Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa
Vanaf 1 januari 1981 stelt de Helleense Republiek in Griekenland verkregen en beperkt verspreide kennis op nucleair gebied ter beschikking van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, voor zover het geen strikt commerciële toepassingen betreft. De Commissie deelt deze kennis mee aan de ondernemingen van de Gemeenschap, onder de in artikel 13 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie genoemde voorwaarden.
De in de leden 1 en 2 bedoelde kennis betreft hoofdzakelijk:
- a. studies voor de toepassing van radio-isotopen in de volgende sectoren: geneeskunde, landbouw, entomologie en milieubescherming;
- b. toepassing van nucleaire technieken bij de ouderdomsbepaling;
- c. ontwikkeling van apparatuur op het gebied van de medische elektronica;
- d. ontwikkeling van methoden voor het opsporen van radioactieve ertsen.
Artikel 26
In de sectoren waarin de Helleense Republiek kennis ter beschikking stelt van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, worden door de bevoegde instanties op verzoek licenties tegen commerciële voorwaarden verleend aan de lidstaten en aan personen en ondernemingen van de Gemeenschap die uitsluitende rechten bezitten op in de lidstaten van de Gemeenschap verkregen octrooien, voorzover zij geen verplichting of verbintenis jegens derden hebben om een uitsluitende of gedeeltelijk uitsluitende licentie op de rechten op deze octrooien te verlenen of aan te bieden.
Indien er een uitsluitende of gedeeltelijk uitsluitende licentie is verleend, bevordert en vergemakkelijkt de Helleense Republiek dat de houders van dergelijke licenties tegen commerciële voorwaarden sublicenties verlenen aan de lidstaten en aan personen en ondernemingen van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie.
Het verlenen van dergelijke uitsluitende of gedeeltelijk uitsluitende licenties geschiedt op normale commerciële grondslag.
TITEL IV. BEPALINGEN UIT DE AKTE BETREFFENDE DE TOETREDINGSVOORWAARDEN VOOR HET KONINKRIJK SPANJE EN DE PORTUGESE REPUBLIEK
AFDELING 1. FINANCIËLE BEPALINGEN
Artikel 27
De eigen middelen afkomstig uit de belasting over de toegevoegde waarde worden berekend en gecontroleerd alsof de Canarische Eilanden en Ceuta en Melilla binnen de territoriale werkingssfeer vallen van de Zesde Richtlijn 77/388/EEG van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting – Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag.
AFDELING 2. BEPALINGEN BETREFFENDE OCTROOIEN
Artikel 28
De Spaanse nationale wetgeving inzake bewijslast, vastgesteld overeenkomstig punt 2 van Protocol nr. 8 bij de Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden voor het Koninkrijk Spanje en de Portugese Republiek, is niet van toepassing indien de rechtsvordering ter zake van inbreuk wordt ingesteld tegen de houder van een ander werkwijze-octrooi voor de vervaardiging van hetzelfde product als het product dat het resultaat is van de werkwijze waarop de eiser een octrooi heeft, indien dit andere octrooi vóór 1 januari 1986 is verleend.
In de gevallen waarin de omkering van de bewijslast niet van toepassing is, kan het Koninkrijk Spanje de bewijslast voor de inbreuk blijven leggen bij de octrooihouder. In al deze gevallen past het Koninkrijk Spanje een gerechtelijke procedure van „beschrijvend beslag” toe.
Onder beschrijvend beslag wordt in het kader van de in de eerste en de tweede alinea bedoelde regeling een procedure verstaan volgens welke eenieder die gerechtigd is een rechtsvordering ter zake van inbreuk in te stellen, bij een op zijn verzoek gedane rechterlijke uitspraak, kan verkrijgen dat een deurwaarder, bijgestaan door deskundigen, op de plaats waar de vermoedelijke inbreukmaker is gevestigd, overgaat tot een gedetailleerde beschrijving van de betwiste werkwijzen, met name door het maken van fotokopieën van technische documenten, al dan niet met zakelijk beslag. In deze rechterlijke uitspraak kan het betalen van een borgsom worden gelast, die bestemd is om aan de vermoedelijke inbreukmaker schadevergoeding toe te kennen wanneer door het beschrijvend beslag schade is veroorzaakt.
Artikel 29
De Portugese nationale wetgeving inzake bewijslast, vastgesteld overeenkomstig punt 2 van Protocol nr. 19 bij de Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden voor het Koninkrijk Spanje en de Portugese Republiek, is niet van toepassing indien de rechtsvordering ter zake van inbreuk wordt ingesteld tegen de houder van een ander werkwijze-octrooi voor de vervaardiging van hetzelfde product als het product dat het resultaat is van de werkwijze waarop de eiser een octrooi heeft, indien dit andere octrooi vóór 1 januari 1986 is verleend.
In de gevallen waarin de omkering van de bewijslast niet van toepassing is, kan de Portugese Republiek de bewijslast voor de inbreuk blijven leggen bij de octrooihouder. In al deze gevallen past de Portugese Republiek een gerechtelijke procedure van „beschrijvend beslag” toe.
Onder beschrijvend beslag wordt in het kader van de in de eerste en de tweede alinea bedoelde regeling een procedure verstaan volgens welke eenieder die gerechtigd is een rechtsvordering ter zake van inbreuk in te stellen, bij een op zijn verzoek gedane rechterlijke uitspraak, kan verkrijgen dat een deurwaarder, bijgestaan door deskundigen, op de plaats waar de vermoedelijke inbreukmaker is gevestigd, overgaat tot een gedetailleerde beschrijving van de betwiste werkwijzen, met name door het maken van fotokopieën van technische documenten, al dan niet met zakelijk beslag. In deze rechterlijke uitspraak kan het betalen van een borgsom worden gelast, die bestemd is om aan de vermoedelijke inbreukmaker schadevergoeding toe te kennen wanneer door het beschrijvend beslag schade is veroorzaakt.
AFDELING 3. BEPALINGEN BETREFFENDE HET MECHANISME HOUDENDE AANVULLING VAN DE TEGENPRESTATIES IN HET KADER VAN DOOR DE UNIE MET DERDE LANDEN GESLOTEN VISSERIJOVEREENKOMSTEN
Artikel 30
Er wordt een specifieke regeling ingesteld voor het verrichten van activiteiten ter aanvulling van visserijactiviteiten die door vaartuigen onder de vlag van een lidstaat worden verricht in wateren die onder de soevereiniteit of de jurisdictie van een derde land vallen, in het kader van de bij een visserijovereenkomst tussen de Unie en de betrokken derde landen ingestelde tegenprestaties.
De activiteiten die verricht kunnen worden als aanvulling op visserijactiviteiten, onder de voorwaarden en binnen de grenzen bedoeld in de leden 3 en 4, hebben betrekking op:
- a. de behandeling op het grondgebied van het betrokken derde land van de vangsten die door schepen onder de vlag van een lidstaat zijn gedaan in de wateren van dit derde land tijdens visserijactiviteiten die voortvloeien uit de uitvoering van een visserijovereenkomst, teneinde deze producten in de Unie in de handel te brengen onder de tariefposten van hoofdstuk 03 van het gemeenschappelijk douanetarief;
- b. de aanvoer en de overlading op een vaartuig dat de vlag van een lidstaat voert, in het kader van door een dergelijke overeenkomst voorziene activiteiten, van visserijproducten van hoofdstuk 03 van het gemeenschappelijk douanetarief, met het oog op het vervoer en de eventuele bewerking van deze producten teneinde deze in de Unie in de handel te brengen.
Het invoeren in de Unie van producten die het voorwerp zijn geweest van de in lid 2 bedoelde activiteiten, vindt plaats met gedeeltelijke of gehele schorsing van de rechten van het gemeenschappelijk douanetarief of onder een bijzondere heffingsregeling, onder de voorwaarden en binnen de aanvullende grenzen die jaarlijks worden vastgesteld volgens de omvang van de vangstmogelijkheden welke voortvloeien uit de betrokken overeenkomsten en de bijbehorende uitvoeringsbepalingen.
Bij Europese wet of kaderwet worden de algemene voorschriften voor de toepassing van deze regeling en inzonderheid de criteria voor de verdeling van de betrokken hoeveelheden vastgesteld.
De wijze van toepassing van deze regeling alsmede de betrokken hoeveelheden worden vastgesteld volgens de procedure bedoeld in artikel 37 van Verordening (EG) nr. 104/2000.
AFDELING 4. BEPALINGEN BETREFFENDE CEUTA EN MELILLA
Onderafdeling 1. Algemene bepalingen
Artikel 31
De Grondwet en de handelingen van de instellingen zijn van toepassing op Ceuta en Melilla, onder voorbehoud van de in de leden 2 en 3 en in de andere bepalingen van deze afdeling genoemde afwijkingen.
De voorwaarden waaronder de bepalingen van de Grondwet betreffende het vrije verkeer van goederen, alsmede de handelingen van de instellingen betreffende de douanewetgeving en de handelspolitiek van toepassing zijn op Ceuta en Melilla, zijn neergelegd in onderafdeling 3 van deze afdeling.
Onverminderd de bijzondere bepalingen van artikel 32, zijn de besluiten van de instellingen betreffende het gemeenschappelijk landbouwbeleid en het gemeenschappelijk visserijbeleid niet van toepassing op Ceuta en Melilla.
Op verzoek van het Koninkrijk Spanje kan de Raad bij Europese wet of kaderwet:
- a. Ceuta en Melilla in het douanegebied van de Unie opnemen;
- b. passende maatregelen vaststellen die de bepalingen van het vigerende Unierecht uitbreiden tot Ceuta en Melilla.
Op voorstel van de Commissie, die op eigen initiatief of op verzoek van een lidstaat handelt, kan de Raad bij Europese wet of kaderwet indien nodig aanpassingen van de regeling die voor Ceuta en Melilla geldt, vaststellen.
De Raad besluit met eenparigheid van stemmen, na raadpleging van het Europees Parlement.
Onderafdeling 2. Bepalingen betreffende het gemeenschappelijk visserijbeleid
Artikel 32
Behoudens lid 2 en onverminderd onderafdeling 3, is het gemeenschappelijk visserijbeleid niet van toepassing op Ceuta en Melilla.
Op voorstel van de Commissie stelt de Raad bij Europese wet, kaderwet of verordening, dan wel bij Europees besluit:
- a. de structurele maatregelen vast die ten gunste van Ceuta en Melilla kunnen worden getroffen;
- b. vast op welke wijze de belangen van Ceuta en Melilla geheel of ten dele in aanmerking kunnen worden genomen bij de handelingen die hij, per geval, vaststelt met het oog op de onderhandelingen die de Unie voert omtrent het overnemen of sluiten van visserijovereenkomsten met derde landen, alsmede de specifieke belangen van Ceuta en Melilla in het kader van internationale visserijovereenkomsten waarbij de Unie overeenkomstsluitende partij is.
De Raad stelt, op voorstel van de Commissie, bij Europese wet, kaderwet of verordening, dan wel bij Europees besluit, in voorkomend geval, de mogelijkheden en de voorwaarden vast voor de wederzijdse toegang tot de respectieve visserijzones en de visbestanden daarvan. Hij besluit met eenparigheid van stemmen.
De in de leden 2 en 3 bedoelde Europese wetten en kaderwetten worden na raadpleging van het Europees Parlement vastgesteld.
Onderafdeling 3. Bepalingen betreffende het vrije verkeer van goederen, de douanewetgeving en de handelspolitiek
Artikel 33
De producten van oorsprong uit Ceuta of Melilla, alsmede de producten van herkomst uit derde landen die op Ceuta of Melilla worden ingevoerd in het kader van de regelingen die aldaar op die producten van toepassing zijn, worden bij het in het vrije verkeer brengen op het douanegebied van de Unie niet beschouwd als goederen die voldoen aan de voorwaarden van artikel III-151, leden 1 tot en met 3, van de Grondwet.
Het douanegebied van de Unie omvat niet Ceuta en Melilla.
Behoudens andersluidende bepalingen in deze onderafdeling, zijn de handelingen van de instellingen op het gebied van de douanewetgeving voor het handelsverkeer met derde landen onder dezelfde voorwaarden van toepassing op het handelsverkeer tussen het douanegebied van de Unie enerzijds en Ceuta of Melilla anderzijds.
Behoudens andersluidende bepalingen in deze onderafdeling, zijn de autonome of conventionele handelingen van de instellingen betreffende de gemeenschappelijke handelspolitiek die rechtstreeks verband houden met de invoer of de uitvoer van goederen, niet van toepassing op Ceuta of Melilla.
Behoudens andersluidende bepalingen in deze titel, past de Unie in het handelsverkeer met Ceuta en Melilla in producten die onder bijlage I van de Grondwet vallen, de algemene regeling toe die zij toepast ten aanzien van derde landen.
Artikel 34
Onder voorbehoud van artikel 35 worden de douanerechten bij invoer op het douanegebied van de Unie van producten van oorsprong uit Ceuta of Melilla afgeschaft.
Artikel 35
Voor visserijproducten van de posten 03.01, 03.02, 03.03, 05.11.91, 16.04, 16.05 en 23.01.20 van het gemeenschappelijk douanetarief, van oorsprong uit Ceuta of Melilla, geldt op het gehele douanegebied van de Unie een vrijstelling van douanerechten binnen de grenzen van tariefcontingenten die worden berekend per product en op basis van het gemiddelde van de in de jaren 1982, 1983 en 1984 werkelijk afgezette hoeveelheden.
De producten die in het kader van deze tariefcontingenten op het douanegebied van de Unie worden binnengebracht kunnen slechts in het vrije verkeer worden gebracht indien de regels waarin de gemeenschappelijke ordening van de markten voorziet, en met name de referentieprijzen in acht worden genomen.
De Raad stelt, op voorstel van de Commissie, jaarlijks bij Europese verordening of Europees besluit de opening en de verdeling van de contingenten overeenkomstig het bepaalde in lid 1 vast.
Artikel 36
Indien de toepassing van artikel 34 zou leiden tot een aanmerkelijke groei van de invoer van bepaalde producten van oorsprong uit Ceuta of Melilla waardoor producenten in de Unie schade kunnen leiden, kan de Raad, op voorstel van de Commissie, bij Europese verordening of Europees besluit de toegang van deze producten tot het douanegebied van de Unie aan bijzondere voorwaarden onderwerpen.
Indien, vanwege het niet toepassen van de gemeenschappelijke handelspolitiek en van het gemeenschappelijk douanetarief op de invoer van grondstoffen of gedeeltelijk veredelde producten in Ceuta of Melilla, de invoer van een product van oorsprong uit Ceuta of Melilla ernstig nadeel toebrengt of dreigt toe te brengen aan een productieactiviteit die in een of meer lidstaten wordt uitgeoefend, kan de Commissie, op verzoek van een lidstaat of op eigen initiatief, passende maatregelen nemen.
Artikel 37
De douanerechten bij invoer in Ceuta of Melilla van producten van oorsprong uit het douanegebied van de Unie, alsmede de heffingen van gelijke werking als deze rechten worden afgeschaft.
Artikel 38
De douanerechten en heffingen van gelijke werking als deze rechten alsmede de regeling voor het handelsverkeer die worden toegepast op de invoer in Ceuta of Melilla van goederen uit een derde land, mogen niet minder gunstig zijn dan die welke de Unie overeenkomstig haar internationale verbintenissen of haar preferentiële regelingen toepast jegens dit derde land, onder het voorbehoud dat dit derde land de invoer uit Ceuta en Melilla op dezelfde wijze behandelt als de invoer uit de Unie. De regeling die bij invoer in Ceuta of Melilla wordt toegepast ten aanzien van goederen uit dit derde land, mag evenwel niet gunstiger zijn dan de regeling die wordt toegepast ten aanzien van de invoer van producten van oorsprong uit het douanegebied van de Unie.
Artikel 39
Op voorstel van de Commissie stelt de Raad bij Europese verordening of Europees besluit de voorschriften voor de toepassing van deze onderafdeling vast, met name de oorsprongregels die van toepassing zijn in het handelsverkeer bedoeld in de artikelen 34, 35 en 37, met inbegrip van de bepalingen betreffende de identificatie van de producten van oorsprong en de controle van de oorsprong.
Deze regels bevatten met name bepalingen inzake het merken en/of etiketteren van producten, de voorwaarden voor het registreren van vaartuigen, de toepassing van de regel van cumulatie van oorsprong voor visserijproducten, alsmede bepalingen om de oorsprong van de producten te kunnen vaststellen.
AFDELING 5. BEPALINGEN BETREFFENDE DE REGIONALE ONTWIKKELING VAN SPANJE
Artikel 40
De lidstaten nemen ervan kennis dat de Spaanse regering een aanvang heeft gemaakt met de uitvoering van een beleid inzake regionale ontwikkeling dat met name ten doel heeft de economische groei in de minst ontwikkelde gebieden en zones van Spanje te stimuleren.
Zij erkennen dat het in hun gemeenschappelijk belang is dat de doelstellingen van dit beleid worden verwezenlijkt.
Zij komen overeen, teneinde het de Spaanse regering gemakkelijker te maken deze taak te vervullen, tot de instellingen de aanbeveling te richten alle middelen en procedures aan te wenden waarin de Grondwet voorziet, met name door op doeltreffende wijze gebruik te maken van de middelen van de Unie die dienen ter verwezenlijking van de doelstellingen van de Unie
De lidstaten erkennen in het bijzonder dat in geval van toepassing van de artikelen III-167 en III-168 van de Grondwet, rekening dient te worden gehouden met de doelstellingen van economische expansie en verhoging van de levensstandaard van de bevolking van de minst ontwikkelde gebieden en zones van Spanje.
AFDELING 6. BEPALINGEN BETREFFENDE DE ECONOMISCHE EN INDUSTRIËLE ONTWIKKELING VAN PORTUGAL
Artikel 41
De lidstaten nemen ervan kennis dat de Portugese regering een aanvang heeft gemaakt met de uitvoering van een beleid inzake industrialisatie en economische ontwikkeling dat ten doel heeft de levensstandaard in Portugal nader te brengen tot die van de andere lidstaten en het tekort aan werkgelegenheid op te heffen, en tegelijk de regionale verschillen in ontwikkeling geleidelijk weg te werken.
Zij erkennen dat het in hun gemeenschappelijk belang is dat de doelstellingen van dit beleid worden verwezenlijkt.
Zij komen overeen te dien einde tot de instellingen de aanbeveling te richten alle middelen en procedures aan te wenden waarin de Grondwet voorziet, met name door op doeltreffende wijze gebruik te maken van de middelen van de Unie die dienen ter verwezenlijking van de doelstellingen van de Unie.
De lidstaten erkennen in het bijzonder dat in geval van toepassing van de artikelen III-167 en III-168 van de Grondwet, rekening dient te worden gehouden met de doelstellingen van economische expansie en verhoging van de levensstandaard van de bevolking.
AFDELING 7. BEPALINGEN BETREFFENDE DE UITWISSELING VAN KENNIS OP NUCLEAIR GEBIED MET HET KONINKRIJK SPANJE
Artikel 42
Vanaf 1 januari 1986 wordt de kennis waarvan overeenkomstig artikel 13 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie mededeling is gedaan aan de lidstaten en aan personen en ondernemingen, ter beschikking gesteld van het Koninkrijk Spanje, dat deze kennis onder de in genoemd artikel bedoelde voorwaarden op beperkte wijze op zijn grondgebied verspreidt.
Vanaf 1 januari 1986 stelt het Koninkrijk Spanje in Spanje verkregen en beperkt verspreide kennis op nucleair gebied ter beschikking van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, voorzover het geen strikt commerciële toepassingen betreft. De Commissie deelt deze kennis mede aan de ondernemingen van de Gemeenschap, onder de in artikel 13 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie genoemde voorwaarden.
De in de leden 1 en 2 bedoelde kennis betreft hoofdzakelijk:
- a. kernfysica (lage en hoge energieën);
- b. stralingsbescherming;
- c. toepassing van isotopen, in het bijzonder van stabiele isotopen;
- d. onderzoeksreactoren en daarvoor gebruikte splijtstoffen;
- e. onderzoek op het gebied van de splijtstofcyclus (meer in het bijzonder: winning en bewerking van arme uraniumertsen; optimalisering van splijtstofelementen voor energiereactoren).
Artikel 43
In de sectoren waarin het Koninkrijk Spanje kennis ter beschikking stelt van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, worden door de bevoegde instanties op verzoek licenties tegen commerciële voorwaarden verleend aan de lidstaten en aan personen en ondernemingen van de Gemeenschap die uitsluitende rechten bezitten op in de lidstaten verkregen octrooien, voorzover zij geen verplichting of verbintenis jegens derden hebben om een uitsluitende of gedeeltelijk uitsluitende licentie op de rechten op deze octrooien te verlenen of aan te bieden.
Indien er een uitsluitende of gedeeltelijk uitsluitende licentie is verleend, bevordert en vergemakkelijkt het Koninkrijk Spanje dat de houders van dergelijke licenties tegen commerciële voorwaarden sublicenties verlenen aan de lidstaten, en aan personen en ondernemingen van de Gemeenschap.
Het verlenen van dergelijke uitsluitende of gedeeltelijk uitsluitende licenties geschiedt op normale commerciële grondslag.
AFDELING 8. BEPALINGEN BETREFFENDE DE UITWISSELING VAN KENNIS OP NUCLEAIR GEBIED MET DE PORTUGESE REPUBLIEK
Artikel 44
Vanaf 1 januari 1986 wordt de kennis waarvan overeenkomstig artikel 13 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie mededeling is gedaan aan de lidstaten en aan personen en ondernemingen, ter beschikking gesteld van de Portugese Republiek, die deze kennis onder de in dit artikel genoemde voorwaarden op beperkte wijze op haar grondgebied verspreidt.
Vanaf 1 januari 1986 stelt de Portugese Republiek in Portugal verkregen en beperkt verspreide kennis op nucleair gebied ter beschikking van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, voor zover het geen strikt commerciële toepassingen betreft. De Commissie deelt deze kennis mee aan de ondernemingen van de Gemeenschap, onder de in artikel 13 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie genoemde voorwaarden.
De in de leden 1 en 2 bedoelde kennis betreft hoofdzakelijk:
- a. reactordynamica;
- b. stralingsbescherming;
- c. toepassing van nucleaire meettechnieken (op industrieel, landbouw-, archeologisch en geologisch gebied);
- d. atoomfysica (metingen van werkzame doorsneden, kanalisatietechnieken);
- e. winningsmetallurgie van uranium.
Artikel 45
In de sectoren waarin de Portugese Republiek kennis ter beschikking stelt van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, worden door de bevoegde instanties op verzoek licenties tegen commerciële voorwaarden verleend aan de lidstaten, en aan personen en ondernemingen van de Gemeenschap die uitsluitende rechten bezitten op in de lidstaten verkregen octrooien, voorzover zij jegens derden geen verplichting of verbintenis hebben om een uitsluitende of gedeeltelijk uitsluitende licentie op de rechten op deze octrooien te verlenen of aan te bieden.
Indien er een uitsluitende of gedeeltelijk uitsluitende licentie is verleend, bevordert en vergemakkelijkt de Portugese Republiek dat de houders van dergelijke licenties tegen commerciële voorwaarden sublicenties verlenen aan de lidstaten en aan personen en ondernemingen van de Gemeenschap.
Het verlenen van dergelijke uitsluitende of gedeeltelijk uitsluitende licenties geschiedt op normale commerciële grondslag.
TITEL V. BEPALINGEN UIT DE AKTE BETREFFENDE DE TOETREDINGSVOORWAARDEN VOOR DE REPUBLIEK OOSTENRIJK, DE REPUBLIEK FINLAND EN HET KONINKRIJK ZWEDEN
AFDELING 1. FINANCIËLE BEPALINGEN
Artikel 46
De eigen ontvangsten afkomstig uit de belasting over de toegevoegde waarde worden berekend en gecontroleerd alsof de Åland-eilanden onder het territoriale toepassingsgebied vielen van de Zesde Richtlijn van de Raad (77/388/EEG) van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting – Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag.
AFDELING 2. BEPALINGEN INZAKE DE LANDBOUW
Artikel 47
Indien ten gevolge van de toetreding ernstige moeilijkheden blijven bestaan ook nadat het bepaalde in artikel 48 en in de andere maatregelen voortvloeiende uit in de Unie bestaande voorschriften volledig zijn toegepast, kan de Commissie bij Europees besluit Finland machtigen, nationale steun aan producenten toe te kennen ten einde hun integratie in het gemeenschappelijk landbouwbeleid te vergemakkelijken.
Artikel 48
De Commissie machtigt Finland en Zweden bij Europees besluit om nationale steun op lange termijn te verlenen met het oog op de handhaving van landbouwactiviteit in specifieke gebieden. Deze gebieden omvatten de landbouwarealen benoorden de 62e breedtegraad en bepaalde aangrenzende gebieden ten zuiden van deze breedtegraad die te kampen hebben met vergelijkbare klimatologische omstandigheden welke de landbouwactiviteit bijzonder moeilijk maken.
De in lid 1 bedoelde gebieden worden vastgesteld door de Commissie, die daarbij met name rekening houdt met:
- a. de geringe bevolkingsdichtheid;
- b. de verhouding van het landbouwareaal tot de totale oppervlakte;
- c. de verhouding van het landbouwareaal waarop akkerbouwgewassen voor menselijke voeding worden gekweekt tot het gebruikte landbouwareaal.
De in lid 1 bedoelde steun kan worden gerelateerd aan fysieke productiefactoren, zoals het landbouwareaal of het aantal dieren, rekening houdend met de in de gemeenschappelijke marktordeningen neergelegde beperkingen, alsmede met de historische productiepatronen van elk bedrijf, maar deze steun mag niet:
- a. gekoppeld zijn aan de toekomstige productie;
- b. leiden tot een verhoging van de productie of van het algemene steunniveau dat geconstateerd is tijdens een door de Commissie vast te stellen referentieperiode die vóór 1 januari 1995 verstrijkt.
Die steun kan per gebied worden gedifferentieerd.
De steun kan met name worden verleend om:
- a. traditionele grondstoffenproductie en verwerkingsactiviteiten die passen bij de klimatologische omstandigheden van de betrokken gebieden, in stand te houden;
- b. de productie-, afzet- en verwerkingsstructuren van de landbouwproducten te verbeteren;
- c. de afzet van die producten te vergemakkelijken;
- d. het milieu te beschermen en de natuurlijke omgeving in stand te houden.
Artikel 49
Van de in de artikelen 47 en 48 bedoelde steun, alsmede van elke andere nationale steun waarvoor in het kader van deze Akte machtiging van de Commissie is vereist, wordt kennis gegeven aan de Commissie. Steun kan niet worden verleend zolang deze machtiging niet is verleend.
Wat de in artikel 48 bedoelde steun betreft, dient de Commissie bij de Raad met ingang van 1 januari 1996 om de vijf jaar een verslag in over:
- a. de verleende machtigingen;
- b. de resultaten van de steun waarvoor deze machtigingen zijn verleend.
Met het oog op de opstelling van dit verslag verstrekken de lidstaten waarvoor de machtigingen zijn bestemd, de Commissie tijdig gegevens over de gevolgen van de verleende steun, waarbij zij een beeld schetsen van de ontwikkeling die in de landbouweconomie van de betrokken gebieden is geconstateerd.
Artikel 50
Wat de in de artikelen III-167 en III-168 van de Grondwet bedoelde steunmaatregelen betreft:
- a. worden van de vóór 1 januari 1995 in Oostenrijk, Finland en Zweden toepasselijke steunmaatregelen alleen de maatregelen die vóór 30 april 1995 ter kennis van de Commissie zijn gebracht, beschouwd als „bestaande” steunmaatregelen in de zin van artikel III-168, lid 1, van de Grondwet;
- b. worden bestaande steunmaatregelen en plannen om steunmaatregelen in te voeren of te wijzigen die vóór 1 januari 1995 ter kennis van de Commissie zijn gebracht, beschouwd als steunmaatregelen en plannen waarvan op die datum kennis is gegeven.
Artikel 51
Behoudens andersluidende bepalingen voor specifieke gevallen, stelt de Raad op voorstel van de Commissie bij Europese verordening of bij Europees besluit de bepalingen ter uitvoering van deze afdeling vast.
De Raad kan bij Europese wet in deze afdeling de aanpassingen aanbrengen die noodzakelijk kunnen blijken ingeval van wijzigingen van het recht van de Unie. De Raad besluit met eenparigheid van stemmen, na raadpleging van het Europees Parlement.
Artikel 52
Indien overgangsmaatregelen nodig zijn ten behoeve van de overgang van de in Oostenrijk, Finland en Zweden bestaande regeling naar die welke voortvloeit uit de toepassing van de gemeenschappelijke ordening der markten overeenkomstig de Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden voor de Republiek Oostenrijk, de Republiek Finland en het Koninkrijk Zweden, worden deze maatregelen vastgesteld volgens de procedure van artikel 38 van Verordening nr. 136/66/EEG of, naargelang van het geval, van de overeenkomstige artikelen van de andere verordeningen houdende een gemeenschappelijke ordening der landbouwmarkten. Deze maatregelen kunnen worden genomen gedurende een tijdvak dat verstrijkt op 31 december 1997; de toepassing ervan is beperkt tot die datum.
De Raad kan bij Europese wet het in lid 1 bedoelde tijdvak verlengen. De Raad besluit met eenparigheid van stemmen, na raadpleging van het Europees Parlement.
Artikel 53
De artikelen 51 en 52 zijn van toepassing op visserijproducten.
AFDELING 3. BEPALINGEN BETREFFENDE OVERGANGSMAATREGELEN
Artikel 54
De besluiten die worden genoemd in de punten VII.B.I, VII.D.1, VII.D.2.c, IX.2.b, c, f, g, h, i, j, l, m, n, x, y, z en aa, X.a, b en c van bijlage XV1)PB C 241 van 29.8.1994, blz. 322. van de Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden voor de Republiek Oostenrijk, de Republiek Finland en het Koninkrijk Zweden zijn ten aanzien van Oostenrijk, Finland en Zweden van toepassing zoals in die bijlage is bepaald.
Ten aanzien van punt IX.2.x van de in de eerste alinea bedoelde bijlage XV geldt dat de verwijzing naar de artikelen 90 en 91 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap beschouwd moet worden als een verwijzing naar artikel III-170, leden 1 en 2, van de Grondwet.
AFDELING 4. BEPALINGEN BETREFFENDE DE TOEPASBAARHEID VAN BEPAALDE HANDELINGEN
Artikel 55
De individuele vrijstellingsbeschikkingen en beschikkingen waarin geen vrijstelling wordt verleend, die vóór 1 januari 1995 krachtens artikel 53 van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (EER) of artikel 1 van Protocol nr. 25 bij die Overeenkomst zijn vastgesteld door de Toezichthoudende Autoriteit van de Europese Vrijhandelsassociatie (EVA) of door de Commissie en die betrekking hebben op gevallen die ingevolge de toetreding onder artikel 81 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap vallen, blijven ter fine van artikel III-161 van de Grondwet van kracht tot de in die beschikkingen vermelde datum of totdat de Commissie overeenkomstig het Unierecht een met redenen omkleed Europees besluit neemt.
De door de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA vóór 1 januari 1995 krachtens artikel 61 van de EER-Overeenkomst vastgestelde beschikkingen die ingevolge de toetreding onder artikel 87 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap vallen, blijven ter fine van artikel III-167 van de Grondwet van kracht, tenzij de Commissie bij Europees besluit op grond van artikel III-168 van de Grondwet anders besluit. Het bepaalde in dit lid geldt niet voor beschikkingen die onder de procedure van artikel 64 van de EER-Overeenkomst vallen.
Onverminderd de leden 1 en 2 blijven beschikkingen van de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA na 1 januari 1995 van toepassing, behoudens een met redenen omkleed besluit van de Commissie, overeenkomstig de grondbeginselen van het Unierecht.
AFDELING 5. BEPALINGEN INZAKE DE ÅLAND-EILANDEN
Artikel 56
De Grondwet belet niet de toepassing van de op 1 januari 1994 op de Åland-eilanden bestaande bepalingen inzake:
- a. beperkingen, op niet-discriminatoire basis, van het recht van natuurlijke personen die niet het regionale burgerschap „hembygdsrätt/kotiseutuoikeus” in Åland genieten, en van rechtspersonen, om onroerend goed te verkrijgen en in eigendom te hebben op de Åland-eilanden zonder toestemming van de bevoegde autoriteiten van de Åland-eilanden;
- b. beperkingen, op niet-discriminatoire basis, van het recht van natuurlijke personen die niet het regionale burgerschap „hembygdsrätt/kotiseutuoikeus” in Åland genieten, en van rechtspersonen, om zich op de Åland-eilanden te vestigen en er diensten te verlenen zonder de toestemming van de bevoegde autoriteiten van de Åland-eilanden.
Artikel 57
Het gebied van de Åland-eilanden, dat wordt beschouwd als een derde grondgebied in de zin van artikel 3, lid 1, derde streepje, van Richtlijn 77/388/EEG van de Raad en als een nationaal gebied dat buiten het toepassingsgebied valt van de richtlijnen inzake de harmonisatie van accijnzen, in de zin van artikel 2 van Richtlijn 92/12/EEG van de Raad, valt buiten de territoriale toepassing van het Unierecht op het gebied van de harmonisatie van de wetgevingen van de lidstaten inzake omzetbelastingen en accijnzen en andere vormen van indirecte belastingen.
Deze bepaling is niet van toepassing op het bepaalde in Richtlijn 69/335/EEG van de Raad betreffende kapitaalrecht.
De in lid 1 bepaalde uitzondering heeft ten doel, een leefbare lokale economie op de eilanden in stand te houden en mag geen negatieve gevolgen hebben voor de belangen van de Unie, noch voor haar gemeenschappelijke beleidsvormen. Indien de Commissie van oordeel is dat de in lid 1 bedoelde bepalingen niet langer gerechtvaardigd zijn, met name in verband met eerlijke concurrentie of de eigen middelen, legt zij passende voorstellen voor aan de Raad, die de nodige handelingen vaststelt overeenkomstig de desbetreffende artikelen van de Grondwet.
Artikel 58
Finland draagt er zorg voor dat alle natuurlijke en rechtspersonen van de lidstaten op de Åland-eilanden op eendere wijze worden behandeld.
Artikel 59
De bepalingen van deze afdeling worden toegepast in het licht van de verklaring betreffende de Åland-eilanden, waarin met behoud van de juridische strekking de bewoordingen zijn overgenomen van de preambule van Protocol nr. 2 van de Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden voor de Republiek Oostenrijk, de Republiek Finland en het Koninkrijk Zweden.
AFDELING 6. BEPALINGEN INZAKE DE LAPSE BEVOLKING
Artikel 60
Niettegenstaande de bepalingen van de Grondwet, kunnen aan de Lapse bevolking exclusieve rechten inzake rendierhouderij binnen de traditionele Lapse gebieden worden toegekend.
Artikel 61
Deze afdeling kan worden uitgebreid om rekening te houden met eventuele toekomstige ontwikkelingen van de exclusieve rechten van de Lapse bevolking in verband met hun traditionele middelen van bestaan. De Raad kan bij Europese wet de nodige wijzigingen van deze afdeling vaststellen. De Raad besluit met eenparigheid van stemmen, na raadpleging van het Europees Parlement en van het Comité van de Regio's.
Artikel 62
De bepalingen van deze afdeling worden toegepast in het licht van de verklaring betreffende het Lapse volk, waarin met behoud van de juridische strekking de bewoordingen zijn overgenomen van de preambule van Protocol nr. 3 van de Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden voor de Republiek Oostenrijk, de Republiek Finland en het Koninkrijk Zweden.
AFDELING 7. BIJZONDERE BEPALINGEN IN HET KADER VAN DE FONDSEN MET STRUCTURELE STREKKING MET BETREKKING TOT FINLAND EN ZWEDEN
Artikel 63
De regio's die vallen onder de doelstelling, de ontwikkeling en de structurele aanpassing van de regio's met een zeer lage bevolkingsdichtheid te bevorderen, komen overeen met of behoren in principe tot regio's van niveau II van NUTS met een bevolkingsdichtheid van ten hoogste acht personen per vierkante kilometer. De bijstandsverlening van de Unie kan, op voorwaarde dat zij daadwerkelijk wordt geconcentreerd, ook worden uitgebreid tot aangrenzende en kleinere gebieden die aan hetzelfde criterium inzake bevolkingsdichtheid voldoen. De in dit artikel bedoelde regio's en gebieden staan in de lijst van bijlage I1)PB C 241 van 29.8.1994, blz. 355. van Protocol nr. 6 bij de Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden voor de Republiek Oostenrijk, de Republiek Finland en het Koninkrijk Zweden.
AFDELING 8. BEPALINGEN BETREFFENDE VERVOER PER SPOOR EN GECOMBINEERD VERVOER IN OOSTENRIJK
Artikel 64
In deze afdeling zijn de volgende definities van toepassing:
- a. „vrachtwagen”: een in een lidstaat geregistreerd motorvoertuig met een maximaal toegestaan gewicht van meer dan 7,5 ton, bestemd voor het vervoer van goederen of het trekken van aanhangwagens, met inbegrip van trekkers van opleggers, en trekkers met een maximaal toegestaan gewicht van meer dan 7,5 ton, getrokken door een in een lidstaat geregistreerd motorvoertuig met een maximaal toegelaten gewicht van ten hoogste 7,5 ton;
- b. „gecombineerd vervoer”: vervoer door vrachtwagens of ladingeenheden, dat gedeeltelijk plaatsvindt per spoor en waarbij het begin- of het eindtraject plaatsvindt over de weg, met dien verstande, dat het transitovervoer over Oostenrijks grondgebied tussen het begin- en het eindtraject in geen geval uitsluitend over de weg mag plaatsvinden.
De artikelen 65 tot en met 71 zijn van toepassing op maatregelen betreffende vervoer per spoor en gecombineerd vervoer over het grondgebied van Oostenrijk.
Artikel 65
De Unie en de betrokken lidstaten treffen, in het kader van hun onderscheiden bevoegdheden, maatregelen voor de ontwikkeling en de bevordering van het vervoer per spoor en het gecombineerd vervoer voor het vervoeren van goederen door de Alpen; zij stemmen deze maatregelen nauw op elkaar af.
Artikel 66
De Unie draagt er bij de vaststelling van de in artikel III-247 van de Grondwet bedoelde richtsnoeren zorg voor dat de in bijlage 11)PB C 241 van 29.8.1994, blz. 364.van Protocol nr. 9 van de Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden voor de Republiek Oostenrijk, de Republiek Finland en het Koninkrijk Zweden vermelde hoofdroutes deel uitmaken van de trans-Europese netwerken voor vervoer per spoor en gecombineerd vervoer en dat deze bovendien worden aangemerkt als projecten van gemeenschappelijk belang.
Artikel 67
De Unie en de betrokken lidstaten voeren in het kader van hun onderscheiden bevoegdheden de in bijlage 22)PB C 241 van 29.8.1994, blz. 365. van Protocol nr. 9 van de Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden voor de Republiek Oostenrijk, de Republiek Finland en het Koninkrijk Zweden vermelde maatregelen uit.
Artikel 68
De Unie en de betrokken lidstaten stellen alles in het werk om de in bijlage 33)PB C 241 van 29.8.1994, blz. 367. van Protocol nr. 9 van de Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden voor de Republiek Oostenrijk, de Republiek Finland en het Koninkrijk Zweden bedoelde aanvullende spoorwegcapaciteit te ontwikkelen en te gebruiken.
Artikel 69
De Unie en de betrokken lidstaten nemen maatregelen ter bevordering van het vervoer per spoor en het gecombineerd vervoer. Indien passend, worden deze maatregelen, behoudens de bepalingen van de Grondwet, vastgesteld in nauwe samenwerking met spoorwegondernemingen en andere entiteiten die vervoer per spoor aanbieden. Er zal voorrang worden gegeven aan de in het Unierecht vervatte maatregelen betreffende vervoer per spoor en gecombineerd vervoer. Bij de uitvoering van deze maatregelen wordt bijzondere aandacht besteed aan het concurrentievermogen, de doeltreffendheid en de kostentransparantie van het vervoer per spoor en het gecombineerd vervoer. De betrokken lidstaten dienen deze maatregelen inzonderheid te nemen om ervoor te zorgen dat de prijzen voor gecombineerd vervoer concurrerend zijn met de prijzen van andere wijzen van vervoer. Eventuele steun in dit verband moet verenigbaar zijn met de voorschriften van het Unierecht.
Artikel 70
De Unie en de betrokken lidstaten treden in geval van een ernstige verstoring van het transitovervoer per spoor, bijvoorbeeld bij natuurrampen, zoveel mogelijk gezamenlijk op om de verkeersstroom in stand te houden. Daarbij moet voorrang worden gegeven aan gevoelige ladingen, zoals bederfelijke levensmiddelen.
Artikel 71
De Commissie evalueert de uitvoering van deze afdeling volgens de procedure van artikel 73, lid 2.
Artikel 72
Dit artikel is van toepassing op het vervoer van goederen over de weg binnen het grondgebied van de Gemeenschap.
Op ritten waarbij transitogoederenvervoer over de weg door Oostenrijk is betrokken, is de regeling van toepassing die is vastgesteld bij de Eerste Richtlijn van de Raad van 23 juli 1962 en Verordening (EEG) nr. 881/92 van de Raad voor ritten voor eigen rekening en voor ritten met gehuurde voertuigen of tegen betaling, behoudens het bepaalde in dit artikel.
Tot 1 januari 1998 zijn de volgende bepalingen van toepassing:
- a. De totale NOx-uitstoot van vrachtwagens in transito op Oostenrijks grondgebied wordt tussen 1 januari 1992 en 31 december 2003 met 60 % verlaagd volgens de tabel in bijlage 4.
- b. De verlaging van de totale NOx-uitstoot van vrachtwagens wordt geadministreerd via een ecopuntensysteem. Volgens dit systeem moet elke vrachtwagen in transito op Oostenrijks grondgebied een aantal ecopunten hebben dat overeenstemt met het niveau van de NOx-uitstoot van dat type vrachtwagen (ingeschreven op grond van zijn Conformity of Production (COP)-niveau, afgeleid van de type-goedkeuring). De toewijzing van de punten en de werking van het stelsel worden in bijlage 5 beschreven.
- c. Indien het aantal transitoritten in een jaar het voor 1991 bepaalde referentieaantal met meer dan 8% overschrijdt, treft de Commissie, volgens de procedure van artikel 16, passende maatregelen overeenkomstig bijlage 5, punt 3.
- d. Oostenrijk stelt een ecopuntenkaart op en stelt deze tijdig ter beschikking voor vrachtwagens in transito door Oostenrijk met het oog op het administreren van het ecopuntensysteem overeenkomstig bijlage 5.
- e. De ecopunten worden door de Commissie verdeeld over de lidstaten overeenkomstig volgens lid 7 vast te stellen bepalingen.
Vóór 1 januari 1998 evalueert de Raad, aan de hand van een verslag van de Commissie, de tenuitvoerlegging van de bepalingen betreffende het transitogoederenvervoer over de weg door Oostenrijk. Deze evaluatie vindt plaats overeenkomstig de grondbeginselen van het Gemeenschapsrecht, zoals de goede werking van de interne markt, inzonderheid het vrije verkeer van goederen en de vrijheid van dienstverrichting, de milieubescherming in het belang van de Gemeenschap in haar geheel en de verkeersveiligheid. Tenzij de Raad, op voorstel van de Commissie en na raadpleging van het Europees Parlement, met eenparigheid van stemmen, een andere beslissing neemt, wordt de overgangsperiode verlengd en wel tot 1 januari 2001, tijdens welke periode het bepaalde in lid 3 van toepassing is.
Vóór 1 januari 2001 maakt de Commissie, in samenwerking met het Europees Milieuagentschap, een wetenschappelijke studie over de mate waarin de in lid 3, onder a, bedoelde doelstelling betreffende de vermindering van de vervuiling is verwezenlijkt. Indien de Commissie tot de conclusie komt dat deze doelstelling op permanente grondslag is verwezenlijkt, treedt lid 3 op 1 januari 2001 buiten werking. Indien de Commissie tot de conclusie komt dat dit niet het geval is, kan de Raad, overeenkomstig artikel 75 van het EG-Verdrag, in een communautair kader, maatregelen treffen met het oog op een gelijkwaardige bescherming van het milieu, inzonderheid een vermindering van de vervuiling met 60%. Indien de Raad deze maatregelen niet aanneemt, wordt de overgangsperiode automatisch verlengd met een laatste tijdvak van 3 jaar, tijdens welk tijdvak het bepaalde in lid 3 van toepassing is.
Aan het einde van de overgangsperiode wordt het acquis communautaire volledig toegepast.
De Commissie neemt overeenkomstig de procedure van artikel 16 gedetailleerde maatregelen betreffende de procedures inzake het ecopuntensysteem, de verdeling van de ecopunten en technische kwesties betreffende de toepassing van dit artikel. Deze maatregelen treden in werking op de datum van toetreding van Oostenrijk.
De in de eerste alinea bedoelde maatregelen moeten ervoor zorgen dat de feitelijke situatie die voor de huidige lidstaten voortvloeit uit de toepassing van Verordening (EEG) nr. 3637/92 van de Raad en van de op 23 december 1992 ondertekende Administratieve Overeenkomst betreffende de datum van inwerkingtreding en de procedures voor de invoering van het ecopuntensysteem als bedoeld in de Transito-overeenkomst, gehandhaafd blijft. Daarbij zal alles in het werk worden gesteld om ervoor te zorgen dat bij de toekenning van ecopunten aan Griekenland in voldoende mate rekening wordt gehouden met de Griekse behoeften in dit verband.
Artikel 73
De Commissie wordt bijgestaan door een comité.
In gevallen waarin naar dit lid wordt verwezen, zijn de artikelen 3 en 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing.
Het comité stelt zijn reglement van orde vast.
AFDELING 9. BEPALINGEN INZAKE HET GEBRUIK VAN SPECIFIEKE OOSTENRIJKSE TERMEN BINNEN DE DUITSE TAAL IN HET KADER VAN DE EUROPESE UNIE
Artikel 74
De specifieke Oostenrijkse termen binnen de Duitse taal die voorkomen in het Oostenrijks rechtsstelsel en die in de bijlage1)PB C 241 van 29.08.1994, blz. 370.van Protocol nr. 10 van de Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden voor de Republiek Oostenrijk, de Republiek Finland en het Koninkrijk Zweden worden genoemd, hebben dezelfde status en dezelfde rechtsgevolgen als de daarmee overeenkomende, in Duitsland gebruikte termen welke in die bijlage worden genoemd. van Protocol nr. 10 van de Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden voor de Republiek Oostenrijk, de Republiek Finland en het Koninkrijk Zweden worden genoemd, hebben dezelfde status en dezelfde rechtsgevolgen als de daarmee overeenkomende, in Duitsland gebruikte termen welke in die bijlage worden genoemd.
In de Duitse taalversie van nieuwe rechtshandelingen worden de in de bijlage van Protocol nr. 10 van de Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden voor de Republiek Oostenrijk, de Republiek Finland en het Koninkrijk Zweden genoemde specifieke Oostenrijkse termen in de juiste vorm toegevoegd aan de daarmee overeenkomende, in Duitsland gebruikte termen.
De Hoge Verdragsluitende Partijen,
Memorerende dat de Tsjechische Republiek, de Republiek Estland, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, de Republiek Hongarije, de Republiek Malta, de Republiek Polen, de Republiek Slovenië en de Slowaakse Republiek op 1 mei 2004 tot de Europese Gemeenschappen en tot de bij het Verdrag betreffende de Europese Unie ingestelde Europese Unie zijn toegetreden;
Overwegende dat artikel IV-437, lid 2, onder e, van de Grondwet bepaalt dat het Verdrag van 16 april 2003 betreffende de bovengenoemde toetredingen wordt ingetrokken;
Overwegende dat een groot aantal bepalingen van de aan het voornoemde Toetredingsverdrag gehechte Akte relevant blijven; dat in artikel IV-437, lid 2, van de Grondwet wordt bepaald dat deze bepalingen in een protocol moeten worden opgenomen dan wel vermeld, zodat zij van kracht blijven en de rechtsgevolgen ervan worden gehandhaafd;
Overwegende dat een aantal van die bepalingen met behoud van de juridische strekking technisch moeten worden aangepast, zodat zij overeenkomen met de Grondwet;
Hebben overeenstemming bereikt omtrent de volgende bepalingen, die aan het Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa en aan het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie worden gehecht:
DEEL EERSTE. BEPALINGEN BETREFFENDE DE AKTE VAN TOETREDING VAN 16 APRIL 2003
TITEL I. BEGINSELEN
Artikel 1
Voor de toepassing van dit Protocol:
- a. wordt met de uitdrukking „Akte van toetreding van 16 april 2003” bedoeld, de Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden voor de Tsjechische Republiek, de Republiek Estland, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, de Republiek Hongarije, de Republiek Malta, de Republiek Polen, de Republiek Slovenië en de Slowaakse Republiek en de aanpassing van de verdragen waarop de Europese Unie is gegrond;
- b. worden met de uitdrukkingen „Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap” („EG-Verdrag”) en „Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie” („EGA-Verdrag”) bedoeld, deze Verdragen zoals aangevuld of gewijzigd bij verdragen of andere akten die vóór 1 mei 2004 in werking zijn getreden;
- c. wordt met de uitdrukking „Verdrag betreffende de Europese Unie” („EU-Verdrag”) bedoeld, dit Verdrag zoals aangevuld of gewijzigd bij verdragen of andere akten die vóór 1 mei 2004 in werking zijn getreden;
- d. wordt met de uitdrukking „de Gemeenschap” bedoeld, één of beide van de onder b vermelde Gemeenschappen, naargelang van het geval;
- e. worden met de uitdrukking „huidige lidstaten” de volgende lidstaten bedoeld, het Koninkrijk België, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, de Helleense Republiek, het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek, Ierland, de Italiaanse Republiek, het Groothertogdom Luxemburg, het Koninkrijk der Nederlanden, de Republiek Oostenrijk, de Portugese Republiek, de Republiek Finland, het Koninkrijk Zweden en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland;
- f. worden met de uitdrukking „nieuwe lidstaten” bedoeld de Tsjechische Republiek, de Republiek Estland, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, de Republiek Hongarije, de Republiek Malta, de Republiek Polen, de Republiek Slovenië en de Slowaakse Republiek.
Artikel 2
De rechten en verplichtingen die voortvloeien uit het in artikel IV-437, lid 2, onder e, van de Grondwet bedoelde Verdrag betreffende de toetreding van de Tsjechische Republiek, de Republiek Estland, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, de Republiek Hongarije, de Republiek Malta, de Republiek Polen, de Republiek Slovenië en de Slowaakse Republiek, zijn onder de in dat Verdrag gestelde voorwaarden op 1 mei 2004 van kracht geworden.
Artikel 3
De bepalingen van het Schengenacquis die in het kader van de Unie zijn geïntegreerd door het Protocol dat is gehecht aan het Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa (hierna het „Schengenprotocol” genoemd), en de daarop voortbouwende of op een andere wijze daaraan gerelateerde handelingen die zijn opgesomd in bijlage I bij de Akte van toetreding van 16 april 2003, en alle andere dergelijke handelingen die zijn vastgesteld vóór 1 mei 2004, zijn vanaf 1 mei 2004 verbindend voor en toepasselijk in de nieuwe lidstaten.
De bepalingen van het Schengenacquis die in het kader van de Unie zijn geïntegreerd, en de daarop voortbouwende of op een andere wijze daaraan gerelateerde handelingen die niet worden bedoeld in lid 1, zijn vanaf 1 mei 2004 verbindend voor de nieuwe lidstaten, maar zijn in een nieuwe lidstaat slechts toepasselijk op grond van een daartoe strekkend Europees besluit van de Raad, nadat overeenkomstig de toepasselijke Schengenevaluatieprocedures is geconstateerd dat in die nieuwe lidstaat aan de nodige voorwaarden voor de toepassing van alle betrokken onderdelen van het acquis is voldaan.
De Raad besluit, na raadpleging van het Europees Parlement, met eenparigheid van stemmen van de leden die de regeringen vertegenwoordigen van de lidstaten ten aanzien waarvan de bepalingen van dit lid reeds van kracht zijn en van de vertegenwoordiger van de regering van de lidstaat ten aanzien waarvan die bepalingen van kracht moeten worden. De leden van de Raad die de regeringen van Ierland en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland vertegenwoordigen, nemen aan dit besluit deel voor zover het verband houdt met de bepalingen van het Schengenacquis en de daarop voortbouwende of op een andere wijze daaraan gerelateerde handelingen waaraan deze lidstaten deelnemen.
De door de Raad uit hoofde van artikel 6 van het Schengenprotocol gesloten overeenkomsten zijn vanaf 1 mei 2004 verbindend voor de nieuwe lidstaten.
De nieuwe lidstaten zijn met betrekking tot de overeenkomsten of instrumenten op het gebied van justitie en binnenlandse zaken die onlosmakelijk zijn verbonden met de verwezenlijking van de doelstellingen van het EU-Verdrag ertoe gehouden:
- a. toe te treden tot de overeenkomsten of instrumenten die vóór 1 mei 2004 zijn opengesteld voor ondertekening door de huidige lidstaten, alsmede tot de overeenkomsten of instrumenten die door de Raad overeenkomstig Titel VI van het EU-Verdrag zijn opgesteld en waarvan hij de aanneming aan de lidstaten heeft aanbevolen;
- b. bestuursrechtelijke en andere regelingen in te voeren in de trant van de regelingen die de huidige lidstaten of de Raad vóór 1 mei 2004 hebben aangenomen ter vergemakkelijking van de praktische samenwerking tussen de instellingen en organisaties van de lidstaten die actief zijn op het gebied van justitie en binnenlandse zaken.
Artikel 4
Vanaf 1 mei 2004 neemt iedere nieuwe lidstaat aan de economische en monetaire unie deel als lidstaat die onder een derogatie valt in de zin van artikel III-197 van de Grondwet.
Artikel 5
De nieuwe lidstaten, die bij de Akte van toetreding van 16 april 2003 zijn toegetreden tot de door de Vertegenwoordigers van de Regeringen der lidstaten, in het kader van de Raad bijeen, genomen besluiten en gesloten overeenkomsten, zijn ertoe gehouden toe te treden tot elke andere door de huidige lidstaten gesloten overeenkomst die de werking van de Unie betreft of in nauw verband staat met het optreden van deze Unie.
De nieuwe lidstaten zijn ertoe gehouden toe te treden tot de overeenkomsten bedoeld in artikel 293 van het EG-Verdrag en tot de overeenkomsten die niet te scheiden zijn van de verwezenlijking van de doelstellingen van het EG-Verdrag, voorzover deze nog van kracht zijn, alsmede tot de Protocollen betreffende de uitlegging door het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van deze overeenkomsten, die door de huidige lidstaten zijn ondertekend, en te dien einde onderhandelingen aan te knopen met deze lidstaten om daarin de vereiste aanpassingen aan te brengen.
Artikel 6
De nieuwe lidstaten zijn ertoe gehouden onder de in dit Protocol neergelegde voorwaarden toe te treden tot de door de huidige lidstaten en de Unie of de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie gezamenlijk gesloten of voorlopig toegepaste overeenkomsten of akkoorden, alsmede tot de door deze staten gesloten overeenkomsten die verband houden met deze overeenkomsten of akkoorden.
De toetreding van de nieuwe lidstaten tot de in lid 4 genoemde overeenkomsten of akkoorden alsmede tot de overeenkomsten met Belarus, China, Chili, de Mercosur en Zwitserland, die gezamenlijk zijn gesloten of ondertekend door de Gemeenschap en haar huidige lidstaten, wordt geregeld door de sluiting van een protocol bij die overeenkomsten of akkoorden door de Raad, handelend met eenparigheid van stemmen namens de lidstaten, en de betrokken derde staat of internationale organisatie. Deze procedure geldt onverminderd de eigen bevoegdheden van de Unie of de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie en laat de verdeling van bevoegdheden tussen de Unie of de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie en de lidstaten op het gebied van de sluiting van dergelijke overeenkomsten in de toekomst dan wel andere, niet met de toetreding verband houdende wijzigingen onverlet. De Commissie voert namens de lidstaten onderhandelingen over deze protocollen, op basis van door de Raad met eenparigheid van stemmen goedgekeurde onderhandelingsrichtsnoeren en in overleg met een comité bestaande uit de vertegenwoordigers van de lidstaten. De Commissie dient een ontwerp van de te sluiten protocollen in bij de Raad.
Door toe te treden tot de in lid 1 bedoelde overeenkomsten en verdragen, verwerven de nieuwe lidstaten dezelfde rechten en verplichtingen uit hoofde van die overeenkomsten en akkoorden als de huidige lidstaten.
De nieuwe lidstaten zijn ertoe gehouden onder de in dit Protocol neergelegde voorwaarden toe te treden tot de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte1)PB L 1 van 3.1.1994, blz. 3., zulks overeenkomstig artikel 128 van die Overeenkomst.
Vanaf 1 mei 2004, en in voorkomend geval in afwachting van de sluiting van de nodige protocollen als bedoeld in lid 1, passen de nieuwe lidstaten de bepalingen toe van de overeenkomsten die door de huidige lidstaten, gezamenlijk met de Gemeenschap, zijn gesloten met Algerije, Armenië, Azerbeidzjan, Bulgarije, Kroatië, Egypte, de Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië, Georgië, Israël, Jordanië, Kazachstan, Kirgizië, Libanon, Mexico, Moldavië, Marokko, Roemenië, de Russische Federatie, San Marino, Zuid-Afrika, Zuid-Korea, Syrië, Tunesië, Turkije, Turkmenistan, Oekraïne en Oezbekistan, evenals het bepaalde in andere overeenkomsten die voor 1 mei 2004 door de huidige lidstaten, gezamenlijk met de Gemeenschap, zijn gesloten.
Eventuele aanpassingen van die overeenkomsten zullen het onderwerp vormen van met de mede-overeenkomstsluitende landen te sluiten protocollen overeenkomstig lid 1, tweede alinea. Indien de protocollen niet zijn gesloten op 1 mei 2004, nemen de Unie, de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie en de lidstaten, in het kader van hun respectieve bevoegdheden, de nodige maatregelen om die situatie te verhelpen.
Met ingang van 1 mei 2004 passen de nieuwe lidstaten de door de Gemeenschap met derde landen gesloten bilaterale textielovereenkomsten en -regelingen toe.
De door de Unie toegepaste kwantitatieve beperkingen op de invoer van textielproducten en kleding worden aangepast om rekening te houden met de toetreding van de nieuwe lidstaten.
Indien de wijzigingen van de bilaterale textielovereenkomsten en -regelingen nog niet in werking zijn getreden op 1 mei 2004, brengt de Unie in haar regels voor de invoer van textielproducten en kleding uit derde landen de aanpassingen aan die nodig zijn om rekening te houden met de toetreding van de nieuwe lidstaten.
De door de Unie toegepaste kwantitatieve beperkingen op de invoer van staal en staalproducten worden aangepast op basis van de invoer van de nieuwe lidstaten van staalproducten van oorsprong uit de betrokken leverancierlanden over de onmiddellijk aan de ondertekening van het Toetredingsverdrag voorafgaande jaren.
Visserijovereenkomsten die vóór 1 mei 2004 door de nieuwe lidstaten met derde landen zijn gesloten, worden beheerd door de Unie.
De rechten en plichten die voor de nieuwe lidstaten uit deze overeenkomsten voortvloeien, blijven onverlet gedurende een periode waarin de bepalingen van deze overeenkomsten voorlopig worden gehandhaafd.
Zo spoedig mogelijk, en in ieder geval vóór het verstrijken van de in de eerste alinea bedoelde overeenkomsten, stelt de Raad, per geval, op voorstel van de Commissie, de passende Europese besluiten vast voor de voortzetting van de visserijactiviteiten die het onderwerp van die overeenkomsten vormen, met inbegrip van de mogelijkheid om bepaalde overeenkomsten met ten hoogste één jaar te verlengen.
Met ingang van 1 mei 2004 zeggen de nieuwe lidstaten elke vrijhandelsovereenkomst met derde landen, inclusief de Midden-Europese Vrijhandelsovereenkomst, op.
Voorzover de overeenkomsten tussen één of meer nieuwe lidstaten enerzijds, en één of meer derde landen anderzijds, niet verenigbaar zijn met de verplichtingen die voortvloeien uit de Grondwet, en met name uit dit Protocol, worden door de nieuwe lidstaat of nieuwe lidstaten alle passende maatregelen genomen om geconstateerde onverenigbaarheden weg te werken. Indien een nieuwe lidstaat moeilijkheden ondervindt om een overeenkomst aan te passen die vóór de toetreding met één of meer derde landen is gesloten, trekt hij zich terug uit die overeenkomst met inachtneming van de daarin vervatte voorwaarden.
De nieuwe lidstaten treffen de passende maatregelen om zo nodig hun positie ten aanzien van internationale organisaties en internationale overeenkomsten waarbij de Unie of de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie of andere lidstaten eveneens partij zijn, aan te passen aan de rechten en verplichtingen die voortvloeien uit hun toetreding tot de Unie.
Met name zeggen zij, op 1 mei 2004 of zo spoedig mogelijk daarna, de internationale visserijovereenkomsten en hun lidmaatschap van internationale visserijorganisaties op waarbij ook de Unie partij is, tenzij hun lidmaatschap geen verband houdt met visserijzaken.
Artikel 7
De door de instellingen vastgestelde handelingen waarop de in dit Protocol vastgestelde overgangsmaatregelen zijn gebaseerd, behouden hun eigen rechtskarakter; met name blijven de voor deze handelingen geldende wijzigingsprocedures van toepassing.
Artikel 8
Bepalingen van de Akte van toetreding van 16 april 2003, als uitgelegd door het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen en het Gerecht van eerste aanleg, die tot doel of tot gevolg hebben de intrekking of de wijziging, anders dan bij wijze van overgangsmaatregel, van de handelingen die zijn vastgesteld door de instellingen, organen of instanties van de Gemeenschap of van de bij het Verdrag betreffende de Europese Unie ingestelde Europese Unie, blijven van kracht, behoudens toepassing van de tweede alinea.
De in de eerste alinea bedoelde bepalingen hebben hetzelfde rechtskarakter als de handelingen die door deze bepalingen worden ingetrokken of gewijzigd, en zij zijn aan dezelfde regels onderworpen.
Artikel 9
De teksten van de handelingen van de instellingen, organen en instanties van de Gemeenschap en van de bij het Verdrag betreffende de Europese Unie ingestelde Europese Unie alsmede de teksten van de handelingen van de Europese Centrale Bank die vóór 1 mei 2004 zijn vastgesteld en die in de Tsjechische, de Estse, de Hongaarse, de Letse, de Litouwse, de Maltese, de Poolse, de Slowaakse en de Sloveense taal zijn opgesteld, zijn gelijkelijk authentiek vanaf die datum, onder dezelfde voorwaarden als de in de overige talen opgestelde en gelijkelijk authentieke teksten.
Artikel 10
De bij dit Protocol vastgestelde overgangsbepalingen kunnen bij Europese wet van de Raad worden ingetrokken indien zij niet meer van toepassing zijn. De Raad besluit met eenparigheid van stemmen, na raadpleging van het Europees Parlement.
Artikel 11
Ten aanzien van de toepassing van de Grondwet en van de door de instellingen vastgestelde handelingen gelden, bij wijze van overgang, de in dit Protocol neergelegde afwijkende bepalingen.
TITEL II. PERMANENTE BEPALINGEN
Artikel 12
De ingevolge de toetreding noodzakelijke aanpassingen van de handelingen genoemd in de lijst in bijlage III van de Akte van toetreding van 16 april 2003 worden verricht overeenkomstig de in die bijlage vervatte richtsnoeren en volgens de procedure en op de wijze bepaald in artikel 36.
Artikel 13
De in bijlage IV van de Akte van toetreding van 16 april 2003 opgesomde maatregelen worden toegepast op de in die bijlage bepaalde wijze.
Artikel 14
Bij Europese wet van de Raad kunnen in de bepalingen van dit Protocol de aanpassingen betreffende het gemeenschappelijk landbouwbeleid worden aangebracht die nodig kunnen blijken ten gevolge van een wijziging van het recht van de Unie. De Raad besluit met eenparigheid van stemmen, na raadpleging van het Europees Parlement.
TITEL III. TIJDELIJKE BEPALINGEN
Artikel 15
De in de bijlagen V tot en met XIV van de Akte van toetreding van 16 april 2003 genoemde maatregelen zijn ten opzichte van de nieuwe lidstaten van toepassing op de wijze als bepaald in die bijlagen.
Artikel 16
De „rechten van het Gemeenschappelijke Douanetarief en andere douanerechten” genoemde ontvangsten, bedoeld in artikel 2, lid 1, onder b, van Besluit 2000/597/EG, Euratom van de Raad van 29 september 2000 betreffende het stelsel van de eigen middelen van de Europese Gemeenschappen1)PB L 253 van 7.10.2000, blz. 42., of de overeenkomstige bepaling in enig besluit dat dit vervangt, omvatten de douanerechten die worden berekend op basis van de rechten die voortvloeien uit het gemeenschappelijk douanetarief en alle daarmee samenhangende tariefconcessies die de Unie in het handelsverkeer van de nieuwe lidstaten met derde landen toepast.
Voor 2004 zijn de in artikel 2, lid 1, onder c, respectievelijk d, van Besluit 2000/597/EG, Euratom bedoelde geharmoniseerde BTW-grondslag en BNP-grondslag (bruto nationaal product) van iedere nieuwe lidstaat gelijk aan twee derde van de jaarbasis. De BNP-grondslag van elke nieuwe lidstaat waarmee rekening zal worden gehouden bij de berekening van de in artikel 5, lid 1, van Besluit 2000/597/EG, Euratom bedoelde financiering van de correctie voor begrotingsonevenwichtigheden die aan het Verenigd Koninkrijk is toegestaan, is eveneens gelijk aan twee derde van de jaarbasis.
Voor de bepaling van het in artikel 2, lid 4, onder b, van Besluit 2000/597/EG, Euratom bedoelde „bevroren percentage” voor 2004, worden de afgetopte BTW-grondslagen voor de nieuwe lidstaten berekend op basis van twee derde van de niet-afgetopte BTW-grondslag en twee derde van hun BNP.
Artikel 17
Om rekening te houden met de toetreding van de nieuwe lidstaten, is de begroting van de Unie voor het begrotingsjaar 2004 aangepast door middel van een gewijzigde begroting die op 1 mei 2004 van kracht is geworden.
De twaalf maandelijkse twaalfden van de op de BTW en op het BNP gebaseerde middelen die door de nieuwe lidstaten moeten worden betaald krachtens de in lid 1 bedoelde gewijzigde begroting, alsmede de aanpassing met terugwerkende kracht van de maandelijkse twaalfden voor het tijdvak januari-april 2004 die uitsluitend gelden voor de huidige lidstaten, worden omgezet in achtsten die tijdens de periode mei-december 2004 moeten worden afgedragen. De aanpassingen met terugwerkende kracht die voortvloeien uit een later in 2004 aangenomen gewijzigde begroting, worden op dezelfde wijze omgezet in gelijke delen die tijdens de rest van het jaar moeten worden afgedragen.
Artikel 18
De Unie stort op de eerste werkdag van elke maand aan de Tsjechische Republiek, Cyprus, Malta en Slovenië, uit hoofde van de uitgaven van de begroting van de Unie, één achtste in 2004 vanaf 1 mei 2004 en één twaalfde in 2005 en 2006 van de volgende bedragen bij wijze van tijdelijke begrotingscompensatie:
| 2004 | 2005 | 2006 | |
|---|---|---|---|
| (miljoen euro – prijzen van 1999) | (miljoen euro – prijzen van 1999) | (miljoen euro – prijzen van 1999) | |
| Tsjechische Republiek | 125,4 | 178,0 | 85,1 |
| Cyprus | 68,9 | 119,2 | 112,3 |
| Malta | 37,8 | 65,6 | 62,9 |
| Slovenië | 29,5 | 66,4 | 35,5. |
Artikel 19
De Unie stort op de eerste werkdag van elke maand aan de Tsjechische Republiek, Estland, Cyprus, Letland, Litouwen, Hongarije, Malta, Polen, Slovenië en Slowakije, uit hoofde van de uitgaven van de begroting van de Unie, één achtste in 2004 vanaf de datum van toetreding en één twaalfde in 2005 en 2006 van de volgende bedragen bij wijze van forfaitaire speciale cash flow-faciliteit:
| 2004 | 2005 | 2006 | |
|---|---|---|---|
| (miljoen euro – prijzen van 1999) | (miljoen euro – prijzen van 1999) | (miljoen euro – prijzen van 1999) | |
| Tsjechische Republiek | 174,7 | 91,55 | 91,55 |
| Estland | 15,8 | 2,9 | 2,9 |
| Cyprus | 27,7 | 5,05 | 5,05 |
| Letland | 19,5 | 3,4 | 3,4 |
| Litouwen | 34,8 | 6,3 | 6,3 |
| Hongarije | 155,3 | 27,95 | 27,95 |
| Malta | 12,2 | 27,15 | 27,15 |
| Polen | 442,8 | 550,0 | 450,0 |
| Slovenië | 65,4 | 17,85 | 17,85 |
| Slowakije | 63,2 | 11,35 | 11,35. |
Een in de forfaitaire speciale cash flow-faciliteit opgenomen bedrag van 1 miljard euro voor Polen en van 100 miljoen euro voor de Tsjechische Republiek wordt in aanmerking genomen voor de berekeningen betreffende de verdeling van de fondsen met structurele strekking voor de jaren 2004, 2005 en 2006.
Artikel 20
De hieronder vermelde nieuwe lidstaten betalen de volgende bijdragen aan het Fonds voor onderzoek inzake kolen en staal bedoeld in Besluit 2002/234/EGKS van de vertegenwoordigers van de regeringen der lidstaten, in het kader van de Raad bijeen, van 27 februari 2002 betreffende de financiële gevolgen van de beëindiging van het EGKS-Verdrag en betreffende het Fonds voor onderzoek inzake kolen en staal1)PB L 79 van 22.3.2002, blz. 42. :
| (miljoen euro – huidige prijzen | |
|---|---|
| Tsjechische Republiek | 39,88 |
| Estland | 2,5 |
| Letland | 2,69 |
| Hongarije | 9,93 |
| Polen | 92,46 |
| Slovenië | 2,36 |
| Slowakije | 20,11. |
De bijdragen aan het Fonds voor onderzoek inzake kolen en staal worden in vier keer betaald, te beginnen in 2006, volgens het onderstaande schema, steeds op de eerste werkdag van de eerste maand van elk jaar:
| 2006: | 15% |
|---|---|
| 2007: | 20% |
| 2008: | 30% |
| 2009: | 35%. |
Artikel 21
Voorzover in dit Protocol niet anders is bepaald, worden na 31 december 2003 geen financiële verbintenissen aangegaan ten behoeve van de nieuwe lidstaten uit hoofde van het Phare-programma2)Verordening (EEG) nr. 3906/89 (PB L 375 van 23.12.1989, blz. 11)., het programma voor grensoverschrijdende samenwerking in het kader van het Phare-programma3)Verordening (EG) nr. 2760/98 (PB L 345 van 19.12.1998, blz. 49)., de pretoetredingsinstrumenten voor Cyprus en Malta4)Verordening (EG) nr. 555/2000 (PB L 68 van 16.3.2000, blz. 3)., het ISPA-programma5)Verordening (EG) nr. 1267/1999 (PB L 161 van 26.6.1999, blz. 73). en het Sapard-programma6)Verordening (EG) nr. 1268/1999 (PB L 161 van 26.6.1999, blz. 87).. De nieuwe lidstaten krijgen met ingang van 1 januari 2004 dezelfde behandeling als de huidige lidstaten wat betreft uitgaven onder de eerste drie rubrieken van de financiële vooruitzichten, zoals die zijn bepaald in het Interinstitutioneel Akkoord van 6 mei 19991)Interinstitutioneel akkoord van 6 mei 1999 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie over de begrotingsdiscipline en de verbetering van de begrotingsprocedure (PB C 172 van 18.6.1999, blz. 1). , met inachtneming van de hieronder vermelde individuele specificaties en uitzonderingen of zoals anderszins is bepaald in dit Protocol. De maximum aanvullende vastleggingen voor de rubrieken 1, 2, 3 en 5 van de financiële vooruitzichten in verband met de toetreding staan in bijlage XV van de Akte van toetreding van 16 april 2003. Voor geen enkel programma of geen enkele orgaan mogen echter financiële verbintenissen worden aangegaan uit hoofde van de begroting voor 2004 voordat de betrokken nieuwe lidstaat is toegetreden.
Lid 1 is niet van toepassing op uitgaven uit hoofde van het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw, afdeling Garantie, overeenkomstig artikel 2, leden 1 en 2, en artikel 3, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1258/1999 van de Raad van 17 mei 1999 betreffende de financiering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid2)PB L 160 van 26.6.1999, blz. 103., die pas vanaf 1 mei 2004 voor communautaire financiering in aanmerking komen, overeenkomstig artikel 2 van dit Protocol.
Lid 1 van dit artikel is echter wel van toepassing op uitgaven voor uit hoofde van door het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw, afdeling Garantie, gefinancierde plattelandsontwikkeling, overeenkomstig artikel 47 bis van Verordening (EG) nr. 1257/1999 van de Raad van 17 mei 1999 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL) en tot wijziging en intrekking van een aantal verordeningen3)PB L 160 van 26.6.1999, blz. 80., met inachtneming van de voorwaarden daaraan verbonden in de wijziging van deze verordening in bijlage II bij de Akte van toetreding van 16 april 2003.
Onder voorbehoud van lid 1, laatste zin, nemen de nieuwe lidstaten vanaf 1 januari 2004 volgens dezelfde regels en voorwaarden als de huidige lidstaten deel aan de programma's en organen van de Unie, met financiering uit de algemene begroting van de Unie.
Indien er maatregelen moeten worden genomen om de overgang tussen de pretoetredingsregeling en die welke voortvloeit uit de toepassing van dit artikel te vergemakkelijken, neemt de Commissie de vereiste maatregelen.
Artikel 22
Vanaf 1 mei 2004 worden de aanbestedingen, de gunningen, de uitvoering en de betaling van pretoetredingssteun uit hoofde van het Phare-programma, het programma voor grensoverschrijdende samenwerking in het kader van het Phare-programma en de pretoetredingsmiddelen voor Cyprus en Malta beheerd door een uitvoeringsinstantie in de nieuwe lidstaten.
De Commissie kan bij Europees besluit afzien van de voorafgaande controle door de Commissie van de aanbestedingen en gunningen, na een positieve evaluatie van het versterkt gedecentraliseerd uitvoeringssysteem (EDIS), volgens de criteria en de voorwaarden van de bijlage bij Verordening (EG) nr. 1266/1999 van de Raad van 21 juni 1999 betreffende de coördinatie van de bijstand aan de kandidaat-lidstaten in het kader van de pretoetredingsstrategie en houdende wijziging van Verordening (EEG) nr. 3906/891)PB L 232 van 2.9.1999, blz. 34. .
Indien deze besluiten om af te zien van voorafgaande controle niet zijn vastgesteld vóór 1 mei 2004, heeft dat tot gevolg dat overeenkomsten die zijn ondertekend tussen 1 mei 2004 en de datum waarop de Commissie haar besluiten vaststelt, niet in aanmerking komen voor pretoetredingssteun.
Indien evenwel, bij wijze van uitzondering, het besluit van de Commissie om af te zien van voorafgaande controle pas kan worden vastgesteld na 1 mei 2004 om redenen die niet kunnen worden toegeschreven aan de autoriteiten van de nieuwe lidstaat, kan de Commissie in naar behoren gemotiveerde gevallen aanvaarden dat overeenkomsten die zijn gesloten tussen 1 mei 2004 en de datum van deze besluiten, in aanmerking komen voor pretoetredingssteun, en dat de uitvoering van de pretoetredingssteun nog gedurende een beperkte periode wordt voortgezet, op voorwaarde dat de Commissie de aanbestedingen en de gunningen vooraf controleert.
Algemene begrotingsverplichtingen die uit hoofde van de in lid 1 bedoelde financiële instrumenten voor de pretoetredingssteun voor 1 mei 2004 zijn aangegaan, met inbegrip van de afsluiting en registratie van de verschillende later aangegane juridische verplichtingen en de betalingen die na 1 mei 2004 zijn verricht, blijven vallen onder de regels en voorschriften van de financiële instrumenten voor pretoetredingssteun en blijven ten laste van de desbetreffende begrotingshoofdstukken tot de betrokken programma's en projecten worden afgesloten. Niettemin worden procedures inzake overheidsopdrachten die worden begonnen na 1 mei 2004, uitgevoerd overeenkomstig de toepasselijke handelingen van de Unie.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)