Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa
-
- De bepalingen van lid 1 van dit artikel corresponderen met de bepalingen van artikel 11 van het EVRM, dat als volgt luidt: De bepalingen van artikel 122)Artikel II-72 van de Grondwet., lid 1, hebben dezelfde inhoud als de bepalingen van het EVRM, maar zij hebben een grotere reikwijdte, aangezien zij van toepassing kunnen zijn op alle niveaus, waaronder het Europese niveau. Overeenkomstig artikel 52, lid 3, van het Handvest3)Artikel II-112, lid 3, van de Grondwet. mogen de beperkingen van dit recht niet verder strekken dan die welke krachtens artikel 11, lid 2, van het EVRM als rechtmatig kunnen worden aangemerkt.
- „1. Eenieder heeft recht op vrijheid van vreedzame vergadering en op vrijheid van vereniging, met inbegrip van het recht met anderen vakverenigingen op te richten en zich bij vakverenigingen aan te sluiten voor de bescherming van zijn belangen.
-
- De uitoefening van deze rechten mag aan geen andere beperkingen worden onderworpen dan die, die bij de wet zijn voorzien en die in een democratische samenleving noodzakelijk zijn in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, voor de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen. Dit artikel verbiedt niet dat rechtmatige beperkingen worden gesteld aan de uitoefening van deze rechten door leden van de krijgsmacht, van de politie of van het ambtelijk apparaat van de staat.”.
-
- Dit recht is eveneens gebaseerd op artikel 11 van het Gemeenschapshandvest van de sociale grondrechten van de werknemers.
-
- Lid 2 van dit artikel stemt overeen met artikel I-46, lid 4, van de Grondwet.
Artikel 13. 1) Artikel II-73 van de Grondwet.Vrijheid van kunsten en wetenschappen
De kunsten en het wetenschappelijk onderzoek zijn vrij. De academische vrijheid wordt geëerbiedigd.
Dit recht vloeit op de eerste plaats voort uit de vrijheid van gedachte en de vrijheid van meningsuiting. Het wordt uitgeoefend met inachtneming van artikel 12)Artikel II-61 van de Grondwet. en kan worden onderworpen aan de beperkingen die krachtens artikel 10 van het EVRM zijn toegestaan.
Artikel 14. 3) Artikel II-74 van de Grondwet.Recht op onderwijs
Eenieder heeft recht op onderwijs, alsmede op toegang tot beroepsopleiding en bijscholing.
Dit recht houdt de mogelijkheid in om het verplichte onderwijs kosteloos te volgen.
De vrijheid om instellingen voor onderwijs op te richten met inachtneming van de democratische beginselen en het recht van de ouders om zich voor hun kinderen te verzekeren van het onderwijs en de opvoeding die overeenstemmen met hun godsdienstige, levensbeschouwelijke en opvoedkundige overtuigingen, worden geëerbiedigd volgens de nationale wetten die de uitoefening ervan beheersen.
Toelichting
-
- Dit artikel ademt de geest zowel van de constitutionele tradities die de lidstaten met elkaar gemeen hebben, als van artikel 2 van het aanvullend protocol bij het EVRM, dat als volgt luidt: „Niemand mag het recht op onderwijs worden ontzegd. Bij de uitoefening van alle functies die de staat in verband met de opvoeding en het onderwijs op zich neemt, eerbiedigt de staat het recht van ouders om zich van die opvoeding en van dat onderwijs te verzekeren, die overeenstemmen met hun eigen godsdienstige en filosofische overtuigingen.”. De verruiming van dit artikel tot toegang tot beroepsopleiding en bijscholing (zie punt 15 van het Gemeenschapshandvest van de sociale grondrechten van de werknemers en artikel 10 van het Europees Sociaal Handvest), alsmede de toevoeging van het beginsel van het kosteloze karakter van het verplichte onderwijs werden nuttig bevonden. Zoals het geformuleerd is, betekent het laatstgenoemde beginsel alleen dat elk kind voor het verplichte onderwijs toegang moet kunnen hebben tot een onderwijsinstelling die kosteloos toegankelijk is. Het betekent niet dat alle, met name particuliere, instellingen die dat onderwijs of beroepsopleiding en bijscholing verstrekken, kosteloos toegankelijk moeten zijn. Het verbiedt evenmin dat voor sommige specifieke vormen van onderwijs betaald moet worden als de staat maatregelen neemt om een financiële compensatie toe te kennen. In zoverre het Handvest voor de Unie geldt, betekent dit dat de Unie, in het kader van haar beleid inzake opleiding, het kosteloze karakter van het verplichte onderwijs moet eerbiedigen, maar hierdoor worden vanzelfsprekend geen nieuwe bevoegdheden in het leven geroepen. Het recht van de ouders moet worden uitgelegd in samenhang met de bepalingen van artikel 241)Artikel II-84 van de Grondwet..
-
- De vrijheid tot oprichting van - openbare of particuliere - instellingen voor onderwijs wordt gewaarborgd als een van de aspecten van de vrijheid van ondernemerschap, maar zij wordt beperkt door de eerbiediging van de democratische beginselen en uitgeoefend volgens de voorschriften waarin de nationale wetgevingen voorzien.
Artikel 15. 2) Artikel II-75 van de Grondwet.Vrijheid van beroep en recht om te werken
Eenieder heeft het recht te werken en een vrijelijk gekozen of aanvaard beroep uit te oefenen.
Iedere burger van de Unie is vrij om werk te zoeken, te werken, zich te vestigen of diensten te verrichten in iedere lidstaat.
Onderdanen van derde landen die op het grondgebied van de lidstaten mogen werken, hebben recht op arbeidsvoorwaarden die gelijkwaardig zijn aan die welke de burgers van de Unie genieten.
De vrijheid van beroep, die in artikel 151)Artikel II-84 van de Grondwet., lid 1, is neergelegd, wordt erkend in de jurisprudentie van het Hof van Justitie (zie onder meer de arresten van 14 mei 1974, zaak 4/73, Nold, Jurispr. 1974, blz. 491, r.o. 12-14; van 13 december 1979, zaak 44/79, Hauer, Jurispr. 1979, blz. 3727; van 8 oktober 1986, zaak 234/85, Keller, Jurispr. 1986, blz. 2897, r.o. 8).
Dit lid is tevens geïnspireerd op artikel 1, lid 2, van het op 18 oktober 1961 ondertekende Europees Sociaal Handvest, dat door alle lidstaten is bekrachtigd, en op punt 4 van het Gemeenschapshandvest van de sociale grondrechten van de werknemers van 9 december 1989. Het begrip „arbeidsvoorwaarden” moet worden uitgelegd als in artikel III-213 van de Grondwet.
Lid 2 noemt de drie vrijheden die in de artikelen I-4 en III-133, III-137 en III-144 van de Grondwet zijn gewaarborgd, namelijk het vrije verkeer van werknemers, de vrijheid van vestiging en het vrij verrichten van diensten.
Lid 3 was gebaseerd op artikel 137, lid 3, vierde streepje, VEG, nu vervangen door artikel III-210, lid 1, onder g), van de Grondwet, en op artikel 19, punt 4, van het op 18 oktober 1961 ondertekende Europees Sociaal Handvest, dat door alle lidstaten is bekrachtigd. Artikel 52, lid 2, van het Handvest1)Artikel II-112, lid 2, van de Grondwet. is derhalve van toepassing. De kwestie van de aanwerving van zeelieden die onderdaan zijn van een derde land voor de bemanning van schepen die de vlag voeren van een lidstaat van de Unie, wordt geregeld in het recht van de Unie en de nationale wetgevingen en praktijken.
Artikel 16. 2) Artikel II-76 van de Grondwet.Vrijheid van ondernemerschap
De vrijheid van ondernemerschap wordt erkend overeenkomstig het recht van de Unie en de nationale wetgevingen en praktijken.
Dit artikel is gebaseerd op de jurisprudentie van het Hof van Justitie, dat de vrijheid om een economische of een handelsactiviteit uit te oefenen heeft erkend (zie de arresten van 14 mei 1974, zaak 4/73, Nold, Jurispr. 1974, blz. 491, r.o. 14, en van 27 september 1979, zaak 230/78, SPA Eridania e.a., Jurispr. 1979, blz. 2749, r.o. 20 en 31) en de contractuele vrijheid (zie onder meer het arrest Sukkerfabriken Nyk⊘bing, zaak 151/78, Jurispr. 1979, blz. 1, r.o. 19, en het arrest van 5 oktober 1999, Spanje tegen Commissie, C-240/97, Jurispr. 1999, blz. I-6571, r.o. 99), en op artikel I-3, lid 2, van de Grondwet dat de vrije mededinging erkent. Dat recht wordt vanzelfsprekend uitgeoefend met inachtneming van het recht van de Unie en de nationale wetgevingen. Het kan worden onderworpen aan de beperkingen van artikel 52, lid 1, van het Handvest3)Artikel II-112, lid 1, van de Grondwet..
Artikel 17. 1) Artikel II-77 van de Grondwet.Recht op eigendom
Eenieder heeft het recht de goederen die hij rechtmatig heeft verkregen in eigendom te bezitten, te gebruiken, erover te beschikken en te vermaken. Aan niemand mag zijn eigendom worden ontnomen, behalve in het algemeen belang in de gevallen en onder de voorwaarden waarin de wet voorziet en mits zijn verlies tijdig op billijke wijze wordt vergoed. Het gebruik van de goederen kan worden geregeld bij de wet voorzover het algemeen belang dit vereist.
Intellectuele eigendom is beschermd.
Dit artikel stemt overeen met artikel 1 van het aanvullend protocol bij het EVRM: „Iedere natuurlijke of rechtspersoon heeft recht op het ongestoord genot van zijn eigendom. Aan niemand zal zijn eigendom worden ontnomen behalve in het algemeen belang en onder de voorwaarden voorzien in de wet en in de algemene beginselen van internationaal recht.
De voorgaande bepalingen tasten echter op geen enkele wijze het recht aan, dat een staat heeft om die wetten toe te passen, die hij noodzakelijk oordeelt om het gebruik van eigendom te reguleren in overeenstemming met het algemeen belang of om de betaling van belastingen of andere heffingen of boeten te verzekeren.”.
Het gaat hier om een grondrecht dat alle nationale grondwetten gemeen hebben. Het is door de jurisprudentie van het Hof van Justitie herhaaldelijk bekrachtigd, in de eerste plaats in het arrest Hauer (13 december 1979, Jurispr. 1979, blz. 3727). De formulering is gemoderniseerd, maar overeenkomstig artikel 52, lid 32)Artikel II-112, lid 3, van de Grondwet., heeft dit recht dezelfde inhoud en reikwijdte als het door het EVRM gewaarborgde recht en de door het EVRM toegestane beperkingen mogen niet worden overschreden.
De bescherming van intellectuele eigendom, één van de aspecten van het eigendomsrecht, wordt in lid 2 uitdrukkelijk vermeld wegens het toenemend belang ervan en het afgeleid Gemeenschapsrecht. De intellectuele eigendom omvat naast de literaire en de artistieke eigendom, onder meer het octrooi- en merkenrecht alsmede de naburige rechten. De in lid 1 opgenomen waarborgen zijn op passende wijze van toepassing op intellectuele eigendom.
Artikel 18. 1) Artikel II-78 van de Grondwet.Recht op asiel
Het recht op asiel is gegarandeerd met inachtneming van de voorschriften van het Verdrag van Genève van 28 juli 1951 en het Protocol van 31 januari 1967 betreffende de status van vluchtelingen, en overeenkomstig de Grondwet.
De tekst van het artikel is gebaseerd op artikel 63 VEG, nu vervangen door artikel III-266 van de Grondwet, dat de Unie verplicht het Vluchtelingenverdrag van Genève te eerbiedigen. Er dient te worden verwezen naar de bepalingen van het aan [het Verdrag van Amsterdam] de Grondwet gehechte Protocol betreffende de positie van het Verenigd Koninkrijk en Ierland, alsmede van het Protocol betreffende de positie van Denemarken, om te bepalen in hoeverre deze lidstaten het recht van de Unie terzake uitvoeren en in hoeverre dit artikel op hen van toepassing is. Dit artikel eerbiedigt het aan de Grondwet gehechte protocol inzake asiel.
Artikel 19. 2) Artikel II-79 van de Grondwet.Bescherming bij verwijdering, uitzetting en uitlevering
Collectieve uitzetting is verboden.
Niemand mag worden verwijderd of uitgezet naar dan wel uitgeleverd aan een staat waarin een ernstig risico bestaat dat hij aan de doodstraf, aan folteringen of aan andere onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen wordt onderworpen.
Lid 1 van dit artikel heeft dezelfde inhoud en reikwijdte als artikel 4 van het Vierde Protocol bij het EVRM, wat collectieve uitzetting betreft. Dit lid beoogt te waarborgen dat er voorafgaand aan elke beslissing een specifiek onderzoek plaatsvindt en dat er geen algemene maatregel tot uitzetting van alle personen met de nationaliteit van een bepaalde staat kan worden genomen (zie ook artikel 13 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten).
Lid 2 neemt de relevante jurisprudentie van het Europees Hof voor de rechten van de mens over met betrekking tot artikel 3 van het EVRM (zie Ahmed tegen Oostenrijk, arrest van 17 december 1996, Rec. 1996 VI-2206, en Soering, arrest van 7 juli 1989).
TITEL III. GELIJKHEID
Artikel 20. 1) Artikel II-80 van de Grondwet.Gelijkheid voor de wet
Eenieder is gelijk voor de wet.
Dit artikel komt overeen met een algemeen rechtsbeginsel dat in alle Europese grondwetten is opgenomen en dat door het Hof is aangemerkt als een fundamenteel beginsel van het Gemeenschapsrecht (arrest van 13 november 1984, Racke, zaak 283/83, Jurispr. 1984, blz. 3791, arrest van 17 april 1997, zaak C-15/95, EARL, Jurispr. 1997, blz. I-1961, en arrest van 13 april 2000, zaak 292/97, Karlsson, Jurispr. 2000, blz. 2737).
Artikel 21. 2) Artikel II-81 van de Grondwet.Non-discriminatie
Elke discriminatie, met name op grond van geslacht, ras, kleur, etnische of sociale afkomst, genetische kenmerken, taal, godsdienst of overtuigingen, politieke of andere denkbeelden, het behoren tot een nationale minderheid, vermogen, geboorte, een handicap, leeftijd of seksuele gerichtheid, is verboden.
Binnen de werkingssfeer van de Grondwet en onverminderd de bijzondere bepalingen ervan, is elke discriminatie op grond van nationaliteit verboden.
Lid 1 is geïnspireerd op artikel 13 VEG, nu vervangen door artikel III-124 van de Grondwet, en artikel 14 van het EVRM alsmede op artikel 11 van het Verdrag inzake de rechten van de mens en de biogeneeskunde wat het genetisch erfgoed betreft. Voorzover het samenvalt met artikel 14 van het EVRM wordt het in overeenstemming daarmee toegepast.
Er is geen sprake van tegenstrijdigheid of onverenigbaarheid tussen lid 1 en artikel III-124 van de Grondwet, dat een ander toepassingsgebied en doel heeft: artikel III-124 verleent de Unie de bevoegdheid om wetgevingshandelingen vast te stellen, met inbegrip van de harmonisatie van de wet- en regelgeving van de lidstaten, om bepaalde vormen van discriminatie, die in dat artikel exhaustief worden opgesomd, tegen te gaan. Die wetgevingshandelingen kunnen betrekking hebben op maatregelen van de autoriteiten van de lidstaten (alsmede op de betrekkingen tussen particulieren) op ongeacht welk gebied dat onder de bevoegdheid van de Unie valt. artikel 211)Artikel II-81 van de Grondwet., lid 1, creëert daarentegen generlei bevoegdheid om met betrekking tot het optreden van de lidstaten of van particulieren antidiscriminatiewetten vast te stellen; evenmin bevat het een algeheel discriminatieverbod op deze zeer uiteenlopende gebieden. In plaats daarvan heeft dit lid alleen betrekking op discriminerend optreden van de instellingen en organen van de Unie, wanneer zij de hun op grond van andere artikelen van de delen I en III van de Grondwet verleende bevoegdheden uitoefenen, en van de lidstaten, wanneer zij het recht van de Unie uitvoeren. Lid 1 laat de omvang van de op grond van artikel III-124 verleende bevoegdheden, en de uitlegging van dat artikel, derhalve onverlet.
Lid 2 stemt overeen met artikel I-4, lid 2, van de Grondwet en moet in overeenstemming daarmee worden toegepast.
Artikel 22. 2) Artikel II-82 van de Grondwet.Culturele, godsdienstige en taalkundige verscheidenheid
De Unie eerbiedigt de culturele, godsdienstige en taalkundige verscheidenheid.
Dit artikel was gebaseerd op artikel 6 van het Verdrag betreffende de Europese Unie en artikel 151, leden 1 en 4, van het EG-Verdrag, nu vervangen door artikel III-280, leden 1 en 4, van de Grondwet, aangaande cultuur. Eerbied voor de verscheidenheid aan culturen en talen staat nu in artikel I-3, lid 3, van de Grondwet. Het artikel is tevens geïnspireerd op verklaring nr. 11 bij de Slotakte van het Verdrag van Amsterdam betreffende de status van kerken en niet-confessionele organisaties, dat nu is overgenomen in artikel I-52 van de Grondwet.
Artikel 23. 3) Artikel II-83 van de Grondwet.Gelijkheid van mannen en vrouwen
De gelijkheid van mannen en vrouwen moet worden gewaarborgd op alle gebieden, met inbegrip van werkgelegenheid, beroep en beloning. Het beginsel van gelijkheid belet niet dat maatregelen gehandhaafd of genomen worden waarbij specifieke voordelen worden ingesteld ten voordele van het ondervertegenwoordigde geslacht.
De eerste alinea van dit artikel is gebaseerd op de artikelen 2 en 3, lid 2, van het EG-Verdrag, nu vervangen door de artikelen I-3 en III-116 van de Grondwet, waarin de Unie tot taak wordt gesteld de gelijkheid van mannen en vrouwen te bevorderen, en op artikel 141, lid 1, van het EG-Verdrag, nu vervangen door artikel III-214, lid 1, van de Grondwet. Zij is geïnspireerd op artikel 20 van het herzien Europees Sociaal Handvest van 3 mei 1996 en op punt 16 van het Gemeenschapshandvest van de sociale grondrechten van de werknemers.
Zij is tevens gebaseerd op artikel 141, lid 3, van het EG-Verdrag, nu vervangen door artikel III-214, lid 3, van de Grondwet, en op artikel 2, lid 4, van Richtlijn 76/207/EEG van de Raad betreffende de tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de toegang tot het arbeidsproces, de beroepsopleiding en de promotiekansen en ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden.
In de tweede alinea is, in een bondiger formulering, artikel III-214, lid 4, van de Grondwet opgenomen, waarin staat dat het beginsel van gelijke behandeling niet belet dat maatregelen gehandhaafd of genomen worden waarbij specifieke voordelen worden ingesteld om de uitoefening van een beroepsactiviteit door het ondervertegenwoordigde geslacht te vergemakkelijken of om nadelen in de beroepsloopbaan te voorkomen of te compenseren. Overeenkomstig artikel 52, lid 21)Artikel II-112, lid 2, van de Grondwet., behelst deze alinea geen wijziging van artikel III-214, lid 4.
Artikel 24. 2) Artikel II-84 van de Grondwet.Rechten van het kind
Kinderen hebben recht op de bescherming en de zorg die nodig zijn voor hun welzijn. Zij mogen vrijelijk hun mening uiten. Aan hun mening in aangelegenheden die hen betreffen wordt passend belang gehecht in overeenstemming met hun leeftijd en rijpheid.
Bij alle handelingen betreffende kinderen, ongeacht of deze worden verricht door overheidsinstanties of particuliere instellingen, vormen de belangen van het kind de eerste overweging.
Ieder kind heeft er recht op regelmatig persoonlijke betrekkingen en rechtstreekse contacten met zijn beide ouders te onderhouden, tenzij dit tegen zijn belangen indruist.
Dit artikel is gebaseerd op het Verdrag van New York van 20 november 1989 inzake de rechten van het kind, dat door alle lidstaten is bekrachtigd, met name op de artikelen 3, 9, 12 en 13 van dat Verdrag.
Lid 3 houdt rekening met het feit dat, als onderdeel van de totstandbrenging van een ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid, de wetgeving van de Unie betreffende civiele zaken met grensoverschrijdende gevolgen, waarvoor artikel III-269 van de Grondwet bevoegdheid verleent, met name het bezoekrecht kan omvatten, zodat een kind regelmatig persoonlijke betrekkingen of rechtstreekse contacten met zijn beide ouders kan onderhouden.
Artikel 25. 1) Artikel II-85 van de Grondwet.Rechten van ouderen
De Unie erkent en eerbiedigt het recht van ouderen om een waardig en zelfstandig leven te leiden en om aan het maatschappelijk en cultureel leven deel te nemen.
Dit artikel is geïnspireerd op artikel 23 van het herzien Europees Sociaal Handvest en op de artikelen 24 en 25 van het Gemeenschapshandvest van de sociale grondrechten van de werknemers. Onder deelneming aan het maatschappelijk en cultureel leven wordt vanzelfsprekend ook de deelneming aan het politiek leven verstaan.
Artikel 26. 2) Artikel II-86 van de Grondwet.Integratie van personen met een handicap
De Unie erkent en eerbiedigt het recht van personen met een handicap op maatregelen die beogen hun zelfstandigheid, hun maatschappelijke en beroepsintegratie en hun deelname aan het gemeenschapsleven te bewerkstelligen.
Het beginsel dat in dit artikel is neergelegd is gebaseerd op artikel 15 van het Europees Sociaal Handvest en is tevens geïnspireerd op punt 26 van het Gemeenschapshandvest van de sociale grondrechten van de werknemers.
TITEL IV. SOLIDARITEIT
Artikel 27. 1) Artikel II-87 van de Grondwet.Recht op informatie en raadpleging van de werknemers binnen de onderneming
De werknemers of hun vertegenwoordigers moeten zekerheid krijgen dat zij op de passende niveaus tijdig worden geïnformeerd en geraadpleegd, in de gevallen en onder de voorwaarden waarin het recht van de Unie en de nationale wetgevingen en praktijken voorzien.
Dit artikel staat in het herzien Europees Sociaal Handvest (artikel 21) en het Gemeenschapshandvest van de sociale grondrechten van de werknemers (punten 17 en 18). Het is van toepassing onder de voorwaarden waarin het recht van de Unie en de nationale wetgevingen voorzien. De verwijzing naar de passende niveaus heeft betrekking op de niveaus waarin wordt voorzien door het recht van de Unie of door de nationale wetgevingen en praktijken. Het Europees niveau kan daaronder begrepen zijn wanneer het recht van de Unie daarin voorziet. Het „acquis van de Unie” op dit gebied is belangrijk: de artikelen III-211 en III-212 van de Grondwet en de Richtlijnen 2002/14/EG (algemeen kader betreffende de informatie en de raadpleging van de werknemers in de Europese Gemeenschap), 98/59/EG (collectief ontslag), 2001/23/EG (overgang van ondernemingen) en 94/45/EG (Europese ondernemingsraden).
Artikel 28. 2) Artikel II-88 van de Grondwet.Recht op collectieve onderhandelingen en collectieve actie
De werkgevers en werknemers of hun respectieve organisaties hebben, overeenkomstig het recht van de Unie en de nationale wetgevingen en praktijken, het recht om op de passende niveaus collectief te onderhandelen en collectieve arbeidsovereenkomsten te sluiten, alsmede om, in geval van belangenconflicten, collectieve acties te ondernemen ter verdediging van hun belangen, met inbegrip van staking.
Dit artikel is gebaseerd op artikel 6 van het Europees Sociaal Handvest en op het Gemeenschapshandvest van de sociale grondrechten van de werknemers (punten 12 tot 14). Het recht op collectieve actie is door het Europees Hof voor de rechten van de mens erkend als een onderdeel van het in artikel 11 van het EVRM erkende vakverenigingsrecht. Voor de passende niveaus waarop collectief kan worden onderhandeld, wordt verwezen naar de toelichting bij het vorige artikel. De nadere voorschriften en de grenzen voor de uitoefening van collectieve acties, waaronder staking, vallen onder de nationale wetgevingen en praktijken, met inbegrip van de vraag of zij in verschillende lidstaten gelijktijdig kunnen worden ondernomen.
Artikel 29. 1) Artikel II-89 van de Grondwet.Recht op toegang tot arbeidsbemiddeling
Eenieder heeft recht op toegang tot gratis arbeidsbemiddeling.
Dit artikel is gebaseerd op artikel 1, lid 3, van het Europees Sociaal Handvest en op punt 13 van het Gemeenschapshandvest van de sociale grondrechten van de werknemers.
Artikel 30. 2) Artikel II-90 van de Grondwet.Bescherming bij kennelijk onredelijk ontslag
Iedere werknemer heeft recht op bescherming tegen kennelijk onredelijk ontslag overeenkomstig het recht van de Unie en de nationale wetgevingen en praktijken.
Dit artikel is geïnspireerd op artikel 24 van het herzien Europees Sociaal Handvest. Zie ook Richtlijn 2001/23/EG betreffende het behoud van de rechten van de werknemers bij overgang van ondernemingen en Richtlijn 80/987/EEG inzake de bescherming van de werknemers bij insolventie van de werkgever, als gewijzigd bij Richtlijn 2002/74/EG.
Artikel 31. 3) Artikel II-91 van de Grondwet.Rechtvaardige en billijke arbeidsomstandigheden en -voorwaarden
Iedere werknemer heeft recht op gezonde, veilige en waardige arbeidsomstandigheden.
Iedere werknemer heeft recht op een beperking van de maximumarbeidsduur en op dagelijkse en wekelijkse rusttijden, alsmede op een jaarlijkse vakantie met behoud van loon.
Toelichting
-
- Lid 1 van dit artikel steunt op Richtlijn 89/391/EEG betreffende de tenuitvoerlegging van maatregelen ter bevordering van de verbetering van de veiligheid en de gezondheid van de werknemers op het werk. Het is ook geïnspireerd op artikel 3 van het Europees Sociaal Handvest en op punt 19 van het Gemeenschapshandvest van de sociale grondrechten van de werknemers, alsmede, wat het recht op waardigheid in het werk betreft, op artikel 26 van het herzien Europees Sociaal Handvest. „Arbeidsomstandigheden” moet worden uitgelegd als in artikel III-213 van de Grondwet.
-
- Lid 2 is gebaseerd op Richtlijn 93/104/EG betreffende een aantal aspecten van de organisatie van de arbeidstijd en op artikel 2 van het Europees Sociaal Handvest en punt 8 van het Gemeenschapshandvest van de sociale grondrechten van de werknemers.
Artikel 32. 1) Artikel II-92 van de Grondwet.Het verbod van kinderarbeid en de bescherming van jongeren op het werk
Kinderarbeid is verboden. De minimumleeftijd voor toelating tot het arbeidsproces mag niet lager zijn dan de leeftijd waarop de leerplicht ophoudt, onverminderd voor jongeren gunstiger regels en behoudens beperkte afwijkingen.
Werkende jongeren moeten arbeidsvoorwaarden krijgen die aangepast zijn aan hun leeftijd en zij moeten worden beschermd tegen economische uitbuiting en tegen iedere arbeid die hun veiligheid, hun gezondheid of hun lichamelijke, geestelijke, morele of maatschappelijke ontwikkeling kan schaden, dan wel hun opvoeding in gevaar kan brengen.
Dit artikel is gebaseerd op Richtlijn 94/33/EG betreffende de bescherming van jongeren op het werk, alsmede op artikel 7 van het Europees Sociaal Handvest en de punten 20 tot en met 23 van het Gemeenschapshandvest van de sociale grondrechten van de werknemers.
Artikel 33. 1) Artikel II-93 van de Grondwet.Het gezins- en beroepsleven
Het gezin geniet bescherming op juridisch, economisch en sociaal vlak.
Teneinde beroep en gezin te kunnen combineren, heeft eenieder recht op bescherming tegen ontslag om een reden die verband houdt met moederschap, alsmede recht op betaald moederschapsverlof en recht op ouderschapsverlof na de geboorte of de adoptie van een kind.
Het eerste lid van artikel 332)Artikel II-93 van de Grondwet. is gebaseerd op artikel 16 van het Europees Sociaal Handvest. Het tweede lid is geïnspireerd op Richtlijn 92/85/EEG van de Raad inzake de tenuitvoerlegging van maatregelen ter bevordering van de verbetering van de veiligheid en de gezondheid op het werk van werkneemsters tijdens de zwangerschap, na de bevalling en tijdens de lactatie en van Richtlijn 96/34/EG betreffende de door de UNICE, het CEEP en het EVV gesloten raamovereenkomst inzake ouderschapsverlof. Het is ook gebaseerd op artikel 8 (moederschapsbescherming) van het Europees Sociaal Handvest en geïnspireerd op artikel 27 (recht van werknemers met een gezin op gelijke kansen en gelijke behandeling) van het herzien Europees Sociaal Handvest. Onder „moederschap” wordt het tijdvak van conceptie tot en met borstvoeding begrepen.
Artikel 34. 3) Artikel II-94 van de Grondwet.Sociale zekerheid en sociale bijstand
De Europese Unie erkent en eerbiedigt onder de door het recht van de Unie en de nationale wetgevingen en praktijken gestelde voorwaarden het recht op toegang tot socialezekerheidsvoorzieningen en sociale diensten die bescherming bieden in gevallen zoals moederschap, ziekte, arbeidsongevallen, afhankelijkheid of ouderdom, alsmede bij verlies van arbeid.
Eenieder die legaal in de Unie verblijft en zich daar legaal verplaatst, heeft recht op socialezekerheidsvoorzieningen en sociale voordelen overeenkomstig het recht van de Unie en de nationale wetgevingen en praktijken.
Om sociale uitsluiting en armoede te bestrijden, erkent en eerbiedigt de Unie het recht op sociale bijstand en op bijstand ten behoeve van huisvesting, teneinde eenieder die niet over voldoende middelen beschikt, onder de door het recht van de Unie en de nationale wetgevingen en praktijken gestelde voorwaarden een waardig bestaan te verzekeren.
Het beginsel dat in artikel 341)Artikel II-94 van de Grondwet., lid 1, is neergelegd, steunt op de artikelen 137 en 140 VEG, nu vervangen door de artikelen III-210 en III-213 van de Grondwet, en op artikel 12 van het Europees Sociaal Handvest en punt 10 van het Gemeenschapshandvest van de sociale grondrechten van de werknemers. Het moet worden geëerbiedigd door de Unie wanneer zij de bevoegdheden uitoefent die haar bij de artikelen III-210 en III-213 van de Grondwet zijn verleend. De vermelding van sociale diensten heeft betrekking op de gevallen waarin dergelijke diensten zijn ingesteld om een aantal voorzieningen te waarborgen, maar impliceert geenszins dat die diensten moeten worden ingesteld wanneer zij niet bestaan. Onder „moederschap” moet hetzelfde worden begrepen als in het voorgaande artikel.
Lid 2 is gebaseerd op de artikelen 12, lid 4, en 13, lid 4, van het Europees Sociaal Handvest en op punt 2 van het Gemeenschapshandvest van de sociale grondrechten van de werknemers en is een afspiegeling van de voorschriften die voortvloeien uit Verordening nr. 1408/71 en Verordening nr. 1612/68.
Lid 3 is geïnspireerd op artikel 13 van het Europees Sociaal Handvest en de artikelen 30 en 31 van het herzien Europees Sociaal Handvest en op punt 10 van het Gemeenschapshandvest. Het moet door de Unie worden geëerbiedigd in het kader van het beleid dat gebaseerd is op artikel III-210 van de Grondwet.
Artikel 35. 2) Artikel II-95 van de Grondwet.Gezondheidszorg
Eenieder heeft recht op toegang tot preventieve gezondheidszorg en op medische verzorging onder de door de nationale wetgevingen en praktijken gestelde voorwaarden. Bij de vaststelling en uitvoering van het beleid en de maatregelen van de Unie wordt een hoog niveau van bescherming van de menselijke gezondheid gewaarborgd.
De in dit artikel neergelegde beginselen zijn gebaseerd op artikel 152 van het EG-Verdrag, nu vervangen door artikel III-278 van de Grondwet, en op de artikelen 11 en 13 van het Europees Sociaal Handvest. In de tweede zin van het artikel is artikel III-278, lid 1, weergegeven.
Artikel 36. 1) Artikel II-96 van de Grondwet.De toegang tot diensten van algemeen economisch belang
De Europese Unie erkent en eerbiedigt overeenkomstig de Grondwet de toegang tot diensten van algemeen economisch belang die in de nationale wetgevingen en praktijken is geregeld, teneinde de sociale en territoriale samenhang van de Unie te bevorderen.
Dit artikel is geheel in overeenstemming met artikel III-122 van de Grondwet en schept geen nieuw recht. Het stelt alleen het beginsel dat de Unie de toegang tot diensten van algemeen economisch belang zoals deze is geregeld in de nationale voorschriften, moet eerbiedigen wanneer deze voorschriften verenigbaar zijn met het recht van de Unie.
Artikel 37. 2) Artikel II-97 van de Grondwet.Milieubescherming
Een hoog niveau van milieubescherming en verbetering van de kwaliteit van het milieu moeten in het beleid van de Europese Unie worden geïntegreerd en worden gewaarborgd overeenkomstig het beginsel van duurzame ontwikkeling.
De in dit artikel neergelegde beginselen zijn gebaseerd op de artikelen 2, 6 en 174 VEG, nu vervangen door de artikelen I-3, lid 3, III-119 en III-233 van de Grondwet.
Het is bovendien geïnspireerd op de bepalingen van een aantal nationale grondwetten.
Artikel 38. 3) Artikel II-98 van de Grondwet.Consumentenbescherming
In het beleid van de Unie wordt zorg gedragen voor een hoog niveau van consumentenbescherming.
Het beginsel in dit artikel is gebaseerd op artikel 153 van het EG-Verdrag, nu vervangen door artikel III-235 van de Grondwet.
TITEL V. BURGERSCHAP
Artikel 39. 1) Artikel II-99 van de Grondwet.Actief en passief kiesrecht bij de verkiezingen voor het Europees Parlement
Iedere burger van de Unie heeft het actief en passief kiesrecht bij de verkiezingen voor het Europees Parlement in de lidstaat waar hij verblijf houdt, onder dezelfde voorwaarden als de onderdanen van die staat.
De leden van het Europees Parlement worden gekozen door middel van rechtstreekse, vrije en geheime algemene verkiezingen.
Artikel 39 2) Artikel II-99 van de Grondwet. vindt toepassing onder de in deel I en deel III van de Grondwet gestelde voorwaarden, overeenkomstig artikel 52, lid 2, van het Handvest3)Artikel II-112, lid 2, van de Grondwet.. Lid 1 van artikel 391)Artikel II-99 van de Grondwet. correspondeert immers met het recht dat wordt gewaarborgd door artikel I-10, lid 2, van de Grondwet (zie ook de rechtsgrondslag in artikel III-126 voor de vaststelling van de nadere regelingen voor de uitoefening van dat recht) en lid 2 van dit artikel stemt overeen met artikel I-20, lid 2, van de Grondwet. In artikel 391)Artikel II-99 van de Grondwet., lid 2, zijn de basisbeginselen van het kiesstelsel in een democratisch bestel opgenomen.
Artikel 40. 4) Artikel II-100 van de Grondwet.Actief en passief kiesrecht bij gemeenteraadsverkiezingen
Iedere burger van de Unie heeft het actief en passief kiesrecht bij gemeenteraadsverkiezingen in de lidstaat waar hij verblijf houdt, onder dezelfde voorwaarden als de onderdanen van die staat.
Dit artikel stemt overeen met het recht dat wordt gewaarborgd door artikel I-10, lid 2, van de Grondwet (zie ook de rechtsgrondslag in artikel III-126 voor de vaststelling van de nadere regelingen voor de uitoefening van dat recht). Overeenkomstig artikel 52, lid 22)Artikel II-101 van de Grondwet. , van het Handvest vindt het toepassing onder de in die artikelen van deel I en deel III van de Grondwet gestelde voorwaarden.
Artikel 41. 1) Artikel II-101 van de Grondwet.Recht op behoorlijk bestuur
Eenieder heeft er recht op dat zijn zaken onpartijdig, billijk en binnen een redelijke termijn door de instellingen, organen en instanties van de Unie worden behandeld.
Dit recht behelst met name:
- a. het recht van eenieder te worden gehoord voordat jegens hem een voor hem nadelige individuele maatregel wordt genomen;
- b. het recht van eenieder om inzage te krijgen tot het dossier hem betreffende, met inachtneming van het gerechtvaardigde belang van de vertrouwelijkheid en het beroeps- en het zakengeheim;
- c. de plicht van de betrokken instanties om hun beslissingen met redenen te omkleden.
Eenieder heeft recht op vergoeding door de Unie van de schade die door haar instellingen of haar personeelsleden in de uitoefening van hun functies is veroorzaakt, overeenkomstig de algemene beginselen die de rechtsstelsels der lidstaten gemeen hebben.
Eenieder kan zich in een van de talen van de Grondwet tot de instellingen van de Unie wenden en moet ook in die taal antwoord krijgen.
Artikel 412 )Artikel II-101 van de Grondwet. is gebaseerd op het bestaan van de Unie als een rechtsgemeenschap waarvan de kenmerken zijn ontwikkeld door de jurisprudentie, die met name behoorlijk bestuur heeft erkend als algemeen rechtsbeginsel (zie onder meer het arrest van het Hof van 31 maart 1992 in zaak C-255/90 P, Burban, Jurispr. 1992, blz. I-2253, en de arresten van het Gerecht van eerste aanleg van 18 september 1995 in zaak T-167/94, Nölle, Jurispr. 1995, blz. II-2589, en van 9 juli 1999 in zaak T-231/97, New Europe Consulting e.a., Jurispr. 1999, blz. II-2403). De formulering van dit recht in de eerste twee leden vloeit voort uit de jurisprudentie (arresten van het Hof van 15 oktober 1987 in zaak 222/86, Heylens, Jurispr. 1987, blz. 4097, punt 15, van 18 oktober 1989 in zaak 374/87, Orkem, Jurispr. 1989, blz. 3283, van 21 november 1991 in zaak C-269/90, TU München, Jurispr. 1991, blz. I-5469; en de arresten van het Gerecht van eerste aanleg van 6 december 1994 in zaak T-450/93, Lisrestal, Jurispr. 1994, blz. II-1177, van 18 september 1995 in zaak T-167/94, Nölle, Jurispr. 1995, blz. II-2589) en, wat de motiveringsplicht betreft, uit [artikel 253 VEG](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001506&artikel=253), nu vervangen door [artikel I-38, lid 2, van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005879&deel=I&titeldeel=V&hoofdstuk=I&artikel=I-38&z=2004-10-29&g=2004-10-29) (zie tevens de rechtsgrondslag in [artikel III-398 van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005879&deel=III&titeldeel=VI&hoofdstuk=I&afdeling=4&artikel=III-398&z=2004-10-29&g=2004-10-29) voor de aanneming van wetgeving in het belang van een open, doeltreffend en onafhankelijk Europees ambtenarenapparaat).
Lid 3 behelst het recht dat nu door artikel III-431 van de Grondwet gewaarborgd is. Lid 4 geeft het recht weer dat nu door de artikelen I-10, lid 2, onder d, en III-129 van de Grondwet gewaarborgd is. Overeenkomstig artikel 52, lid 21)Artikel II-112, lid 2, van de Grondwet., van het Handvest vinden deze rechten toepassing onder de voorwaarden en binnen de grenzen die bij deel III van de Grondwet zijn gesteld.
Het recht op een doeltreffende voorziening in rechte, dat een belangrijk aspect van deze kwestie is, wordt gewaarborgd in artikel 47 van het Handvest2)Artikel II-107 van de Grondwet..
Artikel 42. 3) Artikel II-102 van de Grondwet.Recht van inzage in documenten
Iedere burger van de Unie en iedere natuurlijke of rechtspersoon met verblijfplaats of statutaire zetel in een lidstaat heeft recht op toegang tot documenten van de instellingen, organen en instanties van de Unie, ongeacht het medium waarop zij zijn vastgelegd.
Het recht dat in dit artikel wordt gewaarborgd is overgenomen uit artikel 255 VEG op basis waarvan later Verordening nr. 1049/2001 is vastgesteld. De Europese Conventie heeft dit recht uitgebreid tot de documenten van de instellingen, organen en instanties in het algemeen, ongeacht de vorm ervan (zie artikel I-50, lid 3, van de Grondwet). Overeenkomstig artikel 52, lid 2, van het Handvest4)Artikel II-112, lid 2, van de Grondwet. wordt het recht op toegang tot documenten uitgeoefend onder de voorwaarden en binnen de grenzen waarin wordt voorzien door de artikelen I-50, lid 3, en III-399 van de Grondwet.
Artikel 43. 5) Artikel II-103 van de Grondwet.Ombudsman
Iedere burger van de Unie en iedere natuurlijke of rechtspersoon met verblijfplaats of statutaire zetel in een lidstaat heeft het recht zich tot de Europese ombudsman te wenden over gevallen van wanbeheer bij het optreden van de instellingen, organen of instanties van de Unie, met uitzondering van het Europees Hof van Justitie bij de uitoefening van zijn gerechtelijke taak.
Het in dit artikel gewaarborgde recht is het recht dat door de artikelen I-10 en III-335 van de Grondwet wordt gewaarborgd. Overeenkomstig artikel 52, lid 21)Artikel II-111, lid 2, van de Grondwet., van het Handvest vindt het toepassing onder de bij deze twee artikelen gestelde voorwaarden.
Artikel 44. 2) Artikel II-104 van de Grondwet.Recht van petitie
Iedere burger van de Unie en iedere natuurlijke of rechtspersoon met verblijfplaats of statutaire zetel in een lidstaat heeft het recht een verzoekschrift tot het Europees Parlement te richten.
Het in dit artikel gewaarborgde recht is het recht dat door de artikelen I-10 en III-334 van de Grondwet gewaarborgd is. Overeenkomstig artikel 52, lid 21)Artikel II-112, lid 2, van de Grondwet., van het Handvest vindt het toepassing onder de bij deze twee artikelen gestelde voorwaarden.
Artikel 45. 3) Artikel II-105 van de Grondwet.Vrijheid van verkeer en van verblijf
Iedere burger van de Unie heeft het recht zich vrij op het grondgebied van de lidstaten te verplaatsen en er vrij te verblijven.
De vrijheid van verkeer en van verblijf kan overeenkomstig de Grondwet worden toegekend aan onderdanen van derde landen die legaal op het grondgebied van een lidstaat verblijven.
Het in lid 1 gewaarborgde recht is het recht dat door artikel I-10, lid 2, onder a, van de Grondwet gewaarborgd is (zie ook de rechtsgrondslag in artikel III-125 en het arrest van het Hof van Justitie van 17 september 2002, zaak C-413/99, Baumbast, Jurispr. 2002, blz. 709). Overeenkomstig artikel 52, lid 21)Artikel II-112, lid 2, van de Grondwet., van het Handvest vindt het toepassing onder de voorwaarden en binnen de grenzen die worden beschreven in deel III van de Grondwet.
Lid 2 memoreert de bevoegdheid die krachtens de artikelen III-265 tot en met III-267 van de Grondwet aan de Unie verleend is. Daaruit volgt dat de toekenning van dat recht afhankelijk is van de uitoefening van deze bevoegdheid door de instellingen.
Artikel 46. 2) Artikel II-106 van de Grondwet.Diplomatieke en consulaire bescherming
Iedere burger van de Unie geniet op het grondgebied van derde landen waar de lidstaat waarvan hij onderdaan is, niet vertegenwoordigd is, de bescherming van de diplomatieke en consulaire instanties van iedere andere lidstaat, onder dezelfde voorwaarden als de onderdanen van die lidstaat.
Het in dit artikel gewaarborgde recht is het recht dat door artikel I-10 van de Grondwet gewaarborgd is; zie ook de rechtsgrondslag in artikel III-127. Overeenkomstig artikel 52, lid 23)Artikel II-112, lid 2, van de Grondwet., van het Handvest vindt het toepassing onder de bij deze artikelen gestelde voorwaarden.
TITEL VI. RECHTSPLEGING
Artikel 47. 4) Artikel II-107 van de Grondwet. Recht op een doeltreffende voorziening in rechte en op een onpartijdig gerecht
Eenieder wiens door het recht van de Unie gewaarborgde rechten en vrijheden zijn geschonden, heeft recht op een doeltreffende voorziening in rechte, met inachtneming van de in dit artikel gestelde voorwaarden.
Eenieder heeft recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. Eenieder heeft de mogelijkheid zich te laten adviseren, verdedigen en vertegenwoordigen.
Rechtsbijstand wordt verleend aan diegenen die niet over toereikende financiële middelen beschikken, voorzover die bijstand noodzakelijk is om de daadwerkelijke toegang tot de rechter te waarborgen.
De eerste alinea is gebaseerd op artikel 13 van het EVRM:
„Eenieder wiens rechten en vrijheden die in dit Verdrag zijn vermeld, zijn geschonden, heeft recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel voor een nationale instantie, ook indien deze schending is begaan door personen in de uitoefening van hun ambtelijke functie.”
Het recht van de Unie biedt echter een ruimere bescherming omdat het een recht op een doeltreffende voorziening in rechte waarborgt. Het Hof van Justitie heeft dit recht erkend als een algemeen beginsel van het recht van de Unie in zijn arrest van 15 mei 1986, Johnston, zaak 222/84, Jurispr. 1986, blz. 1651; zie ook de arresten van 15 oktober 1987 in zaak 222/86, Heylens, Jurispr. 1987, blz. 4097, en van 3 december 1992 in zaak C-97/91, Borelli, Jurispr. 1992, blz. I-6313. Volgens het Hof is dit algemene beginsel van het recht van de Unie eveneens van toepassing op de lidstaten wanneer zij het recht van de Unie toepassen. De verwerking van deze jurisprudentie in het Handvest had niet tot doel het systeem van rechterlijke toetsing van de verdragen, met name de ontvankelijkheidsregels voor rechtstreekse beroepen bij het Hof van Justitie van de Europese Unie, te wijzigen. De Europese Conventie heeft het mechanisme van de Unie voor rechterlijke toetsing en met name de ontvankelijkheidsregels bekeken, en heeft deze overgenomen, met enkele wijzigingen wat bepaalde aspecten betreft, zoals blijkt uit de artikelen III-353 tot en met III-381 van de Grondwet, en in het bijzonder uit artikel III-365, lid 4, artikel 471)Artikel II-107 van de Grondwet. geldt ten aanzien van de instellingen van de Unie en de lidstaten wanneer deze het Unierecht toepassen en voor alle rechten die worden gewaarborgd door het Unierecht.
De tweede alinea correspondeert met artikel 6, lid 1, van het EVRM, dat als volgt luidt:
„Bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde vervolging heeft eenieder recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat bij de wet is ingesteld. De uitspraak moet in het openbaar worden gewezen maar de toegang tot de rechtszaal kan aan de pers en het publiek worden ontzegd, gedurende de gehele terechtzitting of een deel daarvan, in het belang van goede zeden, van de openbare orde of nationale veiligheid in een democratische samenleving, wanneer de belangen van minderjarigen of de bescherming van het privé-leven van procespartijen dit eisen of, in die mate als door de rechter onder bijzondere omstandigheden strikt noodzakelijk wordt geoordeeld, wanneer de openbaarheid de belangen van een behoorlijke rechtspleging zou schaden.”
In het recht van de Unie is het recht op toegang tot de rechter niet alleen van toepassing op geschillen inzake civielrechtelijke rechten en verplichtingen. Dit is een consequentie van het feit dat de Unie een rechtsgemeenschap is, zoals het Hof heeft geconstateerd in zaak 194/83, Les Verts tegen Europees Parlement (arrest van 23 april 1986, Jurispr. 1986, blz. 1339). Met uitzondering van de werkingssfeer zijn de door het EVRM geboden waarborgen op dezelfde wijze van toepassing in de Unie.
Met betrekking tot de derde alinea zij erop gewezen dat volgens de jurisprudentie van het Europees Hof voor de rechten van de mens in rechtsbijstand moet worden voorzien wanneer de garantie van een doeltreffende voorziening in rechte wegens het ontbreken van die bijstand ontwricht zou worden (Arrest EHRM van 9 oktober 1979, Airey, Série A, volume 32, 11). Er bestaat ook een rechtsbijstandregeling voor het Hof van Justitie van de Europese Unie.
Artikel 48. 1) Artikel II-108 van de Grondwet.Vermoeden van onschuld en rechten van de verdediging
Eenieder tegen wie een vervolging is ingesteld, wordt voor onschuldig gehouden totdat zijn schuld in rechte is komen vast te staan.
Aan eenieder tegen wie een vervolging is ingesteld, wordt de eerbiediging van de rechten van de verdediging gegarandeerd.
Toelichting
Artikel 48 is hetzelfde als artikel 6, leden 2 en 3, van het EVRM, dat als volgt luidt:
- „2. Eenieder tegen wie een vervolging is ingesteld, wordt voor onschuldig gehouden totdat zijn schuld in rechte is komen vast te staan.
-
- Eenieder tegen wie een vervolging is ingesteld, heeft in het bijzonder de volgende rechten:
- a. onverwijld, in een taal die hij verstaat en in bijzonderheden, op de hoogte te worden gesteld van de aard en de reden van de tegen hem ingebrachte beschuldiging;
- b. te beschikken over de tijd en faciliteiten die nodig zijn voor de voorbereiding van zijn verdediging;
- c. zichzelf te verdedigen of daarbij de bijstand te hebben van een raadsman naar eigen keuze of, indien hij niet over voldoende middelen beschikt om een raadsman te bekostigen, kosteloos door een toegevoegd advocaat te kunnen worden bijgestaan, indien de belangen van een behoorlijke rechtspleging dit eisen;
- d. de getuigen à charge te ondervragen of te doen ondervragen en het oproepen en de ondervraging van getuigen à décharge te doen geschieden onder dezelfde voorwaarden als het geval is met de getuigen à charge;
- e. zich kosteloos te doen bijstaan door een tolk indien hij de taal die ter terechtzitting wordt gebezigd niet verstaat of niet spreekt.”
Overeenkomstig artikel 52, lid 31)Artikel II-112, lid 3, van de Grondwet., heeft dit recht dezelfde inhoud en reikwijdte als het recht dat door het EVRM wordt gewaarborgd.
Artikel 49. 2) Artikel II-109 van de Grondwet.Legaliteitsbeginsel en evenredigheidsbeginsel inzake delicten en straffen
Niemand mag worden veroordeeld wegens een handelen of nalaten dat geen strafbaar feit naar nationaal of internationaal recht uitmaakte ten tijde dat het handelen of nalaten geschiedde. Evenmin mag een zwaardere straf worden opgelegd dan die welke ten tijde van het begaan van het strafbare feit van toepassing was. Indien de wet na het begaan van het strafbare feit in een lichtere straf voorziet, dan is die van toepassing.
Dit artikel staat niet de berechting en bestraffing in de weg van iemand die schuldig is aan een handelen of nalaten dat ten tijde van het handelen of nalaten een misdrijf was volgens de door de volkerengemeenschap erkende algemene beginselen.
De zwaarte van de straf mag niet onevenredig zijn aan het strafbare feit.
Toelichting
In dit artikel wordt de klassieke regel van de niet-terugwerkende kracht van wetten en sancties op strafrechtelijk gebied overgenomen. De regel van de terugwerkende kracht van de mildere strafwet, die in tal van lidstaten bestaat en die vervat is in artikel 15 van het Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, is hieraan toegevoegd.
Artikel 7 van het EVRM luidt als volgt:
- „1. Niemand mag worden veroordeeld wegens een handelen of nalaten, dat geen strafbaar feit naar nationaal of internationaal recht uitmaakte ten tijde dat het handelen of nalaten geschiedde. Evenmin mag een zwaardere straf worden opgelegd dan die, die ten tijde van het begaan van het strafbare feit van toepassing was.
-
- Dit artikel staat niet in de weg aan de berechting en bestraffing van iemand, die schuldig is aan een handelen of nalaten, dat ten tijde van het handelen of nalaten, een misdrijf was overeenkomstig de algemene rechtsbeginselen die door de beschaafde volken worden erkend.”
In lid 2 is alleen het woord „beschaafde” geschrapt, waardoor de inhoud van dit lid, dat vooral betrekking heeft op misdrijven tegen de menselijkheid, niet verandert. Overeenkomstig artikel 52, lid 31)Artikel II-112, lid 3, van de Grondwet., heeft het gewaarborgde recht dus dezelfde inhoud en reikwijdte als het door het EVRM gewaarborgde recht.
Lid 3 behelst het algemene beginsel van de evenredigheid van strafbare feiten en straffen, dat is vastgelegd in de constitutionele tradities die de lidstaten gemeen hebben en in de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen.
Artikel 50. 2) Artikel II-110 van de Grondwet.Recht om niet tweemaal in een strafrechtelijke procedure voor hetzelfde delict te worden berecht of gestraft
Niemand wordt opnieuw berecht of gestraft in een strafrechtelijke procedure voor een strafbaar feit waarvoor hij in de Unie reeds onherroepelijk is vrijgesproken of veroordeeld overeenkomstig de wet.
Artikel 4 van het Zevende Protocol bij het EVRM luidt als volgt:
- „1. Niemand wordt opnieuw berecht of gestraft in een strafrechtelijke procedure binnen de rechtsmacht van dezelfde staat voor een strafbaar feit waarvoor hij reeds onherroepelijk is vrijgesproken of veroordeeld overeenkomstig de wet en het strafprocesrecht van die staat.
-
- De bepalingen van het voorgaande lid beletten niet de heropening van de zaak overeenkomstig de wet en het strafprocesrecht van de betrokken staat, indien er aanwijzingen zijn van nieuwe of pas aan het licht gekomen feiten, of indien er sprake was van een fundamenteel gebrek in het vorige proces, die de uitkomst van de zaak zouden of zou kunnen beïnvloeden.
-
- Afwijking van dit artikel krachtens artikel 15 van het Verdrag is niet toegestaan.”
De regel „ne bis in idem” is van toepassing in het recht van de Unie (zie een groot aantal arresten, o.a. arrest van 5 mei 1966, Gutmann tegen Commissie, zaak 18/65 en 35/65, Jurispr. 1966, blz. 150, en in een recente zaak het arrest van het Gerecht van 20 april 1999, gevoegde zaken T-305/94 e.a., Limburgse Vinyl Maatschappij NV tegen Commissie, Jurispr. 1999, blz. II-931). Gepreciseerd zij dat het cumulatieverbod betrekking heeft op de cumulatie van twee sancties van dezelfde aard, met name strafrechtelijke sancties.
Overeenkomstig artikel 501)Artikel II-110 van de Grondwet. is de regel „ne bis in idem” niet alleen van toepassing binnen de rechtsmacht van dezelfde staat maar ook in de onderlinge verhoudingen van de rechtsmacht van verschillende lidstaten. Dit stemt overeen met het acquis van het recht van de Unie: zie de artikelen 54 tot en met 58 van de Schengenuitvoeringsovereenkomst en het arrest van het Hof van Justitie van 11 februari 2003, zaak C-187/01, Gözütok (nog niet gepubliceerd), artikel 7 van de Overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschap, en artikel 10 van de Overeenkomst ter bestrijding van corruptie. De beperkte uitzonderingen waarmee het de lidstaten krachtens die overeenkomsten is toegestaan om af te wijken van de regel „ne bis in idem” vallen onder de horizontale beperkingsbepaling van artikel 52, lid 12)Artikel II-112, lid 1, van de Grondwet.. Wat de in artikel 4 van het Zevende Protocol bedoelde situaties betreft, namelijk de toepassing van het beginsel binnen de rechtsmacht van dezelfde lidstaat, heeft het gewaarborgde recht dezelfde inhoud en reikwijdte als het overeenkomstige recht van het EVRM.
TITEL VII. ALGEMENE BEPALINGEN VOOR DE INTERPRETATIE EN DE TOEPASSING VAN HET HANDVEST
Artikel 51. 3) Artikel II-111 van de Grondwet.Toepassingsgebied
De bepalingen van dit Handvest zijn gericht tot de instellingen, organen en instanties van de Unie met inachtneming van het subsidiariteitsbeginsel en tot de lidstaten, uitsluitend wanneer zij het recht van de Unie ten uitvoer brengen. Derhalve eerbiedigen zij de rechten, leven zij de beginselen na en bevorderen zij de toepassing ervan, overeenkomstig hun respectieve bevoegdheden en met inachtneming van de beperkingen van de bevoegdheden zoals deze in de andere delen van de Grondwet aan de Unie worden verleend.
Dit Handvest breidt het toepassingsgebied van het recht van de Unie niet verder uit dan de bevoegdheden van de Unie reiken en schept geen nieuwe bevoegdheden of taken voor de Unie en wijzigt de in de andere delen van de Grondwet neergelegde bevoegdheden en taken niet.
Doel van artikel 511)Artikel II-111 van de Grondwet. is de werkingssfeer van het Handvest af te bakenen. Het beoogt duidelijk te stellen dat het Handvest in de eerste plaats geldt voor de instellingen en organen van de Unie, met inachtneming van het subsidiariteitsbeginsel. Deze bepaling sluit aan bij artikel 6, lid 2, van het Verdrag betreffende de Europese Unie, dat de Unie verplicht de grondrechten te eerbiedigen, alsook bij het mandaat van de Europese Raad van Keulen. Het begrip„instellingen” is vastgelegd in deel I van de Grondwet. De uitdrukking „organen en instanties” wordt in de Grondwet gemeenlijk gebruikt om alle instanties aan te duiden die door de Grondwet of door handelingen van afgeleid recht in het leven zijn geroepen (zie bijv. artikel I-50 of I-51 van de Grondwet).
Wat de lidstaten betreft, blijkt uit de jurisprudentie van het Hof ondubbelzinnig dat de verplichting tot eerbiediging van de in het kader van de Unie vastgestelde grondrechten alleen geldt voor de lidstaten wanneer deze optreden binnen het toepassingsgebied van het recht van de Unie (arrest van 13 juli 1989, Wachauf, zaak 5/88, Jurispr. 1989, blz. 2609; arrest van 18 juni 1991, ERT, Jurispr. 1991, blz. I-2925); arrest van 18 december 1997 (zaak C-309/96, Annibaldi, Jurispr. 1997, blz. I-7493). Het Hof van Justitie heeft deze jurisprudentie bevestigd in de volgende bewoordingen: „Bovendien zij eraan herinnerd, dat de eisen van bescherming van de fundamentele rechten in de communautaire rechtsorde de lidstaten ook bij de uitvoering van gemeenschapsregelingen binden.” (Arrest van 13 april 2000, zaak C-292/97, Jurispr. 2000, blz. 2737, r.o. 37). Vanzelfsprekend is deze regel, zoals neergelegd in dit Handvest, zowel van toepassing op de centrale overheden als op de regionale of lokale autoriteiten, alsmede op overheidslichamen wanneer zij het recht van de Unie toepassen.
Lid 2, samen met de tweede zin van lid 1, bevestigt dat het Handvest geen uitbreiding van de bevoegdheden en taken die bij de andere delen van de Grondwet aan de Unie zijn verleend, tot gevolg kan hebben. Het is de bedoeling uitdrukkelijk te vermelden wat logisch voortvloeit uit het subsidiariteitsbeginsel en uit het feit dat de Unie slechts over de bevoegdheden beschikt die haar zijn toegewezen. De grondrechten, zoals deze in de Unie worden gewaarborgd, hebben slechts rechtsgevolgen in het kader van de door deel I en deel III van de Grondwet bepaalde bevoegdheden. Bijgevolg kan de krachtens de tweede zin van lid 1 aan de instellingen opgelegde verplichting om de in het Handvest neergelegde beginselen te bevorderen, slechts gelden binnen de grenzen van die bevoegdheden.
Lid 2 bevestigt voorts dat het Handvest niet tot gevolg mag hebben dat het toepassingsgebied van het recht van de Unie verder wordt uitgebreid dan de in de andere delen van de Grondwet vastgelegde bevoegdheden van de Unie reiken. Het Hof van Justitie heeft deze regel reeds vastgesteld met betrekking tot de grondrechten, waarvan wordt erkend dat zij tot het recht van de Unie behoren (arrest van 17 februari 1998, zaak C-249/96, Grant, Jurispr. 1998, blz. I-621, r.o 45). Overeenkomstig deze regel is het vanzelfsprekend dat de opneming van het Handvest in de Grondwet niet kan worden opgevat als een automatische uitbreiding van de mogelijke handelingen van de lidstaten die als „ uitvoering van het recht van de Unie” (in de zin van lid 1 en voornoemde jurisprudentie) kunnen worden beschouwd.
Artikel 52. 1) Artikel II-112 van de Grondwet.Reikwijdte en uitlegging van de gewaarborgde rechten en beginselen
Beperkingen op de uitoefening van de in dit Handvest erkende rechten en vrijheden moeten bij wet worden gesteld en de wezenlijke inhoud van die rechten en vrijheden eerbiedigen. Met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel kunnen alleen beperkingen worden gesteld, indien zij noodzakelijk zijn en daadwerkelijk aan door de Unie erkende doelstellingen van algemeen belang of aan de eisen van de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen beantwoorden.
De door dit Handvest erkende rechten die worden beschreven in andere delen van de Grondwet, worden uitgeoefend onder de voorwaarden en binnen de grenzen welke door de desbetreffende delen zijn gesteld.
Voorzover dit Handvest rechten bevat die corresponderen met rechten welke zijn gegarandeerd door het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, zijn de inhoud en reikwijdte ervan dezelfde als die welke er door genoemd verdrag aan worden toegekend. Deze bepaling verhindert niet dat het recht van de Unie een ruimere bescherming biedt.
Voorzover dit Handvest grondrechten erkent zoals die voortvloeien uit de gemeenschappelijke constitutionele tradities van de lidstaten, worden die rechten in overeenstemming met die tradities uitgelegd.
Aan bepalingen van dit Handvest die beginselen bevatten, mag uitvoering worden gegeven bij wetgevings- en uitvoeringshandelingen die worden vastgesteld door instellingen, organen en instanties van de Unie, en bij handelingen van de lidstaten wanneer zij het recht van de Unie ten uitvoer brengen, in de uitoefening van hun respectieve bevoegdheid. De rechterlijke bevoegdheid ten aanzien van die bepalingen blijft beperkt tot de uitlegging van genoemde handelingen en de toetsing van de rechtsgeldigheid ervan.
Er wordt rekening gehouden met de nationale wetgevingen en praktijken zoals bedoeld in dit Handvest.
De toelichting, die dient als richtsnoer bij de interpretatie van het Handvest van de grondrechten, wordt door de rechterlijke instanties van de Unie en van de lidstaten naar behoren in acht genomen.
Toelichting
Artikel 52 1) Artikel II-112 van de Grondwet. stelt de reikwijdte van de rechten en beginselen van het Handvest vast, alsmede de regels voor de uitlegging daarvan. Lid 1 gaat over de beperkingsregeling. De gebruikte formulering is geïnspireerd op de jurisprudentie van het Hof van Justitie: „Volgens vaste rechtspraak kan de uitoefening van deze fundamentele rechten, met name in het kader van een gemeenschappelijke marktordening, evenwel aan beperkingen worden onderworpen, voorzover die beperkingen werkelijk beantwoorden aan de doeleinden van algemeen belang die de Gemeenschap nastreeft en, het nagestreefde doel in aanmerking genomen, niet zijn te beschouwen als een onevenredige en onduldbare ingreep, waardoor de gewaarborgde rechten in hun kern worden aangetast.” (Arrest van 13 april 2000, zaak C-292/97, r.o. 45). Met de door de Unie erkende doelstellingen van algemeen belang worden zowel de in artikel I-2 van de Grondwet genoemde doelen bedoeld als de andere belangen die beschermd worden door specifieke bepalingen van de Grondwet, zoals artikel I-5, lid 1, artikel III-133, lid 3, artikel III-154 en artikel III-436.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)