Besluit van 5 augustus 1989, houdende nadere regelen voor de veiligheid van Vissersvaartuigen
Lastplanken en inrichtingen waarmede vistuig wordt vastgezet, moeten zodanig zijn aangebracht dat de werking van waterloospoorten niet vermindert. Lastplanken moeten zo zijn geconstrueerd dat zij bij gebruik in de juiste stand kunnen worden vastgezet en de lozing van overkomend water niet belemmeren.
Bij vaartuigen bestemd om te worden gebruikt in wateren waar ijsafzetting kan voorkomen, moeten kleppen en voorzieningen ter bescherming van waterloospoorten als bedoeld in het zevende lid, gemakkelijk kunnen worden verwijderd teneinde ijsafzetting te beperken.
§ 2. Uitrusting en keuring van materialen
Artikel 43. Uitrusting voor het ankeren en het meren
Een vaartuig moet zodanig zijn uitgerust dat het snel en veilig kan ankeren. De uitrusting dient daartoe te bestaan uit ankers met toebehoren, ankerkettingen of staaldraadkabels, stoppers en een ankerspil of andere voorzieningen voor het laten vallen van het anker, het lichten van het anker en het ten anker houden van het vaartuig tijdens elke te voorziene bedrijfsomstandigheid.
Een vaartuig moet tevens zijn uitgerust met doelmatig meergerei, teneinde onder alle bedrijfsomstandigheden veilig te kunnen meren.
De uitrusting voor het ankeren en voor het meren moet voldoen aan het bepaalde in deze paragraaf en moet tevens ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie zijn.
Artikel 44. Anker- en meergerei
De ankers moeten in voldoend aantal aanwezig zijn en van voldoende gewicht en sterkte zijn. De ankerkettingen of ankerkabels moeten van voldoende lengte, gewicht en sterkte zijn, terwijl elk van de ankerkettingen uit de nodige, onderling verbonden, losneembare einden moet bestaan. Er moet een reserve anker- en kettingsluiting aan boord aanwezig zijn.
De ankers en kettingen moeten worden gekeurd op de wijze, als in deze paragraaf is voorgeschreven.
De ankerkettingen moeten zodanig aan het vaartuig zijn bevestigd, dat zij buiten de kettingbak kunnen worden ontsloten.
De voor een vaartuig bestemde ankerkettingen mogen niet worden gebruikt voor het remmen tijdens het te water lopen van het vaartuig.
De ankerinrichting moet wat bouw, plaatsing en vermogen betreft, zodanig zijn, dat de ankers gemakkelijk en snel kunnen worden bediend, terwijl een bijzondere borginrichting van de ankers aanwezig moet zijn, die het uitlopen ten gevolge van schok of stoot voorkomt.
Al het aan boord aanwezige meergerei moet van voldoende sterkte zijn en moet geschikt zijn voor het beoogde gebruik.
Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan nadere regels geven ten aanzien van anker- en meergerei.
Artikel 45. Het keuren van materialen - algemeen
Alleen indien materialen bestemd voor de bouw van of herstellingen aan vaartuigen of scheepswerktuigen dan wel voor ankers en kettingen, niet zijn gekeurd door of vanwege een klassebureau, geschiedt de keuring daarvan door de ambtenaren van de Scheepvaartinspectie, die daarbij de in deze paragraaf vermelde voorschriften in acht nemen. Bovendien kunnen door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie nadere regels worden gegeven.
Artikel 46. Beproevingstoestellen
Een toestel waarin materialen naar hoedanigheid worden beproefd, dient, blijkens een certificaat afgegeven door een door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie erkende instelling, te zijn geijkt.
Artikel 47. Kosten beproeving
De kosten van de beproeving komen ten laste van de betrokken scheepsbouwmeester of machinefabrikant.
Indien een beproeving buiten Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba plaatsvindt, dienen de beproevingstoestellen door een in het betrokken land bevoegde instantie te zijn geijkt. Een geldig bewijs hiervan wordt overgelegd.
Artikel 48. Bijwonen beproeving
Elke beproeving of keuring mag door de betrokken scheepsbouwmeester of machinefabrikant of zijn gemachtigde worden bijgewoond.
Artikel 49. Keuring, keuringseisen, enzovoort
De voorschriften betreffende maatafwijkingen, keuze en aanwijzing van proefstukken, keuring, afkeuring, wijze en middelen van beproeving, keuringseisen en al wat daarbij hoort zoals deze zijn neergelegd in de desbetreffende normen van het Nederlands Normalisatie Instituut worden bij de beoordeling van materialen gevolgd, tenzij in de volgende bepalingen van deze paragraaf afwijkende voorschriften voorkomen.
Bovendien kunnen door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie nadere regels worden gegeven.
Waar in de in het eerste lid bedoelde normen wordt gesproken van «besteller of diens gemachtigde» of «leverancier», dient voor de toepassing van deze paragraaf te worden gelezen: «ambtenaar van de Scheepvaartinspectie» onderscheidenlijk «scheepsbouwmeester of machinefabrikant».
Staal gebezigd bij de bouw van romp en werktuigen en voor ankers en kettingen moet zijn vervaardigd volgens het open-haardproces of volgens een proces dat door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie of door een klassebureau wordt geacht een gelijkwaardig product te leveren.
Artikel 50. Keuringsmerk
Zowel de proefstukken als de stukken waaraan deze zijn ontleend, worden door de met de keuring belaste ambtenaar voorzien van het hierna afgebeelde slagmerkteken.
Artikel 51. Afkeuringsmerk
Afgekeurde voorwerpen worden door de met de keuring belaste ambtenaar voorzien van het in artikel 50 afgebeelde slagmerkteken, waardoor een kruis wordt geslagen op een wijze zoals hierna is afgebeeld.
Artikel 52. Gevallen waarin materialen niet worden gekeurd
De betrokken ambtenaar van de Scheepvaartinspectie kan voor bepaalde gevallen, met het oog op de aard van het werk waarvoor het materiaal moet worden gebruikt, gedeeltelijk van het nemen van proeven afzien. Indien het in dergelijke gevallen zeer kleine partijen betreft, kan door hem de keuring geheel achterwege worden gelaten.
Artikel 53. Afkeuring
Elk onderdeel kan te allen tijde, zowel tijdens als na de bewerking, nog worden afgekeurd wanneer dit gebreken vertoont, ook wanneer deze gebreken materiaalfouten zijn die bij de materiaalkeuring niet zijn opgemerkt.
Artikel 54. Ankers, kenmerken, gewicht
Elk ter beproeving aangeboden anker moet zijn voorzien van een goed leesbaar slagmerk en ingeslagen nummer, onderscheidenlijk aanduidend de naam van de fabrikant en het doorlopend fabrikatienummer.
Tevens moeten de massa van het anker zonder stok en dat van de eventueel bijbehorende stok, beide afzonderlijk gewogen, duidelijk op de schacht van het anker zijn ingeslagen.
Nadat de voorgeschreven belastingproef met goed gevolg heeft plaatsgehad, wordt onder de in het voorgaande lid genoemde merken door of ten overstaan van de met de keuring belaste ambtenaar het slagmerkteken van de Scheepvaartinspectie ingeslagen.
Ankers met een massa van niet meer dan 70 kg behoeven niet te worden beproefd.
Waar in deze paragraaf van de massa van het anker wordt gesproken, wordt de massa zonder stok bedoeld.
Artikel 55. Beproeving van ankers
Ankerdelen van gegoten staal moeten worden onderworpen aan een valproef die zij moeten kunnen doorstaan zonder te breken, te scheuren of andere belangrijke beschadiging. Hierbij laat men een dergelijk gegoten stalen onderdeel, of indien het anker uit één stuk is gegoten het gehele anker, vallen over een vrije valhoogte van 4,50 m voor ankers lichter dan 750 kg, over een hoogte van 4 m voor ankers van 750 tot 1500 kg en over een hoogte van 3 m voor zwaardere ankers. Het voorwerp moet bij de val neerkomen op een ijzeren of stalen grondplaat die zo sterk is dat zij niet breekt of scheurt. De grondplaat moet door een massieve gemetselde of betonnen fundatie worden gesteund.
Een hamerproef moet op de in het voorgaande lid bedoelde valproef volgen, waarbij alle delen van gegoten staal, vrij opgehangen, met een hamer van 3 kg worden beklopt voor onderzoek naar niet zichtbare gebreken.
Alle ankers, onverschillig uit welk materiaal vervaardigd, met uitzondering van dreggen en ankers als bedoeld in artikel 54, vierde lid, moeten worden onderworpen aan een belastingproef. Deze proef wordt genomen met behulp van een kettingtrekbank of op een andere door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie goedgekeurde wijze. Voor de te bezigen werktuigen geldt het bepaalde in artikel 46. De in artikel 58 opgenomen tabel geeft, in verband met de massa van het anker, de te gebruiken belasting aan. Ankers die op grond van hun constructie van geringere massa mogen zijn dan de gebruikelijke typen, moeten worden beproefd met een belasting zoals voorgeschreven indien geen reductie op de massa zou zijn toegepast.
Voor de belastingproef wordt het te beproeven anker zodanig opgehangen, dat de trekkracht aan de ene zijde aangrijpt aan de roering en aan de andere zijde aan een van de vloeien, bij stokloze ankers aan beide vloeien, op een derde van de lengte van de arm van de vloei, van de punt van de vloei gemeten. Met deze lengte wordt bedoeld de afstand van de punt van de vloei tot het snijpunt van de hartlijn van de schacht met ondereind anker. Bij ankers met een scharnierende schacht neemt men voor deze lengte de loodrechte afstand tussen de punt van de vloei en de hartlijn van het scharnier. Elk anker wordt tweemaal beproefd. Na de eerste beproeving wordt het anker gedraaid, zodat bij ankers met stok de andere vloeiarm wordt belast en bij stokloze ankers beide vloeien aan de keerzijde worden belast.
Gedurende en na afloop van de beproeving wordt het anker nagezien om te constateren of zich gebreken voordoen als scheuren, blijvende vormveranderingen en dergelijke. Indien zich gebreken voordoen, wordt het anker afgekeurd. Bij ankers met scharnierende schacht wordt bovendien nagezien of de scharnierpunten gangbaar zijn gebleven. Indien zij niet gangbaar zijn gebleven, wordt dit hersteld en de proef herhaald.
Artikel 56. Ankerkettingen
Met uitzondering van de eindschalmen en de onmiddellijk daarop aansluitende grote schalmen aan elk kettingeind, moeten alle schalmen van gelijke grootte zijn. In de lengte- en breedte-afmetingen wordt voor de schalmen en sluitingen een speling toegestaan van ten hoogste plus of min 2 percent. De speling van de middellijnen van de schalmdoorsnede mag naar beneden niet meer bedragen dan:
1 mm, voor ketting van kettingmateriaal met een middellijn kleiner dan 50 mm;
1,5 mm voor ketting van kettingmateriaal met een middellijn van 50 tot en met 75 mm; en
2 mm voor ketting van kettingmateriaal met een middellijn groter dan 75 mm.
Elk kettingeind, ongeveer 27 m lang, moet uit een oneven aantal schalmen bestaan.
Wartels mogen alleen aan de uiteinden van de gehele ketting voorkomen.
De kettingen mogen tijdens de beproeving noch geschilderd, noch geolied, noch met enig ander smeersel zijn bedekt.
Elk kettingeind dat aan de eisen voldoet, moet op beide eindschalmen en op alle sluitings, eindharpen en wartels door of ten overstaan van de met de keuring belaste ambtenaar duidelijk worden gemerkt met het slagmerkteken als bedoeld in artikel 50.
Artikel 57. Beproeving van ankerkettingen
Alle kettingeinden, ook voorloopkettingen, behorende tot het ankergerei van een vaartuig moeten worden beproefd. Hiertoe worden alle schalmen, wartels, sluitings en eindharpen, die tot zulk een eind behoren, alsmede de bij de ketting eventueel behorende reserve sluitings en harpen, onderworpen aan een rekproef. De in artikel 59 opgenomen tabel geeft voor de verschillende zwaarten van ketting de voorgeschreven belasting. Belangrijke vormveranderingen, breuken of andere uitwendige tekenen van beschadiging mogen zich daarbij niet voordoen. Indien dit wel het geval mocht zijn, wordt het betrokken eind ketting of reservedeel afgekeurd. Het bepaalde in artikel 46 is van overeenkomstige toepassing.
Voordat tot deze rekproef wordt overgegaan, kunnen door de met de keuring belaste ambtenaar, drie willekeurige, opvolgende gewone schalmen uit een kettingeind worden aangewezen voor een proef met verhoogde belasting, de zogenaamde breekproef, met dien verstande dat uit elke 27 m nooit meer dan een eerste breekproef wordt gehouden. Bij deze breekproef mogen de schalmen niet breken beneden of bij een belasting zoals is aangegeven voor elk zwaarte van ketting in de in het voorgaande lid bedoelde tabel. Breekt een van de drie schalmen voordat de belasting is overschreden dan moet een tweede serie van drie opvolgende schalmen uit hetzelfde eind worden onderworpen aan dezelfde proef. Treedt er nogmaals een breuk op, dan wordt het betrokken kettingeind afgekeurd.
Na afloop van de breekproef worden de drie hoogbelaste schalmen uit het kettingeind verwijderd en de ketting weer tot een geheel gemaakt, door een of drie nieuwe schalmen tussen beide gedeelten te brengen. Daarna kan tot de in het eerste lid genoemde rekproef worden overgegaan.
Na afloop van de rekproef wordt elk kettingeind grondig nagezien om vast te stellen of de lassen in orde zijn, de verschillende delen de vereiste vorm en de vereiste afmetingen hebben en er geen gebreken zijn. Bij het voorkomen van gebreken moeten deze worden hersteld en het kettingeind daarna opnieuw aan de rekproef worden onderworpen.
Voor kettingen vervaardigd van staal met een treksterkte die gelijk is aan of groter is dan 690 N/mm2 moeten aanvullende beproevingen van de mechanische eigenschappen worden uitgevoerd, zoals voorgeschreven door de klassebureaus.
Artikel 58. Tabel, aangevende de te gebruiken belasting bij het beproeven van ankers
| Massa in kg van het anker. Bij stokankers de massa zonder stok | Belastingproef in kN |
|---|---|
| 50 | 23,2 |
| 55 | 25 |
| 60 | 27 |
| 65 | 29 |
| 70 | 31 |
| 75 | 32,5 |
| 80 | 34 |
| 90 | 36 |
| 100 | 39 |
| 120 | 44 |
| 140 | 49 |
| 160 | 53 |
| 180 | 57 |
| 200 | 61 |
| 225 | 67 |
| 250 | 70 |
| 275 | 75 |
| 300 | 79 |
| 325 | 84 |
| 350 | 88 |
| 375 | 93 |
| 400 | 97 |
| 425 | 102 |
| 450 | 106 |
| 475 | 111 |
| 500 | 115 |
| 550 | 124 |
| 600 | 132 |
| 650 | 140 |
| 700 | 150 |
| 750 | 157 |
| 800 | 165 |
| 850 | 174 |
| 900 | 182 |
| 950 | 190 |
| 1000 | 200 |
| 1050 | 207 |
| 1100 | 215 |
| 1150 | 223 |
| 1200 | 230 |
| 1250 | 240 |
| 1300 | 247 |
| 1350 | 255 |
| 1400 | 260 |
| 1450 | 270 |
| 1500 | 275 |
| 1600 | 290 |
| 1700 | 305 |
| 1800 | 320 |
| 1900 | 335 |
| 2000 | 350 |
| 2100 | 360 |
| 2200 | 375 |
| 2300 | 385 |
| 2400 | 400 |
| 2500 | 410 |
| 2600 | 425 |
| 2700 | 435 |
| 2800 | 450 |
| 2900 | 460 |
| 3000 | 470 |
| 3100 | 480 |
| 3200 | 495 |
| 3300 | 505 |
| 3400 | 515 |
| 3500 | 525 |
| 3600 | 535 |
| 3700 | 545 |
| 3800 | 555 |
| 3900 | 565 |
| 4000 | 575 |
| 4100 | 585 |
| 4200 | 595 |
| 4300 | 600 |
| 4400 | 610 |
| 4500 | 620 |
| 4600 | 630 |
| 4700 | 635 |
| 4800 | 645 |
| 4900 | 650 |
| 5000 | 660 |
| 5100 | 665 |
| 5200 | 675 |
| 5300 | 680 |
| 5400 | 690 |
| 5500 | 695 |
| 5600 | 705 |
| 5700 | 710 |
| 5800 | 720 |
| 5900 | 725 |
| 6000 | 730 |
| 6100 | 740 |
| 6200 | 745 |
| 6300 | 750 |
| 6400 | 760 |
| 6500 | 765 |
| 6600 | 770 |
| 6700 | 775 |
| 6800 | 785 |
| 6900 | 790 |
| 7000 | 800 |
| 7200 | 815 |
| 7400 | 830 |
| 7600 | 845 |
| 7800 | 860 |
| 8000 | 875 |
| 8200 | 890 |
| 8400 | 905 |
| 8600 | 920 |
| 8800 | 935 |
| 9000 | 945 |
| 9200 | 960 |
| 9400 | 970 |
| 9600 | 985 |
| 9800 | 995 |
| 10000 | 1010 |
| 10500 | 1030 |
| 11000 | 1060 |
| 11500 | 1080 |
| 12000 | 1100 |
| 12500 | 1120 |
| 13000 | 1150 |
| 13500 | 1170 |
| 14000 | 1200 |
| 14500 | 1220 |
| 15000 | 1250 |
| 15500 | 1270 |
| 16000 | 1300 |
| 16500 | 1330 |
| 17000 | 1350 |
| 17500 | 1390 |
| 18000 | 1410 |
| 18500 | 1450 |
| 19000 | 1470 |
| 19500 | 1500 |
| 20000 | 1520 |
| 21000 | 1560 |
| 22000 | 1610 |
| 23000 | 1660 |
| 24000 | 1700 |
| 25000 | 1750 |
| 26000 | 1800 |
| 27000 | 1850 |
| 28000 | 1900 |
| 29000 | 1950 |
| 30000 | 2000 |
| 31000 | 2030 |
| 32000 | 2060 |
| 34000 | 2150 |
| 36000 | 2250 |
| 38000 | 2350 |
| 40000 | 2400 |
| 42000 | 2500 |
| 44000 | 2550 |
| 46000 | 2650 |
Artikel 59. Tabel, aangevende de te gebruiken belasting bij het beproeven van ankerkettingen met dam
| Staal met een treksterkte van 300–490 N/mm2 | Staal met een treksterkte van 300–490 N/mm2 | Staal met een treksterkte van 490–690 N/mm2 | Staal met een treksterkte van 490–690 N/mm2 | Staal met een treksterkte van ≥ 690 N/mm2 | Staal met een treksterkte van ≥ 690 N/mm2 | Massa per lengte van 27,50 m | Massa per lengte van 27,50 m | |
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Nominale diameter | Breekproef | Rekproef | Breekproef | Rekproef | Breekproef | Rekproef | Met D-sluiting | Met Patent-sluiting |
| mm | kN | kN | kN | kN | kN | kN | kg | kg |
| 12,5 | 66 | 46 | 92 | 66 | 132 | 92 | 100 | 98 |
| 14 | 82 | 58 | 115 | 82 | 165 | 115 | 122 | 120 |
| 16 | 106 | 75 | 150 | 106 | 215 | 150 | 157 | 155 |
| 17,5 | 127 | 89 | 180 | 127 | 255 | 180 | 186 | 184 |
| 19 | 150 | 105 | 210 | 150 | 300 | 210 | 218 | 215 |
| 20,5 | 175 | 122 | 245 | 175 | 350 | 245 | 253 | 250 |
| 22 | 200 | 140 | 280 | 200 | 400 | 280 | 290 | 287 |
| 24 | 235 | 166 | 330 | 235 | 475 | 330 | 343 | 339 |
| 26 | 275 | 195 | 390 | 275 | 555 | 390 | 400 | 395 |
| 28 | 320 | 225 | 445 | 320 | 640 | 445 | 462 | 456 |
| 30 | 365 | 255 | 510 | 365 | 730 | 510 | 530 | 523 |
| 32 | 415 | 290 | 580 | 415 | 830 | 580 | 603 | 594 |
| 34 | 465 | 325 | 655 | 465 | 935 | 655 | 680 | 670 |
| 36 | 520 | 365 | 730 | 520 | 1050 | 730 | 760 | 750 |
| 38 | 580 | 405 | 810 | 580 | 1150 | 810 | 850 | 835 |
| 40 | 640 | 445 | 895 | 640 | 1280 | 895 | 930 | 915 |
| 42 | 700 | 490 | 980 | 700 | 1400 | 980 | 1030 | 1010 |
| 44 | 765 | 535 | 1070 | 765 | 1550 | 1070 | 1140 | 1120 |
| 46 | 835 | 585 | 1160 | 835 | 1670 | 1160 | 1235 | 1210 |
| 48 | 905 | 635 | 1270 | 905 | 1800 | 1270 | 1345 | 1320 |
| 50 | 980 | 685 | 1370 | 980 | 1950 | 1370 | 1460 | 1430 |
| 52 | 1050 | 735 | 1480 | 1050 | 2100 | 1480 | 1585 | 1555 |
| 54 | 1130 | 790 | 1600 | 1130 | 2250 | 1600 | 1700 | 1665 |
| 56 | 1210 | 850 | 1700 | 1210 | 2450 | 1700 | 1840 | 1800 |
| 58 | 1300 | 905 | 1800 | 1300 | 2600 | 1800 | 1980 | 1930 |
| 60 | 1380 | 965 | 1950 | 1380 | 2750 | 1950 | 2120 | 2065 |
| 62 | 1470 | 1020 | 2050 | 1470 | 2950 | 2050 | 2255 | 2200 |
| 64 | 1550 | 1100 | 2200 | 1550 | 3100 | 2200 | 2395 | 2330 |
| 66 | 1650 | 1150 | 2300 | 1650 | 3300 | 2300 | 2570 | 2505 |
| 68 | 1750 | 1220 | 2450 | 1750 | 3500 | 2450 | 2715 | 2635 |
| 70 | 1850 | 1300 | 2600 | 1850 | 3700 | 2600 | 2900 | 2815 |
| 73 | 2000 | 1400 | 2800 | 2000 | 4000 | 2800 | 3150 | 3065 |
| 76 | 2150 | 1500 | 3000 | 2150 | 4300 | 3000 | 3425 | 3315 |
| 78 | 2250 | 1570 | 3150 | 2250 | 4500 | 3150 | 3620 | 3500 |
| 81 | 2400 | 1700 | 3350 | 2400 | 4800 | 3350 | 3880 | 3745 |
| 84 | 2600 | 1800 | 3600 | 2600 | 5150 | 3600 | 4135 | 3980 |
| 87 | 2750 | 1920 | 3850 | 2750 | 5500 | 3850 | 4485 | 4315 |
| 90 | 2900 | 2050 | 4050 | 2900 | 5800 | 4050 | 4840 | 4655 |
| 92 | 3050 | 2120 | 4250 | 3050 | 6050 | 4250 | 5040 | 4845 |
| 95 | 3200 | 2250 | 4500 | 3200 | 6400 | 4500 | 5410 | 5190 |
| 97 | 3350 | 2350 | 4650 | 3350 | 6650 | 4650 | 5610 | 5375 |
| 100 | 3500 | 2450 | 4900 | 3500 | 7050 | 4900 | 5980 | 5725 |
| 102 | 3650 | 2550 | 5100 | 3650 | 7300 | 5100 | 6170 | 5900 |
| 105 | 3850 | 2700 | 5350 | 3850 | 7650 | 5350 | 6540 | 6245 |
| 107 | 3950 | 2800 | 5550 | 3950 | 7950 | 5550 | 6910 | 6610 |
| 111 | 4250 | 2950 | 5900 | 4250 | 8450 | 5900 | 7270 | 6930 |
| 114 | 4400 | 3100 | 6200 | 4400 | 8850 | 6200 | 7885 | 7505 |
| 117 | 4650 | 3250 | 6500 | 4650 | 9250 | 6500 | 8260 | 7850 |
| 120 | 4850 | 3400 | 6800 | 4850 | 9700 | 6800 | 8630 | 8190 |
| 122 | 5000 | 3500 | 7000 | 5000 | 9950 | 7000 | 9065 | 8605 |
| 124 | 5100 | 3600 | 7150 | 5100 | 10200 | 7150 | 9200 | 8725 |
| 127 | 5350 | 3750 | 7450 | 5350 | 10700 | 7450 | 9870 | 9370 |
| 130 | 5550 | 3900 | 7750 | 5550 | 11100 | 7750 | 10250 | 9690 |
| 132 | 5700 | 4000 | 8000 | 5700 | 11500 | 8000 | 10730 | 10145 |
| 137 | 6050 | 4250 | 8500 | 6050 | 12100 | 8500 | 11575 | 10920 |
| 142 | 6450 | 4500 | 9000 | 6450 | 13000 | 9000 | 12420 | 11690 |
| 147 | 6800 | 4750 | 9550 | 6800 | 13600 | 9550 | 13265 | 12455 |
| 152 | 7200 | 5050 | 10100 | 7200 | 14500 | 10100 | 14090 | 13195 |
| 157 | 7600 | 5300 | 10600 | 7600 | 15200 | 10600 | 15030 | 14080 |
| 162 | 7950 | 5550 | 11100 | 7950 | 16000 | 11100 | 16000 | 14990 |
Hoofdstuk 3. Stabiliteit en de daarmede verband houdende zeewaardigheid
§ 1. Stabiliteit en de daarmede verband houdende zeewaardigheid
Artikel 60. Algemeen
Vaartuigen moeten zo zijn ontworpen en geconstrueerd dat aan de bepalingen van dit hoofdstuk wordt voldaan in de bedrijfstoestanden als bedoeld in artikel 66. Berekeningen van de krommen van de armen van statische stabiliteit moeten voldoen aan de door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie nader te stellen regels.
Artikel 61. Stabiliteitscriteria
Een vaartuig moet voldoen aan de door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie te stellen eisen betreffende de minimum stabiliteitscriteria.
Wanneer voorzieningen, andere dan kimkielen zijn aangebracht teneinde het slingeren te beperken, moet ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie worden aangetoond dat in alle bedrijfstoestanden de stabiliteit ten minste zal blijven voldoen aan de criteria als bedoeld in het eerste lid.
Wanneer ballast is aangebracht teneinde zeker te stellen dat wordt voldaan aan het bepaalde in het eerste lid, moet deze in het algemeen bestaan uit vast aangebrachte ballast. Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan in gevallen als bedoeld in artikel 67 het gebruik van waterballast toestaan in welk geval de in artikel 69, eerste lid, bedoelde stabiliteitsgegevens duidelijke instructies voor de kapitein moeten bevatten voor het gebruik van zulke ballast.
Artikel 62. Vervuld raken van visruimen
Op vaartuigen, andere dan die waarmede de boomkorvisserij wordt uitgeoefend, moeten luikopeningen die tijdens het uitoefenen van visserijwerkzaamheden niet gesloten zijn en die niet snel gesloten kunnen worden, zodanig zijn aangebracht dat bij een hellingshoek van 20 graden of minder geen water de visruimen kan binnendringen, tenzij aan het bepaalde in artikel 61, eerste lid, kan blijven worden voldaan wanneer die visruimen geheel of gedeeltelijk vervuld zijn geraakt.
Het bepaalde in het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op vaartuigen waarmede de boomkorvisserij wordt uitgeoefend, met dien verstande dat de hellingshoek waarbij geen water de visruimen kan binnendringen, 30 graden of minder moet bedragen.
Artikel 63. Bijzondere vismethoden
Vaartuigen die worden gebruikt voor bijzondere vismethoden waarbij extra krachten van buitenaf op het vaartuig werken tijdens de visserij-werkzaamheden, moeten ten minste voldoen aan de stabiliteitscriteria bedoeld in artikel 61, tweede lid, die zonodig ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kunnen worden uitgebreid.
Artikel 64. Invloed van de wind
Vaartuigen moeten ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie weerstand kunnen bieden aan de invloed van de wind en het slingeren in de daarmede verband houdende zeegang, waarbij rekening moet worden gehouden met de weersomstandigheden en de toestand van de zee in de jaargetijden waarin het vaartuig dienst zal doen, het type vaartuig en het doel waarvoor het vaartuig wordt gebruikt.
Artikel 65. Water aan dek
Vaartuigen moeten ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie weerstand kunnen bieden aan de invloed van water aan dek, waarbij rekening moet worden gehouden met de weersomstandigheden en de toestand van de zee in de jaargetijden waarin het vaartuig dienst zal doen, het type vaartuig en het doel waarvoor het vaartuig wordt gebruikt.
Artikel 66. Bedrijfstoestanden
Het aantal en soort bedrijfstoestanden waarmede rekening moet worden gehouden wordt vastgesteld door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie.
Artikel 67. IJsafzetting
Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie geeft nadere regels voor het berekenen van de stabiliteit van vaartuigen welke de visserij zullen uitoefenen in gebieden waar zich ijsafzetting kan voordoen.
Vaartuigen die zijn bestemd voor het uitoefenen van de visserij in gebieden waarvan het bekend is dat zich ijsafzetting voordoet, moeten ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie:
- 1°. zodanig zijn ontworpen dat ijsafzetting tot een minimum wordt beperkt; en
- 2°. met middelen voor het verwijderen van ijs zijn uitgerust.
Artikel 68. Hellingproef
Elk vaartuig moet na voltooiing aan een hellingproef worden onderworpen waarbij het werkelijke gewicht en de ligging van het zwaartepunt moeten worden bepaald voor de toestand van het lege, bedrijfsklare vaartuig.
Indien een vaartuig wijzigingen heeft ondergaan die van invloed kunnen zijn op de toestand van het lege, bedrijfsklare vaartuig en de ligging van het zwaartepunt, moet het vaartuig, indien zulks naar het oordeel van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie noodzakelijk is, opnieuw aan een hellingproef worden onderworpen en moeten de stabiliteitsgegevens worden herzien.
Evenzo kan een vaartuig aan een hellingproef worden onderworpen indien de nodige stabiliteitsgegevens niet kunnen worden overgelegd dan wel deze gegevens naar het oordeel van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie onvoldoende betrouwbaar zijn.
Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan nadere regels geven voor de wijze waarop een hellingproef moet worden uitgevoerd.
Artikel 69. Stabiliteitsgegevens
Aan de kapitein moeten voldoende nauwkeurige en betrouwbare gegevens betreffende de stabiliteit ter beschikking worden gesteld, opdat door hem op een snelle en eenvoudige wijze de stabiliteit van het vaartuig onder verschillende bedrijfstoestanden kan worden beoordeeld. Deze gegevens moeten zonodig gerichte instructies voor de kapitein bevatten die hem waarschuwen voor die bedrijfstoestanden die een ongunstige invloed kunnen hebben op de stabiliteit of de trim van het vaartuig. De stabiliteitsgegevens moeten ter goedkeuring worden overgelegd aan het Hoofd van de Scheepvaartinspectie.
De goedgekeurde stabiliteitsgegevens moeten te allen tijde aan boord aanwezig en beschikbaar zijn.
Indien een vaartuig wijzigingen heeft ondergaan die van invloed zijn op zijn stabiliteit, moeten de gegevens betreffende de stabiliteit opnieuw worden berekend en ter goedkeuring aan het Hoofd van de Scheepvaartinspectie worden overgelegd. Indien op grond van deze stabiliteitsberekeningen het Hoofd van de Scheepvaartinspectie van oordeel is dat de bestaande stabiliteitsgegevens moeten worden herzien, moeten de nieuwe gegevens aan de kapitein ter beschikking worden gesteld en moeten de vervangen gegevens worden verwijderd.
Artikel 70. Keeschotten
De vislading moet deugdelijk worden gestuwd teneinde het overgaan van de lading, waardoor een gevaarlijke vertrimming of slagzij van het vaartuig zou kunnen ontstaan, tegen te gaan. Indien hiertoe keeschotten worden toegepast, moeten deze voldoen aan door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie te stellen eisen.
Artikel 71. Boeghoogte
De boeghoogte moet toereikend zijn om te voorkomen dat het vaartuig bovenmatige hoeveelheden water overkrijgt en moet zodanig zijn vastgesteld, dat rekening is gehouden met de weersomstandigheden en de toestand van de zee in de jaargetijden waarin het vaartuig dienst zal doen, het type vaartuig en het doel waarvoor het vaartuig wordt gebruikt.
Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan nadere regels geven ten aanzien van de boeghoogte.
Artikel 72. Maximum toelaatbare diepgang
Ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie moet een maximum toelaatbare diepgang worden vastgesteld waarbij nog wordt voldaan aan de stabiliteitscriteria gesteld in dit hoofdstuk zomede aan het bepaalde, voorzover van toepassing, in de hoofdstukken 2 en 6. De vastgestelde waarde van de maximum toelaatbare diepgang moet in de in artikel 69, eerste lid, bedoelde stabiliteitsgegevens worden opgenomen. Indien een vaartuig is ingericht voor meer dan één vismethode, kan het Hoofd van de Scheepvaartinspectie voor elk van die methoden een maximum toelaatbare diepgang in overweging nemen.
Artikel 73. Waterdichte indeling en lekstabiliteit
Van een vaartuig waarvan de lengte 100 m of meer bedraagt en met 100 of meer opvarenden aan boord moet ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie de stabiliteit toereikend zijn om het lek geraken van enig compartiment te kunnen doorstaan, waarbij rekening moet worden gehouden met het type vaartuig, de aard van de dienst waarvoor het vaartuig bestemd is en het vaargebied.
Hoofdstuk 4. Machine-installaties, elektrische installaties en tijdelijk onbemande machinekamers
§ 1. Algemeen
Artikel 74. Algemeen
Hoofdvoortstuwingsinstallaties en toebehoren, hulpwerktuigen, brandstofsystemen, elektrische installaties, koelsystemen, ketels en andere drukvaten, pijpleidingen en pompinstallaties, stuurmachines en toebehoren, assen en koppelingen, bestemd voor de overdracht van vermogen, moeten zijn ontworpen, geconstrueerd, ingericht, beproefd en onderhouden ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie. De uitvoering en opstelling van deze machine-installaties, met inbegrip van hefwerktuigen, lieren en uitrusting voor de behandeling en verwerking van vis, moeten zodanig zijn, dat de veiligheid en de gezondheid van in de nabijheid aanwezige personen zoveel mogelijk is gewaarborgd. Waar nodig moeten ter beveiliging tegen bewegende delen, hete oppervlakken en andere gevaren, schermplaten, handgrepen of hekwerk zijn aangebracht.
Ruimten voor machines moeten zodanig zijn ontworpen dat alle werktuigen en de daarbij behorende bedieningsinstallaties, alsmede alle andere onderdelen die onderhoud kunnen vereisen, veilig en gemakkelijk toegankelijk zijn. De betreffende ruimten moeten voldoende kunnen worden geventileerd.
De bouw en de uitvoering van de werktuiglijke installatie en de inrichting der ruimten waarin tot de installatie behorende werktuigen zijn geplaatst, moeten ten minste voldoen aan de eisen gesteld door een klassebureau, voor zover bij of krachtens dit besluit daaromtrent geen andere voorschriften zijn gegeven. Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan hieromtrent nadere voorschriften geven.
Roosters, bordessen en vloerplaten moeten deugdelijk zijn gesteund en bevestigd. Vloerplaten moeten gemakkelijk kunnen worden losgenomen.
Reservedelen, scheepsbenodigdheden en dergelijke moeten deugdelijk zijn opgeborgen en mogen de doorgang niet versperren.
In ruimten voor machines moeten de vullings of de tanktop ter plaatse van de lenskorven kunnen worden gecontroleerd zonder dat hiertoe vloerplaten behoeven te worden losgenomen. Aan boord van een vaartuig, waarvan de lengte 45 m of meer bedraagt, moet voor dit doel tevens een vast aangebrachte verlichting aanwezig zijn, die voldoet aan het bepaalde in artikel 127.
In ruimten waarin één of meer met olie gestookte ketels zijn opgesteld, moeten op doelmatige plaatsen roosters zijn aangebracht teneinde de tanktop of de vullings onder de stookplaat te allen tijde te kunnen controleren. Voor dit doel moet tevens een vast aangebrachte verlichting aanwezig zijn, die voldoet aan het bepaalde in artikel 127.
Voorzieningen moeten zijn aangebracht om de goede werking van de voortstuwingsinstallatie te kunnen handhaven of herstellen, zelfs indien één van de essentiële hulpinstallaties uitvalt. Bijzondere aandacht moet daarbij worden gegeven aan de goede werking van:
- 1°. de inrichtingen die de brandstoftoevoer naar de hoofd-voortstuwingsinstallatie verzorgen;
- 2°. de normale middelen die de smeeroliedruk verzorgen;
- 3°. de hydraulische, pneumatische en elektrische middelen voor de bediening van de hoofdvoortstuwingsinstallatie met inbegrip van de verstelbare schroeven;
- 4°. de middelen om de koelwaterdruk ten behoeve van de koelsystemen van de hoofdvoortstuwingsinstallatie en de hulpwerktuigen te verzorgen; en
- 5°. de luchtcompressoren en de luchtvaten voor aanzet- of bedieningsdoeleinden.
Voorzieningen moeten zijn aangebracht met behulp waarvan de machine-installatie in werking kan worden gesteld vanuit een dood-schip-toestand zonder dat hulp van buiten wordt geboden.
Hoofdvoortstuwingsinstallaties en alle hulpinstallaties die noodzakelijk zijn voor de voortstuwing en de veiligheid van het vaartuig, moeten, zoals zij zijn geïnstalleerd, kunnen functioneren ongeacht of het vaartuig recht ligt dan wel een slagzij maakt tot 15 graden naar beide zijden onder statische omstandigheden of een slagzij tot 22½ graden naar beide zijden onder dynamische omstandigheden, waarbij het vaartuig over beide zijden slingert en gelijktijdig een dynamisc he stampbeweging tot 7½ graden over de boeg of achtersteven maakt. Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan, rekening houdende met het type, de afmetingen en het gebruik van het vaartuig, toestaan dat van deze criteria wordt afgeweken.
Het ontwerp, de constructie en de installatie van voortstuwingssystemen moet zodanig zijn, dat binnen de normale bedrijfsgebieden op geen enkele wijze door trillingen abnormale spanningen in deze voortstuwingssystemen worden veroorzaakt.
Aan boord van elk vaartuig, moeten met betrekking tot de controle over en de beveiliging van de werktuiglijke installatie en van de ruimten waarin de tot de installatie behorende werktuigen zijn geplaatst, zodanige voorzieningen zijn getroffen als door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie worden nodig geacht. Indien onder deze voorzieningen een alarmering is begrepen welke waarschuwt tegen een te hoge waterstand in de vullingen van genoemde ruimten, moeten constructie, uitvoering en aanleg van een dergelijke alarmeringsinstallatie voldoen aan de eisen gesteld door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie.
Elektrische installaties moeten zodanig zijn uitgevoerd dat:
- 1°. alle elektrische hulpdiensten, nodig om de normale toestand van bedrijfsvoering en leefbaarheid te handhaven, verzekerd zijn zonder dat behoeft te worden teruggevallen op de noodkrachtbron;
- 2°. elektrische diensten welke essentieel zijn voor de veiligheid tijdens verschillende noodtoestanden, verzekerd zijn; en
- 3°. de veiligheid van bemanning en vaartuig tegen gevaren van elektrische aard is gewaarborgd.
Ten aanzien van elektrische installaties dient te allen tijde te worden voldaan aan het bepaalde in paragraaf 3, voor zover op het vaartuig van toepassing.
Aan boord van vaartuigen met tijdelijk onbemande machinekamers:
- 1°. moet, onverminderd het bepaalde in de paragrafen 1 en 2 en het bepaalde in hoofdstuk 5, bovendien worden voldaan aan het bepaalde in paragraaf 4;
- 2°. moeten, ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie, zodanige voorzieningen worden getroffen dat het zeker is dat de gehele machine-installatie onder alle omstandigheden op betrouwbare wijze functioneert. In elk geval moeten deze voorzieningen regelmatige inspecties en ronden omvatten teneinde de voortdurende goede werking van de machine-installatie te verzekeren; en
- 3°. moet een verklaring aanwezig zijn, afgegeven door of namens het Hoofd van de Scheepvaartinspectie, waaruit blijkt dat deze vaartuigen zijn ingericht om met tijdelijk onbemande machinekamers te varen.
Aan boord van een werktuiglijk voortbewogen vaartuig moeten gereedschap, materiaal en verwisselstukken in voldoende hoeveelheid aanwezig zijn, om op zee noodherstellingen aan de werktuigen, de ketels, de stuurinrichting en de elektrische installatie te kunnen uitvoeren.
De samenstellende delen van de scheepsromp en van de werktuigen en inrichtingen, die van belang kunnen zijn voor de veiligheid van vaartuig en opvarenden, mogen niet te veel zijn ingeteerd of versleten. Assen mogen niet op gevaarlijke wijze zijn verzakt.
§ 2. Machine-installaties
Artikel 75. Machine-installaties
De hoofd- en hulpwerktuigen moeten, zowel in hun geheel als in onderdelen, goed functioneren, voldoende sterk geconstrueerd, nauwkeurig gesteld, deugdelijk gefundeerd en voor hun taak berekend zijn.
Hoofd- en hulpwerktuigen die noodzakelijk zijn voor de voortstuwing en de veiligheid van het vaartuig, moeten zijn voorzien van doelmatige bedieningsmiddelen.
Verbrandingsmotoren met een cilinderdiameter van 200 mm of meer, of een krukkast volume van 0,6 m3 of meer, moeten zijn voorzien van ontlastkleppen voor krukkastexplosies; deze ontlastkleppen moeten van een geschikt type zijn en een voldoende ontlast-oppervlak hebben. De ontlastkleppen moeten zodanig zijn aangebracht of met zodanige voorzieningen zijn uitgerust dat bij in werking treden van de ontlastkleppen de uitstroming zodanig wordt geleid dat de kans op letsel aan de opvarenden tot een minimum wordt beperkt.
Indien hoofd- of hulpwerktuigen, drukvaten inbegrepen, of onderdelen van deze werktuigen aan inwendige druk zijn onderworpen en aan gevaarlijke overdruk kunnen worden blootgesteld moeten, waar praktisch uitvoerbaar, voorzieningen worden getroffen die tegen zulk een te hoge druk beschermen.
Alle tandwieloverbrengingen en elke as en koppeling welke gebruikt worden voor het overbrengen van vermogen naar werktuigen die essentieel zijn voor de voortstuwing en veiligheid van het vaartuig en van de opvarenden, moeten zodanig zijn ontworpen en vervaardigd dat zij bestand zijn tegen de hoogste spanningen waaraan zij kunnen worden onderworpen in alle bedrijfstoestanden. Speciale aandacht dient te worden geschonken aan de uitvoering van de werktuigen waardoor zij worden aangedreven of waarvan zij een onderdeel uitmaken.
Voortstuwingswerktuigen en, waar van toepassing, hulpwerktuigen moeten voorzien zijn van automatisch werkende voorzieningen om deze uit te schakelen bij storingen, zoals het uitvallen van de smeerolietoevoer, die aanleiding kunnen geven tot ernstige schade, onklaar geraken of explosie. Tevens moet een vooralarm zijn aangebracht opdat een waarschuwingssignaal wordt gegeven alvorens de machines automatisch worden gestopt. Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan echter voorzieningen toestaan, waarmede de automatische stopinrichtingen buiten werking kunnen worden gesteld, dan wel ontheffing verlenen van het bepaalde in dit lid, rekening houdende met het type vaartuig of het bijzondere gebruik daarvan.
Artikel 76. Voortstuwingsvermogen
Er moet een zodanig voortstuwingsvermogen kunnen worden ontwikkeld, dat het vaartuig onder alle in de praktijk voorkomende omstandigheden behoorlijk manoeuvreerbaar is.
Ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie moet worden aangetoond dat de machine-installatie in staat is de richting van de stuwdruk van de schroef binnen redelijke tijd om te keren en hiermede binnen redelijke afstand de vaart uit het vaartuig te halen vanuit de maximum dienstsnelheid vooruit.
Artikel 77. Stoom- en damptoestellen, aanzetluchtvaten en andere drukhouders
Stoom- en damptoestellen, aanzetluchtvaten en andere drukhouders moeten voldoende sterk zijn geconstrueerd en beveiligd.
Bij de beoordeling van de constructie en uitvoering van de in het voorgaande lid bedoelde toestellen, luchtvaten en drukhouders, zomede van hun appendages, aansluitingen en leidingen, zullen de regels van de klassebureaus worden gevolgd, voor zover bij of krachtens dit besluit geen andere voorschriften zijn gegeven.
De in het eerste lid bedoelde toestellen, luchtvaten en drukhouders moeten worden beproefd overeenkomstig de regels van de klassebureaus, voor zover bij of krachtens dit besluit geen andere voorschriften zijn gegeven.
Hydrofoortanks moeten zijn voorzien van een manometer, een veiligheidsklep en een peilglas of van daaraan naar het oordeel van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie gelijkwaardige veiligheidsvoorzieningen. Een tank met een inhoud van meer dan 200 l moet zijn voorzien van een man- of handgat.
Onverminderd het bepaalde in dit artikel moeten stoom- en damptoestellen, aanzetluchtvaten en andere drukhouders tevens voldoen aan het bepaalde in de artikelen 78 tot en met 80, voor zover van toepassing.
Artikel 78. Stoomketels, voedingwatersystemen en stoomleidingen
Elke stoomketel en elke ongestookte stoomgenerator moet zijn voorzien van ten minste twee veiligheidskleppen van voldoende capaciteit, met dien verstande dat het Hoofd van de Scheepvaartinspectie, rekening houdende met de capaciteit of enige andere eigenschap van stoomketels of ongestookte stoomgenerators, kan toestaan dat slechts één veiligheidsklep is aangebracht, mits hij ervan overtuigd is dat in dat geval voorzien is in een afdoende beveiliging tegen overdruk.
Elke met olie gestookte stoomketel die is ontworpen om niet met de hand te worden bediend, moet voorzien zijn van veiligheidsinrichtingen die de olietoevoer afsluiten en alarm geven in geval van laag waterpeil, storing in de luchttoevoer of vlamstoring.
Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan nadere regels geven voor stoomketelinstallaties, teneinde zeker te stellen dat voedingwatersystemen, bedieningsapparatuur en veiligheidsvoorzieningen in alle opzichten geschikt zijn om de veiligheid van ketels, stoomdrukvaten en stoomleidingen te garanderen.
Artikel 79. Stoomafsluiters
Afsluiters aan een stoomketel, door middel waarvan stoom kan worden toegelaten in een hoofd- of hulpstoomleiding, moeten vanaf een door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie goedgekeurde plaats kunnen worden gesloten. Daar waar de afsluiters worden bediend, moet een duidelijke aanwijzing zijn aangebracht in welke richting moet worden gedraaid om de stoomtoevoer af te sluiten.
Artikel 80. Systemen voor samengeperste lucht
Op elk vaartuig moeten voorzieningen zijn aangebracht om ongewenste overdruk te voorkomen in enig deel van systemen voor samengeperste lucht en in die gevallen waarin watermantels of cilinderblokken van luchtcompressoren en huizen van koelers kunnen worden onderworpen aan een gevaarlijke overdruk ten gevolge van lekkage naar deze delen afkomstig van onder luchtdruk staande onderdelen. Doelmatige ontlastvoorzieningen moeten op deze systemen zijn aangebracht.
De aanzetluchtleidingen van alle voortstuwingsmotoren moeten zijn voorzien van een veiligheidsinrichting. De aanzetluchtleidingen van direct omkeerbare voortstuwingsmotoren moeten voorts zijn voorzien van veiligheidsinrichtingen nabij de aanzetluchtkleppen op elke werkcilinder, teneinde explosies in de aanzetluchtleidingen te voorkomen of te localiseren. De hierboven genoemde veiligheidsinrichtingen moeten zodanig zijn geplaatst of beschermd, dat bij het in werking komen daarvan geen gevaar voor het bedienend personeel kan ontstaan.
Alle persleidingen van de aanzetluchtcompressoren moeten rechtstreeks zijn aangesloten op de aanzetluchtvaten, terwijl alle aanzetluchtleidingen van de aanzetluchtvaten naar de hoofden hulpmotoren geheel moeten zijn gescheiden van het persleidingsysteem van de compressoren.
Voorzieningen moeten zijn getroffen om het binnendringen van olie in de systemen voor samengeperste lucht tot een minimum te beperken en om deze olie uit het betreffende systeem af te voeren.
De totale capaciteit van aanzetluchtvaten voor voortstuwingsmotoren moet voldoende groot zijn om, zonder tussentijds bijpompen van lucht, bij:
- 1°. direct omkeerbare motoren: twaalf maal te kunnen aanzetten, afwisselend in beide draairichtingen;
- 2°. motoren met één draairichting: zes maal te kunnen aanzetten.
De capaciteit van de luchtcompressoren moet voldoende groot zijn om de lege luchtvaten binnen één uur weer op de werkdruk te brengen.
Artikel 81. Communicatie tussen brug, machinekamer, bedieningsplaats hulpstuurinrichting, verblijven van kapitein en hoofdwerktuigkundige
Vanaf de brug moeten door middel van ten minste twee onafhankelijke communicatiemiddelen op doeltreffende wijze orders kunnen worden gegeven naar de plaats in de machinekamer of in de controlekamer waar in normale omstandigheden de voortstuwingsinstallatie kan worden bediend. Bedoelde orders moeten vanaf deze plaats ook kunnen worden beantwoord.
Aan boord van een vaartuig waarvan de lengte 45 m of meer bedraagt moet een van deze communicatiemiddelen een machinekamertelegraaf zijn, die zowel op de brug als op de bedieningsplaats de orders en de beantwoording daarvan zichtbaar aangeeft. Tussen de brug en elke andere plaats waar de voortstuwingsinstallatie kan worden bediend moet een doelmatig communicatiemiddel aanwezig zijn.
Aan boord van een vaartuig waarvan de lengte minder dan 45 m bedraagt, waarop de bediening vanaf de voortstuwingsinstallatie geschiedt vanaf de brug, kan indien de uitvoering van de afstandsbediening voldoet aan de daarvoor door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie te stellen eisen en de inrichting en uitvoering van de machineinstallatie naar zijn oordeel hiervoor in aanmerking komt, de telegraaf worden vervangen door een andere doeltreffende rechtstreekse verbinding.
Vanaf de brug, dient eveneens een doeltreffende rechtstreekse spreekverbinding te bestaan met de plaats waar de hulpstuurinrichting wordt bediend en met de verblijven van de kapitein.
Op vaartuigen waarvan de lengte 45 m of meer bedraagt moet vanaf de plaats of plaatsen waar het voortstuwingswerktuig of de voortstuwingswerktuigen kan of kunnen worden bediend, een doeltreffende rechtstreekse spreekverbinding bestaan met de verblijven van de hoofdwerktuigkundige.
De in de voorgaande leden bedoelde doeltreffende spreekverbinding moet voldoen aan het bepaalde in artikel 111.
Artikel 82. Bediening van de voortstuwingsinstallatie
Indien een voortstuwingswerktuig, behalve ter plaatse of vanaf een daartoe speciaal aanwezige bedieningspost, ook rechtstreeks vanaf de brug kan worden bediend:
- 1.1. moeten onder alle bedrijfsomstandigheden waaronder het manoeuvreren, de snelheid, de richting van de stuwkracht en, indien van toepassing, de spoed van de verstelbare schroef volledig door middel van afstandbediening vanaf de brug kunnen worden geregeld;
- 1.2. moet de afstandbediening als bedoeld onder 1 ten genoegen zijn van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie en verricht worden door middel van een bedieningsapparaat, dat zonodig voorzien moet zijn van een inrichting die voorkomt dat de voortstuwingswerktuigen worden overbelast;
- 1.3. moeten de hoofdvoortstuwingswerktuigen voorzien zijn van een noodstopinrichting op de brug, die onafhankelijk moet werken van het bedieningssysteem op de brug als bedoeld onder 1;
- 1.4. moet de hiervoor benodigde omschakelinrichting ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie zodanig zijn uitgevoerd, dat:
- 1°. nimmer gelijktijdig vanaf meer dan één bedieningsplaats het voortstuwingswerktuig kan worden aangezet, dan wel, indien van toepassing, de spoed van de verstelbare schroef kan worden versteld;
- 2°. het nimmer kan voorkomen dat door omschakeling van de bediening de stuwkracht een noemenswaardige verandering ondergaat; en
- 3°. op elke bedieningsplaats op duidelijke wijze blijkt welke bedieningsplaats is ingeschakeld. De overschakeling van de bediening van de brug naar de ruimte voor machines dient alleen mogelijk te zijn in de ruimte voor machines of in de controlekamer. Voor vaartuigen waarvan de lengte minder dan 45 m bedraagt, kan het Hoofd van de Scheepvaartinspectie toestaan dat de bedieningsplaats in de ruimte voor machines alleen een noodbedieningsplaats is, mits de controle- inrichting en bedieningsorganen op de brug doelmatig zijn;
- 1.5. moeten instrumenten op de brug zijn aangebracht die aangeven:
- 1°. de omwentelingssnelheid en de draairichting van de schroef in het geval het vaartuig is voorzien van vaste schroeven;
- 2°. de omwentelingssnelheid en de stand van de spoed in het geval het vaartuig is voorzien van verstelbare schroeven; en
- 3°. het vooralarm zoals voorgeschreven in artikel 75, zesde lid;
- 1.6. moeten, indien een storing optreedt in een onderdeel van het afstandbedieningssysteem, de voortstuwingswerktuigen op andere wijze kunnen worden bediend;
- 1.7. moet, tenzij het Hoofd van de Scheepvaartinspectie van oordeel is dat zulks praktisch niet uitvoerbaar is, het afstandbedieningssysteem zodanig zijn ontworpen, dat bij uitvallen alarm wordt gegeven en de vooraf ingestelde snelheid en richting van de stuwkracht worden gehandhaafd totdat de bediening op andere wijze wordt overgenomen; en
- 1.8. moet, indien de afstandsbediening van het voortstuwingswerktuig is ingericht voor automatisch aanzetten, het aantal keren waarop automatische, opeenvolgende, vergeefse startpogingen verricht kunnen worden zodanig zijn begrensd dat voldoende aanzetlucht aanwezig blijft voor het aanzetten van het voortstuwingswerktuig ter plaatse. Er moet een alarm zijn aangebracht in de ruimte voor machines dat een lage aanzetdruk aangeeft en dat is afgesteld op een druk waarbij aanzetten van het voortstuwingswerktuig nog mogelijk is. Indien het voortstuwingswerktuig een direct omkeerbare motor is moet dit alarm ook op de brug zijn aangebracht.
Aan boord van een vaartuig waar het omkeren van de door de schroef uitgeoefende stuwdruk geschiedt door het verstellen van de schroefbladen, moet dit verstellen in elk geval in de ruimte voor machines kunnen geschieden.
Wanneer de hoofdvoortstuwingswerktuigen en bijbehorende machine-installaties met inbegrip van de elektrische hoofdkrachtbron zijn voorzien van verschillende graden van automatische bediening of afstandbediening en daarop voortdurend toezicht wordt gehouden vanuit een controlekamer, moet deze controlekamer zodanig zijn ontworpen, uitgerust en ingericht, dat de werking van de machine-installaties even veilig en doeltreffend is als wanneer daarop rechtstreeks toezicht wordt gehouden.
Automatische systemen voor aanzetten, regeling en bediening moeten in het algemeen voorzieningen omvatten om de bediening van deze systemen met de hand over te kunnen nemen. Storing in enig gedeelte van deze systemen mag het gebruik van voorzieningen voor handbediening niet verhinderen.
Artikel 83. Gebruik van ontvlambare oliën
Als vloeibare brandstof mag slechts olie worden gebruikt waarvan het vlampunt niet lager is dan 60°C, behalve voor noodagregaten, waarvoor olie met een vlampunt van niet lager dan 43°C mag worden gebruikt.
Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan echter het algemeen gebruik toestaan van brandstofolie met een vlampunt lager dan 60°C, maar niet lager dan 43°C, onder zodanige voorzorgen als hij nodig acht en op voorwaarde dat de temperatuur in de ruimte waarin zulk brandstofolie is opgeslagen of wordt gebruikt, niet zal mogen stijgen tot een waarde hoger dan 10°C onder het vlampunt van de brandstofolie.
Veilige en doeltreffende middelen ter bepaling van de hoeveelheid brandstofolie in een tank dienen aanwezig te zijn. Indien peilpijpen zijn aangebracht, moeten de boveneinden daarvan op veilige plaatsen uitkomen en voorzien zijn van doeltreffende middelen voor afsluiting. Buisvormige peilglazen mogen niet worden toegepast. Andere middelen ter vaststelling van de hoeveelheid brandstofolie in een tank kunnen worden toegestaan, mits het bij het onklaar raken daarvan of het overvullen van de tanks niet mogelijk is dat daardoor brandstofolie buiten de tank geraakt.
Voorzieningen moeten zijn getroffen ter vermijding van overdruk in een brandstofolietank of in een gedeelte van het brandstofoliesysteem, met inbegrip van verwarmingstoestellen, vulpijpen en dergelijke. Ontlastkleppen en lucht- of overvloeipijpen moeten afvoeren naar een veilige plaats, ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie.
Iedere brandstofleiding waaruit bij beschadiging olie zou kunnen ontsnappen uit een boven de dubbele bodem opgestelde voorraad-, bezink- of dagtank moet direct aan de tank zijn voorzien van een afsluiter die vanaf een veilige plaats buiten de betrokken ruimte waarin dergelijke tanks zijn geplaatst, kan worden gesloten in het geval dat in die ruimte brand uitbreekt. In het bijzondere geval van dieptanks in een schroefas- of pijpentunnel of een dergelijke ruimte, moeten afsluiters op deze tanks zijn aangebracht. De afsluiting in het geval van brand mag evenwel worden bewerkstelligd door middel van een extra afsluiter in de pijp of pijpen buiten de tunnel of dergelijke ruimte. Indien zulk een extra afsluiter is aangebracht in de ruimte voor machines, moet deze afsluiter vanaf een plaats buiten deze ruimte kunnen worden bediend.
Pompen die deel uitmaken van het brandstofleidingsysteem, moeten gescheiden zijn van elk ander leidingsysteem en de aansluitingen op de betrokken pompen moeten zijn voorzien van een doelmatige ontlastklep die deel uitmaakt van een gesloten systeem. Wanneer brandstofolietanks tevens gebruikt kunnen worden als ballasttanks, moeten doelmatige voorzieningen zijn getroffen om het brandstofleidingsysteem en het ballastleidingsysteem van elkaar te scheiden.
Olietanks mogen niet zodanig zijn gelegen dat overvloeien of lekkage van vloeistof daaruit op hete oppervlakken een gevaar kan vormen. Voorzorgsmaatregelen moeten zijn genomen om te voorkomen dat olie onder druk, die uit een pomp, filter of voorwarmers zou kunnen ontsnappen, in aanraking komt met hete oppervlakken.
Brandstofleidingen en hun afsluiters en bevestigingen, moeten van staal of ander goedgekeurd materiaal zijn, behoudens dat het Hoofd van de Scheepvaartinspectie een beperkt gebruik van flexibele leidingen kan toestaan op plaatsen waar ten genoegen van genoemd hoofd kan worden aangetoond dat deze noodzakelijk zijn. Dergelijke flexibele leidingen en hun eindbevestigingen moeten van goedgekeurd brandbestendig materiaal van voldoende sterkte zijn en hun constructie moet ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie zijn.
Waar dit noodzakelijk is, moeten brandstofolie- en smeerolieleidingen, voor zover praktisch uitvoerbaar, zijn afgeschermd of op andere wijze doeltreffend zijn beveiligd teneinde olienevel of olielekkage op hete oppervlakken of in luchtinlaten van werktuigen te voorkomen. Het aantal koppelingen in pijpleidingen moet tot een minimum worden beperkt.
Voor zover dit praktisch uitvoerbaar is, moeten de brandstofolietanks deel uitmaken van de scheepsconstructie en buiten de ruimten voor machines van categorie A gelegen zijn. Wanneer brandstofolietanks, geen dubbele bodemtanks zijnde, noodzakelijkerwijze naast of in ruimten voor machines van categorie A gelegen zijn, moet ten minste één van hun verticale zijden samenvallen met de begrenzingswanden van de ruimte voor machines en moeten zij bij voorkeur een gemeenschappelijke begrenzingswand hebben met dubbele bodemtanks indien deze zijn aangebracht. De oppervlakte van de begrenzingswand tussen de tank en de ruimte voor machines moet zo klein mogelijk zijn. Wanneer dergelijke tanks gelegen zijn binnen de begrenzingswanden van ruimten voor machines van categorie A mogen zij geen brandstofolie bevatten met een vlampunt dat lager is dan 60°C. Het gebruik van vrijstaande brandstofolietanks in brandgevaarlijke ruimten en in het bijzonder in ruimten voor machines van categorie A is in het algemeen niet toegestaan. Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan echter de toepassing van vrijstaande brandstofolietanks toestaan. In dat geval moeten zij zijn geplaatst in een lekbak van ruime afmetingen welke is voorzien van een afvoerleiding van voldoende afmetingen, welke naar een lekolietank leidt met voldoende capaciteit.
De ventilatie van ruimten voor machines moet onder alle bedrijfsomstandigheden voldoende zijn om opeenhoping van oliedampen te voorkomen.
De inrichtingen voor de opslag, verdeling en het gebruik van olie voor smeeroliesystemen onder druk moeten ten genoegen zijn van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie. Wanneer deze inrichtingen zijn aangebracht in ruimten voor machines, moeten zij ten minste voldoen aan het bepaalde in het eerste, tweede, vierde, zevende en achtste lid en, voor zover het Hoofd van de Scheepvaartinspectie dit noodzakelijk acht, aan het bepaalde in het derde en vijfde lid. Het gebruik van kijkglazen in smeeroliesystemen is toegestaan, mits door middel van een proef is aangetoond dat zij in voldoende mate brandbestendig zijn.
De inrichtingen voor de opslag, verdeling en het gebruik van ontvlambare oliën die onder druk worden toegepast in hydraulische systemen voor het overbrengen van vermogen en die geen oliën zijn als bedoeld in het voorgaande lid, zomede van oliën die worden gebruikt in bedienings-, bekrachtigings- en verwarmingssystemen, moeten ten genoegen zijn van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie. Op plaatsen waar ontstekingsbronnen aanwezig zijn, moeten dergelijke inrichtingen ten minste voldoen aan het bepaalde in het derde, vijfde en zevende lid en ten aanzien van sterkte en constructie aan het bepaalde in het vierde en het achtste lid.
In afwijking van het bepaalde in het eerste lid kan het Hoofd van de Scheepvaartinspectie onder door hem te bepalen nadere voorwaarden, toestaan dat voor motoren van hulpverleningsboten vloeibare brandstof met een lager vlampunt wordt gebruikt.
Voorpiektanks mogen geen brandstofolie, smeerolie of andere ontvlambare oliën bevatten.
Artikel 84. Lensinrichting
Elk gedeelte van een vaartuig, voor zover het Hoofd van de Scheepvaartinspectie het hiervoor vatbaar acht, en elke waterdichte afdeling die niet permanent is bestemd voor de berging van olie of water, moeten onder alle omstandigheden die in de praktijk kunnen voorkomen, ongeacht of het vaartuig recht ligt dan wel slagzij heeft, door de lensinrichting kunnen worden leeggepompt. Voor dit doel moet een hoofdlensleiding aanwezig zijn, waarop de lenspompen zijn aangesloten en die is voorzien van de nodige afsluiters en zuigpijpen naar lenskorven in de afdelingen die moeten kunnen worden lensgepompt. De plaatsing van de lenspompen en de ligging van de lensleiding moeten zodanig zijn, dat een goede werking onder alle vorenbedoelde omstandigheden is gewaarborgd.
De lenskorven moeten als regel in de zijden der afdelingen zijn aangebracht. In smalle afdelingen kan, dit ter beoordeling van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie, met één lenskorf worden volstaan, terwijl deze in afdelingen van bijzondere vorm extra lenskorven kan eisen.
Voorzieningen moeten worden getroffen, opdat in een afdeling aanwezig water naar de lenskorven kan toevloeien.
In afwijking van het bepaalde in het eerste lid kan het Hoofd van de Scheepvaartinspectie toestaan dat bepaalde afdelingen waarin een zuigaansluiting onnodig of ongewenst zou zijn, niet op de lensleiding zijn aangesloten.
Indien in een gedeelte van een vaartuig door de aard van het bedrijf of om andere redenen, ongewenste hoeveelheden water kunnen voorkomen, kan het Hoofd van de Scheepvaartinspectie bijzondere voorzieningen voorschrijven voor het lenzen van dit gedeelte.
Het lenzen van koelruimen moet op een doelmatige wijze kunnen geschieden.
Artikel 85. Inrichting van lens- en ballastleidingen
De inrichting van lensleidingen en ballastleidingen met de daarbij behorende pompen moet zodanig zijn, dat geen water rechtstreeks van buitenboord of uit waterballastruimten naar laadruimten en ruimten voor machines of uit de ene waterdichte ruimte naar een andere kan vloeien. Voorts moeten alle leidingen aangesloten op pompen die dienen om laadruimten, ruimten voor machines of andere in artikel 84, eerste lid, bedoelde ruimten lens te houden, afdoende zijn gescheiden van leidingen die kunnen worden gebruikt voor het vullen of ledigen van ruimten waarin water, olie of andere vloeistof wordt vervoerd. Dezelfde voorzorgen moeten zoveel mogelijk in acht worden genomen ten aanzien van brandstof- en ballastleidingen in gevallen waarin tanks afwisselend voor de berging van brandstofolie en ballastwater kunnen worden gebruikt.
Bijzondere voorzieningen moeten zijn getroffen om te voorkomen dat een dieptank met aansluiting zowel aan de lensleiding als aan de ballastleiding door onachtzaamheid hetzij met zeewater volloopt, hetzij door een lenspomp wordt leeggepompt.
In een lensleiding die door het openen van afsluiters of kranen in verbinding kan worden gesteld met een buitenboordopening of waterballastruimte, moeten zich tussen de inlaat en het open einde van de zuigpijp ten minste twee terugslagkleppen bevinden.
De doorvoering van een lensleiding door het aanvaringsschot moet voldoen aan het bepaalde in artikel 27, zevende lid.
Artikel 86. Aftapinrichting
Indien een tank of ruimte die niet op de lensleiding is aangesloten, is voorzien van een wateraftapinrichting moet deze hetzij boven het werkdek kunnen worden bediend, hetzij zich op een steeds toegankelijke plaats bevinden en in dat geval zelfsluitend zijn.
Artikel 87. Uitvoering lens- en ballastleidingen
Lens- en ballastleidingen moeten zijn vervaardigd van staal of een ander goedgekeurd materiaal en, waar nodig, behoorlijk tegen beschadiging zijn beschermd.
Verdeelkasten in lensleidingen moeten zodanig zijn ingericht dat het niet mogelijk is losse en vaste kleppen daarin bij montage abusievelijk te verwisselen. Kleppen in de verdeelkasten van de lensleiding moeten van het terugslagtype zijn. Afsluiters en terugslagkleppen in lensleidingen moeten bij onklaar raken op eenvoudige wijze weer bedrijfsklaar kunnen worden gemaakt.
Een leiding van niet-corrosiebestendig materiaal die wordt gevoerd door een tank die niet in open verbinding staat met die leiding, moet binnen die tank een wanddikte hebben die ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie is.
Artikel 88. Afmetingen lensleidingen
De inwendige middellijn van de lensleidingen moet zijn berekend volgens volgende formules, met dien verstande dat:
- 1°. als inwendige middellijn mag worden toegepast de dichtstbijzijnde standaardpijpmiddellijn, mits deze niet meer dan 5 percent kleiner is dan de berekende;
- 2°. de inwendige middellijn van de hoofdlensleiding en van de leidingen naar de pompen niet kleiner mag zijn dan die van de zuigleidingen naar de lenskorven;
- 3°. de inwendige middellijn van een lensleiding niet kleiner mag zijn dan 50 mm.
De in het eerste lid bedoelde berekende middellijn, uitgedrukt in millimeters, bedraagt:
- 1°. voor de hoofdlensleiding en de leidingen naar de pompen: 25 + 1,68 L(B+D);
- 2°. voor de zuigpijpen naar de lenskorven: 25 + 2,14 l(B+D). In deze formules is: L = de lengte, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder 17; B = de breedte, bedoeldin artikel 2, eerste lid, onder 19; D = de holte, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder 21; en l = de lengte van de waterdichte ruimte, uitgedrukt in meters.
De doorlaat van zuigopeningen van pompen, kranen en afsluiters moet ten minste gelijk zijn aan die van de daarop aangesloten leidingen.
De lensinrichting moet zodanig zijn, dat de totale capaciteit van de pompen, bedoeld in artikel 89, derde lid, kan worden aangewend voor elke waterdichte afdeling die ligt tussen het aanvaringsschot en het achterpiekschot.
Artikel 89. Lenspompen
De in artikel 91, eerste lid, voorgeschreven lenspompen moeten werktuiglijk aangedreven zijn en aangesloten zijn op de hoofdlensleiding.
Met uitzondering van eventueel extra voorgeschreven pompen, uitsluitend bestemd voor piektanks, moet elke voorgeschreven lenspomp kunnen pompen op elke ruimte die ingevolge het bepaalde in artikel 84, eerste lid, moet kunnen worden lensgepompt.
Sanitaire-, ballast- en algemene-dienst-pompen kunnen worden aanvaard als onafhankelijk werktuiglijk gedreven lenspompen, mits zij zijn voorzien van de nodige aansluitingen op de lensleiding. Pompen waarvan de persleiding kan worden afgesloten, moeten zonodig van ontlastkleppen zijn voorzien. Elke pomp die is bestemd om als lenspomp te worden gebruikt, moet zelfaanzuigend zijn.
Indien de werking van twee of meer pompen afhankelijk is van slechts een aandrijfwerktuig of van een krachtbron, kan slechts een van deze pompen als een voorgeschreven pomp worden aangemerkt.
Artikel 90. Rechtstreekse zuigpijpen
Elke in artikel 91, eerste lid, voorgeschreven lenspomp moet zijn voorzien van een rechtstreekse zuigpijp op de ruimte waarin deze is opgesteld. Wanneer twee of meer van dergelijke zuigpijpen in een ruimte aanwezig zijn, moet ten minste een aan bakboordszijde en een aan stuurboordszijde van de ruimte uitmonden. De middellijn van een rechtstreekse zuigpijp mag niet kleiner zijn dan die van de hoofdlensleiding.
In afwijking van het bepaalde in het eerste lid, behoeft aan boord van een vaartuig waarvan de lengte minder dan 75 m bedraagt, slechts een lenspomp voorzien te zijn van een rechtstreekse zuigpijp op de ruimte waarin deze is opgesteld.
In ruimten voor machines moeten de afsluiters van rechtstreekse zuigpijpen boven de vloerplaten kunnen worden bediend.
Artikel 91. Aantal en capaciteit van lenspompen
Een vaartuig moet zijn uitgerust met ten minste twee op de hoofdlensleiding aangesloten lenspompen, die onafhankelijk van het hoofdvoortstuwingswerktuig kunnen worden gebruikt, met dien verstande dat op een vaartuig waarvan de lengte minder dan 55 m bedraagt, kan worden volstaan met één zodanige pomp, mits een andere door het hoofdvoortstuwingswerktuig gedreven lenspomp in staat is alle ruimten van het vaartuig lens te pompen. Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan voor vaartuigen, waarvan de lengte minder dan 24 m bedraagt, afwijking toestaan van het bepaalde in dit lid.
Een van de lenspompen, voorgeschreven in het voorgaande lid, mag worden vervangen door een lensejecteur met bijbehorende werktuiglijk gedreven pomp, mits de andere voorgeschreven lenspomp onafhankelijk van het hoofdvoortstuwingswerktuig kan worden gebruikt. De bij de lensejecteur behorende pomp moet van voldoende capaciteit zijn en onafhankelijk van het hoofdvoortstuwingswerktuig en het lenssysteem kunnen worden gebruikt.
Elke voorgeschreven lenspomp moet aan het water in de hoofdlensleiding een snelheid van ten minste 122 m/min. kunnen geven. Een door het hoofdvoortstuwingswerktuig gedreven lenspomp moet dezelfde snelheid kunnen geven in de voor de ruimte voor machines voorgeschreven zuigpijp naar de lensflessen.
Artikel 92. Voorzieningen in verband met beschadiging van de lensleiding
Aan boord van een vaartuig met meer dan een ruim voor of achter de ruimte voor machines, moeten voorzieningen zijn getroffen, opdat een van deze ruimen niet door een daarin aanwezige lensaansluiting zal vollopen, indien de hierop aangesloten leiding, buiten dat ruim wordt beschadigd. Hiertoe moet in elke zuigleiding, binnen het ruim waarin zich het open zuigeinde bevindt, ter plaatse waar zij dat ruim binnentreedt, een terugslagklep of een vanaf een steeds toegankelijke plaats te bedienen afsluiter aanwezig zijn, indien deze leiding zich op enige plaats dichter bij het scheepsboord bevindt dan 20 percent van de breedte van het vaartuig.
Lensleidingen die aan boord van een vaartuig in de dubbele bodem of in een kokerkiel zijn ondergebracht op een wijze die naar het oordeel van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie beschadiging van die leidingen bij aan de grond lopen mogelijk maakt, moeten ter plaatse van het open zuigeinde zijn voorzien van een terugslagklep of van een afsluiter die vanaf een steeds toegankelijke plaats is te bedienen. Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan een andere uitvoering toestaan die dezelfde veiligheid waarborgt.
Artikel 93. Bescherming tegen geluidhinder
Maatregelen moeten worden getroffen om geluidhinder in ruimten voor machines te beperken tot aanvaardbare niveaus.
Indien de geluidhinder niet voldoende kan worden beperkt moeten de bronnen van het overmatige geluid doeltreffend worden geïsoleerd of afgezonderd, óf er moet voor een aparte geluidarme ruimte worden gezorgd indien de ruimte voor machines bemand moet zijn. Indien nodig moeten oorbeschermers worden verstrekt aan personeel dat deze ruimten moet betreden.
Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan nadere regels geven ten aanzien van maatregelen in verband met bescherming tegen geluidhinder.
Artikel 94. Stuurinrichtingen en roer
Elk vaartuig moet ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie zijn voorzien van een hoofdstuurinrichting en van een hulpstuurinrichting. Deze inrichtingen moeten zodanig zijn, dat voor zover dit mogelijk en praktisch uitvoerbaar is, een enkelvoudige fout in een van de inrichtingen de ander niet buiten werking stelt.
De hoofdstuurinrichting moet voldoende sterk zijn gebouwd en geschikt zijn voor de besturing van het vaartuig bij maximum dienstsnelheid vooruit. De hoofdstuurinrichting, het roer en de roerkoning moeten zodanig zijn ontworpen, dat zij, ook bij maximum snelheid achteruit of bij het manoeuvreren tijdens het vissen, niet worden beschadigd.
Het vermogen en de uitvoering van de hoofdstuurinrichting moeten zodanig zijn dat het roer van 35 graden uitslag aan een zijde naar 35 graden uitslag aan de andere zijde kan worden bewogen wanneer het vaartuig zich bij maximum toelaatbare diepgang, met maximum dienstsnelheid vooruit beweegt. Het roer moet onder deze omstandigheden van 35 graden uitslag aan één zijde in niet meer dan 28 seconden naar 30 graden uitslag aan de andere zijde kunnen worden bewogen. Zonodig dient de hoofdstuurinrichting werktuiglijk te kunnen worden bewogen teneinde aan deze eisen te voldoen.
Wanneer de hoofdstuurinrichting twee of meer gelijkwaardige krachtwerktuigen omvat, behoeft geen hulpstuurinrichting te zijn aangebracht indien de hoofdstuurinrichting geschikt is om het roer te bewegen overeenkomstig het bepaalde in het zesde lid, in het geval dat een van de krachtwerktuigen buiten bedrijf is.
De hulpstuurinrichting moet voldoende sterk zijn gebouwd en geschikt zijn voor de besturing van het vaartuig bij een snelheid, waarbij het nog manoeuvreerbaar is en voorts zijn ingericht om in noodgevallen snel in werking te kunnen worden gebracht.
De hulpstuurinrichting moet geschikt zijn om het roer in niet meer dan 60 seconden van 15 graden uitslag aan een zijde te bewegen naar 15 graden uitslag aan de andere zijde, bij een snelheid vooruit welke maximaal of de helft van de maximum dienstsnelheid of 7 mijl per uur bedraagt, welke van de twee waarden het grootst is. Zonodig dient de hulpstuurinrichting werktuiglijk te kunnen worden bewogen teneinde aan deze eisen te voldoen. Indien een roerkoning met een middellijn ter plaatse van de helmstok van meer dan 230 mm is voorgeschreven moet de hulpstuurinrichting in ieder geval werktuiglijk kunnen worden bewogen.
De stand van het roer moet op de brug worden aangegeven indien het roer werktuiglijk wordt bewogen. De roerstandaanwijzing moet onafhankelijk zijn van het afstandbedieningssysteem.
Aan boord van een vaartuig moet elk krachtwerktuig van een elektrische of elektrisch-hydraulische stuurinrichting rechtstreeks vanaf het hoofdschakelbord worden gevoegd. Eén van de stroomkringen mag vanaf het noodschakelbord worden gevoed. De stroomkringen moeten over hun gehele lengte zover als praktisch mogelijk is, van elkaar verwijderd zijn aangebracht.
Elke stroomkring en elke motor moet zijn voorzien van een kortsluitbeveiliging en een overbelastingsalarm. Indien een overbelastingsbeveiliging is aangebracht moet deze niet lager zijn ingesteld dan tweemaal de nominale stroomsterkte van de motor of stroomkring en moet verder zodanig zijn uitgevoerd dat deze bij de gebruikelijke aanloopstroom niet in werking treedt.
Aan boord van elk vaartuig moet het in bedrijf zijn van de motoren van elektrische en elektrisch-hydraulische stuurinrichtingen op de brug worden aangegeven.
De krachtwerktuigen voor de hoofdstuurinrichting en de hulpstuurinrichting moeten zodanig zijn uitgevoerd dat zij automatisch weer in werking treden, zodra de energievoorziening, na te zijn uitgevallen, weer is hersteld.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)