Wijzigingsgeschiedenis
Omzetbelasting. Toelichting snelle oplossingen btw
4 versions
· 2024-10-11
2024-10-11
Omzetbelasting. Toelichting snelle oplossingen btw — arts. 2, 1, 117 y
Wijzigingen op 2024-10-11
@@ -4,11 +4,19 @@
**Dit besluit vervangt het besluit van 8 december 2020, nr. 2020-25514 Omzetbelasting. Toelichting snelle oplossingen btw, (** **Stcrt. 2020, nr. 62979** **). De wijziging heeft betrekking op onderdeel 4 (Regeling inzake voorraad op afroep). Aan onderdeel 4 wordt onderdeel 4.4. toegevoegd. In onderdeel 4.4 wordt nader ingegaan op de toepassing van de regeling voorraad op afroep na de Brexit.**
Dit besluit is gewijzigd bij besluit van 21 augustus 2024, nr. 2024-9776, (Stcrt. 2024, 29783).
De wijziging betreft een verduidelijking van het in onderdeel 5.1 opgenomen standpunt van de Staatssecretaris inzake de ‘bredere toepassing’ van de vereenvoudigde A-B-C-regeling als voorgestaan in onderdeel 3.6.17.2 van de ‘Toelichting over de btw-wijzigingen in de EU met betrekking tot de regeling inzake voorraad op afroep, ketentransacties en de vrijstelling voor intracommunautaire leveringen van goederen’. De wijziging vloeit voort uit standpunt nr. KG:210:2024:3 (vereenvoudigde ABC; levering in keten) van de Kennisgroep Overheid, Vrijstellingen en Internationaal.
### 1. Inleiding
Op 1 januari 2020 zijn de zogenoemde ‘snelle oplossingen’ of ‘quick fixes’ voor de btw in werking getreden. Dit zijn regels die het handelsverkeer tussen lidstaten harmoniseren en vereenvoudigen. De Europese Commissie heeft in december 2019 een toelichting1Toelichting over de btw-wijzigingen in de EU met betrekking tot de regeling inzake voorraad op afroep, ketentransacties en de vrijstelling voor intracommunautaire leveringen van goederen (“snelle oplossingen van 2020”), december 2019. gegeven op de snelle oplossingen (zogenoemde explanatory notes quick fixes). In dit besluit wordt aangegeven in hoeverre deze toelichting wordt gevolgd en in welk opzicht daarvan wordt afgeweken. Verder wordt in onderdeel 4.4 aangegeven hoe de regeling inzake voorraad op afroep na de Brexit wordt toegepast door in Nederland gevestigde ondernemers. In onderdeel 4.4 zijn verschillende situaties beschreven die zich in dit verband kunnen voordoen. Per situatie worden de gevolgen van de Brexit beschreven en hoe met deze gevolgen moet worden omgegaan.
### 1.1. Gebruikte begrippen en afkortingen
### 1.2. Verwerkt kennisgroepantwoord
In het besluit is het kennisgroepantwoord nr. KG:210:2024:3 (vereenvoudigde ABC; levering in keten) verwerkt.1[KG:210:2024:3 (Vereenvoudigde ABC; levering in keten) | Kennisgroepen (belastingdienst.nl)](https://kennisgroepen.belastingdienst.nl/publicaties/kg21020243-vereenvoudigde-abc-levering-in-keten/)
### 2. Juridisch kader
@@ -26,17 +34,13 @@
In de Toelichting is een voorbeeld opgenomen van de situatie waarin goederen niet worden geleverd aan de beoogde afnemer en binnen 12 maanden retour worden gezonden naar de lidstaat van vertrek (onderdeel 2.3.4., pag. 19–20). Op grond van [artikel 3b, vijfde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629&artikel=3b) wordt in die situatie de overbrenging niet gelijkgesteld met een levering onder bezwarende titel als deze retourzending wordt opgenomen in het register, bedoeld in [artikel 34, tweede lid, onderdeel c, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629&artikel=34). De Toelichting (onderdeel 2.3.4, pag. 19–20) schrijft voor dat de retourzendingen ook worden opgenomen in de opgaaf ICP. De [wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629) eist dit niet van de ondernemer, maar de ondernemer kan uit praktische overwegingen ervoor kiezen om de retourzendingen naast vorenbedoeld register toch (ook) op te nemen in de opgaaf ICP (rubriek 5a). Hierdoor is het voor de ondernemer mogelijk om één handelwijze toe te passen voor alle lidstaten waar hij de regeling voorraad op afroep toepast of om te volstaan met de toepassing van software die hem dwingt tot het aanhouden van één handelwijze. De ondernemer is wel verplicht om in de opgaaf ICP de identiteit en het btw-identificatienummer van de afnemer3Zoals toegekend door de lidstaat van bestemming. en van diens eventuele vervanger op te nemen (op grond van [artikel 3b, zesde lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629&artikel=3b), gelezen in samenhang met de artikelen 3b, tweede lid, onderdeel d en [37a, eerste lid, onderdeel d, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629&artikel=37a)).
### 4.2. Entrepot (of magazijn) is geen vaste inrichting
In de Toelichting (onderdeel 2.5.1., pag. 28, punt 4) wordt gesteld dat een entrepot onder voorwaarden kwalificeert als vaste inrichting.4In de Nederlandse situatie is de term ‘entrepot’ voorbehouden aan de opslag van goederen die onder een douaneregime vallen. Gemeend wordt dat de term ‘entrepot’ in de Toelichting daarom met name ziet op een magazijn (Engels: warehouse). Een entrepot wordt volgens de Toelichting beschouwd als vaste inrichting van de leverancier, als de leverancier de eigenaar of huurder van het entrepot is en de leverancier het entrepot rechtstreeks beheert met eigen middelen waarover hij beschikt in de lidstaat waar het entrepot zich bevindt.
De regeling inzake voorraad op afroep kent een aantal voorwaarden. Zo mag de leverancier niet gevestigd zijn en ook geen vaste inrichting hebben in de lidstaat van bestemming ([artikel 3b, tweede lid, onderdeel b, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629&artikel=3b)).
In de Toelichting (onderdeel 2.5.1., pag. 28, punt 4) wordt gesteld dat een entrepot onder voorwaarden kwalificeert als vaste inrichting.4In de Nederlandse situatie is de term ‘entrepot’ voorbehouden aan de opslag van goederen die onder een douaneregime vallen. Gemeend wordt dat de term ‘entrepot’ in de Toelichting daarom met name ziet op een magazijn (Engels: warehouse). Een entrepot wordt volgens de Toelichting beschouwd als vaste inrichting van de leverancier, als de leverancier de eigenaar of huurder van het entrepot is en de leverancier het entrepot rechtstreeks beheert met eigen middelen waarover hij beschikt in de lidstaat waar het entrepot zich bevindt.
### 4.3. Vervangende afnemer
Ik deel die opvatting niet zonder meer. Ook voor de toepassing van de regeling inzake voorraad op afroep kwalificeert een entrepot in Nederland alleen als een vaste inrichting als het entrepot een voldoende mate van duurzaamheid heeft en een – wat personeel en technische middelen betreft – geschikte structuur heeft om prestaties aan derden te verrichten (zie artikelen 11, lid 2 en 53 van de uitvoeringsverordening5Het in genoemde artikelen van de uitvoeringsverordening omschreven begrip ‘vaste inrichting’ is relevant voor de gehele btw-regelgeving.). Dit uitgangspunt geldt ook voor een voorraad op afroep die in Nederland wordt aangehouden door een buitenlandse ondernemer. Als het entrepot of de voorraad op afroep als zodanig niet als zo’n vaste inrichting is aan te merken, kan de regeling voorraad op afroep worden toegepast vanwege de afwezigheid van een vaste inrichting in Nederland. Dit geldt ook als de overbrenging eigen goederen door de leverancier in de lidstaat van vertrek als intracommunautaire levering wordt gelist, als in die lidstaat de regeling voorraad op afroep wordt geacht niet van toepassing te zijn.
### 4.3. Vervangende afnemer
In het kader van de regeling voorraad op afroep is het mogelijk om de afnemer te vervangen door een andere ondernemer. Hierbij moet worden voldaan aan de voorwaarden die zijn gesteld in [artikel 3b, zesde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629&artikel=3b). Dit betekent onder meer dat ook moet worden voldaan aan alle (andere) voorwaarden die zijn genoemd in artikel 3b, tweede lid, van de wet. De hoedanigheid van de vervanger dient identiek te zijn aan die van de oorspronkelijke afnemer, met inbegrip van alle rechten en plichten die de leverancier en de oorspronkelijke afnemer overeen zijn gekomen in hun overeenkomst als bedoeld in artikel 3b, tweede lid, onderdeel a, van de wet.6Kamerstukken II 2019/2020, 35 307, nr. 3, blz. 13.
Voor het bepalen of sprake is van ‘vervanging’ van de afnemer wordt de Toelichting gevolgd.7Het gaat dan om het gestelde op pagina 15–17 en 34–35 van de Toelichting (onderdelen 2.3.2., 2.5.12. en 2.5.14.). De vervangende afnemer hoeft niet al bekend te zijn op het tijdstip waarop de verzending of het vervoer van de goederen begint. Dit heeft tot gevolg dat op dat tijdstip ook nog geen overeenkomst hoeft te zijn afgesloten met de vervangende afnemer. Vereist is wel dat de leverancier de overeenkomst met de (door hem geïdentificeerde) vervangende afnemer sluit vóór of op het moment van beëindiging van de overeenkomst met de oorspronkelijke afnemer. Verder moet de vervangende afnemer uiterlijk op het moment van de vervanging voor btw-doeleinden geïdentificeerd zijn in de lidstaat van bestemming. Als de overeenkomst met de vervangende afnemer op een later moment wordt gesloten, vervalt de regeling inzake de voorraad op afroep op het moment waarop de oorspronkelijke overeenkomst wordt beëindigd. Het gevolg daarvan is dat op dat moment alsnog sprake is van een door de leverancier verrichte intracommunautaire levering in Nederland als lidstaat van vertrek en een door hem verrichte intracommunautaire verwerving in de lidstaat van bestemming overeenkomstig [artikel 3a, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629&artikel=3a) en de geldende btw-regelgeving in de lidstaat van bestemming.
@@ -48,43 +52,65 @@
### 5.1. Vereenvoudigde A-B-C-levering
De in Nederland gevestigde ondernemer vermeldt de terugzending van de goederen niet in zijn opgaaf ICP, omdat deze terugzending als wederinvoer wordt aangemerkt.
De toepassing van de regeling inzake voorraad op afroep is gebonden aan de in [artikel 3b, vierde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629&artikel=3b) bedoelde termijn van twaalf maanden.9D.w.z. dat de goederen binnen twaalf maanden na aankomst in de lidstaat waarnaar zij zijn verzonden of vervoerd moeten worden geleverd aan de ondernemer bedoeld in artikel 3b, tweede lid, onderdeel c, of het zesde lid, van de wet of worden teruggezonden naar de in artikel 3b, vijfde lid, van de wet bedoelde ondernemer. Hierbij geldt dat geen van de situaties genoemd in artikel 3b, zevende lid, zich hebben voorgedaan. Goederen die onder de regeling iwetnzake voorraad op afroep uiterlijk op 31 december 2020 vanuit Nederland naar het Verenigd Koninkrijk (hierna: het VK) of vice versa zijn verzonden of vervoerd, kunnen uiterlijk tot en met 31 december 2021 onder deze regeling worden geleverd in het VK of in Nederland of worden teruggezonden naar Nederland of het VK. Hoewel de goederen fysiek vóór de Brexit zijn overgebracht, vindt de intracommunautaire levering of verwerving van deze goederen in het kader van de regeling inzake voorraad op afroep pas plaats op het moment dat de macht om als eigenaar over de goederen te beschikken overgaat naar de beoogde afnemer op het moment van levering. Ook kan het voorkomen dat die macht niet overgaat binnen de in de regeling inzake voorraad op afroep gestelde termijn van twaalf maanden en de desbetreffende goederen vóór die termijn worden teruggezonden. De richtlijn en de regeling voorraad op afroep blijven van toepassing op deze goederen die vóór de Brexit zijn overgebracht onder toepassing van de regeling inzake voorraad op afroep en nadien binnen twaalf maanden worden geleverd of teruggezonden. Vanwege de Brexit ontstaan wel andere administratieve en douane-technische gevolgen.
Hierna wordt aangegeven welke gevolgen de Brexit voor de Nederlandse btw-verplichtingen heeft voor situaties die zich kunnen voordoen bij de hiervoor bedoelde voorraad op afroep-goederen en hoe daarmee moet worden omgegaan.
### 6. Bewijs intracommunautair(e) verzending of vervoer op basis van weerlegbaar vermoeden
Eén van de voorwaarden voor de toepassing van het nultarief in verband met intracommunautaire leveringen van goederen op grond van [post a.6 van tabel II van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629&bijlage=II), is dat de goederen vanuit Nederland naar een andere lidstaat zijn verzonden of vervoerd, waar de goederen zijn onderworpen aan de btw-heffing ter zake van de intracommunautaire verwerving van die goederen. In artikel 45 bis van de uitvoeringsverordening is voor intracommunautair(e) verzending of vervoer een weerlegbaar bewijsvermoeden opgenomen. Deze bepaling biedt een praktische regeling aan **naast** de bestaande Nederlandse praktijk voor het bewijs van intracommunautair(e) verzending of vervoer. Volgens artikel 45 bis van de uitvoeringsverordening is er sprake van een weerlegbaar bewijsvermoeden van dit intracommunautair vervoer of deze intracommunautaire verzending als twee niet-tegenstrijdige bewijsstukken17De bewijsstukken zijn opgenomen in artikel 45 bis, derde lid van de uitvoeringsverordening. kunnen worden overgelegd. Deze bewijsstukken moeten afkomstig zijn van partijen die zowel onafhankelijk zijn van elkaar als van de verkoper en de afnemer (artikel 45 bis van de uitvoeringsverordening). De inspecteur kan het bewijsvermoeden weerleggen.
De regeling inzake ketentransacties bepaalt aan welke van de opvolgende leveringen in de keten het intracommunautair vervoer of de intracommunautaire verzending moet worden toegerekend ([artikel 5c van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629&artikel=5c)). Alleen deze levering wordt aangemerkt als de intracommunautaire levering. De overige leveringen binnen de keten (de leveringen vóór en na de intracommunautaire levering) zijn binnenlandse leveringen.13De leveringen in de keten voor de intracommunautaire levering vinden plaats in de lidstaat van aanvang van het intracommunautaire vervoer. De leveringen in de keten na de intracommunautaire levering vinden plaats in de lidstaat waar het intracommunautair vervoer eindigt.
In de Toelichting zijn twee situaties geschetst. De eerste situatie opgenomen in 3.6.17.1 is gelijk aan voorbeeld 5 in de Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel over de toepassing van de regeling inzake ketentransacties in combinatie met de vereenvoudigde A-B-C-regeling.16Zie Kamerstukken II 2019-2020, 35 307, nr. 3, blz. 21. In bedoeld voorbeeld 5 vindt de vereenvoudigde A-B-C-regeling plaats tussen C-D-E en wordt voldaan aan de voor deze regeling geldende voorwaarden. In de tweede situatie die de Toelichting schetst (onderdeel 3.6.17.2), waar B aan C de intracommunautaire levering verricht vanuit lidstaat 2 naar lidstaat 5, wordt de vereenvoudigde A-B-C-regeling door een ruimere interpretatie feitelijk toepasbaar geacht op B-C-D-E. Ik deel deze opvatting niet. Een gelijktijdige toepassing van de regeling inzake ketentransacties en de vereenvoudigde A-B-C-levering kan alleen plaatsvinden in een keten op drie partijen uit de keten die voldoen aan de voorwaarden van de vereenvoudigde A-B-C-regeling. De in de Toelichting voorgestane bredere toepassing van de vereenvoudigde A-B-C-regeling vindt geen steun in artikel 141 van de richtlijn en evenmin in [artikel 37c van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629&artikel=37c) (waarbij D moet zijn gevestigd in het land waar C intracommunautair verwerft). In de tweede situatie die in de Toelichting wordt beschreven zijn de reguliere btw-regels van toepassing. In deze tweede situatie moet de tussenhandelaar (C) zich dus in Nederland voor de btw laten registreren als Nederland de lidstaat van bestemming is en hier de btw ter zake van de intracommunautaire verwerving aangeven en voldoen.
### 6. Bewijs intracommunautair(e) verzending of vervoer op basis van weerlegbaar vermoeden
Eén van de voorwaarden voor de toepassing van het nultarief in verband met intracommunautaire leveringen van goederen op grond van [post a.6 van tabel II van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629&bijlage=II), is dat de goederen vanuit Nederland naar een andere lidstaat zijn verzonden of vervoerd, waar de goederen zijn onderworpen aan de btw-heffing ter zake van de intracommunautaire verwerving van die goederen. In artikel 45 bis van de uitvoeringsverordening is voor intracommunautair(e) verzending of vervoer een weerlegbaar bewijsvermoeden opgenomen. Deze bepaling biedt een praktische regeling aan **naast** de bestaande Nederlandse praktijk voor het bewijs van intracommunautair(e) verzending of vervoer. Volgens artikel 45 bis van de uitvoeringsverordening is er sprake van een weerlegbaar bewijsvermoeden van dit intracommunautair vervoer of deze intracommunautaire verzending als twee niet-tegenstrijdige bewijsstukken17De bewijsstukken zijn opgenomen in artikel 45 bis, derde lid van de uitvoeringsverordening. kunnen worden overgelegd. Deze bewijsstukken moeten afkomstig zijn van partijen die zowel onafhankelijk zijn van elkaar als van de verkoper en de afnemer (artikel 45 bis van de uitvoeringsverordening). De inspecteur kan het bewijsvermoeden weerleggen.
De regeling inzake ketentransacties is niet van invloed op de werking van de vereenvoudigde A-B-C-levering, bedoeld in [artikel 37c van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629&artikel=37c). Dit komt doordat beide regelingen betrekking hebbende op verschillende aspecten. De regeling inzake ketentransacties bepaalt aan welke levering in de keten het intracommunautaire vervoer wordt toegerekend, terwijl de vereenvoudigde A-B-C-levering betrekking heeft op het wegvallen van de verschuldigdheid van de btw voor de intracommunautaire verwerving door (tussen)schakel B.14Kamerstukken II 2019-2020, 35 307, nr. 3, blz. 16. Het gelijktijdig toepassen van de regeling inzake ketentransacties en de vereenvoudigde A-B-C-regeling is mogelijk als wordt voldaan aan de voorwaarden van beide regelingen. De regeling kan alleen worden toegepast op drie partijen in de keten die in drie verschillende lidstaten zijn geregistreerd en daarbij moet het vervoer plaatsvinden in het kader van de levering in de eerste schakel van de keten (A-B).15De vereenvoudigde A-B-C-levering kan dus niet worden toegepast als het vervoer op grond van artikel 5c, tweede lid, van de wet wordt toegerekend aan de levering van goederen door de tussenhandelaar.
In de Toelichting zijn twee situaties geschetst. De eerste situatie opgenomen in 3.6.17.1 is gelijk aan voorbeeld 5 in de Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel over de toepassing van de regeling inzake ketentransacties in combinatie met de vereenvoudigde A-B-C-regeling.16Zie Kamerstukken II 2019-2020, 35 307, nr. 3, blz. 21. In bedoeld voorbeeld 5 vindt de vereenvoudigde A-B-C-regeling plaats tussen C-D-E en wordt voldaan aan de voor deze regeling geldende voorwaarden. In de tweede situatie die de Toelichting schetst (onderdeel 3.6.17.2), waar B aan C de intracommunautaire levering verricht vanuit lidstaat 2 naar lidstaat 5, wordt de vereenvoudigde A-B-C-regeling door een ruimere interpretatie feitelijk toepasbaar geacht op B-C-D-E. Ik deel deze opvatting niet. Een gelijktijdige toepassing van de regeling inzake ketentransacties en de vereenvoudigde A-B-C-levering kan alleen plaatsvinden in een keten op drie partijen uit de keten die voldoen aan de voorwaarden van de vereenvoudigde A-B-C-regeling. De in de Toelichting voorgestane bredere toepassing van de vereenvoudigde A-B-C-regeling vindt geen steun in artikel 141 van de richtlijn en evenmin in [artikel 37c van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629&artikel=37c) (waarbij D moet zijn gevestigd in het land waar C intracommunautair verwerft). In de tweede situatie die in de Toelichting wordt beschreven zijn de reguliere btw-regels van toepassing. In deze tweede situatie moet de tussenhandelaar (C) zich dus in Nederland voor de btw laten registreren als Nederland de lidstaat van bestemming is en hier de btw ter zake van de intracommunautaire verwerving aangeven en voldoen.
In de Toelichting zijn twee situaties geschetst. De eerste situatie opgenomen in 3.6.17.1 is gelijk aan voorbeeld 5 in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel over de toepassing van de regeling inzake ketentransacties in combinatie met de vereenvoudigde A-B-C-regeling.2Zie Kamerstukken II 2019–2020, 35 307, nr. 3, blz. 21. In bedoeld voorbeeld 5 vindt de vereenvoudigde A-B-C-regeling plaats tussen C-D-E en wordt voldaan aan de voor deze regeling geldende voorwaarden. In de tweede situatie die de Toelichting schetst (onderdeel 3.6.17.2) vindt de vereenvoudigde A-B-C-regeling plaats tussen B-C-D, waarbij B aan C een intracommunautaire levering verricht vanuit lidstaat 2 naar lidstaat 5. De goederen gaan naar lidstaat 5 omdat D aan C het adres van E in lidstaat 5 heeft doorgegeven, waar D ook geïdentificeerd is voor btw-doeleinden. Ook in deze situatie wordt volgens de Toelichting voldaan aan de vereisten van artikel 141 van de richtlijn (in het bijzonder de voorwaarden onder c) omdat C de goederen nog steeds verzendt naar een door D aangewezen plek. Ik onderschrijf deze interpretatie van de voorwaarden in artikel 141, onder c, van de richtlijn (en in het verlengde daarvan ook de voorwaarden in [artikel 37c, onderdeel c, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629&artikel=37c))3Verwerking kennisgroepantwoord nr. [KG:210:2024:3 (Vereenvoudigde ABC; levering in keten) | Kennisgroepen (belastingdienst.nl)](https://kennisgroepen.belastingdienst.nl/publicaties/kg21020243-vereenvoudigde-abc-levering-in-keten/). De in de Toelichting voorgestane bredere toepassing van de vereenvoudigde A-B-C-regeling vindt daarentegen geen steun in [artikel 37c, onderdeel b, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629&artikel=37c), die vereist dat D is gevestigd in de lidstaat waar C intracommunautair verwerft. Als Nederland in de beschreven situatie lidstaat 5 is (de lidstaat van bestemming van de goederen), dan zijn de reguliere btw-regels dus van toepassing. In die situatie moet de tussenhandelaar (C) zich in Nederland voor de btw laten registreren en hier de btw ter zake van de intracommunautaire verwerving aangeven en voldoen.
### 6. Bewijs intracommunautair(e) verzending of vervoer op basis van weerlegbaar vermoeden
Eén van de voorwaarden voor de toepassing van het nultarief in verband met intracommunautaire leveringen van goederen op grond van [post a.6 van tabel II van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629&bijlage=II), is dat de goederen vanuit Nederland naar een andere lidstaat zijn verzonden of vervoerd, waar de goederen zijn onderworpen aan de btw-heffing ter zake van de intracommunautaire verwerving van die goederen. In artikel 45 bis van de uitvoeringsverordening is voor intracommunautair(e) verzending of vervoer een weerlegbaar bewijsvermoeden opgenomen. Deze bepaling biedt een praktische regeling aan **naast** de bestaande Nederlandse praktijk voor het bewijs van intracommunautair(e) verzending of vervoer. Volgens artikel 45 bis van de uitvoeringsverordening is er sprake van een weerlegbaar bewijsvermoeden van dit intracommunautair vervoer of deze intracommunautaire verzending als twee niet-tegenstrijdige bewijsstukken17De bewijsstukken zijn opgenomen in artikel 45 bis, derde lid van de uitvoeringsverordening. kunnen worden overgelegd. Deze bewijsstukken moeten afkomstig zijn van partijen die zowel onafhankelijk zijn van elkaar als van de verkoper en de afnemer (artikel 45 bis van de uitvoeringsverordening). De inspecteur kan het bewijsvermoeden weerleggen.
### 8. Inwerkingtreding
Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst.
Als sprake is van partijen waartussen familiale of andere nauwe persoonlijke, bestuurlijke, eigendoms-, lidmaatschaps-, financiële of juridische banden bestaan als bedoeld in artikel 80 van de richtlijn, veronderstelt de Toelichting dat ook in die situaties geen sprake is van onafhankelijke partijen (onderdeel 5.3.1, kopje Document H enz., sub b, blz. 79). Ik volg deze opvatting niet. Of partijen met dergelijke banden voldoen aan het criterium ‘onafhankelijk’ van artikel 45 bis van de uitvoeringsverordening moet aan de hand van feiten en omstandigheden worden beoordeeld. Als aan de hand van feiten en omstandigheden blijkt dat in de bedoelde situatie sprake is van onafhankelijke partijen, kan de regeling van het weerlegbaar bewijsvermoeden aan de orde komen. Ook kan in deze situatie als alternatief voor de regeling van het weerlegbaar bewijsvermoeden het bewijs van het vervoer naar de lidstaat van bestemming worden aangetoond aan de hand van boeken en bescheiden als bedoeld in [artikel 12 van het uitvoeringsbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002633&artikel=12).
Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst.
Voor het bepalen of sprake is van ‘vervanging’ van de afnemer wordt de Toelichting gevolgd.7Het gaat dan om het gestelde op pagina 15–17 en 34–35 van de Toelichting (onderdelen 2.3.2., 2.5.12. en 2.5.14.). De vervangende afnemer hoeft niet al bekend te zijn op het tijdstip waarop de verzending of het vervoer van de goederen begint. Dit heeft tot gevolg dat op dat tijdstip ook nog geen overeenkomst hoeft te zijn afgesloten met de vervangende afnemer. Vereist is wel dat de leverancier de overeenkomst met de (door hem geïdentificeerde) vervangende afnemer sluit vóór of op het moment van beëindiging van de overeenkomst met de oorspronkelijke afnemer. Verder moet de vervangende afnemer uiterlijk op het moment van de vervanging voor btw-doeleinden geïdentificeerd zijn in de lidstaat van bestemming. Als de overeenkomst met de vervangende afnemer op een later moment wordt gesloten, vervalt de regeling inzake de voorraad op afroep op het moment waarop de oorspronkelijke overeenkomst wordt beëindigd. Het gevolg daarvan is dat op dat moment alsnog sprake is van een door de leverancier verrichte intracommunautaire levering in Nederland als lidstaat van vertrek en een door hem verrichte intracommunautaire verwerving in de lidstaat van bestemming overeenkomstig [artikel 3a, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629&artikel=3a) en de geldende btw-regelgeving in de lidstaat van bestemming.
In de 117e vergadering van het btw-comité (d.d. 16 november 2020) zijn de gevolgen besproken die de Brexit heeft voor de toepassing van de regeling inzake voorraad op afroep. Het gaat daarbij om goederen die onder toepassing van deze regeling uiterlijk op 31 december 20208Op 31 december 2020 is de overgangsperiode voor het VK geëindigd (zie artikel 126 van het Terugtrekkingsakkoord (Akkoord inzake de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland uit de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (2019/C 284 I/01)). van Nederland naar het Verenigd Koninkrijk of vice versa zijn overgebracht en ná 31 december 2020 binnen de in [artikel 3b, vierde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629&artikel=3b) bedoelde termijn worden geleverd of teruggezonden. Het overleg binnen het btw-comité heeft geresulteerd in de bijna unanieme vaststelling van guideline nr. taxud.c1 (2021) 1757771-1006. Nederland onderschrijft de guideline. Hierna wordt nader ingegaan op de inhoud van de guideline.
Hierna wordt aangegeven welke gevolgen de Brexit voor de Nederlandse btw-verplichtingen heeft voor situaties die zich kunnen voordoen bij de hiervoor bedoelde voorraad op afroep-goederen en hoe daarmee moet worden omgegaan.
### 5. Regeling inzake ketentransacties
De in Nederland gevestigde ondernemer vermeldt de terugzending van de goederen niet in zijn opgaaf ICP, omdat deze terugzending als wederinvoer wordt aangemerkt.
### 5. Regeling inzake ketentransacties
De regeling inzake ketentransacties bepaalt aan welke van de opvolgende leveringen in de keten het intracommunautair vervoer of de intracommunautaire verzending moet worden toegerekend ([artikel 5c van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629&artikel=5c)). Alleen deze levering wordt aangemerkt als de intracommunautaire levering. De overige leveringen binnen de keten (de leveringen vóór en na de intracommunautaire levering) zijn binnenlandse leveringen.13De leveringen in de keten voor de intracommunautaire levering vinden plaats in de lidstaat van aanvang van het intracommunautaire vervoer. De leveringen in de keten na de intracommunautaire levering vinden plaats in de lidstaat waar het intracommunautair vervoer eindigt.
### 5.1. Vereenvoudigde A-B-C-levering
Volgens de Toelichting zijn partijen niet als onafhankelijk aan te merken in situaties waarin sprake is van vervoer verricht met eigen vervoermiddelen (onderdeel 5.3.5, blz. 80), vervoer door personeel van de ondernemer of vervoer door een onderdeel van een fiscale eenheid (onderdeel 5.3.1, kopje Document H enz., sub a, blz. 79). De regeling van het weerlegbare bewijsvermoeden laat echter onverlet dat in die gevallen aan de hand van boeken en bescheiden als bedoeld in [artikel 12 van het uitvoeringsbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002633&artikel=12) het bewijs van de verzending of het vervoer naar de lidstaat van bestemming kan worden aangetoond.
### 7. Ingetrokken regelingen
Als sprake is van partijen waartussen familiale of andere nauwe persoonlijke, bestuurlijke, eigendoms-, lidmaatschaps-, financiële of juridische banden bestaan als bedoeld in artikel 80 van de richtlijn, veronderstelt de Toelichting dat ook in die situaties geen sprake is van onafhankelijke partijen (onderdeel 5.3.1, kopje Document H enz., sub b, blz. 79). Ik volg deze opvatting niet. Of partijen met dergelijke banden voldoen aan het criterium ‘onafhankelijk’ van artikel 45 bis van de uitvoeringsverordening moet aan de hand van feiten en omstandigheden worden beoordeeld. Als aan de hand van feiten en omstandigheden blijkt dat in de bedoelde situatie sprake is van onafhankelijke partijen, kan de regeling van het weerlegbaar bewijsvermoeden aan de orde komen. Ook kan in deze situatie als alternatief voor de regeling van het weerlegbaar bewijsvermoeden het bewijs van het vervoer naar de lidstaat van bestemming worden aangetoond aan de hand van boeken en bescheiden als bedoeld in [artikel 12 van het uitvoeringsbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002633&artikel=12).
### 7. Ingetrokken regelingen
Het besluit van 8 december 2020, nr. 2020-25514, Stcrt. 2020, nr. 62979, [Omzetbelasting. Toelichting snelle oplossingen btw,](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044512) wordt ingetrokken met ingang van de inwerkingtreding van dit besluit.
Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst.
### 4.2. Entrepot (of magazijn) is geen vaste inrichting
In de Toelichting (onderdeel 2.5.1., pag. 28, punt 4) wordt gesteld dat een entrepot onder voorwaarden kwalificeert als vaste inrichting.4In de Nederlandse situatie is de term ‘entrepot’ voorbehouden aan de opslag van goederen die onder een douaneregime vallen. Gemeend wordt dat de term ‘entrepot’ in de Toelichting daarom met name ziet op een magazijn (Engels: warehouse). Een entrepot wordt volgens de Toelichting beschouwd als vaste inrichting van de leverancier, als de leverancier de eigenaar of huurder van het entrepot is en de leverancier het entrepot rechtstreeks beheert met eigen middelen waarover hij beschikt in de lidstaat waar het entrepot zich bevindt.
### 4.3. Vervangende afnemer
In het kader van de regeling voorraad op afroep is het mogelijk om de afnemer te vervangen door een andere ondernemer. Hierbij moet worden voldaan aan de voorwaarden die zijn gesteld in [artikel 3b, zesde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629&artikel=3b). Dit betekent onder meer dat ook moet worden voldaan aan alle (andere) voorwaarden die zijn genoemd in artikel 3b, tweede lid, van de wet. De hoedanigheid van de vervanger dient identiek te zijn aan die van de oorspronkelijke afnemer, met inbegrip van alle rechten en plichten die de leverancier en de oorspronkelijke afnemer overeen zijn gekomen in hun overeenkomst als bedoeld in artikel 3b, tweede lid, onderdeel a, van de wet.6Kamerstukken II 2019/2020, 35 307, nr. 3, blz. 13.
### 4.4. Regeling inzake voorraad op afroep en de Brexit
### 5.1. Vereenvoudigde A-B-C-levering
De regeling inzake ketentransacties is niet van invloed op de werking van de vereenvoudigde A-B-C-levering, bedoeld in [artikel 37c van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629&artikel=37c). Dit komt doordat beide regelingen betrekking hebbende op verschillende aspecten. De regeling inzake ketentransacties bepaalt aan welke levering in de keten het intracommunautaire vervoer wordt toegerekend, terwijl de vereenvoudigde A-B-C-levering betrekking heeft op het wegvallen van de verschuldigdheid van de btw voor de intracommunautaire verwerving door (tussen)schakel B.14Kamerstukken II 2019-2020, 35 307, nr. 3, blz. 16. Het gelijktijdig toepassen van de regeling inzake ketentransacties en de vereenvoudigde A-B-C-regeling is mogelijk als wordt voldaan aan de voorwaarden van beide regelingen. De regeling kan alleen worden toegepast op drie partijen in de keten die in drie verschillende lidstaten zijn geregistreerd en daarbij moet het vervoer plaatsvinden in het kader van de levering in de eerste schakel van de keten (A-B).15De vereenvoudigde A-B-C-levering kan dus niet worden toegepast als het vervoer op grond van artikel 5c, tweede lid, van de wet wordt toegerekend aan de levering van goederen door de tussenhandelaar.
Volgens de Toelichting zijn partijen niet als onafhankelijk aan te merken in situaties waarin sprake is van vervoer verricht met eigen vervoermiddelen (onderdeel 5.3.5, blz. 80), vervoer door personeel van de ondernemer of vervoer door een onderdeel van een fiscale eenheid (onderdeel 5.3.1, kopje Document H enz., sub a, blz. 79). De regeling van het weerlegbare bewijsvermoeden laat echter onverlet dat in die gevallen aan de hand van boeken en bescheiden als bedoeld in [artikel 12 van het uitvoeringsbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002633&artikel=12) het bewijs van de verzending of het vervoer naar de lidstaat van bestemming kan worden aangetoond.
### 8. Inwerkingtreding
2021-01-01
Omzetbelasting. Toelichting snelle oplossingen btw — arts. 117, 8
2020-01-01
Omzetbelasting. Toelichting snelle oplossingen btw — arts. 1, 1, 1 y 11
2020-01-01
Omzetbelasting. Toelichting snelle oplossingen btw — versión origina
original version
Tekst op deze datum