Besluit van 3 juli 2018, houdende regels over activiteiten in de fysieke leefomgeving (Besluit activiteiten leefomgeving)
Autowrakken die zijn ontdaan van de stoffen en materialen, bedoeld in de artikelen 4.587, eerste lid, en 4.588, eerste lid, kunnen op een andere locatie worden opgeslagen, als:
- a. op die locatie geen demontageactiviteiten of activiteiten met de autowrakken worden verricht die ertoe leiden dat de identiteit of de inhoud van de autowrakken niet meer herkenbaar is; en
- b. de autowrakken na opslag op de opslaglocatie naar een locatie als bedoeld in het eerste lid worden gebracht.
Autowrakken die zijn ontdaan van de stoffen en materialen, bedoeld in artikel 4.587, eerste lid, kunnen, voordat ze worden afgevoerd volgens het eerste lid, ter beschikking worden gesteld aan een instelling voor oefendoeleinden en opleidingsdoeleinden.
Artikel 4.592. (afval: in ontvangst nemen van wrakken)
Met het oog op een doelmatig beheer van afvalstoffen wordt bij de ontvangst van een autowrak met een kenteken dat is verstrekt door een in een andere lidstaat van de Europese Unie daarvoor aangewezen instantie, op verzoek van degene die zich van dat autowrak ontdoet, een certificaat van vernietiging als bedoeld in artikel 5, derde lid, van de richtlijn autowrakken afgegeven. Hierin worden in ieder geval de volgende gegevens opgenomen:
- a. de naam, het adres en de handtekening van degene die het certificaat van vernietiging afgeeft;
- b. de datum van afgifte van het certificaat van vernietiging;
- c. het kenteken van het autowrak, met inbegrip van de kenletters van het land;
- d. de categorie van voertuigen waartoe het autowrak behoort en het merk en het model van het autowrak;
- e. het voertuigidentificatienummer van het autowrak; en
- f. de naam, het adres, de nationaliteit en de handtekening van de eigenaar of houder van het afgegeven autowrak.
Bij het certificaat van vernietiging wordt het kentekenbewijs dat bij het autowrak hoort gevoegd.
Als het kentekenbewijs dat bij het autowrak hoort niet aanwezig is, wordt dat op het certificaat van vernietiging aangegeven.
§ 4.48. Opslaan van autowrakken
Artikel 4.593. (toepassingsbereik)
Deze paragraaf is van toepassing op het opslaan van autowrakken na demontage op een andere locatie dan die waarop de wrakken zijn gedemonteerd.
Artikel 4.594. (melding)
Het is verboden de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 4.593, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.
Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.
Artikel 4.595. (afval: activiteiten met autowrakken)
Met het oog op een doelmatig beheer van afvalstoffen worden geen demontageactiviteiten of activiteiten met de autowrakken verricht die ertoe leiden dat de identiteit of de inhoud van de autowrakken niet meer herkenbaar is.
Er worden niet meer dan 50 autowrakken opgeslagen.
Als de activiteit plaatsvindt aan een kade en de autowrakken via de kade worden vervoerd, worden niet meer dan 400 autowrakken opgeslagen.
De autowrakken worden na opslag op de opslaglocatie gebracht naar een locatie met een shredderinstallatie die de autowrakken scheidt in metaalschroot dat direct te recyclen is en shredderafvalstoffen.
§ 4.49. Zuiveringtechnisch werk
Artikel 4.596. (toepassingsbereik)
Deze paragraaf is van toepassing op het in een zuiveringtechnisch werk:
- a. in de waterlijn ontvangen en behandelen van stedelijk afvalwater met een vervuilingswaarde van ten minste 2.000 inwonerequivalenten; en
- b. indikken en mechanisch ontwateren van het vrijkomende slib.
Artikel 4.597. (melding lozing op een oppervlaktewaterlichaam)
Het is verboden het afvalwater afkomstig van een activiteit als bedoeld in artikel 4.596 te lozen op een oppervlaktewaterlichaam zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.
Een melding bevat:
- a. de locaties van de lozingspunten;
- b. de ontwerpcapaciteit van het zuiveringtechnisch werk in inwonerequivalenten;
- c. het gemiddelde lozingsdebiet in kubieke meters per dag;
- d. de maximale hydraulische aanvoer in kubieke meters per uur; en
- e. de resultaten van de immissietoets voor fosforverbindingen en stikstofverbindingen, verricht volgens het Handboek Immissietoets.
Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.
Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.
Artikel 4.598. (aanwijzing modules: eindonderzoek bodem en bodembeschermende voorzieningen)
Bij het verrichten van een activiteit als bedoeld in artikel 4.596 wordt voldaan aan de regels over:
- a. het eindonderzoek bodem, bedoeld in paragraaf 5.2.1; en
- b. bodembeschermende voorzieningen, bedoeld in paragraaf 5.4.2.
Artikel 4.599. (bodem: bodembeschermende voorziening)
Met het oog op het voorkomen of beperken van verontreiniging van de bodem bevindt het bovengrondse gedeelte van het zuiveringtechnisch werk, waar slib wordt ontwaterd en opgeslagen en waar leidingwerk met primair slib is, zich boven een aaneengesloten bodemvoorziening.
Het ondergrondse gedeelte van het zuiveringtechnisch werk, waar slib wordt ontwaterd en opgeslagen en waar leidingwerk met primair slib is, en het gedeelte van de waterlijn vanaf het ontvangstwerk tot de selector of beluchtingstank zijn lekdicht uitgevoerd.
Artikel 4.600. (bodem: bassins, tanks en leidingen in de waterlijn)
Met het oog op het voorkomen of beperken van verontreiniging van de bodem met zware metalen, PAK’s en tolueen voldoen het ontwerpproces en het aanlegproces van bassins, tanks en leidingen in de waterlijn vanaf het ontvangstwerk tot de selector of de beluchtingstank aan:
- a. CUR/PBV-Aanbeveling 51, met uitzondering van de paragrafen 4.1, 5.1, 6.1.1 en 6.1.2; en
- b. CUR/PBV-Aanbeveling 65, met uitzondering van paragraaf 5.2.1.
Artikel 4.601. (bodem: controle lekdichtheid zuiveringtechnisch werk)
Met het oog op het voorkomen of beperken van verontreiniging van de bodem met zware metalen, PAK’s en tolueen wordt de lekdichtheid van de bedrijfsonderdelen van een zuiveringtechnisch werk gecontroleerd met geo-elektrische metingen met een meetfrequentie van eenmaal per zes jaar volgens AS SIKB 6700 door een inspectie-instantie met een erkenning bodemkwaliteit voor AS SIKB 6700.
In plaats van door geo-elektrische metingen kan ook op lekdichtheid worden gecontroleerd met een grondwatermonitoringssysteem dat bestaat uit:
- a. een horizontaal monitoringssysteem, bij een zuiveringtechnisch werk aangelegd op of na 1 januari 2012; of
- b. verticale peilbuizen, bij een zuiveringtechnisch werk aangelegd voor 1 januari 2012.
Artikel 4.602. (bodem: constructie grondwatermonitoringssysteem)
Met het oog op het voorkomen of beperken van verontreiniging van de bodem liggen de horizontale en verticale peilbuizen van een grondwatersysteem niet meer dan 30 m van elkaar.
Als binnen een afstand van 60 m, gemeten van hart tot hart, meerdere bassins of tanks zijn geplaatst, wordt een extra horizontale of verticale peilbuis geplaatst.
Als bassins of tanks zijn geplaatst op meer dan 60 m van elkaar, gemeten van hart tot hart, wordt om de 30 m een horizontale of een verticale peilbuis geplaatst.
Een verticale peilbuis en de plaatsing van een verticale peilbuis voldoen aan NEN 5766.
Horizontale peilbuizen en verticale peilbuizen worden benedenstrooms ten opzichte van de stroming van het grondwater geplaatst.
Artikel 4.603. (bodem: meting)
De achtergrondwaarden aan chemische zuurstofverbruik en ammoniumstikstof worden vastgesteld in het grondwater van een peilbuis die bovenstrooms is geplaatst.
Eenmaal per kalenderjaar wordt een gefiltreerd monster, dat is genomen uit het horizontaal monitoringssysteem of uit de peilbuizen, geanalyseerd op CZV en N-NH4. Tussen opeenvolgende monsternames ligt ten minste elf maanden.
Als de gemeten waarden meer dan 50% hoger zijn dan de achtergrondwaarden, wordt na uiterlijk twee maanden een nieuw grondwatermonster uit het monitoringssysteem en een grondwatermonster uit een bovenstrooms geplaatste peilbuis geanalyseerd.
Als de gemeten waarden tijdens drie opeenvolgende waarnemingen gemiddeld meer dan 50% hoger zijn dan de achtergrondwaarden, wordt de meetfrequentie verhoogd naar twee monsters per jaar voor de peilbuis. Tussen opeenvolgende monsternames liggen ten minste vijf maanden.
Als de gemeten waarden tijdens drie opeenvolgende waarnemingen gemiddeld meer dan 50% hoger zijn dan de achtergrondwaarden:
- a. worden de monsters die daarna worden genomen geanalyseerd op de stoffen, bedoeld in NEN 5740; en
- b. wordt een herstelplan opgesteld.
Er worden peilbuizen geplaatst en grondwatermonsters genomen door:
- a. een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 2000; of
- b. een certificatie-instantie of inspectie-instantie met een erkenning bodemkwaliteit voor AS SIKB 2000.
De grondwatermonsters worden geanalyseerd door een laboratorium met een erkenning bodemkwaliteit voor AS SIKB 3000.
Artikel 4.604. (gegevens en bescheiden: resultaten grondwateranalyse)
Ten minste eenmaal per twee kalenderjaren worden uiterlijk twee maanden na de laatste bemonsteringen de resultaten van de analyse, bedoeld in artikel 4.603, tweede lid, verstrekt aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2.
Artikel 4.605. (informeren: hogere meetwaarden grondwateranalyse)
Het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, wordt geïnformeerd over meetwaarden die meer dan 50% hoger zijn dan de achtergrondwaarde, bedoeld in artikel 4.603, vijfde lid.
Artikel 4.606. (water: exploitatie zuiveringtechnisch werk)
Met het oog op het beperken van verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam wordt een zuiveringtechnisch werk zo geëxploiteerd en onderhouden dat onder normale weersomstandigheden de doelmatige werking ervan is gewaarborgd.
Het lozingspunt is zo gekozen dat de nadelige gevolgen voor een oppervlaktewaterlichaam waarop wordt geloosd zo klein mogelijk zijn.
Artikel 4.607. (water: lozingsroute)
Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater wordt het te lozen gezuiverde afvalwater afkomstig van de behandeling van stedelijk afvalwater geloosd op een oppervlaktewaterlichaam.
Als een maatwerkvoorschrift is gesteld of een voorschrift aan een omgevingsvergunning is verbonden waarin een andere lozingsroute is toegestaan, wordt het te lozen afvalwater geloosd op een oppervlaktewaterlichaam of via die andere route.
Artikel 4.608. (water: emissiegrenswaarden lozing op een oppervlaktewaterlichaam)
Voor het afvalwater dat wordt geloosd op een oppervlaktewaterlichaam, zijn de emissiegrenswaarden:
- a. de waarden, bedoeld in de tweede kolom van tabel 4.608a, gemeten in een tijdproportioneel of volumeproportioneel etmaalmonster; en
- b. afhankelijk van de ontwerpcapaciteit van het zuiveringtechnisch werk de waarden, bedoeld in tabel 4.608b, gemeten in een voortschrijdend jaargemiddelde.
Afhankelijk van het aantal monsters dat per jaar wordt genomen, zijn voor het aantal monsters, bedoeld in de tweede kolom van tabel 4.608c, de emissiegrenswaarden niet de waarden, bedoeld in de tweede kolom van tabel 4.608a, maar de waarden, bedoeld in de derde kolom van die tabel, gemeten in een tijdproportioneel of volumeproportioneel etmaalmonster.
Monsters met extreme concentraties die het gevolg zijn van ongebruikelijke situaties zoals zware regenval worden buiten beschouwing gelaten.
| Stoffen | Emissiegrenswaarde als bedoeld in het eerste lid, onder a, in mg/l | Emissiegrenswaarde als bedoeld in het tweede lid, in mg/l |
|---|---|---|
| Biochemisch zuurstofverbruik zonder nitrificatie | 20 | 40 |
| Chemisch zuurstofverbruik | 125 | 250 |
| Onopgeloste stoffen | 30 | 75 |
| Stoffen | Emissiegrenswaarde in mg/l | Emissiegrenswaarde in mg/l |
| --- | --- | --- |
| Stoffen | Bij een ontwerpcapaciteit van 2.000 tot 20.000 inwonerequivalenten | Bij een ontwerpcapaciteit van 20.000 tot 100.000 inwonerequivalenten |
| Som van fosforverbindingen | 2,0 | 2,0 |
| Som van stikstofverbindingen | 15 | 10 |
| Aantal genomen monsters per jaar | Aantal monsters met andere emissiegrenswaarden | |
| --- | --- | |
| 4–7 | 1 | |
| 8–16 | 2 | |
| 17–28 | 3 | |
| 29–40 | 4 | |
| 41–53 | 5 | |
| 54–67 | 6 | |
| 68–81 | 7 | |
| 82–95 | 8 | |
| 96–110 | 9 | |
| 111–125 | 10 | |
| 126–140 | 11 | |
| 141–155 | 12 | |
| 156–171 | 13 | |
| 172–187 | 14 | |
| 188–203 | 15 | |
| 204–219 | 16 | |
| 220–235 | 17 | |
| 236–251 | 18 | |
| 252–268 | 19 | |
| 269–284 | 20 | |
| 285–300 | 21 | |
| 301–317 | 22 | |
| 318–334 | 23 | |
| 335–350 | 24 | |
| 351–365 | 25 |
Artikel 4.609. (afbakening mogelijkheid maatwerk)
Een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift waarmee de emissiegrenswaarden, bedoeld in artikel 4.608, worden verhoogd, wordt alleen gesteld als:
- a. als gevolg van dat maatwerk in totaal ten minste 75% van totaal fosfor en totaal stikstof wordt verwijderd in de zuiveringtechnische werken onder de zorg van degene die de activiteit verricht; en
- b. het zuiveringtechnisch werk:
- 1°. voor 1 september 1992 in gebruik is genomen en de ontwerpcapaciteit sinds de datum dat het in gebruik werd genomen met niet meer dan 25% is uitgebreid; of
- 2°. een ontwerpcapaciteit heeft van minder dan 20.000 inwonerequivalenten.
De emissiegrenswaarden, bedoeld in tabel 4.608a, worden niet versoepeld, en van de aantallen monsters, bedoeld in tabel 4.608c, wordt niet afgeweken.
Artikel 4.610. (water: meetmethoden)
Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.
Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.
Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en etmaalmonsters worden individueel geanalyseerd.
Op het analyseren is van toepassing:
- a. voor onopgeloste stoffen: NEN-EN 872;
- b. voor het biochemisch zuurstofverbruik: ISO 5815-1/2;
- c. voor chemisch zuurstofverbruik: NEN-ISO 15705;
- d. voor nitrietstikstof en nitraatstikstof: NEN-EN-ISO 13395 of NEN-ISO 15923-1;
- e. voor organisch stikstof: NEN-ISO 5663 of NEN 6646;
- f. voor ammoniumstikstof: NEN 6646, NEN-EN-ISO 11732 of NEN-ISO 15923-1; en
- g. voor de som van fosforverbindingen: NEN-ISO 15681-1, NEN-ISO 15681-2 NEN-EN-ISO 15681-2, NEN-EN-ISO 11885 of NEN-EN-ISO 17294-2.
Artikel 4.611. (water: bemonsterplicht en analyseplicht)
Het inkomende stedelijk afvalwater en het afvalwater dat wordt geloosd wordt tijdproportioneel of volumeproportioneel over een etmaal bemonsterd en geanalyseerd op de stoffen en parameters, bedoeld in artikel 4.608.
Het aantal monsters per jaar is ten minste het aantal, bedoeld in tabel 4.611, afhankelijk van de ontwerpcapaciteit van het zuiveringtechnisch werk.
Als de ontwerpcapaciteit minder is dan 10.000 inwonerequivalenten en in het voorafgaande jaar werd voldaan aan de waarden, bedoeld in artikel 4.608, is het aantal monsters voor het biochemisch zuurstofverbruik en chemisch zuurstofverbruik ten minste 4.
Als uit de resultaten van een analyse blijkt dat in het inkomende stedelijk afvalwater het gehalte aan nitrietstikstof en nitraatstikstof in het voorafgaande jaar voortdurend lager is dan 1% ten opzichte van het gehalte aan organisch stikstof, kan ook alleen het gehalte aan organisch stikstof in dat afvalwater worden geanalyseerd.
| Ontwerpcapaciteit zuiveringtechnisch werk | Aantal monsters per jaar | Aantal monsters per jaar |
|---|---|---|
| Ontwerpcapaciteit zuiveringtechnisch werk | Voor de som van fosforverbindingen en de som van stikstofverbindingen | Voor het biochemisch zuurstofverbruik en chemisch zuurstofverbruik |
| 2.000 tot 5.000 inwonerequivalenten | 12 | 12 |
| 5.000 tot 50.000 inwonerequivalenten | 24 | 12 |
| 50.000 tot 100.000 inwonerequivalenten | 48 | 24 |
| Meer dan 100.000 inwonerequivalenten | 60 | 24 |
Artikel 4.612. (afbakening mogelijkheid maatwerk)
Met een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift wordt artikel 4.611 niet versoepeld.
Artikel 4.613. (water: rekenmethode zuiveringsrendement)
Het totale zuiveringsrendement van een zuiveringtechnisch werk wordt berekend volgens de formule:
waarbij wordt verstaan onder:
η: zuiveringsrendement;
Vi: de hoeveelheid van de som van stikstofverbindingen en de som van fosforverbindingen in het stedelijk afvalwater dat wordt gezuiverd, in kilogram per joule; en
Ve: de hoeveelheid van de som van stikstofverbindingen, en de som van fosforverbindingen in het stedelijk afvalwater dat na de zuivering wordt geloosd, in kilogram per joule.
Vi en Ve worden berekend volgens de formules:
waarbij wordt verstaan onder:
r: het zuiveringtechnisch werk;
n: het aantal zuiveringtechnische werken;
d: de bemonsteringsdag;
Mr: het aantal bemonsteringsdagen per jaar voor het zuiveringtechnisch werk;
ird: de concentratie op de bemonsteringsdag van stikstofverbindingen en fosforverbindingen in het stedelijk afvalwater dat door het zuiveringtechnisch werk wordt gezuiverd, in gram per kubieke meter;
Erd: de na de zuivering door het zuiveringtechnisch werk op de bemonsteringsdag geloosde hoeveelheid stedelijk afvalwater, in kubieke meters; en
erd: de concentratie op de bemonsteringsdag van stikstofverbindingen en fosforverbindingen in het stedelijk afvalwater dat na de zuivering door het zuiveringtechnisch werk wordt geloosd, in gram per kubieke meter.
Met een debietmeting wordt continu de hoeveelheid geloosd afvalwater in kubieke meters per dag bepaald, met een methode waarvan de onnauwkeurigheid kleiner is dan 5%.
Artikel 4.614. (gegevens en bescheiden: stedelijk afvalwater)
Ten minste binnen vier maanden na afloop van elk kalenderjaar worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt aan Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat:
- a. een overzicht van de zuiveringtechnische werken onder de zorg van degene die de activiteit verricht;
- b. een overzicht van de resultaten van de bemonstering en analyse, bedoeld in artikel 4.611; en
- c. het totale zuiveringsrendement, bedoeld in artikel 4.613.
Artikel 4.615. (water: riooltekening)
Er is een tekening beschikbaar waarop is aangegeven:
- a. op welke punten welk afvalwater wordt geloosd;
- b. of de punten waarop afvalwater wordt geloosd zijn aangesloten op het eigen vuilwaterriool of een schoonwaterriool; en
- c. op welke lozingsroutes het eigen vuilwaterriool en een schoonwaterriool uitkomen.
Artikel 4.616
Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2020/400.
Artikel 4.617
Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2020/400.
§ 4.50. Ontvangen van afvalstoffen
Artikel 4.618. (toepassingsbereik)
Deze paragraaf is van toepassing op het ontvangen van afvalstoffen bij inzameling of afgifte.
Deze paragraaf is niet van toepassing op het ontvangen van afvalwater vanuit een vuilwaterriool.
Artikel 4.619. (melding)
Het is verboden de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 4.618, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.
Een melding bevat:
- a. een overzicht van de in te nemen afvalstoffen en de te verrichten activiteiten met afvalstoffen;
- b. per activiteit per afvalstof de opslagcapaciteit en de verwerkingscapaciteit per jaar; en
- c. een beschrijving van de procedures van acceptatie en controle van de ontvangen afvalstoffen, bedoeld in artikel 4.620.
Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.
Artikel 4.620. (afval: werkinstructie acceptatie- en controleprocedure)
Met het oog op een doelmatig beheer van afvalstoffen is er een werkinstructie over de procedures van acceptatie en controle van de ontvangen afvalstoffen, die nodig zijn voor een doelmatig beheer van deze afvalstoffen.
In de werkinstructie is onderscheid gemaakt tussen groepen van afvalstoffen waarvoor met het oog op een doelmatig beheer van afvalstoffen verschillende procedures voor de ontvangst worden gebruikt.
In de werkinstructie is per onderscheiden groep van afvalstoffen in ieder geval beschreven:
- a. het type ontdoener waarvan afvalstoffen worden aangenomen, als dit gevolgen heeft voor de acceptatie en controle;
- b. de eisen die degene die de activiteit verricht, stelt aan de manier waarop de afvalstoffen worden aangeboden;
- c. de manier waarop de afvalstoffen worden gecontroleerd bij ontvangst; en
- d. de manier waarop de afvalstoffen die op een milieuhygiënisch relevante manier afwijken van wat gangbaar is voor de categorie, worden behandeld.
§ 4.51. Milieustraat
Artikel 4.621. (toepassingsbereik)
Deze paragraaf is van toepassing op het bieden van gelegenheid om grove huishoudelijke afvalstoffen af te geven op een daarvoor ingerichte locatie.
Artikel 4.622. (melding)
Het is verboden de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 4.621, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.
Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.
Artikel 4.623. (afval: het ontvangen van grove huishoudelijke afvalstoffen)
Met het oog op een doelmatig beheer van afvalstoffen zijn op een locatie waarop gelegenheid wordt geboden om grove huishoudelijke afvalstoffen af te geven, als de volgende huishoudelijke afvalstoffen worden ingenomen, voorzieningen aanwezig voor het gescheiden achterlaten van die afvalstoffen:
- a. afgedankte elektrische en elektronische apparatuur;
- b. asbest;
- c. geïmpregneerd hout;
- d. gasflessen, brandblussers en overige drukhouders;
- e. grond;
- f. niet-geïmpregneerd hout;
- g. banden van voertuigen;
- h. dakafval;
- i. geëxpandeerd polystyreenschuim;
- j. gemengd steenachtig materiaal, met uitzondering van asfalt en gips;
- k. gips;
- l. grof tuinafval;
- m. harde kunststoffen;
- n. matrassen;
- o. metalen;
- p. papier en karton;
- q. textiel, met uitzondering van tapijt; en
- r. vlakglas.
Op de locatie wordt duidelijk aangegeven waar de afvalstoffen, bedoeld in het eerste lid, die niet op de locatie worden ingenomen, kunnen worden aangeboden.
Er wordt zoveel mogelijk voorkomen dat afvalstoffen waarvoor specifieke voorzieningen aanwezig zijn in de voorziening voor het restafval worden achtergelaten.
De voorziening voor matrassen is zo uitgevoerd dat de matrassen niet in contact komen met hemelwater.
Artikel 4.624. (afval: acceptatie- en controleprocedure ontvangen van afvalstoffen)
Er is een werkinstructie als bedoeld in artikel 4.620 over de procedures van acceptatie en controle van de ontvangen afvalstoffen.
In de werkinstructie wordt aangegeven:
- a. hoe wordt voorkomen dat afvalstoffen waarvoor specifieke voorzieningen aanwezig zijn in de voorziening voor het restafval worden achtergelaten;
- b. hoe wordt voorkomen dat op de locatie grove huishoudelijke afvalstoffen worden afgegeven die niet worden ingenomen; en
- c. hoe wordt bereikt dat zo veel mogelijk van de ingenomen afvalstoffen geschikt is en blijft voor en afgevoerd wordt ten behoeve van voorbereiding voor hergebruik en recycling.
§ 4.52. Opslaan van verwijderd asbest
Artikel 4.625. (toepassingsbereik)
Deze paragraaf is van toepassing op het opslaan van verwijderd asbest of een verwijderd asbesthoudend product.
Artikel 4.626. (melding)
Het is verboden de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 4.626, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.
Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.
Artikel 4.627. (gezondheid: tegengaan verspreiding asbest)
Met het oog op het beschermen van de gezondheid en het voorkomen of beperken van de verspreiding van asbest, geeft het opslaan van asbest geen stofverspreiding die met het blote oog waarneembaar is.
Asbest is alleen aanwezig in een container en verpakt in niet-luchtdoorlatend verpakkingsmateriaal van voldoende dikte en sterkte.
Artikel 4.628. (afval: registratie)
Met het oog op een doelmatig beheer van afvalstoffen wordt bij het in containers samenvoegen van asbest van verschillende saneringen, per container vastgelegd van welke saneringen het asbest afkomstig is.
Het eerste lid is niet van toepassing op asbest dat is ingenomen bij een milieustraat als bedoeld in paragraaf 3.5.6.
Artikel 4.628a. (afval: termijn opslaan)
Met het oog op een doelmatig beheer van afvalstoffen wordt verwijderd asbest of een verwijderd asbesthoudend product niet langer dan een jaar opgeslagen.
§ 4.53. Ingeperkt gebruik genetisch gemodificeerde organismen
Artikel 4.629. (toepassingsbereik)
Deze paragraaf is van toepassing op het ingeperkt gebruik van genetisch gemodificeerde organismen.
Artikel 4.630. (melding)
Het is verboden de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 4.629, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.
Een melding bevat:
- a. per type werkruimte als bedoeld in bijlage 4 bij het Besluit genetisch gemodificeerde organismen milieubeheer 2013: het maximale aantal werkruimten waarop inperkingsniveau I of II als bedoeld in artikel 1.5, eerste lid, van dat besluit van toepassing is;
- b. per type werkruimte als bedoeld in bijlage 4 bij het Besluit genetisch gemodificeerde organismen milieubeheer 2013: het maximale aantal werkruimten waarop inperkingsniveau III als bedoeld in artikel 1.5, eerste lid, van dat besluit van toepassing is; en
- c. een plattegrond van de locatie waarop het ggo-gebied is aangegeven.
Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.
Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.
Artikel 4.631. (gegevens en bescheiden: doorgeven biologische-veiligheidsfunctionaris en veiligheidscomités)
Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 4.629, worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
- a. de namen en bereikbaarheidsgegevens van degenen die aanspreekpunt zijn voor het toezicht op en de controle van de veiligheid van handelingen met genetisch gemodificeerde organismen; en
- b. gegevens over het bestaan van biologische veiligheidscomités of subcomités.
Ten minste vier weken voordat de gegevens en bescheiden, bedoeld in het eerste lid, wijzigen, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.
Artikel 4.632. (gegevens en bescheiden: informatie over andere activiteiten)
Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 4.629, worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, gegevens verstrekt over eventuele andere activiteiten die degene die de genetisch gemodificeerde organismen gebruikt, verricht binnen de begrenzing van de locatie, bedoeld in artikel 3.249, voor zover die activiteiten de integriteit van het ggo-gebied kunnen aantasten.
Ten minste vier weken voordat de gegevens en bescheiden, bedoeld in het eerste lid, wijzigen, worden de gewijzigde gegevens en bescheiden verstrekt aan het bevoegd gezag.
Dit artikel is niet van toepassing op een activiteit die als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3 of waarvoor een melding is gedaan op grond van hoofdstuk 4.
Artikel 4.633. (voorkomen verspreiding genetisch gemodificeerde organismen: integriteit ggo-gebied)
Met het oog op het voorkomen van de verspreiding van genetisch gemodificeerde organismen:
- a. bevinden alle categorieën van fysische inperking zich in het ggo-gebied;
- b. is het ggo-gebied alleen toegankelijk voor bevoegde personen; en
- c. wordt de kans op het doorbreken van de integriteit van het ggo-gebied zo klein mogelijk gehouden.
§ 4.54. Crematorium
Artikel 4.634. (toepassingsbereik)
Deze paragraaf is van toepassing op het exploiteren van een crematorium.
Artikel 4.635. (melding)
Het is verboden de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 4.634, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.
Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.
Artikel 4.636. (lucht: verbod verbranden metalen en kunststoffen)
Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de lucht worden geen kisten verbrand die zijn bekleed met lood en zink.
Metalen en kunststofonderdelen worden voor verbranding verwijderd.
Artikel 4.637. (lucht: emissie rookgassen en stikstofoxiden)
Met het oog op het zo volledig mogelijk verbranden van rookgassen en het beperken van het ontstaan van stikstofoxiden heeft een crematieoven een naverbrandingsruimte met een naverbrander waarin de rookgassen uit de hoofdkamer worden naverbrand.
Het ontwerp van de crematieoven is zo, dat onder normale bedrijfsomstandigheden de verblijftijd van de afgassen in de naverbrandingsruimte ten minste 1,5 seconde is bij een temperatuur van ten minste 800 °C.
In de hoofdkamer van de oven en in de naverbrander van de verbrandingsruimte wordt een low-NOx brander toegepast.
In de naverbrandingsruimte worden rookgassen zo gemengd dat ze zo volledig mogelijk worden verbrand.
De temperatuur van de rookgassen in de naverbrandingsruimte wordt door een brander boven de 800 °C gehouden, waartoe de brander van een automatische regeling is voorzien.
Het zuurstofgehalte in de naverbrandingsruimte is ten minste 6%, waarbij kortdurende onderschrijdingen van dit gehalte zijn toegestaan als deze onderschrijdingen nooit langer dan een minuut duren en het zuurstofgehalte boven de 3% blijft.
Artikel 4.638. (lucht: emissie kwik en kwikverbindingen)
Voor de emissie in de lucht is de emissiegrenswaarde voor kwik en kwikverbindingen, berekend als Hg, 0,05 g/Nm3, gemeten in een eenmalige meting.
Het eerste lid is niet van toepassing als de emissie van kwik en kwikverbindingen, berekend als Hg, niet meer is dan 0,075 kg/jaar.
Aan het eerste lid wordt in ieder geval voldaan als de emissies door een adsorptiemedium en een geschikte filtrerende afscheider worden gevoerd.
Bij het ontwerp, de uitvoering en het onderhoud van het adsorptiemedium en de filtrerende afscheider is rekening gehouden met het voorkomen van dioxinevorming en furanenvorming in het filter en het afvangen van de in de afgassen aanwezige dioxinen en furanen.
Artikel 4.639. (lucht: meetmethoden)
Op het verrichten van emissiemetingen van kwik en kwikverbindingen is NEN-EN 15259 van toepassing.
Op het verrichten van een eenmalige meting is voor kwik en kwikverbindingen NEN-EN 13211 van toepassing.
Het berekenen van een emissieconcentratie wordt betrokken op een zuurstofgehalte van 11% onder normaalcondities en voor droog rookgas.
Artikel 4.640. (lucht: meetplicht en uitzondering meetplicht)
Er wordt gemeten of aan de emissiegrenswaarde voor kwik en kwikverbindingen wordt voldaan.
Het eerste lid is niet van toepassing als de maatregelen, bedoeld in 4.638, derde lid, worden getroffen.
Artikel 4.641. (lucht: meten en registratie temperatuur en zuurstofgehalte naverbrandingsruimte)
Met het oog op het beperken van verontreiniging van de lucht worden de temperatuur en het zuurstofgehalte in de naverbrandingsruimte continu gemeten en geregistreerd.
Uiterlijk zes maanden nadat de crematieoven voor het eerst wordt gebruikt en daarna jaarlijks wordt de oven gecontroleerd door een onderneming met een certificaat voor de Deelregeling voor inspectie en onderhoud van stookinstallaties, onderdeel van de Certificatieregeling voor het kwaliteitsmanagementsysteem ten behoeve van het uitvoeren van onderhoud en inspecties aan technische installaties, van de stichting SCIOS, verstrekt door een certificatie-instantie met een accreditatie volgens ISO/IEC 17021-1 voor die Deelregeling.
In het crematorium is een logboek of systeem aanwezig waarin de volgende gegevens worden vastgelegd:
- a. de onderhoudsresultaten en controleresultaten en de meetwaarden, bedoeld in het eerste en tweede lid; en
- b. de opgetreden storingen of andere onregelmatigheden die van invloed kunnen zijn op de luchtemissie, onder vermelding van de datum, het tijdstip en de aard van de storing en de getroffen acties om de storing ongedaan te maken en voor de toekomst te voorkomen.
Artikel 4.642. (lucht: emissie totaal stof bij crematieoven voor dieren)
Voor de emissie in de lucht bij het exploiteren van een crematieoven voor dieren is de emissiegrenswaarde van totaal stof 5 mg/Nm3, gemeten in een eenmalige meting.
Het eerste lid is niet van toepassing als de emissie van totaal stof niet meer is dan 100 kg/jaar.
Aan het eerste lid wordt in ieder geval voldaan als de emissies door een geschikte filtrerende afscheider worden gevoerd.
Artikel 4.643. (lucht: meetmethoden)
Op het verrichten van emissiemetingen van totaal stof is NEN-EN 15259 van toepassing.
Op het verrichten van een eenmalige meting is voor totaal stof NEN-EN 13284-1 van toepassing.
Artikel 4.644. (lucht: meetplicht en uitzondering meetplicht)
Er wordt gemeten of aan de emissiegrenswaarde voor totaal stof wordt voldaan.
Het eerste lid is niet van toepassing als de maatregel, bedoeld in 4.642, derde lid, wordt getroffen.
Artikel 4.645. (lucht: eenmalige meting)
Een eenmalige meting bestaat uit drie deelmetingen van ten minste vijftien minuten en ten hoogste een half uur. Dit geldt niet als een langere bemonsteringstijd voortvloeit uit de meetmethode of de representatieve wijze van bemonsteren.
Het resultaat van de eenmalige meting zijn de gevalideerde meetresultaten. Dat zijn de meetresultaten van de deelmetingen, verminderd met de aangetoonde meetonzekerheid, die niet meer is dan 30% van de emissiegrenswaarde.
De meetonzekerheid wordt bepaald op basis van het 95%-betrouwbaarheidsinterval van individuele metingen.
De meting wordt verricht door een laboratorium met een accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17025 voor de norm die volgens artikel 4.643 van toepassing is op de stof die wordt gemeten.
Artikel 4.646. (afval: inzamelen stof)
Met het oog op een doelmatig beheer van afvalstoffen wordt het afgevangen stof uit de filtrerende afscheider afgegeven aan een daarvoor erkende inzamelaar.
§ 4.55. Laboratorium
Artikel 4.647. (toepassingsbereik)
Deze paragraaf is van toepassing op het exploiteren van:
- a. een laboratorium; of
- b. een praktijkruimte waar practica worden verricht voor middelbaar en hoger onderwijs.
Artikel 4.648. (melding)
Het is verboden de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 4.647, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.
Als wordt gewerkt met een biologisch agens, bevat een melding:
- a. informatie over de groep waarin het biologisch agens is of wordt ingedeeld als gevolg van de indeling in risicogroepen van de richtlijn biologische agentia;
- b. een aanduiding of het gaat om een biologisch agens dat als ziekteverwekker is aangewezen op grond van artikel 2.22, tweede lid, van de Wet dieren; en
- c. de ligging van de ruimten waar wordt gewerkt met het biologisch agens.
Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.
Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.
Artikel 4.649. (aanwijzing modules: eindonderzoek bodem en bodembeschermende voorzieningen)
Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 4.647, wordt voldaan aan de regels over:
- a. het eindonderzoek bodem, bedoeld in paragraaf 5.2.1; en
- b. bodembeschermende voorzieningen, bedoeld in paragraaf 5.4.2.
Artikel 4.650. (bodem: bodembeschermende voorziening)
Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem met alcohol en zuren bevindt een laboratorium of een praktijkruimte zich boven een aaneengesloten bodemvoorziening.
Artikel 4.651. (water: lozingsroute)
Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater wordt het te lozen afvalwater afkomstig van het exploiteren van een laboratorium of een praktijkruimte geloosd in een vuilwaterriool.
Als een maatwerkvoorschrift is gesteld of een voorschrift aan een omgevingsvergunning is verbonden waarin een andere lozingsroute is toegestaan, wordt het te lozen afvalwater geloosd in een vuilwaterriool of via die andere route.
Artikel 4.652. (water: werkinstructie en voorzieningen)
Met het oog op het voorkomen of beperken van verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam en de doelmatige werking van de voorzieningen voor het beheer van afvalwater:
- a. is er een werkinstructie over het voorkomen van verontreiniging van afvalwater opgesteld; en
- b. zijn voorzieningen aanwezig die zijn afgestemd op de werkzaamheden die worden verricht.
In de werkinstructie is in ieder geval beschreven:
- a. wat de afvalwaterstromen zijn en of ze wel of niet kunnen worden geloosd; en
- b. welke werkwijze wordt gevolgd en welke maatregelen worden getroffen om het lozen van stoffen te beperken.
Artikel 4.653. (water: riooltekening)
Er is een tekening beschikbaar waarop is aangegeven:
- a. op welke punten welk afvalwater wordt geloosd;
- b. of de punten waarop afvalwater wordt geloosd zijn aangesloten op het eigen vuilwaterriool of een schoonwaterriool; en
- c. op welke lozingsroutes het eigen vuilwaterriool en een schoonwaterriool uitkomen.
Artikel 4.654. (lucht: stofklassen)
Bijlage III bevat de onderverdeling van stoffen in de stofklassen ERS, MVP1, MVP2, gA, gO, totaal stof, sO en sA.
Artikel 4.655. (lucht: diffuse emissies)
Met het oog op het voorkomen of beperken van diffuse emissies in de lucht wordt de lucht afgezogen.
Artikel 4.656. (lucht: emissies)
Voor de emissie in de lucht zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 4.656, gemeten in een eenmalige meting.
Het eerste lid is niet van toepassing als de emissie de ondergrens, bedoeld in tabel 4.656, niet overschrijdt.
Aan het eerste lid wordt voor stoffen die vrijkomen bij laboratoriumproeven met stoffen, ingedeeld in totaal stof en in de klassen sA.1, sA.2 en sA.3, in ieder geval voldaan als de emissies door een geschikte filtrerende afscheider worden gevoerd.
Aan het eerste lid wordt voor stoffen die vrijkomen bij laboratoriumproeven met waterstofchloride, waterstoffluoride, ammoniak en stoffen, ingedeeld in de klassen gA.1, gA.2 en gA.3, in ieder geval voldaan als de emissies door een geschikte gaswasser, een geschikt aerosolfilter of een geschikt mistfilter worden gevoerd.
Aan het eerste lid wordt voor stoffen die vrijkomen bij laboratoriumproeven met stoffen, ingedeeld in de klassen gO.1 en gO.2, in ieder geval voldaan als de emissies door een geschikt adsorptiefilter worden gevoerd.
| Stof of stofklasse | Emissiegrenswaarde in mg/Nm3 | Ondergrens in kg/jaar |
|---|---|---|
| Totaal stof | 5 | 100 |
| Waterstofchloride | 3 | 7,5 |
| Waterstoffluoride | 3 | 7,5 |
| Ammoniak | 30 | 75 |
| sA.1 | 0,05 | 0,125 |
| sA.2 | 0,5 | 1,25 |
| sA.3 | 0,5 | 5 |
| gA.1 | 0,5 | 1,25 |
| gA.2 | 3 | 7,5 |
| gA.3 | 30 | 75 |
| gO.1 | 20 | 50 |
| gO.2 | 50 | 250 |
Artikel 4.657. (lucht: meetmethoden)
Op het verrichten van emissiemetingen van de stoffen, ingedeeld in de stofklassen, bedoeld in tabel 4.656, is NEN-EN 15259 van toepassing.
Op het verrichten van een eenmalige meting is van toepassing:
- a. voor onverbrande koolwaterstoffen: NEN-EN 12619;
- b. voor totaal stof: NEN-EN 13284-1;
- c. voor zware metalen: NEN-EN 14385;
- d. voor zoutzuur: NEN-EN 1911;
- e. voor waterstoffluoride: NEN-ISO 15713;
- f. voor ammoniak: NEN 2826;
- g. voor individuele gasvormige organische componenten: NPR-CEN/TS 13649;
- h. voor vocht: NEN-EN 14790; en
- i. voor debiet: NEN-EN-ISO 16911-1.
Artikel 4.658. (lucht: meetplicht en uitzondering meetplicht)
Er wordt gemeten of aan de emissiegrenswaarden, bedoeld in tabel 4.656, wordt voldaan.
Het eerste lid is niet van toepassing als:
- a. voor stoffen die vrijkomen bij laboratoriumproeven met stoffen, ingedeeld in de klassen S, sA.1, sA.2 en sA.3, de maatregel, bedoeld in artikel 4.656, derde lid, wordt getroffen;
- b. voor stoffen die vrijkomen bij laboratoriumproeven met stoffen, ingedeeld in de klassen gA.1, gA.2 en gA.3, de maatregel, bedoeld in artikel 4.656, vierde lid, wordt getroffen; en
- c. voor stoffen die vrijkomen bij laboratoriumproeven met stoffen, ingedeeld in de klassen gO.1, gO.2 en gO.3, de maatregel, bedoeld in artikel 4.656, vijfde lid, wordt getroffen.
Artikel 4.659. (lucht: eenmalige meting)
Een eenmalige meting als bedoeld in artikel 4.656 bestaat uit drie deelmetingen van ten minste vijftien minuten en ten hoogste een half uur. Dit geldt niet als een langere bemonsteringstijd voortvloeit uit de meetmethode of de representatieve wijze van bemonsteren.
Het resultaat van de eenmalige meting zijn de gevalideerde meetresultaten. Dat zijn de meetresultaten van de deelmetingen, verminderd met de aangetoonde meetonzekerheid, die niet meer is dan het percentage van de emissiegrenswaarde, bedoeld in tabel 4.659.
De meetonzekerheid wordt bepaald op basis van het 95%-betrouwbaarheidsinterval van individuele metingen.
De meting wordt verricht door een laboratorium met een accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17025 voor de norm die volgens artikel 4.657 van toepassing is op de stof die wordt gemeten.
| Stof | Percentage meetonzekerheid |
|---|---|
| Totaal stof | 30 |
| Debiet | 20 |
| Overig | 40 |
Artikel 4.660. (lucht: afvoeren emissies)
Met het oog op het beschermen van de gezondheid worden emissies bovendaks en omhoog gericht afgevoerd.
Artikel 4.661. (gezondheid: voorkomen verspreiden ziektekiemen)
Met het oog op het voorkomen van het verspreiden van ziektekiemen worden bij het gericht werken met biologische agentia:
- a. voorzieningen getroffen die zijn gericht op het voorkomen van het vrijkomen van het biologisch agens; en
- b. gedragsvoorschriften opgesteld en nageleefd.
Artikel 4.661a. (gezondheid: contactpersoon bij vrijkomen ziektekiemen)
Met het oog op het voorkomen van het verspreiden van ziektekiemen is bij het gericht werken met biologische agentia, ingedeeld in risicogroepen 2, 3 of 4 van de richtlijn biologische agentia, of met de ziekteverwekkers die zijn aangewezen op grond van artikel 2.22, tweede lid, van de Wet dieren, een contactpersoon bereikbaar die kan worden benaderd door het bevoegd gezag bij een incident waarbij deze biologische agentia vrijkomen.
Artikel 4.661b. (gegevens en bescheiden)
Ten minste vier weken voor het begin van het werken met een biologisch agens, worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, de naam en het telefoonnummer verstrekt van de contactpersoon, bedoeld in artikel 4.661a.
Ten minste vier weken voor de gegevens en bescheiden, bedoeld in het eerste lid, wijzigen, worden de gewijzigde gegevens en bescheiden verstrekt aan het bevoegd gezag.
Artikel 4.661c. (overgangsrecht: emissies)
Tot vier jaar na de inwerkingtreding van dit besluit is de emissiegrenswaarde in mg/Nm3 voor stofklasse gO.2, bedoeld in artikel 4.656, niet van toepassing op de emissie van het exploiteren van een laboratorium of een praktijkruimte waar practica worden verricht voor middelbaar en hoger onderwijs van stoffen die tot de inwerkingtreding van dit besluit onder stofklasse gO.3 vielen, mits die activiteit naar aard en omvang niet verschilt van de activiteit zoals die werd verricht voor de inwerkingtreding van dit besluit. Tot eerstgenoemde datum geldt in dat geval een emissiegrenswaarde van 100 mg/Nm3 bij een ondergrens van 250 kg/jaar.
Tot vier jaar na de inwerkingtreding van dit besluit is de emissiegrenswaarde in mg/Nm3 voor sA.3, bedoeld in artikel 4.656, niet van toepassing op het exploiteren van een laboratorium of een praktijkruimte waar practica worden verricht voor middelbaar en hoger onderwijs, mits die activiteit naar aard en omvang niet verschilt van de activiteit zoals die werd verricht voor de inwerkingtreding van dit besluit. Tot eerstgenoemde datum geldt in dat geval een emissiegrenswaarde van 5 mg/Nm3 bij een ondergrens van 5 kg/jaar.
§ 4.56. Traumahelikopter
Artikel 4.662. (toepassingsbereik)
Deze paragraaf is van toepassing op het gebruiken van een voorziening voor het landen of opstijgen van helikopters bij ziekenhuizen.
Artikel 4.663. (melding)
Het is verboden de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 4.662, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.
Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.
Artikel 4.664. (geluid: bronvermogen)
Met het oog op het voorkomen of beperken van geluidhinder is het geluidsvermogensniveau van helikopters die door een academisch ziekenhuis worden ingezet voor het vervoer van mobiele medische teams niet hoger dan 140 dB(A).
Artikel 4.665. (geluid: gebruik helikopter bij een ziekenhuis)
Met het oog op het voorkomen of beperken van geluidhinder wordt een voorziening voor het landen en opstijgen van helikopters alleen door helikopters gebruikt als dit gebruik op medische gronden bijzonder is aangewezen.
Bij een academisch ziekenhuis vinden naast het gebruik op medische gronden, bedoeld in het eerste lid, ten hoogste 400 vliegbewegingen per kalenderjaar plaats als dit bijzonder is aangewezen voor:
- a. onderhoud of reparatie;
- b. tankvluchten; of
- c. opleiding en training van de piloot en van het mobiel medisch team.
Bij een niet-academisch ziekenhuis vinden naast het gebruik op medische gronden, bedoeld in het eerste lid, ten hoogste 20 vliegbewegingen per kalenderjaar plaats als dit bijzonder is aangewezen voor de opleiding en training van de piloot.
Artikel 4.666. (geluid: registratie vliegbewegingen)
De volgende gegevens worden geregistreerd:
- a. de reden voor het gebruik van de voorziening;
- b. het tijdstip van vertrek; en
- c. het tijdstip van aankomst.
De registratie wordt binnen twee dagen na gebruik van de voorziening bijgewerkt.
Artikel 4.666a. (overgangsrecht: bronvermogen)
Het geluidsvermogensniveau van een helikopter die wordt ingezet door een academisch ziekenhuis dat op 1 februari 2003 een voorziening in werking had voor het landen en opstijgen van helikopters, is tot het moment van vervanging van de helikopter niet hoger dan 145 dB(A).
§ 4.57. Chemisch reinigen textiel
Artikel 4.667. (toepassingsbereik)
Deze paragraaf is van toepassing op het chemisch reinigen van textiel.
Artikel 4.668. (melding)
Het is verboden de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 4.667, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.
Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.
Artikel 4.669. (aanwijzing modules: eindonderzoek bodem en bodembeschermende voorzieningen)
Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 4.667, wordt voldaan aan de regels over:
- a. het eindonderzoek bodem, bedoeld in paragraaf 5.2.1; en
- b. bodembeschermende voorzieningen, bedoeld in paragraaf 5.4.2.
Artikel 4.670. (bodem: bodembeschermende voorziening)
Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem met oplosmiddelen wordt chemisch gereinigd met tetrachlooretheen boven een vloeistofdichte bodemvoorziening.
Met andere oplosmiddelen dan tetrachlooretheen wordt chemisch gereinigd boven een aaneengesloten bodemvoorziening.
De vloeistofdichte bodemvoorziening heeft geen aansluiting op het vuilwaterriool.
Artikel 4.671. (water: lozingsroute)
Met het oog het doelmatig beheer van afvalwater wordt het te lozen afvalwater afkomstig van het chemisch reinigen van textiel geloosd in een vuilwaterriool.
Als een maatwerkvoorschrift is gesteld of een voorschrift aan een omgevingsvergunning is verbonden waarin een andere lozingsroute is toegestaan, wordt het te lozen afvalwater geloosd in een vuilwaterriool of via die andere route.
Artikel 4.672. (water: emissiegrenswaarde lozing in een vuilwaterriool)
Voor het afvalwater dat wordt geloosd in een vuilwaterriool, is de emissiegrenswaarde voor tetrachlooretheen 0,1 mg/l, gemeten in een steekmonster.
Artikel 4.673. (water: meetmethoden)
Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.
Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.
Op het analyseren van tetrachlooretheen is NEN-EN-ISO 10301 van toepassing, waarbij onopgeloste stoffen worden meegenomen in de analyse.
Artikel 4.674. (water: riooltekening)
Er is een tekening beschikbaar waarop is aangegeven:
- a. op welke punten welk afvalwater wordt geloosd;
- b. of de punten waarop afvalwater wordt geloosd zijn aangesloten op het eigen vuilwaterriool of een schoonwaterriool; en
- c. op welke lozingsroutes het eigen vuilwaterriool en een schoonwaterriool uitkomen.
Artikel 4.675. (lucht: gebruik PER)
Met het oog op het beperken van verontreiniging van de lucht worden alleen tetrachlooretheen of niet-gechloreerde alifatische koolwaterstoffen gebruikt.
§ 4.58. Jachthaven
Artikel 4.676. (toepassingsbereik)
Deze paragraaf is van toepassing op het exploiteren van een jachthaven waar pleziervaartuigen afmeren.
Artikel 4.677. (melding)
Het is verboden de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 4.676, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.
Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.
Artikel 4.678. (water: lozingsroutes)
Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater wordt het te lozen ingenomen afvalwater geloosd in een vuilwaterriool.
Als een maatwerkvoorschrift is gesteld of een voorschrift aan een omgevingsvergunning is verbonden waarin een andere lozingsroute is toegestaan, wordt het te lozen afvalwater geloosd in een vuilwaterriool of via die andere route.
Artikel 4.679. (water: emissiegrenswaarde lozing in een vuilwaterriool)
Voor het bilgewater dat wordt geloosd in een vuilwaterriool, is de emissiegrenswaarde voor olie 20 mg/l, gemeten in een steekmonster, of dat bilgewater wordt voor vermenging met ander afvalwater geleid door een slibvangput en olieafscheider:
- a. volgens NEN-EN 858-1 en NEN-EN 858-2; of
- b. die zijn geplaatst voor 2 november 2010 en zijn afgestemd op de hoeveelheid afvalwater die wordt geloosd.
Artikel 4.680
Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2020/400.
Artikel 4.681
Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2020/400.
Artikel 4.682. (water: meetmethoden)
Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.
Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.
Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen en op het analyseren is voor olie NEN-EN-ISO 9377-2 van toepassing.
Artikel 4.683. (water: riooltekening)
Er is een tekening beschikbaar waarop is aangegeven:
- a. op welke punten welk afvalwater wordt geloosd;
- b. of de punten waarop afvalwater wordt geloosd zijn aangesloten op het eigen vuilwaterriool of een schoonwaterriool; en
- c. op welke lozingsroutes het eigen vuilwaterriool en een schoonwaterriool uitkomen.
Artikel 4.684. (afval: in te nemen afvalstoffen)
Met het oog op een doelmatig beheer van afvalstoffen worden in een jachthaven van gebruikers van de jachthaven in ieder geval de volgende afvalstoffen ingenomen:
- a. afgewerkte olie en smeervet van onderhoud aan pleziervaartuigen;
- b. oliehoudende en vethoudende afvalstoffen van onderhoud aan pleziervaartuigen;
- c. afvalstoffen van reparatiewerkzaamheden en onderhoudswerkzaamheden aan pleziervaartuigen;
- d. bilgewater;
- e. huishoudelijk afvalwater; en
- f. de inhoud van chemische toiletten.
Voor de inzameling van de afvalstoffen wordt geen aparte financiële vergoeding gevraagd aan de gebruikers van de jachthaven.
Artikel 4.685. (afval: ontvangen en beheer van afvalstoffen)
Met het oog op een doelmatig beheer van afvalstoffen wordt bij een jachthaven die gewoonlijk wordt aangedaan door zeegaande pleziervaartuigen, bij de inning van het havengeld kenbaar gemaakt welk aandeel daarvan is bedoeld voor het in stand houden van de voorzieningen voor het in ontvangst nemen en verder beheren van afvalstoffen.
Voor een jachthaven waarin gewoonlijk zeegaande pleziervaartuigen afmeren, is een havenafvalplan voor het in ontvangst nemen en verder beheren van afvalstoffen opgesteld.
Het havenafvalplan bevat in ieder geval de elementen die in bijlage 1 bij Richtlijn (EU) 2019/883 van het Europees Parlement en de Raad van 17 april 2019 inzake havenontvangstvoorzieningen voor de afvalafgifte van schepen, tot wijziging van Richtlijn 2010/65/EU en tot intrekking van Richtlijn 2000/59/EG (PbEU 2019, L 151) verplicht worden gesteld.
Het tweede lid is niet van toepassing als:
- a. de jachthaven alleen wordt aangedaan door pleziervaartuigen en wordt gekenmerkt door schaars of weinig verkeer;
- b. de havenontvangstvoorzieningen voor de afvalafgifte van pleziervaartuigen zijn geïntegreerd in het afvalverwerkingssysteem dat ter uitvoering van titel 10.4 van de Wet milieubeheer wordt beheerd; en
- c. informatie over de voorzieningen voor het in ontvangst nemen en verder beheren van afvalstoffen beschikbaar wordt gesteld aan de gebruikers van de jachthaven.
Artikel 4.685a. (gegevens en bescheiden: havenafvalplan)
Eenmaal in de vijf jaar wordt het havenafvalplan, bedoeld in artikel 4.685, tweede lid, na overleg met betrokken partijen, verstrekt aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2.
Bij aanzienlijke veranderingen in de exploitatie van de jachthaven wordt zo spoedig mogelijk een geactualiseerd havenafvalplan opgesteld. Binnen veertien dagen na het opstellen van het geactualiseerde havenafvalplan, wordt het verstrekt aan het bevoegd gezag.
Als zich geen aanzienlijke veranderingen in de exploitatie van de jachthaven voordoen, kan, na evaluatie, de termijn, bedoeld in het eerste lid, met ten hoogste vijf jaar worden verlengd. Binnen veertien dagen na de verlenging van de geldigheidsduur van het havenafvalplan wordt het bevoegd gezag hierover geïnformeerd.
Artikel 4.685b. (informeren bevoegd gezag: uitzondering havenafvalplan)
Als artikel 4.685, vierde lid, van toepassing is, wordt het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, daarover binnen vier weken geïnformeerd.
Artikel 4.686. (afval: uitzondering)
De artikelen 4.684, 4.685 en 4.685a zijn niet van toepassing op een jachthaven die gewoonlijk wordt aangedaan door zeegaande pleziervaartuigen en die is aangewezen op grond van de artikelen 6 en 6a van de Wet voorkoming verontreiniging door schepen.
§ 4.59. Binnenschietbaan
Artikel 4.687. (toepassingsbereik)
Deze paragraaf is van toepassing op het exploiteren van een schietbaan die ligt in een gebouw zonder open zijden en met een gesloten afdekking.
Artikel 4.688. (melding)
Het is verboden de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 4.687, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.
Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.
Artikel 4.689. (aanwijzing modules: eindonderzoek bodem en bodembeschermende voorzieningen)
Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 4.687, wordt voldaan aan de regels over:
- a. het eindonderzoek bodem, bedoeld in paragraaf 5.2.1; en
- b. bodembeschermende voorzieningen, bedoeld in paragraaf 5.4.2.
Artikel 4.690. (externe veiligheid: constructie gebouw)
Met het oog op het waarborgen van de veiligheid wordt voorkomen dat afgeschoten kogels buiten het gebouw kunnen komen.
Het gebouw waarin de schietbaan ligt, voldoet aan tabel 4.690.
| Deel of kenmerk van de schietbaan | Bij het schieten met: – vuistvuurwapens met een kaliber tot en met .22, – schoudervuurwapens met een kaliber tot en met .22, of – randvuurmunitie tot en met .22 Long Rifle | Bij het schieten met: – vuistvuurwapens met een kaliber tot .45, – overige vuurwapens met pistoolmunitie met een kaliber tot .45, of – historische vuistvuurwapens | Bij het schieten met: – vuistvuurwapens met een kaliber tot .50, – schoudervuurwapens met een kaliber tot .50, – overige vuurwapens met pistoolmunitie met een kaliber tot .50, of – historische schoudervuurwapens |
|---|---|---|---|
| Plafond/dak | 50 mm beton, 100 mm gasbeton of 3 mm staalplaat | 100 mm beton, 150 mm gasbeton of 5 mm staalplaat | 200 mm beton of 150 mm gasbeton |
| Zijwanden | 100 mm metselwerk of kalkzandsteen, 50 mm beton, 100 mm gasbeton of 3 mm staalplaat | 100 mm metselwerk of kalkzandsteen, 100 mm beton, 150 mm gasbeton of 5 mm staalplaat | 200 mm metselwerk of kalkzandsteen, 200 mm beton of 150 mm gasbeton |
| Achterwand | 100 mm metselwerk of kalkzandsteen of 75 mm beton | 200 mm metselwerk of kalkzandsteen of 100 mm beton | 200 mm metselwerk of kalkzandsteen of 200 mm beton |
| Bescherming wanden en plafond om de plek van het schietpunt | Vurenhout 20 mm of cementvezelplaat 25 mm op regels 25 mm | Vurenhout 25 mm of cementvezelplaat 50 mm op regels 30 mm | Vurenhout 25 mm of cementvezelplaat 50 mm op regels 30 mm |
| Verharde bodem of vloer tussen de standplaats van de schutter en de kogelvanger | 50 mm beton met afwerking cementvloer of plastisch materiaal | 100 mm beton met afwerking cementvloer of plastisch materiaal | 100 mm beton met afwerking cementvloer of plastisch materiaal |
| Onverharde bodem of vloer tussen de standplaats van de schutter en de kogelvanger | Vlak zand, zonder harde bestanddelen met afmetingen groter dan 3 mm | Vlak zand, zonder harde bestanddelen met afmetingen groter dan 3 mm | Vlak zand, zonder harde bestanddelen met afmetingen groter dan 3 mm |
| Bescherming aanschietbare delen | Vurenhout 20 mm op regels 25 mm | Vurenhout 25 mm op regels 30 mm | Vurenhout 25 mm op regels 30 mm |
| Rooster ventilatieopening | Staalplaat 3 mm | Staalplaat 6 mm | Staalplaat 10 mm |
Artikel 4.691. (externe veiligheid: kogelvanger)
Met het oog op het waarborgen van de veiligheid is in het gebouw een kogelvanger aanwezig.
De kogelvanger voldoet aan tabel 4.691.
| Deel of kenmerk van de kogelvanger | Bij het schieten met: – vuistvuurwapens met een kaliber tot en met .22, – schoudervuur-wapens met een kaliber tot en met .22, of – randvuurmunitie tot en met .22 Long Rifle | Bij het schieten met: – vuistvuurwapens met een kaliber tot .45, – overige vuurwapens met pistoolmunitie met een kaliber tot .45, of – historische vuistvuurwapens | Bij het schieten met: – vuistvuurwapens met een kaliber tot .50, – schoudervuurwapens met een kaliber tot .50, – overige vuurwapens met pistoolmunitie met een kaliber tot .50, of – historische schoudervuurwapens |
|---|---|---|---|
| Zandkogelvanger | Helling 34 graden met horizontaal, nabij plafond 0,75 m diepte | Helling 34 graden met horizontaal, nabij plafond 1,0 m diepte | Helling 34 graden met horizontaal, nabij plafond 1,2 m diepte |
| Stalen kogelvanger | Staalplaat trefvlak 5 mm dik | Staalplaat trefvlak 12 mm dik | |
| Kunststof kogelvanger | Diepte 0,30 m | Diepte 0,50 m | Diepte 0,90 m |
Artikel 4.692. (bodem: bodembeschermende voorziening)
Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem met kogelresten, kruit en patroonhulzen wordt geschoten boven een aaneengesloten bodemvoorziening als bij het schieten hulzen van verschoten munitie vrijkomen.
Een kogelvanger is opgesteld boven een aaneengesloten bodemvoorziening.
Artikel 4.693. (lucht: diffuse emissies)
Met het oog op het voorkomen of beperken van diffuse emissies in de lucht wordt de lucht afgezogen.
Artikel 4.694. (lucht: emissie totaal stof)
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)