Besluit van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media, van 24 juni 2021, nr. 28318215 tot intrekking van beleidsregels houdende Onderzoekskaders 2017 onder vaststelling van beleidsregels houdende Onderzoekskaders 2021
Bijlage 5. Waarderingskader doorlopende leerroutes vmbo-mbo
De taalschakeltrajecten vallen onder de Regeling standaarden examenkwaliteit WEB. Voor de overige doelgroepen van Overige educatie geldt dit niet.
Binnen Overige educatie kunnen enkel voor Staatsexamens NT2 certificaten worden afgegeven. Voor de andere vormen van Overige educatie, inclusief de taalschakeltrajecten, geldt dit niet. Wel kan er een mbo-verklaring worden afgegeven door de instelling.
Sinds 1 augustus 2018 kunnen instellingen onder gezamenlijke verantwoordelijkheid één of meer opleidingen verzorgen binnen een samenwerkingscollege. De eisen waaraan zo’n samenwerking moet voldoen, zijn opgenomen in de WEB. Zo moeten de deelnemende instellingen een samenwerkingsovereenkomst sluiten en daarin onder andere afspraken maken over de leiding van het samenwerkingscollege (artikel 8.6.1, WEB). Verder moet in BRON geregistreerd worden welke studenten van de deelnemende instellingen onderwijs volgen aan het samenwerkingscollege (artikel 2.3.6a, tweede lid, onder n, en 2.5.5a, tweede lid, onder t, WEB).103Op dit moment is registratie op het niveau van het samenwerkingscollege in BRON nog niet mogelijk. Dit zal op korte termijn mogelijk worden gemaakt door DUO. Ook moet de onderwijs- en examenregeling aangeven waar de opleiding wordt verzorgd als er sprake is van een samenwerkingscollege (art. 7.4.8 lid 2a onderdeel e WEB).
Een deel van de wettelijke bepalingen die van toepassing zijn op overige educatie zijn anders dan voor beroepsopleidingen, omdat de inhoud van de opleidingen anders is. Het betreft bepalingen over de inrichting en examinering voor andere instellingen die een opleiding educatie verzorgen. Die wettelijke bepalingen zijn opgenomen in de bijlage waarderingskader overige educatie.
Bijlage 7. Uitwerking basiswaarden
9.8.1. Aanpassing waarderingskader en normering
Het waarderingskader voor de exameninstellingen omvat de twee standaarden van het kwaliteitsgebied Besturing, kwaliteitszorg en ambitie. Dit betreft de standaarden BKA1, Visie ambities en doelen en BKA3, Evaluatie, verantwoording en dialoog. Onderstaande wettelijke bepalingen zijn niet van toepassing op exameninstellingen.
Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
1. Inleiding
1.1. Inleiding
Net zoals bij besturen is ook op scholen vervolgtoezicht mogelijk bij tekortkomingen en bij het oordeel Onvoldoende of Zeer zwak. Ook bij scholen is het, zoals hierboven aangegeven, mogelijk dat we tussentijds een risico-kwaliteitsonderzoek uitvoeren, bijvoorbeeld bij ernstige signalen. De intensiteit van het vervolgtoezicht hangt net als bij besturen af van de kwaliteit van het bestuur. We gaan er namelijk van uit dat het bestuur er in eerste instantie zelf voor zorgt dat er effectieve maatregelen worden getroffen.
1.3. Begripsbepalingen
De activiteiten van de inspectie, ten aanzien van scholen en samenwerkingsverbanden, die redelijkerwijs voortvloeien uit de taken op grond van artikel 3 van de WOT.
In dit eerste hoofdstuk beschrijven we de wettelijke basis van het onderzoekskader en geven we de belangrijke begrippen in het toezicht weer. In hoofdstuk 2 gaan we in op de visie en de uitgangspunten voor ons toezicht. Daarna volgt in hoofdstuk 3 de invulling van het stelseltoezicht en in de hoofdstukken 4 en 5 de waarderingskaders voor het toezicht op bestuurs- en schoolniveau. Vervolgens beschrijven we hoe we tot oordelen en waarderingen komen (hoofdstuk 6), onze werkwijze (hoofdstuk 7) en communicatie (hoofdstuk 8). Tot slot geven we een overzicht van onderwijsvoorzieningen waarvoor specifieke wetgeving geldt en waar het waarderingskader en de werkwijze afwijken (hoofdstuk 9). Deze afwijkende waarderingskaders zijn te vinden in de bijlagen.
1.4. Niveaus in het toezicht
2.1. Inleiding
Wij zien erop toe dat besturen hun taken (het bewaken en bevorderen van de basiskwaliteit en de continuïteit) voldoende uitvoeren. Gebeurt dat niet of in onvoldoende mate, dan houden we verscherpt toezicht op het bestuur en de scholen. Dat maakt onderdeel uit van onze waarborgfunctie. In aanvulling op dit bestuursgerichte toezicht, onderzoeken en beoordelen we ook scholen als het besturen niet lukt de basiskwaliteit te realiseren. Verder geeft het bestuur met het onderwijs ook invulling aan eigen ambities, waaronder vaak ook ambities die de kernfuncties van het onderwijsstelsel raken. Daarop sluiten we aan vanuit onze stimulerende rol.
2.3.3. Waarborgen
Onder ‘bestuur’ verstaan we het bestuur van een of meer scholen. Dit omvat ook het interne toezicht. Omdat we besturen aanspreken op hun verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van het onderwijs op hun scholen, noemen we het toezicht bestuursgericht. Besturen waarborgen de kwaliteit van hun scholen en het onderwijs aan de leerlingen. In de uitoefening van hun taken zijn zij ervoor verantwoordelijk dat het onderwijs op hun scholen van voldoende kwaliteit is en dat het financieel beheer deugdelijk is.
3.1. Inleiding
3.3. Raamwerk voor stelselkwaliteit
3.2.2. Stelseltoezicht
4.2. Opbouw van het kader
4.2. Opbouw van het kader
In de eerste standaard (BKA1) beoordelen we de manier waarop het bestuur de besturing en de randvoorwaarden inricht aan de hand van een visie op onderwijs, uitgewerkt in ambities en doelen. Dit raakt ook de kernfuncties van het stelsel, zoals verwoord in hoofdstuk 3. In de tweede standaard (BKA2) staat de uitvoering centraal: hoe stuurt het bestuur op het realiseren van de visie, ambities en doelen en wat voor kwaliteitscultuur is er? In de derde standaard (BKA3), ten slotte, onderzoeken we hoe het bestuur evalueert en analyseert, verantwoording aflegt aan anderen en de samenleving, reflecteert op de resultaten en erover in gesprek gaat. Dit leidt tot bijstelling en verdere ontwikkeling van de visie, ambities en doelen, zoals bedoeld in de eerste standaard, en maakt de cyclus van (in)richten, uitvoeren en evalueren compleet. De kwaliteitscultuur is van belang voor een effectieve sturing op deze cyclus (de standaarden samen). Daardoor wordt de kwaliteit van het onderwijs gewaarborgd.
5.1. Inleiding
5.3. Kwaliteitsgebieden en standaarden
5.1. Inleiding
6. Oordelen en waarderen
5.2. Opbouw van het kader
6.2. Stimuleren op stelselniveau
6.3. Oordelen en waarderen standaarden bestuur en school
6.1. Inleiding
6.2. Stimuleren op stelselniveau
6.3. Oordelen en waarderen standaarden bestuur en school
6.5.3. Extra normering voor het sluiten van nieuwe scholen17Onder een nieuwe school verstaan we hier een school die sinds de inwerkingtreding van de Wet meer ruimte voor nieuwe scholen een aanvraag heeft ingediend bij de minister waarna de minister vervolgens heeft besloten om de school te bekostigen.
6.5.1. Wettelijke norm zeer zwak onderwijs
6.6. Oordeelsvorming
6.5.1. Wettelijke norm zeer zwak onderwijs
7.2.2. Monitoring en analyse van ontwikkelingen
7.2. Stelseltoezicht
Aan de hand van het raamwerk van de kwaliteitsbeschrijving van het stelsel (zie hoofdstuk 3) volgen we systematisch de ontwikkelingen in het onderwijsstelsel. We kijken naar hoe het geheel van besturen en scholen samen de drie kernfuncties vervult: kwalificatie, socialisatie en allocatie, waaronder selectie en gelijke kansen. Ook kijken we naar de essentiële voorwaarden om deze te verwezenlijken: de doelmatigheid, zoals te zien aan beschikbaarheid en besteding van financiële middelen, het personeelsbeleid, de kwaliteitszorg en het bestuurlijk handelen.
7.3.1. Werkwijze toezicht op besturen en scholen
7.3.2. Proportionaliteit en maatwerk
Wat we willen onderzoeken, nemen we op in het Jaarwerkplan. Hierin beschrijven we meerjarige onderzoeksprogramma’s en eenmalige themaonderzoeken die gericht zijn op het in beeld brengen van de kernfuncties of gesignaleerde knelpunten in het stelsel. Urgente thema’s kunnen leiden tot verschuiving of uitbreiding van onze onderzoeksagenda.
7.4.2. Onderzoeken op schoolniveau
Gezien het belang van meer zicht op schoolniveau heeft de inspectie ruimte gecreëerd voor intensiever toezicht op scholen. Daarom was het in 2024 en is het ook in 2025 niet mogelijk de bestuursgerichte vierjaarscyclus volledig uit te voeren. De inzet van de inspectie is vooralsnog om de vierjaarscyclus vanaf 2026 weer volledig uit te voeren, met risico-onderzoeken bij risicobesturen en substantieel lichtere, proportionele bezoeken bij jaarlijks ongeveer een kwart van de besturen. We houden daarbij wel rekening met de vraag die er tegelijkertijd ligt om met de beschikbare capaciteit meer scholen te bezoeken en met de (mogelijke) beperkingen die daaruit voortvloeien voor onderzoeken bij scholen. Om deze redenen gebruiken we bij de uitvoering van het toezicht in de praktijk voorlopig de term ‘bestuursonderzoek’ en niet het in dit onderzoekskader gebruikte ‘vierjaarlijks onderzoek bij besturen en scholen’.
7.4.4. Overige toezichtsactiviteiten
Het vierjaarlijks onderzoek bestaat doorgaans uit de onderdelen die in figuur 7.4.1a zijn beschreven. We bepalen de intensiteit van het toezicht (proportionaliteit) op basis van onze gegevens en we houden in de uitvoering van het onderzoek rekening met de specifieke inrichting en context van het bestuur en de scholen (maatwerk).
7.4.4. Overige toezichtsactiviteiten
7.5.2. Escaleren
8.2. Communicatie
Besturen en inspectie hebben de mogelijkheid om periodiek een gesprek met elkaar te voeren. Aan elk bestuur is een contactinspecteur gekoppeld die het contact onderhoudt. Dit gaat in ieder geval over onderzoeken en vervolgtoezicht (inclusief herstelopdrachten, zie paragraaf 7.5). Ook heeft de contactinspecteur gesprekken met het bestuur over risico’s, signalen en incidenten. Het bestuur kan de contactinspecteur hierover informeren. Het kan ook zijn dat de contactinspecteur het bestuur bevraagt of (afhankelijk van de kwaliteit van het bestuur) verzoekt om zelf nader onderzoek te doen bij mogelijke risico’s. Daarnaast kan het gesprek gaan over relevante ontwikkelingen binnen of buiten de onderwijsinstelling. We betrekken daarbij ook vraagstukken op het niveau van het onderwijsstelsel als geheel.
7.5.2. Escaleren
8. Communicatie en rapportage
8.3.1. Stelselniveau
8.2. Communicatie
Jaarlijks rapporteren we ook over de financiële toestand van de instellingen en het onderwijsstelsel. Wij baseren ons daarbij op financiële gegevens van de instellingen zelf en verder op toezichtactiviteiten en onderzoeken die wij uitvoeren rond het financieel beheer van instellingen. Daarbij geven we aan wat goed gaat en wijzen we op risico’s.
8.3.2. Bestuursniveau
9.1. Inleiding
9.2.1. Inleiding
9.2.3. Werkwijze
De wet laat veel ruimte voor samenwerkingsverbanden en schoolbesturen om passend onderwijs naar regionale kenmerken en eigen visie te organiseren. Die vrijheid is ook bedoeld om ruimte te creëren voor meer maatwerk en om keuzes te maken die passen bij de extra onderwijsbehoeften van leerlingen in de regio. Dit vraagt om een goede afstemming met gemeentelijke partners en is gericht op de aansluiting van het onderwijs op het jeugdbeleid van de gemeente(n), waaronder de jeugdhulp. Ook hierover legt het samenwerkingsverband afspraken vast in het ondersteuningsplan en voert hierover overleg met de gemeente(n) en andere samenwerkingsverbanden in de regio.
9.3.2. Aanpassingen waarderingskader en normering
9.4.1. Inleiding
9.4.1. Inleiding
9.4.2. Aanpassingen waarderingskader en normering
9.3.1. Inleiding
Het speciaal basisonderwijs (sbo) valt onder de WPO. De doelgroep leerlingen is echter een andere dan die van een reguliere basisschool. In het sbo hebben alle leerlingen extra ondersteuningsbehoeften en een toelaatbaarheidsverklaring voor het sbo (verkregen via het samenwerkingsverband passend onderwijs). In het ontwikkelingsperspectief staat per leerling beschreven welk (eind)perspectief wordt nagestreefd en op welke wijze het onderwijs wordt aangepast om dit doel te bereiken. Om tegemoet te kunnen komen aan de specifieke onderwijsbehoeften van de leerlingen werken de leraren vanuit specifieke (ortho)didactische en (ortho)pedagogische principes. Voor de leraren en leerlingen is daarnaast meer ondersteuning beschikbaar dan in het basisonderwijs.
9.4.2. Aanpassingen waarderingskader en normering
Bijlage 2 bevat het volledige waarderingskader speciaal basisonderwijs.
9.3.3. Werkwijze
9.5.1. Inleiding
9.5.3. Werkwijze
Bijlage 1. Waarderingskader besturen samenwerkingsverbanden passend onderwijs
Bijlage 2. Waarderingskader speciaal basisonderwijs
Bijlage 3. Waarderingskader nieuwkomersvoorzieningen type 1 en 2
2 Met het amendement (Tweede Kamer, vergaderjaar 2019–2020, 35 102, nr. 11) is geregeld dat een bekostigingssanctie alleen kan worden opgelegd aan het bestuur nadat bij AMvB een nadere invulling wordt gegeven aan het begrip ‘evident ondoelmatige besteding’. Zonder deze algemene maatregel van bestuur is handhaving op ‘evident ondoelmatige besteding’ niet mogelijk. Tot de datum van inwerkingtreding van de AMvB richt de inspectie zich op haar stimulerende taak op dit gebied en zal alleen een Onvoldoende worden gegeven als een bestuur niet voldoet aan de op dit moment bij de basiskwaliteit opgenomen elementen.
Bijlage 2. Waarderingskader speciaal basisonderwijs
Bijlage 6. Uitwerking burgerschap en basiswaarden
A. Bevordering burgerschap
In deze bijlage is het waarderingskader voor het toezicht op nieuwkomersvoorzieningen type 1 en 2 opgenomen. De toelichting hierop is te vinden in paragraaf 9.4.
In deze bijlage zijn het waarderingskader en de normering voor de voorschoolse educatie opgenomen. De toelichting op de aanpassing van het waarderingskader en de normering is te vinden in paragraaf 9.6.
Bijlage 2. Onderzoekskader 2021 voor het toezicht op het voortgezet onderwijs
A. Bevordering burgerschap
Ad 1) Standaarden Basisvaardigheden, Zicht op ontwikkeling en begeleiding en Sociale en maatschappelijke competenties (OP0, OP2, OR2):
1.1. Inleiding
1.1. Inleiding
1.2. Waar houden we toezicht op?
1.3. Begripsbepalingen
Met deze nieuwe toezichtvormen, die een aanvulling zijn op de in paragraaf 7.4 genoemde vormen, kunnen we breed zicht houden op de kwaliteit van besturen en scholen, zonder direct een zwaar en belastend onderzoek in te zetten. Ze passen bij situaties waarin we geen acute risico’s zien en waarin scholen/opleidingen en besturen laten zien dat zij zelf zicht hebben op de onderwijskwaliteit en hier actief op sturen.
1.4. Niveaus in het toezicht
Een laatste type onderzoek waarbij we scholen bezoeken, is het themaonderzoek. De uitkomsten van themaonderzoeken brengen we op verschillende manieren onder de aandacht van besturen, scholen en de samenleving.
1.5. Werking en evaluatie
2.1. Inleiding
2.1. Inleiding
2.3. Uitgangspunten voor het toezicht
Het door de minister vastgestelde Onderzoekskader 2021 (hierna: onderzoekskader) van de Inspectie van het Onderwijs (hierna: inspectie) beschrijft hoe het toezicht op het voortgezet onderwijs is ingericht. Het onderzoekskader omvat het kader, op grond waarvan we oordelen en waarderen, en de werkwijze. Het onderzoekskader is bedoeld om de werkwijze van de inspectie voor anderen inzichtelijk te maken en het toezicht transparant uit te voeren.
1.2. Waar houden we toezicht op?
2.3.4. Stimuleren
Hieronder definiëren we een aantal begrippen die belangrijk zijn voor het toezicht.
2.3.5. Proportionaliteit en maatwerk
Onder het begrip ‘bestuur’ wordt volgens artikel 1, onderdeel k, van de Wet op het onderwijstoezicht (WOT) verstaan het bevoegd gezag in de zin van een onderwijswet.30Met dien verstande dat waar het de Leerplichtwet 1969 of de Leerplichtwet BES betreft hieronder wordt verstaan het hoofd van de school of instelling, en met dien verstande dat waar het het toezicht op de uitoefening van de taken van het samenwerkingsverband betreft hieronder wordt verstaan het bestuur van de rechtspersoon, bedoeld in artikel 18a, vierde lid, van de Wet op het primair onderwijs en artikel 2.47, vijfde lid, van de Wet voortgezet onderwijs 2020. Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat als het bevoegd gezag een rechtspersoon is die de instelling in stand houdt, de inspectie (het uitvoerend deel van) het bestuur als aanspreekpunt zal zien.
Vanuit de stimuleringsfunctie onderzoekt de inspectie hoe eigen ambities bijdragen aan (de continue en duurzame verbetering van) de onderwijskwaliteit. Hiermee bevorderen we de kwaliteit op het niveau van scholen, besturen en zo ook het stelsel. Eigen ambities hebben betrekking op de ambities en doelen die een bestuur/school zichzelf stelt. De school beschrijft deze in haar schoolplan.
3.1. Inleiding
3.2.1. Een stelsel van onderwijsvoorzieningen
Dit onderzoekskader is van kracht met ingang van 1 augustus 2026. Het is overeenkomstig artikel 13, derde lid, van de WOT bekendgemaakt in de Staatscourant en is gepubliceerd op de website van de Inspectie van het Onderwijs en op www.wetten.nl.
3.2.2. Stelseltoezicht
Zo spreken we besturen die het onvoldoende lukt om de basiskwaliteit van hun scholen te waarborgen, aan. Waarborgen zij de basiskwaliteit niet of onvoldoende, dan geven wij het bestuur een of meerdere herstelopdrachten. Dat kan betekenen dat we ons dan ook op scholen richten. Bij een of meerdere onvoldoendes op standaarden krijgen scholen, na toepassing van de beslisregels, een eindoordeel Onvoldoende of Zeer zwak. Waar nodig intensiveren we het toezicht.
3.3. Raamwerk voor stelselkwaliteit
Het doel van ons toezicht wordt nog steeds aangegeven door onze missie: ‘Effectief toezicht voor beter onderwijs’. Centraal in onze visie staan de maatschappelijke opgaven van het onderwijs: we willen opgavegericht werken. Vanuit die opgaven richten we ons toezicht in en bepalen we waar we als toezichthouder nodig zijn. Om dat goed te doen, kijken we integraal naar het onderwijs en is ons toezicht adaptief. We willen daar zijn waar we het hardst nodig zijn, op een passende en effectieve manier. Daarbij gaan we uit van onze wettelijke taken en houden we uiteraard rekening met wat er politiek en maatschappelijk van ons gevraagd wordt.
3.2. Stelselkwaliteit en stelseltoezicht
2.3.3. Waarborgen
5.1. Inleiding
2.3.5. Proportionaliteit en maatwerk
5.2. Opbouw van het kader
3.1. Inleiding
5.4. Overige wettelijke vereisten
6.1. Inleiding
Vanuit onze ervaring in de onderwijspraktijk zien wij hierbij het verband met een andere inspectietaak: het bevorderen van de ontwikkeling, in het bijzonder van de kwaliteit, van het onderwijs aan en het bestuur van instellingen als bedoeld in de onderwijswetten (artikel 3, eerste lid, sub b, WOT).
3.3. Raamwerk voor stelselkwaliteit
5. Waarderingskader scholen
6.5. Oordelen en waarderen op schoolniveau
4.2. Opbouw van het kader
In de eerste standaard (BKA1) beoordelen we de manier waarop het bestuur de besturing en de randvoorwaarden inricht aan de hand van een visie op onderwijs, uitgewerkt in ambities en doelen. Dit raakt ook de kernfuncties van het stelsel, zoals verwoord in hoofdstuk 3. In de tweede standaard (BKA2) staat de uitvoering centraal: hoe stuurt het bestuur op het realiseren van de visie, ambities en doelen en wat voor kwaliteitscultuur is er? In de derde standaard (BKA3), ten slotte, onderzoeken we hoe het bestuur evalueert en analyseert, verantwoording aflegt aan anderen en de samenleving, reflecteert op de resultaten en erover in gesprek gaat. Dit leidt tot bijstelling en verdere ontwikkeling van de visie, ambities en doelen, zoals bedoeld in de eerste standaard, en maakt de cyclus van (in)richten, uitvoeren en evalueren compleet. De kwaliteitscultuur is van belang voor een effectieve sturing op deze cyclus (de standaarden samen). Daardoor wordt de kwaliteit van het onderwijs gewaarborgd.
4.3. Kwaliteitsgebied en standaarden
6.6.1. Beoordelen naleving deugdelijkheidseisen
5.1. Inleiding
5.2. Opbouw van het kader
Het waarderingskader voortgezet onderwijs heeft de volgende opbouw:39De waarderingskaders zijn in alle sectoren zo veel mogelijk gelijk. Voor de kwaliteitsgebieden worden in alle sectoren dezelfde lettercodes gehanteerd. De nummering van de standaarden loopt niet altijd door, omdat de sectoren verschillen in de uitwerking van de kwaliteitsgebieden en soms ook in het aantal standaarden dat een kwaliteitsgebied omvat.
5.3. Kwaliteitsgebieden en standaarden
7.1. Inleiding
2 Zie voor begripsbepalingen artikel 1.1 WVO 2020: basisondersteuningsvoorzieningen:voorzieningen voor leerlingen met een ondersteuningsbehoefte die op alle vestigingen van scholen behorend tot een samenwerkingsverband aanwezig zijn; ondersteuningsaanbod van de school: een beschrijving van de voorzieningen die zijn getroffen voor leerlingen die extra ondersteuning behoeven
We gaan in dit hoofdstuk eerst in op hoe we omgaan met het raamwerk van de kernfuncties op stelselniveau (paragraaf 6.2), zoals opgenomen in hoofdstuk 3. Dat hanteren we uitsluitend vanuit onze stimulerende rol. Daarna leggen we uit hoe we op basis van de waarderingskaders voor besturen en scholen (hoofdstuk 4 en 5) oordelen en waarderen. In het algemeen bepaalt het al dan niet voldoen aan de deugdelijkheidseisen of een standaard Voldoende of Onvoldoende is. De waardering Goed spreken we uit als ambities, rondom basiskwaliteit en/of daarboven uitstijgend, gerealiseerd worden. We beschrijven dit in paragraaf 6.3. In paragraaf 6.4 zijn beslisregels voor de beoordeling van de standaarden voor het bestuur beschreven, gevolgd door de beslisregels voor de beoordeling van onderwijskwaliteit van scholen in paragraaf 6.5.
We bespreken deze thema’s bij onderzoeken bij besturen en scholen. Uit onze gegevens op stelselniveau kan blijken dat de kwaliteit van (een deel van) de kernfuncties in een bepaalde regio in hoge of juist mindere mate gerealiseerd wordt. Door ambities van besturen rondom kernfuncties in een open dialoog te bespreken en te verkennen, leggen we een verbinding tussen scholen en hun invulling van de kernfuncties.
6.6.2. Waarderen van ambities
6.6.3. Omgeving van bestuur en school
6.5. Oordelen en waarderen op schoolniveau
Het toezicht op besturen en scholen omvat meerdere activiteiten. We onderzoeken besturen eens in de vier jaar. Dit onderzoek heet ‘Het vierjaarlijks onderzoek bij bestuur en scholen’ (hierna: vierjaarlijks onderzoek). Zoals in paragraaf 7.3 is beschreven, doen we dat proportioneel en op maat. Binnen het vierjaarlijks onderzoek kijken we ook naar scholen want op schoolniveau verifiëren we of de besturing door het bestuur effectief is en of het bestuur (be)stuurt op basis van een actueel beeld van de kwaliteit. We beschrijven dit type onderzoek in paragraaf 7.4.1.
7.4. Toezichtsactiviteiten bij besturen en scholen
Als de school na het kwaliteitsonderzoek in het eerste jaar Zeer zwak wordt én voldoet aan bovenstaande normering en bij het herstelonderzoek deze situatie zich herhaalt, dan zal de inspectie het dossier overdragen aan de minister.
6.6.3. Omgeving van bestuur en school
7.4.4. Overige toezichtsactiviteiten
7.5. Vervolgtoezicht, intensivering en sancties
7.5. Vervolgtoezicht, intensivering en sancties
7.4.1. Vierjaarlijks onderzoek bestuur en scholen
7.4.2. Onderzoeken op schoolniveau
7.3.2. Proportionaliteit en maatwerk
8.3. Rapportage
7.4. Toezichtsactiviteiten bij besturen en scholen
8.3.2. Bestuursniveau
7.5.2. Escaleren
We stellen aangepast financieel toezicht in wanneer blijkt dat de continuïteit van het onderwijs binnen afzienbare termijn in het geding is en onvoldoende wordt voldaan aan de wet- en regelgeving op dit gebied. In het rapport nemen we op welke herstelopdrachten worden gegeven en welke afspraken met het bestuur worden gemaakt, zoals welke informatie het bestuur op welk moment aanlevert. Deze interventie is erop gericht dat de risico’s of tekorten binnen afzienbare termijn zijn opgeheven. Als het bestuur niet in staat blijkt om herstel te realiseren, dan wordt het toezicht geïntensiveerd (zie paragraaf 7.5).
7.4.4. Overige toezichtsactiviteiten
7.5.1. Vervolgtoezicht bij herstelperiode
8.3.1. Stelselniveau
9.2.2. Aanpassingen waarderingskader en normering
We rapporteren apart op bestuursniveau over de onderzoeken die buiten een vierjaarlijks onderzoek vallen en uitgevoerd worden bij financiële risico’s.
9.2.3. Werkwijze
9. Specifieke toepassingen van het onderzoekskader
9.1. Inleiding
8.3.2. Bestuursniveau
Over onderzoeken op bestuursniveau rapporteren we in het rapport van het vierjaarlijks onderzoek. Dit rapport is gericht aan het bestuur en geeft een totaalbeeld van de bevindingen en oordelen op bestuursniveau en van de onderzoeksactiviteiten die in dit kader op scholen plaatsvonden. We rapporteren in dit rapport kort over verificatie-activiteiten en – wanneer uitgevoerd – kwaliteitsonderzoeken naar risico’s en/of onderzoeken naar financiële risico’s. Bij verificatie-activiteiten op schoolniveau geven we geen oordelen of waarderingen. De rapportage hierover is daarom beknopt.
9.2.1. Inleiding
9.4.2. Aanpassingen waarderingskader en normering
Een bestuur kan bezwaar maken tegen de openbaarmaking van een rapport als het een onderzoek is dat wordt uitgevoerd op basis van artikel 15 van de WOT (specifiek onderzoek, paragraaf 5.3) en daarnaast kan een bestuur bezwaar maken tegen het eindoordeel Zeer zwak.
In de tekst hieronder staat een overzicht van de standaarden uit het waarderingskader (hoofdstuk 4 en/of 5) die al dan niet, of met wijziging, van toepassing zijn op genoemde voorzieningen. De overige wettelijke vereisten (paragraaf 4.4 en paragraaf 5.4) zijn ook van toepassing op de bijlagen. Verder zijn afwijkingen in de normering (hoofdstuk 6) en de werkwijze (hoofdstuk 7) opgenomen. Voor de leesbaarheid zijn de volledige waarderingskaders per onderwijssoort in de bijlagen opgenomen.
9.5.3. Werkwijze
9.6.1. Inleiding
Voor de beoordeling van de kwaliteit van het onderwijs op het opdc maken we gebruik van de waarderingskaders primair onderwijs (voor opdc’s in het primair onderwijs) en voortgezet onderwijs (voor opdc’s in het voortgezet onderwijs), zoals beschreven in hoofdstuk 5 van de betreffende kaders. Omdat de leerlingen op het opdc ingeschreven staan op een reguliere school, tellen hun (onderwijs)resultaten mee op de school van inschrijving. We geven dus bij het opdc geen oordeel op de standaard OR1 (Resultaten). Voor de beoordeling en waardering van de kwaliteit van het opdc geldt dan ook de beslisregel voor scholen waarvan de resultaten niet te beoordelen zijn (zie paragraaf 6.5.2 van de betreffende kaders).
9.6.2. Aanpassingen waarderingskader en normering
Het praktijkonderwijs richt zich vooral op het voorbereiden op thema’s die belangrijk zijn voor de leerlingen: wonen, werken, vrije tijd, burgerschap en leren. Leerlingen leren binnen deze thema’s zo goed en zo zelfstandig mogelijk te functioneren binnen de school en in de maatschappij. Leerlingen die het praktijkonderwijs succesvol hebben doorlopen, ontvangen een diploma van de school.
9.6.4. Werkwijze start kwaliteitsonderzoek
9.4.1. Inleiding
9.7.2. Aanpassingen waarderingskader en normering
9.8. Onderwijs in Caribisch Nederland
9.6. Toezicht op vavo en particuliere zelfstandige exameninstellingen (B2-scholen)
9.8.3. Werkwijze
Bijlage 3 Waarderingskader eerste opvang anderstaligen
Bijlage 7 Waarderingskader voortgezet onderwijs Caribisch Nederland
Bijlage 8 Uitwerking burgerschap en basiswaarden
1 Zie voor begripsbepalingen artikel 1.1 WVO 2020.
Bijlage 2 Waarderingskader praktijkonderwijs
Bijlage 3. Onderzoekskader 2021 voor het toezicht op het (voortgezet) speciaal onderwijs
In deze bijlage is het waarderingskader voor het toezicht op de eerste opvang anderstaligen (eoa) opgenomen. De toelichting hierop is te vinden in paragraaf 9.4.
In deze bijlage is het waarderingskader voor het toezicht op het internationaal georiënteerd voortgezet onderwijs opgenomen. De toelichting hierop is te vinden in paragraaf 9.5.
1.1. Inleiding
1.2. Waar houden we toezicht op?
1.3. Begripsbepalingen
1.4. Niveaus in het toezicht
2.1. Inleiding
2.1. Inleiding
2.3.1. Verbeteren stelselkwaliteit
2.3.2. Verantwoordelijkheid bij besturen
1.2. Waar houden we toezicht op?
3.1. Inleiding
3.1. Inleiding
3.2.2. Stelseltoezicht
Het onderwijs verandert voortdurend door nieuwe ontwikkelingen in de samenleving. Daarom is het nodig het toezicht op (de kwaliteit van) het onderwijs regelmatig aan te passen. In 2017 is het toezicht vernieuwd. Sinds die tijd is de verantwoordelijkheid van besturen voor de kwaliteit van hun scholen het uitgangspunt voor het toezicht. In het toezicht op het onderwijs in Nederland gaat het om de leerlingen en studenten.
1.2. Waar houden we toezicht op?
4.2. Opbouw van het kader
Bij elke standaard geven we aan wat we onder basiskwaliteit verstaan en wat de wet van besturen vraagt (wat moet het bestuur?).67We parafraseren de wettelijke vereisten. Voor de letterlijke teksten verwijzen we naar de genoemde wetsartikelen. Gezien het belang van de basisvaardigheden taal, rekenen en burgerschap, noemen we deze expliciet bij de standaarden BKA1, BKA2 en BKA3. We gaan ervan uit dat besturen (be)sturen vanuit visie en ambitie. Naast de ambities die besturen hebben om de wettelijke verplichtingen na te leven, zijn er ambities die meer omvatten dan de basiskwaliteit. Wij noemen dit de aanvullende ambities. Ook over deze ambities gaan we met besturen in gesprek. We kunnen daaraan een waardering koppelen, namelijk de waardering Goed. Het is de invulling van de stimulerende functie van het toezicht. In het waarderingskader komt dit tot uitdrukking in vragen naar de realisatie van aanvullende ambities van het bestuur. Met het geheel aan ambities dragen besturen bij aan de kernfuncties van het onderwijsstelsel.
5.1. Inleiding
5.3. Kwaliteitsgebieden en standaarden
4 Vso-scholen met het uitstroomprofiel vervolgonderwijs in Friesland geven het vak Fries, met inachtneming van de daarvoor vastgestelde kerndoelen, tenzij zij hiervoor een ontheffing hebben van gedeputeerde staten. Voor vso-scholen in Friesland met andere uitstroomprofielen en so-scholen in Friesland is het geven van het vak Fries niet verplicht.
2.3. Uitgangspunten voor het toezicht
6.2. Stimuleren op stelselniveau
6.5. Oordelen en waarderen op schoolniveau
6.5.1. Wettelijke norm zeer zwak onderwijs
6.6.1. Beoordelen naleving deugdelijkheidseisen
6.6.1. Beoordelen naleving deugdelijkheidseisen
3.1. Inleiding
3.2. Stelselkwaliteit en stelseltoezicht
7.2.3. Agenderen en interveniëren
7.3. Toezicht op besturen en scholen
7.3. Toezicht op besturen en scholen
4.4. Overige wettelijke vereisten
5.1. Inleiding
5.2. Opbouw van het kader
7.5. Vervolgtoezicht, intensivering en sancties
7.5.2. Escaleren
Voor het beoordelen en waarderen van de kwaliteit van besturen en scholen gebruiken we de standaarden zoals beschreven in de hoofdstukken 4 en 5. Een standaard bestaat uit een beschrijving van de basiskwaliteit, gebaseerd op de deugdelijkheidseisen. Per standaard besteden we daarnaast aandacht aan de vragen naar aanvullende ambities.
8. Communicatie en rapportage
8.2. Communicatie
6.6. Oordeelsvorming
We rapporteren apart op bestuursniveau over de onderzoeken die buiten een vierjaarlijks onderzoek vallen en uitgevoerd worden bij financiële risico’s.
7.2.1. Werkwijze van het stelseltoezicht
9.2. Besturen samenwerkingsverbanden passend onderwijs
7.5.1. Vervolgtoezicht bij herstelperiode
7.5.2. Escaleren
Ad 1) Standaarden Basisvaardigheden, Zicht op ontwikkeling en begeleiding en Sociale en maatschappelijke competenties (OP0, OP2, OR2):
Het leggen van het contact is een gezamenlijke verantwoordelijkheid. Het bestuur kan ervoor kiezen de contactinspecteur gedurende het jaar op de hoogte te houden van relevante ontwikkelingen en hem te informeren bij urgente zaken, zoals (ernstige) signalen. Ook kan de contactinspecteur geregeld contact leggen met het bestuur om een vinger aan de pols te houden of urgente zaken te bespreken. De informatie uit deze contacten nemen we mee in de eerdergenoemde monitoring.
7.5.1. Vervolgtoezicht bij herstelperiode
Natuurlijk is vervolgtoezicht lang niet altijd nodig. Als tijdens een onderzoek tekortkomingen zijn geconstateerd, wordt vervolgtoezicht afgesproken. De intensiteit hiervan is ook hier afhankelijk van de kwaliteit van het bestuur. We kunnen tekortkomingen constateren op bestuursniveau en/of op schoolniveau.
Bijlage 4. Onderzoekskader 2021 voor het toezicht op het middelbaar beroepsonderwijs
9. Specifieke toepassingen van het onderzoekskader
1. Inleiding
Bijlage 1 Waarderingskader besturen samenwerkingsverbanden passend onderwijs
De wet laat veel ruimte voor samenwerkingsverbanden en schoolbesturen om passend onderwijs naar regionale kenmerken en eigen visie te organiseren. Die vrijheid is ook bedoeld om ruimte te creëren voor meer maatwerk en om keuzes te maken die passen bij de extra onderwijsbehoeften van leerlingen in de regio. Dit vraagt om een goede afstemming met gemeentelijke partners en is gericht op de aansluiting van het onderwijs op het jeugdbeleid van de gemeente(n), waaronder de jeugdhulp. Ook hierover legt het samenwerkingsverband afspraken vast in het ondersteuningsplan en voert hierover overleg met de gemeente(n) en andere samenwerkingsverbanden in de regio.
1.5. Werking en evaluatie
2. Visie en uitgangspunten voor het toezicht
2.1. Inleiding
2.2. Visie
2.3. Uitgangspunten voor het toezicht
2.3.1. Verbeteren stelselkwaliteit
2.3.2. Verantwoordelijkheid bij besturen
2.3.3. Waarborgen
2.3.5. Proportionaliteit en maatwerk
Ad 1) Standaarden Basisvaardigheden, Zicht op ontwikkeling en begeleiding en Sociale en maatschappelijke competenties (OP0, OP2, OR2):
1. Inleiding
1.1. Inleiding
3.2. Stelselkwaliteit en stelseltoezicht
Het respect voor de menselijke waardigheid zonder onderscheid des persoons staat aan de basis van de drie basiswaarden van de democratische, pluriforme en Nederlandse rechtsstaat: vrijheid, gelijkwaardigheid en solidariteit. De basiswaarde vrijheid wordt bevorderd door aandacht voor vrijheid van meningsuiting en autonomie. Gelijkwaardigheid wordt bevorderd in de vorm van het gelijkheidsbeginsel en het afwijzen van discriminatie. Solidariteit wordt bevorderd door verdraagzaamheid, begrip en verantwoordelijkheidsbesef en het afwijzen van onverdraagzaamheid.
1.3. Begripsbepalingen
2. Visie en uitgangspunten voor het toezicht
5. Waarderingskader opleidingen
1.1. Inleiding
In de Wet op het onderwijstoezicht (WOT) staat in artikel 3, eerste lid, onder meer dat de inspectie toeziet op de naleving van de onderwijswet- en regelgeving, de taak heeft om de ontwikkeling van het onderwijs en de kwaliteit daarvan te bevorderen, en de taak heeft om de financiële rechtmatigheid, doelmatigheid en continuïteit te beoordelen en bevorderen.
5.4. Overige wettelijke vereisten
6.2. Stimuleren op stelselniveau
Vanuit de stimuleringsfunctie onderzoekt de inspectie hoe eigen ambities bijdragen aan (de continue en duurzame verbetering van) de onderwijskwaliteit. Hiermee bevorderen we de kwaliteit op het niveau van opleidingen, besturen en zo ook het stelsel. Eigen ambities hebben betrekking op de ambities en doelen die een bestuur/opleiding zichzelf stelt.
6.3. Oordelen en waarderen standaarden bestuur en opleidingen
6.4. Oordelen en waarderen op bestuursniveau
3.2.1. Een stelsel van onderwijsvoorzieningen
2.1. Inleiding
4.1. Inleiding
6.6.2. Waarderen van ambities
2.3.2. Verantwoordelijkheid bij besturen
Besturen en opleidingen verschillen van elkaar. De kwaliteit die ze realiseren is anders en ook kunnen ze anders georganiseerd zijn. De manier van ontwikkelen en hun omstandigheden kunnen ook verschillend zijn. Wij sluiten daar in ons toezicht op aan: de intensiteit van het toezicht bepalen we proportioneel in relatie tot de kwaliteit van het bestuur. Daarnaast is de uitvoering van het onderzoek op maat, rekening houdend met de kenmerken van het bestuur en de opleidingen. Zo komen we zo effectief mogelijk tot een deugdelijk oordeel en beperken we de toezichtslast.
We richten het themaonderzoek in op basis van actuele vraagstukken of gesignaleerde stelselproblemen. Dit doen we soms bij een bestuur of een opleiding. In dat geval combineren we het themaonderzoek eventueel met het vierjaarlijks onderzoek bij het bestuur en opleidingen, zoals beschreven in paragraaf 7.3. Ook is het mogelijk dat we op een andere manier onderzoek doen, bijvoorbeeld door vragenlijsten uit te zetten, mee te kijken in het onderwijsproces, gesprekken te voeren met meerdere besturen of opleidingen tegelijk of gesprekken te voeren met bijvoorbeeld wetenschappers en deskundigen.
3.2. Stelselkwaliteit en stelseltoezicht
3.2.2. Stelseltoezicht
6. Oordelen en waarderen
Om de kwaliteit van het stelsel te monitoren, hanteren we een raamwerk. Dit raamwerk beschrijft de werking en de kwaliteit van het stelsel aan de hand van de kernfuncties van het onderwijs. Dit biedt focus voor het krijgen van zicht op de kwaliteit van de werking van het stelsel als geheel en op de trends en knelpunten. Het raamwerk geeft de thema’s aan voor de activiteiten die we ondernemen op het gebied van waarnemen, analyseren en agenderen. Om de kwaliteit van het onderwijsstelsel op niveau te houden en te bevorderen, zijn inspanningen nodig van alle betrokkenen samen. Daarbij helpt het om de aandacht te richten op wat belangrijk is met het oog op de studenten en de samenleving, maar ook op wat urgent is, gegeven de actuele ontwikkelingen en trends op de langere termijn. We formuleren daarom focuspunten om andere actoren te stimuleren om samen aan het oplossen van knelpunten te werken. Enkele voorbeelden: ‘Elke student is (digitaal) geletterd en gecijferd’, ‘Elke student krijgt gelijke kansen op een passend aanbod’, ‘Studenten zijn toegerust om bij te dragen aan de samenleving’, ‘Studenten slagen in het vervolgonderwijs en op de arbeidsmarkt’ en ‘Studenten kennen zichzelf en hun omgeving, en kunnen zelfstandig keuzes maken’. Deze vormen ook onderwerp van gesprek met besturen en raken het onderwijs op de opleidingen.
9.2.1. Inleiding
6.4. Oordelen en waarderen op bestuursniveau
1 Het recht op examinering kan (bij onvoldoende verbetering na een waarschuwing) worden ontnomen op grond van artikel 6.1.5b WEB.
Onderzoeken naar risico’s nemen we mee in het vierjaarlijks onderzoek. Maar ze kunnen ook daarbuiten plaatsvinden, naar aanleiding van de jaarlijkse prestatieanalyse en signalen. We houden hiermee zicht op mogelijke risico’s, maar we verwachten dat besturen die te allen tijde zelf ook in beeld hebben, als onderdeel van de kwaliteitscyclus. Bij een bestuur dat de verantwoordelijkheid voor de kwaliteit goed invult, verwachten we dat als wij mogelijke risico’s detecteren, het bestuur zelf de oorzaken onderzoekt, passende maatregelen neemt en zich hierover verantwoordt aan de inspectie. Bij een bestuur dat er niet in slaagt de kwaliteit van het onderwijs te waarborgen, voeren wij (afhankelijk van de aard van de risico’s) zelf het risico-onderzoek geheel of gedeeltelijk uit. We onderzoeken en beoordelen dan een of meerdere standaarden van het waarderingskader op opleidingsniveau (zie hoofdstuk 5) en maken afspraken over de rapportage en verantwoording van de bevindingen.
6.5.2. Normering bij niet te beoordelen resultaten
6.6.1. Beoordelen naleving deugdelijkheidseisen
Het waarderingskader middelbaar beroepsonderwijs heeft de volgende opbouw:91De waarderingskaders zijn in alle sectoren zo veel mogelijk gelijk. Voor de kwaliteitsgebieden worden in alle sectoren dezelfde lettercodes gehanteerd. De nummering van de standaarden loopt niet altijd door, omdat de sectoren verschillen in de uitwerking van de kwaliteitsgebieden en soms ook in het aantal standaarden dat een kwaliteitsgebied omvat.
Niet alle (deugdelijkheids)eisen zoals die in de onderwijswet- en regelgeving staan vermeld, zijn opgenomen in het onderzoekskader. Dit neemt niet weg dat de inspectie toeziet op de naleving van (alle) bij of krachtens de onderwijswetten gegeven voorschriften (artikel 3, eerste lid, onder a, sub 1 jo. artikel 1, onder d, Wet op het onderwijstoezicht). De deugdelijkheidseisen die niet aan een standaard in het waarderingskader zijn verbonden, vatten we samen onder de noemer ‘overige wettelijke vereisten’. Als we een tekortkoming constateren in de naleving van een ‘overig’ wettelijk vereiste kunnen we daarop een herstelopdracht geven.
9.3.4. Werkwijze start kwaliteitsonderzoek
7.3. Toezicht op besturen en scholen
8.3.2. Bestuursniveau
6.6. Oordeelsvorming
9.4.3. Werkwijze start kwaliteitsonderzoek
6.6.2. Waarderen van ambities
7.1. Inleiding
Zo’n verzoek kan gedaan worden bij aanvang van het vierjaarlijks onderzoek. Om een waardering Goed te verkrijgen, moet het financieel beheer door het bestuur op orde zijn.
Besturen leveren elk jaar een jaarrekening inclusief een bestuursverslag met daarin een meerjarenbegroting aan bij de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO). Op basis daarvan analyseren we de actuele en toekomstgerichte financiële kengetallen jaarlijks van elk bestuur. Bij mogelijke risico’s voor de continuïteit van het onderwijs starten we een onderzoek naar de financiële continuïteit op bestuursniveau. Dit onderzoek kan ook plaatsvinden tijdens een vierjaarlijks onderzoek. Als daar vanuit de monitoring van financiële kengetallen of vanuit signalen aanleiding voor is, kunnen we op elk moment een onderzoek naar de financiële continuïteit starten.
9.6.3. Werkwijze
9.3.1. Inleiding
9.7.3. Werkwijze
8.2. Communicatie
9.8. Zelfstandige exameninstellingen
8.3.1. Stelselniveau
8.4. Openbaarmaking, zienswijze en bezwaar
Besturen en inspectie hebben de mogelijkheid om periodiek een gesprek met elkaar te voeren. Aan elk bestuur is een contactinspecteur gekoppeld die het contact onderhoudt. Dit gaat in ieder geval over onderzoeken en vervolgtoezicht (inclusief herstelopdrachten, zie paragraaf 7.5). Ook heeft de contactinspecteur gesprekken met het bestuur over risico’s, signalen en incidenten. Het bestuur kan de contactinspecteur hierover informeren. Het kan ook zijn dat de contactinspecteur het bestuur bevraagt of (afhankelijk van de kwaliteit van het bestuur) verzoekt om zelf nader onderzoek te doen bij mogelijke risico’s. Daarnaast kan het gesprek gaan over relevante ontwikkelingen binnen of buiten de onderwijsinstelling. We betrekken daarbij ook vraagstukken op het niveau van het onderwijsstelsel als geheel.
7.5. Vervolgtoezicht, intensivering en sancties
7.5.1. Vervolgtoezicht bij herstelperiode
9.2. Niet-bekostigd mbo
Bijlage 3. Waarderingskader vavo107OP0 wordt niet beoordeeld bij vavo. en particuliere zelfstandige exameninstellingen (B2)
9.3. Toezicht op vavo en particuliere zelfstandige exameninstellingen (B2-scholen)
We rapporteren op diverse manieren over onze themaonderzoeken. Zo rapporteren we hierover in ‘De Staat van het Onderwijs’. Vaak brengen we daarnaast een apart themarapport uit.
Bijlage 5. Waarderingskader doorlopende leerroutes vmbo-mbo
9.6.2. Aanpassing waarderingskader en normering
Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
A. Bevordering burgerschap
Bijlage 2. Onderzoekskader 2021 voor het toezicht op het voortgezet onderwijs
Woord vooraf: veranderingen in het toezicht
1.5. Werking en evaluatie
1.3. Begripsbepalingen
2.2. Visie
1. Inleiding
2.3.4. Stimuleren
2.1. Inleiding
1.4. Niveaus in het toezicht
2.3. Uitgangspunten voor het toezicht
Besturen zijn ervoor verantwoordelijk dat het onderwijs van hun scholen van voldoende kwaliteit is. En ook dat het financieel beheer op orde is. In het toezicht gaan wij na of besturen hier zicht op hebben en of zij hieraan sturing geven, zodat besturen waarborgen dat de leerlingen op hun scholen onderwijs krijgen van voldoende kwaliteit.
3.2. Stelselkwaliteit en stelseltoezicht
3.2.1. Een stelsel van onderwijsvoorzieningen
3.3. Raamwerk voor stelselkwaliteit
2.3.1. Verbeteren stelselkwaliteit
4.3. Kwaliteitsgebied en standaarden
5.1. Inleiding
4. Waarderingskader besturen
6. Oordelen en waarderen
4.3. Kwaliteitsgebied en standaarden
6.2. Stimuleren op stelselniveau
6.4. Oordelen en waarderen op bestuursniveau
4.1. Inleiding
5.2. Opbouw van het kader
5.4. Overige wettelijke vereisten
Daarnaast spreken we ook van ‘overige wettelijke vereisten’ als we in een kwaliteitsonderzoek of in een onderzoek bij een bestuur een onderdeel van een standaard hebben onderzocht en beoordeeld zonder de gehele standaard te onderzoeken en te beoordelen. Onze bevindingen over de onderzochte overige wettelijke vereisten tellen niet mee in de beslisregels over het eindoordeel, maar er kunnen uiteraard wel herstelopdrachten op gegeven worden.
6. Oordelen en waarderen
Het waarderingskader voortgezet onderwijs op schoolniveau telt per gebied een aantal standaarden, in totaal dertien40Om de zichtbaarheid van de basisvaardigheden te vergroten, is een standaard Basisvaardigheden toegevoegd (OP0). De standaard Aanbod (OP1) heeft betrekking op het aanbod van de andere vakken/gebieden. Dit betekent dat we nog steeds uitgaan van samenhang in het gehele curriculum.. Bij elke standaard is aangegeven wat we verstaan onder de basiskwaliteit (wat móet de school op orde hebben?).41We parafraseren de wettelijke vereisten. Voor de letterlijke teksten verwijzen we naar de genoemde wetsartikelen. Gezien het belang van de basisvaardigheden taal, rekenen en burgerschap, noemen we deze expliciet bij de standaarden SKA1, SKA2 en SKA3. Ter onderbouwing van de eisen voor basiskwaliteit geven we per standaard de wettelijke eisen weer die van toepassing zijn. We noemen de wettelijke eisen ook wel deugdelijkheidseisen.
7. Werkwijze toezicht
6.4. Oordelen en waarderen op bestuursniveau
6.5.3. Extra normering voor het sluiten van nieuwe scholen43Onder een nieuwe school verstaan we hier een school die sinds de inwerkingtreding van de Wet meer ruimte voor nieuwe scholen een aanvraag heeft ingediend bij de minister waarna de minister vervolgens heeft besloten om de school te bekostigen.
7.2. Stelseltoezicht
7.2.2. Monitoring en analyse van ontwikkelingen
7.2.3. Agenderen en interveniëren
8. Communicatie en rapportage
8.1. Inleiding
8.3.1. Stelselniveau
8.3.3. Schoolniveau
9. Specifieke toepassingen van het onderzoekskader
9.2. Besturen samenwerkingsverbanden passend onderwijs
9.3.1. Inleiding
9.3.2. Aanpassingen waarderingskader en normering
9.4. Eerste opvang anderstaligen
In dit hoofdstuk beschrijven we enkele specifieke toepassingen van en uitzonderingen op het reguliere onderzoekskader. Het betreffen samenwerkingsverbanden passend onderwijs en onderwijssoorten en -voorzieningen waarvoor specifieke wet- en regelgeving geldt, zodat aanpassingen van het waarderingskader of de werkwijze nodig zijn.
9.5. Internationaal georiënteerd voortgezet onderwijs
9.2.2. Aanpassingen waarderingskader en normering
9.6.1. Inleiding
9.6.2. Aanpassingen waarderingskader en normering
9.6.3. Werkwijze
Kinderen die vanuit het buitenland naar Nederland komen en die het Nederlands nog onvoldoende beheersen om regulier voortgezet onderwijs te volgen, kunnen terecht in de zogeheten eerste opvang anderstaligen (eoa). Het gaat onder andere om asielzoekers, vluchtelingen, kinderen die naar Nederland zijn gekomen in het kader van gezinsherenigingen en arbeidsmigranten (ook wel minderjarige vreemdelingen). De verblijfsduur van leerlingen op de eoa is in principe twee jaar. Daarna stromen zij door naar het regulier voortgezet onderwijs of een vervolgopleiding.
9.7. Doorlopende leerroutes vmbo-mbo
9.6. Toezicht op vavo en particuliere zelfstandige exameninstellingen (B2-scholen)
9.8. Onderwijs in Caribisch Nederland
9.8.2. Aanpassing waarderingskader en normering
9.6.2. Aanpassingen waarderingskader en normering
In bijlage 5-Waarderingskader vavo en particuliere zelfstandige exameninstellingen (B2) is het uitgangspunt:
9.7.2. Aanpassingen waarderingskader en normering
9.6.3. Werkwijze
9.6.4. Werkwijze start kwaliteitsonderzoek
1Volgens artikel 1, sub c, RJO: het geheel van verslaggevingsdocumenten bestaande uit de jaarrekening, het bestuursverslag en de overige gegevens, bedoeld in artikel 392, titel 9, boek 2, BW.
Bijlage 5 Waarderingskader vavo54OP0 wordt niet beoordeeld bij vavo. en particuliere zelfstandige exameninstellingen (B2)
9.8.3. Werkwijze
Bijlage 7 Waarderingskader voortgezet onderwijs Caribisch Nederland
A. Bevordering burgerschap
Bijlage 3 Waarderingskader eerste opvang anderstaligen
Bijlage 3. Onderzoekskader 2021 voor het toezicht op het (voortgezet) speciaal onderwijs
Samenvatting
Bijlage 8 Uitwerking burgerschap en basiswaarden
1.1. Inleiding
1.3. Begripsbepalingen
A. Bevordering burgerschap
2.2. Visie
2.2. Visie
2.3.1. Verbeteren stelselkwaliteit
2.3.4. Stimuleren
2.3.5. Proportionaliteit en maatwerk
Samenvatting
3.2. Stelselkwaliteit en stelseltoezicht
3.2. Stelselkwaliteit en stelseltoezicht
3.2.1. Een stelsel van onderwijsvoorzieningen
3.2.2. Stelseltoezicht
4. Waarderingskader besturen
2.3. Uitgangspunten voor het toezicht
4.3. Kwaliteitsgebied en standaarden
Vanuit de waarborgfunctie van het toezicht ziet de inspectie erop toe dat de bij of krachtens een onderwijswet gegeven, voorschriften (de deugdelijkheidseisen) worden nageleefd. Dit gaat over wat het bestuur en de school moeten. Een school die niet voldoet aan die voorschriften, biedt onderwijs van onvoldoende kwaliteit. Onvoldoende onderwijskwaliteit en/of onvoldoende financieel beheer kan leiden tot vervolgtoezicht en sancties.
4.3. Kwaliteitsgebied en standaarden
5.1. Inleiding
5.3. Kwaliteitsgebieden en standaarden
5.3. Kwaliteitsgebieden en standaarden
5.4. Overige wettelijke vereisten
6.3. Oordelen en waarderen standaarden bestuur en school
6.4. Oordelen en waarderen op bestuursniveau
4.1. Inleiding
6.6. Oordeelsvorming
4.2. Opbouw van het kader
3.2.1. Een stelsel van onderwijsvoorzieningen
7.2. Stelseltoezicht
7.3.2. Proportionaliteit en maatwerk
6.4. Oordelen en waarderen op bestuursniveau
3 De wettelijke opdracht tot bevordering is ook herkenbaar in een aantal kerndoelen voor het speciaal onderwijs, die eveneens op sociale en maatschappelijke competenties betrekking hebben. Te denken valt met name aan de kerndoelen 49 t/m 54, de leergebied overstijgende kerndoelen 3 en 7, en de leergebiedoverstijgende kerndoelen voor zml/mg 3, 5 en 8.
7.4.4. Overige toezichtsactiviteiten
6. Oordelen en waarderen
8.1. Inleiding
8.2. Communicatie
De norm voor het oordeel Zeer zwak is bij wet bepaald. Artikel 19a, WEC stelt dat de kwaliteit van het onderwijs zeer zwak is als de school tekortschiet in de naleving van twee of meer bij of krachtens deze wet gegeven voorschriften en de school dientengevolge tekortschiet in het zorg dragen voor de veiligheid op de school, bedoeld in artikel 5a, WEC of het zodanig inrichten van het onderwijs dat leerlingen een ononderbroken ontwikkelproces kunnen doorlopen dan wel tekortschiet in het afstemmen van het onderwijs op de voortgang in de ontwikkeling van de leerlingen, bedoeld in artikel 11, eerste lid, WEC.
7.3.1. Werkwijze toezicht op besturen en scholen
7.3.3. Jaarlijkse prestatie- en risicoanalyse
9.2.3. Werkwijze
Het vierjaarlijks onderzoek bestaat doorgaans uit de onderdelen die in figuur 7.4.1a zijn beschreven. We bepalen de intensiteit van het toezicht (proportionaliteit) op basis van onze gegevens en we houden in de uitvoering van het onderzoek rekening met de specifieke inrichting en context van het bestuur en de scholen (maatwerk).
8.3. Rapportage
A. Bevordering burgerschap
B. Basiswaarden van de democratische rechtsstaat
Bijlage 4. Onderzoekskader 2021 voor het toezicht op het middelbaar beroepsonderwijs
8. Communicatie en rapportage
De oordelen op bestuursniveau presenteren we samen met het betreffende onderzoeksrapport op onze website. Het doel hiervan is om belanghebbenden over de resultaten van het toezicht te informeren. Als daarna uit herstelonderzoek blijkt dat een bestuur de aangetroffen tekortkomingen heeft hersteld, dan wordt dit nieuwe oordeel ook zichtbaar gemaakt op de website.
1. Inleiding
1.1. Inleiding
1.2. Waar houden we toezicht op?
9.2. Besturen samenwerkingsverbanden passend onderwijs
1.5. Werking en evaluatie
2.2. Visie
2.3.2. Verantwoordelijkheid bij besturen
2.3.4. Stimuleren
B. Basiswaarden van de democratische rechtsstaat
3.2.1. Een stelsel van onderwijsvoorzieningen
3.3. Raamwerk voor stelselkwaliteit
1.5. Werking en evaluatie
4.2. Opbouw van het kader
Afhankelijk van de kwaliteit van de besturing en eventuele tekortkomingen bepalen we het vervolgtoezicht. Er kan gekozen worden om het toezicht te intensiveren of juist minder intensief te laten zijn. Dit vervolgtoezicht kan uitgevoerd worden door het bestuur of door de inspectie. Daarnaast is het mogelijk dat er een tussentijds onderzoek plaatsvindt, als dit op basis van bepaalde informatie, zoals signalen of financiële kengetallen, nodig blijkt. Bij een bestuur dat er niet in slaagt zijn besturing op (delen van) de kwaliteit van scholen te waarborgen, voeren wij zelf (delen van) het tussentijds onderzoek uit.
5. Waarderingskader opleidingen
5.1. Inleiding
1.3. Begripsbepalingen
2.3.5. Proportionaliteit en maatwerk
3.2. Stelselkwaliteit en stelseltoezicht
2.3. Uitgangspunten voor het toezicht
4.2. Opbouw van het kader
Wij zien erop toe dat besturen hun taken (het bewaken en bevorderen van de basiskwaliteit en de continuïteit) voldoende uitvoeren. Gebeurt dat niet of in onvoldoende mate, dan houden we verscherpt toezicht op het bestuur en de opleidingen. Dat maakt onderdeel uit van onze waarborgfunctie. In aanvulling op dit bestuursgerichte toezicht, onderzoeken en beoordelen we ook opleidingen als het besturen niet lukt de basiskwaliteit te realiseren. Verder geeft het bestuur met het onderwijs ook invulling aan eigen ambities, waaronder vaak ook ambities die de kernfuncties van het onderwijsstelsel raken. Daarop sluiten we aan vanuit onze stimulerende rol.
4.3. Kwaliteitsgebied en standaarden
8.3.3. Opleidingsniveau
3.3. Raamwerk voor stelselkwaliteit
9.2. Niet-bekostigd mbo
5.2. Opbouw van het kader
6.6.2. Waarderen van ambities
9.3.2. Aanpassingen waarderingskader en normering
9.4. Overige educatie
9.4.2. Aanpassingen waarderingskader en normering
7.4.1. Vierjaarlijks onderzoek bestuur en opleidingen
9.5.3. Werkwijze
7.5. Vervolgtoezicht, intensivering en sancties
9.6.2. Aanpassing waarderingskader en normering
9.6.3. Werkwijze
8.1. Inleiding
8.3. Rapportage
1. Standaard Studiesucces in bekostigd onderwijs
8.2. Communicatie
Bijlage 5. Waarderingskader doorlopende leerroutes vmbo-mbo
9.6.1. Inleiding
9. Specifieke toepassingen van het onderzoekskader
Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
5.3. Kwaliteitsgebieden en standaarden
6.3. Oordelen en waarderen standaarden bestuur en school
6.6.1. Beoordelen naleving deugdelijkheidseisen
7. Werkwijze toezicht
7.2.2. Monitoring en analyse van ontwikkelingen
7.2.2. Monitoring en analyse van ontwikkelingen
7.3.3. Jaarlijkse prestatie- en risicoanalyse
7.2.3. Agenderen en interveniëren
Voor het agenderen en interveniëren in het stelseltoezicht onderscheiden we vier soorten activiteiten. Deze beschrijven we hierna. Agenderen en interveniëren liggen soms dicht bij elkaar, omdat agenderen een vorm van interveniëren is.
7.4.3. Onderzoeken specifiek gericht op financieel beheer
7.5.1. Vervolgtoezicht bij herstelperiode
8.1. Inleiding
7.5. Vervolgtoezicht, intensivering en sancties
8.2. Communicatie
9. Specifieke toepassingen van het onderzoekskader
8.3.3. Schoolniveau
9.2. Besturen samenwerkingsverbanden passend onderwijs
9.2.1. Inleiding
9.2.2. Aanpassingen waarderingskader en normering
9.2.3. Werkwijze
9.2.1. Inleiding
9.3.1. Inleiding
9.3.3. Werkwijze
9.3.2. Aanpassingen waarderingskader en normering
9.4. Onderwijs aan nieuwkomers
9.6.2. Toezicht op voor- en vroegschoolse educatie
9.6.2. Toezicht op voor- en vroegschoolse educatie
9.7.1. Inleiding
De GGD beoordeelt of locaties aan de eisen van het besluit voldoen. In sommige gemeenten kijkt de GGD ook meer inhoudelijk naar de kwaliteit van de educatie. Het veldinstrument observatie pedagogische praktijk dat de GGD hanteert, is te vinden op de website van de rijksoverheid.
9.7.3. Werkwijze
Bijlage 2. Waarderingskader speciaal basisonderwijs
Bijlage 4. Waarderingskader internationaal georiënteerd basisonderwijs
Bijlage 5. Waarderingskader voorschoolse educatie
Bijlage 7. Uitwerking burgerschap en basiswaarden
Bijlage 2. Onderzoekskader 2021 voor het toezicht op het voortgezet onderwijs
Samenvatting
1.2. Waar houden we toezicht op?
1.3. Begripsbepalingen
1.4. Niveaus in het toezicht
1.1. Inleiding
2.3. Uitgangspunten voor het toezicht
2.3.1. Verbeteren stelselkwaliteit
2.3.3. Waarborgen
2.3.2. Verantwoordelijkheid bij besturen
5. Waarderingskader scholen
5.2. Opbouw van het kader
6.3. Oordelen en waarderen standaarden bestuur en school
6.5.2. Normering bij niet te beoordelen resultaten
6.6. Oordeelsvorming
7.1. Inleiding
7.3. Toezicht op besturen en scholen
7.2. Stelseltoezicht
6.6. Oordeelsvorming
7.5.1. Vervolgtoezicht bij herstelperiode
7.3. Toezicht op besturen en scholen
7.4.4. Overige toezichtsactiviteiten
8.4. Openbaarmaking, zienswijze en bezwaar
9.2. Besturen samenwerkingsverbanden passend onderwijs
9.2.1. Inleiding
8.1. Inleiding
9.4. Eerste opvang anderstaligen
9.1. Inleiding
9.3.1. Inleiding
9.6.1. Inleiding
9.4. Eerste opvang anderstaligen
Bijlage 3. Onderzoekskader 2021 voor het toezicht op het (voortgezet) speciaal onderwijs
Samenvatting
A. Bevordering burgerschap
1.4. Niveaus in het toezicht
Bijlage 8 Uitwerking burgerschap en basiswaarden
2. Visie en uitgangspunten voor het toezicht
2.3. Uitgangspunten voor het toezicht
3. Stelseltoezicht
3.2.2. Stelseltoezicht
1. Inleiding
5.2. Opbouw van het kader
2.3.1. Verbeteren stelselkwaliteit
7. Werkwijze toezicht
3.2.2. Stelseltoezicht
3.3. Raamwerk voor stelselkwaliteit
4.1. Inleiding
7.3.1. Werkwijze toezicht op besturen en scholen
5.4. Overige wettelijke vereisten
6.1. Inleiding
6.4. Oordelen en waarderen op bestuursniveau
1.5. Werking en evaluatie
6.5.1. Eindoordeel zeer zwak
6.5.2. Normering bij niet te beoordelen resultaten
2.3.1. Verbeteren stelselkwaliteit
2.3.3. Waarborgen
Naast stimuleren door aan te geven wat er beter kan, doen we dat ook door goede kwaliteit zichtbaar te maken. We kunnen daarvoor de waardering Goed toekennen. We geven deze waardering op het moment dat een opleiding of bestuur niet alleen voldoet aan de wettelijke vereisten, maar ook aanvullende ambities realiseert. Op verzoek van het bestuur onderzoeken we of de onderwijskwaliteit van een opleiding de waardering Goed kan krijgen. Ten slotte nemen we de (realisatie van de) ambities van het bestuur mee in de onderzoeken en streven we ernaar om tijdens het uitvoeren van onze onderzoeken en in de rapportage daarvan stimulerend te werk te gaan: we geven op een positieve manier feedback en benoemen naast wat er beter moet of kan, ook wat er goed gaat.
7.3.2. Proportionaliteit en maatwerk
7.3.3. Jaarlijkse prestatie- en risicoanalyse
7.4.1. Vierjaarlijks onderzoek bestuur en opleidingen
5. Waarderingskader opleidingen
6. Oordelen en waarderen
8.1. Inleiding
8.2. Communicatie
Naast de hiervoor genoemde activiteiten zetten we waar dat passend is ook specifieke interventies in. Uit diverse bronnen komen onderwerpen van het onderwijsstelsel naar voren die we, met het oog op het publiek belang, willen adresseren. Zo kan er een knelpunt zijn waar op lokaal niveau meerdere besturen, een samenwerkingsverband, groepen werkgevers en de gemeente een rol in hebben. En dan loont het om het knelpunt bij deze actoren samen te agenderen. Voorbeelden daarvan zijn regionale gesprekken over de aanpak van het lerarentekort, krimp of zorg voor specifieke groepen leerlingen.
9.2. Niet-bekostigd mbo
9.2.1. Inleiding
7.4.4. Overige toezichtsactiviteiten
Op schoolniveau zetten we verschillende typen onderzoeken in, zowel binnen het vierjaarlijks onderzoek (zie paragraaf 7.4.1) als daarbuiten. Wanneer een onderzoek op opleidingsniveau binnen het vierjaarlijks onderzoek plaatsvindt, worden de activiteiten opgenomen in het onderzoeksplan. Dit plan bevat in elk geval verificatie-activiteiten zoals in de voorgaande paragraaf zijn beschreven.
9.3.3. Werkwijze
9.4.3. Werkwijze start kwaliteitsonderzoek
9.5. Doorlopende leerroutes vmbo-mbo
8.4. Openbaarmaking, zienswijze en bezwaar
9.6.3. Werkwijze
9.4.1. Inleiding
9.7.3. Werkwijze
9.4.2. Aanpassingen waarderingskader en normering
9.8.2. Werkwijze
9.3.1. Inleiding
2. Standaard Vervolgsucces in bekostigd onderwijs
5. Beschrijving resultaten niet-genormeerde indicatoren
De volgende wettelijke bepalingen uit de verantwoording van de standaarden zijn niet van toepassing op overige educatie.
9.8. Zelfstandige exameninstellingen
Bijlage 5. Waarderingskader doorlopende leerroutes vmbo-mbo
Wanneer we een doorlopende leerroute onderzoeken, doen we dat met een speciaal daarvoor ontwikkeld waarderingskader dat kenmerken bevat van zowel het waarderingskader voor het voortgezet onderwijs als het waarderingskader voor het middelbaar beroepsonderwijs.
2. Standaard Vervolgsucces in bekostigd onderwijs
3. Entreeopleidingen
We onderzoeken een doorlopende leerroute in het kader van een vierjaarlijks onderzoek dat we bij een voortgezet onderwijs- of middelbaar beroepsonderwijsbestuur uitvoeren of in het kader van stelsel- of risico-onderzoeken of onderzoeken naar goed. We stellen beide besturen vooraf in kennis van het onderzoek van de doorlopende leerroute. Indien sprake is van twee besturen, stellen we beide besturen in kennis van de oordelen met betrekking tot het gehele onderzoek naar de doorlopende leerroute, waarbij we duidelijk aangeven welk bestuur verantwoordelijk is voor welke tekortkoming.
Alle indicatoren worden op verschillende aggregatieniveaus berekend (bijv. branche of domein). Op basis hiervan gaan we met de instelling in gesprek over de ontwikkeling en het niveau van de onderwijsresultaten. De inspectie spreekt een oordeel uit op het aggregatieniveau ‘opleiding’ (i.e. bc-code x opleidingsniveau), op basis van de drie genormeerde indicatoren. Dit leidt tot een van de volgende oordelen en waardering:
Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
1. Inleiding
Wanneer we een risico-kwaliteitsonderzoek of een steekproef-kwaliteitsonderzoek uitvoeren of overwegen op standaardniveau de waardering Goed toe te kennen gebruiken we standaarden uit het waarderingskader voor scholen. We beoordelen standaarden binnen de kwaliteitsgebieden Onderwijsproces, Veiligheid en schoolklimaat, Onderwijsresultaten en Sturen, kwaliteitszorg en ambitie.2In het middelbaar beroepsonderwijs gaat het ook om Borging en afsluiting. De standaarden krijgen een oordeel of waardering. Daarnaast kan een school, op basis van een beslisregel, het eindoordeel Zeer zwak, Onvoldoende ofVoldoende (basiskwaliteit) krijgen. De oordelen en/of waarderingen, die vaak onderdeel zijn van het rapport van het vierjaarlijks onderzoek, maken we openbaar via onze website.
1.2. Waar houden we toezicht op?
1.4. Niveaus in het toezicht
1.5. Werking en evaluatie
2. Visie en uitgangspunten voor het toezicht
1.5. Werking en evaluatie
2.1. Inleiding
2.3.5. Proportionaliteit en maatwerk
3. Stelseltoezicht
3.2.1. Een stelsel van onderwijsvoorzieningen
In het kader van onze waarborgfunctie monitoren we jaarlijks de ontwikkeling en de prestaties van een bestuur en de scholen. Op basis van eerder toezicht en kwaliteitsgegevens die we hebben vanuit monitoring, houden we de kwaliteit van bestuur en scholen in beeld. Dit is van belang voor de uitvoering van onze waarborgfunctie.
3.1. Inleiding
4. Waarderingskader besturen
4.1. Inleiding
4.4. Overige wettelijke vereisten
4.3. Kwaliteitsgebied en standaarden
5.2. Opbouw van het kader
5.3. Kwaliteitsgebieden en standaarden
6. Oordelen en waarderen
6.6. Oordeelsvorming
6.6.2. Waarderen van ambities
7.3.2. Proportionaliteit en maatwerk
7.3. Toezicht op besturen en scholen
8.3. Rapportage
8. Communicatie en rapportage
8.3.2. Bestuursniveau
9.2.2. Aanpassingen waarderingskader en normering
9.3.3. Werkwijze
9.5.3. Werkwijze
9.5.1. Inleiding
9.6.1. Inleiding
Bijlage 2. Waarderingskader speciaal basisonderwijs
Bijlage 6. Waarderingskader primair onderwijs Caribisch Nederland
Bijlage 7. Uitwerking burgerschap en basiswaarden
Bijlage 2. Onderzoekskader 2021 voor het toezicht op het voortgezet onderwijs
1. Inleiding
1.2. Waar houden we toezicht op?
1.5. Werking en evaluatie
2.2. Visie
2.3.4. Stimuleren
2.3.5. Proportionaliteit en maatwerk
3.2.1. Een stelsel van onderwijsvoorzieningen
2.3.4. Stimuleren
6.6.1. Beoordelen naleving deugdelijkheidseisen
7.2.2. Monitoring en analyse van ontwikkelingen
7.2.3. Agenderen en interveniëren
7.3.1. Werkwijze toezicht op besturen en scholen
7.3.3. Jaarlijkse prestatie- en risicoanalyse
7.4.3. Onderzoeken specifiek gericht op financieel beheer
7.5.1. Vervolgtoezicht bij herstelperiode
8. Communicatie en rapportage
8.3.2. Bestuursniveau
9.3.3. Werkwijze
9.4.3. Werkwijze
9.5.2. Aanpassingen waarderingskader en normering
9.5.1. Inleiding
9.6.3. Werkwijze
9.6.4. Werkwijze start kwaliteitsonderzoek
9.7.1. Inleiding
9.7.1. Inleiding
Bijlage 2 Waarderingskader praktijkonderwijs
Bijlage 4 Waarderingskader internationaal georiënteerd voortgezet onderwijs (igvo)
Bijlage 5 Waarderingskader vavo54OP0 wordt niet beoordeeld bij vavo. en particuliere zelfstandige exameninstellingen (B2)
Bijlage 6 Waarderingskader doorlopende leerroutes vmbo-mbo
Bijlage 7 Waarderingskader voortgezet onderwijs Caribisch Nederland
B. Basiswaarden van de democratische rechtsstaat
Bijlage 3. Onderzoekskader 2021 voor het toezicht op het (voortgezet) speciaal onderwijs
Samenvatting
1.3. Begripsbepalingen
1.5. Werking en evaluatie
2.2. Visie
4.3. Kwaliteitsgebied en standaarden
5.3. Kwaliteitsgebieden en standaarden
6.6.1. Beoordelen naleving deugdelijkheidseisen
6.6.3. Omgeving van bestuur en school
7. Werkwijze toezicht
7.2.2. Monitoring en analyse van ontwikkelingen
6.5.1. Wettelijke norm zeer zwak onderwijs
7.3.1. Werkwijze toezicht op besturen en scholen
7.2.2. Monitoring en analyse van ontwikkelingen
7.4.2. Onderzoeken op schoolniveau
7.4.1. Vierjaarlijks onderzoek bestuur en scholen
8.1. Inleiding
8.3.1. Stelselniveau
8.3.3. Schoolniveau
8.4. Openbaarmaking, zienswijze en bezwaar
9.2. Besturen samenwerkingsverbanden passend onderwijs
9.2.1. Inleiding
8.3.3. Schoolniveau
9. Specifieke toepassingen van het onderzoekskader
9.2.2. Aanpassingen waarderingskader en normering
Bijlage 4. Onderzoekskader 2021 voor het toezicht op het middelbaar beroepsonderwijs
Samenvatting
2.2. Visie
2.3. Uitgangspunten voor het toezicht
5.4. Overige wettelijke vereisten
4. Waarderingskader besturen
5.3. Kwaliteitsgebieden en standaarden
7. Werkwijze toezicht
7.2.1. Werkwijze van het stelseltoezicht
7.2.2 Monitoring en analyse van ontwikkelingen
7.3.2. Proportionaliteit en maatwerk
6.5.2. Normering bij niet te beoordelen resultaten
7.4.3. Onderzoeken specifiek gericht op financieel beheer
7.5.1. Vervolgtoezicht bij herstelperiode
7.3.3. Jaarlijkse prestatie- en risicoanalyse
8.3.2. Bestuursniveau
9.2.2. Aanpassingen waarderingskader en normering
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)