Wet van 8 oktober 1992, houdende bepalingen met betrekking tot het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek
Alvorens tot benoeming of ontslag van een lid van het instellingsbestuur wordt overgegaan, wordt de medezeggenschapsraad, dan wel het orgaan binnen de hogeschool dat op grond van de medezeggenschapsregeling, bedoeld in artikel 10.16a, derde lid, tweede volzin, daartoe is aangewezen, vertrouwelijk gehoord over het voorgenomen besluit tot benoeming of ontslag. Het horen geschiedt op een zodanig tijdstip dat het van wezenlijke invloed kan zijn op de besluitvorming.
Artikel 10.25. Deelraden
Een deelraad oefent tegenover het bestuur van een faculteit of een andere organisatorische eenheid het instemmingsrecht en het adviesrecht uit dat toekomt aan de medezeggenschapsraad, voorzover het aangelegenheden betreft die het desbetreffende deel van de hogeschool in het bijzonder aangaan, en de desbetreffende bevoegdheden tevens aan het bestuur van die faculteit of andere organisatorische eenheid zijn toegekend.
Artikel 10.17, tweede tot en met zevende lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 10.26. Van overeenkomstige toepassing bepalingen geschillencommissie medezeggenschap
De geschillencommissie medezeggenschap, bedoeld in artikel 9.39, is bevoegd ten aanzien van geschillen binnen de hogescholen.
De artikelen 9.39, 9.40 en 9.46 zijn van overeenkomstige toepassing op de hogescholen, met dien verstande dat daarin onder «medezeggenschapsorgaan» wordt verstaan:
- a. de gezamenlijke vergadering,
- b. de ondernemingsraad,
- c. het orgaan dat is ingesteld op grond van de medezeggenschapsregeling, bedoeld in artikel 10.16a, derde lid, tweede volzin,
- d. de medezeggenschapsraad,
- e. de deelraad, bedoeld in artikel 10.25, of
- f. de opleidingscommissie.
Artikel 10.27. Competentie commissie voor geschillen
Vervallen
Artikel 10.28. Geschil instemmingsbevoegdheid
Vervallen
Artikel 10.29. Geschil inhoud medezeggenschapsreglement
Vervallen
Artikel 10.30. Geschil adviesbevoegdheid
Vervallen
Artikel 10.31. Geschil interpretatie
Vervallen
Artikel 10.32. Nadere geschillen
Vervallen
Artikel 10.33. Procesbevoegdheid medezeggenschapsraad
Vervallen
Artikel 10.34. Commissies
Het instellingsbestuur stelt het personeel en de studenten in de gelegenheid om desgewenst onderscheidenlijk een personeelscommissie dan wel afzonderlijke commissies voor onderscheiden personeelscategorieën of -groeperingen, en een studentencommissie in te stellen. Een dergelijke commissie is bevoegd desgevraagd of eigener beweging advies uit te brengen aan de medezeggenschapsraad over die aangelegenheden die de desbetreffende commissie in het bijzonder aangaan.
Op verzoek van een commissie stelt de medezeggenschapsraad het instellingsbestuur in kennis van een schriftelijk advies als bedoeld in het eerste lid. Artikel 10.19, tweede lid, derde volzin, is ten aanzien van een dergelijk schriftelijk advies van overeenkomstige toepassing.
Artikel 10.35. Gemeenschappelijke medezeggenschapsraad
Vervallen
Artikel 10.36. Gemeenschappelijke commissies
Vervallen
Artikel 10.37. Afwijking bij bijzondere omstandigheden
Indien bijzondere omstandigheden een goede toepassing van een of meer onderdelen van deze titel in een hogeschool of in een aantal hogescholen die door dezelfde rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid in stand worden gehouden, in de weg staan, kan Onze Minister op verzoek van het instellingsbestuur toestaan, dat wat betreft een of meer onderdelen op de door hem aangewezen wijze wordt afgeweken van deze titel.
Artikel 10.38. Ontheffing in verband met godsdienstige of levensbeschouwelijke overtuiging
Op gronden die verband houden met de godsdienstige of levensbeschouwelijke overtuiging, die aan de hogeschool ten grondslag ligt, kan Onze Minister op verzoek van het college van bestuur van een bijzondere hogeschool ontheffing verlenen van de voorschriften van deze titel. Het college van bestuur toont bij zijn verzoek aan dat dit verzoek wordt ondersteund door een meerderheid van twee derden zowel van het personeel van de hogeschool als van de bij de hogeschool betrokken studenten.
Onze Minister verklaart de ontheffing vervallen, indien de gronden waarop zij berustte, niet meer aanwezig zijn dan wel indien zij niet meer wordt ondersteund door een meerderheid van twee derden van elk van de in het eerste lid bedoelde categorieën.
Het college van bestuur doet elke vijf jaren aan Onze Minister mededeling omtrent de stand van zaken met betrekking tot de gronden van de ontheffing en de ondersteuning ervan.
Artikel 10.39. Voorzieningen en scholing
Het instellingsbestuur staat de medezeggenschapsraad het gebruik toe van de voorzieningen waarover het kan beschikken, en die de raad voor de vervulling van zijn taak redelijkerwijs nodig heeft waaronder in ieder geval worden verstaan ambtelijke, financiële en juridische ondersteuning en scholing. Het instellingsbestuur stelt de medezeggenschapsraad in de gelegenheid zoveel mogelijk tijdens werktijd te vergaderen.
Het instellingsbestuur stelt de leden van de medezeggenschapsraad een scholingsbudget ter beschikking, dat wordt vastgesteld door het instellingsbestuur en de raad gezamenlijk. Het personeel van de hogeschool wordt in de gelegenheid gesteld deze scholing in werktijd en met behoud van salaris te ontvangen.
Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op deelraden en opleidingscommissies.
Hoofdstuk 10. Het bestuur en de inrichting van de hogescholen
Paragraaf 5. Klachtrecht studenten
Artikel 11.1. Algemene bevoegdheden van het college van bestuur
Het college van bestuur van de Open Universiteit is belast met het bestuur van de Open Universiteit in haar geheel en met het beheer daarvan, onverminderd de bevoegdheden van de raad van toezicht volgens dit hoofdstuk.
De voorzitter van het college van bestuur vertegenwoordigt de Open Universiteit in en buiten rechte.
Artikel 11.2. Samenstelling college van bestuur; rechtspositie leden
Het college van bestuur bestaat uit ten hoogste drie leden, waaronder de voorzitter. Bij de benoeming wordt zoveel mogelijk rekening gehouden met een evenwichtige verdeling van de zetels over mannen en vrouwen.
De benoeming van de leden van het college van bestuur geschiedt op basis van vooraf openbaar gemaakte profielen.
Voor het benoemen van een lid van het college van bestuur stelt de raad van toezicht een sollicitatiecommissie in waarvan in elk geval deel uitmaken:
- a. een lid van of namens het deel van de universiteitsraad dat uit en door het personeel is gekozen, of indien het college van bestuur heeft besloten dat de Wet op de ondernemingsraden met uitzondering van hoofdstuk VII B van toepassing is, een lid van of namens de ondernemingsraad, en
- b. een lid van of namens het deel van de universiteitsraad dat uit en door studenten is gekozen, of een lid van of namens het orgaan dat op grond van een door het college van bestuur vastgestelde medezeggenschapsregeling ten behoeve van de studenten van de Open Universiteit is ingesteld.
Alvorens tot benoeming of ontslag van een lid van het college van bestuur over te gaan, hoort de raad van toezicht vertrouwelijk de universiteitsraad dan wel, indien het college van bestuur heeft besloten dat de Wet op de ondernemingsraden met uitzondering van hoofdstuk VII B van toepassing is, de gezamenlijke vergadering van de ondernemingsraad en het orgaan dat op grond van een door het college van bestuur vastgestelde medezeggenschapsregeling ten behoeve van de studenten van de Open Universiteit is ingesteld, over het voorgenomen besluit tot benoeming of ontslag. Het horen geschiedt op een zodanig tijdstip dat het van wezenlijke invloed kan zijn op de besluitvorming.
Een lid van het college van bestuur kan om gewichtige redenen tussentijds worden ontslagen.
Indien het college van bestuur slechts uit de voorzitter bestaat, regelt de raad van toezicht de vervanging van de voorzitter bij diens afwezigheid of ontstentenis.
Een lid van het college van bestuur kan niet tevens zijn:
- a. lid van de raad van toezicht van de Open Universiteit,
- b. decaan van een faculteit of lid van het bestuur daarvan, tenzij de Open Universiteit slechts een faculteit zou omvatten,
- c. lid van het bestuur van een opleiding, indien dat bestuur is ingesteld, of
- d. lid van de raad van toezicht of van het college van bestuur van een andere universiteit.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld omtrent de rechtspositie van de voorzitter en de andere leden van het college van bestuur.
Artikel 11.3. Bestuurs- en beheersreglement; onderwijs- en examenregeling
Het college van bestuur stelt het bestuurs- en beheersreglement ter regeling van het bestuur, het beheer en de inrichting van de Open Universiteit vast.
In het reglement worden regels vastgesteld omtrent de totstandkoming van de onderwijs- en examenregeling, bedoeld in artikel 7.13. Deze regels betreffen in elk geval de aanwijzing van het orgaan dat de onderwijs- en examenregeling vaststelt.
Artikel 11.4. Verantwoordings- en inlichtingenplicht van het college van bestuur
Het college van bestuur is verantwoording verschuldigd aan de raad van toezicht.
Het college van bestuur verstrekt de raad van toezicht de gevraagde inlichtingen betreffende zijn besluiten en andere handelingen.
Het college van bestuur verstrekt Onze Minister de gevraagde inlichtingen omtrent de Open Universiteit.
Artikel 11.5. Samenstelling raad van toezicht; financiële regeling leden
De raad van toezicht bestaat uit ten minste drie en ten hoogste vijf leden.
De voorzitter en de andere leden van de raad van toezicht worden door Onze Minister benoemd, geschorst en ontslagen. Een van de leden wordt benoemd op voordracht van de universiteitsraad dan wel, indien het college van bestuur heeft besloten dat de Wet op de ondernemingsraden met uitzondering van hoofdstuk VII B van toepassing is, de gezamenlijke vergadering van de ondernemingsraad en het orgaan dat op grond van een door het college van bestuur vastgestelde medezeggenschapsregeling ten behoeve van de studenten van de Open Universiteit is ingesteld. De voordracht bevat ten minste twee namen. Indien de voorgedragen kandidaten niet door Onze Minister worden benoemd, wordt een nieuwe voordracht gedaan. Onze Minister kan gemotiveerd afwijken van de tweede voordracht. Bij de benoeming wordt zoveel mogelijk rekening gehouden met een evenwichtige verdeling van de zetels over mannen en vrouwen. Onze Minister benoemt een lid dat in het bijzonder het vertrouwen geniet van de universiteitsraad dan wel, indien het college van bestuur heeft besloten dat de Wet op de ondernemingsraden met uitzondering van hoofdstuk VII B van toepassing is, de gezamenlijke vergadering van de ondernemingsraad en het orgaan dat op grond van een door het college van bestuur vastgestelde medezeggenschapsregeling ten behoeve van de studenten van de Open Universiteit is ingesteld. De benoeming geschiedt voor een periode van ten hoogste vier jaren.
Een lid kan om gewichtige redenen tussentijds worden ontslagen.
De samenstelling, taken en bevoegdheden van de raad van toezicht zijn zodanig dat de raad een deugdelijk en onafhankelijk toezicht kan uitoefenen. De leden van de raad van toezicht hebben geen directe belangen bij de open Universiteit. De leden van de raad zijn niet tevens werkzaam bij een ministerie dan wel lid van de Eerste of Tweede Kamer der Staten-Generaal. Zij hebben zitting op persoonlijke titel en oefenen hun functie uit zonder last of ruggespraak. De benoeming van de leden van de raad geschiedt op basis van vooraf openbaar gemaakte profielen.
De universiteitsraad dan wel de ondernemingsraad en het orgaan binnen de universiteit dat op grond van de medezeggenschapsregeling, bedoeld in artikel 9.30, derde lid, tweede volzin, is ingesteld, wordt of worden in de gelegenheid gesteld om aan de raad van toezicht advies uit te brengen over de profielen bedoeld in het vierde lid.
Het college van bestuur voorziet in de functioneel onafhankelijke administratieve ondersteuning van de raad van toezicht. De raad van toezicht heeft instemmingsrecht ten aanzien van de benoeming en het ontslag van de secretaris van de administratieve ondersteuning.
Het college van bestuur woont de vergaderingen van de raad van toezicht bij, tenzij de raad anders beslist. Het college van bestuur heeft daarin een adviserende stem.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels vastgesteld omtrent tegemoetkomingen aan de leden van de raad van toezicht.
Artikel 11.6. Taken raad van toezicht
De raad van toezicht houdt, met het oog op de taken van de Open Universiteit, bedoeld in artikel 1.3, vierde lid, toezicht op de uitvoering van werkzaamheden en de uitoefening van bevoegdheden door het college van bestuur en staat dit college met raad ter zijde. De raad van toezicht is in elk geval belast met:
- a. het benoemen, schorsen, ontslaan en vaststellen van de beloning van de leden van het college van bestuur;
- b. het goedkeuren van het bestuurs- en beheersreglement;
- c. het goedkeuren van de begroting, de jaarrekening, het bestuursverslag en het instellingsplan;
- d. indien van toepassing, het goedkeuren van een gemeenschappelijke regeling als bedoeld in artikel 8.1;
- e. het toezien op de naleving door het college van bestuur van wettelijke verplichtingen en de omgang met de branchecode, bedoeld in artikel 2.9;
- f. het toezien op de rechtmatige verwerving en op de doelmatige en rechtmatige bestemming en aanwending van de middelen verkregen op grond van de artikelen 2.5 en 2.6;
- g. het aanwijzen van een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek die verslag uitbrengt aan de raad;
- h. het toezien op de vormgeving van het systeem van kwaliteitszorg overeenkomstig artikel 1.18, en
- i. het jaarlijks afleggen van verantwoording over de uitvoering van de taken en de uitoefening van de bevoegdheden, bedoeld onder a tot en met h, in het bestuursverslag van de universiteit.
De raad van toezicht pleegt ten minste twee keer per jaar overleg met de medezeggenschapsraad dan wel de ondernemingsraad en het orgaan binnen de instelling dat op grond van de medezeggenschapsregeling, bedoeld in artikel 9.30, derde lid, tweede volzin, is ingesteld.
Artikel 11.7. Verantwoordings- en inlichtingenplicht van de raad van toezicht
De raad van toezicht is verantwoording verschuldigd aan Onze Minister.
De raad van toezicht verschaft Onze Minister de gevraagde inlichtingen betreffende zijn handelen.
Paragraaf 3. Onderzoekinstituten en onderzoekscholen
Artikel 11.8. Opleidingen Open Universiteit
In het bestuurs- en beheersreglement wordt geregeld welke opleidingen door de Open Universiteit worden verzorgd.
Artikel 11.9. Verantwoordelijkheden en rechten hoogleraren
Tot het personeel van de Open Universiteit behoren in elk geval de hoogleraren. In het benoemingsbesluit wordt vermeld het wetenschapsgebied waarop de hoogleraar zijn onderwijs- en onderzoektaken uitoefent.
De hoogleraren zijn bij uitstek verantwoordelijk voor de ontwikkeling van het hun toegewezen wetenschapsgebied en voor de inhoud van het te geven onderwijs op dat gebied, onverminderd de bevoegdheid van het college van bestuur terzake van de onderwijs- en examenregeling.
Eervol ontslagen hoogleraren behouden nog gedurende vijf jaren na hun ontslag het recht als promotor op te treden.
De hoogleraren zijn gerechtigd de titel professor te voeren. De oud-hoogleraren aan wie om gezondheidsredenen, wegens vrijwillig vervroegd uittreden dan wel bij of na het bereiken van de voor de openbare dienst geldende functionele leeftijdsgrens eervol ontslag als hoogleraar is verleend, zijn eveneens gerechtigd deze titel te voeren.
Artikel 11.10. College voor promoties
Aan de Open Universiteit is een college voor promoties verbonden. Het college voor promoties bestaat uit hoogleraren.
Het college voor promoties hoort de raad van toezicht over het verlenen van de graad, bedoeld in artikel 7.19, tweede lid.
In het bestuurs- en beheersreglement worden de taak, de samenstelling en de wijze van benoeming van het college voor promoties nader geregeld.
Artikel 11.11. Opleidingscommissies
Voor elke opleiding of groep van opleidingen wordt door het college van bestuur een opleidingscommissie ingesteld. De commissie heeft tot taak te adviseren over het bevorderen en waarborgen van de kwaliteit van de opleiding. De commissie heeft voorts instemmingsrecht ten aanzien van de onderwerpen in de onderwijs- en examenregeling, bedoeld in artikel 7.13, tweede lid, onder a1, b, c, d, e, g, v en z en adviesrecht ten aanzien van de vaststelling of wijziging van de overige onderdelen. Zij beoordeelt jaarlijks de wijze van uitvoering van die regeling en brengt advies uit over de regeling. De commissie bespreekt het visitatierapport, bedoeld in artikel 5.13, vierde lid. De commissie brengt bovendien desgevraagd of uit eigen beweging advies uit aan het orgaan, bedoeld in artikel 11.3, tweede lid, over alle aangelegenheden die betrekking hebben op of van invloed zijn op het onderwijs in de desbetreffende opleiding of groep van opleidingen. De commissie zendt haar adviezen ter kennisneming aan de universiteitsraad dan wel, indien het college van bestuur heeft besloten dat de Wet op de ondernemingsraden met uitzondering van hoofdstuk VII B van toepassing is, de gezamenlijke vergadering van de ondernemingsraad en het orgaan dat op grond van een door het college van bestuur vastgestelde medezeggenschapsregeling ten behoeve van de studenten van de Open Universiteit is ingesteld.
Op een advies, bedoeld in het eerste lid, is artikel 9.35, aanhef en onderdelen b, c en d, van overeenkomstige toepassing.
Artikel 9.18, derde tot en met zesde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Paragraaf 4. Schorsing en vernietiging besluiten faculteit en voorziening bij verwaarlozing bestuur faculteit
Artikel 11.12. Bijzondere leerstoel Open Universiteit
De artikelen 9.53 tot en met 9.58 zijn van overeenkomstige toepassing op de Open Universiteit.
Paragraaf 5. Klachtrecht studenten
Artikel 11.13. Regeling medezeggenschap OU
Op de medezeggenschap zijn de artikelen 9.30 tot en met 9.36 en 9.48 van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat onder instellingscollegegeld wordt verstaan collegegeld OU.
Het college van bestuur behoeft voorts de voorafgaande instemming van de universiteitsraad dan wel, indien het college van bestuur heeft besloten dat de Wet op de ondernemingsraden met uitzondering van hoofdstuk VII B van toepassing is, de gezamenlijke vergadering van de ondernemingsraad en het orgaan dat op grond van een door het college van bestuur vastgestelde medezeggenschapsregeling ten behoeve van de studenten van de Open Universiteit is ingesteld, voor elk door hem te nemen besluit met betrekking tot ten minste de vaststelling of wijziging van de onderwijs- en examenregeling, bedoeld in artikel 7.13, met uitzondering van de onderwerpen, genoemd in het tweede lid, onder a tot en met g, v en z, met uitzondering van de aanwijzing, bedoeld in het derde lid, en met uitzondering van de eisen, artikel 7.30b, tweede volzin.
Indien het college van bestuur besluit dat de Wet op de ondernemingsraden niet van toepassing is op de Open Universiteit is in afwijking van artikel 9.30, vierde lid, paragraaf 2 van titel 2 van hoofdstuk 9 niet van toepassing.
Het aantal leden van de universiteitsraad van de Open Universiteit bedraagt ten hoogste achttien.
Artikel 11.14. Reglement voor de studentenraad
Vervallen
Artikel 11.15. Adviesbevoegdheid
Vervallen
Artikel 11.16. Van overeenkomstige toepassing bepalingen geschillencommissie medezeggenschap
De geschillencommissie medezeggenschap, bedoeld in artikel 9.39, is bevoegd ten aanzien van geschillen binnen de Open Universiteit.
Hoofdstuk 9, titel 2, paragraaf 3 en artikel 9.46 zijn van overeenkomstige toepassing op de Open Universiteit.
Artikel 11.17. College van hoogleraren
Vervallen
Artikel 11.18. Geschillenregeling onderwijsaanbod
Vervallen
Artikel 11.19. Personeelsraad; samenstelling en bevoegdheden
Vervallen
Artikel 11.20. Personeelsraad; overige voorschriften
Vervallen
Artikel 11.21. Reglement voor de personeelsraad
Vervallen
Artikel 11.22. Geschillenregeling personeelsraad
Vervallen
Artikel 11.23. Studentenraad
Vervallen
Artikel 11.24. Schorsing en vernietiging besluiten college van bestuur en bestuursraad
Vervallen
Artikel 11.25. Schorsing en vernietiging besluiten college van hoogleraren
Vervallen
Artikel 11.26. Schorsing en vernietiging besluiten examencommissies
Vervallen
Artikel 11.27. Gevolgen schorsing en vernietiging
Vervallen
Artikel 11.28. Voorziening na schorsing en vernietiging; termijn
Vervallen
Artikel 11.29. Voorziening bij verwaarlozing bestuur
Vervallen
Artikel 11.30. Aanvullende voorzieningen inzake beslechting van geschillen
Vervallen
Hoofdstuk 12. Het bestuur en de inrichting van de academische ziekenhuizen
Artikel 12.1. Toepassingsbereik hoofdstuk 12
Dit hoofdstuk is, met uitzondering van titel 1, paragraaf 3, van toepassing op de openbare academische ziekenhuizen en, met uitzondering van titel 1, paragraaf 2, van toepassing op de bijzondere academische ziekenhuizen.
De titels 2 tot en met 4 van dit hoofdstuk zijn van overeenkomstige toepassing op de samenwerking tussen het academisch ziekenhuis en de universiteiten, genoemd in artikel 1.13, derde lid.
Titel 3. Het bestuur en de inrichting van en de medezeggenschap binnen de bijzondere universiteiten en de levensbeschouwelijke universiteiten
Paragraaf 3. Geschillen inzake medezeggenschap
Artikel 12.2. Algemene bepalingen
Bij het bestuur en de inrichting van het academisch ziekenhuis wordt voorzover de belangen van de patiënten dat toelaten, rekening gehouden met de belangen van het wetenschappelijk geneeskundig onderwijs en onderzoek bij de universiteit.
In het bijzonder worden hoogleraren van de faculteit der geneeskunde, wier vakgebied hen daarvoor in aanmerking doet komen, alsmede de andere leden van het wetenschappelijk personeel die op het desbetreffende vakgebied werkzaam zijn, in de gelegenheid gesteld tot het geven van wetenschappelijk geneeskundig onderwijs en het doen van wetenschappelijk geneeskundig onderzoek.
Paragraaf 4. Overige bepalingen
Artikel 12.3. Bestuursorganen academisch ziekenhuis, afbakening bevoegdheden raad van bestuur en raad van toezicht
De bestuursorganen van het academisch ziekenhuis zijn de raad van bestuur en de raad van toezicht.
Aan de raad van bestuur behoort de bevoegdheid tot regeling en bestuur van de zaken van het academisch ziekenhuis in zijn geheel, voorzover deze niet bij of krachtens deze wet aan de raad van toezicht is opgedragen.
De raad van bestuur oefent de taken en bevoegdheden uit die bij of krachtens de wet aan het instellingsbestuur zijn opgedragen, voorzover bij of krachtens dit hoofdstuk niet anders is bepaald.
Tegen een beslissing op grond van artikel 1.14, eerste lid, houdende vaststelling van het deel van de rijksbijdrage voor de universiteit waarop het academisch ziekenhuis aanspraak heeft, kan beroep worden ingesteld door het college van bestuur van de universiteit waaraan het academisch ziekenhuis is verbonden in overeenstemming met de raad van bestuur.
Artikel 12.4. Raad van bestuur, omvang, samenstelling, benoeming en ontslag leden
De raad van bestuur bestaat uit een voorzitter en twee andere leden. In bijzondere gevallen kan Onze Minister bepalen dat de raad van bestuur uit een voorzitter en drie andere leden bestaat. In gevallen waarin toepassing is gegeven aan de tweede volzin, geeft de stem van de voorzitter de doorslag indien in de raad van bestuur de stemmen staken.
De voorzitter en de andere leden worden door de raad van toezicht benoemd en ontslagen.
Artikel 12.5. Rechtspositie leden raad van bestuur
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld omtrent de rechtspositie van de voorzitter en de andere leden van de raad van bestuur.
Artikel 12.6. Taken raad van bestuur
Onverminderd hetgeen overigens bij of krachtens deze wet is bepaald, is de raad van bestuur belast met:
- a. het vaststellen van het bestuursreglement, bedoeld in artikel 12.7,
- b. het vaststellen van de begroting,
- c. het vaststellen van het bestuursverslag, en
- d. het vaststellen van de jaarrekening.
De raad van bestuur doet ten behoeve van het academisch ziekenhuis de noodzakelijke uitgaven binnen de grenzen van de begroting.
Artikel 12.7. Bestuursreglement
Het bestuursreglement bevat een nadere regeling van het bestuur en de inrichting van het academisch ziekenhuis.
Artikel 12.8. Verantwoordingsplicht raad van bestuur
De raad van bestuur is verantwoording verschuldigd aan de raad van toezicht. De raad van bestuur verstrekt de raad van toezicht de gevraagde inlichtingen betreffende het academisch ziekenhuis.
Artikel 12.9. Vertegenwoordiging academisch ziekenhuis
De voorzitter van de raad van bestuur vertegenwoordigt het academisch ziekenhuis in en buiten rechte.
De raad van bestuur wijst uit zijn midden een vice-voorzitter aan, die bij afwezigheid of ontstentenis van de voorzitter deze vervangt.
Artikel 12.10. Raad van toezicht, omvang en samenstelling, benoeming en ontslag, financiële regeling leden
De raad van toezicht bestaat uit vijf of zeven leden. Het aantal leden wordt door Onze Minister na overleg met de raad van toezicht bepaald.
De voorzitter en de andere leden worden door Onze Minister benoemd, geschorst en ontslagen. De benoeming geschiedt voor een termijn van ten hoogste vier jaren, de raad van toezicht gehoord.
De leden kunnen tussentijds, ook op eigen verzoek, worden ontslagen, de raad van toezicht gehoord.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels vastgesteld omtrent tegemoetkomingen aan de leden van de raad van toezicht.
De raad van toezicht wijst uit zijn midden een vice-voorzitter aan, die bij afwezigheid of ontstentenis van de voorzitter deze vervangt.
Artikel 12.11. Deelneming aan vergaderingen raad van toezicht
De raad van toezicht nodigt de raad van bestuur uit om de vergadering van de raad van toezicht geheel of gedeeltelijk bij te wonen, tenzij de raad van toezicht in een bepaald geval bij met redenen omkleed besluit anders beslist.
Artikel 12.12. Taken raad van toezicht
Onverminderd het overigens bij of krachtens deze wet bepaalde is de raad van toezicht belast met het houden van een voortdurend toezicht op al wat het academisch ziekenhuis aangaat, daaronder begrepen het toezicht op de naleving van de op het academisch ziekenhuis betrekking hebbende wetten alsmede van de krachtens die wetten uitgevaardigde regelingen, richtlijnen, aanwijzingen en reglementen.
Het bestuursreglement, de begroting, de jaarrekening en het bestuursverslag behoeven de goedkeuring dan wel de instemming van de raad van toezicht. De goedkeuring dan wel de instemming wordt verleend of onthouden in zijn geheel dan wel met betrekking tot een of meer onderdelen. Indien binnen vier weken na ontvangst van een besluit als bedoeld in de eerste volzin, door de raad van toezicht niet anders is beslist is het besluit goedgekeurd dan wel wordt daarmee ingestemd. De raad van toezicht kan deze termijn verlengen tot ten hoogste acht weken. De goedkeuring kan slechts worden onthouden wegens strijd met het recht of het algemeen belang.
Indien binnen een door de raad van toezicht te bepalen termijn het bestuursreglement niet of niet volledig is vastgesteld, kan de raad van toezicht het bestuursreglement of het ontbrekende gedeelte daarvan vaststellen.
Artikel 12.13. Verantwoordingsplicht raad van toezicht
De raad van toezicht is verantwoording verschuldigd aan Onze Minister. Hij verstrekt Onze Minister de gevraagde inlichtingen betreffende zijn handelingen.
Artikel 12.14. Medezeggenschapsraad en dienstcommissies
Vervallen
Artikel 12.15. Afdelingen en andere onderdelen
De raad van bestuur beslist, na overleg met het college van bestuur van de universiteit waaraan het ziekenhuis is verbonden, welke afdelingen en andere onderdelen het academisch ziekenhuis omvat.
Artikel 12.16. Afdelingshoofden, hoogleraren en ander wetenschappelijk personeel
Onverminderd de verantwoordelijkheid van de raad van bestuur berust de verantwoordelijkheid voor de geneeskundige behandeling en verzorging der patiënten bij de hoofden van de desbetreffende afdelingen. Zij nemen daarbij de organisatorische en financiële kaders als aangegeven door de raad van bestuur in acht.
De afdelingshoofden worden als zodanig benoemd en ontslagen door de raad van bestuur. Tot afdelingshoofd wordt, in het algemeen, slechts benoemd een hoogleraar van de faculteit der geneeskunde, wiens vakgebied hem daarvoor in aanmerking doet komen.
De in artikel 12.2, tweede lid, bedoelde hoogleraren, niet zijnde afdelingshoofd, en andere leden van het wetenschappelijk personeel waarvan de functie meebrengt dat zij mede worden belast met patiëntenzorg behoeven tevens een aanstelling bij het academisch ziekenhuis.
De benoeming en het ontslag van de in het tweede en derde lid bedoelde personen aan de universiteit behoeven de instemming van de raad van bestuur. De benoeming en het ontslag van de in het tweede en derde lid bedoelde personen aan het academisch ziekenhuis behoeven de instemming van het college van bestuur.
De raad van bestuur stelt in overeenstemming met het college van bestuur voor de in het tweede en derde lid bedoelde personen een instructie vast. In de instructie, bedoeld in de eerste volzin, wordt ten aanzien van de in het tweede en derde lid bedoelde personen, in ieder geval bepaald:
- a. de wijze waarop de wederzijdse bevoegdheden van de raad van bestuur en het college van bestuur ten aanzien van die personen worden uitgeoefend;
- b. of het rechtspositieregime dat geldt voor het personeel van de universiteit dan wel het rechtspositieregime dat geldt voor het personeel van het academisch ziekenhuis van toepassing is.
Artikel 12.17. Stafconvent, taak en samenstelling
Er is een stafconvent, dat overeenkomstig in het bestuursreglement te stellen regelen medewerkt aan het bestuur van het academisch ziekenhuis.
De samenstelling van het stafconvent wordt vastgesteld in het bestuursreglement met dien verstande, dat de afdelingshoofden in elk geval zitting hebben in dit convent.
De leden van het stafconvent kiezen uit hun midden een voorzitter en een secretaris overeenkomstig in het bestuursreglement te stellen regelen.
Paragraaf 7. Afwijking van titel 1 of titel 2
Artikel 12.18. Structuurregeling, inlichtingenplicht, jaarverslag bijzonder academisch ziekenhuis
De besturen van de rechtspersonen, waarvan de bijzondere academisch ziekenhuizen uitgaan, stellen regelen vast inzake het bestuur en de inrichting van die academisch ziekenhuizen, in afstemming met de besturen van de rechtspersonen, waarvan de universiteiten uitgaan, waaraan deze academische ziekenhuizen zijn verbonden. Bij de vaststelling van de regelen inzake het bestuur en de inrichting van het academisch ziekenhuis wordt paragraaf 2 in acht genomen voorzover de eigen aard van het bijzonder academisch ziekenhuis zich daartegen naar het oordeel van het bestuur niet verzet. Zij brengen die regelen alsmede wijzigingen daarvan zo spoedig mogelijk ter kennis van Onze Minister.
De regelen alsmede de wijzigingen daarvan, bedoeld in het eerste lid, voldoen aan de in artikel 1.14, tweede lid, onder c, bedoelde voorwaarde, indien Onze Minister niet binnen drie maanden na de ontvangst van de mededeling bij een aan het betrokken bestuur gericht aangetekend schrijven heeft verklaard van oordeel te zijn, dat het betrokken bestuur bij de vaststelling van de regelen of de wijziging daarvan op door hem aan te wijzen punten paragraaf 2 niet in acht heeft genomen en daartoe in redelijkheid geen beroep heeft kunnen doen op de eigen aard van het bijzonder academisch ziekenhuis die zich tegen inachtneming daarvan zou verzetten, of dat onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt.
De in het eerste lid bedoelde besturen geven aan Onze Minister de nodige inlichtingen omtrent het academisch ziekenhuis.
De werking van het besluit van Onze Minister, bedoeld in het tweede lid, wordt opgeschort totdat de beroepstermijn is verstreken of, indien beroep is ingesteld, op het beroep is beslist.
Titel 3. Het bestuur en de inrichting van en de medezeggenschap binnen de bijzondere universiteiten en de levensbeschouwelijke universiteiten
Artikel 12.19. Oprichting en taak gemeenschappelijk beleidsorgaan
De universiteit en het daaraan verbonden academisch ziekenhuis richten gezamenlijk een gemeenschappelijk beleidsorgaan op.
Het gemeenschappelijk beleidsorgaan heeft tot taak een doelmatige samenwerking op het terrein van het wetenschappelijk geneeskundig onderwijs en onderzoek tussen de universiteit en het academisch ziekenhuis te bevorderen.
Artikel 12.20. Gemeenschappelijke regeling
De oprichting van een gemeenschappelijk beleidsorgaan geschiedt bij een gemeenschappelijke regeling, die wordt getroffen door het college van bestuur en de raad van bestuur, na overleg met de universiteitsraad of ondernemingsraad, onderscheidenlijk de raad van toezicht. De gemeenschappelijke regeling wordt door het college van bestuur en de raad van toezicht gezamenlijk aan Onze Minister gezonden.
Onder het treffen van een gemeenschappelijke regeling wordt mede verstaan het wijzigen van die regeling.
De gemeenschappelijke regeling voorziet in de samenstelling, de bevoegdheden, de taken en de werkwijze van het gemeenschappelijk beleidsorgaan met inachtneming van het in deze wet bepaalde.
In de gemeenschappelijke regeling wordt bepaald op welke wijze geschillen omtrent de uitvoering of toepassing daarvan worden beslist.
Artikel 12.21. Bijzondere taak gemeenschappelijk beleidsorgaan
Een universiteit en het daaraan verbonden academisch ziekenhuis voeren overleg over de onderlinge afstemming van hun werkzaamheden op het gebied van het wetenschappelijk geneeskundig onderwijs en onderzoek. Het gemeenschappelijk beleidsorgaan stelt het document vast, waarin de resultaten van dit overleg zijn vastgelegd. Voorzover de universiteit en het academisch ziekenhuis niet binnen redelijke tijd tot overeenstemming hebben kunnen komen, stelt het gemeenschappelijk beleidsorgaan zelf de onderlinge afstemming van werkzaamheden, bedoeld in de eerste volzin, vast.
Titel 2. Het bestuur en de inrichting van hogescholen met rechtspersoonlijkheid
Artikel 12.22. Het gemeenschappelijk uitvoeringsorgaan
Het college van bestuur en de raad van bestuur kunnen bij overeenkomst een gemeenschappelijk uitvoeringsorgaan instellen voor de uitvoering van het document, bedoeld in artikel 12.21. Daartoe voorziet de overeenkomst in de overdracht van bevoegdheden van het college van bestuur en van de raad van bestuur aan het gemeenschappelijk uitvoeringsorgaan. De besluiten van het gemeenschappelijk uitvoeringsorgaan, genomen krachtens enige door het college van bestuur overgedragen bevoegdheid kunnen bij koninklijk besluit worden vernietigd.
Titel 4. Overleg bestuur faculteit der geneeskunde en raad van bestuur
Artikel 12.23. Overleg bestuur faculteit der geneeskunde en raad van bestuur
Het bestuur van de faculteit der geneeskunde en de raad van bestuur stellen bij gezamenlijk besluit vast op welke wijze zij periodiek overleg voeren over aangelegenheden betreffende het wetenschappelijk geneeskundig onderwijs en onderzoek. Het in de eerste volzin bedoelde besluit regelt de samenstelling en de inrichting van het overleg.
Hoofdstuk 13. Het bestuur en de inrichting van de instellingen voor wetenschappelijk onderzoek
Titel 1. Het bestuur en de inrichting van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen
Artikel 13.1. Het algemeen bestuur en de algemene vergadering
De bevoegdheid tot regeling en bestuur van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen berust bij het algemeen bestuur, voorzover die bevoegdheid niet bij of krachtens deze wet aan andere organen van de academie is opgedragen. Het algemeen bestuur oefent de taken en bevoegdheden uit die bij of krachtens deze wet aan het instellingsbestuur zijn opgedragen, voorzover bij of krachtens dit hoofdstuk niet anders is bepaald.
De leden van de academie vormen de algemene vergadering. De wijze waarop de leden van de academie worden benoemd, wordt geregeld in het reglement, bedoeld in artikel 13.2.
De leden van het algemeen bestuur worden gekozen door en uit de algemene vergadering.
Het algemeen bestuur is verantwoording verschuldigd aan de algemene vergadering. Het verstrekt de algemene vergadering en Onze Minister de gevraagde inlichtingen.
Onze Minister kan aan een of meer leden van het algemeen bestuur een bezoldiging of toelage toekennen. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels vastgesteld betreffende de rechtspositie van de leden van het algemeen bestuur aan wie een bezoldiging is toegekend.
De voorzitter van het algemeen bestuur vertegenwoordigt de academie in en buiten rechte.
Artikel 13.2. Het reglement
Ten behoeve van de nadere regeling van het bestuur en de inrichting van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen stelt de algemene vergadering met inachtneming van het daaromtrent bij of krachtens deze wet bepaalde een reglement vast.
Het reglement regelt in elk geval de wijze van benoeming, schorsing en ontslag van de leden van het algemeen bestuur alsmede hun vervanging bij afwezigheid of ontstentenis.
Het algemeen bestuur zendt het reglement en elke wijziging daarvan ter kennis aan Onze Minister.
Titel 3. Medezeggenschap
Artikel 13.3. Het algemeen bestuur
De bevoegdheid tot regeling en bestuur van de Koninklijke Bibliotheek berust bij het algemeen bestuur voorzover die bevoegdheid niet bij of krachtens deze wet aan de bibliothecaris is opgedragen. Het algemeen bestuur oefent de taken en bevoegdheden uit die bij of krachtens de wet aan het instellingsbestuur zijn opgedragen, voorzover bij of krachtens dit hoofdstuk niet anders is bepaald.
Het algemeen bestuur bestaat uit een voorzitter, tevens lid, en ten hoogste vier andere leden. Het aantal leden wordt door Onze Minister bepaald.
De leden van het algemeen bestuur worden door Onze Minister benoemd, geschorst en ontslagen. De benoeming geschiedt voor een door Onze Minister te bepalen termijn.
De leden van het algemeen bestuur kunnen door Onze Minister, de overige leden van het algemeen bestuur gehoord, worden geschorst en tussentijds ontslagen.
Onze Minister kan aan een of meer leden van het algemeen bestuur een bezoldiging of toelage toekennen. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels vastgesteld betreffen de rechtspositie van de leden van het algemeen bestuur aan wie een bezoldiging is toegekend.
De voorzitter van het algemeen bestuur vertegenwoordigt de bibliotheek in en buiten rechte.
Artikel 13.4. Verantwoordingsplicht algemeen bestuur
Vervallen
Artikel 13.5. Bibliothecaris
Binnen het kader van het door het algemeen bestuur vastgestelde beleid berust de leiding van de Koninklijke Bibliotheek bij de bibliothecaris.
De bibliothecaris heeft tot taak het beleid van het algemeen bestuur voor te bereiden en ten uitvoer te leggen.
Artikel 13.6. Reglement
Ten behoeve van de nadere regeling van het bestuur en de inrichting van de Koninklijke Bibliotheek stelt het algemeen bestuur met inachtneming van het daaromtrent bij of krachtens deze wet bepaalde een reglement vast.
Het reglement regelt in elk geval de vervanging van de leden van het algemeen bestuur bij afwezigheid of ontstentenis.
Titel 1. Het bestuur en de inrichting van de academische ziekenhuizen
Artikel 13.7. Dienstcommissies
Vervallen
Artikel 13.8. Openbaarheid
Het algemeen bestuur verschaft desgevraagd alsmede uit eigen beweging informatie over de instelling aan belanghebbenden en belangstellenden. Het reglement regelt in welke gevallen het verschaffen van informatie achterwege blijft.
Het algemeen bestuur stelt regels vast voor het berekenen van tarieven bij het op verzoek verschaffen van informatie.
Artikel 13.9. Schorsing en vernietiging van besluiten
De besluiten van het algemeen bestuur kunnen bij koninklijk besluit worden vernietigd. Het bepaalde in de eerste volzin is van overeenkomstige toepassing op het besluit van de algemene vergadering van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen tot vaststelling of wijziging van het in artikel 13.2 bedoelde reglement.
Het besluit tot schorsing of vernietiging wordt in het Staatsblad geplaatst.
Het eerste lid is niet van toepassing op bestuursrechtelijke besluiten van het algemeen bestuur van de Koninklijke Bibliotheek. Hierop is artikel 22 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen van toepassing.
Artikel 13.10. Taakverwaarlozingsregeling
Indien het algemeen bestuur naar het oordeel van Onze Minister zijn taak ernstig verwaarloost, kan Onze Minister de noodzakelijke voorzieningen treffen.
De voorzieningen worden, spoedeisende gevallen uitgezonderd, niet eerder getroffen dan nadat het algemeen bestuur in de gelegenheid is gesteld om binnen een door Onze Minister te stellen termijn alsnog zijn taak naar behoren uit te voeren.
Onze Minister stelt de beide Kamers der Staten-Generaal onverwijld in kennis van door hem getroffen voorzieningen als bedoeld in het eerste lid.
Artikel 13.11. Voorziening na schorsing en vernietiging
Vervallen
Hoofdstuk 11. Het bestuur en de inrichting van de Open Universiteit
Artikel 14.1. Beroep op de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Vervallen
Artikel 14.2. Intreden gevolgen van toekenning van rechten na beroep
Indien de uitspraak op een beroep tegen een beschikking als bedoeld in de artikelen 6.14, vierde lid, tweede volzin en 7.17, strekt tot registratie of goedkeuring, treden de gevolgen daarvan in met ingang van het studiejaar dat aanvangt na het kalenderjaar waarin de uitspraak is gedaan.
Indien tegen de uitspraak hoger beroep openstaat, wordt de werking van de uitspraak, bedoeld in het eerste lid, opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken of, indien hoger beroep is ingesteld, op het hoger beroep is beslist.
Hoofdstuk 12. Het bestuur en de inrichting van de academische ziekenhuizen
Artikel 15.1. Inhouding bekostiging
Onze Minister kan de rijksbijdrage, een voorschot daaronder begrepen, geheel of gedeeltelijk inhouden dan wel opschorten, indien:
- a. een of meer organen van een instelling als bedoeld in artikel 1.4, 1.5 of 1.8 in strijd handelen met het bepaalde bij of krachtens deze wet;
- b. de raad van toezicht een aanwijzing als bedoeld in artikel 9.9a, 9.51, tweede lid, zesde volzin, 10.3e of 11.7a of een spoedaanwijzing als bedoeld in artikel 9.9b, 10.3e1 of 11.7b niet opvolgt; of
- c. het bestuur een aanwijzing als bedoeld in artikel 9.51, achtste lid, niet opvolgt.
Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing indien het instellingsbestuur, het personeel van een instelling of het accreditatieorgaan in strijd handelt met artikel 5:20, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
Onze Minister kent de rijksbijdrage wederom toe, indien blijkt dat de reden voor de toepassing van het eerste of tweede lid is vervallen.
Artikel 15.2. Schadevergoeding niet-gerechtigde deelname onderwijs
Degene die niet is ingeschreven en gebruikmaakt van onderwijs- of examenvoorzieningen ten behoeve van onderwijs van een in de bijlage van deze wet opgenomen instelling, is deswege aan die instelling een schadevergoeding verschuldigd, die door het instellingsbestuur wordt vastgesteld:
- a. met toepassing van artikel 7.46, tweede lid, indien het deelname aan een voltijdse opleiding betreft, of
- b. met toepassing van artikel 7.45, tweede lid, indien het deelname aan een deeltijdse of duale opleiding betreft.
Artikel 15.3. Geldboete niet-gerechtigde deelname onderwijs
Degene die niet is ingeschreven en gebruikt maakt van onderwijs- of examenvoorzieningen ten behoeve van initieel onderwijs van een in de bijlage van deze wet opgenomen instelling, wordt gestraft met geldboete van de tweede categorie.
Artikel 15.4. Geldboete niet-nakoming identificatieplicht
Degene die aan onderwijs- of examenvoorzieningen ten behoeve van initieel onderwijs aan een in de bijlage van deze wet opgenomen instelling deelneemt, is verplicht bij die gelegenheid of onmiddellijk daarna op eerste vordering van of vanwege het instellingsbestuur aan dat bestuur dan wel aan een door dat bestuur aangewezen persoon of personen zijn naam en adres bekend te maken en het bewijs waaruit blijkt dat hij gerechtigd is daaraan deel te nemen, behoorlijk ter inzage te geven.
Degene die in strijd handelt met het eerste lid, wordt gestraft met geldboete van de eerste categorie.
Artikel 15.5. Geldboete ten onrechte afgegeven getuigschriften
Degene die aan een in de bijlage van deze wet genoemde instelling meewerkt aan het afgeven van een getuigschrift zonder dat ten aanzien van degene die het desbetreffende examen of onderzoek met goed gevolg heeft afgelegd onderscheidenlijk heeft ondergaan, door het instellingsbestuur is verklaard dat het getuigschrift kan worden afgegeven, wordt gestraft met geldboete van de derde categorie.
Artikel 15.6. Karakter strafbare feiten
De in de artikelen 15.3, 15.4 en 15.5 strafbaar gestelde feiten zijn overtredingen.
Artikel 15.7. Niet-gerechtigde verlening graden en titels
Het is verboden graden te verlenen of in het vooruitzicht te stellen, tenzij:
- a. aan de opleiding accreditatie is verleend, of
- b. toepassing is gegeven aan artikel 5.21, derde of zesde lid, of artikel 5.32, of
- c. de graad wordt verleend op grond van een buitenlandse wettelijke regeling en zowel bij het aantrekken van studenten als bij de graadverlening kenbaar is gemaakt tot welke graad de opleiding leidt en op grond van welke buitenlandse regeling de graad wordt verleend, of
- d. de graad wordt verleend op grond van artikel 7.18, eerste of zesde lid, of de uitzondering, bedoeld in artikel 1.22, tweede lid, van toepassing is.
Het is verboden titels, genoemd in de artikelen 7.20, 7.22, tweede lid, en 7a.5, te verlenen of in het vooruitzicht te stellen.
Onze Minister kan een bestuurlijke boete opleggen aan degene die in strijd met het eerste of tweede lid handelt.
Hoofdstuk 14. Beroep op de administratieve rechter
Titel 1. Het bestuur en de inrichting van hogescholen
Artikel 16.1. Tijdelijk karakter bepalingen van hoofdstuk 16
De artikelen 16.2 tot en met 16.6, 16.8 en 16.9 vervallen op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip dat voor de verschillende artikelen verschillend kan worden gesteld.
Titel 3. Overige bepalingen
Artikel 16.2. Handhaving onderwijsbevoegdheid voormalig ingenieursexamen technische hogeschool Delft
Vervallen
Artikel 16.3. Handhaving bewijzen van voldoende pedagogische en didactische voorbereiding
Naast de bewijzen van voldoende didactische voorbereiding die voor 1 augustus 1993 aan een hogeschool of voor 1 september 1993 aan een universiteit zijn verkregen, alsmede de verklaringen van voldoende didactische voorbereiding die op grond van artikel 54, vierde lid, of artikel 110a, vierde lid, van de Wet op het hoger beroepsonderwijs zijn verkregen, gelden als zodanig de op 31 juli 1986 bestaande bewijzen van voldoende pedagogische en didactische voorbereiding.
Artikel 16.4. Handhaving rechtspositieregelingen leden bestuursorganen
Tot het tijdstip van inwerkingtreding van de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in de artikelen 13.1 en 13.3, blijven de op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet geldende regels ten aanzien van de desbetreffende leden van bestuursorganen van toepassing.
Artikel 16.5. Aanvullende en afwijkende vooropleidingseisen initiële lerarenopleidingen
Vervallen
Artikel 16.6. Afwijkende vooropleidingseisen hogere kaderopleiding pedagogiek
Vervallen
Artikel 16.6a. Overgangsrecht studieadvies en verwijzing in postpropedeutische fase
Met ingang van het studiejaar 1998–1999 kan het instellingsbestuur de student die vóór dat studiejaar was ingeschreven voor een opleiding in het hoger onderwijs, en die met studie-onderbreking voor een tweede of volgende studiejaar aan een instelling is ingeschreven voor de propedeutische fase van dezelfde opleiding en het propedeutisch examen niet, dan wel zonder goed gevolg aflegt, met inachtneming van artikel 7.8b, derde tot en met vijfde lid, een afwijzing geven.
Het eerste lid is niet van toepassing ten aanzien van de student jegens wie het instellingsbestuur in een eerder studiejaar in de gelegenheid is geweest een afwijzing als bedoeld in dat lid of in artikel 7.9, tweede lid, zoals die bepaling luidde op 31 augustus 1998, met betrekking tot de desbetreffende opleiding te geven, doch dit heeft nagelaten.
In afwijking van artikel 7.9, vierde lid, zoals die bepaling luidde op 31 augustus 1998, is het instellingsbestuur bevoegd aan een voormalig student die vóór 1 september 1998 een afwijzing heeft ontvangen, op diens verzoek als student of extraneus in te schrijven voor de opleiding of voor een van de opleidingen waarvoor de afwijzing van kracht was. Artikel 7.8b, vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 7.9, eerste lid, zoals die bepaling luidt met ingang van 1 september 1998 wordt niet toegepast met betrekking tot een opleiding waarvoor de student vóór het studiejaar 1998–1999 was ingeschreven.
Artikel 16.7. Voorbereidende perioden voor opleidingen muziek en dans
Vervallen
Artikel 16.8. Eindtermen voor de opleiding tot leraar basisonderwijs
Vervallen
Titel 3. Overige bepalingen
Artikel 16.9. Verticale onderwijsgemeenschap beroepsonderwijs-hbo
Vervallen
Artikel 16.9a. Overgangsrecht selectieprocedure bij opleidingen met een toelatingsbeperking
Indien na toepassing van de artikelen 7.57b tot en met 7.57f blijkt dat bij een of meer instellingen die toepassing hebben gegeven aan artikel 7.25, vierde lid, nog plaatsen beschikbaar zijn, vindt alsnog selectie plaats van degenen die zich overeenkomstig het bepaalde krachtens artikel 7.37, vierde lid, hebben aangemeld, doch niet voldoen aan de krachtens artikel 7.25 gestelde nadere vooropleidingseisen. Deze selectie geschiedt met overeenkomstige toepassing van de artikelen 7.57b tot en met 7.57f. In de ministeriële regeling, bedoeld in artikel 7.57a, vierde lid, kunnen voor de toepassing van dit lid nadere regels worden gesteld.
Artikel 7.57e wordt niet eerder toegepast dan met betrekking tot het studiejaar 2000–2001.
Artikel 7.57f, eerste lid, wordt jegens degene die niet eerder aan de selectieprocedure, bedoeld in artikel 7.57a, derde lid onder a, of in artikel 7.53, tweede lid, zoals die bepaling luidde op 31 augustus 1998, heeft deelgenomen, en die in een van de kalenderjaren 1997 tot en met 1999 een opleiding in het voortgezet onderwijs, een opleiding in het middelbaar beroepsonderwijs, dan wel een opleiding als bedoeld in artikel 7.2.2 van de Wet educatie en beroepsonderwijs die toelaatbaarheid tot het hoger onderwijs met zich meebrengt, met goed gevolg heeft afgerond, niet eerder toegepast dan met betrekking tot het studiejaar 1999–2000.
Artikel 7.57f, tweede lid, wordt niet eerder toegepast dan met betrekking tot het studiejaar 2000–2001, met dien verstande dat:
- a. degenen die met betrekking tot het studiejaar 1999–2000 voor de eerste maal hebben deelgenomen aan de lotingsprocedure voor een opleiding, nadien nog ten hoogste drie maal aan de lotingsprocedure voor dezelfde opleiding kunnen deelnemen,
- b. deelname aan de loting voor een opleiding in 1998 of eerdere jaren niet meetelt bij de toepassing van dit artikellid voor dezelfde opleiding.
Artikel 16.9b. Aanvullende afstudeersteun voor tempobeursstudenten
Onverminderd artikel 7.51 treft het instellingsbestuur van een universiteit of hogeschool een financiële voorziening ten aanzien van een student die op grond van een van de artikelen 10.7 of 10.8 van de Wet studiefinanciering 2000 geen aanspraak kan maken op studiefinanciering op de voet van hoofdstuk 3 van die wet, indien de student naar het oordeel van het instellingsbestuur door bijzondere omstandigheden het bij of krachtens de artikelen 10.6 tot en met 10.8 van die wet bepaalde resultaat niet heeft behaald. Deze financiële voorziening is zodanig dat de betrokkene niet in een slechtere financiële situatie wordt gebracht dan wanneer hij studiefinanciering zou hebben genoten zonder toepassing van artikel 10.6 van de Wet studiefinanciering 2000.
De bijzondere omstandigheden, bedoeld in het eerste lid, zijn de bijzondere omstandigheden, genoemd in artikel 7.51, tweede lid. Bij de toepassing van het eerste lid betrekt het instellingsbestuur als bijzondere omstandigheid tevens de omstandigheid dat de opleiding zodanig is ingericht dat de student redelijkerwijs niet in staat is geweest het in dat lid bedoelde resultaat te behalen.
Artikel 16.10. Overgangsrecht aangewezen onderwijs
Vervallen
Artikel 16.10a. Tijdelijke garanties voor door academische ziekenhuizen ten behoeve van de educatieve voorziening over te nemen personeel
Tot een bij koninklijk besluit te bepalen datum blijven voor het personeel, bedoeld in artikel 2.18, derde lid, in de nieuwe functie de regelingen met betrekking tot de rechtspositie zoals die op 31 juli 1999 voor dat personeel golden van overeenkomstige toepassing, met uitzondering van de bepalingen die zien op de inhoud van de functie die zij op die datum bekleedden, met dien verstande dat die overeenkomstige toepassing in elk geval eindigt op de datum waarop door de educatieve voorziening en de daarvoor in aanmerking komende personeelsorganisaties anders is overeengekomen. In de nieuwe functie geldt een carrièrepatroon en een maximumsalaris dat ten minste gelijk is aan het carrièrepatroon en het maximumsalaris dat behoorde bij de functie die het personeelslid op 31 juli 1999 bekleedde aan de in artikel 2.18, derde lid, bedoelde school.
Titel 2. Het gemeenschappelijk beleidsorgaan
Paragraaf 2. Geschillenregeling
Artikel 16.11. Getuigschriften
Degenen die een getuigschrift hebben verkregen van een met goed gevolg afgelegd doctoraal examen of propedeutisch examen als bedoeld in de Wet op het wetenschappelijk onderwijs, afsluitend examen of propedeutisch examen als bedoeld in de Wet op het hoger beroepsonderwijs of examen van een diplomaprogramma als bedoeld in de Wet op de Open Universiteit, worden geacht dat getuigschrift te hebben verkregen op grond van deze wet.
Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op opleidingen op het gebied van het hoger onderwijs die in het tijdvak 1970 tot en met 1998 zijn bekostigd op grond van de Experimentenwet onderwijs, alsmede op de getuigschriften en examens, bedoeld in artikel D.10 van de Invoeringswet W.H.B.O.
Artikel 16.12. Titel doctor
Degenen die op grond van de Wet op het wetenschappelijk onderwijs of de Wet op de Open Universiteit gerechtigd zijn de titel doctor te voeren, worden geacht dat recht te hebben verkregen op grond van artikel 7.22, eerste lid, zoals die bepaling op 31 augustus 2002 luidde.
Het doctoraat in de godgeleerdheid of in de wijsbegeerte, verkregen aan een Nederlandse kerkelijke instelling van wetenschappelijk onderwijs, welke reeds op 1 januari 1960 dit doctoraat verleende, geeft het recht tot het voeren van de titel doctor. Artikel 7.22, derde lid, zoals die bepaling op 31 augustus 2002 luidde, is van toepassing.
Artikel 16.13. Overige titulatuur
Degenen die op grond van de Wet op het wetenschappelijk onderwijs, de Wet op het hoger beroepsonderwijs, de Invoeringswet W.H.B.O. of de Wet op de Open Universiteit gerechtigd zijn een of meer van de in die wetten geregelde titels te voeren, worden geacht dat recht te hebben verkregen op grond van artikel 7.20, eerste lid, zoals die bepaling op 31 augustus 2002 luidde.
Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op de opleidingen, bedoeld in artikel 16.11, tweede lid, doch uitsluitend voorzover krachtens de Experimentenwet onderwijs het recht tot het voeren van de titel ingenieur, afgekort tot ing., of de titel baccalaureus is verleend.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)