Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa

Type Verdrag
Publication 2004-10-29
State In force
Source BWB
artikelen 486
Wijzigingsgeschiedenis JSON API
3.

Zodra één of meer landen lid van de Unie worden en hun respectieve nationale centrale banken deel gaan uitmaken van het Europees Stelsel van Centrale Banken, worden het geplaatste kapitaal van de Europese Centrale Bank en het plafond voor de externe reserves die aan de Europese Centrale Bank mogen worden overgedragen, automatisch verhoogd. De verhoging wordt bepaald door de op dat ogenblik geldende bedragen te vermenigvuldigen met de ratio tussen de weging, in het kader van de verdeelsleutel voor de inschrijving op het uitgebreide kapitaal, van de toetredende nationale centrale banken enerzijds, en de weging van de nationale centrale banken die reeds deel uitmaken van het Europees Stelsel van Centrale Banken anderzijds. De weging van elke nationale centrale bank in de verdeelsleutel wordt berekend naar analogie van artikel 29, lid 1, en in overeenstemming met artikel 29, lid 2. De referentieperioden voor de statistische gegevens zijn dezelfde als die welke zijn toegepast voor de laatste vijfjaarlijkse aanpassing van de wegingen krachtens artikel 29, lid 3.

Artikel 49. Afwijking van artikel 32
1.

Wanneer de Raad van bestuur na de aanvang van de derde fase besluit dat de toepassing van artikel 32resulteert in aanzienlijke wijzigingen in de relatieve inkomensposities van de nationale centrale banken, wordt het bedrag aan inkomsten dat ingevolge artikel 32 moet worden toegedeeld, verminderd met een uniform percentage, dat in het eerste boekjaar na de aanvang van de derde fase niet meer dan 60 mag bedragen, en dat in elk volgend boekjaar met ten minste 12 procentpunten afneemt.

2.

Lid 1, is niet langer van toepassing dan vijf boekjaren na de aanvang van de derde fase.

Artikel 50. Inwisseling van bankbiljetten in de valuta's van de lidstaten

Na de onherroepelijke vaststelling van de wisselkoersen overeenkomstig artikel III-198, lid 3, van de Grondwet treft de Raad van bestuur de noodzakelijke maatregelen om te verzekeren dat bankbiljetten luidende in valuta's van de lidstaten met onherroepelijk vastgestelde wisselkoersen door de nationale centrale banken worden ingewisseld tegen hun respectieve pari-waarden.

Artikel 51. Toepasselijkheid van de overgangsbepalingen

Indien en zolang er lidstaten zijn die onder een derogatie vallen, zijn de artikelen 42 tot en met 47 van toepassing.

De Hoge Verdragsluitende partijen,

Wensende, het in artikel III-393 van de Grondwet bedoelde statuut van de Europese Investeringsbank vast te stellen,

Hebben overeenstemming bereikt omtrent de volgende bepalingen, die aan het Verdrag tot vaststelling van een grondwet voor Europa worden gehecht:

Artikel 1

De in artikel III-393 van de Grondwet bedoelde Europese Investeringsbank, hierna te noemen, „de Bank”, wordt opgericht en oefent haar functies en werkzaamheden uit overeenkomstig de Grondwet en dit statuut.

Artikel 2

De taak van de Bank is in artikel III-394 van de Grondwet omschreven.

Artikel 3

Overeenkomstig artikel III-393 van de Grondwet zijn de lidstaten de leden van de Bank.

Artikel 4
1.

Het kapitaal van de Bank bedraagt 163.653.737.000 euro, waarin door de lidstaten voor de volgende bedragen wordt deelgenomen:

Duitsland 26 649 532 500
Frankrijk 26 649 532 500
Italië 26 649 532 500
Verenigd Koninkrijk 26 649 532 500
Spanje 15 989 719 500
België 7 387 065 000
Nederland 7 387 065 000
Zweden 4 900 585 500
Denemarken 3 740 283 000
Oostenrijk 3 666 973 500
Polen 3 411 263 500
Finland 2 106 816 000
Griekenland 2 003 725 500
Portugal 1 291 287 000
Tsjechische Republiek 1 258 785 500
Hongarije 1 190 868 500
Ierland 935 070 000
Slowakije 428 490 500
Slovenië 397 815 000
Litouwen 249 617 500
Luxemburg 187 015 500
Cyprus 183 382 000
Letland 152 335 000
Estland 117 640 000
Malta 69 804 000

De lidstaten zijn ten hoogste aansprakelijk tot het nog niet gestorte bedrag van hun aandeel in het geplaatste kapitaal.

2.

De toelating van een nieuw lid brengt verhoging van het geplaatste kapitaal mede, overeenkomende met de inbreng van het nieuwe lid.

3.

De Raad van gouverneurs kan met eenparigheid van stemmen tot een verhoging van het geplaatste kapitaal besluiten.

4.

Het aandeel der leden in het geplaatste kapitaal kan gecedeerd noch verpand worden en is niet vatbaar voor beslag.

Artikel 5
1.

Het geplaatste kapitaal wordt door de lidstaten gestort ten belope van gemiddeld 5% van de in artikel 4, lid 1, vastgestelde bedragen.

2.

In geval van verhoging van het geplaatste kapitaal, stelt de Raad van gouverneurs met eenparigheid van stemmen het percentage vast dat moet worden gestort alsmede de wijze van storting. Storting in contanten geschiedt uitsluitend in euro.

3.

De Raad van bewind kan de storting van het resterende deel van het geplaatste kapitaal verlangen, voorzover dit noodzakelijk is om aan de verplichtingen van de Bank te voldoen.

Storting geschiedt door elke lidstaat in verhouding tot zijn aandeel in het geplaatste kapitaal.

Artikel 6

De Bank wordt bestuurd en beheerd door een Raad van gouverneurs, een Raad van bewind en een directie.

Artikel 7
1.

De Raad van gouverneurs bestaat uit de door de lidstaten aangewezen ministers.

2.

De Raad van gouverneurs stelt de algemene richtlijnen vast met betrekking tot de kredietpolitiek van de Bank, overeenkomstig de doelstellingen van de Unie.

Hij ziet erop toe dat deze richtlijnen worden opgevolgd.

3.

Bovendien geldt voor de Raad van gouverneurs het volgende:

  • a. hij besluit overeenkomstig artikel 4, lid 3, en artikel 5, lid 2, tot verhoging van het geplaatste kapitaal;
  • b. hij stelt, ter fine van artikel 9, lid 1, vast volgens welke beginselen financiering door de Bank in het kader van haar taak geschiedt;
  • c. hij oefent de bevoegdheden uit die in de artikelen 9 en 11 voor de benoeming en het ambtshalve ontslag van de leden van de Raad van bewind en van de directie zijn genoemd, alsmede die welke in artikel 11, lid 1, tweede alinea, zijn genoemd;
  • d. hij besluit overeenkomstig artikel 16, lid 1, tot financiering van investeringen die geheel of gedeeltelijk buiten het grondgebied van de lidstaten zullen worden gedaan;
  • e. hij keurt het door de Raad van bewind opgestelde jaarverslag goed;
  • f. hij keurt de jaarbalans alsmede de winst- en verliesrekening goed;
  • g. hij keurt het reglement van orde van de Bank goed;
  • h. hij oefent de overige bij dit statuut uitdrukkelijk verleende bevoegdheden uit.
4.

De Raad van gouverneurs kan met eenparigheid van stemmen, in het kader van de Grondwet en van dit statuut, alle besluiten vaststellen met betrekking tot de schorsing van de werkzaamheden van de Bank en met betrekking tot haar eventuele liquidatie.

Artikel 8
1.

Voorzover in dit statuut niet anders is bepaald, worden de besluiten van de Raad van gouverneurs met meerderheid van de stemmen van zijn leden genomen. Deze meerderheid moet ten minste 50% van het geplaatste kapitaal vertegenwoordigen.

Een gekwalificeerde meerderheid wordt gevormd door achttien stemmen en 68% van het geplaatste kapitaal.

2.

Onthouding door aanwezige of vertegenwoordigde leden vormt geen beletsel voor de vaststelling van besluiten die eenparigheid van stemmen vereisen.

Artikel 9
1.

De Raad van bewind beslist over financieringen, met name in de vorm van kredieten en garanties, en over het aangaan van leningen; hij stelt de rentevoet vast voor de door de Bank verstrekte leningen alsmede de provisies en overige verplichtingen. Hij kan op grond van een met gekwalificeerde meerderheid van stemmen genomen besluit, bepaalde bevoegdheden aan de directie delegeren. Hij bepaalt onder welke voorwaarden en op welke wijze deze delegatie geschiedt en ziet toe op de uitvoering ervan.

De Raad van bewind ziet toe op een goed bestuur van de Bank; en zorgt ervoor dat het beheer van de Bank plaatsvindt in overeenstemming met de Grondwet en dit statuut en met de algemene richtlijnen welke door de Raad van gouverneurs worden vastgesteld.

Na het boekjaar brengt hij verslag uit aan de Raad van gouverneurs en maakt dit verslag na goedkeuring bekend.

2.

De Raad van bewind bestaat uit zesentwintig bewindvoerders en zestien plaatsvervangers.

De bewindvoerders worden door de Raad van gouverneurs voor een periode van vijf jaar benoemd, waarbij iedere lidstaat een bewindvoerder aanwijst. Ook de Commissie wijst een bewindvoerder aan.

De plaatsvervangende bewindvoerders worden door de Raad van gouverneurs voor een periode van vijf jaar benoemd, en wel als volgt:

  • –. twee plaatsvervangers aangewezen door de Bondsrepubliek Duitsland,
  • –. twee plaatsvervangers aangewezen door de Franse Republiek,
  • –. twee plaatsvervangers aangewezen door de Italiaanse Republiek,
  • –. twee plaatsvervangers aangewezen door het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland,
  • –. een plaatsvervanger in onderlinge overeenstemming aangewezen door het Koninkrijk Spanje en de Portugese Republiek,
  • –. een plaatsvervanger in onderlinge overeenstemming aangewezen door het Koninkrijk België, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden,
  • –. een plaatsvervanger in onderlinge overeenstemming aangewezen door het Koninkrijk Denemarken, de Helleense Republiek en Ierland,
  • –. een plaatsvervanger in onderlinge overeenstemming aangewezen door de Republiek Oostenrijk, de Republiek Finland en het Koninkrijk Zweden,
  • –. drie plaatsvervangers in onderlinge overeenstemming aangewezen door de Tsjechische Republiek, de Republiek Estland, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, de Republiek Hongarije, de Republiek Malta, de Republiek Polen, de Republiek Slovenië en de Slowaakse Republiek,
  • –. een plaatsvervanger aangewezen door de Commissie.

De Raad van bewind coöpteert zes deskundigen zonder stemrecht: drie als vaste deskundigen en drie als plaatsvervangers.

De bewindvoerders en de plaatsvervangers zijn herbenoembaar.

Het reglement van orde bevat de nadere regels inzake deelneming aan de vergaderingen van de Raad van bewind alsmede de voorschriften betreffende de plaatsvervangers en de gecoöpteerde leden.

De president of, bij ontstentenis, een van de vice-presidenten van de directie oefent het voorzitterschap uit van de Raad van bewind, zonder aan de stemming deel te nemen.

Als leden van de Raad van bewind worden gekozen personen die alle waarborgen bieden voor onafhankelijkheid en bekwaamheid. Zij zijn slechts aan de Bank verantwoording schuldig.

3.

Een bewindvoerder kan slechts dan door de Raad van gouverneurs, welke ter zake met gekwalificeerde meerderheid van stemmen besluit, ambtshalve worden ontslagen, indien hij niet meer voldoet aan de voorwaarden welke voor de uitoefening van zijn functie zijn gesteld.

Ingeval het jaarverslag niet wordt goedgekeurd, treedt de Raad van bewind af.

4.

Indien er ten gevolge van overlijden of van vrijwillig, ambtshalve of collectief ontslag een vacature ontstaat, wordt tot vervanging overgegaan overeenkomstig de in lid 2 vastgestelde voorschriften. Behalve bij algehele vernieuwing, worden de leden voor de verdere duur van hun mandaat vervangen.

5.

De Raad van gouverneurs stelt de vergoeding vast voor de leden van de Raad van bewind. Hij bepaalt welke functie eventueel onverenigbaar is met die van bewindvoerder en van plaatsvervanger.

Artikel 10
1.

Elke bewindvoerder beschikt in de Raad van bewind over één stem. Hij kan zijn stem in alle gevallen overeenkomstig in het reglement van orde van de Bank vast te stellen regels delegeren.

2.

Tenzij in dit statuut anders is bepaald, worden de besluiten van de Raad van bewind genomen door ten minste eenderde van de stemgerechtigde leden welke ten minste 50% van het geplaatste kapitaal vertegenwoordigen. Voor een gekwalificeerde meerderheid zijn achttien stemmen en 68% van het geplaatste kapitaal vereist. In het reglement van orde van de bank wordt bepaald welk quorum vereist is voor de geldigheid van de besluiten van de Raad van bewind.

Artikel 11
1.

De directie bestaat uit een president en acht vice-presidenten, die voor een periode van zes jaar door de Raad van gouverneurs op voorstel van de Raad van bewind worden benoemd. Zij zijn herbenoembaar.

De Raad van gouverneurs kan met eenparigheid van stemmen het aantal leden van de directie wijzigen.

2.

Op voorstel van de Raad van bewind, met gekwalificeerde meerderheid van stemmen tot stand gekomen, kan de Raad van gouverneurs, met gekwalificeerde meerderheid van stemmen, besluiten de leden van de directie ambtshalve te ontslaan.

3.

De directie behandelt de lopende zaken van de Bank, onder leiding van de president en onder toezicht van de Raad van bewind.

Zij bereidt de besluiten van de Raad van bewind voor, met name wat betreft het aangaan van leningen en het verlenen van financiering, met name in de vorm van kredieten en garanties. Zij zorgt voor de uitvoering van die besluiten.

4.

De adviezen inzake voorstellen voor het aangaan van leningen en het verlenen van financiering, met name in de vorm van kredieten en garanties, worden door de directie met meerderheid van stemmen aangenomen.

5.

De Raad van gouverneurs stelt de vergoeding vast voor de leden van de directie en bepaalt welke werkzaamheden onverenigbaar zijn met hun ambt.

6.

De president of bij ontstentenis, een van de vice-presidenten vertegenwoordigt de Bank in en buiten rechte.

7.

De personeelsleden van de Bank staan onder het gezag van de president. Zij worden door hem benoemd en ontslagen. Bij de keuze van het personeel wordt niet alleen rekening gehouden met persoonlijke geschiktheid en beroepsbekwaamheid, doch eveneens met een billijke verdeling naar nationaliteit over de lidstaten. In het reglement van orde wordt bepaald welke instantie bevoegd is de bepalingen die op het personeel van toepassing zijn, vast te stellen.

8.

De directie en het personeel van de Bank zijn slechts aan de Bank verantwoording schuldig en oefenen hun functies in volledige onafhankelijkheid uit.

Artikel 12
1.

Een comité van zes leden, die door de Raad van gouverneurs op grond van hun bekwaamheid worden benoemd, controleert de activiteiten van de Bank op verenigbaarheid met de beste bancaire praktijken en is belast met de controle van de rekeningen van de Bank.

2.

Het in lid 1 bedoelde comité onderzoekt elk jaar de regelmatigheid van de verrichtingen en van de boeken van de Bank. Te dien einde controleert het of de verrichtingen van de Bank overeenkomstig de in dit statuut en in het reglement van orde vastgestelde voorschriften en procedures hebben plaatsgevonden.

3.

Het in lid 1 bedoelde comité verklaart dat de financiële staten, alsmede alle financiële gegevens die zijn vervat in de door de Raad van bewind opgestelde jaarrekening, zowel aan de actief- als aan de passiefzijde een trouwe weergave zijn van de financiële situatie van de Bank, alsmede van haar resultaten en kasstroom over het beschouwde boekjaar.

4.

Het reglement van orde bepaalt welke kwalificaties de leden van het in lid 1 bedoelde comité moeten bezitten, alsmede onder welke voorwaarden en op welke wijze het comité werkt.

Artikel 13

De Bank onderhoudt de betrekkingen met elke lidstaat door tussenkomst van de door deze aangewezen autoriteit. Voor de uitvoering van financiële verrichtingen doet zij een beroep op de nationale centrale bank van de betrokken lidstaat of op andere door die staat gemachtigde financiële instellingen.

Artikel 14
1.

De Bank werkt samen met alle internationale organisaties waarvan de werkzaamheden zich uitstrekken over een terrein dat met het hare overeenkomt.

2.

De Bank legt alle contacten welke dienstig zijn voor de samenwerking met de bankinstellingen en financiële instellingen van de landen tot welke haar verrichtingen zich uitstrekken.

Artikel 15

Op verzoek van een lidstaat of van de Commissie dan wel ambtshalve worden de richtlijnen die door de Raad van gouverneurs krachtens artikel 7 zijn vastgesteld, door hem uitgelegd of aangevuld op dezelfde wijze als waarop zij tot stand zijn gekomen.

Artikel 16
1.

In het kader van de in artikel III-394 van de Grondwet omschreven taak, verleent de Bank aan haar leden of aan particuliere of openbare ondernemingen financiering, onder meer in de vorm van kredieten en garanties, voor investeringen die op het grondgebied van de lidstaten zullen worden verwezenlijkt, voorzover middelen uit andere bronnen niet tegen redelijke voorwaarden beschikbaar zijn.

De Bank kan evenwel krachtens een met gekwalificeerde meerderheid van stemmen vastgesteld besluit van de Raad van gouverneurs op voorstel van de Raad van bewind financiering verlenen voor investeringen die geheel of gedeeltelijk buiten het grondgebied van de lidstaten zullen worden verwezenlijkt.

2.

Het verstrekken van leningen wordt zoveel mogelijk ondergeschikt gemaakt aan de inschakeling van andere financieringsmiddelen.

3.

Wanneer een lening wordt toegekend aan een onderneming of een ander lichaam dan een lidstaat, maakt de Bank het verstrekken van deze lening afhankelijk hetzij van een garantie van de lidstaat op wiens grondgebied de investering zal worden verwezenlijkt, hetzij van voldoende waarborgen, hetzij van de financiële soliditeit van de debiteur.

In het kader van de door de Raad van gouverneurs in de zin van artikel 7, lid 3, onder b, vastgestelde beginselen en indien de verwezenlijking van de projecten bedoeld in artikel III-394 van de Grondwet zulks vereist, stelt de Raad van bewind voorts met gekwalificeerde meerderheid van stemmen de voorwaarden en bijzonderheden vast van elke financiering met een specifiek risicoprofiel die uit dien hoofde beschouwd wordt als een speciale activiteit.

4.

De Bank kan leningen garanderen die door openbare of particuliere ondernemingen of door lichamen zijn aangegaan ter verwezenlijking van projecten als bedoeld in artikel III-394 van de Grondwet.

5.

De som van de door de Bank verstrekte uitstaande leningen en garanties mag 250% van het geplaatste kapitaal van de reserves, van de niet toegewezen voorzieningen, en van het saldo van de winst- en verliesrekening niet te boven gaan. Het gecumuleerde bedrag van die posten wordt berekend na aftrek van een bedrag dat gelijk is aan het geplaatste kapitaal, al dan niet gestort, uit hoofde van elke deelneming van de Bank.

Op geen enkel moment mag het bedrag dat is gestort uit hoofde van de deelnemingen door de Bank meer bedragen dan het totaal van het vrijgemaakte gedeelte van haar kapitaal, van haar reserves, van haar niet-toegewezen voorzieningen en van het saldo van de winst- en verliesrekening.

Bij wijze van uitzondering krijgen de speciale activiteiten van de Bank waartoe door de Raad van gouverneurs en de Raad van bewind wordt besloten overeenkomstig lid 3, een specifieke toewijzing in reserves.

Dit lid is eveneens van toepassing op de geconsolideerde rekeningen van de Bank.

6.

De Bank beveiligt zich tegen wisselkoersrisico's door in de lenings- en garantieovereenkomsten de naar haar mening passende bepalingen op te nemen.

Artikel 17
1.

De rentevoet voor door de Bank te verstrekken leningen alsmede de provisie en andere lasten worden aangepast aan de op de kapitaalmarkt geldende voorwaarden en worden zodanig berekend dat de daaruit voortvloeiende ontvangsten de Bank in staat stellen haar verplichtingen na te komen, haar kosten en risico's te dekken en overeenkomstig artikel 22 een reservefonds te vormen.

2.

De Bank staat geen verlagingen toe van de rentevoet. Ingeval er, gelet op de bijzondere aard van de investering, aanleiding bestaat tot verlaging van de rentevoet, kan de belanghebbende lidstaat of een derde instantie rentesubsidies verlenen, voorzover dit verenigbaar is met de in artikel III-167 van de Grondwet vastgestelde regels.

Artikel 18

De Bank neemt bij zijn financieringsverrichtingen de navolgende beginselen in acht.

    1. Zij ziet erop toe dat haar gelden op de meest rationele wijze in het belang van de Unie worden aangewend. Zij kan slechts leningen verstrekken of op te nemen leningen garanderen:
  • a. wanneer bij investeringen die worden uitgevoerd door ondernemingen in de productieve sector, rente en aflossing zijn gewaarborgd door de exploitatieopbrengsten, of, bij andere investeringen, door een verbintenis die wordt aangegaan door de staat waarin de investering wordt uitgevoerd dan wel op enigerlei andere wijze, en
  • b. wanneer de uitvoering van de investering bijdraagt tot een verhoging van de economische productiviteit in het algemeen en eveneens tot de totstandbrenging en werking van de interne markt.
    1. Zij neemt op generlei wijze deel in ondernemingen en neemt geen verantwoordelijkheid voor het beheer daarvan op zich, tenzij beveiliging van haar rechten dit als waarborg voor de inning van haar schuldvordering vereist. In het kader van de door de Raad van gouverneurs krachtens artikel 7, lid 3, onder b, vastgestelde beginselen en indien de verwezenlijking van de projecten bedoeld in artikel III-394 van de Grondwet zulks vereist, stelt de Raad van bewind evenwel met gekwalificeerde meerderheid van stemmen de voorwaarden voor en bijzonderheden van een deelneming in het kapitaal van een commerciële onderneming vast in de regel ter aanvulling van een lening of een garantie, indien zulks nodig is voor de financiering van een investering of van een programma.
    1. Zij kan haar schuldvorderingen cederen op de kapitaalmarkt en te dien einde van haar geldnemers de uitgifte van obligaties of andere effecten verlangen.
    1. Noch de Bank noch de lidstaten stellen als voorwaarde dat uitgeleende gelden in een bepaalde lidstaat moeten worden besteed.
    1. Zij kan het verstrekken van leningen afhankelijk stellen van het uitschrijven van internationale aanbestedingen.
    1. Zij financiert noch geheel noch gedeeltelijk een investering waartegen de lidstaat op wiens grondgebied de investering moet worden uitgevoerd, zich verzet.
    1. Ter aanvulling van haar kredietverlening kan de Bank zorgen voor technische bijstand volgens de voorwaarden en bijzonderheden die door de Raad van gouverneurs worden bepaald met gekwalificeerde meerderheid van stemmen en met inachtneming van dit statuut.
Artikel 19
1.

Iedere onderneming of openbaar of privaat lichaam kan rechtstreeks een aanvraag om financiering tot de Bank richten. Een aanvraag kan ook tot de Bank worden gericht, hetzij door tussenkomst van de Commissie, hetzij van de lidstaat op wiens grondgebied de investering zal worden verwezenlijkt.

2.

Wanneer de aanvragen door tussenkomst van de Commissie plaatsvinden, worden zij voor advies voorgelegd aan de lidstaat op wiens grondgebied de investering zal worden uitgevoerd. Wanneer de aanvragen door tussenkomst van de lidstaat plaatsvinden, worden zij voor advies aan de Commissie voorgelegd. Wanneer zij rechtstreeks van een onderneming uitgaan, worden zij aan de betrokken lidstaat en aan de Commissie voorgelegd.

De betrokken lidstaten en de Commissie brengen binnen een termijn van twee maanden advies uit. Bij gebreke van een antwoord binnen deze termijn, mag de Bank aannemen dat tegen de betrokken investering geen bezwaren bestaan.

3.

De Raad van bewind beslist over de financieringsverrichtingen welke hem door de directie worden voorgelegd.

4.

De directie onderzoekt of de haar voorgelegde financieringsverrichtingen voldoen aan de bepalingen van dit statuut, met name aan die van de artikelen 16 en 18. Indien de directie zich uitspreekt voor de financiering, legt zij het desbetreffende voorstel aan de Raad van bewind voor; zij kan haar gunstig advies afhankelijk stellen van de voorwaarden welke zij als wezenlijk beschouwt. Indien de directie zich uitspreekt tegen de financiering, legt zij de desbetreffende bescheiden, vergezeld van haar advies, voor aan de Raad van bewind.

5.

Wanneer de directie een afwijzend advies uitbrengt, kan de Raad van bewind de betrokken financiering alleen verstrekken door met eenparigheid van stemmen te besluiten.

6.

Wanneer de Commissie een afwijzend advies uitbrengt, kan de Raad van bewind de betrokken financiering alleen verstrekken door met eenparigheid van stemmen te besluiten; daarbij onthoudt de bewindvoerder die op aanwijzing van de Commissie is benoemd, zich van stemming.

7.

Ingeval zowel de directie als de Commissie een afwijzend advies uitbrengt, mag de Raad van bewind de betrokken financiering niet verstrekken.

8.

Indien de bescherming van de rechten en belangen van de Bank een herschikking van een financieringsverrichting met betrekking tot goedgekeurde investeringen rechtvaardigt, neemt de directie onverwijld de urgentiemaatregelen die zij nodig acht en legt deze onverwijld voor aan de Raad van bewind.

Artikel 20
1.

De Bank neemt op de kapitaalmarkten de middelen op die voor de vervulling van haar taak noodzakelijk zijn.

2.

De Bank kan op de kapitaalmarkt van de lidstaten leningen opnemen in het kader van de voor deze markten geldende wettelijke voorschriften.

De bevoegde instanties van een lidstaat die onder een derogatie valt in de zin van artikel III-197, lid 1, van de Grondwet kunnen zich slechts hiertegen verzetten, indien ernstige storingen op de kapitaalmarkt van die staat te vrezen zijn.

Artikel 21
1.

De Bank kan de beschikbare middelen welke zij niet onmiddellijk nodig heeft om aan haar verplichtingen te voldoen, op de volgende wijze aanwenden:

  • a. zij kan deze op de geldmarkten uitzetten;
  • b. met inachtneming van de bepalingen van artikel 18, lid 2, kan zij effecten kopen of verkopen,
  • c. zij kan elke andere financiële handeling verrichten die met haar doel verband houdt.
2.

Onverminderd de bepalingen van artikel 23, verricht de Bank bij het beheer over de door haar uitgezette middelen geen deviezenarbitrage die niet rechtstreeks noodzakelijk is voor de verwezenlijking van door haar te verstrekken leningen of voor de nakoming van de verplichtingen die zij wegens door haar aangegane leningen of verstrekte garanties op zich heeft genomen.

3.

Op het in dit artikel bedoelde gebied handelt de Bank in overleg met de bevoegde instanties van de lidstaten of met hun nationale centrale bank.

Artikel 22
1.

Er wordt geleidelijk een reservefonds gevormd ten belope van 10% van het geplaatste kapitaal. Indien de stand van de verplichtingen van de Bank zulks rechtvaardigt, kan de Raad van bewind besluiten tot het vormen van aanvullende reserves. Zolang dit reservefonds nog niet geheel is gevormd, wordt het gestijfd door:

  • a. de renteontvangsten uit hoofde van leningen die de Bank heeft verstrekt uit de door de lidstaten krachtens artikel 5 te storten bedragen;
  • b. de renteontvangsten uit hoofde van leningen die de Bank heeft verstrekt uit de bedragen die zijn verkregen door de terugbetaling van de onder a bedoelde leningen,

voorzover deze renteontvangsten niet noodzakelijk zijn voor het nakomen van de verplichtingen en voor het dekken van de kosten van de Bank.

2.

De middelen van het reservefonds worden zodanig belegd dat zij te allen tijde het doel van dit fonds kunnen dienen.

Artikel 23
1.

De Bank is steeds gemachtigd haar bezit aan deviezen van een van de lidstaten die niet de euro als munteenheid hebben, over te maken met het oog op de uitvoering van financiële verrichtingen overeenkomstig haar taak als omschreven in artikel III-394 van de Grondwet en met inachtneming van de bepalingen van artikel 21 van dit statuut. De Bank vermijdt dergelijke overmakingen zoveel mogelijk indien zij saldi beschikbaar heeft of beschikbaar kan maken in de valuta die zij nodig heeft.

2.

De Bank mag haar bezit aan deviezen van een der lidstaten die niet de euro als munteenheid hebben, niet zonder toestemming van die lidstaat omzetten in deviezen van derde landen.

3.

De Bank kan vrij beschikken over het deel van het kapitaal dat is gestort, en eveneens over de op de markten van derde landen geleende deviezen.

4.

De lidstaten verbinden zich ertoe de debiteuren van de Bank de nodige deviezen ter beschikking te stellen, voor de terugbetaling van hoofdsom en rente van de leningen die de Bank verstrekt of gegarandeerd heeft voor op het grondgebied van de lidstaten uit te voeren investeringen.

Artikel 24

Indien een lidstaat zijn uit dit statuut voortvloeiende verplichtingen als lid niet nakomt, met name de verplichting zijn aandeel te storten of aan zijn verbintenissen ter zake van opgenomen leningen te voldoen, kan de verstrekking van leningen of van garanties aan deze lidstaat of aan zijn onderdanen worden geschorst door een met gekwalificeerde meerderheid van stemmen genomen besluit van de Raad van gouverneurs.

Dit besluit bevrijdt de lidstaat noch zijn onderdanen van hun verplichtingen jegens de Bank.

Artikel 25
1.

Indien de Raad van gouverneurs besluit de werkzaamheid van de Bank te schorsen, worden alle werkzaamheden zonder verwijl stopgezet, met uitzondering van die welke noodzakelijk zijn om het gebruik, de bescherming en het behoud van de bezittingen, alsmede de afwikkeling der verplichtingen behoorlijk te waarborgen.

2.

In geval van liquidatie benoemt de Raad van gouverneurs de liquidateurs en geeft hun aanwijzingen voor de afwikkeling daarvan. Hij ziet toe op de vrijwaring van de rechten van het personeel.

Artikel 26
1.

De Bank heeft in iedere lidstaat de ruimste handelingsbevoegdheid die door de nationale wetgevingen aan rechtspersonen wordt toegekend. Zij kan roerende en onroerende goederen verkrijgen en vervreemden en in rechte optreden.

2.

De bezittingen van de Bank kunnen op geen enkele wijze gevorderd of onteigend worden.

Artikel 27
1.

Geschillen tussen de Bank enerzijds en haar leninggevers, leningnemers of derden anderzijds worden, behoudens de aan het Hof van Justitie van de Europese Unie toegekende bevoegdheden, door de bevoegde nationale rechter beslecht. De Bank kan in een contract in een scheidsrechterlijke procedure voorzien.

2.

De Bank kiest woonplaats in elk der lidstaten. Zij kan echter in een contract een bijzondere woonplaats kiezen.

3.

De vermogenswaarden van de Bank kunnen slechts ingevolge rechterlijke beslissing in beslag genomen of geëxecuteerd worden.

Artikel 28
1.

De Raad van gouverneurs kan met eenparigheid van stemmen besluiten tot de oprichting van filialen of andere lichamen die rechtspersoonlijkheid bezitten en financieel onafhankelijk zijn.

2.

De Raad van gouverneurs stelt met eenparigheid van stemmen de statuten van de in lid 1 bedoelde organen vast waarin met name de doelstellingen, de structuur, het kapitaal, het lidmaatschap, de zetel, de financiële middelen, de beleidsinstrumenten en de regelingen met betrekking tot de accountantscontrole, alsmede hun relatie met de organen van de Bank worden vastgesteld.

3.

De Bank kan deelnemen in het beheer van deze organen en bijdragen tot het geplaatste kapitaal ervan tot een bedrag dat door de Raad van gouverneurs bij een met eenparigheid van stemmen genomen besluit wordt vastgesteld.

4.

Het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie is van toepassing op de in lid 1 bedoelde organen voorzover deze onder het recht van de Unie vallen, op de leden van hun organen waar het de uitoefening van hun taken betreft, en op hun personeelsleden, volgens dezelfde bepalingen en onder dezelfde voorwaarden als die welke van toepassing zijn op de Bank.

Dividenden, meerwaarden of andere van die organen afkomstige inkomensvormen waarop andere leden dan de Europese Unie en de Bank, recht hebben, blijven evenwel onderworpen aan de fiscale bepalingen van de wetgeving die daarop van toepassing is.

5.

Het Hof van Justitie van de Europese Unie doet binnen de hierna genoemde grenzen uitspraak in geschillen over maatregelen die zijn getroffen door de organen van een aan het recht van de Unie onderworpen orgaan. Tegen deze maatregelen kan onder de in artikel III-365 van de Grondwet bepaalde voorwaarden, beroep worden ingesteld door leden van zo'n orgaan in die hoedanigheid of door lidstaten.

6.

De Raad van gouverneurs kan met eenparigheid van stemmen besluiten het personeel van aan het recht van de Unie onderworpen organen aan te sluiten bij gemeenschappelijke stelsels met de Bank, met inachtneming van de respectieve interne procedures.

De Hoge Verdragsluitende Partijen,

Gelet op artikel III-432 van de Grondwet;

Wijzend op en bevestigend het Besluit van 8 april 1965, zulks onverminderd de toekomstige besluiten betreffende de zetel van de instellingen, organen, instanties en diensten,

Hebben overeenstemming bereikt omtrent de volgende bepalingen, die aan het Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa en aan het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie worden gehecht:

Artikel Enig
1.

Het Europees Parlement heeft zijn zetel te Straatsburg, voor de twaalf periodes van de maandelijkse voltallige zittingen met inbegrip van de begrotingszitting. De bijkomende voltallige zittingen worden gehouden te Brussel. De commissies van het Europees Parlement zetelen te Brussel. Het secretariaat-generaal van het Europees Parlement en zijn diensten blijven in Luxemburg gevestigd.

2.

De Raad heeft zijn zetel te Brussel. In de maanden april, juni en oktober houdt de Raad zijn zittingen in Luxemburg.

3.

De Commissie heeft haar zetel te Brussel. De in de artikelen 7, 8 en 9 van het Besluit van 8 april 1965 genoemde diensten zijn gevestigd in Luxemburg.

4.

Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft zijn zetel te Luxemburg.

5.

De Europese Centrale Bank heeft zijn zetel te Frankfurt.

6.

De Rekenkamer heeft zijn zetel te Luxemburg.

7.

Het Comité van de Regio's heeft zijn zetel te Brussel.

8.

Het Economisch en Sociaal Comité heeft zijn zetel te Brussel.

9.

De Europese Investeringsbank heeft haar zetel te Luxemburg.

10.

Europol heeft zijn zetel te Den Haag.

De Hoge Verdragsluitende Partijen,

Overwegende dat de Unie, met inbegrip van de Europese Centrale Bank en de Europese Investeringsbank, krachtens artikel III-434 van de Grondwet, op het grondgebied van de lidstaten de voorrechten en immuniteiten geniet welke nodig zijn ter vervulling van haar taak,

Hebben overeenstemming bereikt omtrent de volgende bepalingen, die aan het Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie worden gehecht:

HOOFDSTUK I. EIGENDOMMEN, FONDSEN, BEZITTINGEN EN VERRICHTINGEN VAN DE UNIE

Artikel 1

De gebouwen en terreinen van de Unie zijn onschendbaar. Zij zijn vrijgesteld van huiszoeking, vordering, verbeurdverklaring of onteigening. De eigendommen en bezittingen van de Unie kunnen zonder toestemming van het Hof van Justitie niet worden getroffen door enige dwangmaatregel van bestuursrechtelijke of gerechtelijke aard.

Artikel 2

Het archief van de Unie is onschendbaar.

Artikel 3

De Unie, haar bezittingen, inkomsten en andere eigendommen zijn vrijgesteld van alle directe belastingen. Telkens wanneer hun dit mogelijk is, treffen de regeringen van de lidstaten passende maatregelen tot kwijtschelding of teruggave van het bedrag der indirecte belastingen en van belastingen op de verkoop, welke een deel vormen van de prijs van onroerende of roerende goederen, wanneer de Unie voor haar officieel gebruik belangrijke aankopen doet van goederen in de prijs waarvan zodanige belastingen begrepen zijn. De toepassing van deze bepalingen mag evenwel niet tot gevolg hebben dat de mededinging binnen de Unie wordt vervalst.

Geen enkele vrijstelling wordt verleend van belastingen, heffingen en rechten die niet anders zijn dan eenvoudige vergoedingen voor diensten van openbaar nut.

Artikel 4

De Unie is vrijgesteld van alle douanerechten, in- en uitvoerverboden en -beperkingen met betrekking tot goederen bestemd voor haar officieel gebruik. De aldus ingevoerde goederen mogen op het grondgebied van de lidstaat alwaar zij zijn ingevoerd niet onder bezwarende titel of om niet worden overgedragen, tenzij op voorwaarden welke door de regering van die staat zijn goedgekeurd.

Zij is tevens vrijgesteld van alle douanerechten, in- en uitvoerverboden en -beperkingen met betrekking tot haar publicaties.

HOOFDSTUK II. MEDEDELINGEN EN LAISSEZ-PASSER

Artikel 5

De instellingen van de Unie genieten, voor hun officiële mededelingen en het overbrengen van al hun documenten op het grondgebied van iedere lidstaat de behandeling, welke door deze staat aan diplomatieke missies wordt toegestaan.

De officiële correspondentie en andere officiële mededelingen van de instellingen van de Unie zijn niet aan censuur onderworpen.

Artikel 6

Laissez-passer, waarvan de vorm in een bij gewone meerderheid van stemmen door de Raad vastgestelde Europese verordening wordt bepaald en die als geldige reispapieren door de overheidsinstanties van de lidstaten worden erkend, kunnen door de voorzitters van de instellingen van de Unie aan de leden en het personeel van deze instellingen worden verstrekt. Deze laissez-passer worden aan de ambtenaren en overige personeelsleden verstrekt overeenkomstig de bepalingen van het statuut van de ambtenaren en de regeling voor de andere personeelsleden van de Unie.

De Commissie kan overeenkomsten sluiten teneinde deze laissez-passers te doen erkennen als geldige reispapieren voor het grondgebied van derde staten.

HOOFDSTUK III. LEDEN VAN HET EUROPEES PARLEMENT

Artikel 7

De bewegingsvrijheid der leden van het Europees Parlement die zich naar de plaats van bijeenkomst van het Europees Parlement begeven of daarvan terugkeren wordt op geen enkele wijze beperkt door voorschriften van bestuursrechtelijke of andere aard.

Aan de leden van het Europees Parlement worden, wat betreft douane en deviezencontrole, toegekend:

  • a. door hun eigen regering, dezelfde faciliteiten als aan hoge ambtenaren, die zich, belast met een tijdelijke officiële zending, naar het buitenland begeven;
  • b. door de regeringen van de andere lidstaten, dezelfde faciliteiten als aan vertegenwoordigers van buitenlandse regeringen, belast met een tijdelijke officiële zending.
Artikel 8

Tegen de leden van het Europees Parlement kan geen onderzoek worden ingesteld, noch kunnen zij worden aangehouden of vervolgd op grond van de mening of de stem, die zij in de uitoefening van hun ambt hebben uitgebracht.

Artikel 9

Tijdens de duur van de zittingen van het Europees Parlement genieten de leden:

  • a. op hun eigen grondgebied, de immuniteiten die aan de leden van de volksvertegenwoordiging in hun staat worden verleend;
  • b. op het grondgebied van elke andere lidstaat, vrijstelling van aanhouding en gerechtelijke vervolging in welke vorm ook.

De immuniteit beschermt hen eveneens, wanneer zij zich naar de plaats van bijeenkomst van het Europees Parlement begeven of daarvan terugkeren.

Op deze immuniteit kan geen beroep worden gedaan in geval van ontdekking op heterdaad, terwijl zij evenmin kan verhinderen dat het Europees Parlement het recht uitoefent de immuniteit van een van zijn leden op te heffen.

HOOFDSTUK V. AMBTENAREN EN OVERIGE PERSONEELSLEDEN VAN DE UNIE

Artikel 11

De ambtenaren en overige personeelsleden van de Unie zijn, ongeacht hun nationaliteit, op het grondgebied van iedere lidstaat:

  • a. vrijgesteld van rechtsvervolging voor hetgeen zij in hun officiële hoedanigheid hebben gedaan, gezegd of geschreven, behoudens de toepassing van de bepalingen van de Grondwet, die betrekking hebben op de verantwoordelijkheid van de ambtenaren en overige personeelsleden tegenover de Unie, en voorts op de bevoegdheid van het Hof van Justitie van de Europese Unie om uitspraak te doen in geschillen tussen de Unie en haar ambtenaren en overige personeelsleden. Zij blijven deze immuniteit genieten nadat zij hun ambt hebben neergelegd;
  • b. tezamen met hun echtgenoten en de te hunnen laste zijnde verwanten vrijgesteld van immigratiebeperkingen en vreemdelingenregistratie;
  • c. inzake monetaire of deviezenregelingen in het genot van de gebruikelijke faciliteiten welke aan ambtenaren van internationale organisaties worden toegekend;
  • d. gerechtigd om de eerste maal, dat zij hun post bezetten, in de betrokken lidstaat hun huisraad en goederen voor persoonlijk gebruik vrij van rechten in te voeren, en bij het neerleggen van hun ambt hun huisraad en goederen voor persoonlijk gebruik uit bedoelde lidstaat vrij van rechten weder uit te voeren, in beide gevallen met inachtneming van de voorwaarden welke de regering van de lidstaat waar dit recht wordt uitgeoefend, als noodzakelijk beschouwt;
  • e. gerechtigd uit een staat hun voor persoonlijk gebruik bestemde personenauto die in de staat waar zij het laatst hun verblijfplaats hebben gehad of in de staat waarvan zij onderdaan zijn, verkregen is op de voorwaarden die op de binnenlandse markt van die staat gelden, vrij van rechten in te voeren, en deze vrij van rechten weder uit te voeren, in beide gevallen met inachtneming van de voorwaarden welke de regering van de betrokken staat als noodzakelijk beschouwt.
Artikel 12

Onder de voorwaarden en volgens de procedure welke bij Europese wet worden vastgesteld, worden de ambtenaren en overige personeelsleden van de Unie onderworpen aan een belasting ten bate van de Unie op de door haar betaalde salarissen, lonen en emolumenten. Deze wet wordt vastgesteld na raadpleging van de betrokken instellingen.

De ambtenaren en overige personeelsleden van de Unie zijn vrijgesteld van nationale belastingen op de door de Unie betaalde salarissen, lonen en emolumenten.

Artikel 13

De ambtenaren en overige personeelsleden van de Unie, die zich uitsluitend uit hoofde van de uitoefening van hun ambt in dienst van de Unie vestigen op het grondgebied van een andere lidstaat dan de staat van de fiscale woonplaats, die zij bezitten op het ogenblik van hun indiensttreding bij de Unie, worden voor de toepassing van de inkomsten-, vermogens- en successiebelastingen, alsmede van de tussen de lidstaten van de Unie gesloten overeenkomsten ter voorkoming van dubbele belasting, zowel in de staat waar zij zich gevestigd hebben als in de staat van de fiscale woonplaats, geacht hun woonplaats te hebben behouden in de laatstgenoemde staat, indien deze lid is van de Unie. Deze bepaling geldt eveneens voor de echtgenoot voorzover deze geen eigen beroepsbezigheden uitoefent, alsmede voor de kinderen die ten laste zijn en onder toezicht staan van de in dit artikel bedoelde personen.

De roerende goederen welke toebehoren aan de in de eerste alinea bedoelde personen en zich bevinden op het grondgebied van de staat van verblijf, worden in de staat vrijgesteld van successiebelasting. Voor de heffing van die belasting worden die roerende goederen geacht zich in de staat van de fiscale woonplaats te bevinden, onder voorbehoud van de rechten van derde staten en de mogelijke toepassing van de bepalingen der internationale overeenkomsten betreffende dubbele belasting.

De uitsluitend uit hoofde van de uitoefening van een ambt in dienst van andere internationale organisaties verkregen woonplaats wordt niet in aanmerking genomen bij de toepassing van de bepalingen van dit artikel.

Artikel 14

Bij Europese wet wordt de regeling vastgesteld inzake de sociale voorzieningen die op de ambtenaren en overige personeelsleden van de Unie van toepassing zijn. Zij wordt vastgesteld na raadpleging van de betrokken instellingen.

Artikel 15

Bij Europese wet wordt bepaald op welke categorieën van ambtenaren en overige personeelsleden van de Unie artikel 11, artikel 12, tweede alinea, en artikel 13 geheel of ten dele van toepassing zijn. Zij wordt vastgesteld na raadpleging van de betrokken instellingen.

De namen, hoedanigheden en adressen der ambtenaren en overige personeelsleden, welke onder deze categorieën zijn begrepen, worden op gezette tijden aan de regeringen van de lidstaten medegedeeld.

HOOFDSTUK VI. VOORRECHTEN EN IMMUNITEITEN VAN DE BIJ DE UNIE GEACCREDITEERDE MISSIES VAN DERDE STATEN

Artikel 16

De lidstaat, op wiens grondgebied de zetel van de Unie is gevestigd, verleent aan de missies van de bij de Unie geaccrediteerde derde staten de gebruikelijke diplomatieke voorrechten en immuniteiten.

HOOFDSTUK VII. ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 17

De voorrechten, immuniteiten en faciliteiten worden aan de ambtenaren en overige personeelsleden van de Unie uitsluitend in het belang van de Unie verleend.

Elke instelling van de Unie is gehouden de aan een ambtenaar of ander personeelslid verleende immuniteit op te heffen in alle gevallen waarin zulks naar haar mening niet strijdig is met de belangen van de Unie.

Artikel 18

Voor de toepassing van dit Protocol handelen de instellingen van de Unie in overeenstemming met de verantwoordelijke autoriteiten van de betrokken lidstaten.

Artikel 19

De artikelen 11 tot en met 14 en 17 zijn van toepassing op de leden van de Commissie.

Artikel 20

De artikelen 11 tot en met 14 en 17 zijn van toepassing op de rechters, de advocaten-generaal, de griffiers en de toegevoegde rapporteurs van het Hof van Justitie van de Europese Unie, onverminderd de bepalingen van artikel 3 van het Protocol tot vaststelling van het statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie nopens de vrijstelling van rechtsvervolging van de rechters en de advocaten-generaal.

De artikelen 11 tot en met 14 en 17 zijn tevens van toepassing op de leden van de Rekenkamer.

Artikel 21

Dit Protocol is tevens van toepassing op de Europese Centrale Bank, de leden van haar organen en haar personeel, onverminderd het Protocol tot vaststelling van het statuut van het Europees Stelsel van centrale banken en van de Europese Centrale Bank.

De Europese Centrale Bank wordt voorts vrijgesteld van elke fiscale en parafiscale heffing bij de uitbreiding van haar kapitaal, alsmede van de verschillende formaliteiten die hieraan verbonden zijn in de staat waar de zetel gevestigd is. De werkzaamheden van de Bank en van haar organen, die worden uitgeoefend overeenkomstig het statuut van het Europese Stelsel van centrale banken en van de Europese Centrale Bank, geven geen aanleiding tot de heffing van omzetbelasting.

Artikel 22

Dit Protocol is tevens van toepassing op de Europese Investeringsbank, de leden van haar organen, haar personeel en de vertegenwoordigers van de lidstaten, die aan haar werkzaamheden deelnemen, onverminderd het Protocol tot vaststelling van haar statuut.

De Europese Investeringsbank is voorts vrijgesteld van elke fiscale en parafiscale heffing bij de uitbreiding van haar kapitaal, alsmede van de verschillende formaliteiten die hieraan verbonden zijn in de staat waar de zetel gevestigd is. Haar opheffing en liquidering brengen evenmin enige heffing mede. Ten slotte geven de werkzaamheden van de Bank en van haar organen, die worden uitgeoefend overeenkomstig de statutaire voorwaarden, geen aanleiding tot de heffing van omzetbelasting.

De Hoge Verdragsluitende Partijen,

Memorerende dat het Koninkrijk Denemarken, Ierland en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland op 1 januari 1973 tot de Europese Gemeenschappen zijn toegetreden; dat de Helleense Republiek op 1 januari 1981 tot de Europese Gemeenschappen is toegetreden; dat het Koninkrijk Spanje en de Portugese Republiek op 1 januari 1986 tot de Europese Gemeenschappen zijn toegetreden; dat de Republiek Oostenrijk, de Republiek Finland en het Koninkrijk Zweden op 1 januari 1995 tot de Europese Gemeenschappen en tot de bij het Verdrag betreffende de Europese Unie ingestelde Europese Unie zijn toegetreden;

Overwegende dat in artikel IV-437, lid 2, van de Grondwet wordt bepaald dat de verdragen betreffende de bovengenoemde toetredingen worden ingetrokken;

Overwegende dat bepaalde bepalingen in deze toetredingsverdragen en in de daarbij gevoegde akten relevant blijven; dat in artikel IV-437, lid 2, van de Grondwet wordt bepaald dat deze bepalingen in een protocol moeten worden opgenomen dan wel vermeld, zodat zij van kracht blijven en de rechtsgevolgen ervan worden gehandhaafd;

Overwegende dat die bepalingen met behoud van de juridische strekking technisch moeten worden aangepast, zodat zij overeenkomen met de Grondwet,

Hebben overeenstemming bereikt omtrent de volgende bepalingen die aan het Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa en aan het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie worden gehecht:

TITEL I. GEMEENSCHAPPELIJKE BEPALINGEN

Artikel 1

De rechten en verplichtingen die voortvloeien uit de in artikel IV-437, lid 2, onder a tot en met d, van de Grondwet genoemde toetredingsverdragen, zijn onder de in deze verdragen gestelde voorwaarden op de volgende data van kracht geworden:

  • a. 1 januari 1973 wat betreft het Verdrag betreffende de toetreding van het Koninkrijk Denemarken, Ierland en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland;
  • b. 1 januari 1981 wat betreft het Verdrag betreffende de toetreding van de Helleense Republiek;
  • c. 1 januari 1986 wat betreft het Verdrag betreffende de toetreding van het Koninkrijk Spanje en de Portugese Republiek;
  • d. 1 januari 1995 wat betreft het Verdrag betreffende de toetreding van de Republiek Oostenrijk, de Republiek Finland en het Koninkrijk Zweden.
Artikel 2
1.

De in artikel 1 genoemde toetredende staten verplichten zich ertoe, vóór hun respectieve toetreding partij te worden bij de volgende overeenkomsten en verdragen, voor zover deze nog van kracht zijn:

  • b. de door de andere lidstaten met de Europese Gemeenschappen, met een of verscheidene derde staten of met een internationale organisatie gesloten overeenkomsten en verdragen, alsook de overeenkomsten die met deze overeenkomsten en verdragen verband houden. De Unie en de overige lidstaten zijn de in artikel 1 genoemde toetredingsstaten hierbij behulpzaam.
2.

De in artikel 1 genoemde toetredingsstaten treffen passende maatregelen om zo nodig hun positie ten aanzien van internationale organisaties en internationale overeenkomsten waarbij de Unie of de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie of andere lidstaten eveneens partij zijn, aan te passen aan de rechten en verplichtingen die voortvloeien uit hun toetreding.

Artikel 3

Bepalingen van de akten van toetreding, als uitgelegd door het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen en het Gerecht van eerste aanleg, die tot doel of tot gevolg hebben de intrekking of de wijziging, anders dan bij wijze van overgangsmaatregel, van de handelingen die zijn vastgesteld door de instellingen, organen of instanties van de Europese Gemeenschappen of van de bij het Verdrag betreffende de Europese Unie ingestelde Europese Unie, blijven van kracht, behoudens de tweede alinea.

De in de eerste alinea bedoelde bepalingen hebben hetzelfde rechtskarakter als de handelingen die door deze bepalingen worden ingetrokken of gewijzigd en zij zijn aan dezelfde regels onderworpen.

Artikel 4

De teksten van de handelingen van de instellingen, organen en instanties van de Europese Gemeenschappen en van de bij het Verdrag betreffende de Europese Unie ingestelde Europese Unie die vóór de in artikel 1 genoemde toetredingen zijn vastgesteld en die achtereenvolgens in de Engelse en de Deense, de Griekse, de Spaanse en de Portugese, en de Finse en de Zweedse taal zijn opgesteld, zijn gelijkelijk authentiek vanaf de toetreding van de in artikel 1 genoemde staten, onder dezelfde voorwaarden als de in de overige talen opgestelde en gelijkelijk authentieke teksten.

Artikel 5

De in dit Protocol opgenomen overgangsbepalingen kunnen bij Europese wet van de Raad worden ingetrokken indien zij niet meer van toepassing zijn. De Raad besluit met eenparigheid van stemmen, na raadpleging van het Europees Parlement.

TITEL II. BEPALINGEN UIT DE AKTE BETREFFENDE DE TOETREDINGSVOORWAARDEN VOOR HET KONINKRIJK DENEMARKEN, IERLAND, EN HET VERENIGD KONINKRIJK VAN GROOT-BRITTANNIË EN NOORD-IERLAND

AFDELING 1. BEPALINGEN BETREFFENDE GIBRALTAR

Artikel 6
1.

De handelingen van de instellingen die betrekking hebben op de producten van bijlage I van de Grondwet en op de producten die bij invoer in de Unie aan een bijzondere regeling zijn onderworpen ingevolge de uitvoering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, alsmede de handelingen tot harmonisatie van de wetgevingen van de lidstaten betreffende de omzetbelasting zijn niet van toepassing op Gibraltar, tenzij de Raad bij Europees besluit anders besluit. De Raad besluit met eenparigheid van stemmen, op voorstel van de Commissie.

2.

De status van Gibraltar zoals deze is vastgesteld in bijlage II, punt VI1)PB L 73 van 27.3.1972, blz. 47., van de akte betreffende de toetredingsvoorwaarden voor het Koninkrijk Denemarken, Ierland, en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, blijft gehandhaafd.

AFDELING 2. BEPALINGEN BETREFFENDE DE FAERÖER

Artikel 7

Deense onderdanen die op de Faeröer woonachtig zijn, worden slechts als onderdanen van een lidstaat krachtens de Grondwet beschouwd vanaf de datum waarop deze op de Faeröer van toepassing wordt.

AFDELING 3. BEPALINGEN BETREFFENDE DE KANAALEILANDEN EN HET EILAND MAN

Artikel 8
1.

De Unieregeling inzake douaneaangelegenheden en inzake kwantitatieve beperkingen, met name de douanerechten, de heffingen van gelijke werking en het gemeenschappelijk douanetarief, is ten aanzien van de Kanaaleilanden en het eiland Man onder dezelfde voorwaarden van toepassing als die welke voor het Verenigd Koninkrijk gelden.

2.

Voor landbouwproducten en door verwerking daarvan verkregen producten waarvoor een speciale regeling van het handelsverkeer bestaat, gelden ten aanzien van derde landen de in de Unieregeling vastgelegde heffingen en andere invoermaatregelen die door het Verenigd Koninkrijk moeten worden toegepast.

Eveneens van toepassing zijn de bepalingen van de Unieregeling die nodig zijn om het vrije verkeer en de inachtneming van normale concurrentievoorwaarden van de handel in deze producten mogelijk te maken.

Op voorstel van de Commissie stelt de Raad bij Europese verordening of Europees besluit de voorwaarden vast waaronder de in de eerste en de tweede alinea bedoelde bepalingen op deze gebieden van toepassing zijn.

Artikel 9

Aan de rechten van onderdanen van de in artikel 8 genoemde gebieden in het Verenigd Koninkrijk wordt geen afbreuk gedaan door het recht van de Unie. De bepalingen van het recht van de Unie betreffende het vrije verkeer van personen en diensten is echter niet op hen van toepassing.

Artikel 10

De bepalingen van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie die voor personen of ondernemingen in de zin van artikel 196 van genoemd verdrag gelden, zijn op deze personen of ondernemingen van toepassing wanneer zij in de in artikel 8 van dit Protocol bedoelde gebieden zijn gevestigd.

Artikel 11

De autoriteiten van de in artikel 8 genoemde gebieden behandelen alle natuurlijke of rechtspersonen van de Unie op dezelfde wijze.

Artikel 12

Indien zich bij toepassing van de in deze afdeling neergelegde regeling aan deze of gene zijde moeilijkheden voordoen in de betrekkingen tussen de Unie en de in artikel 8 genoemde gebieden, stelt de Commissie onverwijld aan de Raad de beschermingsmaatregelen voor die zij nodig acht en geeft zij de voorwaarden en de wijze van toepassing aan.

De Raad stelt in voorkomend geval binnen een maand een Europese verordening of een Europees besluit vast.

Artikel 13

In de zin van deze afdeling wordt als onderdaan van de Kanaaleilanden of van het eiland Man beschouwd, iedere Britse burger die deze hoedanigheid bezit op grond van de omstandigheid dat een van zijn ouders of een van zijn grootouders aldaar is geboren, geadopteerd, genaturaliseerd of er in de registers van de burgerlijke stand is ingeschreven; in dit opzicht wordt evenwel iemand niet als onderdaan van deze gebieden beschouwd indien hijzelf, een van zijn ouders of een van zijn grootouders in het Verenigd Koninkrijk is geboren, geadopteerd, genaturaliseerd of daar in de registers van de burgerlijke stand is ingeschreven. Als onderdaan wordt evenmin beschouwd degene die, in welk tijdvak dan ook, gedurende vijf jaar in het Verenigd Koninkrijk woonachtig is geweest.

De Commissie wordt in kennis gesteld van de bestuursrechtelijke bepalingen die nodig zijn om de identiteit van deze personen vast te stellen.

AFDELING 4. BEPALINGEN BETREFFENDE DE UITVOERING VAN EEN POLITIEK INZAKE INDUSTRIALISATIE EN ECONOMISCHE ONTWIKKELING IN IERLAND

Artikel 14

De lidstaten nemen ervan kennis dat de Ierse regering een aanvang heeft gemaakt met de uitvoering van een politiek inzake industrialisatie en economische ontwikkeling die ten doel heeft de levensstandaard in Ierland nader te brengen tot die in de andere lidstaten en het tekort aan werkgelegenheid op te heffen, en tegelijk de regionale verschillen in ontwikkeling geleidelijk weg te werken.

Zij erkennen dat het in hun gemeenschappelijk belang is dat de doelstellingen van deze politiek worden verwezenlijkt en komen overeen te dien einde tot de instellingen de aanbeveling te richten alle middelen en procedures aan te wenden waarin de Grondwet voorziet, met name door op doeltreffende wijze gebruik te maken van de middelen van de Unie die dienen ter verwezenlijking van haar doelstellingen.

De lidstaten erkennen in het bijzonder dat in geval van toepassing van de artikelen III-167 en III-168 van de Grondwet, rekening dient te worden gehouden met de doelstellingen van economische expansie en verhoging van de levensstandaard van de bevolking.

AFDELING 5. BEPALINGEN BETREFFENDE DE UITWISSELING VAN KENNIS OP NUCLEAIR GEBIED MET DENEMARKEN

Artikel 15
1.

Vanaf 1 januari 1973 wordt de kennis waarvan overeenkomstig artikel 13 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie mededeling is gedaan aan de lidstaten en aan personen en ondernemingen, ter beschikking gesteld van Denemarken, dat deze kennis onder de in genoemd artikel bedoelde voorwaarden op beperkte wijze op zijn grondgebied verspreidt.

2.

Vanaf 1 januari 1973 stelt Denemarken in de in lid 3 genoemde sectoren een gelijkwaardige hoeveelheid kennis ter beschikking van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie. Een gedetailleerd overzicht van deze kennis wordt neergelegd in een document dat wordt overhandigd aan de Commissie, die deze kennis meedeelt aan de ondernemingen van de Gemeenschap, onder de in artikel 13 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie genoemde voorwaarden.

3.

Denemarken stelt gegevens ter beschikking van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie in de volgende sectoren:

  • a. D.O.R. met zwaarwater gemodereerde en met organische vloeistof gekoelde reactor;
  • b. DT-350, DK-400 zwaarwaterreactoren met drukvat;
  • c. hogetemperatuur-gaskringloop;
  • d. instrumenten en bijzondere elektronische apparatuur;
  • e. „reliability”;
  • f. reactorfysica, reactordynamica en warmteoverdracht;
  • g. beproeving van materialen en uitrustingen in de reactor.
4.

Denemarken verbindt zich ertoe, ter aanvulling van de verslagen die het zal toezenden, aan de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie alle inlichtingen te verstrekken, met name bij bezoeken van personeel van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie of van de lidstaten aan het Centrum te Ris⊘, en wel onder voorwaarden die per geval in onderling overleg zullen worden vastgesteld.

Artikel 16
1.

In de sectoren waarin Denemarken kennis ter beschikking stelt van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, worden door de bevoegde instanties op verzoek licenties tegen commerciële voorwaarden verleend aan de lidstaten en aan personen en ondernemingen van de Gemeenschap, die uitsluitende rechten bezitten op in de lidstaten verkregen octrooien, voor zover zij geen verplichting of verbintenis jegens derden hebben om een uitsluitende of gedeeltelijk uitsluitende licentie op de rechten op deze octrooien te verlenen of aan te bieden.

2.

Indien er een uitsluitende of gedeeltelijk uitsluitende licentie is verleend, bevordert en vergemakkelijkt Denemarken dat de houders van dergelijke licenties tegen commerciële voorwaarden sublicenties verlenen aan de lidstaten, en aan personen en ondernemingen van de Gemeenschap.

Het verlenen van dergelijke uitsluitende of gedeeltelijk uitsluitende licenties geschiedt op normale commerciële grondslag.

AFDELING 6. BEPALINGEN BETREFFENDE DE UITWISSELING VAN KENNIS OP NUCLEAIR GEBIED MET IERLAND

Artikel 17
1.

Vanaf 1 januari 1973 wordt de kennis waarvan overeenkomstig artikel 13 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie mededeling is gedaan aan de lidstaten, en aan personen en ondernemingen, ter beschikking gesteld van Ierland, dat deze kennis onder de in dit artikel bedoelde voorwaarden op beperkte wijze op zijn grondgebied verspreidt.

2.

Vanaf 1 januari 1973 stelt Ierland een gelijkwaardige hoeveelheid in Ierland verkregen en beperkt verspreide kennis op nucleair gebied ter beschikking van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, voor zover het geen strikt commerciële toepassingen betreft. De Commissie deelt deze kennis mee aan de ondernemingen van de Gemeenschap, onder de in artikel 13 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie genoemde voorwaarden.

3.

De in de leden 1 en 2 bedoelde kennis betreft hoofdzakelijk de studies voor de ontwikkeling van een energiereactor en de werkzaamheden inzake radio-isotopen en de medische toepassing ervan, met inbegrip van de problemen inzake bescherming tegen straling.

Artikel 18
1.

In de sectoren waarin Ierland kennis ter beschikking stelt van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, worden door de bevoegde instanties op verzoek licenties tegen commerciële voorwaarden verleend aan de lidstaten en aan personen en ondernemingen van de Gemeenschap die uitsluitende rechten bezitten op in de lidstaten verkregen octrooien, voorzover zij geen verplichting of verbintenis jegens derden hebben om een uitsluitende of gedeeltelijk uitsluitende licentie op de rechten op deze octrooien te verlenen of aan te bieden.

2.

Indien er een uitsluitende of gedeeltelijk uitsluitende licentie is verleend, bevordert en vergemakkelijkt Ierland dat de houders van dergelijke licenties tegen commerciële voorwaarden sublicenties verlenen aan de lidstaten, en aan personen en ondernemingen van de Gemeenschap.

Het verlenen van dergelijke uitsluitende of gedeeltelijk uitsluitende licenties geschiedt op normale commerciële grondslag.

AFDELING 7. BEPALINGEN BETREFFENDE DE UITWISSELING VAN KENNIS OP NUCLEAIR GEBIED MET HET VERENIGD KONINKRIJK

Artikel 19
1.

Vanaf 1 januari 1973 wordt de kennis waarvan overeenkomstig artikel 13 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie mededeling is gedaan aan de lidstaten en aan personen en ondernemingen, ter beschikking gesteld van het Verenigd Koninkrijk, dat deze kennis onder de in genoemd artikel bedoelde voorwaarden op beperkte wijze op zijn grondgebied verspreidt.

2.

Vanaf 1 januari 1973 stelt het Verenigd Koninkrijk een gelijkwaardige hoeveelheid kennis ter beschikking van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie in de sectoren waarvan de lijst als bijlage1)PB L 73 van 27.3.1972, blz. 84.bij Protocol nr. 28 bij de Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden voor het Koninkrijk Denemarken, Ierland en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland is weergegeven. Een gedetailleerd overzicht van deze kennis wordt neergelegd in een document dat wordt overhandigd aan de Commissie, die deze kennis meedeelt aan de ondernemingen van de Gemeenschap, onder de in artikel 13 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie genoemde voorwaarden.

3.

Gezien de grotere belangstelling van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie voor bepaalde sectoren, legt het Verenigd Koninkrijk meer in het bijzonder de nadruk op het mededelen van kennis aan de Gemeenschap in de volgende sectoren:

  • a. onderzoek en ontwikkeling op het gebied van snelle reactoren (met inbegrip van de veiligheid);
  • b. basisonderzoek (van toepassing op reactorreeksen);
  • c. veiligheid van andere dan snelle reactoren;
  • d. metallurgie, staalsoorten, zirconiumlegeringen en betonsoorten;
  • e. verenigbaarheid van constructiematerialen;
  • f. experimentele splijtstofvervaardiging;
  • g. thermohydrodynamica;
  • h. instrumenten.
Artikel 20
1.

In de sectoren waarin het Verenigd Koninkrijk kennis ter beschikking stelt van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, worden door de bevoegde instanties, op verzoek licenties tegen commerciële voorwaarden verleend aan de lidstaten en aan personen en ondernemingen van de Gemeenschap, die uitsluitende rechten bezitten op in de lidstaten van de Gemeenschap verkregen octrooien, voorzover zij geen verplichting of verbintenis jegens derden hebben om een uitsluitende of gedeeltelijk uitsluitende licentie op de rechten op deze octrooien te verlenen of aan te bieden.

2.

Indien er een uitsluitende of gedeeltelijk uitsluitende licentie is verleend, bevordert en vergemakkelijkt het Verenigd Koninkrijk dat de houders van dergelijke licenties tegen commerciële voorwaarden sublicenties verlenen aan de lidstaten en aan personen en ondernemingen van de Gemeenschap.

Het verlenen van dergelijke uitsluitende of gedeeltelijk uitsluitende licenties geschiedt op normale commerciële grondslag.

TITEL III. BEPALINGEN UIT DE AKTE BETREFFENDE DE TOETREDINGSVOORWAARDEN VOOR DE HELLEENSE REPUBLIEK

AFDELING 1. BEPALINGEN BETREFFENDE DE TOEKENNING VAN VRIJSTELLING VAN INVOERRECHTEN VOOR BEPAALDE GOEDEREN DOOR DE HELLEENSE REPUBLIEK

Artikel 21

Artikel III-151 van de Grondwet vormt geen beletsel voor de Helleense Republiek om de vrijstellingen te handhaven die vóór 1 januari 1979 waren toegekend krachtens:

  • a. wet nr. 4171/61 – Algemene maatregelen ter stimulering van de ontwikkeling van de economie;
  • b. wetsbesluit nr. 2687/53 – Investering en bescherming van buitenlands kapitaal;
  • c. wet nr. 289/76 – Stimuleringsmaatregelen voor de ontwikkeling van grensgebieden en daarmede verband houdende vraagstukken,

tot het verstrijken van de geldigheidsduur van de overeenkomsten tussen de Griekse regering en degenen die voor deze maatregelen in aanmerking kwamen.

AFDELING 2. BEPALINGEN BETREFFENDE BELASTINGEN

Artikel 22

De in punt II.2 van bijlage VIII1)PB L 291 van 19.11.1979, blz. 163. bij de Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden voor de Helleense Republiek genoemde handelingen zijn ten aanzien van de Helleense Republiek van toepassing op de in genoemde bijlage bepaalde wijze, met uitzondering van de handelingen bedoeld in de punten 9 en 18 b.

AFDELING 3. BEPALINGEN BETREFFENDE KATOEN

Artikel 23
1.

Deze afdeling heeft betrekking op niet-gekaarde en niet-gekamde katoen die valt onder post 520 100 van de gecombineerde nomenclatuur.

2.

In de Unie wordt een regeling ingevoerd die met name ten doel heeft:

  • a. de katoenproductie te ondersteunen in de gebieden van de Unie waar zij van belang is voor de landbouweconomie;
  • b. de betrokken producenten in staat te stellen een redelijk inkomen te verwerven;
  • c. de markt te stabiliseren door structuurverbetering inzake het aanbod en het in de handel brengen.
3.

De in punt 2 bedoelde regeling omvat de toekenning van productiesteun.

4.

Teneinde de katoenproducenten in staat te stellen het aanbod te concentreren en de productie aan de eisen van de markt aan te passen, wordt een regeling ingesteld om de vorming van producentengroeperingen en de verenigingen daarvan te stimuleren.

Deze regeling voorziet in de toekenning van steun om de oprichting van producentengroeperingen te stimuleren en de werking daarvan te vergemakkelijken.

Deze regeling geldt uitsluitend voor groeperingen:

  • a. die zijn opgericht op initiatief van de producenten zelf;
  • b. die voldoende garantie bieden inzake de duur en de doelmatigheid van hun optreden;
  • c. die zijn erkend door de betrokken lidstaat.
5.

De regeling voor de handel van de Unie met derde landen wordt niet nadelig beïnvloed. In dit verband mogen in het bijzonder geen restrictieve maatregelen bij invoer worden genomen.

6.

Bij Europese wet van de Raad worden de nodige aanpassingen van de bij deze afdeling ingestelde regeling vastgesteld.

De Raad stelt, op voorstel van de Commissie, bij Europese verordening of Europees besluit de basisvoorschriften vast die nodig zijn voor de toepassing van de bepalingen van deze afdeling.

De Raad besluit na raadpleging van het Europees Parlement.

AFDELING 4. BEPALINGEN BETREFFENDE DE ECONOMISCHE EN INDUSTRIËLE ONTWIKKELING VAN GRIEKENLAND

Artikel 24

De lidstaten nemen ervan kennis dat de Griekse Regering een aanvang heeft gemaakt met de uitvoering van een politiek inzake industrialisatie en economische ontwikkeling die ten doel heeft de levensstandaard in Griekenland nader te brengen tot die in de andere lidstaten en het tekort aan werkgelegenheid op te heffen, en tegelijk de regionale verschillen in ontwikkeling geleidelijk weg te werken.

Zij erkennen dat het in hun gemeenschappelijk belang is dat de doelstellingen van dit beleid worden verwezenlijkt.

Te dien einde wenden de instellingen alle middelen en procedures aan waarin de Grondwet voorziet, met name door op doeltreffende wijze gebruik te maken van de middelen van de Unie die dienen ter verwezenlijking van haar doelstellingen.

In het bijzonder dient in geval van toepassing van de artikelen III-167 en III-168 van de Grondwet rekening te worden gehouden met de doelstellingen van economische expansie en verhoging van de levensstandaard van de bevolking.

AFDELING 5. BEPALINGEN BETREFFENDE DE UITWISSELING VAN KENNIS OP NUCLEAIR GEBIED MET DE HELLEENSE REPUBLIEK

Artikel 25
1.

Vanaf 1 januari 1981 wordt de kennis waarvan overeenkomstig artikel 13 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie mededeling is gedaan aan de lidstaten en aan personen en ondernemingen, ter beschikking gesteld van de Helleense Republiek, die deze kennis onder de in genoemd artikel bedoelde voorwaarden op beperkte wijze op haar grondgebied verspreidt.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)