Besluit van 5 augustus 1989, houdende nadere regelen voor de veiligheid van Vissersvaartuigen

Type Koninklijk besluit
Publication 2017-01-01
State In force
Source BWB
artikelen 444
Wijzigingsgeschiedenis JSON API
9.

Buitengaats moet te allen tijde een hoofdkrachtbron van voldoende vermogen beschikbaar zijn om de installatie over de ingevolge het derde lid vereiste normale reikwijdte te doen werken. Een reservekrachtbron moet, buiten de ruimten voor machines van categorie A, in het bovenste deel van het vaartuig zijn opgesteld, tenzij de hoofdkrachtbron reeds aldaar is geplaatst. Indien voor de reservekrachtbron batterijen worden gebruikt, moeten deze onder alle omstandigheden voldoende capaciteit hebben om de zender en de ontvanger onder normale gebruiksomstandigheden gedurende ten minste 6 uren ononderbroken te kunnen doen werken.

10.

Behoudens het bepaalde in het elfde lid mag de eventueel aanwezige reservekrachtbron alleen worden gebruikt voor de voeding van:

  • 1°. de radiotelefonie-installatie;
  • 2°. de ingevolge artikel 266, vierde lid, vereiste noodverlichting;
  • 3°. de ingevolge het vierde lid vereiste inrichting voor het opwekken van het radiotelefonie-alarmsein;
  • 4°. de VHF radiotelefonie-installatie overeenkomstig het bepaalde in artikel 268, derde lid;
  • 5°. de radiotelefonieluisterwachtontvanger; en
  • 6°. de Navtexontvanger.
11.

In afwijking van het bepaalde in het tiende lid kan het Hoofd van de Scheepvaartinspectie het gebruik van de eventueel aanwezige reservekrachtbron ook toestaan voor de voeding van een richtingzoeker, indien aanwezig, en voor één of meer noodnetten van gering vermogen, die zich uitsluitend bevinden in het bovenste deel van het vaartuig, zoals de noodverlichting van het sloependek, echter onder voorwaarde dat deze extra belastingen gemakkelijk kunnen worden uitgeschakeld en dat de reservekrachtbron van voldoende capaciteit is om aan deze extra belastingen te kunnen voldoen.

12.

Teneinde aan de eisen van het negende lid te kunnen voldoen moet buitengaats elke aanwezige batterij in geladen toestand worden gehouden.

13.

Een antenne moet zijn aangebracht en moet, indien hij is opgehangen tussen steunpunten die aan zwiepen onderhevig zijn, tegen breuk zijn beveiligd.

Artikel 268. VHF radiotelefonie-installatie

1.

De VHF radiotelefonie-installatie moet in het bovenste gedeelte van het vaartuig zijn opgesteld en moet omvatten een zender, een ontvanger, een krachtbron die deze zender en ontvanger op hun toelaatbare vermogens kan doen werken, en een antenne die geschikt is voor doeltreffende uitstraling en ontvangst van signalen op de frequenties waarop wordt gewerkt. Voorts moet worden voldaan aan het bepaalde in de volgende leden.

2.

De in het bovenste gedeelte van het vaartuig opgestelde krachtbron bedoeld in het eerste lid, moet voldoende capaciteit hebben om de VHF radiotelefonie-installatie gedurende ten minste 6 uren te laten werken.

3.

Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan toestaan gebruik te maken van de reservekrachtbron voor de radiotelegrafie- of radiotelefonie-installatie, vermeld in artikel 258, dertiende lid, onderscheidenlijk artikel 267, tiende lid, om de VHF radiotelefonie-installatie te voeden. In dit geval moet de reservekrachtbron voldoende capaciteit hebben om de VHF radiotelefonie-installatie gedurende ten minste 6 uren gelijktijdig te laten werken met:

  • 1°. de reserveradiotelegrafiezender en -ontvanger; of
  • 2°. de radiotelefoniezender en -ontvanger; tenzij een schakelapparaat is aangebracht om te verzekeren dat zij slechts beurtelings werken.
4.

De VHF radiotelefonie-installatie moet voldoen aan de eisen die in het Radioreglement zijn gesteld ten aanzien van apparatuur voor gebruik in de Maritieme Mobiele VHF Radiotelefoondienst en moet kunnen werken op de kanalen, aangegeven in het Radioreglement, en op de kanalen die nader kunnen worden voorgeschreven.

5.

Het uitgangsvermogen van de draaggolf van de zender behoeft niet groter te zijn dan 10 Watt. Voorzover zulks praktisch uitvoerbaar is, moet de antenne een onbelemmerd zicht hebben in alle richtingen.

6.

De VHF-kanalen bestemd voor de veiligheid van de navigatie moeten op de brug, op de plaats waar de navigatie-orders worden gegeven, kunnen worden bediend en waar nodig dienen zodanige voorzieningen te zijn getroffen dat vanaf de brugvleugels radioverbindingen kunnen worden onderhouden.

Artikel 269. Reserve-onderdelen

1.

Voor zover in dit hoofdstuk radiotoestellen zijn genoemd, die niet behoren tot de eigenlijke radiotelegrafie- of radiotelefonie-installatie en waarbij niet in het bijzonder is aangegeven dat daarvoor reserve-onderdelen en gereedschappen aan boord dienen te worden meegevoerd, moeten de in artikel 257, negende lid en artikel 266, zevende lid, voor radiotelegraaf- onderscheidenlijk radiotelefoonstations voorgeschreven reserve-onderdelen en gereedschappen tevens die omvatten, welke naar het oordeel van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie voor het buitengaats onderhouden van de goede werking van bedoelde radiotoestellen nodig zijn.

2.

Deze bepaling geldt mede ten aanzien van niet in dit hoofdstuk genoemde radiotoestellen, die als niet-voorgeschreven uitrusting aan boord van een vaartuig zijn geplaatst.

§ 4. Radiodagboeken

Artikel 270. Dagboek bestemd voor radiotelegrafie

1.

Aan boord van een vaartuig dat is uitgerust met een radiotelegraafstation moet een dagboek bestemd voor radiotelegrafie, in dit artikel verder te noemen radiodagboek, aanwezig zijn, dat gedurende de reis in de radiohut moet worden bewaard. Iedere radio-officier moet zijn naam, de tijden waarop hij op wacht komt en van wacht gaat en alle met de radiodienst verband houdende voorvallen die zich tijdens de wacht voordoen en die van belang kunnen zijn voor de beveiliging van mensenlevens op zee, in het radiodagboek vermelden.

2.

In het radiodagboek moet, naast hetgeen daarin krachtens het Radioreglement moet worden ingevuld, het volgende worden opgenomen:

  • 1°. nauwkeurige gegevens omtrent het onderhoud en het laden van de accumulatorenbatterijen;
  • 2°. dagelijks, een verklaring inhoudende dat alle tot de hoofd- en de reserve-installatie behorende accumulatorenbatterijen ten volle zijn geladen;
  • 3°. dagelijks een nauwkeurige aantekening omtrent het die dag beproeven of voor het verkeer benutten van de reservezender en van de reservekrachtbron;
  • 4°. dagelijks, bijzonderheden omtrent elke beproeving van het aan boord aanwezige radiotelegrafie-auto-alarmtoestel;
  • 5°. wekelijks, nauwkeurige gegevens omtrent het onderhoud en het laden van de accumulatorenbatterijen behorende tot de radiotelegrafie-installatie in een reddingboot, indien die batterijen van een type zijn dat laden vereist;
  • 6°. wekelijks, bijzonderheden omtrent het beproeven van de radiotelegrafie-installatie in een motorreddingboot;
  • 7°. wekelijks, bijzonderheden omtrent het beproeven van het draagbare radiotoestel voor groepsreddingmiddelen;
  • 8°. bijzonderheden met betrekking tot de richtingzoeker;
  • 9°. ten minste éénmaal per reis, bijzonderheden omtrent beproeving van de reserve-antenne;
  • 10°. de tijden gedurende welke luisterdienst als bedoeld in artikel 254 is gehouden. Deze aantekeningen moeten door hen die deze luisterdienst verrichten, worden ondertekend;
  • 11°. het tijdstip waarop de luisterdienst werd onderbroken overeenkomstig het bepaalde in artikel 254, alsmede de reden voor onderbreking en het tijdstip waarop de luisterdienst werd hervat; en
  • 12°. de namen van alle personen, die met de radiotelegraafdienst zijn belast, waarbij aangegeven de naam van degene die als chef van het radiostation is aangewezen.
3.

In geval met betrekking tot het onderhoud en het laden der accumulatorenbatterijen, als bedoeld in het tweede lid, onder 1 en 5, afzonderlijke, door of namens het Hoofd van de Scheepvaartinspectie aanvaarde accumulatorenrapporten worden bijgehouden, kan daarnaar in het radiodagboek worden verwezen. Deze rapporten maken in dat geval deel uit van het radiodagboek en zijn onderworpen aan de op het radiodagboek van toepassing zijnde voorschriften.

4.

Radiodagboeken moeten op verzoek van een ambtenaar van de Scheepvaartinspectie aan hem ter inzage worden gegeven.

Artikel 271. Model van het dagboek bestemd voor radiotelegrafie

Het dagboek bestemd voor radiotelegrafie, als bedoeld in artikel 270, eerste lid, moet zijn uitgevoerd overeenkomstig het model als vastgesteld door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie.

Artikel 272. Dagboek bestemd voor radiotelefonie

1.

Aan boord van een vaartuig dat is uitgerust met een radiotelefoonstation, moet een dagboek bestemd voor radiotelefonie, in dit artikel verder te noemen radiodagboek, aanwezig zijn, dat gedurende de reis moet worden bewaard op de plaats waar de luisterdienst wordt onderhouden. Wanneer een radio-officier of radiotelefonist, dan wel een ander lid van de bemanning de voorgeschreven radiotelefonieluisterdienst uitoefent, moet deze zijn naam en de bijzonderheden van alle zich tijdens de wacht voordoende, met de radiodienst verband houdende voorvallen die van belang kunnen zijn voor de beveiliging van mensenlevens op zee, in het radiodagboek vermelden.

2.

In het radiodagboek moet, naast hetgeen daarin krachtens het Radioreglement moet worden ingevuld, het volgende worden opgenomen:

  • 1°. de tijden gedurende welke luisterdienst als bedoeld in artikel 255 is gehouden. Deze aantekeningen moeten door hen die de luisterdienst hebben verricht, worden ondertekend;
  • 2°. het tijdstip waarop bij het verlaten van een haven de luisterdienst begint en het tijdstip waarop bij het binnenlopen van een haven die dienst wordt beëindigd;
  • 3°. het tijdstip waarop om enigerlei reden de luisterdienst wordt onderbroken, de reden voor die onderbreking en het tijdstip waarop de luisterdienst wordt hervat;
  • 4°. nauwkeurige gegevens omtrent het onderhoud en het laden van de accumulatorenbatterijen;
  • 5°. wekelijks, bijzonderheden omtrent het beproeven van het draagbare radiotoestel voor groepsreddingmiddelen; en
  • 6°. bijzonderheden met betrekking tot de richtingzoeker.
3.

In geval met betrekking tot het onderhoud en het laden der accumulatorenbatterijen, als bedoeld in het tweede lid, onder 4, afzonderlijke, door of namens het Hoofd van de Scheepvaartinspectie aanvaarde, accumulatorenrapporten worden bijgehouden, kan daarnaar in het Radiodagboek worden verwezen. Deze rapporten maken in dat geval deel uit van het radiodagboek en zijn onderworpen aan de op het radiodagboek van toepassing zijnde voorschriften.

4.

Radiodagboeken moeten op verzoek van een ambtenaar van de Scheepvaartinspectie aan hem ter inzage worden gegeven.

Artikel 273. Model van het dagboek bestemd voor radiotelefonie

Het dagboek bestemd voor radiotelefonie, als bedoeld in artikel 272, eerste lid, moet zijn uitgevoerd overeenkomstig het model als vastgesteld door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie.

Artikel 274. Dagboek bestemd voor VHF radiotelefonie

Aan boord van een vaartuig dat is uitgerust met een VHF-radiotelefoonstation is ten aanzien van het radiodagboek het bepaalde in de artikelen 272 en 273 van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat een samenvatting van alle berichtenwisseling betreffende nood-, spoed-en veiligheidsverkeer moet worden opgenomen in het scheepsdagboek.

Hoofdstuk 10. Hulpmiddelen bij de navigatie

§ 1. Hulpmiddelen bij de navigatie

Artikel 275. Vrijstellingen

Het bepaalde in de artikelen 277, 278, tweede lid, 279 tot en met 281, 282, tweede en derde lid, 283 en 284 is niet van toepassing op een vaartuig dat gesleept naar zijn bestemming wordt gebracht.

Artikel 276. De brug van een vaartuig

1.

Aan boord van elk vaartuig moeten de inrichting en indeling van de brug, alsmede de plaatsing van de daar opgestelde apparatuur, zodanig zijn dat een doelmatige en veilige navigatie mogelijk is.

2.

De plaats van de brug dient zodanig te zijn gekozen dat:

  • 1°. de roerganger vanaf de plaats waar het vaartuig wordt bestuurd een vrij uitzicht over het voorschip heen heeft;
  • 2°. het uitzicht rondom voldoende is om veilig te kunnen manoeuvreren en navigeren; en
  • 3°. de scheepszijden vanaf de brug waarneembaar zijn, tenzij de bedrijfsvoering zich hiertegen verzet. In dat geval kan het Hoofd van de Scheepvaartinspectie toestaan dat de brug niet over de gehele breedte van het vaartuig doorloopt.
3.

Aan boord van een vaartuig dat is voorzien van een automatische stuurinrichting moet op de brug een wachtalarminstallatie van een goedgekeurd type zijn aangebracht.

4.

Degene die de lieren bedient heeft goed zicht op deze lieren en op de bemanningsleden die daarmee aan het werk zijn.

5.

Voor de communicatie tussen de brug en het werkdek wordt gebruik gemaakt van een betrouwbaar communicatiesysteem.

6.

Bij ministeriële regeling kunnen ten aanzien van het bepaalde in het eerste tot en met het vijfde lid nadere regels worden gesteld.

Artikel 277. Kompassen

1.

Aan boord van een vaartuig, waarvan de lengte minder dan 75 m bedraagt, dat is gebouwd vóór 1 september 1984 en aan boord van een vaartuig waarvan de lengte minder dan 45 m bedraagt, dat is gebouwd op of na 1 september 1984 moeten ten minste twee vast opgestelde magnetische kompassen aanwezig zijn. Op een van deze kompassen, het standaardkompas, moet gepeild en op het andere, het stuurkompas, moet gestuurd kunnen worden. Van deze magnetische kompassen mag het stuurkompas worden vervangen door een gyrokompas dat is opgesteld op de wijze als bepaald in het tweede lid, onder 1, met dien verstande dat in een dergelijk geval op het standaardkompas tevens moet kunnen worden gestuurd.

1.

In afwijking van het bepaalde in 1.1 kan aan boord van een vaartuig dat een door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie vast te stellen gebied bevaart, worden volstaan met een vast opgesteld magnetisch standaardkompas, waarop zowel kan worden gepeild als gestuurd. Op dit kompas behoeft evenwel niet te kunnen worden gepeild indien een naar het oordeel van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie gelijkwaardig, elektronisch middel tot plaatsbepaling alsmede een radarinstallatie van een goedgekeurd type aanwezig is.

1.

Aan boord van een vaartuig waarvan de lengte minder dan 45 m bedraagt, moet, indien het vaartuig bestemd is om op breedten gebruikt te worden waar de horizontale component van het totale aardmagnetisch veld te gering is om een voldoende richtkracht aan het magnetisch kompas te geven, een gyrokompas zijn opgesteld, op de wijze als bepaald in het tweede lid, onder 1.

2.

Aan boord van een vaartuig waarvan de lengte meer dan 75 m bedraagt, dat is gebouwd vóór 1 september 1984 en aan boord van een vaartuig waarvan de lengte 45 m of meer bedraagt, dat is gebouwd op of na 1 september 1984 moet ten minste een vast opgesteld magnetisch standaardkompas aanwezig zijn waarop zowel kan worden gepeild als gestuurd. Tevens moet een gyrokompas aanwezig zijn, dat voldoet aan de volgende eisen:

  • 1°. het gyro-moederkompas of een gyro-dochterkompas moet duidelijk afleesbaar zijn voor de roerganger op de plaats waar gewoonlijk wordt gestuurd; en
  • 2°. aan boord van een vaartuig waarvan de lengte 75 m of meer bedraagt moeten bovendien gyro-dochterkompassen aanwezig zijn, zodanig dat doelmatig peilingen kunnen worden genomen over een boog van de horizon van 360 graden, voor zover praktisch uitvoerbaar.
3.

De in het eerste en tweede lid voorgeschreven magnetische kompassen moeten doelmatig zijn en dienen in het vlak van kiel en stevens te zijn opgesteld. De opstellingsplaatsen van alle kompassen moeten doelmatig zijn en zodanig zijn gekozen, dat deze instrumenten, rekening houdend met het doel waarvoor zij worden gebruikt, geen onaanvaardbare storing ondervinden van in hun nabijheid geplaatste ijzermassa’s en elektrische leidingen. Hiertoe moeten in het ontwerpstadium van het vaartuig aanwijzingen worden gevraagd van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie. Deze aanwijzingen dienen eveneens te worden gevraagd indien aan het vaartuig of uitrusting wijzigingen worden aangebracht die invloed kunnen hebben op de goede werking van deze magnetische kompassen.

3.

Bij de aanleg van elektrische leidingen in de nabijheid van magnetische kompassen moet rekening worden gehouden met het daaromtrent bepaalde in artikel 101.

3.

Ter plaatse van een magnetisch kompas waarop moet kunnen worden gepeild, behoort een vrij uitzicht te zijn over een boog van de horizon van, voor zover uitvoerbaar, 360 graden, doch in ieder geval van niet minder dan 230 graden, gerekend van recht vooruit tot 25 graden achterlijker dan dwars aan elke zijde.

4.

Elk magnetisch kompas moet zijn voorzien van een certificaat, afgegeven door een door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie erkende deskundige.

5.

Elk magnetisch kompas en elk gyrokompas moet van een goedgekeurd type zijn en voldoen aan de door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie ter zake gestelde regels.

6.

De horizontale en vertikale scheepsmagnetische storingsvelden ter plaatse van de magnetische kompassen moeten door een bevoegd persoon behoorlijk zijn gecompenseerd, onder afgifte van een foutentabel voor elk magnetisch kompas.

6.

Bij elk magnetisch kompas dient een foutentabel aanwezig te zijn.

6.

Telkenmale wanneer zich omstandigheden hebben voorgedaan die van invloed kunnen zijn op de gevonden fouten dient hercompensatie plaats te vinden door een bevoegd persoon.

6.

Telkenmale wanneer een ambtenaar van de Scheepvaartinspectie dit nodig oordeelt en in ieder geval eenmaal per jaar dienen de fouten van elk magnetisch kompas door een bevoegd persoon te worden geverifieerd, tenzij uit aantekeningen van de kapitein blijkt dat deze fouten door waarnemingen op zee geregeld worden geverifieerd en zij binnen redelijke grenzen blijven.

6.

Indien de verificaties als bedoeld onder 6.4 naar het oordeel van een ambtenaar van de Scheepvaartinspectie daartoe aanleiding geven, dient hercompensatie ten behoeve van het magnetische kompas door een bevoegd persoon plaats te vinden.

6.

De aanwijzing van de onder 6.1, 6.3, 6.4 en 6.5 bedoelde bevoegde personen geschiedt door Onze Minister, die tevens nadere regels kan stellen met betrekking tot de werkzaamheden van die personen.

7.

Voor een magnetisch kompas en voor een gyrokompas moet, voor zover op deze kompassen moet kunnen worden gepeild, een peilinrichting aanwezig zijn. Alle aan boord aanwezige peiltoestellen moeten zijn voorzien van een certificaat, afgegeven door een door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie erkende deskundige.

8.

Wanneer een magnetisch kompas met elektrische overbrenging naar een dochterkompas is aangebracht, moet het ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie zijn voorzien in een elektrische noodvoeding.

9.

Verlichting en een voorziening om deze te kunnen dimmen moet aanwezig zijn, teneinde het mogelijk te maken dat de kompasroos te allen tijde afgelezen kan worden. Indien de verlichting wordt gevoed door de hoofdvoeding van het vaartuig, moet tevens een noodverlichting zijn aangebracht.

10.

Ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie moet een spreekbuis of ander doelmatig communicatiemiddel zijn aangebracht, tussen de plaats waar het standaardkompas is opgesteld en de plaats waar het vaartuig wordt bestuurd en, indien aangebracht, de plaats waar de noodstuurinrichting is opgesteld.

Artikel 278. Middelen voor dieptemeting

1.

Aan boord van elk vaartuig moet een handlood met gemerkte lijn van voldoende lengte aanwezig zijn.

2.

Aan boord van elk vaartuig moet een echolood van een goedgekeurd type aanwezig zijn, dat voldoet aan de door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie nader te stellen regels.

Artikel 279. Radarinstallaties

1.

Een vaartuig waarvan de lengte 45 m of meer bedraagt, gebouwd op of na 1 september 1984, en een vaartuig waarvan de lengte 75 m of meer bedraagt, gebouwd voor 1 september 1984, moet zijn voorzien van een radarinstallatie van een goedgekeurd type die voldoet aan de door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie nader te stellen regels.

2.

Aan boord van een vaartuig dat ingevolge het bepaalde in dit artikel is voorzien van een radarinstallatie, moeten op de brug voorzieningen aanwezig zijn voor het uitzetten van afgelezen radarwaarnemingen. Aan boord van een vaartuig waarvan de lengte 75 m of meer bedraagt, moeten deze voorzieningen ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie zijn en tenminste even doelmatig als een reflectieplotter.

Artikel 280. Nautische instrumenten

1.

Met uitzondering van vaartuigen die een door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie vast te stellen beperkt gebied bevaren, moet aan boord van elk vaartuig ten minste een hoekmeetinstrument aanwezig zijn, waarvan de fouten bekend zijn.

1.

Hoekmeetinstrumenten moeten zijn voorzien van een certificaat, afgegeven door een door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie erkende deskundige.

2.

Met uitzondering van vaartuigen die een door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie vast te stellen beperkt gebied bevaren, moet aan boord van elk vaartuig ten minste een deugdelijke chronometer aanwezig zijn, waarvan stand en gang bekend zijn.

2.

Chronometers moeten zijn voorzien van een certificaat, afgegeven door een door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie erkende deskundige.

3.

Aan boord van elk vaartuig moet ten minste een barometer aanwezig zijn.

3.

Barometers met inbegrip van barografen, moeten zijn voorzien van een certificaat, afgegeven door een door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie erkende deskundige.

4.

Aan boord van elk vaartuig moet een deugdelijke kijker aanwezig zijn.

5.

Aan boord van elk vaartuig moet een roerstandaanwijzer, een tachometer voor elke schroef en bovendien, indien het vaartuig is uitgerust met verstelbare schroeven of schroeven met zijdelingse stuwkracht, een instrument dat de spoed en de wijze van gebruik van die schroeven aangeeft, aanwezig zijn. Deze instrumenten moeten duidelijk afleesbaar zijn vanaf de plaats waar de navigatie wordt gevoerd. Zij moeten van een goedgekeurd type zijn en voldoen aan de door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie nader te stellen regels.

Artikel 281. Zeekaarten, nautische publikaties, enzovoort

1.

Aan boord van elk vaartuig moeten de voor de te ondernemen reis benodigde zeekaarten aanwezig zijn. Deze zeekaarten moeten van een voldoende grote schaal zijn om er behoorlijk op te kunnen navigeren.

2.

Aan boord van elk vaartuig moeten voorts aanwezig zijn:

  • 1°. de voor de te ondernemen reis benodigde zeemansgidsen en lichtenlijsten;
  • 2°. de voor de te ondernemen reis benodigde stroomatlassen of -kaarten;
  • 3°. de nodige getijtafels, een zeemansalmanak van het lopende jaar, alsmede alle andere voor de te ondernemen reis benodigde nautische publikaties;
  • 4°. hulpmiddelen voor zeevaartkundige berekeningen, indien het vaartuig ingevolge het bepaalde in artikel 280, tweede lid, is uitgerust met een chronometer;
  • 5°. een parallelliniaal of een stel van twee navigatiedriehoeken;
  • 6°. twee passers; en
  • 7°. een betrouwbaar uurwerk.
3.

Zeekaarten en boekwerken moeten in goede staat verkeren en worden bijgehouden aan de hand van berichten aan zeevarenden. Zeekaarten en boekwerken, die door gebruik of anderszins onvoldoende leesbaar zijn geworden, dan wel vanwege de uitgevende instanties vervallen zijn verklaard, worden geacht niet in goede staat te verkeren.

4.

Aan boord van elk vaartuig moeten op de brug de nodige gegevens betreffende de manoeuvreereigenschappen en de stopwegen bij voor het vaartuig karakteristieke vaarsnelheden en beladingstoestanden duidelijk leesbaar zijn opgehangen. Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan nadere regels geven ter uitvoering van het bepaalde in dit lid.

Artikel 282. Uitrusting voor het geven van seinen

1.

Aan boord van een vaartuig waarvan de lengte 24 m of meer bedraagt, moet een dagseinlamp van een goedgekeurd type aanwezig zijn. Voor de voeding van de dagseinlamp moet een draagbare batterij aanwezig zijn met voldoende capaciteit om de lamp gedurende ten minste 2 uren onafgebroken te kunnen laten branden. Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan nadere regels geven ter uitvoering van het bepaalde in dit lid.

2.

Aan boord van een vaartuig waarvan de lengte 24 m of meer bedraagt, moet het Internationaal Seinboek aanwezig zijn.

3.

Aan boord van een vaartuig waarvan de lengte 45 m of meer bedraagt, moet een volledig stel seinvlaggen aanwezig zijn.

Artikel 283. Richtingzoekers

1.

Een vaartuig waarvan de lengte 75 m of meer bedraagt, moet zijn voorzien van een richtingzoeker van een goedgekeurd type, die voldoet aan de eisen gesteld in artikel 260.

2.

De grafiek als bedoeld in artikel 260, elfde lid, moet voor onmiddellijk gebruik bij de richtingzoeker aanwezig zijn.

3.

Indien de verificaties als bedoeld in artikel 260, twaalfde en dertiende lid, naar het oordeel van een ambtenaar van de Scheepvaartinspectie daartoe aanleiding geven, dient de richtingzoeker door een bevoegd persoon opnieuw te worden gecalibreerd onder afgifte van een grafiek als bedoeld in artikel 260, elfde lid.

4.

De aanwijzing van de in het derde lid en de in artikel 260, elfde en dertiende lid, bedoelde bevoegde personen geschiedt door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie. De bevoegde personen moeten in het bezit zijn van een geldig, door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie verstrekt, legitimatiebewijs.

5.

Indien een vaartuig dat is gebouwd op of na 1 september 1980, is uitgerust met een richtingzoeker als bedoeld in het eerste lid, moet die richtingzoeker zijn ingericht voor het peilen recht vooruit («homing») op de radio-telefonie-noodfrequentie als bedoeld in artikel 260, tiende lid.

Artikel 284. Log

1.

Met uitzondering van vaartuigen die een door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie vast te stellen beperkt gebied bevaren, moet aan boord van elk vaartuig een log aanwezig zijn.

2.

Aan boord van een vaartuig waarvan de lengte 45 m of meer bedraagt en dat is gebouwd op of na 1 september 1984 moet de log de vaart en verheid aangeven.

3.

Aan boord van een vaartuig dat is uitgerust met automatische radar-plot-apparatuur, dient de log de vaart en de verheid door het water te kunnen aangeven.

4.

De log moet van een goedgekeurd type zijn en voldoen aan de door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie nader te stellen regels.

Artikel 285. Hulpmiddelen ter voorkoming van aanvaringen

1.

Aan boord van elk vaartuig moeten de middelen aanwezig zijn om te kunnen voldoen aan de van kracht zijnde bepalingen ter voorkoming van aanvaringen op zee. Deze middelen moeten ook met betrekking tot de opstelling aan boord, voldoen aan de eisen gesteld in genoemde bepalingen.

2.

De lantaarns voorgeschreven in de van kracht zijnde bepalingen ter voorkoming van aanvaringen op zee dienen uitsluitend te zijn ingericht voor elektrisch licht.

2.

Met uitzondering van een vaartuig waarvan de lengte minder dan 45 m bedraagt, moet aan boord van een vaartuig voor elk van de top- en boordlantaarns en voor de heklantaarn, een reservelantaarn aanwezig zijn die op de voor het gebruik bestemde plaats vast is aangebracht.

3.

De elektrische installatie ten behoeve van de lantaarns en de middelen tot het geven van geluidseinen die zijn voorgeschreven in de van kracht zijnde bepalingen ter voorkoming van aanvaringen op zee, met inbegrip van de reservelantaarns als bedoeld in het tweede lid, moet voldoen aan de eisen gesteld in artikel 103.

3.

Alle lantaarns die ingevolge de van kracht zijnde bepalingen ter voorkoming van aanvaringen op zee aan boord aanwezig zijn, met inbegrip van alle reservelantaarns, moeten zijn gemerkt en zijn voorzien van een certificaat, afgegeven door een door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie erkende deskundige.

4.

Aan boord van elk vaartuig dat de openbare wateren in Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba, bevaart, die voor de scheepvaart open staan, moeten bovendien de hulpmiddelen aanwezig zijn, die nodig zijn om aan de voorschriften van de ter plaatse geldende reglementen te kunnen voldoen.

Hoofdstuk 11. Niet voorgeschreven uitrusting

§ 1. Niet voorgeschreven uitrusting

Artikel 286. Niet voorgeschreven uitrusting

De eigenaar van een vaartuig moet de Scheepvaartinspectie ervan in kennis stellen indien het vaartuig wordt ingericht of uitgerust met voorzieningen die niet in dit besluit zijn voorgeschreven. Voorzover het voorzieningen betreft die in dit besluit met name zijn genoemd, moeten zij voldoen aan alle daarvoor bij of krachtens dit besluit gestelde eisen en in deugdelijke toestand verkeren. Voor zover zij niet met name zijn genoemd en het voorzieningen betreft die door hun aard, constructie of werking van invloed kunnen zijn op de veiligheid van het vaartuig of de opvarenden, moeten zij naar het oordeel van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie voor het doel geschikt zijn en in deugdelijke toestand verkeren.

Hoofdstuk 12. Vervallen

Artikel 287. Algemeen voorschrift

Vervallen

Artikel 287a. Arts aan boord

Vervallen

Artikel 288. Wachtbezetting aan dek

Vervallen

Artikel 289. Minimum aantal scheepsgezellen

Vervallen

Artikel 290. Duur rusttijd

Vervallen

Artikel 291. Geneeskundige verklaringen betreffende het gezichtsorgaan en het gehoor- en spraakorgaan

Vervallen

Artikel 292. Keuring

Vervallen

Artikel 293. Hernieuwde keuring

Vervallen

Artikel 294. Keuringseisen

Vervallen

Artikel 295. Deskundigen

Vervallen

Artikel 296. Aantekening van de uitkomst van de keuring

Vervallen

Artikel 297. Kosten van de keuring

Vervallen

Artikel 298. Afgifte van geneeskundige verklaringen

Vervallen

Artikel 299. Geldigheidsduur van geneeskundige verklaringen

Vervallen

Artikel 300. Handelingen bij niet-goedkeuring

Vervallen

Artikel 301. Scheidsrechters

Vervallen

Artikel 302. Kosten van keuringen door scheidsrechters

Vervallen

Artikel 303. Herkeuringen door scheidsrechters

Vervallen

Artikel 304. Procedure bij ambtshalve keuringen

Vervallen

Artikel 305. Beschikbaarbestelling formulieren

Vervallen

Artikel 306. Wijze afgeven diploma’s

Vervallen

Artikel 307. Examencommissies

Vervallen

Artikel 308. Vereiste kennis

Vervallen

Artikel 309. Aanmelden voor examen

Vervallen

Artikel 310. Uitreiken van diploma’s

Vervallen

Artikel 311. Herhaalde aanmelding

Vervallen

Artikel 312. Vervanging verloren geraakte diploma’s

Vervallen

Artikel 313. Gelijkstelling buitenlandse diploma’s

Vervallen

Artikel 314. Tarieven

Vervallen

Hoofdstuk 13. Vervoer van personen en lading

§ 1. Vervoer van personen

Artikel 315. Vervoer van personen

Het vervoer tegen vergoeding van personen die op grond van het bepaalde in artikel 2, eerste lid, onder 13, moeten worden aangemerkt als passagiers, is verboden.

§ 2. Vervoer van lading

Artikel 316. Algemene eisen

1.

Voor de toepassing van deze paragraaf en van artikel 156, derde lid, artikel 179, achtste lid, artikel 188, vierde lid, artikel 290 en artikel 338 wordt onder lading verstaan: de vangst en de middelen voor de verwerking en de conservering van die vangst. Het vervoer van goederen anders dan die genoemd in dit lid, is verboden. In bijzondere gevallen echter kan het Hoofd van de Scheepvaartinspectie, onder nader door hem te stellen regels, toestaan dat een vaartuig vis vervoert die niet tot de vangst behoort.

2.

Het beladen en het stuwen moeten voldoen aan de eisen van goede zeemanschap opdat de lading of een gedeelte daarvan niet levendig kan worden. De belading moet zodanig zijn dat zeker is dat de stabiliteit gedurende de reis te allen tijde voldoende is en dat wordt voorkomen dat onaanvaardbare spanningen in de scheepsconstructie optreden.

3.

Een vaartuig dat zonder lading of met weinig lading naar zee gaat, moet zonodig voldoende, goed in het vaartuig geplaatste en doelmatige ballast aan boord hebben. Ballast die zou kunnen overgaan, moet hiertegen op afdoende wijze zijn verzekerd. Ten aanzien van de stabiliteit en van de spanningen in de scheepsconstructie dient daarbij rekening te worden gehouden met het bepaalde in het tweede lid.

Artikel 317. Gevaarlijke stoffen

1.

Gevaarlijke stoffen worden in de volgende klassen onderverdeeld:

klasse 1 ontplofbare stoffen;

klasse 2 samengeperste, tot vloeistof verdichte of onder druk opgeloste gassen;

klasse 3 ontvlambare vloeistoffen;

klasse 4.1 gemakkelijk vlam vattende vaste stoffen;

klasse 4.2 aan broei of zelfontbranding onderhevige stoffen;

klasse 4.3 stoffen die in aanraking met water of vochtige lucht brandbare gassen afgeven;

klasse 5.1 oxyderende stoffen (zuurstofdragers);

klasse 5.2 organische peroxyden;

klasse 6.1 vergiftige stoffen;

klasse 6.2 gevaar voor besmetting opleverende stoffen;

klasse 7 radioactieve stoffen;

klasse 8 bijtende stoffen; en

klasse 9 andere stoffen die gevaar kunnen opleveren;

2.

Indien het voor het conserveren van de visvangst of ten behoeve van de visserij-uitoefening in het algemeen, noodzakelijk is dat gevaarlijke stoffen aan boord worden meegevoerd, dient daarvoor toestemming te worden verkregen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie. Deze kan nadere regels geven met betrekking tot de verpakking, de etikettering, de te vervoeren hoeveelheden en de stuwage van de betreffende gevaarlijke stof, alsmede de wijze van vervoer en de daarbij in acht te nemen veiligheidsmaatregelen.

3.

Wanneer aan boord van het vaartuig gevaarlijke stoffen worden meegevoerd, zijn tevens de bij ministeriële regeling voorgeschreven antidota en een zuurstofbeademingskoffer met onderhoudsset, met de daarbij behorende controlelijst en handleiding aanwezig.

Artikel 318. Deklading

1.

Indien zich op enig moment lading aan dek bevindt, mag deze op geen enkele wijze de navigatie, de bediening van de reddingen brandblusmiddelen, lieren, peil- en temperatuurkokers, lenspompen en de toegang tot verblijven belemmeren, noch een veilig verkeer van de bemanning aan dek in gevaar brengen.

2.

Deklading mag niet verhinderen dat overgekomen water gemakkelijk door de waterloospoorten kan wegvloeien.

Hoofdstuk 14. Verplichtingen van de kapitein en van de eigenaar

§ 1. Verplichtingen van de kapitein

Artikel 319. Diepgang van het vaartuig

1.

De kapitein van een vaartuig is verplicht zorg te dragen dat bij het ondernemen van een reis alsmede gedurende de reis het vaartuig niet dieper is afgeladen dan tot de hoogst gelegen lastlijn.

2.

Wanneer een vaartuig naar zee vertrekt is het de kapitein toegestaan dieper af te laden dan op grond van het eerste lid is geoorloofd, en wel zoveel als overeenkomt met het gewicht aan brandstof, voorraden en drinkwater dat wordt verbruikt tussen de plaats van vertrek en de plaats waar het vaartuig buitengaats komt.

Artikel 320. Sterkte en stabiliteit

1.

De kapitein van een vaartuig is verplicht zorg te dragen dat voor het ondernemen van een reis voldoende gegevens aan boord zijn om hem in staat te stellen het vaartuig zodanig te beladen en te ballasten dat onaanvaardbare spanningen in de scheepsconstructie worden voorkomen.

2.

De kapitein van een vaartuig is verplicht zorg te dragen dat voor het ondernemen van een reis de nodige door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie goedgekeurde gegevens aan boord zijn betreffende de stabiliteit van het vaartuig in onbeschadigde toestand.

3.

De kapitein van een vaartuig is verplicht zorg te dragen dat tijdens de reis de stabiliteit van het vaartuig in alle voorkomende bedrijfstoestanden ten minste voldoet aan de door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie vastgestelde criteria.

Artikel 321. Peilen

1.

De kapitein is verplicht dagelijks van tanks, van kofferdammen en van vullingen peiling te doen nemen. Deze verplichting geldt niet voor ruimten waarvoor is toegestaan, dat deze zijn voorzien van een inrichting als bedoeld in artikel 39, tweede lid, onder 2.

2.

De kapitein is voorts verplicht ten minste eenmaal per vier maanden het volgende te doen controleren:

  • 1°. de juiste aanwijzing van de in artikel 39, tweede lid, onder 1, bedoelde peilinrichtingen;
  • 2°. de juiste werking van de in artikel 39, tweede lid, onder 2, bedoelde alarminrichtingen; en
  • 3°. de juiste werking van de in artikel 134, eerste lid, bedoelde bilge-alarminstallatie.

Artikel 322. Reddingmiddelen en -voorzieningen

De kapitein van een vaartuig is verplicht zorg te dragen dat voor het ondernemen van een reis en gedurende de reis:

  • 1°. alle reddingmiddelen en -voorzieningen als bedoeld in hoofdstuk 7, zijn geplaatst, opgesteld dan wel geborgen zoals aangegeven op het aan boord aanwezige, goedgekeurde veiligheidsplan indien zulk een plan ingevolge het bepaalde in artikel 244 is voorgeschreven;
  • 2°. alle reddingmiddelen en -voorzieningen steeds in goede staat verkeren en voor onmiddellijk gebruik gereed zijn, en voor het dagelijks toezicht hierop een of meer scheepsofficieren zijn aangewezen;
  • 3°. de uitrusting van de redding- en hulpverleningsboten steeds in goede staat verkeert en voor onmiddellijk gebruik gereed is, en in die boten geen andere zaken worden geborgen dan die welke tot de uitrusting behoren;
  • 4°. een gediplomeerd sloepsgast is belast met het bevel over elk groepsreddingmiddel, en voor elke reddingboot tevens een plaatsvervanger is aangewezen, dan wel, wanneer zulks door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie is toegestaan, een persoon met ervaring in de behandeling en bediening van reddingvlotten is belast met het bevel over elk reddingvlot;
  • 5°. degene die met het bevel over een groepsreddingmiddel is belast en de plaatsvervanger beschikken over een lijst met namen van de hun toegewezen bemanning van het groepsreddingmiddel en toezien dat die bemanningsleden hun taken kennen;
  • 6°. voor elke reddingboot voorzien van een radiotelegrafie-installatie, iemand is aangewezen die deze installatie kan bedienen;
  • 7°. voor elke reddingboot iemand is aangewezen die de motor kan bedienen en kleine herstellingen daaraan kan verrichten;
  • 8°. de handboeken voor opleiding ter zake van de reddingmiddelen en -voorzieningen, bedoeld in artikel 242, eerste lid, aan boord zijn;
  • 9°. de instructies voor het onderhoud van de reddingmiddelen en -voorzieningen, bedoeld in artikel 209, tweede lid, aan boord zijn en het onderhoud dienovereenkomstig wordt uitgevoerd;
  • 10°. de periodieke beproevingen, inspecties en keuringen van de reddingmiddelen en -voorzieningen worden uitgevoerd op een wijze als voorgeschreven in artikel 209, zesde tot en met negende lid, en in artikel 263, derde lid.

Artikel 323. Alarmrol en instructies voor noodgevallen

De kapitein van een vaartuig is verplicht zorg te dragen dat voor het ondernemen van een reis en gedurende de reis wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 240.

Artikel 324. Veiligheidsplan, brandbeveiligingsplan of brandbeveiligingsboekje

1.

De kapitein van een vaartuig waarvan de lengte 45 m of meer bedraagt, is verplicht zorg te dragen dat op daarvoor in aanmerking komende plaatsen een exemplaar van het veiligheidsplan als bedoeld in artikel 244 is opgehangen.

2.

De kapitein van een vaartuig waarvan de lengte 35 m of meer bedraagt, is verplicht zorg te dragen dat het brandbeveiligingsplan, voorgeschreven in artikel 164, onderscheidenlijk artikel 184, is opgehangen op daarvoor in aanmerking komende plaatsen, dan wel een exemplaar van het in artikel 165 genoemde brandbeveiligingsboekje aan iedere scheepsofficier is uitgereikt zomede op een voor een ieder toegankelijke plaats beschikbaar is.

Artikel 325. Appèls en oefeningen, opleiding en instructie

De kapitein van een vaartuig is verplicht zorg te dragen dat wordt voldaan aan het bepaalde in de artikelen 241 en 242.

Artikel 326. Voorzorgsmaatregelen tegen brand

De kapitein van een vaartuig is verplicht zorg te dragen dat:

  • 1°. alle brandontdekkingsmiddelen en -bestrijdingsmiddelen steeds in goede staat en voor onmiddellijk gebruik gereed zijn;
  • 2°. de brandslangen alleen worden gebruikt voor brandblusdoeleinden, voor het beproeven van de brandblusinrichting of bij oefeningen en inspecties;
  • 3°. de brandslangen telkenmale na verloop van ten hoogste zes maanden worden beproefd;
  • 4°. de periodieke controle en beproeving van draagbare en niet-draagbare brandblustoestellen, alsmede van vast aangebrachte brandblusinstallaties met inbegrip van de eventueel bij deze toestellen of installaties behorende gascilinders, geschiedt op een wijze als door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie is voorgeschreven;
  • 5°. de voortstuwingsruimten, andere ruimten voor machines en de kombuizen behoorlijk worden schoongehouden en worden vrijgehouden van olieresten, lekolie, met olie doordrenkt poetskatoen en dergelijke verontreinigingen; en
  • 6°. voor scheepsgebruik bestemde of tot de scheepsuitrusting behorende, stoffen of onderdelen met brandgevaarlijke eigenschappen zeevast worden opgeborgen op een veilige plaats, verwijderd van ruimten voor machines, kombuizen en plaatsen waar open vuur wordt gebezigd.

Artikel 327. Sluiten van waterdichte deuren, enzovoort

De kapitein van een vaartuig is verplicht zorg te dragen dat:

  • 1°. de waterdichte deuren gedurende de reis zijn gesloten, tenzij deze uit hoofde van de behoeften van de dienst noodzakelijk geopend moeten blijven, in welk geval maatregelen moeten worden genomen, zodat zij te allen tijde onmiddellijk kunnen worden gesloten;
  • 2°. patrijspoorten die gedurende de reis niet bereikbaar zijn, voor het vaartuig de haven of rede verlaat behoorlijk met hun blinden zijn gesloten;
  • 3°. de deksels en kleppen van stortkokers die niet in gebruik zijn en waarvan de binnenboordsopeningen geheel of gedeeltelijk beneden het werkdek zijn gelegen, behoorlijk zijn gesloten; en
  • 4°. de waterdichte deuren en alle daarbij behorende bewegingsinrichtingen en standaanwijzers, alle afsluiters die moeten zijn gesloten om een afdeling waterdicht te maken, benevens alle afsluiters in dwarsscheepse overvloei-inrichtingen gedurende de reis geregeld, ten minste eenmaal per week, worden beproefd.

Artikel 328. Gebruik beschermende uitrusting

De kapitein van een vaartuig is verplicht zorg te dragen dat de schepelingen bekend zijn met het gebruik van de beschermende uitrusting, bedoeld in artikel 190, zesde lid. Hij dient erop toe te zien dat deze uitrusting in daartoe in aanmerking komende omstandigheden wordt gebruikt.

Artikel 329. Elektrische inrichtingen

De kapitein van een vaartuig is verplicht zorg te dragen dat:

  • 1°. in vochtige ruimten geen werkzaamheden aan ongeïsoleerde delen van de elektrische installatie worden uitgevoerd, zolang deze onder spanning staan;
  • 2°. in ruimten met ontploffingsgevaar geen werkzaamheden geschieden, waarbij vonkvorming kan optreden en dat werkzaamheden aan elektrische installaties met toebehoren slechts plaatsvinden, nadat het desbetreffende gedeelte der installatie spanningloos is gemaakt;
  • 3°. in andere dan onder 1 en 2 genoemde ruimten slechts werkzaamheden aan ongeïsoleerde of daarmee gelijk te stellen delen van de elektrische installatie worden uitgevoerd, zonder dat deze spanningloos zijn gemaakt, indien hiervoor dringende redenen aanwezig zijn voor de veiligheid en bedrijfszekerheid van het vaartuig, mits:
  • 3.1. alle zich in de nabijheid bevindende metalen delen doelmatig tegen aanraking zijn afgeschermd;
  • 3.2. de metalen delen van het bij de werkzaamheden benodigde gereedschap voorzover mogelijk doelmatig zijn geïsoleerd;
  • 3.3. zij die de werkzaamheden uitvoeren, zich op een doelmatig isolerende laag bevinden; en
  • 3.4. voorzover dit in verband met de plaats en de omstandigheden nodig is, duidelijk leesbare waarschuwingen zijn aangebracht om te voorkomen dat aan een niet met de werkzaamheden belaste persoon een ongeval overkomt;
  • 4°. werkzaamheden in de nabijheid van ongeïsoleerde of daarmee gelijk te stellen delen van de elektrische installatie slechts geschieden, indien deze spanningloos zijn gemaakt, tenzij dit om bedrijfstechnische redenen niet mogelijk is, in welk geval alle maatregelen moeten zijn genomen die een veilig verloop van de arbeid waarborgen;
  • 5°. bij voeding van het scheepsnet of een gedeelte daarvan vanaf de wal, geen spanningen, stroomsoorten en bij draaistroom bovendien geen frequenties en volgorden van de fasen worden gebezigd waarvoor de elektrische installatie aan boord niet geschikt is;
  • 6°. isolatiefouten in de elektrische installatie zo spoedig mogelijk worden verholpen;
  • 7°. de noodkrachtbron en de tijdelijke noodkrachtbron, indien aanwezig, zomede de automatische inrichtingen van de noodinstallatie wekelijks worden beproefd; en
  • 8°. de noodverlichting maandelijks wordt beproefd.

Artikel 330. Besturing van het vaartuig

1.

De kapitein van een vaartuig is met betrekking tot de stuurinrichting verplicht zorg te dragen dat:

  • 1°. binnen 12 uur voor vertrek de stuurinrichting door de bemanning wordt gecontroleerd en beproefd op de goede werking;
  • 2°. bij de beproevingsprocedure, bedoeld onder 1, voor zover van toepassing, de werking van de volgende onderdelen is inbegrepen:
  • 2.1. de hoofdstuurinrichting;
  • 2.2. de hulpstuurinrichting;
  • 2.3. de afstandbedieningssystemen;
  • 2.4. de besturingsmogelijkheden op de brug;
  • 2.5. de noodkrachtvoorziening;
  • 2.6. de roerstandaanwijzers, vergeleken met de werkelijke stand van het roer;
  • 2.7. de alarmeringen voor het uitvallen van de bekrachtiging van de afstandbedieningssystemen;
  • 2.8. de alarmeringen voor het uitvallen van de krachtwerktuigen van de stuurinrichting; en
  • 2.9. de automatische voorzieningen waarmee een defect gedeelte van de stuurinrichting buiten bedrijf wordt gesteld en andere automatische uitrusting;
  • 3°. bij de onder 1 bedoelde controles en beproevingen tevens zijn inbegrepen:
  • 3.1. het bewegen van het roer over de volle uitslag zoals vereist voor de betreffende stuurinrichting;
  • 3.2. een visuele inspectie van de stuurinrichting met de daaraan verbonden systemen; en
  • 3.3. de werking van de communicatiemiddelen tussen de brug en de stuurmachinekamer;
  • 4°. eenvoudige gebruiksaanwijzingen met een blokdiagram, waarop de overschakelingsprocedures zijn aangegeven voor de afstandbedieningssystemen en de krachtwerktuigen voor de stuurmachine, op de brug en in de stuurmachinekamer permanent zijn opgehangen;
  • 5°. alle schepelingen die betrokken zijn bij de behandeling of het onderhoud van de stuurinrichting, vertrouwd zijn met de werking van de stuursystemen en met de procedures om van het ene systeem over te schakelen op het andere;
  • 6°. in aanvulling op de geregelde controles en beproevingen, bedoeld onder 1 ten minste eenmaal in de drie maanden oefeningen plaatsvinden voor de besturing van het vaartuig in gevallen waarbij een of meer onderdelen van het stuursysteem zijn uitgevallen, teneinde hiermede ervaring op te doen. Bij deze oefeningen dienen te zijn inbegrepen de directe bediening in de stuurmachinekamer, de communicatieprocedure met de brug en, indien toepasselijk, het gebruik van vervangende krachtvoorzieningen; en
  • 7°. de onderdelen voor de hulpstuurinrichting voor onmiddellijk gebruik gereed zijn opgeborgen.
2.

De kapitein van een vaartuig is verplicht zorg te dragen dat in gebieden waar de navigatie bijzondere aandacht vergt, meer dan een krachtwerktuig van de stuurinrichting in bedrijf is, indien dergelijke werktuigen geschikt zijn om de stuurinrichting gelijktijdig te voeden.

3.

De kapitein van een vaartuig dat is uitgerust met een automatische stuurinrichting, is verplicht zorg te dragen dat:

  • 1°. in gebieden met een grote vaardichtheid, bij beperkt zicht en in alle andere voor de navigatie gevaarlijke situaties, waarin gebruik wordt gemaakt van de automatische stuurinrichting, de chef van de wacht onverwijld kan beschikken over de diensten van een bekwame roerganger die op ieder moment de besturing moet kunnen overnemen;
  • 2°. het overschakelen van automatische besturing op handbesturing en omgekeerd, geschiedt door of onder toezicht van de chef van de wacht; en
  • 3°. de handbesturing wordt beproefd nadat gedurende een langere tijd gebruik is gemaakt van de automatische stuurinrichting en voordat gebieden worden binnengevaren waar de navigatie bijzondere aandacht vergt.

Artikel 331. Kompassen

1.

De kapitein van een vaartuig is verplicht zorg te dragen dat de fouten van elk magnetisch kompas eenmaal per jaar worden geverifieerd door een bevoegd persoon als bedoeld in artikel 277, zesde lid, onder 4, tenzij deze fouten door waarnemingen op zee geregeld worden geverifieerd en zij binnen redelijke grenzen blijven. Bovendien is de kapitein verplicht hercompensatie door een bevoegd persoon als bovenbedoeld te doen plaatsvinden, telkenmale wanneer zich omstandigheden hebben voorgedaan die van invloed kunnen zijn op de gevonden fouten.

2.

De kapitein van een vaartuig is verplicht zorg te dragen dat bij elk magnetisch kompas een foutentabel aanwezig is.

Artikel 332. Manoeuvreereigenschappen en stopwegen

De kapitein van een vaartuig is verplicht zorg te dragen dat op de brug de nodige gegevens beschikbaar zijn betreffende de manoeuvreereigenschappen en de stopweg bij voor het vaartuig karakteristieke vaarsnelheden en diepgangen.

Artikel 333. Richtingzoekers

1.

De kapitein van een vaartuig uitgerust met een richtingzoeker, is verplicht zorg te dragen dat eenmaal per jaar de fouten van de richtingzoeker worden geverifieerd door een bevoegd persoon als bedoeld in artikel 260, dertiende lid, tenzij deze fouten door waarnemingen op zee geregeld worden geverifieerd en zij binnen redelijke grenzen blijven. Bovendien is de kapitein verplicht verificatie te doen plaatsvinden, telkenmale wanneer in de positie van enige antenne, dan wel van enige constructie aan dek, veranderingen zijn aangebracht die de gevonden fouten van de richtingzoeker merkbaar zouden kunnen beïnvloeden.

2.

De kapitein van een vaartuig is verplicht zorg te dragen dat de grafiek, die de correctie aangeeft welke op de afgelezen peiling moet worden toegepast om de ware peiling ten opzichte van de kiellijn te verkrijgen, voor onmiddellijk gebruik bij de richtingzoeker aanwezig is.

Artikel 334. Luisterdienst

De kapitein van een vaartuig is verplicht luisterdienst te doen houden in overeenstemming met het bepaalde in de artikelen 254 tot en met 256.

Artikel 335. Elektronische navigatiemiddelen

De kapitein van een vaartuig is verplicht zorg te dragen dat door hen die als chef van de wacht kunnen optreden, regelmatig wordt geoefend in het gebruik van de elektronische navigatiemiddelen waarmede het vaartuig is uitgerust.

Artikel 336. Bemanning

1.

De kapitein van een vaartuig is verplicht zorg te dragen dat zijn vaartuig is bemand in overeenstemming met het bepaalde in hoofdstuk 12.

2.

Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan nadere regelen stellen omtrent de uitvoering van het bepaalde in het eerste lid.

3.

De kapitein van een vaartuig is bovendien verplicht zorg te dragen dat de wachtbezetting aan dek in overeenstemming is met het bepaalde in artikel 288.

4.

De kapitein van een vaartuig dat veilig in de haven gemeerd of ten anker ligt, is verplicht zorg te dragen dat een doeltreffende wacht wordt gehouden met het oog op de veiligheid.

Artikel 337. Voeding en drinkwater

De kapitein van een vaartuig is verplicht zorg te dragen dat aan de in het Schepelingenbesluit met betrekking tot de voeding en het drinkwater gestelde voorschriften wordt voldaan.

Artikel 338. Vervoer van lading

1.

De kapitein van een vaartuig is verplicht zorg te dragen dat het vervoer van lading geschiedt in overeenstemming met de voorschriften gesteld in hoofdstuk 13, paragraaf 2, en is voorts verplicht die maatregelen te treffen die in verband met de aard van de lading en de wijze van stuwen nodig zijn.

2.

Bij het gebruik van werktuigen voor het verwerken van lading, is de kapitein verplicht ervoor zorg te dragen dat zodanige maatregelen worden getroffen dat de veiligheid en de gezondheid van de gebruikers en andere aanwezige personen zoveel doenlijk is gewaarborgd.

3.

Indien gevaarlijke stoffen als bedoeld in artikel 317, tweede lid, worden vervoerd die aanleiding kunnen geven tot het aanwezig zijn van ontplofbare, giftige of andere schadelijke dampen, dan wel aanleiding kunnen geven tot zuurstofarmoede, is de kapitein verplicht, zodanige voorzorgsmaatregelen te treffen dat de veiligheid en de gezondheid van personen die ruimten waarin deze stoffen zijn opgeslagen, openen of betreden, zoveel doenlijk is gewaarborgd.

Artikel 339. Alarm-, nood- en spoedseinen

De kapitein van een vaartuig is verplicht zorg te dragen dat ten aanzien van alarm-, nood- en spoedseinen het bepaalde in artikel 245 in acht wordt genomen.

Artikel 340. Verplichtingen en procedure aangaande noodberichten

1.

De kapitein van een zich op zee bevindend vaartuig is verplicht, wanneer hij een melding, uit welke bron ook, ontvangt dat een schip, vaartuig of vliegtuig of reddingmiddelen daarvan afkomstig, in nood is of zijn, met de meeste spoed de in nood verkerende personen te hulp te komen, hen zo mogelijk daaromtrent inlichtende, tenzij hij niet in staat is of het, gezien de bijzondere omstandigheden van het geval, onredelijk of onnodig acht hen te hulp te komen.

2.

De kapitein van een in nood verkerend vaartuig heeft het recht, na voorzover dat mogelijk is de kapiteins van de schepen of vaartuigen die zijn oproep om hulp hebben beantwoord, te hebben geraadpleegd, een of meer van deze schepen of vaartuigen die hij het beste in staat acht hulp te verlenen, daartoe op te vorderen en het is de plicht van de kapitein van een opgevorderd schip of vaartuig daaraan te voldoen door met de meeste spoed het te hulp komen van de in nood verkerende personen voort te zetten.

3.

De kapitein van een vaartuig is ontheven van de ingevolge het bepaalde in het eerste lid op hem rustende verplichting wanneer hij verneemt, dat een of meer schepen of vaartuigen doch niet het zijne, is of zijn opgevorderd en daaraan gevolg geeft of geven.

4.

De kapitein van een vaartuig is ontheven van de ingevolge het bepaalde in het eerste lid op hem rustende verplichting en, indien zijn vaartuig is opgevorderd, van de ingevolge het bepaalde in het tweede lid op hem rustende verplichting, indien hem door de in nood verkerende personen of door de kapitein van een ander schip of vaartuig dat deze personen heeft bereikt, wordt medegedeeld dat hulpverlening niet langer nodig is.

Artikel 341. Veiligheidsseinen en berichten omtrent gevaren

De kapitein van een vaartuig is verplicht zorg te dragen dat ten aanzien van veiligheidsseinen en berichten omtrent gevaren het bepaalde in artikel 247 in acht wordt genomen.

Artikel 342. Routering van vaartuigen

De kapitein van een vaartuig is verplicht zorg te dragen dat ten aanzien van de routering van het vaartuig het bepaalde in artikel 248 in acht wordt genomen.

Artikel 343. Dagboeken

1.

Naast hetgeen bij of krachtens de bepalingen van het voor Nederland, de Nederlandse Antillen, onderscheidenlijk Aruba geldende Wetboek van Koophandel ten aanzien van het houden van scheeps- en machinedagboeken is voorgeschreven, is de kapitein van een vaartuig verplicht in deze dagboeken aantekening te doen houden:

  • 1°. van het periodiek te water laten van reddingboten, hulpverleningsboten en reddingvlotten van het strijkbare type, alsmede van de toestand waarin deze reddingmiddelen zich bevinden;
  • 2°. van de maandelijkse inspectie van de reddingmiddelen en de reddingbootuitrusting, alsmede van de toestand waarin de uitrusting zich bevindt;
  • 3°. van de beproeving van de brandslangen;
  • 4°. van de controles, beproevingen en oefeningen, bedoeld in artikel 330, eerste lid;
  • 5°. van de dagelijkse peilingen, bedoeld in artikel 321, eerste lid, en van de viermaandelijkse controle, bedoeld in artikel 321, tweede lid;
  • 6°. van alle appèls, oefeningen «schip verlaten», oefeningen in het blussen van brand, oefeningen met de hulpverleningsboten, opleiding en instructie in het gebruik van de reddingmiddelen en oefeningen met reddingvlotten van het strijkbare type, alsmede, wanneer deze niet op de voorgeschreven tijden zijn gehouden, van de redenen waarom dit niet is geschied.
  • 7°. in voorkomende gevallen, van de redenen waarom hij, na het waarnemen of het ontvangen van een noodsein, heeft nagelaten de in nood verkerende personen te hulp te komen;
  • 8°. aan boord van een vaartuig uitgerust met een radiotelegrafie-auto-alarmtoestel, van de dagelijkse beproeving daarvan;
  • 9°. aan boord van een vaartuig, uitgerust met een radiotelegraaf- of radiotelefoonstation, dagelijks de staat waarin de reservekrachtbron zich bevindt;
  • 10°. aan boord van een vaartuig voorzien van een noodkrachtbron, van een tijdelijke noodkrachtbron en van automatische inrichtingen van de noodinstallatie, van de beproevingen daarvan;
  • 11°. aan boord van een vaartuig voorzien van elektrische noodverlichting, van de beproeving daarvan;
  • 12°. van de controles en beproevingen, bedoeld in artikel 326, onder 4;
  • 13°. van de controles en beproevingen, bedoeld in artikel 327, onder 4;
  • 14°. van op de afgelopen reis voorgekomen averijen en ongevallen; en
  • 15°. aan boord van een vaartuig, uitgerust met een VHF radiotelefonie-installatie, van een samenvatting van alle berichtenwisseling betreffende nood-, spoed- en veiligheidsverkeer.
2.

De kapitein van een vaartuig is verplicht zorg te dragen, dat door de chefs van de wacht schriftelijk nauwkeurig wordt bijgehouden alles wat nodig is voor een goede invulling van het scheepsdagboek, onderscheidenlijk het machinedagboek.

3.

De kapitein van een vaartuig is verplicht de laatste data van inspecties, appèls en oefeningen als bedoeld in het eerste lid, onder 1, 2, 3, 4, 6, 10, 11 en 12 bij het in gebruik nemen van een nieuw dagboek uit het vorige dagboek te doen overnemen.

4.

De kapitein van een vaartuig binnengekomen in een haven in Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba, is verplicht binnen drie dagen na binnenkomst en in ieder geval voor het vertrek het scheepsdagboek en indien daartoe het verzoek wordt gedaan tevens het machinedagboek ter inzage te doen toekomen aan de betrokken ambtenaar van de Scheepvaartinspectie, die de ingezonden dagboeken, voorzien van een gedagtekende en ondertekende verklaring, zo spoedig mogelijk na inzage aan de kapitein terugzendt.

5.

Indien het vaartuig langer dan een jaar buiten een haven als bedoeld in het vierde lid blijft, is de kapitein verplicht de scheepsdagboeken van de afgelopen reizen, telkenmale na verloop van ten hoogste een jaar, te zenden aan de Scheepvaartinspectie, aan wie het toezicht op het vaartuig is opgedragen.

6.

Indien het vaartuig wordt opgelegd in een haven buiten Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba, is de kapitein verplicht de scheepsdagboeken binnen acht dagen te zenden aan de Scheepvaartinspectie.

Artikel 344. Radiodagboek

1.

De kapitein van een vaartuig uitgerust met een radiostation, is verplicht door de chef van het scheepsradiostation een radiodagboek als bedoeld in de artikelen 270, 272 en 274 te doen bijhouden op een wijze als voorgeschreven in die artikelen.

2.

De kapitein van een vaartuig is verplicht dagelijks het radiodagboek voor gezien te tekenen.

Artikel 345. Loodsladders

De kapitein van een vaartuig is verplicht zorg te dragen dat:

  • 1°. de loodsladder, bedoeld in artikel 227, schoon en in goede staat wordt gehouden en alleen wordt gebruikt voor het aan boord nemen of ontschepen van loodsen, alsmede van havenautoriteiten bij aankomst in of vertrek uit een haven;
  • 2°. de loodsladder op een zodanige plaats buiten boord wordt opgehangen dat de ladder vrij hangt van spuipijpen van het vaartuig, dat elke trede stevig tegen de scheepshuid rust, dat deze zo ver mogelijk is verwijderd van de terugwijkende gedeelten van de scheepshuid en dat de loods op een veilige en gemakkelijke wijze het vaartuig kan betreden nadat hij niet minder dan 1,50 m en niet meer dan 9 m heeft geklommen. Indien de afstand van het wateroppervlak tot aan de inschepingsplaats meer dan 9 m bedraagt, dient toegang tot het vaartuig te worden verkregen door middel van een valreep of op een andere even veilige en gemakkelijke wijze;
  • 3°. twee handleiders, stevig aan het vaartuig bevestigd, met een omtrek van niet minder dan 65 mm en een lijflijn voor gebruik gereed worden gehouden;
  • 4°. voorzieningen aanwezig zijn teneinde de loods in staat te stellen op veilige en gemakkelijke wijze over te stappen vanaf het boveneinde van de loodsladder op of in het vaartuig of op de valreep of ander middel en omgekeerd. Indien het overstappen plaatsvindt door een opening in het hekwerk of de verschansing, dienen doelmatige handgrepen te zijn aangebracht. Indien het overstappen geschiedt door middel van een verschansingstrap, dient deze stevig te zijn bevestigd aan de verschansing of aan het platform en dienen twee rechtopstaande houvasten te zijn aangebracht bij de plaats van het aan boord komen of van boord gaan. De onderlinge afstand tussen deze houvasten mag niet minder dan 0,70 m en niet meer dan 0,80 m bedragen. Elke houvast dient aan of nabij de onderzijde, alsmede op een hoger gelegen punt, stevig aan het vaartuig te zijn bevestigd; de diameter dient niet minder te zijn dan 40 mm en de lengte dient zodanig te zijn dat de houvast ten minste 1,20 m boven de verschansing uitsteekt;
  • 5°. des nachts een zodanige verlichting aanwezig is dat zowel de loodsladder buitenboord als de plaats waar de loods aan boord komt, voldoende verlicht zijn. Een reddingboei, voorzien van een zelfontbrandend licht, moet ter plaatse voor direct gebruik bij de hand worden gehouden. Een hieuwlijn moet voor direct gebruik beschikbaar zijn;
  • 6°. voorzieningen zijn getroffen om de loodsladder aan beide zijden van het vaartuig te kunnen gebruiken;
  • 7°. het optuigen van de ladder en het aan boord nemen of ontschepen van een loods geschiedt onder toezicht van een verantwoordelijk scheepsofficier; en
  • 8°. indien van een mechanische loodsladder gebruik wordt gemaakt, een loodsladder welke voldoet aan het gestelde in artikel 227, aan dek in de onmiddellijke nabijheid voor direct gebruik beschikbaar is.

Artikel 346. Verplichte boekwerken

De kapitein van een vaartuig is verplicht zorg te dragen dat aan boord aanwezig zijn:

  • 2°. het Vissersvaartuigenbesluit;
  • 3°. de door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie gestelde nadere regels, neergelegd in Bekendmakingen aan de Zeevisvaart;
  • 4°. de van kracht zijnde bepalingen ter voorkoming van aanvaringen op zee; en
  • 5°. alle elders in dit besluit voorgeschreven publicaties en boekwerken.

§ 2. Verplichtingen van de eigenaar

Artikel 347. Onderzoek van de romp aan de buitenzijde

De eigenaar van een vaartuig is verplicht zorg te dragen dat de romp van het vaartuig overeenkomstig het bepaalde in artikel 14 aan de buitenzijde wordt onderzocht.

Artikel 348. Het verschaffen van de nodige middelen

De eigenaar van een vaartuig is verplicht aan de kapitein de middelen te verschaffen die deze behoeft, teneinde te kunnen voldoen aan het bepaalde in dit besluit.

Artikel 348a. Veiligheid en gezondheid van de bemanning

1.

De eigenaar van een vaartuig is verplicht zorg te dragen dat de veiligheid en gezondheid van de bemanning niet in gevaar wordt gebracht, in het bijzonder door voorzienbare weersomstandigheden.

2.

De eigenaar van een vaartuig is verplicht zorg te dragen voor het technische onderhoud, zodat de constructie, inrichting en uitrusting van het vaartuig aan dit besluit voldoen en blijven voldoen. De eigenaar ziet er op toe dat geconstateerde gebreken die de veiligheid en gezondheid van de bemanning in gevaar kunnen brengen, zo snel mogelijk worden verholpen.

3.

De in het eerste en tweede lid genoemde verplichtingen van de eigenaar laten de verplichtingen van de kapitein onverlet.

Artikel 349. Kennisgeving van onderzoek van de romp aan de buitenzijde en herstellingen

De eigenaar van een vaartuig is verplicht ten aanzien van het voornemen tot een onderzoek van de romp aan de buitenzijde en van herstellingen aan het vaartuig of aan de werktuigen, het bepaalde in artikel 15 in acht te nemen.

Hoofdstuk 15. Bijzondere voorschriften in tijden van oorlog, oorlogsgevaar en daaraan verwante of daarmede verband houdende buitengewone omstandigheden

§ 1. Bijzondere voorschriften in tijden van oorlog, oorlogsgevaar en daaraan verwante of daarmede verband houdende buitengewone omstandigheden

Artikel 350. Bijzondere voorschriften

1.

In het belang van de veiligheid van vaartuigen en hun opvarenden kan het Hoofd van de Scheepvaartinspectie, in overeenstemming met de Chef van de Marinestaf, bijzondere voorschriften geven voor nader door hem aan te wijzen vaartuigen, in tijden van oorlog, oorlogsgevaar en daaraan verwante of daarmede verband houdende buitengewone omstandigheden.

2.

Ter voorkoming van ongevallen ten gevolge van nog aanwezige gevaren die voortvloeien uit oorlog, oorlogsgevaar en daaraan verwante of daarmede verband houdende buitengewone omstandigheden, kan het Hoofd van de Scheepvaartinspectie bijzondere voorschriften geven.

3.

De bijzondere voorschriften, bedoeld in het eerste en het tweede lid, treden buiten werking zes maanden na de datum van afkondiging, tenzij zij inmiddels bij algemene maatregel van bestuur zijn bekrachtigd.

§ 2. Verplichtingen van de kapitein

Artikel 351. Bijzondere voorschriften

De kapitein van een vaartuig is verplicht zorg te dragen dat wordt voldaan aan de bijzondere voorschriften als bedoeld in artikel 350.

Artikel 352. Marinebescheiden

1.

De kapitein van een vaartuig is verplicht de hem vanwege de Chef van de Marinestaf ter hand te stellen bescheiden te aanvaarden en de daarbij gegeven aanwijzingen op te volgen.

2.

De kapitein van een vaartuig is verplicht de bescheiden als bedoeld in het eerste lid op een doelmatige plaats te bewaren.

Hoofdstuk 16. Strafbepaling

§ 1. Strafbepalingen ten aanzien van de kapitein

Artikel 353. Niet nakoming van het bepaalde in artikel 322

Overtreding van de artikelen 322, 325, 326, 327, 336, derde lid, 338, 343, vierde, vijfde en zesde lid, 347, 348, 348a en 349 is een strafbaar feit.

Artikel 354. Niet nakoming van het bepaalde in de artikelen 325, 326 of 327

Vervallen

Artikel 355. Niet nakoming van het bepaalde in artikel 336, derde lid

Vervallen

Artikel 356. Niet nakoming van het bepaalde in artikel 338

Vervallen

Artikel 357. Handeling in strijd met het bepaalde in artikel 343, vierde tot en met zesde lid

Vervallen

§ 2

Artikel 358. Niet nakoming van het bepaalde in de artikelen 347, 348, 348a en 349

Vervallen

Artikel 359

Vervallen

§ 3

Artikel 360. Nadere bepalingen met betrekking tot geldboeten

Vervallen

Hoofdstuk 17. Overgangsbepalingen

§ 1. Overgangsbepalingen

Artikel 361. Constructie, inrichting en uitrusting

1.

In dit artikel wordt onder bestaand vaartuig verstaan een vissersvaartuig gebouwd vóór 1 november 1989.

2.

Onverminderd het bepaalde in het derde tot en met het achtste lid moet de constructie, de inrichting en de uitrusting van bestaande vaartuigen ten minste blijven voldoen aan de voorschriften zoals die van toepassing waren voor 1 november 1989.

3.

Voor bestaande vaartuigen zijn de voorschriften van dit besluit met betrekking tot de constructie en de inrichting, voor zover deze afwijken van die van voor 1 november 1989, alleen van toepassing, indien en voor zover dit, naar het oordeel van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie, praktisch uitvoerbaar en redelijk is.

4.

De uit het bepaalde in het derde lid voortvloeiende veranderingen van de constructie en de inrichting aan boord van bestaande vaartuigen moeten, in overleg met de ambtenaren van de Scheepvaartinspectie, worden uitgevoerd bij belangrijke reparaties en vernieuwingen aan het casco, bij ingrijpende veranderingen in de accommodatie, bij het vernieuwen van installaties en bij andere daartoe geëigende gelegenheden. Bedoelde vaartuigen mogen door het ondergaan van een reparatie of een verandering niet in geringere mate aan de voorschriften van dit besluit voldoen dan zij vóór de reparatie of de verandering deden.

5.

In het geval dat bepalingen van dit besluit tot gevolg hebben dat de uitrusting van een bestaand vaartuig moet worden aangevuld, vervangen dan wel aangepast:

  • 1°. moet de vervanging van de vóór 1 november 1989 verplicht gestelde uitrustingsartikelen door die van het in dit besluit voorgeschreven type, plaatsvinden bij vernieuwing van de betreffende artikelen of wanneer deze grote reparaties vereisen; en
  • 2°. moet de verdere aanpassing van de vóór 1 november 1989 verplicht gestelde uitrusting aan die welke is voorgeschreven in dit besluit, plaatsvinden in overleg met de ambtenaren van de Scheepvaartinspectie.
6.

Het bepaalde in het vijfde lid is niet van toepassing ten aanzien van hetgeen is vereist ingevolge:

  • 1°. de artikelen 200, 201, 209, 240, 241, 242, 243; en
  • 2°. de artikelen 197, vierde en vijfde lid, 198, achtste en negende lid, 212, zesde lid.
7.

Aan het bepaalde in de artikelen, genoemd in het zesde lid, onder 1, moet worden voldaan met ingang van 1 november 1989.

8.

Met inachtneming van het bepaalde in het zesde en zevende lid behoeven bestaande vaartuigen niet te worden aangepast aan de voorschriften van dit besluit, indien de aanpassing uitsluitend voortvloeit uit de toepassing van het lengtekriterium in plaats van het tonnagekriterium gebruikt in de voorschriften van vóór 1 november 1989.

Hoofdstuk 18. Slotbepalingen

§ 1. Slotbepalingen

Artikel 362

[Gereserveerd.]

Artikel 362a. Publicatie van ministeriële regelingen

Ministeriële regelingen vastgesteld krachtens dit besluit worden bekendgemaakt in de Staatscourant, in de Curaçaosche Courant en in het Afkondigingsblad van Aruba.

Artikel 363. Citeertitel

Dit besluit wordt aangehaald als: Vissersvaartuigenbesluit.

Lasten en bevelen dat dit besluit met daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad, in het Publicatieblad van de Nederlandse Antillen en in het Afkondigingsblad van Aruba zal worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State van het Koninkrijk.

Artikel 2a. Omhangbepaling

Dit besluit berust mede op de artikelen 3a en 4, tweede lid, van de Schepenwet.

§ 2. Onderzoek

§ 3. Certificaten

Hoofdstuk 2. Constructie, waterdichte indeling en uitrusting

§ 1. Constructie en waterdichte indeling

§ 2. Uitrusting en keuring van materialen

Hoofdstuk 3. Stabiliteit en de daarmede verband houdende zeewaardigheid

§ 1. Stabiliteit en de daarmede verband houdende zeewaardigheid

Hoofdstuk 4. Machine-installaties, elektrische installaties en tijdelijk onbemande machinekamers

§ 1. Algemeen

§ 2. Machine-installaties

§ 3. Elektrische installaties

§ 4. Tijdelijk onbemande machinekamers

Hoofdstuk 5. Bescherming tegen, opsporing en bestrijding van brand

§ 1. Brandbescherming voor vaartuigen waarvan de lengte 55 m of meer bedraagt

§ 2. Brandbescherming voor vaartuigen, waarvan de lengte minder dan 55 m bedraagt

Hoofdstuk 6. Voorzieningen voor de bemanning

§ 1. Bescherming van de bemanning

§ 2. Verblijven van de bemanning

Hoofdstuk 7. Reddingmiddelen en -voorzieningen en veiligheidsmiddelen

§ 1. Algemeen

§ 2. Bepalingen ten aanzien van het vaartuig

§ 3. Bepalingen ten aanzien van reddingmiddelen en -voorzieningen

§ 4. Veiligheidsmiddelen

Hoofdstuk 8. Optreden in noodsituaties

§ 1. Intern optreden in noodsituaties

§ 2. Procedures met betrekking tot nood-, spoed- en veiligheidsberichten

§ 3. Routering van vaartuigen

Hoofdstuk 9. Radio

§ 1. Algemeen, stations

§ 2. Luisterdienst

§ 3. Installaties

§ 4. Radiodagboeken

Hoofdstuk 10. Hulpmiddelen bij de navigatie

§ 1. Hulpmiddelen bij de navigatie

Hoofdstuk 11. Niet voorgeschreven uitrusting

§ 1. Niet voorgeschreven uitrusting

Hoofdstuk 12. Vervallen

Hoofdstuk 13. Vervoer van personen en lading

§ 1. Vervoer van personen

§ 2. Vervoer van lading

Hoofdstuk 14. Verplichtingen van de kapitein en van de eigenaar

§ 1. Verplichtingen van de kapitein

§ 2. Verplichtingen van de eigenaar

Hoofdstuk 15. Bijzondere voorschriften in tijden van oorlog, oorlogsgevaar en daaraan verwante of daarmede verband houdende buitengewone omstandigheden

§ 1. Bijzondere voorschriften in tijden van oorlog, oorlogsgevaar en daaraan verwante of daarmede verband houdende buitengewone omstandigheden

§ 2. Verplichtingen van de kapitein

Hoofdstuk 16. Strafbepaling

§ 1. Strafbepalingen ten aanzien van de kapitein

§ 2

§ 3

Hoofdstuk 17. Overgangsbepalingen

§ 1. Overgangsbepalingen

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)