Besluit van 5 augustus 1989, houdende nadere regelen voor de veiligheid van Vissersvaartuigen

Type Koninklijk besluit
Publication 2017-01-01
State In force
Source BWB
artikelen 444
Wijzigingsgeschiedenis JSON API
  • 3°. niet minder dan 480 mm lang, 115 mm breed en 25 mm dik zijn, waarbij een anti-slip oppervlak of -laag niet meegerekend wordt; en
  • 4°. op gelijke afstanden van niet minder dan 300 mm en niet meer dan 380 mm van elkaar op zodanige wijze zijn bevestigd, dat zij de horizontale stand behouden.
26.

De zijleiders van de inschepingsladder dienen aan elke zijde te bestaan uit twee onbeklede manilla-einden met een omtrek van ten minste 65 mm. Elk eind dient uit één stuk te bestaan zonder verbindingen beneden de bovenste trede. Ander materiaal kan worden gebruikt op voorwaarde dat de afmetingen, breeksterkte, verwering, rek- en grijpeigenschappen ten minste gelijkwaardig zijn aan die van manillatouwwerk. Alle touweinden dienen zo te zijn afgewerkt dat ze niet kunnen rafelen.

Artikel 225. Lijnwerptoestellen

1.

Ieder lijnwerptoestel moet voldoen aan de volgende eisen:

  • 1°. het moet een lijn met redelijke nauwkeurigheid kunnen wegschieten;
  • 2°. het moet zijn voorzien van ten minste vier projectielen die bij gunstige weersomstandigheden een lijn kunnen wegschieten over een afstand van ten minste 230 m;
  • 3°. het moet zijn voorzien van ten minste vier lijnen, ieder met een breeksterkte van ten minste 2 kN; en
  • 4°. het moet zijn voorzien van beknopte gebruiksaanwijzingen of pictogrammen, die duidelijk het gebruik van het lijnwerptoestel aangeven.
2.

Het projectiel, in het geval van een door een pistool afgevuurd projectiel, of het projectiel en de lijn wanneer die een geheel vormen, moeten zijn geborgen in een waterbestendige houder. In het geval van een door een pistool afgevuurd projectiel moeten de lijnen en projectielen, tezamen met de ontstekingsmiddelen bovendien zijn geborgen in een verpakking die bescherming biedt tegen weersinvloeden.

Artikel 226. Instructies voor onderhoud aan boord

Instructies voor het onderhoud van reddingmiddelen aan boord moeten gemakkelijk te begrijpen zijn, waar mogelijk geïllustreerd zijn en al naar gelang de volgende gegevens voor elk reddingmiddel omvatten:

  • 1°. een controlelijst, te gebruiken wanneer de inspecties voorgeschreven in artikel 209, zevende lid, worden verricht;
  • 2°. aanwijzingen ten behoeve van onderhoud en reparaties;
  • 3°. schema voor periodiek onderhoud;
  • 4°. schematische voorstelling van smeerpunten en aanbevolen smeermiddelen;
  • 5°. een lijst met vervangbare onderdelen;
  • 6°. een lijst met adressen waar reserve-onderdelen verkregen kunnen worden; en
  • 7°. een logboek voor het aantekenen van inspecties en onderhoud.

§ 4. Veiligheidsmiddelen

Artikel 227. Loodsladders

1.

Aan boord van een vaartuig dat reizen maakt waarbij het waarschijnlijk is dat van een loods gebruik zal worden gemaakt, moet een deugdelijke loodsladder aanwezig zijn die loodsen in staat stellen veilig aan en van boord te gaan.

2.

Een loodsladder dient aan de volgende eisen te voldoen:

  • 1°. de ladder moet uit een enkele lengte bestaan en lang genoeg zijn om vanaf de inschepingsplaats aan boord het water te bereiken. Hierbij moet rekening worden gehouden met alle beladingstoestanden van het vaartuig, met kop- of stuurlast en met slagzij naar de andere zijde van 15 graden;
  • 2°. de treden van de loodsladder dienen:
  • 2.1. te zijn vervaardigd van hardhout of ander materiaal met gelijkwaardige eigenschappen, uit één stuk te bestaan zonder kwasten en een doelmatig stroeve bovenzijde te hebben. De onderste vier treden mogen zijn vervaardigd van rubber van voldoende sterkte en stijfheid of van ander geschikt materiaal met gelijkwaardige eigenschappen;
  • 2.2. niet minder dan 480 mm lang, 115 mm breed en 25 mm dik te zijn, eventueel gebruikt anti-slipmateriaal niet meegerekend; en
  • 2.3. op gelijke afstanden van niet minder dan 300 mm en niet meer dan 380 mm van elkaar te zijn geplaatst en op zodanige wijze te zijn bevestigd dat zij de horizontale stand behouden;
  • 3°. in een loodsladder mogen niet meer dan twee vervangende treden voorkomen die op hun plaats worden gehouden op een wijze die afwijkt van die waarop de oorspronkelijke treden zijn bevestigd. Elke trede die zo is vastgezet, dient zo spoedig mogelijk te worden vervangen door een trede die is bevestigd op de wijze zoals bij de oorspronkelijke samenstelling van de ladder is gebezigd. Indien vervangende treden aan de zijleiders zijn bevestigd door middel van uitsparingen in de zijkant van de treden, dienen deze uitsparingen zich te bevinden in de lange zijden van de treden;
  • 4°. de zijleiders van de ladder dienen aan elke zijde te bestaan uit twee onbeklede manila-einden met een omtrek van ten minste 60 mm. Elk eind dient uit één stuk te bestaan zonder verbindingen in de lange zijden van de treden; en
  • 5°. spreilatten vervaardigd van hardhout of ander materiaal met gelijkwaardige eigenschappen, uit één stuk bestaande en met een lengte van niet minder dan 1,80 m, dienen op zodanige afstanden te zijn aangebracht dat er geen slag in de loodsladder kan komen. De laagste spreilat dient te zijn aangebracht ter plaatse van de vijfde trede van onderen en de tussenruimte tussen twee spreilatten mag niet meer dan 9 treden bedragen.
3.

Waar speciale constructies zoals berghouten, verhinderen dat de treden van de loodsladder stevig tegen de scheepshuid rusten, dienen ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie zodanige maatregelen te worden getroffen dat het aan of van boord gaan veilig kan geschieden.

4.

Een mechanische loodsladder en bijbehorende uitrusting moeten van een goedgekeurd type zijn. De installatie moet zodanig zijn ontworpen en gebouwd dat de loods veilig aan of van boord kan gaan, een veilige toegang van de ladder naar het dek en omgekeerd inbegrepen.

Artikel 228. Veiligheidslampen

Aan boord van een vaartuig moet ten minste één elektrische veiligheidslamp van een goedgekeurd type aanwezig zijn om te gebruiken in ruimten waar dampen die tot een ontploffing aanleiding kunnen geven, kunnen worden verwacht. Een elektrische veiligheidslamp moet voldoen aan het bepaalde in artikel 105.

Artikel 229. Voor het visserijbedrijf bestemde voorzieningen

1.

Aan boord van een vaartuig moeten de voor het visserijbedrijf bestemde inrichtingen en vaste toestellen zodanig zijn geconstrueerd en opgesteld, dat zij geen gevaar opleveren voor de veiligheid van het vaartuig en de gebruikers.

2.

De masten en gieken, het staand en lopend tuig, alsmede het laad- en losgerei aan boord van een vaartuig moeten voldoende sterk zijn en in goede staat verkeren.

3.

De bij het in het tweede lid bedoelde tuig behorende blokken moeten voldoende sterk zijn en zodanig zijn uitgevoerd en aangebracht, dat zij geen gevaar opleveren voor de veiligheid der gebruikers.

4.

Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan nadere regels stellen ter uitvoering van het bepaalde in de voorgaande leden.

Artikel 230. Hefwerktuigen

Hefwerktuigen met een maximale veilige werkbelasting van 10 kN of meer moeten zijn voorzien van een geldig certificaat, afgegeven door een door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie erkende deskundige.

Artikel 231. Medische uitrusting aan boord

1.

Aan boord van een vaartuig is de bij ministeriële regeling voorgeschreven medische uitrusting, bestaande uit geneesmiddelen, verplegingsartikelen en antidota, met de daarbij behorende controlelijsten en handleidingen aanwezig.

2.

De kapitein is verplicht zorg te dragen dat de medische uitrusting in goede staat verkeert, wordt aangevuld en zonodig wordt vernieuwd zodra dit mogelijk is, in ieder geval bij voorrang tijdens de normale bevoorradingsprocedures. Hij kan het gebruik en het beheer van de medische uitrusting aan boord, onverminderd zijn eigen verantwoordelijkheid, overdragen aan een of meer schepelingen die voldoen aan de eisen, bedoeld in artikel 238.

Artikel 232. Bewaren van de medische uitrusting

De medische uitrusting wordt in daarvoor geschikte kisten of in daarvoor ingerichte kasten of ruimten bewaard.

Artikel 233. Gescheiden bewaren van geneesmiddelen en antidota van verplegingsartikelen

1.

De geneesmiddelen en antidota worden gescheiden van de verplegingsartikelen bewaard. Indien zij samen in één kist worden bewaard, zijn zij door een tussenschot gescheiden.

2.

De morfinepreparaten die deel uitmaken van de medische uitrusting, worden bewaard in een afgesloten ruimte, waarvan de sleutel berust bij de kapitein of bij de schepeling aan wie de kapitein het gebruik en het beheer van de medische uitrusting heeft overgedragen.

Artikel 234. Nummering, afschrift lijst, benamingen

1.

Op de verpakking van de bestanddelen van de medische uitrusting is, voor zover mogelijk, het nummer aangebracht dat is vermeld in de ministeriële regeling op grond van artikel 231, eerste lid, en artikel 317, derde lid. Tevens is een afschrift van de controlelijsten bevestigd in de in artikel 232 bedoelde kisten, kasten of ruimten.

2.

Op de etiketten, aanwezig op de verpakking der middelen, zijn ten behoeve van in het buitenland te raadplegen deskundigen, zo veel mogelijk naast de Nederlandse, de Latijnse benamingen vermeld, overeenkomstig de nomenclatuur van de Wereld Gezondheids Organisatie.

Artikel 235. Levering van geneesmiddelen en antidota

De geneesmiddelen en de antidota worden geleverd door een apotheker, hetgeen blijkt uit een merk op de verpakking.

Artikel 236. Aanvullende geneesmiddelen, verplegingsartikelen en antidota

1.

Indien er nog andere geneesmiddelen, verplegingsartikelen en antidota aan boord aanwezig zijn dan die zijn voorgeschreven op grond van de ministeriële regeling, bedoeld in de artikelen 231, eerste lid, en 317, derde lid, zijn ten aanzien van deze aanvullende middelen de artikelen 232 tot en met 235 van toepassing.

2.

Indien er sprake is van een medisch spoedgeval waarvoor de noodzakelijke geneesmiddelen, verplegingsartikelen of antidota aan boord niet aanwezig zijn, is de kapitein verplicht zorg te dragen dat deze zo spoedig mogelijk ter beschikking worden gesteld.

Artikel 237. Geneeskundig handboek

Ten behoeve van het gebruik van de medische uitrusting is aan boord een bijgehouden exemplaar van een bij ministeriële regeling aan te wijzen geneeskundig handboek.

Artikel 238. Medische opleiding en bijscholing

Vervallen

Hoofdstuk 8. Optreden in noodsituaties

§ 1. Intern optreden in noodsituaties

Artikel 239. Communicatie aan boord en alarminstallaties

1.

Ten behoeve van de communicatie tussen controlestations, verzamel- en inschepingsplaatsen en overige strategische punten aan boord, moet er een noodcommunicatiesysteem aanwezig zijn, vast aangebracht dan wel draagbaar, of een combinatie van beide.

2.

Aan boord van elk vaartuig moet een algemeen alarminstallatie zijn aangebracht die voldoet aan het bepaalde in het derde lid en die dient te worden gebruikt om de bemanning naar de verzamelplaatsen te roepen wanneer het sein «schip verlaten» wordt gegeven, alsmede om de in de alarmrol vermelde handelingen te doen aanvangen. De installatie moet worden aangevuld met een omroepinstallatie of ander doelmatig middel voor berichtgeving, in alle ruimten voor accommodatie, dienstruimten en controlestations.

3.

De algemeen alarminstallatie moet bestaan uit een elektrische installatie die vanaf de brug en vanaf de andere strategisch gelegen punten aan boord bediend kan worden, en waarmee in alle ruimten voor accommodatie en in ruimten waarin door de bemanning gewoonlijk wordt gewerkt, door middel van bellen, claxons of andere gelijkwaardige waarschuwingssystemen, het algemeen alarmsignaal gegeven kan worden. Dit algemeen alarmsignaal bestaat uit zeven of meer korte stoten, gevolgd door een lange stoot. De algemeen alarminstallatie moet worden gevoed door de elektrische hoofdkrachtbron van het vaartuig en door de elektrische noodkrachtbron voorgeschreven in artikel 112, eerste lid of artikel 113, eerste lid. Het algemeen alarmsignaal moet vanaf de brug ook gegeven kunnen worden op de scheepsfluit of sirene.

4.

Bij de aanleg van elektrische leidingen van systemen en installaties als bedoeld in het eerste en het tweede lid, moet worden voldaan aan het bepaalde in hoofdstuk 4, paragraaf 3.

5.

Het bepaalde in het eerste en het tweede lid voor wat betreft een omroepinstallatie of ander doelmatig middel voor berichtgeving, is niet van toepassing op vaartuigen waarvan de lengte minder dan 45 m bedraagt.

Artikel 240. Alarmrol en instructies voor noodgevallen

1.

Aan boord van een vaartuig dienen voor elke opvarende duidelijke instructies aanwezig te zijn, die in geval van nood gevolgd moeten worden.

2.

Op in het oog vallende plaatsen aan boord van het vaartuig, met inbegrip van de brug, de machinekamer en de bemanningsverblijven, moeten exemplaren van de alarmrol zijn opgehangen, die voldoen aan het bepaalde in de navolgende leden.

3.

De alarmrol moet bijzonderheden bevatten inzake het algemeen alarmsignaal, voorgeschreven in artikel 239, derde lid, en moet tevens de maatregelen aangeven die door de bemanning genomen moeten worden wanneer dit signaal gegeven wordt. Op de alarmrol moet ook aangegeven worden hoe het sein «schip verlaten» wordt gegeven.

4.

Op de alarmrol moeten de taken worden vermeld die aan de verschillende bemanningsleden worden opgedragen, waaronder:

  • 1°. het sluiten van de waterdichte deuren, brandwerende deuren, afsluiters, stortkokers, spuigaten, zijpoorten, schijnlichten, patrijspoorten en overige soortgelijke openingen in het vaartuig;
  • 2°. het uitrusten van groeps- en overige reddingmiddelen, daarbij inbegrepen het draagbaar radiotoestel, bedoeld in artikel 197, eerste lid;
  • 3°. het gereed maken en te water laten van groepsreddingmiddelen;
  • 4°. het gereed maken van andere reddingmiddelen in het algemeen;
  • 5°. het gebruik van communicatiemiddelen;
  • 6°. het bemannen van de brandweerploegen die aangewezen zijn om branden te bestrijden; en
  • 7°. bijzondere taken, opgedragen in verband met het gebruik van de brandbestrijdingsuitrusting en -installaties, met inachtneming van de instructies in de brandbeveiligingsplannen of -boekjes van het vaartuig.
5.

Voor een vaartuig waarvan de lengte minder dan 45 m bedraagt, kan het Hoofd van de Scheepvaartinspectie afwijking van het bepaalde in het voorgaande lid toestaan, indien hij van oordeel is dat in verband met het kleine aantal bemanningsleden een alarmrol niet noodzakelijk is.

6.

Op de alarmrol moet aangegeven zijn welke officieren aangewezen zijn om er voor te zorgen dat de redding- en brandbestrijdingsmiddelen in goede staat en klaar voor onmiddellijk gebruik worden gehouden.

7.

Op de alarmrol moeten plaatsvervangers aangegeven zijn voor de belangrijkste personen, indien deze niet tot handelen in staat zouden zijn, rekening houdende met het gegeven dat verschillende noodsituaties verschillende maatregelen noodzakelijk maken.

8.

De alarmrol moet zijn opgemaakt voordat het vaartuig een reis onderneemt. Nadat de alarmrol eenmaal is opgemaakt, moet, wanneer een verandering in de samenstelling van de bemanning wijziging van de alarmrol noodzakelijk maakt, de rol worden herzien of een nieuwe rol worden opgemaakt.

9.

Het model van de alarmrol moet zijn ingericht overeenkomstig het model, vastgesteld door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie.

Artikel 241. Appèls en oefeningen

1.

Ieder bemanningslid moet ten minste eenmaal per maand deelnemen aan een oefening «schip verlaten» en een oefening in het blussen van brand. Deze oefeningen voor de bemanning moeten tevens in ieder geval plaatsvinden binnen 24 uur nadat het vaartuig een haven heeft verlaten, wanneer meer dan 25 percent van de bemanning in de voorafgaande maand niet heeft deelgenomen aan dergelijke oefeningen aan boord van dat vaartuig.

2.

Iedere oefening «schip verlaten» moet onder meer omvatten:

  • 1°. het oproepen van de bemanning naar hun verzamelplaatsen door middel van de alarminstallatie voorgeschreven in artikel 239, tweede lid, en het zeker stellen dat zij op de hoogte zijn gebracht van het sein «schip verlaten», vermeld in de alarmrol;
  • 2°. het melden op de verzamelplaatsen en het voorbereiden op de taken vermeld in de alarmrol;
  • 3°. een controle op doelmatige kleding van de bemanning;
  • 4°. een controle of de reddinggordels goed zijn aangedaan;
  • 5°. het afvieren van ten minste een reddingboot nadat deze voor het afvieren is gereed gemaakt;
  • 6°. het starten en laten draaien van de reddingbootmotor; en
  • 7°. het bedienen van de tewaterlatingsmiddelen voor de reddingvlotten van het strijkbare type.
3.

Bij het afvieren als voorgeschreven in het tweede lid, onder 5, moeten, voor zover uitvoerbaar, bij opeenvolgende oefeningen de reddingboten afwisselend worden gebruikt.

4.

Voor zover uitvoerbaar moeten de oefeningen «schip verlaten» worden uitgevoerd alsof er daadwerkelijk sprake is van een noodsituatie.

5.

Iedere reddingboot moet ten minste eenmaal in de drie maanden tijdens een oefening «schip verlaten» met de aangewezen bemanning aan boord te water worden gelaten, waarbij tevens met de boot moet worden gevaren.

6.

Voor zover dat redelijk en uitvoerbaar is moeten hulpverleningsboten, andere dan hulpverleningsboten die tevens dienstdoen als reddingboten, iedere maand met hun aangewezen bemanning te water worden gelaten waarbij tevens moet worden gevaren. In ieder geval moet dit ten minste éénmaal in de drie maanden geschieden.

7.

Wanneer oefeningen met het te water laten van hulpverleningsboten gehouden worden met een vaartlopend vaartuig, moeten deze oefeningen in verband met de gevaren die daaraan verbonden zijn, uitsluitend uitgevoerd worden in beschutte wateren en onder toezicht van een scheepsofficier met ervaring in dergelijke oefeningen.

8.

De noodverlichting ten behoeve van het verzamelen en het «schip verlaten» moet bij iedere oefening «schip verlaten» worden beproefd.

9.

De oefeningen in het blussen van brand dienen er op gericht te zijn dat de leden van de bemanning vertrouwd raken met de inrichtingen en voorzieningen van het vaartuig, met hun taak en met het gebruik van de daarbij benodigde middelen. Voor zover uitvoerbaar moeten deze oefeningen worden uitgevoerd alsof er daadwerkelijk sprake is van een noodsituatie. Alle brandbluspompen moeten tijdens zulke oefeningen worden beproefd.

Artikel 242. Opleiding en instructie voor het optreden in noodsituaties

1.

In ieder bemanningsverblijf of in iedere hut voor bemanningsleden moet een handboek voor opleiding voorhanden zijn. Dit handboek, dat uit verschillende banden kan bestaan, dient instructies en informatie te bevatten, gesteld in gemakkelijk te begrijpen bewoordingen en waar mogelijk geïllustreerd, ten aanzien van de aan boord geplaatste reddingmiddelen en de beste overlevingsmethoden. In plaats van in dit handboek kan de informatie of enig deel daarvan ook met behulp van audio-visuele middelen worden verstrekt. De volgende punten dienen uitvoerig te worden toegelicht:

  • 1°. het aandoen van reddinggordels en overlevingspakken;
  • 2°. het verzamelen op de daarvoor aangewezen plaatsen;
  • 3°. het inschepen in, het te water laten en het vrijkomen van de groepsreddingmiddelen en de hulpverleningsboten;
  • 4°. de manier waarop het groepsreddingmiddel vanuit dat middel te water wordt gelaten;
  • 5°. het ontkoppelen van de tewaterlatingsmiddelen;
  • 6°. de werkwijze en het gebruik van de middelen voor bescherming op de tewaterlatingsplaatsen, voor zover van toepassing;
  • 7°. de verlichting van de tewaterlatingsplaatsen;
  • 8°. het gebruik van alle overlevingsuitrusting;
  • 9°. het gebruik van alle ontdekkingsmiddelen;
  • 10°. met behulp van illustraties, het gebruik van radio-apparatuur voor reddingmiddelen;
  • 11°. het gebruik van drijfankers;
  • 12°. het gebruik van motor en accessoires;
  • 13°. het terughijsen van de groepsreddingmiddelen en hulpverleningsboten, plaatsen en sjorren daarbij inbegrepen;
  • 14°. de gevaren van blootstelling aan weer en zee en de noodzaak van warme kleding;
  • 15°. het op de beste wijze gebruiken van de voorzieningen van de groepsreddingmiddelen ten behoeve van overleving;
  • 16°. de manier van redding van drenkelingen uit zee, waarbij inbegrepen het gebruik van helicopterreddinguitrusting (stroppen, manden, draagbaren), reddingboeien met broeking, overige reddingapparatuur gebruikt vanaf de wal en het lijnwerptoestel van het vaartuig;
  • 17°. alle andere activiteiten die de alarmrol en de instructies voor noodgevallen aangeven; en
  • 18°. aanwijzingen voor noodreparaties van de reddingmiddelen.
2.

Opleiding aan boord in het gebruik van de reddingmiddelen, met inbegrip van de uitrusting van de groepsreddingmiddelen, moet zo snel mogelijk worden gegeven, echter uiterlijk 2 weken nadat een bemanningslid aan boord is gekomen. Wanneer echter het bemanningslid op een regelmatig aflosschema aan boord is geplaatst, moet deze opleiding worden gegeven binnen 2 weken nadat hij voor het eerst aan boord is gekomen.

3.

Met dezelfde tussenpozen als de oefeningen «schip verlaten» en de oefeningen in het blussen van brand moet instructie in het gebruik van de reddingmiddelen en het overleven op zee worden gegeven. Individuele instructie kan verschillende onderdelen van het reddingsysteem omvatten, maar alle reddinguitrusting en -middelen moeten binnen een tijdsbestek van 2 maanden zijn behandeld. Ieder bemanningslid moet ten minste instructie krijgen betreffende:

  • 1°. de behandeling en het gebruik van de automatisch opblaasbare reddingvlotten van het vaartuig;
  • 2°. de problemen in verband met onderkoeling, eerste hulp bij onderkoeling en andere van belang zijnde eerste hulp maatregelen; en
  • 3°. het gebruik van de reddingmiddelen bij zwaar weer en hoge zeeën.
4.

Wanneer een vaartuig is uitgerust met reddingvlotten van het strijkbare type, moet, met tussenpozen van niet meer dan 4 maanden, opleiding in het gebruik van zulke reddingvlotten worden gegeven. Deze opleiding moet omvatten de behandeling van een tewaterlatingsmiddel en een reddingvlot, alsmede het afvieren en het tewaterlaten van het reddingvlot. Ten minste eenmaal in de 12 maanden dient dit afvieren en tewaterlaten te geschieden met de aangewezen bemanning ingescheept in het reddingvlot. Indien het vaartuig is uitgerust met automatisch opblaasbare reddingvlotten van het strijkbare type, moet het opblazen en het tewaterlaten geschieden voor zover dat praktisch uitvoerbaar is, en in ieder geval eenmaal in de 12 maanden. Het voor de opleiding gebruikte automatisch opblaasbare reddingvlot kan hetzij een van de voorgeschreven reddingvlotten zijn, hetzij een speciaal oefenvlot dat geen deel uitmaakt van de reddingmiddelen van het vaartuig en dat duidelijk als zodanig gemerkt moet zijn. Zulk een oefenvlot moet periodiek worden gekeurd overeenkomstig het bepaalde in artikel 209, achtste lid, onder 1.

5.

Aan boord van elk vaartuig, met uitzondering van een vaartuig dat gesleept naar zijn bestemming wordt gebracht, moet het Handboek Opsporing en Redding op Zee (MERSAR), alsmede een door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie vastgestelde lijst van reddingseinen aanwezig zijn. Dit handboek en deze lijst moeten steeds op de brug bij de hand zijn.

Artikel 243. Aantekening in het scheepsdagboek

De data waarop appèls worden gehouden, de bijzonderheden van oefeningen «schip verlaten» en oefeningen in het blussen van brand, oefeningen met andere reddingmiddelen en opleiding aan boord moeten in het scheepsdagboek worden aangetekend. Wanneer een volledig appèl, oefening of opleiding niet op de vastgestelde tijd plaatsvindt, moet dat worden aangetekend in het scheepsdagboek, waarbij vermeld moet worden onder welke omstandigheden en in welke mate het appèl, de oefening of de opleiding wèl is gehouden.

Artikel 244. Veiligheidsplan

1.

Aan boord van een vaartuig waarvan de lengte 45 m of meer bedraagt moet een door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie goedgekeurd veiligheidsplan, bestaande uit een algemeen plan van het vaartuig, aangevende de diverse dekken en compartimenten, toegangen tot deze compartimenten en de verbindingen tussen de dekken onderling, aanwezig zijn. Voorts moet op dat plan op duidelijke en overzichtelijke wijze worden aangegeven:

  • 1°. redding- en veiligheidsmiddelen;
  • 2°. waterdichte deuren met hun bedieningsplaatsen;
  • 3°. bedieningsmiddelen voor overvloeiinrichtingen;
  • 4°. algemeen alarminstallatie; en
  • 5°. noodstop- en snelsluitinrichtingen.
2.

Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan nadere regels geven omtrent de uitvoering van het veiligheidsplan.

3.

Veranderingen in de op het veiligheidsplan aangegeven inrichting en uitrusting behoeven de goedkeuring van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie. Het aan boord aanwezige exemplaar van het veiligheidsplan moet zijn bijgewerkt overeenkomstig deze veranderingen.

4.

Het in het eerste lid voorgeschreven veiligheidsplan mag met de brandbeveiligingsplannen als bedoeld in de artikelen 164 en 184 tot een gezamenlijk plan worden gecombineerd.

§ 2. Procedures met betrekking tot nood-, spoed- en veiligheidsberichten

Artikel 245. Alarm-, nood- en spoedseinen

Ten aanzien van alarm-, nood- en spoedseinen moeten de volgende bepalingen in acht worden genomen:

  • 1°. slechts de kapitein is bevoegd bevel te geven tot het gebruik van de in dit artikel genoemde seinen;
  • 2°. het alarmsein mag slechts worden gebruikt om aan te kondigen:
  • 2.1. dat een noodoproep of -bericht zal volgen;
  • 2.2. dat een bericht betreffende man-over-boord zal volgen, doch uitsluitend als hulp van andere schepen of vaartuigen wordt verlangd en deze niet op afdoende wijze kan worden verkregen door het uitzenden van het spoedsein alleen;
  • 3°. het noodsein mag slechts worden gebruikt, indien het vaartuig in ernstig en dreigend gevaar verkeert en onmiddellijk hulp nodig heeft;
  • 4°. het spoedsein mag slechts worden gebruikt, indien een zeer dringend bericht overgebracht moet worden betreffende de veiligheid van een schip, vaartuig, vliegtuig of ander middel van vervoer, of de veiligheid van een persoon;
  • 5°. de radiotelegrafische en radiotelefonische alarm-, nood- en spoedseinen en de daarop volgende nood- en spoedberichten moeten worden uitgezonden op de wijze als voorgeschreven in het Radioreglement;
  • 6°. het annuleren van radiotelegrafische en radiotelefonische nood- en spoedberichten dient te geschieden op de wijze als aangegeven in het Radioreglement;
  • 7°. het gebruik van enig noodsein anders dan om aan te geven dat een schip, vaartuig, vliegtuig of ander middel van vervoer in ernstig en dreigend gevaar verkeert en onmiddellijk hulp nodig heeft, evenals het gebruik van enig sein, dat met een noodsein kan worden verward, is verboden;
  • 8°. geen enkele bepaling van het Radioreglement of van hoofdstuk 9 kan een beletsel zijn, dat een in nood verkerend vaartuig of reddingmiddel van alle middelen waarover het beschikt, gebruik maakt om de aandacht te trekken, zijn plaats bekend te maken en hulp te verkrijgen.

Artikel 246. Procedures met betrekking tot noodberichten

1.

Wanneer aan boord van een vaartuig dat zich op zee bevindt een melding, uit welke bron ook, wordt ontvangen dat een schip, een vaartuig of een vliegtuig, of reddingmiddelen daarvan afkomstig, in nood is of zijn, moet worden gehandeld overeenkomstig het bepaalde in artikel 340.

2.

Aan boord van een in nood verkerend vaartuig moet worden gehandeld overeenkomstig het bepaalde in artikel 340.

Artikel 247. Veiligheidsseinen en berichten omtrent gevaren

1.

Indien gevaarlijk ijs, een gevaarlijk wrak of een ander onmiddellijk gevaar voor de scheepvaart, of een tropische storm wordt ontmoet, òf luchttemperaturen onder het vriespunt, gepaard gaande met stormwinden die zware ijsafzetting op de bovenbouw veroorzaken, of stormen met windkracht 10 of hoger volgens de schaal van Beaufort, waarvoor geen stormwaarschuwing werd ontvangen, worden ondervonden, moeten met alle ter beschikking staande middelen schepen en vaartuigen in de omgeving en via het eerste punt aan de wal waarmede verbinding kan worden verkregen, ook de bevoegde autoriteiten daarvan op de hoogte worden gebracht. De vorm waarin de inlichtingen worden gegeven, is niet bindend voorgeschreven. Zij mogen worden uitgezonden hetzij in verstaanbare taal, bij voorkeur Engels, hetzij in code met gebruikmaking van het Internationaal Seinboek.

2.

Alle per radio uitgezonden berichten die ingevolge het bepaalde in het voorgaande lid worden uitgezonden moeten worden voorafgegaan door het betreffende veiligheidssein, waarbij de in het Radioreglement voorgeschreven procedure dient te worden gevolgd.

3.

Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan nadere regels geven betreffende de inlichtingen die een bericht dat wordt verzonden ingevolge het bepaalde in het eerste lid, moet bevatten.

§ 3. Routering van vaartuigen

Artikel 248. Routering van vaartuigen

1.

Voor de toepassing van het bepaalde in dit artikel wordt onder routeringssysteem verstaan: elk systeem bestaande uit een of meer routes of routeringsmaatregelen, gericht op het verminderen van gevaar voor scheepsongevallen. Het systeem omvat verkeersscheidingsstelsels, vaarwegen voor tweerichtingsverkeer, aanbevolen koerslijnen, gebieden die dienen te worden gemeden, zones voor kustverkeer, rotondes, voorzorgsgebieden en diepwaterroutes.

2.

Van de verkeersscheidingsstelsels als bedoeld in Voorschrift 10 van het besluit «Bepalingen ter voorkoming van aanvaringen op zee, 1972» (Stb. 773) moet een passend gebruik worden gemaakt waarbij in het bijzonder de gedragsregels ten aanzien van het gebruik van deze verkeersscheidingsstelsels, vervat in genoemd Voorschrift, moeten worden nagekomen.

3.

Van de overige routeringssystemen die door de Internationale Maritieme Organisatie worden vastgesteld, moet een passend gebruik worden gemaakt.

4.

Elk vaartuig dat vaart in de buurt van de Grote Banken van Newfoundland, dient, voor zover dit uitvoerbaar is, te varen buiten de gebieden waarvan bekend is of verondersteld wordt dat zij ten gevolge van ijs gevaarlijk zijn.

4.

Indien ijs is gemeld op of nabij de koerslijn van het vaartuig moet ’s nachts een matige vaart worden gelopen of de koers zodanig worden veranderd dat deze goed vrij van het gevaarlijke gebied loopt.

Hoofdstuk 9. Radio

§ 1. Algemeen, stations

Artikel 249. Omschrijvingen

Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt, tenzij uitdrukkelijk anders bepaald, verstaan onder:

  • 1°. bestaande installatie:
  • 1.1. een installatie die in zijn geheel vóór 1 september 1984 aan boord van een vaartuig is opgesteld, dan wel
  • 1.2. een installatie waarvan een gedeelte vóór 1 september 1984 aan boord van een vaartuig is opgesteld en waarvan het resterende gedeelte bestaande uit onderdelen, aangebracht ter vervanging van gelijksoortige onderdelen, of uit onderdelen die voldoen aan het bepaalde in dit hoofdstuk;
  • 2°. nieuwe installatie: elke installatie die geen bestaande installatie is;
  • 3°. noodradiobaken: een station in de Maritieme Mobiele Radiodienst, waarvan de uitzendingen bedoeld zijn om opsporingsen reddingsacties te vergemakkelijken.

Artikel 250. Radiotelegraafstation

Een vaartuig waarvan de lengte 75 m of meer bedraagt, moet zijn uitgerust met een radiotelegraafstation dat voldoet aan het bepaalde in de artikelen 257 en 258.

Artikel 251. Radiotelefoonstation

Een vaartuig waarvan de lengte minder dan 75 m bedraagt, moet zijn uitgerust met een radiotelefoonstation dat voldoet aan het bepaalde in de artikelen 266 en 267, tenzij het is uitgerust met een radiotelegraafstation dat voldoet aan het bepaalde in de artikelen 257 en 258.

Artikel 252. VHF radiotelefonie-installatie

Elk vaartuig moet zijn uitgerust met een VHF radiotelefonie-installatie die voldoet aan het bepaalde in artikel 268.

Artikel 253. Vrijstellingen

1.

Het bepaalde in de artikelen 250 tot en met 252 is niet van toepassing op een vaartuig dat gesleept naar zijn bestemming wordt gebracht, met dien verstande dat, indien het vaartuig is bemand, radiocommunicatie met het slepende schip of vaartuig mogelijk moet zijn.

2.

Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan van de in de artikelen 250 en 251 gestelde eisen geheel, gedeeltelijk of voorwaardelijk vrijstelling verlenen.

§ 2. Luisterdienst

Artikel 254. Luisterdienst radiotelegrafie

1.

Aan boord van een vaartuig dat ingevolge het bepaalde in artikel 250 of 251 is uitgerust met een radiotelegraafstation, moet een radio-officier als chef van het scheepsstation zijn aangewezen. Buitengaats moet door de radio-officier, door middel van een hoofdtelefoon of luidspreker worden geluisterd op de radiotelegrafienoodfrequentie gedurende de hieronder aangegeven tijden:

  • 1°. indien het niet is uitgerust met een radiotelegrafie-auto-alarmtoestel: de gehele duur van de reis;
  • 2°. indien het is uitgerust met een radiotelegrafie-auto-alarmtoestel:
  • 2.1. ten minste 8 uren in totaal per dag, indien de lengte van het vaartuig 75 m of meer bedraagt;
  • 2.2. gedurende een door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie bepaalde tijdsduur, indien de lengte van het vaartuig minder dan 75 m bedraagt.
2.

Gedurende de tijd dat een radio-officier ingevolge het bepaalde in het eerste lid moet uitluisteren op de radiotelegrafienoodfrequentie, mag de radio-officier de luisterdienst onderbreken gedurende de tijd waarin hij verkeer op andere frequenties behandelt of andere belangrijke radiowerkzaamheden verricht, doch alleen wanneer het praktisch onmogelijk is met een gesplitste hoofdtelefoon of met een luidspreker op de radiotelegrafienoodfrequentie te blijven luisteren. Tijdens de in het Radioreglement voorgeschreven stilteperiode mag de in het eerste lid voorgeschreven luisterdienst echter niet worden onderbroken, maar moet deze altijd worden onderhouden door een radio-officier die daarbij gebruik maakt van een hoofdtelefoon of luidspreker. Onder de in dit lid bedoelde belangrijke radiowerkzaamheden zijn begrepen het dringend herstel van radiocommunicatie-apparatuur voor veiligheidsdoeleinden, en van radionavigatie-apparatuur in opdracht van de kapitein.

3.

Bovendien kan de luisterdienst in opdracht van de kapitein worden onderbroken om onderhoudswerkzaamheden te verrichten ter voorkoming van een dreigend defect aan radiocommunicatie-apparatuur voor veiligheidsdoeleinden, aan radionavigatie-apparatuur, en aan andere elektronische navigatie-apparatuur met inbegrip van reparaties daaraan. Deze onderbreking van de luisterdienst is slechts toegestaan, indien het praktisch onmogelijk is met een gesplitste hoofdtelefoon of met een luidspreker op de radiotelegrafienoodfrequentie te blijven luisteren, en het vaartuig is uitgerust met een decoder voor selectieve aanroepen, die voldoet aan de eisen van het Radioreglement. Tijdens de in het Radioreglement voorgeschreven stilteperioden mag de luisterdienst echter niet worden onderbroken, maar moet deze altijd worden onderhouden door een radio-officier die daarbij gebruik maakt van een hoofdtelefoon of luidspreker.

4.

Aan boord van een vaartuig, uitgerust met een radiotelegrafie-auto-alarmtoestel, moet buitengaats dit toestel bijstaan gedurende de tijd dat geen luisterdienst als bedoeld in het eerste lid, wordt gehouden, ook tijdens het nemen van radiopeilingen indien deze daardoor niet worden beïnvloed.

5.

De in het eerste lid voorgeschreven luistertijden moeten bij voorkeur worden gehouden tijdens de door het Radioreglement voor de radiotelegraafdienst voorgeschreven tijdvakken.

Artikel 255. Luisterdienst radiotelefonie

1.

Aan boord van een vaartuig dat ingevolge het bepaalde in artikel 251 slechts is uitgerust met een radiotelefoonstation, moet een radio-officier, of een radiotelefonist als chef van het scheepsstation zijn aangewezen. Buitengaats moet op de brug een ononderbroken luisterwacht worden gehouden op de radiotelefonienoodfrequentie door middel van een radiotelefonie-luisterwachtontvanger voorzien van een luidspreker, al dan niet uitgerust met een filter voor het radiotelefonie-alarmsein.

2.

Aan boord van een vaartuig dat ingevolge het bepaalde in artikel 250 of 251 is uitgerust met een radiotelegraafstation, moet buitengaats op de brug een ononderbroken luisterwacht worden gehouden op de radiotelefonie-noodfrequentie door middel van een radiotelefonieluisterwachtontvanger voorzien van een luidspreker, al dan niet uitgerust met een filter voor het radiotelefonie-alarmsein.

3.

Wanneer aan boord van een vaartuig ingevolge het bepaalde in het eerste lid een radiotelefonist als chef van het scheepsstation is aangewezen, moet, indien de lengte van het vaartuig 45 m of meer bedraagt een tweede radiotelefonist aan boord zijn. Deze tweede radiotelefonist behoeft niet aan boord te zijn als de chef van het scheepsstation uitsluitend is belast met werkzaamheden op het gebied van de radiotelefonie.

Artikel 256. Luisterdienst VHF radiotelefonie

Aan boord van een vaartuig dat ingevolge het bepaalde in artikel 252 is uitgerust met een VHF radiotelefonie-installatie, moet buitengaats op de brug een ononderbroken luisterwacht worden gehouden op, indien uitvoerbaar, 156,8 MHz (kanaal 16) of gedurende zodanige perioden op zodanige kanalen als nader kan worden voorgeschreven.

§ 3. Installaties

Artikel 257. Radiotelegraafstations

1.

Het radiotelegraafstation moet zodanig zijn gelegen, dat de goede ontvangst van radioseinen niet hinderlijk wordt gestoord door lawaai van buitenaf van mechanische of andere aard. Het station moet zo hoog als praktisch uitvoerbaar is en zo veilig mogelijk in het vaartuig zijn opgesteld.

2.

De radiohut moet van voldoende afmetingen zijn en behoorlijk kunnen worden geventileerd om het mogelijk te maken de hoofd- en reservetelegrafie-installaties doelmatig te doen bedienen; de hut mag niet worden gebruikt voor enig doel, dat de bediening van het radiotelegraafstation zou kunnen belemmeren.

3.

De slaapplaats van ten minste één radio-officier moet zo dicht bij de radiohut zijn gelegen als praktisch uitvoerbaar is. Deze slaapplaats mag zich niet in de radiohut bevinden.

4.

Tussen de radiohut en de brug en eventueel een andere plaats, vanwaar genavigeerd wordt, moet een doelmatig tweezijdig systeem voor oproep en mondeling contact aanwezig zijn, dat onafhankelijk moet zijn van het hoofdcommunicatiesysteem van het vaartuig.

5.

De radiotelegrafie-installatie moet op een zodanige plaats zijn opgesteld, dat zij is beschermd tegen schadelijke inwerking van water of van extreme temperaturen. Zij moet gemakkelijk toegankelijk zijn, zowel voor onmiddellijk gebruik in een noodgeval als voor herstelwerkzaamheden.

6.

Er moet een betrouwbaar uurwerk aanwezig zijn met een wijzerplaat van niet minder dan 125 mm middellijn, waarop de door het Radioreglement voor de radiotelegraafdienst voorgeschreven stilteperioden zijn aangegeven. Dit uurwerk moet zijn voorzien van een in het middelpunt van de wijzerplaat geplaatste secondewijzer. Het moet solide op een dusdanige plaats in de radiohut zijn gemonteerd, dat de gehele wijzerplaat gemakkelijk en nauwkeurig door de radio-officier vanaf de bedieningsplaats van de radiotelegrafie-installatie en vanaf de plaats, waar het radiotelegrafie-auto-alarmtoestel wordt beproefd, kan worden waargenomen.

7.

In de radiohut moet een betrouwbare noodverlichting, bestaande uit een elektrische lamp, die de bedieningsknoppen van de hoofd- en reserveradiotelegrafie-installaties en het in het voorgaande lid vereiste uurwerk voldoende verlicht, vast zijn aangebracht. Indien aangesloten op de ingevolge artikel 258, eerste lid, onder 3, vereiste reservekrachtbron moet deze lamp kunnen worden in- en uitgeschakeld door middel van hotelschakelaars die zijn geplaatst nabij de hoofdingang van de radiohut en bij de bedieningsplaats van de radiotelegrafie-installatie, tenzij de inrichting van de radiohut zulks overbodig maakt. Deze schakelaars moeten van een duidelijke aanwijzing zijn voorzien waaruit hun doel blijkt.

8.

Er moet óf een elektrische looplamp die door de ingevolge artikel 258, eerste lid, onder 3, vereiste reservekrachtbron wordt gevoed en is voorzien van een flexibel snoer van voldoende lengte, óf een zaklantaarn aanwezig zijn en in de radiohut worden bewaard.

9.

Het radiotelegraafstation moet zijn uitgerust met die reserve-onderdelen, gereedschappen en meetapparaten, die naar het oordeel van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie nodig zijn om de radiotelegrafie-installatie buitengaats in doeltreffende staat te houden. De meetapparatuur moet een instrument of instrumenten voor het meten van wisselspanningen, gelijkspanningen en weerstanden omvatten.

10.

Wanneer een afzonderlijke noodradiohut aanwezig is, moeten de eisen ingevolge het vierde tot en met het achtste lid daarop worden toegepast.

11.

Het radiotelegraafstation moet zijn uitgerust met middelen ter bestrijding van brand, zoals aangegeven in de artikelen 157, zevende lid, en 180, zevende lid.

Artikel 258. Radiotelegrafie-installaties

1.

Tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald moet:

  • 1°. het radiotelegraafstation een hoofdinstallatie en een reserve-installatie omvatten, die elektrisch gescheiden en elektrisch onafhankelijk van elkaar zijn;
  • 2°. de hoofdinstallatie een hoofdzender, een hoofdontvanger, een radiotelefonie-luisterwachtontvanger en een hoofdkrachtbron omvatten;
  • 3°. de reserve-installatie, een reservezender, een reserve-ontvanger en een reservekrachtbron omvatten; en
  • 4°. een hoofdantenne en een reserve-antenne aanwezig en aangebracht zijn, met dien verstande dat de reserve-antenne niet behoeft te zijn aangebracht wanneer dat ondoenlijk of onredelijk is. In een dergelijk geval moet een voor het doel geschikte, geheel voor ogenblikkelijk aanbrengen klaargemaakte reserve-hoofdantenne worden meegevoerd. Bovendien moeten, om het mogelijk te maken een voor het doel geschikte antenne op te hangen, in alle gevallen voldoende antennedraad en isolatoren aanwezig zijn. De hoofdantenne moet op doeltreffende wijze tegen breuk zijn beveiligd, indien hij is opgehangen tussen steunpunten die aan zwiepen onderhevig zijn.
2.

In installaties op vaartuigen waarvan de lengte minder dan 75 m bedraagt is, wanneer de hoofdzender voldoet aan alle eisen voor de reservezender, deze laatste niet verplicht.

3.

De hoofd- en reservezenders moeten vlug kunnen worden verbonden met en afgestemd op de hoofdantenne en op de reserve-antenne wanneer deze is aangebracht.

3.

De hoofd- en reserve-ontvangers moeten vlug kunnen worden verbonden met elke antenne, waarmede zij moeten kunnen worden gebruikt.

4.

Alle onderdelen van de reserve-installatie moeten zo hoog mogelijk en zo veilig mogelijk in het vaartuig zijn aangebracht.

5.

De hoofd- en reservezenders moeten kunnen zenden op de radiotelegrafienoodfrequentie in een klasse van uitzending zoals door het Radioreglement voor die frequentie is aangewezen. Bovendien moet de hoofdzender kunnen zenden op ten minste twee werkfrequenties in de band tussen 405 en 535 kHz, in de door het Radioreglement voor die frequenties aangewezen klasse van uitzending. De reservezender mag bestaan uit een scheepsnoodzender zoals die is omschreven in, en in gebruik beperkt door, het Radioreglement.

6.

Wanneer gemoduleerde uitzending door het Radioreglement is voorgeschreven moeten de hoofd- en de reservezenders een modulatiediepte van niet minder dan 70 percent en een toonfrequentie tussen 450 en 1350 Hz hebben.

7.

De hoofd- en de reservezenders moeten, verbonden met de hoofdantenne, een minimum normale reikwijdte hebben als hierna aangegeven; daarbij moeten zij in staat zijn duidelijk waarneembare tekens van schip tot schip, bij dag en onder normale condities en omstandigheden over de aangegeven afstanden over te brengen. Duidelijk waarneembare tekens zullen in normale omstandigheden worden ontvangen, wanneer de effectieve waarde van de veldsterkte bij de ontvanger ten minste 50 microvolt per meter is.

Minimum normale reikwijdtein zeemijlen Minimum normale reikwijdtein zeemijlen
hoofdzender reservezender
vaartuigen waarvan de lengte 75 m of meer bedraagt 150 100
vaartuigen waarvan de lengte minder dan 75 m bedraagt 100 75

Wanneer geen directe meting van de veldsterkte kan worden uitgevoerd, mogen de volgende gegevens als leidraad voor een benadere bepaling van de normale reikwijdte worden gebruikt:

  • 1.1°. in geval van antennes die niet van het zelfdragende type zijn:
Normale reikwijdte in zeemijlen Meter-ampères (1)
200 128
175 102
150 76
125 58
100 45
75 34
  • 1.2°. in geval van zelfdragende zendantennes:
Normale reikwijdte in zeemijlen Meter-ampères (2)
200 305
175 215
150 150
125 110
100 85
75 55

Noten:

(1) Het product van de afstand (in meters) van het hoogste gedeelte van de antenne tot de hoogst gelegen lastlijn en de antennestroom (in ampères). De in de tweede kolom van de tabel gegeven waarden komen overeen met een gemiddelde waarde van de verhouding:

effectieve antennehoogte = 0,47 maximum antennehoogte

Deze verhouding is afhankelijk van de plaats van de antenne en kan variëren tussen ongeveer 0,3 en 0,7.

(2) Het product van de afstand (in meters) van het hoogste deel van de antenne tot de hoogst gelegen lastlijn en de stroom (in ampères) gemeten aan de basis van het stralende gedeelte van de antenne. De in de tweede kolom gegeven waarden zijn gebaseerd op de propagatiekrommen gegeven in aanbeveling 368-2 van de Internationale Raadgevende Commissie inzake Radio-aangelegenheden (International Radio Consultative Committee, CCIR) en ook op de methode, de resultaten van proeven en de berekeningen in CCIR-rapport 502-1 en in Oordeel 43.1. Het noodzakelijke aantal meterampères is sterk afhankelijk van de plaats van de antenne.

7.

De radiotelegrafie-installatie moet voorzieningen bevatten voor radiotelefonie-uitzendingen en ontvangst op de radiotelefonienoodfrequentie alsmede voor het testen van de goede werking van de radiotelefonie-alarmseingever, bedoeld in het achtste lid, onder 4. Aan deze eis kan worden voldaan door zulke voorzieningen op te nemen in de hoofd- of reserve-installatie of in andere geïnstalleerde apparatuur. Het zendvermogen en de ontvangstgevoeligheid van het radiotelefoniegedeelte van de installatie moeten voldoen aan het bepaalde in artikel 267, derde lid, onder 1, onderscheidenlijk artikel 267, zesde lid, indien dat gedeelte is aangebracht op of na 1 september 1986. Van installaties die vóór die datum zijn aangebracht, moeten bedoeld zendvermogen en ontvangstgevoeligheid zodanig zijn als bepaald door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie. De plaats van en de overige voorwaarden voor de in dit artikel vereiste radiotelefonievoorzieningen moeten zodanig zijn als bepaald door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie, behalve wanneer deze voorzieningen een onderdeel vormen van de hoofd- of reserveradiotelegrafie-installatie.

8.

De hoofd- en de reserve-ontvangers moeten de radiotelegrafienoodfrequentie en de door het Radioreglement voor die frequentie aangewezen klassen van uitzending kunnen ontvangen.

8.

Bovendien moet de hoofdontvanger in staat zijn de frequenties en klassen van uitzending te ontvangen waarop tijdseinen, meteorologische berichten en de door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie noodzakelijk geachte mededelingen betreffende de veiligheid van de scheepvaart worden uitgezonden.

8.

De radiotelefonieluisterwachtontvanger moet vast zijn afgestemd op de radiotelefonienoodfrequentie. De ontvanger moet met een filter zijn uitgerust of met een voorziening waardoor het mogelijk is dat de luidspreker alleen een ontvangen radiotelefonie-alarmsein of een sein voor zeer belangrijke waarschuwingen betreffende de navigatie weergeeft. Het filter of de voorziening moet gemakkelijk kunnen worden ingeschakeld wanneer naar het oordeel van de kapitein de omstandigheden zodanig zijn dat het onderhouden van de luisterwacht de veilige navigatie van het vaartuig in gevaar zou brengen.

8.

De ingevolge het zevende lid, onder 2, vereiste voorziening voor radiotelefonie-uitzendingen moet zijn uitgerust met een inrichting voor het automatisch opwekken van het radiotelefonie-alarmsein. Deze inrichting moet zodanig zijn uitgevoerd dat zij niet bij vergissing in werking kan worden gesteld en moet voldoen aan de eisen gesteld in artikel 267, vijfde lid. De inrichting moet te allen tijde buiten werking kunnen worden gesteld teneinde de onmiddellijke uitzending van een noodbericht mogelijk te maken. Voor installaties die zijn aangebracht vóór 1 september 1986, moet het aanbrengen van een inrichting voor het automatisch opwekken van het radiotelefonie-alarmsein geschieden zoals bepaald door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie. De goede werking van de inrichting moet periodiek worden gecontroleerd op andere frequenties dan de radiotelefonienoodfrequentie, waarbij gebruik moet worden gemaakt van een doelmatig geïnstalleerde kunstantenne. Voor bestaande installaties dient gebruik te worden gemaakt van een geschikte kunstantenne.

9.

De hoofdontvanger moet voldoende gevoeligheid hebben om tekens hoorbaar te maken in een hoofdtelefoon of een luidspreker, wanneer de ingangsspanning aan de ontvanger niet meer is dan 50 microvolt. De reserve-ontvanger moet voldoende gevoeligheid hebben om tekens hoorbaar te maken, wanneer de ingangsspanning aan de ontvanger niet meer is dan 100 microvolt.

10.

Te allen tijde moet buitengaats een elektrische krachtbron beschikbaar zijn van voldoende vermogen, om zowel de hoofdinstallatie over de ingevolge het zevende lid, onder 1, vereiste reikwijdte te doen werken als om alle batterijen die deel uitmaken van het radiotelegraafstation te laden. De voedingsspanning voor de hoofdinstallatie moet constant worden gehouden binnen + en - 10 percent van de nominale spanning.

11.

De reserve-installatie moet zijn voorzien van een krachtbron die onafhankelijk is van de voortstuwings- en elektrische installatie van het vaartuig.

12.

De reservekrachtbron moet bij voorkeur bestaan uit accumulatorenbatterijen die mogen worden geladen door het scheepsnet; hij moet onder alle omstandigheden snel in werking kunnen worden gesteld en moet naast elk der in het dertiende en veertiende lid genoemde extra belastingen, de reservezender en -ontvanger gedurende ten minste 6 achtereenvolgende uren onder normale gebruiksomstandigheden kunnen voeden.

13.

De reservekrachtbron moet worden gebruikt voor voeding van de reserve-installatie en de automatische alarmseingever, bedoeld in het achttiende lid, indien deze elektrisch werkt. De reservekrachtbron mag ook worden gebruikt voor voeding van:

  • 1°. het radiotelegrafie-auto-alarmtoestel;
  • 2°. de noodverlichting, bedoeld in artikel 257, zevende lid;
  • 3°. de richtingzoeker;
  • 4°. de VHF radiotelefonie-installatie overeenkomstig het bepaalde in artikel 268, derde lid;
  • 5°. de inrichting voor het opwekken van het radiotelefonie-alarmsein;
  • 6°. de radiotelefonieluisterwachtontvanger;
  • 7°. de Navtexontvanger;
  • 8°. elk door het Radioreglement voorgeschreven apparaat voor de overgang van zenden op ontvangen en omgekeerd.

Behoudens het bepaalde in het veertiende lid mag de reservekrachtbron niet voor andere dan de in dit lid aangegeven doeleinden worden gebruikt.

14.

In afwijking van het bepaalde in het dertiende lid kan het Hoofd van de Scheepvaartinspectie toestaan dat de reservekrachtbron wordt gebruikt voor een klein aantal noodnetten van gering vermogen, die zich uitsluitend bevinden in het bovenste deel van het vaartuig, zoals noodverlichting op het sloependek, echter onder voorwaarde dat deze netten, indien nodig, gemakkelijk kunnen worden uitgeschakeld en dat de reservekrachtbron van voldoende capaciteit is om aan de extra belasting te kunnen voldoen.

15.

De reservekrachtbron en het erbij behorende schakelbord moeten, buiten de ruimten voor machines van categorie A, zo hoog als praktisch mogelijk is in het vaartuig zijn opgesteld en gemakkelijk bereikbaar zijn voor de radio-officier. Het schakelbord moet zich als dit mogelijk is, in de radiohut bevinden; wanneer dit niet het geval is, moet het kunnen worden verlicht.

16.

Buitengaats moeten de accumulatorenbatterijen, onverschillig of zij deel uitmaken van de hoofdinstallatie of van de reserve-installatie, dagelijks op hun volle normale lading worden gebracht.

17.

Alle maatregelen moeten worden getroffen om de oorzaken van storing van de radio door elektrische en andere apparaten aan boord, voorzover dit mogelijk is, op te heffen en deze storingen te onderdrukken. Indien nodig moeten maatregelen worden getroffen om te waarborgen, dat de met omroepontvangers verbonden antennes de doeltreffende of juiste werking van de radiotelegrafie-installatie niet storen.

18.

Naast een middel om het radiotelegrafie-alarmsein met de hand uit te zenden, moet een automatische radiotelegrafie-alarmseingever aanwezig zijn die met de hoofd- en de reservezenders het radiotelegrafie-alarmsein kan uitzenden. Teneinde onmiddellijke bediening van de zender met de hand mogelijk te maken, moet het apparaat te allen tijde buiten gebruik kunnen worden gesteld. Indien het apparaat elektrisch werkt, moet het op de reservekrachtbron kunnen werken.

19.

Buitengaats moet de reservezender, indien niet in gebruik voor verkeer, dagelijks worden beproefd met een daarvoor geschikte kunstantenne en ten minste éénmaal gedurende elke reis met de reserve-antenne, indien deze is aangebracht. Ook de reservekrachtbron moet dagelijks worden beproefd.

20.

Alle apparaten waaruit de radiotelegrafie-installatie is samengesteld, moeten bedrijfszeker zijn en zodanig zijn geconstrueerd, dat zij gemakkelijk voor onderhoud toegankelijk zijn.

Artikel 259. Radiotelegrafie-auto-alarmtoestellen

1.

Elk radiotelegrafie-auto-alarmtoestel, behoudens die toestellen die voor 26 mei 1965 zijn opgesteld, moet aan de volgende minimum eisen voldoen:

  • 1°. bij afwezigheid van storing van welke aard ook, moet het zonder bijregelen met de hand in werking kunnen worden gesteld door elk radiotelegrafie-alarmsein, uitgezonden op de radiotelegrafienoodfrequentie door de zender van een overeenkomstig het Radio-reglement werkend kuststation, de zender van een telegrafie-installatie van een schip of vaartuig, of de zender van een telegrafie-installatie van een reddingmiddel, op voorwaarde dat de signaalsterkte aan de ingang van de ontvanger groter is dan 100 microvolt en kleiner dan 1 volt;
  • 2°. bij afwezigheid van storing van welke aard ook, moet het in werking worden gesteld door drie of vier opeenvolgende strepen, indien de duur van de strepen ligt tussen 3,5 seconden en een waarde zo dicht mogelijk bij 6 seconden en de duur van de tussenruimte tussen de strepen ligt tussen 1,5 seconden en de laagst bereikbare waarde, die bij voorkeur niet kleiner moet zijn dan 10 milliseconden;
  • 3°. het mag niet in werking worden gesteld door luchtstoringen of door enig signaal anders dan het radiotelegrafie-alarmsein, tenzij de ontvangen tekens in feite een signaal vormen, dat binnen de onder 2 aangegeven tolerantiegrenzen valt;
  • 4°. de selectiviteit moet zodanig zijn, dat over een band van ten minste 4, doch niet meer dan 8 kHz, aan weerszijden van de radiotelegrafienoodfrequentie de gevoeligheid nagenoeg eenzelfde waarde heeft en buiten deze band een gevoeligheid die zo snel mogelijk afneemt, een en ander overeenkomstig de stand van de techniek;
  • 5°. het moet bij aanwezigheid van luchtstoringen of van storende signalen zichzelf automatisch regelen, opdat het binnen een redelijk korte tijd weer zo is ingesteld, dat het toestel het radiotelegrafie-alarmsein wederom kan onderscheiden;
  • 6°. het moet, wanneer het in werking wordt gesteld door een radiotelegrafie-alarmsein, of als gevolg van een defect in het toestel, een onafgebroken hoorbare waarschuwing geven in de radiohut, in de slaaphut van de radio-officier en op de brug. Indien mogelijk moet die waarschuwing ook worden gegeven in geval een willekeurig onderdeel van het gehele auto-alarm-ontvangsysteem defect is. Slechts één schakelaar mag aanwezig zijn om het waarschuwingssein te doen ophouden en deze moet zijn aangebracht in de radiohut;
  • 7°. teneinde het toestel regelmatig te kunnen beproeven, moet het zijn voorzien van een op de radiotelegrafienoodfrequentie afgestemde generator en een sleutelinrichting, met behulp waarvan een radiotelegrafie-alarmsein van de minimale sterkte, aangeduid onder 1, kan worden gegeven. Tevens moet een hoofdtelefoon kunnen worden aangesloten teinde de op het radiotelegrafie-auto-alarmtoestel ontvangen tekens te beluisteren; en
  • 8°. het moet bestand zijn tegen trillingen, vochtigheid en temperatuursverschillen, overeenkomende met die, welke zich onder ongunstige omstandigheden aan boord van een vaartuig op zee kunnen voordoen en het moet onder dergelijke omstandigheden blijven werken.
2.

Aan boord van vaartuigen die zijn uitgerust met een radiotelegrafie-auto-alarmtoestel, moet buitengaats de doeltreffende werking ervan ten minste éénmaal per 24 uur worden beproefd door een radio-officier. Wanneer het toestel niet behoorlijk werkt, moet de radio-officier dit feit aan de kapitein of de navigatie-officier van de wacht rapporteren.

3.

Een radio-officier moet de goede werking van de ontvanger van het radiotelegrafie-auto-alarmtoestel, aangesloten op zijn normale antenne, periodiek controleren door op het toestel te luisteren naar tekens, uitgezonden op de radiotelegrafienoodfrequentie en deze te vergelijken met de tekens die tegelijkertijd op de hoofdinstallatie op die frequentie worden ontvangen.

4.

Het radiotelegrafie-auto-alarmtoestel mag, wanneer het met een antenne is verbonden, geen invloed hebben op de nauwkeurigheid van de richtingzoeker.

Artikel 260. Richtingzoekers

1.

De ingevolge artikel 283, eerste lid, vereiste richtingzoeker moet doeltreffend zijn en geschikt om seinen te ontvangen met een minimum ontvangerruis, zomede om peilingen te nemen waaruit de juiste richting en de ware peiling kunnen worden afgeleid.

2.

Het toestel moet seinen kunnen ontvangen op de radiotelegrafiefrequenties die in het Radioreglement zijn aangewezen voor noodgevallen, voor het nemen van peilingen en voor de maritieme radiobakens.

3.

De richtingzoeker moet een gevoeligheid hebben, voldoende om bij afwezigheid van storing nauwkeurige peilingen te nemen, zelfs indien de veldsterkte van de ontvangen tekens slechts 50 microvolt per meter bedraagt.

4.

De richtingzoeker moet, voorzover zulks praktisch uitvoerbaar is, zo zijn opgesteld, dat het op doeltreffende wijze nemen van peilingen zo min mogelijk wordt gestoord door mechanisch of ander lawaai.

5.

Het richtingzoekerantennesysteem moet, voorzover zulks praktisch uitvoerbaar is, zo zijn opgesteld, dat de nabijheid van andere antennes, tuig, laadbomen en andere grote metalen voorwerpen zo min mogelijk invloed heeft op de juiste uitkomst van de peilingen.

6.

Tussen de richtingzoeker en de brug moet een doeltreffend tweezijdig systeem voor oproep en mondeling contact aanwezig zijn.

7.

De richtingzoeker moet vrij zijn van mechanische en elektrische storingen die de goede werking beïnvloeden.

8.

Het peilraam moet, voorzover zulks praktisch uitvoerbaar is, zo dicht mogelijk bij het vlak van kiel en stevens zijn opgesteld.

9.

Ter voorkoming van peilfouten dient te worden vermeden dat geleiders aan dek zodanig worden gespannen of met elkaar worden verbonden dat hierdoor grote elektrisch gesloten kringen ontstaan.

10.

Radio-apparatuur bestemd voor het peilen recht vooruit («homing») op de radiotelefonienoodfrequentie moet geschikt zijn voor het nemen van radiopeilingen op deze frequentie binnen een hoek van 30 graden aan elke zijde van de boeg zonder dat twijfel ten aanzien van de richtingszin bestaat.

10.

Bij de installatie en beproeving van de in dit lid bedoelde apparatuur dient goed rekening te worden gehouden met de desbetreffende aanbeveling van de Internationale Raadgevende Commissie inzake Radioaangelegenheden (CCIR).

10.

Alle redelijke maatregelen moeten worden genomen om de in dit lid vereiste geschiktheid voor het peilen recht vooruit te verzekeren. In een geval waar wegens technische moeilijkheden de geschiktheid voor het peilen recht vooruit niet kan worden verwezenlijkt, kan het Hoofd van de Scheepvaartinspectie vrijstelling verlenen van de in dit lid gestelde eisen.

11.

De richtingzoeker moet bij eerste opstelling aan boord door een bevoegd persoon worden gecalibreerd onder afgifte van een grafiek, aangevende de correctie die op de afgelezen peiling moet worden toegepast om de ware peiling ten opzichte van de kiellijn te verkrijgen.

12.

Telkens wanneer in de positie van enige antenne, dan wel van enige constructie aan dek, veranderingen zijn aangebracht die de gevonden fouten van de richtingzoeker merkbaar zouden kunnen beïnvloeden, dienen deze fouten te worden geverifieerd door middel van controlepeilingen.

13.

Telkens wanneer een ambtenaar van de Scheepvaartinspectie dit nodig oordeelt en in ieder geval éénmaal per jaar dienen de fouten van de richtingzoeker door een bevoegd persoon te worden geverifieerd, tenzij uit aantekeningen van de kapitein blijkt dat deze fouten door waarnemingen op zee geregeld worden geverifieerd en zij binnen redelijke grenzen blijven. Van de calibraties en van alle controles op de nauwkeurigheid daarvan moet aantekening worden gehouden.

Artikel 261. Radiotelegrafie-installaties voor reddingboten

1.

De ingevolge artikel 197, derde lid, vereiste radiotelegrafie-installatie moet een zender, een ontvanger en een krachtbron omvatten. Zij moet zodanig zijn uitgevoerd dat zij in geval van nood door een ongeschoold persoon kan worden bediend.

2.

De zender moet op de radiotelegrafienoodfrequentie kunnen werken in een door het Radioreglement voor die frequentie aangewezen klasse van uitzending. De zender moet eveneens kunnen seinen op de frequentie en in de klasse van uitzending als in het Radioreglement voor reddingmiddelen in de banden tussen 4000 en 27 500 kHz zijn aangewezen.

3.

De zender moet, wanneer door het Radioreglement gemoduleerde uitzending is voorgeschreven, een modulatiediepte van niet minder dan 70 percent en een toonfrequentie tussen 450 en 1350 Hz hebben.

4.

Behalve met een seinsleutel voor uitzendingen met de hand moet de zender zijn uitgerust met een automatische seingever voor de uitzending van radiotelegrafie-alarm- en radiotelegrafienoodseinen.

5.

De zender moet bij gebruik van de vaste antenne op de radiotelegrafienoodfrequentie een minimum normale reikwijdte als omschreven in artikel 258, zevende lid, onder 1, van 25 zeemijlen hebben. Bij het ontbreken van een veldsterktemeting mag worden aangenomen, dat deze reikwijdte wordt behaald indien het produkt van de hoogte van de antenne boven de waterlijn en de effectieve waarde van de antennestroom 10 meter-ampères bedraagt.

6.

De ontvanger moet de radiotelegrafienoodfrequentie en de door het Radioreglement voor die frequentie aangewezen klassen van uitzending kunnen ontvangen.

7.

De krachtbron moet bestaan uit een accumulatorenbatterij van voldoende capaciteit om de zender onder normale bedrijfsomstandigheden onafgebroken gedurende 4 uren te doen werken. Indien de batterij van een type is dat moet worden geladen, dienen de middelen aanwezig te zijn om zulks vanuit het scheepsnet te doen geschieden. Bovendien moeten de nodige middelen aanwezig zijn om haar te laden, nadat de reddingboot te water is gebracht.

8.

Wanneer de radiotelegrafie-installatie en het in artikel 221, tweeënveertigste lid, onder 29, vereiste zoeklicht worden gevoed vanuit dezelfde batterij, moet deze van voldoende capaciteit zijn om ook in de extra belasting door het zoeklicht te kunnen voorzien.

9.

Een vaste antenne met de middelen om deze op de grootst bereikbare hoogte op te hangen, moet aanwezig zijn.

10.

Buitengaats moet een radio-officier wekelijks de zender met behulp van een doelmatige kunstantenne beproeven en de batterij, wanneer deze van een type is dat moet worden geladen, ten volle laden.

Artikel 262. Draagbare radiotoestellen voor groepsreddingmiddelen

1.

Het ingevolge artikel 197, eerste lid, vereiste toestel moet een zender, een ontvanger, een antenne en een krachtbron omvatten. Het moet zodanig zijn uitgevoerd dat het in geval van nood door een ongeschoold persoon kan worden bediend.

2.

Het toestel moet gemakkelijk draagbaar en waterdicht zijn, in zeewater kunnen drijven en zonder onklaar te raken in zee kunnen worden geworpen. Het toestel moet zo licht en zo compact mogelijk zijn en geschikt zijn voor gebruik zowel in reddingvlotten als reddingboten.

3.

De zender moet op de radiotelegrafienoodfrequentie kunnen zenden in een door het Radioreglement voor die frequentie aangewezen klasse van uitzending en, in de banden tussen 4000 en 27 500 kHz, op de radiotelegrafiefrequentie en in een klasse van uitzending als in het Radioreglement voor reddingmiddelen is aangewezen. Als vervanging van of aanvulling op de uitzending op de radiotelegrafiefrequentie, die door het Radioreglement voor reddingmiddelen in de banden tussen 4000 en 27 500 kHz is aangewezen, mag de zender ook kunnen werken op de radiotelefonienoodfrequentie in een door het Radioreglement voor die frequentie aangewezen klasse van uitzending.

4.

Wanneer door het Radioreglement gemoduleerde uitzending is voorgeschreven moet de zender een modulatiediepte van niet minder dan 70 percent en, in geval uitgezonden wordt op radiotelegrafie, een toonfrequentie tussen 450 en 1350 Hz hebben.

5.

Behalve met een seinsleutel voor uitzendingen met de hand moet de zender zijn voorzien van een automatische seingever voor de uitzending van radiotelegrafie-alarm- en radiotelegrafienoodseinen. Wanneer met de zender kan worden uitgezonden op de radiotelefonienoodfrequentie, moet hij zijn voorzien van een automatische inrichting voor het uitzenden van het radiotelefonie-alarmsein, die voldoet aan de in artikel 267, vijfde lid, gestelde eisen.

6.

De ontvanger moet de radiotelegrafienoodfrequentie en de door het Radioreglement voor die frequentie aangewezen klassen van uitzending kunnen ontvangen. Wanneer de zender kan zenden op de radiotelefonienoodfrequentie moet de ontvanger ook die frequentie en een door het Radioreglement voor die frequentie aangewezen klasse van uitzending kunnen ontvangen.

7.

De antenne moet van het zelfdragende type zijn.

8.

De zender moet een voldoend hoogfrequentvermogen kunnen afgeven aan de in het eerste lid vereiste antenne. Aan dit voorschrift wordt voldaan indien ten minste 10 Watt aan de anode van de eindtrap of een hoogfrequentvermogen van 2 Watt (A 2) op 500 kHz aan een kunstantenne, bestaande uit een serieschakeling van een zuiver Ohmse weerstand van 15 Ohm en een capaciteit van 100 x 1012 Farad wordt geleverd. De zender moet bij voorkeur worden gevoed door een handgenerator; wanneer hij wordt gevoed door een batterij moet deze van een duurzaam type en van voldoende capaciteit zijn.

9.

Buitengaats moet een radio-officier of een radiotelefonist wekelijks de zender met behulp van een doelmatige kunstantenne beproeven en de batterij, wanneer deze van het type is dat moet worden geladen, ten volle laden.

Artikel 263. Noodradiobakens voor groepsreddingmiddelen

1.

Noodradiobakens die volgens het bepaalde in artikel 197, vierde lid, in groepsreddingmiddelen moeten kunnen worden meegevoerd, moeten zodanig kunnen uitzenden dat daardoor vliegtuigen in staat zijn de groepsreddingmiddelen te lokaliseren; tevens mogen zij uitzenden ten behoeve van waarschuwingsdoeleinden.

2.

Noodradiobakens moeten ten minste seinen kunnen uitzenden die voldoen aan de van toepassing zijnde normen en aanbevolen praktijk van de Internationale Burgerluchtvaart Organisatie (ICAO); die seinen moeten worden uitgezonden hetzij afwisselend, hetzij gelijktijdig, op de frequentie 121,5 MHz en 243,0 MHz.

3.

Noodradiobakens moeten:

  • 1°. een goed zichtbare kleur hebben, zodanig zijn ontworpen dat zij kunnen worden gebruikt door een onervaren persoon, en zodanig zijn vervaardigd dat zij gemakkelijk kunnen worden beproefd en onderhouden. Met inachtneming van de beproevingsprocedures, moet het niet nodig zijn dat de batterijen met tussenpozen van minder dan 12 maanden moeten worden vervangen;
  • 2°. waterdicht zijn, kunnen drijven en vanaf een hoogte van ten minste 20 m in het water geworpen kunnen worden zonder dat daarbij beschadiging optreedt;
  • 3°. uitsluitend met de hand in of buiten werking kunnen worden gesteld;
  • 4°. draagbaar, licht in gewicht en compact zijn;
  • 5°. voorzien zijn van een aanwijzing dat seinen worden uitgezonden;
  • 6°. hun voeding verkrijgen van een batterij die een integraal onderdeel is van het toestel, en die voldoende capaciteit heeft om het toestel gedurende 48 uur te laten werken. De uitzendingen mogen onderbroken zijn. Bij het vaststellen van de zendcyclus moet rekening worden gehouden met de kans op een goed uitvoerbare «homing», de noodzaak om blokkering van de frequentie te vermijden en de noodzaak te voldoen aan de voorschriften van de Internationale Burgerluchtvaart Organisatie (ICAO); en
  • 7°. worden beproefd met tussenpozen van niet meer dan 12 maanden, waarbij, indien noodzakelijk, de batterij moet worden vervangen.

Artikel 264. Periodieke keuring van noodradiobakens

De ingevolge het bepaalde in artikel 197, vierde lid, voorgeschreven noodradiobakens moeten met tussenpozen van niet meer dan 12 maanden worden gekeurd, waarbij, indien noodzakelijk, de batterij moet worden vervangen. Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan echter deze periode verlengen tot ten hoogste 17 maanden in gevallen waarin hij dat juist en redelijk acht.

Artikel 265. Portofoon voor groepsreddingmiddelen

1.

De portofoon voor groepsreddingmiddelen, voorgeschreven in artikel 197, vijfde lid, moet zodanig zijn ontworpen dat het toestel in een noodsituatie kan worden gebruikt door een onervaren persoon.

2.

De portofoon moet draagbaar zijn en voor communicatie aan boord gebruikt kunnen worden.

3.

De portofoon moet voldoen aan de van toepassing zijnde voorschriften die in het Radioreglement zijn gesteld ten aanzien van apparatuur voor gebruik aan boord in de Maritieme Mobiele Radiodienst en moet kunnen werken op de kanalen, aangegeven in het Radioreglement, en op de kanalen die door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie worden voorgeschreven. Indien de portofoon kan werken op de bij kanaal 16 behorende frequentie in de VHF-band, moeten maatregelen zijn genomen om ongewilde overschakeling naar kanaal 16 te voorkomen.

4.

De portofoon moet gevoed worden door een batterij die voldoende capaciteit heeft om het toestel gedurende 4 uur te laten werken met een zendcyclus van 1 : 9.

5.

Gedurende de reis moet de portofoon in deugdelijke toestand worden gehouden en moet, wanneer nodig, de batterij volledig opgeladen of vervangen worden.

Artikel 266. Radiotelefoonstations

1.

Het radiotelefoonstation moet zo veilig mogelijk in het bovenste deel van het vaartuig zijn gelegen en zodanig zijn opgesteld, dat het in de grootst mogelijke mate beschermd is tegen lawaai dat aan de goede ontvangst van berichten en seinen afbreuk zou kunnen doen.

2.

Er moet een doeltreffende verbinding zijn tussen het radiotelefoonstation en de brug.

3.

Een betrouwbaar uurwerk moet op een zodanige plaats vast zijn aangebracht, dat de gehele wijzerplaat gemakkelijk vanaf de bedieningsplaats van de radiotelefonie-installatie kan worden waargenomen. Op de wijzerplaat, waarvan de diameter niet minder dan 125 mm mag bedragen, moeten de door het Radioreglement voor de radiotelefoondienst voorgeschreven stilteperioden zijn aangegeven.

4.

Er moet een betrouwbare noodverlichting aanwezig zijn, onafhankelijk van het systeem waaruit de normale verlichting van de radiotelefonie-installatie wordt gevoed en zodanig vast aangebracht, dat zij de bedieningsknoppen van de radiotelefonie-installatie, het in het derde lid vereiste uurwerk en de in het zesde lid vereiste instructie behoorlijk kan verlichten.

5.

Wanneer de krachtbron uit een batterij of uit batterijen bestaat, moet het radiotelefoonstation zijn uitgerust met een middel om de ladingtoestand daarvan te controleren.

6.

Een instructie die een duidelijke samenvatting geeft van de radiotelefonienoodprocedure, moet aanwezig zijn en zodanig zijn opgehangen, dat zij vanaf de plaats waar de radiotelefonie-installatie wordt bediend, geheel zichtbaar is.

7.

Het radiotelefoonstation moet zijn uitgerust met die reserve-onderdelen en gereedschappen, die naar het oordeel van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie nodig zijn om de radiotelefonie-installatie buitengaats in doeltreffende staat te houden.

8.

Het radiotelefoonstation moet zijn uitgerust met middelen ter bestrijding van brand, zoals aangegeven in de artikelen 157, zevende lid, en 180, zevende lid.

Artikel 267. Radiotelefonie-installaties

1.

De radiotelefonie-installatie moet een zender, een ontvanger, een radiotelefonie-luisterwachtontvanger en een voor het doel passende krachtbron omvatten, als nader voorgeschreven in de volgende leden.

2.

De zender moet kunnen zenden op de radiotelefonienoodfrequentie en op ten minste één andere frequentie in de banden tussen 1605 en 2850 kHz in de door het Radioreglement voor deze frequenties aangewezen klassen van uitzending. Bij normaal gebruik moet de modulatie van een enkelzijbanduitzending met volledige draaggolf ten minste 70 percent bedragen bij maximaal uitgestraald vermogen. De modulatie van een enkelzijbanduitzending met verminderde of onderdrukte draaggolf moet zodanig zijn dat de intermodulatieprodukten de in het Radioreglement vermelde waarden niet overschrijden.

3.

Aan boord van een vaartuig waarvan de lengte 35 m of meer, doch minder dan 75 m bedraagt, moet de zender een minimum normale reikwijdte hebben van 150 zeemijlen; daarbij moet hij in staat zijn duidelijk waarneembare seinen van schip tot schip, bij dag en onder normale condities en omstandigheden over dit bereik over te brengen. Duidelijk waarneembare seinen zullen in normale omstandigheden worden ontvangen wanneer de effectieve waarde van de door de ongemoduleerde draaggolf opgewekte veldsterkte bij de ontvanger ten minste 25 microvolt per meter is voor enkelzijbanduitzendingen met volledige draaggolf. Wanneer geen directe meting van de veldsterkte kan worden uitgevoerd, mag worden aangenomen dat deze reikwijdte zal worden verkregen wanneer een maximaal omhullend vermogen van 60 Watt, voor enkelzijbanduitzendingen met volledige draaggolf en 100 percent gemoduleerd door een enkelvoudige, sinusvormige trilling, wordt toegevoerd aan de antenne.

3.

Aan boord van een vaartuig waarvan de lengte minder dan 35 m bedraagt, moet de zender een minimum normale reikwijdte hebben van ten minste 75 zeemijlen.

4.

De zender moet zijn uitgerust met een inrichting voor het automatisch opwekken van het radiotelefonie-alarmsein. Deze inrichting moet zodanig zijn uitgevoerd dat zij niet bij vergissing in werking kan worden gesteld. De inrichting moet te allen tijde buiten werking kunnen worden gesteld, teneinde onmiddellijke uitzending van een noodbericht mogelijk te maken. De goede werking van de inrichting moet periodiek worden gecontroleerd op andere frequenties dan de radiotelefonienoodfrequentie, waarbij van een doelmatig geïnstalleerde kunstantenne gebruik moet worden gemaakt. Voor bestaande installaties dient gebruik te worden gemaakt van een geschikte kunstantenne.

5.

De in het vierde lid voorgeschreven inrichting moet voldoen aan de volgende eisen:

  • 1°. de frequentietolerantie voor elk der tonen mag + of - 1,5 percent zijn;
  • 2°. de tolerantie in de duur van elke toon mag + of - 50 milliseconden zijn;
  • 3°. de pauze tussen opeenvolgende tonen mag niet groter zijn dan 50 milliseconden; en
  • 4°. de verhouding tussen de amplituden van de sterkste en van de zwakste toon moet liggen tussen 1 en 1,2.
6.

De ingevolge het eerste lid vereiste ontvanger moet de radiotelefonienoodfrequentie kunnen ontvangen en ten minste één andere frequentie die beschikbaar is voor radiotelefoonstations voor de scheepvaart in de banden tussen 1605 en 2850 kHz in de door het Radioreglement voor deze frequenties aangewezen klassen van uitzending. Bovendien moet de ontvanger de frequenties en de door het Radioreglement voor deze frequenties aangewezen klassen van uitzending kunnen ontvangen, waarop meteorologische berichten en andere door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie noodzakelijk geachte berichten betreffende de veiligheid van de scheepvaart worden uitgezonden. De ontvanger moet voldoende gevoeligheid hebben om seinen hoorbaar te maken in een luidspreker, wanneer de ingangsspanning aan de ontvanger niet meer is dan 50 microvolt.

7.

De radiotelefonieluisterwachtontvanger moet vast zijn afgestemd op de radiotelefonienoodfrequentie. De ontvanger moet met een filter zijn uitgerust of met een voorziening waardoor het mogelijk is dat de luidspreker op de brug alleen een ontvangen radiotelefonie-alarmsein of een sein voor zeer belangrijke waarschuwingen betreffende de navigatie weergeeft. Het filter of de voorziening moet gemakkelijk kunnen worden ingeschakeld wanneer naar het oordeel van de kapitein de omstandigheden zodanig zijn dat het onderhouden van de luisterwacht de veilige navigatie van het vaartuig in gevaar zou brengen.

8.

Om snelle overgang van zenden op ontvangen mogelijk te maken moet, wanneer regeling met de hand wordt toegepast, de omschakelinrichting op de microfoon- of op het microtelefoonhandvat zijn aangebracht.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)