Wet van 8 oktober 1992, houdende bepalingen met betrekking tot het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek

Type Wet
Publication 2026-01-01
State In force
Source BWB
artikelen 920
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

In deze bijlage zijn in de onderdelen a tot en met h opgenomen de bekostigde instellingen voor hoger onderwijs, bedoeld in artikel 1.8, eerste lid, en zijn in onderdeel i opgenomen de academische ziekenhuizen, bedoeld in artikel 1.13, eerste lid.

De namen van rechtspersonen in deze bijlage worden weergegeven zoals zij luiden op 1 januari 2004.

  • a. De openbare universiteiten te Leiden, Groningen, Amsterdam, Utrecht, Delft, Wageningen, Eindhoven, Enschede, Rotterdam en Maastricht.
  • b. De bijzondere universiteit te:
  • -. Amsterdam, uitgaande van de Vereniging voor christelijk wetenschappelijk onderwijs;
  • -. Nijmegen, uitgaande van de Stichting Katholieke Universiteit;
  • -. Tilburg, uitgaande van de Stichting Katholieke Universiteit Brabant.
  • c. De rechtspersoonlijkheid bezittende openbare hogescholen te Leeuwarden en Velp.
  • d. (vacant)
  • e. (vacant)
  • f. De openbare hogeschool uitgaande van een openbaar lichaam als bedoeld in de Wet gemeenschappelijke regelingen te Emmen, uitgaande van het Openbaar Lichaam Hogeschool Drenthe.
  • g. De bijzondere hogeschool te:
  • -. Alkmaar, uitgaande van de Stichting voor Hoger Beroepsonderwijs Noordelijk Noord-Holland;
  • -. Amsterdam, uitgaande van de Stichting Hogeschool van Amsterdam;
  • -. Amsterdam, uitgaande van de Stichting HES Amsterdam;
  • -. Amsterdam, uitgaande van de Stichting voor de Protestants Christelijke en de Rooms-Katholieke lerarenopleiding voor het Basisonderwijs in Noord-Holland;
  • -. Amsterdam, uitgaande van de Stichting Amsterdamse Hogeschool voor de Kunsten;
  • -. Amsterdam, uitgaande van de Vereniging Gerrit Rietveld Academie, Hogeschool voor Beeldende Kunst en Vormgeving;
  • -. Arnhem, uitgaande van de Stichting Kunstonderwijs Oost-Nederland;
  • -. Arnhem, uitgaande van de Stichting Hogeschool van Arnhem en Nijmegen;
  • -. Breda, uitgaande van de Stichting Hogeschool Brabant;
  • -. Breda, uitgaande van de Stichting Nationale Hogeschool voor Toerisme en Verkeer;
  • -. Delft, uitgaande van de Stichting Agrarische Hogeschool van het Koninklijk Nederlands Landbouw Committee;
  • -. Deventer, uitgaande van de Stichting Hoger Onderwijs Oost-Nederland;
  • -. Diemen, uitgaande van de Stichting voor Protestants-Christelijk en Rooms-Katholiek Hoger Onderwijs te Amsterdam;
  • -. Doetinchem, uitgaande van de Stichting Iselinge;
  • -. Driebergen, uitgaande van de Stichting Hogeschool "de Horst";
  • -. Dronten, uitgaande van de Nederlandse Christelijke Boeren- en Tuindersbond;
  • -. Ede, uitgaande van de Stichting Christelijke Kweekschool op de Veluwe;
  • -. Ede, uitgaande van de Stichting voor Protestants Christelijk Hoger Beroepsonderwijs op Gereformeerde grondslag;
  • -. Eindhoven, aan te duiden als de Fontys Hogeschool Eindhoven, uitgaande van de Stichting Fontys;
  • -. Eindhoven, aan te duiden als de Fontys Pedagogisch Technische Hogeschool Nederland, uitgaande van de Stichting Fontys;
  • -. Eindhoven, aan te duiden als de Fontys Pedagogische Hogeschool Eindhoven, uitgaande van de Stichting Fontys;
  • -. Eindhoven, uitgaande van de Stichting The Design Academy;
  • -. Enschede, uitgaande van de Stichting Hoger Onderwijs Oost-Nederland;
  • -. Gouda, uitgaande van de Stichting voor Christelijk Hoger Onderwijs op Reformatorische grondslag "De Driestar";
  • -. 's-Gravenhage, uitgaande van de Stichting Haagse Hogeschool;
  • -. 's-Gravenhage, uitgaande van de Stichting Hotelschool Den Haag, Hogeschool voor Bedrijfskunde;
  • -. 's-Gravenhage, uitgaande van de Stichting Hogeschool van Beeldende Kunsten, Muziek en Dans;
  • -. Groningen, uitgaande van de Stichting Hoger Onderwijs Groningen;
  • -. Haarlem, uitgaande van de Stichting Hogeschool Haarlem;
  • -. Heerlen, uitgaande van de Hogeschool Limburg/Maastricht;
  • -. Helmond, uitgaande van de Stichting"De Kempel";
  • -. Hengelo, uitgaande van de Stichting Onderwijs Centrum Twente;
  • -. 's-Hertogenbosch, uitgaande van de Stichting Hoger Beroepsonderwijs 's-Hertogenbosch;
  • -. 's-Hertogenbosch, uitgaande van de Stichting Agrarische Hogeschool Den Bosch van de Katholieke Nederlandse Boeren en Tuinders Bond;
  • -. 's-Hertogenbosch, uitgaande van de Stichting Fontys;
  • -. Kampen, uitgaande van de Stichting voor Christelijke Hoger Kunstonderwijs;
  • -. Leeuwarden, uitgaande van de Stichting Noordelijke Hogeschool Leeuwarden;
  • -. Leeuwarden, uitgaande van de Stichting Christelijke Hoger (beroeps-)onderwijs in Noord-Nederland;
  • -. Leiden, uitgaande van de Stichting Leidse Hogeschool voor Beroepsonderwijs;
  • -. Maastricht, uitgaande van de Stichting Hogeschool Limburg/Maastricht;
  • -. Roermond, uitgaande van de Stichting Fontys;
  • -. Rotterdam, uitgaande van de Stichting Hogeschool Rotterdam
  • -. Rotterdam, uitgaande van de Stichting Christelijk Hoger Beroepsonderwijs Zuid-Holland;
  • -. Rotterdam, uitgaande van de Stichting Hogeschool voor Economische Studies Rotterdam;
  • -. Rotterdam, uitgaande van de Stichting Hogeschool voor Muziek en Theater Rotterdam;
  • -. Rijswijk, uitgaande van de Stichting Katholiek Hoger Beroepsonderwijs Zuid-Holland;
  • -. Sittard, uitgaande van de Stichting Fontys;
  • -. Tilburg, uitgaande van de Stichting Fontys;
  • -. Utrecht, uitgaande van de Stichting Hogeschool van Utrecht;
  • -. Utrecht, uitgaande van de Stichting Hogeschool voor de Kunsten
  • -. Utrecht, uitgaande van de Stichting Hogeschool Domstad;
  • -. Utrecht, uitgaande van de Stichting Protestants Christelijk Hoger Beroepsonderwijs Utrecht;
  • -. Venlo, uitgaande van de Stichting Fontys;
  • -. Vlissingen, uitgaande van de Stichting Hogeschool Zeeland;
  • -. Wageningen, uitgaande van de Stichting Hogeschool Diedenoort;
  • -. Wageningen, uitgaande van de Stichting "STOAS";
  • -. Zeist, uitgaande van de Stichting Hogeschool Helicon, onderwijs vanuit antroposofie;
  • -. Zwolle, uitgaande van de Stichting Christelijke Hogeschool Windesheim;
  • -. Zwolle, uitgaande van de Stichting voor Gereformeerd Hoger Beroepsonderwijs;
  • -. Zwolle, uitgaande van de Stichting Katholieke Opleiding tot Leraren in het Basisonderwijs.
  • h. de Open Universiteit te Heerlen.
  • i.
    1. De rechtspersoonlijkheid bezittende academische ziekenhuizen bij de openbare universiteiten te:
  • -. Leiden,
  • -. Groningen,
  • -. Amsterdam,
  • -. Utrecht,
  • -. Rotterdam,
  • -. Maastricht.
    1. De academische ziekenhuizen bij de bijzondere universiteiten te Amsterdam en Nijmegen.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministers, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Artikel 1.19. Opleidingen in het buitenland
1.

Voor een opleiding die in het buitenland wordt verzorgd, bestaat geen aanspraak op bekostiging.

2.

Op het verzorgen van een opleiding in het buitenland is van toepassing hetgeen bij of krachtens deze wet is bepaald ten aanzien van het verzorgen van een opleiding door een rechtspersoon voor hoger onderwijs. Daarbij wordt voor de bekostigde instellingen als bedoeld in artikel 1.8, eerste lid, afgeweken van de artikelen 1.9, derde lid, 2.1, 4.1, 6.1, 7.1, 8.1, 9.1, 9.29 en 10.1.

Artikel 1.20. Verplichting tot overleg en aangifte inzake seksuele misdrijven
1.

Indien het instellingsbestuur op enigerlei wijze bekend is geworden dat een ten behoeve van zijn instelling met taken belast persoon zich mogelijk schuldig maakt of heeft gemaakt aan een seksueel misdrijf als bedoeld in Titel XIV van het Wetboek van Strafrecht jegens een minderjarige student van de instelling, treedt het bevoegd gezag onverwijld in overleg met de vertrouwensinspecteur, bedoeld in artikel 6 van de Wet op het onderwijstoezicht.

2.

Indien uit het overleg, bedoeld in het eerste lid, moet worden geconcludeerd dat er sprake is van een redelijk vermoeden dat de desbetreffende persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een misdrijf als bedoeld in het eerste lid jegens een minderjarige student van de instelling, doet het instellingsbestuur onverwijld aangifte bij een opsporingsambtenaar als bedoeld in artikel 127 juncto artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering, en stelt het instellingsbestuur de vertrouwensinspecteur daarvan onverwijld in kennis. Voordat het instellingsbestuur overgaat tot het doen van aangifte, stelt het de ouders van de betrokken student, onderscheidenlijk de betreffende ten behoeve van de instelling met taken belaste persoon, hiervan op de hoogte.

3.

Indien een personeelslid bekend is geworden dat een ten behoeve van de instelling met taken belast persoon zich mogelijk schuldig maakt of heeft gemaakt aan een misdrijf als bedoeld in het eerste lid jegens een minderjarige student van de instelling, stelt het personeelslid het instellingsbestuur daarvan onverwijld in kennis.

Hoofdstuk 2. Planning en bekostiging

Titel 2. Bekostiging

Titel 3. Inrichting verslag en aanwijzing branchecode

Titel 5. Subsidiëring academische ziekenhuizen ten behoeve van de educatieve voorziening

Hoofdstuk 3. Overleg

Hoofdstuk 4. Het personeel

Hoofdstuk 5a. Accreditatie in het hoger onderwijs

Titel 1. Accreditatieorgaan

Titel 3. Accreditatie bestaande opleiding, commissie van deskundigen en visitatie

Hoofdstuk 6. Onderwijsaanbod

Titel 7. Overige bepalingen

Titel 1. Accreditatieorgaan

Hoofdstuk 7. Onderwijs

Titel 2. Opleidingen rechtspersonen voor hoger onderwijs

Paragraaf 1. Het onderwijs en de examens

Paragraaf 2. Vestigingsplaats opleiding

Paragraaf 4. Graden en titulatuur

Titel 4

Paragraaf 2. Vestigingsplaats opleiding

TITEL 2A. VRIJSTELLING VAN HET AFLEGGEN VAN TENTAMENS OP GROND VAN HET BEZIT VAN EEN DIPLOMA BEROEPSONDERWIJS

Artikel 7.42a. Gedragingen student in relatie tot toekomstige beroepsuitoefening
1.

Het instellingsbestuur kan in bijzondere gevallen na advies van de examencommissie, de decaan of een met de decaan vergelijkbaar orgaan binnen de instelling en na zorgvuldige afweging van de betrokken belangen de inschrijving van een student voor een opleiding beëindigen dan wel weigeren, als die student door zijn gedragingen of uitlatingen blijk heeft gegeven van ongeschiktheid voor de uitoefening van een of meer beroepen waartoe de door hem gevolgde opleiding hem opleidt, dan wel voor de praktische voorbereiding op de beroepsuitoefening.

2.

Het instellingsbestuur dan wel het instellingsbestuur van een andere instelling die een zelfde of verwante opleiding verzorgt, kan besluiten de student niet opnieuw of niet voor die opleiding in te schrijven.

3.

Indien de student, bedoeld in het eerste lid, is ingeschreven voor een andere opleiding en daarbinnen het onderwijs volgt van een afstudeerrichting die overeenkomt met of gelet op de praktische voorbereiding op de beroepsuitoefening verwant is aan de opleiding waarvoor de inschrijving met toepassing van het eerste lid is beëindigd, kan het instellingsbestuur na advies van de examencommissie, de decaan of een met de decaan vergelijkbaar orgaan binnen de instelling en na zorgvuldige afweging van de betrokken belangen besluiten dat de student die afstudeerrichting of andere onderdelen van die opleiding niet mag volgen.

4.

Artikel 7.42, vierde en vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Titel 2. Vooropleidingseisen en toelatingseisen

Artikel 7.59a. Toegankelijke faciliteit
1.

Het instellingsbestuur richt een toegankelijke en eenduidige faciliteit in. Het instellingsbestuur stelt een nadere regeling vast met betrekking tot deze paragraaf en paragraaf 2, die een onderdeel vormt van het bestuurs- en beheersreglement.

2.

Een betrokkene dient een klacht als bedoeld in artikel 7.59b dan wel beroep of bezwaar als bedoeld in paragraaf 2 van deze titel vanwege een schriftelijke beslissing van een orgaan van een instelling inhoudende een rechtshandeling op grond van deze wet en daarop gebaseerde regelingen dan wel vanwege het ontbreken van een dergelijke beslissing in bij de faciliteit. Indien het een beroep of bezwaar van een betrokkene aan een openbare instelling betreft, is artikel 6:4, eerste en tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing.

3.

In deze paragraaf en de paragrafen 2 tot en met 4 wordt onder «betrokkene» verstaan: een student, een aanstaande student, een voormalige student, een extraneus, een aanstaande extraneus of een voormalige extraneus.

4.

De termijn voor het schriftelijk indienen van een beroep of bezwaar als bedoeld in paragraaf 2 bedraagt zes weken.

5.

De faciliteit bevestigt de ontvangst van een binnengekomen klacht, beroep of bezwaar schriftelijk aan de betrokkene en zendt deze, nadat daarop de datum van ontvangst is aangetekend, zo spoedig mogelijk door aan het bevoegde orgaan. Indien het een openbare instelling betreft, is artikel 6:15, eerste en tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing.

6.

De datum van ontvangst, bedoeld in het vijfde lid, is bepalend voor de vraag of een klacht, beroep of bezwaar tijdig is ingediend. Indien het een openbare instelling betreft, is artikel 6:15, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing.

7.

Indien de faciliteit een klacht, beroep of bezwaar aan een onbevoegd orgaan heeft gezonden, zendt dit orgaan het desbetreffende stuk zo spoedig mogelijk terug naar de faciliteit. Het bevoegde orgaan behandelt een klacht, beroep of bezwaar dat door een betrokkene rechtstreeks is ingediend bij dit orgaan slechts na tussenkomst van de faciliteit.

Artikel 7.59b. Klachten

Het instellingsbestuur behandelt een klacht van een betrokkene, wat een bijzondere instelling betreft met overeenkomstige toepassing van titel 9.1 van de Algemene wet bestuursrecht.

Artikel 7.63a. Bevoegdheid en samenstelling geschillenadviescommissie
1.

Elke instelling voor hoger onderwijs heeft een geschillenadviescommissie. Op een geschillenadviescommissie is artikel 7:13, eerste tot en met zesde lid, van de Algemene wet bestuursrecht van overeenkomstige toepassing. De leden van de geschillenadviescommissie zijn functioneel onafhankelijk.

2.

De geschillenadviescommissie brengt aan het instellingsbestuur advies uit over bezwaren met betrekking tot schriftelijke beslissingen van organen van de instelling inhoudende een rechtshandeling op grond van deze wet en daarop gebaseerde regelingen dan wel met betrekking tot het ontbreken van een dergelijke beslissing. De vorige volzin is niet van toepassing op beslissingen als bedoeld in artikel 7.61.

3.

De geschillenadviescommissie gaat na of een minnelijke schikking tussen partijen mogelijk is.

4.

Indien sprake is van onverwijlde spoed kan de voorzitter van de geschillenadviescommissie desgevraagd bepalen dat de geschillenadviescommissie zo spoedig mogelijk advies uitbrengt aan het instellingsbestuur. De voorzitter bepaalt binnen een week na ontvangst van het bezwaar of sprake is van onverwijlde spoed en brengt de betrokkene en het instellingsbestuur hiervan zo spoedig mogelijk op de hoogte. Het instellingsbestuur neemt dan, wat de openbare instellingen betreft in afwijking van artikel 7:10 van de Algemene wet bestuursrecht, binnen vier weken na ontvangst van het bezwaar door de faciliteit een beslissing.

5.

Het instellingsbestuur kan een commissie belasten met de behandeling van en advisering over zowel bezwaren als bedoeld in het tweede lid als klachten als bedoeld in artikel 7.59b, onverminderd het bepaalde bij of krachtens dit artikel en de artikelen 7.59b en 7.63b.

Artikel 7.63b. Beslissing op bezwaren

Het instellingsbestuur beslist na ontvangst van het bezwaar binnen 10 weken, onverminderd de beslissingen op grond van de procedure, bedoeld in artikel 7.63a, vierde lid. Wat de openbare instellingen betreft beslist het instellingsbestuur in afwijking van artikel 7:10, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

Paragraaf 5. Overige bepalingen

Hoofdstuk 7a. Taken in het kader van de zij-instroom in het beroep van leraar en docent

Hoofdstuk 8. Samenwerking bekostigde instellingen voor hoger onderwijs

Hoofdstuk 9. Het bestuur en de inrichting van de universiteiten

Titel 4. Rechtsbescherming van studenten en extraneï

Paragraaf 2. Eigen bijdragen

TITEL 2. MEDEZEGGENSCHAP BINNEN DE OPENBARE UNIVERSITEITEN

Artikel 9.33a. Adviesbevoegdheid universiteitsraad; adviesbevoegdheid studentengeleding
1.

Het college van bestuur vraagt voorafgaand advies van de universiteitsraad voor elk door het college van bestuur te nemen besluit in ieder geval met betrekking tot:

  • a. aangelegenheden die het voortbestaan en de goede gang van zaken binnen de universiteit betreffen,
2.

Het college van bestuur vraagt voorafgaand advies van het deel van de universiteitsraad dat uit en door de studenten is gekozen, voor elk door het college van bestuur te nemen besluit in ieder geval met betrekking tot:

  • c. de regeling van het instellingsbestuur ten aanzien van terugbetaling van wettelijk collegegeld, bedoeld in artikel 7.48, vierde lid,
  • e. de regeling die het instellingsbestuur vaststelt voor de criteria en de procedure voor dispensatie van betaling van het hogere collegegeld, bedoeld in artikel 6.7a, eerste lid, onder c, en
  • f. de regels die het instellingsbestuur vaststelt met betrekking tot de selectie, bedoeld in artikel 7.9b, eerste lid,
  • g. de regels die het instellingsbestuur vaststelt met betrekking tot de studiekeuzeadviezen en studiekeuzeactiviteiten, bedoeld in artikel 7.31b, vijfde lid.
3.

De aanhef van het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op:

  • a. een voorgenomen besluit van de raad van toezicht als bedoeld in artikel 9.8, eerste lid, onder a, met betrekking tot het benoemen of ontslaan van de leden van het college van bestuur;
  • b. een voorgenomen besluit van de raad van toezicht als bedoeld in artikel 9.3, derde lid, en 9.7, vierde lid, met betrekking tot de profielen voor de benoeming van de leden van het college van bestuur onderscheidenlijk de raad van toezicht.
Artikel 9.38c. Begripsbepaling

In deze paragraaf en artikel 9.46 wordt onder medezeggenschapsorgaan verstaan:

  • a. de gezamenlijke vergadering,
  • b. de ondernemingsraad,
  • d. de universiteitsraad,
  • e. de faculteitsraad,
  • g. geledingen van de organen onder a tot en met f,
  • h. de opleidingscommissie.

Paragraaf 4a. Regels voor de selectie van studenten voor opleidingen met een toelatingsbeperking

Titel 3. Het bestuur en de inrichting van en de medezeggenschap binnen de bijzondere universiteiten en de levensbeschouwelijke universiteiten

Titel 4. Bijzonder onderwijs aan universiteiten

Paragraaf 5. Overige bepalingen

Paragraaf 5. Overige bepalingen

Artikel 9.78

Vervallen

Artikel 9.79

Vervallen

Artikel 9.80

Vervallen

Artikel 9.81

Vervallen

Artikel 9.82

Vervallen

Hoofdstuk 9. Het bestuur en de inrichting van de universiteiten

Paragraaf 1. Het bestuur van de universiteit

Artikel 10.3d. Scheiding bestuur en toezicht
1.

Een hogeschool heeft een raad van toezicht.

2.

De raad van toezicht houdt, met het oog op de taken van de hogeschool, bedoeld in artikel 1.3, tweede lid, toezicht op de uitvoering van werkzaamheden en de uitoefening van bevoegdheden door het college van bestuur en staat dit college met raad ter zijde. De raad van toezicht is in elk geval belast met:

  • a. het benoemen, schorsen, ontslaan en vaststellen van de beloning van de leden van het college van bestuur;
  • b. het goedkeuren van het bestuurs- en beheersreglement;
  • c. het goedkeuren van de begroting, de jaarrekening, het bestuursverslag, het instellingsplan;
  • d. indien van toepassing, het goedkeuren van de gemeenschappelijke regeling, bedoeld in artikel 8.1;
  • e. het toezien op de naleving door het college van bestuur van wettelijke verplichtingen en de omgang met de branchecode, bedoeld in artikel 2.9;
  • f. het toezien op de rechtmatige verwerving en op de doelmatige en rechtmatige bestemming en aanwending van de middelen van de hogeschool verkregen op grond van de artikelen 2.5 en 2.6;
  • h. het toezien op de vormgeving van het systeem van kwaliteitszorg overeenkomstig artikel 1.18, en
  • i. het jaarlijks afleggen van verantwoording over de uitvoering van de taken en de uitoefening van de bevoegdheden, bedoeld onder a tot en met h, in het bestuursverslag van de hogeschool.
3.

Het college van bestuur voorziet de raad van toezicht van een functioneel onafhankelijke administratieve ondersteuning. De raad van toezicht heeft instemmingsrecht ten aanzien van de benoeming en het ontslag van de secretaris van de raad.

4.

De samenstelling, taken en bevoegdheden van de raad van toezicht zijn zodanig dat de raad een deugdelijk en onafhankelijk toezicht kan uitoefenen. De leden van de raad van toezicht hebben geen directe belangen bij de hogeschool. Zij hebben zitting op persoonlijke titel en oefenen hun functie uit zonder last of ruggespraak. De benoeming van de leden van de raad geschiedt op basis van vooraf openbaar gemaakte profielen. Een van de leden wordt benoemd op voordracht van de medezeggenschapsraad, dan wel de ondernemingsraad en het orgaan dat op grond van de medezeggenschapsregeling, bedoeld in artikel 10.16a, derde lid, tweede volzin, is ingesteld. De voordracht bevat ten minste twee namen.

5.

De raad van toezicht pleegt ten minste twee keer per jaar overleg met de medezeggenschapsraad dan wel de ondernemingsraad en het orgaan binnen de instelling dat op grond van de medezeggenschapsregeling, bedoeld in artikel 10.16a, derde lid, tweede volzin, is ingesteld.

6.

Indien dat naar het oordeel van het college van bestuur wenselijk is op grond van de levensbeschouwelijke aard van de hogeschool, kan de hogeschool in afwijking van het eerste lid een functionele scheiding tussen het bestuur en het toezicht aanbrengen.

7.

Indien de hogeschool een functionele scheiding aanbrengt, zijn het tweede tot en met vijfde lid van overeenkomstige toepassing. In de statuten wordt vermeld op welke wijze de functionele scheiding wordt gewaarborgd. Het college van bestuur vermeldt jaarlijks in het bestuursverslag, bedoeld in artikel 2.9, de redenen voor eventuele afwijking.

Paragraaf 2. Onderwijs en wetenschapsbeoefening

Paragraaf 2. Onderwijs en wetenschapsbeoefening

TITEL 2. MEDEZEGGENSCHAP BINNEN DE OPENBARE UNIVERSITEITEN

Titel 1. Het bestuur en de inrichting van hogescholen

Artikel 10.16a. Keuze uit medezeggenschapsstelsels
1.

Het college van bestuur besluit:

  • b. dat de onder a bedoelde wet niet van toepassing is op de hogeschool.
2.

Een besluit als bedoeld in het eerste lid, kan telkens opnieuw worden genomen, doch niet eerder dan nadat vijf jaren zijn verstreken sedert het van kracht worden van het vorige besluit terzake.

3.

Het besluit, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel a, stelt de artikelen 10.17 tot en met 10.25 buiten werking voor de desbetreffende hogeschool. Dit besluit gaat gepaard met de vaststelling door het college van bestuur van een medezeggenschapsregeling ten behoeve van de studenten binnen de hogeschool, die ten minste gelijkwaardig is aan het bepaalde in de artikelen 10.17 tot en met 10.25.

4.

Ten gevolge van het besluit, bedoeld in het eerste lid aanhef en onderdeel b, is deze titel van toepassing op de desbetreffende hogeschool.

5.

In het geval dat het eerste lid, aanhef en onderdeel a, toepassing heeft gevonden, behoeft het college van bestuur de voorafgaande instemming van de ondernemingsraad voor het door het college van bestuur te nemen besluit met betrekking tot de keuze uit de medezeggenschapsstelsels, bedoeld in het eerste lid, alsmede voor vaststelling van de medezeggenschapsregeling, bedoeld in het derde lid.

6.

De in de medezeggenschapsregeling vast te stellen medezeggenschapsstructuren sluiten zo veel mogelijk aan bij de organisatiestructuur, besluitvormingsprocedures en verantwoordelijkheidsverdelingen binnen de instelling.

Artikel 10.16b. Instemmingsbevoegdheid gezamenlijke vergadering personeel/studenten
1.

Indien een besluit als bedoeld in artikel 10.16a, eerste lid, aanhef en onderdeel a, is genomen, is er aan een hogeschool een gezamenlijke vergadering verbonden. Van deze vergadering maken deel uit de leden van de ondernemingsraad en de leden van het orgaan dat is ingesteld op grond van de medezeggenschapsregeling, bedoeld in artikel 10.16a, derde lid, tweede volzin.

2.

Het college van bestuur behoeft de voorafgaande instemming van de gezamenlijke vergadering voor elk door hem te nemen besluit met betrekking tot de vaststelling of wijziging van:

  • c. het bestuurs- en beheersreglement, bedoeld in artikel 10.3b, en
  • d. de onderwijs- en examenregeling, bedoeld in artikel 7.13, met uitzondering van het tweede lid, onderdelen a tot en met g, v en z, en het derde lid, van dat artikel.
3.

Het college van bestuur behoeft eveneens de voorafgaande instemming van de gezamenlijke vergadering over de hoofdlijnen van de jaarlijkse begroting, waarbij in ieder geval aandacht wordt besteed aan de beoogde verdeling van de middelen over de beleidsterreinen onderwijs, onderzoek, huisvesting en beheer, investeringen en personeel. Artikel 9.36, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.

4.

Het college van bestuur stelt, met inachtneming van de voorschriften bij of krachtens deze wet, een reglement voor de gezamenlijke vergadering vast. De artikelen 10.21, tweede lid, en 10.22, aanhef en onderdelen f, g en j1, zijn van overeenkomstige toepassing. In het reglement kunnen worden geregeld de aangelegenheden waarover de gezamenlijke vergadering, onverminderd het tweede en derde lid, instemmingsrecht heeft. In het reglement wordt, indien de aantallen leden van de ondernemingsraad en het orgaan, bedoeld in het eerste lid, niet gelijk zijn, tevens geregeld de wijze waarop voor beide geledingen wordt voorzien in gelijke invloed op de besluitvorming binnen de gezamenlijke vergadering.

5.

De gezamenlijke vergadering is bevoegd het college van bestuur ten minste twee maal per jaar uit te nodigen om het voorgenomen beleid te bespreken aan de hand van een door haar opgestelde agenda.

6.

Het college van bestuur behoeft eveneens voorafgaande instemming van de gezamenlijke vergadering voor een besluit tot fusie als bedoeld in artikel 16.16.

7.

Het college van bestuur stelt de gezamenlijke vergadering in de gelegenheid om tijdig voorafgaand aan het verzoek om instemming, bedoeld in het zesde lid, kennis te nemen van de opgestelde fusie-effectrapportage, bedoeld in artikel 16.16a, zesde lid.

Artikel 10.20a. Adviesbevoegdheid medezeggenschapsraad; adviesbevoegdheid studenten
1.

Het college van bestuur vraagt, onverminderd het bepaalde in artikel 10.20, voorafgaand advies aan de medezeggenschapsraad voor elk door het college van bestuur te nemen besluit in ieder geval met betrekking tot:

  • a. aangelegenheden die de doelstellingen, het voortbestaan en de goede gang van zaken binnen de hogeschool betreffen, waaronder begrepen een institutionele fusie als bedoeld in artikel 16.16, eerste lid, en een bestuurlijke fusie als bedoeld in artikel 16.16, tweede lid,
2.

Het college van bestuur vraagt voorafgaand advies van het deel van de medezeggenschapsraad dat uit en door de studenten is gekozen, voor elk door het college van bestuur te nemen besluit in ieder geval met betrekking tot:

  • c. de regeling van het instellingsbestuur ten aanzien van terugbetaling van wettelijk collegegeld, bedoeld in artikel 7.48, vierde lid,
  • e. de regeling die het instellingsbestuur vaststelt voor de criteria en de procedure voor dispensatie van betaling van het hogere collegegeld, bedoeld in artikel 6.7a, eerste lid, onder c, en
  • f. de regels die het instellingsbestuur vaststelt met betrekking tot de selectie, bedoeld in artikel 7.9b, eerste lid,
  • g. de regels die het instellingsbestuur vaststelt met betrekking tot de studiekeuzeadviezen en studiekeuzeactiviteiten, bedoeld in artikel 7.31b, vijfde lid.
3.

De aanhef van het eerste lid is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot een voorgenomen besluit van de raad van toezicht:

Hoofdstuk 10. Het bestuur en de inrichting van de hogescholen

Paragraaf 5. Medezeggenschap binnen onderzoekinstituten en onderzoekscholen

Paragraaf 1. Het bestuur en de inrichting van de hogeschool

Paragraaf 1. Het bestuur en de inrichting van de hogeschool

Titel 3. Medezeggenschap

Titel 3. Medezeggenschap

Titel 2. Het bestuur en de inrichting van hogescholen met rechtspersoonlijkheid

Hoofdstuk 12. Het bestuur en de inrichting van de academische ziekenhuizen

Hoofdstuk 15. Inhouding bekostiging, schadevergoeding en strafbepalingen

Hoofdstuk 13. Het bestuur en de inrichting van de instellingen voor wetenschappelijk onderzoek

Paragraaf 2. Onderwijs

Paragraaf 1. Het bestuur van de Open Universiteit

Paragraaf 1. Het bestuur van de Open Universiteit

Paragraaf 1. Het bestuur van de Open Universiteit

Titel 1. Het bestuur en de inrichting van de academische ziekenhuizen

Titel 1. Het bestuur en de inrichting van de academische ziekenhuizen

Titel 4. Wet van 10 april 1997 (Stb. 162)

Hoofdstuk 14. Beroep bij de bestuursrechter

Titel 1. Wet van 25 januari 1996 (Stb. 172)

Titel 1. Het bestuur en de inrichting van de academische ziekenhuizen

Paragraaf 3. De academische ziekenhuizen bij de bijzondere universiteiten

Paragraaf 4. Doctoraten Internationaal Instituut voor Sociale Studiën

Titel 7. Wet van 10 december 1998 (Stb. 733)

Titel 8. Wet van 3 april 1999 (Stb. 170)

Titel 1. Wet van 6 juni 2002 (Stb. 302)

Titel 2. Wet van 6 juni 2002 (Stb. 303)

Hoofdstuk 19. Slotbepalingen

Bijlage. behorende bij de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek

In deze bijlage zijn in de onderdelen a tot en met i opgenomen de bekostigde instellingen voor hoger onderwijs, bedoeld in artikel 1.8, eerste lid, en zijn in onderdeel j opgenomen de academische ziekenhuizen, bedoeld in artikel 1.13, eerste lid.

De namen van rechtspersonen in deze bijlage worden weergegeven zoals zij luiden op 1 januari 2004.

  • a. De openbare universiteiten te Leiden, Groningen, Amsterdam, Utrecht, Delft, Wageningen, Eindhoven, Enschede, Rotterdam en Maastricht.
  • b. De bijzondere universiteit te:
  • -. Amsterdam, uitgaande van de Vereniging voor christelijk wetenschappelijk onderwijs;
  • -. Nijmegen, uitgaande van de Stichting Katholieke Universiteit;
  • -. Tilburg, uitgaande van de Stichting Katholieke Universiteit Brabant.
  • c. De rechtspersoonlijkheid bezittende openbare hogescholen te Leeuwarden en Velp.
  • d. (vacant)
  • e. (vacant)
  • f. (vacant)
  • g. De bijzondere hogescholen:
  • –. Agrarische Hogeschool Larenstein, uitgaande van de Stichting Van Hall Larenstein;
  • –. Amsterdamse Hogeschool voor de Kunsten, uitgaande van de Stichting Amsterdamse Hogeschool voor de Kunsten;
  • –. ArtEZ, Hogeschool voor de Kunsten, uitgaande van de Stichting ArtEZ;
  • –. Avans Hogeschool, uitgaande van de Stichting Avans;
  • –. Christelijke Agrarische Hogeschool, uitgaande van de stichting Christelijke Agrarische Hogeschool;
  • –. Christelijke Hogeschool Ede, uitgaande van de Stichting voor Christelijk Hoger Onderwijs op Gereformeerde Grondslag;
  • –. Christelijke Hogeschool Windesheim, uitgaande van de Vereniging Christelijk Hoger Onderwijs;
  • –. Codarts, Hogeschool voor de Kunsten, uitgaande van de Stichting Codarts, Hogeschool voor de Kunsten;
  • –. Design Academy, uitgaande van de Stichting The Design Academy;
  • –. Fontys Hogeschool Eindhoven, uitgaande van de Stichting Fontys;
  • –. Fontys Hogeschool ’s-Hertogenbosch, uitgaande van de Stichting Fontys;
  • –. Fontys Hogeschool Roermond, uitgaande van de Stichting Fontys;
  • –. Fontys Hogeschool Sittard, uitgaande van de Stichting Fontys;
  • –. Fontys Hogeschool Tilburg, uitgaande van de Stichting Fontys;
  • –. Fontys Hogeschool Venlo, uitgaande van de Stichting Fontys;
  • –. Fontys Pedagogische Hogeschool Eindhoven uitgaande van de Stichting Fontys;
  • –. Fontys Pedagogisch Technische Hogeschool Nederland, uitgaande van de Stichting Fontys;
  • –. Gereformeerde Hogeschool, uitgaande van de Stichting voor Gereformeerd Hoger Beroepsonderwijs;
  • –. Haagse Hogeschool, uitgaande van de Stichting Hoger Beroepsonderwijs Haaglanden en Rijnstreek;
  • –. Hanzehogeschool Groningen, uitgaande van de Stichting Hanzehogeschool Groningen;
  • –. HAS Den Bosch, uitgaande van de Stichting Agrarische Hogeschool Den Bosch van de Katholieke Nederlandse Boeren en Tuinders Bond;
  • –. Hogeschool van Amsterdam, uitgaande van de Stichting Hogeschool van Amsterdam;
  • –. Hogeschool van Arnhem en Nijmegen, uitgaande van de Stichting Hogeschool van Arnhem en Nijmegen;
  • –. Hogeschool «De Driestar», uitgaande van de Stichting voor Christelijk Hoger Onderwijs op Reformatorische grondslag «De Driestar»;
  • –. Hogeschool «De Kempel», uitgaande van de Stichting «De Kempel»;
  • –. Hogeschool Domstad Katholieke lerarenopleiding basisonderwijs, uitgaande van de Stichting Katholieke Opleiding tot Leraren in het Basisonderwijs;
  • –. Hogeschool Edith Stein, uitgaande van de Stichting Onderwijs Centrum Twente;
  • –. Hogeschool Helicon, uitgaande van de Stichting Hogeschool Helicon, onderwijs vanuit antroposofie;
  • –. Hogeschool INHOLLAND, uitgaande van de Stichting Hoger Onderwijs Nederland;
  • –. Hogeschool IPABO Amsterdam/Alkmaar, uitgaande van de Stichting voor de Protestants Christelijke en de Rooms-Katholieke lerarenopleiding voor het Basisonderwijs in Noord-Holland;
  • –. Hogeschool Leiden, uitgaande van Stichting Hogeschool Leiden;
  • –. Hogeschool Rotterdam, uitgaande van de Stichting Hogeschool Rotterdam;
  • –. Hogeschool Utrecht, uitgaande van de Stichting Hogeschool Utrecht;
  • –. Hogeschool van Beeldende Kunsten, Muziek en Dans, uitgaande van de Stichting Hogeschool van Beeldende Kunsten, Muziek en Dans;
  • –. Hogeschool voor Beeldende Kunst en Vormgeving, uitgaande van de Stichting Gerrit Rietveld Academie te Amsterdam;
  • –. Hogeschool voor de Kunsten Utrecht, uitgaande van de Stichting hogeschool voor de Kunsten Utrecht;
  • –. Hogeschool Zeeland, uitgaande van de Stichting Hogeschool Zeeland;
  • –. Hogeschool Zuyd, uitgaande van de Stichting Hogeschool Zuyd;
  • –. Hotelschool Den Haag, uitgaande van de Stichting Hotelschool Den Haag;
  • –. Iselinge, educatieve faculteit, uitgaande van de Stichting IJsselgroep Iselinge;
  • –. Katholieke PABO, uitgaande van de Stichting Katholieke Opleiding tot Leraren in het Basisonderwijs;
  • –. Marnix Academie Prot. Chr. hogeschool Lerarenopleiding basisonderwijs, uitgaande van de Stichting Protestants Christelijke Hoger Beroepsonderwijs Utrecht;
  • –. NHTV Internationale Hogeschool, uitgaande van de Stichting NHTV Internationale Hogeschool te Breda;
  • –. Noordelijke Hogeschool Leeuwarden, uitgaande van de Stichting Noordelijke Hogeschool Leeuwarden;
  • –. Saxion Hogescholen, uitgaande van de Stichting Saxion;
  • –. Stenden Hogeschool, Christelijke Hogeschool Nederland, uitgaande van de Stichting Stenden Hogeschool;
  • –. Stenden Hogeschool Drenthe, uitgaande van de Stichting Stenden Hogeschool;
  • –. STOAS Hogeschool, Wageningen, uitgaande van de Stichting STOAS;
  • –. Van Hall Instituut, uitgaande van de Stichting Van Hall Larenstein.
  • h. de Open Universiteit te Heerlen.
  • i. de levensbeschouwelijke universiteiten:
  • –. Protestantse Theologische Universiteit te Kampen, uitgaande van de Protestantse Kerk in Nederland;
  • –. Theologische Universiteit der Christelijke Gereformeerde Kerken in Nederland te Apeldoorn, uitgaande van het kerkgenootschap Christelijke Gereformeerde Kerken;
  • –. Universiteit voor Humanistiek te Utrecht, uitgaande van de Stichting Universiteit voor Humanistiek.
  • –. Theologische Universiteit, uitgaande van de gezamenlijke rechtspersoonlijkheid bezittende Gereformeerde Kerken in Nederland (vrijgemaakt) te Kampen.
  • j.
    1. De rechtspersoonlijkheid bezittende academische ziekenhuizen bij de openbare universiteiten te:
  • -. Leiden,
  • -. Groningen,
  • -. Amsterdam,
  • -. Utrecht,
  • -. Rotterdam,
  • -. Maastricht.
    1. De academische ziekenhuizen bij de bijzondere universiteiten te Amsterdam en Nijmegen.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministers, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Artikel 5a.10a. Uitgebreide beoordelingscriteria voor verlenen toets nieuwe opleiding

Vervallen

Artikel 5a.12b. Intrekken accreditatie en toets nieuwe opleiding

Vervallen

Titel 4. Intrekking van accreditatie en de gevolgen van intrekking

Artikel 5a.13a. Instellingstoets kwaliteitszorg

Vervallen

Artikel 5a.13b. Beoordelingscriteria instellingstoets kwaliteitszorg

Vervallen

Artikel 5a.13c. Besluit instellingstoets kwaliteitszorg

Vervallen

Artikel 5a.13d. Beoordeling door accreditatieorgaan

Vervallen

Artikel 5a.13e. Gevolgen besluit instellingstoets kwaliteitszorg

Vervallen

Artikel 5a.13f. Beperkte beoordelingscriteria accreditatie bij instellingen met een instellingstoets kwaliteitszorg

Vervallen

Artikel 5a.13g. Beperkte beoordelingscriteria toets nieuwe opleiding bij instellingen met een instellingstoets kwaliteitszorg

Vervallen

Titel 2a. Instellingstoets kwaliteitszorg

Hoofdstuk 6. Onderwijsaanbod

Titel 2. Opleidingen rechtspersonen voor hoger onderwijs

Titel 3. Het Centraal register opleidingen hoger onderwijs

Hoofdstuk 7. Onderwijs

Titel 2. Opleidingen rechtspersonen voor hoger onderwijs

Paragraaf 1. Het onderwijs en de examens

Paragraaf 2. Vestigingsplaats opleiding

Titel 2. Vooropleidingseisen en toelatingseisen

Titel 2. Vooropleidingseisen en toelatingseisen

Paragraaf 1. Vooropleidingseisen associate degree-opleidingen en bacheloropleidingen

Paragraaf 1. Aanmelding, studiekeuzeactiviteiten en studiekeuzeadvies

Titel 4. Rechtsbescherming van studenten en extraneï

Paragraaf 1. Toegankelijke faciliteit; klachten

Hoofdstuk 7a. Taken in het kader van de zij-instroom in het beroep van leraar en docent

Hoofdstuk 8. Samenwerking bekostigde instellingen voor hoger onderwijs

Hoofdstuk 7a. Taken in het kader van de zij-instroom in het beroep van leraar en docent

Paragraaf 1. Toegankelijke faciliteit; klachten

Paragraaf 4a. Regels voor de selectie van studenten voor opleidingen met een toelatingsbeperking

Paragraaf 5. Overige bepalingen

Titel 4. Rechtsbescherming van studenten en extraneï

Titel 4. Rechtsbescherming van studenten en extraneï

Paragraaf 1. Toegankelijke faciliteit; klachten

Artikel 9.76

Vervallen

Artikel 9.78

Vervallen

Artikel 9.78

Vervallen

Artikel 9.79

Vervallen

Artikel 9.76

Vervallen

Artikel 9.81

Vervallen

Hoofdstuk 10. Het bestuur en de inrichting van de hogescholen

Paragraaf 4. Schorsing en vernietiging besluiten faculteit en voorziening bij verwaarlozing bestuur faculteit

Paragraaf 3. Onderzoekinstituten en onderzoekscholen

Paragraaf 1. Medezeggenschap binnen de universiteit

TITEL 2. MEDEZEGGENSCHAP BINNEN DE OPENBARE UNIVERSITEITEN

Hoofdstuk 11. Het bestuur en de inrichting van de Open Universiteit

Paragraaf 4. Overige bepalingen

Paragraaf 1a. Onderwijsbeoefening

Paragraaf 2. Geschillenregeling

Titel 3. Medezeggenschap

Titel 3. Het gemeenschappelijk uitvoeringsorgaan

Titel 3. Medezeggenschap

Hoofdstuk 14. Beroep op de administratieve rechter

Hoofdstuk 13. Het bestuur en de inrichting van de instellingen voor wetenschappelijk onderzoek

Paragraaf 1. Onderwijsbevoegdheden en rechtspositie

Paragraaf 2. Onderwijs

Paragraaf 3. Schorsing en vernietiging van besluiten

Paragraaf 1. Het bestuur van de Open Universiteit

Paragraaf 3. Schorsing en vernietiging van besluiten

Hoofdstuk 12. Het bestuur en de inrichting van de academische ziekenhuizen

Titel 1. Het bestuur en de inrichting van de academische ziekenhuizen

Titel 1. Wet van 25 januari 1996 (Stb. 172)

Titel 2. Wet van 28 maart 1996 (Stb. 226)

Titel 1. Het bestuur en de inrichting van de academische ziekenhuizen

Hoofdstuk 17. Overgangs- en invoeringsbepalingen wijzigingswetten tot 2002

Titel 1. Wet van 25 januari 1996 (Stb. 172)

Paragraaf 1. Algemene bepalingen

Paragraaf 7. Bijdragen uit ’s Rijks kas voor theologisch en levensbeschouwelijk onderwijs

Paragraaf 1. Onderwijsbevoegdheden en rechtspositie

Paragraaf 1. Onderwijsbevoegdheden en rechtspositie

Titel 1. Wet van 6 juni 2002 (Stb. 302)

Titel 2. Wet van 6 juni 2002 (Stb. 303)

Titel 4. Wet van 30 januari 2003 (Stb. 70)

Titel 3. Wet van 4 juli 1996 (Stb. 434)

Hoofdstuk 19. Slotbepalingen

Bijlage. behorende bij de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek

In deze bijlage zijn in de onderdelen a tot en met i opgenomen de bekostigde instellingen voor hoger onderwijs, bedoeld in artikel 1.8, eerste lid, en zijn in onderdeel j opgenomen de academische ziekenhuizen, bedoeld in artikel 1.13, eerste lid.

De namen van rechtspersonen in deze bijlage worden weergegeven zoals zij luiden op 1 januari 2004.

  • a. De openbare universiteiten te Leiden, Groningen, Amsterdam, Utrecht, Delft, Wageningen, Eindhoven, Enschede, Rotterdam en Maastricht.
  • b. De bijzondere universiteit te:
  • -. Amsterdam, uitgaande van de Vereniging voor christelijk wetenschappelijk onderwijs;
  • -. Nijmegen, uitgaande van de Stichting Katholieke Universiteit;
  • -. Tilburg, uitgaande van de Stichting Katholieke Universiteit Brabant.
  • c. De rechtspersoonlijkheid bezittende openbare hogescholen te Leeuwarden en Velp.
  • d. (vacant)
  • e. (vacant)
  • f. (vacant)
  • g. De bijzondere hogescholen:
  • –. Agrarische Hogeschool Larenstein, uitgaande van de Stichting Van Hall Larenstein;
  • –. Amsterdamse Hogeschool voor de Kunsten, uitgaande van de Stichting Amsterdamse Hogeschool voor de Kunsten;
  • –. ArtEZ, Hogeschool voor de Kunsten, uitgaande van de Stichting ArtEZ;
  • –. Avans Hogeschool, uitgaande van de Stichting Avans;
  • –. Christelijke Agrarische Hogeschool, uitgaande van de stichting Christelijke Agrarische Hogeschool;
  • –. Christelijke Hogeschool Ede, uitgaande van de Stichting voor Christelijk Hoger Onderwijs op Gereformeerde Grondslag;
  • –. Christelijke Hogeschool Windesheim, uitgaande van de Vereniging Christelijk Hoger Onderwijs;
  • –. Codarts, Hogeschool voor de Kunsten, uitgaande van de Stichting Codarts, Hogeschool voor de Kunsten;
  • –. Design Academy, uitgaande van de Stichting The Design Academy;
  • –. Fontys Hogeschool Eindhoven, uitgaande van de Stichting Fontys;
  • –. Fontys Hogeschool ’s-Hertogenbosch, uitgaande van de Stichting Fontys;
  • –. Fontys Hogeschool Roermond, uitgaande van de Stichting Fontys;
  • –. Fontys Hogeschool Sittard, uitgaande van de Stichting Fontys;
  • –. Fontys Hogeschool Tilburg, uitgaande van de Stichting Fontys;
  • –. Fontys Hogeschool Venlo, uitgaande van de Stichting Fontys;
  • –. Fontys Pedagogische Hogeschool Eindhoven uitgaande van de Stichting Fontys;
  • –. Fontys Pedagogisch Technische Hogeschool Nederland, uitgaande van de Stichting Fontys;
  • –. Gereformeerde Hogeschool, uitgaande van de Stichting voor Gereformeerd Hoger Beroepsonderwijs;
  • –. Haagse Hogeschool, uitgaande van de Stichting Hoger Beroepsonderwijs Haaglanden en Rijnstreek;
  • –. Hanzehogeschool Groningen, uitgaande van de Stichting Hanzehogeschool Groningen;
  • –. HAS Den Bosch, uitgaande van de Stichting Agrarische Hogeschool Den Bosch van de Katholieke Nederlandse Boeren en Tuinders Bond;
  • –. Hogeschool van Amsterdam, uitgaande van de Stichting Hogeschool van Amsterdam;
  • –. Hogeschool van Arnhem en Nijmegen, uitgaande van de Stichting Hogeschool van Arnhem en Nijmegen;
  • –. Hogeschool «De Driestar», uitgaande van de Stichting voor Christelijk Hoger Onderwijs op Reformatorische grondslag «De Driestar»;
  • –. Hogeschool «De Kempel», uitgaande van de Stichting «De Kempel»;
  • –. Hogeschool Domstad Katholieke lerarenopleiding basisonderwijs, uitgaande van de Stichting Katholieke Opleiding tot Leraren in het Basisonderwijs;
  • –. Hogeschool Edith Stein, uitgaande van de Stichting Onderwijs Centrum Twente;
  • –. Hogeschool Helicon, uitgaande van de Stichting Hogeschool Helicon, onderwijs vanuit antroposofie;
  • –. Hogeschool INHOLLAND, uitgaande van de Stichting Hoger Onderwijs Nederland;
  • –. Hogeschool IPABO Amsterdam/Alkmaar, uitgaande van de Stichting voor de Protestants Christelijke en de Rooms-Katholieke lerarenopleiding voor het Basisonderwijs in Noord-Holland;
  • –. Hogeschool Leiden, uitgaande van Stichting Hogeschool Leiden;
  • –. Hogeschool Rotterdam, uitgaande van de Stichting Hogeschool Rotterdam;
  • –. Hogeschool Utrecht, uitgaande van de Stichting Hogeschool Utrecht;
  • –. Hogeschool van Beeldende Kunsten, Muziek en Dans, uitgaande van de Stichting Hogeschool van Beeldende Kunsten, Muziek en Dans;
  • –. Hogeschool voor Beeldende Kunst en Vormgeving, uitgaande van de Stichting Gerrit Rietveld Academie te Amsterdam;
  • –. Hogeschool voor de Kunsten Utrecht, uitgaande van de Stichting hogeschool voor de Kunsten Utrecht;
  • –. Hogeschool Zeeland, uitgaande van de Stichting Hogeschool Zeeland;
  • –. Hogeschool Zuyd, uitgaande van de Stichting Hogeschool Zuyd;
  • –. Hotelschool Den Haag, uitgaande van de Stichting Hotelschool Den Haag;
  • –. Iselinge, educatieve faculteit, uitgaande van de Stichting IJsselgroep Iselinge;
  • –. Katholieke PABO, uitgaande van de Stichting Katholieke Opleiding tot Leraren in het Basisonderwijs;
  • –. Marnix Academie Prot. Chr. hogeschool Lerarenopleiding basisonderwijs, uitgaande van de Stichting Protestants Christelijke Hoger Beroepsonderwijs Utrecht;
  • –. NHTV Internationale Hogeschool, uitgaande van de Stichting NHTV Internationale Hogeschool te Breda;
  • –. Noordelijke Hogeschool Leeuwarden, uitgaande van de Stichting Noordelijke Hogeschool Leeuwarden;
  • –. Saxion Hogescholen, uitgaande van de Stichting Saxion;
  • –. Stenden Hogeschool, Christelijke Hogeschool Nederland, uitgaande van de Stichting Stenden Hogeschool;
  • –. Stenden Hogeschool Drenthe, uitgaande van de Stichting Stenden Hogeschool;
  • –. STOAS Hogeschool, Wageningen, uitgaande van de Stichting STOAS;
  • –. Van Hall Instituut, uitgaande van de Stichting Van Hall Larenstein.
  • h. de Open Universiteit te Heerlen.
  • i. de levensbeschouwelijke universiteiten:
  • –. Protestantse Theologische Universiteit te Kampen, uitgaande van de Protestantse Kerk in Nederland;
  • –. Theologische Universiteit der Christelijke Gereformeerde Kerken in Nederland te Apeldoorn, uitgaande van het kerkgenootschap Christelijke Gereformeerde Kerken;
  • –. Universiteit voor Humanistiek te Utrecht, uitgaande van de Stichting Universiteit voor Humanistiek.
  • –. Theologische Universiteit, uitgaande van de gezamenlijke rechtspersoonlijkheid bezittende Gereformeerde Kerken in Nederland (vrijgemaakt) te Kampen.
  • j.
    1. De rechtspersoonlijkheid bezittende academische ziekenhuizen bij de openbare universiteiten te:
  • -. Leiden,
  • -. Groningen,
  • -. Amsterdam,
  • -. Utrecht,
  • -. Rotterdam,
  • -. Maastricht.
    1. De academische ziekenhuizen bij de bijzondere universiteiten te Amsterdam en Nijmegen.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministers, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Artikel 7.45a. Aanspraak op wettelijk collegegeld
1.

Het wettelijk collegegeld is verschuldigd door een student die tot één van de groepen van personen, bedoeld in artikel 2.2 van de Wet studiefinanciering 2000 behoort of die de Surinaamse nationaliteit bezit. Voor een inschrijving aan een associate degree-opleiding geldt als aanvullende voorwaarde, dat de student blijkens het register onderwijsdeelnemers sedert 1 september 1991 niet eerder bij een bekostigde instelling in verband met het volgen van initieel onderwijs een graad Associate degree, een graad Bachelor of een graad Master als bedoeld in artikel 7.10a heeft behaald. Voor een inschrijving aan een bacheloropleiding geldt als aanvullende voorwaarde, dat de student blijkens het register onderwijsdeelnemers sedert 1 september 1991 niet eerder bij een bekostigde instelling in verband met het volgen van initieel onderwijs een graad Bachelor als bedoeld in artikel 7.10a heeft behaald. Voor een inschrijving aan een masteropleiding geldt als aanvullende voorwaarde, dat de student blijkens het register onderwijsdeelnemers sedert 1 september 1991 niet eerder bij een bekostigde instelling in verband met het volgen van initieel onderwijs een graad Master als bedoeld in artikel 7.10a heeft behaald.

2.

Bij algemene maatregel van bestuur kan de categorie studenten, bedoeld in het eerste lid, worden uitgebreid.

3.

Een student als bedoeld in het eerste en tweede lid, die is ingeschreven voor een voltijdse opleiding is het volledig wettelijk collegegeld, bedoeld in artikel 7.45, eerste lid, verschuldigd.

4.

Een student als bedoeld in het eerste en tweede lid, die is ingeschreven voor een deeltijdse of duale opleiding, is het gedeeltelijk wettelijk collegegeld, bedoeld in artikel 7.45, tweede lid, verschuldigd.

5.

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen groepen studenten worden aangewezen die verlaagd wettelijk collegegeld verschuldigd zijn, waarbij onderscheid kan worden gemaakt naar opleiding, leerjaar, de wijze waarop een opleiding is ingericht en het instroomcohort.

6.

Indien een student als bedoeld in het eerste en tweede lid meer dan één opleiding volgt en de opleiding waarvoor hij het eerst is ingeschreven met goed gevolg afrondt, is deze student het wettelijk collegegeld verschuldigd voor het resterende deel van het studiejaar. Het verschuldigde bedrag wordt in dat geval berekend naar rato van het aantal resterende maanden van het desbetreffende studiejaar.

7.

Voor de voorwaarden, bedoeld in het eerste lid, wordt met een student die een bachelorgraad als bedoeld in artikel 7.10a heeft behaald gelijkgesteld:

  • a. een student die met goed gevolg het afsluitend examen heeft afgelegd van een hogere beroepsopleiding met een studielast van 168 studiepunten, volgens de wet zoals die luidde op 31 augustus 2002, en
  • b. een student die met goed gevolg het kandidaatsexamen heeft afgelegd van een opleiding in het wetenschappelijk onderwijs als bedoeld in artikel 7.8, zoals dat artikel luidde op 31 augustus 2002.
8.

Voor de voorwaarden, bedoeld in het eerste lid, wordt met een student die een bachelor- en mastergraad als bedoeld in artikel 7.10a heeft behaald, gelijkgesteld:

  • a. een student die met goed gevolg het afsluitend examen heeft afgelegd van een opleiding in het wetenschappelijk onderwijs als bedoeld in artikel 7.3, zoals dat artikel luidde op 31 augustus 2002; en
  • b. een student die op grond van artikel 18.15 met goed gevolg het afsluitend examen heeft afgelegd van een opleiding in het wetenschappelijk onderwijs.
9.

Voor de voorwaarden, bedoeld in het eerste lid, wordt een student die voor inwerkingtreding van de Wet invoering associate degree-opleiding met goed gevolg het afsluitend examen heeft afgelegd van een Ad-programma gelijkgesteld met een student die een graad Associate degree heeft behaald.

Artikel 7.45b. Collegegeld OU
1.

Een student als bedoeld in artikel 7.45a, eerste en tweede lid, die is ingeschreven voor een onderwijseenheid bij de Open Universiteit, is collegegeld OU verschuldigd ter hoogte van ten minste één zestigste deel en ten hoogste één dertigste deel van het volledig wettelijk collegegeld, bedoeld in artikel 7.45, eerste lid, vermenigvuldigd met het aantal studiepunten dat een onderwijseenheid groot is.

2.

In afwijking van het eerste lid, kan bij algemene maatregel van bestuur voor de in het eerste lid bedoelde studenten een verlaagd collegegeld OU worden vastgesteld. De artikelen 7.45, zesde lid, en 7.45a, vijfde lid, zijn van overeenkomstige toepassing.

3.

Een student die is ingeschreven voor een onderwijseenheid bij de Open Universiteit en die niet voldoet aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 7.45a, eerste en tweede lid, is collegegeld OU verschuldigd ter hoogte van ten minste één dertigste deel van het volledig wettelijk collegegeld, bedoeld in artikel 7.45, eerste lid, vermenigvuldigd met het aantal studiepunten dat een onderwijseenheid groot is.

4.

De hoogte van het collegegeld OU wordt door het instellingsbestuur van de Open Universiteit vastgesteld. Voor de categorie studenten, bedoeld in het derde lid, kan het instellingsbestuur van de Open Universiteit per onderwijseenheid of groep van onderwijseenheden of per groep of groepen studenten een verschillend collegegeld OU vaststellen.

5.

Indien een student als bedoeld in het derde lid gedurende een studiejaar alsnog voldoet aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 7.45a, eerste en tweede lid, is hij voor het resterende deel van het studiejaar op zijn verzoek het collegegeld OU, bedoeld in het eerste of tweede lid, verschuldigd, en betaalt het instellingsbestuur OU hem het hogere collegegeld OU, dat de student voor het restant van het studiejaar heeft betaald, terug.

6.

Het instellingsbestuur van de Open Universiteit stelt regels vast met betrekking tot de toepassing van dit artikel.

Paragraaf 2. Toelatingseisen masteropleidingen

Paragraaf 5. Overige bepalingen

Hoofdstuk 7a. Taken in het kader van de zij-instroom in het beroep van leraar en docent

Hoofdstuk 9. Het bestuur en de inrichting van de universiteiten

TITEL 1. HET BESTUUR EN DE INRICHTING VAN DE OPENBARE UNIVERSITEITEN

Paragraaf 2. College van beroep voor de examens; geschillenadviescommissie

Paragraaf 1. Toegankelijke faciliteit; klachten

Titel 4. Rechtsbescherming van studenten en extraneï

Paragraaf 2. College van beroep voor de examens; geschillenadviescommissie

Artikel 9.78

Vervallen

Artikel 9.76

Vervallen

Hoofdstuk 10. Het bestuur en de inrichting van de hogescholen

Paragraaf 2. Onderwijs en wetenschapsbeoefening

Paragraaf 3. Onderzoekinstituten en onderzoekscholen

Paragraaf 3. Onderzoekinstituten en onderzoekscholen

Paragraaf 2. Geschillenregeling

Titel 2. Het bestuur en de inrichting van hogescholen met rechtspersoonlijkheid

Titel 3. Medezeggenschap

Hoofdstuk 11. Het bestuur en de inrichting van de Open Universiteit

Paragraaf 5. Medezeggenschap binnen onderzoekinstituten en onderzoekscholen

Paragraaf 1. Het bestuur van de Open Universiteit

Paragraaf 1a. Onderwijsbeoefening

Titel 3. Medezeggenschap

Titel 4. Overleg bestuur faculteit der geneeskunde en raad van bestuur

Titel 2. Het bestuur en de inrichting van hogescholen met rechtspersoonlijkheid

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)