Besluit van 5 augustus 1989, houdende nadere regelen voor de veiligheid van Vissersvaartuigen
- 3°. een alarmsysteem dat voldoet aan het bepaalde in artikel 136 moet zijn aangebracht voor alle belangrijke drukken, temperaturen, vloeistofniveaus en andere van belang zijnde parameters;
- 4°. een centrale post moet zijn ingericht met de noodzakelijke alarm- en instrumentenpanelen, welke elk alarm kunnen aangeven; en
- 5°. voorzieningen moeten zijn getroffen om de aanzetluchtdruk op het vereiste niveau te houden wanneer verbrandingsmotoren voor de voortstuwing worden gebruikt.
Artikel 138. Veiligheidssysteem
Een veiligheidssysteem moet zijn aangebracht teneinde te verzekeren dat een ernstige storing aan de te werk staande werktuigen of ketels, welke een direct gevaar oplevert, automatisch het desbetreffende gedeelte van de installatie zal uitschakelen, waarbij tevens een alarm wordt gegeven. Het stopzetten van de voortstuwingsinstallatie mag niet automatisch plaatsvinden, behalve in die gevallen welke tot ernstige schade, algeheel onklaar raken of explosie zouden kunnen leiden. Indien voorzieningen zijn aangebracht welke het stopzetten van het hoofdvoortstuwingswerktuig ongedaan kunnen maken, moeten deze voorzieningen zodanig zijn uitgevoerd dat ongewild gebruik ervan niet mogelijk is. Wanneer zulk een voorziening is gebruikt, dient dit zichtbaar te worden aangegeven.
Hoofdstuk 5. Bescherming tegen, opsporing en bestrijding van brand
§ 1. Brandbescherming voor vaartuigen waarvan de lengte 55 m of meer bedraagt
Artikel 139. Algemeen
De voorschriften in deze paragraaf zijn van toepassing op vaartuigen waarvan de lengte 55 m of meer bedraagt.
In ruimten voor accommodatie en dienstruimten moet een van de volgende methoden van bescherming zijn toegepast:
- 1°. methode I F- het aanbrengen van scheidingsschotten van klasse «B» of «C» van onbrandbare kwaliteit, in het algemeen zonder dat daarbij installaties als voorgeschreven bij methode II of III F in de ruimten voor accommodatie en de dienstruimten zijn aangebracht;
- 2°. methode II F- het installeren van een automatische sprinkler- en brandalarm- en brandontdekkingsinstallatie voor het ontdekken en blussen van brand in alle ruimten waarin het ontstaan van een brand kan worden verwacht, in het algemeen zonder beperkingen ten aanzien van het type van de scheidingsschotten; of
- 3°. methode III F- het installeren van een automatische brandalarm- en brandontdekkingsinstallatie in alle ruimten waarin het ontstaan van een brand kan worden verwacht, in het algemeen zonder beperkingen ten aanzien van het type van de scheidingsschotten, met dien verstande dat de oppervlakte van enige ruimte of ruimten voor accommodatie die door een schot van klasse «A» of «B» dienen te worden begrensd, in geen geval meer dan 50 m2 mag bedragen. Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan voor ruimten voor algemeen gebruik echter een grotere oppervlakte toestaan. De bepalingen met betrekking tot de toepassing van onbrandbare materialen bij de constructie en isolatie van schotten die de begrenzing vormen van ruimten voor machines, controlestations en dergelijke, en de bescherming van trapomsluitingen en gangen zijn voor alle drie methoden gelijk.
Artikel 140. Constructie
De romp, de bovenbouw, structurele schotten, dekken en dekhuizen moeten van staal of ander, gelijkwaardig materiaal zijn vervaardigd.
De isolatie van onderdelen van schotten van klasse «A» of «B» welke van aluminiumlegering zijn vervaardigd, met uitzondering van die welke naar het oordeel van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie niet lastdragend zijn, dient zodanig te zijn dat de temperatuur van de metalen kern van de constructie gedurende de van toepassing zijnde brandproef te eniger tijd niet meer dan 200°C boven de temperatuur van de omgeving stijgt.
Bijzondere aandacht dient te worden geschonken aan de isolatie van onderdelen van stutten, stijlen en andere delen van de constructie die van aluminiumlegering zijn vervaardigd en die nodig zijn ter ondersteuning van de plaatsen voor de opstelling en het te water brengen van en de inscheping in de groepsreddingmiddelen en van schotten van klasse «A» en «B» teneinde zeker te stellen:
- 1°. dat voor dergelijke constructiedelen die de plaatsen met de groepsreddingmiddelen en schotten van klasse «A» steunen, de grens voor de temperatuurstijging genoemd in het voorgaande lid, aan het einde van een uur zal gelden; en
- 2°. dat voor dergelijke constructiedelen die schotten van klasse «B» moeten ondersteunen, de grens voor de temperatuurstijging genoemd in het voorgaande lid, aan het einde van een half uur zal gelden.
In afwijking van het bepaalde in het eerste lid moeten kappen en schachten van ruimten voor machines van categorie A van staal zijn en naar behoren zijn geïsoleerd, terwijl de openingen daarin, indien aanwezig, doelmatig moeten zijn aangebracht en zijn voorzien van middelen om uitbreiding van brand tegen te gaan.
Artikel 141. Schotten binnen ruimten voor accommodatie en dienstruimten
Binnen ruimten voor accommodatie en dienstruimten dienen alle schotten welke van klasse «B» moeten zijn, te zijn opgetrokken van dek tot dek en zich uit te strekken tot de huid of tot andere begrenzingswanden, tenzij aan beide zijden van de schotten doorlopende plafonds of beschietingen van klasse «B» zijn aangebracht, in welk geval het schot mag eindigen bij het doorlopende plafond of de doorlopende beschieting.
Methode I F- Alle schotten die niet ingevolge het bepaalde in deze paragraaf van klasse «A» of «B» moeten zijn, dienen ten minste schotten van klasse «C» te zijn.
Methode II F- De constructie van schotten die niet ingevolge het bepaalde in deze paragraaf van klasse «A» of «B» moeten zijn, is niet aan beperking onderworpen, behoudens in die gevallen waarin schotten van klasse «C» zijn vereist overeenkomstig tabel 1 van artikel 144, onder 2.
Methode III F- De constructie van schotten die niet ingevolge het bepaalde in deze paragraaf van klasse «A» of «B» moeten zijn, is niet aan beperkingen onderworpen, behoudens in die gevallen waarin schotten van klasse «C» zijn vereist overeenkomstig tabel 1 van artikel 144, onder 2. De oppervlakte van enige ruimte of ruimten voor accommodatie die door een doorlopend schot van klasse «A» of «B» dienen te worden begrensd, mag in geen geval meer dan 50 m2 bedragen. Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan voor ruimten voor algemeen gebruik echter een grotere oppervlakte toestaan.
Artikel 142. Bescherming van trappen en liftschachten in ruimten voor accommodatie, dienstruimten en controlestations
Trappen die niet meer dan twee dekken bedienen, moeten ten minste op een niveau zijn beschermd door schotten van klasse «B-O» en zelfsluitende deuren. Liften die niet meer dan twee dekken bedienen, moeten zijn omsloten door schotten van klasse «A-O» die op beide niveaus moeten zijn voorzien van stalen deuren. Trappen en liftschachten die meer dan twee dekken bedienen, moeten ten minste zijn omsloten door schotten van klasse «A-O» en zijn beschermd door zelfsluitende deuren op alle niveaus.
Het constructieve deel van alle trappen moet van staal zijn, behalve wanneer het Hoofd van de Scheepvaartinspectie het gebruik van ander, gelijkwaardig materiaal toestaat.
Artikel 143. Deuren in brandwerende schotten
Deuren moeten een brandwerend vermogen hebben dat - voor zover als praktisch mogelijk - gelijkwaardig is aan dat van het schot waarin zij zijn aangebracht. Deuren en deurkozijnen in schotten van klasse «A» moeten van staal zijn. Deuren in schotten van klasse «B» moeten van onbrandbaar materiaal zijn. Deuren aangebracht in begrenzingsschotten van ruimten voor machines van categorie A, moeten zelfsluitend en redelijk gasdicht zijn. Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan het gebruik van brandbare materialen toestaan in deuren die hutten scheiden van de eigen bijbehorende sanitaire ruimten, zoals douchecellen, indien methode I F is toegepast.
Deuren die zelfsluitend moeten zijn, mogen niet zijn voorzien van vastzethaken. Vastzetinrichtingen mogen evenwel worden toegepast, indien deze zijn voorzien van op afstand bediende ontkoppelingsinrichtingen van een type dat de deur doet sluiten indien het systeem in het ongerede geraakt.
Ventilatie-openingen mogen zijn aangebracht in en onder deuren in schotten van gangen, met dien verstande dat dergelijke openingen niet mogen zijn aangebracht in en onder deuren van trapomsluitingen. De openingen in deuren mogen uitsluitend in de onderste helft van een deur zijn aangebracht. Indien een dergelijke opening zich bevindt in of onder een deur, mag de totale oppervlakte van deze opening of openingen niet meer bedragen dan 0,05 m2. Indien een dergelijke opening in een deur is aangebracht, moet deze zijn voorzien van een rooster van onbrandbaar materiaal.
Waterdichte deuren behoeven niet te zijn geïsoleerd.
Artikel 144. Brandwerendheid van schotten en dekken
Behalve dat moet zijn voldaan aan de specifieke bepalingen voor brandwerendheid van schotten en dekken die elders in deze paragraaf worden voorgeschreven, moet de brandwerendheid van schotten en dekken ten minste zijn zoals voorgeschreven in tabel 1 en tabel 2 van het tweede lid.
De toepassing van de tabellen wordt geregeld door de volgende bepalingen:
- 1°. de tabellen 1 en 2 zijn onderscheidenlijk van toepassing op schotten en dekken welke aan elkaar grenzende ruimten scheiden; en
- 2°. ter bepaling van de passende normen voor de brandwerendheid die moeten worden aangelegd voor schotten en dekken tussen aan elkaar grenzende ruimten, zijn deze ruimten ingedeeld op grond van hun brandrisico als hieronder is aangegeven, waarbij het tussen haken geplaatste nummer dat achter elke categorie vermeld staat, naar de desbetreffende kolom of rij in de tabellen verwijst:
- 2.1. Controlestations (1) Ruimten waarin de noodkrachtbronnen en de voorzieningen voor de noodverlichting zijn ondergebracht; stuurhuis en kaartenkamer; ruimten waarin de radio-installatie van het vaartuig is ondergebracht; ruimten ten behoeve van brandblussing, stations voor brandcontrole en brandmelding; controleruimte voor de voortstuwingsinstallatie indien gelegen buiten de ruimten voor machines; ruimten waarin de brandalarmeringsapparatuur bijeen is gebracht.
- 2.2. Gangen (2) Gangen en portalen.
- 2.3. Ruimten voor accommodatie (3) Ruimten zoals omschreven in artikel 2, eerste lid, onder 59, met uitzondering van gangen.
- 2.4. Trappen (4) Binnentrappen, liften en roltrappen, andere dan die welke geheel binnen de ruimten voor machines liggen, zomede de bijbehorende ingesloten ruimten. In dit verband dient een trap die slechts op één niveau is ingesloten, te worden beschouwd als een deel van de ruimte waarin hij niet door een brandwerende deur is gescheiden.
- 2.5. Dienstruimten die in geringe mate brandgevaarlijk zijn (5) Bergkasten en bergplaatsen die een oppervlakte hebben van minder dan 2 m2, droogkamers en wasserijen.
- 2.6. Ruimten voor machines van categorie A (6) Ruimten zoals omschreven in artikel 2, eerste lid, onder 63.
- 2.7. Andere ruimten voor machines (7) Ruimten zoals omschreven in artikel 2, eerste lid, onder 64, alsmede ruimten waar vis tot vismeel wordt verwerkt, doch met uitzondering van ruimten voor machines van categorie A.
- 2.8. Laadruimten (8) Alle ruimten die gebruikt worden voor lading, met inbegrip van lading-olietanks alsmede schachten en luikhoofden van zodanige ruimten.
- 2.9. Dienstruimten die in hoge mate brandgevaarlijk zijn (9) Kombuizen, pantries die voorzien zijn van kooktoestellen, verfhutten, lampenhutten, bergkasten en bergplaatsen die een oppervlakte hebben van 2 m2 of meer, alsmede werkplaatsen die geen deel uitmaken van de ruimten voor machines.
- 2.10. Open dekken (10) Open dekruimten en gesloten wandelgangen, ruimten waar vis in rauwe staat wordt verwerkt, ruimten waar vis wordt schoongespoeld en soortgelijke ruimten die niet brandgevaarlijk zijn; luchtruimten buiten de bovenbouwen en dekhuizen.
Tabel 1 Brandwerendheid van schotten die aan elkaar grenzende ruimten scheiden
| Ruimten | (1) | (2) | (3) | (4) | (5) | (6) | (7) | (8) | (9) | (10) | |
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Controlestations | (1) | A-0 (e) | A-0 | A-60 | A-0 | A-15 | A-60 | A-15 | A-60 | A-60 | (∗) |
| Gangen | (2) | C | B-0 | B-0 | B-0 | A-60 | A-0 | A-0 | A-0 | (∗) | |
| Ruimten voor accommodatie | (3) | C (a,b) | B-0 | B-0 | A-60 | A-0 | A-0 | A-0 | (∗) | ||
| Ruimten voor accommodatie | A-0 (c) | ||||||||||
| Trappen | (4) | B-0 | B-0 | A-60 | A-0 | A-0 | A-0 | (∗) | |||
| Trappen | A-0 (c) | A-0 (c) | |||||||||
| Dienstruimten die in geringe mate brandgevaarlijk zijn | (5) | C | A-60 | A-0 | A-0 | A-0 | (∗) | ||||
| Ruimten voor machines van categorie A | (6) | (∗) | A-0 | A-0 | A-60 | (∗) | |||||
| Andere ruimten voor machines | (7) | A-0 (d) | A-0 | A-0 | (∗) | ||||||
| Laadruimten | (8) | (∗) | A-0 | (∗) | |||||||
| Dienstruimten die in hoge mate brandgevaarlijk zijn | (9) | A-0 (d) | (∗) | ||||||||
| Open dekken | (10) | - |
Tabel 2 Brandwerendheid van dekken die aan elkaar grenzende ruimten scheiden
| Ruimte onder | Ruimte boven | (1) | (2) | (3) | (4) | (5) | (6) | (7) | (8) | (9) | (10) |
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Controle stations | (1) | A-0 | A-0 | A-0 | A-0 | A-0 | A-60 | A-0 | A-0 | A-0 | (∗) |
| Gangen | (2) | A-0 | (∗) | (∗) | A-0 | (∗) | A-60 | A-0 | A-0 | A-0 | (∗) |
| Ruimten voor accommodatie | (3) | A-60 | A-0 | (∗) | A-0 | (∗) | A-60 | A-0 | A-0 | A-0 | (∗) |
| Trappen | (4) | A-0 | A-0 | A-0 | (∗) | A-0 | A-60 | A-0 | A-0 | A-0 | (∗) |
| Dienstruimten die in geringe mate brandgevaarlijk zijn | (5) | A-15 | A-0 | A-0 | A-0 | (∗) | A-60 | A-0 | A-0 | A-0 | (∗) |
| Ruimten voor machines van categorie A | (6) | A-60 | A-60 | A-60 | A-60 | A-60 | (∗) | A-60 | A-30 | A-60 | (∗) |
| Andere ruimten voor machines | (7) | A-15 | A-0 | A-0 | A-0 | A-0 | A-0 | (∗) | A-0 | A-0 | (∗) |
| Laadruimten | (8) | A-60 | A-0 | A-0 | A-0 | A-0 | A-0 | A-0 | (∗) | A-0 | (∗) |
| Dienstruimten die in hoge mate brandgevaarlijk zijn | (9) | A-60 | A-0 | A-0 | A-0 | A-0 | A-0 | A-0 | A-0 | A-0 (d) | (∗) |
| Open dekken | (10) | (∗) | (∗) | (∗) | (∗) | (∗) | (∗) | (∗) | (∗) | (∗) | - |
Noten: Onderstaande noten gelden, voorzover van toepassing, voor zowel tabel 1 als tabel 2.
(a) Bij de brandbescherming volgens methode II F en III F worden geen bijzondere eisen aan deze schotten gesteld.
(b) Bij de toepassing van methode III F moeten schotten van klasse «B-0» zijn aangebracht tussen ruimten of groepen van ruimten met een oppervlakte van 50 m2 of meer.
(c) Ter verduidelijking van hetgeen van toepassing is, zie de artikelen 141 en 142.
(d) Indien ruimten onder dezelfde nummercategorie vallen en de letter (d) staat vermeld, wordt het schot of dek met een brandwerendheid zoals aangegeven in de tabellen, alleen geëist indien de aan elkaar grenzende ruimten voor verschillende doeleinden dienen, zoals bijvoorbeeld in categorie (9). Indien twee kombuizen aan elkaar grenzen, worden aan het schot geen eisen gesteld, doch indien een kombuis aan een verfhut grenst, is een schot van klasse «A-0» vereist.
(e) Schotten die het stuurhuis, de kaartenkamer en de radiohut van elkaar scheiden, mogen schotten van klasse «B-0» zijn.
(∗) Wanneer een sterretje in de tabellen staat vermeld, moet het scheidingsschot of -dek van staal of ander gelijkwaardig materiaal zijn, doch het behoeft niet van klasse «A» te zijn.
Doorlopende plafonds of beschietingen van klasse «B» kunnen, te zamen met de desbetreffende dekken of schotten, worden aanvaard als een volledige of gedeeltelijke bijdrage tot de vereiste isolatie en brandwerendheid van een afscheiding.
Voor ruimten voor machines geldt ten aanzien van schijnlichten, ramen, patrijspoorten en lichtranden het volgende:
- 1°. wanneer schijnlichten kunnen worden geopend, moeten zij van buiten de ruimte waarop zij zijn aangebracht, gemakkelijk kunnen worden gesloten;
- 2°. schijnlichten voor ruimten voor machines van categorie A mogen niet zijn voorzien van ramen, patrijspoorten of lichtranden;
- 3°. indien in schijnlichten voor ruimten voor machines, andere dan ruimten voor machines van categorie A, ramen, patrijspoorten of lichtranden zijn aangebracht, moeten deze van draadglas zijn. Zij moeten tevens aan de buitenzijde zijn voorzien van blinden die vast aan het schijnlicht zijn verbonden en die zijn vervaardigd van staal of ander, gelijkwaardig materiaal; en
- 4°. glas of soortgelijk materiaal mag niet in begrenzingsschotten van ruimten voor machines zijn aangebracht. Dit sluit het gebruik van glas in wanden van controlekamers die geheel in de ruimten voor machines zijn gelegen, niet uit.
In de buitenste begrenzingswanden die ingevolge het bepaalde in artikel 140, eerste lid, van staal of ander, gelijkwaardig materiaal moeten zijn, mogen ramen en patrijspoorten zijn aangebracht, mits niet elders in deze paragraaf is voorgeschreven dat zodanige begrenzingswanden een brandwerendheid van klasse «A» moeten hebben. Evenzo mogen deuren in dergelijke begrenzingswanden die geen brandwerendheid van klasse «A» behoeven te hebben, zijn vervaardigd van materialen die ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie zijn.
Artikel 145. Constructiedetails
Methode I F- In ruimten voor accommodatie, in dienstruimten en in controlestations moeten alle beschietingen, afstoppingen, plafonds en het bijbehorende grondhout van onbrandbaar materiaal zijn.
Methoden II F en III F- In de gangen en ingesloten ruimten voor trappen die toegang geven tot ruimten voor accommodatie, dienstruimten en controlestations, moeten plafonds, beschietingen, afstoppingen en het bijbehorende grondhout van onbrandbaar materiaal zijn.
Methode I F, II F en III F:
- 1°. Tenzij toegepast in laadruimten of koel- en vrieskamers in dienstruimten, moeten de isolatiematerialen onbrandbaar zijn. Dampwerende lagen, kleefstoffen gebruikt bij isolatie, alsmede de isolatie van pijpleidingen van koudwatersystemen behoeven niet van onbrandbaar materiaal te zijn, doch zij moeten tot het praktisch mogelijk minimum worden beperkt en het vlamverspreidend vermogen van de blootgestelde oppervlakken ervan moet ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie zijn. In ruimten waarin olieprodukten aanwezig kunnen zijn, moet het oppervlak van de isolatie ondoordringbaar zijn voor olie en oliedampen.
- 2°. Indien onbrandbare schotten, beschietingen en plafonds zijn aangebracht in ruimten voor accommodatie en dienstruimten, mogen deze binnen deze ruimten zijn voorzien van een brandbare fineerlaag mits deze niet dikker is dan 2 mm, behalve in gangen, ingesloten ruimten voor trappen en controlestations, waar deze laag niet dikker mag zijn dan 1,5 mm.
- 3°. Luchtruimten, ingesloten achter wanden en beschietingen en tussen plafonds en dekken, moeten op passende wijze zijn onderverdeeld door afstoppingen die de trek tegengaan en die niet verder dan 14 m uiteenliggen. In vertikale richting moeten dergelijke ruimten, met inbegrip van die achter beschietingen van trappenhuizen, schachten en dergelijke, op elk dek zijn afgestopt.
Artikel 146. Ventilatiesystemen
Ventilatiekanalen moeten zijn vervaardigd van onbrandbaar materiaal. Korte stukken van kanalen die over het algemeen niet langer zijn dan 2 m en waarvan de oppervlakte van de dwarsdoorsnede niet meer dan 0,02 m2 bedraagt, behoeven echter niet onbrandbaar te zijn, mits aan onderstaande voorwaarden wordt voldaan:
- 1°. de kanalen moeten zijn vervaardigd van een materiaal dat slechts in beperkte mate brandgevaarlijk is, dit ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie;
- 2°. zij mogen alleen worden gebruikt aan het eind van het ventilatiesysteem; en
- 3°. zij mogen zich, langs het kanaal gemeten, niet minder dan 600 mm vanaf een doorvoering door een schot van klasse «A» of «B», doorlopende plafonds van klasse «B» daaronder begrepen, bevinden.
Indien ventilatieschachten of -kanalen ruimten aan weerszijden van schotten of dekken van klasse «A» bedienen, moeten kleppen zijn aangebracht ter voorkoming van verspreiding van vuur en rook van de ene ruimte naar de andere. Handbedienbare kleppen moeten aan beide zijden van het schot of het dek geopend en gesloten kunnen worden. Indien de oppervlakte van de dwarsdoorsnede van dergelijke schachten of kanalen meer dan 0,075 m2 bedraagt, moeten automatisch sluitende kleppen zijn aangebracht, die tevens aan beide zijden van het schot met de hand kunnen worden gesloten. De kleppen moeten zijn voorzien van een standaanwijzer die aangeeft of de klep geopend of gesloten is. Ter plaatse van schot- en dekdoorvoeringen moeten ventilatieschachten of -kanalen voldoen aan het bepaalde onder 2.2.1 en 2.2.2.
Indien ventilatieschachten of -kanalen ruimten bedienen welke alleen aan één zijde van schotten of dekken van klasse «A» zijn gelegen en een dwarsdoorsnede hebben van meer dan 0,02 m2, moet aan het volgende zijn voldaan:
- 1°. in de doorvoeringen voor de kanalen in schotten of dekken van klasse «A» moet een stalen ommantelingskoker zijn aangebracht, tenzij de kanalen ter plaatse van de doorvoeringen van staal zijn. De ommantelingskoker moet een dikte van ten minste 3 mm en een lengte van ten minste 900 mm hebben. Bij doorvoering door een schot verdient het aanbeveling deze lengte gelijkelijk over beide zijden van het schot te verdelen;
- 2°. de kanalen moeten, indien van toepassing, ter plaatse van de doorvoering zijn voorzien van een brandisolatie. Het aldus geïsoleerde kanaal moet ten minste dezelfde brandwerendheid hebben als het schot of dek waardoor het kanaal is gevoerd. Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan een door hem gelijkwaardig geachte beveiliging van de doorvoering toestaan;
- 3°. kanalen waarvan de oppervlakte van de dwarsdoorsnede meer dan 0,075 m2 bedraagt, moeten, in aanvulling op het bepaalde onder 2.2.1 en 2.2.2, zijn voorzien van brandkleppen. De brandklep moet automatisch werkend zijn, doch moet tevens aan beide zijden van het schot of dek met de hand kunnen worden gesloten. De klep moet zijn voorzien van een standaanwijzer die aangeeft of de klep geopend of gesloten is. Brandkleppen zijn echter niet vereist, indien kanalen door ruimten lopen die zijn omsloten door schotten van klasse «A» en die niet door deze kanalen worden bediend, mits deze kanalen dezelfde brandwerendheid hebben als de schotten waar doorheen zij gevoerd worden.
Ventilatiekanalen voor ruimten voor machines van categorie A of voor kombuizen mogen over het algemeen niet door ruimten voor accommodatie, dienstruimten of controlestations lopen. Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan evenwel toestaan dat deze ventilatiekanalen door de bovengenoemde ruimten lopen, mits zij zijn vervaardigd van staal of ander, gelijkwaardig materiaal en zodanig zijn uitgevoerd dat de brandwerendheid van schotten en dekken niet vermindert.
Ventilatiekanalen voor ruimten voor accommodatie, dienstruimten of controlestations mogen over het algemeen niet door ruimten voor machines van categorie A of door kombuizen lopen. Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan evenwel toestaan dat deze ventilatiekanalen door de bovengenoemde ruimten lopen, mits zij zijn vervaardigd van staal of ander, gelijkwaardig materiaal en zodanig zijn uitgevoerd dat de brandwerendheid van schotten en dekken niet vermindert.
Indien ventilatiekanalen waarvan de oppervlakte van de dwarsdoorsnede meer dan 0,02 m2 bedraagt, door schotten van klasse «B» gaan, moeten de openingen zijn voorzien van stalen ommantelingskokers die een lengte van ten minste 900 mm moeten hebben, tenzij de kanalen over dezelfde lengte ter plaatse van de doorvoering zijn vervaardigd van staal. Deze lengte moet, waar mogelijk, gelijkelijk over beide zijden van het schot van klasse «B» zijn verdeeld.
Al het mogelijke moet worden gedaan om te bereiken, dat in controlestations die buiten ruimten voor machines zijn gelegen, ventilatie, zicht en afwezigheid van rook worden gehandhaafd, zodat in geval van brand de werktuigen en toestellen daarin op deugdelijke wijze blijven werken en gecontroleerd kunnen worden. Een extra gescheiden systeem van luchttoevoer moet zijn aangebracht; de inlaatopeningen van de beide systemen van luchttoevoer moeten zo zijn gelegen, dat het gevaar dat zij gelijktijdig rook aanzuigen tot een minimum beperkt blijft. Dergelijke eisen behoeven niet te worden gesteld aan controlestations, gelegen op en uitgang verlenend naar een open dek, of daar waar plaatselijke afsluitmiddelen zijn aangebracht die even doeltreffend zijn, dit ter beoordeling van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie.
Indien kokers van afvoerkappen boven fornuizen door ruimten voor accommodatie of ruimten met brandbare materialen lopen, moeten zij zijn geconstrueerd als schotten van klasse «A». Elke afvoerkoker moet zijn uitgerust met:
- 1°. een vetvanger die gemakkelijk kan worden verwijderd voor reiniging;
- 2°. een brandklep in het onderste deel van de koker;
- 3°. een inrichting die vanuit het kombuis kan worden bediend voor het stoppen van de afzuigventilator; en
- 4°. een vast aangebrachte inrichting om een brand in de koker te blussen, tenzij naar het oordeel van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie het aanbrengen van een dergelijke inrichting op een vaartuig, waarvan de lengte minder dan 75 m bedraagt, niet praktisch uitvoerbaar is.
De hoofdin- en uitlaten van alle ventilatiesystemen moeten buiten de ruimten die worden geventileerd, kunnen worden gesloten. Toestellen voor mechanische ventilatie van ruimten voor accommodatie, dienstruimten, controlestations en ruimten voor machines moeten vanaf een gemakkelijk bereikbare plaats buiten de ruimten die zij bedienen, kunnen worden gestopt. Deze plaats moet zodanig zijn gelegen dat die niet gemakkelijk onbereikbaar wordt in geval van brand in de ruimten die worden bediend.
De inrichting waarmee de toestellen voor mechanische ventilatie van de ruimten voor machines kunnen worden gestopt, moet geheel gescheiden zijn van die, waarmee de ventilatie van andere ruimten kan worden gestopt.
Middelen moeten aanwezig zijn om de ringvormige ruimten rond schoorstenen vanaf een veilige plaats te kunnen sluiten.
Ventilatiesystemen die ruimten voor machines bedienen, moeten onafhankelijk zijn van systemen die andere ruimten bedienen.
Bergplaatsen waarin zich aanzienlijke hoeveelheden gemakkelijk ontvlambare stoffen bevinden, moeten zijn voorzien van ventilatie-inrichtingen die gescheiden zijn van andere ventilatiesystemen. De ventilatie moet plaatsvinden op hoog en op laag niveau. De in- en uitlaten van de ventilatoren moeten op een veilige plaats zijn aangebracht en zijn voorzien van vlamkerende inrichtingen.
Artikel 147. Verwarmingsinstallaties
De verwarming van ruimten voor accommodatie, dienstruimten en controlestations dient te geschieden door toevoer van stoom, heet water, warme lucht of elektriciteit.
Verwarmings- en kooktoestellen moeten vast zijn opgesteld en moeten zo zijn ingericht dat het brandgevaar tot een minimum is beperkt. Deze toestellen mogen niet zijn voorzien van een verwarmingselement dat stoffen in de directe omgeving kan doen schroeien of in brand doen geraken door de door het element geleverde hitte.
De constructie en opstelling van oliekachels moeten voldoen aan door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie te stellen regels.
Propaan- en butaaninstallaties voor huishoudelijke doeleinden moeten voldoen aan door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie te stellen regels.
Artikel 148. Diversen
Alle blootgestelde oppervlakken in gangen en ingesloten ruimten voor trappen, alsmede oppervlakken, met inbegrip van het daarmee verbonden grondhout, in verborgen of ontoegankelijke plaatsen in ruimten voor accommodatie, dienstruimten en controlestations moeten een laag vlamverspreidend vermogen hebben. Blootgestelde oppervlakken van plafonds in ruimten voor accommodatie, dienstruimten en controlestations moeten een laag vlamverspreidend vermogen hebben.
Verven, vernissen en andere stoffen voor afwerking gebruikt op blootgestelde inwendige oppervlakken, moeten zodanig zijn dat zij naar het oordeel van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie geen onnodig brandgevaar opleveren, en mogen geen overmatige hoeveelheden rook of giftige gassen of dampen kunnen voortbrengen.
De onderste laag van dekbedekkingen in ruimten voor accommodatie, dienstruimten en controlestations moet van goedgekeurd materiaal zijn dat noch gemakkelijk kan ontbranden, noch aanleiding kan geven tot vergiftigings- of explosiegevaar bij verhoogde temperaturen.
Wanneer schotten of dekken van klasse «A» of «B» zijn doorboord voor het doorvoeren van elektrische leidingen, pijpen, schachten, kanalen en dergelijke, of voor het aanbrengen van uitmondingen van het ventilatiesysteem, verlichtingsarmaturen en soortgelijke inrichtingen, moeten zodanige maatregelen zijn getroffen dat de brandwerendheid van de schotten of dekken niet vermindert.
In ruimten voor accommodatie, dienstruimten en controlestations moeten pijpen die door schotten of dekken van klasse «A» of «B» zijn gevoerd, van goedgekeurde materialen zijn vervaardigd, rekening houdende met de temperatuur waaraan de betrokken schotten of dekken weerstand moeten kunnen bieden. Indien door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie wordt toegestaan dat door ruimten voor accommodatie en dienstruimten olie of brandbare vloeistoffen worden gevoerd, moeten de pijpen waardoor die olie of brandbare vloeistoffen worden gevoerd van goedgekeurd materiaal zijn vervaardigd, rekening houdende met het brandgevaar.
Materialen die gemakkelijk onbruikbaar worden door warmte, mogen niet worden gebruikt voor spuipijpen, sanitaire uitlaten en andere uitlaten, die dicht bij de lastlijn liggen en waarvan smelten, in geval van brand, gevaar voor instromen van water zou meebrengen.
Filmmateriaal op basis van cellulosenitraat mag niet in cinematografische installaties worden gebruikt.
Afvalbakken, andere dan die worden gebruikt bij de verwerking van vis, moeten zijn vervaardigd van onbrandbare materialen en mogen geen openingen in de zijkanten of bodem hebben.
Werktuigen voor de aandrijving van brandstoftrimpompen, pompen van oliestookinrichtingen en dergelijke brandstofpompen moeten zijn voorzien van afstandsbedieningsinrichtingen welke zijn aangebracht buiten de desbetreffende ruimten, zodat bedoelde werktuigen kunnen worden stopgezet bij het uitbreken van brand in de ruimte waarin zij zijn opgesteld.
Waar nodig moeten lekbakken zijn aangebracht, teneinde te voorkomen dat olie naar de vullings kan vloeien.
Brandbare isolatie in visruimen moet door een goed afsluitende bekleding zijn beschermd.
Artikel 149. Gasflessen en bijbehorende installaties, alsmede opslag van gevaarlijke materialen
Flessen bestemd voor samengeperste, vloeibaar gemaakte of onder druk opgeloste gassen, waaronder begrepen ontvlambare en andere gevaarlijke gassen, alsmede de bijbehorende installaties, moeten voldoen aan de door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie te stellen eisen.
Ruimten waarin gemakkelijk ontvlambare vloeistoffen, zoals vluchtige verfstoffen, paraffine en dergelijke zijn opgeslagen, mogen uitsluitend zijn voorzien van directe toegangen vanaf blootgestelde dekken. Wanneer begrenzingsschotten van dergelijke ruimten grenzen aan andere omsloten ruimten, moeten deze schotten gasdicht zijn uitgevoerd.
Elektrische bedrading en aansluitingen zijn niet toegestaan binnen ruimten welke worden gebruikt voor het bergen van gemakkelijk ontvlambare vloeistoffen, tenzij benodigd binnen die ruimten. In dat geval moeten de elektrische aansluitingen ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie geschikt zijn voor gebruik in een ontvlambare atmosfeer. Warmtebronnen mogen zich niet dicht bij dergelijke ruimten bevinden en opschriften met «niet roken» en «geen open vuur» moeten zijn aangebracht op een doelmatige plaats.
Elk soort samengeperst gas moet afzonderlijk zijn opgeslagen. Ruimten die voor opslag van dergelijke gassen worden gebruikt, mogen niet worden gebruikt voor het opslaan van brandbare produkten, noch voor gereedschappen of onderdelen die geen deel uitmaken van het gasdistributiesysteem. Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan echter met inachtneming van de kenmerkende eigenschappen, hoeveelheid en voorgenomen gebruik van dergelijke samengeperste gassen, verlichting van deze voorschriften toestaan.
Artikel 150. Voorzieningen voor ontsnapping
In en vanuit alle ruimten voor accommodatie en ruimten waarin door de bemanning onder normale omstandigheden dienst wordt gedaan, andere dan ruimten voor machines, moeten trappen en ladders zijn aangebracht waarlangs het open dek en vervolgens de groepsreddingmiddelen gemakkelijk kunnen worden bereikt. In het bijzonder moet aan de volgende bepalingen zijn voldaan:
- 1°. op elk dek waarop zich ruimten voor accommodatie bevinden, moeten ten minste twee, zo ver mogelijk van elkaar verwijderde voorzieningen voor ontsnapping zijn aangebracht. De normale voorzieningen voor toegang tot elke besloten ruimte of groep van ruimten mogen hieronder worden begrepen;
- 2.1°. onder het blootgestelde dek moet de hoofdvoorziening voor ontsnapping bestaan uit een trap, terwijl de tweede voorziening voor ontsnapping mag bestaan uit een schacht of trap; en
- 2.2°. boven het blootgestelde dek moeten de voorzieningen voor ontsnapping bestaan uit trappen of deuren naar een open dek, dan wel uit een combinatie van beide;
- 3°. bij wijze van uitzondering kan het Hoofd van de Scheepvaartinspectie toestaan dat slechts een voorziening voor ontsnapping is aangebracht, indien de aard en de plaats van de ruimten en het aantal van de personen die in normale omstandigheden daarin verblijven of dienst doen, daartoe aanleiding geven;
- 4°. doodlopende gangen met een lengte van meer dan 7 m zijn niet toegestaan;
- 5°. de afmetingen van en de wijze waarop de voorzieningen voor ontsnapping zijn uitgevoerd, dienen ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie te zijn; en
- 6°. indien een radiotelegraafstation geen rechtstreekse toegang tot het open dek heeft, moeten ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie twee voorzieningen voor ontsnapping zijn aangebracht;
- 7°. voorzieningen voor ontsnapping zijn op de juiste plaats voorzien van signaleringen die voldoen aan bij ministeriële regeling vast te stellen nadere regels.
In elke ruimte voor machines van categorie A moeten twee voorzieningen voor ontsnapping zijn aangebracht, die moeten bestaan uit hetzij:
- 1°. twee stel stalen ladders, aangebracht op een zo groot mogelijke onderlinge afstand, die leiden naar eveneens zo ver mogelijk van elkaar verwijderde deuren in het bovenste gedeelte van de ruimte vanwaar het open dek kan worden bereikt. In het algemeen moet een van deze ladders een ononderbroken bescherming tegen brand geven vanaf het onderste gedeelte van de ruimte tot een veilige plaats buiten de ruimte. Deze bescherming moet van staal zijn, waar nodig geisoleerd ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie en aan de onderzijde voorzien van een zelfsluitende stalen deur. Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan toestaan dat een zodanige bescherming niet wordt aangebracht, indien de inrichting en de afmetingen van de ruimte voor machines zodanig zijn, dat in een veilige vluchtweg uit het onderste gedeelte van deze ruimte is voorzien; hetzij
- 2°. een stel stalen ladders, dat leidt naar een deur in het bovenste gedeelte van de ruimte, vanwaar het open dek kan worden bereikt. Bovendien moet in het onderste gedeelte van de ruimte, ruimschoots verwijderd van deze ladder, een stalen deur zijn aangebracht, die aan beide zijden kan worden bediend en die een veilige vluchtweg biedt vanuit het onderste gedeelte van de ruimte naar het open dek.
Vanuit ruimten voor machines, andere dan die van categorie A, moet ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie in veilige vluchtwegen zijn voorzien, daarbij rekening houdend met de aard en de ligging van de betreffende ruimte alsmede of daarin onder normale omstandigheden personen dienst doen.
Liften mogen niet worden beschouwd als een van de vereiste voorzieningen voor ontsnapping.
Artikel 151. Automatische sprinkler-, brandalarm- en brandontdekkingsinstallaties (methode II F)
Op vaartuigen waar methode II F wordt toegepast, moet een automatische sprinkler-, brandalarm- en brandontdekkingsinstallatie van een goedgekeurd type zijn aangebracht, die voldoet aan de bepalingen van dit artikel. Deze installatie moet op zodanige wijze zijn aangebracht, dat ruimten voor accommodatie en dienstruimten, met uitzondering van ruimten die vrijwel geen brandgevaar opleveren, zoals lege ruimten en sanitaire ruimten, worden beschermd.
De installatie dient te allen tijde voor onmiddellijk gebruik gereed te zijn en generlei handeling van de zijde van de bemanning moet nodig zijn om de installatie in werking te stellen. De installatie moet van het natte-pijp-type zijn, doch kleine blootgestelde delen kunnen van het droge-pijp-type zijn, indien dit naar het oordeel van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie een noodzakelijke voorzorg is. Delen van het systeem die kunnen worden blootgesteld aan temperaturen beneden het vriespunt, dienen op passende wijze tegen bevriezing te zijn beschermd. De installatie moet steeds onder voldoende druk staan en een voortdurende watertoevoer moet zijn verzekerd, zoals vereist in het zesde lid, onder 2.
In elke sprinklersectie moeten middelen zijn aangebracht voor het automatisch geven van zichtbare en hoorbare signalen op een of meer alarmpanelen, wanneer een sprinkler gaat werken. Deze alarmpanelen moeten een aanwijzing geven in welke door de installatie beschermde sectie zich brand voordoet en moeten zijn gecentraliseerd op de brug; bovendien moeten zichtbare en hoorbare signalen afkomstig van het alarmpaneel op een zodanige plaats buiten het stuurhuis waarneembaar zijn, dat zeker is dat de brandmelding onmiddellijk door de bemanning wordt opgemerkt. Een dergelijke alarminstallatie moet zodanig zijn geconstrueerd, dat eventueel in de installatie optredende defecten worden aangegeven.
De sprinklers moeten zijn gegroepeerd in afzonderlijke secties, elk niet meer dan 200 sprinklers omvattend.
Elke sprinklersectie moet door middel van slechts één afsluiter kunnen worden afgescheiden van het overige deel van de installatie. De afsluiter in elke sectie moet gemakkelijk bereikbaar zijn en de plaats ervan moet duidelijk en duurzaam zijn aangegeven. Voorzieningen moeten zijn getroffen teneinde te voorkomen dat de afsluiters door een onbevoegde kunnen worden bediend.
Een manometer die de druk in de installatie aangeeft, moet zijn aangebracht bij iedere sectie-afsluiter en op een centrale plaats.
De sprinklers moeten bestand zijn tegen corrosie. In ruimten voor accommodatie en dienstruimten moeten de sprinklers gaan werken bij een temperatuur tussen 68°C en 79°C, behoudens dat in ruimten zoals droogkamers, waar een hoge temperatuur kan worden verwacht, de temperatuur waarbij de sprinkler gaat werken, kan worden verhoogd tot niet meer dan 30°C boven de maximumtemperatuur bij het plafond.
Op of bij elk alarmpaneel moeten duidelijk zijn aangegeven de door de installatie bestreken ruimten en de plaats van de betreffende sprinklersectie ten opzichte van de overige secties. Passende instructies voor de beproeving en het onderhoud moeten aanwezig zijn.
De sprinklers moeten hoog in de ruimte zijn aangebracht in een zodanig patroon dat de levering van een gemiddelde hoeveelheid water van niet minder dan 5 l/m2/min. wordt gehandhaafd over de nominale oppervlakte die door de sprinklers wordt bestreken. Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan het gebruik van sprinklers toestaan die een andere hoeveelheid water, op de juiste wijze verdeeld, leveren en waarvan ten genoegen van genoemd hoofd is aangetoond dat zij niet minder doeltreffend zijn.
Een druktank moet zijn aangebracht met een inhoud gelijk aan ten minste het dubbele van de hoeveelheid water zoals aangegeven in dit lid. De tank moet permanent een hoeveelheid zoet water bevatten die gelijk is aan de hoeveelheid water die in één minuut zou worden geleverd door de pomp bedoeld in het zesde lid, onder 2. De inrichting moet erin voorzien dat een zodanige luchtdruk in de tank wordt gehandhaafd, dat wordt gewaarborgd dat, nadat de permanente hoeveelheid zoet water uit de tank is gedreven, de druk niet minder zal zijn dan de werkdruk van de sprinkler, vermeerderd met de statische druk van een kolom water gemeten van de bodem van de tank tot de hoogste sprinkler in het systeem. Passende middelen moeten aanwezig zijn voor de aanvulling van de onder druk staande lucht en van de zoetwatervoorraad in de tank. Een peilglas moet zijn aangebracht dat het waterpeil in de tank aangeeft.
Middelen moeten aanwezig zijn om te verhinderen dat zeewater in de tank kan stromen.
Een onafhankelijke mechanisch aangedreven pomp moet aanwezig zijn, die uitsluitend bestemd is voor het automatisch doen doorgaan van de afgifte van water uit de sprinklers. De pomp moet automatisch in werking treden door een drukval in het systeem voordat de permanente hoeveelheid zoet water in de druktank volledig is uitgeput.
De pomp en het leidingstelsel moeten in staat zijn de nodige druk ter hoogte van de hoogste sprinkler te handhaven, teneinde een voortdurende afgifte van water te verzekeren die voldoende is voor het gelijktijdig bestrijken van de maximum oppervlakte die wordt begrensd door onbrandbare schotten van klasse «A» en «B» of van een oppervlakte van 280 m2, waarbij de kleinste oppervlakte mag worden aangehouden, bij een hoeveelheid water per tijdseenheid als aangegeven in het vierde lid.
De pomp moet aan de drukzijde zijn voorzien van een proefkraan met een korte open afvoerpijp. De effectieve doorstroomopening van de kraan en de pijp moet groot genoeg zijn om de vereiste pompcapaciteit af te voeren bij een druk in het systeem, zoals die is omschreven in het vijfde lid, onder 1.
De zee-inlaat van de pomp moet, indien mogelijk, in dezelfde ruimte zijn gelegen als waarin de pomp is opgesteld, en zodanig zijn geplaatst dat het bij het te water liggende vaartuig niet nodig is de toevoer van zeewater naar de pomp af te sluiten voor andere doeleinden dan inspectie of reparatie van de pomp.
De sprinklerpomp en -tank moeten zijn opgesteld op een redelijke afstand van ruimten voor machines van categorie A. Zij mogen niet zijn opgesteld in een ruimte die door het sprinklersysteem moet worden beschermd.
Ten minste twee krachtbronnen moeten aanwezig zijn voor de aandrijving van de sprinklerpomp en voor de voeding van de automatische brandalarm- en brandontdekkingsinstallatie. Indien de pomp door een elektromotor wordt aangedreven, moet deze zijn aangesloten op de elektrische hoofdkrachtbron die door ten minste twee generatoren moet kunnen worden gevoed.
De voedingsleidingen moeten zodanig zijn aangelegd dat zij niet door kombuizen, ruimten voor machines en andere ingesloten ruimten met een hoog brandrisico lopen, behoudens voor zover het noodzakelijk is om het desbetreffende schakelbord te bereiken. Een van de krachtbronnen voor de brandalarm- en brandontdekkingsinstallatie moet een noodkrachtbron zijn. Indien een van de krachtbronnen voor de pomp een verbrandingsmotor is, moet de opstelling hiervan voldoen aan het bepaalde in het zevende lid en tevens zo zijn gelegen, dat de luchttoevoer naar de desbetreffende motor niet wordt beïnvloed door een brand in een beschermde ruimte.
De sprinklerinstallatie moet een verbinding hebben met de hoofdbrandblusleiding van het vaartuig door middel van een afsluiter met een losse klep die is voorzien van een borginrichting met slot, waardoor het terugvloeien van water vanuit de sprinklerinstallatie naar de hoofdbrandblusleiding wordt voorkomen.
Een proefkraan moet aanwezig zijn voor de beproeving van het automatische alarm voor elke sprinklersectie, waardoor een hoeveelheid water kan worden afgevoerd die gelijkwaardig is aan de werking van een sprinkler. De proefkraan voor elke sectie moet bij de sectie-afsluiter zijn geplaatst.
Middelen moeten aanwezig zijn voor de beproeving van de automatische werking van de pomp door de druk in het systeem te verminderen.
Schakelaars moeten aanwezig zijn bij een van de alarmpanelen als bedoeld in het tweede lid, onder 2, waarmede de hoorbare en zichtbare alarmen van elke sprinklersectie kunnen worden beproefd.
Voor elke sprinklersectie moet een door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie te bepalen aantal reserve sprinklerkoppen aanwezig zijn.
Artikel 152. Automatische brandalarm- en brandontdekkingsinstallaties (methode III F)
Op vaartuigen waar methode III F wordt toegepast, moet een automatische brandalarm- en brandontdekkingsinstallatie van een goedgekeurd type zijn aangebracht, die voldoet aan het bepaalde in dit artikel. Deze installatie moet op zodanige wijze zijn aangebracht, dat de aanwezigheid van brand in alle ruimten voor accommodatie, dienstruimten en controlestations met uitzondering van ruimten die vrijwel geen brandgevaar opleveren, zoals lege ruimten en sanitaire ruimten, kan worden ontdekt.
De installatie moet te allen tijde voor onmiddellijk gebruik gereed zijn en generlei handeling van de zijde van de bemanning moet nodig zijn om de installatie in werking te stellen.
In elke sectie als bedoeld in het derde lid moeten middelen zijn aangebracht voor het automatisch geven van zichtbare en hoorbare alarmsignalen op een of meer alarmpanelen, wanneer een branddetector gaat werken. Deze alarmpanelen moeten een aanwijzing geven in welke door de installatie beschermde sectie zich brand voordoet en moeten zijn gecentraliseerd op de brug en op zodanige andere plaatsen, dat zeker is dat elk alarm van de installatie onmiddellijk door de bemanning wordt opgemerkt. Bovendien moeten voorzieningen zijn aangebracht teneinde zeker te stellen dat een hoorbaar alarmsignaal wordt gegeven op het dek waarop de brand is ontdekt. Een dergelijke alarminstallatie moet zodanig zijn geconstrueerd, dat eventueel in de installatie optredende defecten worden aangegeven.
De branddetectors moeten zijn gegroepeerd in afzonderlijke secties, die zich uitstrekken tot niet meer dan 50 ruimten, waarin een dergelijke installatie is aangebracht en die niet meer dan 100 detectors mogen omvatten. De branddetectors moeten op zodanige wijze in zones zijn ondergebracht, dat kan worden aangegeven op welk dek zich brand voordoet.
De installatie moet in werking worden gesteld door een abnormale temperatuur van de lucht, door een abnormale rookconcentratie of door andere factoren, die een begin van brand in een te beschermen ruimte aanduiden. De installaties die reageren op de temperatuur van de lucht, mogen niet in werking treden bij een temperatuur van minder dan 57°C en moeten in werking treden bij een temperatuur van niet meer dan 74°C, wanneer de temperatuurstijging tot die waarden niet meer is dan 1°C/min. Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan toestaan dat in ruimten zoals droogkamers, waar hoge omgevingstemperaturen kunnen worden verwacht, de temperatuur waarbij de installatie in werking treedt, wordt verhoogd tot niet meer dan 30°C boven de maximumtemperatuur bij het plafond. Installaties die reageren op rookconcentratie, moeten in werking treden door de vermindering van de intensiteit van een uitgezonden lichtstraal in een door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie te bepalen mate. Andere even doeltreffende methoden voor inwerkingstelling van de installatie kunnen door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie worden aanvaard. De ontdekkingsinstallatie mag niet voor andere doeleinden worden gebruikt dan voor brandontdekking.
De branddetectors moeten zodanig zijn uitgevoerd dat zij het alarm in werking stellen door hetzij openen of sluiten van contacten, hetzij op een andere doelmatige wijze. Zij moeten hoog in de ruimte zijn geplaatst en op deugdelijke wijze zijn beschermd tegen stoten en mogelijke andere oorzaken van beschadiging. Zij moeten bestand zijn tegen de inwerking van zeelucht. Zij moeten op een open plaats zijn aangebracht, vrij van dekbalken en andere voorwerpen die het toestromen van hete gassen of rook naar het gevoelige element zouden kunnen belemmeren. Detectors die in werking treden door het sluiten van contacten, moeten van een type zijn waarbij de contacten zijn afgesloten van de buitenlucht. Voorzieningen moeten aanwezig zijn om het systeem voortdurend op defecten te kunnen controleren.
In elke ruimte waar voorzieningen van brandontdekking zijn vereist, moet ten minste een detector zijn aangebracht, met dien verstande dat voor elke 37 m2 dekoppervlakte tenminste een detector aanwezig moet zijn. In grote ruimten moeten de detectors zijn aangebracht in een regelmatig patroon, zodat geen enkele detector meer dan 9 m van een andere detector of meer dan 4,5 m van een schot is verwijderd.
Ten minste twee krachtbronnen moeten aanwezig zijn voor de elektrische apparatuur, nodig voor het functioneren van de brandalarm- en brandontdekkingsinstallatie. Een van deze krachtbronnen moet een noodkrachtbron zijn. De voeding moet geschieden door uitsluitend voor dit doel bestemde voedingsleidingen. De voedingsleidingen moeten zijn aangesloten op een omschakelaar in het controlestation voor het brandontdekkingssysteem. De leidingen moeten zodanig zijn aangelegd dat zij niet door kombuizen, ruimten voor machines en andere besloten ruimten met een groot brandrisico lopen, behoudens voor zover dergelijke leidingen nodig zijn voor brandontdekking in deze ruimte of om het betreffende schakelbord te bereiken.
Op of bij elk alarmpaneel moeten de door de installatie bestreken ruimten en de ligging van de betreffende zone van het ontdekkingssysteem duidelijk zijn aangegeven. Instructies voor de beproeving moeten aanwezig zijn.
Middelen moeten aanwezig zijn waarmede hete lucht of rook op detectors kan worden gericht, teneinde de goede werking daarvan en die van de alarmpanelen te beproeven.
Voor elke sectie van de brandontdekkingsinstallatie moet een door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie te bepalen aantal reserve detectorelementen aan boord aanwezig zijn.
Artikel 153. Vast aangebrachte brandblusinstallaties voor laadruimten die bestemd zijn voor ladingen die in hoge mate brandgevaarlijk zijn
Laadruimten die bestemd zijn voor ladingen die in hoge mate brandgevaarlijk zijn, moeten zijn beschermd door een vast aangebrachte brandblusinstallatie met gas als blusstof of door een brandblusinstallatie die naar het oordeel van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie een gelijkwaardige bescherming biedt.
Artikel 154. Brandbluspompen
Aan boord van een vaartuig moeten ten minste twee brandbluspompen aanwezig zijn.
Wanneer een brand in een bepaalde afdeling alle brandbluspompen buiten werking zou kunnen stellen, moet een vervangend middel aanwezig zijn voor het leveren van water voor het blussen van brand. Op vaartuigen waarvan de lengte 75 m of meer bedraagt, moet dit vervangend middel bestaan uit een vast opgestelde, onafhankelijk aangedreven noodbrandbluspomp. Deze noodbrandbluspomp moet in staat zijn tot het leveren van twee stralen water, een en ander ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie.
De brandbluspompen, de noodbrandbluspomp uitgezonderd, moeten in staat zijn voor brandblusdoeleinden een hoeveelheid water te leveren met een minimumdruk van 0,25 N/mm2, met een totale capaciteit (Q) van ten minste:
Q = (0,15L(B+D) + 2,25)2 m3/uur.
De vereiste totale capaciteit der brandbluspompen behoeft echter niet meer dan 180 m3/uur te bedragen.
Elke voorgeschreven brandbluspomp, behalve de noodbrandbluspomp, moet een capaciteit hebben van niet minder dan 40 percent van de onder 3.1 vereiste totale capaciteit van de brandbluspompen en moet in elk geval in staat zijn ten minste de in artikel 156, tweede lid, onder 1, vereiste stralen water te leveren. Deze brandbluspompen moeten in staat zijn de hoofdbrandblusleiding onder de in artikel 155, tweede lid, voorgeschreven voorwaarden van water te voorzien. Wanneer meer dan twee pompen zijn opgesteld, moet de capaciteit van die extra pompen ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie zijn.
Brandbluspompen moeten werktuiglijk gedreven pompen zijn die onafhankelijk van het voortstuwingswerktuig kunnen worden gebruikt. Sanitaire, ballast-, lens- of algemene dienstpompen mogen worden aanvaard als brandbluspompen, mits zij onder normale omstandigheden niet worden gebruikt voor het pompen van olie en, indien zij af en toe voor dit doel moeten worden gebezigd, doelmatige verwisselinrichtingen zijn aangebracht die ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie zijn.
Brandbluspompen moeten van ontlastkleppen zijn voorzien indien zij in staat zijn een druk te leveren die de druk overtreft waarvoor de brandblusleidingen, brandkranen en brandslangen zijn ontworpen. Deze ontlastkleppen moeten op zodanige plaats zijn aangebracht en zodanig zijn afgesteld, dat een te hoge druk in enig deel van de hoofdbrandblusleiding wordt voorkomen.
Werktuiglijk gedreven noodbrandbluspompen moeten zelfaanzuigende pompen zijn die zijn uitgerust met een eigen dieselmotor en brandstoftoevoer, welke zijn opgesteld op een toegankelijke plaats buiten de ruimte waarin de overige brandbluspompen zijn ondergebracht. De aandrijving van de noodbrandbluspomp mag elektrisch geschieden, mits voldaan wordt aan het bepaalde in artikel 108. De werking van de noodbrandbluspomp moet voor ten minste drie uur zijn verzekerd.
Noodbrandbluspompen, zee-inlaatafsluiters en andere noodzakelijke afsluiters moeten kunnen worden bediend vanaf een plaats die is gelegen buiten de ruimten waarin de overige brandbluspompen zijn ondergebracht. Deze plaats moet zodanig zijn dat het niet waarschijnlijk is dat zij in geval van brand in de bedoelde ruimten onbereikbaar wordt.
Artikel 155. Hoofdbrandblusleidingen
Aan boord van een vaartuig moet een hoofdbrandblusleiding zijn aangebracht.
Hoofdbrandblusleidingen mogen geen andere aansluitingen hebben dan die, welke voor de brandbestrijding zijn vereist, met uitzondering van aansluitingen die zijn aangebracht om het dek te wassen, de ankerkettingen schoon te spuiten of een ejector voor de kettingbak te bedienen.
In hoofdbrandblusleidingen moeten aftapkranen zijn aangebracht op doelmatige plaatsen, waardoor beschadiging door bevriezing kan worden voorkomen.
Hoofdbrandblusleidingen moeten zijn vervaardigd van materialen die in voldoende mate hittebestendig zijn.
De doorlaat van de hoofdbrandblusleiding en van de aftakkingen daarvan moet voldoende groot zijn voor een doelmatige verwerking van de maximaal voorgeschreven opbrengst van twee gelijktijdig werkende brandbluspompen. De doorlaat behoeft echter niet groter te zijn dan voor de verwerking van 140 m3/uur nodig is.
Wanneer de onder 2.1 genoemde opbrengst, geleverd door de aldaar genoemde pompen, wordt verwerkt door straalpijpen als omschreven in artikel 156, vijfde lid, gekoppeld aan slangen aangesloten op in elkaars nabijheid gelegen brandkranen, moet bij alle brandkranen ten minste een druk van 0,25 N/mm2 kunnen worden gehandhaafd.
Artikel 156. Brandkranen, brandslangen en straalpijpen
Bij elke voorgeschreven brandkraan dient een brandslang aanwezig te zijn. Bovendien moet een reserve brandslang aanwezig zijn. Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan een groter aantal brandslangen voorschrijven opdat, rekening houdende met de grootte van het vaartuig, steeds voldoende slangen beschikbaar en bereikbaar zijn.
Brandslangen moeten zijn vervaardigd van goedgekeurd materiaal en van voldoende lengte zijn om met een waterstraal alle ruimten te kunnen bereiken waarvoor zij zijn bestemd. Deze lengte mag niet meer dan 20 m bedragen. Elke brandslang moet zijn voorzien van een straalpijp en de nodige koppelingen. Brandslangen moeten te zamen met de benodigde onderdelen en gereedschappen voor gebruik gereed worden gehouden op opvallende plaatsen nabij de brandkranen of slangaansluitingen.
Het aantal en de plaats van de brandkranen moeten zodanig zijn dat met ten minste twee stralen water, niet afkomstig uit dezelfde brandkraan, waarbij voor een van deze stralen slechts een brandslanglengte mag worden gebruikt, elk deel van het vaartuig dat gedurende de vaart onder normale bedrijfsomstandigheden toegankelijk is, kan worden bereikt.
Een brandkraan moet zijn aangebracht bij de toegang van de ruimte die moet worden beveiligd.
In ruimten voor machines van categorie A moeten ten minste twee brandkranen zijn aangebracht, waarvan een aan stuurboord en een aan bakboord.
Brandkranen moeten zijn vervaardigd van materialen die in voldoende mate hittebestendig zijn. Brandblusleidingen en brandkranen moeten zodanig zijn geplaatst dat de brandslangen gemakkelijk daaraan kunnen worden gekoppeld. Aan boord van vaartuigen die lading aan dek kunnen vervoeren, moet de plaats van de brandkranen altijd gemakkelijk bereikbaar zijn en de leidingen moeten, zoveel als praktisch mogelijk, zodanig zijn aangelegd, dat gevaar voor beschadiging door een dergelijke lading wordt vermeden. Tenzij bij elke brandkraan een bijbehorende brandslang met straalpijp aanwezig is moet elke brandslang op elke brandkraan en elke straalpijp op elke brandslang kunnen worden aangesloten.
Elke aansluiting voor een brandslang moet zijn voorzien van een kraan of afsluiter, opdat een brandslang gemakkelijk en snel kan worden aan- of afgekoppeld terwijl de brandbluspompen te werk staan.
Straalpijpen moeten van een goedgekeurd type zijn en moeten een standaard spuitopening hebben met een diameter van 12, 16 of 19 mm, dan wel een doorlaat die hier nagenoeg mee overeenkomt. Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan een grotere spuitopening toestaan.
In ruimten voor accommodatie en dienstruimten behoeft de spuitopening van de straalpijpen niet groter te zijn dan 12 mm.
In ruimten voor machines en op open dekken moet de diameter van de spuitopening van de straalpijpen zodanig zijn, dat met twee stralen water bij de druk genoemd in artikel 155, tweede lid, onder 2, met de kleinste pomp een zo groot mogelijke hoeveelheid water kan worden geleverd; er behoeft echter geen straalpijp te worden gebruikt met een spuitopening waarvan de diameter meer dan 19 mm bedraagt.
Elke straalpijp moet zijn voorzien van een inrichting die het mogelijk maakt tijdens het blussen met een eenvoudige handbeweging over te gaan van spuiten op sproeien en omgekeerd, zonder dat daarvoor de watertoevoer naar de straalpijp behoeft te worden onderbroken. Tevens moet de straalpijp zijn voorzien van een inrichting om de watertoevoer te onderbreken.
Brandkranen, slangenhaspels, brandslangkasten en dergelijke moeten in een rode kleur zijn geschilderd.
Artikel 157. Brandblustoestellen
Een brandblustoestel moet van een goedgekeurd type zijn. De inhoud van een voorgeschreven draagbaar brandblustoestel met vloeibare blusstof mag niet groter zijn dan 13,5 l en niet kleiner dan 9 l. Een brandblustoestel met een andere blusstof moet ten minste even goed draagbaar zijn als een toestel met vloeibare blusstof van 13,5 l en het blusvermogen moet ten minste gelijkwaardig zijn aan dat van een dergelijk toestel met een blusstof van 9 l. De gelijkwaardigheid van brandblustoestellen wordt bepaald door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie.
Het aantal aan boord aanwezige reservevullingen dient in overeenstemming te zijn met de door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie te geven regels.
Brandblustoestellen gevuld met een blusstof die naar het oordeel van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie, hetzij uit zichzelf, hetzij onder te verwachten gebruiksomstandigheden, zodanige hoeveelheden giftige gassen afgeeft dat dit schadelijk is voor de gezondheid, zijn aan boord niet toegestaan.
Brandblustoestellen, zowel draagbare als niet-draagbare, moeten periodiek worden nagezien en worden onderworpen aan de beproevingen die door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie zijn voorgeschreven.
Eén van de draagbare brandblustoestellen die voor het gebruik in een bepaalde ruimte zijn bestemd, moet nabij de toegang tot die ruimte zijn geplaatst.
In de nabijheid van elektrische werktuigen, schakelborden en dergelijke, mogen geen draagbare brandblustoestellen zijn geplaatst waarvan de blusstof de elektrische stroom geleidt.
Buiten de radiohut moet nabij de toegangsdeur van deze hut een draagbaar brandblustoestel, gevuld met een de elektrische stroom niet geleidende blusstof, zijn opgesteld. In de radiohut, alsmede nabij een niet in de radiohut ondergebracht radiotelefoonstation, moet voorts ten minste een draagbaar brandblustoestel, eveneens gevuld met een de elektrische stroom niet geleidende blusstof, met een inhoud van ten hoogste 2 kg blusstof, zijn opgesteld.
Een speciaal, draagbaar schuimbrandblustoestel moet van een goedgekeurd type zijn en moet bestaan uit een luchtschuimstraalpijp van het inductortype die door middel van een brandslang kan worden verbonden met de hoofdbrandblusleiding, alsmede een draagbare tank die ten minste 20 l schuimvormend middel bevat en een reservetank met schuimvormend middel. De straalpijp moet in staat zijn doeltreffend schuim, geschikt voor het blussen van een oliebrand, te maken met een capaciteit van 1,5 m3/min.
Brandblustoestellen moeten in een rode kleur zijn geschilderd.
Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan nadere regels geven ten aanzien van de plaatsing, het juiste type in verband met de te verwachten klasse branden en het blusvermogen van brandblustoestellen.
Artikel 158. Draagbare brandblustoestellen in controlestations, ruimten voor accommodatie en dienstruimten
Een voldoende aantal draagbare brandblustoestellen moet zijn geplaatst in controlestations, ruimten voor accommodatie en dienstruimten opdat ten minste een brandblustoestel met een voor de in deze ruimte te verwachten branden geschikte blusstof, direct beschikbaar is voor gebruik op elke plaats in deze ruimte. Het totale aantal brandblustoestellen voor bovengenoemde ruimten moet ten minste vijf bedragen.
Artikel 159. Brandblusvoorzieningen in ruimten voor machines
Ruimten voor machines van categorie A moeten zijn voorzien van:
- 1°. een van de volgende vast aangebrachte brandblusinstallaties:
- 1.1. een sproei-installatie voor water onder druk;
- 1.2. een installatie met gas als blusstof;
- 1.3. een installatie met gehalogeniseerde koolwaterstoffen met een lage giftigheidsgraad als blusstof; of
- 1.4. een installatie voor schuim met een hoog verschuimingsgetal; Indien ruimten voor machines aan elkaar grenzen en niet volkomen van elkaar zijn gescheiden of wanneer brandstofolie van een ruimte naar een andere ruimte kan vloeien, moeten de betrokken ruimten als één ruimte worden beschouwd. Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan nadere regels geven ten aanzien van bedoelde brandblusinstallaties;
- 2°. ten minste een speciaal draagbaar schuimbrandblustoestel dat voldoet aan het bepaalde in artikel 157, achtste lid.
Een ruimte voor machines van Categorie A waarin oliegestookte ketels of oliestookinrichtingen zijn opgesteld, moet in aanvulling op het bepaalde in het eerste lid tevens zijn voorzien van:
- 1°. ten minste twee draagbare schuimbrandblustoestellen of daaraan gelijkwaardig gestelde brandblustoestellen op elke stookplaats van elk ketelruim en in elke ruimte waarin een deel van de oliestookinrichting is ondergebracht;
- 2°. ten minste een schuimbrandblustoestel met een inhoud van ten minste 136 l of een daaraan gelijkwaardig gesteld brandblustoestel, voorzien van op haspels aangebrachte slangen die lang genoeg zijn om elk deel van de ruimte te kunnen bereiken;
- 3°. één of meer bakken, tezamen inhoudende ten minste 0,3 m zand, met soda doordrenkt zaagsel of andere doelmatige stoffen op elke stookplaats, benevens schoppen om deze stoffen te verspreiden; Een draagbaar schuimbrandblustoestel of daaraan gelijkwaardig gesteld brandblustoestel kan hiervoor in de plaats worden gesteld; en
- 4°. een stoombrandblusinrichting op de onder overdruk staande luchtkanalen van ketels met geforceerde trek, indien zich in deze luchtkanalen lekolie kan verzamelen.
Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan, rekening houdend met de afmetingen en de aard van de ruimte die moet worden beschermd, vermindering van het in het tweede lid, onder 1 en 2, vereiste, toestaan.
Een ruimte voor machines van categorie A waarin verbrandingsmotoren of gasturbines zijn opgesteld, moet in aanvulling op het bepaalde in het eerste lid, tevens zijn voorzien van:
- 1°. een voldoende aantal schuimbrandblustoestellen met een inhoud van ten minste 45 l of daaraan gelijkwaardig gestelde brandblustoestellen om blusstof te kunnen richten op ieder deel van de brandstofsystemen, smeeroliedruksystemen, tandwielkasten en andere brandgevaarlijke plaatsen; en
- 2°. een voldoende aantal draagbare schuimbrandblustoestellen of daaraan gelijkwaardig gestelde brandblustoestellen, die zo moeten zijn geplaatst dat geen enkel punt in de ruimte op een loopafstand van meer dan 10 m van een brandblustoestel is gelegen, met dien verstande dat in elke ruimte ten minste twee van deze brandblustoestellen aanwezig moeten zijn.
Voor kleinere ruimten kan het Hoofd van de Scheepvaartinspectie afwijking van het in het vierde lid, onder 1 en 2, gestelde, toestaan.
Ruimten voor machines waarin stoomturbines of gesloten stoommachines zijn opgesteld, gebezigd hetzij als hoofdvoortstuwingswerktuigen, hetzij voor andere doeleinden waarbij deze werktuigen tezamen een totaal vermogen hebben van 375 kW of meer, moeten zijn voorzien van:
- 1°. een voldoende aantal schuimbrandblustoestellen met een inhoud van ten minste 45 l of daaraan gelijkwaardig gestelde brandblustoestellen, om blusstof te kunnen richten op ieder deel van het smeeroliedruksysteem, van de omkastingen van de onder druk gesmeerde delen van de turbines, machines of daarbij behorende tandwielkasten en andere brandgevaarlijke plaatsen. Deze brandblustoestellen zijn echter niet vereist, indien in dergelijke ruimten een vast aangebrachte brandblusinstallatie aanwezig is als bedoeld in het eerste lid, onder 1; en
- 2°. een voldoende aantal draagbare schuimbrandblustoestellen of daaraan gelijkwaardig gestelde brandblustoestellen, die zo moeten zijn geplaatst dat geen enkel punt in de ruimte op een loopafstand van meer dan 10 m van een brandblustoestel is gelegen, met dien verstande dat in elke ruimte ten minste twee van deze brandblustoestellen aanwezig moeten zijn. Het bepaalde in dit onderdeel is niet van toepassing wanneer ingevolge het bepaalde in het vierde lid, onder 2, reeds schuimbrandblustoestellen zijn vereist.
Indien naar het oordeel van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie brandgevaar aanwezig is in ruimten voor machines ten aanzien waarvan geen bepaalde voorschriften omtrent brandblusmiddelen zijn gegeven in voorgaande leden, moeten in of dicht bij deze ruimten een zodanig aantal brandblustoestellen of andere brandblusmiddelen zijn opgesteld als door hem voldoende wordt geacht.
Bij toepassing van tweetaktmotoren, moet elk van deze motoren met een vermogen van 750 kW of meer zijn voorzien van een inrichting om gas of stoom als blusstof toe te laten in spoelluchtleidingen, tenzij ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie wordt aangetoond dat deze voorziening niet noodzakelijk is.
Artikel 160. Bijzondere voorzieningen in ruimten voor machines
Voor een ruimte voor machines van categorie A die op een laag niveau toegankelijk is vanuit een aangrenzende schroefastunnel, moet - behalve een waterdichte deur -, aan de van deze ruimte voor machines afgekeerde zijde een lichte stalen brandwerende deur zijn aangebracht die aan beide zijden geopend moet kunnen worden.
Artikel 161. Internationale walaansluiting
Ten minste een internationale walaansluiting die voldoet aan het bepaalde in de navolgende leden, moet aanwezig zijn.
De standaardafmetingen van flenzen voor de internationale walaansluiting moeten overeenstemmen met de onderstaande tabel:
| Beschrijving | Afmeting |
|---|---|
| Uitwendige flensdiameter | 178 mm |
| Inwendige flensdiameter | 64 mm |
| Diameter van de steekcirkel der bouten | 132 mm |
| Boutgaten | 4 gaten van 19 mm diameter, aangebracht op onderling gelijke afstanden op de bovenstaande steekcirkel van de bouten, met sleuven radiaal doorgetrokken tot de omtrek. |
| Flensdikte | ten minste 14,5 mm |
| Bouten en moeren | 4, elk met een diameter van 16 mm en een lengte van 50 mm |
De internationale walaansluiting moet zijn vervaardigd van materiaal, geschikt voor een werkdruk van 1,0 N/mm2.
De flens moet aan een zijde vlak zijn. Op de andere zijde moet een koppeling, passend op de brandkranen en brandslangen van het vaartuig, permanent zijn aangebracht. De internationale walaansluiting moet aan boord van het vaartuig bewaard worden, te zamen met een flensverpakking geschikt voor een werkdruk van 1,0 N/mm2, alsmede met de bouten en moeren als genoemd in de tabel in het tweede lid, alsmede 8 sluitringen.
Voorzieningen moeten zijn aangebracht om een dergelijke aansluiting aan beide zijden van het vaartuig te kunnen gebruiken.
Artikel 162. Brandweeruitrustingen
Elk vaartuig dient te zijn uitgerust met ten minste twee brandweeruitrustingen die voldoen aan het bepaalde in artikel 163.
De brandweeruitrustingen moeten zo worden opgeborgen, dat zij gemakkelijk bereikbaar en gereed voor gebruik zijn. Zij moeten op ver uiteenliggende plaatsen worden bewaard.
Artikel 163. Samenstelling brandweeruitrusting
Een brandweeruitrusting dient te bestaan uit een persoonlijke uitrusting die voldoet aan het bepaalde in het tweede lid en uit een persluchttoestel dat voldoet aan het bepaalde in het derde en vierde lid.
Een persoonlijke uitrusting moet de volgende onderdelen omvatten die van een goedgekeurd type dienen te zijn:
- 1°. beschermende kleding. Het materiaal waaruit deze kleding wordt vervaardigd, dient zodanig te zijn dat:
- 1.1. de huid van de gebruiker wordt beschermd tegen de hitte die een brand uitstraalt en tegen het ontstaan van brandwonden door stoom;
- 1.2. de lichaamsventilatie van de gebruiker niet wordt belemmerd; en
- 1.3. de buitenste laag water afstoot;
- 2°. laarzen en handschoenen, vervaardigd uit rubber of ander materiaal dat elektrische stroom niet geleidt. Laarzen dienen antislip te zijn uitgevoerd;
- 3°. een stevige helm die doelmatige bescherming biedt tegen stoten;
- 4°. een elektrische veiligheidslamp die voldoet aan het bepaalde in artikel 105, eerste lid; en
- 5°. een brandweerbijl.
Een persluchttoestel moet van een goedgekeurd type zijn. Het volume aan lucht in de cilinders moet ten minste 1200 l bij atmosferische druk bedragen. Elk persluchttoestel moet zijn voorzien van:
- 1°. een draagstel;
- 2°. een gelaatstuk;
- 3°. een inrichting waarmee de gebruiker op gemakkelijke wijze de nog aanwezige voorraad samengeperste lucht kan controleren;
- 4°. een inrichting, akoestisch dan wel weerstandverhogend werkend, die de gebruiker waarschuwt zodra de nog veilige minimum voorraad samengeperste lucht is bereikt; en
- 5°. een brandbestendige reddinglijn van voldoende lengte en sterkte, die, teneinde te voorkomen dat het toestel losraakt bij gebruik van de reddinglijn, door middel van een musketonhaak moet kunnen worden bevestigd aan het harnas van het toestel of aan een afzonderlijke gordel.
Bij elk persluchttoestel moet voor elke tot het toestel behorende luchtcilinder ten minste een reservecilinder met samengeperste lucht aanwezig zijn.
Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan nadere regels geven betreffende de onderdelen van de brandweeruitrusting.
Artikel 164. Brandbeveiligingsplan
Ter instructie van de scheepsofficieren moet een brandbeveiligingsplan permanent zijn opgehangen, op daarvoor in aanmerking komende plaatsen. De uitvoering van dit plan dient te voldoen aan het bepaalde in artikel 165, eerste lid.
Artikel 165. Uitvoering brandbeveiligingsplan
Een brandbeveiligingsplan moet zijn een algemeen plan, waarop voor elk dek duidelijk zijn aangegeven de controlestations, de verschillende brandsecties, omgeven door schotten van klasse «A», de secties omgeven door schotten van klasse «B» indien aanwezig, alsmede de aanwijzingen betreffende de brandalarmsystemen, de brandontdekkingssystemen, de sprinklerinstallatie, indien aanwezig, de brandblusmiddelen, de toegangen tot de verschillende afdelingen, dekken, enzovoort en het ventilatiesysteem met inbegrip van bijzonderheden omtrent de plaatsen waar de ventilatoren kunnen worden bediend, de plaatsen van de brandkleppen en de nummers van de ventilatoren die elke sectie bedienen. In plaats daarvan mogen, ter beoordeling van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie, de genoemde details zijn opgenomen in een boekje, waarvan een exemplaar moet worden verstrekt aan iedere officier, terwijl een exemplaar steeds aan boord op een toegankelijke plaats beschikbaar moet zijn. Plannen en boekjes moeten goed worden bijgehouden door veranderingen zo spoedig mogelijk daarin aan te brengen. Een vertaling in het Engels dient te worden opgenomen. Bovendien moeten instructies betreffende het onderhoud en de werking van alle uitrusting en installaties aan boord voor het alarmeren en ontdekken, voor het insluiten en voor de bestrijding van brand in een verzamelband worden bijeengebracht, die op een toegankelijke plaats voor onmiddellijk gebruik beschikbaar moet zijn.
Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan nadere regels stellen betreffende de uitvoering van het brandbeveiligingsplan of -boekje.
Artikel 166. Onmiddellijke beschikbaarheid van brandbestrijdingsmiddelen
Brandbestrijdingsmiddelen moeten goed worden onderhouden en te allen tijde voor onmiddellijk gebruik gereed zijn.
Artikel 167. Toelating van vervangende middelen
Waar in deze paragraaf een speciaal toestel, apparaat, speciale blusstof of inrichting van een bepaalde aard is voorgeschreven, kan, met inachtneming van het bepaalde in artikel 4, elk ander toestel, apparaat, andere blusstof of inrichting daarvoor in de plaats worden gesteld.
Artikel 168. Niet voorgeschreven vast aangebrachte brandblusinstallaties
Een vast aangebrachte brandblusinstallatie die niet in deze paragraaf wordt voorgeschreven, moet ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie zijn.
§ 2. Brandbescherming voor vaartuigen, waarvan de lengte minder dan 55 m bedraagt
Artikel 169. Algemeen
De voorschriften in deze paragraaf zijn van toepassing op vaartuigen waarvan de lengte minder dan 55 m bedraagt.
Artikel 170. Constructieve brandbeveiliging
De romp, de bovenbouw, structurele schotten, dekken en dekhuizen moeten van onbrandbare materialen zijn vervaardigd. Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan een brandbare constructie toestaan, mits is voldaan aan de van toepassing zijnde bepalingen van dit artikel en aan die van de artikelen 176, eerste lid, en 182, vijfde lid.
In vaartuigen waarvan de romp is vervaardigd van onbrandbare materialen, moet ten aanzien van begrenzingsschotten en dekken van ruimten voor machines en van controlestations aan het volgende zijn voldaan:
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)