Besluit van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media, van 24 juni 2021, nr. 28318215 tot intrekking van beleidsregels houdende Onderzoekskaders 2017 onder vaststelling van beleidsregels houdende Onderzoekskaders 2021

Type Ministeriële regeling
Publication 2026-08-01
Laatst bijgewerkt 2026-08-07
State In force
Source BWB
artikelen 3
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Het vierjaarlijks onderzoek bestaat doorgaans uit de onderdelen die in figuur 7.4.1a zijn beschreven. We bepalen de intensiteit van het toezicht (proportionaliteit) op basis van onze gegevens en we houden in de uitvoering van het onderzoek rekening met de specifieke inrichting en context van het bestuur en de scholen (maatwerk).

Een belangrijk onderdeel van onze werkwijze in het vierjaarlijks onderzoek is verificatie. Met verificatie-activiteiten toetsen we bij besturen, scholen en andere betrokkenen in hoeverre het bestuur zicht heeft op de kwaliteit van het onderwijs en het financieel beheer en hoe het bestuur daarop stuurt.

Natuurlijk is vervolgtoezicht lang niet altijd nodig. Als tijdens een onderzoek tekortkomingen zijn geconstateerd, wordt vervolgtoezicht afgesproken. De intensiteit hiervan is ook hier afhankelijk van de kwaliteit van het bestuur. We kunnen tekortkomingen constateren op bestuursniveau en/of op schoolniveau.

Op schoolniveau zetten we verschillende typen onderzoeken in, zowel binnen het vierjaarlijks onderzoek (zie paragraaf 7.4.1) als daarbuiten. Wanneer een onderzoek op schoolniveau binnen het vierjaarlijks onderzoek plaatsvindt, worden de activiteiten opgenomen in het onderzoeksplan. Dit plan bevat in elk geval verificatie-activiteiten zoals in de voorgaande paragraaf beschreven.

Onderzoeken naar risico’s nemen we mee in het vierjaarlijks onderzoek. Maar ze kunnen ook daarbuiten plaatsvinden, naar aanleiding van de jaarlijkse prestatieanalyse en signalen. We houden hiermee zicht op mogelijke risico’s, maar we verwachten dat besturen die te allen tijde zelf ook in beeld hebben, als onderdeel van de kwaliteitscyclus. Bij een bestuur dat de verantwoordelijkheid voor de kwaliteit goed invult, verwachten we dat als wij mogelijke risico’s detecteren, het bestuur zelf de oorzaken onderzoekt, passende maatregelen neemt en zich hierover verantwoordt aan de inspectie. Bij een bestuur dat er niet in slaagt de kwaliteit van het onderwijs te waarborgen, voeren wij (afhankelijk van de aard van de risico’s) zelf het risico-onderzoek geheel of gedeeltelijk uit. We onderzoeken en beoordelen dan een of meerdere standaarden van het waarderingskader op schoolniveau (zie hoofdstuk 5) en maken afspraken over de rapportage en verantwoording van de bevindingen.

De Inspectie van het Onderwijs voert naast risico-kwaliteitsonderzoeken ook steekproef-kwaliteitsonderzoeken uit op de scholen (po en so)/afdelingen (vo)/opleidingen (mbo). Deze onderzoeken, die wij in het kader van het stelselbeeld uitvoeren, hebben als doel periodiek een representatief beeld van de kwaliteit van het onderwijs op Nederlandse scholen te geven. De onderzoeken kennen eenzelfde inhoud en opzet als een risico-kwaliteitsonderzoeken en ook bij dit type onderzoek is het bestuur het aanspreekpunt.

Meer informatie over thematische onderzoeken is te vinden in paragraaf 7.2, maar we nemen ze hier voor de volledigheid op. Vanuit het stelseltoezicht zijn er thema’s die we verder onderzoeken. Hiervoor bezoeken we scholen en/of besturen. Deze themaonderzoeken kunnen samenvallen met het vierjaarlijks onderzoek en ook los plaatsvinden. Bij themaonderzoeken geven we in een themarapport oordelen op het niveau van het geheel van de onderzochte instellingen (niet op instellingsniveau). Daarbij is geen sprake van een oordeel en herstelopdracht aan individuele besturen. In specifieke gevallen kunnen echter wel oordelen en herstelopdrachten worden gegeven aan individuele besturen. In die gevallen gebeurt dat dus in een rapport op instellingsniveau. Het bestuur wordt hierover bij de aankondiging van het onderzoek geïnformeerd.

Bovenstaande geven we in tabel 7.5.1a schematisch weer. De invulling is maatwerk per onderzoek.

Besturen leveren elk jaar een jaarrekening inclusief een bestuursverslag met daarin een meerjarenbegroting aan bij de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO). Op basis daarvan analyseren we de actuele en toekomstgerichte financiële kengetallen jaarlijks van elk bestuur. Bij mogelijke risico’s voor de continuïteit van het onderwijs starten we een onderzoek naar de financiële continuïteit op bestuursniveau. Dit onderzoek kan ook plaatsvinden tijdens een vierjaarlijks onderzoek. Als daar vanuit de monitoring van financiële kengetallen of vanuit signalen aanleiding voor is, kunnen we op elk moment een onderzoek naar de financiële continuïteit starten.

9. Specifieke toepassingen van het onderzoekskader

9.1. Inleiding

Bij signalen van mogelijk onrechtmatige verkrijging of besteding van middelen voeren we onderzoek uit bij een bestuur. Als we oordelen dat sprake is van onrechtmatige verkrijging of besteding, dan volgen daarna in de regel een wijziging in de bekostiging en een terugvordering van de bekostiging.

De inspectie is, naast het toezicht op onderwijswetgeving in een vierjaarlijks onderzoek, ook belast met het toezicht op en de handhaving van de Wet normering topinkomens (WNT) binnen het onderwijs. De WNT is geen onderwijswet, maar wetgeving die van toepassing is op de gehele publieke en semipublieke sector. Het toezicht op onderwijswetgeving in een vierjaarlijks onderzoek en het toezicht op de WNT worden daarom door de inspectie gescheiden van elkaar uitgevoerd.

Ook zijn er onderwijssoorten of -voorzieningen in de vorm van een pilot. In die gevallen is er wel sprake van inspectiebetrokkenheid, maar is de wet- en regelgeving nog niet volledig uitgekristalliseerd. Vanwege het tijdelijke karakter van pilots en experimenten zijn deze niet beschreven in dit onderzoekskader.

Bij nieuwe scholen, die vanaf 1 augustus 2023 zijn gestart nadat zij een aanvraag als bedoeld in de Wet Meer Ruimte voor Nieuwe scholen hebben ingediend waarop de minister heeft besloten om de school te bekostigen, voeren we binnen een jaar na de start een kwaliteitsonderzoek naar risico’s uit. Hoe we dit onderzoek inrichten, hangt af van de (aard van de aangeleverde) informatie die beschikbaar is over deze school en hoe de adviesprocedure45Meer informatie over deze adviesprocedure en het Advieskader is te vinden op www.onderwijsinspectie.nl. voorafgaand aan de start van de nieuwe school verliep. Ook is dit afhankelijk van de vraag of de school start onder een bestaand bestuur (en wat de kwaliteit van dat bestuur is), of dat er ook sprake is van een nieuw bestuur.

Ernstige signalen of andere informatie kunnen aanleiding zijn om een onderzoek over een specifiek onderwerp in te stellen bij een bestuur of een school. Dit kan tijdens het vierjaarlijks onderzoek of daarbuiten. Bij urgente signalen en ernstige incidenten interveniëren we vanzelfsprekend meteen op een passende manier.

8.2. Communicatie

Besturen en inspectie hebben de mogelijkheid om periodiek een gesprek met elkaar te voeren. Aan elk bestuur is een contactinspecteur gekoppeld die het contact onderhoudt. Dit gaat in ieder geval over onderzoeken en vervolgtoezicht (inclusief herstelopdrachten, zie paragraaf 7.5). Ook heeft de contactinspecteur gesprekken met het bestuur over risico’s, signalen en incidenten. Het bestuur kan de contactinspecteur hierover informeren. Het kan ook zijn dat de contactinspecteur het bestuur bevraagt of (afhankelijk van de kwaliteit van het bestuur) verzoekt om zelf nader onderzoek te doen bij mogelijke risico’s. Daarnaast kan het gesprek gaan over relevante ontwikkelingen binnen of buiten de onderwijsinstelling. We betrekken daarbij ook vraagstukken op het niveau van het onderwijsstelsel als geheel.

Het leggen van het contact is een gezamenlijke verantwoordelijkheid. Het bestuur kan ervoor kiezen de contactinspecteur gedurende het jaar op de hoogte te houden van relevante ontwikkelingen en hem te informeren bij urgente zaken, zoals (ernstige) signalen. Ook kan de contactinspecteur geregeld contact leggen met het bestuur om een vinger aan de pols te houden of urgente zaken te bespreken. De informatie uit deze contacten nemen we mee in de eerdergenoemde monitoring.

7.5. Vervolgtoezicht, intensivering en sancties

Vervolgtoezicht is nodig wanneer er tijdens een vierjaarlijks onderzoek tekortkomingen worden vastgesteld bij het bestuur en de scholen, of wanneer andere onderzoeken of toezichtsactiviteiten hiertoe aanleiding geven.

We rapporteren op stelselniveau en op het niveau van besturen en scholen. In beginsel maken we onze rapporten over besturen en scholen in de derde week na vaststelling openbaar (artikel 21, eerste lid, WOT).48In artikel 15, tweede lid, WOT is bepaald dat rapporten van een specifiek onderzoek openbaar zijn, tenzij aard of omvang van het onderzoek zich tegen openbare rapportage verzet.

Natuurlijk is vervolgtoezicht lang niet altijd nodig. Als tijdens een onderzoek tekortkomingen zijn geconstateerd, wordt vervolgtoezicht afgesproken. De intensiteit hiervan is ook hier afhankelijk van de kwaliteit van het bestuur. We kunnen tekortkomingen constateren op bestuursniveau en/of op schoolniveau.

Als uit een onderzoek blijkt dat het bestuur voor basiskwaliteit heeft gezorgd en dat het daarmee aan de deugdelijkheidseisen en financiële voorwaarden voor bestuur en school voldoet, is er geen vervolgtoezicht. Het bestuur en de scholen vallen dan onder het reguliere toezicht, waarbij we prestaties en risico’s jaarlijks monitoren en elke vier jaar het bestuur beoordelen. Wanneer nodig of gewenst, is er tussentijds contact.

9.2.1. Inleiding

5.1. Inleiding

Wanneer het herstel of de kwaliteit van de gevraagde verantwoording ontoereikend is, heeft dit gevolgen voor welke toezichtsinterventies we kiezen en hoe we de kwaliteit van het bestuur inschatten. Wanneer we concluderen dat het vermogen van het bestuur om zelf de kwaliteit te waarborgen niet voldoende is, neemt de intensiteit van ons vervolgtoezicht toe. Ook dit is proportioneel.

Bovenstaande geven we in tabel 7.5.1a schematisch weer. De invulling is maatwerk per onderzoek.

Over onderzoeken op bestuursniveau rapporteren we in het rapport van het vierjaarlijks onderzoek. Dit rapport is gericht aan het bestuur en geeft een totaalbeeld van de bevindingen en oordelen op bestuursniveau en van de onderzoeksactiviteiten die in dit kader op scholen plaatsvonden. We rapporteren in dit rapport kort over verificatie-activiteiten en – wanneer uitgevoerd – kwaliteitsonderzoeken naar risico’s en/of onderzoeken naar financiële risico’s. Bij verificatie-activiteiten op schoolniveau geven we geen oordelen of waarderingen. De rapportage hierover is daarom beknopt.

5.2. Opbouw van het kader

Naarmate verbetering uitblijft en de risico’s op kwaliteitsverlies groter worden, treedt een volgende fase van escalatie in werking. De escalatie sluit aan op de bevoegdheden van de inspectie en vervolgens op die van de minister. Interventies die de minister kan inzetten betreffen onder andere: de opschorting en inhouding van (een deel van de) bekostiging, oplegging van bepaalde bestuurlijke boetes, de oplegging van een aanwijzing (bij wanbeheer) of een spoedaanwijzing (bij, kort gezegd, een wezenlijk vermoeden van wanbeheer), schorsing van de bevoegdheid examinering en ontneming van rechten (de laatste twee betreffen vooral het mbo). De minister heeft ten aanzien van sommige van deze besluiten aan de inspectie mandaat verleend om deze namens hem te nemen. De reikwijdte van dit mandaat is neergelegd in artikel 7 van het Organisatie- en mandaatbesluit OCW 2008. De Minister heeft bijvoorbeeld de bevoegdheid om direct over te gaan tot inhouding van (een deel van de) bekostiging bij het niet naleven van een wettelijk voorschrift en heeft aan de inspectie mandaat verleend om dit besluit te nemen tot een maximumpercentage. Dit besluit kan alleen worden genomen nadat het schoolbestuur een redelijke termijn heeft gekregen om de tekortkoming te herstellen.46Beleidsregel financiële sancties bij bekostigde onderwijsinstellingen 2022. Een escalatietraject is bij elke toezichtsituatie anders. De volgorde van interventie en escalatiestappen wordt per situatie bepaald.

Interventies kunnen variëren van een herstelopdracht om tekortkomingen op te heffen op schoolniveau tot zeer ingrijpende maatregelen op het niveau van bekostiging van scholen en op het niveau van besturen. Vanzelfsprekend wegen we in alle gevallen af wat de ernst en de langdurigheid van de risico’s zijn en of het bestuur voldoende perspectief op verbetering van de situatie biedt.

8. Communicatie en rapportage

Het waarderingskader voor besturen van samenwerkingsverbanden passend onderwijs bestaat uit twee kwaliteitsgebieden die ieder onderverdeeld zijn in drie standaarden.

Als inspectie hebben we een publieke taak om ouders en de samenleving te informeren over onze bevindingen en oordelen over de kwaliteit van de (be)sturing en het onderwijs. Daarom geven we op verschillende manieren actief inzicht in onze onderzoeksresultaten en oordelen. Zo dragen we bij aan de informatie die over het onderwijsstelsel, de besturen en scholen beschikbaar is. Naast de informatie waarin de inspectie voorziet, leveren besturen, scholen en anderen, elk vanuit hun rol en (publieke) verantwoordelijkheid, een bijdrage aan de informatie die over de scholen en het onderwijs beschikbaar is.

Naast communicatie via het informatie- en meldpunt van de inspectie, de website en ‘De Staat van het Onderwijs’ zijn er rapportages over themaonderzoeken en onderzoeken bij besturen en scholen beschikbaar. Al onze rapporten zijn in beginsel openbaar.47In artikel 15, tweede lid, WOT is bepaald dat rapporten van een specifiek onderzoek openbaar zijn, tenzij aard of omvang van het onderzoek zich tegen openbare rapportage verzet. We zijn daarmee transparant in onze werkwijze en onze oordelen en waarderingen. Onze website is de centrale plek waar onze rapporten terug te vinden zijn. In dit hoofdstuk beschrijven we hoe we communiceren en geven we een toelichting op de verschillende rapportagevormen.

Voor het risico-kwaliteitsonderzoek geldt dat, wanneer het bestuur in opdracht van de inspectie zelf een (herstel)onderzoek uitvoert, de resultaten na herstel op de inspectiewebsite in principe worden vermeld via een verwijzing naar de website van het bestuur.

Onze communicatie over de resultaten van onderzoeken kent meerdere vormen. We richten ons ten eerste op de vraag welke doelgroep het meest zou kunnen doen met onze toezichtsinformatie. We bepalen wie mogelijk betrokken is bij het verhogen van de onderwijskwaliteit of bij het oplossen van problemen. Vervolgens stemmen we de vorm van de communicatie daarop af. Naast de verschillende – meer formele – vormen van rapportage die hierna zijn beschreven, maken we gebruik van andere vormen van communicatie. Bijvoorbeeld van infographics of animaties. Ook de inzet van sociale media, bijdragen aan relevante congressen, het geven van lezingen en het zelf organiseren van conferenties of rondetafelgesprekken, maken deel uit van onze communicatie. Een belangrijke communicatievorm daarin is ons jaarlijkse congres, waar we ‘De Staat van het Onderwijs’ presenteren.

8.4. Openbaarmaking, zienswijze en bezwaar

Meldingen over het onderwijs hebben voor ons een signaalfunctie en we nemen deze mee bij de jaarlijkse prestatieanalyse en de expertanalyse ter voorbereiding van het vierjaarlijks onderzoek. Soms is de signalering zo ernstig van aard dat deze meteen aanleiding voor onderzoek vormt.

Als met het bestuur geen overeenstemming is bereikt over de door het bestuur gewenste wijzigingen van het conceptrapport, heeft het bestuur een andere zienswijze op de oordelen en waarderingen. Deze zienswijze voegen we als bijlage toe aan het definitieve rapport.

6. Oordelen en waarderen

8.3.1. Stelselniveau

Onderzoeken op stelselniveau kennen de volgende rapportagevormen.

Jaarlijks rapporteren we over het onderwijsstelsel als geheel in ‘De Staat van het Onderwijs’. Dit rapport publiceren we elk voorjaar. Hierin beschrijven we hoe het staat met de realisatie van de kernfuncties van het onderwijsstelsel. Ook geven we een beeld van de kwaliteit van de besturen en instellingen, de positieve ontwikkelingen en de mogelijke zorgen. Voor ‘De Staat van het Onderwijs’ gebruiken we onder andere de onderzoeksgegevens uit onze vierjaarlijkse onderzoeken, themaonderzoeken en gegevens uit (internationaal) wetenschappelijk onderzoek. Zo geven we een actueel beeld van de prestaties van het stelsel als geheel (zie hoofdstuk 7).

9.3. Praktijkonderwijs

We rapporteren op diverse manieren over onze themaonderzoeken. Zo rapporteren we hier over in ‘De Staat van het Onderwijs’. Vaak brengen we daarnaast een apart themarapport uit.

Ook zijn er onderwijssoorten of -voorzieningen in de vorm van een pilot. In die gevallen is er wel sprake van inspectiebetrokkenheid, maar is de wet- en regelgeving nog niet volledig uitgekristalliseerd. Vanwege het tijdelijke karakter van pilots en experimenten zijn deze niet beschreven in dit onderzoekskader.

9.3.3. Werkwijze

In het rapport maken we onderscheid tussen enerzijds de beoordeling van de naleving van de deugdelijkheidseisen (voldoen het bestuur en zijn scholen aan de basiskwaliteit?) en anderzijds onze waardering van de ambities. Tot slot worden in beginsel in het rapport eventuele herstelopdrachten en -onderzoeken vastgelegd die betrekking hebben op het herstel van niet-naleving van de deugdelijkheidseisen. Dan leggen we ook de termijnen vast waarbinnen de tekortkoming(en) moet(en) zijn hersteld (zie paragraaf 7.5).

De oordelen op bestuursniveau presenteren we samen met het betreffende onderzoeksrapport op onze website. Het doel hiervan is om belanghebbenden over de resultaten van het toezicht te informeren. Als daarna uit herstelonderzoek blijkt dat een bestuur de aangetroffen tekortkomingen heeft hersteld, dan wordt dit nieuwe oordeel ook zichtbaar gemaakt op de website.

9.2. Besturen samenwerkingsverbanden passend onderwijs

We rapporteren apart op bestuursniveau over de onderzoeken die buiten een vierjaarlijks onderzoek vallen en uitgevoerd worden bij financiële risico’s.

Schoolbesturen zijn verplicht aangesloten bij een of meer samenwerkingsverbanden passend onderwijs. Het bestuur van het samenwerkingsverband en de aangesloten schoolbesturen zijn beide en gezamenlijk verantwoordelijk voor de realisatie van passend onderwijs. Het samenwerkingsverband heeft eigen wettelijke taken en deze zijn erop gericht om te zorgen voor een dekkend netwerk van voorzieningen, zodat aangesloten schoolbesturen kunnen voldoen aan de zorgplicht passend onderwijs. Het samenwerkingsverband moet afspraken maken over de manier waarop voor alle leerlingen zo goed mogelijk passend onderwijs wordt georganiseerd. Deze afspraken legt het samenwerkingsverband vast in het ondersteuningsplan. Waar deze afspraken het beleid van schoolbesturen en scholen betreffen, zijn de schoolbesturen verantwoordelijk voor de uitvoering van deze afspraken.

9.3.3. Werkwijze

Als we een risico-kwaliteitsonderzoek of een steekproef-kwaliteitsonderzoek hebben uitgevoerd, rapporteren we over de uitkomsten in een rapport gericht aan het bestuur. Bij het oordeel Zeer zwak zenden we het bestuur ook een rapport toe dat bedoeld is voor ouders. Naast een beschrijving van de bevindingen worden de oordelen op de standaarden weergegeven. Ook wordt het eindoordeel toegevoegd. Het rapport van de school plaatsen we op onze website.

Voor het risico-kwaliteitsonderzoek geldt dat, wanneer het bestuur in opdracht van de inspectie zelf een (herstel)onderzoek uitvoert, de resultaten na herstel op de inspectiewebsite in principe worden vermeld via een verwijzing naar de website van het bestuur.

9.4.1. Inleiding

De kwaliteit van het onderwijs op een opdc is de verantwoordelijkheid van het bestuur van het samenwerkingsverband waartoe het opdc behoort. In het ondersteuningsplan staat wat de positie en functie zijn van het opdc binnen het dekkend netwerk van het samenwerkingsverband en welke leerlingen in aanmerking kunnen komen voor het volgen van (een deel van) het onderwijsprogramma op een opdc.

Zoals in de inleiding van dit hoofdstuk staat, maken we al onze rapporten in beginsel openbaar.49In artikel 15, tweede lid, WOT is bepaald dat rapporten van een specifiek onderzoek openbaar zijn, tenzij aard of omvang van het onderzoek zich tegen openbare rapportage verzet. Nadat we het bestuur gevraagd hebben op basis van het conceptrapport een (beleids)reactie op te stellen, voegen we deze aan het rapport toe en stellen we het rapport definitief vast.

9.2.2. Aanpassingen waarderingskader en normering

9.4.3. Werkwijze

In bepaalde gevallen is het mogelijk om een klacht in te dienen over een gedraging van de inspectie. Wij verwijzen u voor de klachtenprocedure naar onze website (www.onderwijsinspectie.nl).

9. Specifieke toepassingen van het onderzoekskader

Uit de beoordeling van de standaarden uit de twee kwaliteitsgebieden blijkt of het bestuur in staat is om met zijn (be)sturing de basiskwaliteit van het samenwerkingsverband te realiseren, te waarborgen en verder te ontwikkelen. Met deze kennis over het resultaat en de kwaliteit van de sturing richten we het (vervolg)toezicht proportioneel in (zie hoofdstuk 7).

9.4.3. Werkwijze

Er zijn ook onderwijssoorten en -voorzieningen waar we wel toezicht op houden, maar niet op grond van de Wet op het onderwijstoezicht (WOT), bijvoorbeeld het Nederlands onderwijs in het buitenland (NOB)) en niet-bekostigde instellingen (B3-scholen in primair en voortgezet onderwijs). Daarvoor zijn aparte waarderingskaders opgesteld. Hoe het toezicht op deze vormen eruitziet, is te vinden op onze website.50Zie www.onderwijsinspectie.nl.

9.2.3. Werkwijze

9.5.1. Inleiding

Achtereenvolgens beschrijven we het toezicht op: besturen van samenwerkingsverbanden passend onderwijs en orthopedagogisch-didactische centra (paragraaf 9.2), praktijkonderwijs (paragraaf 9.3), eerste opvang anderstaligen (paragraaf 9.4), internationaal georiënteerd voortgezet onderwijs (paragraaf 9.5), particuliere zelfstandige exameninstellingen (paragraaf 9.6), de doorlopende leerroutes vmbo-mbo (paragraaf 9.7) en onderwijs in Caribisch Nederland (paragraaf 9.8).

9.5.1. Inleiding

9.2. Besturen samenwerkingsverbanden passend onderwijs

Voor de werkwijze voor het toezicht op de kwaliteit van het onderwijs op het opdc gelden de uitgangspunten zoals genoemd in hoofdstuk 7.

Schoolbesturen zijn verplicht aangesloten bij een of meer samenwerkingsverbanden passend onderwijs. Het bestuur van het samenwerkingsverband en de aangesloten schoolbesturen zijn beide en gezamenlijk verantwoordelijk voor de realisatie van passend onderwijs. Het samenwerkingsverband heeft eigen wettelijke taken en deze zijn erop gericht om te zorgen voor een dekkend netwerk van voorzieningen, zodat aangesloten schoolbesturen kunnen voldoen aan de zorgplicht passend onderwijs. Het samenwerkingsverband moet afspraken maken over de manier waarop voor alle leerlingen zo goed mogelijk passend onderwijs wordt georganiseerd. Deze afspraken legt het samenwerkingsverband vast in het ondersteuningsplan. Waar deze afspraken het beleid van schoolbesturen en scholen betreffen, zijn de schoolbesturen verantwoordelijk voor de uitvoering van deze afspraken.

De wet laat veel ruimte voor samenwerkingsverbanden en schoolbesturen om passend onderwijs naar regionale kenmerken en eigen visie te organiseren. Die vrijheid is ook bedoeld om ruimte te creëren voor meer maatwerk en om keuzes te maken die passen bij de extra onderwijsbehoeften van leerlingen in de regio. Dit vraagt om een goede afstemming met gemeentelijke partners en is gericht op de aansluiting van het onderwijs op het jeugdbeleid van de gemeente(n), waaronder de jeugdhulp. Ook hierover legt het samenwerkingsverband afspraken vast in het ondersteuningsplan en voert hierover overleg met de gemeente(n) en andere samenwerkingsverbanden in de regio.

Een andere belangrijke taak van het samenwerkingsverband is de verantwoordelijkheid voor de advisering over extra ondersteuning en toeleiding tot speciale scholen en voorzieningen. Hiermee vervult het samenwerkingsverband een centrale rol in de toewijzing van extra ondersteuning.

9.5.3. Werkwijze

Een samenwerkingsverband kan ervoor kiezen om, met het oog op de doelstelling om te zorgen voor een dekkend netwerk van voorzieningen, een orthopedagogisch-didactisch centrum (opdc) onderdeel te laten zijn van het samenwerkingsverband. Een opdc is een onderwijsvoorziening voor leerlingen voor wie een orthopedagogische en orthodidactische benadering nodig is. Voor hen is het tijdelijk niet mogelijk om onderwijs te volgen op de reguliere school, ook niet met extra ondersteuning. Hiermee biedt de voorziening schoolbesturen de mogelijkheid om voor specifieke leerlingen aan de zorgplicht te kunnen voldoen. Omdat de leerling ingeschreven blijft staan bij de reguliere school en het schoolbestuur daarmee verantwoordelijk blijft voor de resultaten van de leerling, is ook het schoolbestuur gebaat bij een voorziening van voldoende kwaliteit.

De kwaliteit van het onderwijs op een opdc is de verantwoordelijkheid van het bestuur van het samenwerkingsverband waartoe het opdc behoort. In het ondersteuningsplan staat wat de positie en functie zijn van het opdc binnen het dekkend netwerk van het samenwerkingsverband en welke leerlingen in aanmerking kunnen komen voor het volgen van (een deel van) het onderwijsprogramma op een opdc.

Het toezicht richt zich op de beoordeling van de onderwijskwaliteit van het opdc en gaat na in hoeverre het bestuur van het samenwerkingsverband zicht heeft op de kwaliteit en stuurt op verbetering. Voor schoolbesturen is het van belang dat het onderwijs van voldoende kwaliteit is, omdat zij verantwoordelijk zijn voor de resultaten van de leerling. De leerling blijft immers ingeschreven op de reguliere school.

Bij een onderzoek op schoolniveau trekken we op basis van onze oordelen op de standaarden een conclusie over de kwaliteit van het onderwijs volgens de beslisregels uit hoofdstuk 6. Omdat voor de resultaten van leerlingen van een praktijkschool geen normen beschikbaar zijn, gelden daarmee de beslisregels voor scholen waarvan de resultaten niet te beoordelen zijn (paragraaf 6.5.2).

Het waarderingskader voor besturen van samenwerkingsverbanden passend onderwijs bestaat uit twee kwaliteitsgebieden die ieder onderverdeeld zijn in drie standaarden.

Het kwaliteitsgebied Besturing, kwaliteitszorg en ambitie (BKA) is onderverdeeld in drie standaarden die (in)richting, uitvoering en evaluatie omvatten. Deze standaarden zijn met elkaar verbonden en richten zich op het stelsel van kwaliteitszorg en governance. Dit betekent dat we deze standaarden in samenhang onderzoeken. Als een samenwerkingsverband een opdc heeft ingericht, dan nemen we bij de beoordeling van deze standaarden mee of het bestuur voldoet aan de zorgplicht voor de kwaliteit van het onderwijs op het opdc.

Het kwaliteitsgebied Realisatie passend onderwijs (RPO) richt zich op de wettelijke taken die specifiek zijn voorbehouden aan samenwerkingsverbanden passend onderwijs en die zijn gericht op de realisatie van de maatschappelijke opdracht voor passend onderwijs. Deze wettelijke taken zijn gevat in de drie standaarden in het kwaliteitsgebied Realisatie passend onderwijs.

Uit de beoordeling van de standaarden uit de twee kwaliteitsgebieden blijkt of het bestuur in staat is om met zijn (be)sturing de basiskwaliteit van het samenwerkingsverband te realiseren, te waarborgen en verder te ontwikkelen. Met deze kennis over het resultaat en de kwaliteit van de sturing richten we het (vervolg)toezicht proportioneel in (zie hoofdstuk 7).

In onderstaande figuur staat de beoordeling/normering schematisch weergegeven.

9.5.1. Inleiding

Er zijn eoa’s die een eigen vestigings- of BRIN-nummer hebben, maar de meeste eoa’s zijn gekoppeld aan een onderwijssoort of afdeling van een school voor voortgezet onderwijs.

De werkwijze voor het toezicht op de besturen van samenwerkingsverbanden komt in grote mate overeen met de werkwijze bij schoolbesturen. Het verschil is dat we bij het toezicht op een samenwerkingsverband tijdens de expertanalyse (paragraaf 7.4.1, onderdeel 1. Analyse) belanghebbenden bij het samenwerkingsverband raadplegen. Dit doen we in de vorm van rondetafelgesprekken. Deze gesprekken zijn medebepalend voor de inrichting van het onderzoek.

Tijdens een onderzoek kunnen we ook gesprekken voeren met regionale partners, zoals de gemeente(n), de jeugdhulp en leerplicht.

Bij het toezicht op het samenwerkingsverband bekijken we ook of aangesloten scholen het beleid van het samenwerkingsverband in de praktijk uitvoeren. Dit beleid staat beschreven in het ondersteuningsplan van het samenwerkingsverband. De uitvoering van het beleid van het samenwerkingsverband en de resultaten die scholen hiermee bereiken, stellen we (ook) vast aan de hand van verificatie-activiteiten.

Een dergelijke activiteit is onderdeel van het onderzoek naar de werking van de kwaliteitszorg van het samenwerkingsverband. We gaan na of scholen de afspraken uit het ondersteuningsplan nakomen. We verwachten van het bestuur van het samenwerkingsverband dat het zicht heeft op deze uitvoering in de praktijk en dat het hierop stuurt. Daarnaast geeft het ons zicht op enkele aspecten van passend onderwijs op de bezochte scholen. De uitkomsten van de verificatie-activiteiten levert geen oordeel op over de scholen, maar een signaal of zij de onderzochte afspraken uit het ondersteuningsplan naleven en over de uitwerking van het beleid van het samenwerkingsverband.

Voor de werkwijze voor het toezicht op de kwaliteit van het onderwijs op het opdc gelden de uitgangspunten zoals genoemd in hoofdstuk 7.

Voor eoa’s die gekoppeld zijn aan een onderwijssoort of afdeling van een school voor voortgezet onderwijs beoordelen we ook de standaarden zoals vermeld in de bijlage. Het bestuur van de school voor voortgezet onderwijs is verantwoordelijk voor de onderwijskwaliteit op de eoa. Zo nodig geven we herstelopdrachten aan het bestuur.

Bijlage 3 bevat het volledige waarderingskader eoa’s.

Het doel van het praktijkonderwijs is leerlingen toe te leiden naar werk of een vervolgopleiding. Maatwerk en gepersonaliseerd leren zijn kenmerkend voor het praktijkonderwijs: elke leerling volgt een eigen leerroute, die aansluit bij wat hij of zij kan en graag wil. Theorie wordt tot leven gebracht en verdiept door middel van praktische vakken en stages. Alle leerlingen in het praktijkonderwijs beschikken over een toelaatbaarheidsverklaring van het samenwerkingsverband voor deze vorm van onderwijs.

9.6. Toezicht op vavo en particuliere zelfstandige exameninstellingen (B2-scholen)

1 Het oordeel Zeer zwak kan worden gegeven aan niet-bekostigd vavo als een invulling van onderwijs en/of examinering van onvoldoende kwaliteit op basis van artikel 6a.1.2 jo 1.4a.1, eerste lid, WEB. Het oordeel Zeer zwak kan worden gegeven aan niet-bekostigd vavo als een invulling van onderwijs en/of examinering van onvoldoende kwaliteit op basis van artikel 6a.1.2 jo 1.4a.1, eerste lid, WEB

9.5.1. Inleiding

Alle overige standaarden zijn ongewijzigd van toepassing. De standaard Praktijkvorming/stage is toegevoegd aan het waarderingskader vanwege het belang hiervan voor het praktijkonderwijs.

7.3.2. Proportionaliteit en maatwerk

Bijlage 2 bevat het volledige waarderingskader voor het praktijkonderwijs.

In principe gebruiken we bij de beoordeling van het igvo het reguliere waarderingskader voor het voortgezet onderwijs. Gezien de specifieke situatie en het karakter van de internationale afdelingen zijn onderstaande standaarden aangepast:

De werkwijze van het toezicht is zoals beschreven in hoofdstuk 7.

Voor het eindoordeel worden de beslisregels gevolgd, zoals beschreven in hoofdstuk 6. Omdat voor de resultaten van leerlingen in een igvo geen normen beschikbaar zijn, gelden daarmee de beslisregels voor scholen waarvan de resultaten niet te beoordelen zijn (paragraaf 6.5.2).

Bijlage 4 bevat het volledige waarderingskader igvo.

9.5.3. Werkwijze

Er zijn eoa’s die een eigen vestigings- of BRIN-nummer hebben, maar de meeste eoa’s zijn gekoppeld aan een onderwijssoort of afdeling van een school voor voortgezet onderwijs.

Het toezicht op de eerste opvang anderstaligen maakt integraal onderdeel uit van het toezicht op scholen voor voortgezet onderwijs. De werkwijze zoals in dit onderzoekskader staat beschreven is dan ook van toepassing.

9.4.2. Aanpassingen waarderingskader en normering

De aanpassingen in het waarderingskader betreffen de volgende standaarden:

De wettelijke vereisten voor het schoolplan, de schoolgids en de medezeggenschap gelden alleen voor de moederschool als de eerste opvang anderstaligen verbonden is aan een afdeling van een school voor voortgezet onderwijs. In de betreffende documenten en regelingen moet de eoa wel geadresseerd worden.

Bij een onderzoek op eoa’s met een eigen vestigings- of BRIN-nummer trekken we op basis van onze oordelen op de standaarden een conclusie over de kwaliteit van het onderwijs volgens de beslisregels uit hoofdstuk 6. Omdat voor de resultaten van leerlingen in een eoa geen normen beschikbaar zijn, gelden daarmee de beslisregels voor scholen waarvan de resultaten niet te beoordelen zijn (paragraaf 6.5.2).

9.7.2. Aanpassingen waarderingskader en normering

Bijlage 3 bevat het volledige waarderingskader eoa’s.

Vavo-opleidingen op roc’s voldoen aan de eisen van de WEB voor zover die betrekking hebben op vavo. Niet-bekostigde VO-scholen voldoen aan de WVO 2020 (op grond van artikel 2.66 WVO 2020). Niet-bekostigd vavo voldoet aan de WEB (op grond van artikel 1.4a.1).

De werkwijze van het toezicht is zoals beschreven in hoofdstuk 7.

9.5. Internationaal georiënteerd voortgezet onderwijs

1 Onvoldoende examenkwaliteit is alleen van toepassing op het mbo-deel. Het recht op examinering kan (bij onvoldoende verbetering na een waarschuwing) worden ontnomen op grond van artikel 6.1.5b WEB.

Internationaal georiënteerd voortgezet onderwijs (igvo) is toegankelijk voor leerlingen die:

De inspectie houdt bij het igvo, in alle gevallen een afdeling of nevenvestiging van een reguliere (Nederlandstalige) school, toezicht op de bekostigingseisen en de aanvullende regels voor internationaal georiënteerd voortgezet onderwijs (Beleidsregel IGVO 2010).

Enkele standaarden zijn niet in dit waarderingskader opgenomen, te weten Schoolklimaat en Sociale en maatschappelijke competenties. De standaard Stage/praktijkvorming geldt alleen voor B2-instellingen voor zover het de onderwijssoort vmbo-b, -k en -g betreft.

In principe gebruiken we bij de beoordeling van het igvo het reguliere waarderingskader voor het voortgezet onderwijs. Gezien de specifieke situatie en het karakter van de internationale afdelingen zijn onderstaande standaarden aangepast:

Daarnaast gelden er enkele aanpassingen in de overige wettelijke vereisten. De belangrijkste is de ouderbijdrage. Toelating tot de internationale afdeling is namelijk afhankelijk van de voldoening van deze bijdrage. Het bestuur bepaalt de hoogte van deze ouderbijdrage.

Voor het eindoordeel worden de beslisregels gevolgd, zoals beschreven in hoofdstuk 6. Omdat voor de resultaten van leerlingen in een igvo geen normen beschikbaar zijn, gelden daarmee de beslisregels voor scholen waarvan de resultaten niet te beoordelen zijn (paragraaf 6.5.2).

Bijlage 4 bevat het volledige waarderingskader igvo.

9.5.3. Werkwijze

De werkwijze van het toezicht is zoals beschreven in hoofdstuk 7.

2 Bij niet-bekostigd vavo kan het oordeel Zeer zwak worden gezien als invulling van onderwijs en/of examinering van onvoldoende kwaliteit in de zin van artikel 6a.1.2 jo 1.4a.1, eerste lid, WEB. De diploma-erkenning kan (bij onvoldoende verbetering na een waarschuwing) worden ontnomen.

1 Het recht op examinering kan (bij onvoldoende verbetering na een waarschuwing) worden ontnomen op grond van artikel 6a.2.1 WEB. Voor niet-bekostigd vavo geldt daarnaast op grond van artikel 6a.1.2 WEB dat de diploma-erkenning kan worden ontnomen (bij onvoldoende verbetering na een waarschuwing).

In deze paragraaf beschrijven wij het toezicht op voortgezet onderwijs dat wordt uitgevoerd door:

De twee laatste soorten worden in samenhang verzorgd door particuliere instellingen.

Bekostigde (op grond van artikel 1.3.1, eerste en tweede lid, WEB) en niet-bekostigde vavo-opleidingen (op grond van artikel 1.4a.1, WEB) leiden op tot het behalen van een geheel diploma of een of meer certificaten.

Particuliere zelfstandige exameninstellingen, ook wel B2-scholen genoemd (op grond van artikel 2.66 WVO 2020), leiden op tot het behalen van een geheel diploma voortgezet onderwijs. Deze opleidingen worden in de praktijk vaak verzorgd door besturen die ook voor niet-bekostigde opleidingen vavo een diploma-erkenning hebben. De leerlingen van B2 en niet-bekostigd vavo zitten vaak in dezelfde klas en volgen hetzelfde onderwijs.

7.4.4. Overige toezichtsactiviteiten

Vavo-opleidingen op roc’s voldoen aan de eisen van de WEB voor zover die betrekking hebben op vavo. Niet-bekostigde VO-scholen voldoen aan de WVO 2020 (op grond van artikel 2.66 WVO 2020). Niet-bekostigd vavo voldoet aan de WEB (op grond van artikel 1.4a.1).

Vanwege de grote overeenkomsten tussen deze vormen van onderwijs is één waarderingskader opgesteld. Onder basiskwaliteit wordt ten eerste beschreven aan welke basiskwaliteit beide onderwijsvormen moeten voldoen. Daaronder geven we, voor zover van toepassing, de aanvullende eisen voor de basiskwaliteit voor vavo, dan wel de B2-scholen. Bij vavo kan er onderscheid gemaakt worden tussen de wettelijke eisen voor particuliere vavo-scholen en voor bekostigde vavo-scholen onder een roc-bestuur. Ook is in de wettelijke onderbouwing, waar van toepassing, onderscheid aangegeven.

Op bestuursniveau sluit het waarderingskader grotendeels aan op de kaders voor middelbaar beroepsonderwijs en voortgezet onderwijs; voor B2-instellingen sluit het waarderingskader grotendeels aan bij het waarderingskader voor niet-bekostigde instellingen middelbaar beroepsonderwijs. Dit laatste waarderingskader is opgenomen in bijlage 2 van het Onderzoekskader 2021 voor middelbaar beroepsonderwijs.

Bij nieuwe instellingen voeren we een kwaliteitsonderzoek uit op drie of vier kwaliteitsgebieden: het gebied Onderwijsproces, het gebied Veiligheid en schoolklimaat en, indien de instelling reeds deelnemers heeft gediplomeerd, het gebied Borging en afsluiting. Tevens onderzoeken we de stand van zaken op het gebied van Besturing, kwaliteitszorg en ambitie. Het toezicht bestaat uit een kwaliteitsonderzoek bij één opleiding. De uitkomst van dit onderzoek bepaalt de planning van het vierjaarlijks onderzoek.

Vavo-opleidingen op roc’s moeten voldoen aan de eisen van de WEB, voor zover die betrekking hebben op vavo, en niet bekostigde (particuliere) opleidingen moeten voldoen aan de WVO 2020 en de WEB.

De aanpassingen in het waarderingskader ten opzichte van het waarderingskader middelbaar beroepsonderwijs en voortgezet onderwijs betreffen alle standaarden. Voor vavo en B2-scholen zijn er vanuit de onderwijswetten gezien geen wettelijke eisen rond achterstandsbestrijding, deelname aan een samenwerkingsverband passend onderwijs en – voor zover het betreft niet-bekostigd vavo en de per definitie niet bekostigde B2-scholen – medezeggenschap. Voor vavo is er daarnaast geen wettelijke eis rond burgerschapsvorming.

Bijlage 1 Waarderingskader besturen samenwerkingsverbanden passend onderwijs

Ook zijn met deze scholen andere afspraken gemaakt over de leerresultaten. Voor de Resultaten (standaard OR1) zijn twee indicatoren vastgesteld, over de vakken die met een voldoende zijn afgesloten en het verschil tussen de cijfers voor het schoolexamen en het centraal examen. Bijlage 5 bevat het volledige waarderingskader.

Bijlage 2 Waarderingskader praktijkonderwijs

= de standaarden op bestuursniveau (BKA) betreffen het niet-bekostigd vavo en B2. Het bekostigd vavo volgt voor BKA hoofdstuk 4-Waarderingskader besturen van het Onderzoekskader middelbaar beroepsonderwijs.

= de standaarden op opleidingsniveau gelden voor (alle) vavo en B2. een aantal wettelijke bepalingen dat van toepassing is op bekostigde vavo-opleidingen op roc’s is echter niet van toepassing op niet bekostigde vavo-opleidingen. Deze artikelen staan in onderstaande tabel.

Voor het bepalen van een oordeel over de kwaliteit van het onderwijs gelden de beslisregels uit paragraaf 6.5. B2-scholen en niet-bekostigd vavo komen niet in aanmerking voor de waardering Goed.

1 Het recht op examinering kan (bij onvoldoende verbetering na een waarschuwing) worden ontnomen op grond van artikel 6a.2.1 WEB. Voor niet-bekostigd vavo geldt daarnaast op grond van artikel 6a.1.2 WEB dat de diploma-erkenning kan worden ontnomen (bij onvoldoende verbetering na een waarschuwing).

2 Bij niet-bekostigd vavo kan het oordeel Zeer zwak worden gezien als invulling van onderwijs en/of examinering van onvoldoende kwaliteit in de zin van artikel 6a.1.2 jo 1.4a.1, eerste lid, WEB. De diploma-erkenning kan (bij onvoldoende verbetering na een waarschuwing) worden ontnomen.

1 Het recht op examinering kan (bij onvoldoende verbetering na een waarschuwing) worden ontnomen op grond van artikel 6a.2.1 WEB. Voor niet-bekostigd vavo geldt daarnaast op grond van artikel 6a.1.2 WEB dat de diploma-erkenning kan worden ontnomen (bij onvoldoende verbetering na een waarschuwing).

2 Bij niet-bekostigd vavo kan het oordeel Zeer zwak worden gezien als invulling van onderwijs en/of examinering van onvoldoende kwaliteit in de zin van artikel 6a.1.2 jo 1.4a.1, eerste lid, WEB. De diploma-erkenning kan (bij onvoldoende verbetering na een waarschuwing) worden ontnomen.

Bij een onderzoek op niveau van de leerroute vmbo-mbo trekken we op basis van onze oordelen op de standaarden een conclusie over de kwaliteit van het onderwijs volgens de volgende beslisregels.

De werkwijze van het toezicht is zoals beschreven in hoofdstuk 7. De maatregelen in het kader van herstel en verbetering zijn in voorkomende situaties ook van toepassing op deze scholen. Als escalatie van het toezicht noodzakelijk blijkt, kunnen bevoegdheden worden ingetrokken door de minister.

Ten aanzien van bekostigd vavo geldt dat de examenlicentie bij onvoldoende examinering kan worden ingetrokken op basis van artikel 6a.2.1 WEB.

7.5.2. Escaleren

Daarnaast kan óók de examenlicentie worden ingetrokken bij onvoldoende examenkwaliteit op grond van 6a.2.1 WEB.

Voor onbekostigde scholen met examenlicentie kan de aanwijzing om diploma’s te mogen uitreiken worden ingetrokken (artikel 2.70 WVO 2020).

We onderzoeken een doorlopende leerroute in het kader van een vierjaarlijks onderzoek dat we bij een voortgezetonderwijs- of middelbaarberoepsonderwijsbestuur uitvoeren of in het kader van stelsel- of risico-onderzoeken. We stellen beide besturen vooraf in kennis van het onderzoek van de doorlopende leerroute. We adresseren de oordelen met betrekking tot het onderzoek bij de doorlopende leerroute aan beide besturen, ook al wordt het vierjaarlijks onderzoek bij één van hen uitgevoerd.

8. Communicatie en rapportage

9.7. Doorlopende leerroutes vmbo-mbo

In deze bijlage is het waarderingskader voor voortgezet algemeen volwassenenonderwijs (vavo)55OP0 wordt niet beoordeeld bij vavo. en particuliere zelfstandige exameninstellingen (B2) opgenomen. De toelichting hierop is te vinden in paragraaf 9.6.

Een doorlopende of geïntegreerde leerroute is een gezamenlijk onderwijsprogramma vanaf het derde leerjaar van het vmbo tot en met een mbo-diploma (op niveau 2, 3 of 4).

9.8.2. Aanpassing waarderingskader en normering

Bij een doorlopende of geïntegreerde leerroute vmbo-mbo is de leerling in de eerste twee jaar van de leerroute (het derde en vierde leerjaar van het vmbo) ingeschreven bij de vmbo-school. Vanaf het derde jaar van de leerroute wordt de leerling ingeschreven bij de mbo-instelling.52De eerste twee jaar van de leerroute staat de leerling ingeschreven op de school voor voortgezet onderwijs, is de wet- en regelgeving voor voortgezet onderwijs van toepassing en is de school voor voortgezet onderwijs verantwoordelijk (met uitzondering van het onderwijs aan het middelbaar beroepsonderwijs en de examinering die in die periode worden aangeboden, daarvoor blijft de school voor middelbaar beroepsonderwijs verantwoordelijk). Na twee jaar wordt de jongere overgeschreven naar het middelbaar beroepsonderwijs; dan is de wet- en regelgeving voor het middelbaar beroepsonderwijs van toepassing (met uitzondering van het onderwijs, de examinering en de diplomering voortgezet onderwijs die in deze periode plaatsvinden, daarvoor blijft het vmbo verantwoordelijk).

De vmbo-school en de mbo-instelling werken samen op basis van een samenwerkingsovereenkomst en leggen daarin onder meer de inhoud van de leerroute vast en hoe de dagelijkse leiding over de leerroute is vormgegeven. Het onderwijs- en examenprogramma wordt vastgelegd in de gecombineerde PTA/OER.

Wij willen, zodra dat mogelijk, is voor Caribisch Nederland dezelfde normen hanteren in het waarderingskader als voor Europees Nederland. Voor de standaard Onderwijsresultaten kunnen wij echter nog geen oordeel uitspreken, omdat de basis voor deze standaard in de wet- en regelgeving voor Caribisch Nederland nog niet is geregeld: er zijn geen normen vastgesteld. Wij streven ernaar om de onderwijsresultaten in Caribisch Nederland op termijn wél te beoordelen. Dit zal gebeuren zodra de aangepaste wet- en regelgeving op dit punt van kracht is en er in overleg met alle betrokkenen wel eilandelijke normen voor de resultaten zijn afgesproken en in de wet- en regelgeving zijn vastgelegd.

8.3. Rapportage

Wanneer we een doorlopende leerroute onderzoeken, doen we dat met een speciaal daarvoor ontwikkeld waarderingskader dat kenmerken bevat van zowel het waarderingskader voor voortgezet onderwijs als het waarderingskader voor middelbaar beroepsonderwijs.

Bijlage 6 Waarderingskader doorlopende leerroutes vmbo-mbo

De standaarden Aanbod, (Zicht op) Ontwikkeling en begeleiding, Pedagogisch-didactisch handelen, (Beroeps)Praktijkvorming/stage, Veiligheid en Schoolklimaat kennen slechts nuanceverschillen tussen de sectorale kaders vo en mbo. De omschrijving van deze standaarden is – op basis van de sectorale kaders – aangepast aan de specifieke situaties van de doorlopende leerroutes vmbo-mbo.

De standaarden OR2 (Sociale en maatschappelijke competenties) en OR3 (Vervolgsucces) zijn beide opgenomen in het waarderingskader voor de doorlopende leerroutes vmbo-mbo, met dien verstande dat de standaard OR2 alleen van toepassing is in het voortgezet onderwijs en de standaard OR3 alleen in het middelbaar beroepsonderwijs.

Bij een onderzoek op niveau van de leerroute vmbo-mbo trekken we op basis van onze oordelen op de standaarden een conclusie over de kwaliteit van het onderwijs volgens de volgende beslisregels.

1 Onvoldoende examenkwaliteit is alleen van toepassing op het mbo-deel. Het recht op examinering kan (bij onvoldoende verbetering na een waarschuwing) worden ontnomen op grond van artikel 6.1.5b WEB.

Het oordeel Zeer zwak kunnen we – op basis van de huidige wetgeving (anno 2025) – niet vellen over de doorlopende leerroutes vmbo-mbo.

Bijlage 6 bevat het volledige waarderingskader voor de leerroutes vmbo-mbo.

9.7.3. Werkwijze

We beschouwen de doorlopende leerroutes als een eigenstandig object van toezicht, vergelijkbaar met een afdeling in het voortgezet onderwijs of een opleiding in het middelbaar beroepsonderwijs. De route wordt onderzocht of beoordeeld volgens het waarderingskader.

We onderzoeken een doorlopende leerroute in het kader van een vierjaarlijks onderzoek dat we bij een voortgezetonderwijs- of middelbaarberoepsonderwijsbestuur uitvoeren of in het kader van stelsel- of risico-onderzoeken. We stellen beide besturen vooraf in kennis van het onderzoek van de doorlopende leerroute. We adresseren de oordelen met betrekking tot het onderzoek bij de doorlopende leerroute aan beide besturen, ook al wordt het vierjaarlijks onderzoek bij één van hen uitgevoerd.

De samenwerkingsovereenkomst die ten grondslag ligt aan de doorlopende leerroute en de gecombineerde PTA/OER vormen de basis voor ons toezicht. Hierin zijn de onderlinge afspraken en de verantwoordelijkheidsverdeling vastgelegd. We agenderen eventuele tekortkomingen in de doorlopende leerroute bij beide partijen. Bij concreet aantoonbare tekortkomingen die enkel en alleen onder verantwoordelijkheid van een van de twee partijen voorkomen, behouden we ons het recht voor om met het sectorspecifieke waarderingskader nader onderzoek bij het betreffende deel van de doorlopende leerroute vmbo-mbo uit te voeren.

1 Volgens artikel 1, sub c, RJO: het geheel van verslaggevingsdocumenten bestaande uit de jaarrekening, het bestuursverslag en de overige gegevens, bedoeld in artikel 392, titel 9, boek 2, BW.

2 Met het amendement (Tweede Kamer, vergaderjaar 2019–2020, 35 102, nr. 11) is geregeld dat een bekostigingssanctie alleen kan worden opgelegd aan het bestuur nadat bij AMvB een nadere invulling wordt gegeven aan het begrip ‘evident ondoelmatige besteding’. Zonder deze algemene maatregel van bestuur is handhaving op ‘evident ondoelmatige besteding’ niet mogelijk. Tot de datum van inwerkingtreding van de AMvB richt de inspectie zich op haar stimulerende taak op dit gebied en zal alleen een Onvoldoende worden gegeven als een bestuur niet voldoet aan de op dit moment bij de basiskwaliteit opgenomen elementen.

Sinds 10 oktober 2010 zijn Bonaire, Sint-Eustatius en Saba (BES) bijzondere gemeenten van Nederland. De eilanden worden samen Caribisch Nederland genoemd. We houden toezicht op het onderwijs53Op Saba en Sint Eustatius vindt het onderwijs plaats volgens een Caribisch curriculum en specifieke wijze van examinering, het CXC genaamd. Deze vorm van onderwijs toetsen we aan het Besluit ‘Saba Comprehensive School en Gwendoline van Puttenschool BES’. in Caribisch Nederland (primair onderwijs, voortgezet onderwijs, middelbaar beroepsonderwijs, hoger onderwijs) en op hieraan gerelateerde specifieke voorzieningen (sociale kanstrajecten jongeren en expertisecentra onderwijszorg). Ook hebben we de taak van vertrouwensinspecteur voor Caribisch Nederland.

2 Scholen in Friesland geven het vak Fries, met inachtneming van de daarvoor vastgestelde kerndoelen, tenzij zij hiervoor een ontheffing hebben van gedeputeerde staten.

Het onderwijs in Caribisch Nederland beoordelen wij zoveel mogelijk aan de hand van dezelfde onderzoekskaders als in Europees Nederland (zie hoofdstuk 1 tot en met 8). Er zijn echter enkele verschillen in het waarderingskader, de normering en de werkwijze. Dat is noodzakelijk omdat voor Caribisch Nederland specifieke wet- en regelgeving geldt. Ook kunnen wij met een enigszins aangepaste werkwijze beter aansluiten op de onderwijskundige context in Caribisch Nederland. Zo is voor het overgrote deel van de leerlingen en studenten in Caribisch Nederland het Nederlands een vreemde taal. Ook kent Caribisch Nederland geen scholen voor speciaal onderwijs of samenwerkingsverbanden passend onderwijs.

A. Bevordering burgerschap

Wij willen, zodra dat mogelijk, is voor Caribisch Nederland dezelfde normen hanteren in het waarderingskader als voor Europees Nederland. Voor de standaard Onderwijsresultaten kunnen wij echter nog geen oordeel uitspreken, omdat de basis voor deze standaard in de wet- en regelgeving voor Caribisch Nederland nog niet is geregeld: er zijn geen normen vastgesteld. Wij streven ernaar om de onderwijsresultaten in Caribisch Nederland op termijn wél te beoordelen. Dit zal gebeuren zodra de aangepaste wet- en regelgeving op dit punt van kracht is en er in overleg met alle betrokkenen wel eilandelijke normen voor de resultaten zijn afgesproken en in de wet- en regelgeving zijn vastgelegd.

Behalve op standaardniveau geeft de inspectie ook een eindoordeel op schoolniveau. We beperken ons vooralsnog tot het eindoordeel Voldoende of Onvoldoende. Dit oordeel komt tot stand op basis van de bestaande beslisregels die wij hanteren wanneer wij de onderwijsresultaten nog niet kunnen beoordelen. Tekortkomingen op de wettelijke eisen kunnen leiden tot een oordeel Onvoldoende op standaarden en eventueel ook op het eindoordeel over de school/opleiding. Een Onvoldoende op een standaard leidt tot een herstelopdracht, conform het toezicht in Europees Nederland (paragraaf 7.5).

Vanwege het niet kunnen beoordelen van de onderwijsresultaten is het eindoordeel Zeer zwak in Caribisch Nederland nog niet wettelijk verankerd. Een dergelijk oordeel laten we daarom vooralsnog achterwege. Zodra die verankering wel het geval is, zal ook het oordeel Zeer zwak door ons afgegeven kunnen worden.

In Caribisch Nederland zijn er enkele scholen en speciale lesplaatsen waar praktijkonderwijs wordt verzorgd. Praktijkonderwijs richt zich vooral op wonen, werken, burgerschap, leren en vrije tijd. Leerlingen leren binnen deze thema’s zo goed mogelijk functioneren binnen de school en in de maatschappij. Dat betekent dat de inhoud van enkele standaarden iets is aangescherpt voor toepassing op het praktijkonderwijs, conform de aanpassingen voor praktijkonderwijs in Europees Nederland (zie voor de bijgestelde standaarden bijlage 2):

Alle overige standaarden zijn ongewijzigd van toepassing. De standaard Praktijkvorming/stage is toegevoegd aan het waarderingskader vanwege het belang hiervan voor het praktijkonderwijs.

1 De wettelijke opdracht tot bevordering is ook herkenbaar in een aantal kerndoelen voor de onderbouw van het voortgezet onderwijs, die eveneens op sociale en maatschappelijke competenties betrekking hebben. Te denken valt met name aan de kerndoelen 35, 36, 38, 43, 44, 45 en 47.

Het bestuursgerichte toezicht in Caribisch Nederland wijkt enigszins af van de reguliere aanpak. We hanteren in dit stadium een tweejaarlijkse cyclus voor de kwaliteitsonderzoeken op school- of opleidingsniveau. In principe doen we het ene jaar een voortgangsgesprek met het bestuur en de schoolleiding en in het andere jaar een kwaliteitsonderzoek. Tijdens deze onderzoeken geven we dan ook een oordeel over (minimaal) die standaarden die nodig zijn voor het oordeel over basiskwaliteit. Het onderzoek naar deze standaarden kan proportioneel uitgevoerd worden.

Daarnaast streven we ernaar om op termijn ook eens in de vier jaar de kwaliteitszorg van de besturen te beoordelen, zoals we dat ook doen in Europees Nederland.

Bijlage 1 Waarderingskader besturen samenwerkingsverbanden passend onderwijs

In deze bijlage is het waarderingskader voor het toezicht op besturen van samenwerkingsverbanden passend onderwijs opgenomen. De toelichting hierop is te vinden in paragraaf 9.2.

1 Jeugdhulp en eventuele andere domeinen uit artikel 2.2 van de Jeugdwet zoals beschreven in het jeugdplan van de gemeente.

1 Volgens artikel 1, sub c, RJO: het geheel van verslaggevingsdocumenten bestaande uit de jaarrekening, het bestuursverslag en de overige gegevens, bedoeld in artikel 392, titel 9, boek 2, BW.

1 Volgens artikel 1, sub c, RJO: het geheel van verslaggevingsdocumenten bestaande uit de jaarrekening, het bestuursverslag en de overige gegevens, bedoeld in artikel 392, titel 9, boek 2, BW.

9. Specifieke toepassingen van het onderzoekskader

B. Basiswaarden van de democratische rechtsstaat

2 Met het amendement (Tweede Kamer, vergaderjaar 2019–2020, 35 102, nr. 11) is geregeld dat een bekostigingssanctie alleen kan worden opgelegd aan het bestuur nadat bij AMvB een nadere invulling wordt gegeven aan het begrip ‘evident ondoelmatige besteding’. Zonder deze algemene maatregel van bestuur is handhaving op ‘evident ondoelmatige besteding’ niet mogelijk. Tot de datum van inwerkingtreding van de AMvB richt de inspectie zich op haar stimulerende taak op dit gebied en zal alleen een Onvoldoende worden gegeven als een bestuur niet voldoet aan de op dit moment bij de basiskwaliteit opgenomen elementen.

1 De wettelijke opdracht tot bevordering is ook herkenbaar in een aantal kerndoelen voor de onderbouw van het voortgezet onderwijs, die eveneens op sociale en maatschappelijke competenties betrekking hebben. Te denken valt met name aan de kerndoelen 35, 36, 38, 43, 44, 45 en 47.

2 Scholen in Friesland geven het vak Fries, met inachtneming van de daarvoor vastgestelde kerndoelen, tenzij zij hiervoor een ontheffing hebben van gedeputeerde staten.

3 Zie voor begripsbepalingen artikel 1.1 WVO 2020: basisondersteuningsvoorzieningen:voorzieningen voor leerlingen met een ondersteuningsbehoefte die op alle vestigingen van scholen behorend tot een samenwerkingsverband aanwezig zijn; ondersteuningsaanbod van de school: een beschrijving van de voorzieningen die zijn getroffen voor leerlingen die extra ondersteuning behoeven.

1 Zie voor begripsbepalingen artikel 1.1 WVO 2020.

2 Zie voor begripsbepalingen artikel 1.1 WVO 2020: basisondersteuningsvoorzieningen:voorzieningen voor leerlingen met een ondersteuningsbehoefte die op alle vestigingen van scholen behorend tot een samenwerkingsverband aanwezig zijn;ondersteuningsaanbod van de school: een beschrijving van de voorzieningen die zijn getroffen voor leerlingen die extra ondersteuning behoeven.

Bijlage 3 Waarderingskader eerste opvang anderstaligen

B. Basiswaarden van de democratische rechtsstaat

1 Volgens artikel 1, sub c, RJO: het geheel van verslaggevingsdocumenten bestaande uit de jaarrekening, het bestuursverslag en de overige gegevens, bedoeld in artikel 392, titel 9, boek 2, BW.

2 Met het amendement (Tweede Kamer, vergaderjaar 2019–2020, 35 102, nr. 11) is geregeld dat een bekostigingssanctie alleen kan worden opgelegd aan het bestuur nadat bij AMvB een nadere invulling wordt gegeven aan het begrip ‘evident ondoelmatige besteding’. Zonder deze algemene maatregel van bestuur is handhaving op ‘evident ondoelmatige besteding’ niet mogelijk. Tot de datum van inwerkingtreding van de AMvB richt de inspectie zich op haar stimulerende taak op dit gebied en zal alleen een Onvoldoende worden gegeven als een bestuur niet voldoet aan de op dit moment bij de basiskwaliteit opgenomen elementen.

1 De wettelijke opdracht tot bevordering is ook herkenbaar in een aantal kerndoelen voor de onderbouw van het voortgezet onderwijs, die eveneens op sociale en maatschappelijke competenties betrekking hebben. Te denken valt met name aan de kerndoelen 35, 36, 38, 43, 44, 45 en 47.

2 Zie voor begripsbepalingen artikel 1.1 WVO 2020: basisondersteuningsvoorzieningen:voorzieningen voor leerlingen met een ondersteuningsbehoefte die op alle vestigingen van scholen behorend tot een samenwerkingsverband aanwezig zijn; ondersteuningsaanbod van de school: een beschrijving van de voorzieningen die zijn getroffen voor leerlingen die extra ondersteuning behoeven.

1 Dit instrument moet passen bij de leerlingenpopulatie en moet een representatief en actueel beeld geven van de sociale, psychische en fysieke veiligheid van de leerlingen. Dit kan betekenen dat de school geen Nederlandstalig of geen gestandaardiseerd instrument gebruikt. Eerste opvang anderstaligen hoeven de gegevens niet jaarlijks aan te leveren bij de inspectie, maar moeten de gegevens bij een inspectiebezoek wel kunnen laten zien.

1 Zie voor begripsbepalingen artikel 1.1 WVO 2020.

2 Zie voor begripsbepalingen artikel 1.1 WVO 2020: basisondersteuningsvoorzieningen:voorzieningen voor leerlingen met een ondersteuningsbehoefte die op alle vestigingen van scholen behorend tot een samenwerkingsverband aanwezig zijn; ondersteuningsaanbod van de school: een beschrijving van de voorzieningen die zijn getroffen voor leerlingen die extra ondersteuning behoeven.

2 In plaats van leerlingen kan hier ook studenten gelezen worden.

Samenvatting

1 Volgens artikel 1, sub c, RJO: het geheel van verslaggevingsdocumenten bestaande uit de jaarrekening, het bestuursverslag en de overige gegevens, bedoeld in artikel 392, titel 9, boek 2, BW.

2 Met het amendement (Tweede Kamer, vergaderjaar 2019–2020, 35 102, nr. 11) is geregeld dat een bekostigingssanctie alleen kan worden opgelegd aan het bestuur nadat bij AMvB een nadere invulling wordt gegeven aan het begrip ‘evident ondoelmatige besteding’. Zonder deze algemene maatregel van bestuur is handhaving op ‘evident ondoelmatige besteding’ niet mogelijk. Tot de datum van inwerkingtreding van de AMvB richt de inspectie zich op haar stimulerende taak op dit gebied en zal alleen een Onvoldoende worden gegeven als een bestuur niet voldoet aan de op dit moment bij de basiskwaliteit opgenomen elementen.

1 Zie voor begripsbepalingen artikel 1.1 WVO 2020: basisondersteuningsvoorzieningen:voorzieningen voor leerlingen met een ondersteuningsbehoefte die op alle vestigingen van scholen behorend tot een samenwerkingsverband aanwezig zijn; ondersteuningsaanbod van de school:een beschrijving van de voorzieningen die zijn getroffen voor leerlingen die extra ondersteuning behoeven.

1 Zie voor begripsbepalingen artikel 1.1 WVO 2020.

2 Zie voor begripsbepalingen artikel 1.1 WVO 2020: basisondersteuningsvoorzieningen:voorzieningen voor leerlingen met een ondersteuningsbehoefte die op alle vestigingen van scholen behorend tot een samenwerkingsverband aanwezig zijn; ondersteuningsaanbod van de school: een beschrijving van de voorzieningen die zijn getroffen voor leerlingen die extra ondersteuning behoeven.

2 Zie voor begripsbepalingen artikel 1.1 WVO 2020: basisondersteuningsvoorzieningen:voorzieningen voor leerlingen met een ondersteuningsbehoefte die op alle vestigingen van scholen behorend tot een samenwerkingsverband aanwezig zijn;ondersteuningsaanbod van de school: een beschrijving van de voorzieningen die zijn getroffen voor leerlingen die extra ondersteuning behoeven.

In deze bijlage is het waarderingskader voor voortgezet algemeen volwassenenonderwijs (vavo)55OP0 wordt niet beoordeeld bij vavo. en particuliere zelfstandige exameninstellingen (B2) opgenomen. De toelichting hierop is te vinden in paragraaf 9.6.

1 OP0 wordt niet beoordeeld bij vavo.

1.1. Inleiding

2 In plaats van leerlingen kan hier ook studenten worden gelezen.

3 In plaats van ‘scholen’ kan ook ‘afdelingen vavo’ gelezen worden.

4 In plaats van leraren kan ook docenten worden gelezen.

5 Met inachtneming van hetgeen bepaald is in artikel 9.2.12 WEB.

1 Waar we opleiding schrijven, kan ook team worden gelezen.

1 De norm voor Resultaten is uitgewerkt in bijlage 1 van dit onderzoekskader.

1 Zie voor begripsbepalingen artikel 1.1 WVO 2020.

Bijlage 6 Waarderingskader doorlopende leerroutes vmbo-mbo

In deze bijlage is het waarderingskader voor de leerroutes vmbo-mbo opgenomen. De toelichting hierop is te vinden in paragraaf 9.7.

1 De wettelijke opdracht tot bevordering is ook herkenbaar in een aantal kerndoelen voor de onderbouw van het voortgezet onderwijs, die eveneens op sociale en maatschappelijke competenties betrekking hebben. Te denken valt met name aan de kerndoelen 35, 36, 38, 43, 44, 45 en 47.

2 In plaats van leerlingen kan hier ook studenten gelezen worden.

Bijlage 3. Onderzoekskader 2021 voor het toezicht op het voortgezet onderwijs

4 Het bestuur kan ervoor kiezen de artikelen (7.2.7, derde tot en met achtste lid en) 9.1.10 en 9.1.11 WEB, 2.107h en 2.107i WVO 2020 toe te passen zoals deze (leden en) artikelen luidden vóór inwerkingtreding van de Wet verbetering aansluiting beroepsonderwijs-arbeidsmarkt (Wet vaba):

Samenvatting

1 Waar leerling staat, kan ook student worden gelezen.

1 Voorlopig beoordelen we deze standaard niet. De komende tijd gebruiken we om expertise op te bouwen over de resultaten van de doorlopende leerroutes vmbo-mbo en het veld te consulteren over welke normen en beslisregels we in de toekomst zouden willen hanteren.

2 De norm voor studiesucces wordt voor vier jaar vastgesteld, zoals uitgewerkt in bijlage 1 van het onderzoekskader voor het middelbaar beroepsonderwijs. We beoordelen het studiesucces aan de hand van deze norm op het niveau van het kwalificatiedossier.

3 Deze standaard is nieuw; we doen er van 2021 tot 2025 ervaring mee op. Tijdens deze periode zullen we niet oordelen op deze standaard. Bij de doorontwikkeling van deze standaard en het gebruik van de data zullen we aansluiten bij de ontwikkelingen in de sector.

1 Zie voor begripsbepalingen artikel 1.1 WVO 2020.

2 Zie voor begripsbepalingen artikel 1.1 WVO 2020: basisondersteuningsvoorzieningen:voorzieningen voor leerlingen met een ondersteuningsbehoefte die op alle vestigingen van scholen behorend tot een samenwerkingsverband aanwezig zijn;ondersteuningsaanbod van de school: een beschrijving van de voorzieningen die zijn getroffen voor leerlingen die extra ondersteuning behoeven.

Het respect voor de menselijke waardigheid zonder onderscheid des persoons staat aan de basis van de drie basiswaarden van de democratische, pluriforme en Nederlandse rechtsstaat: vrijheid, gelijkwaardigheid en solidariteit. De basiswaarde vrijheid wordt bevorderd door aandacht voor vrijheid van meningsuiting en autonomie. Gelijkwaardigheid wordt bevorderd in de vorm van het gelijkheidsbeginsel en het afwijzen van discriminatie. Solidariteit wordt bevorderd door verdraagzaamheid, begrip en verantwoordelijkheidsbesef en het afwijzen van onverdraagzaamheid.

In deze bijlage is het waarderingskader voor het voortgezet onderwijs op Caribisch Nederland opgenomen. De toelichting hierop is te vinden in paragraaf 9.8.

1 Volgens artikel 1, definitie jaarverslag, RJO BES: het verslag, bestaande uit een bestuursverslag, een jaarrekening en andere gegevens.

2 Met het amendement (Tweede Kamer, vergaderjaar 2019–2020, 35 102, nr. 11) is geregeld dat een bekostigingssanctie alleen kan worden opgelegd aan het bestuur nadat bij AMvB een nadere invulling wordt gegeven aan het begrip ‘evident ondoelmatige besteding’. Zonder deze algemene maatregel van bestuur is handhaving op ‘evident ondoelmatige besteding’ niet mogelijk. Tot de datum van inwerkingtreding van de AMvB richt de inspectie zich op haar stimulerende taak op dit gebied en zal alleen een Onvoldoende worden gegeven als een bestuur niet voldoet aan de op dit moment bij de basiskwaliteit opgenomen elementen.

Besturen zijn ervoor verantwoordelijk dat het onderwijs van hun scholen van voldoende kwaliteit is. En ook dat het financieel beheer op orde is. In het toezicht gaan wij na of besturen hier zicht op hebben en of zij hieraan sturing geven, zodat besturen waarborgen dat de leerlingen op hun scholen onderwijs krijgen van voldoende kwaliteit.

De standaarden hebben betrekking op aspecten van kwaliteit, waaronder het onderwijs gericht op bevordering van burgerschap. Hieronder wordt aangegeven in welke standaarden onderdelen van burgerschap aan de orde zijn en geven we met enige nadere uitwerking (A) een overzicht van de inrichting van het toezicht op basiswaarden (B).

Het toezicht op burgerschap is integraal onderdeel van het inspectietoezicht en omvat, al naar gelang de situatie, aandacht voor een of meer onderdelen, en krijgt aandacht als apart thema of in samenhang met andere aspecten van kwaliteit.

Toezicht vereist actualisatie en continue verbetering om effectief te zijn en te blijven. Op basis van evaluaties, ervaringen en actuele ontwikkelingen heeft de Inspectie van het Onderwijs daarom het Onderzoekskader 2017 aangepast.56Over de evaluatie van ons toezicht is een rapport geschreven: Evaluatie vernieuwd toezicht. Voortgangsrapportage 2018/2019. U kunt dit rapport vinden op onze website (www.onderwijsinspectie.nl). Het vernieuwde toezicht dat toen in werking trad, nam de verantwoordelijkheid van besturen voor de kwaliteit van hun scholen en opleidingen als uitgangspunt. Die ontwikkeling zetten we (hiermee wordt in dit document de inspectie bedoeld) door en wordt met dit aangepaste kader verder verstevigd.

De wettelijke burgerschapsopdracht bepaalt dat onderwijs actief burgerschap en sociale cohesie bevordert. Bij het toezicht hanteert de inspectie geen ‘eigen’ eisen; alleen de wet is uitgangspunt, die bevat minimumeisen. Dat betekent dat zolang scholen aan wettelijke eisen voldoen, invullingen gekozen kunnen worden die passen bij de school. De wettelijke eisen zijn in de standaarden verwerkt en deze zijn hieronder weergegeven.

Standaarden schoolniveau

Standaarden bestuursniveau

De wet vraagt:

waarbij de volgende elementen op herkenbare wijze terugkomen in het onderwijs:

Ad 1) Standaarden Basisvaardigheden, Zicht op ontwikkeling en begeleiding en Sociale en maatschappelijke competenties (OP0, OP2, OR2):

De inspectie stelt vast of het onderwijs doelgericht, samenhangend en herkenbaar is, en de school de leerresultaten op betrouwbare en inzichtelijke manier in kaart brengt. Of het onderwijs doelgericht is, blijkt uit de formulering van geconcretiseerde leerdoelen die de school bereiken wil voor bevordering van basiswaarden en sociale en maatschappelijke competenties. Of het onderwijs samenhangend is, blijkt uit de logische opbouw van de leerstof en aanpak waarmee de school de leerdoelen bereiken wil. Of het onderwijs gericht op bevordering van burgerschap herkenbaar is, blijkt uit de realisering van de geplande leerstof en aanpak. Of de school de leerresultaten op betrouwbare en inzichtelijke wijze in kaart brengt, blijkt uit dat de school over gegevens beschikt die een adequaat beeld van de resultaten geven, zodanig dat beoordeeld kan worden of de school haar leerdoelen realiseert.

Ad 2) en 3) Standaarden Basisvaardigheden, Veiligheid, Schoolklimaat (OP0, VS1, VS2):

De inspectie stelt vast of het onderwijs gericht is op bevordering van basiswaarden en sociale en maatschappelijke competenties, en uitgaat van het uitgangspunt van gelijke behandeling van gelijke gevallen. Of het onderwijs gericht is op basiswaarden blijkt uit aandacht voor bevordering van kennis van, respect voor en handelen vanuit basiswaarden (zie B). Of het onderwijs gericht is op ontwikkeling van sociale en maatschappelijke competenties blijkt uit aandacht van de school voor de competenties die de leerling in staat stellen deel uit te maken van en bij te dragen aan de pluriforme, democratische samenleving. De school kan hier eigen keuzes maken. Daarnaast zijn er de kerndoelen op het sociale en maatschappelijke domein. Scholen geven bij de vormgeving van aanbod en aanpak blijk van inzicht in de leerlingenpopulatie en de leefwereld van de leerlingen.

Ad 4) Standaarden Pedagogisch-didactisch handelen, Veiligheid en Schoolklimaat (OP3, VS1, VS2):

De inspectie stelt vast of het bestuur zorg draagt voor een schoolklimaat dat in overeenstemming is met de basiswaarden, waarin leerlingen oefenmogelijkheden wordt geboden en voor een veilig, inclusief schoolklimaat waarin allen zich geaccepteerd voelen. Of wordt gezorgd voor bedoeld schoolklimaat blijkt uit uitvoering van beleid waardoor het bestuur daarin inzicht heeft en zo nodig verbeteringen realiseert. Of het schoolklimaat in overeenstemming is met basiswaarden blijkt uit het voorleven van basiswaarden en de afwezigheid van strijdigheid met basiswaarden. Of het schoolklimaat leerlingen oefenmogelijkheden biedt, blijkt uit situaties waarin leerlingen worden gestimuleerd met basiswaarden te oefenen. Of sprake is van een veilig, inclusief schoolklimaat blijkt uit informatie die inzicht geeft in de mate waarin leerlingen en personeel zich geaccepteerd voelen.

2.3. Uitgangspunten voor het toezicht

B. Basiswaarden van de democratische rechtsstaat

Bevordering van basiswaarden vormt een belangrijk aspect van de wettelijke burgerschapsopdracht. Basiswaarden van de democratische rechtsstaat (hierna: basiswaarden) weerspiegelen de algemene, breed erkende essentiële waarden waarop onze democratische manier van samenleven is gebaseerd. Ze zijn breed gelegitimeerd, verankerd in de nationale en internationale rechtsorde en neergelegd in onder meer de Nederlandse Grondwet en de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens. Basiswaarden zijn kort gezegd basale, minimale en breed onderschreven waarden die de democratische rechtsstaat schragen.

De basiswaarden waarom het in het onderwijs gaat, zijn vastgelegd en uitgewerkt in het wettelijk kader in de gewijzigde burgerschapsopdracht in de onderwijswetten voor funderend onderwijs (Gewijzigd voorstel van wet, 17 november 2020. Tweede Kamer der Staten-Generaal, vergaderjaar 2020-2021, 35 352 nr. 2; memorie van toelichting en Nota naar aanleiding van het verslag, Tweede Kamer der Staten-Generaal, vergaderjaar 2019-2020, 35 352 nr. 3 en nr. 6). Die uitwerking vormt het (hiertoe begrensde) uitgangspunt voor het inspectietoezicht op basiswaarden. De navolgende uitwerking en formuleringen zijn aan dit wettelijk kader ontleend.

Het respect voor de menselijke waardigheid zonder onderscheid des persoons staat aan de basis van de drie basiswaarden van de democratische, pluriforme en Nederlandse rechtsstaat: vrijheid, gelijkwaardigheid en solidariteit. De basiswaarde vrijheid wordt bevorderd door aandacht voor vrijheid van meningsuiting en autonomie. Gelijkwaardigheid wordt bevorderd in de vorm van het gelijkheidsbeginsel en het afwijzen van discriminatie. Solidariteit wordt bevorderd door verdraagzaamheid, begrip en verantwoordelijkheidsbesef en het afwijzen van onverdraagzaamheid.

Dit betekent dat scholen aandacht besteden aan vrijheid van meningsuiting, het gelijkheidsbeginsel, begrip, verdraagzaamheid, het afwijzen van onverdraagzaamheid en discriminatie, en autonomie en verantwoordelijkheidsbesef. Deze elementen vormen in de onderwijspraktijk de minimale kern waaraan een school moet voldoen bij de bevordering van respect voor en de kennis van basiswaarden.

2.3.2. Verantwoordelijkheid bij besturen

Actieve bevordering van de basiswaarden van de democratische rechtsstaat neemt binnen de wettelijke opdracht een centrale plaats in. Van scholen wordt verwacht dat zij werken aan borging en overdracht van de basiswaarden. Ten overvloede zij daarbij opgemerkt dat uit deze opdracht ook volgt dat onderwijs of handelen van de school niet in strijd met basiswaarden kan zijn. Goed burgerschapsonderwijs sluit aan bij de leefwereld van leerlingen en de interesses, problemen en risico’s die hiermee gepaard gaan. Uitgangspunt bij het toezicht is dat scholen blijk geven van inzicht in hun leerlingenpopulatie en hun leefwereld en dit, indien nodig, vertalen naar het onderwijs. Verder is van belang dat basiswaarden structureel onderdeel zijn van de schoolcultuur en dat deze daarmee in overeenstemming is. De inspectie ziet toe op de naleving daarvan via de zorg van het bestuur voor een schoolcultuur waarin alle betrokkenen basiswaarden als centrale spelregels hanteren en voorleven en voor een omgeving waarin leerlingen worden gestimuleerd actief te oefenen met de omgang met basiswaarden.

Besturen hebben daarnaast een wettelijke verantwoordelijkheid voor passend onderwijs. De kern daarvan is dat voor alle leerlingen met een specifieke onderwijsbehoefte zo passend mogelijk onderwijs wordt gerealiseerd. Schoolbesturen hebben in dat verband een zorgplicht voor leerlingen die extra ondersteuning nodig hebben. Alle schoolbesturen zijn verplicht aangesloten bij een of meer (regionale) samenwerkingsverbanden passend onderwijs. We houden toezicht op de uitvoering van de afspraken binnen het samenwerkingsverband door de schoolbesturen. Daarnaast houden we toezicht op het bestuur van het samenwerkingsverband. Dit lichten we verder toe in hoofdstuk 9.

Versie per 1 augustus 2026

Woord vooraf: veranderingen in het toezicht

Voor u ligt het Onderzoekskader 2021 van de Inspectie van het Onderwijs, in de versie per 1 augustus 2026. Ieder jaar actualiseren we de onderzoekskaders, onder meer om ze te laten aansluiten bij gewijzigde wet- en regelgeving. Om de paar jaar herzien we de kaders geheel; de volgende herziening staat gepland voor 1 augustus 2027.

De veranderingen in het toezicht zijn dit jaar omvangrijker dan gebruikelijk bij een actualisatie. Vanwege voortdurende veranderingen in het onderwijs, de verwachtingen vanuit de samenleving en de wetgeving, passen we ook het toezicht verder aan. Denk daarbij aan de wensen over de balans in het toezicht op besturen en scholen/opleidingen en nieuwe wetgeving. We brengen u in dit woord vooraf op de hoogte van de uitwerkingen die in het toezicht zijn gedaan. Dit zijn tevens voorlopers op de grotere herziening van het onderzoekskader per 1 augustus 2027.

In de uitvoering van ons toezicht op bestuursniveau leggen we een sterker accent op risico’s. Bij besturen waar we de grootste risico’s zien, voeren we een volledig onderzoek uit, dat we sinds vorig jaar een bestuursonderzoek noemen in plaats van een vierjaarlijks onderzoek. Naast het bestuursonderzoek hebben we een lichtere variant aan het bestuurstoezicht in het bekostigd onderwijs toegevoegd, het bestuursbezoek. Dit bestuursbezoek is minder uitgebreid en sluiten we niet af met een oordeel maar met een conclusie. Met deze nieuwe toezichtvorm versterken we de proportionaliteit van het toezicht. We sluiten beter aan bij de kwaliteitsborging en bevordering van kwaliteit die besturen zelf uitoefenen. Met deze risicogerichte aanpak creëren we ook ruimte voor frequenter toezicht op scholen en opleidingen. We streven ernaar jaarlijks bij een kwart van de besturen een bestuursbezoek of -onderzoek uit te voeren. Zo willen we elke vier jaar – dan wel deze termijn zo dicht mogelijk benaderend – een actueel beeld krijgen van alle besturen.

Voor scholen hebben we de onaangekondigde schoolbezoeken geïntroduceerd. Hiermee komen we tegemoet aan de wens om meer zicht op schoolniveau te hebben. We voeren deze bezoeken onaangekondigd uit waarbij de focus ligt op belangrijke onderdelen van het onderwijsproces, zoals de leskwaliteit en (sociale) veiligheid. De bezoeken hebben een stimulerend karakter; het accent ligt op het aangeven van zowel algemene punten als aandachtspunten. We spreken na een OSB geen eindoordeel uit over de school.

Zowel bij de bestuursbezoeken als bij de onaangekondigde schoolbezoeken kunnen we bij tekortkomingen één of meer herstelopdrachten geven. Ook kunnen we besluiten alsnog een risico-onderzoek uit te voeren, als we daar aanleiding toe zien.

Met deze nieuwe toezichtvormen, die een aanvulling zijn op de in paragraaf 7.4 genoemde vormen, kunnen we breed zicht houden op de kwaliteit van besturen en scholen, zonder direct een zwaar en belastend onderzoek in te zetten. Ze passen bij situaties waarin we geen acute risico’s zien en waarin scholen/opleidingen en besturen laten zien dat zij zelf zicht hebben op de onderwijskwaliteit en hier actief op sturen.

Al deze ontwikkelingen passen in de vernieuwde toezichtvisie die we in het onderzoekskader van 1 augustus 2025 introduceerden. Het toezicht is opgavegericht en richt zich integraal op alle niveaus: scholen/opleidingen, besturen en stelsel. Ook is het toezicht meer adaptief om in te kunnen spelen op vraagstukken die actueel zijn. De al langer bestaande uitgangspunten zoals proportionaliteit en maatwerk krijgen daarmee versterking.

Zo willen we het toezicht actueel en effectief laten zijn.

Hieronder definiëren we een aantal begrippen die belangrijk zijn voor het toezicht.

Toezicht vereist actualisatie en continue verbetering om effectief te zijn en te blijven. Op basis van evaluaties, ervaringen en actuele ontwikkelingen heeft de Inspectie van het Onderwijs daarom het Onderzoekskader 2017 aangepast.56Over de evaluatie van ons toezicht is een rapport geschreven: Evaluatie vernieuwd toezicht. Voortgangsrapportage 2018/2019. U kunt dit rapport vinden op onze website (www.onderwijsinspectie.nl). Het vernieuwde toezicht dat toen in werking trad, nam de verantwoordelijkheid van besturen voor de kwaliteit van hun scholen en opleidingen als uitgangspunt. Die ontwikkeling zetten we (hiermee wordt in dit document de inspectie bedoeld) door en wordt met dit aangepaste kader verder verstevigd.

In het onderzoekskader is beschreven hoe het toezicht op het onderwijs is ingericht. Het omvat het waarderingskader op grond waarvan we oordelen en waarderen en omschrijft de werkwijze daarvoor.

Centraal in het toezicht op het onderwijs staan de belangen van de leerlingen en studenten. Het doel is het stelsel zo te laten functioneren dat het voorziet in de bagage die voor leerlingen en studenten nu en in hun verdere onderwijsloopbaan en leven essentieel is. Iedereen heeft recht op onderwijs van voldoende kwaliteit en moet erop kunnen vertrouwen dat het onderwijs op een school op orde is. Onze missie, ‘Effectief toezicht voor beter onderwijs’, sluit daarop aan. In ons toezicht waarborgen we de kwaliteit van het onderwijs en stimuleren we de verbetering ervan.

Onze missie wordt gedragen door vijf uitgangspunten. De uitgangspunten hangen met elkaar samen en borduren op elkaar voort. Met elk uitgangspunt afzonderlijk, maar vooral in die samenhang beoogt het toezicht bij te dragen aan de verbetering van de kwaliteit van het onderwijsstelsel. Daarnaast sluit het toezicht aan bij de verantwoordelijkheid die besturen hebben voor het onderwijs, bewaakt het in aanvulling daarop de basiskwaliteit (waarborgen) en wil het beter onderwijs bevorderen (stimuleren). We bepalen de intensiteit van het toezicht per bestuur (proportionaliteit) en houden bij de uitvoering rekening met de organisatiekenmerken en omstandigheden van het bestuur (maatwerk).

Toezicht op de kwaliteit van het onderwijs richt zich op drie niveaus die voortvloeien uit onze wettelijke opdracht(en): op het stelsel, op besturen en op hun scholen. Hierna wordt per niveau toegelicht hoe het toezicht is ingericht.

Het doel van ons toezicht wordt nog steeds aangegeven door onze missie: ‘Effectief toezicht voor beter onderwijs’. Centraal in onze visie staan de maatschappelijke opgaven van het onderwijs: we willen opgavegericht werken. Vanuit die opgaven richten we ons toezicht in en bepalen we waar we als toezichthouder nodig zijn. Om dat goed te doen, kijken we integraal naar het onderwijs en is ons toezicht adaptief. We willen daar zijn waar we het hardst nodig zijn, op een passende en effectieve manier. Daarbij gaan we uit van onze wettelijke taken en houden we uiteraard rekening met wat er politiek en maatschappelijk van ons gevraagd wordt.

Toezicht op de kwaliteit van het onderwijs richt zich op de context waarbinnen besturen en hun scholen hun werk doen: we spreken dan over het onderwijsstelsel als geheel. Voor de werking en de kwaliteit van het stelsel beschouwen we onderdelen ervan en de verbanden daartussen. We geven daarmee invulling aan de reflectieve functie van het toezicht: vanwege onze wettelijke taak op stelselniveau reflecteren we op de kwaliteit van het stelsel.

3.2.1. Een stelsel van onderwijsvoorzieningen

Stelseltoezicht was al onderdeel van het toezicht van de inspectie, maar nieuw is dat we de kwaliteit hebben gedefinieerd in een raamwerk. Dat is geen kader waarmee we een individueel bestuur of een individuele school beoordelen of waarderen, het is een raamwerk om het onderwijs als geheel te beschouwen. Het biedt sturing en focus voor het krijgen van zicht op trends en knelpunten in het stelsel. Op basis daarvan agenderen we de risico’s en interveniëren we, op het niveau van het stelsel, wanneer dat vanuit de stimulerende functie van het toezicht passend of nodig is.

We duiden en waarderen jaarlijks in ‘De Staat van het Onderwijs’ hoe het met de kernfuncties en voorwaarden van het onderwijsstelsel is gesteld. Daarnaast maken we vaak aparte themarapporten.

Besturen zijn ervoor verantwoordelijk dat het onderwijs op hun scholen van voldoende kwaliteit is en dat het financieel beheer op orde is. Door het aangepaste onderzoekskader worden besturen daarnaast nog nadrukkelijker gestimuleerd om na te denken over hun eigen ambities. Elke vier jaar onderzoekt de inspectie in het ‘Vierjaarlijks onderzoek bij bestuur en scholen’ de mate waarin het bestuur deze verantwoordelijkheid neemt en of de (be)sturing op de kwaliteit van de scholen op orde is.

Gezien het belang van meer zicht op schoolniveau heeft de inspectie ruimte gecreëerd voor intensiever toezicht op scholen. Daarom was het in 2024 en is het ook in 2025 niet mogelijk de bestuursgerichte vierjaarscyclus volledig uit te voeren. De inzet van de inspectie is vooralsnog om de vierjaarscyclus vanaf 2026 weer volledig uit te voeren, met risico-onderzoek bij risicobesturen en substantieel lichtere, proportionele bezoeken bij jaarlijks ongeveer een kwart van de besturen. We houden daarbij wel rekening met de vraag die er tegelijkertijd ligt om met de beschikbare capaciteit meer scholen te bezoeken en met de (mogelijke) beperkingen die daaruit voortvloeien voor onderzoeken bij besturen. Om deze redenen gebruiken we bij de uitvoering van het toezicht in de praktijk voorlopig de term ‘bestuursonderzoek’, en niet het in dit onderzoekskader gebruikte ‘vierjaarlijks onderzoek bij bestuur en scholen’.

We beoordelen de kwaliteit van de besturing in het kwaliteitsgebied Besturing, kwaliteitszorg en ambitie. De kern van het kwaliteitsgebied is dat het bestuur zorgt voor besturing van de onderwijskwaliteit op de scholen en voor een goede organisatie en kwaliteitscultuur. Uit het oordeel op dit kwaliteitsgebied blijkt of het bestuur in staat is om met zijn (be)sturing de kwaliteit en het financieel beheer van het onderwijs op de scholen te waarborgen en verder te ontwikkelen. Wat nieuw is, is dat het financieel beheer integraal onderdeel van de standaarden in dit kwaliteitsgebied is.

Om te onderzoeken in hoeverre de besturing door het bestuur op orde is, ondernemen we onderzoeksactiviteiten op bestuurs- en schoolniveau die we vooraf vastleggen in een onderzoeksplan. Met verificatie-activiteiten toetsen we bij besturen en scholen in hoeverre het bestuur zicht heeft op de kwaliteit van zijn onderwijs, het financieel beheer en hoe het bestuur daarop stuurt. Zo spreken we onder andere met de medezeggenschapsraad of studentenraad en het interne toezicht. Daarnaast voeren we activiteiten op scholen uit, zoals het voeren van gesprekken met leerlingen, ouders en schoolleiders of het afleggen van lesbezoeken. Ook kunnen we een risico-onderzoek uitvoeren. Het onderzoek leidt tot een oordeel of waardering per standaard. Op basis van de beslisregels beoordelen we de besturing ook op het niveau van het gehele kwaliteitsgebied. Dit laatste is voor sommige sectoren nieuw ten opzichte van 2017. De waardering Goed kunnen we zowel op het niveau van de standaard als op het niveau van het kwaliteitsgebied toekennen als het bestuur niet alleen voldoet aan de deugdelijkheidseisen, maar ook ambities realiseert die daarboven uitstijgen. Het rapport van het onderzoek, inclusief de oordelen en waarderingen, maken we openbaar via onze website.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)