verzonden.
@@ -298,17 +286,15 @@
##### Artikel 3.3.1.7
1. Bij ministeriële regeling worden de bedragen, genoemd in de [artikelen 3.3.2.1, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035948&hoofdstuk=3¶graaf=3.2&artikel=3.3.2.1&z=2025-07-01&g=2025-07-01), [3.3.2.2, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035948&hoofdstuk=3¶graaf=3.2&artikel=3.3.2.2&z=2025-07-01&g=2025-07-01) en [3.3.2.4, eerste, tweede en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035948&hoofdstuk=3¶graaf=3.2&artikel=3.3.2.4&z=2025-07-01&g=2025-07-01), jaarlijks gewijzigd aan de hand van de prijsindex voor de gezinsconsumptie. De berekende bedragen worden naar beneden afgerond op een veelvoud van € 0,2. Bij de jaarlijkse toepassing van de eerste zin wordt de afronding buiten beschouwing gelaten.
2. Bij ministeriële regeling worden de bedragen, genoemd in [artikel 3.3.1.2, eerste lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035948&hoofdstuk=3¶graaf=3.1&artikel=3.3.1.2&z=2025-07-01&g=2025-07-01), [3.3.2.3, eerste lid, onderdeel b, onder 4° en 5°](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035948&hoofdstuk=3¶graaf=3.2&artikel=3.3.2.3&z=2025-07-01&g=2025-07-01), en [3.3.2.4a, eerste, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035948&hoofdstuk=3¶graaf=3.2&artikel=3.3.2.4a&z=2025-07-01&g=2025-07-01), jaarlijks gewijzigd aan de hand van het indexcijfer waarmee het bedrag, genoemd in [artikel 5.5 van de Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=5.5), jaarlijks wordt gewijzigd.
3. Bij ministeriële regeling, bedoeld in het eerste en tweede lid, worden de bedragen voor de toepassing van de [artikelen 3.3.2.3, eerste lid, onderdeel b, tweede en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035948&hoofdstuk=3¶graaf=3.2&artikel=3.3.2.3&z=2025-07-01&g=2025-07-01), [3.3.2.4, tweede en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035948&hoofdstuk=3¶graaf=3.2&artikel=3.3.2.4&z=2025-07-01&g=2025-07-01), [artikel 3.3.2.5, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035948&hoofdstuk=3¶graaf=3.2&artikel=3.3.2.5&z=2025-07-01&g=2025-07-01), en [3.3.2.6, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035948&hoofdstuk=3¶graaf=3.2&artikel=3.3.2.6&z=2025-07-01&g=2025-07-01), afzonderlijk vastgesteld voor zowel het peiljaar als het lopende kalenderjaar.
1. Bij ministeriële regeling worden de bedragen, genoemd in de [artikelen 3.3.2.1, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035948&hoofdstuk=3¶graaf=3.2&artikel=3.3.2.1&z=2026-01-01&g=2026-01-01), [3.3.2.2, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035948&hoofdstuk=3¶graaf=3.2&artikel=3.3.2.2&z=2026-01-01&g=2026-01-01) en [3.3.2.4, eerste, tweede en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035948&hoofdstuk=3¶graaf=3.2&artikel=3.3.2.4&z=2026-01-01&g=2026-01-01), jaarlijks gewijzigd aan de hand van de prijsindex voor de gezinsconsumptie. De berekende bedragen worden naar beneden afgerond op een veelvoud van € 0,2. Bij de jaarlijkse toepassing van de eerste zin wordt de afronding buiten beschouwing gelaten.
2. Bij ministeriële regeling, bedoeld in het eerste lid, worden de bedragen voor de toepassing van de [artikelen 3.3.2.3, eerste lid, onderdeel b, tweede en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035948&hoofdstuk=3¶graaf=3.2&artikel=3.3.2.3&z=2026-01-01&g=2026-01-01), [3.3.2.4, tweede en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035948&hoofdstuk=3¶graaf=3.2&artikel=3.3.2.4&z=2026-01-01&g=2026-01-01), en [3.3.2.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035948&hoofdstuk=3¶graaf=3.2&artikel=3.3.2.6&z=2026-01-01&g=2026-01-01) afzonderlijk vastgesteld voor zowel het peiljaar als het lopende kalenderjaar.
#### § 3.2. De berekening van de eigen bijdragen
##### Artikel 3.3.2.1
1. De eigen bijdrage bedraagt per maand een twaalfde gedeelte van het bijdrageplichtig inkomen, berekend volgens [artikel 3.3.2.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035948&hoofdstuk=3¶graaf=3.2&artikel=3.3.2.3&z=2025-07-01&g=2025-07-01), voor:
1. De eigen bijdrage bedraagt per maand een twaalfde gedeelte van het bijdrageplichtig inkomen, berekend volgens [artikel 3.3.2.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035948&hoofdstuk=3¶graaf=3.2&artikel=3.3.2.3&z=2026-01-01&g=2026-01-01), voor:
- a. de ongehuwde verzekerde die in een instelling verblijft,
@@ -316,13 +302,13 @@
- c. de gehuwde verzekerde die in een instelling verblijft en wiens echtgenoot verblijft in een instelling voor beschermd wonen of een persoonsgebonden budget voor beschermd wonen is verleend.
2. De bijdrage, bedoeld in het eerste lid, bedraagt niet meer dan € 2.954,40 per maand.
2. De bijdrage, bedoeld in het eerste lid, bedraagt niet meer dan € 3.061,80 per maand.
3. In het geval, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, zijn de verzekerde en zijn echtgenoot tezamen slechts eenmaal de eigen bijdrage, berekend overeenkomstig het eerste en tweede lid, verschuldigd.
##### Artikel 3.3.2.2
1. In afwijking van [artikel 3.3.2.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035948&hoofdstuk=3¶graaf=3.2&artikel=3.3.2.1&z=2025-07-01&g=2025-07-01) bedraagt een eigen bijdrage per maand een twaalfde gedeelte van 10% van het bijdrageplichtig inkomen, berekend volgens [artikel 3.3.2.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035948&hoofdstuk=3¶graaf=3.2&artikel=3.3.2.4&z=2025-07-01&g=2025-07-01) voor:
1. In afwijking van [artikel 3.3.2.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035948&hoofdstuk=3¶graaf=3.2&artikel=3.3.2.1&z=2026-01-01&g=2026-01-01) bedraagt een eigen bijdrage per maand een twaalfde gedeelte van 10% van het bijdrageplichtig inkomen, berekend volgens [artikel 3.3.2.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035948&hoofdstuk=3¶graaf=3.2&artikel=3.3.2.4&z=2026-01-01&g=2026-01-01) voor:
- a. de ongehuwde verzekerde gedurende de eerste vier maanden van verblijf in een instelling;
@@ -334,7 +320,7 @@
- e. de ongehuwde verzekerde of de gehuwde verzekerden tezamen indien de Wlz-uitvoerder aan elk van hen deeltijdverblijf in een instelling heeft toegekend.
2. De eigen bijdrage bedraagt voorts per maand een twaalfde deel van 10% van het bijdrageplichtig inkomen, berekend volgens [artikel 3.3.2.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035948&hoofdstuk=3¶graaf=3.2&artikel=3.3.2.4&z=2025-07-01&g=2025-07-01) voor:
2. De eigen bijdrage bedraagt voorts per maand een twaalfde deel van 10% van het bijdrageplichtig inkomen, berekend volgens [artikel 3.3.2.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035948&hoofdstuk=3¶graaf=3.2&artikel=3.3.2.4&z=2026-01-01&g=2026-01-01) voor:
- a. de gehuwde verzekerde die in een instelling verblijft, een volledig pakket thuis, een modulair pakket thuis of een persoonsgebonden budget ontvangt, en wiens echtgenoot geen zorg in natura of persoonsgebonden budget ontvangt;
@@ -344,9 +330,9 @@
- d. de gehuwde verzekerde die een volledig pakket thuis, een modulair pakket thuis of een persoonsgebonden budget ontvangt dan wel deeltijd in een instelling verblijft als bedoeld in het eerste lid, onderdeel e, en wiens echtgenoot verblijft in een instelling voor beschermd wonen dan wel daarvoor een persoonsgebonden budget is verleend, met dien verstande dat de verzekerde en zijn echtgenoot tezamen de eigen bijdrage slechts eenmaal verschuldigd zijn.
3. De eigen bijdrage, bedoeld in het eerste en tweede lid, bedraagt ten minste € 205,00 en niet meer dan € 1.076,60 per maand.
4. De eigen bijdrage wordt verminderd met € 175,80 per maand voor:
3. De eigen bijdrage, bedoeld in het eerste en tweede lid, bedraagt ten minste € 212,60 en niet meer dan € 1.115,80 per maand.
4. De eigen bijdrage wordt verminderd met € 182,20 per maand voor:
- a. de ongehuwde verzekerde die een persoonsgebonden budget of een modulair pakket thuis ontvangt;
@@ -370,7 +356,7 @@
- a. het een verzekerde betreft van wie het recht op verblijf en de daarbij behorende medisch noodzakelijke geneeskundige zorg in verband met een psychische stoornis krachtens zijn zorgverzekering is geëindigd omdat de krachtens de [Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450) geldende maximumduur voor die zorg is bereikt, of
- b. het verblijf aanvangt binnen vier maanden na beëindiging van een verblijf in een instelling waarvoor de ongehuwde verzekerde of de gehuwde verzekerden tezamen een eigen bijdrage als bedoeld in [artikel 3.3.2.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035948&hoofdstuk=3¶graaf=3.2&artikel=3.3.2.1&z=2025-07-01&g=2025-07-01) verschuldigd was of waren, of
- b. het verblijf aanvangt binnen vier maanden na beëindiging van een verblijf in een instelling waarvoor de ongehuwde verzekerde of de gehuwde verzekerden tezamen een eigen bijdrage als bedoeld in [artikel 3.3.2.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035948&hoofdstuk=3¶graaf=3.2&artikel=3.3.2.1&z=2026-01-01&g=2026-01-01) verschuldigd was of waren, of
- c. het verblijf aanvangt binnen vier maanden na beëindiging van een verblijf in een instelling voor beschermd wonen waarvoor de ongehuwde cliënt of de gehuwde cliënten tezamen een bijdrage als bedoeld in [artikel 3.11 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035733&artikel=3.11) verschuldigd was of waren.
@@ -388,7 +374,7 @@
##### Artikel 3.3.2.3
1. Het bijdrageplichtig inkomen, bedoeld in [artikel 3.3.2.1, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035948&hoofdstuk=3¶graaf=3.2&artikel=3.3.2.1&z=2025-07-01&g=2025-07-01), wordt als volgt berekend:
1. Het bijdrageplichtig inkomen, bedoeld in [artikel 3.3.2.1, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035948&hoofdstuk=3¶graaf=3.2&artikel=3.3.2.1&z=2026-01-01&g=2026-01-01), wordt als volgt berekend:
- a. het inkomen over het peiljaar van de ongehuwde verzekerde onderscheidenlijk de gehuwde verzekerden tezamen wordt verminderd met de door die verzekerde onderscheidenlijk die verzekerden verschuldigde of ingehouden belasting;
@@ -400,10 +386,6 @@
- 3°. op aanvraag van de verzekerde, de in het peiljaar geldende uitkering op grond van [artikel 14 van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940–1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002844&artikel=14) of op grond van [artikel 20 van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940–1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003664&artikel=20);
- 4°. de compensatie vervallen ouderentoeslag, indien het inkomen van de verzekerde die de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt, verminderd met 4% van de grondslag sparen en beleggen, verminderd met, voor zover van toepassing, de vermogensbestanddelen als bedoeld in [artikel 3.3.1.2, eerste lid, onder a en b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035948&hoofdstuk=3¶graaf=3.1&artikel=3.3.1.2&z=2025-07-01&g=2025-07-01), minder dan € 22.833 bedraagt;
- 5°. de compensatie vervallen ouderentoeslag van de echtgenoot, indien de echtgenoot van de verzekerde de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt en het inkomen van de echtgenoot, verminderd met 4% van zijn grondslag sparen en beleggen, verminderd met, voor zover van toepassing, de vermogensbestanddelen als bedoeld in [artikel 3.3.1.2, eerste lid, onder a en b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035948&hoofdstuk=3¶graaf=3.1&artikel=3.3.1.2&z=2025-07-01&g=2025-07-01), minder dan € 22.833 bedraagt;
- c. het met toepassing van onderdeel b berekende bedrag wordt vermeerderd met de vermogensinkomensbijtelling over het peiljaar.
2. Op aanvraag van de verzekerde stelt het CAK, in afwijking van het eerste lid, onderdelen a en c, het bijdrageplichtig inkomen voorlopig vast op basis van het redelijkerwijs gedurende het lopende kalenderjaar te verwachten inkomen, vermeerderd met de vermogensinkomensbijtelling van het verwachte vermogen, en de over dat kalenderjaar te verwachten belasting indien toepassing van het eerste lid, onderdelen a en c, ertoe zou leiden dat na afdracht van de bijdrage maandelijks gemiddeld minder over zou blijven dan het zak- en kleedgeld, zoals dat geldt in het lopende kalenderjaar, alsmede een bedrag in verband met de standaardpremie, vermeerderd met de inkomensafhankelijke premie [Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450), bedoeld in [artikel 43, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=43), en verminderd met de zorgtoeslag, zoals deze bedragen gelden in het lopende kalenderjaar. Het aldus berekende bijdrageplichtig inkomen wordt, om de per maand verschuldigde bijdrage vast te stellen, gedeeld door twaalf.
@@ -416,33 +398,31 @@
##### Artikel 3.3.2.4
1. Voor de berekening van de eigen bijdrage, bedoeld in [artikel 3.3.2.2, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035948&hoofdstuk=3¶graaf=3.2&artikel=3.3.2.2&z=2025-07-01&g=2025-07-01), bestaat het bijdrageplichtig inkomen uit het inkomen over het peiljaar van de ongehuwde verzekerde, onderscheidenlijk van de gehuwde verzekerden tezamen, vermeerderd met de vermogensinkomensbijtelling. Dit bijdrageplichtig inkomen wordt verminderd met € 7.456,20, indien een verzekerde een modulair pakket thuis of een persoonsgebonden budget ontvangt.
2. Op aanvraag van de verzekerde stelt het CAK, in afwijking van het eerste lid, het bijdrageplichtig inkomen voorlopig vast op grond van het inkomen en het vermogen van het lopende jaar, indien redelijkerwijs te verwachten is dat het bijdrageplichtig inkomen in het lopende jaar ten minste € 3.177,80 lager zal zijn dan het bijdrageplichtig inkomen, bedoeld in het eerste lid, dan wel indien de verzekerde algemene bijstand op grond van de [Participatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015703) ontvangt.
1. Voor de berekening van de eigen bijdrage, bedoeld in [artikel 3.3.2.2, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035948&hoofdstuk=3¶graaf=3.2&artikel=3.3.2.2&z=2026-01-01&g=2026-01-01), bestaat het bijdrageplichtig inkomen uit het inkomen over het peiljaar van de ongehuwde verzekerde, onderscheidenlijk van de gehuwde verzekerden tezamen, vermeerderd met de vermogensinkomensbijtelling. Dit bijdrageplichtig inkomen wordt verminderd met € 7.727,60, indien een verzekerde een modulair pakket thuis of een persoonsgebonden budget ontvangt.
2. Op aanvraag van de verzekerde stelt het CAK, in afwijking van het eerste lid, het bijdrageplichtig inkomen voorlopig vast op grond van het inkomen en het vermogen van het lopende jaar, indien redelijkerwijs te verwachten is dat het bijdrageplichtig inkomen in het lopende jaar ten minste € 3.293,60 lager zal zijn dan het bijdrageplichtig inkomen, bedoeld in het eerste lid, dan wel indien de verzekerde algemene bijstand op grond van de [Participatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015703) ontvangt.
3. De aanvraag, bedoeld in het tweede lid, wordt gedaan uiterlijk vier maanden na afloop van het kalenderjaar waarop de aanvraag betrekking heeft of uiterlijk vier maanden na de datum waarop de bijdrage, bedoeld in het eerste lid, wordt vastgesteld.
4. Indien het tweede lid is toegepast, vindt na afloop van het jaar en na ontvangst van de definitieve inkomens- en vermogensgegevens definitieve vaststelling plaats. Indien daarbij blijkt dat het bijdrageplichtig inkomen over het lopende jaar minder dan € 3.177,80 lager is geweest dan het bijdrageplichtig inkomen, bedoeld in het eerste lid, vindt definitieve vaststelling plaats overeenkomstig het eerste lid.
4. Indien het tweede lid is toegepast, vindt na afloop van het jaar en na ontvangst van de definitieve inkomens- en vermogensgegevens definitieve vaststelling plaats. Indien daarbij blijkt dat het bijdrageplichtig inkomen over het lopende jaar minder dan € 3.293,60 lager is geweest dan het bijdrageplichtig inkomen, bedoeld in het eerste lid, vindt definitieve vaststelling plaats overeenkomstig het eerste lid.
5. Inkomen dat in het buitenland wordt belast, dan wel is vrijgesteld van belasting op grond van bepalingen van internationaal recht, wordt mede in aanmerking genomen als ware dit aan de Nederlandse belastingwetgeving onderworpen. Op aanvraag van de verzekerde wordt daarop de in het buitenland verschuldigde belasting in mindering gebracht.
##### Artikel 3.3.2.5
1. Voor de berekening van het bijdrageplichtig inkomen over het jaar waarin een verzekerde of zijn echtgenoot voor het eerst inkomen geniet wordt, in afwijking van [artikel 3.3.2.3, eerste lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035948&hoofdstuk=3¶graaf=3.2&artikel=3.3.2.3&z=2025-07-01&g=2025-07-01), of [artikel 3.3.2.4, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035948&hoofdstuk=3¶graaf=3.2&artikel=3.3.2.4&z=2025-07-01&g=2025-07-01), uitgegaan van het inkomen dat de verzekerde of zijn echtgenoot over het desbetreffende kalenderjaar naar verwachting zal genieten, alsmede van het te verwachten vermogen van dat kalenderjaar, verminderd met de naar verwachting over dat kalenderjaar verschuldigde of ingehouden belasting.
2. Voor de berekening van het bijdrageplichtig inkomen over het jaar volgende op het jaar waarin een verzekerde of zijn echtgenoot voor het eerst inkomen geniet, wordt, in afwijking van [artikel 3.3.2.3, eerste lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035948&hoofdstuk=3¶graaf=3.2&artikel=3.3.2.3&z=2025-07-01&g=2025-07-01), of [artikel 3.3.2.4, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035948&hoofdstuk=3¶graaf=3.2&artikel=3.3.2.4&z=2025-07-01&g=2025-07-01), uitgegaan van het inkomen dat de verzekerde of zijn echtgenoot over het dan lopende kalenderjaar naar verwachting zal genieten, alsmede van het te verwachten vermogen van dat kalenderjaar, verminderd met de naar verwachting over dat kalenderjaar verschuldigde of ingehouden belasting.
3. Voor de berekening van het bijdrageplichtig inkomen over het tweede jaar volgend op het jaar waarin een verzekerde of zijn echtgenoot voor het eerst inkomen geniet, wordt uitgegaan van de in het tweede lid bedoelde bedragen.
Vervallen
##### Artikel 3.3.2.6
1. Indien[artikel 3.3.2.3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035948&hoofdstuk=3¶graaf=3.2&artikel=3.3.2.3&z=2025-07-01&g=2025-07-01), of [artikel 3.3.2.5, eerste of tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035948&hoofdstuk=3¶graaf=3.2&artikel=3.3.2.5&z=2025-07-01&g=2025-07-01), voor zover het betreft de afwijking van artikel 3.3.2.3, eerste lid, van toepassing is, worden, in afwijking van artikel 3.3.2.3, eerste lid, onderdeel b, subonderdeel 2, twaalf maal het in het lopende kalenderjaar geldende bedrag voor zak- en kleedgeld, de in het lopende kalenderjaar te betalen premies voor een zorgverzekering gecorrigeerd voor de zorgtoeslag en, indien van toepassing, de algemene korting voor wie de pensioensgerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt onderscheidenlijk de algemene korting voor wie de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt, alsmede extra vrijlatingen als bedoeld in artikel 3.3.2.3, eerste lid, onderdeel b, subonderdeel 2, in mindering gebracht.
2. Indien [artikel 3.3.2.5, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035948&hoofdstuk=3¶graaf=3.2&artikel=3.3.2.5&z=2025-07-01&g=2025-07-01), voor zover het betreft de afwijking van [artikel 3.3.2.3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035948&hoofdstuk=3¶graaf=3.2&artikel=3.3.2.3&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing is en de werkzaamheden in de loop van het kalenderjaar aanvangen, worden de bedragen, bedoeld in artikel 3.3.2.3, eerste lid, onderdeel b, naar rato van het deel van het kalenderjaar waarover de inkomsten worden verworven, in mindering gebracht.
Indien [artikel 3.3.2.3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035948&hoofdstuk=3¶graaf=3.2&artikel=3.3.2.3&z=2026-01-01&g=2026-01-01), van toepassing is, worden, in afwijking van artikel 3.3.2.3, eerste lid, onderdeel b, subonderdeel 2, twaalf maal het in het lopende kalenderjaar geldende bedrag voor zak- en kleedgeld, de in het lopende kalenderjaar te betalen premies voor een zorgverzekering gecorrigeerd voor de zorgtoeslag en, indien van toepassing, de algemene korting voor wie de pensioensgerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt onderscheidenlijk de algemene korting voor wie de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt, alsmede extra vrijlatingen als bedoeld in artikel 3.3.2.3, eerste lid, onderdeel b, subonderdeel 2, in mindering gebracht.
##### Artikel 3.3.2.7
1. Indien ten aanzien van de ongehuwde of gehuwde verzekerden geen gegevens inzake het inkomen of de rendementsgrondslag beschikbaar zijn, wordt de eigen bijdrage vastgesteld op het minimumbedrag, genoemd in [artikel 3.3.2.2, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035948&hoofdstuk=3¶graaf=3.2&artikel=3.3.2.2&z=2025-07-01&g=2025-07-01).
1. Indien ten aanzien van de ongehuwde verzekerde of de gehuwde verzekerde en diens echtgenoot geen voor de vaststelling van de eigen bijdrage benodigde gegevens inzake het inkomen en de rendementsgrondslag beschikbaar zijn:
- a. wordt de eigen bijdrage, bedoeld in [artikel 3.3.2.1, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035948&hoofdstuk=3¶graaf=3.2&artikel=3.3.2.1&z=2026-01-01&g=2026-01-01), vastgesteld op € 0 per maand;
- b. wordt de eigen bijdrage, bedoeld in [artikel 3.3.2.2, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035948&hoofdstuk=3¶graaf=3.2&artikel=3.3.2.2&z=2026-01-01&g=2026-01-01), vastgesteld op het minimumbedrag, genoemd in het derde lid van dat artikel, en is het vierde lid van dat artikel van overeenkomstige toepassing.
2. Indien na de vaststelling van de eigen bijdrage uit alsnog beschikbaar gekomen gegevens inzake het inkomen of de rendementsgrondslag of uit een wijziging van deze gegevens, blijkt dat de eigen bijdrage op een te hoog of te laag bedrag is vastgesteld, herziet het CAK de eigen bijdrage met inachtneming van de beschikbaar gekomen gegevens dan wel van die wijziging.
@@ -450,7 +430,7 @@
1. De hoogte van de eigen bijdrage wordt jaarlijks opnieuw berekend voor de periode van de eerste dag van januari tot en met de eenendertigste dag van de daaropvolgende maand december.
2. In afwijking van [artikel 3.3.2.7, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035948&hoofdstuk=3¶graaf=3.2&artikel=3.3.2.7&z=2025-07-01&g=2025-07-01), geldt, indien het inkomen bij de jaarlijkse herberekening nog moet worden vastgesteld, als eigen bijdrage, de eigen bijdrage die over de laatste maand in het vorige kalenderjaar verschuldigd was.
2. In afwijking van [artikel 3.3.2.7, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035948&hoofdstuk=3¶graaf=3.2&artikel=3.3.2.7&z=2026-01-01&g=2026-01-01), geldt, indien het inkomen bij de jaarlijkse herberekening nog moet worden vastgesteld, als eigen bijdrage, de eigen bijdrage die over de laatste maand in het vorige kalenderjaar verschuldigd was.
##### Artikel 3.3.2.9
@@ -486,13 +466,13 @@
##### Artikel 3.4.2
1. In afwijking van [artikel 3.4.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035948&hoofdstuk=3¶graaf=4&artikel=3.4.1&z=2025-07-01&g=2025-07-01) bedraagt voor de daar bedoelde verzekerde die in Nederland is gaan wonen binnen twaalf jaar nadat zijn verzekering ingevolge de wet of de [Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002614) laatstelijk is geëindigd of, indien het een minderjarige betreft, de verzekering ingevolge de wet dan wel de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten van zijn wettelijk vertegenwoordiger laatstelijk is geëindigd, de periode gedurende welke hij geen recht op de in artikel 3.4.1 bedoelde zorg heeft, een aantal maanden overeenkomend met het aantal volle jaren liggende tussen het tijdstip van vestiging in Nederland en het einde van het laatste tijdvak van verzekering ingevolge de wet dan wel de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten.
1. In afwijking van [artikel 3.4.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035948&hoofdstuk=3¶graaf=4&artikel=3.4.1&z=2026-01-01&g=2026-01-01) bedraagt voor de daar bedoelde verzekerde die in Nederland is gaan wonen binnen twaalf jaar nadat zijn verzekering ingevolge de wet of de [Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002614) laatstelijk is geëindigd of, indien het een minderjarige betreft, de verzekering ingevolge de wet dan wel de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten van zijn wettelijk vertegenwoordiger laatstelijk is geëindigd, de periode gedurende welke hij geen recht op de in artikel 3.4.1 bedoelde zorg heeft, een aantal maanden overeenkomend met het aantal volle jaren liggende tussen het tijdstip van vestiging in Nederland en het einde van het laatste tijdvak van verzekering ingevolge de wet dan wel de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten.
2. Indien de verzekerde, bedoeld in het eerste lid, in die periode van twaalf jaar ten laste van Nederland recht heeft gehad op verstrekkingen met toepassing van een Verordening van de Raad van de Europese gemeenschappen of van een verdrag inzake sociale zekerheid waarbij Nederland partij is, wordt het aantal volle jaren gedurende welke hij dat recht ten laste van Nederland had, in mindering gebracht op de periode, bedoeld in het eerste lid.
##### Artikel 3.4.3
De [artikelen 3.4.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035948&hoofdstuk=3¶graaf=4&artikel=3.4.1&z=2025-07-01&g=2025-07-01) en [3.4.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035948&hoofdstuk=3¶graaf=4&artikel=3.4.2&z=2025-07-01&g=2025-07-01) zijn niet van toepassing op:
De [artikelen 3.4.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035948&hoofdstuk=3¶graaf=4&artikel=3.4.1&z=2026-01-01&g=2026-01-01) en [3.4.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035948&hoofdstuk=3¶graaf=4&artikel=3.4.2&z=2026-01-01&g=2026-01-01) zijn niet van toepassing op:
- a. vreemdelingen die rechtmatig in Nederland verblijf hebben als bedoeld in [artikel 8, onder c en d, van de Vreemdelingenwet 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8);
@@ -532,7 +512,7 @@
- d. de verzekerde, gelet op de door hem verstrekte gegevens of bescheiden, voornemens is om het persoonsgebonden budget uitsluitend te besteden aan de inkoop van zorg bij zorgaanbieders die gecontracteerd zijn door de Wlz-uitvoerder.
2. Het zorgkantoor kan besluiten de verleningsbeschikking niet in te trekken indien de verzekerde het persoonsgebonden budget geheel besteedt aan de inkoop van zorg bij een kleinschalig wooninitiatief als bedoeld in [artikel 3.1.4, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035948&hoofdstuk=3¶graaf=1&artikel=3.1.4&z=2025-07-01&g=2025-07-01), dat nadat het kleinschalig wooninitiatief aan betreffende verzekerde zorg heeft verleend ten laste van een persoonsgebonden budget op grond van deze wet, inmiddels gecontracteerd is door de Wlz-uitvoerder.
2. Het zorgkantoor kan besluiten de verleningsbeschikking niet in te trekken indien de verzekerde het persoonsgebonden budget geheel besteedt aan de inkoop van zorg bij een kleinschalig wooninitiatief als bedoeld in [artikel 3.1.4, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035948&hoofdstuk=3¶graaf=1&artikel=3.1.4&z=2026-01-01&g=2026-01-01), dat nadat het kleinschalig wooninitiatief aan betreffende verzekerde zorg heeft verleend ten laste van een persoonsgebonden budget op grond van deze wet, inmiddels gecontracteerd is door de Wlz-uitvoerder.
3. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de verlening of weigering van een persoonsgebonden budget.
@@ -542,7 +522,7 @@
- a. vermindering van het bedrag voor de bestanddelen behandeling, kapitaallasten, kosten voor verblijf of andere bestanddelen,
- b. vermeerdering van het bedrag voor verzekerden die wonen in een kleinschalig wooninitiatief als bedoeld in [artikel 3.1.3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035948&hoofdstuk=3¶graaf=1&artikel=3.1.3&z=2025-07-01&g=2025-07-01),
- b. vermeerdering van het bedrag voor verzekerden die wonen in een kleinschalig wooninitiatief als bedoeld in [artikel 3.1.3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035948&hoofdstuk=3¶graaf=1&artikel=3.1.3&z=2026-01-01&g=2026-01-01),
- c. de hoogte van het bedrag indien de verzekerde naast het persoonsgebonden budget ook een modulair pakket thuis ontvangt of wenst te ontvangen.
@@ -582,7 +562,7 @@
- a. overeenkomstig de beschikking tot verlening van het persoonsgebonden budget, bedoeld in [artikel 3.3.3, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=3.3.3);
- b. overeenkomstig de door de verzekerde met de zorgaanbieder of mantelzorger gesloten, geldige overeenkomst die voldoet aan de bij ministeriële regeling gestelde regels en voorwaarden als bedoeld in [artikel 3.6.4, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035948&hoofdstuk=3¶graaf=6&artikel=3.6.4&z=2025-07-01&g=2025-07-01);
- b. overeenkomstig de door de verzekerde met de zorgaanbieder of mantelzorger gesloten, geldige overeenkomst die voldoet aan de bij ministeriële regeling gestelde regels en voorwaarden als bedoeld in [artikel 3.6.4, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035948&hoofdstuk=3¶graaf=6&artikel=3.6.4&z=2026-01-01&g=2026-01-01);
- c. tot afdracht van eventuele loonheffing, premies voor de sociale verzekeringen en inkomensafhankelijke bijdragen op grond van de [Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450);
@@ -892,7 +872,7 @@
1. Het Zorginstituut verstrekt aan organisaties subsidies voor het verlenen van ADL-assistentie voor zover die organisaties de ADL-assistentie verlenen aan verzekerden die woonachtig zijn in ADL-woningen.
2. De organisaties, bedoeld in het eerste lid, verlenen ADL-assistentie aan verzekerden volgens een door het CIZ genomen besluit als bedoeld in [artikel 5.2.1, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035948&hoofdstuk=5¶graaf=2&artikel=5.2.1&z=2025-07-01&g=2025-07-01).
2. De organisaties, bedoeld in het eerste lid, verlenen ADL-assistentie aan verzekerden volgens een door het CIZ genomen besluit als bedoeld in [artikel 5.2.1, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035948&hoofdstuk=5¶graaf=2&artikel=5.2.1&z=2026-01-01&g=2026-01-01).
3. In de ADL-woningen wordt zorg geleverd aan verzekerden:
@@ -1086,7 +1066,7 @@
1. Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.
2. [Artikel 8.1.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035948&hoofdstuk=8¶graaf=1&artikel=8.1.3&z=2025-07-01&g=2025-07-01) werkt terug tot en met de datum waarop [de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917) in werking treedt.
2. [Artikel 8.1.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035948&hoofdstuk=8¶graaf=1&artikel=8.1.3&z=2026-01-01&g=2026-01-01) werkt terug tot en met de datum waarop [de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917) in werking treedt.
##### Artikel 10.13
@@ -1138,13 +1118,7 @@
##### Artikel 3.3.2.4a
1. Voor de toepassing van [artikel 3.3.2.4, eerste of tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035948&hoofdstuk=3¶graaf=3.2&artikel=3.3.2.4&z=2025-07-01&g=2025-07-01), bestaat het bijdrageplichtig inkomen voor de berekening van de eigen bijdrage, bedoeld in [artikel 3.3.2.2, eerste of tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035948&hoofdstuk=3¶graaf=3.2&artikel=3.3.2.2&z=2025-07-01&g=2025-07-01), uit het inkomen van de ongehuwde verzekerde, dan wel van de gehuwde verzekerden tezamen, verminderd met de compensatie vervallen ouderentoeslag, indien het inkomen van de verzekerde die de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt, verminderd met 4% van dat vermogen, minder dan € 22.833 bedraagt.
2. De uitkomst van de berekening, bedoeld in het eerste lid, wordt vermeerderd met de vermogensinkomensbijtelling.
3. De uitkomst van de berekening, bedoeld in het eerste lid, wordt vermeerderd met de compensatie vervallen ouderentoeslag van de echtgenoot, indien de echtgenoot van de verzekerde de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt en het inkomen van de echtgenoot, verminderd met 4% van zijn vermogen, minder dan € 22.833 bedraagt.
4. Het op grond van het eerste en tweede lid berekende bijdrageplichtig inkomen uit het inkomen over het peiljaar van de ongehuwde verzekerde, onderscheidenlijk van de gehuwde verzekerden tezamen, wordt verminderd met € 7.456,20 indien een verzekerde een modulair pakket thuis of een persoonsgebonden budget ontvangt.
Vervallen
#### § 3.3. Eigen bijdrage voor modulair pakket thuis
@@ -1202,17 +1176,7 @@
##### Artikel 3.3.1.2a
1. De compensatie vervallen ouderentoeslag bedraagt de som van:
- a. 4% van de grondslag sparen en beleggen, verminderd met, voor zover van toepassing, de vermogensbestanddelen als bedoeld in [artikel 3.3.1.2, eerste lid, onder a en b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035948&hoofdstuk=3¶graaf=3.1&artikel=3.3.1.2&z=2025-07-01&g=2025-07-01), en
- b. de vermogensinkomensbijtelling,
doch ten hoogste € 1.700.
2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op de echtgenoot van de verzekerde.
3. De vermogensinkomensbijtelling bedraagt 4% van het vermogen van de ongehuwde verzekerde, dan wel de opgetelde vermogens van de gehuwde verzekerden.
De vermogensinkomensbijtelling bedraagt 4% van het vermogen van de ongehuwde verzekerde, dan wel de opgetelde vermogens van de gehuwde verzekerden.
#### § 3.2. De berekening van de eigen bijdragen
@@ -1260,7 +1224,7 @@
##### Artikel 3.3.2.2a
1. In geval aan een verzekerde of gehuwde verzekerden tezamen meerdere leveringsvormen zijn toegekend, wordt met het oog op de samenloop van bijdragen bij de toepassing van de [artikelen 3.3.2.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035948&hoofdstuk=3¶graaf=3.2&artikel=3.3.2.1&z=2025-07-01&g=2025-07-01) en [3.3.2.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035948&hoofdstuk=3¶graaf=3.2&artikel=3.3.2.2&z=2025-07-01&g=2025-07-01) de volgende rangorde in acht genomen bij de verschuldigdheid van bijdragen door de ongehuwde verzekerde of de gehuwde verzekerden tezamen:
1. In geval aan een verzekerde of gehuwde verzekerden tezamen meerdere leveringsvormen zijn toegekend, wordt met het oog op de samenloop van bijdragen bij de toepassing van de [artikelen 3.3.2.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035948&hoofdstuk=3¶graaf=3.2&artikel=3.3.2.1&z=2026-01-01&g=2026-01-01) en [3.3.2.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035948&hoofdstuk=3¶graaf=3.2&artikel=3.3.2.2&z=2026-01-01&g=2026-01-01) de volgende rangorde in acht genomen bij de verschuldigdheid van bijdragen door de ongehuwde verzekerde of de gehuwde verzekerden tezamen:
- 1°. verblijf in een instelling;