Wijzigingsgeschiedenis
Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 16 december 2019, nr. 2019-0000139944, tot het verstrekken van subsidies in het kader van leren en ontwikkelen in het mkb en in het grootbedrijf in de sectoren landbouw, horeca en recreatie (Stimuleringsregeling voor leren en ontwikkelen in mkb-ondernemingen en specifiek voor de grootbedrijven in de landbouw-, horeca- of recreatiesector)
23 versions
· 2020-01-01 — 2026-04-04
2026-04-04
SLIM-regeling — arts. 2, 2, 3 y 7 más
2026-01-01
SLIM-regeling — arts. 2, 2, 2 y 8 más
2025-07-05
SLIM-regeling
2025-02-28
SLIM-regeling
2024-12-21
SLIM-regeling
2024-06-27
SLIM-regeling — arts. 14, 21, 23
2024-01-01
SLIM-regeling — arts. 14, 21, 23
2023-09-01
SLIM-regeling — arts. 14, 21, 23
2023-07-21
SLIM-regeling — arts. 14, 21, 23
2023-07-10
SLIM-regeling — arts. 14, 14, 21 y 3 más
2023-03-01
SLIM-regeling — arts. 14, 21, 23
2023-01-01
SLIM-regeling — arts. 01131, 0124, 01253 y 61 más
2022-06-01
SLIM-regeling — arts. 011, 0111, 0113 y 86 más
2022-03-01
SLIM-regeling — arts. 011, 0111, 0113 y 85 más
2022-01-01
SLIM-regeling — arts. 8, 14, 21 y 2 más
2021-09-01
SLIM-regeling — arts. 8, 14, 21 y 2 más
2021-05-04
SLIM-regeling — arts. 8, 8, 14 y 7 más
2021-05-01
SLIM-regeling — arts. 8, 8, 8 y 15 más
2021-01-01
SLIM-regeling — arts. 8, 8, 14 y 9 más
2020-09-01
SLIM-regeling — arts. 8, 8, 14 y 9 más
2020-03-02
SLIM-regeling — arts. 5, 5, 5 y 48 más
2020-01-01
SLIM-regeling — arts. 3, 1, 1 y 51 más
2020-01-01
SLIM-regeling
original version
Tekst op deze datum
Wijzigingen op 2025-07-05
@@ -460,7 +460,7 @@
De loopbaanadviseurs volgen bij de beroepsuitoefening de volgende gedragsregels:
0130 Teelt van bloembollen, sierplanten en sierbomen
De loopbaanadviseurs volgen bij de beroepsuitoefening de volgende gedragsregels:
01301 Teelt van bloembollen
@@ -730,9 +730,9 @@
- –. **O&O-fonds:** een Opleidings- en Ontwikkelingsfonds, opgericht bij een bij de minister aangemelde collectieve arbeidsovereenkomst;
- –. **onderwijsinstelling:** een instelling als bedoeld in [artikel 1.1.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=1.1.1)of een andere instelling voor beroepsonderwijs als bedoeld in [artikel 1.4.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=1.4.1) of [artikel 1.1, onderdeel g, van de Wet hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=1.1);
- –. **samenwerkingsverband:** een bij overeenkomst vastgelegde samenwerking tussen ten minste twee mkb-ondernemingen eventueel aangevuld met een of meer organisaties, niet zijnde verbonden organisaties als bedoeld in [artikel 2.13, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043015&hoofdstuk=2¶graaf=2.1&artikel=2.13&z=2025-02-28&g=2025-02-28), waarbij iedere partij van het samenwerkingsverband een activiteit, vastgelegd in het activiteitenplan, uitvoert en geen van de partijen meer dan 80% van de kosten van de samenwerking draagt;
- –. **onderwijsinstelling:** een instelling als bedoeld in [artikel 1.1.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=1.1.1), een andere instelling voor beroepsonderwijs als bedoeld in [artikel 1.4.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=1.4.1) of een instelling voor hoger onderwijs als bedoeld in [artikel 1.1, onderdeel g, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=1.1);
- –. **samenwerkingsverband:** een bij overeenkomst vastgelegde samenwerking tussen ten minste twee mkb-ondernemingen eventueel aangevuld met een of meer organisaties, niet zijnde verbonden organisaties als bedoeld in [artikel 2.14, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043015&hoofdstuk=2¶graaf=2.1&artikel=2.14&z=2025-07-05&g=2025-07-05), waarbij iedere partij van het samenwerkingsverband een activiteit, vastgelegd in het activiteitenplan, uitvoert en geen van de partijen meer dan 80% van de kosten van de samenwerking draagt;
- –. **werkenden:** alle in de onderneming werkzame personen.
@@ -746,7 +746,7 @@
##### Artikel 2.4. Subsidiabele activiteiten
1. De minister kan op aanvraag subsidie verstrekken voor het bekostigen van onderstaande activiteiten die uiting geven aan het doel, bedoeld in [artikel 2.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043015&hoofdstuk=2¶graaf=2.1&artikel=2.3&z=2025-02-28&g=2025-02-28):
1. De minister kan op aanvraag subsidie verstrekken voor het bekostigen van onderstaande activiteiten die uiting geven aan het doel, bedoeld in [artikel 2.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043015&hoofdstuk=2¶graaf=2.1&artikel=2.3&z=2025-07-05&g=2025-07-05):
- a. de doorlichting van de onderneming uitmondend in een opleidings- of ontwikkelplan gericht op het inzichtelijk maken van ontwikkelbehoefte om de leerrijke werkomgeving te versterken vanuit het perspectief van de onderneming;
@@ -758,19 +758,19 @@
3. Een loopbaan- of ontwikkeladviestraject als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, komt alleen voor subsidie in aanmerking indien de loopbaanadviseur individuele gesprekken met de deelnemer voert met een tijdsbeslag van in totaal minimaal vier uren.
4. Een initiatief waarvoor subsidie wordt aangevraagd op grond van [paragraaf 2.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043015&hoofdstuk=2¶graaf=2.2&z=2025-02-28&g=2025-02-28) en dat bestaat uit een activiteit als bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en c, komt alleen voor subsidie in aanmerking indien de subsidiabele kosten ten minste € 5.000 bedragen.
5. Een initiatief waarvoor subsidie wordt aangevraagd op grond van [paragraaf 2.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043015&hoofdstuk=2¶graaf=2.3&z=2025-02-28&g=2025-02-28) komt alleen voor subsidie in aanmerking, indien het initiatief ten minste de activiteit, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, bevat en de subsidiabele kosten ten minste € 210.000 bedragen.
4. Een initiatief waarvoor subsidie wordt aangevraagd op grond van [paragraaf 2.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043015&hoofdstuk=2¶graaf=2.2&z=2025-07-05&g=2025-07-05) en dat bestaat uit een activiteit als bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en c, komt alleen voor subsidie in aanmerking indien de subsidiabele kosten ten minste € 5.000 bedragen.
5. Een initiatief waarvoor subsidie wordt aangevraagd op grond van [paragraaf 2.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043015&hoofdstuk=2¶graaf=2.3&z=2025-07-05&g=2025-07-05) komt alleen voor subsidie in aanmerking, indien het initiatief ten minste de activiteit, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, bevat en de subsidiabele kosten ten minste € 210.000 bedragen.
##### Artikel 2.5. Eisen aan loopbaanadviseur
1. De activiteiten, bedoeld in [artikel 2.4, eerste lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043015&hoofdstuk=2¶graaf=2.1&artikel=2.4&z=2025-02-28&g=2025-02-28), worden uitgevoerd door een loopbaanadviseur, die:
1. De activiteiten, bedoeld in [artikel 2.4, eerste lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043015&hoofdstuk=2¶graaf=2.1&artikel=2.4&z=2025-07-05&g=2025-07-05), worden uitgevoerd door een loopbaanadviseur, die:
- a. een mens- of organisatiegerichte opleiding heeft afgerond op minimaal hbo-niveau, of minimaal een hbo-opleiding in een andere richting heeft afgerond en aanvullende mens- of organisatiegerichte cursussen en trainingen heeft afgerond;
- b. minimaal drie jaar relevante werkervaring heeft; en
- c. verklaart zich te houden aan de gedragscode in [bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043015&bijlage=I&z=2025-02-28&g=2025-02-28).
- c. verklaart zich te houden aan de gedragscode in [bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043015&bijlage=I&z=2025-07-05&g=2025-07-05).
2. Een loopbaanadviseur wordt geacht aan de eisen in het eerste lid, onderdelen a en c, te hebben voldaan, wanneer hij is geregistreerd bij Noloc als Register Loopbaanprofessional.
@@ -780,19 +780,19 @@
Een subsidieaanvraag kan voor het jaar 2025 bij de minister worden ingediend in de volgende tijdvakken:
- a. voor aanvragen op grond van [paragraaf 2.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043015&hoofdstuk=2¶graaf=2.2&z=2025-02-28&g=2025-02-28): van 3 maart 09:00 uur tot en met 31 maart 17:00 uur en van 1 september 09:00 uur tot en met 30 september 17:00 uur;
- b. voor aanvragen op grond van [paragraaf 2.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043015&hoofdstuk=2¶graaf=2.3&z=2025-02-28&g=2025-02-28): van 2 juni 09:00 uur tot en met 30 juni 17:00 uur.
- a. voor aanvragen op grond van [paragraaf 2.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043015&hoofdstuk=2¶graaf=2.2&z=2025-07-05&g=2025-07-05): van 3 maart 09:00 uur tot en met 31 maart 17:00 uur en van 1 september 09:00 uur tot en met 30 september 17:00 uur;
- b. voor aanvragen op grond van [paragraaf 2.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043015&hoofdstuk=2¶graaf=2.3&z=2025-07-05&g=2025-07-05): van 2 juni 09:00 uur tot en met 30 juni 17:00 uur.
##### Artikel 2.7. Subsidieplafond
1. Het subsidieplafond voor subsidies op grond van [paragraaf 2.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043015&hoofdstuk=2¶graaf=2.2&z=2025-02-28&g=2025-02-28) bedraagt voor het jaar 2025:
1. Het subsidieplafond voor subsidies op grond van [paragraaf 2.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043015&hoofdstuk=2¶graaf=2.2&z=2025-07-05&g=2025-07-05) bedraagt voor het jaar 2025:
- a. € 12,5 miljoen voor het tijdvak in maart;
- b. € 12,5 miljoen voor het tijdvak in september.
2. Het subsidieplafond voor subsidies op grond van [paragraaf 2.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043015&hoofdstuk=2¶graaf=2.3&z=2025-02-28&g=2025-02-28) bedraagt voor het jaar 2025 € 20 miljoen.
- b. € 17,5 miljoen voor het tijdvak in september.
2. Het subsidieplafond voor subsidies op grond van [paragraaf 2.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043015&hoofdstuk=2¶graaf=2.3&z=2025-07-05&g=2025-07-05) bedraagt voor het jaar 2025 € 20 miljoen.
3. Indien een deel van het bedrag dat beschikbaar is in een aanvraagtijdvak niet volledig wordt benut, kunnen de resterende middelen worden toegevoegd aan de middelen van een ander aanvraagtijdvak van hetzelfde kalenderjaar. De minister maakt de verschuivingen van het beschikbare budget bekend op [www.uitvoeringvanbeleidszw.nl](http://www.uitvoeringvanbeleidszw.nl).
@@ -824,21 +824,21 @@
##### Artikel 2.10. Rangschikking behandeling subsidieaanvragen
1. Bij overschrijding van een subsidieplafond als bedoeld in [artikel 2.7, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043015&hoofdstuk=2¶graaf=2.1&artikel=2.7&z=2025-02-28&g=2025-02-28), wordt na afloop van het aanvraagtijdvak door middel van loting de volgorde vastgesteld waarin de ontvangen subsidieaanvragen worden afgehandeld.
1. Bij overschrijding van een subsidieplafond als bedoeld in [artikel 2.7, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043015&hoofdstuk=2¶graaf=2.1&artikel=2.7&z=2025-07-05&g=2025-07-05), wordt na afloop van het aanvraagtijdvak door middel van loting de volgorde vastgesteld waarin de ontvangen subsidieaanvragen worden afgehandeld.
2. Indien een subsidieaanvrager meerdere aanvragen heeft ingediend voor soortgelijke of vergelijkbare initiatieven, wordt slechts de als eerste ingediende aanvraag in de loting meegenomen.
3. Onvolledige subsidieaanvragen voor subsidies op grond van [paragraaf 2.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043015&hoofdstuk=2¶graaf=2.2&z=2025-02-28&g=2025-02-28) worden, na aanvulling door de subsidieaanvrager, geplaatst aan het einde van de lijst die volgt uit de loting, waarbij het tijdstip van ontvangst van de volledige subsidieaanvraag bepalend is voor de volgorde van plaatsing op die lijst.
4. Volledige subsidieaanvragen voor subsidies op grond van [paragraaf 2.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043015&hoofdstuk=2¶graaf=2.3&z=2025-02-28&g=2025-02-28) worden behandeld op volgorde van ontvangst.
3. Onvolledige subsidieaanvragen voor subsidies op grond van [paragraaf 2.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043015&hoofdstuk=2¶graaf=2.2&z=2025-07-05&g=2025-07-05) worden, na aanvulling door de subsidieaanvrager, geplaatst aan het einde van de lijst die volgt uit de loting, waarbij het tijdstip van ontvangst van de volledige subsidieaanvraag bepalend is voor de volgorde van plaatsing op die lijst.
4. Volledige subsidieaanvragen voor subsidies op grond van [paragraaf 2.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043015&hoofdstuk=2¶graaf=2.3&z=2025-07-05&g=2025-07-05) worden behandeld op volgorde van ontvangst.
##### Artikel 2.11. Beschikking tot subsidieverlening
1. Op een subsidieaanvraag op basis van [paragraaf 2.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043015&hoofdstuk=2¶graaf=2.2&z=2025-02-28&g=2025-02-28) wordt binnen 13 weken na afloop van het aanvraagtijdvak, bedoeld in [artikel 2.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043015&hoofdstuk=2¶graaf=2.1&artikel=2.6&z=2025-02-28&g=2025-02-28) beslist. De subsidieaanvraag wordt beoordeeld op grond van de voorwaarden, bedoeld in [artikel 2.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043015&hoofdstuk=2¶graaf=2.1&artikel=2.8&z=2025-02-28&g=2025-02-28).
2. Op een subsidieaanvraag op basis van [paragraaf 2.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043015&hoofdstuk=2¶graaf=2.3&z=2025-02-28&g=2025-02-28) wordt binnen 13 weken na ontvangst beslist. De subsidieaanvraag wordt beoordeeld op grond van de voorwaarden, bedoeld in [artikel 2.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043015&hoofdstuk=2¶graaf=2.1&artikel=2.8&z=2025-02-28&g=2025-02-28), en de eisen, bedoeld in [artikel 2.23](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043015&hoofdstuk=2¶graaf=2.3&artikel=2.23&z=2025-02-28&g=2025-02-28).
3. Indien de minister op grond van [artikel 2.18, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043015&hoofdstuk=2¶graaf=2.1&artikel=2.18&z=2025-02-28&g=2025-02-28), een voorschot verleent, vermeldt de beschikking tot subsidieverlening, onverminderd [artikel 4.2, eerste lid, van de Kaderregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603&artikel=4.2), de wijze van bevoorschotting.
1. Op een subsidieaanvraag op basis van [paragraaf 2.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043015&hoofdstuk=2¶graaf=2.2&z=2025-07-05&g=2025-07-05) wordt binnen 13 weken na afloop van het aanvraagtijdvak, bedoeld in [artikel 2.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043015&hoofdstuk=2¶graaf=2.1&artikel=2.6&z=2025-07-05&g=2025-07-05) beslist. De subsidieaanvraag wordt beoordeeld op grond van de voorwaarden, bedoeld in [artikel 2.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043015&hoofdstuk=2¶graaf=2.1&artikel=2.8&z=2025-07-05&g=2025-07-05).
2. Op een subsidieaanvraag op basis van [paragraaf 2.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043015&hoofdstuk=2¶graaf=2.3&z=2025-07-05&g=2025-07-05) wordt binnen 13 weken na ontvangst beslist. De subsidieaanvraag wordt beoordeeld op grond van de voorwaarden, bedoeld in [artikel 2.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043015&hoofdstuk=2¶graaf=2.1&artikel=2.8&z=2025-07-05&g=2025-07-05), en de eisen, bedoeld in [artikel 2.23](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043015&hoofdstuk=2¶graaf=2.3&artikel=2.23&z=2025-07-05&g=2025-07-05).
3. Indien de minister op grond van [artikel 2.18, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043015&hoofdstuk=2¶graaf=2.1&artikel=2.18&z=2025-07-05&g=2025-07-05), een voorschot verleent, vermeldt de beschikking tot subsidieverlening, onverminderd [artikel 4.2, eerste lid, van de Kaderregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603&artikel=4.2), de wijze van bevoorschotting.
4. In geval van een samenwerkingsverband vermeldt de beschikking tot subsidieverlening, in aanvulling op het derde lid, de partijen van het samenwerkingsverband en de verdeling van het subsidiebedrag van de partijen in het samenwerkingsverband.
@@ -862,17 +862,17 @@
- h. er geen de-minimisverklaring en, indien van toepassing, mkb-verklaring is afgegeven;
- i. de subsidieaanvraag tot gevolg heeft dat een subsidieplafond als bedoeld in [artikel 2.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043015&hoofdstuk=2¶graaf=2.1&artikel=2.7&z=2025-02-28&g=2025-02-28) wordt overschreden;
- i. de subsidieaanvraag tot gevolg heeft dat een subsidieplafond als bedoeld in [artikel 2.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043015&hoofdstuk=2¶graaf=2.1&artikel=2.7&z=2025-07-05&g=2025-07-05) wordt overschreden;
- j. de subsidieaanvraag ziet op het ontwikkelen van een initiatief niet bedoeld voor werkenden in de onderneming maar voor commerciële doeleinden; of
- k. de subsidieaanvraag ziet op een activiteit als bedoeld in [artikel 2.4, eerste lid, onderdeel a of c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043015&hoofdstuk=2¶graaf=2.1&artikel=2.4&z=2025-02-28&g=2025-02-28), en aan de subsidieaanvrager voor een dergelijke activiteit reeds subsidie is verleend die op het moment van indiening van de subsidieaanvraag nog niet is vastgesteld.
- k. de subsidieaanvraag ziet op een activiteit als bedoeld in [artikel 2.4, eerste lid, onderdeel a of c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043015&hoofdstuk=2¶graaf=2.1&artikel=2.4&z=2025-07-05&g=2025-07-05), en aan de subsidieaanvrager voor een dergelijke activiteit reeds subsidie is verleend die op het moment van indiening van de subsidieaanvraag nog niet is vastgesteld.
##### Artikel 2.13. Looptijd
1. Een initiatief voor subsidies op grond van [paragraaf 2.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043015&hoofdstuk=2¶graaf=2.2&z=2025-02-28&g=2025-02-28) wordt afgerond binnen een periode van 12 maanden.
2. Een initiatief voor subsidies op grond van [paragraaf 2.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043015&hoofdstuk=2¶graaf=2.3&z=2025-02-28&g=2025-02-28) wordt afgerond binnen een periode van 24 maanden.
1. Een initiatief voor subsidies op grond van [paragraaf 2.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043015&hoofdstuk=2¶graaf=2.2&z=2025-07-05&g=2025-07-05) wordt afgerond binnen een periode van 12 maanden.
2. Een initiatief voor subsidies op grond van [paragraaf 2.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043015&hoofdstuk=2¶graaf=2.3&z=2025-07-05&g=2025-07-05) wordt afgerond binnen een periode van 24 maanden.
3. De voor subsidie in aanmerking komende kosten worden gemaakt in een door de minister aangewezen initiatiefperiode. Deze periode start de dag na dagtekening van het besluit tot verlening van de subsidie.
@@ -882,7 +882,7 @@
##### Artikel 2.14. Subsidiabele kosten
1. Voor de subsidie van initiatieven als bedoeld onder [artikel 2.4, eerste lid, onderdeel a en c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043015&hoofdstuk=2¶graaf=2.1&artikel=2.4&z=2025-02-28&g=2025-02-28), komen de volgende kosten in aanmerking:
1. Voor de subsidie van initiatieven als bedoeld onder [artikel 2.4, eerste lid, onderdeel a en c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043015&hoofdstuk=2¶graaf=2.1&artikel=2.4&z=2025-07-05&g=2025-07-05), komen de volgende kosten in aanmerking:
- a. externe kosten die daadwerkelijk zijn gemaakt ter uitvoering van een subsidiabel initiatief;
@@ -926,13 +926,13 @@
##### Artikel 2.15. Niet subsidiabele kosten
Met betrekking tot de initiatieven, bedoeld onder [artikel 2.4, eerste lid, onderdeel a en c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043015&hoofdstuk=2¶graaf=2.1&artikel=2.4&z=2025-02-28&g=2025-02-28), komen niet voor subsidie in aanmerking:
Met betrekking tot de initiatieven, bedoeld onder [artikel 2.4, eerste lid, onderdeel a en c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043015&hoofdstuk=2¶graaf=2.1&artikel=2.4&z=2025-07-05&g=2025-07-05), komen niet voor subsidie in aanmerking:
- a. onredelijk en niet noodzakelijk gemaakte kosten ter uitvoering van het initiatief of een onderdeel daarvan;
- b. loonverletkosten, zijnde de loonkosten van werkenden voor niet-productieve uren als gevolg van deelname aan subsidiabele activiteiten, voor zover die hebben geleid tot een vermindering van de werkbare uren voor de ondernemer;
- c. kosten voor overhead en aan overhead gerelateerde exploitatiekosten, zijnde alle niet directe kosten waaronder onder andere begrepen huisvestingskosten, kosten voor een werkplek, reiskosten, afschrijvingskosten en de kosten voor administratie en beheer, waaronder accountantskosten, met uitzondering van de kosten, bedoeld in [artikel 2.14, eerste lid, onderdeel d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043015&hoofdstuk=2¶graaf=2.1&artikel=2.14&z=2025-02-28&g=2025-02-28);
- c. kosten voor overhead en aan overhead gerelateerde exploitatiekosten, zijnde alle niet directe kosten waaronder onder andere begrepen huisvestingskosten, kosten voor een werkplek, reiskosten, afschrijvingskosten en de kosten voor administratie en beheer, waaronder accountantskosten, met uitzondering van de kosten, bedoeld in [artikel 2.14, eerste lid, onderdeel d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043015&hoofdstuk=2¶graaf=2.1&artikel=2.14&z=2025-07-05&g=2025-07-05);
- d. kosten gemaakt buiten de initiatiefperiode;
@@ -946,23 +946,23 @@
- i. btw;
- j. de kosten voor de doorlichting van de onderneming, bedoeld in [artikel 2.4, eerste lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043015&hoofdstuk=2¶graaf=2.1&artikel=2.4&z=2025-02-28&g=2025-02-28), indien deze onvoldoende duidelijk is toegesneden op de scholingsbehoefte vanuit het perspectief van de desbetreffende mkb-onderneming; of
- k. de kosten voor de ondersteuning en begeleiding bij het ontwikkelen of invoeren van een methode in de onderneming als bedoeld in [artikel 2.4, eerste lid, onderdeel c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043015&hoofdstuk=2¶graaf=2.1&artikel=2.4&z=2025-02-28&g=2025-02-28), indien deze onvoldoende duidelijk is toegesneden op desbetreffende mkb-onderneming.
- j. de kosten voor de doorlichting van de onderneming, bedoeld in [artikel 2.4, eerste lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043015&hoofdstuk=2¶graaf=2.1&artikel=2.4&z=2025-07-05&g=2025-07-05), indien deze onvoldoende duidelijk is toegesneden op de scholingsbehoefte vanuit het perspectief van de desbetreffende mkb-onderneming; of
- k. de kosten voor de ondersteuning en begeleiding bij het ontwikkelen of invoeren van een methode in de onderneming als bedoeld in [artikel 2.4, eerste lid, onderdeel c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043015&hoofdstuk=2¶graaf=2.1&artikel=2.4&z=2025-07-05&g=2025-07-05), indien deze onvoldoende duidelijk is toegesneden op desbetreffende mkb-onderneming.
##### Artikel 2.16. Subsidiebedrag loopbaan- en ontwikkeladviezen
De subsidie voor loopbaan- en ontwikkeladviezen als bedoeld in [artikel 2.4, eerste lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043015&hoofdstuk=2¶graaf=2.1&artikel=2.4&z=2025-02-28&g=2025-02-28), bedraagt € 700,– per afgerond loopbaan- of ontwikkeltraject.
De subsidie voor loopbaan- en ontwikkeladviezen als bedoeld in [artikel 2.4, eerste lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043015&hoofdstuk=2¶graaf=2.1&artikel=2.4&z=2025-07-05&g=2025-07-05), bedraagt € 700,– per afgerond loopbaan- of ontwikkeltraject.
##### Artikel 2.17. Administratievoorschriften
1. Onverminderd [artikel 5.2, eerste lid, van de Kaderregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603&artikel=5.2), bevat de administratie van de subsidieontvanger een bijlage met een overzicht van de KvK-nummers van alle ondernemingen die deelnemen aan het project, onder vermelding van de activiteiten waaraan is deelgenomen en, indien de subsidie is verleend voor een activiteit als bedoeld in:
- a. [artikel 2.4, eerste lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043015&hoofdstuk=2¶graaf=2.1&artikel=2.4&z=2025-02-28&g=2025-02-28), het opleidings- of ontwikkelplan dat voortkomt uit de doorlichting;
- b. [artikel 2.4, eerste lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043015&hoofdstuk=2¶graaf=2.1&artikel=2.4&z=2025-02-28&g=2025-02-28), een prestatieverklaring van de loopbaanscan of het ontwikkeladvies, getekend door de adviseur en de deelnemer;
- c. [artikel 2.4, eerste lid, onderdeel c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043015&hoofdstuk=2¶graaf=2.1&artikel=2.4&z=2025-02-28&g=2025-02-28), de met de gerealiseerde methode gemoeide producten.
- a. [artikel 2.4, eerste lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043015&hoofdstuk=2¶graaf=2.1&artikel=2.4&z=2025-07-05&g=2025-07-05), het opleidings- of ontwikkelplan dat voortkomt uit de doorlichting;
- b. [artikel 2.4, eerste lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043015&hoofdstuk=2¶graaf=2.1&artikel=2.4&z=2025-07-05&g=2025-07-05), een prestatieverklaring van de loopbaanscan of het ontwikkeladvies, getekend door de adviseur en de deelnemer;
- c. [artikel 2.4, eerste lid, onderdeel c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043015&hoofdstuk=2¶graaf=2.1&artikel=2.4&z=2025-07-05&g=2025-07-05), de met de gerealiseerde methode gemoeide producten.
2. Onder een prestatieverklaring, genoemd in het eerste lid, onderdeel b, wordt verstaan: een verklaring in het daarvoor geldende format, getekend door de loopbaanadviseur en de deelnemer, waarin wordt bevestigd dat de deelnemer aan het ontwikkeltraject heeft deelgenomen, welke onderwerpen daarin aan bod zijn gekomen en welke resultaten hiervoor zijn behaald.
@@ -972,9 +972,9 @@
2. De minister kan bij de beschikking tot subsidieverlening een voorschot verlenen van:
- a. 50% van de verleende subsidie, indien de subsidie is aangevraagd door een subsidieaanvrager als bedoeld in [artikel 2.19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043015&hoofdstuk=2¶graaf=2.2&artikel=2.19&z=2025-02-28&g=2025-02-28);
- b. 25% van de verleende subsidie, indien de subsidie is aangevraagd door een subsidieaanvrager als bedoeld in [artikel 2.21, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043015&hoofdstuk=2¶graaf=2.3&artikel=2.21&z=2025-02-28&g=2025-02-28);
- a. 50% van de verleende subsidie, indien de subsidie is aangevraagd door een subsidieaanvrager als bedoeld in [artikel 2.19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043015&hoofdstuk=2¶graaf=2.2&artikel=2.19&z=2025-07-05&g=2025-07-05);
- b. 25% van de verleende subsidie, indien de subsidie is aangevraagd door een subsidieaanvrager als bedoeld in [artikel 2.21, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043015&hoofdstuk=2¶graaf=2.3&artikel=2.21&z=2025-07-05&g=2025-07-05);
- c. 50% van de verleende subsidie, in aanvulling op het voorschot, genoemd in onderdeel b, en uit te betalen na indiening van het tussentijdse voortgangsverslag, indien de looptijd van het initiatief meer dan twaalf maanden bedraagt.
@@ -986,9 +986,9 @@
##### Artikel 2.20. Subsidiebedrag en subsidiabele kosten
1. Voor de activiteiten, bedoeld in [artikel 2.4, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043015&hoofdstuk=2¶graaf=2.1&artikel=2.4&z=2025-02-28&g=2025-02-28), wordt op grond van dit hoofdstuk een subsidie verstrekt tot € 25.000, met uitzondering van landbouwbedrijven, waarvoor een maximum geldt van € 20.000.
2. Voor de activiteiten, bedoeld in [artikel 2.4, eerste lid, onderdelen a en c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043015&hoofdstuk=2¶graaf=2.1&artikel=2.4&z=2025-02-28&g=2025-02-28), bedraagt de subsidie 60% van de subsidiabele kosten.
1. Voor de activiteiten, bedoeld in [artikel 2.4, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043015&hoofdstuk=2¶graaf=2.1&artikel=2.4&z=2025-07-05&g=2025-07-05), wordt op grond van dit hoofdstuk een subsidie verstrekt tot € 25.000, met uitzondering van landbouwbedrijven, waarvoor een maximum geldt van € 20.000.
2. Voor de activiteiten, bedoeld in [artikel 2.4, eerste lid, onderdelen a en c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043015&hoofdstuk=2¶graaf=2.1&artikel=2.4&z=2025-07-05&g=2025-07-05), bedraagt de subsidie 60% van de subsidiabele kosten.
#### Paragraaf 2.3. Subsidieverlening aan samenwerkingsverbanden
@@ -1000,15 +1000,15 @@
##### Artikel 2.22. Subsidiebedrag
1. De subsidie die wordt verleend voor de activiteiten, bedoeld in [artikel 2.4, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043015&hoofdstuk=2¶graaf=2.1&artikel=2.4&z=2025-02-28&g=2025-02-28), bedraagt maximaal € 500.000, waarbij geen enkele partij van het samenwerkingsverband aanspraak kan maken op € 200.000 of meer.
1. De subsidie die wordt verleend voor de activiteiten, bedoeld in [artikel 2.4, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043015&hoofdstuk=2¶graaf=2.1&artikel=2.4&z=2025-07-05&g=2025-07-05), bedraagt maximaal € 500.000, waarbij geen enkele partij van het samenwerkingsverband aanspraak kan maken op € 200.000 of meer.
2. In afwijking van het eerste lid is de maximale subsidie bij deelname aan een samenwerkingsverband voor landbouwbedrijven € 20.000, voor visserijbedrijven € 30.000 en voor goederenververvoer over de weg € 100.000.
3. Voor de activiteiten, bedoeld in [artikel 2.4, eerste lid, onderdelen a en c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043015&hoofdstuk=2¶graaf=2.1&artikel=2.4&z=2025-02-28&g=2025-02-28), bedraagt de subsidie 60% van de subsidiabele kosten, voor zover het de kosten betreft, bedoeld in [artikel 2.14, eerste lid, onderdelen a tot en met c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043015&hoofdstuk=2¶graaf=2.1&artikel=2.14&z=2025-02-28&g=2025-02-28).
3. Voor de activiteiten, bedoeld in [artikel 2.4, eerste lid, onderdelen a en c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043015&hoofdstuk=2¶graaf=2.1&artikel=2.4&z=2025-07-05&g=2025-07-05), bedraagt de subsidie 60% van de subsidiabele kosten, voor zover het de kosten betreft, bedoeld in [artikel 2.14, eerste lid, onderdelen a tot en met c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043015&hoofdstuk=2¶graaf=2.1&artikel=2.14&z=2025-07-05&g=2025-07-05).
##### Artikel 2.23. Specifieke eisen subsidieaanvraag en administratie samenwerkingsverbanden
1. In aanvulling op [artikel 2.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043015&hoofdstuk=2¶graaf=2.1&artikel=2.8&z=2025-02-28&g=2025-02-28) bestaat de subsidieaanvraag voor samenwerkingsverbanden uit:
1. In aanvulling op [artikel 2.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043015&hoofdstuk=2¶graaf=2.1&artikel=2.8&z=2025-07-05&g=2025-07-05) bestaat de subsidieaanvraag voor samenwerkingsverbanden uit:
- a. de samenwerkingsovereenkomst van het samenwerkingsverband, ondertekend door alle partijen die onderdeel uitmaken van het samenwerkingsverband, vergezeld van een schriftelijke machtiging waaruit blijkt dat de subsidieaanvrager gemachtigd is de andere partijen in het samenwerkingsverband in en buiten rechte te vertegenwoordigen; en
@@ -1022,9 +1022,9 @@
1. De minister doet verzoeken als bedoeld in [artikel 7.4, eerste lid, van de Kaderregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603&artikel=7.4) op basis van een steekproef voorafgaande aan het vaststellen van de subsidie.
2. Een samenwerkingsverband waaraan subsidie is verleend op grond van deze regeling dient door middel van een elektronisch formulier binnen 22 weken na afloop van de initiatiefperiode, bedoeld in artikel 11, derde lid, bij de minister een verzoek in tot vaststelling van de subsidie.
3. Het verzoek tot vaststelling gaat, onverminderd [artikel 7.8 van de Kaderregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603&artikel=7.8), vergezeld van een evaluatieverslag als bedoeld in [artikel 2.26](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043015&hoofdstuk=2¶graaf=2.4&artikel=2.26&z=2025-02-28&g=2025-02-28).
2. Een samenwerkingsverband waaraan subsidie is verleend op grond van deze regeling dient door middel van een elektronisch formulier binnen 22 weken na afloop van de initiatiefperiode, bedoeld in [artikel 2.13, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043015&hoofdstuk=2¶graaf=2.1&artikel=2.13&z=2025-07-05&g=2025-07-05), bij de minister een verzoek in tot vaststelling van de subsidie.
3. Het verzoek tot vaststelling gaat, onverminderd [artikel 7.8 van de Kaderregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603&artikel=7.8), vergezeld van een evaluatieverslag als bedoeld in [artikel 2.26](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043015&hoofdstuk=2¶graaf=2.4&artikel=2.26&z=2025-07-05&g=2025-07-05).
4. Het activiteitenverslag en het financieel verslag, bedoeld in de [Kaderregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603), worden opgesteld overeenkomstig het door de minister vastgestelde model.
@@ -1044,7 +1044,7 @@
3. Indien de beschikking tot subsidievaststelling geheel of gedeeltelijk wordt ingetrokken, wordt het subsidiebedrag dat tot dat moment is uitgekeerd, vermeerderd met de wettelijke rente, geheel of gedeeltelijk van de subsidieontvanger teruggevorderd.
4. Het eerste, tweede en derde lid zijn van overeenkomstige toepassing op de beschikking tot voorschotverlening, bedoeld in [artikel 2.18, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043015&hoofdstuk=2¶graaf=2.1&artikel=2.18&z=2025-02-28&g=2025-02-28).
4. Het eerste, tweede en derde lid zijn van overeenkomstige toepassing op de beschikking tot voorschotverlening, bedoeld in [artikel 2.18, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043015&hoofdstuk=2¶graaf=2.1&artikel=2.18&z=2025-07-05&g=2025-07-05).
##### Artikel 2.26. Evaluatie van de initiatieven
@@ -1064,6 +1064,8 @@
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
- –. **aanbieder:** aanbieder in de zin van [artikel 1 van het Besluit NLQF](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050303&artikel=1);
- –. **begunstigden:** personen waarop de leerplicht, bedoeld in [artikel 3 van de Leerplichtwet 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002628&artikel=3) niet meer van toepassing is, die de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in [artikel 7a van de Algemene ouderdomswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002221&artikel=7a), nog niet hebben bereikt en die:
- a. betaalde arbeid verrichten;
@@ -1072,7 +1074,7 @@
- c. een persoon zijn als bedoeld in de [artikelen 38b, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=38b), of [38f, vijfde lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=38f);
- –. **beroepsgroepen in maatschappelijk cruciale sectoren:** de beroepsgroepen en beroepen die zijn opgenomen in [bijlage II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043015&bijlage=II&z=2025-02-28&g=2025-02-28) bij deze regeling en behoren tot de beroepsklassen pedagogische beroepen, technische beroepen, ICT-beroepen, transport en logistiekberoepen, beroepen in de agrifood en natuur & leefomgeving en zorg- en welzijnsberoepen;
- –. **beroepsgroepen in maatschappelijk cruciale sectoren:** de beroepsgroepen en beroepen die zijn opgenomen in [bijlage II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043015&bijlage=II&z=2025-07-05&g=2025-07-05) bij deze regeling en behoren tot de beroepsklassen pedagogische beroepen, technische beroepen, ICT-beroepen, transport en logistiekberoepen, beroepen in de agrifood en natuur & leefomgeving en zorg- en welzijnsberoepen;
- –. **collectief:** een O&O-fonds of een bij overeenkomst vastgelegde samenwerking waaraan de volgende partijen deelnemen:
@@ -1100,7 +1102,19 @@
- b. de doorstroom of specialisatie van werkenden binnen een sector, gericht op de uitvoering van nieuwe functies of specialisaties; en
- c. het overstappen van werkenden naar een sector.
- c. het overstappen van werkenden naar een sector;
- –. **opleider:** degene die:
- a. volgens de Registratie instellingen en opleidingen gerechtigd is een opleiding als bedoeld in [artikel 3.6, eerste lid, onderdeel c, subonderdelen 1 tot en met 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043015&hoofdstuk=3&artikel=3.6&z=2025-07-05&g=2025-07-05), aan te bieden; of
- b. in een scholingspakket als opleider bij de opleiding, genoemd in [artikel 3.6, eerste lid, onderdeel c, subonderdeel 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043015&hoofdstuk=3&artikel=3.6&z=2025-07-05&g=2025-07-05), is opgenomen;
- –. **werkgever:** de subsidieaanvrager bij wie de werkzaamheden waarvoor wordt opgeleid worden uitgevoerd of die daartoe arbeidskrachten ter beschikking stelt aan een derde, en die:
- a. een arbeidsovereenkomst met de begunstigde van de scholing heeft; of
- b. afspraken heeft met de gemeente of het UWV over de scholing van de begunstigde, genoemd in artikel 3.1, onderdeel b, van de begripsbepaling begunstigden.
##### Artikel 3.2. Toepasselijkheid Kaderregeling
@@ -1120,13 +1134,13 @@
2. Een scholing is subsidiabel op grond van dit hoofdstuk, indien:
- a. de scholing op het moment van inkoop is opgenomen in een ontwikkelpad dat de minister op grond van [artikel 3.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043015&hoofdstuk=3&artikel=3.6&z=2025-02-28&g=2025-02-28) heeft erkend;
- a. de scholing op het moment van inkoop is opgenomen in een ontwikkelpad dat de minister op grond van [artikel 3.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043015&hoofdstuk=3&artikel=3.6&z=2025-07-05&g=2025-07-05) heeft erkend;
- b. het ontwikkelpad waarin de scholing is opgenomen voor het merendeel betrekking heeft op beroepsgroepen in maatschappelijk cruciale sectoren;
- c. het een scholing betreft als bedoeld in [artikel 3.6, eerste lid, onderdeel c, subonderdelen 1 tot en met 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043015&hoofdstuk=3&artikel=3.6&z=2025-02-28&g=2025-02-28);
- d. de scholing wordt verzorgd door een opleider die gerechtigd is om de gehele non-formele opleiding te verzorgen, indien het scholing betreft die een onderdeel uitmaakt van een non-formele opleiding als bedoeld in [artikel 3.6, eerste lid, onderdeel c, subonderdeel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043015&hoofdstuk=3&artikel=3.6&z=2025-02-28&g=2025-02-28);
- c. het een scholing betreft als bedoeld in [artikel 3.6, eerste lid, onderdeel c, subonderdelen 1 tot en met 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043015&hoofdstuk=3&artikel=3.6&z=2025-07-05&g=2025-07-05);
- d. de scholing wordt verzorgd door een opleider die gerechtigd is om de gehele non-formele opleiding te verzorgen, indien het scholing betreft die een onderdeel uitmaakt van een non-formele opleiding als bedoeld in [artikel 3.6, eerste lid, onderdeel c, subonderdeel 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043015&hoofdstuk=3&artikel=3.6&z=2025-07-05&g=2025-07-05);
- e. de scholing niet op grond van toepasselijk Unierecht, toepasselijk nationaal recht, een collectieve arbeidsovereenkomst of een regeling door of namens een daartoe bevoegd bestuursorgaan verplicht is om arbeid te kunnen blijven verrichten;
@@ -1136,9 +1150,13 @@
- h. de scholing op zijn vroegst is gestart op 28 februari 2025 en niet later dan 13 weken na indiening van de subsidieaanvraag, voor zover het scholing betreft waarvoor subsidie is aangevraagd door een werkgever of geregistreerd gastouderbureau.
3. In afwijking van het tweede lid, onderdeel c, is tot 1 mei 2026 scholing als bedoeld in [artikel 3.6, eerste lid, onderdeel c, subonderdeel 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043015&hoofdstuk=3&artikel=3.6&z=2025-02-28&g=2025-02-28), tevens subsidiabel, indien de aanbieder van de scholing een aanvraag als bedoeld in [artikel 3.1 van de Wet NLQF](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050058&artikel=3.1) heeft ingediend voor de non-formele opleiding en het Nationaal coördinatiepunt NLQF, genoemd in de [Wet NLQF](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050058), heeft geoordeeld dat de aanvraag volledig is. Het tweede lid, onderdeel d, is van overeenkomstige toepassing.
4. De minister neemt scholing die voldoet aan de criteria in het tweede lid, onderdelen a tot en met f, en, indien van toepassing, het derde lid, op in een scholingspakket en maakt dit bekend op [www.rijksoverheid.nl](http://www.rijksoverheid.nl) en [www.leeroverzicht.nl](http://www.leeroverzicht.nl).
3. In afwijking van het tweede lid, onderdeel c, is tot 1 mei 2026 scholing als bedoeld in [artikel 3.6, eerste lid, onderdeel c, subonderdeel 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043015&hoofdstuk=3&artikel=3.6&z=2025-07-05&g=2025-07-05), tevens subsidiabel, indien de aanbieder van de scholing een aanvraag als bedoeld in [artikel 3.1 van de Wet NLQF](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050058&artikel=3.1) heeft ingediend voor de non-formele opleiding en het Nationaal coördinatiepunt NLQF, genoemd in de [Wet NLQF](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050058), heeft geoordeeld dat de aanvraag volledig is. Het tweede lid, onderdeel d, is van overeenkomstige toepassing.
4. Het derde lid is voor een aanbieder niet langer van toepassing als het Nationaal coördinatiepunt NLQF een negatief besluit heeft genomen over de validiteit, bedoeld in [artikel 5, tweede lid, van het Besluit NLQF](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050303&artikel=5) en dit is verwerkt in een scholingspakket. De scholing en volgende aanvragen van scholing van deze aanbieder zijn weer subsidiabel nadat het Nationaal coördinatiepunt NLQF alsnog een positief besluit heeft genomen en dit is verwerkt in een scholingspakket.
5. De minister neemt scholing die voldoet aan de criteria in het tweede lid, onderdelen a tot en met f, op in een scholingspakket en maakt dit bekend op [www.rijksoverheid.nl](http://www.rijksoverheid.nl) en [www.leeroverzicht.nl](http://www.leeroverzicht.nl).
6. De minister neemt scholing die voldoet aan de in het derde lid gestelde voorwaarden op in een scholingspakket indien de aanbieder de minister hierover gegevens heeft verstrekt en verwerkt de in het vierde lid bedoelde mutaties in een daaropvolgend vaststellingsmoment van een scholingspakket. De uiterste termijnen voor de ontvangst van deze gegevens, worden bekendgemaakt op [www.uitvoeringvanbeleid.nl](http://www.uitvoeringvanbeleid.nl/).
##### Artikel 3.6. Erkenning ontwikkelpaden
@@ -1146,17 +1164,19 @@
- a. tot stand is gekomen met medewerking van de minister;
- b. is vastgesteld door werkgevers- en werknemersverenigingen die behoren dan wel een O&O-fonds dat behoort tot de sector waarop het ontwikkelpad betrekking heeft;
- b. is vastgesteld door werkgevers- en werknemersverenigingen dan wel een of meerdere O&O-fondsen die behoren tot de sector waarop het ontwikkelpad betrekking heeft;
- c. scholing bevat die bijdraagt aan de doelen van het ontwikkelpad, qua inhoud en niveau past bij de functies of specialisaties in het ontwikkelpad, praktijkgericht is, te combineren is met werken in een betaalde baan en bestaat uit:
- 1°. beroepsopleidingen als bedoeld in de [artikelen 1.4.1, lid 1a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=1.4.1), en [7.2.7, vierde lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=7.2.7) of onderdelen daarvan, voor zover deze onderdelen kunnen worden afgerond met een certificaat als bedoeld in [artikel 7.2.3. van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=7.2.3) of een mbo-verklaring als bedoeld in [artikel 7.4.6a van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=7.4.6a);
- 2°. opleidingen als bedoeld in [artikel 1, onderdeel m, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=1.1), voor zover deze deeltijds of duaal zijn ingericht als bedoeld in [artikel 7.7, eerste lid, van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.7);
- 3°. non-formele opleidingen met een branchewaardering waarvoor op grond van [artikel 3.1 van de Wet NLQF](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050058&artikel=3.1) een NLQF-niveau is vastgesteld dat ten minste op het niveau van de bijbehorende functies of specialisaties in het ontwikkelpad ligt of onderdelen van een zodanige opleiding, mits deze onderdelen beschikken over een branchewaardering; of
- 4°. non-formele opleidingen, anders dan de scholing, bedoeld in de subonderdelen 1 tot en met 3, of onderdelen hiervan met een branchewaardering;
- 2°. opleidingen als bedoeld in [artikel 1.1, onderdeel m, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=1.1), voor zover deze deeltijds of duaal zijn ingericht als bedoeld in [artikel 7.7, eerste lid, van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.7);
- 3°. opleidingen als bedoeld in [artikel 1.1, onderdeel dd1, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=1.1) en scholing die leidt tot het getuigschrift bekwaamheidsonderzoek of het getuigschrift pedagogisch-didactische scholing, genoemd in[artikel 7a.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7a.3) en [7a.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7a.4) van die wet;
- 4°. non-formele opleidingen met een branchewaardering waarvoor op grond van [artikel 3.1 van de Wet NLQF](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050058&artikel=3.1) een NLQF-niveau is vastgesteld dat ten minste op het niveau van de bijbehorende functies of specialisaties in het ontwikkelpad ligt of onderdelen van een zodanige opleiding, mits deze onderdelen beschikken over een branchewaardering; of
- 5°. non-formele opleidingen, anders dan de scholing, bedoeld in subonderdeel 4, of onderdelen hiervan met een branchewaardering;
- d. ten minste de volgende informatie bevat over elke scholing die daarin is opgenomen:
@@ -1166,13 +1186,15 @@
- 3°. de opleidingscode van de scholing in de Registratie instellingen en opleidingen, genoemd in de [Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625) en de [Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682), indien het een scholing betreft als bedoeld in onderdeel c, subonderdelen 1 en 2, met uitzondering van onderdelen van een beroepsopleiding als bedoeld in onderdeel c, subonderdeel 1, die kunnen worden afgerond met een mbo-verklaring; en
- 4°. de naam en het nummer, bedoeld in [artikel 9, onderdeel a, van de Handelsregisterwet 2007](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021777&artikel=9), van de opleider die de scholing aanbiedt, de opleidingseenheidscode van de scholing in de Registratie instellingen en opleidingen en een specificatie van branchewaardering, indien het een scholing betreft als bedoeld in onderdeel c, subonderdelen 3 en 4.
- 4°. de naam en het nummer, bedoeld in [artikel 9, onderdeel a, van de Handelsregisterwet 2007](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021777&artikel=9), van de opleider die de scholing aanbiedt, de opleidingseenheidscode van de scholing in de Registratie instellingen en opleidingen;
- 5°. een specificatie van een branchewaardering, indien het een opleiding betreft als bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, subonderdelen 4 en 5.
2. In afwijking van het eerste lid, onderdeel c, mag een ontwikkelpad scholing bevatten die qua inhoud en niveau niet volledig past bij een of meer van de functies of specialisaties in het ontwikkelpad en, indien van toepassing, een NLQF-niveau heeft dat lager ligt dan het niveau van de bijbehorende functie of specialisatie in het ontwikkelpad, mits wordt aangetoond dat de scholing bijdraagt aan de instroom in de functies of specialisaties waartoe de betreffende scholing behoort.
3. De aanvraag wordt ingediend met gebruikmaking van een door de minister elektronisch beschikbaar gesteld aanvraagformulier dat vergezeld gaat van een specificatie dat de scholing bijdraagt aan de doelen van het ontwikkelpad, qua inhoud en niveau past bij de functies en specialisaties in het ontwikkelpad of voldoet aan het tweede lid, praktijkgericht is en te combineren is met werken in een betaalde baan, overeenkomstig het door de minister vastgestelde model.
4. Indien het ontwikkelpad scholing bevat als bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, subonderdelen 3 en 4, gaat de aanvraag daarnaast vergezeld van een specificatie dat de betreffende scholing een branchewaardering heeft, wat blijkt uit:
4. Indien het ontwikkelpad scholing bevat als bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, subonderdelen 4 en 5, gaat de aanvraag daarnaast vergezeld van een specificatie dat de betreffende scholing een branchewaardering heeft, wat blijkt uit:
- a. de opname van de scholing in een collectieve arbeidsovereenkomst die binnen de sector valt waarop het ontwikkelpad betrekking heeft;
@@ -1182,7 +1204,7 @@
- d. bewijzen van steunbetuiging, opgesteld overeenkomstig een door de minister vastgesteld model, van een representatieve groep van ondernemingen of andere organisaties.
5. Aanvragen tot erkenning van ontwikkelpaden kunnen worden ingediend van 28 februari 2025 tot en met 7 maart 2025 en daarna jaarlijks van 17 maart tot en met 31 maart, 16 juni tot en met 30 juni, 16 september tot en met 30 september en van 17 december tot en met 31 december.
5. Aanvragen tot erkenning van ontwikkelpaden kunnen worden ingediend van 28 februari 2025 tot en met 7 maart 2025 en van 16 juni tot en met 31 juli 2025 en daarna jaarlijks van 17 maart tot en met 31 maart, 16 juni tot en met 30 juni, 16 september tot en met 30 september en van 17 december tot en met 31 december.
6. De minister maakt ontwikkelpaden die hij heeft erkend, bekend op [www.rijksoverheid.nl](http://www.rijksoverheid.nl) en [www.leeroverzicht.nl](http://www.leeroverzicht.nl).
@@ -1192,47 +1214,49 @@
- b. op verzoek van degene die heeft verzocht om erkenning van het betreffende ontwikkelpad;
- c. indien de minister verneemt dat een nieuw ontwikkelpad is vastgesteld dat in de plaats treedt van het erkende ontwikkelpad en degene die heeft verzocht om erkenning van het ontwikkelpad niet in de eerstvolgende aanvraagperiode, genoemd in het vierde lid, het vervangende ontwikkelpad heeft aangeboden voor erkenning.
- c. indien de minister verneemt dat een nieuw ontwikkelpad is vastgesteld dat in de plaats treedt van het erkende ontwikkelpad en degene die heeft verzocht om erkenning van het ontwikkelpad niet in de eerstvolgende aanvraagperiode, bedoeld in het vijfde lid, het vervangende ontwikkelpad heeft aangeboden voor erkenning.
##### Artikel 3.7. Bemiddeling minister bij niet opnemen scholing in erkend ontwikkelpad
1. Indien een aanbieder van een scholing van oordeel is dat zijn scholing voldoet aan het bepaalde in [artikel 3.6, eerste lid, onderdeel c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043015&hoofdstuk=3&artikel=3.6&z=2025-02-28&g=2025-02-28), en, indien van toepassing, artikel 3.6, tweede lid, maar de werkgevers- en werknemersverenigingen die dan wel het O&O-fonds dat een ontwikkelpad heeft vastgesteld dat door de minister is erkend, deze scholing niet hierin wil opnemen, kan de aanbieder aan de minister een verzoek tot bemiddeling doen.
2. De aanbieder van de scholing voegt bij zijn verzoek:
- a. een verklaring waarom de scholing naar zijn oordeel voldoet aan het bepaalde in [artikel 3.6, eerste lid, onderdeel c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043015&hoofdstuk=3&artikel=3.6&z=2025-02-28&g=2025-02-28), en, indien van toepassing, artikel 3.6, tweede lid, waar mogelijk voorzien van documenten ter onderbouwing; en
- b. schriftelijk bewijs waaruit blijkt dat de aanbieder aan een of meer van de werkgevers- of werknemersverenigingen die het erkende ontwikkelpad hebben vastgesteld dan wel het O&O-fonds dat het ontwikkelpad heeft vastgesteld, heeft verzocht om opname van de scholing in dit ontwikkelpad en, indien hij hierover beschikt, dat dit verzoek is afgewezen en wat de redenen hiervoor waren.
3. Na ontvangst van het verzoek treedt de minister in overleg met de werkgevers- of werknemersverenigingen die dan wel het O&O-fonds dat het erkende ontwikkelpad heeft vastgesteld en gaat daarbij in elk geval na wat de redenen zijn geweest voor het niet opnemen van de scholing in het ontwikkelpad.
4. Indien na het overleg overeenstemming wordt bereikt over het opnemen van de scholing in het ontwikkelpad, deelt de minister dit mede aan de aanbieder van de scholing en dragen de werkgevers- en werknemersverenigingen dan wel het O&O-fonds er zorg voor dat de scholing in het ontwikkelpad wordt opgenomen en een aanvraag als bedoeld in [artikel 3.6, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043015&hoofdstuk=3&artikel=3.6&z=2025-02-28&g=2025-02-28), wordt ingediend.
5. Indien geen overeenstemming wordt bereikt, brengt de minister aan de werkgevers- en werknemersverenigingen dan wel het O&O-fonds een advies uit over de opname van de scholing in het ontwikkelpad, dat hij tevens deelt met de aanbieder van de scholing.
6. De minister kan, onverminderd [artikel 3.6, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043015&hoofdstuk=3&artikel=3.6&z=2025-02-28&g=2025-02-28), een ontwikkelpad weigeren te erkennen, indien de scholing niet is opgenomen in het te erkennen ontwikkelpad en de minister van oordeel is dat de werkgevers- en werknemersverenigingen die dan wel het O&O-fonds dat het ontwikkelpad heeft vastgesteld de opname van de scholing redelijkerwijs niet achterwege had kunnen laten.
1. Indien een opleider van oordeel is dat zijn scholing voldoet aan het bepaalde in [artikel 3.6, eerste lid, onderdeel c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043015&hoofdstuk=3&artikel=3.6&z=2025-07-05&g=2025-07-05), en, indien van toepassing, artikel 3.6, tweede lid, maar de partijen die een ontwikkelpad hebben vastgesteld dat door de minister is erkend, deze scholing niet hierin wil opnemen, kan de opleider aan de minister een verzoek tot bemiddeling doen.
2. De opleider voegt bij zijn verzoek:
- a. een verklaring waarom de scholing naar zijn oordeel voldoet aan het bepaalde in [artikel 3.6, eerste lid, onderdeel c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043015&hoofdstuk=3&artikel=3.6&z=2025-07-05&g=2025-07-05), en, indien van toepassing, artikel 3.6, tweede lid, waar mogelijk voorzien van documenten ter onderbouwing; en
- b. schriftelijk bewijs waaruit blijkt dat de opleider aan een of meer van de partijen die het erkende ontwikkelpad hebben vastgesteld, heeft verzocht om opname van de scholing in dit ontwikkelpad en, indien hij hierover beschikt, dat dit verzoek is afgewezen en wat de redenen hiervoor waren.
3. Na ontvangst van het verzoek treedt de minister in overleg met de partijen die het erkende ontwikkelpad hebben vastgesteld en gaat daarbij in elk geval na wat de redenen zijn geweest voor het niet opnemen van de scholing in het ontwikkelpad.
4. Indien na het overleg overeenstemming wordt bereikt over het opnemen van de scholing in het ontwikkelpad, deelt de minister dit mede aan de opleider en dragen de partijen die het ontwikkelpad hebben vastgesteld er zorg voor dat de scholing in het ontwikkelpad wordt opgenomen en een aanvraag als bedoeld in [artikel 3.6, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043015&hoofdstuk=3&artikel=3.6&z=2025-07-05&g=2025-07-05), wordt ingediend.
5. Indien geen overeenstemming wordt bereikt, brengt de minister aan de partijen die het ontwikkelpad hebben vastgesteld een advies uit over de opname van de scholing in het ontwikkelpad, dat hij tevens deelt met de opleider.
6. De minister kan, onverminderd [artikel 3.6, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043015&hoofdstuk=3&artikel=3.6&z=2025-07-05&g=2025-07-05), een ontwikkelpad weigeren te erkennen, indien de scholing niet is opgenomen in het te erkennen ontwikkelpad en de minister van oordeel is dat de partijen die het ontwikkelpad hebben vastgesteld de opname van de scholing redelijkerwijs niet achterwege had kunnen laten.
##### Artikel 3.8. Subsidiabele kosten
1. Op grond van dit hoofdstuk komen de volgende kosten van werkgevers, geregistreerde gastouderbureaus en collectieven in aanmerking voor subsidie:
- a. de in een factuur van de aanbieder vermelde externe kosten van een scholing als bedoeld in [artikel 3.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043015&hoofdstuk=3&artikel=3.5&z=2025-02-28&g=2025-02-28), voor zover het les-, cursus-, college- of examengeld betreft, alsmede kosten van door de opleider verplicht gestelde literatuur, mits deze literatuur direct noodzakelijk is voor het volgen en afronden van de scholing;
- b. de in een factuur van de aanbieder vermelde externe kosten van scholing die is gericht op verbetering van de taalbeheersing, mits deze wordt ingezet in combinatie met een scholing als bedoeld in [artikel 3.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043015&hoofdstuk=3&artikel=3.5&z=2025-02-28&g=2025-02-28) en nodig is voor het uitoefenen van de functie in het ontwikkelpad waar de scholing als bedoeld in artikel 3.5 toe behoort en voor zover deze kosten:
- 1°. les-, cursus-, college- of examengeld betreffen, alsmede kosten van door de opleider verplicht gestelde literatuur, mits deze literatuur direct noodzakelijk is voor het volgen en afronden van de scholing; en
- 2°. niet meer dan 50% van het totaal aan kosten als bedoeld in dit lid bedragen.
- a. de in een factuur van de opleider vermelde externe kosten van een scholing als bedoeld in [artikel 3.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043015&hoofdstuk=3&artikel=3.5&z=2025-07-05&g=2025-07-05), voor zover het les-, cursus-, college- of examengeld betreft, alsmede kosten van door de opleider verplicht gestelde literatuur, mits deze literatuur direct noodzakelijk is voor het volgen en afronden van de scholing;
- b. de in een factuur van de opleider vermelde externe kosten van scholing die is gericht op verbetering van de Nederlandse taalbeheersing, mits deze wordt ingezet in combinatie met een scholing als bedoeld in [artikel 3.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043015&hoofdstuk=3&artikel=3.5&z=2025-07-05&g=2025-07-05) en nodig is voor het uitoefenen van de functie in het ontwikkelpad waar de scholing als bedoeld in artikel 3.5 toe behoort en voor zover deze kosten:
- 1°. les-, cursus-, college- of examengeld betreffen, alsmede kosten van door de opleider verplicht gestelde literatuur, mits deze literatuur direct noodzakelijk is voor het volgen en afronden van de scholing;
- 2°. niet meer dan 50% van het totaal aan kosten als bedoeld in dit lid bedragen; en
- 3°. door de opleider in rekening zijn gebracht bij de subsidieaanvrager.
2. Onverminderd het eerste lid, wordt aan een collectief tevens verstrekt:
- a. een toeslag van 15% op de kosten, bedoeld in het eerste lid, ter subsidiëring van overige gemaakte kosten;
- b. een tegemoetkoming in de kosten van een door een account opgesteld product als bedoeld in [artikel 3.24, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043015&hoofdstuk=3&artikel=3.24&z=2025-02-28&g=2025-02-28), van € 3.000.
3. De subsidie voor de kosten, bedoeld in het eerste lid, bedraagt 90% van de kosten indien de scholing, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, NLQF-niveau 1, 2 of 3 heeft, en 40% indien de scholing NLQF-niveau 4 of hoger heeft. Indien een scholing een onderdeel is van een beroepsopleiding dan wel een non-formele opleiding als bedoeld in [artikel 3.6, eerste lid, onderdeel c, subonderdeel 1 respectievelijk 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043015&hoofdstuk=3&artikel=3.6&z=2025-02-28&g=2025-02-28), wordt het subsidiepercentage bepaald door het NLQF-niveau van de opleiding waar de scholing onderdeel van uitmaakt.
4. In het geval van scholing als bedoeld in [artikel 3.6, eerste lid, onderdeel c, subonderdeel 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043015&hoofdstuk=3&artikel=3.6&z=2025-02-28&g=2025-02-28), wordt voor de toepassing van het derde lid uitgegaan van het NLQF-niveau dat is vermeld in de aanvraag, bedoeld in [artikel 3.5, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043015&hoofdstuk=3&artikel=3.5&z=2025-02-28&g=2025-02-28). Het derde lid, tweede zin, is van overeenkomstige toepassing.
- b. een tegemoetkoming in de kosten van een door een accountant opgesteld product als bedoeld in [artikel 3.24, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043015&hoofdstuk=3&artikel=3.24&z=2025-07-05&g=2025-07-05), van € 3.000.
3. De subsidie voor de kosten, bedoeld in het eerste lid, bedraagt 90% van de kosten indien de scholing, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, NLQF-niveau 1, 2 of 3 heeft, en 40% indien de scholing NLQF-niveau 4 of hoger heeft. Indien een scholing een onderdeel is van een beroepsopleiding dan wel een non-formele opleiding als bedoeld in [artikel 3.6, eerste lid, onderdeel c, subonderdeel 1 respectievelijk 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043015&hoofdstuk=3&artikel=3.6&z=2025-07-05&g=2025-07-05), wordt het subsidiepercentage bepaald door het NLQF-niveau van de opleiding waar de scholing onderdeel van uitmaakt.
4. In het geval van scholing als bedoeld in [artikel 3.6, eerste lid, onderdeel c, subonderdeel 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043015&hoofdstuk=3&artikel=3.6&z=2025-07-05&g=2025-07-05), wordt voor de toepassing van het derde lid uitgegaan van het NLQF-niveau dat is vermeld in de aanvraag, bedoeld in [artikel 3.5, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043015&hoofdstuk=3&artikel=3.5&z=2025-07-05&g=2025-07-05). Het derde lid, tweede zin, is van overeenkomstige toepassing.
5. Voor zover de kosten, bedoeld in het eerste en tweede lid, bestaan uit kosten van externe opdrachten met een waarde van ten minste € 50.000, zijn deze kosten slechts subsidiabel, indien zij marktconform zijn, wat wordt aangetoond aan de hand van:
@@ -1264,15 +1288,15 @@
##### Artikel 3.13. Subsidieplafond
1. De subsidieplafonds voor de tijdvakken, genoemd in [artikel 3.12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043015&hoofdstuk=3&artikel=3.12&z=2025-02-28&g=2025-02-28), bedragen voor het jaar 2025:
- a. € 4 miljoen voor het eerste tijdvak, genoemd in [artikel 3.12, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043015&hoofdstuk=3&artikel=3.12&z=2025-02-28&g=2025-02-28), en € 4 miljoen voor het tweede tijdvak;
- b. € 22 miljoen voor het tijdvak, genoemd in [artikel 3.12, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043015&hoofdstuk=3&artikel=3.12&z=2025-02-28&g=2025-02-28).
2. De minister bepaalt per erkend ontwikkelpad dat voldoet aan [artikel 3.5, tweede lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043015&hoofdstuk=3&artikel=3.5&z=2025-02-28&g=2025-02-28), of per groep van zodanige ontwikkelpaden welk deel van het subsidieplafond, genoemd in het eerste lid, onderdeel b, beschikbaar is voor de scholing in het ontwikkelpad, respectievelijk de tot de groep behorende ontwikkelpaden en maakt deze verdeling bekend op [www.uitvoeringvanbeleidszw.nl](http://www.uitvoeringvanbeleidszw.nl).
3. Indien het bedrag dat beschikbaar is in een aanvraagtijdvak niet volledig wordt benut, kan de minister de resterende middelen toevoegen aan de middelen van een ander aanvraagtijdvak in hetzelfde kalenderjaar of, indien middelen zijn overgebleven in het aanvraagtijdvak, genoemd in [artikel 3.12, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043015&hoofdstuk=3&artikel=3.12&z=2025-02-28&g=2025-02-28), de verdeling, bedoeld in het tweede lid, herzien. De minister maakt de verschuivingen van het beschikbare budget bekend op [www.uitvoeringvanbeleidszw.nl](http://www.uitvoeringvanbeleidszw.nl).
1. De subsidieplafonds voor de tijdvakken, genoemd in [artikel 3.12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043015&hoofdstuk=3&artikel=3.12&z=2025-07-05&g=2025-07-05), bedragen voor het jaar 2025:
- a. € 4 miljoen voor het eerste tijdvak, genoemd in [artikel 3.12, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043015&hoofdstuk=3&artikel=3.12&z=2025-07-05&g=2025-07-05), en € 4 miljoen voor het tweede tijdvak;
- b. € 23 miljoen voor het tijdvak, genoemd in [artikel 3.12, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043015&hoofdstuk=3&artikel=3.12&z=2025-07-05&g=2025-07-05).
2. De minister bepaalt per erkend ontwikkelpad dat voldoet aan [artikel 3.5, tweede lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043015&hoofdstuk=3&artikel=3.5&z=2025-07-05&g=2025-07-05), of per groep van zodanige ontwikkelpaden welk deel van het subsidieplafond, genoemd in het eerste lid, onderdeel b, beschikbaar is voor de scholing in het ontwikkelpad, respectievelijk de tot de groep behorende ontwikkelpaden en maakt deze verdeling bekend op [www.uitvoeringvanbeleidszw.nl](http://www.uitvoeringvanbeleidszw.nl).
3. Indien het bedrag dat beschikbaar is in een aanvraagtijdvak niet volledig wordt benut, kan de minister de resterende middelen toevoegen aan de middelen van een ander aanvraagtijdvak in hetzelfde kalenderjaar of, indien middelen zijn overgebleven in het aanvraagtijdvak, genoemd in [artikel 3.12, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043015&hoofdstuk=3&artikel=3.12&z=2025-07-05&g=2025-07-05), de verdeling, bedoeld in het tweede lid, herzien. De minister maakt de verschuivingen van het beschikbare budget bekend op [www.uitvoeringvanbeleidszw.nl](http://www.uitvoeringvanbeleidszw.nl).
##### Artikel 3.14. Subsidieaanvraag werkgever en geregistreerd gastouderbureau
@@ -1280,9 +1304,9 @@
- a. een factuur waaruit blijkt dat scholing is ingekocht en die ten minste de door de minister te bepalen informatie bevat;
- b. een bewijs dat voor de scholing, bedoeld in onderdeel a, is betaald;
- c. een verklaring dat de scholing wordt ingezet in combinatie met een scholing als bedoeld in [artikel 3.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043015&hoofdstuk=3&artikel=3.5&z=2025-02-28&g=2025-02-28) en nodig is voor het uitoefenen van de functie in het ontwikkelpad waar de scholing, bedoeld in artikel 3.5, toe behoort, voor zover het scholing betreft, bedoeld in [artikel 3.8, eerste lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043015&hoofdstuk=3&artikel=3.8&z=2025-02-28&g=2025-02-28); en
- b. een bewijs dat de subsidieaanvrager de scholing, bedoeld in onderdeel a, heeft betaald;
- c. een verklaring dat de scholing wordt ingezet in combinatie met een scholing als bedoeld in [artikel 3.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043015&hoofdstuk=3&artikel=3.5&z=2025-07-05&g=2025-07-05) en nodig is voor het uitoefenen van de functie in het ontwikkelpad waar de scholing, bedoeld in artikel 3.5, toe behoort, voor zover het scholing betreft, bedoeld in [artikel 3.8, eerste lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043015&hoofdstuk=3&artikel=3.8&z=2025-07-05&g=2025-07-05); en
- d. de naam, geboortedatum en het burgerservicenummer, bedoeld in [artikel 1, onderdeel b, van de Wet algemene bepalingen burgerservicenummer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022428&artikel=1), van alle personen die de scholing volgen, hebben gevolgd of zullen volgen waarvoor subsidie wordt aangevraagd.
@@ -1296,9 +1320,11 @@
1. Een collectief dient de subsidieaanvraag in door middel van een door de minister elektronisch beschikbaar gesteld aanvraagformulier dat vergezeld gaat van:
- a. een activiteitenplan; en
- b. een begroting.
- a. een activiteitenplan;
- b. een begroting; en
- c. een verklaring van alle partijen als bedoeld in [artikel 3.6, eerste lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043015&hoofdstuk=3&artikel=3.6&z=2025-07-05&g=2025-07-05), dat de aanvraag wordt ondersteund.
2. Indien het collectief een bij overeenkomst vastgelegd samenwerkingsverband is, wordt de aanvraag ingediend door de hoofdaanvrager van het collectief en gaat de subsidieaanvraag, onverminderd het eerste lid, vergezeld van:
@@ -1308,7 +1334,7 @@
3. Alleen een werkgeversvereniging, werknemersvereniging, O&O-fonds of koepelorganisatie kunnen worden aangewezen als hoofdaanvrager van een collectief.
4. Het activiteitenplan en de begroting worden opgesteld overeenkomstig het door de minister vastgestelde model.
4. Het activiteitenplan, de begroting en de verklaring, genoemd in het eerste lid, onderdeel c, worden opgesteld overeenkomstig het door de minister vastgestelde model.
5. Voor zover het collectief voor dezelfde begrote kosten of een deel daarvan ook subsidie of een andere financiële bijdrage heeft aangevraagd of zal aanvragen bij een ander bestuursorgaan of rechtspersoon, doet hij daarvan mededeling in de subsidieaanvraag, onder vermelding van de stand van zaken van de beoordeling van die andere aanvraag.
@@ -1316,9 +1342,15 @@
##### Artikel 3.16. Verplichte deelname centrumgemeente aan collectief
1. Een centrumgemeente als bedoeld in [artikel 2.4, tweede lid, van het Besluit SUWI](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013267&artikel=2.4) kan voor 30 juni van het lopende kalenderjaar aan de minister melden dat hij onderdeel uit wil maken van een collectief dat op grond van deze regeling subsidie aan zal vragen.
2. De centrumgemeente doet de melding met gebruikmaking van het door de minister ter beschikking gestelde formulier en geeft daarbij aan ten aanzien van welke erkende ontwikkelpaden of ontwikkelpaden waarvoor op dat moment een aanvraag om erkenning is ingediend, hij onderdeel uit wil maken van een collectief.
1. Een centrumgemeente als bedoeld in [artikel 2.4, tweede lid, van het Besluit SUWI](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013267&artikel=2.4) kan voor 30 juni van het lopende kalenderjaar aan de minister melden dat zij onderdeel uit wil maken van een collectief dat op grond van deze regeling subsidie aan zal vragen.
2. De centrumgemeente doet de melding met gebruikmaking van het door de minister ter beschikking gestelde formulier en geeft daarbij aan ten aanzien van welke van de volgende ontwikkelpaden zij onderdeel wil uitmaken van een collectief:
- a. erkende ontwikkelpaden;
- b. ontwikkelpaden waarvoor op dat moment een aanvraag om erkenning is ingediend; of
- c. ontwikkelpaden waarvan reeds bekend is dat die voor het volgende erkenningsmoment aan de minister worden aangeboden.
3. De minister maakt de centrumgemeenten die een melding hebben gedaan en de erkende ontwikkelpaden waar de melding betrekking op heeft bekend op [www.uitvoeringvanbeleidszw.nl](http://www.uitvoeringvanbeleidszw.nl).
@@ -1330,7 +1362,7 @@
- b. geen overeenstemming heeft bereikt met de partijen in het collectief over deelname aan het collectief, mits door het collectief is onderbouwd dat met de betreffende centrumgemeente redelijkerwijs geen overeenstemming kon worden bereikt.
6. Indien er sprake is van de situatie, bedoeld in het vijfde lid, onderdeel b, voegt het collectief, onverminderd [artikel 3.15, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043015&hoofdstuk=3&artikel=3.15&z=2025-02-28&g=2025-02-28), bij de aanvraag een onderbouwing waaruit blijkt dat met de betreffende centrumgemeente redelijkerwijs geen overeenstemming over de deelname aan het collectief kon worden bereikt.
6. Indien er sprake is van de situatie, bedoeld in het vijfde lid, onderdeel b, voegt het collectief, onverminderd [artikel 3.15, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043015&hoofdstuk=3&artikel=3.15&z=2025-07-05&g=2025-07-05), bij de aanvraag een onderbouwing waaruit blijkt dat met de betreffende centrumgemeente redelijkerwijs geen overeenstemming over de deelname aan het collectief kon worden bereikt.
##### Artikel 3.17. Wijze van verdeling
@@ -1346,23 +1378,55 @@
3. Voor onvolledige subsidieaanvragen geldt, na aanvulling door de subsidieaanvrager, de datum van ontvangst van de volledige subsidieaanvraag als datum van binnenkomst.
4. Indien na sluiting van het aanvraagtijdvak voor collectieven uit een beoordeling van de ontvangen subsidieaanvragen blijkt dat het van toepassing zijnde deel van het subsidieplafond, bedoeld in [artikel 3.13, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043015&hoofdstuk=3&artikel=3.13&z=2025-02-28&g=2025-02-28), zal worden overschreden, verdeelt de minister, in afwijking van het eerste lid, het beschikbare bedrag evenredig over de ingediende aanvragen die voldoen aan de voorwaarden, met dien verstande dat alleen subsidie wordt verleend indien het bedrag van de te verlenen subsidie ten minste € 125.000 bedraagt.
4. Indien na sluiting van het aanvraagtijdvak voor collectieven uit een beoordeling van de ontvangen subsidieaanvragen blijkt dat het van toepassing zijnde deel van het subsidieplafond, bedoeld in [artikel 3.13, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043015&hoofdstuk=3&artikel=3.13&z=2025-07-05&g=2025-07-05), zal worden overschreden, verdeelt de minister, in afwijking van het eerste lid, het beschikbare subsidieplafond evenredig over de ingediende aanvragen die voldoen aan de voorwaarden, met dien verstande dat:
- a. de subsidieverlening € 125.000 bedraagt als bedoeld in [artikel 3.10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043015&hoofdstuk=3&artikel=3.10&z=2025-07-05&g=2025-07-05) indien door evenredige verdeling het bedrag lager uitvalt dan dit bedrag; en
- b. het resterende deel van het subsidieplafond naar rato over de resterende aanvragen wordt verdeeld.
##### Artikel 3.18. Beschikking tot subsidieverlening
1. De minister beslist binnen 13 weken na afloop van het aanvraagtijdvak op de subsidieaanvraag.
2. Onverminderd [artikel 4.2, eerste lid, van de Kaderregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603&artikel=4.2) vermeldt de beschikking tot subsidieverlening in ieder geval de wijze van bevoorschotting.
1. Op aanvragen van een werkgever en een geregistreerd gastouderbureau beslist de minister binnen 13 weken na de subsidieaanvraag.
2. Op aanvragen van een collectief beslist de minister binnen 13 weken na afloop van het aanvraagtijdvak op de subsidieaanvraag.
3. Onverminderd [artikel 4.2, eerste lid, van de Kaderregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603&artikel=4.2) vermeldt de beschikking tot subsidieverlening in ieder geval de wijze van bevoorschotting.
##### Artikel 3.19. Bevoorschotting collectief
1. De minister kan bij de beschikking tot subsidieverlening aan een collectief een voorschot verlenen van 25% van de verleende subsidie en, indien de looptijd, bedoeld in [artikel 3.11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043015&hoofdstuk=3&artikel=3.11&z=2025-02-28&g=2025-02-28), meer dan twaalf maanden bedraagt, een aanvullend voorschot van 50% van de verleende subsidie.
1. De minister kan bij de beschikking tot subsidieverlening aan een collectief een voorschot verlenen van 25% van de verleende subsidie en, indien de looptijd, bedoeld in [artikel 3.11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043015&hoofdstuk=3&artikel=3.11&z=2025-07-05&g=2025-07-05), meer dan twaalf maanden bedraagt, een aanvullend voorschot van 50% van de verleende subsidie.
2. Het aanvullend voorschot, bedoeld in het eerste lid, wordt uitbetaald na indiening van de voortgangsrapportage.
##### Artikel 3.20. Weigeringsgronden
Onverminderd de [artikelen 4:25, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:25), en [4:35 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:35) wordt de subsidie geheel of gedeeltelijk geweigerd, indien de subsidieaanvraag niet voldoet aan de bij deze regeling gestelde eisen.
1. Onverminderd de [artikelen 4:25, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:25), en [4:35 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:35) wordt de subsidie geheel of gedeeltelijk geweigerd, indien de subsidieaanvraag niet voldoet aan de bij deze regeling gestelde eisen.
2. Aanvragen voor scholing worden ook geweigerd indien de scholing wordt uitgevoerd door:
- a. de subsidieontvanger of een partij in het samenwerkingsverband;
- b. een organisatie die, direct of indirect, is vertegenwoordigd in het bestuur van de subsidieontvanger of in het bestuur van een partij in het samenwerkingsverband;
- c. een organisatie waarin één of meer van dezelfde partijen in het bestuur zijn vertegenwoordigd, die tegelijkertijd ook:
- 1°. in het bestuur van de subsidieontvanger zijn vertegenwoordigd; of
- 2°. in het bestuur van een partij in het samenwerkingsverband zijn vertegenwoordigd;
- d. een organisatie waarin een persoon een financieel belang heeft of bestuurder is van die organisatie, en die persoon ook werkzaam is voor:
- 1°. de subsidieontvanger; of
- 2°. een partij uit het samenwerkingsverband;
- e. een organisatie waarin de subsidieontvanger of een partij uit het samenwerkingsverband, direct of indirect invloed kan uitoefenen of een financieel belang heeft; of
- f. een organisatie waarin zich een belangenconflict voordoet of kan voordoen als gevolg van familiebanden, persoonlijke relaties, politieke gezindheid of nationaliteit, economische belangen of elk ander direct of indirect persoonlijk belang, waarmee de onpartijdige en objectieve uitoefening van de functies van een financiële actor of andere persoon die bij de uitvoering van het initiatief betrokken is, in gevaar is of in gevaar kan worden gebracht.
3. Indien bij subsidieverlening het totaal aan subsidieverleningen aan één individuele aanvrager het bedrag van € 100.000,– per jaar zou overschrijden, wordt het deel van de aanvraag geweigerd dat zou leiden tot overschrijding van de € 100.000,–.
4. De subsidie wordt ook geweigerd indien het activiteitenplan de aannemelijkheid van de omvang en invulling van de aanvraag, of de haalbaarheid van de realisatie van het plan onvoldoende onderbouwt.
##### Artikel 3.21. Subsidieverplichtingen collectief
@@ -1374,7 +1438,7 @@
- a. de naam, geboortedatum en het burgerservicenummer, bedoeld in [artikel 1, onderdeel b, van de Wet algemene bepalingen burgerservicenummer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022428&artikel=1), van alle personen die de scholing die met de verleende subsidie is ingekocht volgen of hebben gevolgd;
- b. een verklaring dat de scholing wordt ingezet in combinatie met een scholing als bedoeld in [artikel 3.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043015&hoofdstuk=3&artikel=3.5&z=2025-02-28&g=2025-02-28) en nodig is voor het uitoefenen van de functie in het ontwikkelpad waar de scholing, bedoeld in artikel 3.5, toe behoort, voor zover het scholing betreft, bedoeld in [artikel 3.8, eerste lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043015&hoofdstuk=3&artikel=3.8&z=2025-02-28&g=2025-02-28);
- b. een verklaring dat de scholing wordt ingezet in combinatie met een scholing als bedoeld in [artikel 3.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043015&hoofdstuk=3&artikel=3.5&z=2025-07-05&g=2025-07-05) en nodig is voor het uitoefenen van de functie in het ontwikkelpad waar de scholing, bedoeld in artikel 3.5, toe behoort, voor zover het scholing betreft, bedoeld in [artikel 3.8, eerste lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043015&hoofdstuk=3&artikel=3.8&z=2025-07-05&g=2025-07-05);
- c. schriftelijke verklaringen van de personen, bedoeld in onderdeel a, waaruit blijkt dat zij met de scholing zijn gestart en deze kosteloos volgen; en
@@ -1382,7 +1446,7 @@
2. Indien het collectief een bij overeenkomst vastgelegd samenwerkingsverband is, ziet de hoofdaanvrager van het collectief erop toe dat wordt voldaan aan het eerste lid en [artikel 5.2 van de Kaderregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603&artikel=5.2) en verstrekt hij op verzoek aan de minister alle informatie uit de administratie die de minister in het kader van de subsidieverstrekking nodig acht.
3. De facturen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, bevatten ten minste de door de minister te bepalen informatie. [Artikel 3.14, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043015&hoofdstuk=3&artikel=3.14&z=2025-02-28&g=2025-02-28), is van overeenkomstige toepassing.
3. De facturen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, bevatten ten minste de door de minister te bepalen informatie. [Artikel 3.14, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043015&hoofdstuk=3&artikel=3.14&z=2025-07-05&g=2025-07-05), is van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 3.23. Voortgangsrapportage
@@ -1396,13 +1460,15 @@
1. De minister bepaalt voorafgaande aan het vaststellen van de subsidie op basis van een steekproef aan welke werkgevers en geregistreerde gastouderbureaus waaraan een subsidie is verleend op grond van deze regeling hij een verzoek doet als bedoeld in [artikel 7.4, eerste lid, van de Kaderregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603&artikel=7.4).
2. De minister neemt binnen 22 weken na indiening van de subsidieaanvraag ambtshalve een besluit over de vaststelling van de aan een werkgever of geregistreerd gastouderbureau verleende subsidie.
2. De minister neemt binnen 35 weken na indiening van de subsidieaanvraag ambtshalve een besluit over de vaststelling van de aan een werkgever of geregistreerd gastouderbureau verleende subsidie.
3. Een collectief waaraan subsidie is verstrekt op grond van dit hoofdstuk dient binnen 22 weken na afloop van de in de beschikking tot subsidieverlening bepaalde periode, een verzoek in tot vaststelling van de subsidie met gebruikmaking van een door de minister elektronisch beschikbaar gesteld formulier.
4. Het activiteitenverslag en het financieel verslag, bedoeld in [artikel 7.8 van de Kaderregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603&artikel=7.8), worden opgesteld overeenkomstig het door de minister vastgestelde model.
5. In afwijking van [artikel 1.1 van de Kaderregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603&artikel=1.1), gaat het financieel verslag vergezeld van het door een accountant opgestelde product dat is voorgeschreven in het op [www.uitvoeringvanbeleidszw.nl](http://www.uitvoeringvanbeleidszw.nl) gepubliceerde accountantsprotocol
5. In afwijking van [artikel 1.1 van de Kaderregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603&artikel=1.1), gaat het financieel verslag vergezeld van het door een accountant opgestelde product dat is voorgeschreven in het op [www.uitvoeringvanbeleidszw.nl](http://www.uitvoeringvanbeleidszw.nl) gepubliceerde accountantsprotocol.
6. De subsidieontvanger verstrekt bij het verzoek tot vaststelling van de subsidie het burgerservicenummer van alle personen die de scholing volgen of hebben gevolgd, die met de verleende subsidie is ingekocht.
##### Artikel 3.25. Intrekking en terugvordering
@@ -1432,7 +1498,7 @@
1. Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2020 en vervalt met ingang van 1 januari 2030, met uitzondering van hoofdstuk 3, dat vervalt met ingang van 1 januari 2028.
2. In afwijking van het eerste lid blijft deze regeling, zoals deze luidde op 31 december 2027 respectievelijk 31 december 2029, van toepassing op de afwikkeling van verleende subsidies op grond van [hoofdstuk 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043015&hoofdstuk=3&z=2025-02-28&g=2025-02-28) respectievelijk [hoofdstuk 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043015&hoofdstuk=2&z=2025-02-28&g=2025-02-28) van deze regeling.
2. In afwijking van het eerste lid blijft deze regeling, zoals deze luidde op 31 december 2027 respectievelijk 31 december 2029, van toepassing op de afwikkeling van verleende subsidies op grond van [hoofdstuk 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043015&hoofdstuk=3&z=2025-07-05&g=2025-07-05) respectievelijk [hoofdstuk 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043015&hoofdstuk=2&z=2025-07-05&g=2025-07-05) van deze regeling.
##### Artikel 4.4. Citeertitel
@@ -1527,3 +1593,97 @@
| Cybersecurity specialisten | ICT |
Deze regeling zal met toelichting en de bijlage in de Staatscourant worden geplaatst.
##### Artikel 4.1a. Overgangsbepaling bij verduidelijking en aanscherping hoofdstuk 3
Op subsidieaanvragen die zijn ingediend voor het tijdstip van inwerkingtreding van de Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 1 juli 2025, nr. 2025-0000095142, tot wijziging van de SLIM-regeling met name in verband met het verduidelijken en aanscherpen van de regels voor de subsidieverstrekking ten behoeve van scholing in sectorale ontwikkelpaden, blijft de SLIM-regeling van toepassing zoals die luidde op de dag voor het genoemde tijdstip.
## Bijlage I. Behorend bij [artikel 2.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043015&hoofdstuk=2¶graaf=2.1&artikel=2.5&z=2025-07-05&g=2025-07-05) van deze regeling
### Gedragscode
## Bijlage II. Behorend bij [artikel 3.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043015&hoofdstuk=3&artikel=3.1&z=2025-07-05&g=2025-07-05) van deze regeling
| Beroepsgroep | Uitzonderingen |
| --- | --- |
| 0111 Docenten hoger onderwijs en hoogleraren | |
| 0112 Docenten beroepsgerichte vakken secundair onderwijs | |
| 0113 Docenten algemene vakken secundair onderwijs | |
| 0114 Leerkrachten basisonderwijs | |
| 0115 Onderwijskundigen en overige docenten | |
| 0131 (Pedagogisch) medewerkers kinderopvang en onderwijsassistenten | |
| 0711 Biologen en natuurwetenschappers | |
| 0712 Ingenieurs (geen elektrotechniek) | |
| 0713 Elektrotechnisch ingenieurs | |
| 0714 Architecten | |
| 0721 Technici bouwkunde en natuur | |
| 0722 Productieleiders industrie en bouw | |
| 0723 Procesoperators | |
| 0731 Bouwarbeiders ruwbouw | |
| 0732 Timmerlieden | |
| 0733 Bouwarbeiders afbouw | |
| 0734 Loodgieters en pijpfitters | |
| 0735 Schilders en metaalspuiters | |
| 0741 Metaalbewerkers en constructiewerkers | |
| 0742 Lassers en plaatwerkers | |
| 0743 Automonteurs | |
| 0744 Machinemonteurs | |
| 0751 Slagers | |
| 0752 Bakkers | |
| 0753 Productcontroleurs | Tabaksbereiders en vervaardigers van tabaksproducten |
| 0754 Meubelmakers, kleermakers en stoffeerders | |
| 0755 Medewerkers drukkerij en kunstnijverheid | Drukkerijmedewerkers |
| 0761 Elektriciens en elektronicamonteurs | |
| 0771 Productiemachinebedieners | |
| 0772 Assemblagemedewerkers | |
| 0781 Hulpkrachten bouw en industrie | |
| 0811 Software- en applicatieontwikkelaars | |
| 0812 Databank- en netwerkspecialisten | |
| 0821 Gebruikersondersteuning ICT | |
| 0822 radio en televisietechnici | |
| 0911 Land- en bosbouwers | |
| 0912 Hoveniers, tuinders en kwekers | Sierteelt en perkplanten |
| 0913 Veetelers | |
| 0921 Hulpkrachten landbouw | |
| 1011 Artsen | |
| 1012 Gespecialiseerd verpleegkundigen | |
| 1013 Fysiotherapeuten | Alternatief genezers |
| 1021 Maatschappelijk werkers | |
| 1022 Psychologen en sociologen | Theologen en voorgangers van de eredienst, sociologen, antropologen, filosofen, historici en politicologen |
| 1031 Laboranten | |
| 1032 Apothekersassistenten | |
| 1033 Verpleegkundigen (mbo) | |
| 1034 Medisch praktijkassistenten | |
| 1035 Medisch vakspecialisten | Vakspecialisten alternatieve geneeskunde |
| 1041 Sociaal werkers, groeps- en woonbegeleiders | Pastoraal werkers, juridisch medewerkers |
| 1051 Verzorgenden | |
| 1215 Bedieners mobiele machines | |
| Beroepen | Sector |
| --- | --- |
| Administratief medewerkers | Onderwijs |
| Secretaresses | Onderwijs |
| Receptionisten | Onderwijs |
| Telefonisten | Onderwijs |
| Boekhoudkundig medewerkers | Onderwijs |
| Conciërges | Onderwijs |
| Teamleiders schoonmaak | Onderwijs |
| Ecologen | Groen |
| Vergunningverleners | Groen |
| Geografisch sociologen | Groen |
| Agrarische bedrijfsadviseurs | Groen |
| Agrarische loonwerkers | Groen |
| Loonwerkers in relatie tot natuurbeheer | Groen |
| Landschapsarchitecten | Groen |
| Planologen | Groen |
| Stedenbouwkundigen | Groen |
| Dierverzorgers | Groen |
| Beroepen in de visserijketen | Groen |
| Beroepen in de veredeling | Groen |
| Managers binnen landbouw, bosbouw en visserij | Groen |
| Managers aquacultuur en visserij | Groen |
| Huishoudelijke hulp | Zorg |
| Energiefixberoepen | Energie |
| Cybersecurity specialisten | ICT |
Deze regeling zal met toelichting en de bijlage in de Staatscourant worden geplaatst.