Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa

Type Verdrag
Publication 2004-10-29
State In force
Source BWB
artikelen 486
Wijzigingsgeschiedenis JSON API
EG-Verdrag Grondwet
Derde deel, Titel I Deel III, titel III, hoofdstuk I, afdeling 3
Derde deel, titel I, hoofdstuk 1 Deel III, titel III, hoofdstuk I, afdeling 3
Onderafdeling 1
Derde deel, Titel II Deel III, titel III, hoofdstuk III, afdeling 4
(Derde deel) Titel III Deel III, titel III, hoofdstuk I, afdelingen 2 en 4
(Derde deel) Titel VI, Hoofdstuk 1 Deel III, titel III, hoofdstuk I, afdeling 5
Artikel 31 Artikel III-155
Artikel 39 Artikel III-133
Artikel 49 Artikel III-144
Artikel 58 Artikel III-158
Artikel 87 Artikel III-167
Artikel 88 Artikel III-168
Artikel 226 Artikel III-360
Bijlage I Bijlage I
5.

Wanneer in de in artikel 73 van dit Protocol bedoelde bijlagen is bepaald dat de Raad of de Commissie rechtshandelingen vaststellen, nemen deze handelingen de vorm aan van Europese verordeningen of Europese besluiten.

De Hoge Verdragsluitende Partijen,

Geleid door de wens nadere bepalingen vast te stellen voor de procedure bij de in artikel III-184 van de Grondwetbedoelde buitensporige tekorten,

Hebben overeenstemming bereikt omtrent de volgende bepalingen, die aan het Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa worden gehecht:

Artikel 1

De in artikel III-184, lid 2, van de Grondwet bedoelde referentiewaarden zijn:

  • a. 3 % voor de ratio tussen het voorziene of feitelijke overheidstekort en het bruto binnenlands product tegen marktprijzen;
  • b. 60 % voor de ratio tussen de overheidsschuld en het bruto binnenlands product tegen marktprijzen.
Artikel 2

Voor de toepassing van artikel III-184 van de Grondwet en van dit Protocol wordt verstaan onder:

  • a. overheid: de algemene overheid, dat wil zeggen de centrale overheid, de regionale of lokale overheid en de fondsen voor sociale zekerheid onder uitsluiting van commerciële transacties, als omschreven in het Europees Stelsel van economische rekeningen;
  • b. tekort: netto financieringstekort als omschreven in het Europees Stelsel van economische rekeningen;
  • c. investeringen: bruto-investeringen in vaste activa als omschreven in het Europees Stelsel van economische rekeningen;
  • d. schuld: totale aan het eind van het jaar uitstaande brutoschuld tegen nominale waarde, geconsolideerd tussen en binnen de sectoren van de algemene overheid als omschreven onder a.
Artikel 3

Teneinde een doeltreffende werking van de procedure bij buitensporige tekorten te verzekeren, zijn de regeringen van de lidstaten in het kader van deze procedure aansprakelijk voor de tekorten van de algemene overheid als omschreven in artikel 2, onder a. De lidstaten zorgen ervoor dat de nationale procedures op begrotingsgebied hen in staat stellen hun uit de Grondwet voortvloeiende verplichtingen op dit gebied na te komen. De lidstaten stellen de Commissie onverwijld en regelmatig in kennis van hun voorziene en feitelijke tekorten en van de omvang van hun schuld.

Artikel 4

De voor de toepassing van dit Protocol benodigde statistische gegevens worden door de Commissie verstrekt.

De Hoge Verdragsluitende Partijen,

Geleid door de wens nadere regels vast te stellen voor de convergentiecriteria die de Unie moet hanteren wanneer zij overeenkomstig artikel III-198 van de Grondwet besluit de derogaties in te trekken van de lidstaten die vallen onder een derogatie,

Hebben overeenstemming bereikt omtrent de volgende bepalingen, die aan het Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa worden gehecht:

Artikel 1

Het in artikel III-198, lid 1, onder a, van de Grondwet bedoelde criterium inzake prijsstabiliteit betekent dat de betrokken lidstaat een houdbare prijsontwikkeling heeft en een gemiddeld inflatiepercentage dat, gemeten over een periode van één jaar vóór het onderzoek, niet meer dan 1,5 procentpunt hoger ligt dan dat van ten hoogste de drie lidstaten die op het gebied van prijsstabiliteit het best presteren. De inflatie wordt gemeten aan de hand van het indexcijfer van de consumptieprijzen op een vergelijkbare basis, rekening houdend met verschillen in de nationale definities.

Artikel 2

Het in artikel III-198, lid 1, onder b, van de Grondwet bedoelde criterium inzake de begrotingssituatie van de overheid, houdt in dat ten aanzien van de betrokken lidstaat op het tijdstip van het onderzoek geen Europees besluit van de Raad krachtens artikel III-184, lid 6, van de Grondwet is genomen, waarin wordt vastgesteld dat er in de betrokken lidstaat een buitensporig tekort bestaat.

Artikel 3

Het in artikel III-198, lid 1, onder c, van de Grondwet bedoelde criterium inzake deelneming aan het wisselkoersmechanisme van het Europees Monetair Stelsel betekent dat de betrokken lidstaat ten minste gedurende de laatste twee jaren vóór het onderzoek zonder grote spanningen de normale fluctuatiemarges van het wisselkoersmechanisme van het Europees Monetair Stelsel heeft kunnen aanhouden. Met name mag de betrokken lidstaat tijdens die periode de bilaterale spilkoers van zijn valuta tegenover de euro niet op eigen initiatief hebben gedevalueerd.

Artikel 4

Het in artikel III-198, lid 1, onder d, van de Grondwet genoemde criterium inzake de convergentie van het niveau van de rentevoet betekent dat de betrokken lidstaat, gemeten over een periode van één jaar vóór het onderzoek, een gemiddelde nominale langetermijnrente heeft gehad die niet meer dan 2 procentpunten hoger ligt dan die van ten hoogste de drie lidstaten die op het gebied van prijsstabiliteit het best presteren. De rentevoet wordt gemeten op basis van langlopende staatsobligaties of vergelijkbare waardepapieren, rekening houdend met verschillen in de nationale definities.

Artikel 5

De voor de toepassing van dit Protocol benodigde statistische gegevens worden door de Commissie verstrekt.

Artikel 6

De Raad stelt op voorstel van de Commissie en na raadpleging van het Europees Parlement, de Europese Centrale Bank, en het Economisch en Financieel Comité bedoeld in artikel III-192 van de Grondwet, met eenparigheid van stemmen de passende bepalingen vast betreffende de nadere regels voor de in artikel III-198 van de Grondwet bedoelde convergentiecriteria, die dan in de plaats van dit Protocol komen.

De Hoge Verdragsluitende Partijen,

Verlangend de voorwaarden voor een sterkere economische groei in de Europese Unie te bevorderen en daartoe een steeds nauwere coördinatie van het economisch beleid in de eurozone te ontwikkelen,

Zich ervan bewust dat er bijzondere bepalingen voor een versterkte dialoog tussen de staten die de euro als munt hebben, moeten worden vastgesteld, in afwachting dat de euro de munt van alle lidstaten van de Unie wordt,

Hebben overeenstemming bereikt omtrent de volgende bepalingen, die aan het Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa worden gehecht:

Artikel 1

De ministers van de lidstaten die de euro als munt hebben vergaderen in informeel verband. De vergaderingen worden, voorzover nodig, gehouden om van gedachten te wisselen over aangelegenheden die verband houden met de specifieke bevoegdheden van de ministers inzake de ene munt. De Commissie neemt deel, en de Europese Centrale Bank wordt uitgenodigd deel te nemen, aan deze vergaderingen, die worden voorbereid door de vertegenwoordigers van de ministers van Financiën van de lidstaten die de euro als munt hebben en de Commissie.

Artikel 2

De ministers van de lidstaten die de euro als munt hebben, kiezen met een meerderheid van die lidstaten een voorzitter voor de duur van tweeëneenhalf jaar.

De Hoge Verdragsluitende Partijen,

Erkennende dat het Verenigd Koninkrijk niet verplicht of gehouden is de euro in te voeren zonder een daartoe strekkend afzonderlijk besluit van zijn regering en parlement;

Gezien het feit dat de regering van het Verenigd Koninkrijk op 16 oktober 1996 en op 30 oktober 1997 de Raad ervan in kennis heeft gesteld dat het niet wenst deel te nemen aan de derde fase van de economische en monetaire unie, zulks overeenkomstig punt 1 van het aan het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap gehechte protocol betreffende enkele bepalingen met betrekking tot het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland;

Kennis nemend van de praktijk van de regering van het Verenigd Koninkrijk om voor de financiering van haar leningsbehoeften gebruik te maken van de verkoop van schuldbewijzen aan de particuliere sector,

Hebben overeenstemming bereikt omtrent de volgende bepalingen, die aan het Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa worden gehecht:

Artikel 1

Tenzij het Verenigd Koninkrijk de Raad ervan in kennis stelt dat het voornemens is de euro in te voeren, is het daartoe niet verplicht.

Artikel 2

De artikelen 3 tot en met 8 en artikel 10 zijn van toepassing op het Verenigd Koninkrijk, gezien de kennisgeving van de regering van het Verenigd Koninkrijk aan de Raad van 16 oktober 1996 en 30 oktober 1997.

Artikel 3

Het Verenigd Koninkrijk behoudt zijn bevoegdheden op het gebied van het monetaire beleid overeenkomstig de nationale wetgeving.

Artikel 4

Artikel I-30, lid 2, uitgezonderd de eerste en de laatste zin, artikel I-30, lid 5, artikel III-177, tweede alinea, artikel III-184, leden 1, 9 en 10, artikel III-185, leden 1 tot en met 5, artikel III-186, de artikelen III-188, III-189, III-190 en artikel III-191, artikel III-196, artikel III-198, lid 3, de artikelen III-326 en III-382 van de Grondwet zijn niet van toepassing op het Verenigd Koninkrijk. Dat geldt ook voor artikel III-179, lid 2, van de Grondwet wat betreft de aanneming van de onderdelen van de globale richtsnoeren voor het economisch beleid die in algemene zin betrekking hebben op de eurozone.

Verwijzingen in de in de eerste alinea genoemde bepalingen naar de Unie of de lidstaten betreffen niet het Verenigd Koninkrijk en verwijzingen naar de nationale centrale banken betreffen niet de Bank of England.

Artikel 5

Het Verenigd Koninkrijk streeft ernaar een buitensporig overheidstekort te voorkomen.

Artikel III-192, lid 4, en artikel III-200 van de Grondwet zijn van toepassing op het Verenigd Koninkrijk alsof het Verenigd Koninkrijk onder derogatie viel. De artikelen III-201 en III-202 van de Grondwet blijven van toepassing op het Verenigd Koninkrijk.

Artikel 6

Het stemrecht van het Verenigd Koninkrijk wordt geschorst wanneer de Raad maatregelen als bedoeld in de in artikel 4 genoemde artikelen vaststelt en in de in artikel III-197, lid 4, eerste alinea, van de Grondwet bedoelde gevallen. Daartoe is artikel III-197, lid 4, tweede en derde alinea, van de Grondwet van toepassing.

Het Verenigd Koninkrijk heeft ook geen recht om deel te nemen aan de benoeming van de president, de vice-president en de overige leden van de directie van de Europese Centrale Bank overeenkomstig artikel III-382, lid 2, tweede, derde en vierde alinea, van de Grondwet.

Artikel 7

De artikelen 3, 4, 6 en 7, artikel 9, lid 2, artikel 10, leden 1, 2 en 3, artikel 11, lid 2, artikel 12, lid 1, de artikelen 14, 16, 18, 19, 20, 22, 23, 26, 27, 30, 31, 32, 33, 34 en 50 van het Protocol tot vaststelling van het statuut van het Europees Stelsel van Centrale Banken en van de Europese Centrale Bank („het statuut”) zijn niet van toepassing op het Verenigd Koninkrijk.

Verwijzingen in die artikelen naar de Unie of de lidstaten betreffen niet het Verenigd Koninkrijk en verwijzingen naar de nationale centrale banken of aandeelhouders betreffen niet de Bank of England.

De verwijzingen in artikel 10, lid 3, en artikel 30, lid 2, van het statuut naar het geplaatste kapitaal van de Europese Centrale Bank omvatten niet het kapitaal waarop door de Bank of England is ingeschreven.

Artikel 8

Artikel III-199 van de Grondwet en de artikelen 43 tot en met 47 van het statuut zijn van toepassing, ongeacht of een lidstaat onder een derogatie valt, behoudens de volgende wijzigingen:

  • a. verwijzingen in artikel 43 van het statuut naar de taken van de Europese Centrale Bank en het Europees Monetair Instituut omvatten mede de taken die na de invoering van de euro nog vervuld moeten worden vanwege het besluit van het Verenigd Koninkrijk om de euro niet in te voeren.
  • b. naast de in artikel 46 van het statuut bedoelde taken geeft de Europese Centrale Bank ook advies met betrekking tot en draagt zij bij tot de voorbereiding van iedere Europese verordening of ieder Europees besluit van de Raad betreffende het Verenigd Koninkrijk overeenkomstig de bepalingen van artikel 9, onder a en c, van dit Protocol.
  • c. de Bank of England stort haar aandeel in het kapitaal van de Europese Centrale Bank als bijdrage in de bedrijfskosten van de ECB op dezelfde basis als de nationale centrale banken van lidstaten die onder een derogatie vallen.
Artikel 9

Het Verenigd Koninkrijk kan te allen tijde de Raad ervan in kennis stellen dat het voornemens is de euro in te voeren. In dat geval:

  • a. heeft het Verenigd Koninkrijk het recht de euro in te voeren, mits het voldoet aan de nodige voorwaarden. De Raad besluit op verzoek van het Verenigd Koninkrijk en overeenkomstig de voorwaarden en volgens de procedure van artikel III-198, leden 1 en 2, van de Grondwet, of het Verenigd Koninkrijk aan de nodige voorwaarden voldoet;
  • b. stort de Bank of England haar aandeel in het kapitaal, draagt zij aan de Europese Centrale Bank externe reserves over en draagt zij bij aan de reserves van de ECB op dezelfde grondslag als de nationale centrale bank van een lidstaat waarvan de derogatie is ingetrokken;
  • c. neemt de Raad, onder de voorwaarden en volgens de procedure van artikel III-198, lid 3, van de Grondwet, alle andere nodige besluiten om het Verenigd Koninkrijk in staat te stellen de euro in te voeren.

Indien het Verenigd Koninkrijk overeenkomstig onderhavig artikel de euro invoert, treden de artikelen 3 tot en met 8 buiten werking.

Artikel 10

In afwijking van artikel III-181 van de Grondwet en artikel 21, lid 1, van het statuut kan de regering van het Verenigd Koninkrijk haar „Ways and Means”-faciliteit bij de Bank of England handhaven indien en zolang het Verenigd Koninkrijk de euro niet invoert.

De Hoge Verdragsluitende Partijen,

Rekening houdende met het feit dat de Deense grondwet bepalingen bevat die kunnen impliceren dat voordat Denemarken van zijn derogatie afziet een referendum wordt gehouden;

Gezien het feit dat de Deense regering op 3 november 1993 de Raad ervan in kennis heeft gesteld dat het niet wenst deel te nemen aan de derde fase van de economische en monetaire unie, zulks overeenkomstig punt 1 van het aan het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap gehechte protocol betreffende enkele bepalingen inzake Denemarken,

Hebben overeenstemming bereikt omtrent de volgende bepalingen, die aan het Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa worden gehecht:

Artikel 1

Voor Denemarken geldt een derogatie, gezien de kennisgeving van de Deense regering aan de Raad van 3 november 1993. Deze derogatie heeft ten gevolge dat alle artikelen en bepalingen van de Grondwet en het statuut van het Europees Stelsel van Centrale Banken en van de Europese Centrale Bank die betrekking hebben op een derogatie, op Denemarken van toepassing zijn.

Artikel 2

Wat de intrekking van de derogatie betreft, wordt de in artikel III-198 van de Grondwet bedoelde procedure alleen ingeleid op verzoek van Denemarken.

Artikel 3

In geval van intrekking van de derogatie, is dit Protocol niet langer van toepassing.

De Hoge Verdragsluitende Partijen,

Geleid door de wens bepaalde bijzondere problemen betreffende Denemarken te regelen,

Hebben overeenstemming bereikt omtrent de volgende bepalingen, die aan het Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa worden gehecht:

Artikel Enig

Artikel 14 van het Protocol tot vaststelling van het statuut van het Europees Stelsel van Centrale Banken en van de Europese Centrale Bank doet geen afbreuk aan het recht van de nationale bank van Denemarken om haar huidige taken betreffende de delen van het Koninkrijk Denemarken die niet tot de Unie behoren, uit te voeren.

De Hoge Verdragsluitende Partijen,

Geleid door de wens rekening te houden met een bijzondere aangelegenheid betreffende Frankrijk,

Hebben overeenstemming bereikt omtrent de volgende bepalingen, die aan het Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa worden gehecht:

Artikel Enig

Frankrijk mag het privilege van geldemissie in Nieuw-Caledonië, Frans-Polynesië en Wallis en Futuna behouden onder de in zijn nationale wetgeving vastgestelde voorwaarden, en is als enige gerechtigd om de pariteit van de frank van de Financiële Gemeenschap van de Stille Oceaan vast te stellen.

De Hoge Verdragsluitende Partijen,

Eraan herinnerend dat de bepalingen van het Schengenacquis, bestaande uit de door sommige lidstaten van de Europese Unie op 14 juni 1985 en 19 juni 1990 te Schengen ondertekende overeenkomsten inzake de geleidelijke afschaffing van de controles aan de gemeenschappelijke grenzen, alsmede uit de daarmee samenhangende overeenkomsten en de op grond daarvan vastgestelde voorschriften, is opgenomen in het kader van de Europese Unie, door middel van een aan het verdrag betreffende de Europese Unie en het verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap gehecht protocol;

Geleid door de wens het Schengenacquis, zoals dat sedert de inwerkingtreding van voornoemd protocol is ontwikkeld, in het kader van de Grondwet te behouden en te ontwikkelen teneinde bij te dragen tot de verwezenlijking van de doelstelling aan de burgers van de Unie een ruimte van vrijheid, veiligheid en recht zonder binnengrenzen te bieden;

Rekening houdend met de bijzondere positie van Denemarken;

In aanmerking nemend dat Ierland en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland niet aan alle bepalingen van het Schengenacquis deelnemen; dat deze lidstaten evenwel de mogelijkheid moet worden geboden andere bepalingen van dit acquis geheel of gedeeltelijk te aanvaarden;

Erkennend dat het bijgevolg noodzakelijk is gebruik te maken van de bepalingen van de Grondwet die betrekking hebben op nauwere samenwerking tussen sommige lidstaten;

In aanmerking nemend dat het noodzakelijk is bevoorrechte betrekkingen in stand te houden met de Republiek IJsland en het Koninkrijk Noorwegen, die beide gebonden zijn door de bepalingen van de Noordse paspoortunie, tezamen met de Noordse staten die lid zijn van de Europese Unie,

Hebben overeenstemming bereikt omtrent de volgende bepalingen, die aan het Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa worden gehecht:

Artikel 1

Het Koninkrijk België, de Tsjechische Republiek, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, de Republiek Estland, de Helleense Republiek, het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek, de Italiaanse Republiek, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, het Groothertogdom Luxemburg, de Republiek Hongarije, de Republiek Malta, het Koninkrijk der Nederlanden, de Republiek Oostenrijk, de Republiek Polen, de Portugese Republiek, de Republiek Slovenië, de Slowaakse Republiek, de Republiek Finland en het Koninkrijk Zweden worden gemachtigd onderling een nauwere samenwerking aan te gaan op de gebieden die vallen onder de door de Raad aangegeven bepalingen die samen het Schengen-acquis vormen. Deze samenwerking vindt plaats binnen het institutionele en juridische kader van de Unie en met inachtneming van de toepasselijke bepalingen van de Grondwet.

Artikel 2

Het Schengenacquis is met onmiddellijke ingang van toepassing op de in artikel 1 genoemde lidstaten, onverminderd artikel 3 van het Protocol betreffende het verdrag en de akte inzake de toetreding van de Tsjechische Republiek, de Republiek Estland, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, de Republiek Hongarije, de Republiek Malta, de Republiek Polen, de Republiek Slovenië en de Slowaakse Republiek. De Raad treedt in de plaats van het bij de Overeenkomsten van Schengen ingestelde Uitvoerend Comité.

Artikel 3

De deelneming van Denemarken aan de vaststelling van maatregelen die een verdere ontwikkeling van het Schengenacquis inhouden en de uitvoering en toepassing van deze maatregelen in Denemarken vallen onder de toepasselijke bepalingen van het Protocol betreffende de positie van Denemarken.

Artikel 4

Ierland en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland kunnen te allen tijde verzoeken om aan alle of aan enkele van de bepalingen van het Schengenacquis deel te mogen nemen.

De Raad stelt een Europees besluit over dit verzoek vast. Hij besluit met eenparigheid van stemmen van de in artikel 1 genoemde leden en van het lid dat de regering van de betrokken staat vertegenwoordigt.

Artikel 5

Voorstellen en initiatieven om voort te bouwen op het Schengen-acquis vallen onder de toepasselijke bepalingen van de Grondwet.

Wanneer Ierland of het Verenigd Koninkrijk of beide de voorzitter van de Raad niet binnen een redelijke termijn schriftelijk hebben meegedeeld dat zij wensen deel te nemen, wordt de in artikel III-419, lid 1, van de Grondwet bedoelde machtiging in dit verband geacht te zijn verleend aan de in artikel 1 genoemde lidstaten, en aan Ierland of het Verenigd Koninkrijk indien een van beide aan de samenwerking op de gebieden in kwestie wenst deel te nemen.

Artikel 6

De Republiek IJsland en het Koninkrijk Noorwegen worden betrokken bij de uitvoering van het Schengen-acquis en de verdere ontwikkeling ervan. Te dien einde worden passende procedures overeengekomen in een overeenkomst die de Raad, met eenparigheid van stemmen van zijn in artikel 1 genoemde leden, met die staten sluit. In die overeenkomst worden bepalingen opgenomen inzake de bijdrage van IJsland en Noorwegen in de kosten die aan de uitvoering van dit Protocol zijn verbonden.

De Raad sluit, met eenparigheid van stemmen, met IJsland en Noorwegen een afzonderlijke overeenkomst voor de vaststelling van de wederzijdse rechten en verplichtingen van Ierland en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland enerzijds en IJsland en Noorwegen anderzijds, op de gebieden van het Schengenacquis die op deze staten van toepassing zijn.

Artikel 7

Voor de onderhandelingen met het oog op de toetreding van nieuwe lidstaten tot de Unie worden het Schengen acquis en de verdere maatregelen die de Instellingen binnen de werkingssfeer van dat acquis vaststellen, beschouwd als een acquis dat door alle staten die kandidaat zijn voor toetreding volledig moet worden aanvaard.

De Hoge Verdragsluitende Partijen,

Geleid door de wens bepaalde vraagstukken met betrekking tot het Verenigd Koninkrijk en Ierland te regelen;

Gelet op het feit dat tussen het Verenigd Koninkrijk en Ierland al sedert vele jaren bijzondere reisregelingen bestaan;

Hebben overeenstemming bereikt omtrent de volgende bepalingen, die aan het Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa worden gehecht:

Artikel 1

Niettegenstaande de artikelen III-130 en III-265 van de Grondwet, de andere bepalingen van de Grondwet, de uit hoofde daarvan vastgestelde maatregelen en de internationale overeenkomsten die door de Unie of door de Unie en haar lidstaten met één of meer derde landen zijn gesloten, heeft het Verenigd Koninkrijk het recht aan zijn grenzen met andere lidstaten ten aanzien van personen die het Verenigd Koninkrijk wensen binnen te komen de controles te verrichten die het nodig acht om:

  • a. het recht op binnenkomst in het Verenigd Koninkrijk te verifiëren van burgers van lidstaten en hun gezinsleden die bij het recht van de Unie verleende rechten uitoefenen, alsmede van burgers van andere staten aan wie dergelijke rechten zijn toegekend bij een overeenkomst waardoor het Verenigd Koninkrijk gebonden is, en
  • b. te bepalen of aan andere personen al dan niet toelating wordt verleend om het Verenigd Koninkrijk binnen te komen.

Niets in de artikelen III-130en III-265 van de Grondwet, in een andere bepaling van de Grondwet of in een uit hoofde daarvan vastgestelde maatregel doet afbreuk aan het recht van het Verenigd Koninkrijk om dergelijke controles in te voeren of uit te oefenen. Onder het Verenigd Koninkrijk worden in dit artikel ook de grondgebieden verstaan waarvan de externe betrekkingen onder de verantwoordelijkheid van het Verenigd Koninkrijk vallen.

Artikel 2

Het Verenigd Koninkrijk en Ierland kunnen onderling regelingen blijven treffen betreffende het personenverkeer tussen hun grondgebieden („het gemeenschappelijk reisgebied” of „the Common Travel Area”), met volledige inachtneming van de rechten van de in artikel 1, eerste alinea, onder a, bedoelde personen. Zolang zij dergelijke regelingen handhaven, zijn de bepalingen van artikel 1 derhalve van toepassing op Ierland op dezelfde wijze en onder dezelfde voorwaarden als op het Verenigd Koninkrijk. Niets in de artikelen III-130 en III-265 van de Grondwet of in een andere bepaling van deze Grondwet of in een uit hoofde daarvan vastgestelde maatregel doet afbreuk aan deze regelingen.

Artikel 3

De andere lidstaten hebben het recht aan hun grenzen of op enig punt van binnenkomst op hun grondgebied voor de in artikel 1 genoemde doeleinden dergelijke controles te verrichten op personen die hun grondgebied wensen binnen te komen vanuit het Verenigd Koninkrijk, of enig ander grondgebied waarvan de externe betrekkingen onder de verantwoordelijkheid van het Verenigd Koninkrijk vallen, dan wel vanuit Ierland, zolang de bepalingen van artikel 1 op Ierland van toepassing zijn.

Niets in de artikelen III-130 en III-265 van de Grondwet of in een andere bepaling van deze Grondwet of in een uit hoofde daarvan vastgestelde maatregel doet afbreuk aan het recht van de overige lidstaten om dergelijke controles in te voeren of te verrichten.

Artikel 4

Dit Protocol is tevens van toepassing op akten die uit hoofde van artikel IV-438 van de Grondwet van kracht blijven.

De Hoge Verdragsluitende Partijen,

Geleid door de wens bepaalde vraagstukken met betrekking tot het Verenigd Koninkrijk en Ierland te regelen;

Gelet op het Protocol betreffende de toepassing van bepaalde aspecten van artikel III-130 van de Grondwet op het Verenigd Koninkrijk en Ierland;

Hebben overeenstemming bereikt omtrent de volgende bepalingen, die aan het Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa worden gehecht:

Artikel 1

Onder voorbehoud van artikel 3 nemen het Verenigd Koninkrijk en Ierland niet deel aan de vaststelling door de Raad van maatregelen voorgesteld in het kader van deel III, titel III, hoofdstuk IV, afdelingen 2 en 3 van de Grondwet, van artikel III-260 van de Grondwet, voor zover dit artikel betrekking heeft op de door deze afdelingen bestreken onderwerpen, van artikel III-263, en van artikel III-275, lid 2, onder a, van de Grondwet. Voor handelingen van de Raad die met eenparigheid van stemmen moeten worden vastgesteld, is eenparigheid van de leden van de Raad vereist, met uitzondering van de vertegenwoordigers van de regeringen van het Verenigd Koninkrijk en van Ierland.

Voor de toepassing van dit artikel wordt onder gekwalificeerde meerderheid van stemmen verstaan ten minste 55% van de leden van de Raad die de deelnemende lidstaten vertegenwoordigen waarvan de bevolking ten minste 65% uitmaakt van de bevolking van die staten.

Een blokkerende minderheid moet ten minste uit het minimumaantal van de leden van de Raad bestaan die meer dan 35% van de bevolking van de deelnemende lidstaten vertegenwoordigen, plus één lid; in het andere geval wordt de gekwalificeerde meerderheid van stemmen geacht te zijn verkregen.

In afwijking van de tweede en de derde alinea wordt, wanneer de Raad niet besluit op voorstel van de Commissie of van de minister van Buitenlandse Zaken van de Unie, onder de vereiste gekwalificeerde meerderheid van stemmen verstaan ten minste 72% van de leden van de Raad die de deelnemende lidstaten vertegenwoordigen waarvan de bevolking ten minste 65% uitmaakt van de bevolking van die staten.

Artikel 2

Ingevolge artikel 1 en onder voorbehoud van de artikelen 3, 4 en 6 zijn de bepalingen van deel III, titel III, hoofdstuk IV, afdelingen 2 en 3 van de Grondwet, van artikel III-260 van de Grondwet, voor zover dit artikel betrekking heeft op de door deze afdelingen bestreken onderwerpen, van artikel III-263, en van artikel III-275, lid 2, onder a, van de Grondwet, de overeenkomstig die afdelingen of artikelen vastgestelde maatregelen, de bepalingen in door de Unie overeenkomstig die afdelingen of artikelen gesloten internationale overeenkomsten en de beslissingen van het Hof van Justitie van de Unie ter uitlegging van die bepalingen of maatregelen niet verbindend voor, noch van toepassing op het Verenigd Koninkrijk en Ierland. Bedoelde bepalingen, maatregelen en beslissingen laten de bevoegdheden, rechten en verplichtingen van deze staten onverlet. Bedoelde bepalingen, maatregelen en beslissingen laten het acquis communautaire en het acquis van de Unie geheel onverlet en maken geen deel uit van recht van de Unie, zoals dat op het Verenigd Koninkrijk en Ierland van toepassing is.

Artikel 3
1.

Binnen een termijn van drie maanden na de indiening van een voorstel bij de Raad overeenkomstig deel III, titel III, hoofdstuk IV, afdelingen 2 of 3 van de Grondwet of van een voorstel of initiatief overeenkomstig artikel III-263 of artikel III-275, lid 2, onder a, van de Grondwet, kunnen het Verenigd Koninkrijk en Ierland de Raad er schriftelijk van in kennis stellen dat zij wensen deel te nemen aan de vaststelling en toepassing van de voorgestelde maatregel, waarna deze staten daartoe gerechtigd zijn. Voor handelingen van de Raad die met eenparigheid van stemmen moeten worden vastgesteld, is eenparigheid van de leden van de Raad vereist, met uitzondering van de leden die geen kennis–geving hebben gedaan. Een op grond van dit lid vastgestelde maatregel is verbindend voor alle lidstaten die aan de aanneming ervan hebben deelgenomen. In de uit hoofde van artikel III-260 van de Grondwet vastgestelde Europese verordeningen of Europese besluiten worden de voorwaarden bepaald voor de deelneming van het Verenigd Koninkrijk en Ierland aan de evaluaties betreffende de gebieden die worden bestreken door deel III, titel III, hoofdstuk IV, afdelingen 2 en 3 van de Grondwet.

Voor de toepassing van dit artikel wordt onder gekwalificeerde meerderheid van stemmen verstaan ten minste 55% van de leden van de Raad die de deelnemende lidstaten vertegenwoordigen waarvan de bevolking ten minste 65% uitmaakt van de bevolking van die staten.

Een blokkerende minderheid moet ten minste uit het minimumaantal van de leden van de Raad bestaan die meer dan 35% van de bevolking van de deelnemende lidstaten vertegenwoordigen, plus één lid; in het andere geval wordt de gekwalificeerde meerderheid van stemmen geacht te zijn verkregen.

In afwijking van de tweede en de derde alinea wordt, wanneer de Raad niet besluit op voorstel van de Commissie of van de minister van Buitenlandse Zaken van de Unie, onder de vereiste gekwalificeerde meerderheid van stemmen verstaan ten minste 72% van de leden van de Raad die de deelnemende lidstaten vertegenwoordigen waarvan de bevolking ten minste 65% uitmaakt van de bevolking van die staten.

2.

Indien een maatregel als bedoeld in lid 1 na een redelijke termijn niet met deelneming van het Verenigd Koninkrijk of Ierland kan worden vastgesteld, kan de Raad de in lid 1 bedoelde maatregel overeenkomstig artikel 1 vaststellen zonder deelneming van het Verenigd Koninkrijk of Ierland. In dat geval is artikel 2 van toepassing.

Artikel 4

Na de vaststelling van een maatregel overeenkomstig deel III, titel III, hoofdstuk IV, afdelingen 2 en 3 van de Grondwet, artikel III-263 of artikel III-275, lid 2, onder a, van de Grondwet, kunnen het Verenigd Koninkrijk en Ierland de Raad en de Commissie te allen tijde in kennis stellen van hun voornemen die maatregel te aanvaarden. In dat geval is de procedure van artikel III-420, lid 1, van de Grondwet van overeenkomstige toepassing.

Artikel 5

Voor een lidstaat die niet gebonden is door een krachtens deel III, titel III, hoofdstuk IV, afdelingen 2 en 3 van de Grondwet of

artikel III-263 of artikel III-275, lid 2, onder a, van de Grondwet, vastgestelde maatregel, mag deze maatregel geen andere financiële gevolgen hebben dan de ermee gepaard gaande administratieve kosten voor de Instellingen, tenzij de Raad met eenparigheid van stemmen van al zijn leden anders besluit, na raadpleging van het Europees Parlement.

Artikel 6

Indien het Verenigd Koninkrijk of Ierland in gevallen als bedoeld in dit Protocol gebonden is door een maatregel vastgesteld op grond van deel III, titel III, hoofdstuk IV, afdelingen 2 en 3 van de Grondwet of artikel III-260 van de Grondwet, voor zover dit artikel betrekking heeft op de door deze afdelingen bestreken onderwerpen, of artikel III-263 of artikel III-275, lid 2, onder a, van de Grondwet, zijn de desbetreffende bepalingen van de Grondwet op die staat van toepassing wat betreft die maatregel.

Artikel 7

De artikelen 3 en 4 laten het Protocol betreffende het in het kader van de Europese Unie geïntegreerde Schengen-acquis onverlet.

Artikel 8

Ierland kan de Raad er schriftelijk van in kennis stellen dat het niet langer onder de bepalingen van dit Protocol wenst te vallen. In dat geval zijn deze bepalingen niet meer van toepassing op Ierland.

De Hoge Verdragsluitende Partijen,

Herinnerend aan het Besluit van de staatshoofden en regeringsleiders, in het kader van de Europese Raad in Edinburgh bijeen op 12 december 1992, met betrekking tot bepaalde problemen die Denemarken met betrekking tot het Verdrag betreffende de Europese Unie aan de orde heeft gesteld;

Kennis genomen hebbend van de positie van Denemarken met betrekking tot het burgerschap, de economische en monetaire unie, het defensiebeleid en justitie en binnenlandse zaken zoals neergelegd in het besluit van Edinburgh;

Zich bewust van het feit dat de handhaving, in het kader van de Grondwet, van de wettelijke regeling die voortvloeit uit het besluit van Edinburgh de deelneming van Denemarken op belangrijke gebieden van samenwerking van de Unie aanzienlijk zal beperken, en dat het in het belang van de Unie is de integriteit van het acquis op het gebied van vrijheid, veiligheid en recht te waarborgen;

Wensend om die reden een wettelijk kader vast te stellen dat Denemarken de mogelijkheid geeft deel te nemen aan de vaststelling van maatregelen die voorgesteld worden uit hoofde van deel III, titel III, hoofdstuk IV van de Grondwet, en met waardering voor het voornemen van Denemarken om van die mogelijkheid gebruik te maken wanneer dat volgens zijn grondwettelijke bepalingen mogelijk is;

Er nota van nemend dat Denemarken de overige lidstaten niet zal beletten hun samenwerking verder te versterken met betrekking tot maatregelen die voor Denemarken niet verbindend zijn;

Indachtig het Protocol tot opneming van het Schengenacquis in het kader van de Europese Unie,

Hebben overeenstemming bereikt omtrent de volgende bepalingen, die aan het Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa worden gehecht:

DEEL I

Artikel 1

Denemarken neemt niet deel aan de vaststelling door de Raad van overeenkomstig deel III, titel III, hoofdstuk IV, van de Grondwet voorgestelde handelingen. Voor handelingen van de Raad die met eenparigheid van stemmen moeten worden vastgesteld, is eenparigheid van de leden van de Raad vereist, met uitzondering van de vertegenwoordiger van de Deense regering.

Voor de toepassing van dit artikel wordt onder gekwalificeerde meerderheid van stemmen verstaan ten minste 55% van de leden van de Raad die de deelnemende lidstaten vertegenwoordigen waarvan de bevolking ten minste 65% uitmaakt van de bevolking van die staten.

Een blokkerende minderheid moet ten minste uit het minimumaantal van de leden van de Raad bestaan die meer dan 35% van de bevolking van de deelnemende lidstaten vertegenwoordigen, plus één lid; in het andere geval wordt de gekwalificeerde meerderheid van stemmen geacht te zijn verkregen.

In afwijking van de tweede en de derde alinea wordt, wanneer de Raad niet besluit op voorstel van de Commissie of van de minister van Buitenlandse Zaken van de Unie, onder de vereiste gekwalificeerde meerderheid van stemmen verstaan ten minste 72% van de leden van de Raad die de deelnemende lidstaten vertegenwoordigen waarvan de bevolking ten minste 65% uitmaakt van de bevolking van die staten.

Artikel 2

Deel III, titel III, hoofdstuk IV, van de Grondwet, de overeenkomstig dat hoofdstuk vastgestelde maatregelen, de door de Unie overeenkomstig dat hoofdstuk gesloten internationale overeenkomsten en de beslissingen van het Hof van Justitie van de Europese Unie ter uitlegging van deze bepalingen of maatregelen zijn niet verbindend voor, noch van toepassing op Denemarken. Bedoelde bepalingen, maatregelen en beslissingen laten de bevoegdheden, rechten en verplichtingen van Denemarken onverlet. Bedoelde bepalingen, maatregelen en beslissingen laten het acquis communautaire en het acquis van de Unie geheel onverlet en maken geen deel uit van het recht van de Unie, zoals dat op Denemarken van toepassing is.

Artikel 3

Voor Denemarken hebben de in artikel 1 bedoelde maatregelen geen andere financiële gevolgen dan de ermee gepaard gaande administratieve kosten voor de Instellingen.

Artikel 4
1.

Denemarken beslist binnen een termijn van zes maanden na de vaststelling van een maatregel van de Raad ter uitwerking van het Schengenacquis die onder deel I van dit Protocol valt, of het deze maatregel in nationaal recht omzet. Indien Denemarken daartoe beslist, schept deze maatregel een internationaalrechtelijke verplichting tussen Denemarken en de andere lidstaten die door de maatregel gebonden zijn.

Indien Denemarken beslist een dergelijke maatregel niet toe te passen, overwegen de lidstaten die door die maatregel gebonden zijn en Denemarken welke passende stappen moeten worden ondernomen.

2.

De rechten en plichten die vóór de inwerkingtreding van het Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa bestonden met betrekking tot het Schengenacquis, blijven voor Denemarken gelden.

DEEL II

Artikel 5

Wat betreft de maatregelen die door de Raad worden vastgesteld op grond van artikel I-41, artikel III-295, lid 1, en de artikelen III-309 tot en met III-313 van de Grondwet, neemt Denemarken niet deel aan de uitwerking en de uitvoering van de besluiten en het optreden van de Unie welke gevolgen hebben op defensiegebied. Daarom neemt Denemarken niet deel aan de vaststelling van die besluiten en dat optreden. Denemarken belet de overige lidstaten niet hun samenwerking op dit gebied verder te ontwikkelen. Denemarken is niet verplicht bij te dragen aan de financiering van operationele uitgaven die voortvloeien uit dergelijke maatregelen, noch om militaire vermogens ter beschikking van de Unie te stellen.

Voor handelingen van de Raad die met eenparigheid van stemmen moeten worden vastgesteld, is eenparigheid van de leden van de Raad vereist, met uitzondering van de vertegenwoordiger van de Deense regering.

Voor de toepassing van dit artikel wordt onder gekwalificeerde meerderheid van stemmen verstaan ten minste 55% van de leden van de Raad die de deelnemende lidstaten vertegenwoordigen waarvan de bevolking ten minste 65% uitmaakt van de bevolking van die staten.

Een blokkerende minderheid moet ten minste uit het minimumaantal van de leden van de Raad bestaan die meer dan 35% van de bevolking van de deelnemende lidstaten vertegenwoordigen, plus één lid; in het andere geval wordt de gekwalificeerde meerderheid van stemmen geacht te zijn verkregen.

In afwijking van de derde en de vierde alinea wordt, wanneer de Raad niet besluit op voorstel van de Commissie of van de minister van Buitenlandse Zaken van de Unie, onder de vereiste gekwalificeerde meerderheid van stemmen verstaan ten minste 72% van de leden van de Raad die de deelnemende lidstaten vertegenwoordigen waarvan de bevolking ten minste 65% uitmaakt van de bevolking van die staten.

DEEL III

Artikel 6

Dit Protocol is ook van toepassing op de maatregelen die van kracht blijven uit hoofde van artikel IV-438 van de Grondwet en die vóór de inwerkingtreding van het Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa vielen onder het Protocol betreffende de positie van Denemarken, gehecht aan het Verdrag betreffende de Europese Unie en aan het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap.

Artikel 7

De artikelen 1, 2 en 3 zijn niet van toepassing op de maatregelen tot bepaling van de derde landen waarvan de onderdanen bij overschrijding van de buitengrenzen van de lidstaten in het bezit moeten zijn van een visum of op de maatregelen betreffende een uniform visummodel.

DEEL IV

Artikel 8

Denemarken kan te allen tijde overeenkomstig zijn grondwettelijke bepalingen de andere lidstaten mededelen dat het niet langer een beroep wenst te doen op dit protocol in zijn geheel of op gedeelten ervan. In dat geval past Denemarken alle geldende desbetreffende maatregelen die in het kader van de Unie zijn genomen, volledig toe.

Artikel 9
1.

Denemarken kan te allen tijde, onverminderd artikel 8, overeenkomstig zijn grondwettelijke bepalingen de andere lidstaten ervan in kennis stellen dat deel I met ingang van de eerste dag van de maand volgend op de kennisgeving, bestaat uit de bepalingen van de bijlage. In dat geval worden de artikelen 5 tot en met 9 dienovereenkomstig hernummerd.

2.

Zes maanden nadat de in lid 1 bedoelde kennisgeving van kracht is geworden, worden het volledige Schengenacquis en alle maatregelen die genomen zijn om dat acquis te ontwikkelen, die tot dan ten aanzien van Denemarken verbindend waren als internationaalrechtelijke verplichtingen, voor Denemarken verbindend uit hoofde van het recht van de Unie.

Artikel 1

Onder voorbehoud van artikel 3 neemt Denemarken niet deel aan de vaststelling door de Raad van de overeenkomstig deel III, titel III, hoofdstuk IV, van de Grondwet voorgestelde handelingen. Voor handelingen van de Raad die met eenparigheid van stemmen moeten worden vastgesteld, is eenparigheid van de leden van de Raad vereist, met uitzondering van de vertegenwoordiger van de Deense regering.

Voor de toepassing van dit artikel wordt onder gekwalificeerde meerderheid van stemmen verstaan ten minste 55% van de leden van de Raad die de deelnemende lidstaten vertegenwoordigen waarvan de bevolking ten minste 65% uitmaakt van de bevolking van die staten.

Een blokkerende minderheid moet ten minste uit het minimumaantal van de leden van de Raad bestaan die meer dan 35% van de bevolking van de deelnemende lidstaten vertegenwoordigen, plus één lid; in het andere geval wordt de gekwalificeerde meerderheid van stemmen geacht te zijn verkregen.

In afwijking van de tweede en de derde alinea wordt, wanneer de Raad niet besluit op voorstel van de Commissie of van de minister van Buitenlandse Zaken van de Unie, onder de vereiste gekwalificeerde meerderheid van stemmen verstaan ten minste 72% van de leden van de Raad die de deelnemende lidstaten vertegenwoordigen waarvan de bevolking ten minste 65% uitmaakt van de bevolking van die staten.

Artikel 2

Ingevolge artikel 1 en onder voorbehoud van de artikelen 3, 4 en 6 zijn deel III, titel III, hoofdstuk IV, van de Grondwet, de overeenkomstig dat hoofdstuk vastgestelde maatregelen, de door de Unie overeenkomstig dat hoofdstuk gesloten internationale overeenkomsten en de beslissingen van het Hof van Justitie van de Europese Unie ter uitlegging van die bepalingen of maatregelen niet verbindend voor, noch van toepassing op Denemarken. Bedoelde bepalingen, maatregelen en beslissingen laten de bevoegdheden, rechten en verplichtingen van Denemarken onverlet. Bedoelde bepalingen, maatregelen en beslissingen laten het acquis communautaire en het acquis van de Unie geheel onverlet en maken geen deel uit van het recht van de Unie, zoals die op Denemarken van toepassing zijn.

Artikel 3
1.

Binnen een termijn van drie maanden na de indiening van een voorstel of een initiatief bij de Raad overeenkomstig deel III, titel III, hoofdstuk IV, van de Grondwet kan Denemarken de voorzitter van de Raad er schriftelijk van in kennis stellen dat het wenst deel te nemen aan de vaststelling en de toepassing van de voorgestelde maatregel, waarna deze staat daartoe gerechtigd is.

2.

Indien een maatregel als bedoeld in lid 1 na een redelijke termijn niet met deelneming van Denemarken kan worden vastgesteld, kan de Raad de in lid 1 bedoelde maatregel overeenkomstig artikel 1 vaststellen zonder deelneming van Denemarken. In dat geval is artikel 2 van toepassing.

Artikel 4

Na de vaststelling van een maatregel overeenkomstig deel III, titel III, hoofdstuk IV, van de Grondwet kan Denemarken de Raad en de Commissie er te allen tijde van in kennis stellen dat het voornemens is die maatregel te aanvaarden. In dat geval is de procedure van artikel III-420, lid 1, van de Grondwet van overeenkomstige toepassing.

Artikel 5
1.

De in artikel 4 bedoelde kennisgeving vindt uiterlijk zes maanden na de definitieve vaststelling van een maatregel plaats, indien die maatregel een uitwerking van het Schengenacquis inhoudt.

Indien Denemarken aangaande die maatregelen de in de artikelen 3 en 4 bedoelde kennisgeving nalaat, overwegen de lidstaten die door die maatregelen gebonden zijn en Denemarken welke passende stappen moeten worden genomen.

2.

Een kennisgeving overeenkomstig artikel 3 met betrekking tot maatregelen die een uitwerking van het Schengenacquis inhouden, wordt onherroepelijk geacht een kennisgeving overeenkomstig artikel 3 te zijn ten aanzien van voorstellen of initiatieven die een uitwerking van die maatregel inhouden, voorzover die voorstellen of initiatieven een uitwerking van het Schengenacquis inhouden.

Artikel 6

Indien Denemarken, in gevallen als bedoeld in dit deel, gebonden is door een door de Raad overeenkomstig deel III, titel III, hoofdstuk IV, van de Grondwet vastgestelde maatregel, zijn de desbetreffende bepalingen van de Grondwet van toepassing op Denemarken wat betreft die maatregel.

Artikel 7

Indien Denemarken niet gebonden is door een overeenkomstig deel III, titel III, hoofdstuk IV, van de Grondwet vastgestelde maatregel, mag deze maatregel voor Denemarken geen andere financiële gevolgen hebben dan de ermee gepaard gaande administratieve kosten voor de Instellingen, tenzij de Raad met eenparigheid van stemmen anders besluit, na raadpleging van het Europees Parlement.

De Hoge Verdragsluitende Partijen,

in aanmerking nemend dat de lidstaten doeltreffende controles aan hun buitengrenzen moeten kunnen garanderen, waar nodig in samenwerking met derde landen,

Hebben overeenstemming bereikt omtrent de volgende bepaling, die aan het Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa wordt gehecht:

Artikel Enig

De bepalingen betreffende de maatregelen inzake de overschrijding van de buitengrenzen in artikel III-265, lid 2, onder b, van de Grondwet laten de bevoegdheid van de lidstaten om met derde landen over overeenkomsten te onderhandelen of overeenkomsten te sluiten onverlet, mits daarbij het recht van de Unie en andere internationale overeenkomsten terzake worden geëerbiedigd.

De Hoge Verdragsluitende Partijen,

Overwegende dat in artikel I-9, lid 1, van de Grondwet wordt bepaald dat de Unie de rechten, vrijheden en beginselen erkent die zijn vastgelegd in het Handvest van de grondrechten;

Overwegende dat in artikel I-9, lid 3, van de Grondwet wordt bepaald dat de grondrechten, zoals zij worden gewaarborgd door het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, als algemene beginselen deel uitmaken van het recht van de Unie;

Overwegende dat het Hof van Justitie van de Europese Unie bevoegd is om de eerbiediging van het recht door de Unie bij de uitlegging en toepassing van artikel I-9, leden 1 en 3, van de Grondwet te verzekeren;

Overwegende dat overeenkomstig artikel I-58 van de Grondwet iedere Europese staat die verzoekt lid te worden van de Unie, de in artikel I-2 van de Grondwet bedoelde waarden dient te eerbiedigen;

In aanmerking nemend dat bij artikel I-59 van de Grondwet een regeling wordt ingesteld voor de schorsing van bepaalde rechten in geval van een ernstige en voortdurende schending van die waarden door een lidstaat;

Eraan herinnerend dat iedere onderdaan van een lidstaat, als burger van de Unie, een bijzondere status en bescherming geniet, die door de lidstaten wordt gegarandeerd overeenkomstig de bepalingen van deel I, titel II, en van deel III, titel II, van de Grondwet;

In aanmerking nemend dat bij de Grondwet een ruimte zonder binnengrenzen tot stand wordt gebracht en aan iedere burger van de Unie het recht op vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten wordt verleend;

Geleid door de wens te voorkomen dat het recht op asiel wordt aangewend voor andere doeleinden dan die waarvoor het bedoeld is;

Overwegende dat in dit protocol de uiteindelijke doelstellingen van het Verdrag van Genève van 28 juli 1951 betreffende de status van vluchtelingen worden geëerbiedigd,

Hebben overeenstemming bereikt omtrent de volgende bepalingen, die aan het Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa worden gehecht:

Artikel Enig

Het niveau van bescherming van de fundamentele rechten en vrijheden in de lidstaten van de Europese Unie in aanmerking nemend, beschouwen de lidstaten elkaar als veilige landen van oorsprong voor alle juridische en praktische doeleinden in verband met asielzaken. Dienovereenkomstig kan een asielaanvraag van een onderdaan van een lidstaat door een andere lidstaat uitsluitend in aanmerking worden genomen of ontvankelijk worden verklaard in de volgende gevallen:

  • b. indien de in artikel I-59, lid 1 of lid 2, van de Grondwet bedoelde procedure op gang is gebracht en totdat de Raad of, in voorkomend geval, de Europese Raad hieromtrent een Europees besluit heeft vastgesteld ten aanzien van de lidstaat waarvan de aanvrager onderdaan is;
  • c. indien de Raad overeenkomstig artikel I-59, lid 1, van de Grondwet een Europees besluit heeft vastgesteld ten aanzien van de lidstaat waarvan de aanvrager onderdaan is of indien de Europese Raad overeenkomstig artikel I-59, lid 2, van de Grondwet een Europees besluit heeft vastgesteld ten aanzien van de lidstaat waarvan de aanvrager onderdaan is;
  • d. indien een lidstaat hiertoe eenzijdig besluit in verband met de aanvraag van een onderdaan van een andere lidstaat; in dat geval wordt de Raad onverwijld op de hoogte gesteld; de aanvraag wordt behandeld op basis van het vermoeden dat zij duidelijk ongegrond is zonder op enigerlei wijze, in welk geval dan ook, van invloed te zijn op de beslissingsbevoegdheid van de lidstaat.

De Hoge Verdragsluitende Partijen

gelet op artikel I-41, lid 6, en artikel III-312 van de Grondwet;

Memorerend dat de Europese Unie een gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid voert dat berust op convergentie van het optreden van de lidstaten;

Memorerend dat het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid een integrerend deel van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid is, dat het de Unie voorziet van een operationeel vermogen dat op civiele en militaire middelen steunt, en dat de Unie deze middelen kan gebruiken voor in artikel III-309 van de Grondwet bedoelde missies buiten het grondgebied van de Unie, zulks met het oog op handhaving van de vrede, conflictpreventie en versterking van de internationale veiligheid overeenkomstig de beginselen van het Handvest van de Verenigde Naties. Bij de uitvoering van deze taken wordt gebruik gemaakt van de door de lidstaten beschikbaar te stellen vermogens, volgens het beginsel van „één set strijdkrachten”;

Memorerend dat het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid van de Unie het specifieke karakter van het veiligheids- en defensiebeleid van bepaalde lidstaten onverlet laat;

Memorerend dat het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid van de Unie de uit het Noord-Atlantisch Verdrag voortvloeiende verplichtingen van de lidstaten die van oordeel zijn dat hun gemeenschappelijke defensie gestalte krijgt in het kader van de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie, eerbiedigt en verenigbaar is met het in dat kader vastgestelde gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid;

In de overtuiging dat een meer nadrukkelijke rol van de Unie op het gebied van veiligheid en defensie de vitaliteit van een hernieuwd Atlantisch bondgenootschap ten goede zal komen, in overeenstemming met de Berlijn Plus-regeling;

Vastbesloten de Unie in staat te stellen haar verantwoordelijkheden in de internationale gemeenschap volledig op zich te nemen;

Erkennend dat de Verenigde Naties de hulp van de Unie kunnen inroepen met het oog op dringende uitvoering van de missies die uit hoofde van de hoofdstukken VI en VII van het Handvest van de Verenigde Naties worden ondernomen;

Erkennend dat de versterking van het veiligheids- en defensiebeleid van de lidstaten inspanningen op het gebied van vermogens zal vergen;

In het bewustzijn dat het aanbreken van een nieuwe fase in de ontwikkeling van het Europees veiligheids- en defensiebeleid vastberaden inspanningen zal vergen van de lidstaten die daartoe bereid zijn;

Memorerend hoezeer het van belang is dat de minister van Buitenlandse Zaken van de Unie volledig bij de werkzaamheden van de permanente gestructureerde samenwerking wordt betrokken,

Hebben overeenstemming bereikt omtrent de volgende bepalingen, die aan het Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa worden gehecht:

Artikel 1

De in artikel I-41, lid 6, van de Grondwet bedoelde permanente gestructureerde samenwerking staat open voor alle lidstaten die met ingang van de datum van inwerkingtreding van het Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa zich ertoe verbinden:

  • a. intensiever te werken aan de ontwikkeling van hun defensievermogens, door hun nationale bijdragen te ontwikkelen en in voorkomend geval deel te nemen aan multinationale strijdkrachten, aan de voornaamste Europese programma's voor materieel en aan het werk van het Europees agentschap op het gebied van de ontwikkeling van defensievermogens, onderzoek, aankopen en bewapening (hierna het „Europees defensieagentschap” genoemd), en
  • b. uiterlijk in 2007 in staat te zijn tot levering, hetzij op nationale basis hetzij als component van gezamenlijke taakgroepen, van specifiek voor de voorgenomen missies bestemde gevechtseenheden, die in tactisch opzicht als snellereactiegevechtgroep geconfigureerd zijn en voorzien zijn van ondersteuningselementen, transport en logistiek inbegrepen, en die in staat zijn binnen een termijn van 5 tot 30 dagen missies als bedoeld in artikel III-309 te ondernemen, in het bijzonder om gevolg te geven aan verzoeken van de Verenigde Naties, en die missies kunnen volhouden gedurende een initiële periode van 30 dagen, te verlengen tot ten minste 120 dagen.
Artikel 2

Teneinde te voldoen aan de in artikel 1 genoemde doelstellingen verbinden de lidstaten die deelnemen aan de permanente gestructureerde samenwerking, zich ertoe:

  • a. vanaf de inwerkingtreding van het Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa samen te werken met het oog op het halen van de overeengekomen streefcijfers betreffende de investeringsuitgaven voor militair materieel en die streefcijfers regelmatig opnieuw te bezien in het licht van het veiligheidsklimaat en de internationale verantwoordelijkheden van de Unie;
  • b. hun defensie-instrumentarium in de mate van het mogelijke onderling af te stemmen, met name door de militaire behoeften op geharmoniseerde wijze te bepalen en, in voorkomend geval, door hun defensiemiddelen en defensievermogens te specialiseren, alsmede door samenwerking ten aanzien van opleiding en logistiek te stimuleren;
  • c. concrete maatregelen te nemen om de beschikbaarheid, interoperabiliteit, flexibiliteit en inzetbaarheid van hun strijdkrachten te verbeteren, met name door gemeenschappelijke doelen voor het inzetten van strijdkrachten te bepalen, en daarbij eventueel hun nationale besluitvormingsprocedures opnieuw te bezien;
  • d. samen te werken om ervoor te zorgen dat zij de nodige maatregelen nemen om, onder andere door multinationale benaderingen en onverminderd de verbintenissen dienaangaande in het kader van de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie, de in het kader van het vermogensontwikkelingsmechanisme geconstateerde leemten op te vullen;
  • e. in voorkomend geval samen te werken bij de ontwikkeling van gemeenschappelijke of Europese programma's voor belangrijke uitrusting in het kader van het Europees Defensieagentschap.
Artikel 3

Het Europees Defensieagentschap draagt bij tot een regelmatige evaluatie van de bijdragen van de deelnemende lidstaten op het gebied van vermogens, in het bijzonder de bijdragen die worden geleverd volgens de onder meer op basis van artikel 2 vast te stellen criteria, en brengt daarover ten minste eenmaal per jaar verslag uit. De evaluatie kan dienen als uitgangspunt voor de aanbevelingen en de Europese besluiten van de Raad die worden vastgesteld overeenkomstig artikel III-312 van de Grondwet.

De Hoge Verdragsluitende Partijen,

Indachtig de noodzaak om de bepalingen van artikel I-41, lid 2, van de Grondwet volledig uit te voeren;

Indachtig het feit dat het beleid van de Unie overeenkomstig artikel I-41, lid 2, van de Grondwet het specifieke karakter van het veiligheids- en defensiebeleid van bepaalde lidstaten onverlet laat, de uit het Noord-Atlantisch Verdrag voortvloeiende verplichtingen van bepaalde lidstaten waarvan de gemeenschappelijke defensie gestalte krijgt in de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie, eerbiedigt en verenigbaar is met het in dat kader vastgestelde gemeenschappelijke veiligheids- en defensiebeleid,

Hebben overeenstemming bereikt omtrent de volgende bepaling, die aan het Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa wordt gehecht:

Artikel Enig

De Unie ontwikkelt in samenwerking met de West-Europese Unie regelingen voor intensievere onderlinge samenwerking.

De Hoge Verdragsluitende Partijen,

Verlangende nadere bijzonderheden vast te stellen over de regeling van het handelsverkeer, toepasselijk op de invoer in de Unie van in de Nederlandse Antillen geraffineerde aardolieproducten,

Hebben overeenstemming bereikt omtrent de volgende bepalingen, die aan het Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa worden gehecht:

Artikel 1

Dit Protocol is van toepassing op aardolieproducten die vallen onder de posten 27.10, 27.11, 27.12 (paraffine, was uit aardoliën), ex 27.13 (paraffineachtige residuen) en 27.14 (leisteenoliën) van de gecombineerde nomenclatuur en die worden ingevoerd voor verbruik in de lidstaten.

Artikel 2

De lidstaten verbinden zich aan de in de Nederlands Antillen geraffineerde aardolieproducten, overeenkomstig dit Protocol, de tariefvoordelen toe te kennen die voortvloeien uit de associatie van dit land met de Unie. De bepalingen van dit Protocol gelden ongeacht de regels inzake oorsprong welke door de lidstaten worden toegepast.

Artikel 3
1.

Wanneer de Commissie op verzoek van een lidstaat of op eigen initiatief vaststelt dat de invoer in de Unie volgens artikel 2 van in de Nederlandse Antillen geraffineerde aardolieproducten reële moeilijkheden op de markt van één of meer lidstaten teweegbrengt, stelt zij een Europees besluit vast waarbij voor deze invoer door de betrokken lidstaten douanerechten worden ingesteld, verhoogd of weder toegepast, voor zover en voor zo lang als nodig is om aan deze situatie het hoofd te bieden. De aldus ingestelde, verhoogde of weder toegepaste douanerechten mogen niet hoger zijn dan de douanerechten die tegenover derde landen voor dezelfde producten van toepassing zijn.

2.

De bepalingen van lid 1 kunnen in ieder geval worden toegepast wanneer de invoer in de Unie van in de Nederlandse Antillen geraffineerde aardolieproducten twee miljoen ton per jaar bereikt.

3.

De door de Commissie krachtens de leden 1 en 2 vastgestelde Europese besluiten, met inbegrip van die welke strekken tot het afwijzen van een verzoek van een lidstaat, worden ter kennis van de Raad gebracht. Deze kan ze op verzoek van elke lidstaat in behandeling nemen en kan op elk ogenblik een Europees besluit vaststellen om ze te wijzigen of in te trekken.

Artikel 4
1.

Indien een lidstaat oordeelt dat invoer van in de Nederlandse Antillen geraffineerde aardolieproducten welke rechtstreeks of via een andere lidstaat overeenkomstig artikel 2 plaatsvindt, reële moeilijkheden op zijn markt veroorzaakt en dat onmiddellijk optreden noodzakelijk is om daaraan het hoofd te bieden, mag hij op eigen initiatief besluiten, op deze invoer douanerechten toe te passen die niet hoger zijn dan de douanerechten die tegenover derde landen voor dezelfde producten van toepassing zijn. Hij brengt dit besluit ter kennis van de Commissie, die binnen één maand een Europees besluit vaststelt waarin wordt bepaald of de door deze staat getroffen maatregelen mogen worden gehandhaafd, dan wel dienen te worden gewijzigd of opgeheven. artikel 3, lid 3, is op dit besluit van de Commissie van toepassing.

2.

Wanneer de invoer van in de Nederlandse Antillen geraffineerde aardolieproducten welke rechtstreeks of via een andere lidstaat overeenkomstig artikel 2 plaatsvindt in één of meer lidstaten, gedurende één kalenderjaar de in de bijlage bij dit protocol vastgestelde hoeveelheden overschrijdt, worden de eventueel krachtens lid 1 door deze lidstaat of lidstaten getroffen maatregelen voor het lopende kalenderjaar rechtmatig geacht. Na zich ervan te hebben overtuigd dat de vastgestelde hoeveelheid is bereikt, neemt de Commissie nota van de getroffen maatregelen. In dit geval zien de andere lidstaten ervan af zich tot de Raad te wenden.

Artikel 5

Indien de Unie besluit kwantitatieve beperkingen toe te passen op de invoer van aardolieproducten, ongeacht de herkomst daarvan, mogen deze ook worden toegepast op de invoer van die producten uit de Nederlandse Antillen. In dit geval wordt aan de Nederlandse Antillen een voorkeursbehandeling ten opzichte van derde landen gewaarborgd.

Artikel 6
1.

De artikelen 2 tot en met 5 kunnen door de Raad, met eenparigheid van stemmen na raadpleging van het Europees Parlement en de Commissie worden herzien bij de aanvaarding van een gemeenschappelijke definitie van de oorsprong voor aardolieproducten afkomstig uit derde en geassocieerde landen, bij het nemen van besluiten in het kader van een gemeenschappelijke handelspolitiek voor de betrokken producten, of bij de opstelling van een gemeenschappelijk energiebeleid.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)