Besluit van 5 augustus 1989, houdende nadere regelen voor de veiligheid van Vissersvaartuigen
- 1°. dekken en schotten, die ruimten voor machines van categorie A scheiden van ruimten voor accommodatie, dienstruimten en controlestations, moeten ten minste van klasse «A-30» zijn;
- 2°. dekken en schotten, die ruimten voor machines, andere dan die van categorie A, scheiden van ruimten voor accommodatie, dienstruimten en controlestations, moeten ten minste van klasse «A-0» zijn; en
- 3°. dekken en schotten, die controlestations scheiden van ruimten voor accommodatie en dienstruimten, moeten ten minste van klasse «A-30» zijn. Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan het aanbrengen van wanden van klasse «B-15» toestaan voor de scheiding tussen ruimten zoals de hut van de kapitein en de brug.
In vaartuigen waarvan de romp is vervaardigd van brandbare materialen, moet ten aanzien van begrenzingsschotten en dekken van ruimten voor machines en van controlestations aan het volgende zijn voldaan:
- 1°. dekken en schotten, die ruimten voor machines scheiden van ruimten voor accommodatie, dienstruimten en controlestations moeten ten minste van klasse «F» of klasse «B-15» zijn;
- 2°. dekken en schotten, die ruimten voor machines omgeven, moeten zoveel als praktisch mogelijk de doortocht van rook verhinderen; en
- 3°. dekken en schotten, die controlestations scheiden van ruimten voor accommodatie en dienstruimten, moeten ten minste van klasse «F» zijn.
Tenzij op grond van het bepaalde in het tweede lid, onder 2.1, anders is voorgeschreven, moeten in vaartuigen waarvan de romp is vervaardigd van onbrandbare materialen, schotten van gangen in ruimten voor accommodatie, dienstruimten en controlestations van klasse «B-15» zijn.
In vaartuigen waarvan de romp is vervaardigd van brandbare materialen, moeten schotten van gangen in ruimten voor accommodatie, dienstruimten en controlestations ten minste van klasse «F» zijn.
Schotten van gangen als bedoeld onder 3.1 of 3.2 moeten zijn opgetrokken van dek tot dek, tenzij aan beide zijden van het schot doorlopende plafonds met dezelfde brandwerendheid als van de gangschotten zijn aangebracht, in welk geval het schot mag eindigen tegen het doorlopende plafond.
Binnentrappen in ruimten voor accommodatie, dienstruimten en controlestations moeten van staal of ander, gelijkwaardig materiaal zijn. In vaartuigen waarvan de romp is vervaardigd van onbrandbare materialen, moeten dergelijk binnentrappen zijn ondergebracht in ruimten die zijn omgeven door schotten van klasse «B-15». In vaartuigen waarvan de romp is vervaardigd van brandbare materialen, moeten dergelijke binnentrappen zijn ondergebracht in ruimten die zijn omgeven door schotten van klasse «F». Indien evenwel een dergelijke binnentrap slechts twee dekken verbindt, behoeft deze slechts op een dek door schotten te zijn omsloten.
Deuren en andere afsluitmiddelen in schotten en dekken als bedoeld in het tweede en het derde lid, deuren welke zijn aangebracht in schotten die trappen omsluiten als bedoeld in het vierde lid en deuren welke zijn aangebracht in schachtwanden van ruimten voor machines en ketelruimen, moeten ten minste dezelfde brandwerendheid bezitten als de schotten en dekken waarin zij zijn aangebracht. Deuren die toegang geven tot ruimten voor machines van categorie A, moeten zelfsluitend zijn.
Liftschachten welke door ruimten voor accommodatie en dienstruimten gaan, moeten van staal of van een ander, gelijkwaardig materiaal zijn vervaardigd en moeten zijn voorzien van afsluitmiddelen waarmee de trek en de rookverspreiding onder controle kunnen worden gehouden.
In vaartuigen waarvan de romp is vervaardigd van onbrandbare materialen, moet ten aanzien van begrenzingsschotten en dekken van ruimten waarin de noodkrachtbron is opgesteld en van kombuizen, verfhutten, lampenhutten en andere bergplaatsen, aan het volgende zijn voldaan:
- 1°. van de begrenzingsschotten en dekken van ruimten waarin een noodkrachtbron is opgesteld, moeten de bovenliggende dekken ten minste van klasse «A-0» zijn en moeten de onderliggende dekken en de begrenzingsschotten ten minste van klasse «A-30» zijn. Voor schotten en dekken welke de begrenzing vormen met de buitenlucht, gelden geen eisen ten aanzien van de brandwerendheid; en
- 2°. dekken en schotten, die kombuizen, verfhutten, lampenhutten of andere bergplaatsen waarin zich belangrijke hoeveelheden licht ontvlambaar materiaal bevinden, scheiden van ruimten voor accommodatie, dienstruimten en controlestations, moeten ten minste van klasse «A-15» zijn. Indien in een kombuis alleen een elektrisch fornuis, elektrische warmwaterbereiders en andere elektrisch verwarmde apparaten zijn opgesteld, mogen de dekken en schotten tussen een dergelijke kombuis en ruimten voor accommodatie, dienstruimten en controlestations van klasse «B-15» zijn.
In vaartuigen waarvan de romp is vervaardigd van brandbare materialen, moeten de begrenzingswanden en schotten van de ruimten als genoemd onder 1.1 en 1.2, ten minste van klasse «F» of klasse «B-15» zijn.
Licht ontvlambare produkten moeten in hiervoor geschikte gesloten vaten worden opgeslagen.
Wanneer schotten en dekken, die ingevolge het bepaalde in het tweede, derde, vijfde of het zevende lid van klasse «A», klasse «B» of klasse «F» moeten zijn, worden doorboord voor het doorlaten van elektrische leidingen, pijpen, schachten, kokers en dergelijke, moeten zodanige maatregelen zijn getroffen dat de brandwerendheid van de schotten en dekken niet vermindert.
Luchtruimten ingesloten achter wanden en beschietingen tussen plafonds en dekken in ruimten voor accommodatie, dienstruimten en controlestations, moeten zijn onderverdeeld door afstoppingen welke de trek tegengaan en die niet verder dan 7 m uiteenliggen.
Voor ruimten van machines geldt ten aanzien van schijnlichten, ramen, patrijspoorten en lichtranden het volgende:
- 1°. wanneer schijnlichten kunnen worden geopend, moeten zij van buiten de ruimte waarop zij zijn aangebracht, gemakkelijk kunnen worden gesloten;
- 2°. schijnlichten voor ruimten voor machines van categorie A mogen niet zijn voorzien van ramen, patrijspoorten of lichtranden;
- 3°. indien in schijnlichten voor ruimten voor machines, andere dan ruimten voor machines van categorie A, ramen, patrijspoorten of lichtranden zijn aangebracht, moeten deze van draadglas zijn. Zij moeten tevens aan de buitenzijde zijn voorzien van blinden, die vast aan het schijnlicht zijn verbonden en die zijn vervaardigd van staal of ander, gelijkwaardig materiaal; en
- 4°. glas of soortgelijk materiaal mag niet in begrenzingswanden van ruimten voor machines zijn aangebracht. Dit sluit het gebruik van glas in wanden van controlekamers die geheel in de ruimten voor machines zijn gelegen, niet uit.
Isolatiematerialen in ruimten voor accommodatie, dienstruimten met uitzondering van proviand-, koel- en vrieskamers, in controlestations en in ruimten voor machines, moeten onbrandbaar zijn. Het oppervlak van isolatiemateriaal dat is aangebracht aan de binnenzijde van begrenzingsschotten en -dekken van ruimten voor machines van categorie A, moet ondoordringbaar zijn voor olie of oliedampen.
Brandbare isolatie in visruimen moet door een goed afsluitende bekleding zijn beschermd.
Artikel 171. Ventilatiesystemen
Middelen moeten aanwezig zijn voor het stopzetten van ventilatoren en het sluiten van hoofdin- en uitlaten van ventilatiesystemen van buiten de ruimten die worden geventileerd.
Middelen moeten aanwezig zijn om de ringvormige ruimten rond schoorstenen vanaf een veilige plaats te kunnen sluiten.
Ventilatie-openingen mogen zijn aangebracht in en onder deuren in schotten van gangen, met dien verstande dat dergelijke openingen niet mogen zijn aangebracht in en onder deuren van trapomsluitingen. De openingen in deuren mogen alleen in de onderste helft van de deur zijn aangebracht. Indien een dergelijke opening zich bevindt in of onder een deur, mag de totale oppervlakte van deze opening of openingen niet meer bedragen dat 0,05 m2. Indien een dergelijke opening in een deur is aangebracht, moet deze zijn voorzien van een rooster van onbrandbaar materiaal.
Ventilatiekanalen voor ruimten voor machines van categorie A of voor kombuizen mogen over het algemeen niet door ruimten voor accommodatie, dienstruimten of controlestations lopen. Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan evenwel toestaan dat deze ventilatiekanalen door de bovengenoemde ruimten lopen, mits zij zijn vervaardigd van staal of ander, gelijkwaardig materiaal en zodanig zijn uitgevoerd dat de brandwerendheid van schotten en dekken niet vermindert.
Ventilatiekanalen voor ruimten voor accommodatie, dienstruimten of controlestations mogen over het algemeen niet door ruimten voor machines van categorie A of door kombuizen lopen. Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan evenwel toestaan dat deze ventilatiekanalen door de bovengenoemde ruimten lopen, mits zij zijn vervaardigd van staal of ander, gelijkwaardig materiaal en zodanig zijn uitgevoerd dat de brandwerendheid van schotten en dekken niet vermindert.
Bergplaatsen waarin zich aanzienlijke hoeveelheden gemakkelijk ontvlambare stoffen bevinden, moeten zijn voorzien van ventilatie-inrichtingen die zijn gescheiden van andere ventilatiesystemen. De ventilatie moet plaatsvinden op hoog en op laag niveau in de ruimte; de in- en uitlaten van de ventilatoren moeten op een veilige plaats zijn aangebracht en zijn voorzien van vlamkerende inrichtingen.
Ventilatiesystemen die ruimten voor machines bedienen, moeten onafhankelijk zijn van systemen die andere ruimten bedienen.
Ventilatiekanalen moeten voldoen aan het bepaalde in artikel 146, eerste lid en tweede lid, onder 1 en 2.
Artikel 172. Verwarmingsinstallaties
De verwarming van ruimten voor accommodatie, dienstruimten en controlestations dient te geschieden door toevoer van stoom, heet water, warme lucht of elektriciteit.
Verwarmings- en kooktoestellen moeten vast zijn opgesteld en moeten zo zijn ingericht dat het brandgevaar tot een minimum is beperkt. Deze toestellen mogen niet zijn voorzien van een verwarmingselement dat stoffen in de directe omgeving kan doen schroeien of in brand doen geraken door de door het element geleverde hitte.
De constructie en opstelling van oliekachels moeten voldoen aan door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie te stellen regels.
Propaan- en butaaninstallaties voor huishoudelijke doeleinden, moeten voldoen aan door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie te stellen regels.
Artikel 173. Diversen
Blootgestelde oppervlakken in ruimten voor accommodatie, dienstruimten, controlestations, gangen en ingesloten ruimten voor trappen, alsmede oppervlakken verborgen achter schotten, beschietingen en plafonds in bovengenoemde ruimten, moeten een laag vlamverspreidend vermogen hebben.
Alle blootgestelde oppervlakken van glasversterkte polyester constructies binnen ruimten voor accommodatie, dienstruimten, controlestations, ruimten voor machines van categorie A en andere ruimten voor machines met eenzelfde brandgevaar, moeten zijn voorzien van een afwerkingslaag van goedgekeurde hars welke blijvende brandvertragende eigenschappen heeft of moeten zijn bedekt met een goedgekeurde brandvertragende verf of moeten zijn beschermd door onbrandbare materialen.
Verven, vernissen en andere stoffen voor afwerking gebruikt op blootgestelde inwendige oppervlakken, moeten zodanig zijn dat zij naar het oordeel van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie geen onnodig brandgevaar opleveren, en mogen geen overmatige hoeveelheden rook of giftige gassen of dampen kunnen voortbrengen.
De onderste laag van dekbedekkingen in ruimten voor accommodatie, dienstruimten en controlestations moet van goedgekeurd materiaal zijn dat noch gemakkelijk kan ontbranden, noch aanleiding kan geven tot vergiftigings- of explosiegevaar bij verhoogde temperaturen.
In ruimten voor accommodatie, dienstruimten of controlestations moeten pijpen die door schotten of dekken van klasse «A» of «B» zijn gevoerd, van goedgekeurde materialen zijn vervaardigd, rekening houdende met de temperatuur waaraan de betrokken schotten of dekken weerstand moeten kunnen bieden. Indien door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie wordt toegestaan dat door ruimten voor accommodatie en dienstruimten olie of brandbare vloeistoffen worden gevoerd, moeten de pijpen waardoor die olie of brandbare vloeistoffen worden gevoerd van goedgekeurd materiaal zijn vervaardigd, rekening houdende met het brandgevaar.
Materialen die gemakkelijk onbruikbaar worden door warmte, mogen worden gebruikt voor spuipijpen, sanitaire uitlaten en andere uitlaten, die dicht bij de lastlijn liggen en waarvan smelten, in geval van brand, gevaar voor instromen van water zou meebrengen.
Afvalbakken, andere dan die worden gebruikt bij de verwerking van vis, moeten zijn vervaardigd van onbrandbare materialen en mogen geen openingen in de zijkanten of bodem hebben.
Werktuigen voor de aandrijving van brandstoftrimpompen, pompen van oliestookinrichtingen en dergelijke brandstofpompen, moeten zijn voorzien van afstandbedieningsmiddelen welke zijn aangebracht buiten de desbetreffende ruimten, zodat bedoelde werktuigen kunnen worden stopgezet bij het uitbreken van brand in de ruimte waarin zij zijn opgesteld.
Waar nodig moeten lekbakken zijn aangebracht, teneinde te voorkomen dat olie naar de vullings kan vloeien.
Filmmateriaal op basis van cellulosenitraat mag niet in cinematografische installaties worden gebruikt.
Artikel 174. Gasflessen en bijbehorende installaties, alsmede opslag van gevaarlijke materialen
Flessen bestemd voor samengeperste, vloeibaar gemaakte of onder druk opgeloste gassen, waaronder begrepen ontvlambare en andere gevaarlijke gassen, alsmede de bijbehorende installaties, moeten voldoen aan door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie te stellen regels.
Ruimten waarin gemakkelijk ontvlambare vloeistoffen, zoals vluchtige verfstoffen, paraffine en dergelijke zijn opgeslagen, mogen uitsluitend zijn voorzien van directe toegangen vanaf blootgestelde dekken. Wanneer begrenzingsschotten van dergelijke ruimten grenzen aan andere omsloten ruimten, moeten deze schotten gasdicht zijn uitgevoerd.
Elektrische bedrading en aansluitingen zijn niet toegestaan binnen ruimten welke worden gebruikt voor het bergen van gemakkelijk ontvlambare vloeistoffen, tenzij benodigd binnen deze ruimten. In dat geval moeten de elektrische aansluitingen ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie geschikt zijn voor gebruik in een ontvlambare afmosfeer. Warmtebronnen mogen zich niet dicht bij dergelijke ruimten bevinden en opschriften met «niet roken» en «geen open vuur» moeten zijn aangebracht op een doelmatige plaats.
Elk soort samengeperst gas moet afzonderlijk zijn opgeslagen. Ruimten die voor de opslag van dergelijke gassen worden gebruikt, mogen niet worden gebruikt voor het opslaan van andere brandbare produkten, noch voor gereedschappen of onderdelen, die geen deel uitmaken van het gasdistributiesysteem. Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan echter met inachtneming van de kenmerkende eigenschappen, hoeveelheid en voorgenomen gebruik van dergelijke samengeperste gassen, verlichting van deze voorschriften toestaan.
Artikel 175. Voorzieningen voor ontsnapping
In en vanuit alle ruimten voor accommodatie en ruimten waarin door de bemanning onder normale omstandigheden dienst wordt gedaan, andere dan ruimten voor machines, moeten trappen en ladders zijn aangebracht waarlangs het open dek en vervolgens de groepsreddingmiddelen gemakkelijk kunnen worden bereikt. In het bijzonder moet aan de volgende bepalingen zijn voldaan:
- 1°. op elk dek waarop zich ruimten voor accommodatie bevinden, moeten ten minste twee, zo ver mogelijk van elkaar verwijderde voorzieningen voor ontsnapping zijn aangebracht. De normale voorzieningen voor toegang tot elke besloten ruimte of groep van ruimten mogen hieronder worden begrepen;
- 2.1°. onder het blootgestelde dek moet de hoofdvoorziening voor ontsnapping bestaan uit een trap, terwijl de tweede voorziening voor ontsnapping mag bestaan uit een schacht, een luik of een trap; en
- 2.2°. boven het blootgestelde dek moeten de voorzieningen voor ontsnapping bestaan uit trappen of deuren naar een open dek, dan wel uit een combinatie van beide. Indien het uit praktische overwegingen niet mogelijk is om trappen of deuren aan te brengen, mag één van de voorzieningen voor ontsnapping bestaan uit een luik, dat zonodig beschermd moet zijn tegen ijsafzetting;
- 3°. bij wijze van uitzondering kan het Hoofd van de Scheepvaartinspectie toestaan dat slechts één voorziening voor ontsnapping is aangebracht, indien de aard en de plaats van de ruimten en het aantal van de personen die in normale omstandigheden daarin verblijven of dienst doen, daartoe aanleiding geven;
- 4°. doodlopende gangen met een lengte van meer dan 2,5 m zijn niet toegestaan;
- 5°. de afmetingen van en de wijze waarop de voorzieningen voor ontsnapping zijn uitgevoerd, dienen ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie te zijn; en
- 6°. indien een radiotelegraafstation geen rechtstreekse toegang tot het open dek heeft, moeten ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie twee voorzieningen voor ontsnapping zijn aangebracht;
- 7°. voorzieningen voor ontsnapping zijn op de juiste plaats voorzien van signaleringen die voldoen aan bij ministeriële regeling vast te stellen nadere regels.
In elke ruimte voor machines van categorie A moeten twee voorzieningen voor ontsnapping zijn aangebracht, die zo ver mogelijk van elkaar moeten zijn verwijderd. Vertikale vluchtmiddelen moeten bestaan uit stalen trappen of ladders. Indien de afmetingen van de ruimten voor machines daartoe aanleiding geven, kan het Hoofd van de Scheepvaartinspectie toestaan dat slechts een voorziening voor ontsnapping is aangebracht. In een dergelijk geval moet bijzondere aandacht zijn geschonken aan deze uitgang.
Liften mogen niet worden beschouwd als een van de vereiste voorzieningen voor ontsnapping.
Artikel 176. Automatische brandalarm- en brandontdekkingsinstallaties
Op vaartuigen waar het Hoofd van de Scheepvaartinspectie op grond van het bepaalde in artikel 170, eerste lid, een brandbare constructie heeft toegestaan, alsmede op alle overige vaartuigen waarvan de lengte 35 m of meer bedraagt, dient in ruimten voor accommodatie, dienstruimten en controlestations met uitzondering van ruimten die vrijwel geen brandgevaar opleveren zoals lege ruimten en sanitaire ruimten, een automatische brandalarm- en brandontdekkingsinstallatie van een goedgekeurd type te zijn aangebracht.
Een installatie als bedoeld in het eerste lid, dient aan het volgende te voldoen:
- 1°. een mogelijkheid moet aanwezig zijn om de installatie periodiek te kunnen beproeven;
- 2°. op de brug moet zowel hoorbaar als zichtbaar alarm kunnen worden gegeven. Bovendien dient dit te kunnen geschieden in daarvoor in aanmerking komende ruimten om, wanneer het vaartuig in een haven ligt, de aan boord aanwezige personen te waarschuwen;
- 3°. op de alarmpanelen moet zichtbaar zijn dat het systeem is ingeschakeld;
- 4°. de installatie moet zijn aangesloten op de noodkrachtbron, dan wel op de hoofdkrachtbron waarbij in geval van het wegvallen van de stroomvoorziening, automatisch wordt overgeschakeld op de noodkrachtbron; en
- 5°. de positie van de brandmelders in de te beschermen ruimten moet ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie zijn.
Artikel 177. Brandbluspompen
Aan boord van een vaartuig dient ten minste een brandbluspomp aanwezig te zijn. Een dergelijke brandbluspomp moet zijn:
- 1°. een werktuiglijk gedreven pomp welke niet door de hoofdmotor wordt aangedreven; of
- 2°. een werktuiglijk gedreven pomp welke door de hoofdmotor wordt aangedreven, onder voorwaarde dat de voortstuwingsinstallatie is voorzien van een uitschakelbare keerkoppeling, of van een verstelbare schroef.
Sanitair, ballast-, lens-, algemene dienstpompen of andere pompen mogen als brandbluspompen worden gebruikt, indien zij voldoen aan het gestelde in deze paragraaf en, bij gebruik van deze pompen als brandbluspomp, de lenscapaciteit van het vaartuig hierdoor niet wordt beïnvloed. Brandbluspompen moeten zo zijn aangesloten, dat het niet mogelijk is hiermede olie of andere brandbare vloeistoffen te verpompen.
Bij centrifugaalpompen of andere op de brandblusleiding aangesloten pompen waarbij het mogelijk is dat het water door de pomp kan terugstromen, moet in de persleiding een terugslagklep zijn aangebracht.
De totale capaciteit (Q) van de werktuiglijk gedreven brandbluspomp(en) moet ten minste gelijk zijn aan:
Q = (0,15 L(B+D) + 2,25)2 m3/uur.
Onverminderd het bepaalde in het vierde lid, mag, indien twee werktuiglijk gedreven brandbluspompen welke niet door een en dezelfde krachtbron worden aangedreven, zijn aangebracht, de capaciteit van elk der geïnstalleerde pompen niet minder zijn dan 40 percent van de volgens dat lid vereiste totale capaciteit.
Indien de brandbluspompen de volgens de in het vierde lid vereiste totale opbrengst leveren aan de hoofdbrandblusleiding, brandslangen en straalpijpen dient de druk bij elke brandkraan ten minste gelijk te zijn aan 0,25 N/mm2.
Artikel 178. Hoofdbrandblusleiding
Indien ingevolge het bepaalde in artikel 179, eerste lid, meer dan een brandkraan is vereist, moet een hoofdbrandblusleiding zijn aangebracht.
Hoofdbrandblusleidingen mogen geen andere aansluitingen hebben dan die, welke voor de brandbestrijding zijn vereist, met uitzondering van aansluitingen die zijn aangebracht om het dek te wassen, de ankerkettingen schoon te spuiten of een ejector voor de kettingbak te bedienen.
In hoofdbrandblusleidingen moeten aftapkranen zijn aangebracht op doelmatige plaatsen, waardoor beschadiging door bevriezing kan worden voorkomen.
Hoofdbrandblusleidingen moeten zijn vervaardigd van materialen die in voldoende mate hittebestendig zijn.
Indien de door de brandbluspompen geleverde druk de ontwerpdruk van de hoofdbrandblusleiding kan overschrijden, moeten ontlastkleppen zijn aangebracht.
Artikel 179. Brandkranen, brandslangen en straalpijpen
Elke aansluiting voor een brandslang moet zijn voorzien van een kraan of afsluiter, opdat een brandslang gemakkelijk en snel kan worden aan- of afgekoppeld terwijl de brandbluspompen te werk staan.
Brandkranen moeten zodanig zijn geplaatst dat elk deel van het vaartuig dat onder normale bedrijfsomstandigheden toegankelijk is, met ten minste een straal water kan worden bereikt.
Voor de in het eerste lid genoemde waterstraal mag slechts een brandslanglengte worden gebruikt.
In aanvulling op het bepaalde in het eerste lid moet buiten ruimten voor machines van categorie A, nabij de toegang ten minste een brandkraan met slang en straalpijp zijn aangebracht voor gebruik in genoemde ruimte.
Bij elke voorgeschreven brandkraan dient een brandslang aanwezig te zijn. Bovendien moet een reserve brandslang aanwezig zijn.
Brandslangen moeten zijn vervaardigd van goedgekeurd materiaal en van voldoende lengte zijn om met een waterstraal alle ruimten te kunnen bereiken waarvoor zij zijn bestemd. Deze lengte mag niet meer dan 20 m bedragen. Elke brandslang moet zijn voorzien van een straalpijp en de nodige koppelingen. Brandslangen moeten te zamen met de benodigde onderdelen en gereedschappen voor gebruik gereed worden gehouden op opvallende plaatsen nabij de brandkranen of slangaansluitingen.
Straalpijpen moeten van een goedgekeurd type zijn. De standaard spuitopening van een straalpijp moet zijn aangepast aan de totale opbrengst van de geïnstalleerde brandbluspompen. De spuitopening dient evenwel een inwendige diameter te hebben van ten minste 12 mm, of een doorlaat die hiermee nagenoeg overeenkomt. Elke straalpijp moet zijn voorzien van een inrichting die het mogelijk maakt tijdens het blussen met een eenvoudige handbeweging over te gaan van spuiten op sproeien en omgekeerd, zonder dat daarvoor de watertoevoer naar de straalpijp behoeft te worden onderbroken. Tevens moet de straalpijp zijn voorzien van een inrichting om de watertoevoer te onderbreken.
Op vaartuigen, waarvan de lengte minder dan 24 m bedraagt, mag voor brandblusdoeleinden de dekwasslang worden gebruikt mits deze van voldoende lengte is om alle compartimenten te kunnen bereiken. In dit geval moet een straalpijp met spuitstuk, verloopstuk en overig toebehoren voor het bevestigen hiervan aan de dekwasslang, op de brug zijn opgehangen.
Brandkranen moeten zijn vervaardigd van materialen die in voldoende mate hittebestendig zijn. Brandblusleidingen en brandkranen moeten zodanig zijn geplaatst dat de brandslangen gemakkelijk daaraan kunnen worden gekoppeld. Aan boord van vaartuigen die lading aan dek kunnen vervoeren, moet de plaats van de brandkranen altijd gemakkelijk bereikbaar zijn en de leidingen moeten, zoveel als praktisch mogelijk, zodanig zijn aangelegd, dat gevaar van beschadiging door een dergelijke lading wordt vermeden. Tenzij bij elke brandkraan een bijbehorende brandslang met straalpijp aanwezig is, moet elke brandslang op elke brandkraan en elke straalpijp op elke brandslang kunnen worden aangesloten.
Brandkranen, slangenhaspels, brandslangkasten en dergelijke moeten in een rode kleur zijn geschilderd.
Artikel 180. Brandblustoestellen
Een brandblustoestel moet van een goedgekeurd type zijn. De inhoud van een voorgeschreven draagbaar brandblustoestel met vloeibare blusstof mag niet groter zijn dan 13,5 l en niet kleiner dan 9 l. Een brandblustoestel met een andere blusstof moet ten minste even goed draagbaar zijn als een toestel met vloeibare blusstof van 13,5 l en het blusvermogen moet ten minste gelijkwaardig zijn aan dat van een dergelijk toestel van 9 l. De gelijkwaardigheid van brandblustoestellen wordt bepaald door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie.
Het aantal aan boord aanwezige reservevullingen dient in overeenstemming te zijn met door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie te geven regels.
Brandblustoestellen gevuld met een blusstof die naar het oordeel van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie, hetzij uit zichzelf, hetzij onder te verwachten gebruiksomstandigheden, zodanige hoeveelheden giftige gassen afgeeft dat dit schadelijk is voor de gezondheid, zijn aan boord niet toegestaan.
Brandblustoestellen, zowel draagbare als niet-draagbare, moeten periodiek worden nagezien en worden onderworpen aan de beproevingen die door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie zijn voorgeschreven.
Eén van de draagbare brandblustoestellen die voor het gebruik in een bepaalde ruimte zijn bestemd, moet nabij de toegang tot die ruimte zijn geplaatst.
In de nabijheid van elektrische werktuigen, schakelborden en dergelijke, mogen geen draagbare brandblustoestellen zijn geplaatst waarvan de blusstof de elektrische stroom geleidt.
Buiten de radiohut moet nabij de toegangsdeur van deze hut een draagbaar brandblustoestel, gevuld met een de elektrische stroom niet geleidende blusstof, zijn opgesteld. In de radiohut, alsmede nabij een niet in de radiohut ondergebracht radiotelefoonstation, moet voorts ten minste een klein, draagbaar brandblustoestel, eveneens gevuld met een de elektrische stroom niet geleidende blusstof, met een inhoud van ten hoogste 2 kg blusstof, zijn opgesteld.
Brandblustoestellen moeten in een rode kleur zijn geschilderd.
Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan nadere regels geven ten aanzien van de plaatsing, het juiste type in verband met de te verwachten klasse branden en het blusvermogen van brandblustoestellen.
Artikel 181. Draagbare brandblustoestellen in controlestations, ruimten voor accommodatie en dienstruimten
Een voldoende aantal draagbare brandblustoestellen moet zijn geplaatst in controlestations, ruimten voor accommodatie en dienstruimten opdat ten minste een brandblustoestel met een voor de in deze ruimte te verwachten branden geschikte blusstof, direct beschikbaar is voor gebruik op elke plaats in deze ruimte. Het totale aantal brandblustoestellen voor bovengenoemde ruimten moet ten minste drie bedragen.
Artikel 182. Brandblusvoorzieningen in ruimten voor machines
Ruimten voor machines van categorie A moeten zijn voorzien van een vast aangebrachte brandblusinstallatie met uitsluitend gehalogeniseerde koolwaterstoffen met een lage giftigheidsgraad als blusstof. Indien ruimten voor machines aan elkaar grenzen en niet volkomen van elkaar zijn gescheiden of wanneer brandstofolie van één ruimte naar een andere ruimte kan vloeien, moeten de betrokken ruimten als één ruimte worden beschouwd. Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan nadere regels geven ten aanzien van bedoelde brandblusinstallatie.
De in het eerste lid bedoelde brandblusinstallatie moet kunnen worden bediend vanaf een gemakkelijk toegankelijke plaats buiten de te beschermen ruimten, welke zodanig is gelegen dat het niet waarschijnlijk is dat, in geval van brand in een te beschermen ruimte, deze plaats onbereikbaar wordt. Voorzieningen moeten zijn getroffen teneinde de krachtvoorziening zeker te stellen, die noodzakelijk is voor het inwerking stellen van de installatie in geval van brand in de te beschermen ruimte.
Ruimten voor machines van categorie A moeten bovendien zijn voorzien van:
- 1°. ten minste twee draagbare schuimbrandblustoestellen of daaraan gelijkwaardig gestelde brandblustoestellen;
- 2°. ten minste een draagbaar schuimbrandblustoestel of daaraan gelijkwaardig gesteld brandblustoestel meer dan het aantal genoemd onder 1 indien in de ruimte verbrandingsmotoren of gasturbines zijn opgesteld die een gezamenlijk vermogen hebben van 250 kW of meer;
- 3°. één of meer bakken, tezamen inhoudende ten minste 0,3 m3 zand, met soda doordrenkt zaagsel of andere doelmatige stoffen op elke stookplaats, benevens schoppen om deze stoffen te verspreiden. Een draagbaar schuimbrandblustoestel of daaraan gelijkwaardig gesteld brandblustoestel kan hiervoor in de plaats worden gesteld; en
- 4°. een stoombrandblusinrichting op de onder overdruk staande luchtkanalen van ketels met geforceerde trek, indien zich in deze luchtkanalen lekolie kan verzamelen.
Indien in een ruimte voor machines van categorie A een oliegestookte verwarmingsketel is opgesteld moet een van de in het derde lid vereiste draagbare brandblustoestellen in de nabijheid daarvan zijn geplaatst.
Op vaartuigen welke grotendeels of geheel zijn vervaardigd van hout, kunststof of aluminium en waarvan de ruimten voor machines geheel of gedeeltelijk door schotten, dekken of kappen van deze materialen zijn omsloten moeten deze ruimten, indien daarin oliegestookte ketels, oliestookinrichtingen, verbrandingsmotoren of gasturbines zijn opgesteld, zijn voorzien van een vast aangebrachte brandblusinstallatie zoals voorgeschreven in het eerste lid.
Indien naar het oordeel van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie brandgevaar aanwezig is in ruimten voor machines ten aanzien waarvan geen bepaalde voorschriften omtrent brandblusmiddelen zijn gegeven in de voorgaande leden, moeten in of dicht bij deze ruimten een zodanig aantal brandblustoestellen of andere brandblusmiddelen zijn opgesteld als door hem voldoende wordt geacht.
Bij toepassing van tweetaktmotoren moet elk van deze motoren met een vermogen van 750 kW of meer, zijn voorzien van een inrichting om gas of stoom als blusstof toe te laten in de spoelluchtleidingen, tenzij ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie wordt aangetoond dat deze voorziening niet noodzakelijk is.
Artikel 183. Brandweeruitrusting
Een vaartuig, waarvan de lengte 45 m of meer bedraagt moet zijn uitgerust met ten minste twee brandweeruitrustingen, ieder bestaande uit:
- 1°. een persluchttoestel dat voldoet aan het bepaalde in artikel 163, derde tot en met vijfde lid;
- 2°. een elektrische veiligheidslamp die voldoet aan het bepaalde in artikel 105; en
- 3°. een brandweerbijl.
Een vaartuig waarvan de lengte minder dan 45 m bedraagt moet zijn uitgerust met een brandweerbijl.
De in het eerste en tweede lid bedoelde uitrustingen moeten zo worden opgeborgen, dat zij gemakkelijk bereikbaar en gereed voor gebruik zijn. Ze moeten op ver uiteenlopende plaatsen worden bewaard.
Artikel 184. Brandbeveiligingsplan
Op vaartuigen waarvan de lengte 35 m of meer bedraagt, moet een ter instructie van de scheepsofficieren een brandbeveiligingsplan op een daarvoor in aanmerking komende plaats permanent zijn opgehangen. De uitvoering van dit plan dient te voldoen aan het bepaalde in artikel 165.
Artikel 185. Onmiddellijke beschikbaarheid van brandbestrijdingsmiddelen
Brandbestrijdingsmiddelen moeten goed worden onderhouden en te allen tijde voor onmiddellijk gebruik gereed zijn.
Artikel 186. Toelating van vervangende middelen
Waar in deze paragraaf een speciaal toestel, apparaat, speciale blusstof of inrichting van een bepaalde aard is voorgeschreven, kan met inachtneming van het bepaalde in artikel 4, elk ander toestel, apparaat, andere blusstof of inrichting daarvoor in de plaats worden gesteld.
Artikel 187. Niet voorgeschreven vast aangebrachte brandblusinstallaties
Een vast aangebrachte brandblusinstallatie die niet in deze paragraaf wordt voorgeschreven, moet ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie zijn.
Hoofdstuk 6. Voorzieningen voor de bemanning
§ 1. Bescherming van de bemanning
Artikel 188. Bescherming van de bemanning
Dekopeningen voorzien van luikhoofden of drempels waarvan de hoogte minder dan 600 mm bedraagt, moeten zijn uitgerust met beveiligingsmiddelen zoals scharnierende of verplaatsbare relingen of netwerk. Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan voor kleine openingen verlichting toestaan van deze eisen.
Schijnlichten of andere, soortgelijke openingen moeten zijn voorzien van beveiligingsstaven waarvan de onderlinge afstand niet meer bedraagt dan 350 mm. Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan voor kleine openingen verlichting toestaan van deze eis.
Het oppervlak van elk dek moet zodanig zijn ontworpen of behandeld dat de mogelijkheid van uitglijden door opvarenden tot een minimum is beperkt. In het bijzonder moeten dekken op plaatsen waar gewerkt wordt, zoals in ruimten voor machines, in kombuizen, bij lieren en op plaatsen waar vis wordt verwerkt alsmede ter plaatse van de onder- en bovenkant van ladders en voor deuren voorzien zijn van antislipoppervlakken.
Deklading moet ter plaatse van openingen die toegang geven tot de verblijven, voortstuwingsruimten en andere ruimten die in verband met de werkzaamheden aan boord moeten worden betreden, zodanig zijn gestuwd, dat deze openingen behoorlijk kunnen worden bereikt, geopend en afgesloten tegen het binnendringen van water.
Er is een valreep, loopplank of vergelijkbare voorziening aanwezig waarmee op een adequate en veilige manier aan en van boord kan worden gegaan.
Artikel 189. Dekopeningen
Scharnierende deksels van luiken, mangaten en andere openingen moeten beveiligd zijn tegen per ongeluk sluiten. In het bijzonder moeten zware deksels op noodluiken zijn uitgerust met contragewichten. Voorts moeten deksels op noodluiken zodanig zijn geconstrueerd dat zij uitsluitend vanaf de binnenzijde van het deksel geopend kunnen worden.
De afmetingen van toegangsluiken en ontsnappingsluiken mogen niet kleiner zijn dan 600 bij 600 mm of een kleinere diameter hebben dan 600 mm.
Waar praktisch uitvoerbaar, moeten boven het dek waarin zich nooduitgangen bevinden, handgrepen zijn aangebracht.
Artikel 190. Verschansingen, relingen en beveiligingsmiddelen
Alle aan weer en wind blootgestelde dekken, voor zover deze bestemd zijn om daar te werken, moeten zijn voorzien van een deugdelijke verschansing of reling. De hoogte van de verschansing of van de reling moet ten minste 1 m boven het dek, inclusief de dekbedekking, zijn. Indien deze hoogte een belemmering vormt voor de normale werkzaamheden aan boord, kan het Hoofd van de Scheepvaartinspectie een geringere hoogte toestaan, mits in voldoende bescherming is voorzien.
De kleinste afstand, vertikaal gemeten, vanaf de hoogst gelegen lastlijn tot aan het laagste punt van de bovenzijde van de verschansing of tot aan de rand van het werkdek indien een reling is aangebracht, moet ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie voldoende bescherming van de bemanning garanderen tegen overkomend water, waarbij rekening moet worden gehouden met de toestand van de zee en de weersomstandigheden waarbij het vaartuig dienst moet kunnen doen, alsmede met het vaargebied, het type vaartuig en de vismethode waarvoor het bestemd is.
De hoogte van de opening onder de onderste roede van het relingwerk mag niet groter zijn dan 230 mm. De onderlinge afstand van de overige roeden mag niet meer dan 380 mm bedragen en de onderlinge afstand tussen scepters mag niet meer dan 1,50 m zijn. Op vaartuigen waar de overgang van de huidbeplating naar de dekbeplating als een rondgezette plaat is uitgevoerd, moeten de scepters van het relingwerk op het vlakke gedeelte van het dek geplaatst zijn. Relingen mogen geen scherpe punten, randen en hoeken hebben en moeten van voldoende sterkte zijn.
Ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie moeten voorzieningen zijn aangebracht zoals relingen, handleiders, loopbruggen of onderdeks gelegen gangen ter bescherming van de bemanning bij het gaan naar of het komen van hun verblijven, de ruimten voor machines en andere werkruimten. Zonodig moeten buiten alle dekhuizen en schachten handleiders of andere doelmatige voorzieningen zijn aangebracht teneinde de opvarenden een veilige doorgang en veilig werk te garanderen.
De bovenzijde van een aflopend deel van het dek aan boord van hektreilers moet voorzien zijn van een doelmatige beveiliging in de vorm van deuren, hekken of netwerk die op dezelfde hoogte moeten zijn aangebracht als de aangrenzende verschansing of reling. Voor het geval tijdelijk niet is voorzien in een dergelijke beveiliging moeten een ketting of andere beveiligingsmiddelen over het hellende deel zijn aangebracht.
Aan boord van een vaartuig moeten middelen aanwezig zijn ter persoonlijke bescherming van de schepelingen tegen letsel dat uit door hen te verrichten werkzaamheden zou kunnen voortvloeien. Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan nadere regels stellen ten aanzien van het aantal, de soort en het gebruik van de persoonlijke beschermingsmiddelen.
Artikel 191. Trappen en ladders
Met het oog op de veiligheid van de bemanning moeten, ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie, trappen en ladders van voldoende afmetingen en sterkte zijn aangebracht, die moeten zijn voorzien van leuningen en antisliptreden.
Artikel 192. Toegangen, uitgangen en liften
De toegangen naar de verblijven van de bemanning moeten te allen tijde buiten ruimten voor machines om, behoorlijk bereikbaar zijn. Daarbij dient rekening te worden gehouden met de eisen gesteld in hoofdstuk 5.
Het bepaalde in het eerste lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van plaatsen die bestemd zijn om daar te werken, tenzij deze plaatsen geheel binnen de ruimten voor machines zijn gelegen.
Ruimten voor machines mogen niet in rechtstreekse verbinding staan met de verblijven van de bemanning.
Elektrische personen- en goederenliften en roltrappen die aan boord zijn opgesteld, moeten zijn voorzien van een geldig certificaat, afgegeven door een daartoe door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie gemachtigd particulier bureau.
§ 2. Verblijven van de bemanning
Artikel 193. Verblijven van de bemanning
Onverminderd het bepaalde in dit hoofdstuk moeten de verblijven van de bemanning voldoen aan de eisen gesteld bij of krachtens het Schepelingenbesluit.
Artikel 193a
De plaats, de constructie, de geluids- en warmte-isolatie en de inrichting van de verblijfsruimten en de dienstruimten, voor zover aanwezig, alsmede de toegangen daartoe bieden adequate bescherming tegen trillingen en geluidhinder tijdens de rustperiode van de bemanning.
Wanneer de constructie, de afmetingen of de bestemming van het vaartuig het mogelijk maken, zijn de verblijfsruimten zodanig gelegen dat de gevolgen van bewegingen en versnellingen zo veel mogelijk worden beperkt.
Voor zover mogelijk worden er passende maatregelen genomen voor de bescherming van niet-rokers tegen hinder door tabaksrook.
Voor voedselopslag zijn koelkasten of andere koelvoorzieningen aanwezig.
Indien ten behoeve van de ventilatie in gesloten werkruimten een mechanische luchtverversingsinstallatie wordt gebruikt, is deze altijd bedrijfsklaar.
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld ten aanzien van het bepaalde in het eerste tot en met het vijfde lid.
Artikel 193b
In de verblijven van de bemanning, voor zover aanwezig, zijn trillingen, geluid en de gevolgen van bewegingen en versnellingen tot een minimum beperkt.
Voor voedselopslag zijn koelkasten of andere koelvoorzieningen aanwezig.
Indien ten behoeve van de ventilatie in gesloten werkruimten een mechanische luchtverversingsinstallatie wordt gebruikt, is deze altijd bedrijfsklaar.
Bij ministriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld ten aanzien van het bepaalde in het eerste tot en met het derde lid.
Hoofdstuk 7. Reddingmiddelen en -voorzieningen en veiligheidsmiddelen
§ 1. Algemeen
Artikel 194. Gesleepte vaartuigen
Het bepaalde in dit hoofdstuk is niet van toepassing op een vaartuig dat gesleept naar zijn bestemming wordt gebracht, met dien verstande dat, indien het vaartuig is bemand, het moet zijn uitgerust met reddingmiddelen en -voorzieningen en veiligheidsmiddelen zoals deze door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie worden voorgeschreven.
Artikel 195. Beoordeling, beproeving en keuring van reddingmiddelen en -voorzieningen
Behoudens het bepaalde in het vijfde lid dienen de reddingmiddelen en -voorzieningen die in dit hoofdstuk zijn voorgeschreven, van een goedgekeurd type te zijn en te voldoen aan de door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie te stellen nadere regels.
Alvorens een goedkeuring te kunnen verkrijgen, dienen de reddingmiddelen en -voorzieningen te worden beproefd om vast te stellen of zij aan het bepaalde in dit hoofdstuk voldoen, op een wijze als nader voorgeschreven door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie.
Alvorens een goedkeuring te kunnen verkrijgen, dienen reddingmiddelen of -voorzieningen van een nieuw ontwerp te worden beoordeeld en beproefd om vast te stellen of zij voldoen aan normen van veiligheid die ten minste gelijkwaardig zijn aan het bepaalde in dit hoofdstuk. De beproeving dient te geschieden op een wijze als nader voorgeschreven door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie.
De door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie afgegeven goedkeuringen vermelden tevens de voorwaarden waaronder de goedkeuring geldig blijft.
Reddingmiddelen en -voorzieningen die ingevolge het bepaalde in dit hoofdstuk zijn voorgeschreven, doch waarvoor geen nadere voorschriften in paragraaf 3 zijn opgenomen, dienen ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie te zijn.
Artikel 196. Produktiecontrole
Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan nadere regels stellen omtrent de produktiecontrole van reddingmiddelen, teneinde zeker te stellen dat deze middelen worden vervaardigd volgens dezelfde normen als het goedgekeurde prototype.
§ 2. Bepalingen ten aanzien van het vaartuig
Artikel 197. Communicatiemiddelen
Ten behoeve van de groepsreddingmiddelen moet aan boord van een vaartuig waarvan de lengte 45 m of meer bedraagt, en dat niet is uitgerust met noodradiobakens als bedoeld in het vierde lid, een draagbaar radiotoestel aanwezig zijn, dat voldoet aan het bepaalde in artikel 262. Het draagbaar radiotoestel dient te worden opgeborgen op een beschermde en gemakkelijk toegankelijke plaats, gereed om in geval van nood meegenomen te kunnen worden naar welk groepsreddingmiddel dan ook; wanneer op een vaartuig reddingboten op ver uiteenliggende plaatsen zijn opgesteld, dient het draagbaar radiotoestel te worden geborgen in de nabijheid van de reddingboten die het verste verwijderd zijn van de hoofdzender van het vaartuig.
Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan voor vaartuigen die reizen van zodanig korte duur maken dat een draagbaar radiotoestel voor groepsreddingmiddelen naar zijn oordeel onnodig is, vrijstelling verlenen van het bepaalde in het eerste lid.
Wanneer het totale aantal personen aan boord van een vaartuig 200 of meer bedraagt, moet ten minste een van de reddingboten waarmee het vaartuig ingevolge het bepaalde in artikel 199 moet zijn uitgerust, zijn voorzien van een radiotelegrafie-installatie die voldoet aan het bepaalde in artikel 261.
Aan iedere zijde van een vaartuig moet een met de hand in werking te stellen noodradiobaken dat voldoet aan het bepaalde in artikel 263 zijn geplaatst, op zodanige wijze dat het snel in een groepsreddingmiddel kan worden gezet.
Ten behoeve van de radiocommunicatie tussen de groepsreddingmiddelen onderling, tussen de groepsreddingmiddelen en het vaartuig, alsmede tussen het vaartuig en de hulpverleningsboot, moeten portofoons die voldoen aan het bepaalde in artikel 265, aan boord zijn. Het is niet noodzakelijk dat er voor ieder groepsreddingmiddel een afzonderlijke portofoon is, maar er moeten ten minste drie portofoons aan boord zijn. Aan deze bepaling kan ook worden voldaan door toepassing van andere draagbare communicatie-apparaten die aan boord worden gebruikt, mits die apparaten voldoen aan het bepaalde in artikel 265.
Op of in de nabijheid van de brug dienen ten minste twaalf valschermsignalen die voldoen aan het bepaalde in artikel 215, aanwezig te zijn.
Artikel 198. Persoonlijke reddingmiddelen
Vaartuigen moeten ten minste het aantal reddingboeien aan boord hebben, voorgeschreven in de onderstaande tabel:
| lengte van het vaartuig in meters | minimum aantal reddingboeien |
|---|---|
| minder dan 45 | 4 |
| 45 of meer doch minder dan 100 | 8 |
| 100 of meer | 10 |
Reddingboeien dienen te voldoen aan het bepaalde in artikel 211 en moeten:
- 1°. zo zijn verdeeld dat zij aan beide zijden van het vaartuig en, voor zover praktisch uitvoerbaar, op alle open dekken die tot aan de zijden doorlopen voor onmiddellijk gebruik gereed zijn; ten minste één reddingboei dient in de nabijheid van de achtersteven te zijn geplaatst; en
- 2°. zo zijn geplaatst dat zij snel overboord kunnen worden geworpen en niet op een of andere manier permanent zijn vastgezet.
Aan iedere zijde van het vaartuig moet ten minste één reddingboei zijn voorzien van een drijvende reddinglijn die voldoet aan het bepaalde in artikel 211, vierde lid, met een lengte van ten minste 30 m of tweemaal de hoogte waarop de reddingboei geplaatst is boven de laagst gelegen lastlijn van het vaartuig in zeewater, welke van beide het grootste is.
Ten minste de helft van het totale aantal reddingboeien moet zijn voorzien van een zelfontbrandend licht dat voldoet aan het bepaalde in artikel 211, tweede lid. Ten minste twee van deze reddingboeien moeten bovendien zijn voorzien van een zelfwerkend rooksignaal dat voldoet aan het bepaalde in artikel 211, derde lid, en deze reddingboeien moeten vanaf de brug snel ontkoppeld kunnen worden; reddingboeien met licht en die met licht en rooksignaal moeten gelijkelijk verdeeld zijn over beide zijden van het schip en mogen niet zijn voorzien van reddinglijnen als bedoeld in het derde lid. Aan boord van een vaartuig waarvan de lengte minder dan 45 m bedraagt, is het bepaalde in dit lid met betrekking tot zelfwerkende rooksignalen niet van toepassing.
Op iedere reddingboei moet de naam en thuishaven, of het vismerk van het vaartuig waarop de boei is geplaatst, in blokletters zijn aangegeven.
Voor elke opvarende dient een reddinggordel die voldoet aan het bepaalde in artikel 212, aan boord te zijn, bovendien dient een voldoend aantal extra reddinggordels aan boord te zijn voor personen die op wacht zijn.
De reddinggordels moeten zo zijn opgeborgen dat ze gemakkelijk bereikbaar zijn en hun bergplaats moet duidelijk zijn aangegeven. Wanneer, vanwege de bijzondere indeling van het vaartuig, de reddinggordels, voorgeschreven in het voorgaande lid, onbereikbaar kunnen worden, moeten andere maatregelen ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie worden genomen, welke kunnen inhouden dat een groter aantal reddinggordels aan boord moet zijn.
Aan boord van een vaartuig moeten voor iedere reddingboot aan boord ten minste 3 overlevingspakken aanwezig zijn die voldoen aan het bepaalde in artikel 213, of, indien het Hoofd van de Scheepvaartinspectie dat noodzakelijk en uitvoerbaar vindt, een overlevingspak dat voldoet aan het bepaalde in artikel 213 voor iedere opvarende. Het vaartuig moet echter naast de hulpmiddelen tegen warmteverlies, voorgeschreven in artikel 218, dertiende lid, onder 24, artikel 221, tweeënveertigste lid, onder 31 en artikel 223, elfde lid, onder 13, hulpmiddelen tegen warmteverlies die voldoen aan het bepaalde in artikel 214, aan boord hebben voor de opvarenden die niet zijn voorzien van overlevingspakken. Deze overlevingspakken en hulpmiddelen tegen warmteverlies behoeven niet aan boord te zijn indien het vaartuig geheel overdekte reddingboten heeft, die gezamenlijk per zijde voldoende ruimte bieden aan het totale aantal opvarenden.
Aan boord van een vaartuig dat voldoet aan het bepaalde in artikel 199, tweede lid, moeten overlevingspakken die voldoen aan het bepaalde in artikel 213 aanwezig zijn voor alle opvarenden, tenzij het vaartuig:
- 1°. reddingvlotten van het strijkbare type heeft, die door middel van tewaterlatingsmiddelen aan beide zijden van het vaartuig te water kunnen worden gelaten; of
- 2°. reddingvlotten heeft, die door middel van goedgekeurde gelijkwaardige middelen aan beide zijden van het vaartuig te water kunnen worden gelaten en waarvoor het niet noodzakelijk is via het water in het reddingvlot te komen.
Aan boord van een vaartuig moet voor elke persoon die is aangewezen om de hulp verleningsboot te bemannen, een overlevingspak van de juiste maat aanwezig zijn dat voldoet aan het bepaalde in artikel 213. De overlevingspakken, bedoeld in het achtste of het negende lid mogen voor dit doel worden gebruikt.
Een overlevingspak dat voldoet aan het bepaalde in artikel 213, mag worden meegeteld als reddinggordel bij de toepassing van het bepaalde in het zesde lid.
Artikel 199. Groepsreddingmiddelen en hulpverleningsboten
Aan boord van een vaartuig moeten aanwezig zijn:
- 1°. aan elke zijde een of meer reddingboten die voldoen aan het bepaalde in artikel 222, en die per zijde van het vaartuig gezamenlijk voldoende ruimte bieden aan het totale aantal opvarenden; en
- 2°. een of meer reddingvlotten die voldoen aan het bepaalde in artikel 219 of 220 en die aan beide zijden van het vaartuig te water gelaten kunnen worden en gezamenlijk voldoende ruimte bieden aan het totale aantal opvarenden. Indien de reddingvlotten niet gemakkelijk van de ene zijde van het vaartuig naar de andere kunnen worden overgebracht om te water gelaten te worden, moet de totale beschikbare ruimte in de reddingvlotten aan elke zijde voldoende zijn om het totale aantal opvarenden op te nemen.
Vaartuigen waarvan de lengte minder dan 85 m bedraagt mogen, in plaats van te voldoen aan het bepaalde in het eerste lid volstaan met het volgende:
- 1°. zij moeten aan elke zijde van het vaartuig een of meer reddingvlotten hebben die voldoen aan het bepaalde in artikel 219 of 220, en die per zijde gezamenlijk voldoende ruimte bieden aan het totale aantal opvarenden;
- 2°. tenzij de reddingvlotten, voorgeschreven onder 1, gemakkelijk van de ene zijde van het vaartuig naar de andere kunnen worden overgebracht om te water gelaten te worden, moeten extra reddingvlotten worden geplaatst zodat de totale capaciteit die aan elke zijde beschikbaar is, voldoende ruimte biedt aan ten minste 150 percent van het totale aantal opvarenden;
- 3°. indien de hulpverleningsboot voorgeschreven in het vierde lid, tevens een reddingboot is die voldoet aan het bepaalde in artikel 222, mag deze gerekend worden tot de gezamenlijke capaciteit, voorgeschreven onder 1, mits de totale capaciteit die aan elke zijde beschikbaar is, voldoende ruimte biedt aan ten minste 150 percent van het totale aantal opvarenden; en
- 4°. ingeval een van de groepsreddingmiddelen verloren gaat of in het ongerede raakt, moeten er voldoende groepsreddingmiddelen voor gebruik aan elke zijde beschikbaar zijn voor het totale aantal opvarenden.
Met uitzondering van de groepsreddingmiddelen, bedoeld in artikel 206, eerste lid, onder 1, moeten alle groepsreddingmiddelen die zijn voorgeschreven om het totale aantal opvarenden te ontschepen, met hun volle bezetting en volledige uitrusting te water gelaten kunnen worden binnen een tijdbestek van 10 minuten, gerekend vanaf het tijdstip waarop het sein «schip verlaten» wordt gegeven.
Aan boord van een vaartuig moet ten minste een hulpverleningsboot aanwezig zijn, die voldoet aan het bepaalde in artikel 223. Een reddingboot kan worden aanvaard als hulpverleningsboot, mits tevens wordt voldaan aan de voorschriften voor een hulpverleningsboot.
Artikel 200. Bedieningsaanwijzingen
Op of nabij de groepsreddingmiddelen en de bedieningsplaatsen van de tewaterlatingsmiddelen dienen instructieplaten of aanduidingen te zijn aangebracht, die:
- 1°. het doel van de bedieningsmiddelen, de volgorde van behandeling ervan en de ter zake dienende instructies of waarschuwingen aangeven;
- 2°. duidelijk zichtbaar zijn bij het licht van de noodverlichting; en
- 3°. voldoen aan bij ministeriële regeling vast te stellen nadere regels inzake symbolen.
Artikel 201. Bezetting van groepsreddingmiddelen en het toezicht daarop
Er moet een voldoend aantal geoefende bemanningsleden aan boord zijn om het verzamelen te leiden en om ongeoefende personen bijeen te brengen en behulpzaam te zijn bij «schip verlaten».
Er moet een voldoend aantal gediplomeerde sloepsgasten aan boord zijn om de groepsreddingmiddelen en de tewaterlatingsvoorzieningen, die vereist zijn om alle opvarenden te ontschepen, te bedienen.
Over elk te gebruiken groepsreddingmiddel dient een gediplomeerde sloepsgast de leiding te hebben. Rekening houdend met de aard van de reis, het aantal opvarenden en het soort vaartuig kan het Hoofd van de Scheepvaartinspectie evenwel toestaan dat personen met ervaring in de behandeling en bediening van reddingvlotten, met de leiding over reddingvlotten worden belast in plaats van de bovengenoemde gediplomeerde sloepsgasten. Bij reddingboten dient tevens een plaatsvervanger van de sloepscommandant te zijn aangewezen.
Degene die de leiding heeft over een groepsreddingmiddel, moet beschikken over een lijst met namen van de hem toegewezen bemanning van het groepsreddingmiddel en moet er op toezien dat die bemanningsleden hun taken kennen. De plaatsvervangende sloepscommandant moet ook over een lijst van de bemanning van de reddingboot beschikken.
Voor een reddingboot waarin een radiotelegrafie-installatie is aangebracht volgens het bepaalde in artikel 197, derde lid, moet iemand zijn aangewezen die de installatie kan bedienen.
Voor iedere reddingboot moet iemand zijn aangewezen die de motor kan bedienen en kleine herstellingen daaraan kan verrichten.
Het aantal personen bedoeld in het eerste tot en met het derde lid, moet gelijkelijk over de groepsreddingmiddelen worden verdeeld.
Artikel 202. Verzamel- en inschepingsvoorzieningen
Reddingboten en reddingvlotten waarvoor goedgekeurde tewaterlatingsmiddelen zijn voorgeschreven, moeten zo dicht mogelijk bij ruimten voor accommodatie en dienstruimten zijn geplaatst.
De verzamelplaatsen moeten dicht bij de inschepingsplaatsen zijn gelegen. Elke verzamelplaats moet voldoende ruimte bieden om alle daar te verzamelen personen te kunnen bevatten.
Verzamel- en inschepingsplaatsen moeten gemakkelijk toegankelijk zijn vanuit de ruimten voor accommodatie en dienstruimten.
Verzamel- en inschepingsplaatsen moeten een doelmatige noodverlichting hebben, welke moet worden gevoed door de elektrische noodkrachtbron, voorgeschreven in artikel 112, eerste lid, of artikel 113, eerste lid.
Gangen, trappen en uitgangen die leiden naar de verzamelen inschepingsplaatsen moeten een doelmatige noodverlichting hebben, welke moet worden gevoed door de elektrische noodkrachtbron, voorgeschreven in artikel 112, eerste lid, of artikel 113, eerste lid.
Verzamel- en inschepingsplaatsen voor groepsreddingmiddelen van het strijkbare type moeten zo zijn ingericht dat het mogelijk is om een gewonde op een draagbaar in het groepsreddingmiddel te plaatsen.
Op iedere tewaterlatingsplaats of op iedere twee naast elkaar gelegen tewaterlatingsplaatsen moet een inschepingsladder aanwezig zijn, die voldoet aan het bepaalde in artikel 224, vierentwintigste tot en met zesentwintigste lid, bestaat uit één lengte en lang genoeg is om aan de hoge zijde tot op het water te reiken, onder ongunstige omstandigheden van kop- of stuurlast en bij een slagzij van 20 graden, waarbij het vaartuig ligt op de laagst gelegen lastlijn in zeewater. Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan echter toestaan dat dergelijke ladders worden vervangen door goedgekeurde middelen om inscheping in de groepsreddingmiddelen wanneer deze in het water liggen, mogelijk te maken, op voorwaarde dat er ten minste één inschepingsladder aan iedere zijde van het vaartuig aanwezig is.
Waar nodig moeten middelen aanwezig zijn om groepsreddingmiddelen van het strijkbare type tegen het scheepsboord te brengen en daar te houden opdat personen veilig kunnen worden ingescheept.
De voorzieningen ten behoeve van het inschepen in groepsreddingmiddelen moeten zo zijn ontworpen dat de reddingboten ingescheept en te water gelaten kunnen worden vanaf de opstellingsplaats en dat de reddingvlotten van het strijkbare type ingescheept en te water gelaten kunnen worden vanaf een plaats direct nabij de opstellingsplaats, of vanaf een plaats waarheen in overeenstemming met het bepaalde in artikel 204, vijfde lid, het reddingvlot wordt overgebracht voorafgaand aan het te water laten.
Artikel 203. Tewaterlatingsplaatsen
Tewaterlatingsplaatsen moeten zodanig zijn gelegen dat de groepsreddingmiddelen veilig te water kunnen worden gelaten. Daarbij moet bijzondere aandacht worden geschonken aan de afstand tot de schroef en aan sterk terugwijkende gedeelten van de romp, zodat de groepsreddingmiddelen, zoveel mogelijk langs het verticale gedeelte van de zijden van het vaartuig afgevierd kunnen worden. Bij plaatsing op het voorschip moeten de groepsreddingmiddelen op een beschermde plaats achter het aanvaringsschot zijn gelegen en in dit geval moet bijzondere aandacht worden geschonken aan de sterkte van het tewaterlatingsmiddel.
Artikel 204. Plaatsing van groepsreddingmiddelen
Ieder groepsreddingmiddel moet zijn geplaatst:
- 1°. zodanig dat noch het groepsreddingmiddel noch de plaatsingsvoorzieningen de behandeling van enig ander groepsreddingmiddel of van een hulpverleningsboot op een andere tewaterlatingsplaats belemmeren;
- 2°. zo laag mogelijk boven het wateroppervlak als veilig en uitvoerbaar is doch, met uitzondering van een reddingvlot bestemd voor tewaterlating door overboord werpen, op een zodanige plaats dat het groepsreddingmiddel aan de lage zijde op de inschepingsplaats komt op een hoogte van ten minste 2 m boven de hoogst gelegen lastlijn van het vaartuig in zeewater, onder ongunstige omstandigheden van kop- of stuurlast en bij een slagzij van 20 graden of bij een slagzij waarbij de rand van het bovenste doorlopende dek onder water raakt, welke van beide het kleinste is;
- 3°. zodanig dat het voortdurend en voor onmiddellijk gebruik gereed is, zodat twee bemanningsleden binnen 5 minuten de voorbereidingen kunnen treffen voor het te water laten en de inscheping;
- 4°. voorzien van de volledige uitrusting, voorgeschreven in paragraaf 3; en
- 5°. voor zover uitvoerbaar, op een veilige en beschutte plaats en beschermd tegen schade door brand en explosie.
Reddingboten die langs de scheepszijden afgevierd worden, moeten zo ver mogelijk als praktisch uitvoerbaar voor de schroef zijn geplaatst. Aan boord van een vaartuig waarvan de lengte 80 m of meer, doch minder dan 120 m bedraagt, moet iedere reddingboot zo zijn geplaatst dat de afstand van de achterkant van de reddingboot tot de schroef ten minste éénmaal de lengte van de reddingboot bedraagt. Aan boord van een vaartuig waarvan de lengte 120 m of meer bedraagt, moet iedere reddingboot zo zijn geplaatst dat de afstand van de achterkant van de reddingboot tot de schroef ten minste 1½ maal de lengte van de reddingboot bedraagt. Waar toepasselijk moet het vaartuig zo zijn ingericht dat de reddingboten op hun opstellingsplaatsen beschermd zijn tegen schade door overkomende zeeën.
Reddingboten moeten zijn verbonden met bijbehorende tewaterlatingsmiddelen.
Reddingvlotten van het strijkbare type moeten binnen bereik van de hijshaken zijn geplaatst, tenzij er middelen voor overbrenging van de reddingvlotten zijn aangebracht, die niet buiten werking kunnen geraken binnen de gestelde grenzen van kop- of stuurlast en slagzij, omschreven in het eerste lid, onder 2, of door de bewegingen van het vaartuig of door het uitvallen van de krachtbron.
Reddingvlotten bestemd voor tewaterlating door overboord werpen, moeten zo zijn geplaatst dat zij gemakkelijk aan beide zijden van het vaartuig te water kunnen worden gelaten, tenzij de capaciteit van de reddingvlotten aan elke zijde van het vaartuig afzonderlijk, gelijk is aan de gezamenlijke capaciteit van de vlotten, voorgeschreven in artikel 199, eerste en tweede lid.
Alle reddingvlotten moeten geplaatst zijn met de vanglijn permanent aan het vaartuig bevestigd en met een voorziening voor vrij opdrijven die voldoet aan het bepaalde in artikel 218, zestiende tot en met achttiende lid, en wel zodanig dat wanneer het vaartuig zinkt, het reddingvlot vrij opdrijft en, indien het een opblaasbaar reddingvlot betreft, automatisch opblaast. Bovendien moeten alle reddingvlotten zodanig zijn geplaatst dat het mogelijk is ze ook met de hand van hun sjorringen te ontdoen.
Artikel 205. Plaatsing van hulpverleningsboten
Hulpverleningsboten moeten zijn geplaatst:
- 1°. zodanig dat ze voortdurend en voor onmiddellijk gebruik gereed zijn en de tewaterlating binnen 5 minuten kan geschieden;
- 2°. op een plaats die zowel geschikt is voor het te water laten als voor het terugplaatsen van de boot;
- 3°. zodanig dat noch de hulpverleningsboot noch de plaatsingsvoorzieningen de behandeling van enig ander groepsreddingmiddel op een andere tewaterlatingsplaats belemmeren; en
- 4°. in overeenstemming met het bepaalde in artikel 204, indien ze tevens dienstdoen als reddingboot.
Artikel 206. Voorzieningen voor tewaterlating en terugzetten van groepsreddingmiddelen
Tewaterlatingsmiddelen die voldoen aan het bepaalde in artikel 224, moeten beschikbaar zijn voor alle groepsreddingmiddelen, behalve voor:
- 1°. reddingvlotten waarin wordt ingescheept vanaf een plaats aan dek op minder dan 4,5 m boven de laagst gelegen lastlijn van het vaartuig in zeewater en die:
- 1.1. een massa hebben van niet meer dan 185 kg; of
- 1.2. geplaatst zijn voor het te water laten rechtstreeks vanaf de opstellingsplaats onder ongunstige omstandigheden van kop- of stuurlast tot 10 graden en met een slagzij van het vaartuig van 20 graden naar iedere zijde;
- 2°. groepsreddingmiddelen die een massa hebben van niet meer dan 185 kg en die aan boord aanwezig zijn in aanvulling op de groepsreddingmiddelen ten behoeve van 200 percent van het aantal opvarenden.
Elke reddingboot moet zijn voorzien van een middel dat de reddingboot te water kan laten en weer terug kan zetten.
De middelen voor het te water laten en weer terugzetten moeten zo zijn uitgevoerd dat de bediener daarvan aan boord te allen tijde in staat is het groepsreddingmiddel bij het te water laten, en voor de reddingboten tevens bij het weer terugzetten, te zien.
Voor gelijksoortige groepsreddingmiddelen aan boord van één vaartuig mag slechts één type ontkoppelingsmechanisme worden gebruikt.
Het gereedmaken en bedienen van een groepsreddingmiddel op een tewaterlatingsplaats mag het gereedmaken en bedienen van andere groepsreddingmiddelen of hulpverleningsboten op andere tewaterlatingsplaatsen niet belemmeren.
Lopers, wanneer toegepast, moeten van voldoende lengte zijn om aan de hoge zijde met de groepsreddingmiddelen het water te kunnen bereiken indien het vaartuig ligt op de laagst gelegen lastlijn in zeewater onder ongunstige omstandigheden van kop- of stuurlast en een slagzij van 20 graden.
Gedurende het gereedmaken en te water laten, moeten het groepsreddingmiddel, het daarbij behorende tewaterlatingsmiddel en de omgeving van het wateroppervlak waarin het wordt afgevierd of te water wordt geworpen, doelmatig kunnen worden verlicht door middel van noodverlichting gevoed door de elektrische noodkrachtbron, voorgeschreven in artikel 112, eerste lid, of artikel 113, eerste lid.
Teneinde te voorkomen dat waterlozing op de groepsreddingmiddelen plaatsvindt tijdens «schip verlaten», moeten de werktuiglijk gedreven pompen die overboord kunnen spuien en die niet door het hoofdvoortstuwingswerktuig worden aangedreven, vanaf een doelmatige plaats buiten werking kunnen worden gesteld. Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan hiervoor nadere regels geven.
Indien een vaartuig is uitgerust met stabilisatoren en er gevaar bestaat dat de groepsreddingmiddelen hierdoor beschadigd kunnen worden, moeten middelen beschikbaar zijn, gevoed door een noodkrachtbron, om die stabilisatoren binnenboord te brengen. Op de brug moet een aanwijzer, gevoed door een noodkrachtbron, aanwezig zijn die de stand van de stabilisatoren aangeeft.
Artikel 207. Voorzieningen voor inscheping, tewaterlating en terugzetten van hulpverleningsboten
De voorzieningen voor inscheping in en tewaterlating van hulpverleningsboten moeten zo zijn uitgevoerd dat in de kortst mogelijke tijd de hulpverleningsboot kan worden bemand en te water gelaten.
Indien de hulpverleningsboot een van de groepsreddingmiddelen van het vaartuig is, moeten de inschepingsvoorzieningen en de tewaterlatingsplaats voldoen aan het bepaalde in de artikelen 202 en 203.
De tewaterlatingsvoorzieningen moeten voldoen aan het bepaalde in artikel 206. Alle hulpverleningsboten moeten bovendien te water gelaten kunnen worden, waar nodig met gebruikmaking van een vanglijn, terwijl het vaartuig met een snelheid tot 5 zeemijl per uur in kalm water vooruit vaart.
Het snel weer terugzetten van de hulpverleningsboot met volle bezetting en volledige uitrusting moet mogelijk zijn. Indien de hulpverleningsboot tevens dienst doet als reddingboot, dan moet snel terugzetten mogelijk zijn wanneer de boot is voorzien van de voor een reddingboot voorgeschreven uitrusting en een bezetting van ten minste 6 personen.
Artikel 208. Lijnwerptoestellen
Aan boord van elk vaartuig moet een lijnwerptoestel aanwezig zijn, dat voldoet aan het bepaalde in artikel 225.
Artikel 209. Gereedheid voor gebruik, onderhoud en inspecties
Alvorens een reis te ondernemen en gedurende de gehele reis moeten alle reddingmiddelen in goede staat verkeren en voor onmiddellijk gebruik gereed zijn.
Instructies voor het onderhoud van de reddingmiddelen aan boord, die voldoen aan het bepaalde in artikel 226, moeten aanwezig zijn en het onderhoud moet dienovereenkomstig worden uitgevoerd.
In plaats van de in het voorgaande lid voorgeschreven instructies kan het Hoofd van de Scheepvaartinspectie een voor het vaartuig opgesteld onderhoudsprogramma toestaan, waarin de bepalingen van artikel 226 zijn opgenomen.
Lopers die bij het afvieren van de reddingmiddelen worden gebruikt, moeten met tussenpozen van niet meer dan 30 maanden gekeerd worden en moeten worden vernieuwd wanneer ze gebreken vertonen dan wel na niet meer dan 5 jaar.
Voor de groepsreddingmiddelen en hun onderdelen die onderhevig zijn aan uitzonderlijke slijtage of intering en regelmatig vervangen dienen te worden, moeten aan boord reserve-onderdelen en reparatiegereedschap aanwezig zijn.
De volgende beproevingen en inspecties moeten wekelijks worden uitgevoerd:
- 1°. een visuele inspectie van alle groepsreddingmiddelen, hulpverleningsboten en tewaterlatingsmiddelen, teneinde zeker te stellen dat deze gereed zijn voor onmiddellijk gebruik;
- 2°. het draaien van de motoren in alle reddingboten en hulpverleningsboten in voor-en achteruit stand in totaal gedurende ten minste 3 minuten, mits de omgevingstemperatuur hoger is dan de minimumtemperatuur vereist om de motor te kunnen starten; en
- 3°. het beproeven van de algemeen alarminstallatie, voorgeschreven in artikel 239, tweede lid.
Een inspectie van de reddingmiddelen met inbegrip van de reddingbootuitrusting moet maandelijks worden uitgevoerd, waarbij gebruik moet worden gemaakt van de in artikel 226, eerste lid, onder 1, voorgeschreven controlelijst, teneinde zeker te stellen dat de middelen en de uitrusting volledig zijn en in goede staat verkeren. Een verslag van de inspectie moet in het scheepsdagboek worden opgenomen.
Ieder automatisch opblaasbaar reddingvlot en de daarbij behorende medische uitrusting en iedere automatisch opblaasbare reddinggordel moeten worden gekeurd:
- 1°. met tussenpozen van ten hoogste 12 maanden. In bijzondere gevallen kan het Hoofd van de Scheepvaartinspectie deze periode verlengen tot ten hoogste 17 maanden; en
- 2°. in Nederland in een door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie erkend keuringsstation en in het buitenland in een door de overheid aldaar erkend keuringsstation dat vanwege de fabrikant bevoegd is deze keuringen te verrichten. Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan nadere regels stellen omtrent de voorwaarden voor de erkenning van de keuringsstations in Nederland en omtrent de keuring.
Alle reparaties en onderhoud aan hulpverleningsboten in opgeblazen toestand moeten worden uitgevoerd overeenkomstig de aanwijzingen van de fabrikant. Noodreparaties mogen aan boord van het vaartuig worden uitgevoerd. Permanente reparaties en periodiek onderhoud moeten worden uitgevoerd in een erkend keuringsstation als bedoeld onder 1.2.
Automatische hydrostatische ontkoppelingsmechanismen moeten periodiek worden gekeurd:
- 1°. met tussenpozen van ten hoogste 12 maanden. In bijzondere gevallen kan het Hoofd van de Scheepvaartinspectie deze periode verlengen tot ten hoogste 17 maanden; en
- 2°. in een erkend keuringsstation als bedoeld in het achtste lid, onder 1.2.
§ 3. Bepalingen ten aanzien van reddingmiddelen en -voorzieningen
Artikel 210. Algemene eisen voor reddingmiddelen en -voorzieningen
Tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald of tenzij naar het oordeel van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie, rekening houdend met de bijzondere reizen die het vaartuig voortdurend maakt, andere voorschriften passend zijn, moeten alle in deze paragraaf beschreven reddingmiddelen aan de volgende eisen voldoen:
- 1°. zij moeten zijn vervaardigd met goed vakmanschap en van deugdelijk materiaal;
- 2°. op de opstellingsplaats mogen zij niet worden aangetast bij luchttemperaturen tussen minus 30°C en plus 65°C;
- 3°. indien zij mogelijkerwijs tijdens gebruik in zeewater worden ondergedompeld, moeten zij kunnen blijven werken bij een zeewatertemperatuur tussen minus 1°C en plus 30°C;
- 4°. waar van toepassing, moeten zij bestand zijn tegen verrotting en corrosie en niet overmatig aangetast worden door zeewater, olie of schimmel;
- 5°. zij mogen niet worden aangetast door blootstelling aan zonlicht;
- 6°. zij moeten een goed zichtbare kleur hebben op alle delen waar dit ontdekking kan bevorderen;
- 7°. zij moeten zijn voorzien van lichtterugkaatsend materiaal op die plaatsen waar dit ontdekking kan bevorderen en volgens de door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie te stellen nadere regels; en
- 8°. wanneer van toepassing, moeten zij bij zeegang doelmatig kunnen worden gebruikt.
Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie stelt het tijdvak vast gedurende hetwelk reddingmiddelen waarvan de kwaliteit in belangrijke mate vermindert naarmate zij ouder worden, voor gebruik aan boord mogen worden gehandhaafd. Deze reddingmiddelen moeten zijn voorzien van een duidelijk zichtbare vermelding van de datum van fabricage. Hiertoe kan het Hoofd van de Scheepvaartinspectie nadere regels stellen.
Artikel 211. Reddingboeien
Een reddingboei moet aan de volgende eisen voldoen:
- 1°. hij moet een uitwendige middellijn hebben van niet meer dan 800 mm en een inwendige middellijn van niet minder dan 400 mm;
- 2°. hij moet zijn vervaardigd van zelfopdrijvend materiaal dat niet bestaat uit biezen, kurkafval, kurkkorrels of enige andere korrelige stof zonder samenhang, noch uit een luchtkast waarbij het drijfvermogen afhankelijk is van opblazen;
- 3°. hij moet in staat zijn om ten minste 14,5 kg ijzer gedurende 24 uur in zoet water te kunnen dragen;
- 4°. hij moet een massa van ten minste 4,5 kg hebben;
- 5°. hij mag niet blijven branden of doorgaan met smelten indien hij niet langer dan 2 seconden volledig in vuur gehuld is geweest;
- 6°. hij moet zo zijn vervaardigd dat een val vanaf een hoogte van 30 m in het water wordt doorstaan, zonder dat de gebruiksmogelijkheden of de er aan bevestigde onderdelen worden aangetast. Indien de plaats waar de boei is geplaatst, meer dan 30 m boven de laagst gelegen lastlijn van het vaartuig in zeewater is gelegen, dient de boei een val vanaf die hoogte te kunnen doorstaan; en
- 7°. hij moet zijn voorzien van een grijplijn die een doorsnede heeft van ten minste 9,5 mm en een lengte van ten minste 4 maal de uitwendige middellijn van de boei. De grijplijn moet op vier, op onderling gelijke afstand liggende, punten op de omtrek van de boei zijn bevestigd en wel zodanig dat vier gelijke bochten worden gevormd.
Een zelfontbrandend licht als voorgeschreven in artikel 198, vierde lid, moet voldoen aan de volgende eisen:
- 1°. het moet zo zijn vervaardigd, dat het niet door water kan worden gedoofd;
- 2°. het moet onafgebroken in alle richtingen boven de horizon kunnen branden met een lichtsterkte van ten minste 2 cd, of flikkerlicht kunnen geven met een frequentie van ten minste 50 flikkeringen per minuut en met een doeltreffende lichtsterkte van ten minste 2 cd;
- 3°. het moet zijn voorzien van een zodanige krachtbron dat gedurende ten minste 2 uur kan worden voldaan aan het bepaalde onder 2; en
- 4°. het moet een valproef als bedoeld in het eerste lid, onder 6, kunnen doorstaan.
Een zelfwerkend rooksignaal als voorgeschreven in artikel 198, vierde lid, moet voldoen aan de volgende eisen:
- 1°. het moet drijvend in kalm water, gedurende ten minste 15 minuten rook van een goed zichtbare kleur met gelijkmatige snelheid kunnen afgeven;
- 2°. het mag niet explosief ontsteken en geen vlammen afgeven gedurende de gehele periode van rookafgifte;
- 3°. het mag tijdens zeegang niet vollopen met water;
- 4°. het moet tevens rook afgeven tijdens en na een 10 seconden durende volledige onderdompeling, 100 mm diep in water; en
- 5°. het moet een valproef als bedoeld in het eerste lid, onder 6, kunnen doorstaan.
Een drijvende lijn als voorgeschreven in artikel 198, derde lid, moet voldoen aan de volgende eisen:
- 1°. zij mag niet kinken;
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)