Wijzigingsgeschiedenis

Besluit van 23 december 1994, tot vaststelling van het uitvoeringsbesluit belastingen op milieugrondslag

41 versions · 2026-01-01
2026-01-01
Uitvoeringsbesluit belastingen op milieugrondslag — art. 16
2025-01-01
Uitvoeringsbesluit belastingen op milieugrondslag
2024-07-01
Uitvoeringsbesluit belastingen op milieugrondslag — art. 16
2024-01-01
Uitvoeringsbesluit belastingen op milieugrondslag
2023-12-28
Uitvoeringsbesluit belastingen op milieugrondslag — art. 16
2023-01-01
Uitvoeringsbesluit belastingen op milieugrondslag — arts. 16, 16
2022-01-01
Uitvoeringsbesluit belastingen op milieugrondslag
2021-07-01
Uitvoeringsbesluit belastingen op milieugrondslag — arts. 16, 16
2021-04-01
Uitvoeringsbesluit belastingen op milieugrondslag — art. 16
2021-01-01
Uitvoeringsbesluit belastingen op milieugrondslag — art. 16

Wijzigingen op 2021-01-01

@@ -14,7 +14,7 @@
##### Artikel 1
1. Dit besluit geeft uitvoering aan de [artikelen 20, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007168&artikel=20), [22, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007168&artikel=22), [25a, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007168&artikel=25a), [27, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007168&artikel=27), [29a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007168&artikel=29a), 29b, tweede lid, [33, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007168&artikel=33), [34, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007168&artikel=34), [35, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007168&artikel=35), [44, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007168&artikel=44), [45, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007168&artikel=45), [51, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007168&artikel=51), [54, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007168&artikel=54), [59, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007168&artikel=59), [59a, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007168&artikel=59a), [60, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007168&artikel=60), [60a, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007168&artikel=60a), [63, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007168&artikel=63), [64, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007168&artikel=64), [67, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007168&artikel=67), [68, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007168&artikel=68), [69, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007168&artikel=69), [70, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007168&artikel=70), [70a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007168&artikel=70a), en [93, eerste lid, van de Wet belastingen op milieugrondslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007168&artikel=93).
1. Dit besluit geeft uitvoering aan de [artikelen 20, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007168&artikel=20), [22, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007168&artikel=22), [25a, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007168&artikel=25a), [27, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007168&artikel=27), [29a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007168&artikel=29a), 29b, tweede lid, [33, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007168&artikel=33), [34, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007168&artikel=34), [35, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007168&artikel=35), [44, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007168&artikel=44), [45, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007168&artikel=45), [51, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007168&artikel=51), [54, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007168&artikel=54), [59, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007168&artikel=59), [59a, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007168&artikel=59a), [60, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007168&artikel=60), [60a, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007168&artikel=60a), [60b, derde lid](onbekend), [63, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007168&artikel=63), [64, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007168&artikel=64), [67, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007168&artikel=67), [68, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007168&artikel=68), [69, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007168&artikel=69), [70, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007168&artikel=70), [70a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007168&artikel=70a), [92, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007168&artikel=92), en [93, eerste lid, van de Wet belastingen op milieugrondslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007168&artikel=93).
2. Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder:
@@ -96,7 +96,7 @@
##### Artikel 5
Voor de toepassing van [artikel 22, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007168&artikel=22) wordt de toepassing van stoffen, preparaten of voorwerpen binnen een inrichting waar afvalstoffen worden verbrand, geacht hetzij verband te houden met de bedrijfsvoering van de inrichting, hetzij deel uit te maken van het bedrijfsproces dat leidt tot de nuttige toepassing of verwijdering van afvalstoffen, indien de stoffen, preparaten of voorwerpen in de inrichting dienen voor de activiteiten, dan wel bestaan uit de materialen of voorwerpen, bedoeld in [artikel 4, onderdelen a, f, g, h, i, of k](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007178&hoofdstuk=IV&artikel=4&z=2020-01-01&g=2020-01-01).
Voor de toepassing van [artikel 22, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007168&artikel=22) wordt de toepassing van stoffen, preparaten of voorwerpen binnen een inrichting waar afvalstoffen worden verbrand, geacht hetzij verband te houden met de bedrijfsvoering van de inrichting, hetzij deel uit te maken van het bedrijfsproces dat leidt tot de nuttige toepassing of verwijdering van afvalstoffen, indien de stoffen, preparaten of voorwerpen in de inrichting dienen voor de activiteiten, dan wel bestaan uit de materialen of voorwerpen, bedoeld in [artikel 4, onderdelen a, f, g, h, i, of k](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007178&hoofdstuk=IV&artikel=4&z=2021-01-01&g=2021-01-01).
##### Artikel 5a
@@ -198,17 +198,29 @@
- h. het gewicht van de afvalstoffen die met toepassing van de toestemming tot overbrenging zijn overgebracht, alsmede het aantal transporten waarmee de afvalstoffen zijn overgebracht.
2. Indien de overgebrachte afvalstoffen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel h, niet geheel zijn gestort dan wel verbrand in een installatie waarin gemengde afvalstoffen mogen worden verbrand, vermeldt de kennisgever in de aanvraag tevens:
- a. het gewicht van de afvalstoffen, niet zijnde baggerspecie, die met toepassing van de toestemming tot overbrenging zijn overgebracht en die, al dan niet na opslag, sortering of bewerking, zijn of zullen worden gestort;
- b. het gewicht van de afvalstoffen, niet zijnde baggerspecie of zuiveringsslib, die met toepassing van de toestemming tot overbrenging zijn overgebracht en die, al dan niet na opslag, sortering of bewerking, zijn of zullen worden verbrand in een installatie waarin gemengde afvalstoffen mogen worden verbrand, verminderd met het gewicht van het aan deze afvalstoffen toe te rekenen verbrandingsresidu dat nuttig is of zal worden toegepast, waarbij de hoeveelheid verbrandingsresidu die nuttig is of zal worden toegepast apart wordt vermeld;
- c. het gewicht van de afvalstoffen, niet zijnde baggerspecie of zuiveringsslib, die met toepassing van de toestemming tot overbrenging zijn overgebracht en die, al dan niet na opslag, sortering of bewerking, zijn of zullen worden verbrand in een installatie waarin geen gemengde afvalstoffen mogen worden verbrand;
- d. het gewicht van de afvalstoffen die met toepassing van de toestemming tot overbrenging zijn overgebracht voor zover dit gewicht nog niet is vermeld ingevolge onderdelen a, b of c, onder vermelding van de aard en verwerkingswijze van deze afvalstoffen, waarbij indien sprake is van meer dan één verwerkingswijze, de hoeveelheden per verwerkingswijze worden gespecificeerd. Bij de aanvraag verklaart de kennisgever te beschikken over een schriftelijke verklaring van de ontvanger, bedoeld in artikel 2, veertiende lid, EVOA, aan de hand waarvan de hoeveelheden, bedoeld in onderdelen a tot en met d, kunnen worden vastgesteld, onder vermelding van de plaats waar en de datum wanneer de laatstgenoemde verklaring is opgesteld.
3. De schriftelijke verklaring, bedoeld in het tweede lid, tweede zin, wordt ondertekend door de ontvanger en bevat:
2. Indien een lager belastingbedrag in aanmerking wordt genomen als bedoeld in [artikel 25, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007168&artikel=25), specificeert de kennisgever in de aanvraag op welke wijze de afvalstoffen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel h, al dan niet na opslag, sortering of bewerking, zijn of zullen worden verwerkt. De kennisgever vermeldt daartoe:
- a. het gewicht van baggerspecie die is of zal worden gestort of verbrand;
- b. het gewicht van zuiveringsslib dat is of zal worden verbrand in een installatie buiten Nederland, verminderd met het gewicht van het aan dat zuiveringsslib toe te rekenen verbrandingsresidu;
- c. het gewicht van afvalstoffen, niet zijnde baggerspecie, zuiveringsslib of gemengde afvalstoffen, die zijn of zullen worden verbrand in een installatie buiten Nederland waarin niet of nauwelijks gemengde afvalstoffen worden verbrand, verminderd met het gewicht van het aan die afvalstoffen toe te rekenen verbrandingsresidu;
- d. het gewicht van afvalstoffen waarvan het gewicht niet is vermeld ingevolge onderdelen a, b of c, voor zover deze afvalstoffen zijn of zullen worden verbrand in een installatie buiten Nederland waarin geen gemengde afvalstoffen mogen worden verbrand, verminderd met het gewicht van het aan die afvalstoffen toe te rekenen verbrandingsresidu;
- e. het gewicht van afvalstoffen waarvan het gewicht niet is vermeld ingevolge onderdelen a tot en met d, voor zover deze afvalstoffen zijn of zullen worden verbrand in een installatie buiten Nederland, verminderd met het gewicht van het aan die afvalstoffen toe te rekenen verbrandingsresidu;
- f. het gewicht van verbrandingsresidu als bedoeld in onderdelen b, c, d of e, voor zover dat residu nuttig is of zal worden toegepast;
- g. het gewicht van afvalstoffen waarvan het gewicht niet is vermeld ingevolge onderdelen a tot en met f, daaronder begrepen verbrandingsresidu als bedoeld in de onderdelen b, c, d of e, voor zover deze afvalstoffen buiten Nederland zijn of zullen worden gestort;
- h. het gewicht van afvalstoffen waarvan het gewicht niet is vermeld ingevolge onderdelen a tot en met g, daaronder begrepen verbrandingsresidu als bedoeld in de onderdelen b, c, d of e, voor zover deze afvalstoffen in Nederland zijn of zullen worden gestort of verbrand;
- i. het gewicht van de afvalstoffen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel h, waarvan het gewicht niet is vermeld ingevolge onderdelen a tot en met h.
Bij het gewicht, vermeld ingevolge de onderdelen a tot en met i, specificeert de kennisgever de aard en verwerkingswijze van de afvalstoffen. Indien bij een of meer van genoemde onderdelen sprake is van meer dan één verwerkingswijze, specificeert de kennisgever deze gegevens per verwerkingswijze. Bij de aanvraag verklaart de kennisgever te beschikken over een schriftelijke verklaring van de ontvanger, bedoeld in artikel 2, veertiende lid, EVOA, aan de hand waarvan de hoeveelheden, bedoeld in onderdelen a tot en met i, kunnen worden vastgesteld, onder vermelding van de plaats waar en de datum wanneer de laatstgenoemde verklaring is opgesteld.
3. De schriftelijke verklaring, bedoeld in het tweede lid, laatste zin, wordt ondertekend door de ontvanger en bevat:
- a. naam en adres van de ontvanger;
@@ -216,13 +228,13 @@
- c. het gewicht van de afvalstoffen die met toepassing van de toestemming tot overbrenging zijn overgebracht, alsmede het aantal transporten waarmee de afvalstoffen zijn overgebracht;
- d. de gewichten, bedoeld in het tweede lid, onderdelen a tot en met d;
- d. de gewichten, bedoeld in het tweede lid, onderdelen a tot en met i;
- e. in geval de afvalstoffen geheel of gedeeltelijk zijn of zullen worden verwerkt bij verschillende bedrijven: een uitsplitsing van de gewichten, bedoeld in onderdeel d, over alle bedrijven waar een deel van de afvalstoffen is of zal worden verwerkt; indien meerdere opeenvolgende verwerkingswijzen op de afvalstoffen worden toegepast, geeft de uitsplitsing een schematische weergave van de verschillende stromen afvalstoffen en verwerkingswijzen;
- f. de verklaring dat de gegevens juist en volledig zijn en zonder voorbehoud worden verstrekt.
4. De kennisgever doet de melding, bedoeld in [artikel 25a, eerste lid, tweede zin, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007168&artikel=25a) op de daartoe bij de voorziening, bedoeld in [artikel 6, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007178&hoofdstuk=IV&artikel=6&z=2020-01-01&g=2020-01-01), voorgeschreven wijze.
4. De kennisgever doet de melding, bedoeld in [artikel 25a, eerste lid, tweede zin, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007168&artikel=25a) op de daartoe bij de voorziening, bedoeld in [artikel 6, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007178&hoofdstuk=IV&artikel=6&z=2021-01-01&g=2021-01-01), voorgeschreven wijze.
5. De kennisgever is gehouden op zodanige wijze een administratie te voeren en de daartoe behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers op zodanige wijze te bewaren, dat hieruit te allen tijde de gegevens blijken die van belang zijn voor een juiste vaststelling van de hoeveelheden, bedoeld in het tweede lid, onderdelen a tot en met d, daaronder begrepen de verklaring, bedoeld in het tweede lid, tweede volzin, en de hem ter beschikking staande gegevens die aan die verklaring ten grondslag liggen. De kennisgever is verplicht deze gegevens gedurende zeven jaar te bewaren.
@@ -246,11 +258,11 @@
##### Artikel 8
1. Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat vermeldt in de beschikking, bedoeld in [artikel 25, derde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007168&artikel=25), de gegevens die de kennisgever ingevolge [artikel 7, eerste lid, onderdelen a tot en met h](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007178&hoofdstuk=IV&artikel=7&z=2020-01-01&g=2020-01-01), bij zijn aanvraag heeft verstrekt.
1. Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat vermeldt in de beschikking, bedoeld in [artikel 25, derde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007168&artikel=25), de gegevens die de kennisgever ingevolge [artikel 7, eerste lid, onderdelen a tot en met h](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007178&hoofdstuk=IV&artikel=7&z=2021-01-01&g=2021-01-01), bij zijn aanvraag heeft verstrekt.
2. Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat kan de gegevens die de kennisgever bij zijn aanvraag heeft verstrekt vergelijken met gegevens die ter zake ingevolge de EVOA zijn verstrekt.
3. In gevallen als bedoeld in [artikel 7, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007178&hoofdstuk=IV&artikel=7&z=2020-01-01&g=2020-01-01), vermeldt Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat tevens in de beschikking de gegevens die de kennisgever heeft vermeld in zijn aanvraag ingevolge artikel 7, tweede lid, onderdelen a tot en met d, en laatste zin.
3. In gevallen als bedoeld in [artikel 7, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007178&hoofdstuk=IV&artikel=7&z=2021-01-01&g=2021-01-01), vermeldt Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat tevens in de beschikking de gegevens die de kennisgever heeft vermeld in zijn aanvraag ingevolge artikel 7, tweede lid.
4. Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld ten behoeve van de uitvoering van dit artikel.
@@ -380,15 +392,15 @@
##### Artikel 9
1. In afwijking van [artikel 8, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007178&hoofdstuk=IV&artikel=8&z=2020-01-01&g=2020-01-01), vermeldt Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat in de beschikking, bedoeld in [artikel 25, derde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007168&artikel=25), uitsluitend de gegevens bedoeld in [artikel 7, eerste lid, onderdelen a tot en met h](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007178&hoofdstuk=IV&artikel=7&z=2020-01-01&g=2020-01-01), die ter zake ingevolge de EVOA zijn ontvangen, indien en voor zover:
- a. voor de afgifte van de beschikking blijkt dat de gegevens die de kennisgever ingevolge [artikel 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007178&hoofdstuk=IV&artikel=7&z=2020-01-01&g=2020-01-01) bij zijn aanvraag heeft verstrekt onjuist of onvolledig zijn; dan wel
- b. Onze Minister de beschikking afgeeft op grond van [artikel 25a, vierde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007168&artikel=25a). Ingeval evenwel de ingevolge de EVOA gemelde gegevens onjuist of onvolledig zijn, en de juiste en volledige gegevens redelijkerwijs evenmin tijdig op andere wijze kunnen worden vastgesteld, vermeldt Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat in afwijking van de eerste zin in de beschikking uitsluitend de gegevens, bedoeld in [artikel 7, eerste lid, onderdelen a tot en met g](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007178&hoofdstuk=IV&artikel=7&z=2020-01-01&g=2020-01-01).
2. Indien Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat de beschikking afgeeft ingevolge [artikel 25a, vierde lid, onderdeel b, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007168&artikel=25a), nadat de kennisgever een melding heeft gedaan als bedoeld in artikel 25a, eerste lid, tweede zin, van de wet, vermeldt Onze Minister in de beschikking de gegevens, genoemd in [artikel 7, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007178&hoofdstuk=IV&artikel=7&z=2020-01-01&g=2020-01-01), en, indien van toepassing, artikel 7, tweede lid, zoals door de kennisgever gecorrigeerd bij de melding.
3. Bij toepassing van het eerste lid stelt Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat, voordat hij de beschikking afgeeft, de kennisgever in de gelegenheid een aanvraag in te dienen binnen een daarvoor door hem te stellen termijn waarin hij alsnog de gegevens, genoemd in [artikel 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007178&hoofdstuk=IV&artikel=7&z=2020-01-01&g=2020-01-01), verstrekt. De [artikelen 6 tot en met 9, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007178&hoofdstuk=IV&artikel=6&z=2020-01-01&g=2020-01-01), zijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van een dergelijke aanvraag.
1. In afwijking van [artikel 8, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007178&hoofdstuk=IV&artikel=8&z=2021-01-01&g=2021-01-01), vermeldt Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat in de beschikking, bedoeld in [artikel 25, derde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007168&artikel=25), uitsluitend de gegevens bedoeld in [artikel 7, eerste lid, onderdelen a tot en met h](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007178&hoofdstuk=IV&artikel=7&z=2021-01-01&g=2021-01-01), die ter zake ingevolge de EVOA zijn ontvangen, indien en voor zover:
- a. voor de afgifte van de beschikking blijkt dat de gegevens die de kennisgever ingevolge [artikel 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007178&hoofdstuk=IV&artikel=7&z=2021-01-01&g=2021-01-01) bij zijn aanvraag heeft verstrekt onjuist of onvolledig zijn; dan wel
- b. Onze Minister de beschikking afgeeft op grond van [artikel 25a, vierde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007168&artikel=25a). Ingeval evenwel de ingevolge de EVOA gemelde gegevens onjuist of onvolledig zijn, en de juiste en volledige gegevens redelijkerwijs evenmin tijdig op andere wijze kunnen worden vastgesteld, vermeldt Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat in afwijking van de eerste zin in de beschikking uitsluitend de gegevens, bedoeld in [artikel 7, eerste lid, onderdelen a tot en met g](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007178&hoofdstuk=IV&artikel=7&z=2021-01-01&g=2021-01-01).
2. Indien Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat de beschikking afgeeft ingevolge [artikel 25a, vierde lid, onderdeel b, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007168&artikel=25a), nadat de kennisgever een melding heeft gedaan als bedoeld in artikel 25a, eerste lid, tweede zin, van de wet, vermeldt Onze Minister in de beschikking de gegevens, genoemd in [artikel 7, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007178&hoofdstuk=IV&artikel=7&z=2021-01-01&g=2021-01-01), en, indien van toepassing, artikel 7, tweede lid, zoals door de kennisgever gecorrigeerd bij de melding.
3. Bij toepassing van het eerste lid stelt Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat, voordat hij de beschikking afgeeft, de kennisgever in de gelegenheid een aanvraag in te dienen binnen een daarvoor door hem te stellen termijn waarin hij alsnog de gegevens, genoemd in [artikel 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007178&hoofdstuk=IV&artikel=7&z=2021-01-01&g=2021-01-01), verstrekt. De [artikelen 6 tot en met 9, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007178&hoofdstuk=IV&artikel=6&z=2021-01-01&g=2021-01-01), zijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van een dergelijke aanvraag.
##### Artikel 10
@@ -470,7 +482,7 @@
##### Artikel 16
1. In de vervoersopdracht, bedoeld in [artikel 14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007178&hoofdstuk=V&artikel=14&z=2020-01-01&g=2020-01-01), worden vermeld:
1. In de vervoersopdracht, bedoeld in [artikel 14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007178&hoofdstuk=V&artikel=14&z=2021-01-01&g=2021-01-01), worden vermeld:
- a. de naam en het adres van degene die de vervoersopdracht opmaakt dan wel van degene in wiens opdracht zij wordt opgemaakt;
@@ -516,7 +528,7 @@
3. Bij het verzoek om teruggaaf worden de aankoopfactuur en de van belang zijnde gegevens over de bestemming van de kolen waarop de teruggaaf betrekking heeft overgelegd.
4. [Artikel 17, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007178&hoofdstuk=V&artikel=17&z=2020-01-01&g=2020-01-01), is van overeenkomstige toepassing op de teruggaaf, bedoeld in [artikel 45, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007168&artikel=45), met betrekking tot kolen die worden gebruikt op een wijze als bedoeld in [artikel 44, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007168&artikel=44).
4. [Artikel 17, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007178&hoofdstuk=V&artikel=17&z=2021-01-01&g=2021-01-01), is van overeenkomstige toepassing op de teruggaaf, bedoeld in [artikel 45, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007168&artikel=45), met betrekking tot kolen die worden gebruikt op een wijze als bedoeld in [artikel 44, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007168&artikel=44).
5. De administratie van degene die om teruggaaf verzoekt, voldoet aan bij ministeriële regeling te stellen voorwaarden.
@@ -638,111 +650,233 @@
3. Teruggaaf van belasting wordt alleen verleend indien de aankoopfacturen en de van belang zijnde gegevens en verklaringen over de bestemming van het aardgas of de elektriciteit waarop de teruggaaf betrekking heeft, worden overgelegd en indien de administratie van degene die om teruggaaf verzoekt voldoet aan bij ministeriële regeling te stellen voorwaarden.
4. [Artikel 22, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007178&hoofdstuk=VI&artikel=22&z=2020-01-01&g=2020-01-01), is van overeenkomstige toepassing op de teruggaaf, bedoeld in [artikel 70, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007168&artikel=70).
5. [Artikel 22, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007178&hoofdstuk=VI&artikel=22&z=2020-01-01&g=2020-01-01), is van overeenkomstige toepassing op de teruggaaf van belasting, bedoeld in [artikel 70, eerste, tweede en derde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007168&artikel=70).
4. [Artikel 22, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007178&hoofdstuk=VI&artikel=22&z=2021-01-01&g=2021-01-01), is van overeenkomstige toepassing op de teruggaaf, bedoeld in [artikel 70, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007168&artikel=70).
5. [Artikel 22, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007178&hoofdstuk=VI&artikel=22&z=2021-01-01&g=2021-01-01), is van overeenkomstige toepassing op de teruggaaf van belasting, bedoeld in [artikel 70, eerste, tweede en derde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007168&artikel=70).
6. De teruggaaf, bedoeld in het eerste lid, wordt voorts alleen verleend als het bedrag aan belasting expliciet op de factuur in rekening is gebracht en slechts voor zover die factuur is betaald.
7. Voor het berekenen van de teruggaaf, bedoeld in het eerste lid, wordt het verbruik in de verbruiksperiode, bedoeld in [artikel 47, eerste lid, onderdeel d, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007168&artikel=47), in aanmerking genomen.
8. Indien een hoger bedrag aan belasting is gefactureerd dan door degene die de levering heeft verricht verschuldigd is, wordt voor het bepalen van de hoogte van de teruggaaf, bedoeld in het eerste lid, het bedrag aan verschuldigde belasting gebruikt.
### Hoofdstuk VII. Vliegbelasting
##### Artikel 28
1. Teruggaaf van belasting als bedoeld in [artikel 70a, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007168&artikel=70a) wordt op verzoek verleend aan degene aan wie de belasting in rekening is gebracht.
2. Het tijdvak waarover de teruggaaf wordt verleend, is het kalenderkwartaal. De inspecteur kan op verzoek een ander tijdvak aanwijzen.
3. Het verzoek om teruggaaf van belasting wordt gedaan binnen dertien weken na het eind van het in het tweede lid bedoelde tijdvak waarin het aardgas is geleverd.
4. Teruggaaf wordt voorts alleen verleend indien:
- a. uit de aankoopfactuur blijkt wanneer en hoeveel aardgas is geleverd;
- b. degene die het verzoek om teruggaaf doet, bij het verzoek schriftelijk verklaart welk gedeelte van dit aardgas is gebruikt als brandstof voor vaartuigen op communautaire wateren, niet zijnde particuliere pleziervaartuigen; en
- c. de verklaring, bedoeld in onderdeel b, desgevraagd kan worden gestaafd met schriftelijke verklaringen van de exploitanten van de vaartuigen waarin het aardgas als brandstof is gebruikt.
5. De teruggaaf wordt voorts alleen verleend indien de aankoopfactuur en de van belang zijnde gegevens en verklaringen over de bestemming van het aardgas waarop de teruggaaf betrekking heeft, worden overgelegd en indien de administratie van degene die om teruggaaf verzoekt, voldoet aan bij ministeriële regeling te stellen voorwaarden.
6. De teruggaaf, bedoeld in het eerste lid, wordt alleen verleend als het bedrag aan belasting expliciet op de factuur in rekening is gebracht en slechts voor zover die factuur is betaald.
7. Indien een hoger bedrag aan belasting is gefactureerd dan door degene die de levering heeft verricht verschuldigd is, wordt voor het bepalen van de hoogte van de teruggaaf, bedoeld in het eerste lid, het bedrag aan verschuldigde belasting gebruikt.
### Hoofdstuk VII. Vliegbelasting
### Hoofdstuk VIII. Algemene bepaling
##### Artikel 29
Een verzoek om teruggaaf als bedoeld in [artikel 3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007178&hoofdstuk=III&artikel=3&z=2021-01-01&g=2021-01-01), [artikel 18, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007178&hoofdstuk=V&artikel=18&z=2021-01-01&g=2021-01-01), [artikel 24, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007178&hoofdstuk=VI&artikel=24&z=2021-01-01&g=2021-01-01), [artikel 25, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007178&hoofdstuk=VI&artikel=25&z=2021-01-01&g=2021-01-01), [artikel 26, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007178&hoofdstuk=VI&artikel=26&z=2021-01-01&g=2021-01-01), [artikel 27, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007178&hoofdstuk=VI&artikel=27&z=2021-01-01&g=2021-01-01), en [artikel 28, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007178&hoofdstuk=VI&artikel=28&z=2021-01-01&g=2021-01-01), wordt gedaan met gebruikmaking van een daartoe door de inspecteur beschikbaar gesteld formulier.
### Hoofdstuk VIa. Vliegbelasting
##### Artikel 30
Dit besluit treedt in werking met ingang van de datum waarop de bepalingen van de [Wet belastingen op milieugrondslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007168), waarin dit besluit zijn grondslag vindt, in werking treden.
##### Artikel 31
Dit besluit wordt aangehaald als: Uitvoeringsbesluit belastingen op milieugrondslag.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het **Staatsblad** zal worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State.
##### Artikel 27a
Vervallen
### Afdeling 1. Sierteelt
##### Artikel 28
1. Teruggaaf van belasting als bedoeld in [artikel 70a, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007168&artikel=70a) wordt op verzoek verleend aan degene aan wie de belasting in rekening is gebracht.
2. Het tijdvak waarover de teruggaaf wordt verleend, is het kalenderkwartaal. De inspecteur kan op verzoek een ander tijdvak aanwijzen.
3. Het verzoek om teruggaaf van belasting wordt gedaan binnen dertien weken na het eind van het in het tweede lid bedoelde tijdvak waarin het aardgas is geleverd.
4. Teruggaaf wordt voorts alleen verleend indien:
- a. uit de aankoopfactuur blijkt wanneer en hoeveel aardgas is geleverd;
- b. degene die het verzoek om teruggaaf doet, bij het verzoek schriftelijk verklaart welk gedeelte van dit aardgas is gebruikt als brandstof voor vaartuigen op communautaire wateren, niet zijnde particuliere pleziervaartuigen; en
- c. de verklaring, bedoeld in onderdeel b, desgevraagd kan worden gestaafd met schriftelijke verklaringen van de exploitanten van de vaartuigen waarin het aardgas als brandstof is gebruikt.
5. De teruggaaf wordt voorts alleen verleend indien de aankoopfactuur en de van belang zijnde gegevens en verklaringen over de bestemming van het aardgas waarop de teruggaaf betrekking heeft, worden overgelegd en indien de administratie van degene die om teruggaaf verzoekt, voldoet aan bij ministeriële regeling te stellen voorwaarden.
6. De teruggaaf, bedoeld in het eerste lid, wordt alleen verleend als het bedrag aan belasting expliciet op de factuur in rekening is gebracht en slechts voor zover die factuur is betaald.
7. Indien een hoger bedrag aan belasting is gefactureerd dan door degene die de levering heeft verricht verschuldigd is, wordt voor het bepalen van de hoogte van de teruggaaf, bedoeld in het eerste lid, het bedrag aan verschuldigde belasting gebruikt.
Voor de toepassing van deze afdeling wordt verstaan onder:
- a. **sierteeltproducten:** snijbloemen beginnend met GN-code 0603 en planten met GN-code 06029091 en 06029099, telkens inclusief het daarbij behorende uitgangsmateriaal, en
- b. **verpakte sierteeltproducten:** sierteeltproducten die verpakt zijn in voor eenmalig gebruik bestemde verpakkingen.
##### Artikel 28a
Vervallen
##### Artikel 28b
Vervallen
##### Artikel 28c
Vervallen
##### Artikel 28d
Vervallen
### Afdeling 1. Sierteelt
##### Artikel 28e
Vervallen
##### Artikel 28f
Vervallen
##### Artikel 28g
Vervallen
##### Artikel 28h
Vervallen
##### Artikel 28i
Vervallen
##### Artikel 28j
Vervallen
### Hoofdstuk VIII. Algemene bepaling
##### Artikel 29
Een verzoek om teruggaaf als bedoeld in [artikel 3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007178&hoofdstuk=III&artikel=3&z=2020-01-01&g=2020-01-01), [artikel 18, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007178&hoofdstuk=V&artikel=18&z=2020-01-01&g=2020-01-01), [artikel 24, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007178&hoofdstuk=VI&artikel=24&z=2020-01-01&g=2020-01-01), [artikel 25, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007178&hoofdstuk=VI&artikel=25&z=2020-01-01&g=2020-01-01), [artikel 26, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007178&hoofdstuk=VI&artikel=26&z=2020-01-01&g=2020-01-01), [artikel 27, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007178&hoofdstuk=VI&artikel=27&z=2020-01-01&g=2020-01-01), en [artikel 28, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007178&hoofdstuk=VI&artikel=28&z=2020-01-01&g=2020-01-01), wordt gedaan met gebruikmaking van een daartoe door de inspecteur beschikbaar gesteld formulier.
### Hoofdstuk VIII. Algemene bepaling
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het **Staatsblad** zal worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State.
##### Artikel 9a
Vervallen
##### Artikel 9b
Vervallen
##### Artikel 9c
Vervallen
##### Artikel 9d
Vervallen
##### Artikel 9e
Vervallen
##### Artikel 9f
Vervallen
### Hoofdstuk V. Kolenbelasting
### Hoofdstuk VI. Energiebelasting
##### Artikel 18a
1. Het verbruik van aardgas, bedoeld in [artikel 51, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007168&artikel=51), dient te blijken uit de administratie.
2. [Artikel 6c, tweede tot en met vijfde lid, van het Uitvoeringsbesluit accijns](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005360&artikel=6c) is van overeenkomstige toepassing.
### Afdeling 2. Groenten en fruit
### Hoofdstuk VIII. Algemene bepaling
### Hoofdstuk IX. Slotbepalingen
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het **Staatsblad** zal worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State.
##### Artikel 21a
1. De uitzondering in [artikel 59, derde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007168&artikel=59) voor installaties voor stadsverwarming waarbij grotendeels gebruik wordt gemaakt van restwarmte, aardwarmte of warmte opgewekt met vaste of vloeibare biomassa, is mede van toepassing gedurende de eerste periode van maximaal twee jaar na de ingebruikneming van een installatie voor stadsverwarming die is ontworpen om grotendeels gebruik te maken van restwarmte, aardwarmte of warmte opgewekt met vaste of vloeibare biomassa.
2. De periode, bedoeld in het eerste lid, vangt aan op het moment waarop de levering van warmte door middel van de installatie een aanvang neemt.
3. Het eerste lid is slechts van toepassing als de houder van de installatie aan degene die het aardgas aan hem levert een verklaring heeft overgelegd:
- a. dat sprake is van een installatie voor stadsverwarming;
- b. dat de stadsverwarming is ontworpen om grotendeels gebruik te maken van restwarmte, aardwarmte of warmte opgewekt met vaste of vloeibare biomassa;
- c. wanneer de periode, bedoeld in het eerste lid, aanvangt en eindigt.
### Hoofdstuk VII. Verpakkingenbelasting
### Afdeling 1. Sierteelt
### Afdeling 2. Groenten en fruit
### Hoofdstuk IX. Slotbepalingen
### Hoofdstuk IX. Slotbepalingen
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het **Staatsblad** zal worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State.
##### Artikel 21b
1. Het verlaagde tarief, bedoeld in [artikel 59a, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007168&artikel=59a), kan alleen worden toegepast bij de vaststelling van de belasting die verschuldigd wordt op het tijdstip van de uitreiking van de eindfactuur over de verbruiksperiode waarin degene die de levering verricht van de coöperatie een opgaaf heeft ontvangen van de hoeveelheid door de coöperatie opgewekte elektriciteit die zij aan het lid van de coöperatie heeft toegerekend. Daarbij wordt de verlaging van het tarief toegepast op de elektriciteit die over de gehele verbruiksperiode is geleverd, voor zover ter zake wordt voldaan aan de bij of krachtens artikel 59a van de wet en, in voorkomend geval, bij [artikel 59b van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007168&artikel=59b) gestelde voorwaarden en beperkingen.
2. De elektriciteit die is opgewekt door een coöperatie met behulp van een productie-installatie als bedoeld in [artikel 59a, tweede lid, onderdeel b, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007168&artikel=59a), komt slechts in aanmerking voor toerekening als bedoeld in artikel 59a, tweede lid, onderdeel a, van de wet, voor zover daarvoor garanties van oorsprong voor duurzame elektriciteit als bedoeld in [artikel 1, onderdeel x, van de Elektriciteitswet 1998](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009755&artikel=1) zijn verstrekt. Voor de toepassing van de eerste volzin worden slechts de garanties van oorsprong in aanmerking genomen die betrekking hebben op de hoeveelheid elektriciteit die de coöperatie in de productieperiode via de aansluiting heeft geleverd, verminderd met de hoeveelheid elektriciteit die in dezelfde periode via de aansluiting aan de coöperatie is geleverd.
3. Het verlaagde tarief, bedoeld in het eerste lid, wordt slechts toegepast indien de coöperatie aan degene die de levering verricht:
- a. een afschrift heeft overgelegd van de beschikking waaruit blijkt dat de coöperatie op het tijdstip van de levering was aangewezen als bedoeld in [artikel 59a, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007168&artikel=59a); en
- b. een schriftelijke verklaring heeft overgelegd dat wordt voldaan aan de bij of krachtens [artikel 59a van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007168&artikel=59a) en, indien het een vereniging van eigenaars betreft, bij [artikel 59b van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007168&artikel=59b), aan de coöperatie en de productie-installatie gestelde voorwaarden en beperkingen.
### Hoofdstuk VII. Verpakkingenbelasting
### Afdeling 2. Groenten en fruit
### Afdeling 2. Groenten en fruit
### Hoofdstuk IX. Slotbepalingen
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het **Staatsblad** zal worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State.
### Hoofdstuk VIa. Vliegbelasting
##### Artikel 30
Dit besluit treedt in werking met ingang van de datum waarop de bepalingen van de [Wet belastingen op milieugrondslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007168), waarin dit besluit zijn grondslag vindt, in werking treden.
##### Artikel 31
Dit besluit wordt aangehaald als: Uitvoeringsbesluit belastingen op milieugrondslag.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het **Staatsblad** zal worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State.
##### Artikel 27a
Vervallen
### Hoofdstuk VIa. Vliegbelasting
### Afdeling 1. Sierteelt
##### Artikel 28
Voor de toepassing van deze afdeling wordt verstaan onder:
- a. **sierteeltproducten:** snijbloemen beginnend met GN-code 0603 en planten met GN-code 06029091 en 06029099, telkens inclusief het daarbij behorende uitgangsmateriaal, en
- b. **verpakte sierteeltproducten:** sierteeltproducten die verpakt zijn in voor eenmalig gebruik bestemde verpakkingen.
##### Artikel 28a
Vervallen
##### Artikel 28b
Vervallen
##### Artikel 28c
Vervallen
##### Artikel 28d
Vervallen
### Hoofdstuk VIII. Algemene bepaling
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het **Staatsblad** zal worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State.
##### Artikel 11a
Als een installatie als bedoeld in [artikel 28, eerste lid, onderdeel c, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007168&artikel=28), wordt mede aangemerkt een installatie waarin blijkens boeken en bescheiden uitsluitend zuivere biomassa of naar haar aard zuivere biomassa wordt verbrand.
### Hoofdstuk V. Kolenbelasting
### Hoofdstuk VI. Energiebelasting
### Hoofdstuk VII. Verpakkingenbelasting
### Afdeling 1. Sierteelt
##### Artikel 28e
Vervallen
##### Artikel 28f
Vervallen
##### Artikel 28g
Vervallen
##### Artikel 28h
Vervallen
##### Artikel 28i
Vervallen
##### Artikel 28j
Vervallen
### Afdeling 2. Groenten en fruit
### Hoofdstuk VIII. Algemene bepaling
@@ -750,208 +884,96 @@
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het **Staatsblad** zal worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State.
##### Artikel 9a
Vervallen
##### Artikel 9b
Vervallen
##### Artikel 9c
Vervallen
##### Artikel 9d
Vervallen
##### Artikel 9e
Vervallen
##### Artikel 9f
Vervallen
##### Artikel 11b
1. De vrijstelling, bedoeld in [artikel 29a van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007168&artikel=29a), wordt verleend indien uit de administratie van de belastingplichtige blijkt welk gedeelte van de hoeveelheid afvalstoffen die in het tijdvak van aangifte ter verwijdering aan de inrichting is afgegeven, bestaat uit zuiveringsslib dat is bestemd om binnen de inrichting te worden verbrand.
2. De verbranding van het zuiveringsslib, bedoeld in het eerste lid, moet plaatsvinden binnen drie jaar na de afgifte van dat zuiveringsslib aan de inrichting. De datum van verbranding wordt vastgelegd in de administratie, bedoeld in het eerste lid.
3. Bij regeling van Onze Minister kunnen ten behoeve van de uitvoering van dit artikel nadere regels worden gesteld.
### Hoofdstuk V. Kolenbelasting
### Hoofdstuk VI. Energiebelasting
##### Artikel 18a
1. Het verbruik van aardgas, bedoeld in [artikel 51, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007168&artikel=51), dient te blijken uit de administratie.
2. [Artikel 6c, tweede tot en met vijfde lid, van het Uitvoeringsbesluit accijns](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005360&artikel=6c) is van overeenkomstige toepassing.
### Afdeling 1. Sierteelt
### Afdeling 2. Groenten en fruit
### Hoofdstuk VIII. Algemene bepaling
### Hoofdstuk IX. Slotbepalingen
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het **Staatsblad** zal worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State.
##### Artikel 21a
1. De uitzondering in [artikel 59, derde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007168&artikel=59) voor installaties voor stadsverwarming waarbij grotendeels gebruik wordt gemaakt van restwarmte, aardwarmte of warmte opgewekt met vaste of vloeibare biomassa, is mede van toepassing gedurende de eerste periode van maximaal twee jaar na de ingebruikneming van een installatie voor stadsverwarming die is ontworpen om grotendeels gebruik te maken van restwarmte, aardwarmte of warmte opgewekt met vaste of vloeibare biomassa.
2. De periode, bedoeld in het eerste lid, vangt aan op het moment waarop de levering van warmte door middel van de installatie een aanvang neemt.
3. Het eerste lid is slechts van toepassing als de houder van de installatie aan degene die het aardgas aan hem levert een verklaring heeft overgelegd:
- a. dat sprake is van een installatie voor stadsverwarming;
- b. dat de stadsverwarming is ontworpen om grotendeels gebruik te maken van restwarmte, aardwarmte of warmte opgewekt met vaste of vloeibare biomassa;
- c. wanneer de periode, bedoeld in het eerste lid, aanvangt en eindigt.
### Hoofdstuk VII. Verpakkingenbelasting
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het **Staatsblad** zal worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State.
##### Artikel 21c
1. De verbruiker, bedoeld in [artikel 60, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007168&artikel=60), wordt aangemerkt als onderneming in moeilijkheden, wanneer het bedrijf van de verbruiker waaraan het aardgas wordt geleverd niet of niet langer levensvatbaar is.
2. Een bedrijf als bedoeld in het eerste lid wordt geacht niet of niet langer levensvatbaar te zijn, wanneer zich een of meer van de volgende omstandigheden voordoen:
- a. de verbruiker heeft verzocht om uitstel van betaling van een belastingschuld, maar dit verzoek is door de ontvanger onherroepelijk afgewezen omdat hij het bedrijf niet of niet langer levensvatbaar acht;
- b. de verbruiker heeft aan zijn schuldeisers een verzoek gedaan een crediteurenakkoord te sluiten tot vermindering of kwijtschelding van de uitstaande vorderingen;
- c. aan de verbruiker is surseance van betaling toegestaan als bedoeld in [artikel 222 van de Faillissementswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001860&artikel=222);
- d. de verbruiker is bij rechterlijk vonnis in staat van faillissement verklaard als bedoeld in [artikel 1 van de Faillissementswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001860&artikel=1).
3. Wanneer een of meer omstandigheden als bedoeld in het tweede lid zich voordoen, meldt de verbruiker binnen acht weken schriftelijk aan de leverancier van het aardgas dat hij niet langer in aanmerking komt voor het tarief, bedoeld in [artikel 60, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007168&artikel=60), omdat hij niet langer voldoet aan de voorwaarde, bedoeld in artikel 60, tweede lid, van de wet. Hierbij vermeldt de verbruiker de datum waarop deze wijziging is ingetreden. De leverancier van het aardgas beëindigt de toepassing van het tarief, bedoeld in artikel 60, eerste lid, van de wet, drie maanden na de datum genoemd in de melding van de verbruiker, bedoeld in de eerste volzin, tenzij deze melding is gevolgd door een intrekking van deze melding als bedoeld in het vijfde lid.
4. Een omstandigheid als bedoeld in het tweede lid wordt geacht zich niet te hebben voorgedaan, wanneer binnen de termijn van acht weken, bedoeld in het derde lid:
- a. in geval van het tweede lid, onderdeel a: de verbruiker de belastingschuld waarvoor uitstel van betaling was verzocht volledig heeft voldaan;
- b. in geval van het tweede lid, onderdeel b: de schuldeisers van de verbruiker het verzoek om een crediteurenakkoord te sluiten honoreren;
- c. in geval van het tweede lid, onderdeel c: de beschikking waarbij de surseance is ingetrokken in kracht van gewijsde is gegaan, bedoeld in [artikel 245 van de Faillissementswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001860&artikel=245), en de faillietverklaring van de verbruiker niet is uitgesproken;
- d. in geval van het tweede lid, onderdeel d: het faillissement eindigt als gevolg van de homologatie van een akkoord dat in kracht van gewijsde is gegaan, bedoeld in [artikel 161 van de Faillissementswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001860&artikel=161).
5. Wanneer de melding, bedoeld in het derde lid, eerste volzin, heeft plaatsgevonden en het vierde lid van toepassing is, trekt de verbruiker deze melding schriftelijk in binnen twee weken na afloop van de termijn van acht weken, genoemd in het derde lid. De eerdere melding wordt dan geacht niet te hebben plaatsgevonden.
6. Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld voor de toepassing van het tweede, derde en vierde lid.
##### Artikel 21d
1. Het tarief, bedoeld in [artikel 60a, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007168&artikel=60a), is slechts van toepassing indien de elektriciteit via een aansluiting wordt geleverd en de verbruiker een verklaring heeft overgelegd aan degene die de elektriciteit aan hem levert, dat de elektriciteit uitsluitend wordt aangewend in een oplaadinstallatie voor elektrische voertuigen die beschikt over een zelfstandige aansluiting en dat deze oplaadinstallatie geen deel uitmaakt van een meer omvattende onroerende zaak als bedoeld in [artikel 16, onderdelen a tot en met e, van de Wet waardering onroerende zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007119&artikel=16).
2. Het tarief, genoemd in artikel 60b, eerste lid, van de wet, is slechts van toepassing indien de elektriciteit via een aansluiting wordt geleverd en de verbruiker een verklaring heeft overgelegd aan degene die de elektriciteit aan hem levert, dat de elektriciteit uitsluitend wordt aangewend in een walstroominstallatie als bedoeld in artikel [47, eerste lid, onderdeel w, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007168&artikel=47) die geheel of nagenoeg geheel bestemd is voor schepen niet zijnde particuliere pleziervaartuigen als bedoeld in artikel 70a, derde lid, van de wet, en dat deze walstroominstallatie geen deel uitmaakt van een meer omvattende onroerende zaak als bedoeld in [artikel 16, onderdelen a tot en met e, van de Wet waardering onroerende zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007119&artikel=16).
3. De verbruiker trekt de verklaring binnen zes weken schriftelijk in, indien de door hem overgelegde verklaring, bedoeld in het eerste en tweede lid, op enig moment niet meer juist is. De schriftelijke intrekking wordt door hem ondertekend, waarbij het moment, bedoeld in de vorige volzin, wordt vermeld.
4. [Artikel 21c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007178&hoofdstuk=VI&artikel=21c&z=2021-01-01&g=2021-01-01) is van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 21e
Indien in de verbruiksperiode elektriciteit wordt betrokken van meerdere leveranciers via één aansluiting wordt de vermindering, bedoeld in [artikel 63, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007168&artikel=63) slechts door één van de leveranciers toegepast.
### Afdeling 1. Sierteelt
### Afdeling 2. Groenten en fruit
### Hoofdstuk IX. Slotbepalingen
### Hoofdstuk IX. Slotbepalingen
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het **Staatsblad** zal worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State.
##### Artikel 21b
1. Het verlaagde tarief, bedoeld in [artikel 59a, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007168&artikel=59a), kan alleen worden toegepast bij de vaststelling van de belasting die verschuldigd wordt op het tijdstip van de uitreiking van de eindfactuur over de verbruiksperiode waarin degene die de levering verricht van de coöperatie een opgaaf heeft ontvangen van de hoeveelheid door de coöperatie opgewekte elektriciteit die zij aan het lid van de coöperatie heeft toegerekend. Daarbij wordt de verlaging van het tarief toegepast op de elektriciteit die over de gehele verbruiksperiode is geleverd, voor zover ter zake wordt voldaan aan de bij of krachtens artikel 59a van de wet en, in voorkomend geval, bij [artikel 59b van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007168&artikel=59b) gestelde voorwaarden en beperkingen.
2. De elektriciteit die is opgewekt door een coöperatie met behulp van een productie-installatie als bedoeld in [artikel 59a, tweede lid, onderdeel b, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007168&artikel=59a), komt slechts in aanmerking voor toerekening als bedoeld in artikel 59a, tweede lid, onderdeel a, van de wet, voor zover daarvoor garanties van oorsprong voor duurzame elektriciteit als bedoeld in [artikel 1, onderdeel x, van de Elektriciteitswet 1998](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009755&artikel=1) zijn verstrekt. Voor de toepassing van de eerste volzin worden slechts de garanties van oorsprong in aanmerking genomen die betrekking hebben op de hoeveelheid elektriciteit die de coöperatie in de productieperiode via de aansluiting heeft geleverd, verminderd met de hoeveelheid elektriciteit die in dezelfde periode via de aansluiting aan de coöperatie is geleverd.
3. Het verlaagde tarief, bedoeld in het eerste lid, wordt slechts toegepast indien de coöperatie aan degene die de levering verricht:
- a. een afschrift heeft overgelegd van de beschikking waaruit blijkt dat de coöperatie op het tijdstip van de levering was aangewezen als bedoeld in [artikel 59a, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007168&artikel=59a); en
- b. een schriftelijke verklaring heeft overgelegd dat wordt voldaan aan de bij of krachtens [artikel 59a van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007168&artikel=59a) en, indien het een vereniging van eigenaars betreft, bij [artikel 59b van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007168&artikel=59b), aan de coöperatie en de productie-installatie gestelde voorwaarden en beperkingen.
### Hoofdstuk VII. Verpakkingenbelasting
### Afdeling 2. Groenten en fruit
### Afdeling 2. Groenten en fruit
### Hoofdstuk IX. Slotbepalingen
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het **Staatsblad** zal worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State.
### Hoofdstuk VIa. Vliegbelasting
### Hoofdstuk VIa. Vliegbelasting
### Afdeling 1. Sierteelt
### Hoofdstuk VIII. Algemene bepaling
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het **Staatsblad** zal worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State.
##### Artikel 11a
Als een installatie als bedoeld in [artikel 28, eerste lid, onderdeel c, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007168&artikel=28), wordt mede aangemerkt een installatie waarin blijkens boeken en bescheiden uitsluitend zuivere biomassa of naar haar aard zuivere biomassa wordt verbrand.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het **Staatsblad** zal worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State.
##### Artikel 11c
1. De vrijstelling, bedoeld in artikel 29b, eerste lid, van de wet, wordt slechts verleend ter zake van de afgifte ter verwijdering aan een inrichting van afzonderlijk en onvermengd asbest en asbesthoudende producten die uitsluitend of nagenoeg uitsluitend toegepast zijn geweest als dakbedekking en zijn vrijgekomen bij de sanering van een asbesthoudend dak, wanneer:
- a. de sanering van dat dak door een gecertifieerd asbestverwijderingsbedrijf is verricht;
- b. de sanering van dat dak is gemeld in het landelijk asbestvolgsysteem;
- c. de sanering van dat dak uiterlijk op 31 december 2024 is afgerond; en
- d. de afgifte ter verwijdering uiterlijk op 31 maart 2025 heeft plaatsgevonden.
2. De vrijstelling wordt uitsluitend toegepast wanneer degene die het asbest en de asbesthoudende producten afgeeft, of doet afgeven, voorafgaand aan de afgifte ter verwijdering een verklaring aan de houder van de inrichting verstrekt waaruit blijkt dat wordt voldaan aan de voorwaarden en beperkingen, bedoeld in het eerste lid.
3. De houder van de inrichting richt zijn administratie zodanig in dat daaruit blijkt welk gedeelte van de hoeveelheid afvalstoffen die in het tijdvak van aangifte ter verwijdering aan de inrichting is afgegeven, bestaat uit asbest en asbesthoudende producten als bedoeld in artikel 29b, eerste lid, van de wet waarvoor wordt voldaan aan de in het eerste en tweede lid vermelde nadere voorwaarden en beperkingen.
4. Bij regeling van Onze Minister worden nadere regels gesteld met betrekking tot de inhoud van de verklaring, bedoeld in het tweede lid, en het tijdstip waarop die verklaring uiterlijk verstrekt moet zijn. Voorts kunnen bij regeling van Onze Minister nadere regels worden gesteld ten behoeve van de uitvoering van dit artikel.
### Hoofdstuk V. Kolenbelasting
### Hoofdstuk VI. Energiebelasting
### Hoofdstuk VII. Verpakkingenbelasting
### Afdeling 1. Sierteelt
### Afdeling 2. Groenten en fruit
### Hoofdstuk VIII. Algemene bepaling
### Hoofdstuk VIII. Algemene bepaling
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het **Staatsblad** zal worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State.
##### Artikel 11b
1. De vrijstelling, bedoeld in [artikel 29a van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007168&artikel=29a), wordt verleend indien uit de administratie van de belastingplichtige blijkt welk gedeelte van de hoeveelheid afvalstoffen die in het tijdvak van aangifte ter verwijdering aan de inrichting is afgegeven, bestaat uit zuiveringsslib dat is bestemd om binnen de inrichting te worden verbrand.
2. De verbranding van het zuiveringsslib, bedoeld in het eerste lid, moet plaatsvinden binnen drie jaar na de afgifte van dat zuiveringsslib aan de inrichting. De datum van verbranding wordt vastgelegd in de administratie, bedoeld in het eerste lid.
3. Bij regeling van Onze Minister kunnen ten behoeve van de uitvoering van dit artikel nadere regels worden gesteld.
### Hoofdstuk V. Kolenbelasting
### Hoofdstuk VI. Energiebelasting
### Afdeling 1. Sierteelt
### Afdeling 2. Groenten en fruit
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het **Staatsblad** zal worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State.
##### Artikel 21c
1. De verbruiker, bedoeld in [artikel 60, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007168&artikel=60), wordt aangemerkt als onderneming in moeilijkheden, wanneer het bedrijf van de verbruiker waaraan het aardgas wordt geleverd niet of niet langer levensvatbaar is.
2. Een bedrijf als bedoeld in het eerste lid wordt geacht niet of niet langer levensvatbaar te zijn, wanneer zich een of meer van de volgende omstandigheden voordoen:
- a. de verbruiker heeft verzocht om uitstel van betaling van een belastingschuld, maar dit verzoek is door de ontvanger onherroepelijk afgewezen omdat hij het bedrijf niet of niet langer levensvatbaar acht;
- b. de verbruiker heeft aan zijn schuldeisers een verzoek gedaan een crediteurenakkoord te sluiten tot vermindering of kwijtschelding van de uitstaande vorderingen;
- c. aan de verbruiker is surseance van betaling toegestaan als bedoeld in [artikel 222 van de Faillissementswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001860&artikel=222);
- d. de verbruiker is bij rechterlijk vonnis in staat van faillissement verklaard als bedoeld in [artikel 1 van de Faillissementswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001860&artikel=1).
3. Wanneer een of meer omstandigheden als bedoeld in het tweede lid zich voordoen, meldt de verbruiker binnen acht weken schriftelijk aan de leverancier van het aardgas dat hij niet langer in aanmerking komt voor het tarief, bedoeld in [artikel 60, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007168&artikel=60), omdat hij niet langer voldoet aan de voorwaarde, bedoeld in artikel 60, tweede lid, van de wet. Hierbij vermeldt de verbruiker de datum waarop deze wijziging is ingetreden. De leverancier van het aardgas beëindigt de toepassing van het tarief, bedoeld in artikel 60, eerste lid, van de wet, drie maanden na de datum genoemd in de melding van de verbruiker, bedoeld in de eerste volzin, tenzij deze melding is gevolgd door een intrekking van deze melding als bedoeld in het vijfde lid.
4. Een omstandigheid als bedoeld in het tweede lid wordt geacht zich niet te hebben voorgedaan, wanneer binnen de termijn van acht weken, bedoeld in het derde lid:
- a. in geval van het tweede lid, onderdeel a: de verbruiker de belastingschuld waarvoor uitstel van betaling was verzocht volledig heeft voldaan;
- b. in geval van het tweede lid, onderdeel b: de schuldeisers van de verbruiker het verzoek om een crediteurenakkoord te sluiten honoreren;
- c. in geval van het tweede lid, onderdeel c: de beschikking waarbij de surseance is ingetrokken in kracht van gewijsde is gegaan, bedoeld in [artikel 245 van de Faillissementswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001860&artikel=245), en de faillietverklaring van de verbruiker niet is uitgesproken;
- d. in geval van het tweede lid, onderdeel d: het faillissement eindigt als gevolg van de homologatie van een akkoord dat in kracht van gewijsde is gegaan, bedoeld in [artikel 161 van de Faillissementswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001860&artikel=161).
5. Wanneer de melding, bedoeld in het derde lid, eerste volzin, heeft plaatsgevonden en het vierde lid van toepassing is, trekt de verbruiker deze melding schriftelijk in binnen twee weken na afloop van de termijn van acht weken, genoemd in het derde lid. De eerdere melding wordt dan geacht niet te hebben plaatsgevonden.
6. Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld voor de toepassing van het tweede, derde en vierde lid.
##### Artikel 21d
1. Het tarief, bedoeld in [artikel 60a, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007168&artikel=60a), is slechts van toepassing indien de elektriciteit via een aansluiting wordt geleverd en de verbruiker een verklaring heeft overgelegd aan degene die de elektriciteit aan hem levert, dat de elektriciteit uitsluitend wordt aangewend in een oplaadinstallatie voor elektrische voertuigen die beschikt over een zelfstandige aansluiting en dat deze oplaadinstallatie geen deel uitmaakt van een meer omvattende onroerende zaak als bedoeld in [artikel 16, onderdelen a tot en met e, van de Wet waardering onroerende zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007119&artikel=16).
2. De verbruiker trekt de verklaring binnen zes weken schriftelijk in, indien de door hem overgelegde verklaring, bedoeld in het eerste lid, op enig moment niet meer juist is. De schriftelijke intrekking wordt door hem ondertekend, waarbij het moment, bedoeld in de vorige volzin, wordt vermeld.
3. [Artikel 21c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007178&hoofdstuk=VI&artikel=21c&z=2020-01-01&g=2020-01-01) is van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 21e
Indien in de verbruiksperiode elektriciteit wordt betrokken van meerdere leveranciers via één aansluiting wordt de vermindering, bedoeld in [artikel 63, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007168&artikel=63) slechts door één van de leveranciers toegepast.
### Afdeling 1. Sierteelt
### Afdeling 2. Groenten en fruit
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het **Staatsblad** zal worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State.
##### Artikel 11c
1. De vrijstelling, bedoeld in artikel 29b, eerste lid, van de wet, wordt slechts verleend ter zake van de afgifte ter verwijdering aan een inrichting van afzonderlijk en onvermengd asbest en asbesthoudende producten die uitsluitend of nagenoeg uitsluitend toegepast zijn geweest als dakbedekking en zijn vrijgekomen bij de sanering van een asbesthoudend dak, wanneer:
- a. de sanering van dat dak door een gecertifieerd asbestverwijderingsbedrijf is verricht;
- b. de sanering van dat dak is gemeld in het landelijk asbestvolgsysteem;
- c. de sanering van dat dak uiterlijk op 31 december 2024 is afgerond; en
- d. de afgifte ter verwijdering uiterlijk op 31 maart 2025 heeft plaatsgevonden.
2. De vrijstelling wordt uitsluitend toegepast wanneer degene die het asbest en de asbesthoudende producten afgeeft, of doet afgeven, voorafgaand aan de afgifte ter verwijdering een verklaring aan de houder van de inrichting verstrekt waaruit blijkt dat wordt voldaan aan de voorwaarden en beperkingen, bedoeld in het eerste lid.
3. De houder van de inrichting richt zijn administratie zodanig in dat daaruit blijkt welk gedeelte van de hoeveelheid afvalstoffen die in het tijdvak van aangifte ter verwijdering aan de inrichting is afgegeven, bestaat uit asbest en asbesthoudende producten als bedoeld in artikel 29b, eerste lid, van de wet waarvoor wordt voldaan aan de in het eerste en tweede lid vermelde nadere voorwaarden en beperkingen.
4. Bij regeling van Onze Minister worden nadere regels gesteld met betrekking tot de inhoud van de verklaring, bedoeld in het tweede lid, en het tijdstip waarop die verklaring uiterlijk verstrekt moet zijn. Voorts kunnen bij regeling van Onze Minister nadere regels worden gesteld ten behoeve van de uitvoering van dit artikel.
### Hoofdstuk V. Kolenbelasting
##### Artikel 29a
1. De vermindering op de verschuldigde belasting, bedoeld in [artikel 92, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007168&artikel=92), bedraagt, in geval komt vast te staan dat een door de belastingplichtige ter zake van het leveren van goederen of het verrichten van diensten te ontvangen bedrag gedeeltelijk niet is en niet zal worden ontvangen, het gedeelte van het ter zake niet ontvangen bedrag dat naar evenredigheid correspondeert met de ter zake op aangifte voldane belasting.
2. De opnieuw verschuldigde belasting, bedoeld in [artikel 92, derde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007168&artikel=92), bedraagt, in geval door de belastingplichtige alsnog geheel of gedeeltelijk een bedrag wordt ontvangen ter zake van het leveren van goederen of het verrichten van diensten ten aanzien waarvan een aanspraak op de vermindering van belasting is ontstaan, het gedeelte van het ter zake ontvangen bedrag dat naar evenredigheid correspondeert met de ter zake toegepaste vermindering.
2020-01-01
Uitvoeringsbesluit belastingen op milieugrondslag — art. 16
2019-01-01
Uitvoeringsbesluit belastingen op milieugrondslag — art. 16
2018-01-01
Uitvoeringsbesluit belastingen op milieugrondslag — art. 16
2017-01-01
Uitvoeringsbesluit belastingen op milieugrondslag
2016-01-01
Uitvoeringsbesluit belastingen op milieugrondslag — arts. 16, 16
2015-01-01
Uitvoeringsbesluit belastingen op milieugrondslag
2014-04-01
Uitvoeringsbesluit belastingen op milieugrondslag
2014-01-01
Uitvoeringsbesluit belastingen op milieugrondslag
2013-07-01
Uitvoeringsbesluit belastingen op milieugrondslag — arts. 16, 27
2013-01-01
Uitvoeringsbesluit belastingen op milieugrondslag — arts. 16, 27
2012-01-01
Uitvoeringsbesluit belastingen op milieugrondslag
2011-03-05
Uitvoeringsbesluit belastingen op milieugrondslag — arts. 6, 16, 27
2011-01-01
Uitvoeringsbesluit belastingen op milieugrondslag — arts. 6, 16, 27
2010-12-29
Uitvoeringsbesluit belastingen op milieugrondslag — arts. 6, 16, 27
2010-10-01
Uitvoeringsbesluit belastingen op milieugrondslag — arts. 6, 16, 27
2010-01-01
Uitvoeringsbesluit belastingen op milieugrondslag
2009-01-01
Uitvoeringsbesluit belastingen op milieugrondslag — arts. 5, 5, 6 y 13
2008-08-01
Uitvoeringsbesluit belastingen op milieugrondslag — arts. 5, 5, 6 y 13
2008-07-11
Uitvoeringsbesluit belastingen op milieugrondslag — arts. 5, 5, 6 y 13
2008-01-01
Uitvoeringsbesluit belastingen op milieugrondslag
2007-01-01
Uitvoeringsbesluit belastingen op milieugrondslag
2006-01-01
Uitvoeringsbesluit belastingen op milieugrondslag — arts. 2, 4
2005-07-27
Uitvoeringsbesluit belastingen op milieugrondslag — arts. 2, 4
2005-01-01
Uitvoeringsbesluit belastingen op milieugrondslag — arts. 2, 2, 4, 4
2004-01-01
Uitvoeringsbesluit belastingen op milieugrondslag
2003-07-01
Uitvoeringsbesluit belastingen op milieugrondslag — arts. 2, 4
2003-01-01
Uitvoeringsbesluit belastingen op milieugrondslag — arts. 2, 4
2002-10-01
Uitvoeringsbesluit belastingen op milieugrondslag — arts. 2, 4, 10
2002-05-08
Uitvoeringsbesluit belastingen op milieugrondslag — arts. 2, 2, 4 y 3 m
2002-01-01
Uitvoeringsbesluit belastingen op milieugrondslag — arts. 2, 2, 4 y 8 m
2002-01-01
Uitvoeringsbesluit belastingen op milieugrondslag
original version Tekst op deze datum