Besluit van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media, van 24 juni 2021, nr. 28318215 tot intrekking van beleidsregels houdende Onderzoekskaders 2017 onder vaststelling van beleidsregels houdende Onderzoekskaders 2021
Niet alle (deugdelijkheids)eisen zoals die in de onderwijswet- en regelgeving staan vermeld, zijn opgenomen in het onderzoekskader. Dit neemt niet weg dat de inspectie toeziet op de naleving van (alle) bij of krachtens de onderwijswetten gegeven voorschriften (artikel 3, eerste lid, onder a, sub 1 jo artikel 1, onder d, Wet op het onderwijstoezicht). De deugdelijkheidseisen die niet aan een standaard in het waarderingskader zijn verbonden, vatten we samen onder de noemer ‘overige wettelijke vereisten’. Als we een tekortkoming constateren in de naleving van een ‘overig’ wettelijk vereiste kunnen we daarop een herstelopdracht geven.
Daarnaast spreken we ook van ‘overige wettelijke vereisten’ als we in een kwaliteitsonderzoek of in een onderzoek bij een bestuur een onderdeel van een standaard hebben onderzocht en beoordeeld zonder de gehele standaard te onderzoeken en te beoordelen. Onze bevindingen over de onderzochte overige wettelijke vereisten tellen niet mee in de beslisregels over het eindoordeel90Met uitzondering van de beslisregel voor het oordeel ‘Goed’ in MBO. , maar er kunnen uiteraard wel herstelopdrachten op gegeven worden.
Op grond van nieuw artikel 6.1.4b WEB per 1 augustus 2022 moet de standaard studiesucces worden gemeten en beoordeeld op de wijze zoals voorgeschreven in hoofdstuk 4a van het Uitvoeringsbesluit WEB en de Regeling houdende uitwerking maatstaven voor studiesucces in het mbo om tot het oordeel zeer zwak te kunnen komen ten aanzien van een bekostigde beroepsopleiding. Deze standaard is (vooralsnog) niet uitgewerkt voor bekostigd entree. Voor bekostigde opleidingen op niveau 2,3 of 4 kan het bovendien voorkomen dat studiesucces niet beoordeeld kan worden. Hiervoor is maatwerk nodig en daar voorziet voornoemde regelgeving (vooralsnog) niet in.95De Regeling houdende uitwerking maatstaven voor studiesucces regelt weliswaar in artikel 9 wanneer er geen beoordeling van studiesucces plaatsvindt (nl. in een maatwerksituatie) en wanneer sprake is van een maatwerksituatie, maar hoe ‘studiesucces’ in de zin van art. 6.1.4b WEB in die gevallen moet worden beoordeeld of dat het oordeel ‘Zeer zwak’ in die gevallen op een andere manier kan worden gekregen, is niet verder uitgewerkt. Dat maakt dat op dit moment strikt genomen in een maatwerksituatie ook niet het oordeel ‘Zeer zwak’ in de zin van art. 6.1.4b WEB kan worden gegeven.
Het eindoordeel Zeer zwak kan dan ook tot die nadere uitwerking dan wel een eventuele wetswijziging niet meer worden gegeven aan bekostigd entree en situaties waarin maatwerk nodig is voor de berekening van het studiesucces. De inspectie geeft in die gevallen dus ook niet het eindoordeel ‘Zeer zwak’ met als ultieme consequentie de ontneming van het recht om de opleiding te verzorgen (art. 6.1.4 lid 1 sub a WEB), maar het eindoordeel ‘Onvoldoende met risico op bekostigingssanctie’ met in beginsel als ultieme consequentie het opschorten of inhouden van (een deel van) de bekostiging (art. 11.1 van de WEB).
In het vorige hoofdstuk beschreven we het kader voor de beoordeling van de besturing door het bestuur. In dit hoofdstuk beschrijven we het waarderingskader voor het beoordelen van de kwaliteit op opleidingen. Deze kaders hangen nauw met elkaar samen. Het bestuur geeft de kaders voor kwaliteit en financieel beheer aan waarbinnen opleidingen hun verantwoordelijkheid voor de sturing van de kwaliteit vormgeven. Dit waarderingskader bevat naast standaarden over sturen en kwaliteit ook standaarden over het onderwijsproces, het schoolklimaat en de onderwijsresultaten. De standaarden over sturen, kwaliteitszorg en ambitie op opleidingsniveau (SKA) hangen samen met die over besturing, kwaliteitszorg en ambitie op bestuursniveau (BKA) en zijn toegespitst op de wettelijke eisen op opleidingsniveau.
6.6. Oordeelsvorming
We beschrijven de opbouw van het kader in paragraaf 5.2. In paragraaf 5.3 is vervolgens het waarderingskader op opleidingsniveau opgenomen. In de laatste paragraaf, 5.4, gaan we in op de overige wettelijke vereisten, die niet aan een standaard zijn gekoppeld.
Bij onze oordeelsvorming hanteren we bovengenoemde normering als richtlijn. De mate waarin de onderwijspraktijk de essentie en de bedoeling van met name de deugdelijkheidseisen tentoonspreidt, is bepalend voor ons oordeel. Voor het oordeel Voldoende gaan we er in principe van uit dat aan alle deugdelijkheidseisen die horen bij de standaard is voldaan. We beoordelen de kwaliteit zoals in de standaard is omschreven integraal en niet elke deugdelijkheidseis van de standaard op zichzelf. Het kan zijn dat een bestuur of opleidingen op een standaard een positief beeld laat zien, maar op een bepaald element van de standaard (nog) niet. Als dit beperkt van invloed is op de aangetroffen kwaliteit van de opleidingen of voor studenten én als de tekortkoming eenvoudig en op korte termijn kan worden hersteld, dan geven we het oordeel Voldoende op de standaard. Het bestuur krijgt dan een opdracht tot herstel (herstelopdracht) voor dit bepaalde onderdeel van de standaard en zorgt voor de naleving. Wanneer niet is voldaan aan de deugdelijkheidseisen van financiële continuïteit of rechtmatigheid, kan de betreffende standaard binnen het kwaliteitsgebied Besturing, kwaliteitszorg en ambities niet als Voldoende worden beoordeeld of als Goed worden gewaardeerd.
In het waarderingskader middelbaar beroepsonderwijs op opleidingsniveau onderscheiden we vijf kwaliteitsgebieden: Onderwijsproces, Veiligheid en schoolklimaat, Borging en afsluiting, Onderwijsresultaten, en Sturen, kwaliteitszorg en ambitie. Met het waarderingskader krijgen we antwoord op de drie elementaire vragen over het onderwijs voor studenten: krijgen ze goed onderwijs (Onderwijsproces), voelen ze zich veilig (Veiligheid en schoolklimaat), en leren ze genoeg (Onderwijsresultaten)? Daarnaast kijken we naar de borging van de diplomering (Borging en afsluiting) en de sturing op en de verbetering van de kwaliteit (Sturen, kwaliteitszorg en ambitie). Dit zijn belangrijke aspecten voor de kwaliteit en ontwikkeling van het onderwijs aan studenten. We beoordelen bij de kwaliteit van het onderwijs het geheel van de prestaties van de opleiding op deze vijf gebieden. Het financieel beheer beoordeelt de inspectie op het niveau van het bestuur.
7.4.3. Onderzoeken specifiek gericht op financieel beheer
Wij onderzoeken bij een specifiek onderzoek bepaalde aspecten van het besturen, het financieel beheer of het onderwijs (artikel 15, WOT). Ook hier geldt dat we de intensiteit van het onderzoek afstemmen op de kwaliteit van het bestuur.
Het waarderingskader op opleidingsniveau telt per gebied een aantal standaarden, in totaal veertien92Om de zichtbaarheid van de basisvaardigheden te vergroten, is een standaard Basisvaardigheden toegevoegd (OP0). De standaard aanbod (OP1) heeft betrekking op het onderwijsprogramma van de andere vakken/leergebieden.. Bij elke standaard is aangegeven wat we verstaan onder de basiskwaliteit (wat móet de opleiding op orde hebben?).93We parafraseren de wettelijke vereisten. Voor de letterlijke teksten verwijzen we naar de genoemde wetsartikelen. Ter onderbouwing van de eisen voor basiskwaliteit geven we per standaard de wettelijke eisen weer die van toepassing zijn. We noemen de wettelijke eisen ook wel deugdelijkheidseisen.
In de praktijk hebben opleidingen ambities die raken aan basiskwaliteit. Opleidingen doen echter vaak meer. Naast de ambities binnen de basiskwaliteit hebben opleidingen ook ambities die daarboven uitstijgen en die opleidingen met het bestuur hebben geformuleerd. Over het geheel aan ambities gaan we met de opleidingen in gesprek. We kunnen daaraan een waardering koppelen, namelijk de waardering Goed. Dit is de invulling van de stimulerende functie van ons toezicht. In het waarderingskader komt dit tot uitdrukking in vragen naar de realisatie van aanvullende ambities.
7.1. Inleiding
1 Het bestuur kan ervoor kiezen artikel 7.2.7, derde tot en met achtste lid, van de WEB toe te passen zoals die leden luidden vóór inwerkingtreding van de Wet verbetering aansluiting beroepsonderwijs-arbeidsmarkt (Wet vaba):
2 Met inachtneming van hetgeen bepaald is in artikel 9.2.12 WEB.
1 Waar we opleiding schrijven, kan ook team worden gelezen.
1 De norm voor studiesucces wordt voor vier jaar vastgesteld, zoals uitgewerkt in bijlage 1 van dit onderzoekskader. We beoordelen het studiesucces aan de hand van deze norm op het niveau van het kwalificatiedossier. Voor bekostigd mbo niveau 2, 3 en 4 is de definitie en uitwerking van Studiesucces geregeld in hoofdstuk 4a van het Uitvoeringsbesluit WEB en in de Regeling studiesucces mbo.
2 Deze standaard is nieuw; we doen er in 2021 tot 2025 ervaring mee op. Tijdens deze periode zullen we niet oordelen op deze standaard. Bij de doorontwikkeling van deze standaard en het gebruik van data zullen we aansluiten bij de ontwikkelingen in de sector.
In het stelseltoezicht zetten we een aantal stappen (zie figuur 7.2.1a):
7.5. Vervolgtoezicht, intensivering en sancties
Daarnaast spreken we ook van ‘overige wettelijke vereisten’ als we in een kwaliteitsonderzoek of in een onderzoek bij een bestuur een onderdeel van een standaard hebben onderzocht en beoordeeld zonder de gehele standaard te onderzoeken en te beoordelen. Onze bevindingen over de onderzochte overige wettelijke vereisten tellen niet mee in de beslisregels over het eindoordeel94Met uitzondering van de beslisregel voor het oordeel ‘Goed’ in MBO., maar er kunnen uiteraard wel herstelopdrachten op gegeven worden.
In ons jaarwerkplan, dat op de website van de inspectie wordt gepubliceerd, geven we aan welke thema’s we in dat jaar onderzoeken. Ook op grond van meldingen en signalen kunnen we besturen en opleidingen bevragen op het naleven van de overige wettelijke vereisten. Niet-naleving van (een of meer van) de overige wettelijke vereisten kan op opleidingsniveau in dat geval niet leiden tot een oordeel Onvoldoende of tot het oordeel Zeer Zwak. Wel moet de opleiding/het bestuur de tekortkoming binnen een door de inspectie te bepalen termijn herstellen. Om voor de waardering Goed in aanmerking te komen, moet een opleiding, in aanvulling op de wettelijke eisen van de standaarden, ook aan alle overige wettelijke vereisten voldoen.
Voor de monitoring en aansluitende analyse verzamelen we gegevens uit verschillende bronnen. We gebruiken bestaande gegevens, gegevens uit stelsel- en instellingstoezicht, signalen en we verzamelen zelf gegevens door thematisch onderzoek.
We gebruiken gegevens uit het toezicht op besturen en opleidingen, waaronder gegevens die het bestuur zelf beschikbaar heeft. Daarnaast gebruiken we signalen die we over het onderwijs ontvangen. Verder maken we gebruik van gegevens van andere organisaties en van wetenschappelijk onderzoek. We analyseren het grootste gedeelte van de gegevens minimaal jaarlijks, maar het kan ook zijn dat we meerdere keren per jaar analyses maken. We analyseren ook prestaties in brede zin en kijken specifiek naar risico’s voor de kwaliteit van onderwijs.
In dit hoofdstuk beschrijven we hoe we oordelen en waarderen. We doen dat zo transparant mogelijk, aan de hand van het waarderingskader op bestuurs- en opleidingsniveau en met de beschrijving van de oordeelsvorming, zoals opgenomen in dit hoofdstuk. Onze oordelen gaan altijd over de gerealiseerde kwaliteit van de (be)sturing en over het onderwijs dat studenten ontvangen.
We gaan in dit hoofdstuk eerst in op hoe we omgaan met het raamwerk van de kernfuncties op stelselniveau (paragraaf 6.2), zoals opgenomen in hoofdstuk 3. Dat hanteren we uitsluitend vanuit onze stimulerende rol. Daarna leggen we uit hoe we op basis van de waarderingskaders voor besturen en opleidingen (hoofdstuk 4 en 5) oordelen en waarderen. In het algemeen bepaalt het al dan niet voldoen aan de deugdelijkheidseisen of een standaard Voldoende of Onvoldoende is. De waardering Goed spreken we uit als ambities, rondom basiskwaliteit en/of daarboven uitstijgend, gerealiseerd worden. We beschrijven dit in paragraaf 6.3. In paragraaf 6.4 zijn beslisregels voor de beoordeling van de standaarden voor het bestuur beschreven, gevolgd door de beslisregels voor de beoordeling van onderwijskwaliteit van opleidingen in paragraaf 6.5.
6.2. Stimuleren op stelselniveau
In hoofdstuk 3 is het stelseltoezicht beschreven. We reflecteren daarop en spreken geen oordelen uit. We gebruiken het raamwerk om de drie kernfuncties van het onderwijs, namelijk kwalificatie, socialisatie en allocatie, waaronder selectie en gelijke kansen en daarnaast de belangrijke voorwaarden daarvoor te beschouwen. We beschrijven jaarlijks in ‘De Staat van het Onderwijs’ (paragraaf 7.2) hoe het met de kernfuncties en voorwaarden van het onderwijsstelsel is gesteld.
We bespreken deze thema’s bij onderzoeken bij besturen en opleidingen. Uit onze gegevens op stelselniveau kan blijken dat de kwaliteit van (een deel van) de kernfuncties in een bepaalde regio in hoge of juist mindere mate gerealiseerd wordt. Door ambities van besturen rondom kernfuncties in een open dialoog te bespreken en te verkennen, leggen we een verbinding tussen opleidingen en hun invulling van de kernfuncties.
Voor het agenderen en interveniëren in het stelseltoezicht onderscheiden we vier soorten activiteiten. Deze beschrijven we hierna. Agenderen en interveniëren liggen soms dicht bij elkaar, omdat agenderen een vorm van interveniëren is.
Voor het beoordelen en waarderen van de kwaliteit van besturen en opleidingen gebruiken we de standaarden zoals beschreven in de hoofdstukken 4 en 5. Een standaard bestaat uit een beschrijving van de basiskwaliteit, gebaseerd op de deugdelijkheidseisen. Per standaard besteden we daarnaast aandacht aan de vragen naar aanvullende ambities.
Bijlage 4. Onderzoekskader 2021 voor het toezicht op het middelbaar beroepsonderwijs
De standaard OP0 krijgt vanaf 1 augustus 2025 een oordeel op het niveau van de standaard en weegt vanaf die datum mee voor het eindoordeel op school-, afdelings- of opleidingsniveau. Een Onvoldoende op deze standaard leidt echter niet gelijk tot het eindoordeel Onvoldoende op school-, afdelings- of opleidingsniveau, daarvoor moet ook minimaal één andere standaard onvoldoende zijn. De standaard OP0 wordt als Onvoldoende beoordeeld als twee van de drie basisvaardigheden onvoldoende zijn. De inspectie maakt hierbij geen onderscheid tussen de drie basisvaardigheden. Als er sprake is van het oordeel Onvoldoende op één van de basisvaardigheden, dan is het oordeel op de standaard OP0 dus Voldoende. In dat geval geeft de inspectie wel een herstelopdracht om de tekortkomingen op de betreffende basisvaardigheid op te heffen.
6.4. Oordelen en waarderen op bestuursniveau
Om basiskwaliteit op de opleidingen te kunnen waarborgen, gaan we ervan uit dat het bestuur in staat is om de kwaliteitscyclus, zoals uitgedrukt in de wettelijke eisen van de drie standaarden van het kwaliteitsgebied Besturing, kwaliteitszorg en ambitie (zie hoofdstuk 4), uit te voeren. Daar waar dat niet het geval is, leidt dit tot een Onvoldoende op het kwaliteitsgebied Besturing, kwaliteitszorg en ambitie. Als het bestuur aan de deugdelijkheidseisen voldoet en ambities realiseert, waarderen we het kwaliteitsgebied als Goed. Hoe het oordeel of de waardering op bestuursniveau tot stand komt, ziet er als volgt uit:
Het niet voldoen aan een deugdelijkheidseis van financiële continuïteit of rechtmatigheid leidt in alle gevallen tot een herstelopdracht voor het bestuur. Dit geldt ook als de jaarstukken van het bestuur niet zijn ingediend zoals wettelijk vereist is. De mate waarin het oordeel of waardering van de betreffende standaard binnen het kwaliteitsgebied Besturing, kwaliteitszorg en ambitie wordt aangepast is afhankelijk van de ernst van de tekortkoming.
Binnen Overige educatie ziet de inspectie toe op onderwijs voor niet-inburgeringsplichtigen. Deze doelgroep valt vrijwel samen met de groep laaggeletterden en leidt deelnemers via een NT1 of NT2-programma op tot aan het instroomniveau voor mbo of hbo. Daarbij verzorgen onderwijsinstellingen lessen Nederlands, Rekenen en Digitale vaardigheden.
Het oordeel of de waardering over de kwaliteit van de opleiding (eindoordeel) komt tot stand op basis van de volgende normen.
1 Het recht op examinering kan (bij onvoldoende verbetering na een waarschuwing) worden ontnomen op grond van artikel 6.1.5b WEB.
2 De rechten genoemd in artikel 1.3.1 WEB kunnen (bij onvoldoende verbetering na een waarschuwing) worden ontnomen op grond van artikel 6.1.4, eerste lid, onder a, WEB.
We merken hier op dat, in lijn met de met het veld gemaakte afspraken, de inspectie niet meer zonder meer het oordeel Onvoldoende opleiding toepast als blijkt dat alleen de onderwijsresultaten onder norm zijn. Bij een onderzoek zullen we expliciet vragen welk beeld de instelling zelf heeft van de onderwijskwaliteit, om welke redenen studenten zijn uitgevallen, welke aspecten daarvan beïnvloedbaar zijn en welke maatregelen de opleiding heeft getroffen ter vermindering van de uitval en verbetering van de kwaliteit. Ook vragen we hoe het bestuur hierop stuurt.
De waardering Goed is bedoeld om goede kwaliteit op opleidingen te waarderen en te stimuleren. We gaan ervan uit dat deze opleidingen een brede basiskwaliteit hebben. Dat betekent dat er onomwonden een positief antwoord gegeven kan worden op de kernvragen voor goed onderwijs. Deze kernvragen zijn: krijgen studenten goed onderwijs (Onderwijsproces), voelen ze zich veilig (Veiligheid en schoolklimaat) en leren ze genoeg (Onderwijsresultaten)? Dit vraagt een expertoordeel over de integrale kwaliteit van de opleiding. Dit betekent dat wij van goede opleidingen verwachten dat zij aan ons laten zien hoe zij hun visie, ambities en doelen uitvoeren (SKA2) en welke kwaliteit dit in de praktijk oplevert, zoals te zien aan de standaarden voor Onderwijsproces en Veiligheid en schoolklimaat.
Daarna werken we de toezichtsactiviteiten uit die aansluiten op de omstandigheden van het bestuur. Welke onderzoekinstrumenten hebben we nodig om bij het desbetreffende bestuur de kwaliteit te beoordelen? Is er sprake van een eenpitter of vallen er meerdere opleidingen onder het bestuur? Bij kleine besturen en eenpitters houden we in onze benadering rekening met de gekozen samenhang van de sturing tussen het opleidings- en bestuursniveau. Met wie voeren we gesprekken, waar en hoe kijken we mee in het onderwijs? Dit is het maatwerk in het toezicht.
Vanaf 1 augustus 2022 is er een expliciete wettelijke basis voor het oordeel van de inspectie dat de kwaliteit van een opleiding op niveau 2,3 en 4 van bekostigde instellingen zeer zwak is (art. 6.1.4b WEB). Het inspectierapport waarin de inspectie tot het oordeel komt dat de kwaliteit van het onderwijs zeer zwak is, geldt na de vaststelling daarvan als een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (art. 20 lid 6 WOT). Een bestuur kan tegen het oordeel zeer zwak en tegen de daaruit voortvloeiende waarschuwing bezwaar maken. Tegen de beslissing op bezwaar kan beroep worden ingesteld.
De oordelen op bestuursniveau presenteren we samen met het betreffende onderzoeksrapport op onze website. Het doel hiervan is om belanghebbenden over de resultaten van het toezicht te informeren. Als daarna uit herstelonderzoek blijkt dat een bestuur de aangetroffen tekortkomingen heeft hersteld, dan wordt dit nieuwe oordeel ook zichtbaar gemaakt op de website.
Op grond van nieuw artikel 6.1.4b WEB per 1 augustus 2022 moet de standaard studiesucces worden gemeten en beoordeeld op de wijze zoals voorgeschreven in hoofdstuk 4a van het Uitvoeringsbesluit WEB en de Regeling houdende uitwerking maatstaven voor studiesucces in het mbo om tot het oordeel zeer zwak te kunnen komen ten aanzien van een bekostigde beroepsopleiding. Deze standaard is (vooralsnog) niet uitgewerkt voor bekostigd entree. Voor bekostigde opleidingen op niveau 2,3 of 4 kan het bovendien voorkomen dat studiesucces niet beoordeeld kan worden. Hiervoor is maatwerk nodig en daar voorziet voornoemde regelgeving (vooralsnog) niet in.95De Regeling houdende uitwerking maatstaven voor studiesucces regelt weliswaar in artikel 9 wanneer er geen beoordeling van studiesucces plaatsvindt (nl. in een maatwerksituatie) en wanneer sprake is van een maatwerksituatie, maar hoe ‘studiesucces’ in de zin van art. 6.1.4b WEB in die gevallen moet worden beoordeeld of dat het oordeel ‘Zeer zwak’ in die gevallen op een andere manier kan worden gekregen, is niet verder uitgewerkt. Dat maakt dat op dit moment strikt genomen in een maatwerksituatie ook niet het oordeel ‘Zeer zwak’ in de zin van art. 6.1.4b WEB kan worden gegeven.
Het eindoordeel Zeer zwak kan dan ook tot die nadere uitwerking dan wel een eventuele wetswijziging niet meer worden gegeven aan bekostigd entree en situaties waarin maatwerk nodig is voor de berekening van het studiesucces. De inspectie geeft in die gevallen dus ook niet het eindoordeel ‘Zeer zwak’ met als ultieme consequentie de ontneming van het recht om de opleiding te verzorgen (art. 6.1.4 lid 1 sub a WEB), maar het eindoordeel ‘Onvoldoende met risico op bekostigingssanctie’ met in beginsel als ultieme consequentie het opschorten of inhouden van (een deel van) de bekostiging (art. 10.1 van de WEB).
1 Het recht op examinering kan (bij onvoldoende verbetering na een waarschuwing) worden ontnomen op grond van artikel 6.1.5b WEB.
Het toezicht op besturen en scholen omvat meerdere activiteiten. We onderzoeken besturen eens in de vier jaar. Dit onderzoek heet ‘Het vierjaarlijks onderzoek bij bestuur en opleidingen’ (hierna: vierjaarlijks onderzoek). Zoals in paragraaf 7.3 is beschreven, doen we dat proportioneel en op maat. Binnen het vierjaarlijks onderzoek kijken we ook naar opleidingen want op opleidingsniveau verifiëren we of de besturing door het bestuur effectief is en of het bestuur (be)stuurt op basis van een actueel beeld van de kwaliteit. We beschrijven dit type onderzoek in paragraaf 7.4.1.
Gezien het belang van meer zicht op schoolniveau heeft de inspectie ruimte gecreëerd voor intensiever toezicht op scholen. Daarom was het in 2024 en is het ook in 2025 niet mogelijk de bestuursgerichte vierjaarscyclus volledig uit te voeren. De inzet van de inspectie is vooralsnog om de vierjaarscyclus vanaf 2026 weer volledig uit te voeren, met risico-onderzoek bij risico besturen en substantieel lichtere, proportionele bezoeken bij jaarlijks ongeveer een kwart van de besturen. We houden daarbij wel rekening met de vraag die er tegelijkertijd ligt om met de beschikbare capaciteit meer scholen te bezoeken en met de (mogelijke) beperkingen die daaruit voortvloeien voor onderzoeken bij besturen. Om deze redenen gebruiken we bij de uitvoering van het toezicht in de praktijk voorlopig de term ‘bestuursonderzoek’, en niet het in dit onderzoekskader gebruikte ‘vierjaarlijks onderzoek bij besturen en scholen’.
Bij onze oordeelsvorming hanteren we bovengenoemde normering als richtlijn. De mate waarin de onderwijspraktijk de essentie en de bedoeling van met name de deugdelijkheidseisen tentoonspreidt, is bepalend voor ons oordeel. Voor het oordeel Voldoende gaan we er in principe van uit dat aan alle deugdelijkheidseisen die horen bij de standaard is voldaan. We beoordelen de kwaliteit zoals in de standaard is omschreven integraal en niet elke deugdelijkheidseis van de standaard op zichzelf. Het kan zijn dat een bestuur of opleidingen op een standaard een positief beeld laat zien, maar op een bepaald element van de standaard (nog) niet. Als dit beperkt van invloed is op de aangetroffen kwaliteit van de opleidingen of voor studenten én als de tekortkoming eenvoudig en op korte termijn kan worden hersteld, dan geven we het oordeel Voldoende op de standaard. Het bestuur krijgt dan een opdracht tot herstel (herstelopdracht) voor dit bepaalde onderdeel van de standaard en zorgt voor de naleving. Wanneer niet is voldaan aan de deugdelijkheidseisen van financiële continuïteit of rechtmatigheid, kan de betreffende standaard binnen het kwaliteitsgebied Besturing, kwaliteitszorg en ambities niet als Voldoende worden beoordeeld of als Goed worden gewaardeerd.
Er kunnen zowel binnen het vierjaarlijks onderzoek bij bestuur en opleidingen als tussentijds onderzoeken plaatsvinden rondom financieel beheer. Dit beschrijven we in paragraaf 7.4.3. Ten slotte zijn er nog enkele andere onderzoeksactiviteiten; die zijn beschreven in paragraaf 7.4.4.
Zowel besturen als opleidingen hebben vanuit hun visie ambities. Deze ambities kunnen gaan over de basiskwaliteit en er zijn ambities die daarboven uitstijgen. Naast het voldoen aan de deugdelijkheidseisen, baseren we een waardering Goed op het geheel aan gerealiseerde ambities door het bestuur of door de opleiding bij een betreffende standaard. We onderzoeken of het bestuur (bij een vierjaarlijks onderzoek) of de opleiding (bij een onderzoek op opleidingsniveau) de voorgenomen ambities uitvoert en realiseert. De waardering Goed op opleidingsniveau is vier jaar geldig.
In het vierjaarlijks onderzoek willen we weten of de (be)sturing door het bestuur op de kwaliteit van de opleidingen op orde is, of er sprake is van deugdelijk financieel beheer en hoe dit bijdraagt aan de kernfuncties van het onderwijs (stelselthema’s). We hanteren daarvoor het waarderingskader voor besturen, zoals beschreven in hoofdstuk 4.
De omgeving en de condities waarin het bestuur en de opleiding opereren, kunnen in positieve of negatieve zin de onderwijskwaliteit en het financieel beheer beïnvloeden. Omgevingsfactoren en condities zijn bijvoorbeeld de kenmerken en de ontwikkeling van de studentenpopulatie, de beschikbaarheid van personeel, een fusiegeschiedenis, de huisvesting, de organisatieontwikkeling en de ontwikkeling van het bestuur. We verwachten dat besturen en opleidingen met hun visie, ambities, doelen en beleid op deze factoren inspelen om de kernfuncties voor het onderwijs voor al hun studenten te realiseren. Onze oordelen gaan altijd over de gerealiseerde kwaliteit van de (be)sturing en van het onderwijs dat studenten ontvangen. Omgeving en condities spelen hoofdzakelijk een rol bij het bepalen van de invulling van het onderzoek en eventueel bij het vervolgtoezicht.
Een belangrijk onderdeel van onze werkwijze in het vierjaarlijks onderzoek is verificatie. Met verificatie-activiteiten toetsen we bij besturen, opleidingen en andere betrokkenen in hoeverre het bestuur zicht heeft op de kwaliteit van het onderwijs en het financieel beheer en hoe het bestuur daarop stuurt.
Een bestuur kan bezwaar maken tegen de openbaarmaking van een rapport als het een onderzoek is dat wordt uitgevoerd op basis van artikel 15 van de WOT (specifiek onderzoek, paragraaf 5.3) en daarnaast kan een bestuur bezwaar maken tegen het eindoordeel Zeer zwak.
In dit hoofdstuk beschrijven we hoe we het toezicht uitvoeren. We beschrijven in paragraaf 7.2 eerst onze werkwijze voor het stelseltoezicht. Aan de kernfuncties van het stelsel geven besturen en scholen invulling. Daarnaast waarborgen besturen de uitvoering en kwaliteit van het onderwijs op de scholen onder hun bestuur. In paragraaf 7.3 beschrijven we de werkwijze voor het toezicht op besturen en scholen. In paragraaf 7.4 staat welke activiteiten we hiervoor ondernemen110Zie het woord vooraf voor de actuele toezichtsontwikkelingen.. In de laatste paragraaf van dit hoofdstuk gaan we in op onze werkwijze bij het vervolgtoezicht.
7.2. Stelseltoezicht
7.2.1. Werkwijze van het stelseltoezicht
Via het stelseltoezicht geven we een beeld van de kwaliteit van het Nederlandse onderwijsstelsel. We signaleren waar het goed gaat en waar niet, agenderen thema’s en dragen bij aan het oplossen van knelpunten. Door het stelsel als geheel in ogenschouw te nemen, krijgen we bijvoorbeeld zicht op onderwijsloopbanen, knelpunten bij overgangen tussen sectoren en (on)gelijkheid van kansen. Zo kunnen we bevorderen dat het onderwijs aan studenten steeds beter wordt. In hoofdstuk 3 is hiervoor een raamwerk met een beschrijving van stelselkwaliteit opgenomen.
Zo kunnen we bevorderen dat het onderwijs aan studenten steeds beter wordt. In hoofdstuk 3 is hiervoor een raamwerk met een beschrijving van stelselkwaliteit opgenomen.
In het stelseltoezicht zetten we een aantal stappen (zie figuur 7.2.1a):
In paragraaf 7.2.2 gaan we verder in op hoe we monitoren en analyseren. In paragraaf 7.2.3 beschrijven we hoe we agenderen en interveniëren.
7.2.2 Monitoring en analyse van ontwikkelingen
Aan de hand van het raamwerk van de kwaliteitsbeschrijving van het stelsel (zie hoofdstuk 3) volgen we systematisch de ontwikkelingen in het onderwijsstelsel. We kijken naar hoe het geheel van besturen en opleidingen samen de drie kernfuncties vervult: kwalificatie, socialisatie en allocatie, waaronder selectie en gelijke kansen. Ook kijken we naar de essentiële voorwaarden om deze te verwezenlijken: de doelmatigheid, zoals te zien aan beschikbaarheid en besteding van financiële middelen, het personeelsbeleid, de kwaliteitszorg en het bestuurlijk handelen.
Voor de monitoring en aansluitende analyse verzamelen we gegevens uit verschillende bronnen. We gebruiken bestaande gegevens, gegevens uit stelsel- en instellingstoezicht, signalen en we verzamelen zelf gegevens door thematisch onderzoek.
We gebruiken gegevens uit het toezicht op besturen en opleidingen, waaronder gegevens die het bestuur zelf beschikbaar heeft. Daarnaast gebruiken we signalen die we over het onderwijs ontvangen. Verder maken we gebruik van gegevens van andere organisaties en van wetenschappelijk onderzoek. We analyseren het grootste gedeelte van de gegevens minimaal jaarlijks, maar het kan ook zijn dat we meerdere keren per jaar analyses maken. We analyseren ook prestaties in brede zin en kijken specifiek naar risico’s voor de kwaliteit van onderwijs.
9.5.3. Werkwijze
We richten het themaonderzoek in op basis van actuele vraagstukken of gesignaleerde stelselproblemen. Dit doen we soms bij een bestuur of een opleiding. In dat geval combineren we het themaonderzoek eventueel met het vierjaarlijks onderzoek bij het bestuur en opleidingen, zoals beschreven in paragraaf 7.3. Ook is het mogelijk dat we op een andere manier onderzoek doen, bijvoorbeeld door vragenlijsten uit te zetten, mee te kijken in het onderwijsproces, gesprekken te voeren met meerdere besturen of opleidingen tegelijk of gesprekken te voeren met bijvoorbeeld wetenschappers en deskundigen.
Met ons thematisch onderzoek willen we in kaart brengen in hoeverre het onderwijsstelsel erin slaagt de eerdergenoemde kernfuncties van het onderwijs te realiseren. Daarbij zoeken we naar verklaringen voor wat niet goed gaat en willen we laten zien wat wel en niet bijdraagt aan het realiseren van de kernfuncties. Hierover gaan we actief de dialoog aan met betrokkenen.
Wat we willen onderzoeken, nemen we op in het Jaarwerkplan. Hierin beschrijven we meerjarige onderzoeksprogramma’s en eenmalige themaonderzoeken die gericht zijn op het in beeld brengen van de kernfuncties of gesignaleerde knelpunten in het stelsel. Urgente thema’s kunnen leiden tot verschuiving of uitbreiding van onze onderzoeksagenda.
Besturen en inspectie hebben de mogelijkheid om periodiek een gesprek met elkaar te voeren. Aan elk bestuur is een contactinspecteur gekoppeld die het contact onderhoudt. Dit gaat in ieder geval over onderzoeken en vervolgtoezicht (inclusief herstelopdrachten, zie paragraaf 7.5). Ook heeft de contactinspecteur gesprekken met het bestuur over risico’s, signalen en incidenten. Het bestuur kan de contactinspecteur hierover informeren. Het kan ook zijn dat de contactinspecteur het bestuur bevraagt of (afhankelijk van de kwaliteit van het bestuur) verzoekt om zelf nader onderzoek te doen bij mogelijke risico’s. Daarnaast kan het gesprek gaan over relevante ontwikkelingen binnen of buiten de onderwijsinstelling. We betrekken daarbij ook vraagstukken op het niveau van het onderwijsstelsel als geheel.
Voor het agenderen en interveniëren in het stelseltoezicht onderscheiden we vier soorten activiteiten. Deze beschrijven we hierna. Agenderen en interveniëren liggen soms dicht bij elkaar, omdat agenderen een vorm van interveniëren is.
Jaarlijks brengen we ‘De Staat van het Onderwijs’ uit. Hierin geven we weer hoe het onderwijsstelsel in Nederland ervoor staat. Wat gaat er goed en waar zijn knelpunten, kansen en risico’s? Ook de informatie over onze verrichte (thema)onderzoeken maakt deel uit van ‘De Staat van het Onderwijs’. Deze rapportagetaak van de inspectie is vastgelegd in de Grondwet (artikel 23, achtste lid) en in de Wet op het onderwijstoezicht (WOT).
De uitkomsten van themaonderzoeken brengen we op verschillende manieren onder de aandacht van besturen, opleidingen en de samenleving. Het doel hiervan is om de stand van zaken over het betreffende thema weer te geven en om risico’s en knelpunten te agenderen. Ook stimuleren we samenwerking zodat (verdere) verbeteringen kunnen plaatsvinden. Dat doen we vaak in de vorm van een onderzoeksrapport, maar ook in de vorm van een symposium, een bezoek van inspecteurs, een podcast of een webinar. We richten ons hierbij zo direct mogelijk op de doelgroep die het meest betrokken is, zoals leraren of bijvoorbeeld op alle partners in een specifieke regio.
Bij de uitvoering van ons toezicht bij besturen en opleidingen bespreken we soms thema’s, specifieke knelpunten en goede voorbeelden vanuit de regionale of lokale context. Zo hebben we aanknopingspunten om met bestuur en opleidingen over hun ambities die de kernfuncties raken in gesprek te gaan in aansluiting op hun omgeving, of risico’s.
Naast de hiervoor genoemde activiteiten zetten we waar dat passend is ook specifieke interventies in. Uit diverse bronnen komen onderwerpen van het onderwijsstelsel naar voren die we, met het oog op het publiek belang, willen adresseren. Zo kan er een knelpunt zijn waar op lokaal niveau meerdere besturen, een samenwerkingsverband, groepen werkgevers en de gemeente een rol in hebben. En dan loont het om het knelpunt bij deze actoren samen te agenderen. Voorbeelden daarvan zijn regionale gesprekken over de aanpak van het lerarentekort, krimp of zorg voor specifieke groepen leerlingen.
Als uit een onderzoek blijkt dat het bestuur voor basiskwaliteit heeft gezorgd en dat het daarmee aan de deugdelijkheidseisen en financiële voorwaarden voor bestuur en opleiding voldoet, is er geen vervolgtoezicht. Het bestuur en de opleidingen vallen dan onder het reguliere toezicht, waarbij we prestaties en risico’s jaarlijks monitoren en elke vier jaar het bestuur beoordelen. Wanneer nodig of gewenst, is er tussentijds contact.
Bij het toezicht op de besturen en opleidingen staat centraal hoe besturen de (financiële) kwaliteit van het onderwijs waarborgen en bevorderen. Om deze vragen te beantwoorden doen we onderzoek op het niveau van bestuur en opleidingen. We lichten hieronder eerst onze werkwijze toe en gaan vervolgens in op de toezichtsactiviteiten.
Bij tekortkomingen in de onderwijskwaliteit op een opleiding maken we met het bestuur afspraken over de termijn waarbinnen de kwaliteit hersteld moet zijn. Wanneer de zwaarte en omvang van de tekortkomingen hiertoe aanleiding geven, bijvoorbeeld bij het oordeel Zeer zwak, stellen we een toezichtsplan op om het verloop van het herstel te monitoren en voeren we een herstelonderzoek uit. Bij kleinere tekortkomingen en als de kwaliteit van het besturen op orde is, verantwoordt het bestuur zich bij ons over het herstel. We spreken, afhankelijk van de kwaliteit van het bestuur, af hoe we omgaan met het herstelonderzoek.
De eindverantwoordelijkheid voor de onderwijskwaliteit op de opleidingen ligt bij de besturen. Bij de uitvoering van het toezicht op besturen en opleidingen gaan we uit van proportionaliteit, maatwerk, transparantie en verantwoording. We lichten in paragraaf 7.3.2 proportionaliteit en maatwerk verder toe.
Bovenstaande geven we in tabel 7.5.1a schematisch weer. De invulling is maatwerk per onderzoek.
We stemmen de intensiteit van het toezicht af op de kwaliteit van het bestuur. Het toezicht is daarmee proportioneel. Hoe effectiever het bestuur in staat is om te sturen op de kwaliteit van het onderwijs en het financieel beheer, de kwaliteit waarborgt op zijn opleidingen en zich daarover verantwoordt, hoe minder intensief het toezicht. Het omgekeerde geldt ook: hoe minder goed het bestuur in staat is de (financiële) kwaliteit te waarborgen en zich erover te verantwoorden, hoe intensiever we het toezicht inrichten. Urgente signalen of klachten kunnen in alle gevallen aanleiding zijn voor onderzoek, ook als de eerdere kwaliteitsbeoordeling van het bestuur Voldoende of Goed was. Om te bepalen of dit nodig is, zullen wij, indien mogelijk, het signaal eerst bespreken met het bestuur.
7.5.2. Escaleren
De analyse van het geheel aan informatie gebruiken we om de intensiteit van het toezicht te bepalen. Het geeft ons zicht op het al dan niet aanwezig zijn van (mogelijke) risico’s voor de onderwijskwaliteit en/of risico’s voor de kwaliteit van het bestuur. Dit is de basis van waaruit we de proportionaliteit van het toezicht bepalen: het toezicht kan intensief zijn, maar ook minder intensief.
Daarna werken we de toezichtsactiviteiten uit die aansluiten op de omstandigheden van het bestuur. Welke onderzoekinstrumenten hebben we nodig om bij het desbetreffende bestuur de kwaliteit te beoordelen? Is er sprake van een eenpitter of vallen er meerdere opleidingen onder het bestuur? Bij kleine besturen en eenpitters houden we in onze benadering rekening met de gekozen samenhang van de sturing tussen het opleidings- en bestuursniveau. Met wie voeren we gesprekken, waar en hoe kijken we mee in het onderwijs? Dit is het maatwerk in het toezicht.
Hoe dit intensieve en minder intensieve (vervolg)toezicht eruitziet, lichten we toe in paragraaf 7.4 en 7.5.
In deze paragraaf beschrijven wij het toezicht op voortgezet onderwijs dat wordt uitgevoerd door:
De monitoring van de prestaties op het niveau van het bestuur en hun opleidingen helpt ons om tijdig eventuele risico’s op het spoor te komen en inzicht te krijgen in het functioneren van het bestuur. We doen dit conform artikel 11 van de WOT aan de hand van een aantal indicatoren. Die indicatoren betreffen onder andere financiële gegevens, gegevens over het personeel, over de veiligheid op scholen en de resultaten en doorstroom van studenten. Ten minste eenmaal per jaar voeren we een analyse uit op de data die we met de monitor verkrijgen. Als er een vermoeden van risico’s is, voeren we een risicoanalyse uit.
Deze zogeheten expertanalyse bevestigt al dan niet de vermoedens van tekortkomingen ten aanzien van de onderwijskwaliteit en/of het financieel beheer. De analyse wordt uitgevoerd door een expertteam, waarin kennis en deskundigheid op het terrein van data-analyse, onderwijskwaliteit en financieel beheer aanwezig zijn. Zo ontstaat een integraal beeld van de onderwijskwaliteit, de sturingskwaliteit en de financiën.
Naast communicatie via het informatie- en meldpunt van de inspectie, de website en ‘De Staat van het Onderwijs’ zijn er rapportages over themaonderzoeken en onderzoeken bij besturen en opleidingen beschikbaar. Al onze rapporten zijn in beginsel openbaar.96In artikel 15, tweede lid, WOT is bepaald dat rapporten van een specifiek onderzoek openbaar zijn, tenzij aard of omvang van het onderzoek zich tegen openbare rapportage verzet. We zijn daarmee transparant in onze werkwijze en onze oordelen en waarderingen. Onze website is de centrale plek waar onze rapporten terug te vinden zijn. In dit hoofdstuk beschrijven we hoe we communiceren en geven we een toelichting op de verschillende rapportagevormen.
Het toezicht op besturen en scholen omvat meerdere activiteiten. We onderzoeken besturen eens in de vier jaar. Dit onderzoek heet ‘Het vierjaarlijks onderzoek bij bestuur en opleidingen’ (hierna: vierjaarlijks onderzoek). Zoals in paragraaf 7.3 is beschreven, doen we dat proportioneel en op maat. Binnen het vierjaarlijks onderzoek kijken we ook naar opleidingen want op opleidingsniveau verifiëren we of de besturing door het bestuur effectief is en of het bestuur (be)stuurt op basis van een actueel beeld van de kwaliteit. We beschrijven dit type onderzoek in paragraaf 7.4.1.
1.5. Werking en evaluatie
Ook tussentijds doen we onderzoek op opleidingen. Dit doen we als er risico’s zijn en bij themaonderzoeken en steekproef-kwaliteitsonderzoeken die in relatie staan tot het stelseltoezicht. Onderzoeken kunnen zowel aangekondigd als onaangekondigd plaatsvinden. We beschrijven de onderzoeken op schoolniveau in paragraaf 7.4.2.
Er kunnen zowel binnen het vierjaarlijks onderzoek bij bestuur en opleidingen als tussentijds onderzoeken plaatsvinden rondom financieel beheer. Dit beschrijven we in paragraaf 7.4.3. Ten slotte zijn er nog enkele andere onderzoeksactiviteiten; die zijn beschreven in paragraaf 7.4.4.
De hier beschreven toezichtsactiviteiten zijn aangevuld met twee nieuwe toezichtsactiviteiten. Zie hiervoor het woord vooraf.
We rapporteren op stelselniveau en op het niveau van besturen en opleidingen. In beginsel maken we onze rapporten over besturen en opleidingen in de derde week na vaststelling openbaar (artikel 21, eerste lid, WOT).97In artikel 15, tweede lid, WOT is bepaald dat rapporten van een specifiek onderzoek openbaar zijn, tenzij aard of omvang van het onderzoek zich tegen openbare rapportage verzet.
In het vierjaarlijks onderzoek willen we weten of de (be)sturing door het bestuur op de kwaliteit van de opleidingen op orde is, of er sprake is van deugdelijk financieel beheer en hoe dit bijdraagt aan de kernfuncties van het onderwijs (stelselthema’s). We hanteren daarvoor het waarderingskader voor besturen, zoals beschreven in hoofdstuk 4.
2. Visie en uitgangspunten voor het toezicht
9.8.2. Werkwijze
Jaarlijks rapporteren we ook over de financiële toestand van de instellingen en het onderwijsstelsel. Wij baseren ons daarbij op financiële gegevens van de instellingen zelf en verder op toezichtactiviteiten en onderzoeken die wij uitvoeren rond het financieel beheer van instellingen. Daarbij geven we aan wat goed gaat en wijzen we op risico’s.
Bijlage 1. Normering en beoordeling onderwijsresultaten
Een bestuur kan een opleiding voordragen waarvan het de kwaliteit goed vindt. Het bestuur onderbouwt vooraf waarom de betreffende opleiding de waardering Goed verdient. Wij verifiëren en beoordelen dat aan de hand van het waarderingskader op opleidingsniveau (zie hoofdstuk 5). Op basis van de kwaliteit van de onderbouwing van de kwaliteit van de opleiding door het bestuur richten we het onderzoek op maat in.
Zo’n verzoek kan gedaan worden bij aanvang van het vierjaarlijks onderzoek. Om een waardering Goed te verkrijgen, moet het financieel beheer door het bestuur op orde zijn.
Onderzoeken naar risico’s nemen we mee in het vierjaarlijks onderzoek. Maar ze kunnen ook daarbuiten plaatsvinden, naar aanleiding van de jaarlijkse prestatieanalyse en signalen. We houden hiermee zicht op mogelijke risico’s, maar we verwachten dat besturen die te allen tijde zelf ook in beeld hebben, als onderdeel van de kwaliteitscyclus. Bij een bestuur dat de verantwoordelijkheid voor de kwaliteit goed invult, verwachten we dat als wij mogelijke risico’s detecteren, het bestuur zelf de oorzaken onderzoekt, passende maatregelen neemt en zich hierover verantwoordt aan de inspectie. Bij een bestuur dat er niet in slaagt de kwaliteit van het onderwijs te waarborgen, voeren wij (afhankelijk van de aard van de risico’s) zelf het risico-onderzoek geheel of gedeeltelijk uit. We onderzoeken en beoordelen dan een of meerdere standaarden van het waarderingskader op opleidingsniveau (zie hoofdstuk 5) en maken afspraken over de rapportage en verantwoording van de bevindingen.
De Inspectie van het Onderwijs voert naast risico-kwaliteitsonderzoeken ook steekproef-kwaliteitsonderzoeken uit op de scholen (po en so)/afdelingen (vo)/opleidingen (mbo). Deze onderzoeken, die wij in het kader van het stelselbeeld uitvoeren, hebben als doel periodiek een representatief beeld van de kwaliteit van het onderwijs op Nederlandse scholen te geven. De onderzoeken kennen eenzelfde inhoud en opzet als een risico-kwaliteitsonderzoek en ook bij dit type onderzoek is het bestuur het aanspreekpunt.
2. Standaard Vervolgsucces in bekostigd onderwijs
We rapporteren apart op bestuursniveau over de onderzoeken die buiten een vierjaarlijks onderzoek vallen en uitgevoerd worden bij financiële risico’s.
8.3.3. Opleidingsniveau
We stellen aangepast financieel toezicht in wanneer blijkt dat de continuïteit van het onderwijs binnen afzienbare termijn in het geding is en onvoldoende wordt voldaan aan de wet- en regelgeving op dit gebied. In het rapport nemen we op welke herstelopdrachten worden gegeven en welke afspraken met het bestuur worden gemaakt, zoals welke informatie het bestuur op welk moment aanlevert. Deze interventie is erop gericht dat de risico’s of tekorten binnen afzienbare termijn zijn opgeheven. Als het bestuur niet in staat blijkt om herstel te realiseren, dan wordt het toezicht geïntensiveerd (zie paragraaf 7.5).
Het bestuur legt verantwoording af over de verwerving en besteding van de rijksbekostiging. Deze verantwoording wordt beoordeeld door een accountant die wordt aangesteld door het interne toezicht. Deze accountant moet opereren volgens de beroepsmaatstaven van de Nederlandse Beroepsorganisatie van Accountants (NBA) en volgens het Onderwijsaccountantsprotocol dat door de inspectie in overleg met belanghebbenden5Onder andere het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW), de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO), onderwijskoepels, de Nederlandse Beroepsorganisatie van Accountants (NBA) en accountantskantoren. is opgesteld. Elk jaar controleren wij bij een selectie van accountants of hun controle voldoet aan de regels. Aandachtspunten uit deze toezichtactiviteit worden jaarlijks besproken met de NBA en kunnen aanleiding zijn het Onderwijsaccountantsprotocol aan te passen.
Bij signalen van mogelijk onrechtmatige verkrijging of besteding van middelen voeren we onderzoek uit bij een bestuur. Als we oordelen dat sprake is van onrechtmatige verkrijging of besteding, dan volgen daarna in de regel een wijziging in de bekostiging en een terugvordering van de bekostiging.
3. Entreeopleidingen
Net als bij besturen kunnen we ook op opleidingsniveau een specifiek onderzoek uitvoeren. Dit kan met het onderzoek op bestuursniveau samenhangen, maar ook afzonderlijk worden uitgevoerd. Dergelijke onderzoeken worden uitgevoerd in het kader van artikel 15, WOT. Over de bevindingen en conclusies schrijven we een rapport, dat op de website van de inspectie openbaar wordt gemaakt.
Ernstige signalen of andere informatie kunnen aanleiding zijn om een onderzoek over een specifiek onderwerp in te stellen bij een bestuur of een opleiding. Dit kan tijdens het vierjaarlijks onderzoek of daarbuiten. Bij urgente signalen en ernstige incidenten interveniëren we vanzelfsprekend meteen op een passende manier.
Wij onderzoeken bij een specifiek onderzoek bepaalde aspecten van het besturen, het financieel beheer of het onderwijs (artikel 15, WOT). Ook hier geldt dat we de intensiteit van het onderzoek afstemmen op de kwaliteit van het bestuur.
9.3.4. Werkwijze start kwaliteitsonderzoek
Het leggen van het contact is een gezamenlijke verantwoordelijkheid. Het bestuur kan ervoor kiezen de contactinspecteur gedurende het jaar op de hoogte te houden van relevante ontwikkelingen en hem te informeren bij urgente zaken, zoals (ernstige) signalen. Ook kan de contactinspecteur geregeld contact leggen met het bestuur om een vinger aan de pols te houden of urgente zaken te bespreken. De informatie uit deze contacten nemen we mee in de eerdergenoemde monitoring.
In bepaalde gevallen is het mogelijk om een klacht in te dienen over een gedraging van de inspectie. Wij verwijzen u voor de klachtenprocedure naar onze website (www.onderwijsinspectie.nl).
9. Specifieke toepassingen van het onderzoekskader
Het waarderingskader overige educatie sluit aan bij de waarderingskaders voor de sector. Alle vormen van overige educatie richten zich op de doelgroep van laaggeletterde volwassenen en anderstaligen met of zonder inburgeringsplicht. De inhoud van het onderwijs richt zich op taal (Nederlands), rekenen, digitale vaardigheden en aanbod op andere gebieden met als doel instroom in een mbo-, hbo-opleiding of wo-opleiding. Voor alle opleidingen zijn eindtermen vastgesteld. Het doel is divers, het kan deelnemers (beter) in staat stellen deel te nemen aan onderwijs, werk en samenleving.
Natuurlijk is vervolgtoezicht lang niet altijd nodig. Als tijdens een onderzoek tekortkomingen zijn geconstateerd, wordt vervolgtoezicht afgesproken. De intensiteit hiervan is ook hier afhankelijk van de kwaliteit van het bestuur. We kunnen tekortkomingen constateren op bestuursniveau en/of op opleidingsniveau.
6. Studiesucces bij niet-bekostigde instellingen
Bij tekortkomingen op bestuursniveau, bijvoorbeeld bij onvoldoende (financiële) basiskwaliteit en daardoor niet voldoen aan wet- en regelgeving, spreken we met het bestuur af binnen welke termijn de geconstateerde tekortkomingen hersteld moeten zijn. Afhankelijk van de zwaarte en omvang van de tekortkoming verantwoordt het bestuur zich over het herstel aan de inspectie en gaan wij na of de tekortkoming is hersteld. De intensiteit waarmee we dat doen, bepalen we ook in relatie tot de kwaliteit van het bestuur.
Bij tekortkomingen in de onderwijskwaliteit op een opleiding maken we met het bestuur afspraken over de termijn waarbinnen de kwaliteit hersteld moet zijn. Wanneer de zwaarte en omvang van de tekortkomingen hiertoe aanleiding geven, bijvoorbeeld bij het oordeel Zeer zwak, stellen we een toezichtsplan op om het verloop van het herstel te monitoren en voeren we een herstelonderzoek uit. Bij kleinere tekortkomingen en als de kwaliteit van het besturen op orde is, verantwoordt het bestuur zich bij ons over het herstel. We spreken, afhankelijk van de kwaliteit van het bestuur, af hoe we omgaan met het herstelonderzoek.
Wanneer het herstel of de kwaliteit van de gevraagde verantwoording ontoereikend is, heeft dit gevolgen voor welke toezichtsinterventies we kiezen en hoe we de kwaliteit van het bestuur inschatten. Wanneer we concluderen dat het vermogen van het bestuur om zelf de kwaliteit te waarborgen niet voldoende is, neemt de intensiteit van ons vervolgtoezicht toe. Ook dit is proportioneel.
Bovenstaande geven we in tabel 7.5.1a schematisch weer. De invulling is maatwerk per onderzoek.
Tabel 7.5.1a Inrichting vervolgtoezicht
7.5.2. Escaleren
Bijlage 2. Waarderingskader niet-bekostigd mbo
Naarmate verbetering uitblijft en de risico’s op kwaliteitsverlies groter worden, treedt een volgende fase van escalatie in werking. De escalatie sluit aan op de bevoegdheden van de inspectie en vervolgens op die van de minister. Interventies die de minister kan inzetten betreffen onder andere: de opschorting en inhouding van (een deel van de) bekostiging, oplegging van bepaalde bestuurlijke boetes, de oplegging van een aanwijzing (bij wanbeheer) of een spoedaanwijzing (bij, kort gezegd, een wezenlijk vermoeden van wanbeheer), schorsing van de bevoegdheid tot examinering en ontneming van rechten. De minister heeft ten aanzien van sommige van deze besluiten aan de inspectie mandaat verleend om deze namens hem te nemen. De reikwijdte van dit mandaat is neergelegd in artikel 7 van het Organisatie- en mandaatbesluit OCW 2008. De Minister heeft bijvoorbeeld de bevoegdheid om direct over te gaan tot inhouding van (een deel van de) bekostiging bij het niet naleven van een wettelijk voorschrift en heeft aan de inspectie mandaat verleend om dit besluit te nemen tot een maximumpercentage. Dit besluit kan alleen worden genomen nadat het schoolbestuur een redelijke termijn heeft gekregen om de tekortkoming te herstellen.6Beleidsregel financiële sancties bij bekostigde onderwijsinstellingen 2022. Een escalatietraject is bij elke toezichtsituatie anders. De volgorde van interventie en escalatiestappen wordt per situatie bepaald.
Interventies kunnen variëren van een herstelopdracht om tekortkomingen op te heffen op schoolniveau tot zeer ingrijpende maatregelen op het niveau van bekostiging van scholen en op het niveau van besturen. Vanzelfsprekend wegen we in alle gevallen af wat de ernst en de langdurigheid van de risico’s zijn en of het bestuur voldoende perspectief op verbetering van de situatie biedt.
8. Communicatie en rapportage
8.1. Inleiding
Als inspectie hebben we een publieke taak om ouders en de samenleving te informeren over onze bevindingen en oordelen over de kwaliteit van de (be)sturing en het onderwijs. Daarom geven we op verschillende manieren actief inzicht in onze onderzoeksresultaten en oordelen. Zo dragen we bij aan de informatie die over het onderwijsstelsel, de besturen en opleidingen beschikbaar is. Naast de informatie waarin de inspectie voorziet, leveren besturen, opleidingen en anderen, elk vanuit hun rol en (publieke) verantwoordelijkheid, een bijdrage aan de informatie die over de opleidingen en het onderwijs beschikbaar is.
Naast communicatie via het informatie- en meldpunt van de inspectie, de website en ‘De Staat van het Onderwijs’ zijn er rapportages over themaonderzoeken en onderzoeken bij besturen en opleidingen beschikbaar. Al onze rapporten zijn in beginsel openbaar.96In artikel 15, tweede lid, WOT is bepaald dat rapporten van een specifiek onderzoek openbaar zijn, tenzij aard of omvang van het onderzoek zich tegen openbare rapportage verzet. We zijn daarmee transparant in onze werkwijze en onze oordelen en waarderingen. Onze website is de centrale plek waar onze rapporten terug te vinden zijn. In dit hoofdstuk beschrijven we hoe we communiceren en geven we een toelichting op de verschillende rapportagevormen.
2 Zeer zwak onderwijs wordt beschouwd als onderwijs van onvoldoende kwaliteit in de zin van artikel 6.2.2 WEB. Een bestuur kan bezwaar en beroep aantekenen tegen de uit het oordeel Zeer zwak voortvloeiende waarschuwing (artikel 6.2.3 WEB). De diploma-erkenning kan (bij onvoldoende verbetering na een waarschuwing) worden ontnomen.
Onze communicatie over de resultaten van onderzoeken kent meerdere vormen. We richten ons ten eerste op de vraag welke doelgroep het meest zou kunnen doen met onze toezichtsinformatie. We bepalen wie mogelijk betrokken is bij het verhogen van de onderwijskwaliteit of bij het oplossen van problemen. Vervolgens stemmen we de vorm van de communicatie daarop af. Naast de verschillende – meer formele – vormen van rapportage die hierna zijn beschreven, maken we gebruik van andere vormen van communicatie. Bijvoorbeeld van infographics of animaties. Ook de inzet van sociale media, bijdragen aan relevante congressen, het geven van lezingen en het zelf organiseren van conferenties of rondetafelgesprekken, maken deel uit van onze communicatie. Een belangrijke communicatievorm daarin is ons jaarlijkse congres, waar we ‘De Staat van het Onderwijs’ presenteren.
9.5.1. Inleiding
Meldingen over het onderwijs hebben voor ons een signaalfunctie en we nemen deze mee bij de jaarlijkse prestatieanalyse en de expertanalyse ter voorbereiding van het vierjaarlijks onderzoek. Soms is de signalering zo ernstig van aard dat deze meteen aanleiding voor onderzoek vormt.
De werkwijze van het toezicht is zoals beschreven in hoofdstuk 7. Bij nieuwe instellingen voeren we een Start kwaliteitsonderzoek uit.
We rapporteren op stelselniveau en op het niveau van besturen en opleidingen. In beginsel maken we onze rapporten over besturen en opleidingen in de derde week na vaststelling openbaar (artikel 21, eerste lid, WOT).97In artikel 15, tweede lid, WOT is bepaald dat rapporten van een specifiek onderzoek openbaar zijn, tenzij aard of omvang van het onderzoek zich tegen openbare rapportage verzet.
Ook onderzoeken we de stand van zaken op het gebied van Besturing, kwaliteitszorg en ambitie, maar geven geen oordeel. Het toezicht bestaat uit een kwaliteitsonderzoek bij één opleiding. De uitkomst van dit onderzoek bepaalt of de beschikking tot het verlenen van de voorlopige diploma-erkenning automatisch (van rechtswege) verlengd wordt in een beschikking voor onbepaalde tijd.
Onderzoeken op stelselniveau kennen de volgende rapportagevormen.
Jaarlijks rapporteren we over het onderwijsstelsel als geheel in ‘De Staat van het Onderwijs’. Dit rapport publiceren we elk voorjaar. Hierin beschrijven we hoe het staat met de realisatie van de kernfuncties van het onderwijsstelsel. Ook geven we een beeld van de kwaliteit van de besturen en instellingen, de positieve ontwikkelingen en de mogelijke zorgen. Voor ‘De Staat van het Onderwijs’ gebruiken we onder andere de onderzoeksgegevens uit onze vierjaarlijkse onderzoeken, themaonderzoeken en gegevens uit (internationaal) wetenschappelijk onderzoek. Zo geven we een actueel beeld van de prestaties van het stelsel als geheel (zie hoofdstuk 7).
Jaarlijks rapporteren we ook over de financiële toestand van de instellingen en het onderwijsstelsel. Wij baseren ons daarbij op financiële gegevens van de instellingen zelf en verder op toezichtactiviteiten en onderzoeken die wij uitvoeren rond het financieel beheer van instellingen. Daarbij geven we aan wat goed gaat en wijzen we op risico’s.
9.6.1. Inleiding
Bekostigde (op grond van artikel 1.3.1, eerste en tweede lid, WEB) en niet-bekostigde vavo-opleidingen (op grond van artikel 1.4a.1, WEB) leiden op tot het behalen van een geheel diploma of een of meer certificaten.
Over onderzoeken op bestuursniveau rapporteren we in het rapport van het vierjaarlijks onderzoek. Dit rapport is gericht aan het bestuur en geeft een totaalbeeld van de bevindingen en oordelen op bestuursniveau en van de onderzoeksactiviteiten die in dit kader op opleidingen plaatsvonden. We rapporteren in dit rapport kort over verificatie-activiteiten en – wanneer uitgevoerd – kwaliteitsonderzoeken naar risico’s en/of onderzoeken naar de waardering Goed en/of onderzoeken naar financiële risico’s. Bij verificatie-activiteiten op opleidingsniveau geven we geen oordelen of waarderingen. De rapportage hierover is daarom beknopt.
In het rapport maken we onderscheid tussen enerzijds de beoordeling van de naleving van de deugdelijkheidseisen (voldoen het bestuur en zijn opleidingen aan de basiskwaliteit?) en anderzijds onze waardering van de ambities. Tot slot worden in beginsel in het rapport eventuele herstelopdrachten en -onderzoeken vastgelegd die betrekking hebben op het herstel van niet-naleving van de deugdelijkheidseisen. Dan leggen we ook de termijnen vast waarbinnen de tekortkoming(en) moet(en) zijn hersteld (zie paragraaf 7.5).
De oordelen op bestuursniveau presenteren we samen met het betreffende onderzoeksrapport op onze website. Het doel hiervan is om belanghebbenden over de resultaten van het toezicht te informeren. Als daarna uit herstelonderzoek blijkt dat een bestuur de aangetroffen tekortkomingen heeft hersteld, dan wordt dit nieuwe oordeel ook zichtbaar gemaakt op de website.
Als uit eerder onderzoek blijkt dat een bestuur niet in staat is noodzakelijke verbetermaatregelen te treffen of als uit signalen problemen naar voren komen die direct om onderzoek naar een specifiek knelpunt vragen, voert de inspectie een specifiek onderzoek uit. Deze onderzoeken worden uitgevoerd in het kader van artikel 15 van de Wet op het onderwijstoezicht (WOT). Over de bevindingen en conclusies wordt een rapport gemaakt dat in beginsel op de website van de inspectie openbaar wordt gemaakt.
We rapporteren apart op bestuursniveau over de onderzoeken die buiten een vierjaarlijks onderzoek vallen en uitgevoerd worden bij financiële risico’s.
NB: Het oordeel Zeer zwak kunnen we – op basis van de huidige wetgeving (anno 2024) – niet vellen over de doorlopende leerroutes vmbo-mbo.
We rapporteren over onze bevindingen uit onderzoeken op opleidingen vaak als onderdeel van andere rapportages over besturen of het stelsel. In themaonderzoeken presenteren we een algemeen beeld, waardoor bevindingen van een individuele opleiding niet herkenbaar zijn in het rapport. Het rapport ‘Vierjaarlijks onderzoek bij bestuur en opleidingen’ bevat deelrapportages over onderzoeks- en verificatie-activiteiten die binnen het bestuursonderzoek op opleidingen plaatsvonden. We rapporteren afzonderlijk over onderzoeken die we op opleidingen uitvoeren, buiten de thema- en bestuursonderzoeken om. Zo kunnen ouders en andere belangstellenden, naast de informatie die vanuit het bestuur beschikbaar is, van onze toezichtsresultaten kennisnemen. Dat doen we in de volgende gevallen.
Als we een risico-kwaliteitsonderzoek of een steekproef-kwaliteitsonderzoek hebben uitgevoerd, rapporteren we over de uitkomsten in een rapport gericht aan het bestuur. Bij het oordeel Zeer zwak zenden we het bestuur ook een rapport toe dat bedoeld is voor ouders. Naast een beschrijving van de bevindingen worden de oordelen op de standaarden weergegeven. Ook wordt het eindoordeel toegevoegd. Het rapport van de opleiding plaatsen we op onze website.
Voor het risico-kwaliteitsonderzoek geldt dat, wanneer het bestuur in opdracht van de inspectie zelf een (herstel)onderzoek uitvoert, de resultaten na herstel op de inspectiewebsite in principe worden vermeld via een verwijzing naar de website van het bestuur.
Ook over onderzoeken naar Goed brengen we een afzonderlijk rapport uit als deze buiten een vierjaarlijks onderzoek bij bestuur en opleidingen plaatsvinden. Naast een beschrijving van de bevindingen geven we hierin de waarderingen en oordelen op de standaarden weer. Ook voegen we het eindoordeel toe. Het rapport plaatsen we op onze website.
Net als bij besturen kunnen we ook op opleidingsniveau een specifiek onderzoek uitvoeren. Dit kan met het onderzoek op bestuursniveau samenhangen, maar ook afzonderlijk worden uitgevoerd. Dergelijke onderzoeken worden uitgevoerd in het kader van artikel 15, WOT. Over de bevindingen en conclusies schrijven we een rapport, dat op de website van de inspectie openbaar wordt gemaakt.
= de standaarden op bestuursniveau (BKA) betreffen het niet-bekostigd vavo en B2. Het bekostigd vavo volgt voor BKA hoofdstuk 4-Waarderingskader besturen van het Onderzoekskader middelbaar beroepsonderwijs.
Zoals in de inleiding van dit hoofdstuk staat, maken we al onze rapporten in beginsel openbaar.98In artikel 15, tweede lid, WOT is bepaald dat rapporten van een specifiek onderzoek openbaar zijn, tenzij aard of omvang van het onderzoek zich tegen openbare rapportage verzet. Nadat we het bestuur gevraagd hebben op basis van het conceptrapport een (beleids)reactie op te stellen, voegen we deze aan het rapport toe en stellen we het rapport definitief vast.
Als met het bestuur geen overeenstemming is bereikt over de door het bestuur gewenste wijzigingen van het conceptrapport, heeft het bestuur een andere zienswijze op de oordelen en waarderingen. Deze zienswijze voegen we als bijlage toe aan het definitieve rapport.
Een bestuur kan bezwaar maken tegen de openbaarmaking van een rapport als het een onderzoek is dat wordt uitgevoerd op basis van artikel 15 van de WOT (specifiek onderzoek, paragraaf 5.3) en daarnaast kan een bestuur bezwaar maken tegen het eindoordeel Zeer zwak.
In bepaalde gevallen is het mogelijk om een klacht in te dienen over een gedraging van de inspectie. Wij verwijzen u voor de klachtenprocedure naar onze website (www.onderwijsinspectie.nl).
1 Het recht op examinering kan (bij onvoldoende verbetering na een waarschuwing) worden ontnomen op grond van artikel 6a.2.1 WEB. Voor niet-bekostigd vavo geldt daarnaast op grond van artikel 6a.1.2 WEB dat de diploma-erkenning kan worden ontnomen (bij onvoldoende verbetering na een waarschuwing).
2 Bij niet-bekostigd vavo kan het oordeel Zeer zwak worden gezien als invulling van onderwijs en/of examinering van onvoldoende kwaliteit in de zin van artikel 6a.1.2 jo 1.4a.1, eerste lid, WEB. De diploma-erkenning kan (bij onvoldoende verbetering na een waarschuwing) worden ontnomen.
9.3.3. Werkwijze
4.1. Inleiding
Ook zijn er onderwijssoorten of -voorzieningen in de vorm van een pilot. In die gevallen is er wel sprake van inspectiebetrokkenheid, maar is de wet- en regelgeving nog niet volledig uitgekristalliseerd. Vanwege het tijdelijke karakter van pilots en experimenten zijn deze niet beschreven in dit onderzoekskader.
Het onderwijsstelsel laat de afgelopen jaren ontwikkelingen zien naar meer variatie in bijvoorbeeld onderwijsroutes, diplomering en samengestelde trajecten. Besturen hebben de verantwoordelijkheid voor al het onderwijs dat zij aanbieden. De beoordeling van de kwaliteit hiervan vindt in beginsel plaats binnen de reikwijdte van het vierjaarlijks onderzoek. Wij baseren ons hierbij op geldende wet- en regelgeving die voor deze routes van toepassing zijn.
Achtereenvolgens beschrijven we het toezicht op aanbieders van niet uit ’s Rijks kas bekostigd beroepsonderwijs (paragraaf 9.2.), voortgezet algemeen volwassenonderwijs (vavo) en particuliere zelfstandige exameninstellingen (paragraaf 9.3), overige educatie (paragraaf 9.4), de leerroute vmbo-mbo (paragraaf 9.5), het toezicht op het middelbaar beroepsonderwijs in Caribisch Nederland (paragraaf 9.6), het samenwerkingscollege (paragraaf 9.7) en zelfstandige exameninstellingen (paragraaf 9.8).
In de tekst hieronder staat een overzicht van de standaarden uit het waarderingskader (hoofdstuk 4 en/of 5) die al dan niet, of met wijziging, van toepassing zijn op genoemde voorzieningen. De overige wettelijke vereisten (paragraaf 4.4 en 5.4) zijn ook van toepassing op de bijlagen. Verder zijn afwijkingen in de normering (hoofdstuk 6) en de werkwijze (hoofdstuk 7) opgenomen. Voor de leesbaarheid zijn de volledige waarderingskaders per onderwijssoort in de bijlagen opgenomen.
9.2. Niet-bekostigd mbo
Sinds 1 augustus 2018 kunnen instellingen onder gezamenlijke verantwoordelijkheid één of meer opleidingen verzorgen binnen een samenwerkingscollege. De eisen waaraan zo’n samenwerking moet voldoen, zijn opgenomen in de WEB. Zo moeten de deelnemende instellingen een samenwerkingsovereenkomst sluiten en daarin onder andere afspraken maken over de leiding van het samenwerkingscollege (artikel 8.6.1, WEB). Verder moet in BRON geregistreerd worden welke studenten van de deelnemende instellingen onderwijs volgen aan het samenwerkingscollege (artikel 2.3.6a, tweede lid, onder n, en 2.5.5a, tweede lid, onder t, WEB).103Op dit moment is registratie op het niveau van het samenwerkingscollege in BRON nog niet mogelijk. Dit zal op korte termijn mogelijk worden gemaakt door DUO. Ook moet de onderwijs- en examenregeling aangeven waar de opleiding wordt verzorgd als er sprake is van een samenwerkingscollege (art. 7.4.8 lid 2a onderdeel e WEB).
Naast bekostigde instellingen kunnen ook aanbieders van niet uit ’s Rijks kas bekostigd beroepsonderwijs mbo-opleidingen met een erkend diploma aanbieden. Om in aanmerking te (blijven) komen voor het recht op diploma-erkenning moeten opleidingen van aanbieders van niet uit ’s Rijks kas bekostigd beroepsonderwijs aan de eisen genoemd in hoofdstuk 11 (paragraaf 1 en 2) van de WEB voldoen.100Niet-bekostigde opleidingen kunnen ook worden verzorgd door bekostigde mbo-instellingen. In zo’n geval hanteren we op bestuursniveau de standaarden uit het waarderingskader middelbaar beroepsonderwijs (hoofdstuk 4) en op opleidingsniveau de standaarden uit het waarderingskader voor niet-bekostigd middelbaar beroepsonderwijs, zoals opgenomen in bijlage 2. De diploma-erkenning kan de beroepsopleidende leerweg (bol), beroepsbegeleidende leerweg (bbl), of de loopbaanbegeleidende leerweg (lbl) betreffen.
9.2.2. Aanpassingen waarderingskader en normering
Voor aanbieders van niet uit ’s Rijks kas bekostigd beroepsonderwijs gelden enkele uitzonderingen op en afwijkingen van het waarderingskader mbo 2021 en de totstandkoming van het eindoordeel/waardering. Hieronder geven we voor aanbieders van niet uit ’s Rijks kas bekostigd beroepsonderwijs uitgezonderde wettelijke bepalingen in een overzicht weer. Vervolgens geven we de afwijkingen aan voor de beoordeling van het kwaliteitsgebied Onderwijsresultaten. De aanpassingen in de standaarden zijn gemaakt op basis van deze wettelijke bepalingen.
De volgende wettelijke bepalingen uit de verantwoording van de standaarden zijn niet van toepassing op aanbieders van niet uit ’s Rijks kas bekostigd beroepsonderwijs.
Binnen het kwaliteitsgebied Onderwijsresultaten is de standaard Studiesucces voor niet-bekostigde mbo-instellingen dezelfde als die voor bekostigde mbo-instellingen, maar wordt deze beoordeeld aan de hand van een andere indicator, namelijk Cohortrendement. Cohortrendement wordt op basis van een norm beoordeeld. Zie voor de uitwerking bijlage 1. De standaard Vervolgsucces (OR3) is niet van toepassing voor niet-bekostigd mbo en is om die reden geschrapt. Het volledige waarderingskader niet-bekostigd mbo is opgenomen in bijlage 2.
9.8. Zelfstandige exameninstellingen
5.1. Inleiding
2 Zeer zwak onderwijs wordt beschouwd als onderwijs van onvoldoende kwaliteit in de zin van artikel 11.1.20, eerste lid, onderdeel b, WEB. Een bestuur kan bezwaar en beroep aantekenen tegen de uit het oordeel Zeer zwak voortvloeiende waarschuwing (artikel 11.1.22, tweede lid, WEB). De diploma-erkenning kan (bij onvoldoende verbetering na een waarschuwing) worden ontnomen.
1 Het recht op examinering kan (bij onvoldoende verbetering na een waarschuwing) worden ontnomen op grond van artikel 11.1.19, eerste lid, WEB.
2 Zeer zwak onderwijs wordt beschouwd als onderwijs van onvoldoende kwaliteit in de zin van artikel 11.1.20, eerste lid, onderdeel b, WEB. Een bestuur kan bezwaar en beroep aantekenen tegen de uit het oordeel Zeer zwak voortvloeiende waarschuwing (artikel 11.1.22, tweede lid, WEB). De diploma-erkenning kan (bij onvoldoende verbetering na een waarschuwing) worden ontnomen.
9.2.3. Werkwijze
De werkwijze van het toezicht is zoals beschreven in hoofdstuk 7. Bij nieuwe instellingen voeren we een Start kwaliteitsonderzoek uit.
Bij nieuwe instellingen voeren we een kwaliteitsonderzoek uit op drie of vier kwaliteitsgebieden. Dit is het gebied Onderwijsproces, het gebied Veiligheid en schoolklimaat en, wanneer de instelling al studenten heeft gediplomeerd, het gebied Borging en afsluiting.
Bijlage 1. Normering en beoordeling onderwijsresultaten
2 Het oordeel Zeer zwak kan worden gezien als invulling van onderwijs en/of examinering van onvoldoende kwaliteit in de zin van artikel 6a.1.2 jo 1.4a.1, eerste lid, WEB. De diploma-erkenning kan (bij onvoldoende verbetering na een waarschuwing) worden ontnomen.
De werkwijze van het toezicht is zoals beschreven in hoofdstuk 7. Bij nieuwe instellingen voeren we een Start kwaliteitsonderzoek uit.
In deze paragraaf beschrijven wij het toezicht op voortgezet onderwijs dat wordt uitgevoerd door:
De twee laatste soorten worden in samenhang verzorgd door particuliere instellingen.
Bekostigde (op grond van artikel 1.3.1, eerste en tweede lid, WEB) en niet-bekostigde vavo-opleidingen (op grond van artikel 1.4a.1, WEB) leiden op tot het behalen van een geheel diploma of een of meer certificaten.
Particuliere zelfstandige exameninstellingen, ook wel B2-scholen genoemd (op grond van artikel 2.66 WVO 2020), leiden op tot het behalen van een geheel diploma voortgezet onderwijs. Deze opleidingen worden in de praktijk vaak verzorgd door besturen die ook voor niet-bekostigde opleidingen vavo een diploma-erkenning hebben. De leerlingen van B2 en niet-bekostigd vavo zitten vaak in dezelfde klas en volgen hetzelfde onderwijs.
Voor deze typen scholen zijn twee wetten van toepassing: de Wet op het voortgezet onderwijs 2020 (WVO 2020) en de Wet educatie en beroepsonderwijs (WEB).
5.4. Overige wettelijke vereisten
Vanwege de grote overeenkomsten tussen deze vormen van onderwijs is één waarderingskader opgesteld. Onder basiskwaliteit wordt ten eerste beschreven aan welke basiskwaliteit beide onderwijsvormen moeten voldoen. Daaronder geven we, voor zover van toepassing, de aanvullende eisen voor de basiskwaliteit voor vavo dan wel de B2-scholen. Bij vavo kan er onderscheid gemaakt worden tussen de wettelijke eisen voor particuliere vavo-scholen en voor bekostigde vavo-scholen onder een roc-bestuur. Ook is in de wettelijke onderbouwing, waar van toepassing, onderscheid aangegeven.
Op bestuursniveau sluit het waarderingskader grotendeels aan op de kaders voor middelbaar beroepsonderwijs en voortgezet onderwijs; voor B2-instellingen sluit het waarderingskader grotendeels aan bij het waarderingskader voor niet-bekostigde instellingen in het middelbaar beroepsonderwijs. Dit laatste waarderingskader is opgenomen in bijlage 2.
9.3.2. Aanpassingen waarderingskader en normering
6.1. Inleiding
De aanpassingen in het waarderingskader ten opzichte van het waarderingskader middelbaar beroepsonderwijs en voortgezet onderwijs betreffen alle standaarden. Voor vavo en B2-scholen zijn er vanuit de onderwijswetten gezien geen wettelijke eisen rond achterstandsbestrijding, deelname aan een samenwerkingsverband passend onderwijs en – voor zover het betreft niet-bekostigd vavo en de per definitie niet bekostigde B2-scholen – medezeggenschap. Voor vavo is er daarnaast geen wettelijke eis rond burgerschapsvorming.
Enkele standaarden zijn niet in dit waarderingskader opgenomen, te weten Schoolklimaat en Sociale en maatschappelijke competenties. De standaard Stage/praktijkvorming geldt alleen voor B2-instellingen voor zover het de onderwijssoort vmbo-b, -k en -g betreft.
4. Studiesucces: oordeelsvorming en werkwijze
In bijlage 3-Waarderingskader vavo en particuliere zelfstandige exameninstellingen (B2) is het uitgangspunt:
= de standaarden op bestuursniveau (BKA) betreffen het niet-bekostigd vavo en B2. Het bekostigd vavo volgt voor BKA hoofdstuk 4-Waarderingskader besturen van het Onderzoekskader middelbaar beroepsonderwijs.
6.3. Oordelen en waarderen standaarden bestuur en opleidingen
Voor het bepalen van een oordeel over de kwaliteit van het onderwijs gelden de beslisregels uit paragraaf 6.5. B2-scholen en niet-bekostigd vavo komen niet in aanmerking voor de waardering Goed.
1 Het recht op examinering kan (bij onvoldoende verbetering na een waarschuwing) worden ontnomen op grond van artikel 6a.2.1 WEB. Voor niet-bekostigd vavo geldt daarnaast op grond van artikel 6a.1.2 WEB dat de diploma-erkenning kan worden ontnomen (bij onvoldoende verbetering na een waarschuwing).
9.5.3. Werkwijze
1 Het recht op examinering kan (bij onvoldoende verbetering na een waarschuwing) worden ontnomen op grond van artikel 6a.2.1 WEB. Voor niet-bekostigd vavo geldt daarnaast op grond van artikel 6a.1.2 WEB dat de diploma-erkenning kan worden ontnomen (bij onvoldoende verbetering na een waarschuwing).
2 Bij niet-bekostigd vavo kan het oordeel Zeer zwak worden gezien als invulling van onderwijs en/of examinering van onvoldoende kwaliteit in de zin van artikel 6a.1.2 jo 1.4a.1, eerste lid, WEB. De diploma-erkenning kan (bij onvoldoende verbetering na een waarschuwing) worden ontnomen.
9.3.3. Werkwijze
De werkwijze van het toezicht is zoals beschreven in hoofdstuk 7. De maatregelen in het kader van herstel en verbetering zijn in voorkomende situaties ook van toepassing op deze scholen. Als escalatie van het toezicht noodzakelijk blijkt, kunnen bevoegdheden worden ingetrokken door de minister.
Ten aanzien van zowel bekostigd vavo als niet bekostigd vavo geldt dat de examenlicentie bij onvoldoende examinering kan worden ingetrokken op basis van artikel 6a.2.1, WEB.
7. Vavo en B2-scholen
Voor onbekostigde scholen met examenlicentie kan de aanwijzing om diploma’s te mogen uitreiken worden ingetrokken (artikel 2.70 WVO 2020).
9.3.4. Werkwijze start kwaliteitsonderzoek
Bij nieuwe instellingen voeren we een kwaliteitsonderzoek uit op drie of vier kwaliteitsgebieden: het gebied Onderwijsproces, het gebied Veiligheid en schoolklimaat en, indien de instelling reeds deelnemers heeft gediplomeerd, het gebied Borging en afsluiting. Tevens onderzoeken we de stand van zaken op het gebied van Besturing, kwaliteitszorg en ambitie. Het toezicht bestaat uit een kwaliteitsonderzoek bij één opleiding. De uitkomst van dit onderzoek bepaalt de planning van het vierjaarlijks onderzoek.
9.4. Overige educatie
9.4.1. Inleiding
Alle vormen van overige educatie richten zich op de doelgroep van laaggeletterde volwassenen en anderstaligen met of zonder inburgeringsplicht. De inhoud van het onderwijs richt zich op taal (Nederlands), rekenen, digitale vaardigheden en aanbod op andere gebieden met als doel instroom in een mbo-, hbo-opleiding of wo-opleiding. Voor alle opleidingen zijn eindtermen vastgesteld. Het doel is divers, het kan deelnemers (beter) in staat stellen deel te nemen aan onderwijs, werk en samenleving.
9.6.3. Werkwijze
Een andere groep bestaat uit de inburgeringsplichtigen. Per 1 januari 2022 is een nieuwe inburgeringswet ingevoerd met daarin drie verschillende routes voor een inburgeraar. De inspectie houdt toezicht op één van deze routes, de Onderwijsroute. Deze route leidt de inburgeraar op voor een taalschakeltraject, waarmee de inburgeraar in staat wordt gesteld om daarna een onderwijsdiploma te behalen. De Onderwijsroute bestaat uit zeven verschillende taalschakeltrajecten die de inburgeraar voorbereiden op vervolgonderwijs. Dit kan zowel op mbo, hbo als wo-niveau zijn.
Bijlage 3. Waarderingskader vavo107OP0 wordt niet beoordeeld bij vavo. en particuliere zelfstandige exameninstellingen (B2)
Dit heeft tot gevolg dat het waarderingskader, met name onder de standaarden BA Borging en Afsluiting, licht afwijkt. Dit geven we in bijlage 4 met voetnoten aan.
9.7.1. Inleiding
9.4.2. Aanpassingen waarderingskader en normering
Voor overige educatie gelden uitzonderingen op en afwijkingen van het waarderingskader niet-bekostigd mbo 2021 en de totstandkoming van het eindoordeel/waardering. Hieronder geven we voor overige educatie in een tabel uitgezonderde wettelijke bepalingen ten opzichte van het waarderingskader niet-bekostigd mbo 2021 weer. De aanpassingen in deze standaarden zijn gemaakt op basis van deze wettelijke bepalingen.
7.2. Stelseltoezicht
Bijlage 6. Waarderingskader middelbaar beroepsonderwijs Caribisch Nederland
Het volledige waarderingskader overige educatie is opgenomen in bijlage 4.
De normering voor overige educatie is deels vergelijkbaar met de normering voor het niet-bekostigd mbo voor wat betreft de normering voor standaarden en voor het bestuursniveau. Bij overige educatie zien wij niet toe op het financieel beheer, dit is dus geen voorwaarde voor de waardering Goed.
1 De diploma-erkenning kan (bij onvoldoende verbetering na een waarschuwing) worden ontnomen op grond van artikel 6a.1.2 WEB.
2 Het oordeel Zeer zwak kan worden gezien als invulling van onderwijs en/of examinering van onvoldoende kwaliteit in de zin van artikel 6a.1.2 jo 1.4a.1, eerste lid, WEB. De diploma-erkenning kan (bij onvoldoende verbetering na een waarschuwing) worden ontnomen.
De werkwijze van het toezicht is zoals beschreven in hoofdstuk 7. Bij nieuwe instellingen voeren we een Start kwaliteitsonderzoek uit.
9.4.3. Werkwijze start kwaliteitsonderzoek
Bij nieuwe instellingen voeren we een kwaliteitsonderzoek uit op drie of vier kwaliteitsgebieden. Dit is het gebied Onderwijsproces, het gebied Veiligheid en schoolklimaat en, indien de instelling reeds deelnemers heeft gediplomeerd, het gebied Borging en afsluiting. Tevens onderzoeken we de stand van zaken op het gebied van Besturing, kwaliteitszorg en ambitie. Het toezicht bestaat uit een kwaliteitsonderzoek bij één opleiding. De uitkomst van dit onderzoek bepaalt de planning van het vierjaarlijks onderzoek.
Indien een standaard als voldoende is beoordeeld, dan voldoet deze aan de basiskwaliteit. Indien een standaard als onvoldoende wordt beoordeeld, dan vindt vervolgtoezicht plaats. Het recht op examinering kan (bij onvoldoende verbetering van de examinering na een waarschuwing) worden ontnomen op grond van artikel 6.3.2 jo artikel 6.2.3b WEB.
5 Voor de taalschakeltrajecten is de wettelijke onderbouwing te vinden in de Regeling standaarden examenkwaliteit WEB.
Een doorlopende of geïntegreerde leerroute is een gezamenlijk onderwijsprogramma vanaf het derde leerjaar van het vmbo tot en met een mbo-diploma (op niveau 2, 3 of 4).
Een doorlopende leerroute vmbo-mbo leidt uiteindelijk tot een mbo-diploma op niveau 2, 3 of 4. De leerling behaalt daarnaast ook een vmbo-diploma. De geïntegreerde leerroute die opleidt tot een diploma op niveau 2 kan afgerond worden zonder het behalen van een vmbo-diploma. De examenleerstof moet wel behandeld zijn.
Bij een doorlopende of geïntegreerde leerroute vmbo-mbo is de leerling in de eerste twee jaar van de leerroute (het derde en vierde leerjaar van het vmbo) ingeschreven bij de vmbo-school. Vanaf het derde jaar van de leerroute wordt de leerling ingeschreven bij de mbo-instelling.101De eerste twee jaar van de leerroute staat de leerling ingeschreven op de school voor voortgezet onderwijs, is de wet- en regelgeving voor voortgezet onderwijs van toepassing en is de school voor voortgezet onderwijs verantwoordelijk (met uitzondering van het onderwijs aan het middelbaar beroepsonderwijs en de examinering die in die periode worden aangeboden, daarvoor blijft de school voor middelbaar beroepsonderwijs verantwoordelijk). Na twee jaar wordt de jongere overgeschreven naar het middelbaar beroepsonderwijs; dan is de wet- en regelgeving voor het middelbaar beroepsonderwijs van toepassing (met uitzondering van het onderwijs, de examinering en de diplomering voortgezet onderwijs die in deze periode plaatsvinden, daarvoor blijft het vmbo verantwoordelijk).
De vmbo-school en de mbo-instelling werken samen op basis van een samenwerkingsovereenkomst en leggen daarin onder meer de inhoud van de leerroute vast en hoe de dagelijkse leiding over de leerroute is vormgegeven. Het onderwijs- en examenprogramma wordt vastgelegd in de gecombineerde PTA/OER.
Bij opleidingen op niveau 2, 3 en 4 beoordelen we de standaard Studiesucces aan de hand van drie indicatoren: Jaarresultaat (JR), Diplomaresultaat (DR) en Startersresultaat (SR). We beschrijven verder de standaard aan de hand van de indicatoren Passende plaatsing, Passend diploma en Opstroom.
We beschouwen doorlopende leerroutes vmbo-mbo als een afzonderlijk object van toezicht, waarop de wetgeving van toepassing is die ook geldt voor de sectorale kaders voortgezet onderwijs en middelbaar beroepsonderwijs (zie hoofdstuk 1 van beide kaders).
7.2.3. Agenderen en interveniëren
Vanwege de verschillen in wetgeving zijn enkele standaarden en kwaliteitsgebieden specifiek aangepast op (wetgeving voor) de doorlopende leerroutes vmbo-mbo. Dit betreffen:
De standaarden Aanbod, (Zicht op) Ontwikkeling en begeleiding, Pedagogisch-didactisch handelen, (Beroeps)Praktijkvorming, Veiligheid en Schoolklimaat kennen slechts nuanceverschillen tussen de sectorale kaders vo en mbo. De omschrijving van deze standaarden is – op basis van de sectorale kaders – aangepast aan de specifieke situaties van de doorlopende leerroutes vmbo-mbo.
De standaarden OR2 (Sociale en maatschappelijke competenties) en OR3 (Vervolgsucces) zijn beide opgenomen in het waarderingskader voor de doorlopende leerroutes vmbo-mbo, met dien verstande dat de standaard OR2 alleen van toepassing is in het voortgezet onderwijs en de standaard OR3 alleen in het middelbaar beroepsonderwijs.
Bij een onderzoek op niveau van de leerroute vmbo-mbo trekken we op basis van onze oordelen op de standaarden een conclusie over de kwaliteit van het onderwijs volgens de volgende beslisregels.
1 Onvoldoende examenkwaliteit is alleen van toepassing op het mbo-deel. Het recht op examinering kan (bij onvoldoende verbetering na een waarschuwing) worden ontnomen op grond van artikel 6.1.5b WEB.
NB: Het oordeel Zeer zwak kunnen we – op basis van de huidige wetgeving (anno 2025) – niet vellen over de doorlopende leerroutes vmbo-mbo.
Bijlage 5 bevat het volledige waarderingskader voor de leerroutes vmbo-mbo.
Samen met de instellingen en het veld wil de inspectie de komende jaren hiermee verder kennis over de onderwijsresultaten van de entreeopleidingen opbouwen, om langs die weg te komen tot een goede en faire beschrijving van het niveau van de onderwijsresultaten van entreeopleidingen.
We beschouwen de doorlopende leerroutes als een eigenstandig object van toezicht, vergelijkbaar met een afdeling in het voortgezet onderwijs of een opleiding in het middelbaar beroepsonderwijs. De route wordt onderzocht of beoordeeld volgens het waarderingskader.
4. Studiesucces: oordeelsvorming en werkwijze
De samenwerkingsovereenkomst die ten grondslag ligt aan de doorlopende leerroute en de gecombineerde PTA/OER vormen de basis voor ons toezicht. Hierin zijn de onderlinge afspraken en de verantwoordelijkheidsverdeling vastgelegd. We agenderen eventuele tekortkomingen in de doorlopende leerroute bij beide partijen. Bij concreet aantoonbare tekortkomingen die enkel en alleen onder verantwoordelijkheid van een van de twee partijen voorkomen, behouden we ons het recht voor om met het sectorspecifieke waarderingskader nader onderzoek bij het betreffende deel van de doorlopende leerroute vmbo-mbo uit te voeren.
9.6. Onderwijs in Caribisch Nederland
Bij de beschrijving van de onderwijsresultaten betrekken we de overige indicatoren Passende plaatsing, Passend diploma en Opstroom.
5. Beschrijving resultaten niet-genormeerde indicatoren
De resultaten op de niet-genormeerde indicatoren kunnen in samenhang een beeld geven van de inspanningen die de opleiding en instelling leveren. Dit kan input voor het gesprek over de doelen en ambities van de opleiding en instelling zijn.
Het onderwijs in Caribisch Nederland beoordelen wij zoveel mogelijk aan de hand van dezelfde onderzoekskaders als in Europees Nederland (zie hoofdstuk 1 tot en met 8). Er zijn echter enkele verschillen in het waarderingskader, de normering en de werkwijze. Dat is noodzakelijk, omdat voor Caribisch Nederland specifieke wet- en regelgeving geldt. Ook kunnen wij met een enigszins aangepaste werkwijze beter aansluiten op de onderwijskundige context in Caribisch Nederland. Zo is voor het overgrote deel van de leerlingen en studenten in Caribisch Nederland het Nederlands een vreemde taal.
Het waarderingskader voor Caribisch Nederland is gebaseerd op de Wet Primair Onderwijs BES (WPO BES), de Wet voortgezet onderwijs (WVO 2020) en de Wet educatie en beroepsonderwijs BES (WEB BES). Deze wetten wijken af van de sectorwetten voor Europees Nederland. Bovendien zijn sommige wetsartikelen weliswaar in de wet opgenomen, maar nog niet van kracht. Tot slot is er nog aanvullende regelgeving voor het voortgezet onderwijs op Sint Eustatius en Saba als het gaat om het Engelstalige onderwijs op deze eilanden. Het volledige waarderingskader is te vinden in bijlage 6. Het bevat dezelfde standaarden als het waarderingskader voor Europees Nederland. Op enkele plaatsen is de beschrijving van de basiskwaliteit aangepast vanwege de afwijkende wet- en regelgeving.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)