Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa

Type Verdrag
Publication 2004-10-29
State In force
Source BWB
artikelen 486
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Lid 2 verwijst naar rechten die reeds uitdrukkelijk waren gewaarborgd in het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap en die in het Handvest zijn erkend en nu zijn ondergebracht in andere delen van de Grondwet (met name de rechten die voortkomen uit het burgerschap van de Unie). Tevens wordt verduidelijkt dat dergelijke rechten onderworpen blijven aan de voorwaarden en grenzen die van toepassing zijn op het recht van de Unie waarop zij zijn gebaseerd en die nu worden omschreven in de delen I en III van de Grondwet. Het Handvest brengt geen wijziging aan in de regeling van de rechten die bij het EG-Verdrag werden verleend en die nu zijn overgenomen in deel I en deel III van de Grondwet.

Lid 3 beoogt te zorgen voor de nodige samenhang tussen het Handvest en het EVRM door de regel te vestigen dat, voorzover de rechten in het Handvest corresponderen met door het EVRM gewaarborgde rechten, de inhoud en reikwijdte ervan, inclusief de toegestane beperkingen, dezelfde zijn als die waarin het EVRM voorziet. Dit heeft met name tot gevolg dat de wetgever, bij de vaststelling van beperkingen van die rechten, gebonden is door dezelfde normen als die welke zijn vastgelegd in de gedetailleerde regeling inzake beperkingen in het EVRM, die dus toepasselijk wordt voor de door dit lid bestreken rechten, zonder dat dit evenwel de autonomie van het recht van de Unie of van het Hof van Justitie van de Europese Unie aantast.

De verwijzing naar het EVRM geldt zowel voor het Verdrag als voor de eraan gehechte protocollen. De inhoud en reikwijdte van de gewaarborgde rechten worden niet alleen bepaald door de tekst van die instrumenten, maar ook door de jurisprudentie van het Europees Hof voor de rechten van de mens en door het Hof van Justitie van de Europese Unie. De laatste zin van dit lid strekt ertoe de Unie in staat te stellen ruimere bescherming te waarborgen. Het door het Handvest geboden beschermingsniveau mag in ieder geval nooit lager zijn dan het niveau dat door het EVRM wordt gewaarborgd.

Het Handvest laat de mogelijkheden van de lidstaten onverlet om een beroep te doen op artikel 15 van het EVRM, dat afwijkingen van het EVRM toestaat in tijd van oorlog of in geval van enig andere algemene noodtoestand die het bestaan van het land bedreigt, wanneer de lidstaten maatregelen nemen op het gebied van defensie in geval van oorlog en op het gebied van de handhaving van de openbare orde, overeenkomstig hun bevoegdheden als erkend in artikel I-5, lid 1, artikel III-131 en artikel III-262 van de Grondwet.

De lijst van de rechten die in dit stadium, en zonder dat hiermee vooruit wordt gelopen op de ontwikkeling van het recht, de wetgeving en de Verdragen, als corresponderend met rechten van het EVRM in de zin van dit lid kunnen worden aangemerkt, volgt hierna. De rechten die toegevoegd zijn aan die van het EVRM worden niet vermeld.

    1. Artikelen van het Handvest met dezelfde inhoud en reikwijdte als de daarmee corresponderende artikelen van het EVRM:
  • –. artikel 11 1) Artikel II-71 van de Grondwet. correspondeert met artikel 10 EVRM, onverminderd de beperkingen die door het recht van de Unie kunnen worden opgelegd aan de mogelijkheid van de lidstaten om de in artikel 10, lid 1, derde zin, van het EVRM bedoelde systemen van vergunningen in te voeren
  • –. artikel 19 3) Artikel II-79 van de Grondwet., lid 1, correspondeert met artikel 4 van het Vierde Protocol bij het EVRM
  • –. artikel 19 3) Artikel II-79 van de Grondwet., lid 2, correspondeert met artikel 3 EVRM zoals het door het Europees Hof voor de rechten van de mens wordt geïnterpreteerd
  • –. artikel 49 5) Artikel II-109 van de Grondwet., lid 1 (behoudens de laatste zin) en lid 2, correspondeert met artikel 7 EVRM.
    1. Artikelen waarvan de inhoud dezelfde is als die van de daarmee corresponderende artikelen van het EVRM, maar waarvan de reikwijdte ruimer is:
  • –. artikel 9 6) Artikel II-69 van de Grondwet.bestrijkt de werkingssfeer van artikel 12 EVRM, maar de werkingssfeer ervan kan worden uitgebreid tot andere vormen van huwelijk als de nationale wetgeving deze instelt
  • –. artikel 12 7) Artikel II-72 van de Grondwet., lid 1, correspondeert met artikel 11 EVRM, maar de werkingssfeer ervan is uitgebreid tot het niveau van de Europese Unie
  • –. artikel 47 9) Artikel II-107 van de Grondwet., leden 2 en 3, correspondeert met artikel 6, lid 1, van het EVRM, maar de beperking tot de betwistingen betreffende burgerlijke rechten en verplichtingen of tot strafrechtelijke vervolging geldt niet ten aanzien van het recht van de Europese Unie en de toepassing ervan
  • –. artikel 50 1) Artikel II-110 van de Grondwet. correspondeert met artikel 4 van het Zevende Protocol bij het EVRM, maar de reikwijdte ervan is uitgebreid tot het niveau van de Europese Unie in de onderlinge verhoudingen van de rechtsmacht van de lidstaten.
  • –. tot slot kunnen de burgers van de Europese Unie, binnen het toepassingsgebied van het recht van de Unie, niet worden beschouwd als vreemdelingen, zulks wegens het verbod van elke vorm van discriminatie op grond van nationaliteit. De door artikel 16 EVRM vastgestelde beperkingen met betrekking tot de rechten van vreemdelingen zijn in dat verband dus niet op hen van toepassing.

De uitleggingsregel in lid 4 is gebaseerd op de formulering van artikel 6, lid 2, van het Verdrag betreffende de Europese Unie (zie de formulering van artikel I-9, lid 3, van de Grondwet) en houdt rekening met de benadering van gemeenschappelijke constitutionele tradities die door het Hof van Justitie wordt gevolgd (bijv. arrest van 13 december 1979, zaak 44/79, Hauer, Jurispr. 1979, blz. 3727; arrest van 18 mei 1982, zaak 155/79, AM&S, Jurispr. 1982, blz. 1575. Volgens die regel zouden de betrokken rechten van het Handvest zodanig moeten worden uitgelegd dat een hoge beschermingsnorm wordt gegarandeerd die strookt met het recht van de Unie en die spoort met de gemeenschappelijke constitutionele tradities, in plaats van een strikte aanpak te volgen waarbij een minimale gemeenschappelijke basis wordt gezocht.

In lid 5 wordt het onderscheid tussen in het Handvest bepaalde „rechten” en „beginselen” verduidelijkt. Volgens dat onderscheid worden subjectieve rechten geëerbiedigd en worden beginselen nageleefd (artikel 51, lid 12)Artikel II-111 van de Grondwet.). Beginselen kunnen worden toegepast door middel van wetgevings- of uitvoeringshandelingen (die door de Unie worden vastgesteld op grond van haar bevoegdheden, en door de lidstaten alleen wanneer zij het recht van de Unie tot uitvoering brengen); dit betekent dat zij alleen van belang zijn voor de rechter wanneer die handelingen worden geïnterpreteerd en getoetst. Zij geven echter geen aanleiding tot directe eisen tot het nemen van positieve maatregelen door de instellingen van de Unie of de overheden van de lidstaten. Die benadering spoort met de jurisprudentie van het Hof van Justitie (zie onder meer jurisprudentie betreffende het„voorzorgsbeginsel” van artikel 174, lid 2, van het VEG (nu vervangen door artikel III-233 van de Grondwet): het arrest van het GEA van 11 september 2002 in zaak T-13/99, Pfizer tegen Raad, waarin meermaals verwezen wordt naar vroegere jurisprudentie; en een reeks arresten met betrekking tot artikel 33 (ex 39) betreffende de beginselen van de landbouwwetgeving, bijvoorbeeld het arrest van het Hof van Justitie in zaak C-265/85, Van den Berg, Jurispr. 1987, blz. 1155: onderzoek van het beginsel van marktstabilisatie en het vertrouwensbeginsel) en met de benadering van „beginselen” in de constitutionele stelsels van de lidstaten, met name op het gebied van sociale wetgeving. Ter illustratie: voorbeelden van beginselen die in het Handvest worden erkend, zijn onder meer de artikelen 25, 26 en 371)Artikelen II-85, II-86 en II-97 van de Grondwet.. In sommige gevallen kan een artikel van het Handvest elementen van zowel een recht als een beginsel bevatten, zie bijvoorbeeld de artikelen 23, 33 en 342)Artikelen II-83, II-93 en II-94 van de Grondwet..

Lid 6 verwijst naar de diverse artikelen in het Handvest die in de geest van de subsidiariteit verwijzen naar nationale wetgevingen en praktijken.

Artikel 53. 3) Artikel II-113 van de Grondwet.Beschermingsniveau

Geen der bepalingen van dit Handvest mag worden uitgelegd als zou zij een beperking vormen van of afbreuk doen aan de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden welke binnen hun respectieve werkingssferen worden erkend door het recht van de Unie, het internationaal recht en de internationale overeenkomsten waarbij de Unie of alle lidstaten partij zijn, met name het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, alsmede door de grondwetten van de lidstaten.

Deze bepaling beoogt de handhaving van het beschermingsniveau dat momenteel, binnen hun respectieve werkingssferen, wordt geboden door het recht van de Unie, het recht van de lidstaten en het internationale recht. Gezien het belang ervan wordt het EVRM genoemd.

Artikel 54. 4) Artikel II-114 van de Grondwet.Verbod van misbruik van recht

Geen der bepalingen van dit Handvest mag worden uitgelegd als zou zij het recht inhouden enige activiteit aan de dag te leggen of enige daad te verrichten met als doel de rechten of vrijheden die in dit Handvest zijn erkend, teniet te doen of de rechten en vrijheden verdergaand te beperken dan door dit Handvest is toegestaan.

Dit artikel correspondeert met artikel 17 van het EVRM:

„Geen der bepalingen van dit Verdrag mag worden uitgelegd als zou zij voor een staat, een groep of een persoon het recht inhouden enige activiteit aan de dag te leggen of enige daad te verrichten met als doel de rechten of vrijheden die in dit Verdrag zijn vermeld teniet te doen of deze verdergaand te beperken dan bij dit Verdrag is voorzien.”

13. Verklaring ad artikel III-116

De Conferentie is het erover eens dat de Unie, in het kader van haar algemene streven de ongelijkheden tussen vrouwen en mannen op te heffen, in haar beleidsinitiatieven zal trachten alle vormen van huiselijk geweld te bestrijden. De lidstaten moeten alle maatregelen nemen om deze strafbare feiten te voorkomen en te bestraffen en om de slachtoffers te steunen en te beschermen.

14. Verklaring ad artikelen III-136 en III-267

De Conferentie is van oordeel dat ingeval een op artikel III-267, lid 2, gebaseerd ontwerp van Europese wet of kaderwet afbreuk zou doen aan fundamentele aspecten van het socialezekerheidsstelsel van een lidstaat, met name het toepassingsgebied, de kosten en de financiële structuur ervan, of gevolgen zou hebben voor het financiële evenwicht van dat stelsel, zoals bepaald in artikel III-136, lid 2, er naar behoren rekening zal worden gehouden met de belangen van die lidstaat.

15. Verklaring ad artikelen III-160 en III-322

De Conferentie memoreert dat de eerbiediging van de grondrechten en de fundamentele vrijheden met name inhoudt dat de nodige aandacht wordt geschonken aan de bescherming en de eerbiediging van het recht van de betrokken natuurlijke personen of entiteiten op het genot van de bij de wet bepaalde waarborgen. Daartoe, en om een grondige rechterlijke toetsing te waarborgen, moeten Europese besluiten waarbij een natuurlijke persoon of entiteit aan beperkende maatregelen wordt onderworpen, op duidelijke en onderscheiden criteria gebaseerd zijn. Deze criteria dienen te worden toegesneden op de specifieke kenmerken van de beperkende maatregel.

16. Verklaring ad artikel III-167, lid 2, onder c

De Conferentie merkt op dat artikel III-167, lid 2, onder c, moet worden uitgelegd in overeenstemming met de bestaande rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen en van het Gerecht van eerste aanleg betreffende de toepasselijkheid van die bepaling op de steun die wordt toegekend aan bepaalde gebieden van de Bondsrepubliek Duitsland die gevolgen ondervinden van de vroegere deling van Duitsland.

17. Verklaring ad artikel III-184

Met betrekking tot artikel III-184 bevestigt de Conferentie dat het versterken van het groeipotentieel en het zorgen voor een gezonde begrotingssituatie de twee pijlers zijn van het economisch en het begrotingsbeleid van de Unie en de lidstaten. Het stabiliteits- en groeipact is een belangrijk werktuig om deze doelstellingen te verwezenlijken.

De Conferentie bevestigt dat zij achter de bepalingen betreffende het stabiliteits- en groeipact blijft staan, die zij beschouwt als het kader voor de coördinatie van het begrotingsbeleid van de lidstaten.

De Conferentie bevestigt dat een op regels gebaseerd systeem de beste garantie vormt voor het doen nakomen van de verbintenissen en voor een gelijke behandeling van alle lidstaten.

In verband hiermee bevestigt de Conferentie eveneens dat zij achter de doelstellingen van de strategie van Lissabon blijft staan: creëren van werkgelegenheid, structurele hervormingen en sociale samenhang. De Unie streeft naar evenwichtige economische groei en prijsstabiliteit. Het economisch en het begrotingsbeleid moeten dus de juiste prioriteiten bepalen voor economische hervormingen, innovatie, concurrentievermogen en stimulering van particuliere investeringen en consumptie in tijden van zwakke economische groei. Dit zou tot uiting moeten komen in de opzet van begrotingsbeslissingen op nationaal niveau en op het niveau van de Unie, met name door herstructurering van de overheidsinkomsten en -uitgaven, met inachtneming van de begrotingsdiscipline conform de Grondwet en het stabiliteits- en groeipact.

De budgettaire en economische uitdagingen waarmee de lidstaten worden geconfronteerd wijzen op het belang van een gezond begrotingsbeleid gedurende de gehele economische cyclus.

De Conferentie is het erover eens dat de lidstaten perioden van economisch herstel actief dienen te gebruiken om hun overheidsfinanciën te consolideren en hun begrotingssituatie te verbeteren. Doelstelling is om in goede tijden geleidelijk een begrotingsoverschot te realiseren, waardoor de noodzakelijke ruimte ontstaat om economische tegenvallers op te vangen en aldus bij te dragen tot de houdbaarheid van de overheidsfinanciën op lange termijn.

De lidstaten zien met belangstelling mogelijke voorstellen van de Commissie en verdere bijdragen van de lidstaten tegemoet, die de uitvoering van het stabiliteits- en groeipact krachtiger en transparanter moeten maken. De lidstaten zullen alle nodige maatregelen nemen om het groeipotentieel van hun economieën te verbeteren. Een verbeterde coördinatie van het economisch beleid zou deze doelstelling kracht kunnen bijzetten. Met deze verklaring wordt niet vooruitgelopen op het toekomstige debat over het stabiliteits- en groeipact.

18. Verklaring ad artikel III-213

De Conferentie bevestigt dat de in artikel III-213 beschreven beleidsterreinen in essentie onder de bevoegdheid van de lidstaten vallen. De ondersteunende en coördinerende maatregelen die overeenkomstig dit artikel op het niveau van de Unie moeten worden genomen, zijn van aanvullende aard. Zij hebben niet ten doel de nationale stelsels te harmoniseren, maar de samenwerking tussen de lidstaten te versterken. Zij laten de in elke lidstaat bestaande waarborgen en gebruiken in verband met de verantwoordelijkheid van de sociale partners onverlet.

Deze verklaring doet geen afbreuk aan de bepalingen van de Grondwet die de Unie bevoegdheid toedelen, daaronder begrepen op sociaal gebied.

19. Verklaring ad artikel III-220

De Conferentie is van oordeel dat de woorden „insulaire gebieden” in artikel III-220 ook betrekking kunnen hebben op insulaire staten in hun geheel, mits aan de vereiste criteria wordt voldaan.

20. Verklaring ad artikel III-243

De Conferentie merkt op dat de bepalingen van artikel III-243 moeten worden toegepast in overeenstemming met de gangbare praktijk. De zinsnede „de maatregelen (…) [die] noodzakelijk zijn om de economische nadelen welke door de deling van Duitsland zijn berokkend aan de economie van de door de deling getroffen streken in de Bondsrepubliek te compenseren” moet worden uitgelegd in overeenstemming met de bestaande rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen en van het Gerecht van eerste aanleg.

21. Verklaring ad artikel III-248

De Conferentie is het erover eens dat in het optreden van de Unie op het gebied van onderzoek en technologische ontwikkeling naar behoren rekening zal worden gehouden met de fundamentele oriëntaties en keuzen van het onderzoeksbeleid van de lidstaten.

22. Verklaring ad artikel III-256

De Conferentie is van oordeel dat artikel III-256 geen afbreuk doet aan het recht van de lidstaten om onder de in artikel III-131 bepaalde voorwaarden de nodige voorzieningen te treffen om hun energievoorziening te waarborgen.

23. Verklaring ad artikel III-273, lid 1, tweede alinea

De Conferentie is van oordeel dat de in artikel III-273, lid 1, tweede alinea, bedoelde Europese wetten rekening dienen te houden met de nationale voorschriften en gebruiken inzake het inleiden van strafrechtelijk onderzoek.

24. Verklaring ad artikel III-296

De Conferentie verklaart dat, zodra het Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa is ondertekend, de secretaris-generaal van de Raad, hoge vertegenwoordiger voor het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid, de Commissie en de lidstaten, de voorbereidingen in verband met de Europese dienst voor extern optreden dienen aan te vangen.

25. Verklaring ad artikel III-325 betreffende de onderhandelingen over en sluiting van internationale overeenkomsten inzake de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht door de lidstaten

De Conferentie bevestigt dat de lidstaten op de door deel III, titel III, hoofdstuk IV, afdelingen 3, 4 en 5 bestreken gebieden onderhandelingen kunnen aangaan over overeenkomsten met derde landen en internationale organisaties en zulke overeenkomsten kunnen sluiten, voorzover deze verenigbaar zijn met het recht van de Unie.

26. Verklaring ad artikel III-402, lid 4

In artikel III-402, lid 4, is bepaald dat indien de Europese wet van de Raad tot bepaling van een nieuw financieel kader nog niet is vastgesteld wanneer het voorgaand financieel kader verstrijkt, de maximumbedragen en de overige bepalingen betreffende het laatste jaar van het voorgaand financieel kader van toepassing blijven totdat deze wet is vastgesteld.

De Conferentie verklaart dat indien eind 2006 nog geen Europese wet van de Raad tot bepaling van een nieuw financieel kader is vastgesteld en in de gevallen waarin het Verdrag inzake de toetreding van 16 april 2003 voor de toewijzing van kredieten aan de nieuwe lidstaten voorziet in een periode van geleidelijke invoering die in 2006 afloopt, de toewijzing van kredieten vanaf 2007 wordt vastgesteld op basis van dezelfde criteria voor alle lidstaten.

27. Verklaring ad artikel III-419

De Conferentie verklaart dat de lidstaten bij de indiening van hun verzoek om een nauwere samenwerking te mogen aangaan, kunnen aangeven of zij reeds in dat stadium voornemens zijn artikel III-422 toe te passen, dat voorziet in uitbreiding van de stemming bij gekwalificeerde meerderheid, of gebruik te maken van de gewone wetgevingsprocedure.

28. Verklaring ad artikel IV-440, lid 7

De Hoge Verdragsluitende Partijen komen overeen dat de Europese Raad krachtens artikel IV-440, lid 7, een Europees besluit zal vaststellen om Mayotte ten aanzien van de Unie de status van ultraperifeer gebied in de zin van artikel IV-440, lid 2, en artikel III-424 te verlenen wanneer de Franse autoriteiten de Europese Raad en de Commissie mededelen dat de huidige evolutie in de interne status van het eiland daarvoor de ruimte biedt.

29. Verklaring ad artikel IV-448, lid 2

De Conferentie is van mening dat de mogelijkheid om het Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa in de in artikel IV-448, lid 2, bedoelde talen te vertalen bijdraagt tot de verwezenlijking van de doelstelling van eerbiediging van de rijke verscheidenheid van cultuur en taal van de Unie, waarvan sprake is in artikel I-3, lid 3, vierde alinea. In dit verband bevestigt de Conferentie dat de Unie gehecht is aan de culturele verscheidenheid van Europa en bijzondere aandacht zal blijven schenken aan deze en andere talen. De Conferentie beveelt aan dat lidstaten die van de in artikel IV-448, lid 2, geboden mogelijkheid gebruik wensen te maken, binnen zes maanden na de datum van ondertekening van het Verdrag aan de Raad meedelen in welke taal of talen dit Verdrag zal worden vertaald.

30. Verklaring betreffende de bekrachtiging van het Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa

De Conferentie neemt er nota van dat indien viervijfde van de lidstaten het Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa twee jaar na de ondertekening ervan hebben bekrachtigd en een of meer lidstaten moeilijkheden bij de bekrachtiging hebben ondervonden, de Europese Raad de kwestie bespreekt.

VERKLARINGEN INZAKE HET PROTOCOL BETREFFENDE DE VERDRAGEN EN AKTEN INZAKE DE TOETREDING VAN HET KONINKRIJK DENEMARKEN, IERLAND EN HET VERENIGD KONINKRIJK VAN GROOT-BRITTANNIË EN NOORD-IERLAND, DE HELLEENSE REPUBLIEK, HET KONINKRIJK SPANJE EN DE PORTUGESE REPUBLIEK, ALSMEDE DE REPUBLIEK OOSTENRIJK, DE REPUBLIEK FINLAND EN HET KONINKRIJK ZWEDEN

31. Verklaring betreffende de Åland-eilanden

De Conferentie erkent dat bij het opstellen van de in artikel IV-440, lid 5, bedoelde regeling voor de Åland-eilanden rekening wordt gehouden met het bijzondere statuut dat deze eilanden uit hoofde van het internationaal recht genieten.

Te dien einde benadrukt de Conferentie dat specifieke bepalingen zijn opgenomen in titel V, afdeling 5, van het Protocol betreffende de verdragen en akten inzake de toetreding van het Koninkrijk Denemarken, Ierland en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, de Helleense Republiek, het Koninkrijk Spanje en de Portugese Republiek, alsmede de Republiek Oostenrijk, de Republiek Finland en het Koninkrijk Zweden.

32. Verklaring betreffende het Lapse volk

Gezien de artikelen 60 en 61 van het Protocol betreffende de verdragen en akten inzake de toetreding van het Koninkrijk Denemarken, Ierland en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, de Helleense Republiek, het Koninkrijk Spanje en de Portugese Republiek, alsmede de Republiek Oostenrijk, de Republiek Finland en het Koninkrijk Zweden, erkent de Conferentie de verplichtingen en verbintenissen van Zweden en Finland ten aanzien van het Lapse volk in het kader van het nationale en het internationale recht.

De Conferentie neemt er nota van dat Zweden en Finland zich ertoe hebben verbonden om de middelen van bestaan, de taal, de cultuur en de levenswijze van het Lapse volk in stand te houden en te ontwikkelen en acht de traditionele cultuur en middelen van bestaan van het Lapse volk afhankelijk van primaire economische activiteiten als rendierhouderij in de traditionele gebieden van de Lapse nederzettingen.

Te dien einde benadrukt de Conferentie dat specifieke bepalingen zijn opgenomen in titel V, afdeling 6, van het Protocol betreffende de verdragen en akten inzake de toetreding van het Koninkrijk Denemarken, Ierland en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, de Helleense Republiek, het Koninkrijk Spanje en de Portugese Republiek, alsmede de Republiek Oostenrijk, de Republiek Finland en het Koninkrijk Zweden.

VERKLARINGEN INZAKE HET PROTOCOL BETREFFENDE HET VERDRAG EN DE AKTE INZAKE DE TOETREDING VAN DE TSJECHISCHE REPUBLIEK, DE REPUBLIEK ESTLAND, DE REPUBLIEK CYPRUS, DE REPUBLIEK LETLAND, DE REPUBLIEK LITOUWEN, DE REPUBLIEK HONGARIJE, DE REPUBLIEK MALTA, DE REPUBLIEK POLEN, DE REPUBLIEK SLOVENIË EN DE SLOWAAKSE REPUBLIEK

33. Verklaring betreffende de zones van Cyprus die onder de soevereiniteit van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland vallen

De Conferentie,

Eraan herinnerend dat in de gemeenschappelijke verklaring betreffende de zones van Cyprus die onder de soevereiniteit van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland vallen („Sovereign Base Areas”, hierna „SBA's” genoemd), welke gehecht is aan de Slotakte bij het Verdrag betreffende de toetreding van het Verenigd Koninkrijk tot de Europese Gemeenschappen, gesteld wordt dat de regels die gelden voor de betrekkingen tussen de Europese Economische Gemeenschap en genoemde zones zullen worden vastgesteld in het kader van een eventuele regeling tussen deze Gemeenschap en de Republiek Cyprus;

Rekening houdend met de bepalingen over de SBA's in het Verdrag betreffende de oprichting van de Republiek Cyprus (hierna het „Oprichtingsverdrag” genoemd) en de daarbij horende notawisseling van 16 augustus 1960;

Akte nemend van de notawisseling tussen de regering van het Verenigd Koninkrijk en de regering van de Republiek Cyprus betreffende het bestuur van de SBA's van 16 augustus 1960 en de daaraan gehechte verklaring van de regering van het Verenigd Koninkrijk dat een van de hoofddoelstellingen de bescherming is van de belangen van personen die in een SBA verblijven of werken, en in dit verband overwegend dat de bedoelde personen zoveel mogelijk dezelfde behandeling moeten krijgen als personen die in de Republiek Cyprus verblijven of werken;

Tevens nota nemend van de bepalingen van het Oprichtingsverdrag betreffende de douaneregelingen tussen de SBA's en de Republiek Cyprus en met name die welke bedoeld zijn in bijlage F bij dat verdrag;

Tevens nota nemend van de toezegging van het Verenigd Koninkrijk om geen douaneposten of andere grensafsluitingen te installeren tussen de SBA's en de Republiek Cyprus, alsmede van de regelingen die getroffen zijn uit hoofde van het Oprichtingsverdrag waarbij de autoriteiten van de Republiek Cyprus allerlei openbare diensten verrichten in de SBA's, met name op het gebied van landbouw, douane en belastingen;

Bevestigend dat de toetreding van de Republiek Cyprus tot de Unie de rechten en verplichtingen van de partijen bij het Oprichtingsverdrag onverlet dient te laten;

Erkennend derhalve dat sommige bepalingen van de Grondwet en van de handelingen van de Unie dienen te worden toegepast op de SBA's en dat speciale regelingen dienen te worden getroffen voor de uitvoering van deze bepalingen in de SBA's;

Benadrukt dat te dien einde specifieke bepalingen zijn opgenomen in deel twee, titel III, van het Protocol betreffende het verdrag en de akte inzake de toetreding van de Tsjechische Republiek, de Republiek Estland, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, de Republiek Hongarije, de Republiek Malta, de Republiek Polen, de Republiek Slovenië en de Slowaakse Republiek.

34. Verklaring van de Commissie betreffende de zones van Cyprus die onder de soevereiniteit van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland vallen

De Commissie bevestigt haar interpretatie dat de bepalingen van het recht van de Unie dat van toepassing is op de SBA's, overeenkomstig deel twee, titel III, van het Protocol betreffende het verdrag en de akte inzake de toetreding van de Tsjechische Republiek, de Republiek Estland, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, de Republiek Hongarije, de Republiek Malta, de Republiek Polen, de Republiek Slovenië en de Slowaakse Republiek omvatten:

  • a. Verordening (EG) nr. 3448/93 van de Raad van 6 december 1993 tot vaststelling van de handelsregeling voor bepaalde, door verwerking van landbouwproducten verkregen goederen;
  • b. Verordening (EG) nr. 1260/1999 van de Raad van 21 juni 1999 houdende algemene bepalingen inzake de Structuurfondsen, voorzover vereist bij Verordening (EG) nr. 1257/1999 van de Raad van 17 mei 1999 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL) met het oog op de financiering van maatregelen voor plattelandsontwikkeling in de zones van Cyprus die onder de soevereiniteit van het Verenigd Koninkrijk vallen binnen de Afdeling Garantie van het EOGFL.
35. Verklaring betreffende de kerncentrale van Ignalina in Litouwen

De Conferentie,

Uiting gevend aan de bereidheid van de Unie om ook na de toetreding van Litouwen tot de Unie, voor de periode tot 2006 en daarna, aanvullende steun te geven die in verhouding staat tot de ontmantelingswerkzaamheden van Litouwen, en er nota van nemend dat Litouwen, gezien dit blijk van solidariteit van de Unie, heeft toegezegd eenheid 1 en eenheid 2 van de kerncentrale van Ignalina vóór respectievelijk 2005 en 2009 te zullen sluiten;

Zich er rekenschap van gevend dat de ontmanteling van de kerncentrale van Ignalina, met twee van de voormalige Sovjet-Unie geërfde reactoren van het RBMK-type met een vermogen van ieder 1500 MW, een ongekend grootscheepse onderneming is die voor Litouwen een uitzonderlijk zware financiële last met zich meebrengt welke niet in verhouding staat tot de omvang en de economische draagkracht van het land, en dat de ontmanteling na afloop van de huidige financiële vooruitzichten, bepaald in het Interinstitutioneel Akkoord van 6 mei 1999, zal voortgaan;

Nota nemend van de noodzaak uitvoeringsbepalingen vast te stellen voor de aanvullende steun van de Unie teneinde de gevolgen van de sluiting en de ontmanteling van de kerncentrale van Ignalina te ondervangen;

Er nota van nemend dat Litouwen bij het gebruik van de steun van de Unie naar behoren rekening zal houden met de behoeften van de regio's die het meest getroffen worden door de sluiting van de kerncentrale van Ignalina; Verklarend dat bepaalde maatregelen waarvoor overheidssteun wordt verleend, beschouwd zullen worden als verenigbaar met de interne markt, zoals de ontmanteling van de kerncentrale van Ignalina, de aanpassing aan de milieu-eisen overeenkomstig het acquis en de modernisering van de conventionele elektriciteitsopwekkingscapaciteit die nodig is om de gevolgen van de sluiting van de twee reactoren van de kerncentrale van Ignalina te kunnen ondervangen;

Benadrukt dat te dien einde specifieke bepalingen zijn opgenomen in deel twee, titel IV, van het Protocol betreffende het verdrag en de akte inzake de toetreding van de Tsjechische Republiek, de Republiek Estland, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, de Republiek Hongarije, de Republiek Malta, de Republiek Polen, de Republiek Slovenië en de Slowaakse Republiek.

36. Verklaring betreffende de doorreis van personen over land tussen de regio Kaliningrad en andere delen van de Russische Federatie

De Conferentie,

Gezien de bijzondere positie van de regio Kaliningrad van de Russische Federatie in de context van de uitbreiding van de Unie;

Indachtig de verplichtingen en toezeggingen van Litouwen in het kader van het acquis inzake de totstandbrenging van een ruimte van vrijheid, veiligheid en recht;

Er met name nota van nemend dat Litouwen het acquis van de Unie met betrekking tot de lijst van landen waarvan de onderdanen bij overschrijding van de buitengrenzen in het bezit moeten zijn van een visum, en van landen waarvan de onderdanen zijn vrijgesteld van deze plicht, alsook het acquis van de Unie inzake een uniform visummodel, uiterlijk vanaf de toetreding volledig moet toepassen en uitvoeren;

Erkennend dat de doorreis van personen over land tussen de regio Kaliningrad en andere delen van de Russische Federatie over het grondgebied van de Unie een aangelegenheid is die de Unie als geheel betreft en als zodanig behandeld moet worden en geen negatieve gevolgen voor Litouwen mag hebben;

Overwegende dat de Raad moet besluiten de controles aan de binnengrenzen op te heffen nadat hij heeft vastgesteld dat aan de daartoe noodzakelijke voorwaarden voldaan is;

Vastbesloten Litouwen te helpen zo spoedig mogelijk de voorwaarden te vervullen om volledig te kunnen deelnemen aan het Schengengebied zonder binnengrenzen;

Benadrukt dat te dien einde specifieke bepalingen zijn opgenomen in deel twee, titel V, van het Protocol betreffende het verdrag en de akte inzake de toetreding van de Tsjechische Republiek, de Republiek Estland, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, de Republiek Hongarije, de Republiek Malta, de Republiek Polen, de Republiek Slovenië en de Slowaakse Republiek.

37. Verklaring betreffende eenheid 1 en eenheid 2 van de V1-kerncentrale van Bohunice in Slowakije

De Conferentie,

Nota nemend van de toezegging van Slowakije dat het eenheid 1 en eenheid 2 van de V1-kerncentrale in Bohunice respectievelijk eind 2006 en eind 2008 zal sluiten, en uiting gevend aan de bereidheid van de Unie om tot 2006 financiële steun te blijven verlenen ter voortzetting van de pretoetredingssteun in het kader van het PHARE-programma, teneinde Slowakije bij te staan bij de ontmanteling;

Nota nemend van de noodzaak om uitvoeringsbepalingen vast te stellen voor de voortzetting van de steun van de Unie;

Benadrukt dat te dien einde specifieke bepalingen zijn opgenomen in deel twee, titel IX, van het Protocol betreffende het verdrag en de akte inzake de toetreding van de Tsjechische Republiek, de Republiek Estland, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, de Republiek Hongarije, de Republiek Malta, de Republiek Polen, de Republiek Slovenië en de Slowaakse Republiek.

38. Verklaring betreffende Cyprus

De Conferentie,

Bevestigend dat zij gehecht is aan een algehele regeling van het vraagstuk Cyprus, in overeenstemming met de desbetreffende resoluties van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties, en dat zij de inspanningen te dien einde van de secretaris-generaal van de Verenigde Naties krachtig steunt;

Overwegende dat een dergelijke algehele regeling van het vraagstuk Cyprus nog niet tot stand is gekomen;

Overwegende dat derhalve de invoering van het acquis moet worden opgeschort in de zones van de Republiek Cyprus waarover de regering van de Republiek Cyprus niet feitelijk het gezag uitoefent;

Overwegende dat deze opschorting zal worden ingetrokken zodra een oplossing is gevonden voor het vraagstuk Cyprus;

Overwegende dat de Unie bereid is, in overeenstemming met de beginselen waarop zij is gegrondvest, zich naar de voorwaarden van een dergelijke regeling te schikken;

Overwegende dat de voorwaarden moeten worden vastgesteld waaronder de toepasselijke bepalingen van het recht van de Unie gelden ten aanzien van de grens tussen enerzijds de bovengenoemde zones en anderzijds de zones waarover de regering van de Republiek Cyprus feitelijk het gezag uitoefent, alsmede de oostelijke zone onder de soevereiniteit van het Verenigd Koninkrijk van Groot Brittannië en Noord-Ierland;

De wens uitend dat de toetreding van Cyprus tot de Europese Unie alle Cypriotische burgers ten goede komt en vrede en verzoening bevordert;

Overwegende derhalve dat deel 2, titel X, van het Protocol betreffende het verdrag en de akte inzake de toetreding van de Tsjechische Republiek, de Republiek Estland, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, de Republiek Hongarije, de Republiek Malta, de Republiek Polen, de Republiek Slovenië en de Slowaakse Republiek in geen enkel opzicht een beletsel mag zijn voor daartoe strekkende maatregelen;

Overwegende dat zulke maatregelen onverlet laten, de toepassing van het acquis in alle andere gebiedsdelen van de Republiek Cyprus volgens de voorwaarden van genoemd Protocol;

Benadrukt dat te dien einde specifieke bepalingen zijn opgenomen in deel 2, titel X, van het Protocol betreffende het verdrag en de akte inzake de toetreding van de Tsjechische Republiek, de Republiek Estland, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, de Republiek Hongarije, de Republiek Malta, de Republiek Polen, de Republiek Slovenië en de Slowaakse Republiek.

39. Verklaring inzake het Protocol betreffende de positie van Denemarken

De Conferentie neemt er nota van dat Denemarken, met betrekking tot rechtshandelingen die de Raad alleen of samen met het Europees Parlement moet vaststellen en die zowel bepalingen bevatten die op Denemarken van toepassing zijn als bepalingen die dat niet zijn omdat zij een rechtsgrondslag hebben waarop deel I van het Protocol betreffende de positie van Denemarken van toepassing is, verklaart dat het zijn stemrecht niet zal gebruiken om de vaststelling tegen te gaan van bepalingen die niet op Denemarken van toepassing zijn.

Voorts neemt de Conferentie er nota van dat Denemarken, op basis van de verklaring over artikel I-43 en artikel III-329, verklaart dat de Deense deelneming aan een optreden of aan wetgevingshandelingen op grond van artikel I-43 en artikel III-329 zal geschieden overeenkomstig deel I en deel II van het Protocol betreffende de positie van Denemarken.

40. Verklaring inzake het Protocol betreffende de overgangsbepalingen inzake de instellingen en organen van de Unie

Op de conferenties over de toetreding van Roemenië en/of Bulgarije tot de Unie zullen de lidstaten het volgende standpunt innemen met betrekking tot de verdeling van de zetels in het Europees Parlement en de stemmenweging in de Europese Raad en de Raad.

    1. Indien Roemenië en/of Bulgarije tot de Unie toetreden voordat het in artikel I-20, lid 2, bedoelde besluit van de Europese Raad in werking treedt, worden de zetels in het Europees Parlement gedurende de zittingsperiode 2004-2009 als volgt verdeeld voor een Unie met 27 lidstaten. Derhalve zal het toetredingsverdrag met de Unie, in afwijking van artikel I-20, lid 2, bepalen dat het aantal leden van het Europees Parlement gedurende de resterende zittingsperiode 2004-2009 tijdelijk meer kan bedragen dan 750.
LIDSTATEN ZETELS IN HET EP
Duitsland 99
Verenigd Koninkrijk 78
Frankrijk 78
Italië 78
Spanje 54
Polen 54
Roemenië 35
Nederland 27
Griekenland 24
Tsjechische Republiek 24
België 24
Hongarije 24
Portugal 24
Zweden 19
Bulgarije 18
Oostenrijk 18
Slowakije 14
Denemarken 14
Finland 14
Ierland 13
Litouwen 13
Letland 9
Slovenië 7
Estland 6
Cyprus 6
Luxemburg 6
Malta 5
TOTAAL 785
    1. Bij iedere toetreding wordt de in het Protocol betreffende de overgangsbepalingen inzake de instellingen en organen van de Unie bedoelde drempel berekend overeenkomstig artikel 2, lid 3, van dat protocol.
41. Verklaring inzake Italië

De Conferentie neemt er akte van dat het Protocol betreffende Italië, dat in 1957 aan het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap is gehecht, zoals gewijzigd bij de goedkeuring van het Verdrag betreffende de Europese Unie, het volgende bepaalde:

„De Hoge Verdragsluitende Partijen,

Verlangende bepaalde bijzondere vraagstukken te regelen welke voor Italië van belang zijn,

Hebben overeenstemming bereikt omtrent de volgende bepalingen, welke aan het Verdrag zijn gehecht:

De Lidstaten van de Gemeenschap

Nemen kennis van het feit dat de Italiaanse regering een aanvang heeft gemaakt met de tenuitvoerlegging van een tienjarenplan voor economische expansie, dat tot doel heeft een evenwicht tot stand te brengen in de structuur van de Italiaanse economie, met name door de minderontwikkelde streken in het zuiden en op de eilanden toe te rusten en door nieuwe werkgelegenheid te scheppen, ten einde de werkloosheid uit te schakelen;

Brengen in herinnering dat dit programma van de Italiaanse regering door organisaties van internationale samenwerking waarvan zij lid zijn, in zijn beginselen en zijn doelstellingen in beschouwing is genomen en goedgekeurd;

Erkennen dat het in hun gemeenschappelijk belang is dat de doelstellingen van het Italiaanse programma worden bereikt;

Komen overeen, ten einde de vervulling van de taak der Italiaanse regering te vergemakkelijken, aan de instellingen van de Gemeenschap aan te bevelen alle in het Verdrag bedoelde middelen en procedures aan te wenden, met name een doeltreffend gebruik te maken van de middelen van de Europese Investeringsbank en het Europees Sociaal Fonds;

Zijn van mening dat door de instellingen van de Gemeenschap bij de toepassing van het Verdrag rekening moet worden gehouden met de krachtsinspanning welke de Italiaanse economie zich gedurende de eerstkomende jaren moet getroosten, en met de wenselijkheid gevaarlijke spanningen te voorkomen, met name in de betalingsbalans en het peil van werkgelegenheid, welke de toepassing van dat Verdrag in Italië in gevaar zouden kunnen brengen;

Erkennen in het bijzonder dat er bij de toepassing van de artikelen 109 H en 109 I voor gewaakt moet worden dat de maatregelen welke van de Italiaanse regering worden verlangd, het volbrengen van haar programma voor economische expansie en voor verbetering van de levensstandaard van de bevolking niet aantasten.”

VERKLARINGEN VAN LIDSTATEN

42. Verklaring van het Koninkrijk der Nederlanden ad artikel I-55

Het Koninkrijk der Nederlanden zal instemmen met een Europees besluit, bedoeld in artikel I-55, lid 4, zodra een herziening van de in artikel I-54, lid 3, bedoelde Europese wet Nederland een bevredigende oplossing heeft geboden voor zijn buitensporige negatieve nettobetalingspositie ten opzichte van de begroting van de Unie.

43. Verklaring van het Koninkrijk der Nederlanden ad artikel IV-440

Het Koninkrijk der Nederlanden verklaart dat een initiatief tot een Europees besluit, als bedoeld in artikel IV-440, lid 7, strekkende tot wijziging van de status van de Nederlandse Antillen en/of Aruba ten aanzien van de Unie alleen zal worden ingediend op grond van een besluit dat genomen is in overeenstemming met het Statuut van het Koninkrijk der Nederlanden.

44. Verklaring van de Bondsrepubliek Duitsland, Ierland, de Republiek Hongarije, de Republiek Oostenrijk en het Koninkrijk Zweden

Duitsland, Ierland, Hongarije, Oostenrijk en Zweden merken op dat de belangrijkste bepalingen van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie sinds de inwerkingtreding van dat verdrag inhoudelijk niet zijn gewijzigd en moeten worden geactualiseerd. Daarom steunen zij het idee van een zo spoedig mogelijk bijeen te roepen Conferentie van de vertegenwoordigers van de regeringen der lidstaten.

45. Verklaring van het Koninkrijk Spanje en van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland

Het Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa is van toepassing op Gibraltar als een Europees gebiedsdeel waarvan de buitenlandse betrekkingen door een lidstaat worden behartigd. Dit houdt geen wijziging van de respectieve standpunten van de betrokken lidstaten in.

46. Verklaring van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland betreffende de definitie van de term „onderdanen”

Wat betreft het Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, en handelingen die voortvloeien uit die verdragen of van kracht blijven op grond van die verdragen, herinnert het Verenigd Koninkrijk aan de verklaring die het op 31 december 1982 heeft afgelegd over de definitie van de term „onderdanen”, met dien verstande dat het begrip „burgers van Britse afhankelijke gebieden” gelezen moet worden als „burgers van Britse overzeese gebieden”.

47. Verklaring van het Koninkrijk Spanje betreffende de definitie van de term „onderdanen”

Spanje constateert dat overeenkomstig artikel I-10 van het Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa eenieder die de nationaliteit van een lidstaat bezit burger is van de Unie. Spanje neemt tevens nota van het feit dat, bij de huidige stand van de Europese integratie, waarvan het Verdrag de afspiegeling is, alleen de onderdanen van de lidstaten de specifieke rechten van het Europees burgerschap genieten, tenzij het recht van de Unie dit uitdrukkelijk anders bepaalt. In dit verband onderstreept Spanje tot slot dat volgens de artikelen I-20 en I-46 van het Verdrag het Europees Parlement thans de burgers van de Unie vertegenwoordigt.

48. Verklaring van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Britannië en Noord-Ierland betreffende het kiesrecht bij verkiezingen voor het Europees Parlement

Het Verenigd Koninkrijk merkt op dat artikel I-20 en andere bepalingen van de Grondwet niet bedoeld zijn om wijzigingen aan te brengen in de grondslagen voor het kiesrecht bij verkiezingen voor het Europees Parlement.

49. Verklaring van het Koninkrijk België inzake de nationale parlementen

Het Koninkrijk België verduidelijkt dat, overeenkomstig zijn grondwettelijk recht, zowel de kamer van Volksvertegenwoordigers en de Senaat van het federaal Parlement als de parlementaire vergaderingen van de Gemeenschappen en Gewesten, in functie van de bevoegdheden die de Unie uitoefent, optreden als componenten van het nationaal parlementair stelsel of als kamers van het nationaal Parlement.

50. Verklaring van de Republiek Letland en de Republiek Hongarije over de spelling van de naam van de enige munteenheid in het Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa

Onverminderd de uniforme spelling van de naam van de in het Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa bedoelde enige munteenheid van de Europese Unie zoals die op de bankbiljetten en munten staat, verklaren Letland en Hongarije dat de spelling van de naam van de enige munteenheid en van de afgeleide vormen daarvan in de Letse en de Hongaarse tekst van het Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa geen gevolgen heeft voor de bestaande regels voor de Letse en de Hongaarse taal.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)