Wet van 8 oktober 1992, houdende bepalingen met betrekking tot het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek

Type Wet
Publication 2026-01-01
State In force
Source BWB
artikelen 920
Wijzigingsgeschiedenis JSON API
3.

Artikel 7.20, eerste lid, aanhef en onder a, zoals die bepaling op 31 augustus 2002 luidde, is van overeenkomstige toepassing op degene die in het tijdvak 5 mei 1945 tot en met 31 december 1948 het diploma van vliegtuigbouwkundig ingenieur heeft verkregen aan de Technische Hogeschool te Delft.

4.

In afwijking van artikel 7.20, eerste lid, aanhef en onder c, zoals die bepaling op 31 augustus 2002 luidde, is degene die in het studiejaar 1992–1993 was ingeschreven voor de in het Academisch Statuut bedoelde internationaal-juridische, juridisch bestuurswetenschappelijke of juridisch politiekwetenschappelijke studierichting en die in het studiejaar 1993–1994 of het studiejaar 1994–1995 die opleiding heeft afgerond door met goed gevolg het afsluitend examen af te leggen, gerechtigd tot het voeren van de in artikel 7.20, eerste lid, onder d, zoals die bepaling op 31 augustus 2002 luidde, bedoelde titel, mits de examencommissie op zijn verzoek op het desbetreffende getuigschrift een aantekening heeft geplaatst.

Artikel 16.14. Doctoraten Internationaal Instituut voor Sociale Studiën
1.

Aan het Internationaal Instituut voor Sociale Studiën te ’s-Gravenhage kan het doctoraat worden verkregen op grond van de promotie. Tot de promotie heeft toegang ieder die met goed gevolg het afsluitend examen verbonden aan een opleiding in het derde lid, heeft afgelegd, dan wel aan wie op grond van artikel 7.10a, eerste of tweede lid, de graad Master is verleend, onverminderd het tweede lid.

2.

De artikelen 1.12, vijfde lid, 1.18, eerste en tweede volzin, 7.18, tweede lid, aanhef en onder b en c, derde, vierde en vijfde lid, 7.19 en 7.22 zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat van het college voor promoties een of meer hoogleraren van een in de bijlage van deze wet onder a of b opgenomen universiteit deel uitmaken.

3.

Onze Minister besluit op grond van welke opleidingen, verzorgd door het Internationaal Instituut voor Sociale Studiën, toegang tot de promotie kan worden verkregen. Het besluit wordt niet genomen dan nadat ten genoegen van Onze Minister door het instellingsbestuur het bewijs is geleverd van voldoende kwaliteit van de desbetreffende onderwijsactiviteiten alsmede het bewijs dat wordt voldaan aan het tweede lid.

4.

Onze Minister kan een besluit als bedoeld in het derde lid intrekken, indien gebleken is dat de kwaliteit van de desbetreffende onderwijsactiviteiten gedurende een reeks van jaren onvoldoende is geweest dan wel niet of niet meer voldaan wordt aan het tweede lid.

5.

Indien Onze Minister voornemens is toepassing te geven aan het vierde lid, geeft hij een waarschuwing aan het instellingsbestuur, onder bepaling van een termijn waarbinnen aan die waarschuwing gevolg moet zijn gegeven en desgewenst overleg met hem dienaangaande kan plaatsvinden. De termijn waarbinnen aan de waarschuwing gevolg moet zijn gegeven, bedraagt ten minste drie maanden. Bij zijn besluit tot intrekking bepaalt Onze Minister het tijdstip waarop de intrekking van kracht wordt, zodanig dat degenen die de voorbereiding van de promotie reeds ter hand hebben genomen, binnen redelijke termijn het doctoraat kunnen verkrijgen.

6.

De werking van het besluit van Onze Minister, bedoeld in het vierde lid, wordt opgeschort, totdat de beroepstermijn is verstreken of, indien beroep is ingesteld, op het beroep is beslist.

Artikel 16.15. Bestuursoverdracht openbare hogeschool

Vervallen

Artikel 16.15a. Tijdelijke handhaving titel drs. bij opleidingen op het gebied van het recht

In afwijking van artikel 7.20, eerste lid, onder c, is degene die in het studiejaar 1992-1993 was ingeschreven voor de in het Academisch Statuut bedoelde internationaal-juridische, juridisch bestuurswetenschappelijke of juridisch politiek-wetenschappelijke studierichting, en die in het studiejaar 1993-1994 of 1994-1995 die opleiding afrondt door met goed gevolg het afsluitend examen af te leggen, gerechtigd tot het voeren van de titel doctorandus, afgekort drs., mits de examencommissie op zijn verzoek op het desbetreffende getuigschrift daarvan een aantekening plaatst.

Artikel 16.16. Bestuurlijke, institutionele fusie en reikwijdte
1.

De rechtspersoon die een bijzondere hogeschool in stand houdt, kan de instandhouding daarvan overdragen aan een andere rechtspersoon die een bijzondere hogeschool in stand houdt en die voldoet aan artikel 10.8, eerste lid of kan fuseren met een rechtspersoon die een andere bijzondere hogeschool in stand houdt. De overdracht van de instandhouding alsmede de fusie bedoeld in de eerste volzin wordt aangemerkt als bestuurlijke fusie.

2.

Een rechtspersoon die twee of meer hogescholen in stand houdt, kan deze samenvoegen tot een hogeschool. Deze samenvoeging wordt aangemerkt als institutionele fusie.

3.

De overdracht, bedoeld in het eerste lid, geschiedt bij notariële akte. Bij die akte verbindt de overdragende rechtspersoon zich tevens de rechten ten aanzien van de gebouwen, terreinen en roerende zaken over te dragen. Die akte geldt tevens als akte van levering bedoeld in boek 3 van het Burgerlijk Wetboek. In de akte wordt tevens bepaald dat het lichaam waaraan of de rechtspersoon aan wie wordt overgedragen, het personeel in gelijke betrekkingen aan de instelling benoemt met ingang van de datum van overdracht.

4.

Door overdracht met inachtneming van het eerste en derde lid treedt het verkrijgende lichaam op of de verkrijgende rechtspersoon in alle uit de wet voortvloeiende rechten en verplichtingen van zijn rechtsvoorganger, onverminderd hetgeen verder voor de overgang daarvan naar burgerlijk recht is vereist.

5.

De artikelen 16.16 tot en met 16.16c, met uitzondering van artikel 16.16, tweede lid, zijn van overeenkomstige toepassing op de rechtspersonen die bijzondere universiteiten in stand houden.

Artikel 16.17. Omzetting, splitsing en verplaatsing hogeschool

Onze Minister kan goedkeuren dat een bekostigde hogeschool wordt gesplitst of een andere plaats van vestiging krijgt. Onze Minister kan aan zijn goedkeuring voorwaarden verbinden.

Artikel 16.18. Splitsing rechtspersoon waarvan een bijzondere hogeschool uitgaat

Bij een splitsing als bedoeld in artikel 334a van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek van een rechtspersoon die een bijzondere hogeschool in stand houdt, wordt in de splitsingsakte bepaald dat de voortbestaande, splitsende rechtspersoon de hogeschool in stand zal houden of op welke verkrijgende rechtspersoon de instandhouding van de hogeschool overgaat. In het laatste geval is artikel 16.16, tweede en derde lid, van overeenkomstige toepassing.

Artikel 16.19. Wijziging bijlage van de wet van rechtswege
1.

In geval van een fusie als bedoeld in artikel 16.16 worden het lichaam dat of de rechtspersoon die de desbetreffende instelling na de fusie, bedoeld in artikel 16.16, in stand houdt, geacht met onmiddellijke ingang te zijn opgenomen in de bijlage van deze wet en wordt het lichaam of de rechtspersoon waardoor de fusie, bedoeld in artikel 16.16, is verricht, geacht vanaf dat tijdstip niet langer in de bijlage van deze wet te zijn opgenomen.

2.

In geval van omzetting, splitsing of verplaatsing van een hogeschool, in overeenstemming met artikel 16.17, dan wel in geval van samenvoeging van twee of meer hogescholen worden de daaruit voortkomende hogescholen geacht met onmiddellijke ingang te zijn opgenomen in de bijlage van deze wet en worden de hogescholen waaruit zij voortkomen, geacht vanaf dat tijdstip niet langer in de bijlage te zijn opgenomen.

3.

In geval van splitsing van een rechtspersoon en overgang van de instandhouding van een hogeschool als bedoeld in artikel 16.18 wordt de rechtspersoon die de hogeschool na de splitsing in stand houdt, geacht met onmiddellijke ingang te zijn opgenomen in de bijlage van deze wet en wordt de rechtspersoon die de hogeschool voor de splitsing in stand hield, geacht vanaf dat tijdstip niet langer in die bijlage te zijn opgenomen.

4.

In geval van opheffing van een openbare hogeschool of verlies van de aanspraak op bekostiging van een bijzondere hogeschool wordt deze hogeschool geacht met onmiddellijke ingang niet langer in de bijlage van deze wet te zijn opgenomen.

Artikel 16.20. Overgangsrecht aanvang studiejaar hoger beroepsonderwijs

Vervallen

Artikel 16.21. Bijdrage uit ’s Rijks kas ten behoeve van aangewezen theologische en levensbeschouwelijke universiteiten en seminaria

Vervallen

Artikel 16.22. Bijdrage uit ’s Rijks kas ten behoeve van leerstoelen vanwege de Nederlandse Hervormde Kerk aan openbare universiteiten

Vervallen

Artikel 16.23. Tijdelijke handhaving regeling overleg en rechtspositieregelingen
1.

Tot het tijdstip van inwerkingtreding van de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 4.3, blijven de op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet geldende regels ten aanzien van het overleg over aangelegenheden als bedoeld in dat artikel, van toepassing.

2.

Ten aanzien van het personeel van de hogescholen, de universiteiten, de Open Universiteit, de academische ziekenhuizen, de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen en de Koninklijke Bibliotheek, blijven in afwijking van artikel 4.5, tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, welke tijdstippen voor de onderscheiden instellingen verschillend kunnen liggen, de op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet geldende regels ten aanzien van het desbetreffende personeel van toepassing.

3.

Tot het tijdstip van inwerkingtreding van de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in onderscheidenlijk deartikelen 9.3, 10.10, 11.2, 12.5, 12.10, 13.1 en 13.3, onderscheidenlijk het koninklijk besluit, bedoeld in artikel 10.11, blijven de op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet geldende regels ten aanzien van de desbetreffende leden van bestuursorganen van toepassing.

4.

De regels die ingevolge dit artikel van toepassing blijven kunnen overeenkomstig de voor inwerkingtreding van deze wet geldende voorschriften worden gewijzigd met dien verstande dat voorzover de regels betrekking hebben op het personeel van de Universiteit van Amsterdam of van het academisch ziekenhuis bij die universiteit, het college van bestuur onderscheidenlijk de raad van bestuur in de plaats treedt van het gemeentebestuur van Amsterdam en dat bij algemene maatregel van bestuur op dat personeel van toepassing kunnen worden verklaard regels die van toepassing zijn op het personeel van de overige openbare universiteiten, onderscheidenlijk academische ziekenhuizen.

Artikel 16.24. Opleidingen godgeleerdheid, opleidingen gericht op een godsdienstig of levensbeschouwelijk ambt

Ten aanzien van het in artikel 1.9, vierde lid, genoemde onderwijs in opleidingen in de godgeleerdheid en opleidingen gericht op een godsdienstig of levensbeschouwelijk ambt aan een bijzondere instelling en het daarmee verband houdende onderzoek wordt uiterlijk een jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet uitvoering gegeven aan het bij of krachtens artikel 1.9, vierde tot en met zesde lid, bepaalde.

Artikel 16.25. Start HOOP-cyclus

Aan artikel 2.4 wordt voor de eerste maal toepassing gegeven twee jaren na de gezamenlijke vaststelling van het laatste overheidsplan voor het wetenschappelijk onderwijs, bedoeld in artikel 176 van de Wet op het wetenschappelijk onderwijs, en het laatste HBO-plan, bedoeld in artikel 115 van de Wet op het hoger beroepsonderwijs.

Artikel 16.26. Eerste toepassing bekostigingsbepalingen; afwijkende bekostiging
1.

Titel 2 van hoofdstuk 2 vindt voor de eerste maal toepassing ten aanzien van het eerste volle kalenderjaar na het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet.

2.

Voor het begrotingsjaar voorafgaand aan het in het eerste lid bedoelde kalenderjaar blijven de op de datum voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet geldende voorschriften van kracht met betrekking tot de berekening en vaststelling van de rijksbijdrage alsmede ten aanzien van het afleggen van rekening en verantwoording.

3.

In afwijking van artikel 2.5, eerste lid, worden tot en met het begrotingsjaar 2007 de opleidingen op het gebied van de kunst, de lerarenopleidingen op het gebied van de kunst en de voortgezette kunstopleidingen en de voortgezette opleidingen bouwkunst, bedoeld in artikel 7.4, vijfde lid, eerste en derde volzin, in verband met de aard van deze onderwijsvoorzieningen bekostigd op een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen wijze.

Artikel 16.27. Opheffing PAO-organen
1.

De op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet bestaande organen voor postacademisch onderwijs, bedoeld in artikel 146 van de Wet op het wetenschappelijk onderwijs, worden voor 1 september van het daaropvolgende jaar opgeheven. Onze minister kan terzake nadere regels geven.

2.

Tot het in het eerste lid bedoelde tijdstip blijft ten aanzien van de bestaande organen voor postacademisch onderwijs van kracht de Regeling post-academisch onderwijs (Stb. 1977, 525).

Artikel 16.28. Overgangssamenstelling college van beroep voor het hoger onderwijs

Het in artikel 7.64, eerste lid, genoemde college van beroep voor het hoger onderwijs wordt in afwijking van het bepaalde bij artikel 7.65, eerste en tweede lid, voor de eerste maal gevormd door degenen die op het moment van inwerkingtreding van deze wet zitting hebben in het college van beroep voor het wetenschappelijk onderwijs, bedoeld in artikel 136 van de Wet op het wetenschappelijk onderwijs, tezamen met degenen die op dat tijdstip zitting hebben in het college van beroep voor het hoger beroepsonderwijs, bedoeld in artikel 177 van de Wet op het hoger beroepsonderwijs.

Artikel 16.29. Tijdelijke voorziening reglement van orde
1.

Voor zolang het in artikel 7.62, eerste lid, bedoelde reglement van orde niet is vastgesteld, is het bepaalde bij en krachtens artikel 122 van de Wet op het wetenschappelijk onderwijs, bij en krachtens de artikelen 47 tot en met 50 van de Wet op het hoger beroepsonderwijs, onderscheidenlijk bij en krachtens artikel 38 van de Wet op de Open Universiteit van overeenkomstige toepassing.

2.

Voor zolang het in artikel 7.66, derde lid, bedoelde reglement van orde niet is vastgesteld, is op beroepen ingesteld bij het in artikel 7.64, eerste lid, genoemde college van beroep voor het hoger onderwijs, het bepaalde bij en krachtens de artikelen 136 en 139 tot en met 142 van de Wet op het wetenschappelijk onderwijs, onderscheidenlijk bij en krachtens de artikelen 177 en 180 tot en met 185 van de Wet op het hoger beroepsonderwijs van overeenkomstige toepassing. Met betrekking tot de overige in het reglement van orde te regelen onderwerpen voorziet de voorzitter van het in de eerste volzin bedoelde college in een voorlopig reglement, dat voorzover noodzakelijk uitvoering geeft aan het bepaalde bij artikel 7.66, derde lid.

Artikel 16.30. Tijdelijke handhaving procesrecht colleges van beroep

De artikelen 42 tot en met 56, onderscheidenlijk de artikelen 59 tot en met 73, van het Uitvoeringsbesluit W.W.O. (Stb. 1986, 472) zijn tot bij koninklijk besluit te bepalen datum van toepassing op het in artikel 7.60 genoemde college van beroep voor de examens, onderscheidenlijk het in artikel 7.64 genoemde college van beroep voor het hoger onderwijs.

Artikel 16.31. Verhoging college- en examengeld
1.

In afwijking van artikel 7.43, eerste lid, onder a bedraagt het collegegeld:

  • a. f 2 050 wat het studiejaar 1993-1994 betreft;
  • b. f 2 150 wat het studiejaar 1994-1995 betreft.
2.

In afwijking van artikel 7.43, eerste lid, onder b, bedraagt het collegegeld:

  • a. f 1 550 wat het studiejaar 1993-1994 betreft;
  • b. f 1 625 wat het studiejaar 1994-1995 betreft.
3.

In afwijking van artikel 7.44, eerste lid, bedraagt het collegegeld:

  • a. f 2 870 wat het studiejaar 1993-1994 betreft;
  • b. f 3 010 wat het studiejaar 1994-1995 betreft.
4.

In afwijking van artikel 7.45 bedraagt het examengeld:

  • a. f 1 180 wat het studiejaar 1993-1994 betreft;
  • b. f 1 240 wat het studiejaar 1994-1995 betreft.
Artikel 16.32. Extraneusinschrijving bij lerarenopleidingen

In afwijking van artikel 7.32, tweede lid, is inschrijving voor de in artikel 7.4, vierde lid, eerste en derde volzin, bedoelde opleidingen tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip tevens mogelijk als extraneus.

Artikel 16.33. Tijdelijke handhaving Reglement CRIHO

Het Reglement CRIHO, vastgesteld bij Besluit van de Staatssecretaris van Onderwijs en Wetenschappen van 21 juli 1993 en gepubliceerd in Uitleg O en W-regelingen van 28 juli 1993, nr. 18a, blijft van kracht tot het tijdstip waarop het met inachtneming van artikel 7.52 door een of meer andere regelingen is vervangen.

Artikel 16.34

Vervallen

Artikel 16.35

Vervallen

Artikel 16.36

Vervallen

Artikel 16.37

Vervallen

Paragraaf 2. De openbare academische ziekenhuizen

Artikel 16.38. Voortbestaan rechtspersoon KNAW

De rechtspersoonlijkheid bezittende Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen, genoemd in artikel 1.16, is de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen, geregeld in de Koninklijke besluiten van 26 oktober 1851, no. 3 en 5 januari 1938, Stb. 390.

Artikel 16.39. Tijdelijke handhaving reglement KNAW

Het reglement van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen, vastgesteld bij koninklijk besluit van 5 januari 1938, Stb. 390, is van overeenkomstige toepassing totdat het door het reglement, bedoeld in artikel 13.2, is vervangen.

Artikel 16.40. Voorziening in reglement KNAW door minister

Indien binnen een door Onze minister te bepalen termijn het reglement voor de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen, bedoeld in artikel 13.2, niet of niet volledig tot stand is gekomen, kan Onze minister het reglement of het ontbrekende gedeelte daarvan vaststellen.

Artikel 16.41. Overgangssamenstelling bestuur KNAW
1.

In afwijking van artikel 13.1, tweede lid, wordt de algemene vergadering van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen voor de eerste keer gevormd door degenen, die krachtens het reglement, genoemd in artikel 16.39, op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet behoren tot de verenigde vergadering.

2.

In afwijking van artikel 13.1, derde lid, wordt het algemeen bestuur voor de eerste keer gevormd door degenen, die krachtens het reglement, genoemd in artikel 16.39, op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet als zodanig zijn benoemd.

3.

Als voorzitter van het algemeen bestuur wordt voor de eerste keer aangemerkt degene die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet president van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen is.

Artikel 16.42. Overgangsvoorziening besluiten KNAW

De besluiten die op grond van het in artikel 16.39 genoemde reglement voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet zijn genomen door onderscheidenlijk de verenigde vergadering, het algemeen bestuur en de president van het algemeen bestuur, en die betrekking hebben op een periode na bedoeld tijdstip, worden na dat tijdstip geacht te zijn genomen door onderscheidenlijk de algemene vergadering, het algemeen bestuur en de voorzitter van het algemeen bestuur, bedoeld in artikel 13.1.

Artikel 16.42a. Overgangsregeling registergoederen KNAW
1.

De registergoederen, welke door de Staat der Nederlanden ten behoeve van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen zijn verworven, gaan op een nader bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip over op de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen zonder dat daartoe een nadere akte wordt gevorderd. Onze minister doet de overgang van de registergoederen onverwijld inschrijven in de openbare registers, bedoeld in afdeling 2 van Titel 1 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek. Artikel 24, eerste lid, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek is niet van toepassing.

2.

Wettelijke procedures of rechtsgedingen betreffende de in het eerste lid bedoelde registergoederen worden tegen of door de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen voortgezet met ingang van het tijdstip waarop deze goederen op deze instelling overgaan.

Artikel 16.42b. Vrijstelling overdrachtsbelasting KNAW

Terzake van de verkrijging door de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen van de bezittingen van de Staat, betrekking hebbend op registergoederen welke nodig zijn voor de uitoefening van zijn taak, blijft heffing van overdrachtsbelasting achterwege.

Artikel 16.43. Omzetting dienstcommissies KNAW en KB

De dienstcommissies die zijn ingesteld op grond van het Algemeen Rijksambtenarenreglement ten behoeve van het personeel van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen onderscheidenlijk het personeel van de Koninklijke Bibliotheek worden met ingang van het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet aangemerkt als de dienstcommissies, bedoeld in artikel 13.7, onverminderd artikel 16.23, eerste lid.

Artikel 16.44. Tijdelijke voorziening in reglement KB

Het bepaalde bij of krachtens het koninklijk besluit van 7 september 1982, Stb. 518, is van overeenkomstige toepassing op de Koninklijke Bibliotheek totdat het reglement, bedoeld in artikel 13.6, tot stand is gekomen.

Artikel 16.45. Voorziening in reglement KB door minister

Indien binnen een door Onze minister te bepalen termijn het reglement, bedoeld in artikel 13.6, niet of niet volledig tot stand is gekomen, kan Onze minister het reglement of het ontbrekende gedeelte daarvan vaststellen.

Artikel 16.46. Overgangssamenstelling bestuur KB

In afwijking van artikel 13.3, derde lid, wordt het algemeen bestuur van de Koninklijke Bibliotheek voor de eerste keer gevormd door degenen die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet behoren tot het algemeen bestuurscollege, benoemd op grond van het in artikel 16.1, eerste lid, onder i, genoemde besluit.

Artikel 16.47. Overgangsvoorziening besluiten KB

De besluiten die op grond van het koninklijk besluit van 7 september 1982, Stb. 518, voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet zijn genomen door onderscheidenlijk het algemeen bestuurscollege en de bibliothecaris van de Koninklijke Bibliotheek en die betrekking hebben op een periode na bedoeld tijdstip, worden na dat tijdstip geacht te zijn genomen door onderscheidenlijk het algemeen bestuur, bedoeld in artikel 13.3 en de bibliothecaris, bedoeld in artikel 13.5.

Artikel 16.48. Overgangsregeling zittend personeel KB

Het personeel dat voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet ten behoeve van de Koninklijke Bibliotheek als rijksambtenaar is aangesteld dan wel op arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht bij de rijksoverheid in dienst is genomen, wordt geacht met ingang van het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet in gelijk dienstverband met dezelfde rang en salarisanciënniteit te zijn aangesteld onderscheidenlijk op dezelfde voet op arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht in dienst te zijn genomen bij de Koninklijke Bibliotheek.

Artikel 16.49. Overgangsregeling lasten, plichten, rechten, goederen KB
1.

Bij de inwerkingtreding van dit artikel gaan alle lasten, verplichtingen, rechten en goederen, met uitzondering van registergoederen, welke door de Staat der Nederlanden ten behoeve van de Koninklijke Bibliotheek zijn aangegaan onderscheidenlijk verworven, over op de Koninklijke Bibliotheek zonder dat daartoe een nadere akte of betekening wordt gevorderd.

2.

De registergoederen, welke door de Staat der Nederlanden ten behoeve van de Koninklijke Bibliotheek zijn verworven, gaan op een nader bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip over op de Koninklijke Bibliotheek zonder dat daartoe een nadere akte wordt gevorderd. Onze minister doet de overgang van de registergoederen onverwijld inschrijven in de openbare registers, bedoeld in afdeling 2 van Titel 1 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek. Artikel 24, eerste lid, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboekis niet van toepassing.

3.

Wettelijke procedures of rechtsgedingen betreffende de in het eerste en tweede lid bedoelde lasten, verplichtingen en goederen worden tegen of door de Koninklijke Bibliotheek voortgezet met ingang van het tijdstip waarop deze lasten, verplichtingen en goederen op deze instelling overgaan.

Artikel 16.50. Vrijstelling overdrachtsbelasting KB

Terzake van de verkrijging door de Koninklijke Bibliotheek van de bezittingen van de Staat, betrekking hebbend op de bibliotheek, blijft heffing van overdrachtsbelasting achterwege.

Paragraaf 1. Het bestuur van de Open Universiteit

Artikel 16.51. Aanhangige beroepen
1.

Op geschillen die tijdig krachtens de in artikel 16.1, eerste lid, genoemde wetten en besluiten aanhangig zijn of worden gemaakt, blijven de op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet geldende voorschriften van toepassing.

2.

Onverminderd het eerste lid worden voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet ingestelde beroepen bij het college van beroep voor de examens, bedoeld in artikel 122 van de Wet op het wetenschappelijk onderwijs onderscheidenlijk artikel 38 van de Wet op de Open Universiteit, en bij de commissie van beroep studenten en extraneï, bedoeld in artikel 48 van de Wet op het hoger beroepsonderwijs, met ingang van dat tijdstip geacht te zijn ingesteld bij het desbetreffende in artikel 7.60 bedoelde college van beroep voor de examens.

Titel 2. Het gemeenschappelijk beleidsorgaan

Artikel 16.52. Wet op de rechterlijke organisatie

Vervallen

Artikel 16.53. Advocatenwet

Vervallen

Artikel 16.54. Wet op de Raad van State

Vervallen

Artikel 16.55. Marinescheepsongevallenwet

Vervallen

Artikel 16.56. Luchtvaartrampenwet

Vervallen

Artikel 16.57. Wet administratieve rechtspraak bedrijfsorganisatie

Vervallen

Artikel 16.58. Beroepswet

Vervallen

Artikel 16.59. Pachtwet

Vervallen

Artikel 16.60. Zaaizaad- en plantgoedwet

Vervallen

Artikel 16.61. Visserijwet

Vervallen

Artikel 16.62. Spoorwegwet

Vervallen

Artikel 16.63. Wet op de huurcommissies

Vervallen

Artikel 16.64. Wet op het notarisambt

Vervallen

Artikel 16.65. Wetboek van Strafrecht

Vervallen

Artikel 16.66. Wet op de omzetbelasting 1968

Vervallen

Artikel 16.67. Colportagewet

Vervallen

Artikel 16.68. Wet op de registeraccountants

Vervallen

Artikel 16.69. Wet van 2 december 1982

Vervallen

Artikel 16.70. Algemene burgerlijke pensioenwet

Vervallen

Artikel 16.71. Auteurswet 1912

Vervallen

Artikel 16.72. Wet op de architectentitel

Vervallen

Artikel 16.73. Wet op de belastingen van rechtsverkeer

Vervallen

Artikel 16.74. Wet op de studiefinanciering

Vervallen

Artikel 16.75. Experimentenwet onderwijs

Vervallen

Artikel 16.76. Wet op de erkende onderwijsinstellingen

Vervallen

Artikel 16.77. Wet op het voortgezet onderwijs

Vervallen

Artikel 16.78. Wet op de onderwijsverzorging

Vervallen

Artikel 16.79. Wet op de Nederlandse organisatie voor wetenschappelijk onderzoek

Vervallen

Artikel 16.80. Wet op het wetenschappelijk onderwijs artikelen XIII en XIV

Vervallen

Artikel 16.81. Wet op de beroepen in individuele gezondheidszorg

Vervallen

Artikel 16.82. Wet van 7 juli 1988 (Stb. 334)

Vervallen

Artikel 16.83. Voorstel van wet op het cursorisch beroepsonderwijs

Vervallen

Titel 2. Het gemeenschappelijk beleidsorgaan

Artikel 16.84. Evaluatie

Onze minister brengt vijf jaren na de inwerkingtreding van deze wet verslag uit over de werking ervan aan de beide kamers der Staten-Generaal.

Artikel 16.85. Inwerkingtreding

Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden gesteld.

Artikel 16.86. Citeertitel

Deze wet kan worden aangehaald als "Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek".

Hoofdstuk 17. Overgangs- en invoeringsbepalingen wijzigingswetten

Titel 1. Het bestuur en de inrichting van de academische ziekenhuizen

Artikel 17.1. Van toepassingverklaring artikel 7.4 «oude stijl»

Vervallen

Artikel 17.2. Afwijking artikel 7.43

Vervallen

Artikel 17.3. Afwijking artikel 7.51

Vervallen

Artikel 17.4. Overgangsbepaling Wet privatisering Abp

Personeel van niet bekostigde ingevolge deze wet aangewezen hogescholen dat op grond van artikel B2, eerste lid, onder b, van de Algemene burgerlijke pensioenwet, zoals deze bepaling luidde bij inwerkingtreding van deze wet, de ambtenarenstatus verworven heeft, is onder dezelfde voorwaarden met ingang van 1 januari 1996 overheidswerknemer in de zin van artikel 2 van de Wet privatisering ABP en behoudt voor zolang dat dienstverband voortduurt die status.

Artikel 17.5. Afwijking vooropleidingseisen universiteit of hogeschool

Vervallen

Artikel 17.6. Afwijkingen artikel 7.3 «oude stijl»

Vervallen

Artikel 17.7. Afwijking artikel 7.4 «oude stijl»

Vervallen

Hoofdstuk 17a. Overgangs- en invoeringsbepalingen van de wet betreffende de invoering van de bachelor-masterstructuur in het hoger onderwijs

Titel 2. Het bestuur en de inrichting van de Koninklijke Bibliotheek

Paragraaf 3. De academische ziekenhuizen bij de bijzondere universiteiten

Artikel 17a.1. Beëindiging mogelijkheid tot instelling van nieuwe ongedeelde opleidingen in het wetenschappelijk onderwijs

Onverminderd artikel 17a.7, tweede lid, kunnen met ingang van 1 september 2002 aan een bekostigde of aangewezen universiteit of aan de Open Universiteit geen nieuwe opleidingen in het wetenschappelijk onderwijs als bedoeld in artikel 7.3, zoals dat artikel op 31 augustus 2002 luidde, meer worden ingesteld.

Paragraaf 4. Doctoraten Internationaal Instituut voor Sociale Studiën

Artikel 17a.2. Instelling van bachelor- en masteropleidingen in het wetenschappelijk onderwijs
1.

Met ingang van het studiejaar 2002–2003 kan aan een bekostigde of aangewezen universiteit of aan de Open Universiteit onderwijs worden verzorgd in bacheloropleidingen, bedoeld in artikel 7.3a, eerste lid, onder a, en in masteropleidingen, bedoeld in artikel 7.3a, eerste lid, onder b.

2.

Indien het instellingsbestuur van een instelling als bedoeld in heteerste lid met betrekking tot een opleiding in het wetenschappelijk onderwijs die in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs, bedoeld in artikel 6.13, is geregistreerd, in een bepaald studiejaar voornemens is de bachelor-masterstructuur in te voeren, stelt hij een bacheloropleiding in en zonodig een of meer daarop aansluitende masteropleidingen. Het aantal in te stellen masteropleidingen is gelijk aan ten hoogste het aantal afstudeerrichtingen dat op 31 augustus 2002 in de onderwijs- en examenregeling van de opleiding in het wetenschappelijk onderwijs, bedoeld in de eerste volzin, was beschreven. De in te stellen bachelor- en masteropleidingen zijn samengesteld uit programmaonderdelen die in het studiejaar voorafgaand aan de instelling van die opleidingen door de instelling werden verzorgd.

3.

Artikel 7.4a, zevende lid, blijft ten aanzien van een masteropleiding in het wetenschappelijk onderwijs als bedoeld in artikel 7.13, derde lid, op het moment van instelling van die opleiding buiten toepassing. De eerste volzin is niet van toepassing op een masteropleiding die een voortzetting vormt van een opleiding ten aanzien waarvan het instellingsbestuur uiterlijk op 1 september 2001 met toepassing van artikel 7.4, zevende lid, zoals die bepaling op die datum luidde, heeft bepaald dat de desbetreffende opleiding een grotere studielast had dan 168 studiepunten.

4.

De bevoegdheid, bedoeld in het tweede lid, vervalt met ingang van het tijdstip, vastgesteld bij het in artikel 17a.7, eerste lid, bedoelde koninklijk besluit.

5.

De artikelen 6.2 tot en met 6.14 zijn niet van toepassing op de instelling van de in dit artikel bedoelde bachelor- en masteropleidingen.

Artikel 17a.2a. Instelling van brede bacheloropleidingen
1.

In het studiejaar 2002–2003, het studiejaar 2003–2004 of het studiejaar 2004–2005 kan het instellingsbestuur van een bekostigde of aangewezen universiteit dat voornemens is met betrekking tot een of meer opleidingen in het wetenschappelijk onderwijs de bachelor-masterstructuur in te voeren, naast de bacheloropleidingen een of meer bacheloropleidingen instellen, waarvan de programmaonderdelen tot het gebied van meer dan een opleiding of meer dan een faculteit behoren.

2.

Artikel 17a.2, vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 17a.2b. Instelling van masteropleidingen tot leraar voortgezet onderwijs van de eerste graad
1.

Het instellingsbestuur van een bekostigde of aangewezen universiteit dat met betrekking tot een opleiding in het wetenschappelijk onderwijs waaraan een afstudeerrichting is verbonden als bedoeld in artikel 7.5, eerste lid, onder b, zoals die bepaling op 31 augustus 2002 luidde, voornemens is de bachelor-masterstructuur in te voeren, is bevoegd in een bepaald studiejaar in plaats van een masteropleiding in het wetenschappelijk onderwijs als bedoeld in artikel 17a.2, tweede lid, een opleiding als bedoeld in artikel 7.4a, derde lid, eerste volzin, in te stellen.

2.

Het instellingsbestuur van een universiteit waaraan een opleiding als bedoeld in artikel 7.5, eerste lid, onder a, zoals die bepaling op 31 augustus 2002 luidde, is verbonden, is bevoegd in een bepaald studiejaar een opleiding als bedoeld in artikel 7.4a, derde lid, eerste volzin, in te stellen.

3.

Artikel 17a.2, derde tot en met vijfde lid, is van toepassing.

Artikel 17a.2c. Instemmingsbevoegdheid invoeringsdatum bachelor-masterstructuur
1.

Het instellingsbestuur van een universiteit of het college van bestuur van de Open Universiteit behoeft de voorafgaande instemming van de faculteitsraad of de studentenraad, bedoeld in artikel 11.13, voor een door het instellingsbestuur of het college van bestuur te nemen besluit met betrekking tot de datum van gehele of gedeeltelijke invoering van de bachelor-masterstructuur voor een faculteit of de Open Universiteit.

2.

De faculteitsraad of de studentenraad bericht het instellingsbestuur van een universiteit of het college van bestuur van de Open Universiteit binnen zes weken na het verzoek om instemming of hij al dan niet instemt met het voorgenomen besluit van het instellingsbestuur of het college van bestuur.

3.

Indien het instellingsbestuur van een universiteit de vereiste instemming niet verwerft en hij zijn voorgenomen besluit wenst te handhaven, legt dat bestuur het geschil onverwijld voor aan de commissie voor geschillen, bedoeld in artikel 9.39. De artikelen 9.40, vijfde lid, en 9.41 zijn van overeenkomstige toepassing. De commissie voor geschillen doet een uitspraak binnen uiterlijk vier weken, nadat het geschil door het instellingsbestuur aan de commissie is voorgelegd.

4.

Indien het college van bestuur van de Open Universiteit de vereiste instemming niet verwerft en hij zijn voorgenomen besluit wenst te handhaven, legt hij het geschil onverwijld voor aan de raad van toezicht van die instelling. Artikel 11.16, tweede lid, is van toepassing. De raad van toezicht neemt een besluit binnen uiterlijk vier weken, nadat het geschil door het college van bestuur aan de raad is voorgelegd.

5.

Indien 1 september 2002 geldt als de voorgenomen datum van invoering van de bachelor-masterstructuur, wordt het verzoek om instemming als bedoeld in het eerste lid voor 25 juni 2002 door het instellingsbestuur van een universiteit bij de faculteitsraad of door het college van bestuur van de Open Universiteit bij de studentenraad ingediend. In afwijking van het tweede lid wordt de mededeling, bedoeld in die volzin, binnen drie weken gedaan. In afwijking van het derde lid doet de commissie voor geschillen binnen twee weken een uitspraak. In afwijking van het vierde lid neemt de raad van toezicht van de Open Universiteit binnen twee weken een besluit.

6.

Dit artikel is voor het studiejaar 2002–2003 niet van toepassing, indien het Staatsblad waarin de wet van 6 juni 2002 tot wijziging van onder meer de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek en de Wet studiefinanciering 2000 in verband met de invoering van de bachelor-masterstructuur in het hoger onderwijs wordt geplaatst, niet is uitgegeven voor 21 juni 2002.

7.

Indien de universiteitsraad van een universiteit reeds betrokken is geweest bij de voorbereiding van de gehele of gedeeltelijke invoering van de bachelor-masterstructuur in die universiteit, kan het instellingsbestuur, in afwijking van het eerste lid, met betrekking tot een besluit als bedoeld in het eerste lid in plaats van de faculteitsraad de universiteitsraad om instemming als bedoeld in dat lid verzoeken. In het geval dat de eerste volzin toepassing heeft gevonden, wordt in het eerste, tweede, derde en vijfde lid «faculteitsraad» vervangen door: universiteitsraad.

Artikel 17a.3. Registratieprocedure voor het studiejaar 2002–2003; bekendmaking van het CROHO invoering bachelor-masterstructuur
1.

Het instellingsbestuur, bedoeld in artikel 17a.2, artikel 17a.2a of artikel 17a.2b dat een bacheloropleiding in het wetenschappelijk onderwijs dan wel een of meer daarop aansluitende masteropleidingen met het oog op de verzorging van dat onderwijs met ingang van het studiejaar 2002–2003 heeft ingesteld, meldt die opleiding of die opleidingen uiterlijk op 1 augustus 2002 aan bij de Informatie Beheer Groep voor registratie in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs. Bij de aanmelding verstrekt het instellingsbestuur de gegevens, bedoeld in artikel 6.14, tweede lid, met uitzondering van het accreditatierapport, bedoeld in artikel 5a.10, en het voornemen, bedoeld in artikel 6.2, eerste lid, of het besluit, bedoeld in artikel 6.2, derde lid.

2.

De Informatie Beheer Groep registreert de opleidingen overeenkomstig de door het instellingsbestuur verstrekte gegevens in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs dat betrekking heeft op het studiejaar 2002–2003. Onverminderd artikel 6.13, vierde lid, bevat het register van elke opleiding het tijdstip waarop voor het eerst inschrijving voor de opleiding mogelijk is.

3.

Indien de gegevens niet volledig zijn, stelt de Informatie Beheer Groep het instellingsbestuur in de gelegenheid om uiterlijk 15 augustus 2002 te voorzien in de ontbrekende gegevens.

4.

De Informatie Beheer Groep weigert registratie in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs uitsluitend, indien hij de gegevens uiterlijk 15 augustus 2002 niet of niet volledig heeft ontvangen. De Informatie Beheer Groep stelt het instellingsbestuur zo spoedig mogelijk op de hoogte van een besluit houdende weigering van de registratie.

5.

De Informatie Beheer Groep maakt voor 1 september 2002 het Centraal register opleidingen hoger onderwijs in verband met de invoering van de bachelor-masterstructuur bekend. Van deze bekendmaking wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.

Artikel 17a.4. Registratieprocedure voor het studiejaar 2003–2004; bekendmaking van wijzigingen in het CROHO 2003–2004
1.

Het instellingsbestuur, bedoeld in artikel 17a.2 , artikel 17a.2a of artikel 17a.2b dat een bacheloropleiding in het wetenschappelijk onderwijs dan wel een of meer daarop aansluitende masteropleidingen met het oog op de verzorging van dat onderwijs met ingang van een studiejaar 2003–2004 heeft ingesteld, meldt die opleiding of die opleidingen uiterlijk op 28 februari 2003 aan bij de Informatie Beheer Groep voor registratie in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs. Bij de aanmelding verstrekt het instellingsbestuur de gegevens, bedoeld in artikel 6.13, vierde lid.

2.

Artikel 17a.3, tweede lid, is van toepassing met dien verstande dat de registratie betrekking heeft op het studiejaar 2003–2004.

3.

Artikel 17a.3, derde en vierde lid, is van toepassing met dien verstande dat het uiterste tijdstip 31 mei 2003 is.

4.

De Informatie Beheer Groep maakt voor 1 juli 2003 met betrekking tot het Centraal register opleidingen hoger onderwijs de volgende wijzigingen bekend:

a. de uit het tweede lid voortvloeiende wijzigingen, en

b. de verschillen tussen het Centraal register opleidingen hoger onderwijs dat betrekking heeft op het studiejaar 2002–2003, en het Centraal register opleidingen hoger onderwijs dat betrekking heeft op het studiejaar 2003–2004 zoals bekendgemaakt voor 1 juli 2002.

Van deze bekendmaking wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.

Artikel 17a.5. Registratieprocedure voor het studiejaar 2004–2005 en latere studiejaren
1.

Het instellingsbestuur, bedoeld in artikel 17a.2, artikel 17a.2a of artikel 17a.2b dat een bacheloropleiding in het wetenschappelijk onderwijs dan wel een of meer daarop aansluitende masteropleidingen met het oog op de verzorging van dat onderwijs met ingang van het studiejaar 2004–2005 of een later studiejaar heeft ingesteld, meldt die opleiding of die opleidingen aan bij de Informatie Beheer Groep voor registratie in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs. Bij de aanmelding verstrekt het instellingsbestuur de gegevens, bedoeld in artikel 6.13, vierde lid.

2.

Artikel 17a.3, tweede lid, is van toepassing met dien verstande dat de registratie betrekking heeft op het studiejaar 2004–2005 of op het desbetreffende latere studiejaar.

3.

Artikel 6.14, vierde lid, eerste en tweede volzin, en vijfde lid, eerste volzin, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 17a.6. Opleidingen in afbouw
1.

Indien het instellingsbestuur, bedoeld in artikel 17a.2 of artikel 17a.2b toepassing heeft gegeven aan het tweede lid van die artikelen, houdt hij de opleiding in het wetenschappelijk onderwijs in stand tot een zodanig tijdstip dat de voor de opleiding ingeschreven studenten en extraneï de opleiding aan dezelfde instelling of aan een andere instelling binnen een redelijke tijd kunnen voltooien.

2.

Met ingang van het in artikel 17a.2, tweede lid, bedoelde studiejaar worden geen studenten of extraneï voor de eerste maal voor de propedeutische fase van de desbetreffende opleiding in het wetenschappelijk onderwijs ingeschreven.

3.

Op een in dit artikel bedoelde opleiding en de daarvoor ingeschreven studenten en extraneï blijven de voorschriften van deze wet en de daarop gebaseerde uitvoeringsregelingen, zoals die op 31 augustus 2002 luidden, van toepassing.

4.

In afwijking van het derde lid zijn met betrekking tot het toezicht op een in dat lid bedoelde opleiding de voorschriften van de Wet op het onderwijstoezicht van toepassing.

Paragraaf 1. Algemeen

Artikel 17a.7. Voortzetting van bestaande ongedeelde opleidingen in het wetenschappelijk onderwijs
1.

Tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip kunnen aan een bekostigde of aangewezen universiteit of aan de Open Universiteit opleidingen als bedoeld in artikel 7.3, zoals dat artikel op 31 augustus 2002 luidde, worden verzorgd, voorzover die opleidingen op 31 augustus 2002 aan die instelling zijn verbonden. Het tijdstip, vastgesteld bij het in de eerste volzin bedoelde koninklijk besluit, is 1 september van enig jaar. Het koninklijk besluit wordt vastgesteld en bekendgemaakt voor 1 september van het jaar dat voorafgaat aan het tijdstip, vastgesteld bij dat besluit.

2.

Onder de opleidingen, bedoeld in het eerste lid, worden mede begrepen de opleidingen die zijn ingesteld en geregistreerd in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs dan wel tijdig voor registratie in dat register zijn aangemeld.

3.

Met ingang van het tijdstip, vastgesteld bij het in het eerste lid bedoelde koninklijk besluit, worden geen studenten of extraneï voor de eerste maal voor de propedeutische fase van een opleiding als bedoeld in dit artikel ingeschreven.

Artikel 17a.7a. Voortzetting van bestaande universitaire lerarenopleidingen
1.

Tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip kunnen aan een bekostigde of aangewezen universiteit universitaire eerstegraads lerarenopleidingen als bedoeld in artikel 7.4, vierde lid, zoals die bepaling op 31 augustus 2002 luidde, worden verzorgd, voorzover die opleidingen op 31 augustus 2002 aan die instelling zijn verbonden. Artikel 17a.7, eerste lid, tweede en derde volzin, is van toepassing.

2.

Artikel 17a.7, tweede en derde lid, is van toepassing.

Artikel 17a.8. Gevolgen beëindiging van de ongedeelde opleidingenstructuur

Indien het koninklijk besluit, bedoeld in artikel 17a.7 of artikel 17a.7a, tot stand is gekomen, bepaalt Onze minister voor elke opleiding als bedoeld in genoemd artikellid of voor een groep van die opleidingen, met ingang van welk tijdstip de rechten, bedoeld in de artikelen 1.9 en 1.12, vervallen. Dat tijdstip wordt zodanig bepaald dat de voor de opleiding ingeschreven studenten en extraneï de opleiding aan dezelfde instelling of aan een andere instelling binnen een redelijke tijd kunnen voltooien.

Artikel 17a.9. Toepasselijke voorschriften; aanvullende voorschriften
1.

Op de in artikel 17a.7 of artikel 17a.7a bedoelde opleidingen en de daarvoor ingeschreven studenten en extraneï blijven de voorschriften van deze wet en de daarop gebaseerde uitvoeringsregelingen, zoals die op 31 augustus 2002 luidden, van toepassing.

2.

De studielast van de volgende opleidingen, bedoeld in artikel 17a.7, bedraagt 300 studiepunten:

  • life science and technology aan de openbare universiteit te Delft,
  • telematica aan de openbare universiteit te Enschede, en
  • voeding en gezondheid aan de openbare universiteit te Wageningen.
3.

In afwijking van het eerste lid zijn met betrekking tot het toezicht op de in dat lid bedoelde opleidingen de voorschriften van de Wet op het onderwijstoezicht van toepassing.

Paragraaf 6. Rechtsbescherming

Artikel 17a.10. Omzetting van rechtswege van bacheloropleidingen in het hoger beroepsonderwijs
1.

De opleidingen in het hoger beroepsonderwijs waarvan de studielast op 31 augustus 2002 168 studiepunten bedroeg, zijn met ingang van 1 september 2002 bacheloropleidingen als bedoeld in artikel 7.3a, tweede lid, onder a.

2.

Onder de opleidingen, bedoeld in het eerste lid, worden mede begrepen de opleidingen die zijn ingesteld en geregistreerd in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs dan wel tijdig voor registratie in dat register zijn aangemeld.

Artikel 17a.10a. Voortzetting van bestaande voortgezette opleidingen in het hoger beroepsonderwijs
1.

Tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip kunnen aan een bekostigde hogeschool opleidingen in het hoger beroepsonderwijs als bedoeld in artikel 7.4, vierde en vijfde lid, zoals die artikelleden op 31 augustus 2002 luidden, worden verzorgd, voorzover die opleidingen op 31 augustus 2002 aan die hogeschool zijn verbonden. Artikel 17a.7, eerste lid, tweede en derde volzin, is van toepassing.

2.

Artikel 17a.7, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.

3.

Het in het eerste lid bedoelde tijdstip kan voor de onderscheiden opleidingen verschillend worden bepaald. Indien toepassing wordt gegeven aan de eerste volzin, wordt dat besluit niet eerder genomen dan nadat voor de desbetreffende opleiding een besluit als bedoeld in artikel 7.3a, tweede lid, is genomen, waarbij een masteropleiding is aangemerkt die een voortzetting vormt van eerstbedoelde opleiding.

4.

Indien een besluit als bedoeld artikel 7.3a, tweede lid, betrekking heeft op een masteropleiding die een voortzetting vormt van een opleiding als bedoeld in artikel 7.4, vierde en vijfde lid, zoals die artikelleden op 31 augustus 2002 luidden, bedraagt de studielast van die opleiding het aantal studiepunten, genoemd in die artikelleden, vermenigvuldigd met de factor 1,43. De uitkomst daarvan wordt voorzover nodig rekenkundig afgerond.

Artikel 17a.10b. Gevolgen beëindiging van opleidingen; toepasselijke voorschriften

De artikelen 17a.8 en 17a.9 zijn van overeenkomstige toepassing op de opleidingen, bedoeld in artikel 17a.10a, en de daarvoor ingeschreven studenten en extraneï.

Artikel 17a.11. Registratieprocedure; bekendmaking van wijzigingen in het CROHO 2002–2003
1.

De Informatie Beheer Groep registreert de opleidingen, bedoeld in artikel 17a.10, in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs dat betrekking heeft op het studiejaar 2002–2003.

2.

De Informatie Beheer Groep beëindigt de registratie van de opleidingen in het hoger beroepsonderwijs met uitzondering van de opleidingen, bedoeld in artikel 17a.10a, eerste lid, met ingang van 1 september 2002.

3.

De Informatie Beheer Groep maakt de uit het eerste en tweede lid voortvloeiende wijzigingen bekend in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs, bedoeld in artikel 17a.3, vijfde lid.

Paragraaf 8. Overige bepalingen

Artikel 17a.11a. Invoering studiepunten «nieuwe stijl» voor bachelor- en masteropleidingen en gehandhaafde opleidingen
1.

Indien voor een bepaald studiejaar met betrekking tot een opleiding in het wetenschappelijk onderwijs toepassing is gegeven aan artikel 17a.2, artikel 17a.2a of artikel 17a.2b, wordt voor de desbetreffende bacheloropleiding of masteropleiding de studielast van die opleidingen met ingang van dat studiejaar uitgedrukt in studiepunten overeenkomstig artikel 7.4a.

2.

Met betrekking tot de bacheloropleidingen in het hoger beroepsonderwijs en de masteropleidingen in het hoger beroepsonderwijs, bedoeld in artikel 7.3a, tweede lid, onder b, wordt de studielast van die opleidingen met ingang van het studiejaar 2002–2003 uitgedrukt in studiepunten overeenkomstig artikel 7.4b.

3.

Met betrekking tot de opleidingen, bedoeld in artikel 17a.6, de opleidingen, bedoeld in artikel 17a.7, en de opleidingen, bedoeld in artikel 17a.10a, wordt de studielast van die opleidingen met ingang van het studiejaar 2002–2003 uitgedrukt in studiepunten overeenkomstig artikel 7.4, tweede tot en met zesde lid, zoals die artikelleden luidden op 31 augustus 2002, vermenigvuldigd met de factor 1,43. De uitkomst daarvan wordt voorzover nodig rekenkundig afgerond.

Artikel 17a.11b. Wijziging onderwijs- en examenregeling

Het instellingsbestuur wijzigt voor 1 september 2004 van de onderwijs- en examenregeling het onderdeel, bedoeld in artikel 7.13, tweede lid, onder e.

Artikel 17a.11c. Omrekenfactor voor omzetting studiepunten; afronding
1.

De omrekenfactor voor de omzetting van studiepunten als bedoeld in artikel 7.4, zoals dat artikel luidde op 31 augustus 2002, in studiepunten als bedoeld in de artikelen 7.4a en 7.4b is het getal 1,43.

2.

De uitkomst van de omzetting van studiepunten wordt rekenkundig afgerond op een decimaal achter de komma.

Artikel 17a.11d. Omzetting studiepunten

Het instellingsbestuur deelt een student of extraneus desgevraagd mee het aantal studiepunten, bedoeld in de artikelen 7.4a en 7.4b, dat hij tot en met 31 augustus 2002 heeft behaald. Het instellingsbestuur waarborgt daarbij dat de rechten die een student of extraneus kan ontlenen aan de voor 1 september 2002 behaalde studiepunten, door deze omrekening niet minder kunnen worden.

Paragraaf 1. Onderwijsbevoegdheden en rechtspositie

Artikel 17a.12. Overgangsrecht accreditatieplicht voor bachelor- en masteropleidingen in het wetenschappelijk onderwijs

De bacheloropleidingen, bedoeld in artikel 7.3a, eerste lid, onder a, en de masteropleidingen, bedoeld in artikel 7.3a, eerste lid, onder b, die met ingang van enig studiejaar worden verzorgd en in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs zijn opgenomen en zijn geaccrediteerd als bedoeld in artikel 5a.9 tot en met 31 december 2007.

Artikel 17a.13. Overgangsrecht accreditatieplicht voor ongedeelde opleidingen in het wetenschappelijk onderwijs
1.

Aan de opleidingen, bedoeld in artikel 17a.7, die een voortzetting vormen van opleidingen die voor de dag van de datum van inwerkingtreding van de wet van 6 juni 2002 (Stb. 303) zijn geregistreerd in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs, en waarvan de beoordeling, bedoeld in artikel 1.18, eerste lid, heeft plaatsgevonden voor 1 januari 2000, is accreditatie verbonden tot en met 31 december 2005.

2.

Aan de opleidingen, bedoeld in artikel 17a.7, die een voortzetting vormen van opleidingen die voor de dag van de datum van inwerkingtreding van de wet van 6 juni 2002 (Stb. 303) zijn geregistreerd in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs, is accreditatie verbonden tot en met 31 december van het jaar dat volgt op het zesde jaar na de laatste beoordeling, bedoeld in artikel 1.18, eerste lid, indien die beoordeling heeft plaatsgevonden:

  • a. na 31 december 1999 en voor 1 januari 2004, of
  • b. na 1 januari 2004 en de instelling aantoont dat op 1 december 2001 de start van die beoordeling was gepland op een datum die eerder is dan de eerste plaatsing van de accreditatiekaders in de Staatscourant.
3.

Aan de opleidingen, bedoeld in artikel 17a.7, die een voortzetting vormen van opleidingen die blijkens het Centraal register opleidingen hoger onderwijs zijn gestart met ingang van het studiejaar 2000–2001 of het studiejaar 2001–2002, is accreditatie verbonden tot en met 31 december van het kalenderjaar dat zes jaar na de start van de opleiding ingaat.

Artikel 17a.14. Overgangsrecht accreditatieplicht voor bacheloropleidingen in het hoger beroepsonderwijs
1.

Aan de bacheloropleidingen, bedoeld in artikel 7.3a, tweede lid, onder a, die een voortzetting vormen van opleidingen die voor de dag van de datum van inwerkingtreding van de wet van 6 juni 2002 (Stb. 303) zijn geregistreerd in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs, en waarvan de beoordeling, bedoeld in artikel 1.18, eerste lid, heeft plaatsgevonden voor 1 januari 2000, is accreditatie verbonden tot en met 31 december 2005.

2.

Aan de opleidingen, bedoeld in artikel 7.3a, tweede lid, onder a, die een voortzetting vormen van opleidingen die voor de dag van de datum van inwerkingtreding van de wet van 6 juni 2002 (Stb. 303) zijn geregistreerd in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs, is accreditatie verbonden tot en met 31 december van het jaar dat volgt op het zesde jaar na de laatste beoordeling, bedoeld in artikel 1.18, eerste lid, indien die beoordeling heeft plaatsgevonden:

  • a. na 31 december 1999 en voor 1 januari 2004, of
  • b. na 1 januari 2004 en de instelling aantoont dat op 1 december 2001 de start van die beoordeling was gepland op een datum die eerder is dan de eerste plaatsing van de accreditatiekaders in de Staatscourant.
3.

Aan de opleidingen, bedoeld in artikel 7.3a, tweede lid, onder a, die een voortzetting vormen van opleidingen die blijkens het Centraal register opleidingen hoger onderwijs zijn gestart of zullen starten met ingang van enig studiejaar, in de periode van de studiejaren vanaf 2000–2001 tot en met 2003–2004, is accreditatie verbonden tot en met 31 december van het kalenderjaar dat zes jaar na de start van de opleiding ingaat.

Artikel 17a.15. Overgangsrecht accreditatieplicht voor voortgezette opleidingen in het hoger beroepsonderwijs
1.

Aan de opleidingen, bedoeld in artikel 17a.10a, die een voortzetting vormen van opleidingen die voor de dag van de datum van inwerkingtreding van de wet van 6 juni 2002 (Stb. 303) zijn geregistreerd in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs, en waarvan de beoordeling, bedoeld in artikel 1.18, eerste lid, heeft plaatsgevonden voor 1 januari 2000, is accreditatie verbonden tot en met 31 december 2005.

2.

Aan de opleidingen, bedoeld in artikel 17a.10a, die een voortzetting vormen van opleidingen die voor de dag van de datum van inwerkingtreding van de wet van 6 juni 2002 (Stb. 303) zijn geregistreerd in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs, is accreditatie verbonden tot en met 31 december van het jaar dat volgt op het zesde jaar na de laatste beoordeling, bedoeld in artikel 1.18, eerste lid, indien die beoordeling heeft plaatsgevonden:

  • a. na 31 december 1999 en voor 1 januari 2004, of
  • b. na 1 januari 2004 en de instelling aantoont dat op 1 december 2001 de start van die beoordeling was gepland op een datum die eerder is dan de eerste plaatsing van de accreditatiekaders in de Staatscourant.
3.

Aan de opleidingen, bedoeld in artikel 17a.10a, die een voortzetting vormen van opleidingen die blijkens het Centraal register opleidingen hoger onderwijs zijn gestart of zullen starten met ingang van enig studiejaar, in de periode van de studiejaren vanaf 2000–2001 tot en met 2003–2004, is accreditatie verbonden tot en met 31 december van het kalenderjaar, dat zes jaar na de start van de opleiding ingaat.

Artikel 17a.15a. Overgangsrecht bevoegdheden minister voor opleidingen waaraan accreditatie ingevolge de wet is verbonden

Op opleidingen waaraan op grond van de artikelen 17a.12, 17a.13, 17a.14 of 17a.15, accreditatie is verbonden, zijn van overeenkomstige toepassing de artikelen 6.5, met uitzondering van het eerste lid, onderdelen b en c, 6.6, eerste lid, en 6.10, met uitzondering van het eerste lid, onderdeel b, zoals die artikelen van toepassing waren op 25 september 2003.

Paragraaf 2. Instelling en registratie van bachelor- en masteropleidingen in het wetenschappelijk onderwijs; tijdelijke handhaving van opleidingen in afbouw

Artikel 17a.16. Afwijzing na bindend studieadvies

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)