Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa

Type Verdrag
Publication 2004-10-29
State In force
Source BWB
artikelen 486
Wijzigingsgeschiedenis JSON API
2.

Bij deze herziening worden evenwel in ieder geval voor de Nederlandse Antillen in een passende vorm gelijkwaardige voordelen voor een hoeveelheid van ten minste 2,5 miljoen ton aardolieproducten gehandhaafd.

3.

De verplichtingen van de Unie betreffende de in lid 2 genoemde gelijkwaardige voordelen kunnen zo nodig over de lidstaten worden verdeeld, waarbij met de in de bijlage bij dit protocol vermelde hoeveelheden rekening wordt gehouden.

Artikel 7

In verband met de uitvoering van dit Protocol dient de Commissie het verloop van de invoer van in de Nederlandse Antillen geraffineerde aardolieproducten in de lidstaten te volgen. De lidstaten brengen de Commissie alle daartoe dienstige gegevens volgens de door haar aanbevolen administratieve voorschriften ter kennis; zij zorgt voor de verspreiding daarvan.

De Hoge Verdragsluitende Partijen,

Geleid door de wens bepaalde bijzondere problemen te regelen die betrekking hebben op Denemarken,

Hebben overeenstemming bereikt omtrent de volgende bepaling, die aan het Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa wordt gehecht:

artikel Enig

Niettegenstaande de Grondwet mag Denemarken zijn huidige wetgeving inzake de verwerving van tweede woningen handhaven.

De Hoge Verdragsluitende Partijen,

Van oordeel dat het publiekeomroepstelsel in de lidstaten rechtstreeks verband houdt met de democratische, sociale en culturele behoeften van iedere samenleving en met de noodzaak pluralisme in de media te behouden,

Hebben overeenstemming bereikt omtrent de volgende interpretatieve bepalingen, die aan het Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa worden gehecht:

artikel Enig

De bepalingen van de Grondwet doen geen afbreuk aan de bevoegdheid van de lidstaten om te voorzien in de financiering van de publieke omroep, voorzover deze financiering wordt verleend aan omroeporganisaties voor het vervullen van de publieke opdracht zoals toegekend, bepaald en georganiseerd door iedere lidstaat, en voorzover deze financiering de voorwaarden inzake het handelsverkeer en de mededingingsvoorwaarden in de Unie niet zodanig verandert dat het gemeenschappelijk belang wordt geschaad, waarbij rekening wordt gehouden met de verwezenlijking van de opdracht van deze publieke dienst.

De Hoge Verdragsluitende Partijen,

Hebben overeenstemming bereikt omtrent de volgende bepaling, die aan het Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa wordt gehecht:

artikel Enig

Voor de toepassing van artikel III-214 van de Grondwet worden uitkeringen uit hoofde van een ondernemings- of sectorale regeling inzake sociale zekerheid niet als beloning beschouwd indien en voorzover zij kunnen worden toegerekend aan tijdvakken van arbeid vóór 17 mei 1990, behalve in het geval van werknemers of hun rechtverkrijgenden die voor die datum een rechtsvordering of een naar geldend nationaal recht daarmee gelijk te stellen vordering hebben ingesteld.

De Hoge Verdragsluitende Partijen,

eraan herinnerend dat artikel I-3 van de Grondwet als een van de doelstellingen de bevordering van de economische, sociale en territoriale samenhang en van de solidariteit tussen de lidstaten omvat en dat in Artikel I-14, lid 2, onder c, van de Grondwet die samenhang als onderdeel van de gebieden van gedeelde bevoegdheid van de Unie wordt vermeld;

Eraan herinnerend dat het geheel van de bepalingen van deel III, titel III, hoofdstuk III, afdeling 3, van de Grondwet inzake de economische, sociale en territoriale samenhang de rechtsgrondslag vormt voor de consolidatie en de verdere ontwikkeling van het optreden van de Unie op dat gebied, met inbegrip van de mogelijkheid om een fonds op te richten;

Eraan herinnerend dat artikel III-223 van de Grondwet voorziet in de oprichting van een Cohesiefonds;

Constaterend dat de Europese Investeringsbank ten behoeve van de armere regio's aanzienlijke en in omvang toenemende leningen verstrekt;

Gezien de wens om de voorwaarden voor de toewijzing van middelen uit de fondsen met structurele strekking flexibeler te maken;

Gezien de wens om de niveaus van de deelneming van de Unie aan programma's en projecten in bepaalde lidstaten te differentiëren;

Gelet op het voorstel om in het stelsel van eigen middelen meer rekening te houden met de relatieve welvaart van de lidstaten,

Hebben overeenstemming bereikt omtrent de volgende bepalingen, die aan het Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa worden gehecht:

artikel Enig
1.

De lidstaten bevestigen dat de bevordering van de economische, sociale en territoriale samenhang van vitaal belang is voor de volledige ontwikkeling en een duurzaam welslagen van de Unie.

2.

De lidstaten bevestigen hun overtuiging dat de fondsen met structurele strekking een voorname rol moeten blijven spelen bij de verwezenlijking van de doelstellingen van de Unie op het gebied van de samenhang.

3.

De lidstaten bevestigen hun overtuiging dat de Europese Investeringsbank het grootste deel van haar middelen moet blijven besteden aan de bevordering van de sociale, economische en territoriale samenhang, en verklaren zich bereid de kapitaalbehoeften van de Europese Investeringsbank opnieuw te bezien zodra zulks voor dat doel vereist is.

4.

De lidstaten komen overeen dat het Cohesiefonds financiële bijdragen van de Unie verleent voor projecten op het gebied van milieu en trans-Europese netwerken in lidstaten met een BNP per capita van minder dan 90 % van het gemiddelde van de Unie, die een programma hebben dat leidt tot het voldoen aan de voorwaarden van economische convergentie omschreven in artikel III-184 van de Grondwet.

5.

De lidstaten geven hun voornemen te kennen een grotere flexibiliteit mogelijk te maken bij de toewijzing van middelen uit de fondsen met structurele strekking voor specifieke behoeften die niet vallen onder de huidige regelingen betreffende de fondsen met structurele strekking.

6.

De lidstaten verklaren zich bereid de niveaus van de deelneming van de Unie in het kader van programma's en projecten van de fondsen met structurele strekking te differentiëren om excessieve stijgingen van de begrotingsuitgaven in de minder welvarende lidstaten te voorkomen.

7.

De lidstaten erkennen de noodzaak van nabij toe te zien op de vooruitgang bij de verwezenlijking van de economische, sociale en territoriale samenhang en verklaren zich bereid alle nodige maatregelen dienaangaande te bestuderen.

8.

De lidstaten geven het voornemen te kennen meer rekening te houden met het vermogen van de individuele lidstaten om aan het stelsel van eigen middelen bij te dragen en de middelen te bestuderen om voor de minder welvarende lidstaten de regressieve elementen die in het huidige stelsel van eigen middelen bestaan bij te stellen.

De Hoge Verdragsluitende Partijen,

Hebben overeenstemming bereikt omtrent de volgende bepalingen, die aan het Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa worden gehecht:

artikel Enig
1.

De behandeling bij invoer in de Unie van onder de gemeenschappelijke ordening der markten in de sector visserijproducten vallende producten van oorsprong uit Groenland geschiedt, met inachtneming van de mechanismen van de gemeenschappelijke marktordening, met vrijstelling van douanerechten en heffingen van gelijke werking en zonder kwantitatieve beperkingen of maatregelen van gelijke werking, indien de mogelijkheden van toegang tot de Groenlandse visserijzones die voor de Unie zijn geopend krachtens een overeenkomst tussen de Unie en de voor Groenland bevoegde autoriteit bevredigend zijn voor de Unie.

2.

De maatregelen betreffende de invoerregeling voor de in lid 1 bedoelde producten worden vastgesteld volgens de procedures van artikel III-231 van de Grondwet.

De Hoge Verdragsluitende Partijen,

Hebben overeenstemming bereikt omtrent de volgende bepaling, die aan het Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa en aan het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie wordt gehecht:

artikel Enig

Geen enkele bepaling van het Verdrag tot vaststelling van de Grondwet voor Europa of van de verdragen of akten tot wijziging of aanvulling ervan, doet afbreuk aan de toepassing in Ierland van artikel 40.3.3 van de Grondwet van Ierland.

De Hoge Verdragsluitende Partijen,

Hebben overeenstemming bereikt omtrent de volgende bepalingen, die aan het Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa worden gehecht:

Artikel 1

Het in artikel I-9, lid 2, van de Grondwet bedoelde Akkoord betreffende de toetreding van de Unie tot het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna „Europees Verdrag” genoemd) voorziet in de instandhouding van de specifieke kenmerken van de Unie en het recht van de Unie, met name wat betreft:

  • a. de bijzondere voorwaarden van de eventuele deelneming van de Unie aan de controle-instanties van het Europees Verdrag;
  • b. de benodigde mechanismen om ervoor te zorgen dat door staten die geen lidstaat zijn ingeleide procedures en individuele beroepen correct tot de lidstaten en/of de Unie worden gericht, naargelang het geval.
Artikel 2

Het in artikel 1 bedoelde akkoord moet van dien aard zijn dat de toetreding de bevoegdheden van de Unie en die van haar instellingen onverlet laat. Het moet tevens waarborgen dat de situatie van de lidstaten ten aanzien van het Europees Verdrag, en met name ten aanzien van de bijbehorende Protocollen, de door de lidstaten overeenkomstig artikel 15 van het Europees Verdrag genomen afwijkende maatregelen en de door de lidstaten overeenkomstig artikel 57 van dat Verdrag gemaakte voorbehouden geheel onverlet blijft.

Artikel 3

Het in artikel 1 bedoelde akkoord laat artikel III-375, lid 2, van de Grondwet geheel onverlet.

De Hoge Verdragsluitende Partijen,

Overwegende dat in artikel IV-437, lid 1, van de Grondwet het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap en het Verdrag betreffende de Europese Unie, alsmede de akten en verdragen waarbij deze verdragen zijn gewijzigd of aangevuld, worden ingetrokken;

Overwegende dat er een lijst van akten en verdragen als bedoeld in artikel IV-437, lid 1, moet worden opgesteld;

Overwegende dat de inhoud van artikel 9, lid 7, van het Verdrag van Amsterdam dient te worden overgenomen;

Eraan herinnerend dat de Akte van 20 september 1976 betreffende de verkiezing van de vertegenwoordigers in het Europees Parlement door middel van rechtstreekse algemene verkiezingen van kracht dient te blijven;

Hebben overeenstemming bereikt omtrent de volgende bepalingen, die aan het Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa en aan het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie worden gehecht:

Artikel 1
1.

De volgende akten en verdragen, waarbij het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap is aangevuld of gewijzigd, worden ingetrokken:

  • a. het Protocol van 8 april 1965 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Gemeenschappen, gehecht aan het Verdrag tot instelling van één Raad en één Commissie welke de Europese Gemeenschappen gemeen hebben (PB 152 van 13.7.1967, blz. 13);
  • b. het Verdrag van 22 april 1970 houdende wijziging van een aantal budgettaire bepalingen van de Verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen en van het Verdrag tot instelling van één Raad en één Commissie welke de Europese Gemeenschappen gemeen hebben (PB L 2 van 2.1.1971, blz. 1);
  • c. het Verdrag van 22 juli 1975 houdende wijziging van een aantal financiële bepalingen van de Verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen en van het Verdrag tot instelling van één Raad en één Commissie welke de Europese Gemeenschappen gemeen hebben (PB L 359 van 31.12.1977, blz. 4);
  • d. het Verdrag van 10 juli 1975 houdende wijziging van een aantal bepalingen van het Protocol betreffende de statuten van de Europese Investeringsbank (PB L 91 van 6.4.1978, blz. 1);
  • e. het Verdrag van 13 maart 1984 houdende wijziging van de Verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen voor wat Groenland betreft (PB L 29 van 1.2.1985, blz. 1);
  • g. de Akte van 25 maart 1993 tot wijziging van het Protocol betreffende de statuten van de Europese Investeringsbank waarbij de Raad van Gouverneurs de bevoegdheid wordt verleend tot de oprichting van een Europees Investeringsfonds (PB L 173 van 7.7.1994, blz. 14);
  • h. Besluit 2003/223/EG van de Raad in de samenstelling van de staatshoofden en regeringsleiders van 21 maart 2003 inzake een wijziging van artikel 10.2 van de statuten van het Europees Stelsel van Centrale Banken en van de Europese Centrale Bank (PB L 83 van 1.4.2003, blz. 66).
2.

Het Verdrag van Amsterdam van 2 oktober 1997 houdende wijziging van het Verdrag betreffende de Europese Unie, de Verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen en sommige bijbehorende akten (PB C 340 van 10.11.1997, blz. 1) wordt ingetrokken.

3.

Het Verdrag van Nice van 26 februari 2001 houdende wijziging van het Verdrag betreffende de Europese Unie, de Verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen en sommige bijbehorende akten (PB C 80 van 10.3.2001, blz. 1) wordt ingetrokken.

Artikel 2
1.

Onverminderd de toepassing van artikel III-432 van de Grondwet en van artikel 189 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, stellen de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten in onderling overleg de bepalingen vast die noodzakelijk zijn voor het regelen van bepaalde problemen die eigen zijn aan het Groothertogdom Luxemburg en die voortvloeien uit het instellen van één Raad en één Commissie die de Gemeenschappen gemeen hebben.

2.

Wijzigt de Akte betreffende de verkiezing van de leden van het Europees Parlement door middel van rechtstreekse algemene verkiezingen; Brussel, 20 september 1976.

De Hoge Verdragsluitende Partijen,

Overwegende dat de overgang van, enerzijds, de Europese Unie die is ingesteld bij het Verdrag betreffende de Europese Unie en de Europese Gemeenschap naar, anderzijds, de hiervoor in de plaats tredende Europese Unie die is ingesteld bij het Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa, in goede banen moet worden geleid; dat hiertoe overgangsbepalingen moeten worden vastgesteld die zullen gelden voordat de bepalingen van de Grondwet en de voor de uitvoering daarvan noodzakelijke handelingen van kracht worden,

Hebben overeenstemming bereikt omtrent de volgende bepalingen, die aan het Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa en aan het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie worden gehecht:

TITEL I. BEPALINGEN BETREFFENDE HET EUROPEES PARLEMENT

Artikel 1
1.

Lang genoeg vóór de verkiezingen voor het Europees Parlement van 2009 stelt de Europese Raad, overeenkomstig artikel I-20, lid 2, tweede alinea, van de Grondwet, een Europees besluit vast inzake de samenstelling van het Europees Parlement.

2.

In de zittingsperiode 2004-2009 blijven de samenstelling en het aantal in iedere lidstaat gekozen vertegenwoordigers in het Europees Parlement die welke bestonden op de datum van inwerkingtreding van het Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa, te weten:

België 24
Tsjechische Republiek 24
Denemarken 14
Duitsland 99
Estland 6
Griekenland 24
Spanje 54
Frankrijk 78
Ierland 13
Italië 78
Cyprus 6
Letland 9
Litouwen 13
Luxemburg 6
Hongarije 24
Malta 5
Nederland 27
Oostenrijk 18
Polen 54
Portugal 24
Slovenië 7
Slowakije 14
Finland 14
Zweden 19
Verenigd Koninkrijk 78

TITEL II. BEPALINGEN BETREFFENDE DE EUROPESE RAAD EN DE RAAD

Artikel 2
1.

De bepalingen van artikel I-25, leden 1, 2 en 3, van de Grondwet, betreffende de bepaling van de gekwalificeerde meerderheid van stemmen in de Europese Raad en de Raad, worden van kracht op 1 november 2009, nadat overeenkomstig artikel I-20, lid 2, van de Grondwet de verkiezingen voor het Europees Parlement van 2009 hebben plaatsgevonden.

2.

Tot en met 31 oktober 2009 zijn de volgende bepalingen van kracht, onverminderd artikel I-25, lid 4, van de Grondwet. Voor de beslissingen van de Europese Raad en de Raad waarvoor een gekwalificeerde meerderheid van stemmen vereist is, worden de stemmen van de leden als volgt gewogen:

België 12
Tsjechische Republiek 12
Denemarken 7
Duitsland 29
Estland 4
Griekenland 12
Spanje 27
Frankrijk 29
Ierland 7
Italië 29
Cyprus 4
Letland 4
Litouwen 7
Luxemburg 4
Hongarije 12
Malta 3
Nederland 13
Oostenrijk 10
Polen 27
Portugal 12
Slovenië 4
Slowakije 7
Finland 7
Zweden 10
Verenigd Koninkrijk 29

De beslissingen komen tot stand wanneer zij ten minste 232 stemmen hebben verkregen en de meerderheid van de leden voorstemt, indien zij krachtens de Grondwet op voorstel van de Commissie moeten worden genomen. In de overige gevallen komen de beslissingen tot stand wanneer zij ten minste 232 stemmen hebben verkregen en ten minste tweederde van de leden voorstemmen.

Een lid van de Europese Raad of van de Raad kan verlangen dat, in de gevallen waarin de Europese Raad of de Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen een handeling vaststelt , wordt nagegaan of de lidstaten welke die gekwalificeerde meerderheid vormen ten minste 62% van de bevolking van de Unie vertegenwoordigen. Indien blijkt dat niet aan deze voorwaarde is voldaan, is de handeling niet vastgesteld.

3.

Voor latere toetredingen wordt de in lid 2 bedoelde drempel zo berekend, dat de drempel van de in stemmen uitgedrukte gekwalificeerde meerderheid niet hoger ligt dan die welke volgt uit de tabel in de verklaring betreffende de uitbreiding van de Europese Unie, die opgenomen is in de slotakte van de Conferentie die het Verdrag van Nice heeft vastgesteld.

4.

De onderstaande bepalingen betreffende de bepaling van de gekwalificeerde meerderheid van stemmen worden van kracht op 1 november 2009:

  • –. artikel 1, tweede, derde en vierde alinea, en artikel 3, lid 1, tweede, derde en vierde alinea, van het protocol betreffende de positie van het Verenigd Koninkrijk en van Ierland ten aanzien van het beleid inzake grenscontrole, asiel en immigratie, evenals ten aanzien van justitiële samenwerking in burgerlijke zaken en de politiële samenwerking;

Tot en met 31 oktober 2009 geldt, in gevallen waarin niet alle leden van de Raad aan de stemming deelnemen, namelijk in de gevallen bedoeld in de in de eerste alinea genoemde artikelen, gekwalificeerde meerderheid van stemmen als hetzelfde aantal gewogen stemmen en hetzelfde aantal leden van de Raad alsmede, in voorkomend geval, hetzelfde percentage van de bevolking van de betrokken lidstaten, als vastgesteld in lid 2.

Artikel 3

Tot aan de inwerkingtreding van het in artikel I-24, lid 4, van de Grondwet bedoelde Europees besluit kan de Raad bijeenkomen in de in Artikel I-24, leden 2 en 3, genoemde formaties en in de formaties voorkomende op een lijst die de Raad Algemene Zaken bij Europees besluit vaststelt met gewone meerderheid van stemmen.

TITEL III. BEPALINGEN BETREFFENDE DE COMMISSIE MET INBEGRIP VAN DE MINISTER VAN BUITENLANDSE ZAKEN VAN DE UNIE

Artikel 4

De leden van de Commissie die op de datum van inwerkingtreding van het Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa in functie zijn, blijven in functie tot het eind van hun ambtstermijn. Op de dag waarop de minister van Buitenlandse Zaken van de Unie wordt benoemd, eindigt evenwel de ambtstermijn van het lid dat dezelfde nationaliteit heeft als de minister van Buitenlandse Zaken van de Unie.

TITEL IV. BEPALINGEN BETREFFENDE DE SECRETARIS-GENERAAL VAN DE RAAD, HOGE VERTEGENWOORDIGER VOOR HET GEMEENSCHAPPELIJK BUITENLANDS EN VEILIGHEIDSBELEID, EN DE PLAATSVERVANGEND SECRETARIS-GENERAAL VAN DE RAAD

Artikel 5

De ambtstermijnen van de secretaris-generaal van de Raad, hoge vertegenwoordiger voor het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid, en de plaatsvervangend secretaris-generaal van de Raad eindigen op de datum van inwerkingtreding van het Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa. De Raad benoemt een secretaris-generaal overeenkomstig artikel III-344, lid 2, van de Grondwet.

TITEL V. BEPALINGEN BETREFFENDE DE ADVIESORGANEN

Artikel 6

Tot aan de inwerkingtreding van het in artikel III-386 van de Grondwet bedoelde Europees besluit is de zetelverdeling van de leden van het Comité van de Regio's als volgt:

België 12
Tsjechische Republiek 12
Denemarken 9
Duitsland 24
Estland 7
Griekenland 12
Spanje 21
Frankrijk 24
Ierland 9
Italië 24
Cyprus 6
Letland 7
Litouwen 9
Luxemburg 6
Hongarije 12
Malta 5
Nederland 12
Oostenrijk 12
Polen 21
Portugal 12
Slovenië 7
Slowakije 9
Finland 9
Zweden 12
Verenigd Koninkrijk 24
Artikel 7

Tot aan de inwerkingtreding van het in artikel III-389 van de Grondwet bedoelde Europees besluit is de zetelverdeling van de leden van het Economisch en Sociaal Comité als volgt:

België 12
Tsjechische Republiek 12
Denemarken 9
Duitsland 24
Estland 7
Griekenland 12
Spanje 21
Frankrijk 24
Ierland 9
Italië 24
Cyprus 6
Letland 7
Litouwen 9
Luxemburg 6
Hongarije 12
Malta 5
Nederland 12
Oostenrijk 12
Polen 21
Portugal 12
Slovenië 7
Slowakije 9
Finland 9
Zweden 12
Verenigd Koninkrijk 24

De Hoge Verdragsluitende Partijen,

Memorerend dat alle op 23 juli 2002 bestaande activa en passiva van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal op 24 juli 2002 zijn overgedragen aan de Europese Gemeenschap;

Rekening houdend met het feit dat het wenselijk is die middelen te gebruiken voor onderzoek in sectoren die in verband staan met de kolen- en staalindustrie, en met de noodzaak daarvoor enkele bijzondere regels op te stellen,

Hebben overeenstemming bereikt omtrent de volgende bepalingen, die aan het Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa worden gehecht:

Artikel 1
1.

De nettowaarde van alle activa en passiva van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal in de balans van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal per 23 juli 2002 wordt, onder voorbehoud van eventuele toe- of afname als gevolg van de liquidatieverrichtingen, beschouwd als vermogen van de Unie dat, onder de benaming „Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal in vereffening”, bestemd is voor onderzoek in sectoren die in verband staan met de kolen- en staalindustrie. Na afwikkeling van de liquidatie krijgt dat vermogen de benaming „vermogen van het Fonds voor onderzoek inzake kolen en staal”.

2.

De opbrengst van dat vermogen, die „Fonds voor onderzoek inzake kolen en staal” wordt genoemd, wordt overeenkomstig het onderhavige protocol en de op grond daarvan vastgestelde handelingen uitsluitend gebruikt voor onderzoek dat buiten het kaderprogramma voor onderzoek wordt verricht in sectoren die in verband staan met de kolen- en staalindustrie.

Artikel 2
1.

Bij Europese wet van de Raad worden alle voor de toepassing van dit protocol noodzakelijke maatregelen, inclusief de essentiële beginselen ervan, vastgesteld. De Raad besluit na goedkeuring van het Europees Parlement.

2.

De Raad stelt, op voorstel van de Commissie, de Europese verordeningen en besluiten vast houdende vaststelling van de financiële meerjarenrichtsnoeren voor het beheer van het vermogen van het Fonds voor onderzoek inzake kolen en staal, alsmede de technische richtsnoeren voor het onderzoeksprogramma van het Fonds voor onderzoek inzake kolen en staal. Hij besluit na raadpleging van het Europees Parlement.

Artikel 3

De Grondwet is van toepassing, tenzij in dit Protocol en de op grond daarvan vastgestelde besluiten anders is bepaald.

De Hoge Verdragsluitende Partijen,

Eraan herinnerend hoe belangrijk het is dat de rechtsgevolgen van de bepalingen van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie ten volle bewaard blijven;

Verlangend om dat verdrag, met name op institutioneel en financieel gebied, aan te passen aan de nieuwe bepalingen van het Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa,

Hebben overeenstemming bereikt omtrent de volgende bepalingen, die aan het Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa worden gehecht en die het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie als volgt wijzigen:

Artikel 1

Dit Protocol wijzigt het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (hierna het „EGA-Verdrag” genoemd in de versie die van kracht is op de datum van inwerkingtreding van het Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa.

Niettegenstaande de bepalingen van artikel IV-437 van het Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa en onverminderd andere bepalingen van het onderhavige Protocol, blijven de rechtsgevolgen van de wijzigingen die bij de krachtens artikel IV-437 van het Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa ingetrokken verdragen en akten in het EGA-Verdrag zijn aangebracht, alsmede de rechtsgevolgen van de geldende handelingen die zijn vastgesteld op grond van het EGA-Verdrag, onverlet.

Artikel 2

Wijzigt het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie; Rome, 25 maart 1957.

Artikel 3

Wijzigt het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie; Rome, 25 maart 1957.

Artikel 4

Wijzigt het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie; Rome, 25 maart 1957.

Artikel 5

Wijzigt het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie; Rome, 25 maart 1957.

Artikel 6

Wijzigt het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie; Rome, 25 maart 1957.

Artikel 7

Wijzigt het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie; Rome, 25 maart 1957.

Artikel 8

Wijzigt het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie; Rome, 25 maart 1957.

Artikel 9

Wijzigt het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie; Rome, 25 maart 1957.

Artikel 10

Wijzigt het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie; Rome, 25 maart 1957.

Artikel 11

Wijzigt het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie; Rome, 25 maart 1957.

Artikel 12

De ontvangsten en uitgaven van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie worden, met uitzondering van die van het Voorzieningsagentschap en die van gemeenschappelijke ondernemingen, in de begroting van de Unie opgenomen.

1. Verklaring ad artikel I-6

De Conferentie merkt op dat artikel I-6 een afspiegeling is van de bestaande rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen en van het Gerecht van eerste aanleg.

2. Verklaring ad artikel I-9, lid 2

De Conferentie is het er over eens dat bij de toetreding van de Unie tot het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, de specifieke kenmerken van het recht van de Unie in stand moeten worden gehouden. In dit verband neemt de Conferentie nota van het bestaan van een regelmatige dialoog tussen het Hof van Justitie van de Europese Unie en het Europese Hof voor de rechten van de mens; deze dialoog zou kunnen worden versterkt wanneer de Unie toetreedt tot dit verdrag.

3. Verklaring ad artikelen I-22, I-27 en I-28

Bij de keuze van de personen voor de ambten van voorzitter van de Europese Raad, voorzitter van de Commissie en minister van Buitenlandse Zaken van de Unie moet naar behoren rekening worden gehouden met de noodzaak tot eerbiediging van de geografische en demografische verscheidenheid van de Unie en van de lidstaten.

4. Verklaring ad artikel I-24, lid 7, betreffende het besluit van de Europese Raad inzake de uitoefening van het voorzitterschap van de Raad

De Conferentie verklaart dat de Raad, zodra het Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa is ondertekend, moet beginnen met de voorbereiding van het Europees besluit tot vaststelling van de maatregelen voor de toepassing van het Europese besluit van de Europese Raad inzake de uitoefening van het voorzitterschap van de Raad en daaraan binnen zes maanden zijn politieke goedkeuring moet hechten. Hieronder volgt een ontwerp van een Europees besluit van de Europese Raad dat zal worden aangenomen op de dag waarop voornoemd verdrag in werking treedt.

    1. Het voorzitterschap van de Raad, met uitzondering van de formatie Buitenlandse Zaken, wordt gedurende 18 maanden door vooraf bepaalde groepen van drie lidstaten vervuld. Deze groepen worden volgens een toerbeurtsysteem op basis van gelijkheid van de lidstaten samengesteld, waarbij rekening wordt gehouden met de verscheidenheid van de lidstaten en het geografische evenwicht binnen de Unie.
    1. Ieder lid van de groep zit bij toerbeurt gedurende een periode van zes maanden alle Raadsformaties voor, met uitzondering van de formatie Buitenlandse Zaken. De andere leden van de groep staan het voorzitterschap in al zijn verantwoordelijkheden bij op basis van een gemeenschappelijk programma. De leden van de groep kunnen onderling tot andere regelingen besluiten.

Het Comité van permanente vertegenwoordigers van de regeringen der lidstaten wordt voorgezeten door een vertegenwoordiger van de lidstaat die de Raad Algemene Zaken voorzit.

Het Politiek en Veiligheidscomité wordt voorgezeten door een vertegenwoordiger van de minister van Buitenlandse Zaken van de Unie.

De voorbereidende instanties van de diverse Raadsformaties, met uitzondering van de formatie Buitenlandse Zaken, worden voorgezeten door het lid van de Groep dat het voorzitterschap van de betrokken Raadsformatie vervult, behoudens een ander besluit overeenkomstig artikel 4.

De Raad Algemene Zaken draagt in samenwerking met de Commissie in het kader van een meerjarenprogrammering zorg voor de samenhang en de continuïteit van de werkzaamheden van de verschillende Raadsformaties. De lidstaten die het voorzitterschap vervullen, treffen, met de hulp van het secretariaat-generaal van de Raad, alle nodige schikkingen voor de organisatie en het goede verloop van de werkzaamheden van de Raad.

De Raad stelt een Europees besluit houdende maatregelen tot uitvoering van dit besluit vast.

5. Verklaring ad artikel I-25

De Conferentie verklaart dat het Europese besluit betreffende de uitvoering van artikel I-25 door de Raad zal worden vastgesteld op de dag waarop het Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa in werking treedt. Hieronder volgt het ontwerp-besluit:

De Raad van de Europese Unie,

Overwegende hetgeen volgt:

  • (1). Er dienen bepalingen te worden vastgesteld die een vlotte overgang mogelijk maken van het systeem van besluitvorming in de Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen – als omschreven in het Verdrag van Nice en overgenomen in artikel 2, lid 2, van het aan de Grondwet gehechte Protocol betreffende de overgangsbepalingen inzake de instellingen en organen van de Unie, dat tot en met 31 oktober 2009 van toepassing zal blijven – naar de stemprocedure als bepaald bij artikel I–25 van de Grondwet, die vanaf 1 november 2009 van toepassing zal zijn.
  • (2). Er zij aan herinnerd dat het gebruikelijk is dat de Raad zich inspant om de democratische legitimiteit van met gekwalificeerde meerderheid van stemmen vastgestelde handelingen te versterken.
  • (3). Het wordt wenselijk geacht dit besluit zolang van kracht te laten zijn als nodig is om te zorgen voor een vlotte overgang naar de nieuwe stemprocedure waarin de Grondwet voorziet,

Besluit:

Indien leden van de Raad, die

  • a. ten minste driekwart van de bevolking, of
  • b. ten minste driekwart van het aantal lidstaten,

vertegenwoordigen zoals vereist voor het vormen van een blokkerende minderheid ingevolge de toepassing van artikel I-25, lid 1, eerste alinea, of lid 2 zich ertegen verzetten dat de Raad een handeling vaststelt met gekwalificeerde meerderheid van stemmen, dan zal de Raad de kwestie bespreken.

De Raad zal tijdens deze besprekingen alles doen wat in zijn macht ligt om, binnen een redelijke tijd en zonder afbreuk te doen aan de dwingende termijnen die door het recht van de Unie worden voorgeschreven, een bevredigende oplossing te vinden om tegemoet te komen aan de bezwaren van de in artikel 1 bedoelde leden van de Raad.

De voorzitter van de Raad neemt hiertoe, met de hulp van de Commissie en met inachtneming van het reglement van orde van de Raad, ieder initiatief dat nodig is om een grotere mate van overeenstemming in de Raad te vergemakkelijken. De leden van de Raad zijn hem daarbij behulpzaam.

Dit besluit treedt op 1 november 2009 in werking. Het blijft ten minste tot 2014 van kracht. Daarna kan de Raad een Europees besluit tot intrekking ervan vaststellen.

6. Verklaring ad artikel I-26

De Conferentie is van mening dat, wanneer de Commissie niet langer uit onderdanen van alle lidstaten bestaat, zij bijzondere aandacht moet schenken aan de noodzaak om te zorgen voor volledige transparantie in haar betrekkingen met alle lidstaten. Bijgevolg moet de Commissie nauwe contacten onderhouden met alle lidstaten, ongeacht of een van hun onderdanen lid van de Commissie is, en dat zij in dit verband bijzondere aandacht moet schenken aan de noodzaak om met alle lidstaten informatie te delen en overleg te plegen.

De Conferentie is ook van mening dat de Commissie alle nodige maatregelen moet nemen om ervoor te zorgen dat de politieke, sociale en economische realiteit in alle lidstaten, daaronder de lidstaten begrepen die geen onderdaan als lid van de Commissie hebben, volledig in aanmerking wordt genomen. Deze maatregelen zouden onder meer de waarborg moeten omvatten dat het standpunt van die lidstaten door de vaststelling van passende organisatorische regelingen in aanmerking wordt genomen.

7. Verklaring ad artikel I-27

De Conferentie is van oordeel dat het Europees Parlement en de Europese Raad krachtens de bepalingen van de Grondwet gezamenlijk verantwoordelijk zijn voor het goede verloop van het proces dat tot de verkiezing van de voorzitter van de Commissie leidt. Daarom zullen vertegenwoordigers van het Europees Parlement en van de Europese Raad voorafgaand aan het besluit van de Europese Raad in het daartoe meest geschikt geachte kader de nodige raadplegingen verrichten. Deze raadplegingen zullen handelen over het profiel van de kandidaten voor het ambt van voorzitter van de Commissie, waarbij overeenkomstig artikel I-27, lid 1, rekening zal worden gehouden met de uitslag van de verkiezingen voor het Europees Parlement. De wijze waarop deze raadplegingen plaatsvinden kan te gelegener tijd in onderlinge overeenstemming tussen het Europees Parlement en de Europese Raad geregeld worden.

8. Verklaring ad artikel I-36

De Conferentie neemt er nota van dat de Commissie voornemens is de door de lidstaten aangewezen deskundigen te blijven raadplegen bij de voorbereiding van haar ontwerpen van gedelegeerde Europese verordeningen op het gebied van financiële diensten, overeenkomstig haar vaste praktijk.

9. Verklaring ad artikelen I-43 en III-329

Onverminderd de maatregelen die de Unie vaststelt om te voldoen aan haar solidariteitsverplichting jegens een lidstaat die getroffen wordt door een terroristische aanval, een natuurramp of een door de mens veroorzaakte ramp, beoogt geen van de bepalingen van artikel I-43 of artikel III-329 afbreuk te doen aan het recht van een andere lidstaat de geschiktste middelen te kiezen om aan zijn solidariteitsverplichting jegens eerstgenoemde lidstaat te voldoen.

10. Verklaring ad artikel I-51

De Conferentie verklaart dat in alle gevallen waarin op grond van artikel I-51 voorschriften inzake de bescherming van persoonsgegevens moeten worden vastgesteld die rechtstreekse gevolgen voor de nationale veiligheid zouden kunnen hebben, daarmee naar behoren rekening moet worden gehouden. Zij memoreert dat de geldende wetgeving (zie met name Richtlijn 95/46/EG) terzake specifieke afwijkingen bevat.

11. Verklaring ad artikel I-57

De Unie houdt rekening met de bijzondere situatie van de landen met een klein grondgebied die specifieke nabuurschapsbetrekkingen met haar onderhouden.

12. Verklaring betreffende de toelichting bij het Handvest van de grondrechten

De Conferentie neemt nota van de onderstaande toelichtingen bij het Handvest van de grondrechten, welke zijn opgesteld onder het gezag van het Præsidium van de Conventie die het Handvest heeft opgesteld en is bijgewerkt onder verantwoordelijkheid van het Præsidium van de Europese Conventie.

Deze toelichtingen werden oorspronkelijk opgesteld op verzoek van het praesidium van de Conventie die het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie heeft opgesteld. Zij zijn bijgewerkt onder verantwoordelijkheid van het praesidium van de Europese Conventie, in het licht van de wijzigingen die door laatstgenoemde Conventie in het Handvest zijn aangebracht (met name in artikel 51 en artikel 521)Artikelen II-111 en II-112 van de Grondwet.) en van verdere ontwikkelingen in het recht van de Unie. Hoewel zij op zich geen juridische waarde hebben, vormen zij een nuttig hulpmiddel voor de interpretatie, bedoeld om de bepalingen van het Handvest te verduidelijken.

Preambule

De volkeren van Europa zijn vastbesloten een op gemeenschappelijke waarden gegrondveste vreedzame toekomst te delen door onderling een steeds hechter verbond tot stand te brengen.

De Unie, zich bewust van haar geestelijke en morele erfgoed, is gegrondvest op de ondeelbare en universele waarden van menselijke waardigheid en van vrijheid, gelijkheid en solidariteit. Zij berust op het beginsel van de democratie en het beginsel van de rechtsstaat. De Unie stelt de mens centraal in haar optreden, door het burgerschap van de Unie in te stellen en een ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid tot stand te brengen.

De Unie draagt bij tot de instandhouding en de ontwikkeling van deze gemeenschappelijke waarden, met inachtneming van de verscheidenheid van de culturen en tradities van de volkeren van Europa, alsmede van de nationale identiteit van de lidstaten en van hun staatsinrichting op nationaal, regionaal en lokaal niveau. Zij streeft ernaar een evenwichtige en duurzame ontwikkeling te bevorderen en draagt zorg voor het vrije verkeer van personen, goederen, diensten en kapitaal, alsook de vrijheid van vestiging.

Te dien einde moet in het licht van de ontwikkelingen in de maatschappij, de sociale vooruitgang en de wetenschappelijke en technologische ontwikkelingen de bescherming van de grondrechten worden versterkt door deze rechten beter zichtbaar te maken in een handvest.

Onder inachtneming van de bevoegdheden en taken van de Unie en van het subsidiariteitsbeginsel, bevestigt dit Handvest de rechten die met name voortvloeien uit de gemeenschappelijke constitutionele tradities en internationale verplichtingen van de lidstaten, uit het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, uit de door de Unie en de Raad van Europa aangenomen sociale Handvesten, alsook uit de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie en van het Europees Hof voor de rechten van de mens. In dit verband zullen de rechtscolleges van de Europese Unie en de lidstaten bij de uitlegging van het Handvest naar behoren rekening houden met de toelichtingen die zijn opgesteld onder de verantwoordelijkheid van het praesidium van de Conventie die het Handvest heeft opgesteld en welke is bijgewerkt onder verantwoordelijkheid van het praesidium van de Europese Conventie.

Het genot van deze rechten brengt verantwoordelijkheden en plichten mede jegens de medemens, jegens de mensengemeenschap en de toekomstige generaties.

Derhalve erkent de Unie de hieronder genoemde rechten, vrijheden en beginselen.

TITEL I. WAARDIGHEID

Artikel 1. 1) Artikel II-61 van de Grondwet.Menselijke waardigheid

De menselijke waardigheid is onschendbaar. Zij moet worden geëerbiedigd en beschermd.

De menselijke waardigheid is niet alleen een grondrecht op zich, maar ook de grondslag van alle grondrechten. Het beginsel van de menselijke waardigheid is vastgelegd in de preambule van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens van 1948: „... overwegende, dat erkenning van de inherente waardigheid en de gelijke en onvervreemdbare rechten van alle leden van de mensengemeenschap grondslag is voor de vrijheid, gerechtigheid en vrede in de wereld.”. In zijn arrest van 9 oktober 2001 in Zaak C-377/98 - Nederland tegen Europees Parlement en Raad, Jurispr. 2001, blz. 7079, r.o. 70-77, bevestigt het Hof van Justitie dat een grondrecht op menselijke waardigheid deel uitmaakt van het recht van de Unie.

Hieruit vloeit onder meer voort dat geen van de in dit Handvest vastgelegde rechten mag worden gebruikt om de waardigheid van anderen te schenden en dat de menselijke waardigheid tot het wezen van de in dit Handvest vastgelegde rechten behoort. Er kan derhalve geen afbreuk aan worden gedaan, zelfs niet als een recht wordt beperkt.

Artikel 2. 2) Artikel II-62 van de Grondwet.Recht op leven
1.

Eenieder heeft recht op leven.

2.

Niemand wordt tot de doodstraf veroordeeld of terechtgesteld.

Toelichting

    1. De tweede zin van deze bepaling, die over de doodstraf gaat, is vervallen als gevolg van de inwerkingtreding van het Zesde Protocol bij het EVRM. artikel 1 daarvan luidt als volgt: „De doodstraf is afgeschaft. Niemand wordt tot een dergelijke straf veroordeeld of terechtgesteld.” Artikel 2, lid 2, van het Handvest 1) Artikel II-62, lid 2, van de Grondwet. is opgesteld op basis van laatstgenoemde bepaling.
    1. De bepalingen van artikel 2 van het Handvest1)Artikel II-62, lid 2, van de Grondwet. corresponderen met die van voornoemde artikelen van het EVRM en van het aanvullend Protocol. Overeenkomstig artikel 52, lid 3, van het Handvest2)Artikel II-112, lid 3, van de Grondwet.hebben zij dezelfde inhoud en reikwijdte. Derhalve moeten de „negatieve” definities die in het EVRM staan, worden geacht eveneens in het Handvest te staan: corresponderen met die van voornoemde artikelen van het EVRM en van het aanvullend Protocol. Overeenkomstig artikel 52, lid 3, van het Handvest hebben zij dezelfde inhoud en reikwijdte. Derhalve moeten de „negatieve” definities die in het EVRM staan, worden geacht eveneens in het Handvest te staan:
  • a. artikel 2, lid 2, van het EVRM: „De beroving van het leven wordt niet geacht in strijd met dit artikel te zijn geschied ingeval zij het gevolg is van het gebruik van geweld, dat absoluut noodzakelijk is:
  • a. ter verdediging van wie dan ook tegen onrechtmatig geweld;
  • b. teneinde een rechtmatige arrestatie te bewerkstelligen of het ontsnappen van iemand die op rechtmatige wijze is gedetineerd, te voorkomen;
  • c. teneinde in overeenstemming met de wet een oproer of opstand te onderdrukken.”.
  • b. artikel 2 van het Zesde Protocol bij het EVRM: „Een staat kan bepalingen in zijn wetgeving opnemen waarin is voorzien in de doodstraf voor feiten, begaan in tijd van oorlog of onmiddellijke oorlogsdreiging; een dergelijke straf wordt alleen ten uitvoer gelegd in de gevallen die zijn neergelegd in de wet, en in overeenstemming met de bepalingen daarvan ...”.
Artikel 3. 3) Artikel II-63 van de Grondwet.Recht op menselijke integriteit
1.

Eenieder heeft recht op lichamelijke en geestelijke integriteit.

2.

In het kader van de geneeskunde en de biologie moeten met name worden nageleefd:

  • a. de vrije en geïnformeerde toestemming van de betrokkene, volgens de bij de wet bepaalde regels,
  • b. het verbod van eugenetische praktijken, met name die welke selectie van personen tot doel hebben,
  • c. het verbod om het menselijk lichaam en bestanddelen daarvan als zodanig als bron van financieel voordeel aan te wenden,
  • d. het verbod van het reproductief klonen van mensen.

Toelichting

    1. In zijn arrest van 9 oktober 2001 in Zaak C-377/98 - Nederland tegen Europees Parlement en Raad, Jurispr. 2001, blz. 7079, r.o. 70, 78-80, bevestigt het Hof van Justitie dat een grondrecht op menselijke integriteit deel uitmaakt van het recht van de Unie en, op het gebied van de geneeskunde en de biologie, de vrije en geïnformeerde toestemming van de donor en de ontvanger omvat.
    1. De beginselen van artikel 3 van het Handvest1)Artikel II-63 van de Grondwet. staan reeds in het Verdrag inzake de rechten van de mens en de biogeneeskunde, dat in het kader van de Raad van Europa is aangenomen (ETS 164 en aanvullend protocol ETS 168). Dit Handvest wil niet afwijken van deze bepalingen en verbiedt derhalve alleen het reproductief klonen. Het Handvest staat de andere vormen van klonen niet toe, maar verbiedt deze evenmin. Het belet de wetgever dus geenszins om andere vormen van klonen te verbieden.
    1. De verwijzing naar eugenetische praktijken, met name die welke selectie van personen tot doel hebben, heeft betrekking op de gevallen waarin selectieprogramma's worden opgezet en uitgevoerd, bijvoorbeeld campagnes gericht op sterilisatie, gedwongen zwangerschappen, verplichte etnische huwelijken, enz. - handelingen die volgens het op 17 juli 1998 te Rome aangenomen statuut van het Internationaal Strafhof als internationale misdrijven worden beschouwd (zie artikel 7, lid 1, onder g)).
Artikel 4. 1) Artikel II-63 van de Grondwet. Verbod van folteringen en van onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen

Niemand mag worden onderworpen aan folteringen of aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen.

Het recht van artikel 42)Artikel II-64 van de Grondwet. correspondeert met het recht dat in het gelijkluidende artikel 3 van het EVRM is gewaarborgd:„Niemand mag worden onderworpen aan folteringen of aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen.”. Overeenkomstig artikel 52, lid 3, van het Handvest2)Artikel II-112, lid 3, van de Grondwet.heeft het derhalve dezelfde inhoud en reikwijdte als voornoemd artikel.

Artikel 5. 2) Artikel II-65 van de Grondwet.Verbod van slavernij en dwangarbeid
1.

Niemand mag in slavernij of dienstbaarheid worden gehouden.

2.

Niemand mag gedwongen worden dwangarbeid of verplichte arbeid te verrichten.

3.

Mensenhandel is verboden.

Toelichting

  • –. het recht van lid 1 niet rechtmatig kan worden beperkt;
  • –. de begrippen „dwangarbeid of verplichte arbeid” in lid 2 moeten worden uitgelegd in het licht van de „negatieve” definities in artikel 4, lid 3, van het EVRM: „Niet als „dwangarbeid of verplichte arbeid” in de zin van dit artikel worden beschouwd:
  • a. elk werk dat gewoonlijk wordt vereist van iemand die is gedetineerd overeenkomstig artikel 5 van dit Verdrag, of gedurende zijn voorwaardelijke invrijheidstelling;
  • b. elke dienst van militaire aard, of, in het geval van gewetensbezwaarden in landen waarin hun gewetensbezwaren worden erkend, diensten die gevorderd worden in plaats van de verplichte militaire dienst;
  • c. elke dienst die wordt gevorderd in het geval van een noodtoestand of ramp die het leven of het welzijn van de gemeenschap bedreigt;
  • d. elk werk of elke dienst die deel uitmaakt van normale burgerplichten.”.
    1. Lid 3 vloeit direct voort uit de menselijke waardigheid en houdt rekening met recente ontwikkelingen op het gebied van de georganiseerde criminaliteit, zoals het organiseren van lucratieve kanalen voor illegale immigratie of seksuele uitbuiting. De bijlage bij de Europol-overeenkomst bevat de volgende definitie van mensenhandel met het oog op seksuele uitbuiting: „Mensenhandel: het onderwerpen van een persoon aan de feitelijke en wederrechtelijke macht van andere personen door gebruik te maken van geweld of bedreiging met geweld dan wel door misbruik te maken van een gezagsverhouding of van misleiding met name teneinde zich bezig te houden met de exploitatie van prostitutie van die andere persoon, vormen van uitbuiting en seksueel geweld ten aanzien van minderjarigen of met de handel in afgestane kinderen”. Hoofdstuk VI van de Schengenuitvoeringsovereenkomst, die in het acquis van de Unie is geïntegreerd en waaraan het Verenigd Koninkrijk en Ierland deelnemen, bevat, in artikel 27, lid 1, de volgende passus waarmee de illegale immigratiekanalen worden beoogd: „De Overeenkomstsluitende Partijen verbinden zich ertoe te voorzien in passende sancties jegens eenieder die een vreemdeling uit winstbejag helpt of poogt te helpen het grondgebied van één der Overeenkomstsluitende Partijen binnen te komen of aldaar te verblijven, zulks in strijd met de wetgeving van deze Partij betreffende de binnenkomst en het verblijf van vreemdelingen.”. Op 19 juli 2002 heeft de Raad een kaderbesluit inzake bestrijding van mensenhandel vastgesteld (PB L 203, blz. 1) dat een gedetailleerde lijst bevat van strafbare feiten op het gebied van mensenhandel met het oog op uitbuiting op arbeidsgebied of seksuele uitbuiting die de lidstaten uit hoofde van het kaderbesluit strafbaar dienen te stellen (artikel 1).

TITEL II. VRIJHEDEN

Artikel 6. 1) Artikel II-66 van de Grondwet.Recht op vrijheid en veiligheid

Eenieder heeft recht op vrijheid en veiligheid van zijn persoon.

De rechten van artikel 61)Artikel II-66 van de Grondwet. corresponderen met de rechten die in artikel 5 van het EVRM zijn gewaarborgd en hebben overeenkomstig artikel 52, lid 3, van het Handvest2)Artikel II-112, lid 3, van de Grondwet. dezelfde inhoud en reikwijdte. Daaruit vloeit voort dat de beperkingen die er rechtmatig aan kunnen worden gesteld, niet verder mogen strekken dan die welke door het EVRM in de tekst zelf van artikel 5 zijn toegestaan:

  • „1. Eenieder heeft recht op vrijheid en veiligheid van zijn persoon. Niemand mag zijn vrijheid worden ontnomen, behalve in de navolgende gevallen en overeenkomstig een wettelijk voorgeschreven procedure:
  • a. indien hij op rechtmatige wijze is gedetineerd na veroordeling door een daartoe bevoegde rechter;
  • b. indien hij op rechtmatige wijze is gearresteerd of gedetineerd, wegens het niet naleven van een overeenkomstig de wet door een gerecht gegeven bevel of teneinde de nakoming van een door de wet voorgeschreven verplichting te verzekeren;
  • c. indien hij op rechtmatige wijze is gearresteerd of gedetineerd teneinde voor de bevoegde rechterlijke instantie te worden geleid, wanneer er een redelijke verdenking bestaat, dat hij een strafbaar feit heeft begaan of indien het redelijkerwijs noodzakelijk is hem te beletten een strafbaar feit te begaan of te ontvluchten nadat hij dit heeft begaan;
  • d. in het geval van rechtmatige detentie van een minderjarige met het doel toe te zien op zijn opvoeding of in het geval van zijn rechtmatige detentie, teneinde hem voor de bevoegde instantie te geleiden;
  • e. in het geval van rechtmatige detentie van personen ter voorkoming van de verspreiding van besmettelijke ziekten, van geesteszieken, van verslaafden aan alcohol of verdovende middelen of van landlopers;
  • f. in het geval van rechtmatige arrestatie of detentie van een persoon teneinde hem te beletten op onrechtmatige wijze het land binnen te komen, of van een persoon waartegen een uitwijzings- of uitleveringsprocedure hangende is.
    1. Eenieder die gearresteerd is moet onverwijld en in een taal die hij verstaat op de hoogte worden gebracht van de redenen van zijn arrestatie en van alle beschuldigingen welke tegen hem zijn ingebracht.
    1. Eenieder die is gearresteerd of gedetineerd, overeenkomstig lid 1.c van dit artikel, moet onverwijld voor een rechter worden geleid of voor een andere magistraat die door de wet bevoegd verklaard is rechterlijke macht uit te oefenen en heeft het recht binnen een redelijke termijn berecht te worden of hangende het proces in vrijheid te worden gesteld. De invrijheidstelling kan afhankelijk worden gesteld van een waarborg voor de verschijning van de betrokkene ter terechtzitting.
    1. Eenieder, wie door arrestatie of detentie zijn vrijheid is ontnomen, heeft het recht voorziening te vragen bij het gerecht opdat dit spoedig beslist over de rechtmatigheid van zijn detentie en zijn invrijheidstelling beveelt, indien de detentie onrechtmatig is.
    1. Eenieder die het slachtoffer is geweest van een arrestatie of een detentie in strijd met de bepalingen van dit artikel, heeft recht op schadeloosstelling.”.

De rechten van artikel 61)Artikel II-66 van de Grondwet. moeten in het bijzonder worden geëerbiedigd wanneer het Europees Parlement en de Raad op grond van de artikelen III-270, III-271 en III-273 van de Grondwet wetten en kaderwetten op het gebied van justitiële samenwerking in strafzaken vaststellen, onder andere met het oog op de opstelling van gemeenschappelijke minimumvoorschriften met betrekking tot de kwalificatie van strafbare feiten, met betrekking tot straffen en met betrekking tot bepaalde aspecten van het procesrecht.

Artikel 7. 1) Artikel II-67 van de Grondwet.Eerbiediging van het privé-leven en het familie- en gezinsleven

Eenieder heeft recht op eerbiediging van zijn privé-leven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn communicatie.

De in artikel 72)Artikel II-112, lid 3, van de Grondwet.gewaarborgde rechten corresponderen met de rechten die in artikel 8 van het EVRM zijn gewaarborgd. Om rekening te houden met de technische ontwikkelingen is het woord „correspondentie” vervangen door „communicatie”.

Conform artikel 52, lid 3, heeft dit recht dezelfde inhoud en reikwijdte als het recht in de daarmee corresponderende bepaling van het EVRM. Dit heeft tot gevolg dat de beperkingen die er rechtmatig aan kunnen worden gesteld, dezelfde zijn als die welke in het kader van voornoemd artikel 8 toegestaan zijn:

  • „1. Eenieder heeft recht op respect voor zijn privé-leven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie.
    1. een inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voorzover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.”.
Artikel 8. 3) Artikel II-68 van de Grondwet.Bescherming van persoonsgegevens
1.

Eenieder heeft recht op bescherming van de hem betreffende persoonsgegevens.

2.

Deze gegevens moeten eerlijk worden verwerkt, voor bepaalde doeleinden en met toestemming van de betrokkene of op basis van een andere gerechtvaardigde grondslag waarin de wet voorziet. Eenieder heeft recht op toegang tot de over hem verzamelde gegevens en op rectificatie daarvan.

3.

Een onafhankelijke autoriteit ziet toe op de naleving van deze regels.

Dit artikel was gebaseerd op artikel 286 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap en op Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (PB L 281 van 23.11.1995), alsmede op artikel 8 van het EVRM en op het Verdrag van de Raad van Europa van 28 januari 1981 tot bescherming van personen met betrekking tot de geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens, dat door alle lidstaten is bekrachtigd. artikel 286 van het EG-Verdrag is nu vervangen door artikel I-51 van de Grondwet. Voorts wordt verwezen naar Verordening (EG) nr. 45/2001 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de communautaire instellingen en organen en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (PB L 8 van 12.1.2001). Bovengenoemde richtlijn en verordening bevatten voorwaarden en beperkingen voor de uitoefening van het recht op bescherming van persoonsgegevens.

Artikel 9. 1) Artikel II-69 van de Grondwet.Recht te huwen en recht een gezin te stichten

Het recht te huwen en het recht een gezin te stichten worden gewaarborgd volgens de nationale wetten die de uitoefening van deze rechten beheersen.

Dit artikel is gebaseerd op artikel 12 van het EVRM, dat als volgt luidt: „Mannen en vrouwen van huwbare leeftijd hebben het recht te huwen en een gezin te stichten volgens de nationale wetten die de uitoefening van dit recht beheersen.”. De formulering van dit recht is aangepast aan de tijd om ook de gevallen te bestrijken waarin de nationale wetgevingen andere vormen dan het huwelijk erkennen om een gezin te stichten. Dit artikel verbiedt noch gebiedt dat aan verbintenissen tussen personen van hetzelfde geslacht de status van het huwelijk wordt verleend. Dit recht gelijkt dus naar het recht waarin het EVRM voorziet, maar het kan een ruimere reikwijdte hebben wanneer de nationale wetgeving dat bepaalt.

Artikel 10. 1) Artikel II-70 van de Grondwet.Vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst
1.

Eenieder heeft recht op vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst. Dit recht omvat tevens de vrijheid om van godsdienst of overtuiging te veranderen, alsmede de vrijheid hetzij alleen, hetzij met anderen, zowel in het openbaar als privé, zijn godsdienst te belijden of overtuiging tot uitdrukking te brengen in erediensten, in onderricht, in praktische toepassing ervan en in het onderhouden van geboden en voorschriften.

2.

Het recht op dienstweigering op grond van gewetensbezwaren wordt erkend volgens de nationale wetten die de uitoefening van dit recht beheersen.

Het in lid 1 gewaarborgde recht correspondeert met het recht dat wordt gewaarborgd in artikel 9 van het EVRM en heeft overeenkomstig artikel 52, lid 3, van het Handvest2)Artikel II-112, lid 3, van de Grondwet., dezelfde inhoud en reikwijdte. Derhalve moet in geval van beperkingen lid 2 van artikel 9 in acht worden genomen, dat als volgt luidt: „De vrijheid zijn godsdienst te belijden of overtuiging tot uitdrukking te brengen kan aan geen andere beperkingen worden onderworpen dan die die bij de wet zijn voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk zijn in het belang van de openbare veiligheid, voor de bescherming van de openbare orde, gezondheid of goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.”.

Het in lid 2 gewaarborgde recht beantwoordt aan de nationale constitutionele tradities en aan de ontwikkeling van de nationale wetgevingen terzake.

Artikel 11. 2) Artikel II-71 van de Grondwet.Vrijheid van meningsuiting en van informatie
1.

Eenieder heeft recht op vrijheid van meningsuiting. Dit recht omvat de vrijheid een mening te koesteren en de vrijheid om inlichtingen of denkbeelden te ontvangen of te verstrekken, zonder inmenging van enig openbaar gezag en ongeacht grenzen.

2.

De vrijheid en de pluriformiteit van de media worden geëerbiedigd.

Toelichting

    1. Artikel 11 1) Artikel II-71 van de Grondwet. correspondeert met artikel 10 van het EVRM, dat als volgt luidt: Overeenkomstig artikel 52, lid 3, van het Handvest2)Artikel II-112, lid 3, van de Grondwet. heeft dit recht dezelfde inhoud en reikwijdte als het recht dat is gewaarborgd door het EVRM. De beperkingen die aan dit recht kunnen worden gesteld, mogen derhalve niet verder strekken dan die waarin artikel 10, lid 2, voorziet, onverminderd de beperkingen die het mededingingsrecht van de Unie kan stellen aan de mogelijkheid van de lidstaten om overeenkomstig artikel 10, lid 1, derde zin, van het EVRM systemen van vergunningen in te stellen.
  • „1. Eenieder heeft recht op vrijheid van meningsuiting. Dit recht omvat de vrijheid een mening te koesteren en de vrijheid om inlichtingen of denkbeelden te ontvangen of te verstrekken, zonder inmenging van enig openbaar gezag en ongeacht grenzen. Dit artikel belet staten niet radio-omroep-, en bioscoop- of televisieondernemingen te onderwerpen aan een systeem van vergunningen.
    1. Daar de uitoefening van deze vrijheden plichten en verantwoordelijkheden met zich brengt, kan zij worden onderworpen aan bepaalde formaliteiten, voorwaarden, beperkingen of sancties, die bij de wet zijn voorzien en die in een democratische samenleving noodzakelijk zijn in het belang van de nationale veiligheid, territoriale integriteit of openbare veiligheid, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, de bescherming van de goede naam of de rechten van anderen, om de verspreiding van vertrouwelijke mededelingen te voorkomen of om het gezag en de onpartijdigheid van de rechterlijke macht te waarborgen.”.
    1. Lid 2 van dit artikel is een nadere uitwerking van de consequenties van lid 1 wat betreft de mediavrijheid. Het is onder andere gebaseerd op de jurisprudentie van het Hof inzake televisie, met name zaak C-288/89 (arrest van 25 juli 1991, Stichting Collectieve Antennevoorziening Gouda e.a., Jurispr. 1991, blz. I-4007) en op het Protocol betreffende het openbareomroepstelsel in de lidstaten, gehecht aan het EG-Verdrag, en nu aan de Grondwet, en op Richtlijn 89/552/EG van de Raad (zie in het bijzonder de 17e overweging).
Artikel 12. 1) Artikel II-72 van de Grondwet.Vrijheid van vergadering en vereniging
1.

Eenieder heeft recht op vrijheid van vreedzame vergadering en op vrijheid van vereniging op alle niveaus, met name op politiek, vakverenigings- en maatschappelijk gebied, hetgeen het recht van eenieder omvat om met anderen vakverenigingen op te richten en zich erbij aan te sluiten voor de bescherming van zijn belangen.

2.

Politieke partijen op het niveau van de Unie dragen bij tot de uiting van de politieke wil van de burgers van de Unie.

Toelichting

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)