Wet van 31 oktober 1995, houdende bepalingen met betrekking tot de educatie en het beroepsonderwijs
- e. bij een studieduur van zes volledige studiejaren ten minste 5.400 klokuren, waarvan ten minste 2.800 begeleide onderwijsuren en ten minste 2.300 klokuren aan beroepspraktijkvorming.
Het bevoegd gezag van de instelling en het bevoegd gezag van de school kunnen gezamenlijk een onderwijsprogramma verzorgen dat minder uren omvat dan de in het eerste lid, onderdelen a tot en met e, genoemde aantallen mits de opleiding aantoonbaar van voldoende kwaliteit is. In het geval het onderwijsprogramma minder uren omvat, legt het bevoegd gezag hierover verantwoording af in het bestuursverslag, bedoeld in artikel 2.5.4 dan wel, bij toepassing van artikel 1.4.1, eerste lid, in het verslag, bedoeld in artikel 1.4.1, zevende lid.
Ten aanzien van het derde studiejaar van een doorlopende leerroute vmbo-mbo wordt onder begeleide onderwijsuren mede verstaan: onderwijstijd als bedoeld in artikel 2.38 van de Wet voortgezet onderwijs 2020.
Artikel 9.1.12. Teambevoegdheid
Voor de vakoverstijgende delen van het onderwijsprogramma, bedoeld in artikel 9.1.8, eerste lid, onderdeel a, en voor de delen van het onderwijsprogramma die een combinatie van voortgezet onderwijs en beroepsonderwijs betreffen, bedoeld artikel 9.1.8, eerste lid, onderdeel c, kan, voor zover wordt voldaan aan artikel 7.13a van de Wet voortgezet onderwijs 2020, worden gewerkt met teams die verantwoordelijk zijn voor de kwaliteit van dat deel van het onderwijsprogramma.
Artikel 9.1.13. Verwijdering
Op een student aan een doorlopende leerroute op wie de Leerplichtwet 1969 niet van toepassing is, is artikel 8.1.7d, tweede lid, van overeenkomstige toepassing, indien hij nog geen vmbo-diploma heeft behaald.
Artikel 9.1.14. Overstapoptie
Indien deelname van de student aan een doorlopende leerroute vmbo-mbo wordt beëindigd voordat hij deze met succes heeft afgerond wordt hij door het bevoegd gezag van de instelling en het bevoegd gezag van de school in staat gesteld een vmbo-diploma of het diploma van een beroepsopleiding te behalen, passend bij het naar het gezamenlijk oordeel van beide betrokken bevoegde gezagsorganen bereikte onderwijsniveau en de leeftijd van de student.
Indien de student ingevolge het eerste lid een diploma van een beroepsopleiding wil behalen bij dezelfde instelling, zijn de artikelen 8.1.1c, 8.2.1, 8.2.2 en 8.2.2a niet van toepassing.
Het eerste lid is niet van toepassing indien de student definitief van de instelling wordt verwijderd.
Artikel 9.1.15. Overdracht bekostiging in het kader van een doorlopende leerroute vmbo-mbo
Het bevoegd gezag van de instelling kan met het bevoegd gezag van de school waarmee een samenwerkingsovereenkomst is gesloten als bedoeld in artikel 9.1.3, overeenkomen om vanwege een doorlopende leerroute vmbo-mbo een deel van de rijksbijdrage over te dragen aan dat andere bevoegd gezag.
Artikel 9.1.16. Artikelen die buiten toepassing blijven voor de doorlopende leerroute vmbo-mbo
De artikelen 8.0.1, 8.0.3, 8.0.4, 8.1.1c, 8.1.7a, 8.2.1, 8.2.2 en 8.2.2a zijn niet van toepassing op een doorlopende leerroute vmbo-mbo.
Artikel 9.1.17. Samenwerkingsovereenkomst geïntegreerde route vmbo-basisberoepsopleiding
De geïntegreerde route vmbo-basisberoepsopleiding, bedoeld in artikel 2.107l van de Wet voortgezet onderwijs 2020, wordt verzorgd op grond van een samenwerkingsovereenkomst tussen het bevoegd gezag van een instelling en het bevoegd gezag van een school voor voorbereidend beroepsonderwijs als bedoeld in artikel 2.7 van de Wet voortgezet onderwijs 2020.
Een samenwerkingsovereenkomst als bedoeld in het eerste lid, voldoet aan artikel 2.107l in samenhang met artikel 2.107b van de Wet voortgezet onderwijs 2020.
Hoofdstuk 9, titel 1, paragraaf 1, is van overeenkomstige toepassing op een geïntegreerde route vmbo-basisberoepsopleiding.
Artikel 9.1.18. Samenwerkingsovereenkomst doorlopende leerroute VSO-mbo
De doorlopende leerroute ingevolge artikel 14a, tweede lid, van de Wet op de expertisecentra dan wel artikel 2.71 van de Wet voortgezet onderwijs 2020, in samenhang met artikel 2.107a, tweede lid, van de Wet voortgezet onderwijs 2020, wordt verzorgd op grond van een samenwerkingsovereenkomst tussen het bevoegd gezag van een instelling en het bevoegd gezag van een school waar voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in de Wet op de expertisecentra wordt verzorgd.
Een samenwerkingsovereenkomst als bedoeld in het eerste lid, voldoet aan artikel 14a, tweede lid, van de Wet op de expertisecentra in samenhang met artikel 2.107b van de Wet voortgezet onderwijs 2020.
Hoofdstuk 9, titel 1, paragraaf 1, is van overeenkomstige toepassing op een doorlopende leerroute als bedoeld in het eerste lid.
Artikel 9.1.19. Samenwerkingsovereenkomst geïntegreerde route VSO-basisberoepsopleiding
De geïntegreerde route vmbo-basisberoepsopleiding ingevolge artikel 14a, tweede lid, van de Wet op de expertisecentra dan wel artikel 2.71 van de Wet voortgezet onderwijs 2020, in samenhang met artikel 2.107l, tweede lid, van de Wet voortgezet onderwijs 2020, wordt verzorgd op grond van een samenwerkingsovereenkomst tussen het bevoegd gezag van een instelling en het bevoegd gezag van een school waar voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in de Wet op de expertisecentra wordt verzorgd.
Een samenwerkingsovereenkomst als bedoeld in het eerste lid, voldoet aan artikel 14a, tweede lid, van de Wet op de expertisecentra in samenhang met artikel 2.107b van de Wet voortgezet onderwijs 2020.
Hoofdstuk 9, titel 1, paragraaf 1, is van overeenkomstige toepassing op de geïntegreerde route vmbo-basisberoepsopleiding, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 9.1.20. Afstemmen ondersteuningsaanbod op overleg over ondersteuningsprogramma voortgezet onderwijs
Het bevoegd gezag neemt deel aan het overleg, bedoeld in artikel 2.47, tiende lid, tweede volzin, van de Wet voortgezet onderwijs 2020, indien de instelling één of meer vestigingen heeft in het gebied van het desbetreffende samenwerkingsverband en stemt het ondersteuningsaanbod af op de afspraken die zijn gemaakt in dat overleg.
Artikel 9.2.3. Inlichtingen aan het college van burgemeester en wethouders
Het bevoegd gezag geeft uiterlijk binnen vier weken aan het college van burgemeester en wethouders alle gevraagde bescheiden ter inzage en verstrekt alle inlichtingen die het college van burgemeester en wethouders voor de uitvoering van deze paragraaf redelijkerwijs nodig heeft.
Artikel 9.2.4. Regionale samenwerking
Voor de uitvoering van deze paragraaf werken de colleges van burgemeester en wethouders samen binnen bij ministeriële regeling vastgestelde regio’s.
De colleges van burgemeester en wethouders in een regio wijzen uit hun midden een contactgemeente aan. Deze aanwijzing wordt onmiddellijk gemeld aan Onze Minister.
Het college van burgemeester en wethouders van de contactgemeente vervult coördinerende taken bij de uitvoering van deze paragraaf. In dat verband:
- a. maakt het over de inzet en verantwoordelijkheid bij de uitvoering van deze paragraaf afspraken met:
- 1°. instellingen;
- 2°. instellingen en scholen als bedoeld in de Wet op de expertisecentra;
- 3°. scholen als bedoeld in de Wet voortgezet onderwijs 2020;
- 4°. organisaties die betrokken zijn bij de begeleiding van personen tot 27 jaar; en
- 5°. centrumgemeenten van de betrokken arbeidsmarktregio’s, vastgesteld krachtens artikel 10, tweede lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;
- b. draagt het zorg voor het tot stand komen van een regionaal netwerk van die instellingen, scholen, organisaties en gemeenten;
- c. organiseert en coördineert het de activiteiten, bedoeld in de artikelen 9.2.5 en 9.2.8; en
- d. stelt het beleid vast dat de hoofdzaken bevat van de uitvoering van artikel 9.2.5 met aandacht voor een zorgvuldige omgang met de persoonsgegevens, bedoeld in artikel 9.2.7, en houdt het bij het vaststellen van dat beleid rekening met het regionaal programma, bedoeld in artikel 9.2.8.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de taken, bedoeld in het derde lid.
Indien colleges van burgemeester en wethouders in een regio een andere contactgemeente aanwijzen, draagt het college van burgemeester en wethouders van de vorige contactgemeente alle bescheiden met betrekking tot de uitvoering van deze paragraaf uiterlijk binnen vier weken over aan het college van burgemeester en wethouders van de nieuwe contactgemeente.
Artikel 9.2.5. Ondersteunen van jongeren zonder startkwalificatie door college van burgemeester en wethouders
Het college van burgemeester en wethouders kan ondersteuning bieden aan de persoon, bedoeld in artikel 9.2.1, gericht op het terugleiden naar onderwijs.
Indien het terugleiden naar onderwijs niet passend is, kan het college van burgemeester en wethouders de persoon ondersteunen bij het vinden van werk of doorgeleiden naar ondersteuning op grond van artikel 7a van de Participatiewet.
Voor zover dit noodzakelijk is voor de uitvoering van het eerste en het tweede lid, verwerkt het college van burgemeester en wethouders de volgende persoonsgegevens:
- a. gegevens als bedoeld in artikel 21, eerste, derde en vierde lid, van de Wet register onderwijsdeelnemers;
- b. gegevens waarover het college beschikt ten behoeve van de uitvoering van de Leerplichtwet 1969; en
- c. gegevens als bedoeld in artikel 73, zevende lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen.
Het college van burgemeester en wethouders kan de gegevens, bedoeld in het derde lid, verder verwerken voor zover dit noodzakelijk is voor de uitvoering van artikel 7a van de Participatiewet.
De ondersteuning, bedoeld in het eerste en tweede lid, vindt pas plaats na overleg met het bevoegd gezag van de school of instelling over de aangeboden loopbaanbegeleiding indien de persoon, bedoeld in artikel 9.2.1:
- a. korter dan een jaar geleden een diploma van een opleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onderdeel a, heeft gehaald;
- b. korter dan twee jaar geleden een schooldiploma of verklaring als bedoeld in artikel 14d van de Wet op de expertisecentra heeft gehaald; of
- c. korter dan twee jaar geleden een schooldiploma praktijkonderwijs als bedoeld in artikel 2.58, derde lid, van de Wet voortgezet onderwijs 2020 of een verklaring praktijkonderwijs als bedoeld in artikel 2.59, tweede lid, van die wet heeft gehaald.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de taken, bedoeld in dit artikel.
Van de termijnen, bedoeld in het vijfde lid, kan worden afgeweken indien daar gerechtvaardigde belangen voor zijn.
Artikel 9.2.6. Gebruik persoonsgebonden nummer door college van burgemeester en wethouders
Onverminderd het overigens bij of krachtens de wet bepaalde over het gebruik van het burgerservicenummer door het college van burgemeester en wethouders, gebruikt het college van burgemeester en wethouders het persoonsgebonden nummer van een student, vavo-student of persoon die voldoet aan artikel 9.2.1 alleen voor:
- a. de registratie van leerplichtige en kwalificatieplichtige jongeren in het belang van het toezicht op de naleving van de Leerplichtwet 1969;
- b. de uitvoering van artikel 9.2.5;
- c. het verwerken van de gegevens, bedoeld in artikel 21, eerste en derde lid, van de Wet register onderwijsdeelnemers.
Artikel 9.2.7. Verwerking gegevens over gezondheid en persoonsgegevens van strafrechtelijke aard door college van burgemeester en wethouders
Indien de persoon, bedoeld in artikel 9.2.1, instemt met ondersteuning op grond van artikel 9.2.5, kan het college van burgemeester en wethouders zijn gegevens over gezondheid en persoonsgegevens van strafrechtelijke aard, bedoeld in paragraaf 3.1 onderscheidenlijk paragraaf 3.2 van de Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming, verwerken voor zover dit noodzakelijk is voor de uitvoering van artikel 9.2.5.
Het college van burgemeester en wethouders verstrekt de gegevens over gezondheid en persoonsgegevens van strafrechtelijke aard, bedoeld in het eerste lid, niet aan derden en bewaart de gegevens op een plaats die uitsluitend toegankelijk is voor personen die belast zijn met de uitvoering van artikel 9.2.5.
Het college van burgemeester en wethouders bewaart de gegevens, bedoeld in het eerste lid, tot uiterlijk twee jaar nadat de betrokkene de leeftijd van 27 jaar bereikt of een startkwalificatie behaalt.
Artikel 9.2.8. Regionaal programma en regionaal bestuurlijk overleg
Het college van burgemeester en wethouders van de contactgemeente stelt mede namens de colleges van burgemeester en wethouders van de andere gemeenten in de regio, bedoeld in artikel 9.2.4, eerste lid, voor een bij ministeriële regeling te bepalen periode een regionaal programma op.
Bij het regionaal programma worden de partijen, bedoeld in artikel 9.2.4, derde lid, onderdeel a, betrokken.
Het regionaal programma bevat ten minste:
- a. streefcijfers en daarbij behorende maatregelen ter bevordering van het aantal personen van 12 tot 27 jaar dat een startkwalificatie behaalt en ter verbetering van de overgang van het onderwijs naar de arbeidsmarkt; en
- b. afspraken over de samenwerking tussen de partijen bij de uitvoering van de maatregelen en de activiteiten, bedoeld in de artikelen 9.2.5, 9.2.12 en 9.2.13, de artikelen 44 en 44a van de Wet op de expertisecentra, de artikelen 2.31a en 2.31b van de Wet voortgezet onderwijs 2020 en artikel 7a van de Participatiewet.
De partijen bedoeld in artikel 9.2.4, derde lid, onderdeel a, voeren regionaal bestuurlijk overleg over de totstandkoming en de voortgang van het regionaal programma. Bij het overleg worden ook het domein zorg en het sociaal domein betrokken.
Bij regeling van Onze Minister, handelende in overeenstemming met Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, kunnen nadere voorwaarden worden gesteld aan het regionaal programma.
Artikel 9.2.9. Specifieke uitkering
Onze Minister verstrekt aan de contactgemeente een specifieke uitkering voor de activiteiten die de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten in de regio verrichten op grond van deze paragraaf. Deze uitkering wordt jaarlijks uiterlijk verleend in december voor het daaropvolgende kalenderjaar en blijft binnen de grenzen van de middelen die de begrotingswetgever beschikbaar heeft gesteld. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld voor de berekening en betaling van de uitkering.
Het college van burgemeester en wethouders van de contactgemeente zorgt dat de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten in de regio gebruik kunnen maken van de instrumenten die met behulp van de uitkering zijn verwezenlijkt.
Indien het college van burgemeester en wethouders van de contactgemeente het bepaalde bij of krachtens deze paragraaf niet nakomt, kan Onze Minister de uitkering geheel of gedeeltelijk inhouden of opschorten. Onze Minister gaat pas na overleg met het college van burgemeester en wethouders over tot gehele of gedeeltelijke inhouding. Onze Minister kan de uitkering opnieuw toekennen indien de reden voor inhouding of opschorting is vervallen.
Onze Minister kan de uitkering geheel of gedeeltelijk terugvorderen indien uit de informatie op grond van artikel 17a van de Financiële-verhoudingswet niet blijkt dat de uitkering is besteed in overeenstemming met deze paragraaf.
Artikel 9.2.10. Effectrapportage
Het college van burgemeester en wethouders van de contactgemeente stelt mede namens de colleges van burgemeester en wethouders van de andere gemeenten in de regio jaarlijks een effectrapportage vast. De effectrapportage vermeldt de streefcijfers, bedoeld in artikel 9.2.8, derde lid, onderdeel a, en de bereikte resultaten en bevat een toelichting op afwijkingen. Het college van burgemeester en wethouders van de contactgemeente zendt de effectrapportage aan Onze Minister.
Bij ministeriële regeling kunnen nadere voorschriften worden gegeven over de inhoud, het tijdstip van indiening en de inrichting van de effectrapportage.
Artikel 9.2.11. Inlichtingen aan Onze Minister
Het college van burgemeester en wethouders van de contactgemeente geeft aan Onze Minister alle gevraagde gegevens ter inzage en verstrekt de gevraagde inlichtingen die van belang zijn voor het beleid van Onze Minister op het gebied van het bevorderen van het aantal personen tot 27 jaar dat een startkwalificatie behaalt en het verbeteren van de overgang van het onderwijs naar de arbeidsmarkt.
Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden gegeven over de wijze waarop de gegevens beschikbaar worden gesteld.
Artikel 9.2.12. Loopbaanbegeleiding tijdens de opleiding en na diplomering
Loopbaanbegeleiding als bedoeld in dit artikel en de daarop berustende bepalingen omvat advisering en ondersteuning bij de overstap naar vervolgonderwijs of de arbeidsmarkt.
Het bevoegd gezag biedt loopbaanbegeleiding aan tijdens de opleiding en tot een jaar na diplomering.
Het bevoegd gezag doet een aanbod van loopbaanbegeleiding aan de student of gediplomeerde van de entreeopleiding of de beroepsopleidende leerweg van de basisberoepsopleiding, met uitzondering van de gediplomeerde met een aansluitende inschrijving voor vervolgonderwijs.
Het bevoegd gezag kan loopbaanbegeleiding bieden aan de student of gediplomeerde van de beroepsbegeleidende leerweg van de basisberoepsopleiding of aan de student of gediplomeerde van de vakopleiding, de middenkaderopleiding of de specialistenopleiding.
Het bevoegd gezag stelt beleid vast met betrekking tot de loopbaanbegeleiding dat in elk geval bevat op welke wijze het bevoegd gezag gebruik maakt van de bevoegdheid, bedoeld in het vierde lid. Het bevoegd gezag houdt bij het vaststellen van het beleid rekening met de afspraken uit het regionaal programma, bedoeld in artikel 9.2.8, derde lid, onderdeel b.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de inhoud van het beleid, bedoeld in het vijfde lid, en de invulling van de loopbaanbegeleiding.
Van de termijn, bedoeld in het tweede lid, kan worden afgeweken in geval van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 8.1.5, derde lid, onderdelen a tot en met f.
Artikel 9.2.13. Samenwerking tussen bevoegd gezag en college van burgemeester en wethouders op grond van de Participatiewet
Het bevoegd gezag kan het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar de student of gediplomeerde woon- of verblijfplaats heeft, betrekken bij de loopbaanbegeleiding, bedoeld in artikel 9.2.12, om de student of gediplomeerde ondersteuning te bieden op grond van artikel 7a van de Participatiewet.
Het bevoegd gezag kan het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar de gediplomeerde woon- of verblijfplaats heeft, verzoeken de ondersteuning van een gediplomeerde voort te zetten op grond van artikel 7a van de Participatiewet, mits de betrokkene daarmee instemt.
Indien de ondersteuning met toepassing van het tweede lid wordt voortgezet door het college van burgemeester en wethouders, stelt het bevoegd gezag een overgangsdocument op overeenkomstig artikel 14e van de Wet op de expertisecentra en verstrekt dit document aan het college van burgemeester en wethouders.
Hoofdstuk 10. Beroep bij de bestuursrechter
Paragraaf 1. Inhouden en opschorten bekostiging; strafbepaling
Paragraaf 2. Opschorten en terugvorderen rijksbijdrage educatie
Hoofdstuk 11a. Experimenten
Hoofdstuk 12. Overgangs-, invoerings- en slotbepalingen
Titel 2. Voorzieningen voor onbepaalde tijd
Titel 4b. Invoering van de Wet aanscherping eisen examencommissies in het middelbaar beroepsonderwijs
Titel 5. Evaluatie, inwerkingtreding en citeertitel
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)