Wijzigingsgeschiedenis
Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen
41 versions
· 2026-03-15
2026-03-15
Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen — arts. 1, 7, 2 y 5
2025-08-14
Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen — arts. 1, 7, 2 y 7
2025-06-06
Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen — arts. 1, 7, 2 y 5
2024-11-15
Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen — arts. 1, 7, 2 y 5
2023-06-07
Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen — arts. 1, 7, 2 y 6
2021-05-26
Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen — arts. 1, 7, 2 y 5
2021-02-03
Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen — arts. 1, 7, 2 y 5
2019-07-01
Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen — arts. 1, 7, 2 y 5
2019-04-20
Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen — arts. 9, 95, 3 y 1
2018-05-01
Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen — arts. 1, 7, 2 y 5
2017-08-01
Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen — arts. 1, 7, 2 y 5
2017-04-22
Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen — arts. 10, 1, 7 y 2
2015-11-19
Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen — arts. 1, 7, 2 y 5
2015-05-01
Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen — arts. 1, 7, 3 y 15
2013-10-09
Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen — arts. 1, 7, 2 y 5
2013-04-01
Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen — arts. 9, 95, 3 y 2
2013-01-01
Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen — arts. 8, 9, 1 y 4
2012-03-31
Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen — arts. 6, 9, 4 y 24
2011-01-01
Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen — arts. 3, 1, 9 y 20
2010-04-01
Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen — arts. 1, 7, 1 y 4
2010-01-01
Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen — arts. 6, 7, 9 y 24
2009-05-01
Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen — arts. 1, 7, 1 y 5
2009-04-04
Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen — arts. 6, 6, 9 y 26
2008-10-08
Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen — arts. 1, 1, 3 y 5
2008-07-11
Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen — arts. 1, 1, 3 y 5
2008-07-01
Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen — arts. 1, 1, 3 y 5
2008-03-08
Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen — arts. 6, 6, 7 y 26
Wijzigingen op 2008-03-08
@@ -8,25 +8,25 @@
1. In deze regeling wordt verstaan onder:
a. Minister: Minister van Verkeer en Waterstaat; b. bevoegde autoriteit: 1º. Minister, of 2º. een in [bijlage 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010054&bijlage=3&z=2008-02-20&g=2008-02-20) bij deze regeling erkende instantie; c. [richtlijn nr. 94/55/EG](31994L0055): [richtlijn nr. 94/55/EG](31994L0055) van de Raad van de Europese Unie van 21 november 1994 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten inzake het vervoer van gevaarlijke goederen over de weg (PbEG L319); d. [richtlijn nr. 95/50/EG](31995L0050): [richtlijn nr. 95/50/EG](31995L0050) van de Raad van de Europese Unie van 6 oktober 1996 betreffende uniforme procedures voor de controle op het vervoer van gevaarlijke goederen over de weg (PbEG L249).
2. De in [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010054&bijlage=1&z=2008-02-20&g=2008-02-20) opgenomen begripsbepalingen zijn van toepassing op de [bijlagen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010054&bijlage=2&z=2008-02-20&g=2008-02-20), [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010054&bijlage=3&z=2008-02-20&g=2008-02-20) en [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010054&bijlage=4&z=2008-02-20&g=2008-02-20) voorzover daarin niet anders is bepaald.
a. Minister: Minister van Verkeer en Waterstaat; b. bevoegde autoriteit: 1º. Minister, of 2º. een in [bijlage 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010054&bijlage=3&z=2008-03-08&g=2008-03-08) bij deze regeling erkende instantie; c. [richtlijn nr. 94/55/EG](31994L0055): [richtlijn nr. 94/55/EG](31994L0055) van de Raad van de Europese Unie van 21 november 1994 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten inzake het vervoer van gevaarlijke goederen over de weg (PbEG L319); d. [richtlijn nr. 95/50/EG](31995L0050): [richtlijn nr. 95/50/EG](31995L0050) van de Raad van de Europese Unie van 6 oktober 1996 betreffende uniforme procedures voor de controle op het vervoer van gevaarlijke goederen over de weg (PbEG L249).
2. De in [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010054&bijlage=1&z=2008-03-08&g=2008-03-08) opgenomen begripsbepalingen zijn van toepassing op de [bijlagen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010054&bijlage=2&z=2008-03-08&g=2008-03-08), [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010054&bijlage=3&z=2008-03-08&g=2008-03-08) en [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010054&bijlage=4&z=2008-03-08&g=2008-03-08) voorzover daarin niet anders is bepaald.
##### Artikel 2
Bij deze regeling behoren vier bijlagen:
- a. [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010054&bijlage=1&z=2008-02-20&g=2008-02-20): voorschriften betreffende het vervoer van gevaarlijke stoffen over land, zijnde de Nederlandse vertaling van de bijlagen A en B van het ADR en de daarbij behorende aanhangsels;
- b. [bijlage 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010054&bijlage=2&z=2008-02-20&g=2008-02-20): voorschriften in afwijking van of in aanvulling op [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010054&bijlage=1&z=2008-02-20&g=2008-02-20);
- c. [bijlage 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010054&bijlage=3&z=2008-02-20&g=2008-02-20): erkende instanties, bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onderdeel b, 2°](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010054&artikel=1&z=2008-02-20&g=2008-02-20);
- d. [bijlage 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010054&bijlage=4&z=2008-02-20&g=2008-02-20): rijkskeuringsvoorschriften betreffende het vervoer over land van gevaarlijke stoffen.
- a. [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010054&bijlage=1&z=2008-03-08&g=2008-03-08): voorschriften betreffende het vervoer van gevaarlijke stoffen over land, zijnde de Nederlandse vertaling van de bijlagen A en B van het ADR en de daarbij behorende aanhangsels;
- b. [bijlage 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010054&bijlage=2&z=2008-03-08&g=2008-03-08): voorschriften in afwijking van of in aanvulling op [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010054&bijlage=1&z=2008-03-08&g=2008-03-08);
- c. [bijlage 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010054&bijlage=3&z=2008-03-08&g=2008-03-08): erkende instanties, bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onderdeel b, 2°](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010054&artikel=1&z=2008-03-08&g=2008-03-08);
- d. [bijlage 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010054&bijlage=4&z=2008-03-08&g=2008-03-08): rijkskeuringsvoorschriften betreffende het vervoer over land van gevaarlijke stoffen.
##### Artikel 3
Met voorwaardelijk tot het vervoer over land toegelaten gevaarlijke stoffen als bedoeld in [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010054&bijlage=1&z=2008-02-20&g=2008-02-20) mogen de handelingen, bedoeld in [artikel 2 van het Besluit vervoer gevaarlijke stoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008080&artikel=2), worden verricht, mits de in deze regeling gestelde voorschriften in acht worden genomen.
Met voorwaardelijk tot het vervoer over land toegelaten gevaarlijke stoffen als bedoeld in [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010054&bijlage=1&z=2008-03-08&g=2008-03-08) mogen de handelingen, bedoeld in [artikel 2 van het Besluit vervoer gevaarlijke stoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008080&artikel=2), worden verricht, mits de in deze regeling gestelde voorschriften in acht worden genomen.
##### Artikel 4
@@ -828,15 +828,15 @@
## Bijlage 4. als bedoeld in artikel 2, onderdeel d, van de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen
Deze bijlage behoort bij de regeling tot wijziging van de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen in verband met de omzetting van de Regeling Rijkskeuringsvoorschriften betreffende het vervoer over land van gevaarlijke stoffen in bijlage 4 bij de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen.
### Hoofdstuk I. Begripsbepalingen
2. De in dit artikel bedoelde tunnels worden aangeduid met verkeersbord C 22, bedoeld in [bijlage 1 bij het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&bijlage=1). Onder het bord wordt een onderbord geplaatst waarop met Romeinse cijfers de categorie van de tunnel wordt aangegeven.
### **Artikel 4**
##### Artikel 1
In deze bijlage wordt verstaan onder:
### Hoofdstuk II. Normatieve Verwijzingen
### **Artikel 5. Laden en lossen**
##### Artikel 2
@@ -868,7 +868,7 @@
IEC 60079 - 11:1999: Electrical apparatus for explosive gas atmospheres - part 11 : intrinsic safety `i'.
### § 3. Dimensionering
### **Artikel 6. Weersomstandigheden**
##### Artikel 3
@@ -892,7 +892,7 @@
2. Indien herstellingen zijn verricht van schade waarvan vooraf geen melding is gemaakt en tengevolge waarvan, naar het oordeel van de directeur, onvoldoende inzicht in de deugdelijkheid van het voertuig of van belangrijke onderdelen is ontstaan, kan de goedkeuring aan het voertuig worden onthouden.
### Hoofdstuk IV. Tanks
### **Artikel 7. Zout veer**
### § 4. Constructie
@@ -1012,7 +1012,7 @@
2. De lasmethodekwalificatie voldoet aan de voorschriften daaromtrent in de voor het ontwerp van de tanks toegepaste code of, bij ontbreken daarvan, aan de van toepassing zijnde delen van de norm EN 288.
### § 3. Dimensionering
### **Artikel 8. Pont**
##### Artikel 12
@@ -1119,7 +1119,7 @@
Bij tanks die niet zijn uitgerust met een scharnierende achterbodem bedraagt de inwendige doorsnede van mangaten ten minste 450 mm.
### § 5. Bescherming
### **Artikel 1**
##### Artikel 24. rn.. 9.7.6 stootbalk algemeen
@@ -1361,7 +1361,7 @@
Indien de laad- en losinrichtingen zijn aangebracht in gesloten ruimten, zijn deze ruimten voorzien van ventilatieopeningen. Deze zijn in de bodem of zo laag mogelijk in de zijwanden aangebracht en omvatten een gezamenlijk oppervlak van ten minste 20 mm2 per liter inhoud van de te ventileren ruimte.
### **Artikel 3**
### **Artikel 2**
##### Artikel 40
@@ -1622,7 +1622,7 @@
### **Hoofdstuk I Algemeen**
### **Artikel 1 Begripsbepalingen**
### **Hoofdstuk I Algemeen**
##### Artikel 54. rn.. 9.2.4.3 tot en met 9.2.4.5,
@@ -1878,7 +1878,7 @@
Bij de in artikel 69 bedoelde ontwerpgegevens is een volledig ingevuld volgens een door de directeur vastgesteld model gevoegd of een begeleidend schrijven met vermelding van naam, adres, postcode en plaats van vestiging van de ondernemer, het correspondentieadres en een korte omschrijving van de aard van de aanvraag.
### Artikel 7
### **Artikel 5 rn. 6.8.2.4.4**
##### Artikel 76
@@ -2020,7 +2020,7 @@
- 6º. de maximaal optredende pompdruk in het leidingsysteem; waarbij vermelding van de gegevens op één der overige in te dienen tekeningen of op een afzonderlijke lijst van uitrustingsdelen is toegestaan.
### **§ 1. Beoordelingsnormen/Codes**
### **Hoofdstuk II Tanks**
##### Artikel 78
@@ -2060,32 +2060,32 @@
- 9º. bij de berekening van de tank wordt de verzwakking door mangaten en eventuele andere openingen in de tankwand alsmede compensatie in de vorm van mangathalzen, flenzen en dergelijke mede in rekening gebracht.
### **Artikel 6**
##### Artikel 79
De ingevolge artikel 69 over te leggen gegevens betreffen voor een trekker de volgende bescheiden:
- a. een door de aanvrager ingevuld VLG aanvraagformulier volgens een door de directeur vastgesteld model;
- b. een zekeringenlijst;
- c. een aansluitschema van de hoofdschakelaar en het beveiligingscircuit van de dynamo;
- d. voor het vervoer van propaan, butaan en mengsels daarvan een schema van de ingevolge rn. 6.8.3.2 N voorgeschreven wegrijalarmering;
- e. een door de fabrikant van het voertuig geautoriseerde verklaring waaruit blijkt dat, voor zover van toepassing, het voertuig voldoet aan het bepaalde in rn. 9.2.3.2 (antiblokkeer-remsysteem) en rn. 9.2.3.3 (duurremsysteem / retarder);
- f. voor de klassen 1 en 5.1, identificatienummer 2015: een verklaring, geautoriseerd door een door de directeur aangewezen onafhankelijk deskundige, waaruit blijkt dat de bestuurderscabine van het voertuig voldoet aan het bepaalde in rn. 9.2.4.2 met betrekking tot de brandbestendigheid.
### Artikel 8. rn. 6.8.2.1.4
##### Artikel 79
De ingevolge artikel 69 over te leggen gegevens betreffen voor een trekker de volgende bescheiden:
##### Artikel 80
In afwijking van het bepaalde in artikel 69 worden de hierna genoemde bescheiden bij het aanbieden van het voertuig voor keuring in een keuringsstation van de RDW aan de inspecteur aangeboden:
- a. een door de aanvrager ingevuld VLG aanvraagformulier volgens een door de directeur vastgesteld model;
- b. een zekeringenlijst;
- c. een aansluitschema van de hoofdschakelaar en het beveiligingscircuit van de dynamo;
- d. voor het vervoer van propaan, butaan en mengsels daarvan een schema van de ingevolge rn. 6.8.3.2 N voorgeschreven wegrijalarmering;
- e. een door de fabrikant van het voertuig geautoriseerde verklaring waaruit blijkt dat, voor zover van toepassing, het voertuig voldoet aan het bepaalde in rn. 9.2.3.2 (antiblokkeer-remsysteem) en rn. 9.2.3.3 (duurremsysteem / retarder);
- f. voor de klassen 1 en 5.1, identificatienummer 2015: een verklaring, geautoriseerd door een door de directeur aangewezen onafhankelijk deskundige, waaruit blijkt dat de bestuurderscabine van het voertuig voldoet aan het bepaalde in rn. 9.2.4.2 met betrekking tot de brandbestendigheid.
### Artikel 8. rn. 6.8.2.1.4
##### Artikel 80
In afwijking van het bepaalde in artikel 69 worden de hierna genoemde bescheiden bij het aanbieden van het voertuig voor keuring in een keuringsstation van de RDW aan de inspecteur aangeboden:
- a. een door de aanvrager ingevuld VLG aanvraagformulier volgens een door de directeur vastgesteld model;
- b. een schematische weergave van het remsysteem;
- c. een door de fabrikant van het voertuig geautoriseerde verklaring waaruit blijkt dat, voor zover van toepassing, het voertuig voldoet aan het bepaalde in rn. 9.2.3.2 (antiblokkeer-remsysteem).
@@ -2422,7 +2422,7 @@
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst met uitzondering van de bijlage 1, die ter inzage wordt gelegd bij het Directoraat-Generaal Goederenvervoer van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat, Nieuwe Uitleg 1 te Den Haag.
## Bijlage 2. , bedoeld in [artikel 2, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010054&artikel=2&z=2008-02-20&g=2008-02-20), van de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen
## Bijlage 2. , bedoeld in [artikel 2, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010054&artikel=2&z=2008-03-08&g=2008-03-08), van de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen
### Aanvullende Voorschriften
@@ -2881,1446 +2881,1682 @@
## Bijlage 4. als bedoeld in artikel 2, onderdeel d, van de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen
Het bepaalde in randnummer 8.2.1 van [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010054&bijlage=1&z=2008-03-08&g=2008-03-08) is niet van toepassing op bestuurders van:
### **9.2.3.1. N Reminrichting**
##### Artikel 1
In deze bijlage wordt verstaan onder:
### **9.7.5.1. N Stabiliteit**
##### Artikel 2
In deze bijlage wordt verwezen naar onderstaande Europese normen die betrekking hebben op de daarbij genoemde onderwerpen:
EN 50 020:1992: Stroomkringen met weerstand zonder cadmium, zink, magnesium of aluminium.
EN 287-1:1997: Het kwalificeren van lassers - Smeltlassen - Deel 1: Staal.
EN 287-2:1997: `Het kwalificeren van lassers - Smeltlassen - Deel 2: Aluminium en Aluminiumlegeringen.
EN 288-2:1992: Het beschrijven en kwalificeren van lasprocedures voor metallische materialen - Deel 2: Lasmethodebeschrijving voor het booglassen.
EN 473:1993: Kwalificatie en certificatie van personeel voor niet-destructief onderzoek. Algemene principes.
EN 571-1:1997: Niet-destructief onderzoek - Penetrantonderzoek - Deel 1: Algemene beginselen.
EN-ISO 6947:1997: Lassen - Lasposities - Definities van hellings- en rotatiehoeken.
EN 10204:1991 + A1: 1995 : Producten van metaal. Soorten keuringsdocumenten.
EN 12266-1:1991: Industriële afsluiters / Beproeving van afsluiters / Deel 1: Beproevingen, beproevingsprocedures en acceptatiecriteria waaraan iedere afsluiter moet voldoen.
EN 25817:1992 (ISO 5817:1992): Booglasverbindingen in staal - Richtlijn voor het vaststellen van kwaliteitsniveaus voor onvolkomenheden.
EN 30042:1994 (ISO 10042:1992): Booglasverbindingen in aluminium en lasbare aluminiumlegeringen - Richtlijn voor het vaststellen van kwaliteitsniveaus voor onvolkomenheden.
IEC 529:1993: Degrees of protection provided by enclosures of electrical equipment (IP Code).
IEC 60079 - 11:1999: Electrical apparatus for explosive gas atmospheres - part 11 : intrinsic safety `i'.
### **Hoofdstuk II. Bepalingen voor elk vervoer op Nederlands grondgebied**
##### Artikel 3
1. Voertuigen zijn slechts tot het vervoer toegelaten indien zij zijn onderworpen aan een door of namens de directeur verrichte technische keuring, waarbij is gebleken dat is voldaan aan:
- a. het Voertuigreglement;
- b. de voorschriften gesteld in de bijlagen 1 en 2; en
- c. de in deze bijlage genoemde voorschriften, voor zover in de bijlagen 1 en 2 niet uitdrukkelijk het tegendeel is bepaald.
2. Met de krachtens deze regeling tot het vervoer toegelaten voertuigen, tanks en tankcontainers worden gelijkgesteld voertuigen die tot het vervoer zijn toegelaten in een andere lidstaat van de Europese Unie dan wel geproduceerd zijn in een staat die partij is bij de overeenkomst inzake de Europese Economische Ruimte en die aan gelijkwaardige eisen voldoen.
##### Artikel 4
De directeur kan voertuigen waarvan de technische inrichting en uitrusting niet voldoen aan deze bijlage goedkeuren, indien de technische inrichting en uitrusting van de voertuigen naar het oordeel van de directeur een gelijkwaardige veiligheid bieden.
##### Artikel 5. rn.. 6.8.2.4.4
1. Wanneer schade aan een voertuig is ontstaan en een veilig vervoer van gevaarlijke stoffen daardoor niet langer is gewaarborgd, geeft de eigenaar of houder hiervan onverwijld schriftelijk kennis. De melding wordt gericht aan het keuringsstation van VT waar het voertuig is geregistreerd.
2. Indien herstellingen zijn verricht van schade waarvan vooraf geen melding is gemaakt en tengevolge waarvan, naar het oordeel van de directeur, onvoldoende inzicht in de deugdelijkheid van het voertuig of van belangrijke onderdelen is ontstaan, kan de goedkeuring aan het voertuig worden onthouden.
### **Artikel 2. Laad- en losplaats**
### **Artikel 3. Tunnelregime**
##### Artikel 6
Voor tanks voor het vervoer van stoffen van klasse 2 en tanks waarvan de voorgeschreven berekeningsdruk 1 Mpa (10 bar) of meer bedraagt, welke door Stoomwezen B.V. worden beoordeeld op conformiteit met de bijlagen 1 en 2, wordt een door genoemde instantie afgegeven certificaat overgelegd, waarin is aangegeven dat de tank aan de desbetreffende voorschriften van de bijlagen 1 en 2 voldoet.
### § 2. Beoordelingsnormen/Codes
##### Artikel 7
1. Bij tanks wordt ter vaststelling van:
- a. wanddikte;
- b. eventuele bescherming;
- c. ondersteuning; en
- d. bevestiging aan het chassis; uitgegaan van waarden, zoals vastgelegd in de EN die betrekking heeft op het desbetreffende materiaal.
2. De directeur kan toestaan dat in plaats van EN vergelijkbare normen worden toegepast van de overige bij de ADR aangesloten landen.
3. Van het materiaal voor de romp, de eind- en tussenbodems en de mangathalzen wordt een keuringsrapport `3.1.B' overgelegd overeenkomstig de norm EN 10204 of een overeenkomstig exemplaar volgens andere omschrijvingen, zoals DIN 50049, Abnahmeprüfzeugnis 3.1B.
Van mangathalzen voor tanks, anders dan bedoeld in artikel 6, behoeft geen attest te worden overgelegd, indien deze zijn vervaardigd uit zacht staal of bij tanks overeenkomstig rn. 6.8.2.1.14, onder a) indien de wanddikte van de mangathals ten minste 2 maal de vereiste minimumwanddikte van de tankromp bedraagt.
4. Op alle delen van het materiaal bedoeld in het derde lid is het chargenummer, vermeld in het bijbehorende attest, aangegeven. Dit nummer is door de materiaalfabrikant aangebracht of, bij versneden platen, op een door de directeur te bepalen wijze overgestempeld.
5. Onder gespecificeerde minimumwaarden volgens de materiaalnormen voor austenitische staalsoorten welke ingevolge rn. 6.8.2.1.16 mogen worden overschreden, worden uitsluitend verstaan de rekgrens (Re) en de treksterkte (Rm).
##### Artikel 8. rn. 6.8.2.1.4
Als berekeningscodes worden door de directeur erkend:
- a. de AD-Merkblätter; en
- b. de Regels voor toestellen onder druk.
##### Artikel 9. rn. 6.8.2.1.6
1. Bij radiografisch lasonderzoek wordt van röntgenopnamen een beoordelingsrapport overgelegd, dat ten minste de navolgende gegevens bevat:
- a. voor de materialen zacht staal en roestvrij staal: de klassering van de waargenomen afwijkingen volgens de IIW-code (oud);
- b. voor aluminium en legeringen: klassering volgens de op de specifieke materiaalgroep betrekking hebbende IIW-codering;
2. Tevens wordt daarin opgenomen het resultaat van toetsing aan een der hierna genoemde criteria:
- a. voor staal: EN 25817:1992 (ISO 5817:1992), niveau B met uitzondering van onvolkomenheden waarvoor niveau C geldt;
- b. voor aluminium en legeringen: EN 30042 (ISO 10042:1992), niveau B met uitzondering van onvolkomenheden waarvoor niveau C geldt;
- c. HP 5/3, § 4 van de AD-Merkblätter; of
- d. blad T0111, § 3 en bijlage 1 van de Regels voor toestellen onder druk.
3. Het in het eerste lid bedoelde beoordelingsrapport is gewaarmerkt door een deskundige van een door de directeur erkende instantie, die in aanmerking komt voor aanwijzing indien deze is gecertificeerd en de deskundige is gekwalificeerd overeenkomstig de norm EN 473:1993.
##### Artikel 10. rn. 6.8.2.1.23
Bij radiografisch lasonderzoek geldt ten aanzien van de omvang daarvan:
- a. dat indien de coëfficiënt lambda (λ) = 0,8 van toepassing is, de radiografische controle ten minste omvat:
- 1°. 10% van de rondnaden, met inbegrip van alle kruisende naden,
- 2°. 10% van de langsnaden, en
- 3°. 100% van de las van (ronde) inzetstukken ter voorkoming van kruisende lassen;
- b. dat, in afwijking van het in onderdeel a bepaalde en ongeacht de voorgeschreven coëfficiënt lambda (λ), ter controle van de beheersing van het lasproces, de radiografische controle van de lasnaden bij de eerste tank, vervaardigd door een bedrijf waar niet eerder door de RDW tanks voor het vervoer van gevaarlijke stoffen zijn gekeurd, de volledige lengte van de lassen omvat;
- c. dat de controle van lasnaden in samengestelde eindbodems geschiedt overeenkomstig de bepalingen voor rondnaden;
- d. dat indien de wanddikte van het middendeel van de onder c) genoemde bodems ten minste gelijk is aan de wanddikte van de omhaling, volstaan kan worden met radiografische controle van uitsluitend het in de omhaling gelegen deel van de lasnaad;
- e. dat bij samengestelde tussenbodems welke op druk op de bolle zijde zijn berekend, geen radiografische controle behoeft te worden uitgevoerd;
- f. dat indien bij toepassing van lambda = 0,8 of 0,9 op grond van de radiografische controle ontoelaatbare afwijkingen in de lasnaad zijn vastgesteld welke moeten worden hersteld, van de herstelling en, voor zover van toepassing, van het aan weerszijden van de oorspronkelijke opname gelegen deel van de las een radiografische opname wordt gemaakt;
- g. dat indien bij deze controle of bij de visuele controle van de lassen opnieuw afwijkingen worden vastgesteld, de directeur, afhankelijk van de plaats en de aard van deze afwijkingen, aanvullende radiografische controle kan voorschrijven tot 100 % van de lasnaden;
- h. dat radiografische controle van lasnaden plaats vindt voordat deze door tankringen, dubbelplaten of andere constructieve elementen worden afgedekt;
- i. dat indien lassen zodanig zijn uitgevoerd of geplaatst dat radiografische controle niet mogelijk is of de resultaten niet interpreteerbaar zijn, zoals bij hoeklassen of bij lassen, gesitueerd in de ringvormige ruimte, omsloten door een slingerschot of tussenbodem, een tegenring en de tankwand, de directeur vervangende controlemethoden kan voorschrijven, bijvoorbeeld penetrantonderzoek overeenkomstig de norm EN 571-1:1997.
### **Artikel 9. Kenmerking en etikettering der voertuigen**
### § 6. Uitrusting
### **Artikel 3**
### **Artikel 1. Erkende instanties**
### Hoofdstuk VII. Cabine
### Hoofdstuk VIII. Motor en uitlaatleiding rn. 9.2.4.4, 9.2.4.5 en 9.3.5
### **Artikel 4. Erkenningsvoorwaarden**
### § 2. Hulpmotor (Verbrandingsmotor)
### Hoofdstuk I. Begripsbepalingen
### **Artikel 2 Europese Normen**
### Hoofdstuk XII. Goedkeuringsprocedures
### Artikel 3
### **Artikel 3**
### § 1. Stoomwezen B.V.
### **Artikel 4**
### Hoofdstuk XIII. Keuringen en beproevingen
### **Hoofdstuk II Tanks**
### Artikel 17. rn.. 6.8.2.1.18 en 6.8.2.1.19 dikte slingerschot
### **Artikel 11 rn. 6.8.2.1.14 onder (a), lagedruk-tanks**
### **Artikel 12 klasse 2**
### **Artikel 14 rn. 6.8.2.1.18 en 6.8.2.1.19 dikte slingerschot**
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst met uitzondering van de bijlage 1, die ter inzage wordt gelegd bij het Directoraat-Generaal Goederenvervoer van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat, Nieuwe Uitleg 1 te Den Haag.
### **Hoofdstuk I. Bepalingen voor uitsluitend binnenlands vervoer**
### **Artikel 1. Toepassingsbereik**
Dit hoofdstuk is van toepassing op vervoer van gevaarlijke stoffen dat uitsluitend binnen Nederland plaatsvindt.
1. De Minister kan tijdelijk ontheffing of vrijstelling van [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010054&bijlage=1&z=2008-03-08&g=2008-03-08) verlenen, indien het betreft proefnemingen die nodig zijn om bepalingen van [die bijlage](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010054&bijlage=1&z=2008-03-08&g=2008-03-08) te kunnen wijzigen met het oog op de aanpassing ervan aan de technische of industriële ontwikkelingen. Van een dergelijke vrijstelling of ontheffing doet de Minister mededeling aan de Commissie van de Europese Gemeenschappen.
2. De ontheffingen en vrijstellingen, bedoeld in het eerste lid, worden verleend zonder onderscheid naar nationaliteit of vestigingsplaats van de afzender, de vervoerder of de geadresseerde, hebben een looptijd van ten hoogste vijf jaar en zijn niet hernieuwbaar.
3. Ontheffing van deze regeling als bedoeld in [artikel 9 van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007606&artikel=9), anders dan bedoeld in het eerste en tweede lid, verleent de Minister slechts, indien deze ontheffing betrekking heeft op één geval dat naar zijn oordeel duidelijk omschreven en in tijd beperkt is.
### **Artikel 3. N-bepalingen**
De N-bepalingen in dit hoofdstuk:
### **1.5.1.1. N Multilaterale overeenkomsten**
1. Niet-grensoverschrijdend vervoer mag plaatsvinden overeenkomstig multilaterale overeenkomsten als bedoeld in randnummer 1.5.1.1 van [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010054&bijlage=1&z=2008-03-08&g=2008-03-08), die door Nederland zijn ondertekend.
2. Bij het vervoer dat voldoet aan de in het eerste lid bedoelde multilaterale overeenkomst worden de voorschriften met betrekking tot het vervoer in acht genomen die in deze overeenkomst zijn opgenomen.
### **5.1.2.1./5.2.1 N Opschriften en kenmerking**
De opschriften en kenmerkingen op colli, containers, tanks en voertuigen, dan wel op de oververpakkingen van colli, zijn in ieder geval gesteld in de Nederlandse, Franse, Duitse of Engelse taal.
Het is toegestaan dat in het vervoerdocument de voorgeschreven aanduidingen uitsluitend zijn gesteld in de Nederlandse taal.
In Nederland geregistreerde tankwagens, bestemd voor het vervoer van propaan, butaan en mengsels daarvan, zijn voorzien van een noodstopvoorziening die is aangesloten op het bedieningssysteem van de veiligheidsinrichting, bedoeld in randnummer 6.8.3.2.3 van [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010054&bijlage=1&z=2008-03-08&g=2008-03-08), en op het aandrijfsysteem van de pomp. Het bedienen van de noodstopvoorziening heeft tot direct gevolg dat de veiligheidsinrichtingen gesloten worden en de pomp gestopt wordt. De bedieningsorganen van de noodstopvoorziening zijn zowel aangebracht in de bedieningskast(en) als bij de linkervoorzijde als bij de rechterachterzijde van de tank.
Tankwagens, bestemd voor het vervoer van propaan, butaan of mengsels daarvan, zijn voorzien van een wegrijdalarmering, ter voorkoming van het wegrijden met een aangekoppelde of niet opgeborgen slang. Deze voorziening bestaat uit een knipperende rode lamp op het dashboard en een intermitterende claxon in de cabine.
### **6.8.3.4. N Inspectie**
In Nederland geregistreerde tankwagens, bestemd voor het vervoer van propaan, butaan of mengsels daarvan, worden iedere 26 weken onderworpen aan een visuele uitwendige inspectie en aan een controle op de goede werking van de uitrusting.
### **7.5.7.5/8.3.3 Openen van colli**
In afwijking van randnummers 7.5.7.5/8.3.3 van [Bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010054&bijlage=1&z=2008-03-08&g=2008-03-08), mag de chauffeur of de bijrijder:
### **8.1.2. N Documenten die het vervoer moeten begeleiden**
Indien voor het betrokken vervoer ontheffing is verleend ingevolge [artikel 9 van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007606&artikel=9), is deze ontheffing of een afschrift daarvan bij het vervoerdocument gevoegd.
### **8.2.1. N Speciale opleiding van de bestuurder**
Het bepaalde in randnummer 8.2.1 van [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010054&bijlage=1&z=2008-02-20&g=2008-02-20) is niet van toepassing op bestuurders van:
Voor wat betreft het duurremsysteem is randnummer 9.2.3.1 van [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010054&bijlage=1&z=2008-02-20&g=2008-02-20) (retarder) niet van toepassing op motorvoertuigen gebouwd vóór 1 januari 1997.
### **9.7.5.1. N Stabiliteit**
In afwijking van de tweede volzin van randnummer 9.7.5.1 van [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010054&bijlage=1&z=2008-03-08&g=2008-03-08), behoeft bij in Nederland geregistreerde gelede voertuigen voor wat betreft de druk van de assen van de beladen oplegger, slechts te worden voldaan aan [artikel 3.3.9 van het Voertuigreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006746&artikel=3.3.9).
2. Dit hoofdstuk is, behoudens artikel 3, eerste lid, onderdeel c, niet van toepassing op het vervoer dat plaatsvindt overeenkomstig de randnummers 1.1.3 en 3.4.6 van [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010054&bijlage=1&z=2006-06-15&g=2006-06-15).
### **Artikel 1. Toepassingsbereik**
1. Dit hoofdstuk is van toepassing op elk vervoer van gevaarlijke stoffen op Nederlands grondgebied en is gebaseerd op de randnummers 1.9.2, 1.9.3 en 1.9.4 van [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010054&bijlage=1&z=2008-03-08&g=2008-03-08).
### **Artikel 2. Laad- en losplaats**
Het is verboden met een tankwagen, afneembare tank, batterijwagen, tankcontainer, transporttank, MEGC, bulkcontainer of mobiele tank gevaarlijke stoffen als bedoeld in randnummer 1.2.1 van [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010054&bijlage=1&z=2008-02-20&g=2008-02-20) te laden of te lossen elders dan:
Het is verboden met een tankwagen, afneembare tank, batterijwagen, tankcontainer, transporttank, MEGC of bulkcontainer gevaarlijke stoffen als bedoeld in randnummer 1.2.1 van [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010054&bijlage=1&z=2008-03-08&g=2008-03-08) te laden of te lossen elders dan:
### **Artikel 3. Tunnelregime**
1. Het is verboden:
### **Artikel 4**
Het vervoer van de stoffen die in tabel 3 zijn opgenomen, is routeplichtig als bedoeld in [artikel 12, eerste lid, van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007606&artikel=12).
### **Artikel 5. Laden en lossen**
Het laden of lossen van ontplofbare stoffen en voorwerpen van klasse 1 in hoeveelheden die per transporteenheid groter zijn dan de vrijgestelde hoeveelheden van randnummer 1.1.3.6 van [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010054&bijlage=1&z=2008-02-20&g=2008-02-20) alsmede vuurwerk met de UN-nummers 0336 en 0337 met een totale netto explosieve massa van meer dan 20 kilogram geschiedt onder toezicht van een ter zake deskundige.
Het laden of lossen van ontplofbare stoffen en voorwerpen van klasse 1 in hoeveelheden die per transporteenheid groter zijn dan de vrijgestelde hoeveelheden van randnummer 1.1.3.6 van [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010054&bijlage=1&z=2008-03-08&g=2008-03-08) alsmede vuurwerk met de UN-nummers 0336 en 0337 met een totale netto explosieve massa van meer dan 20 kilogram geschiedt onder toezicht van een ter zake deskundige.
1. Indien het zicht door weersomstandigheden zoals mist, sneeuw en regen minder is dan 200 meter, is het niet toegestaan:
### **Artikel 7. Zout veer**
2. Het is niet toegestaan gevaarlijke stoffen te vervoeren in tanks, losgestort of in colli, in hoeveelheden die per transporteenheid groter zijn dan de voorwaardelijk vrijgestelde hoeveelheden bedoeld in randnummer 1.1.3.6 van [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010054&bijlage=1&z=2008-03-08&g=2008-03-08) en vuurwerk met de UN-nummers 0336 en 0337 met een totale netto explosieve massa van meer dan 20 kilogram:
3. De Minister kan ontheffing verlenen van het in het tweede lid vermelde verbod bij glad wegdek, indien:
1. Onder ‘zout veer’ wordt verstaan: schip waarmee tegelijkertijd voertuigen en passagiers, andere dan de bemanning van de voertuigen, worden vervoerd over een van de volgende trajecten:
1. Onder ‘zout veer’ wordt verstaan: schip waarmee tegelijkertijd voertuigen en passagiers, andere dan de bemanning van de voertuigen, worden vervoerd over een van de volgende trajecten:
2. Tabel 5 vermeldt de stoffen, wijze van vervoer en hoeveelheden waarvan het vervoer verboden is met een zout veer.
3. Het vervoer van andere gevaarlijke stoffen dan vermeld in tabel 5, is slechts toegestaan indien het betreft:
4. Op een gesloten rijdek van een zout veer wordt geen transporteenheid geplaatst die beladen is met stoffen van klasse 3 met verpakkingsgroep I en II.
5. Rondom de transporteenheden beladen met gevaarlijke stoffen worden in horizontale richting een vrije ruimte aangehouden van ten minste twee meter en een afstand van ten minste vijf meter ten opzichte van passagiers.
### **Artikel 8. Pont**
7. De bestuurder van een transporteenheid beladen met andere gevaarlijke stoffen dan die zijn vermeld in tabel 5, verstrekt, alvorens een zout veer op te rijden, aan de schipper dan wel aan een daartoe aangewezen personeelslid van de waldienst de benodigde informatie omtrent aard en de hoeveelheid van de vervoerde gevaarlijke stoffen.
### **Artikel 8. Pont**
Bij het kruisen van een binnenwater zijn op het vervoer van voertuigen op schepen anders dan een zout veer als bedoeld in artikel 7, de volgende voorschriften van toepassing:
Afgekoppelde aanhangwagens en opleggers zijn voorzien van de etikettering en kenmerking die ingevolge randnummers 5.3.1 en 5.3.2 van [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010054&bijlage=1&z=2008-02-20&g=2008-02-20) zijn voorgeschreven als zijnde aan een trekkend voertuig gekoppeld.
Afgekoppelde aanhangwagens en opleggers zijn voorzien van de etikettering en kenmerking die ingevolge randnummers 5.3.1 en 5.3.2 van [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010054&bijlage=1&z=2008-03-08&g=2008-03-08) zijn voorgeschreven als zijnde aan een trekkend voertuig gekoppeld.
1. In dit artikel wordt verstaan onder ‘kleine mobiele tanks’: vaste tanks met een inhoud van ten hoogste 1 m3, bestemd voor het vervoer van dieselolie, gasolie of lichte stookolie.
1. De volgende voertuigen en tankcontainers kunnen overeenkomstig hun bestemming worden gebruikt, indien zij zijn goedgekeurd door de Dienst Wegverkeer:
2. De goedkeuring wordt geweigerd, indien een transportmiddel als bedoeld in het eerste lid naar het oordeel van de Dienst Wegverkeer niet voldoet aan deze regeling.
3. In afwijking van het tweede lid kunnen transportmiddelen, waarvan de technische inrichting en uitrusting niet voldoen aan deze regeling, worden goedgekeurd indien de technische inrichting en uitrusting der transportmiddelen naar het oordeel van de Dienst Wegverkeer een ten minste gelijkwaardige veiligheid bieden.
4. De eigenaar of houder van een transportmiddel als bedoeld in het eerste lid stelt na een aanrijding of ongeval waardoor beschadiging van het transportmiddel is ontstaan, de Dienst Wegverkeer hiervan onverwijld in kennis.
5. De eigenaar of houder van een transportmiddel als bedoeld in het eerste lid zorgt dat dit transportmiddel voor onderzoek aan de Dienst Wegverkeer wordt aangeboden:
### **Hoofdstuk III. Implementatie van richtlijn nr. 95/50/EG betreffende uniforme procedures voor de controle op het vervoer van gevaarlijke goederen over de weg**
### **Artikel 1**
8. Tot 1 januari 2014 is dit artikel van overeenkomstige toepassing op in Nederland in gebruik zijnde kleine mobiele tanks waaronder worden verstaan vaste tanks met een inhoud van ten hoogste 1 m3, bestemd voor het vervoer van dieselolie, gasolie of lichte stookolie.
### **Hoofdstuk III. Implementatie van richtlijn nr. 95/50/EG betreffende uniforme procedures voor de controle op het vervoer van gevaarlijke goederen over de weg**
De Inspecteur-Generaal van de Inspectie Verkeer en Waterstaat legt jaarlijks in november aan de Minister ter goedkeuring voor een plan inzake het in het volgende jaar te houden toezicht op de naleving op het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg, bedoeld in artikel 2.
De Inspecteur-Generaal van de Inspectie Verkeer en Waterstaat legt jaarlijks in november aan de Minister ter goedkeuring voor een plan inzake het in het volgende jaar te houden toezicht op de naleving op het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg, bedoeld in artikel 2.
### **Artikel 2**
1. Het toezicht op de naleving waarvoor met inachtneming van artikel 1 een plan wordt opgesteld:
2. Wanneer het toezicht is uitgevoerd, ontvangt de bestuurder van het betrokken voertuig een verklaring van de verrichte controle, welke verklaring zoveel mogelijk luidt conform de controlelijst, bedoeld in bijlage I van [richtlijn nr. 95/50/EG](31995L0050).
1. De plaats waar het toezicht op de naleving, bedoeld in artikel 1, wordt gehouden, wordt zodanig gekozen, dat het mogelijk is de voertuigen die in overtreding zijn, opnieuw met de voorschriften in overeenstemming te brengen of deze voertuigen zo nodig ter plaatse of elders een doorrijverbod op te leggen, zonder dat de veiligheid daardoor in gevaar wordt gebracht.
### **Artikel 4**
Indien bij het toezicht op de naleving als bedoeld in artikel 1 dan wel anderszins blijkt van naar het oordeel van de Minister of van de Inspecteur-Generaal van de Inspectie Verkeer en Waterstaat, ernstige of herhaalde overtredingen die een gevaar voor de veiligheid van het vervoer van gevaarlijke stoffen opleveren en die zijn begaan met een in een andere lidstaat van de Europese Unie ingeschreven voertuig of gevestigde onderneming, doet de Inspecteur-Generaal van de Inspectie Verkeer en Waterstaat of de Minister daarvan onverwijld mededeling aan de bevoegde instantie van de desbetreffende lidstaat.
### **Artikel 5**
Indien een bevoegde instantie van een andere lidstaat van de Europese Unie de Minister mededeling doet van het vermoeden van ernstige of herhaalde overtredingen die een gevaar voor de veiligheid van het vervoer van gevaarlijke stoffen opleveren en die zijn begaan met een in Nederland ingeschreven voertuig of in Nederland gevestigde onderneming, vergezeld van het verzoek tegen de overtreder passende maatregelen te treffen, doet de Minister aan die instantie mededeling van de genomen maatregelen.
## Bijlage 3. , bedoeld in [artikel 2, onderdeel c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010054&artikel=2&z=2006-06-15&g=2006-06-15), van de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen
### **Artikel 6**
### **Artikel 1. Erkende instanties**
Erkende Instanties
In de onderstaande tabel zijn de instanties opgenomen met betrekking tot de uitvoering van de voorschriften in de vermelde randnummers van [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010054&bijlage=1&z=2008-02-20&g=2008-02-20) voorzover bedoelde handelingen worden uitgevoerd door Nederlandse instanties.
In de onderstaande tabel zijn de instanties opgenomen met betrekking tot de uitvoering van de voorschriften in de vermelde randnummers van [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010054&bijlage=1&z=2008-03-08&g=2008-03-08) voorzover bedoelde handelingen worden uitgevoerd door Nederlandse instanties.
1. In tabel 1 wordt verstaan onder:
2. Bij toepassing van het eerste lid, onderdeel b, geldt als merkteken het rijkstypekeur.
### **Artikel 3**
1. In dit artikel wordt verstaan onder:
2. Bij het uitoefenen van zijn bevoegdheden als bedoeld in artikel 1 van deze bijlage geeft het CBR toepassing aan tabel 2.
1. De Minister kan een instantie erkennen voor het uitvoeren van een of meer taken als bedoeld in artikel 1 van deze bijlage, behalve voor zover in de tabel 1 een taak is toegewezen aan het CBR.
1. De Minister kan een instantie erkennen voor het uitvoeren van een of meer taken als bedoeld in artikel 1 van deze bijlage, behalve voor zover in de tabel 1 een taak is toegewezen aan het CBR.
2. Een aanvraag om erkenning, gedaan door een ander dan een orgaan van de rijksoverheid of door het CBR, wordt slechts ingewilligd, indien de aanvrager naar het oordeel van de Minister:
3. Bij de aanvraag overlegt de aanvrager bewijzen of verklaringen waaruit genoegzaam blijkt, dat hij voldoet aan het tweede lid.
4. Aan de erkenning kan de Minister voorschriften of beperkingen verbinden.
## Bijlage 4. als bedoeld in [artikel 2, onderdeel d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010054&artikel=2&z=2006-06-15&g=2006-06-15), van de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen
6. De instantie verstrekt de Minister binnen zes maanden na afloop van het kalenderjaar een overzicht van de in dat jaar verrichte keuringen, bevattende goedkeuringen, weigeringen tot goedkeuring, alsmede de redenen voor weigeringen tot goedkeuring.
Rijkskeuringsvoorschriften betreffende het vervoer over land van gevaarlijke stoffen
### Artikel 1
In deze bijlage wordt verwezen naar onderstaande Europese normen die betrekking hebben op de daarbij genoemde onderwerpen:
In deze bijlage wordt verstaan onder:
In deze bijlage wordt verstaan onder:
In deze bijlage wordt verwezen naar onderstaande Europese normen die betrekking hebben op de daarbij genoemde onderwerpen:
In deze bijlage wordt verwezen naar onderstaande Europese normen die betrekking hebben op de daarbij genoemde onderwerpen:
EN 50 020:1992: Stroomkringen met weerstand zonder cadmium, zink, magnesium of aluminium;
EN 287-1:1997: Het kwalificeren van lassers – Smeltlassen – Deel 1: Staal;
EN ISO 9606-2: Het kwalificeren van lassers – Smeltlassen – Deel 2: Aluminium en Aluminiumlegeringen;
EN 288-2:1992: Het beschrijven en kwalificeren van lasprocedures voor metallische materialen – Deel 2: Lasmethodebeschrijving voor het booglassen;
EN 473:1993: Kwalificatie en certificatie van personeel voor niet-destructief onderzoek. Algemene principes;
EN 571-1:1997: Niet-destructief onderzoek – Penetrantonderzoek – Deel 1: Algemene beginselen;
EN ISO 6947:1997: Lassen – Lasposities – Definities van hellings- en rotatiehoeken;
EN 10204:2004: Producten van metaal – Soorten keuringsdocumenten;
EN 12266-1:1991: Industriële afsluiters – Beproeving van afsluiters – Deel 1: Beproevingen, beproevingsprocedures en acceptatiecriteria waaraan iedere afsluiter moet voldoen;
### Hoofdstuk III. Algemeen
EN 13082:2001: Tanks voor het transport van gevaarlijke stoffen – Bedieningsapparatuur voor tanks – Dampafsluiter;
EN 13094:2004: Tanks voor het transport van gevaarlijke stoffen – Metalen tanks met een bedrijfsdruk tot 0.5 bar – Ontwerp en constructie;
### Artikel 4
EN 13316:2002: Tanks voor het transport van gevaarlijke goederen – Uitrusting van tanks – Drukvereffenende bodemafsluiter;
IEC 529:1993: Degrees of protection provided by enclosures of electrical equipment (IP Code);
IEC 60079 – 11:1999: Electrical apparatus for explosive gas atmospheres – part 11: intrinsic safety ‘i’.
### **Artikel 3**
### Hoofdstuk IV. Tanks
3. Met de krachtens deze regeling tot het vervoer toegelaten voertuigen, tanks en tankcontainers worden gelijkgesteld voertuigen die aan gelijkwaardige eisen voldoen en die tot het vervoer zijn toegelaten in een andere lidstaat van de Europese Unie dan wel in een staat die partij is bij de overeenkomst inzake de Europese Economische Ruimte.
### **Artikel 4**
2. Van de tanks genoemd in het eerste lid, onderdeel c, wordt een door genoemde instantie afgegeven certificaat overgelegd, waarin is aangegeven dat de tank aan de desbetreffende voorschriften van de [bijlagen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010054&bijlage=1&z=2008-03-08&g=2008-03-08) en [2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010054&bijlage=2&z=2008-03-08&g=2008-03-08) voldoet.
1. Wanneer schade aan een voertuig, tank of tankcontainer is ontstaan en een veilig vervoer van gevaarlijke stoffen daardoor niet langer is gewaarborgd, geeft de eigenaar of houder hiervan onverwijld schriftelijk kennis. Indien dit een voertuig betreft wordt de melding gericht aan het keuringsstation van VT waaronder de ondernemer ressorteert. In het geval van schade aan de tank van het voertuig of (tank)containers wordt de melding gericht aan de afdeling IKS van VT.
1. Wanneer schade aan een voertuig, tank of tankcontainer is ontstaan en een veilig vervoer van gevaarlijke stoffen daardoor niet langer is gewaarborgd, geeft de eigenaar of houder hiervan onverwijld schriftelijk kennis. Indien dit een voertuig betreft wordt de melding gericht aan het keuringsstation van VT waaronder de ondernemer ressorteert. In het geval van schade aan de tank van het voertuig of (tank)containers wordt de melding gericht aan de afdeling IKS van VT.
2. Indien herstellingen zijn verricht van schade waarvan vooraf geen melding is gemaakt en tengevolge waarvan, naar het oordeel van de directeur, onvoldoende inzicht in de deugdelijkheid van het voertuig of van belangrijke onderdelen is ontstaan, kan de goedkeuring aan het voertuig worden onthouden.
3. Van het materiaal voor de romp, de eind- en tussenbodems en de mangathalzen wordt een keuringsrapport `3.1.B' overgelegd overeenkomstig de norm EN 10204 of een overeenkomstig exemplaar volgens andere omschrijvingen, zoals DIN 50049, Abnahmeprüfzeugnis 3.1B.
Van mangathalzen voor tanks, anders dan bedoeld in artikel 6, behoeft geen attest te worden overgelegd, indien deze zijn vervaardigd uit zacht staal of bij tanks overeenkomstig rn. 6.8.2.1.14, onder a) indien de wanddikte van de mangathals ten minste 2 maal de vereiste minimumwanddikte van de tankromp bedraagt.
1. Bij tanks wordt ter vaststelling van de wanddikte, de eventuele bescherming, de ondersteuning en de bevestiging aan het chassis, uitgegaan van de waarden zoals vastgelegd in Europese Normen die betrekking hebben op het desbetreffende materiaal.
### Artikel 10. rn. 6.8.2.1.23
4. Onder gespecificeerde minimumwaarden volgens de materiaalnormen voor austenitische staalsoorten welke ingevolge rn. 6.8.2.1.16 mogen worden overschreden, worden uitsluitend verstaan de rekgrens (Re) en de treksterkte (Rm).
### **Artikel 7 rn. 6.8.2.1.4/6.8.2.7**
### **Artikel 8 rn. 6.8.2.1.6**
### **Artikel 8 rn. 6.8.2.1.6**
### § 3. Dimensionering
3. De resultaten van het radiografisch lasonderzoek worden beoordeeld aan de hand van één van de volgende criteria:
### **Artikel 9 rn. 6.8.2.1.23**
### **Artikel 9 rn. 6.8.2.1.23**
### **Artikel 10 rn. 6.8.2.1.23 lasbekwaamheid**
### **Artikel 10 rn. 6.8.2.1.23 lasbekwaamheid**
1. Een lasser wordt als gediplomeerd in de zin van [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010054&bijlage=1&z=2008-03-08&g=2008-03-08) beschouwd indien
### **§ 2 Dimensionering**
Tanks bestemd voor het vervoer van vloeistoffen die niet zijn ontworpen overeenkomstig rn. 6.10 van de bijlagen 1 en 2 mogen niet met een scharnierende eindbodem zijn uitgerust .
### Artikel 21. bovenlossing
### Artikel 20. rn.. 6.10 explosiebestendige tank
### Artikel 21. bovenlossing
3. Van tanks vervaardigd uit glasvezelversterkte kunststof mag de waterinhoud ten hoogste 10.000 liter bedragen.
### Artikel 24. rn.. 9.7.6 stootbalk algemeen
### **§ 3 Constructie**
### **§ 3 Constructie**
### **Artikel 13 lasverbindingen**
2. Het eerste lid is niet van toepassing op lasnaden van versterkingsringen, dubbelplaten en dergelijke die lasnaden in de tankwand kruisen.
Indien een tank is voorzien van scheidingswanden of slingerschotten die met contraringen aan de tankwand zijn bevestigd alsmede van afdichtingsplaten ter plaatse van doorstroomopeningen, bezitten deze een dikte die ten minste gelijk is aan de wanddikte overeenkomstig rn. 6.8.2.1.19.
### **Artikel 15 scharnierende tank**
### § 6. Uitrusting
### **Artikel 16 scharnierende eindbodem**
### **Artikel 16 scharnierende eindbodem**
Tanks bestemd voor het vervoer van vloeistoffen die niet zijn ontworpen overeenkomstig rn. 6.10 van [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010054&bijlage=1&z=2008-03-08&g=2008-03-08) zijn niet met een scharnierende eindbodem uitgerust.
### **Artikel 17 rn. 6.10 explosiebestendige tank**
### Artikel 34. rn.. 6.8.2.1.7 en 6.8.2.2.3 beveiliging tegen
### **Artikel 18 binnenbekleding**
1. Bij elke metalen tank waarvan het tankmateriaal tegen aantasting door de te vervoeren stof dan wel stoffen wordt beschermd door middel van een binnenbekleding, is door de fabrikant van de binnenbekleding een verklaring overgelegd waarin is aangegeven dat deze binnenbekleding voldoende bestand is tegen de stof dan wel stoffen waarvoor de tank is ontworpen. In deze verklaring zijn de benaming van elke stof, het UN-nummer en de desbetreffende klasse, alsmede het fabricagenummer van de tank vermeld.
### Artikel 35. rn. 6.8.2.1.14 onder a en b, beluchtings-
2. Indien de binnenbekleding uitsluitend is aangebracht om de zuiverheid van de lading te waarborgen, is de bestendigheid van het tankmateriaal tegen de te vervoeren stoffen maatgevend.
### Artikel 36. rn.. 4.3.4.1.1 en 6.8.2.2.6, bescherming tegen
4. Naast het bepaalde in het eerste lid, wordt bij tanks vervaardigd van aluminiumlegeringen de mate van bestendigheid van het tankmateriaal tegen de te vervoeren stoffen aangetoond, waaraan in elk geval is voldaan indien op basis van algemene bestendigheidlijsten, zoals van de fabrikant van het tankmateriaal, wordt aangetoond dat aantasting van de aluminiumlegering door de te vervoeren stof slechts in beperkte mate is te verwachten.
### **Artikel 19 rn. 6.8.2.2.4 mangaten**
Bij tanks die niet zijn uitgerust met een scharnierende achterbodem bedraagt de inwendige doorsnede van mangaten ten minste 500 mm.
### **§ 4 Bescherming**
1. Van de stootbalk bedraagt het weerstandsmoment tegen buiging om de zwakste doorsnede ten minste 20 cm3.
### Artikel 39. ventilatieopeningen in appendageruimten
### Artikel 40
### Hoofdstuk V. Tankuitrustingsdelen
### Artikel 40
5. Indien de tank:
### Artikel 42. overdrukventielen
6. (stootbalk bij tanks met isolerende bekleding) Bij tanks voorzien van een uitwendige isolerende bekleding wordt de achterzijde van de binnentank als het meest naar achteren gelegen deel van de tankwand aangemerkt. De achterzijde van de stootbalk behoeft niet meer dan 50 mm achter de bekledingsbodem te zijn gelegen (gemeten in rijklare toestand van het voertuig), mits de dikte van de isolatie ten minste 50 mm bedraagt.
### **Artikel 21 bescherming tegen beschadiging bij botsingen of kantelen**
1. Uitwendig tegen de zijkant, de voorbodem en de achterbodem van tanks aangebrachte uitrustingsdelen zijn zodanig bevestigd of beschermd dat geen gevaar bestaat dat de tank tengevolge van op de betreffende uitrustingsdelen uitgeoefende krachten wordt beschadigd.
### **Artikel 22 rn. 6.8.2.1.28 en 6.8.2.2.1 bescherming van appendages en uitrustingsdelen op de bovenzijde van de tank**
### **Artikel 22 rn. 6.8.2.1.28 en 6.8.2.2.1 bescherming van appendages en uitrustingsdelen op de bovenzijde van de tank**
### Artikel 45. mangatdeksels
1. In het geval van beschermende kappen zoals morsbakken, mag de lengte van de morsbak een uitwendige lengte hebben van maximaal 1500 mm.
### Artikel 47. materiaalaanduiding
### **Artikel 23 rn. 6.8.4 TE 19 appendages aan de onderzijde**
### **Artikel 23 rn. 6.8.4 TE 19 appendages aan de onderzijde**
1. Ter bepaling van de in rn. 6.8.4 TE 19 voorgeschreven maat van 200 mm worden als meest uitstekende deel van de tank uitsluitend de tankwand, ononderbroken versterkingsringen of langsbalken ter bescherming van de tank aangemerkt.
### **Artikel 24**
### **Artikel 24**
### Artikel 50. steunpoten
### **§ 5 Uitrusting**
### **§ 5 Uitrusting**
### **Artikel 25 tanks overeenkomstig rn. 6.10, scharnierende bodem**
### Artikel 53. rn. 9.2.4.7 verwarmingsinrichtingen
### **Artikel 26 rn. 6.8.2.2.4 tubelures, doorvoerleidingen**
1. Van tubelures in de tankwand ter bevestiging van uitrustingsdelen en van doorvoerbuizen door de tank komt de wanddikte ten minste overeen met de hierna te noemen waarden:
### Artikel 54. rn.. 9.2.4.3 tot en met 9.2.4.5,
### Artikel 56. rn.. 9.2.4.5 en 9.3.6,
### Artikel 55. rn.. 9.2.4.4 en 9.3.5
### Artikel 56. rn.. 9.2.4.5 en 9.3.6,
### **Artikel 27 rn. 6.8.2.2.2 opening voor schoonmaakdoeleinden**
### **Artikel 27 rn. 6.8.2.2.2 opening voor schoonmaakdoeleinden**
1. De doorlaatopening bedraagt ten hoogste 100 mm.
### Artikel 59. rn. 9.2.4.3 tot en met 9 2.4.5
### **Artikel 28 rn. 6.8.2.1.14, onder b tot en met d en 6.8.2.2.6 overdrukventiel**
1. Tanks welke onder overdruk kunnen worden gelost, zijn in de overdruklosinstallatie voorzien van een overdrukventiel, welke :
### Artikel 60. rn. 9.2.2.2.1 zekeringen
2. Bij toepassing van de combinatie van een veiligheidsventiel en een breekplaat:
### **Artikel 29 rn. 4.3.4.1.1 en 6.8.2.2.6, bescherming tegen vlaminslag**
Beveiligingsinrichtingen van de tank tegen over- en onderdruk met een openingsdruk (verschildruk) van niet meer dan 50 kPa (0,5 bar) zijn bij het vervoer van brandbare stoffen met een vlampunt van ten hoogste 60°C, ongeacht de gevarenklasse, voorzien van de in rn. 4.3.4.1.1, onder deel 4 (veiligheidskleppen/inrichtingen) genoemde bescherming tegen vlaminslag.
### **Artikel 30 rn. 6.10.3.8 onder b, pomp-/afzuiginrichting**
### **Artikel 31 rn. 6.8.2.2.2 bedieningsinrichting van de bodemkleppen en rechtstreeks op de tank aangebrachte afsluiters**
### **Artikel 31 rn. 6.8.2.2.2 bedieningsinrichting van de bodemkleppen en rechtstreeks op de tank aangebrachte afsluiters**
Naast het bepaalde in rn. 6.8.2.2.2 wordt eveneens geacht aan de controleerbaarheid van de stand (open of dicht) te zijn voldaan, indien bepaalde voor het wegrijden noodzakelijke handelingen zoals het sluiten van een meterkastluik, het uitschakelen van de p.t.o. of de parkeerreminrichting ofwel slechts mogelijk zijn indien bedoelde appendages zijn gesloten, dan wel het sluiten van bedoelde appendages tot gevolg hebben.
### **Artikel 32 ventilatieopeningen in appendageruimten**
### **Hoofdstuk III Tankuitrustingsdelen**
De uitvoering van de in genoemd randnummer voorgeschreven identificatieplaat voldoet aan de navolgende voorschriften:
### **Artikel 33**
### Artikel 67. rn.. 6.8.2.5.2, 6.8.3.5.6, 6.8.3.5.11 en 6.8.3.5.12
### **Artikel 34 rn. 6.8.2.2.6 ontluchtingsinrichtingen**
### **Artikel 34 rn. 6.8.2.2.6 ontluchtingsinrichtingen**
### Artikel 68
### Hoofdstuk XII. Goedkeuringsprocedures
3. De inrichtingen voor tanks, anders dan bedoeld in het tweede lid voldoen aan:
### **Artikel 35 overdrukventielen**
Overdrukventielen als bedoeld in artikel 33, eerste lid, onderdeel b:
### **Artikel 36 bodemafsluiters**
1. De voorschriften van de normen EN 13308 en EN 13316 zijn van toepassing op bodemafsluiters als bedoeld in artikel 33, eerste lid, onderdeel c, gebruikt op tanks met een maximale werkdruk van 0,5 bar en het vervoer van vloeibare aardolieproducten en andere gevaarlijk stoffen van klasse 3 met een dampdruk van ten hoogste 1,1 bar en benzine, zonder giftige en corrosieve subclassificatie.
2. De bodemafsluiters voor tanks, anders dan bedoeld in het eerste lid:
### **Artikel 37 eindafsluiters**
Eindafsluiters als bedoeld in artikel 33, eerste lid, onderdeel d:
### **Artikel 38 mangatdeksels**
Scharnierende mangatdeksels met een werkdruk boven de 0,5 bar zijn voorzien van tenminste 4 knevelbouten met oog of vleugelmoeren.
### **Artikel 39 identificatiekenmerken**
1. Tenzij in de betreffende appendagenormen anders wordt bepaald dienen uitrustingsdelen te zijn voorzien van de volgende, duidelijk en duurzaam aangebrachte kenmerken:
### Artikel 74
### **Artikel 40 materiaalaanduiding**
Indien van een bepaald type appendage, afhankelijk van de toepassing, onderdelen van verschillende materialen zijn toegepast, is het feitelijk toegepaste materiaal op het appendage, of in de typecodering aangegeven.
### **Artikel 41 verzegeling**
### **Artikel 41 verzegeling**
1. Druk-instelbare ontluchtingsinrichtingen, beluchtinginrichtingen, al dan niet gecombineerd, alsmede afblaasventielen zijn van een gewaarmerkte verzegeling voorzien, welke aan de volgende voorschriften voldoet:
### **Hoofdstuk IV Chassis**
De ontwerpaanvraag bevat de volgende tekeningen in tweevoud (indien van toepassing):
### **Artikel 42 één-assige aanhangwagens**
### **Artikel 43 steunpoten**
1. Opleggers zijn voorzien van in hoogte verstelbare parkeersteunen (steunpoten) die het mogelijk maken de oplegger te ondersteunen indien deze wordt afgekoppeld van de trekker, waarbij de bevestiging en de toegepaste hefinrichting van de parkeersteunen:
### Artikel 78
### **Artikel 44 rn. 9.7.3 tankbevestiging**
1. Afneembare tanks zijn met ten minste vier bouten M16 van kwaliteit 8.8 of met ten minste gelijkwaardige bevestigingsmiddelen, zoals zelfborgende twist-locks, aan de tankbevestigingspunten van het voertuig vastgezet.
### Artikel 79
### **Artikel 45 rn. 9.7.5.2 Kantelstabiliteit**
Indien het voldoen aan de eisen voor kantelstabiliteit wordt aangetoond op basis van een berekening dienen de basisgegevens waarmee dit systeem werkt te zijn gevalideerd door praktijktesten. Indien validatie niet afdoende aangetoond wordt vereist de directeur nader onderzoek.
### **Hoofdstuk V Motor en uitlaatleiding rn. 9.2.4.4, 9.2.4.5 en 9.3.5**
### **Hoofdstuk V Motor en uitlaatleiding rn. 9.2.4.4, 9.2.4.5 en 9.3.5**
Typegoedkeuring voor de in artikel 40 genoemde uitrustingsdelen wordt uitsluitend verleend aan de fabrikant van de appendages of aan de officiële vertegenwoordiging daarvan in Nederland.
### **Artikel 46 rn. 9.2.4.3 tot en met 9.2.4.5**
Indien het voertuig is ingericht voor het vervoer van brandbare vloeistoffen met een vlampunt van 60°C of lager, van brandbare stoffen van klasse 2 zoals gedefinieerd in rn. 2.2.2.1.1 (FL voertuig) dan wel is uitgevoerd als EX/II of EX/III voertuig, is ten aanzien van de motor die het voertuig voortbeweegt aan de artikelen 47 tot en met 49 te voldoen.
### **Artikel 47 rn. 9.2.4.4 en 9.3.5**
1. Aan het bepaalde in rn. 9.2.4.4 en 9.3.5 wordt geacht te zijn voldaan indien:
### **Artikel 48 rn. 9.2.4.5 en 9.3.6**
1. De uitmonding van de uitlaatleiding is niet onder of in de nabijheid van vul- en aftapaansluitingen, apparatuurkasten en dergelijke gelegen.
### Artikel 84
### **Artikel 49 rn. 9.2.4.5 en 9.3.6**
### **Artikel 49 rn. 9.2.4.5 en 9.3.6**
1. Aan het bepaalde in rn.’s 9.2.4.5 en 9.3.6 is voldaan indien een afscherming is aangebracht die ten minste even doeltreffend is als een afscherming met de onderstaande kenmerken:
### Artikel 85
3. Bij een trekker voor het voortbewegen van een oplegger is in elk geval voldaan aan het tweede lid, indien:
### Artikel 86
5. In verband met de aansluiting van een uitlaatgasafzuiginrichting behoeft het aan de uitmonding grenzende deel van de uitlaatleiding over een lengte van ten hoogste 10 cm niet te zijn afgeschermd.
### **Artikel 50 verticaal gerichte uitlaat**
1. Een verticaal gerichte uitlaatleiding is voor alle categorieën (FL, EX/II, EX/III, OX en AT) toegestaan indien:
### Artikel 88
3. Bij voertuigen van de categorie FL is aan het einde van de uitlaatleiding een vonkenvanger aangebracht.
### **§ 2. Hulpmotor (Verbrandingsmotor)**
Bij voertuigen welke zijn bestemd voor het vervoer van brandbare vloeistoffen met een vlampunt van 61°C of lager, met uitzondering van dieselbrandstof overeenkomstig de norm EN 590:1993, gasolie en huisbrandolie(licht) – identificatienummer 1202 – met een vlampunt zoals gespecificeerd in de norm EN 590:1993, of van brandbare stoffen van klasse 2 zoals gedefinieerd in rn. 2.2.2.1.1 mag een verbrandingsmotor als hulpmotor zijn aangebracht die de apparatuur aandrijft, mits aan de volgende voorschriften is voldaan:
### **Hoofdstuk VI Elektrische installatie**
Bij de keuring wordt nagegaan of het te keuren object:
### **Artikel 52 rn. 9.2.2.2.1 zekeringen**
1. Het van fabriekswege tot de standaarduitrusting van een voertuig behorende zekeringenbestand wordt als voldoende aangemerkt, indien ten minste aan het onderstaande is voldaan:
### **Artikel 53**
1. Het gedeelte van de elektrische installatie dat achter de bestuurderscabine is gelegen, voldoet, onverminderd het bepaalde in artikel 52, aan de volgende voorschriften:
### **Artikel 54 rn. 9.7.8.1 tot en met 9.7.8.3**
### **Artikel 54 rn. 9.7.8.1 tot en met 9.7.8.3**
### ****Artikel 55 rn. 9.2.2.3 hoofdschakelaar****
1. Indien zo dicht mogelijk bij de aansluiting op de accu’s een voorziening is aangebracht waardoor de stroomsterkte in het te beveiligen circuit een waarde van 1 A bij 30 V (6 A bij 15 V) niet kan overschrijden overeenkomstig figuur A.2.2 - stroomkringen met weerstand van IEC 60079-11 of EN 50 020, is het aangetoond dat delen van de elektrische installatie welke na het openen van de hoofdschakelaar onder spanning blijven, explosieveilig zijn.
### Artikel 96
### Artikel 97. rn. 6.8.2.4.1 hydraulische proefpersing /rn.
### **Hoofdstuk VII Merktekens**
Bij tanks overeenkomstig rn. 6.8.2.1.14 onder (a), die zijn verdeeld in compartimenten en die zijn gebouwd volgens de met ingang van 1 januari 1990 geldende voorschriften, wordt de proefpersing van elk compartiment verricht bij een druk gelijk aan die van de gehele tank.
### **Artikel 56 rn. 6.8.2.5.1 en 6.8.3.5.1 tank-identificatieplaat**
De uitvoering van de in genoemd randnummer voorgeschreven identificatieplaat voldoet aan de navolgende voorschriften:
1. Het in rn. 6.8.2.5.1 en 6.8.3.5.10 bedoelde waarmerk van de deskundige die de beproeving heeft uitgevoerd, is vastgesteld als slagstempel overeenkomstig het in aanhangsel 1 bij deze bijlage weergegeven model.
### Artikel 100
2. Het in het eerste lid bedoelde waarmerk, zoals gebruikt tot 1 januari 2005, blijft van kracht gedurende de termijn dat de desbetreffende keuring geldig is.
### **Artikel 58 rn. 6.8.2.5.2, 6.8.3.5.6, 6.8.3.5.11 en 6.8.3.5.12**
### § 3. Fabricageonderzoek rn. 6.8.2.4.1
### Artikel 101. rn. 6.8.2.4.3 dichtheidsproef
3. Bij vervoer van vloeibaar gemaakte gassen worden de op het voertuig aan te brengen opschriften aangevuld met het hoogst toelaatbare vulpercentage.
### **Artikel 59 rn. 9.2.2.3.2**
### **Artikel 59 rn. 9.2.2.3.2**
### Artikel 103. proefpersing
2. In afwijking van het bepaalde in artikel 58 is het voor de buitenzijde voorgeschreven opschrift met een letterhoogte van ten minste 10 mm uitgevoerd.
### **Hoofdstuk VIII Goedkeuringsprocedures**
Voor hernieuwde toelating van de tank na maximaal 6 jaar, wordt het voertuig bij IKS voor keuring aangeboden.
### **Artikel 60**
1. Alvorens tot keuring van een nieuw of gewijzigd voertuig of voertuigdeel wordt overgegaan, zijn ontwerpgegevens van de constructie bij IKS overgelegd en akkoord bevonden;
### Artikel 106
### 5. Periodieke keuring en keuring na belangrijke herstelling na ongeval
### Artikel 107
5. De directeur deelt de goedkeuring van het ontwerp, waaraan voorschriften kunnen worden verbonden, schriftelijk mede aan de ondernemer;
### **Artikel 61**
Aan de daartoe door de directeur aangewezen inspecteurs wordt tijdens de bouw of het wijzigen van een voertuig te allen tijde gelegenheid gegeven daarbij tegenwoordig te zijn en worden alle gewenste inlichtingen verstrekt en alle medewerking verleend.
### **§ 2. Ontwerpbeoordeling voertuigen met uitzondering van trekkers en dragende motorvoertuigen, opleggers en aanhangwagens voor containers met een inhoud van meer dan 3000 liter**
1. Bij de in artikel 60, eerste lid, bedoelde ontwerpgegevens is een volledig ingevuld, volgens een door de directeur vastgesteld model, aanvraagformulier gevoegd of een begeleidend schrijven met vermelding van naam, adres, postcode en plaats van vestiging van de ondernemer, het correspondentieadres en een korte omschrijving van de aard van de aanvraag.
### Artikel 112. rn. 6.8.2.4.4
3. Voor voertuigen die moeten voldoen aan rn. 9.2.3.1 van de ADR voor wat betreft een antiblokkeer systeem of een duurreminstallatie wordt een aanvraagformulier overgelegd zoals genoemd in artikel 69.
### **§ 2.1 Tekeningen (Algemeen)**
### **Artikel 63**
De ontwerpaanvraag bevat de volgende tekeningen in tweevoud (indien van toepassing):
### **Artikel 64**
Alle tekeningen:
### **Artikel 65**
1. Overzichtstekeningen geven aan voor wat betreft het complete voertuig:
### **Artikel 66**
Alle tanktekeningen geven aan voor wat betreft de tank:
### **Artikel 67**
In aanvulling op artikel 66 geven de tanktekeningen tevens aan:
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst met uitzondering van de bijlage 1, die ter inzage wordt gelegd bij het Directoraat-Generaal Goederenvervoer van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat, Nieuwe Uitleg 1 te Den Haag.
In afwijking van de tweede volzin van randnummer 9.7.5.1 van [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010054&bijlage=1&z=2008-02-20&g=2008-02-20), behoeft bij in Nederland geregistreerde gelede voertuigen voor wat betreft de druk van de assen van de beladen oplegger, slechts te worden voldaan aan [artikel 3.3.9 van het Voertuigreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006746&artikel=3.3.9).
### **Hoofdstuk II. Bepalingen voor elk vervoer op Nederlands grondgebied**
1. Dit hoofdstuk is van toepassing op elk vervoer van gevaarlijke stoffen op Nederlands grondgebied en is gebaseerd op de randnummers 1.9.2, 1.9.3 en 1.9.4 van [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010054&bijlage=1&z=2008-02-20&g=2008-02-20).
1. Het is verboden:
### **Artikel 6. Weersomstandigheden**
1. Indien het zicht door weersomstandigheden zoals mist, sneeuw en regen minder is dan 200 meter, is het niet toegestaan:
### **Artikel 7. Zout veer**
6. De bestuurder of bijrijder van een transporteenheid met gevaarlijke stoffen blijft tijdens de vaart bij zijn voertuig.
### **Artikel 10. Toelating van voertuigen, tankcontainers en kleine mobiele tanks**
6. Indien uit het onderzoek, bedoeld in het vijfde lid, blijkt dat een transportmiddel als bedoeld in het eerste lid niet aan deze regeling voldoet, is de eigenaar of houder ervan verplicht te zorgen dat dit niet weer in gebruik wordt genomen voordat uit een hernieuwd onderzoek is gebleken dat de door de Dienst Wegverkeer nodig geachte voorzieningen zijn aangebracht; in afwachting van het hernieuwde onderzoek kan de Dienst Wegverkeer het keuringsdocument innemen of doen innemen. De eigenaar of houder is alsdan verplicht op eerste vordering van of vanwege de Dienst Wegverkeer het keuringsdocument af te geven.
7. Indien een transportmiddel als bedoeld in het eerste lid niet overeenkomstig het bepaalde in het zesde lid voor keuring wordt aangeboden, kan de Dienst Wegverkeer het keuringsdocument innemen of doen innemen. De eigenaar of houder is alsdan verplicht het keuringsdocument aan hem af te geven.
### **Hoofdstuk III. Implementatie van richtlijn nr. 95/50/EG betreffende uniforme procedures voor de controle op het vervoer van gevaarlijke goederen over de weg**
### **Artikel 2**
1. Het toezicht op de naleving waarvoor met inachtneming van artikel 1 een plan wordt opgesteld:
### **Artikel 3**
1. De plaats waar het toezicht op de naleving, bedoeld in artikel 1, wordt gehouden, wordt zodanig gekozen, dat het mogelijk is de voertuigen die in overtreding zijn, opnieuw met de voorschriften in overeenstemming te brengen of deze voertuigen zo nodig ter plaatse of elders een doorrijverbod op te leggen, zonder dat de veiligheid daardoor in gevaar wordt gebracht.
### **Artikel 6**
Indien een bevoegde instantie van een andere lidstaat van de Europese Unie de Minister mededeling doet van het vermoeden van ernstige of herhaalde overtredingen, die tijdens het toezicht op de naleving door het ontbreken van de noodzakelijke voorzieningen niet kunnen worden aangetoond, verleent de Minister de desbetreffende bevoegde instantie de nodige bijstand en doet mededeling van de resultaten van het daartoe in de betrokken onderneming uitgevoerde toezicht op de naleving.
## Bijlage 3. , bedoeld in [artikel 2, onderdeel c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010054&artikel=2&z=2008-02-20&g=2008-02-20), van de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen
### **Artikel 2**
1. In tabel 1 wordt verstaan onder:
### **Artikel 3**
1. In dit artikel wordt verstaan onder:
5. De Minister kan een erkenning intrekken of schorsen, indien naar zijn oordeel niet wordt voldaan aan dit artikel.
## Bijlage 4. , bedoeld in [artikel 2, onderdeel d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010054&artikel=2&z=2008-02-20&g=2008-02-20), van de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen
Rijkskeuringsvoorschriften betreffende het vervoer over land van gevaarlijke stoffen
### Hoofdstuk I. Begripsbepalingen
Rijkskeuringsvoorschriften betreffende het vervoer over land van gevaarlijke stoffen
### **Artikel 1 Begripsbepalingen**
EN 25817:1992 (ISO 5817:1992): Booglasverbindingen in staal – Richtlijn voor het vaststellen van kwaliteitsniveaus voor onvolkomenheden;
EN 30042:1994 (ISO 10042:1992): Booglasverbindingen in aluminium en lasbare aluminiumlegeringen – Richtlijn voor het vaststellen van kwaliteitsniveaus voor onvolkomenheden;
### Hoofdstuk III. Algemeen
EN 13308:2002: Tanks voor het transport van gevaarlijke goederen – Uitrusting voor tanks – Niet drukvereffenende bodemafsluiter;
1. Voertuigen, tanks en tankcontainers voor het vervoer van gevaarlijke stoffen zijn uitsluitend tot het vervoer toegelaten indien zij zijn onderworpen aan een door of namens de directeur verrichte technische keuring, waarbij is gebleken dat is voldaan aan:
1. Voertuigen, tanks en tankcontainers voor het vervoer van gevaarlijke stoffen zijn uitsluitend tot het vervoer toegelaten indien zij zijn onderworpen aan een door of namens de directeur verrichte technische keuring, waarbij is gebleken dat is voldaan aan:
1. Deze bijlage is niet van toepassing op:
### **Artikel 5 rn. 6.8.2.4.4**
1. Bij tanks wordt ter vaststelling van de wanddikte, de eventuele bescherming, de ondersteuning en de bevestiging aan het chassis, uitgegaan van de waarden zoals vastgelegd in Europese Normen die betrekking hebben op het desbetreffende materiaal.
3. Op alle delen van het materiaal bedoeld in het tweede lid is het chargenummer, vermeld in het bijbehorende attest, aangegeven. Dit nummer is door de materiaalfabrikant aangebracht of, bij versneden platen, op een door de directeur te bepalen wijze overgestempeld.
Tot 1 januari 2009 worden de volgende berekeningscodes door de directeur erkend:
Bij radiografisch lasonderzoek geldt ten aanzien van de omvang daarvan, dat:
### Artikel 16. lasverbindingen
2. De lasmethodekwalificatie is overeenkomstig EN 288 of voldoet aan de voorschriften daaromtrent in de voor het ontwerp van de tanks toegepaste code.
### **§ 2 Dimensionering**
1. Tanks die niet zijn ontworpen en ingericht om te laden of te lossen onder overdruk en waarvan de waterinhoud van elk tankcompartiment, ongeacht het aantal slingerschotten, ten hoogste 15.000 liter bedraagt, worden geacht de in rn. 6.8.2.1.2 genoemde, op de bodem(s) uitgeoefende kracht ter grootte van 2 maal de massa van de lading te kunnen opnemen.
1. Bij tanks voor het vervoer van een vloeibaar gemaakt gas van klasse 2 is voor het bepalen van de maximaal toelaatbare tankinhoud het vastgestelde maximumvulgewicht bij de maximumvullingsgraad maatgevend.
### **Artikel 14 rn. 6.8.2.1.18 en 6.8.2.1.19 dikte slingerschot**
Indien een tank is voorzien van scheidingswanden of slingerschotten die met contraringen aan de tankwand zijn bevestigd alsmede van afdichtingsplaten ter plaatse van doorstroomopeningen, bezitten deze een dikte die ten minste gelijk is aan de wanddikte overeenkomstig rn. 6.8.2.1.19.
1. Met uitzondering van tanks overeenkomstig rn. 6.8.2.1.14 onder (a) mogen tanks scharnierend zijn bevestigd indien de constructie en de gehele inrichting daarop zijn afgestemd.
1. Voor de constructie van een explosiebestendige tank zijn de volgende criteria van toepassing:
### **Artikel 18 binnenbekleding**
2. Indien de in het Voertuigreglement genoemde beschermingsinrichting tegen klemrijden is aangebracht op ten minste 10 cm achter de achterzijde van de tank of achter de tank aangebrachte apparatuur, kan deze tevens worden aangemerkt als de stootbalk overeenkomstig randnummer 9.7.6.
### Artikel 41. rn.. 6.8.2.2.6 ontluchtingsinrichtingen overeenkomstig
De uitrustingsdelen boven op de tank dienen te worden beschermd met een constructie zoals beschreven in artikel 6.13 van de EN 13094:2004. Op volgende onderdelen kan afgeweken worden van deze voorschriften.
### Artikel 46. identificatiekenmerken
3. In het geval van verzonken aangebrachte uitrusting zoals bedoeld in artikel 6.13.2.3 van EN 13094:2004 behoeft de ring niet de contour van de tank te volgen.
### Hoofdstuk VI. Chassis
Indien voor de constructie van de tank, voor de ommanteling of voor tankuitrustingsdelen, kunststof als materiaal is gekozen en het voertuig is ontworpen voor het vervoer van:
### **Artikel 26 rn. 6.8.2.2.4 tubelures, doorvoerleidingen**
a. bij een inwendige doorsnede van ten hoogste 50 mm:
### § 2. Hulpmotor (Verbrandingsmotor)
3. De opening is uitsluitend door middel van een blindflens afgesloten.
### **Artikel 28 rn. 6.8.2.1.14, onder b tot en met d en 6.8.2.2.6 overdrukventiel**
Bij toepassing van pomp-/compressoreenheden waarin, gezien hun constructie, vonkvorming zou kunnen plaatsvinden, wordt geacht te zijn voldaan aan het bepaalde in rn. 6.10.3.8 onder b, indien ten minste één der volgende maatregelen is getroffen:
### **Artikel 32 ventilatieopeningen in appendageruimten**
Indien de laad- en losinrichtingen zijn aangebracht in gesloten ruimten, zijn deze ruimten voorzien van ventilatieopeningen. Deze ventilatieopeningen zijn in de bodem of zo laag mogelijk in de zijwanden aangebracht en omvatten een gezamenlijk oppervlak van ten minste 20 mm2 per liter inhoud van de te ventileren ruimte.
### **Hoofdstuk III Tankuitrustingsdelen**
1. De hierna genoemde uitrustingsdelen zijn, voor zover zij zijn voorgeschreven of aanwezig zijn, door de directeur goedgekeurd. Op verzoek van de fabrikant of de officiële vertegenwoordiger in Nederland kan een typegoedkeuring worden aangevraagd, overeenkomstig de artikelen 70 tot en met 73:
### **Artikel 35 overdrukventielen**
### **Artikel 37 eindafsluiters**
Eindafsluiters als bedoeld in artikel 33, eerste lid, onderdeel d:
3. De identificatiekenmerken op de appendages worden op een zodanige plaats aangebracht dat deze leesbaar zijn, indien de appendages zijn gemonteerd.
### **Artikel 40 materiaalaanduiding**
1. Druk-instelbare ontluchtingsinrichtingen, beluchtinginrichtingen, al dan niet gecombineerd, alsmede afblaasventielen zijn van een gewaarmerkte verzegeling voorzien, welke aan de volgende voorschriften voldoet:
### § 2.1. Tekeningen (Algemeen)
Eén-assige en meerassige middenasaanhangwagens zijn uitsluitend toegestaan voor het vervoer van vaste (poeder- of korrelvormige) stoffen.
### **Artikel 43 steunpoten**
2. Indien een oplegger niet is voorzien van parkeersteunen, is deze zodanig ingericht dat losse ondersteuningen kunnen worden geplaatst teneinde bij onderhoudswerkzaamheden en bij de periodieke keuring de ledige oplegger af te koppelen.
### **Artikel 44 rn. 9.7.3 tankbevestiging**
2. De tankbevestigingspunten zijn met behulp van een profielconstructie deugdelijk met het voertuigchassis verbonden.
### **Artikel 45 rn. 9.7.5.2 Kantelstabiliteit**
In afwijking van het bepaalde in artikel 69 worden de hierna genoemde bescheiden bij het aanbieden van het voertuig voor keuring in een keuringsstation van de RDW aan de inspecteur aangeboden:
### **§1. Motor voor aandrijving van het voertuig**
2. De uitmonding van de uitlaatleiding mag onder het voertuig zijn gelegen indien de uitmonding schuin naar beneden is gericht.
### § 1. Algemeen
Bij voertuigen bestemd voor het vervoer van brandbare vloeistoffen met een vlampunt van 61°C of lager (met uitzondering van dieselolie, gasolie en lichte stookolie – identificatienummer 1202 – met een vlampunt zoals gespecificeerd in de norm EN 590:1993) of van brandbare stoffen van klasse 2 zoals gedefinieerd in rn. 2.2.2.1.1 is het aanbrengen van elektrische apparatuur in gesloten ruimten waarin tevens vul- en aftapleidingen, vloeistofpompen en dergelijke ten behoeve van de lading aanwezig zijn, toegestaan indien:
### ****Artikel 55 rn. 9.2.2.3 hoofdschakelaar****
2. Indien een voertuig is uitgerust met extra accu’s ten behoeve van hulpapparatuur, voldoen deze aan de volgende voorschriften:
### **Hoofdstuk VII Merktekens**
### **Artikel 57 rn 6.8.2.5.1 en 6.8.3.5.10 waarmerk**
1. Het in rn. 6.8.2.5.1 en 6.8.3.5.10 bedoelde waarmerk van de deskundige die de beproeving heeft uitgevoerd, is vastgesteld als slagstempel overeenkomstig het in aanhangsel 1 bij deze bijlage weergegeven model.
1. Voor de in de VLG voorgeschreven opschriften bedraagt de letterhoogte voor:
### § 3. Fabricageonderzoek rn. 6.8.2.4.1
1. Bij het bedieningsmechanisme van de hoofdschakelaar is het opschrift ‘hoofdschakelaar’ in een duidelijk opvallende uitvoering of een naar het oordeel van de directeur duidelijk herkenbaar symbool aangebracht. Bij de in de cabine geplaatste schakelaar behoeft geen opschrift te worden aangebracht indien naar het oordeel van de directeur deze schakelaar op andere wijze voldoende herkenbaar is.
### **Hoofdstuk VIII Goedkeuringsprocedures**
3. Bij ontwerptekeningen, respectievelijk berekeningen inzake een wijziging, wordt deze wijziging zo volledig mogelijk omschreven.
### **Artikel 61**
### Artikel 110
2. Voor voertuigen die moeten voldoen aan rn 9.7.5.2 van de ADR wordt aangegeven op welke wijze voldaan wordt.
De ontwerpaanvraag bevat de volgende tekeningen in tweevoud (indien van toepassing):
### **Artikel 64**
### **§ 2.2. Berekeningen**
Het in het waarmerk opgenomen nummer ‘01’ kan variëren afhankelijk van degene die de keuring uitvoert.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst met uitzondering van de bijlage 1, die ter inzage wordt gelegd bij het Directoraat-Generaal Goederenvervoer van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat, Nieuwe Uitleg 1 te Den Haag.
Deze bijlage behoort bij de regeling tot wijziging van de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen in verband met de omzetting van de Regeling Rijkskeuringsvoorschriften betreffende het vervoer over land van gevaarlijke stoffen in bijlage 4 bij de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen.
### Hoofdstuk I. Begripsbepalingen
##### Artikel 1
In deze bijlage wordt verstaan onder:
### **Artikel 1. Toepassingsbereik**
##### Artikel 2
In deze bijlage wordt verwezen naar onderstaande Europese normen die betrekking hebben op de daarbij genoemde onderwerpen:
EN 50 020:1992: Stroomkringen met weerstand zonder cadmium, zink, magnesium of aluminium.
EN 287-1:1997: Het kwalificeren van lassers - Smeltlassen - Deel 1: Staal.
EN 287-2:1997: `Het kwalificeren van lassers - Smeltlassen - Deel 2: Aluminium en Aluminiumlegeringen.
EN 288-2:1992: Het beschrijven en kwalificeren van lasprocedures voor metallische materialen - Deel 2: Lasmethodebeschrijving voor het booglassen.
EN 473:1993: Kwalificatie en certificatie van personeel voor niet-destructief onderzoek. Algemene principes.
EN 571-1:1997: Niet-destructief onderzoek - Penetrantonderzoek - Deel 1: Algemene beginselen.
EN-ISO 6947:1997: Lassen - Lasposities - Definities van hellings- en rotatiehoeken.
EN 10204:1991 + A1: 1995 : Producten van metaal. Soorten keuringsdocumenten.
EN 12266-1:1991: Industriële afsluiters / Beproeving van afsluiters / Deel 1: Beproevingen, beproevingsprocedures en acceptatiecriteria waaraan iedere afsluiter moet voldoen.
EN 25817:1992 (ISO 5817:1992): Booglasverbindingen in staal - Richtlijn voor het vaststellen van kwaliteitsniveaus voor onvolkomenheden.
EN 30042:1994 (ISO 10042:1992): Booglasverbindingen in aluminium en lasbare aluminiumlegeringen - Richtlijn voor het vaststellen van kwaliteitsniveaus voor onvolkomenheden.
IEC 529:1993: Degrees of protection provided by enclosures of electrical equipment (IP Code).
IEC 60079 - 11:1999: Electrical apparatus for explosive gas atmospheres - part 11 : intrinsic safety `i'.
### **Artikel 1. Toepassingsbereik**
##### Artikel 3
1. Voertuigen zijn slechts tot het vervoer toegelaten indien zij zijn onderworpen aan een door of namens de directeur verrichte technische keuring, waarbij is gebleken dat is voldaan aan:
- a. het Voertuigreglement;
- b. de voorschriften gesteld in de bijlagen 1 en 2; en
- c. de in deze bijlage genoemde voorschriften, voor zover in de bijlagen 1 en 2 niet uitdrukkelijk het tegendeel is bepaald.
2. Met de krachtens deze regeling tot het vervoer toegelaten voertuigen, tanks en tankcontainers worden gelijkgesteld voertuigen die tot het vervoer zijn toegelaten in een andere lidstaat van de Europese Unie dan wel geproduceerd zijn in een staat die partij is bij de overeenkomst inzake de Europese Economische Ruimte en die aan gelijkwaardige eisen voldoen.
##### Artikel 4
De directeur kan voertuigen waarvan de technische inrichting en uitrusting niet voldoen aan deze bijlage goedkeuren, indien de technische inrichting en uitrusting van de voertuigen naar het oordeel van de directeur een gelijkwaardige veiligheid bieden.
##### Artikel 5. rn.. 6.8.2.4.4
1. Wanneer schade aan een voertuig is ontstaan en een veilig vervoer van gevaarlijke stoffen daardoor niet langer is gewaarborgd, geeft de eigenaar of houder hiervan onverwijld schriftelijk kennis. De melding wordt gericht aan het keuringsstation van VT waar het voertuig is geregistreerd.
2. Indien herstellingen zijn verricht van schade waarvan vooraf geen melding is gemaakt en tengevolge waarvan, naar het oordeel van de directeur, onvoldoende inzicht in de deugdelijkheid van het voertuig of van belangrijke onderdelen is ontstaan, kan de goedkeuring aan het voertuig worden onthouden.
### Hoofdstuk IV. Tanks
### **Artikel 3. Tunnelregime**
##### Artikel 6
Voor tanks voor het vervoer van stoffen van klasse 2 en tanks waarvan de voorgeschreven berekeningsdruk 1 Mpa (10 bar) of meer bedraagt, welke door Stoomwezen B.V. worden beoordeeld op conformiteit met de bijlagen 1 en 2, wordt een door genoemde instantie afgegeven certificaat overgelegd, waarin is aangegeven dat de tank aan de desbetreffende voorschriften van de bijlagen 1 en 2 voldoet.
### § 2. Beoordelingsnormen/Codes
##### Artikel 7
1. Bij tanks wordt ter vaststelling van:
- a. wanddikte;
- b. eventuele bescherming;
- c. ondersteuning; en
- d. bevestiging aan het chassis; uitgegaan van waarden, zoals vastgelegd in de EN die betrekking heeft op het desbetreffende materiaal.
2. De directeur kan toestaan dat in plaats van EN vergelijkbare normen worden toegepast van de overige bij de ADR aangesloten landen.
3. Van het materiaal voor de romp, de eind- en tussenbodems en de mangathalzen wordt een keuringsrapport `3.1.B' overgelegd overeenkomstig de norm EN 10204 of een overeenkomstig exemplaar volgens andere omschrijvingen, zoals DIN 50049, Abnahmeprüfzeugnis 3.1B.
Van mangathalzen voor tanks, anders dan bedoeld in artikel 6, behoeft geen attest te worden overgelegd, indien deze zijn vervaardigd uit zacht staal of bij tanks overeenkomstig rn. 6.8.2.1.14, onder a) indien de wanddikte van de mangathals ten minste 2 maal de vereiste minimumwanddikte van de tankromp bedraagt.
4. Op alle delen van het materiaal bedoeld in het derde lid is het chargenummer, vermeld in het bijbehorende attest, aangegeven. Dit nummer is door de materiaalfabrikant aangebracht of, bij versneden platen, op een door de directeur te bepalen wijze overgestempeld.
5. Onder gespecificeerde minimumwaarden volgens de materiaalnormen voor austenitische staalsoorten welke ingevolge rn. 6.8.2.1.16 mogen worden overschreden, worden uitsluitend verstaan de rekgrens (Re) en de treksterkte (Rm).
##### Artikel 8. rn. 6.8.2.1.4
Als berekeningscodes worden door de directeur erkend:
- a. de AD-Merkblätter; en
- b. de Regels voor toestellen onder druk.
##### Artikel 9. rn. 6.8.2.1.6
1. Bij radiografisch lasonderzoek wordt van röntgenopnamen een beoordelingsrapport overgelegd, dat ten minste de navolgende gegevens bevat:
- a. voor de materialen zacht staal en roestvrij staal: de klassering van de waargenomen afwijkingen volgens de IIW-code (oud);
- b. voor aluminium en legeringen: klassering volgens de op de specifieke materiaalgroep betrekking hebbende IIW-codering;
2. Tevens wordt daarin opgenomen het resultaat van toetsing aan een der hierna genoemde criteria:
- a. voor staal: EN 25817:1992 (ISO 5817:1992), niveau B met uitzondering van onvolkomenheden waarvoor niveau C geldt;
- b. voor aluminium en legeringen: EN 30042 (ISO 10042:1992), niveau B met uitzondering van onvolkomenheden waarvoor niveau C geldt;
- c. HP 5/3, § 4 van de AD-Merkblätter; of
- d. blad T0111, § 3 en bijlage 1 van de Regels voor toestellen onder druk.
3. Het in het eerste lid bedoelde beoordelingsrapport is gewaarmerkt door een deskundige van een door de directeur erkende instantie, die in aanmerking komt voor aanwijzing indien deze is gecertificeerd en de deskundige is gekwalificeerd overeenkomstig de norm EN 473:1993.
##### Artikel 10. rn. 6.8.2.1.23
Bij radiografisch lasonderzoek geldt ten aanzien van de omvang daarvan:
- a. dat indien de coëfficiënt lambda (λ) = 0,8 van toepassing is, de radiografische controle ten minste omvat:
- 1°. 10% van de rondnaden, met inbegrip van alle kruisende naden,
- 2°. 10% van de langsnaden, en
- 3°. 100% van de las van (ronde) inzetstukken ter voorkoming van kruisende lassen;
- b. dat, in afwijking van het in onderdeel a bepaalde en ongeacht de voorgeschreven coëfficiënt lambda (λ), ter controle van de beheersing van het lasproces, de radiografische controle van de lasnaden bij de eerste tank, vervaardigd door een bedrijf waar niet eerder door de RDW tanks voor het vervoer van gevaarlijke stoffen zijn gekeurd, de volledige lengte van de lassen omvat;
- c. dat de controle van lasnaden in samengestelde eindbodems geschiedt overeenkomstig de bepalingen voor rondnaden;
- d. dat indien de wanddikte van het middendeel van de onder c) genoemde bodems ten minste gelijk is aan de wanddikte van de omhaling, volstaan kan worden met radiografische controle van uitsluitend het in de omhaling gelegen deel van de lasnaad;
- e. dat bij samengestelde tussenbodems welke op druk op de bolle zijde zijn berekend, geen radiografische controle behoeft te worden uitgevoerd;
- f. dat indien bij toepassing van lambda = 0,8 of 0,9 op grond van de radiografische controle ontoelaatbare afwijkingen in de lasnaad zijn vastgesteld welke moeten worden hersteld, van de herstelling en, voor zover van toepassing, van het aan weerszijden van de oorspronkelijke opname gelegen deel van de las een radiografische opname wordt gemaakt;
- g. dat indien bij deze controle of bij de visuele controle van de lassen opnieuw afwijkingen worden vastgesteld, de directeur, afhankelijk van de plaats en de aard van deze afwijkingen, aanvullende radiografische controle kan voorschrijven tot 100 % van de lasnaden;
- h. dat radiografische controle van lasnaden plaats vindt voordat deze door tankringen, dubbelplaten of andere constructieve elementen worden afgedekt;
- i. dat indien lassen zodanig zijn uitgevoerd of geplaatst dat radiografische controle niet mogelijk is of de resultaten niet interpreteerbaar zijn, zoals bij hoeklassen of bij lassen, gesitueerd in de ringvormige ruimte, omsloten door een slingerschot of tussenbodem, een tegenring en de tankwand, de directeur vervangende controlemethoden kan voorschrijven, bijvoorbeeld penetrantonderzoek overeenkomstig de norm EN 571-1:1997.
EN 14595: 2003: Tanks voor het transport van gevaarlijke goederen – Onderhoudsuitrusting voor tanks – Druk- en vacuümontluchting;
2. De directeur kan voertuigen waarvan de technische inrichting en uitrusting niet voldoen aan deze bijlage goedkeuren, indien de technische inrichting en uitrusting van de voertuigen naar het oordeel van de directeur een gelijkwaardige veiligheid bieden.
1. Deze bijlage is niet van toepassing op:
### **§ 1. Beoordelingsnormen/Codes**
2. Van het materiaal voor de romp, de eind- en tussenbodems en de mangathalzen wordt, overeenkomstig de norm EN 10204, een zogenaamd ‘3.1’ keuringsrapport overgelegd. Van mangathalzen voor tanks behoeft geen attest te worden overgelegd, indien deze zijn vervaardigd uit zacht staal of bij tanks overeenkomstig rn. 6.8.2.1.14, onder a) indien de wanddikte van de mangathals ten minste 2 maal de vereiste minimumwanddikte van de tankromp bedraagt.
Tot 1 januari 2009 worden de volgende berekeningscodes door de directeur erkend:
1. Het kwaliteitsniveau van de lassen dient te voldoen aan:
1. Het kwaliteitsniveau van de lassen dient te voldoen aan:
2. Radiografisch lasonderzoek wordt uitgevoerd en gerapporteerd volgens EN 1435. De techniek van het onderzoek volgens klasse B.
1. Een lasser wordt als gediplomeerd in de zin van [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010054&bijlage=1&z=2008-02-20&g=2008-02-20) beschouwd indien
een certificaat overeenkomstig EN 287 of EN ISO 9606 voor het betreffende lasproces en materiaal wordt overgelegd.
1. Tanks die niet zijn ontworpen en ingericht om te laden of te lossen onder overdruk en waarvan de waterinhoud van elk tankcompartiment, ongeacht het aantal slingerschotten, ten hoogste 15.000 liter bedraagt, worden geacht de in rn. 6.8.2.1.2 genoemde, op de bodem(s) uitgeoefende kracht ter grootte van 2 maal de massa van de lading te kunnen opnemen.
2. Bij een compartimentinhoud groter dan 15000 liter wordt van de belaste bodem(s) door middel van beproeving dan wel berekening aangetoond dat deze de onder (a) genoemde kracht kan (kunnen) opnemen.
rn. 6.9
1. Bij tanks voor het vervoer van een vloeibaar gemaakt gas van klasse 2 is voor het bepalen van de maximaal toelaatbare tankinhoud het vastgestelde maximumvulgewicht bij de maximumvullingsgraad maatgevend.
1. Kruisende lasnaden in de tankwand zijn niet toegestaan. Ter voorkoming hiervan zijn de volgende constructiewijze of werkwijze toegestaan:
1. Kruisende lasnaden in de tankwand zijn niet toegestaan. Ter voorkoming hiervan zijn de volgende constructiewijze of werkwijze toegestaan:
1. Met uitzondering van tanks overeenkomstig rn. 6.8.2.1.14 onder (a) mogen tanks scharnierend zijn bevestigd indien de constructie en de gehele inrichting daarop zijn afgestemd.
Tanks bestemd voor het vervoer van vloeistoffen die niet zijn ontworpen overeenkomstig rn. 6.10 van [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010054&bijlage=1&z=2008-02-20&g=2008-02-20) zijn niet met een scharnierende eindbodem uitgerust.
1. Voor de constructie van een explosiebestendige tank zijn de volgende criteria van toepassing:
1. Bij elke metalen tank waarvan het tankmateriaal tegen aantasting door de te vervoeren stof dan wel stoffen wordt beschermd door middel van een binnenbekleding, is door de fabrikant van de binnenbekleding een verklaring overgelegd waarin is aangegeven dat deze binnenbekleding voldoende bestand is tegen de stof dan wel stoffen waarvoor de tank is ontworpen. In deze verklaring zijn de benaming van elke stof, het UN-nummer en de desbetreffende klasse, alsmede het fabricagenummer van de tank vermeld.
3. Van het, in het eerste en tweede lid genoemde, toe te passen bekledingsmateriaal, wordt ter beoordeling door de directeur de compatibiliteit met het tankmateriaal, zoals de hechtingseigenschappen, aangetoond.
### **Artikel 19 rn. 6.8.2.2.4 mangaten**
Bij tanks die niet zijn uitgerust met een scharnierende achterbodem bedraagt de inwendige doorsnede van mangaten ten minste 500 mm.
### **§ 4 Bescherming**
1. Van de stootbalk bedraagt het weerstandsmoment tegen buiging om de zwakste doorsnede ten minste 20 cm3.
3. (apparatuurkast) Indien de tank aan de achterzijde is beschermd door een constructie, zoals een apparatuurkast waarvan de sterkte ten minste gelijkwaardig is aan die van genoemde stootbalk, is voldaan aan het gestelde in rn. 9.7.6. De constructie alsmede de bevestiging hiervan aan het voertuig is van dien aard, dat de bij een ongeval op de kast uitgeoefende krachten zodanig op het voertuigchassis worden overgebracht, dat beschadiging van de tank wordt voorkomen.
4. Indien de tank niet is voorzien van de in rn. 6.8.2.2.2 genoemde eindafsluiter aan het einde van elke vul- en losleiding, bedraagt het weerstandsmoment tegen buiging van de stootbalk om de zwakste doorsnede ten minste 30 cm3.
mag de stootbalk aan de betreffende achterbodem zijn bevestigd mits de stootbalk ten minste 10 cm achter het achterste punt van elke vul- en losleiding is gelegen.
### **Artikel 21 bescherming tegen beschadiging bij botsingen of kantelen**
1. Uitwendig tegen de zijkant, de voorbodem en de achterbodem van tanks aangebrachte uitrustingsdelen zijn zodanig bevestigd of beschermd dat geen gevaar bestaat dat de tank tengevolge van op de betreffende uitrustingsdelen uitgeoefende krachten wordt beschadigd.
De uitrustingsdelen boven op de tank dienen te worden beschermd met een constructie zoals beschreven in artikel 6.13 van de EN 13094:2004. Op volgende onderdelen kan afgeweken worden van deze voorschriften.
2. In het geval van rolbeugels hoeft de weerstandsmoment tegen buigen van het profiel van de rolbeugel niet groter te zijn dan 30 cm3.
1. Ter bepaling van de in rn. 6.8.4 TE 19 voorgeschreven maat van 200 mm worden als meest uitstekende deel van de tank uitsluitend de tankwand, ononderbroken versterkingsringen of langsbalken ter bescherming van de tank aangemerkt.
Indien voor de constructie van de tank, voor de ommanteling of voor tankuitrustingsdelen, kunststof als materiaal is gekozen en het voertuig is ontworpen voor het vervoer van:
1. Scharnieren van tankbodems zijn nastelbaar uitgevoerd.
1. Scharnieren van tankbodems zijn nastelbaar uitgevoerd.
1. Van tubelures in de tankwand ter bevestiging van uitrustingsdelen en van doorvoerbuizen door de tank komt de wanddikte ten minste overeen met de hierna te noemen waarden:
b. bij een inwendige doorsnede van meer dan 50 mm:
2. Tubelures die aan de buitenzijde van de tank zijn aangebracht, zijn zo kort mogelijk uitgevoerd.
1. De doorlaatopening bedraagt ten hoogste 100 mm.
2. De opening is uitsluitend uitgevoerd als blokflens, welke rechtstreeks in de tankwand is gelast.
1. Tanks welke onder overdruk kunnen worden gelost, zijn in de overdruklosinstallatie voorzien van een overdrukventiel, welke :
### **Artikel 29 rn. 4.3.4.1.1 en 6.8.2.2.6, bescherming tegen vlaminslag**
Beveiligingsinrichtingen van de tank tegen over- en onderdruk met een openingsdruk (verschildruk) van niet meer dan 50 kPa (0,5 bar) zijn bij het vervoer van brandbare stoffen met een vlampunt van ten hoogste 61°C, ongeacht de gevarenklasse, voorzien van de in rn. 4.3.4.1.1, onder deel 4 (veiligheidskleppen/inrichtingen) genoemde bescherming tegen vlaminslag.
### **Artikel 30 rn. 6.10.3.8 onder b, pomp-/afzuiginrichting**
Bij toepassing van pomp-/compressoreenheden waarin, gezien hun constructie, vonkvorming zou kunnen plaatsvinden, wordt geacht te zijn voldaan aan het bepaalde in rn. 6.10.3.8 onder b, indien ten minste één der volgende maatregelen is getroffen:
Naast het bepaalde in rn. 6.8.2.2.2 wordt eveneens geacht aan de controleerbaarheid van de stand (open of dicht) te zijn voldaan, indien bepaalde voor het wegrijden noodzakelijke handelingen zoals het sluiten van een meterkastluik, het uitschakelen van de p.t.o. of de parkeerreminrichting ofwel slechts mogelijk zijn indien bedoelde appendages zijn gesloten, dan wel het sluiten van bedoelde appendages tot gevolg hebben.
Indien de laad- en losinrichtingen zijn aangebracht in gesloten ruimten, zijn deze ruimten voorzien van ventilatieopeningen. Deze ventilatieopeningen zijn in de bodem of zo laag mogelijk in de zijwanden aangebracht en omvatten een gezamenlijk oppervlak van ten minste 20 mm2 per liter inhoud van de te ventileren ruimte.
1. De hierna genoemde uitrustingsdelen zijn, voor zover zij zijn voorgeschreven of aanwezig zijn, door de directeur goedgekeurd. Op verzoek van de fabrikant of de officiële vertegenwoordiger in Nederland kan een typegoedkeuring worden aangevraagd, overeenkomstig de artikelen 70 tot en met 73:
1. Ontluchtingsinrichtingen zijn uitgevoerd als:
1. Ontluchtingsinrichtingen zijn uitgevoerd als:
2. De voorschriften van de normen EN 13082 (dampafsluiter) en EN 14595(druk- en vacuumontluchting) zijn van toepassing op ontluchtingsinrichtingen als bedoeld in artikel 33, eerste lid, onderdeel a, gebruikt op tanks met een maximale werkdruk van 0,5 bar en het vervoer van vloeibare aardolieproducten en andere gevaarlijk stoffen van klasse 3 met een dampdruk van ten hoogste 1,1 bar en benzine zonder giftige and corrosieve subclassificatie.
Overdrukventielen als bedoeld in artikel 33, eerste lid, onderdeel b:
### **Artikel 36 bodemafsluiters**
1. De voorschriften van de normen EN 13308 en EN 13316 zijn van toepassing op bodemafsluiters als bedoeld in artikel 33, eerste lid, onderdeel c, gebruikt op tanks met een maximale werkdruk van 0,5 bar en het vervoer van vloeibare aardolieproducten en andere gevaarlijk stoffen van klasse 3 met een dampdruk van ten hoogste 1,1 bar en benzine, zonder giftige en corrosieve subclassificatie.
### **Artikel 38 mangatdeksels**
Scharnierende mangatdeksels met een werkdruk boven de 0,5 bar zijn voorzien van tenminste 4 knevelbouten met oog of vleugelmoeren.
### **Artikel 39 identificatiekenmerken**
1. Tenzij in de betreffende appendagenormen anders wordt bepaald dienen uitrustingsdelen te zijn voorzien van de volgende, duidelijk en duurzaam aangebrachte kenmerken:
2. Indien de in het eerste lid bedoelde kenmerken niet van fabriekswege op de appendages aanwezig zijn, worden deze alsnog door de fabrikant of de importeur aangebracht, rechtstreeks of op een corrosiebestendig plaatje, hetwelk op duurzame wijze, bij voorbeeld door middel van lassen of klinken op het appendage wordt bevestigd.
### **Hoofdstuk IV Chassis**
Eén-assige en meerassige middenasaanhangwagens zijn uitsluitend toegestaan voor het vervoer van vaste (poeder- of korrelvormige) stoffen.
1. Opleggers zijn voorzien van in hoogte verstelbare parkeersteunen (steunpoten) die het mogelijk maken de oplegger te ondersteunen indien deze wordt afgekoppeld van de trekker, waarbij de bevestiging en de toegepaste hefinrichting van de parkeersteunen:
1. Afneembare tanks zijn met ten minste vier bouten M16 van kwaliteit 8.8 of met ten minste gelijkwaardige bevestigingsmiddelen, zoals zelfborgende twist-locks, aan de tankbevestigingspunten van het voertuig vastgezet.
Indien het voertuig is ingericht voor het vervoer van brandbare vloeistoffen met een vlampunt van 61°C of lager, van brandbare stoffen van klasse 2 zoals gedefinieerd in rn. 2.2.2.1.1 (FL voertuig) dan wel is uitgevoerd als EX/II of EX/III voertuig, is ten aanzien van de motor die het voertuig voortbeweegt aan de artikelen 47 tot en met 49 te voldoen.
### **Artikel 47 rn. 9.2.4.4 en 9.3.5**
1. Aan het bepaalde in rn. 9.2.4.4 en 9.3.5 wordt geacht te zijn voldaan indien:
1. De uitmonding van de uitlaatleiding is niet onder of in de nabijheid van vul- en aftapaansluitingen, apparatuurkasten en dergelijke gelegen.
1. Aan het bepaalde in rn.’s 9.2.4.5 en 9.3.6 is voldaan indien een afscherming is aangebracht die ten minste even doeltreffend is als een afscherming met de onderstaande kenmerken:
2. De uitlaatleiding behoeft niet van een (aanvullende) warmtewerende afscherming te worden voorzien indien:
4. Bij een voertuigchassis voor het vervoer van (tank-)containers wordt geacht te zijn voldaan aan het tweede lid, indien:
### **Artikel 50 verticaal gerichte uitlaat**
1. Een verticaal gerichte uitlaatleiding is voor alle categorieën (FL, EX/II, EX/III, OX en AT) toegestaan indien:
2. Bij voertuigen van de categorieën FL, EX/II, EX/III en OX, waarbij de afstand van de uitlaatleiding ten opzichte van de ladingtank minder dan 50 cm bedraagt, is deze voorzien van een warmtewerende ommanteling.
### **§ 2. Hulpmotor (Verbrandingsmotor)**
### **Hoofdstuk VI Elektrische installatie**
1. Het van fabriekswege tot de standaarduitrusting van een voertuig behorende zekeringenbestand wordt als voldoende aangemerkt, indien ten minste aan het onderstaande is voldaan:
1. Indien zo dicht mogelijk bij de aansluiting op de accu’s een voorziening is aangebracht waardoor de stroomsterkte in het te beveiligen circuit een waarde van 1 A bij 30 V (6 A bij 15 V) niet kan overschrijden overeenkomstig figuur A.2.2 - stroomkringen met weerstand van IEC 60079-11 of EN 50 020, is het aangetoond dat delen van de elektrische installatie welke na het openen van de hoofdschakelaar onder spanning blijven, explosieveilig zijn.
De uitvoering van de in genoemd randnummer voorgeschreven identificatieplaat voldoet aan de navolgende voorschriften:
### **Artikel 57 rn 6.8.2.5.1 en 6.8.3.5.10 waarmerk**
### **Artikel 58 rn. 6.8.2.5.2, 6.8.3.5.6, 6.8.3.5.11 en 6.8.3.5.12**
1. Voor de in de VLG voorgeschreven opschriften bedraagt de letterhoogte voor:
2. De opschriften zijn van buitenaf duidelijk leesbaar aangegeven.
1. Bij het bedieningsmechanisme van de hoofdschakelaar is het opschrift ‘hoofdschakelaar’ in een duidelijk opvallende uitvoering of een naar het oordeel van de directeur duidelijk herkenbaar symbool aangebracht. Bij de in de cabine geplaatste schakelaar behoeft geen opschrift te worden aangebracht indien naar het oordeel van de directeur deze schakelaar op andere wijze voldoende herkenbaar is.
### **§ 1. Ontwerpbeoordeling (Algemeen)**
1. Alvorens tot keuring van een nieuw of gewijzigd voertuig of voertuigdeel wordt overgegaan, zijn ontwerpgegevens van de constructie bij IKS overgelegd en akkoord bevonden;
2. De overgelegde gegevens worden getoetst aan de VLG;
4. Indien tijdens de nieuwbouw of de wijziging afwijkingen van een in beginsel goedgekeurde tekening wenselijk worden geacht, wordt dit aan de directeur ter goedkeuring voorgedragen.
Aan de daartoe door de directeur aangewezen inspecteurs wordt tijdens de bouw of het wijzigen van een voertuig te allen tijde gelegenheid gegeven daarbij tegenwoordig te zijn en worden alle gewenste inlichtingen verstrekt en alle medewerking verleend.
### **§ 2. Ontwerpbeoordeling voertuigen met uitzondering van trekkers en dragende motorvoertuigen, opleggers en aanhangwagens voor containers met een inhoud van meer dan 3000 liter**
1. Bij de in artikel 60, eerste lid, bedoelde ontwerpgegevens is een volledig ingevuld, volgens een door de directeur vastgesteld model, aanvraagformulier gevoegd of een begeleidend schrijven met vermelding van naam, adres, postcode en plaats van vestiging van de ondernemer, het correspondentieadres en een korte omschrijving van de aard van de aanvraag.
### **§ 2.1 Tekeningen (Algemeen)**
Alle tekeningen:
### **Artikel 65**
1. Overzichtstekeningen geven aan voor wat betreft het complete voertuig:
### **§ 2.2. Berekeningen**
Bij het ontwerp worden per voertuig ten minste de volgende berekeningen overgelegd:
### **§ 3. Beoordeling van een aanvraag voor goedkeuring van een trekker of een dragend motorvoertuig of getrokken voertuig voor containers met een inhoud groter dan 3000 liter**
### **§ 3. Beoordeling van een aanvraag voor goedkeuring van een trekker of een dragend motorvoertuig of getrokken voertuig voor containers met een inhoud groter dan 3000 liter**
1. Ingevolge artikel 60, eerste lid, wordt een aanvraagformulier volgens een door de directeur vastgesteld model overgelegd.
1. Ingevolge artikel 60, eerste lid, wordt een aanvraagformulier volgens een door de directeur vastgesteld model overgelegd.
### **§ 4. Typegoedkeuring uitrustingsdelen**
### **§ 4. Typegoedkeuring uitrustingsdelen**
Typegoedkeuring voor de in artikel 33 genoemde uitrustingsdelen wordt uitsluitend verleend aan de fabrikant van de appendages of aan de officiële vertegenwoordiging daarvan in Nederland.
### **Artikel 71**
De aanvraag ter verkrijging van een typegoedkeuring gaat vergezeld van de volgende bescheiden:
### **Artikel 72**
De in artikel 71, onderdelen b, c en e, bedoelde bescheiden worden door de fabrikant van de appendages verstrekt.
### **Artikel 73**
Indien de in artikel 71 bedoelde over te leggen bescheiden door de directeur akkoord zijn bevonden wordt een proefexemplaar van het appendage, dat van de vereiste merk- en typeaanduiding(en) is voorzien, ter beoordeling overgelegd.
### **Hoofdstuk IX Keuringen en beproevingen**
### **Hoofdstuk IX Keuringen en beproevingen**
### **§ 1. Algemeen**
Naast het overige dat in de VLG is voorgeschreven, wordt een voertuig onderscheidenlijk tank voor een keuring respectievelijk beproeving aangeboden:
### **Artikel 75**
1. Een nieuw gebouwd of gewijzigd voertuig voor het vervoer van gevaarlijke stoffen wordt niet in dienst gesteld dan na goedkeuring door of namens de directeur.
1. Een nieuw gebouwd of gewijzigd voertuig voor het vervoer van gevaarlijke stoffen wordt niet in dienst gesteld dan na goedkeuring door of namens de directeur.
2. De keuringen en beproevingen worden slechts verricht na ontvangst van een schriftelijke orderbevestiging.
3. De keuringsdatum wordt vastgesteld nadat de ontwerpgegevens zijn goedgekeurd door de directeur.
### **Artikel 76**
Bij de keuring wordt nagegaan of het te keuren object:
### **Artikel 77**
1. Bij keuringen en beproevingen staat voldoende geschoold personeel en gereedschap ter beschikking, opdat eventuele verrichtingen als hydraulische proefpersingen, dichtheidsbeproevingen, wanddiktemetingen, demontage van onderdelen, remproeven en dergelijke, een vlot verloop kunnen hebben.
1. Bij keuringen en beproevingen staat voldoende geschoold personeel en gereedschap ter beschikking, opdat eventuele verrichtingen als hydraulische proefpersingen, dichtheidsbeproevingen, wanddiktemetingen, demontage van onderdelen, remproeven en dergelijke, een vlot verloop kunnen hebben.
### **Artikel 78**
Voor zover geen inwendige inspectie of proefpersing van de tank is vereist, behoeft de tank niet inwendig te worden gereinigd bij de keuring van:
### **Artikel 79**
1. Bij keuringen, onderscheidenlijk beproevingen zonder inwendige inspectie van de tank wordt het bepaalde onder artikel 77, tweede lid, bevestigd in een door de eigenaar, dan wel houder van het voertuig opgestelde verklaring, welke onmiddellijk vóór de keuring onderscheidenlijk beproeving aan de keurende inspecteur wordt afgegeven.
1. Bij keuringen, onderscheidenlijk beproevingen zonder inwendige inspectie van de tank wordt het bepaalde onder artikel 77, tweede lid, bevestigd in een door de eigenaar, dan wel houder van het voertuig opgestelde verklaring, welke onmiddellijk vóór de keuring onderscheidenlijk beproeving aan de keurende inspecteur wordt afgegeven.
### **Artikel 80**
1. Voorafgaand aan een inwendige inspectie is de tank inwendig gereinigd.
1. Voorafgaand aan een inwendige inspectie is de tank inwendig gereinigd.
2. Onmiddellijk voor de inwendige inspectie van de tank wordt een certificaat overgelegd waaruit blijkt dat de veiligheid van degene die de tank inwendig inspecteert, is gegarandeerd. In het certificaat is ten minste aangegeven:
3. Het in het tweede lid genoemde certificaat is opgemaakt door een deskundige, als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder v van het Veiligheidsbesluit Tankschepen, van een door het Directoraat Generaal van de Arbeid erkende rechtspersoon.
4. Indien de fabrikant van de tank of de werkplaats waar de tank wordt geïnspecteerd ten minste is gecertificeerd voor een kwaliteitsborgingssysteem volgens de norm ISO 9001:2000, kan de directeur onder nader bekend te maken voorschriften en beperkingen toestaan dat het certificaat, bedoeld in het tweede lid, door de eigen gekwalificeerde deskundige wordt opgesteld en gewaarmerkt.
### **Artikel 81**
Indien bij een keuring of beproeving gebreken worden vastgesteld van zodanige aard dat niet tot goedkeuring kan worden overgegaan, wordt aan de ondernemer een opgave verstrekt van de gebreken die tot de weigering van de goedkeuring hebben geleid en wordt het voertuig, nadat de nodige voorzieningen zijn getroffen, voor herkeuring aangeboden.
### **§ 2. Beproevingen (Algemeen)**
### **§ 2. Beproevingen (Algemeen)**
1. Hydraulische proefpersingen en dichtheidsproeven worden onder toezicht van IKS verricht.
1. Hydraulische proefpersingen en dichtheidsproeven worden onder toezicht van IKS verricht.
### **Artikel 83**
Bij tanks overeenkomstig rn. 6.8.2.1.14 onder (a), die zijn verdeeld in compartimenten en die zijn gebouwd volgens de met ingang van 1 januari 1990 geldende voorschriften, wordt de proefpersing van elk compartiment verricht bij een druk gelijk aan die van de gehele tank.
### **Artikel 84**
1. De bij de proefpersing toegepaste druk bedraagt in elk geval ten minste 25 kPa (0,25 bar).
1. De bij de proefpersing toegepaste druk bedraagt in elk geval ten minste 25 kPa (0,25 bar).
Indien de proefpersing met vloeistof als medium wordt verricht, wordt genoemde druk gemeten boven in de tank.
### **Artikel 85 rn. 6.8.2.4.1 hydraulische proefpersing / rn. 6.8.2.4.3 dichtheidsproef**
1. De in rn. 6.8.2.4.3 bedoelde inwendige druk van ten minste 20 kPa (0,2) bar, wordt bij beproeving met vloeistof als medium, gemeten boven in de tank.
1. De in rn. 6.8.2.4.3 bedoelde inwendige druk van ten minste 20 kPa (0,2) bar, wordt bij beproeving met vloeistof als medium, gemeten boven in de tank.
### **§ 3. Fabricageonderzoek rn. 6.8.2.4.1**
### **§ 3. Fabricageonderzoek rn. 6.8.2.4.1**
Uiterlijk bij de aanvang van de keuring worden de volgende bescheiden overgelegd:
### **Artikel 87 proefpersing**
1. Bij de proefpersing worden alle noodzakelijke inspecties verricht om vast te stellen dat:
1. Bij de proefpersing worden alle noodzakelijke inspecties verricht om vast te stellen dat:
### **§ 4. Periodiek inspectie en beproeving rn. 6.8.2.4.2**
### **§ 4. Periodiek inspectie en beproeving rn. 6.8.2.4.2**
Voor de periodieke inspectie en beproeving wordt de tank van een tankvoertuig en een tankcontainer tijdig voor het aflopen van de in rn. 6.8.2.4.2 genoemde termijnen bij IKS voor keuring aangeboden.
### **Artikel 89**
Indien de resultaten van het inwendige onderzoek van de tank daartoe aanleiding geven en in elk geval met tussenliggende perioden van ten hoogste 12 jaar, wordt tevens een onderzoek naar de tankondersteuning ingesteld, waartoe de eventueel aanwezige tankommanteling wordt verwijderd voor zover dit met het oog op het onderzoek naar het oordeel van de directeur noodzakelijk wordt geacht.
### **Artikel 90**
1. De hydraulische proefpersing wordt bij de tank als geheel verricht bij de beproevingsdruk, zoals vermeld op de tank-identificatieplaat (stempelplaat).
1. De hydraulische proefpersing wordt bij de tank als geheel verricht bij de beproevingsdruk, zoals vermeld op de tank-identificatieplaat (stempelplaat).
2. Per compartiment wordt de hydraulische proefpersing verricht bij een druk gelijk aan 1,3 maal de op de stempelplaat aangegeven werkdruk.
### **§5. Periodieke keuring voertuig**
### **§5. Periodieke keuring voertuig**
De ondernemer wordt, ten behoeve van de jaarlijkse periodieke keuring, in de regel ten minste acht dagen voor de vervaldag van het keuringsdocument namens de directeur door het keuringsstation van VT waaronder de ondernemer ressorteert, bericht gegeven. Datum, plaats, en tijdstip van de keuringen worden door het betrokken keuringsstation in overleg met de aanvrager vastgesteld.
### **Artikel 92**
Het niet ontvangen van de in artikel 91 bedoelde oproep ontslaat de ondernemer niet van zijn plicht de keuring tijdig aan te vragen.
### **Artikel 93**
Bij de periodieke keuring wordt nagegaan of het voertuig:
### **Artikel 94**
1. Indien ten behoeve van de periodieke keuring het inwendig reinigen van de tank niet, of slechts met zeer grote moeite mogelijk is, kan ontheffing daarvan worden aangevraagd bij IKS.
1. Indien ten behoeve van de periodieke keuring het inwendig reinigen van de tank niet, of slechts met zeer grote moeite mogelijk is, kan ontheffing daarvan worden aangevraagd bij IKS.
2. Wanneer de gevraagde ontheffing wordt verleend, zal de tank op door de directeur vast te stellen termijnen aan vervangende en aanvullende beproevingen worden onderworpen. Het voertuig wordt voor deze vervangende en aanvullende beproevingen aangeboden bij IKS.
3. Het oorspronkelijk verstrekte keuringsdocument wordt daarbij vervangen door een exemplaar waarop uitsluitend die stoffen zijn vermeld, welke aanleiding gaven tot het aanvragen van de ontheffing.
### **§6. Keuring na belangrijke herstelling ongeval**
### **§6. Keuring na belangrijke herstelling ongeval**
Bij een schademelding ingevolge artikel 5, zijn tevens de volgende voorschriften van toepassing:
### **Hoofdstuk X Overgangs- en slotbepalingen**
### **Hoofdstuk X Overgangs- en slotbepalingen**
Deze bijlage is van toepassing op voertuigen, tanks, tankcontainers en hun uitrusting, die zijn vervaardigd overeenkomstig de VLG.
### **Artikel 97**
1. Bijlage 4 bij de VLG, zoals deze luidde met ingang van 11 september 2002 en zoals gewijzigd met ingang van 1 januari 2005, blijft van toepassing op voertuigen waarvoor zij bij de toelating van kracht was.
1. Bijlage 4 bij de VLG, zoals deze luidde met ingang van 11 september 2002 en zoals gewijzigd met ingang van 1 januari 2005, blijft van toepassing op voertuigen waarvoor zij bij de toelating van kracht was.
2. De Regeling Rijkskeuringsvoorschriften betreffende het vervoer over land van gevaarlijke stoffen 1990 blijft van toepassing op voertuigen waarvoor zij bij de toelating van kracht was.
3. De Rijkskeuringsvoorschriften betreffende het vervoer over land van gevaarlijke stoffen 1985 (R.V.L.G. ’85) blijven van toepassing op voertuigen waarvoor zij bij de toelating van kracht waren.
### **Aanhangsel 1 als bedoeld in artikel 57, bijlage 4, Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen: waarmerk**
Het in het waarmerk opgenomen nummer ‘01’ kan variëren afhankelijk van degene die de keuring uitvoert.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst met uitzondering van de bijlage 1, die ter inzage wordt gelegd bij het Directoraat-Generaal Goederenvervoer van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat, Nieuwe Uitleg 1 te Den Haag.
Dit openen is uitsluitend toegestaan voor het direct afleveren van genoemde stoffen in de land- en de wegenbouw alsmede op bouwplaatsen.
### **8.1.2. N Documenten die het vervoer moeten begeleiden**
Indien voor het betrokken vervoer ontheffing is verleend ingevolge [artikel 9 van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007606&artikel=9), is deze ontheffing of een afschrift daarvan bij het vervoerdocument gevoegd.
### **8.2.1. N Speciale opleiding van de bestuurder**
Voor wat betreft het duurremsysteem is randnummer 9.2.3.1 van [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010054&bijlage=1&z=2008-03-08&g=2008-03-08) (retarder) niet van toepassing op motorvoertuigen gebouwd vóór 1 januari 1997.
2. Dit hoofdstuk is, behoudens artikel 3, eerste lid, onderdeel c, niet van toepassing op het vervoer dat plaatsvindt overeenkomstig de randnummers 1.1.3 en 3.4.6 van [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010054&bijlage=1&z=2008-03-08&g=2008-03-08).
Het vervoer van de stoffen die in tabel 3 zijn opgenomen, is routeplichtig als bedoeld in [artikel 12, eerste lid, van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007606&artikel=12).
8. Rederijen kunnen aanvullende of beperkende maatregelen treffen.
Bij het kruisen van een binnenwater zijn op het vervoer van voertuigen op schepen anders dan een zout veer als bedoeld in artikel 7, de volgende voorschriften van toepassing:
### **Artikel 9. Kenmerking en etikettering der voertuigen**
### § 6. Uitrusting
### **Artikel 10. Toelating van voertuigen en tankcontainers**
2. Indien het toezicht op de naleving in de onderneming wordt gehouden en overtredingen zijn vastgesteld overeenkomstig bijlage II van [richtlijn nr. 95/50/EG](31995L0050), wordt het betrokken vervoer voor het verlaten van de onderneming in overeenstemming gebracht met de voorschriften, dan wel worden andere naar het oordeel van de Minister gepaste maatregelen genomen.
### **Artikel 4**
Indien bij het toezicht op de naleving als bedoeld in artikel 1 dan wel anderszins blijkt van naar het oordeel van de Minister of van de Inspecteur-Generaal van de Inspectie Verkeer en Waterstaat, ernstige of herhaalde overtredingen die een gevaar voor de veiligheid van het vervoer van gevaarlijke stoffen opleveren en die zijn begaan met een in een andere lidstaat van de Europese Unie ingeschreven voertuig of gevestigde onderneming, doet de Inspecteur-Generaal van de Inspectie Verkeer en Waterstaat of de Minister daarvan onverwijld mededeling aan de bevoegde instantie van de desbetreffende lidstaat.
### **Artikel 5**
Indien een bevoegde instantie van een andere lidstaat van de Europese Unie de Minister mededeling doet van het vermoeden van ernstige of herhaalde overtredingen die een gevaar voor de veiligheid van het vervoer van gevaarlijke stoffen opleveren en die zijn begaan met een in Nederland ingeschreven voertuig of in Nederland gevestigde onderneming, vergezeld van het verzoek tegen de overtreder passende maatregelen te treffen, doet de Minister aan die instantie mededeling van de genomen maatregelen.
Indien een bevoegde instantie van een andere lidstaat van de Europese Unie de Minister mededeling doet van het vermoeden van ernstige of herhaalde overtredingen, die tijdens het toezicht op de naleving door het ontbreken van de noodzakelijke voorzieningen niet kunnen worden aangetoond, verleent de Minister de desbetreffende bevoegde instantie de nodige bijstand en doet mededeling van de resultaten van het daartoe in de betrokken onderneming uitgevoerde toezicht op de naleving.
## Bijlage 3. , bedoeld in [artikel 2, onderdeel c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010054&artikel=2&z=2008-03-08&g=2008-03-08), van de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen
Erkende Instanties
### **Artikel 1. Erkende instanties**
### Hoofdstuk VII. Cabine
### Hoofdstuk VIII. Motor en uitlaatleiding rn. 9.2.4.4, 9.2.4.5 en 9.3.5
### **Artikel 4. Erkenningsvoorwaarden**
### § 2. Hulpmotor (Verbrandingsmotor)
### Hoofdstuk I. Begripsbepalingen
7. De instantie verstrekt alle inlichtingen die namens de Minister verlangd worden door de Dienst Wegverkeer (RDW) en die betrekking hebben op de leden 2, 3, en 4 voor zover betreffende handelingen met betrekking tot voertuigen en tanks als bedoeld in [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010054&bijlage=1&z=2008-03-08&g=2008-03-08).
## Bijlage 4. , bedoeld in [artikel 2, onderdeel d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010054&artikel=2&z=2008-03-08&g=2008-03-08), van de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen
### **Artikel 2 Europese Normen**
### Hoofdstuk XII. Goedkeuringsprocedures
### Artikel 3
### **Artikel 3**
### § 1. Stoomwezen B.V.
### **Artikel 4**
### Hoofdstuk XIII. Keuringen en beproevingen
### **Hoofdstuk II Tanks**
### Artikel 17. rn.. 6.8.2.1.18 en 6.8.2.1.19 dikte slingerschot
### Artikel 19. scharnierende eindbodem
### Artikel 23. rn.. 6.8.2.2.4 mangaten
### **Artikel 14 rn. 6.8.2.1.18 en 6.8.2.1.19 dikte slingerschot**
4. Het in het tweede lid bedoelde beoordelingsrapport is gewaarmerkt door een deskundige van een voor dit onderwerp geaccrediteerde instantie of door de directeur erkende instantie, die in aanmerking komt voor aanwijzing indien deze is gecertificeerd en de deskundige is gekwalificeerd overeenkomstig de norm EN 473:1993.
Bij radiografisch lasonderzoek geldt ten aanzien van de omvang daarvan, dat:
2. Indien de tank is bestemd voor het vervoer van meer dan één gas zal het maximumvulgewicht van de lichtste gassoort bepalend zijn.
2. In dit geval zijn zodanige voorzieningen aangebracht dat:
2. In afwijking van het eerste lid is tevens voldaan aan de eis van explosiebestendigheid indien het prototype van de tank wordt onderworpen aan een hydraulische proefpersing onder een druk van 1,3 maal de berekeningsdruk van 970 kPa (9,7 bar) (absoluut) en, behoudens plastische vervorming, daartegen bestand blijkt.
### **Artikel 20 rn. 9.7.6 stootbalk algemeen**
2. Bij tanks die beschermd worden door een isolerende laag van steen- of glaswol met een dikte van 100 mm en een buitenwand van 0,8 mm austenitisch staal mag de buitenbodem uitgevoerd worden in glasvezelversterkte kunststof met een wanddikte van ten minste 3 mm.
2. Indien de plaatsing van een beschermend profiel is voorgeschreven, is deze uitgevoerd als beugel die aan de volgende voorschriften voldoet:
is deze kunststof vlamdovend uitgevoerd, waaraan geacht wordt te zijn voldaan indien monsters zijn beproefd in overeenstemming met ISO-norm 3759:1989
2. Knevels ten behoeve van de sluiting van de tankbodem voldoen aan de volgende voorschriften:
3. Indien een uitwendige leiding vast op een afsluiter op de tank is aangesloten, zijn beschermende voorzieningen getroffen om te voorkomen dat tengevolge van een ongeval, hierop uitgeoefende krachten tot ondichtheid van de tank leiden.
2. De uitvoering van genoemde uitrustingsdelen voldoet aan de artikelen 34 tot en met 37, 39 en 40.
Indien van een bepaald type appendage, afhankelijk van de toepassing, onderdelen van verschillende materialen zijn toegepast, is het feitelijk toegepaste materiaal op het appendage, of in de typecodering aangegeven.
2. Indien de verzegeling, bedoeld in het eerste lid, onder a, onderdeel 1°, namens de directeur wordt aangebracht door een gebruiker, geschiedt dit onder de volgende voorwaarden:
Indien het voldoen aan de eisen voor kantelstabiliteit wordt aangetoond op basis van een berekening dienen de basisgegevens waarmee dit systeem werkt te zijn gevalideerd door praktijktesten. Indien validatie niet afdoende aangetoond wordt vereist de directeur nader onderzoek.
2. Aan het bepaalde in het eerste lid, onderdeel a, is bij een trekker voor een oplegger in elk geval voldaan, indien genoemde delen zich op niet meer dan 20 cm achter de achterwand van de bestuurderscabine bevinden.
### **Artikel 48 rn. 9.2.4.5 en 9.3.6**
### **Artikel 51 rn. 9.2.4.3 tot en met 9 2.4.5**
Bij voertuigen welke zijn bestemd voor het vervoer van brandbare vloeistoffen met een vlampunt van 60°C of lager, met uitzondering van dieselbrandstof overeenkomstig de norm EN 590:2004, gasolie en huisbrandolie(licht) – identificatienummer 1202 – met een vlampunt zoals gespecificeerd in de norm EN 590:2004, of van brandbare stoffen van klasse 2 zoals gedefinieerd in rn. 2.2.2.1.1 mag een verbrandingsmotor als hulpmotor zijn aangebracht die de apparatuur aandrijft, mits aan de volgende voorschriften is voldaan:
2. Naast het bepaalde in rn. 9.2.2.2.1 zijn uitgezonderd van de verplichting om te zijn gezekerd: standaardschakelingen ten behoeve van in de cabine aangebrachte relais, controlelampen en de elektromotor van een bogieliftinstallatie (ashefinrichting);
### **Artikel 53**
1. Het gedeelte van de elektrische installatie dat achter de bestuurderscabine is gelegen, voldoet, onverminderd het bepaalde in artikel 52, aan de volgende voorschriften:
Bij voertuigen bestemd voor het vervoer van brandbare vloeistoffen met een vlampunt van 60°C of lager (met uitzondering van dieselolie, gasolie en lichte stookolie – identificatienummer 1202 – met een vlampunt zoals gespecificeerd in de norm EN 590:2004) of van brandbare stoffen van klasse 2 zoals gedefinieerd in rn. 2.2.2.1.1 is het aanbrengen van elektrische apparatuur in gesloten ruimten waarin tevens vul- en aftapleidingen, vloeistofpompen en dergelijke ten behoeve van de lading aanwezig zijn, toegestaan indien:
3. indien een bediening van de hoofdschakelaar aan de buitenzijde van het voertuig is aangebracht, is deze uitgevoerd in een duidelijk opvallende of contrasterende kleur.
4. De voorgeschreven opschriften zijn op een goed waarneembare plaats aangebracht.
### **Artikel 62**
2. Alle tekeningen bij voertuigen met vaste of afneembare tanks geven ten minste aan:
### **Artikel 66**
Alle tanktekeningen geven aan voor wat betreft de tank:
### **Artikel 67**
In aanvulling op artikel 66 geven de tanktekeningen tevens aan:
### **Artikel 68**
Bij het ontwerp worden per voertuig ten minste de volgende berekeningen overgelegd:
### **Artikel 69**
2. Op het aanvraagformulier wordt door de fabrikant van het voertuig of zijn officiële vertegenwoordiger in Nederland verklaard aan welke ADR typegoedkeuring het voertuig voldoet. Tevens wordt verklaard dat het ABS en indien van toepassing de duurreminstallatie voldoen aan de eisen zoals vastgesteld in het ADR.
### **Artikel 70**
Typegoedkeuring voor de in artikel 33 genoemde uitrustingsdelen wordt uitsluitend verleend aan de fabrikant van de appendages of aan de officiële vertegenwoordiging daarvan in Nederland.
### **Artikel 71**
De aanvraag ter verkrijging van een typegoedkeuring gaat vergezeld van de volgende bescheiden:
### **Artikel 72**
De in artikel 71, onderdelen b, c en e, bedoelde bescheiden worden door de fabrikant van de appendages verstrekt.
### **Artikel 73**
Indien de in artikel 71 bedoelde over te leggen bescheiden door de directeur akkoord zijn bevonden wordt een proefexemplaar van het appendage, dat van de vereiste merk- en typeaanduiding(en) is voorzien, ter beoordeling overgelegd.
### **Artikel 74**
Naast het overige dat in de VLG is voorgeschreven, wordt een voertuig onderscheidenlijk tank voor een keuring respectievelijk beproeving aangeboden:
### **Artikel 75**
4. In geval van verhindering is daarvan voor de keuringsdatum kennis gegeven aan de directeur.
### **Artikel 76**
Bij de keuring wordt nagegaan of het te keuren object:
### **Artikel 77**
2. Bij keuringen en beproevingen bevinden de voertuigen en in het bijzonder de tanks met bijbehorende appendages, zich in een in- en uitwendig afdoende gereinigde staat.
### **Artikel 78**
Voor zover geen inwendige inspectie of proefpersing van de tank is vereist, behoeft de tank niet inwendig te worden gereinigd bij de keuring van:
### **Artikel 79**
2. In deze verklaring is tevens vermeldt welke stof, aangegeven door naam, klasse en rn., als laatste werd vervoerd voorafgaand aan het tijdstip van keuring onderscheidenlijk beproeving.
### **Artikel 80**
5. Het in het tweede lid genoemde certificaat behoeft niet te worden overgelegd, indien:
### **Artikel 81**
Indien bij een keuring of beproeving gebreken worden vastgesteld van zodanige aard dat niet tot goedkeuring kan worden overgegaan, wordt aan de ondernemer een opgave verstrekt van de gebreken die tot de weigering van de goedkeuring hebben geleid en wordt het voertuig, nadat de nodige voorzieningen zijn getroffen, voor herkeuring aangeboden.
### **Artikel 82 rn. 6.8.2.4.1 hydraulische proefpersing /rn.**
2. In afwijking van het eerste lid kan de directeur toestaan dat bedoelde beproevingen worden verricht onder toezicht van een door hem aan te wijzen deskundige, in dat geval wordt een door genoemde deskundige gewaarmerkt certificaat overgelegd, waarin is vermeld:
### **Artikel 83**
Bij tanks overeenkomstig rn. 6.8.2.1.14 onder (a), die zijn verdeeld in compartimenten en die zijn gebouwd volgens de met ingang van 1 januari 1990 geldende voorschriften, wordt de proefpersing van elk compartiment verricht bij een druk gelijk aan die van de gehele tank.
### **Artikel 84**
2. Bij een beproevingsdruk van ten hoogste 50 kPa (0,5 bar) mag lucht of een ander gas als beproevingsmedium worden toegepast, voor zover dat in geen enkel opzicht gevaar oplevert.
### **Artikel 85 rn. 6.8.2.4.1 hydraulische proefpersing / rn. 6.8.2.4.3 dichtheidsproef**
2. Indien de tank is voorzien van een ontluchtings- en veiligheidsinrichting die voorkomt dat de inhoud uit de tank ontsnapt, wordt de dichtheidsproef verricht bij een inwendige druk welke ten minste gelijk is aan de openingsdruk van deze voorziening.
### **Artikel 86**
Uiterlijk bij de aanvang van de keuring worden de volgende bescheiden overgelegd:
### **Artikel 87 proefpersing**
2. Bij de proefpersing is de tank:
### **Artikel 88**
Voor de periodieke inspectie en beproeving wordt de tank van een tankvoertuig en een tankcontainer tijdig voor het aflopen van de in rn. 6.8.2.4.2 genoemde termijnen bij IKS voor keuring aangeboden.
### **Artikel 89**
Indien de resultaten van het inwendige onderzoek van de tank daartoe aanleiding geven en in elk geval met tussenliggende perioden van ten hoogste 12 jaar, wordt tevens een onderzoek naar de tankondersteuning ingesteld, waartoe de eventueel aanwezige tankommanteling wordt verwijderd voor zover dit met het oog op het onderzoek naar het oordeel van de directeur noodzakelijk wordt geacht.
### **Artikel 90**
3. Indien de beproeving per compartiment plaats vindt aansluitend aan de in het eerste lid bedoelde beproeving, behoeven de aan het te beproeven compartiment grenzende compartimenten niet te zijn geledigd.
### **Artikel 91**
De ondernemer wordt, ten behoeve van de jaarlijkse periodieke keuring, in de regel ten minste acht dagen voor de vervaldag van het keuringsdocument namens de directeur door het keuringsstation van VT waaronder de ondernemer ressorteert, bericht gegeven. Datum, plaats, en tijdstip van de keuringen worden door het betrokken keuringsstation in overleg met de aanvrager vastgesteld.
### **Artikel 92**
Het niet ontvangen van de in artikel 91 bedoelde oproep ontslaat de ondernemer niet van zijn plicht de keuring tijdig aan te vragen.
### **Artikel 93**
Bij de periodieke keuring wordt nagegaan of het voertuig:
### **Artikel 94**
4. Indien de eigenaar of houder van het voertuig niet langer van de ontheffing gebruik wenst te maken, wordt het voertuig bij het keuringsstation van VT aangeboden waar dit is geregistreerd ter controle van die aspecten, die tengevolge van bedoelde ontheffing bij de voorgaande periodieke keuring achterwege zijn gebleven; eerst daarna kan het voertuig wederom worden goedgekeurd voor de stoffen die op het oorspronkelijke keuringsdocument waren vermeld.
### **Artikel 95 rn. 6.8.2.4.4**
Bij een schademelding ingevolge artikel 5, zijn tevens de volgende voorschriften van toepassing:
### **Artikel 96**
Deze bijlage is van toepassing op voertuigen, tanks, tankcontainers en hun uitrusting, die zijn vervaardigd overeenkomstig de VLG.
### **Artikel 97**
4. De Rijkskeuringsvoorschriften betreffende het vervoer over land van gevaarlijke stoffen 1978 (R.V.L.G. ’78) blijven van toepassing op voertuigen waarvoor zij bij de toelating van kracht waren.
### **Aanhangsel 1 als bedoeld in artikel 57, bijlage 4, Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen: waarmerk**
Het in het waarmerk opgenomen nummer ‘01’ kan variëren afhankelijk van degene die de keuring uitvoert.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst met uitzondering van de bijlage 1, die ter inzage wordt gelegd bij het Directoraat-Generaal Goederenvervoer van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat, Nieuwe Uitleg 1 te Den Haag.
### **Hoofdstuk I. Bepalingen voor uitsluitend binnenlands vervoer**
### **Artikel 1. Toepassingsbereik**
Dit hoofdstuk is van toepassing op vervoer van gevaarlijke stoffen dat uitsluitend binnen Nederland plaatsvindt.
1. De Minister kan tijdelijk ontheffing of vrijstelling van [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010054&bijlage=1&z=2008-02-20&g=2008-02-20) verlenen, indien het betreft proefnemingen die nodig zijn om bepalingen van [die bijlage](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010054&bijlage=1&z=2008-02-20&g=2008-02-20) te kunnen wijzigen met het oog op de aanpassing ervan aan de technische of industriële ontwikkelingen. Van een dergelijke vrijstelling of ontheffing doet de Minister mededeling aan de Commissie van de Europese Gemeenschappen.
2. De ontheffingen en vrijstellingen, bedoeld in het eerste lid, worden verleend zonder onderscheid naar nationaliteit of vestigingsplaats van de afzender, de vervoerder of de geadresseerde, hebben een looptijd van ten hoogste vijf jaar en zijn niet hernieuwbaar.
3. Ontheffing van deze regeling als bedoeld in [artikel 9 van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007606&artikel=9), anders dan bedoeld in het eerste en tweede lid, verleent de Minister slechts, indien deze ontheffing betrekking heeft op één geval dat naar zijn oordeel duidelijk omschreven en in tijd beperkt is.
### **Artikel 3. N-bepalingen**
De N-bepalingen in dit hoofdstuk:
### **1.5.1.1. N Multilaterale overeenkomsten**
1. Niet-grensoverschrijdend vervoer mag plaatsvinden overeenkomstig multilaterale overeenkomsten als bedoeld in randnummer 1.5.1.1 van [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010054&bijlage=1&z=2008-02-20&g=2008-02-20), die door Nederland zijn ondertekend.
2. Bij het vervoer dat voldoet aan de in het eerste lid bedoelde multilaterale overeenkomst worden de voorschriften met betrekking tot het vervoer in acht genomen die in deze overeenkomst zijn opgenomen.
### **5.1.2.1./5.2.1 N Opschriften en kenmerking**
De opschriften en kenmerkingen op colli, containers, tanks en voertuigen, dan wel op de oververpakkingen van colli, zijn in ieder geval gesteld in de Nederlandse, Franse, Duitse of Engelse taal.
Het is toegestaan dat in het vervoerdocument de voorgeschreven aanduidingen uitsluitend zijn gesteld in de Nederlandse taal.
In Nederland geregistreerde tankwagens, bestemd voor het vervoer van propaan, butaan en mengsels daarvan, zijn voorzien van een noodstopvoorziening die is aangesloten op het bedieningssysteem van de veiligheidsinrichting, bedoeld in randnummer 6.8.3.2.3 van [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010054&bijlage=1&z=2008-02-20&g=2008-02-20), en op het aandrijfsysteem van de pomp. Het bedienen van de noodstopvoorziening heeft tot direct gevolg dat de veiligheidsinrichtingen gesloten worden en de pomp gestopt wordt. De bedieningsorganen van de noodstopvoorziening zijn zowel aangebracht in de bedieningskast(en) als bij de linkervoorzijde als bij de rechterachterzijde van de tank.
Tankwagens, bestemd voor het vervoer van propaan, butaan of mengsels daarvan, zijn voorzien van een wegrijdalarmering, ter voorkoming van het wegrijden met een aangekoppelde of niet opgeborgen slang. Deze voorziening bestaat uit een knipperende rode lamp op het dashboard en een intermitterende claxon in de cabine.
### **6.8.3.4. N Inspectie**
In Nederland geregistreerde tankwagens, bestemd voor het vervoer van propaan, butaan of mengsels daarvan, worden iedere 26 weken onderworpen aan een visuele uitwendige inspectie en aan een controle op de goede werking van de uitrusting.
### **7.5.7.5/8.3.3 N Openen van colli**
In afwijking van randnummers 7.5.7.5 en 8.3.3 van [Bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010054&bijlage=1&z=2008-02-20&g=2008-02-20), mag de chauffeur of de bijrijder een buitenverpakking openen die gevaarlijke stoffen bevat, die als pesticiden worden toegepast.
### **8.1.2. N Documenten die het vervoer moeten begeleiden**
Indien voor het betrokken vervoer ontheffing is verleend ingevolge [artikel 9 van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007606&artikel=9), is deze ontheffing of een afschrift daarvan bij het vervoerdocument gevoegd.
### **8.2.1. N Speciale opleiding van de bestuurder**
Het bepaalde in randnummer 8.2.1 van [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010054&bijlage=1&z=2008-02-20&g=2008-02-20) is niet van toepassing op bestuurders van:
Voor wat betreft het duurremsysteem is randnummer 9.2.3.1 van [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010054&bijlage=1&z=2008-02-20&g=2008-02-20) (retarder) niet van toepassing op motorvoertuigen gebouwd vóór 1 januari 1997.
### **9.7.5.1. N Stabiliteit**
1. Dit hoofdstuk is van toepassing op elk vervoer van gevaarlijke stoffen op Nederlands grondgebied en is gebaseerd op de randnummers 1.9.2, 1.9.3 en 1.9.4 van [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010054&bijlage=1&z=2006-06-15&g=2006-06-15).
2. Dit hoofdstuk is, behoudens artikel 3, eerste lid, onderdeel c, niet van toepassing op het vervoer dat plaatsvindt overeenkomstig de randnummers 1.1.3 en 3.4.6 van [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010054&bijlage=1&z=2006-06-15&g=2006-06-15).
### **Artikel 2. Laad- en losplaats**
2. Dit hoofdstuk is, behoudens artikel 3, eerste lid, onderdeel c, niet van toepassing op het vervoer dat plaatsvindt overeenkomstig de randnummers 1.1.3 en 3.4.6 van [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010054&bijlage=1&z=2008-02-20&g=2008-02-20).
### **Artikel 2. Laad- en losplaats**
Het is verboden met een tankwagen, afneembare tank, batterijwagen, tankcontainer, transporttank, MEGC, bulkcontainer of mobiele tank gevaarlijke stoffen als bedoeld in randnummer 1.2.1 van [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010054&bijlage=1&z=2008-02-20&g=2008-02-20) te laden of te lossen elders dan:
2. De in dit artikel bedoelde tunnels worden aangeduid met verkeersbord C 22, bedoeld in [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010054&bijlage=1&z=2006-06-15&g=2006-06-15) bij het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990. Onder het bord wordt een onderbord geplaatst waarop met Romeinse cijfers de categorie van de tunnel wordt aangegeven.
### **Artikel 4**
2. De in dit artikel bedoelde tunnels worden aangeduid met verkeersbord C 22, bedoeld in [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010054&bijlage=1&z=2008-02-20&g=2008-02-20) bij het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990. Onder het bord wordt een onderbord geplaatst waarop met Romeinse cijfers de categorie van de tunnel wordt aangegeven.
### **Artikel 4**
Het vervoer van de stoffen die in tabel 3 zijn opgenomen, is routeplichtig als bedoeld in [artikel 12, eerste lid, van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007606&artikel=12).
### **Artikel 5. Laden en lossen**
Het laden of lossen van ontplofbare stoffen en voorwerpen van klasse 1 in hoeveelheden die per transporteenheid groter zijn dan de vrijgestelde hoeveelheden van randnummer 1.1.3.6 van [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010054&bijlage=1&z=2008-02-20&g=2008-02-20) alsmede vuurwerk met de UN-nummers 0336 en 0337 met een totale netto explosieve massa van meer dan 20 kilogram geschiedt onder toezicht van een ter zake deskundige.
2. Het is niet toegestaan gevaarlijke stoffen te vervoeren in tanks, losgestort of in colli, in hoeveelheden die per transporteenheid groter zijn dan de voorwaardelijk vrijgestelde hoeveelheden bedoeld in randnummer 1.1.3.6 van [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010054&bijlage=1&z=2006-06-15&g=2006-06-15) en vuurwerk met de UN-nummers 0336 en 0337 met een totale netto explosieve massa van meer dan 20 kilogram:
1. Indien het zicht door weersomstandigheden zoals mist, sneeuw en regen minder is dan 200 meter, is het niet toegestaan:
### **Artikel 7. Zout veer**
3. De Minister kan ontheffing verlenen van het in het tweede lid vermelde verbod bij glad wegdek, indien:
2. Tabel 5 vermeldt de stoffen, wijze van vervoer en hoeveelheden waarvan het vervoer verboden is met een zout veer.
1. Onder ‘zout veer’ wordt verstaan: schip waarmee tegelijkertijd voertuigen en passagiers, andere dan de bemanning van de voertuigen, worden vervoerd over een van de volgende trajecten:
2. Tabel 5 vermeldt de stoffen, wijze van vervoer en hoeveelheden waarvan het vervoer verboden is met een zout veer.
3. Het vervoer van andere gevaarlijke stoffen dan vermeld in tabel 5, is slechts toegestaan indien het betreft:
4. Op een gesloten rijdek van een zout veer wordt geen transporteenheid geplaatst die beladen is met stoffen van klasse 3 met verpakkingsgroep I en II.
5. Rondom de transporteenheden beladen met gevaarlijke stoffen worden in horizontale richting een vrije ruimte aangehouden van ten minste twee meter en een afstand van ten minste vijf meter ten opzichte van passagiers.
6. De bestuurder of bijrijder van een transporteenheid met gevaarlijke stoffen blijft tijdens de vaart bij zijn voertuig.
### **Artikel 8. Pont**
8. Rederijen kunnen aanvullende of beperkende maatregelen treffen.
### **Artikel 8. Pont**
Bij het kruisen van een binnenwater zijn op het vervoer van voertuigen op schepen anders dan een zout veer als bedoeld in artikel 7, de volgende voorschriften van toepassing:
Afgekoppelde aanhangwagens en opleggers zijn voorzien van de etikettering en kenmerking die ingevolge randnummers 5.3.1 en 5.3.2 van [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010054&bijlage=1&z=2008-02-20&g=2008-02-20) zijn voorgeschreven als zijnde aan een trekkend voertuig gekoppeld.
2. De volgende voertuigen, tankcontainers en mobiele tanks kunnen overeenkomstig hun bestemming worden gebruikt, indien zij zijn goedgekeurd door de Dienst Wegverkeer:
1. In dit artikel wordt verstaan onder ‘kleine mobiele tanks’: vaste tanks met een inhoud van ten hoogste 1 m3, bestemd voor het vervoer van dieselolie, gasolie of lichte stookolie.
2. De volgende voertuigen, tankcontainers en mobiele tanks kunnen overeenkomstig hun bestemming worden gebruikt, indien zij zijn goedgekeurd door de Dienst Wegverkeer:
3. De goedkeuring wordt geweigerd, indien een transportmiddel als bedoeld in het tweede lid naar het oordeel van de Dienst Wegverkeer niet voldoet aan deze regeling.
4. In afwijking van het derde lid kunnen transportmiddelen, waarvan de technische inrichting en uitrusting niet voldoen aan deze regeling, worden goedgekeurd, indien de technische inrichting en uitrusting der transportmiddelen naar het oordeel van de Dienst Wegverkeer een ten minste gelijkwaardige veiligheid bieden.
5. De eigenaar of houder van een transportmiddel als bedoeld in het tweede lid stelt na een aanrijding of ongeval waardoor beschadiging van het transportmiddel is ontstaan, de Dienst Wegverkeer hiervan onverwijld in kennis.
6. De eigenaar of houder van een transportmiddel als bedoeld in het tweede lid, zorgt dat dit transportmiddel voor onderzoek aan de Dienst Wegverkeer wordt aangeboden:
### **Hoofdstuk III. Implementatie van richtlijn nr. 95/50/EG betreffende uniforme procedures voor de controle op het vervoer van gevaarlijke goederen over de weg**
### **Artikel 1**
De Inspecteur-Generaal van de Inspectie Verkeer en Waterstaat legt jaarlijks in november aan de Minister ter goedkeuring voor een plan inzake het in het volgende jaar te houden toezicht op de naleving op het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg, bedoeld in artikel 2.
### **Artikel 1**
De Inspecteur-Generaal van de Inspectie Verkeer en Waterstaat legt jaarlijks in november aan de Minister ter goedkeuring voor een plan inzake het in het volgende jaar te houden toezicht op de naleving op het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg, bedoeld in artikel 2.
2. Wanneer het toezicht is uitgevoerd, ontvangt de bestuurder van het betrokken voertuig een verklaring van de verrichte controle, welke verklaring zoveel mogelijk luidt conform de controlelijst, bedoeld in bijlage I van [richtlijn nr. 95/50/EG](31995L0050).
### **Artikel 3**
2. Wanneer het toezicht is uitgevoerd, ontvangt de bestuurder van het betrokken voertuig een verklaring van de verrichte controle, welke verklaring zoveel mogelijk luidt conform de controlelijst, bedoeld in bijlage I van [richtlijn nr. 95/50/EG](31995L0050).
2. Indien het toezicht op de naleving in de onderneming wordt gehouden en overtredingen zijn vastgesteld overeenkomstig bijlage II van [richtlijn nr. 95/50/EG](31995L0050), wordt het betrokken vervoer voor het verlaten van de onderneming in overeenstemming gebracht met de voorschriften, dan wel worden andere naar het oordeel van de Minister gepaste maatregelen genomen.
2. Indien het toezicht op de naleving in de onderneming wordt gehouden en overtredingen zijn vastgesteld overeenkomstig bijlage II van [richtlijn nr. 95/50/EG](31995L0050), wordt het betrokken vervoer voor het verlaten van de onderneming in overeenstemming gebracht met de voorschriften, dan wel worden andere naar het oordeel van de Minister gepaste maatregelen genomen.
### **Artikel 4**
Indien bij het toezicht op de naleving als bedoeld in artikel 1 dan wel anderszins blijkt van naar het oordeel van de Minister of van de Inspecteur-Generaal van de Inspectie Verkeer en Waterstaat, ernstige of herhaalde overtredingen die een gevaar voor de veiligheid van het vervoer van gevaarlijke stoffen opleveren en die zijn begaan met een in een andere lidstaat van de Europese Unie ingeschreven voertuig of gevestigde onderneming, doet de Inspecteur-Generaal van de Inspectie Verkeer en Waterstaat of de Minister daarvan onverwijld mededeling aan de bevoegde instantie van de desbetreffende lidstaat.
### **Artikel 5**
Indien een bevoegde instantie van een andere lidstaat van de Europese Unie de Minister mededeling doet van het vermoeden van ernstige of herhaalde overtredingen die een gevaar voor de veiligheid van het vervoer van gevaarlijke stoffen opleveren en die zijn begaan met een in Nederland ingeschreven voertuig of in Nederland gevestigde onderneming, vergezeld van het verzoek tegen de overtreder passende maatregelen te treffen, doet de Minister aan die instantie mededeling van de genomen maatregelen.
## Bijlage 3. , bedoeld in [artikel 2, onderdeel c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010054&artikel=2&z=2006-06-15&g=2006-06-15), van de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen
### Erkende instanties
### **Artikel 1. Erkende instanties**
Erkende Instanties
In de onderstaande tabel zijn de instanties opgenomen met betrekking tot de uitvoering van de voorschriften in de vermelde randnummers van [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010054&bijlage=1&z=2008-02-20&g=2008-02-20) voorzover bedoelde handelingen worden uitgevoerd door Nederlandse instanties.
2. Bij toepassing van het eerste lid, onderdeel b, geldt als merkteken het rijkstypekeur.
2. Bij toepassing van het eerste lid, onderdeel b, geldt als merkteken het rijkstypekeur.
2. Bij het uitoefenen van zijn bevoegdheden als bedoeld in artikel 1 van deze bijlage geeft het CBR toepassing aan tabel 2.
### **Artikel 4. Erkenningsvoorwaarden**
2. Bij het uitoefenen van zijn bevoegdheden als bedoeld in artikel 1 van deze bijlage geeft het CBR toepassing aan tabel 2.
2. Een aanvraag om erkenning, gedaan door een ander dan een orgaan van de rijksoverheid of door het CBR, wordt slechts ingewilligd, indien de aanvrager naar het oordeel van de Minister:
1. De Minister kan een instantie erkennen voor het uitvoeren van een of meer taken als bedoeld in artikel 1 van deze bijlage, behalve voor zover in de tabel 1 een taak is toegewezen aan het CBR.
2. Een aanvraag om erkenning, gedaan door een ander dan een orgaan van de rijksoverheid of door het CBR, wordt slechts ingewilligd, indien de aanvrager naar het oordeel van de Minister:
3. Bij de aanvraag overlegt de aanvrager bewijzen of verklaringen waaruit genoegzaam blijkt, dat hij voldoet aan het tweede lid.
4. Aan de erkenning kan de Minister voorschriften of beperkingen verbinden.
5. De Minister kan een erkenning intrekken of schorsen, indien naar zijn oordeel niet wordt voldaan aan dit artikel.
## Bijlage 4. als bedoeld in [artikel 2, onderdeel d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010054&artikel=2&z=2006-06-15&g=2006-06-15), van de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen
7. De instantie verstrekt alle inlichtingen die namens de Minister verlangd worden door de Dienst Wegverkeer (RDW) en die betrekking hebben op de leden 2, 3, en 4 voor zover betreffende handelingen met betrekking tot voertuigen en tanks als bedoeld in [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010054&bijlage=1&z=2008-02-20&g=2008-02-20).
Deze bijlage behoort bij de regeling tot wijziging van de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen in verband met de omzetting van de Regeling Rijkskeuringsvoorschriften betreffende het vervoer over land van gevaarlijke stoffen in bijlage 4 bij de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen.
### Artikel 1
In deze bijlage wordt verwezen naar onderstaande Europese normen die betrekking hebben op de daarbij genoemde onderwerpen:
In deze bijlage wordt verstaan onder:
In deze bijlage wordt verwezen naar onderstaande Europese normen die betrekking hebben op de daarbij genoemde onderwerpen:
In deze bijlage wordt verwezen naar onderstaande Europese normen die betrekking hebben op de daarbij genoemde onderwerpen:
EN 50 020:1992: Stroomkringen met weerstand zonder cadmium, zink, magnesium of aluminium;
EN 287-1:1997: Het kwalificeren van lassers – Smeltlassen – Deel 1: Staal;
EN ISO 9606-2: Het kwalificeren van lassers – Smeltlassen – Deel 2: Aluminium en Aluminiumlegeringen;
EN 288-2:1992: Het beschrijven en kwalificeren van lasprocedures voor metallische materialen – Deel 2: Lasmethodebeschrijving voor het booglassen;
EN 473:1993: Kwalificatie en certificatie van personeel voor niet-destructief onderzoek. Algemene principes;
EN 571-1:1997: Niet-destructief onderzoek – Penetrantonderzoek – Deel 1: Algemene beginselen;
EN ISO 6947:1997: Lassen – Lasposities – Definities van hellings- en rotatiehoeken;
EN 10204:2004: Producten van metaal – Soorten keuringsdocumenten;
EN 12266-1:1991: Industriële afsluiters – Beproeving van afsluiters – Deel 1: Beproevingen, beproevingsprocedures en acceptatiecriteria waaraan iedere afsluiter moet voldoen;
EN 25817:1992 (ISO 5817:1992): Booglasverbindingen in staal – Richtlijn voor het vaststellen van kwaliteitsniveaus voor onvolkomenheden;
### Hoofdstuk III. Algemeen
EN 13094:2004: Tanks voor het transport van gevaarlijke stoffen – Metalen tanks met een bedrijfsdruk tot 0.5 bar – Ontwerp en constructie;
EN 13308:2002: Tanks voor het transport van gevaarlijke goederen – Uitrusting voor tanks – Niet drukvereffenende bodemafsluiter;
### Artikel 4
EN 14595: 2003: Tanks voor het transport van gevaarlijke goederen – Onderhoudsuitrusting voor tanks – Druk- en vacuümontluchting;
IEC 60079 – 11:1999: Electrical apparatus for explosive gas atmospheres – part 11: intrinsic safety ‘i’.
2. Indien herstellingen zijn verricht van schade waarvan vooraf geen melding is gemaakt en tengevolge waarvan, naar het oordeel van de directeur, onvoldoende inzicht in de deugdelijkheid van het voertuig of van belangrijke onderdelen is ontstaan, kan de goedkeuring aan het voertuig worden onthouden.
### Hoofdstuk IV. Tanks
### Hoofdstuk IV. Tanks
Voor tanks voor het vervoer van stoffen van klasse 2 en tanks waarvan de voorgeschreven berekeningsdruk 1 Mpa (10 bar) of meer bedraagt, welke door Stoomwezen B.V. worden beoordeeld op conformiteit met de bijlagen 1 en 2, wordt een door genoemde instantie afgegeven certificaat overgelegd, waarin is aangegeven dat de tank aan de desbetreffende voorschriften van de bijlagen 1 en 2 voldoet.
### Artikel 6
1. Bij tanks wordt ter vaststelling van:
1. Wanneer schade aan een voertuig, tank of tankcontainer is ontstaan en een veilig vervoer van gevaarlijke stoffen daardoor niet langer is gewaarborgd, geeft de eigenaar of houder hiervan onverwijld schriftelijk kennis. Indien dit een voertuig betreft wordt de melding gericht aan het keuringsstation van VT waaronder de ondernemer ressorteert. In het geval van schade aan de tank van het voertuig of (tank)containers wordt de melding gericht aan de afdeling IKS van VT.
2. Indien herstellingen zijn verricht van schade waarvan vooraf geen melding is gemaakt en tengevolge waarvan, naar het oordeel van de directeur, onvoldoende inzicht in de deugdelijkheid van het voertuig of van belangrijke onderdelen is ontstaan, kan de goedkeuring aan het voertuig worden onthouden.
2. De directeur kan toestaan dat in plaats van EN vergelijkbare normen worden toegepast van de overige bij de ADR aangesloten landen.
3. Van het materiaal voor de romp, de eind- en tussenbodems en de mangathalzen wordt een keuringsrapport `3.1.B' overgelegd overeenkomstig de norm EN 10204 of een overeenkomstig exemplaar volgens andere omschrijvingen, zoals DIN 50049, Abnahmeprüfzeugnis 3.1B.
Van mangathalzen voor tanks, anders dan bedoeld in artikel 6, behoeft geen attest te worden overgelegd, indien deze zijn vervaardigd uit zacht staal of bij tanks overeenkomstig rn. 6.8.2.1.14, onder a) indien de wanddikte van de mangathals ten minste 2 maal de vereiste minimumwanddikte van de tankromp bedraagt.
2. Van het materiaal voor de romp, de eind- en tussenbodems en de mangathalzen wordt, overeenkomstig de norm EN 10204, een zogenaamd ‘3.1’ keuringsrapport overgelegd. Van mangathalzen voor tanks behoeft geen attest te worden overgelegd, indien deze zijn vervaardigd uit zacht staal of bij tanks overeenkomstig rn. 6.8.2.1.14, onder a) indien de wanddikte van de mangathals ten minste 2 maal de vereiste minimumwanddikte van de tankromp bedraagt.
### Artikel 10. rn. 6.8.2.1.23
Bij radiografisch lasonderzoek geldt ten aanzien van de omvang daarvan:
### Artikel 10. rn. 6.8.2.1.23
### **Artikel 8 rn. 6.8.2.1.6**
### Artikel 11. rn. 6.8.2.1.23 lasbekwaamheid
### § 3. Dimensionering
4. Het in het tweede lid bedoelde beoordelingsrapport is gewaarmerkt door een deskundige van een voor dit onderwerp geaccrediteerde instantie of door de directeur erkende instantie, die in aanmerking komt voor aanwijzing indien deze is gecertificeerd en de deskundige is gekwalificeerd overeenkomstig de norm EN 473:1993.
### **Artikel 9 rn. 6.8.2.1.23**
### § 4. Constructie
### **Artikel 10 rn. 6.8.2.1.23 lasbekwaamheid**
### § 4. Constructie
een certificaat overeenkomstig EN 287 of EN ISO 9606 voor het betreffende lasproces en materiaal wordt overgelegd.
### **§ 2 Dimensionering**
Tanks bestemd voor het vervoer van vloeistoffen die niet zijn ontworpen overeenkomstig rn. 6.10 van de bijlagen 1 en 2 mogen niet met een scharnierende eindbodem zijn uitgerust .
### Artikel 21. bovenlossing
### Artikel 20. rn.. 6.10 explosiebestendige tank
### Artikel 21. bovenlossing
Bij tanks die niet zijn uitgerust met een scharnierende achterbodem bedraagt de inwendige doorsnede van mangaten ten minste 450 mm.
### Artikel 24. rn.. 9.7.6 stootbalk algemeen
### **§ 3 Constructie**
### **Artikel 13 lasverbindingen**
### Artikel 25. bescherming tegen beschadiging bij botsingen
Indien voor de constructie van de tank, voor de ommanteling of voor uitrustingsdelen, kunststof als materiaal is gekozen en het voertuig is ontworpen voor het vervoer van:
Indien een tank is voorzien van scheidingswanden of slingerschotten die met contraringen aan de tankwand zijn bevestigd alsmede van afdichtingsplaten ter plaatse van doorstroomopeningen, bezitten deze een dikte die ten minste gelijk is aan de wanddikte overeenkomstig rn. 6.8.2.1.19.
### Artikel 29. tanks overeenkomstig rn. 6.10, scharnierende
### § 6. Uitrusting
### **Artikel 16 scharnierende eindbodem**
### Artikel 30. rn. 6.8.2.2.4 tubelures, doorvoerleidingen
Indien geïsoleerde tanks van morsbakken zijn voorzien, zijn de verbindingslassen van de morsbak met de tankwand vloeistofdicht uitgevoerd en zijn de afvoerpijpen deugdelijk aan de morsbak bevestigd.
### Artikel 32. morsbakken
### Artikel 34. rn.. 6.8.2.1.7 en 6.8.2.2.3 beveiliging tegen
### **Artikel 18 binnenbekleding**
1. Bij elke metalen tank waarvan het tankmateriaal tegen aantasting door de te vervoeren stof dan wel stoffen wordt beschermd door middel van een binnenbekleding, is door de fabrikant van de binnenbekleding een verklaring overgelegd waarin is aangegeven dat deze binnenbekleding voldoende bestand is tegen de stof dan wel stoffen waarvoor de tank is ontworpen. In deze verklaring zijn de benaming van elke stof, het UN-nummer en de desbetreffende klasse, alsmede het fabricagenummer van de tank vermeld.
### Artikel 35. rn. 6.8.2.1.14 onder a en b, beluchtings-
3. Van het, in het eerste en tweede lid genoemde, toe te passen bekledingsmateriaal, wordt ter beoordeling door de directeur de compatibiliteit met het tankmateriaal, zoals de hechtingseigenschappen, aangetoond.
### Artikel 36. rn.. 4.3.4.1.1 en 6.8.2.2.6, bescherming tegen
Beveiligingsinrichtingen van de tank tegen over- en onderdruk met een openingsdruk (verschildruk) van niet meer dan 50 kPa (0,5 bar) zijn bij het vervoer van brandbare stoffen met een vlampunt van ten hoogste 61°C, ongeacht de gevarenklasse, voorzien van de in rn. 4.3.4.1.1, onder deel 4 (veiligheidskleppen/inrichtingen) genoemde bescherming tegen vlaminslag.
### Artikel 37. rn. 6.10.3.8 onder b, pomp- / afzuiginrichting:
Bij toepassing van pomp- / compressoreenheden waarin, gezien hun constructie, vonkvorming zou kunnen plaatsvinden, wordt geacht te zijn voldaan aan het bepaalde in rn. 6.10.3.8 onder b indien ten minste één der volgende maatregelen is getroffen:
### **Artikel 20 rn. 9.7.6 stootbalk algemeen**
1. Van de stootbalk bedraagt het weerstandsmoment tegen buiging om de zwakste doorsnede ten minste 20 cm3.
### Artikel 39. ventilatieopeningen in appendageruimten
### Artikel 40
### Hoofdstuk V. Tankuitrustingsdelen
### Artikel 40
mag de stootbalk aan de betreffende achterbodem zijn bevestigd mits de stootbalk ten minste 10 cm achter het achterste punt van elke vul- en losleiding is gelegen.
### Artikel 42. overdrukventielen
Overdrukventielen als bedoeld in artikel 40, eerste lid, onderdeel b:
### Artikel 43. bodemafsluiters
2. Bij tanks die beschermd worden door een isolerende laag van steen- of glaswol met een dikte van 100 mm en een buitenwand van 0,8 mm austenitisch staal mag de buitenbodem uitgevoerd worden in glasvezelversterkte kunststof met een wanddikte van ten minste 3 mm.
### **Artikel 22 rn. 6.8.2.1.28 en 6.8.2.2.1 bescherming van appendages en uitrustingsdelen op de bovenzijde van de tank**
### Artikel 46. identificatiekenmerken
### Artikel 45. mangatdeksels
2. In het geval van rolbeugels hoeft de weerstandsmoment tegen buigen van het profiel van de rolbeugel niet groter te zijn dan 30 cm3.
### Artikel 47. materiaalaanduiding
### **Artikel 23 rn. 6.8.4 TE 19 appendages aan de onderzijde**
### Artikel 48. verzegeling
2. Indien de plaatsing van een beschermend profiel is voorgeschreven, is deze uitgevoerd als beugel die aan de volgende voorschriften voldoet:
### **Artikel 24**
### Artikel 51. tankbevestiging
### Artikel 50. steunpoten
### **§ 5 Uitrusting**
### **Artikel 25 tanks overeenkomstig rn. 6.10, scharnierende bodem**
### Artikel 52. rn.9.2.4.2.1 EX/II- en EX/III-voertuigen
### Artikel 53. rn. 9.2.4.7 verwarmingsinrichtingen
### **Artikel 26 rn. 6.8.2.2.4 tubelures, doorvoerleidingen**
1. Van tubelures in de tankwand ter bevestiging van uitrustingsdelen en van doorvoerbuizen door de tank komt de wanddikte ten minste overeen met de hierna te noemen waarden:
### Artikel 54. rn.. 9.2.4.3 tot en met 9.2.4.5,
### Artikel 56. rn.. 9.2.4.5 en 9.3.6,
### Artikel 55. rn.. 9.2.4.4 en 9.3.5
### Artikel 56. rn.. 9.2.4.5 en 9.3.6,
### **Artikel 27 rn. 6.8.2.2.2 opening voor schoonmaakdoeleinden**
### Artikel 58. verticaal gerichte uitlaat
2. De opening is uitsluitend uitgevoerd als blokflens, welke rechtstreeks in de tankwand is gelast.
### Artikel 59. rn. 9.2.4.3 tot en met 9 2.4.5
### **Artikel 28 rn. 6.8.2.1.14, onder b tot en met d en 6.8.2.2.6 overdrukventiel**
1. Tanks welke onder overdruk kunnen worden gelost, zijn in de overdruklosinstallatie voorzien van een overdrukventiel, welke :
### Artikel 60. rn. 9.2.2.2.1 zekeringen
Het van fabriekswege tot de standaarduitrusting van een voertuig behorende zekeringenbestand wordt als voldoende aangemerkt, indien ten minste aan het onderstaande is voldaan:
### Artikel 61
Het gedeelte van de elektrische installatie dat achter de bestuurderscabine is gelegen, voldoet, onverminderd het bepaalde in artikel 60, aan de volgende voorschriften:
### Artikel 62. rn.. 9.7.8.1 tot en met 9.7.8.3
### **Artikel 31 rn. 6.8.2.2.2 bedieningsinrichting van de bodemkleppen en rechtstreeks op de tank aangebrachte afsluiters**
### Artikel 63. rn. 9.2.2.3 hoofdschakelaar
Aan het vereiste in rn. 9.3.3 dat in de wanden van de laadruimte van gesloten voertuigen van type EX/II geen ramen mogen zijn aangebracht is voldaan indien aanwezige ramen zodanig door middel van tralies of een rooster zijn beschermd dat ongeautoriseerde toegang tot de laadruimte daarmee wordt verhinderd.
### Artikel 64. rn.9.3.3 afsluitbaarheid
### **Hoofdstuk III Tankuitrustingsdelen**
De uitvoering van de in genoemd randnummer voorgeschreven identificatieplaat voldoet aan de navolgende voorschriften:
### Artikel 65. rn.. 6.8.2.5.1 en 6.8.3.5.1 tank-identificatieplaat
### Artikel 67. rn.. 6.8.2.5.2, 6.8.3.5.6, 6.8.3.5.11 en 6.8.3.5.12
### **Artikel 34 rn. 6.8.2.2.6 ontluchtingsinrichtingen**
### Artikel 67. rn.. 6.8.2.5.2, 6.8.3.5.6, 6.8.3.5.11 en 6.8.3.5.12
### Artikel 68
### Hoofdstuk XII. Goedkeuringsprocedures
Alvorens tot keuring van een nieuw of gewijzigd voertuig of voertuigdeel wordt overgegaan, zijn ontwerpgegevens van de constructie bij de IKS overgelegd en akkoord bevonden.
### Artikel 69
Alvorens tot keuring van een nieuw of gewijzigd voertuig of voertuigdeel wordt overgegaan, zijn ontwerpgegevens van de constructie bij de IKS overgelegd en akkoord bevonden.
### Artikel 70
2. De bodemafsluiters voor tanks, anders dan bedoeld in het eerste lid:
Aan deze goedkeuring kunnen voorschriften worden verbonden.
### Artikel 72
Aan deze goedkeuring kunnen voorschriften worden verbonden.
### Artikel 72
Bij ontwerptekeningen, respectievelijk berekeningen inzake een wijziging, wordt deze wijziging zo volledig mogelijk omschreven.
### Artikel 73
2. Indien de in het eerste lid bedoelde kenmerken niet van fabriekswege op de appendages aanwezig zijn, worden deze alsnog door de fabrikant of de importeur aangebracht, rechtstreeks of op een corrosiebestendig plaatje, hetwelk op duurzame wijze, bij voorbeeld door middel van lassen of klinken op het appendage wordt bevestigd.
### Artikel 74
### **Artikel 40 materiaalaanduiding**
Indien van een bepaald type appendage, afhankelijk van de toepassing, onderdelen van verschillende materialen zijn toegepast, is het feitelijk toegepaste materiaal op het appendage, of in de typecodering aangegeven.
### **Artikel 41 verzegeling**
### Artikel 76
2. Indien de verzegeling, bedoeld in het eerste lid, onder a, onderdeel 1°, namens de directeur wordt aangebracht door een gebruiker, geschiedt dit onder de volgende voorwaarden:
### **Hoofdstuk IV Chassis**
De ontwerpaanvraag bevat de volgende tekeningen in tweevoud (indien van toepassing):
### Artikel 77
### **Artikel 43 steunpoten**
1. Opleggers zijn voorzien van in hoogte verstelbare parkeersteunen (steunpoten) die het mogelijk maken de oplegger te ondersteunen indien deze wordt afgekoppeld van de trekker, waarbij de bevestiging en de toegepaste hefinrichting van de parkeersteunen:
### Artikel 78
### **Artikel 44 rn. 9.7.3 tankbevestiging**
1. Afneembare tanks zijn met ten minste vier bouten M16 van kwaliteit 8.8 of met ten minste gelijkwaardige bevestigingsmiddelen, zoals zelfborgende twist-locks, aan de tankbevestigingspunten van het voertuig vastgezet.
### Artikel 79
### **Artikel 45 rn. 9.7.5.2 Kantelstabiliteit**
Indien het voldoen aan de eisen voor kantelstabiliteit wordt aangetoond op basis van een berekening dienen de basisgegevens waarmee dit systeem werkt te zijn gevalideerd door praktijktesten. Indien validatie niet afdoende aangetoond wordt vereist de directeur nader onderzoek.
### **Hoofdstuk V Motor en uitlaatleiding rn. 9.2.4.4, 9.2.4.5 en 9.3.5**
### **§1. Motor voor aandrijving van het voertuig**
Typegoedkeuring voor de in artikel 40 genoemde uitrustingsdelen wordt uitsluitend verleend aan de fabrikant van de appendages of aan de officiële vertegenwoordiging daarvan in Nederland.
### Artikel 81
Typegoedkeuring voor de in artikel 40 genoemde uitrustingsdelen wordt uitsluitend verleend aan de fabrikant van de appendages of aan de officiële vertegenwoordiging daarvan in Nederland.
### Artikel 82
2. Aan het bepaalde in het eerste lid, onderdeel a, is bij een trekker voor een oplegger in elk geval voldaan, indien genoemde delen zich op niet meer dan 20 cm achter de achterwand van de bestuurderscabine bevinden.
### **Artikel 48 rn. 9.2.4.5 en 9.3.6**
1. De uitmonding van de uitlaatleiding is niet onder of in de nabijheid van vul- en aftapaansluitingen, apparatuurkasten en dergelijke gelegen.
### Artikel 84
### **Artikel 49 rn. 9.2.4.5 en 9.3.6**
### Hoofdstuk XIII. Keuringen en beproevingen
2. De uitlaatleiding behoeft niet van een (aanvullende) warmtewerende afscherming te worden voorzien indien:
### Artikel 85
4. Bij een voertuigchassis voor het vervoer van (tank-)containers wordt geacht te zijn voldaan aan het tweede lid, indien:
### Artikel 86
Een nieuw gebouwd of gewijzigd voertuig voor het vervoer van gevaarlijke stoffen wordt niet in dienst gesteld dan na goedkeuring door of namens de directeur.
### Artikel 87
2. Bij voertuigen van de categorieën FL, EX/II, EX/III en OX, waarbij de afstand van de uitlaatleiding ten opzichte van de ladingtank minder dan 50 cm bedraagt, is deze voorzien van een warmtewerende ommanteling.
### Artikel 88
In geval van verhindering is daarvan voor de keuringsdatum kennis gegeven aan de directeur.
### **Artikel 51 rn. 9.2.4.3 tot en met 9 2.4.5**
Bij voertuigen welke zijn bestemd voor het vervoer van brandbare vloeistoffen met een vlampunt van 61°C of lager, met uitzondering van dieselbrandstof overeenkomstig de norm EN 590:1993, gasolie en huisbrandolie(licht) – identificatienummer 1202 – met een vlampunt zoals gespecificeerd in de norm EN 590:1993, of van brandbare stoffen van klasse 2 zoals gedefinieerd in rn. 2.2.2.1.1 mag een verbrandingsmotor als hulpmotor zijn aangebracht die de apparatuur aandrijft, mits aan de volgende voorschriften is voldaan:
### **Hoofdstuk VI Elektrische installatie**
Bij de keuring wordt nagegaan of het te keuren object:
### Artikel 91
2. Naast het bepaalde in rn. 9.2.2.2.1 zijn uitgezonderd van de verplichting om te zijn gezekerd: standaardschakelingen ten behoeve van in de cabine aangebrachte relais, controlelampen en de elektromotor van een bogieliftinstallatie (ashefinrichting);
### **Artikel 53**
1. Het gedeelte van de elektrische installatie dat achter de bestuurderscabine is gelegen, voldoet, onverminderd het bepaalde in artikel 52, aan de volgende voorschriften:
### **Artikel 54 rn. 9.7.8.1 tot en met 9.7.8.3**
### Artikel 95
### ****Artikel 55 rn. 9.2.2.3 hoofdschakelaar****
1. Indien zo dicht mogelijk bij de aansluiting op de accu’s een voorziening is aangebracht waardoor de stroomsterkte in het te beveiligen circuit een waarde van 1 A bij 30 V (6 A bij 15 V) niet kan overschrijden overeenkomstig figuur A.2.2 - stroomkringen met weerstand van IEC 60079-11 of EN 50 020, is het aangetoond dat delen van de elektrische installatie welke na het openen van de hoofdschakelaar onder spanning blijven, explosieveilig zijn.
### Artikel 96
### Artikel 97. rn. 6.8.2.4.1 hydraulische proefpersing /rn.
### **Hoofdstuk VII Merktekens**
Bij tanks overeenkomstig rn. 6.8.2.1.14 onder (a), die zijn verdeeld in compartimenten en die zijn gebouwd volgens de met ingang van 1 januari 1990 geldende voorschriften, wordt de proefpersing van elk compartiment verricht bij een druk gelijk aan die van de gehele tank.
### Artikel 98
Bij tanks overeenkomstig rn. 6.8.2.1.14 onder (a), die zijn verdeeld in compartimenten en die zijn gebouwd volgens de met ingang van 1 januari 1990 geldende voorschriften, wordt de proefpersing van elk compartiment verricht bij een druk gelijk aan die van de gehele tank.
1. Het in rn. 6.8.2.5.1 en 6.8.3.5.10 bedoelde waarmerk van de deskundige die de beproeving heeft uitgevoerd, is vastgesteld als slagstempel overeenkomstig het in aanhangsel 1 bij deze bijlage weergegeven model.
### Artikel 100
Indien de proefpersing met vloeistof als medium wordt verricht, wordt genoemde druk gemeten boven in de tank.
### Artikel 100
### § 3. Fabricageonderzoek rn. 6.8.2.4.1
### Artikel 101. rn. 6.8.2.4.3 dichtheidsproef
4. De voorgeschreven opschriften zijn op een goed waarneembare plaats aangebracht.
### **Artikel 59 rn. 9.2.2.3.2**
### § 4. Hernieuwde toelating tank rn. 6.8.2.4.2
### Artikel 103. proefpersing
Voor hernieuwde toelating van de tank na maximaal 6 jaar, wordt het voertuig bij IKS voor keuring aangeboden.
### **§ 1. Ontwerpbeoordeling (Algemeen)**
Voor hernieuwde toelating van de tank na maximaal 6 jaar, wordt het voertuig bij IKS voor keuring aangeboden.
### Artikel 105
2. De overgelegde gegevens worden getoetst aan de VLG;
### Artikel 106
### 5. Periodieke keuring en keuring na belangrijke herstelling na ongeval
### Artikel 107
De ondernemer wordt, ten behoeve van de jaarlijkse periodieke keuring, in de regel ten minste acht dagen voor de vervaldag van het keuringsdocument namens de directeur door het keuringsstation van VT waaronder de ondernemer ressorteert, bericht gegeven. Datum, plaats, en tijdstip van de in artikel 86 bedoelde keuringen worden door het betrokken keuringsstation in overleg met de aanvrager vastgesteld.
### Artikel 108
De ondernemer wordt, ten behoeve van de jaarlijkse periodieke keuring, in de regel ten minste acht dagen voor de vervaldag van het keuringsdocument namens de directeur door het keuringsstation van VT waaronder de ondernemer ressorteert, bericht gegeven. Datum, plaats, en tijdstip van de in artikel 86 bedoelde keuringen worden door het betrokken keuringsstation in overleg met de aanvrager vastgesteld.
### **Artikel 62**
1. Bij de in artikel 60, eerste lid, bedoelde ontwerpgegevens is een volledig ingevuld, volgens een door de directeur vastgesteld model, aanvraagformulier gevoegd of een begeleidend schrijven met vermelding van naam, adres, postcode en plaats van vestiging van de ondernemer, het correspondentieadres en een korte omschrijving van de aard van de aanvraag.
### Artikel 112. rn. 6.8.2.4.4
Indien een schademelding overeenkomstig artikel 5 heeft plaatsgevonden, zijn tevens de volgende voorschriften van toepassing:
### **Artikel 63**
### Artikel 113
Deze bijlage is van toepassing op voertuigen en hun uitrusting, die zijn vervaardigd overeenkomstig de VLG.
### Artikel 113
Deze bijlage is van toepassing op voertuigen en hun uitrusting, die zijn vervaardigd overeenkomstig de VLG.
### Artikel 114
2. Alle tekeningen bij voertuigen met vaste of afneembare tanks geven ten minste aan:
### **Artikel 66**
Alle tanktekeningen geven aan voor wat betreft de tank:
### **Artikel 67**
In aanvulling op artikel 66 geven de tanktekeningen tevens aan:
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst met uitzondering van de bijlage 1, die ter inzage wordt gelegd bij het Directoraat-Generaal Goederenvervoer van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat, Nieuwe Uitleg 1 te Den Haag.
In afwijking van de tweede volzin van randnummer 9.7.5.1 van [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010054&bijlage=1&z=2008-02-20&g=2008-02-20), behoeft bij in Nederland geregistreerde gelede voertuigen voor wat betreft de druk van de assen van de beladen oplegger, slechts te worden voldaan aan [artikel 3.3.9 van het Voertuigreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006746&artikel=3.3.9).
### **Hoofdstuk II. Bepalingen voor elk vervoer op Nederlands grondgebied**
1. Dit hoofdstuk is van toepassing op elk vervoer van gevaarlijke stoffen op Nederlands grondgebied en is gebaseerd op de randnummers 1.9.2, 1.9.3 en 1.9.4 van [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010054&bijlage=1&z=2008-02-20&g=2008-02-20).
1. Het is verboden:
### **Artikel 6. Weersomstandigheden**
2. Het is niet toegestaan gevaarlijke stoffen te vervoeren in tanks, losgestort of in colli, in hoeveelheden die per transporteenheid groter zijn dan de voorwaardelijk vrijgestelde hoeveelheden bedoeld in randnummer 1.1.3.6 van [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010054&bijlage=1&z=2008-02-20&g=2008-02-20) en vuurwerk met de UN-nummers 0336 en 0337 met een totale netto explosieve massa van meer dan 20 kilogram:
### **Artikel 7. Zout veer**
7. De bestuurder van een transporteenheid beladen met andere gevaarlijke stoffen dan die zijn vermeld in tabel 5, verstrekt, alvorens een zout veer op te rijden, aan de schipper dan wel aan een daartoe aangewezen personeelslid van de waldienst de benodigde informatie omtrent aard en de hoeveelheid van de vervoerde gevaarlijke stoffen.
### **Artikel 10. Toelating van voertuigen, tankcontainers en kleine mobiele tanks**
7. Indien uit het onderzoek, bedoeld in het zesde lid, blijkt, dat een transportmiddel als bedoeld in het tweede lid niet aan deze regeling voldoet, is de eigenaar of houder ervan verplicht te zorgen dat dit niet weer in gebruik wordt genomen voordat uit een hernieuwd onderzoek is gebleken dat de door de Dienst Wegverkeer nodig geachte voorzieningen zijn aangebracht; in afwachting van het hernieuwde onderzoek kan de Dienst Wegverkeer het keuringsdocument innemen of doen innemen. De eigenaar of houder is alsdan verplicht op eerste vordering van of vanwege de Dienst Wegverkeer het keuringsdocument af te geven.
8. Indien een transportmiddel als bedoeld in het tweede lid niet overeenkomstig het bepaalde in het zevende lid voor keuring wordt aangeboden, kan de Dienst Wegverkeer het keuringsdocument innemen of doen innemen. De eigenaar of houder is alsdan verplicht het keuringsdocument aan hem af te geven.
### **Hoofdstuk III. Implementatie van richtlijn nr. 95/50/EG betreffende uniforme procedures voor de controle op het vervoer van gevaarlijke goederen over de weg**
### **Artikel 2**
1. Het toezicht op de naleving waarvoor met inachtneming van artikel 1 een plan wordt opgesteld:
### **Artikel 3**
1. De plaats waar het toezicht op de naleving, bedoeld in artikel 1, wordt gehouden, wordt zodanig gekozen, dat het mogelijk is de voertuigen die in overtreding zijn, opnieuw met de voorschriften in overeenstemming te brengen of deze voertuigen zo nodig ter plaatse of elders een doorrijverbod op te leggen, zonder dat de veiligheid daardoor in gevaar wordt gebracht.
### **Artikel 6**
Indien een bevoegde instantie van een andere lidstaat van de Europese Unie de Minister mededeling doet van het vermoeden van ernstige of herhaalde overtredingen, die tijdens het toezicht op de naleving door het ontbreken van de noodzakelijke voorzieningen niet kunnen worden aangetoond, verleent de Minister de desbetreffende bevoegde instantie de nodige bijstand en doet mededeling van de resultaten van het daartoe in de betrokken onderneming uitgevoerde toezicht op de naleving.
## Bijlage 3. , bedoeld in [artikel 2, onderdeel c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010054&artikel=2&z=2008-02-20&g=2008-02-20), van de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen
### **Artikel 2**
1. In tabel 1 wordt verstaan onder:
### **Artikel 3**
1. In dit artikel wordt verstaan onder:
6. De instantie verstrekt de Minister binnen zes maanden na afloop van het kalenderjaar een overzicht van de in dat jaar verrichte keuringen, bevattende goedkeuringen, weigeringen tot goedkeuring, alsmede de redenen voor weigeringen tot goedkeuring.
## Bijlage 4. , bedoeld in [artikel 2, onderdeel d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010054&artikel=2&z=2008-02-20&g=2008-02-20), van de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen
Rijkskeuringsvoorschriften betreffende het vervoer over land van gevaarlijke stoffen
### Hoofdstuk I. Begripsbepalingen
In deze bijlage wordt verstaan onder:
### Artikel 2
EN 30042:1994 (ISO 10042:1992): Booglasverbindingen in aluminium en lasbare aluminiumlegeringen – Richtlijn voor het vaststellen van kwaliteitsniveaus voor onvolkomenheden;
EN 13082:2001: Tanks voor het transport van gevaarlijke stoffen – Bedieningsapparatuur voor tanks – Dampafsluiter;
### Hoofdstuk III. Algemeen
EN 13316:2002: Tanks voor het transport van gevaarlijke goederen – Uitrusting van tanks – Drukvereffenende bodemafsluiter;
1. Voertuigen, tanks en tankcontainers voor het vervoer van gevaarlijke stoffen zijn uitsluitend tot het vervoer toegelaten indien zij zijn onderworpen aan een door of namens de directeur verrichte technische keuring, waarbij is gebleken dat is voldaan aan:
2. De directeur kan voertuigen waarvan de technische inrichting en uitrusting niet voldoen aan deze bijlage goedkeuren, indien de technische inrichting en uitrusting van de voertuigen naar het oordeel van de directeur een gelijkwaardige veiligheid bieden.
2. Van de tanks genoemd in het eerste lid, onderdeel c, wordt een door genoemde instantie afgegeven certificaat overgelegd, waarin is aangegeven dat de tank aan de desbetreffende voorschriften van de [bijlagen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010054&bijlage=1&z=2008-02-20&g=2008-02-20) en [2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010054&bijlage=2&z=2008-02-20&g=2008-02-20) voldoet.
### **Artikel 5 rn. 6.8.2.4.4**
1. Bij tanks wordt ter vaststelling van de wanddikte, de eventuele bescherming, de ondersteuning en de bevestiging aan het chassis, uitgegaan van de waarden zoals vastgelegd in Europese Normen die betrekking hebben op het desbetreffende materiaal.
4. Onder gespecificeerde minimumwaarden volgens de materiaalnormen voor austenitische staalsoorten welke ingevolge rn. 6.8.2.1.16 mogen worden overschreden, worden uitsluitend verstaan de rekgrens (Re) en de treksterkte (Rm).
Bij radiografisch lasonderzoek geldt ten aanzien van de omvang daarvan:
Bij radiografisch lasonderzoek geldt ten aanzien van de omvang daarvan, dat:
### Artikel 16. lasverbindingen
Indien een tank is voorzien van scheidingswanden of slingerschotten die met contraringen aan de tankwand zijn bevestigd alsmede van afdichtingsplaten ter plaatse van doorstroomopeningen, bezitten deze een dikte die ten minste gelijk is aan de wanddikte overeenkomstig rn. 6.8.2.1.19.
### **Artikel 11 rn. 6.8.2.1.14 onder (a), lagedruk-tanks**
2. Bij een compartimentinhoud groter dan 15000 liter wordt van de belaste bodem(s) door middel van beproeving dan wel berekening aangetoond dat deze de onder (a) genoemde kracht kan (kunnen) opnemen.
2. Indien de tank is bestemd voor het vervoer van meer dan één gas zal het maximumvulgewicht van de lichtste gassoort bepalend zijn.
### Artikel 28
Indien voor de constructie van de tank, voor de ommanteling of voor uitrustingsdelen, kunststof als materiaal is gekozen en het voertuig is ontworpen voor het vervoer van:
1. Met uitzondering van tanks overeenkomstig rn. 6.8.2.1.14 onder (a) mogen tanks scharnierend zijn bevestigd indien de constructie en de gehele inrichting daarop zijn afgestemd.
2. In afwijking van het eerste lid is tevens voldaan aan de eis van explosiebestendigheid indien het prototype van de tank wordt onderworpen aan een hydraulische proefpersing onder een druk van 1,3 maal de berekeningsdruk van 970 kPa (9,7 bar) (absoluut) en, behoudens plastische vervorming, daartegen bestand blijkt.
### Artikel 34. rn.. 6.8.2.1.7 en 6.8.2.2.3 beveiliging tegen
3. (apparatuurkast) Indien de tank aan de achterzijde is beschermd door een constructie, zoals een apparatuurkast waarvan de sterkte ten minste gelijkwaardig is aan die van genoemde stootbalk, is voldaan aan het gestelde in rn. 9.7.6. De constructie alsmede de bevestiging hiervan aan het voertuig is van dien aard, dat de bij een ongeval op de kast uitgeoefende krachten zodanig op het voertuigchassis worden overgebracht, dat beschadiging van de tank wordt voorkomen.
### Artikel 41. rn.. 6.8.2.2.6 ontluchtingsinrichtingen overeenkomstig
De uitrustingsdelen boven op de tank dienen te worden beschermd met een constructie zoals beschreven in artikel 6.13 van de EN 13094:2004. Op volgende onderdelen kan afgeweken worden van deze voorschriften.
### Artikel 46. identificatiekenmerken
Indien van een bepaald type appendage, afhankelijk van de toepassing, onderdelen van verschillende materialen zijn toegepast, is het feitelijk toegepaste materiaal op het appendage, of in de typecodering aangegeven.
### Hoofdstuk VI. Chassis
Indien voor de constructie van de tank, voor de ommanteling of voor tankuitrustingsdelen, kunststof als materiaal is gekozen en het voertuig is ontworpen voor het vervoer van:
### § 1. Motor voor aandrijving van het voertuig
b. bij een inwendige doorsnede van meer dan 50 mm:
### § 2. Hulpmotor (Verbrandingsmotor)
Bij voertuigen welke zijn bestemd voor het vervoer van brandbare vloeistoffen met een vlampunt van 61°C of lager, met uitzondering van dieselbrandstof overeenkomstig de norm EN 590:1993, gasolie en huisbrandolie(licht) - identificatienummer 1202 - met een vlampunt zoals gespecificeerd in de norm EN 590:1993, of van brandbare stoffen van klasse 2 zoals gedefinieerd in rn. 2.2.2.1.1 mag een verbrandingsmotor als hulpmotor zijn aangebracht die de apparatuur aandrijft, mits aan de volgende voorschriften is voldaan:
### Hoofdstuk IX. Elektrische Installatie
Bij voertuigen bestemd voor het vervoer van brandbare vloeistoffen met een vlampunt van 61°C of lager (met uitzondering van dieselolie, gasolie en lichte stookolie - identificatienummer 1202 - met een vlampunt zoals gespecificeerd in de norm EN 590:1993) of van brandbare stoffen van klasse 2 zoals gedefinieerd in rn. 2.2.2.1.1 wordt daarbij aan de volgende voorschriften voldaan:
### **Artikel 32 ventilatieopeningen in appendageruimten**
Aan het vereiste in rn. 9.3.3 dat in de wanden van de laadruimte van gesloten voertuigen van type EX/II geen ramen mogen zijn aangebracht is voldaan indien aanwezige ramen zodanig door middel van tralies of een rooster zijn beschermd dat ongeautoriseerde toegang tot de laadruimte daarmee wordt verhinderd.
### **Artikel 33**
2. De uitvoering van genoemde uitrustingsdelen voldoet aan de artikelen 34 tot en met 37, 39 en 40.
### **Artikel 35 overdrukventielen**
### **Artikel 37 eindafsluiters**
Eindafsluiters als bedoeld in artikel 33, eerste lid, onderdeel d:
Aan de daartoe door de directeur aangewezen inspecteurs wordt tijdens de bouw of het wijzigen van een voertuig te allen tijde gelegenheid gegeven daarbij tegenwoordig te zijn en worden alle gewenste inlichtingen verstrekt en alle medewerking verleend.
### § 2. Ontwerpbeoordeling voertuigen met uitzondering van trekkers en dragende motorvoertuigen, opleggers en aanhangwagens voor containers met een inhoud van meer dan 3000 liter
1. Druk-instelbare ontluchtingsinrichtingen, beluchtinginrichtingen, al dan niet gecombineerd, alsmede afblaasventielen zijn van een gewaarmerkte verzegeling voorzien, welke aan de volgende voorschriften voldoet:
### § 2.1. Tekeningen (Algemeen)
Alle tekeningen:
### § 2.2. Berekeningen
Bij het ontwerp worden per voertuig ten minste de volgende berekeningen overgelegd:
### § 3. Beoordeling van een aanvraag voor goedkeuring van een trekker of een dragend motorvoertuig voor containers met een inhoud groter dan 3000 liter
De ingevolge artikel 69 over te leggen gegevens betreffen voor een trekker de volgende bescheiden:
### § 4. Beoordeling van een aanvraag voor goedkeuring van een getrokken dragend voertuig voor containers met een inhoud groter dan 3000 liter
In afwijking van het bepaalde in artikel 69 worden de hierna genoemde bescheiden bij het aanbieden van het voertuig voor keuring in een keuringsstation van de RDW aan de inspecteur aangeboden:
### **Artikel 46 rn. 9.2.4.3 tot en met 9.2.4.5**
Indien de in artikel 82 bedoelde over te leggen bescheiden door de directeur akkoord zijn bevonden wordt een proefexemplaar van het appendage, dat van de vereiste merk- en typeaanduiding(en) is voorzien, ter beoordeling overgelegd.
### § 1. Algemeen
Bij voertuigen bestemd voor het vervoer van brandbare vloeistoffen met een vlampunt van 61°C of lager (met uitzondering van dieselolie, gasolie en lichte stookolie – identificatienummer 1202 – met een vlampunt zoals gespecificeerd in de norm EN 590:1993) of van brandbare stoffen van klasse 2 zoals gedefinieerd in rn. 2.2.2.1.1 is het aanbrengen van elektrische apparatuur in gesloten ruimten waarin tevens vul- en aftapleidingen, vloeistofpompen en dergelijke ten behoeve van de lading aanwezig zijn, toegestaan indien:
### Artikel 95
3. indien een bediening van de hoofdschakelaar aan de buitenzijde van het voertuig is aangebracht, is deze uitgevoerd in een duidelijk opvallende of contrasterende kleur.
### **Artikel 56 rn. 6.8.2.5.1 en 6.8.3.5.1 tank-identificatieplaat**
### Artikel 99
2. Het in het eerste lid bedoelde waarmerk, zoals gebruikt tot 1 januari 2005, blijft van kracht gedurende de termijn dat de desbetreffende keuring geldig is.
2. De opschriften zijn van buitenaf duidelijk leesbaar aangegeven.
### § 3. Fabricageonderzoek rn. 6.8.2.4.1
1. Bij het bedieningsmechanisme van de hoofdschakelaar is het opschrift ‘hoofdschakelaar’ in een duidelijk opvallende uitvoering of een naar het oordeel van de directeur duidelijk herkenbaar symbool aangebracht. Bij de in de cabine geplaatste schakelaar behoeft geen opschrift te worden aangebracht indien naar het oordeel van de directeur deze schakelaar op andere wijze voldoende herkenbaar is.
### **Hoofdstuk VIII Goedkeuringsprocedures**
4. Indien tijdens de nieuwbouw of de wijziging afwijkingen van een in beginsel goedgekeurde tekening wenselijk worden geacht, wordt dit aan de directeur ter goedkeuring voorgedragen.
### **Artikel 61**
### Artikel 110
3. Voor voertuigen die moeten voldoen aan rn. 9.2.3.1 van de ADR voor wat betreft een antiblokkeer systeem of een duurreminstallatie wordt een aanvraagformulier overgelegd zoals genoemd in artikel 69.
De ontwerpaanvraag bevat de volgende tekeningen in tweevoud (indien van toepassing):
### **Artikel 64**
### **§ 2.2. Berekeningen**
Het in het waarmerk opgenomen nummer ‘01’ kan variëren afhankelijk van degene die de keuring uitvoert.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst met uitzondering van de bijlage 1, die ter inzage wordt gelegd bij het Directoraat-Generaal Goederenvervoer van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat, Nieuwe Uitleg 1 te Den Haag.
Rijkskeuringsvoorschriften betreffende het vervoer over land van gevaarlijke stoffen
IEC 529:1993: Degrees of protection provided by enclosures of electrical equipment (IP Code);
3. Met de krachtens deze regeling tot het vervoer toegelaten voertuigen, tanks en tankcontainers worden gelijkgesteld voertuigen die aan gelijkwaardige eisen voldoen en die tot het vervoer zijn toegelaten in een andere lidstaat van de Europese Unie dan wel in een staat die partij is bij de overeenkomst inzake de Europese Economische Ruimte.
1. Deze bijlage is niet van toepassing op:
### **Artikel 6**
3. Op alle delen van het materiaal bedoeld in het tweede lid is het chargenummer, vermeld in het bijbehorende attest, aangegeven. Dit nummer is door de materiaalfabrikant aangebracht of, bij versneden platen, op een door de directeur te bepalen wijze overgestempeld.
Tot 1 januari 2009 worden de volgende berekeningscodes door de directeur erkend:
1. Het kwaliteitsniveau van de lassen dient te voldoen aan:
2. Radiografisch lasonderzoek wordt uitgevoerd en gerapporteerd volgens EN 1435. De techniek van het onderzoek volgens klasse B.
3. De resultaten van het radiografisch lasonderzoek worden beoordeeld aan de hand van één van de volgende criteria:
1. Een lasser wordt als gediplomeerd in de zin van [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010054&bijlage=1&z=2008-02-20&g=2008-02-20) beschouwd indien
2. De lasmethodekwalificatie is overeenkomstig EN 288 of voldoet aan de voorschriften daaromtrent in de voor het ontwerp van de tanks toegepaste code.
1. Tanks die niet zijn ontworpen en ingericht om te laden of te lossen onder overdruk en waarvan de waterinhoud van elk tankcompartiment, ongeacht het aantal slingerschotten, ten hoogste 15.000 liter bedraagt, worden geacht de in rn. 6.8.2.1.2 genoemde, op de bodem(s) uitgeoefende kracht ter grootte van 2 maal de massa van de lading te kunnen opnemen.
rn. 6.9
3. Van tanks vervaardigd uit glasvezelversterkte kunststof mag de waterinhoud ten hoogste 10.000 liter bedragen.
1. Bij tanks voor het vervoer van een vloeibaar gemaakt gas van klasse 2 is voor het bepalen van de maximaal toelaatbare tankinhoud het vastgestelde maximumvulgewicht bij de maximumvullingsgraad maatgevend.
1. Kruisende lasnaden in de tankwand zijn niet toegestaan. Ter voorkoming hiervan zijn de volgende constructiewijze of werkwijze toegestaan:
2. Het eerste lid is niet van toepassing op lasnaden van versterkingsringen, dubbelplaten en dergelijke die lasnaden in de tankwand kruisen.
2. In dit geval zijn zodanige voorzieningen aangebracht dat:
Tanks bestemd voor het vervoer van vloeistoffen die niet zijn ontworpen overeenkomstig rn. 6.10 van [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010054&bijlage=1&z=2008-02-20&g=2008-02-20) zijn niet met een scharnierende eindbodem uitgerust.
1. Voor de constructie van een explosiebestendige tank zijn de volgende criteria van toepassing:
2. Indien de binnenbekleding uitsluitend is aangebracht om de zuiverheid van de lading te waarborgen, is de bestendigheid van het tankmateriaal tegen de te vervoeren stoffen maatgevend.
4. Naast het bepaalde in het eerste lid, wordt bij tanks vervaardigd van aluminiumlegeringen de mate van bestendigheid van het tankmateriaal tegen de te vervoeren stoffen aangetoond, waaraan in elk geval is voldaan indien op basis van algemene bestendigheidlijsten, zoals van de fabrikant van het tankmateriaal, wordt aangetoond dat aantasting van de aluminiumlegering door de te vervoeren stof slechts in beperkte mate is te verwachten.
### **Artikel 19 rn. 6.8.2.2.4 mangaten**
Bij tanks die niet zijn uitgerust met een scharnierende achterbodem bedraagt de inwendige doorsnede van mangaten ten minste 500 mm.
### **§ 4 Bescherming**
2. Indien de in het Voertuigreglement genoemde beschermingsinrichting tegen klemrijden is aangebracht op ten minste 10 cm achter de achterzijde van de tank of achter de tank aangebrachte apparatuur, kan deze tevens worden aangemerkt als de stootbalk overeenkomstig randnummer 9.7.6.
4. Indien de tank niet is voorzien van de in rn. 6.8.2.2.2 genoemde eindafsluiter aan het einde van elke vul- en losleiding, bedraagt het weerstandsmoment tegen buiging van de stootbalk om de zwakste doorsnede ten minste 30 cm3.
5. Indien de tank:
6. (stootbalk bij tanks met isolerende bekleding) Bij tanks voorzien van een uitwendige isolerende bekleding wordt de achterzijde van de binnentank als het meest naar achteren gelegen deel van de tankwand aangemerkt. De achterzijde van de stootbalk behoeft niet meer dan 50 mm achter de bekledingsbodem te zijn gelegen (gemeten in rijklare toestand van het voertuig), mits de dikte van de isolatie ten minste 50 mm bedraagt.
### **Artikel 21 bescherming tegen beschadiging bij botsingen of kantelen**
1. Uitwendig tegen de zijkant, de voorbodem en de achterbodem van tanks aangebrachte uitrustingsdelen zijn zodanig bevestigd of beschermd dat geen gevaar bestaat dat de tank tengevolge van op de betreffende uitrustingsdelen uitgeoefende krachten wordt beschadigd.
1. In het geval van beschermende kappen zoals morsbakken, mag de lengte van de morsbak een uitwendige lengte hebben van maximaal 1500 mm.
3. In het geval van verzonken aangebrachte uitrusting zoals bedoeld in artikel 6.13.2.3 van EN 13094:2004 behoeft de ring niet de contour van de tank te volgen.
1. Ter bepaling van de in rn. 6.8.4 TE 19 voorgeschreven maat van 200 mm worden als meest uitstekende deel van de tank uitsluitend de tankwand, ononderbroken versterkingsringen of langsbalken ter bescherming van de tank aangemerkt.
is deze kunststof vlamdovend uitgevoerd, waaraan geacht wordt te zijn voldaan indien monsters zijn beproefd in overeenstemming met ISO-norm 3759:1989
1. Scharnieren van tankbodems zijn nastelbaar uitgevoerd.
2. Knevels ten behoeve van de sluiting van de tankbodem voldoen aan de volgende voorschriften:
a. bij een inwendige doorsnede van ten hoogste 50 mm:
2. Tubelures die aan de buitenzijde van de tank zijn aangebracht, zijn zo kort mogelijk uitgevoerd.
3. Indien een uitwendige leiding vast op een afsluiter op de tank is aangesloten, zijn beschermende voorzieningen getroffen om te voorkomen dat tengevolge van een ongeval, hierop uitgeoefende krachten tot ondichtheid van de tank leiden.
1. De doorlaatopening bedraagt ten hoogste 100 mm.
3. De opening is uitsluitend door middel van een blindflens afgesloten.
2. Bij toepassing van de combinatie van een veiligheidsventiel en een breekplaat:
### **Artikel 29 rn. 4.3.4.1.1 en 6.8.2.2.6, bescherming tegen vlaminslag**
Beveiligingsinrichtingen van de tank tegen over- en onderdruk met een openingsdruk (verschildruk) van niet meer dan 50 kPa (0,5 bar) zijn bij het vervoer van brandbare stoffen met een vlampunt van ten hoogste 61°C, ongeacht de gevarenklasse, voorzien van de in rn. 4.3.4.1.1, onder deel 4 (veiligheidskleppen/inrichtingen) genoemde bescherming tegen vlaminslag.
### **Artikel 30 rn. 6.10.3.8 onder b, pomp-/afzuiginrichting**
Bij toepassing van pomp-/compressoreenheden waarin, gezien hun constructie, vonkvorming zou kunnen plaatsvinden, wordt geacht te zijn voldaan aan het bepaalde in rn. 6.10.3.8 onder b, indien ten minste één der volgende maatregelen is getroffen:
Naast het bepaalde in rn. 6.8.2.2.2 wordt eveneens geacht aan de controleerbaarheid van de stand (open of dicht) te zijn voldaan, indien bepaalde voor het wegrijden noodzakelijke handelingen zoals het sluiten van een meterkastluik, het uitschakelen van de p.t.o. of de parkeerreminrichting ofwel slechts mogelijk zijn indien bedoelde appendages zijn gesloten, dan wel het sluiten van bedoelde appendages tot gevolg hebben.
Indien de laad- en losinrichtingen zijn aangebracht in gesloten ruimten, zijn deze ruimten voorzien van ventilatieopeningen. Deze ventilatieopeningen zijn in de bodem of zo laag mogelijk in de zijwanden aangebracht en omvatten een gezamenlijk oppervlak van ten minste 20 mm2 per liter inhoud van de te ventileren ruimte.
1. De hierna genoemde uitrustingsdelen zijn, voor zover zij zijn voorgeschreven of aanwezig zijn, door de directeur goedgekeurd. Op verzoek van de fabrikant of de officiële vertegenwoordiger in Nederland kan een typegoedkeuring worden aangevraagd, overeenkomstig de artikelen 70 tot en met 73:
1. Ontluchtingsinrichtingen zijn uitgevoerd als:
2. De voorschriften van de normen EN 13082 (dampafsluiter) en EN 14595(druk- en vacuumontluchting) zijn van toepassing op ontluchtingsinrichtingen als bedoeld in artikel 33, eerste lid, onderdeel a, gebruikt op tanks met een maximale werkdruk van 0,5 bar en het vervoer van vloeibare aardolieproducten en andere gevaarlijk stoffen van klasse 3 met een dampdruk van ten hoogste 1,1 bar en benzine zonder giftige and corrosieve subclassificatie.
3. De inrichtingen voor tanks, anders dan bedoeld in het tweede lid voldoen aan:
Overdrukventielen als bedoeld in artikel 33, eerste lid, onderdeel b:
### **Artikel 36 bodemafsluiters**
1. De voorschriften van de normen EN 13308 en EN 13316 zijn van toepassing op bodemafsluiters als bedoeld in artikel 33, eerste lid, onderdeel c, gebruikt op tanks met een maximale werkdruk van 0,5 bar en het vervoer van vloeibare aardolieproducten en andere gevaarlijk stoffen van klasse 3 met een dampdruk van ten hoogste 1,1 bar en benzine, zonder giftige en corrosieve subclassificatie.
### **Artikel 38 mangatdeksels**
Scharnierende mangatdeksels met een werkdruk boven de 0,5 bar zijn voorzien van tenminste 4 knevelbouten met oog of vleugelmoeren.
### **Artikel 39 identificatiekenmerken**
1. Tenzij in de betreffende appendagenormen anders wordt bepaald dienen uitrustingsdelen te zijn voorzien van de volgende, duidelijk en duurzaam aangebrachte kenmerken:
3. De identificatiekenmerken op de appendages worden op een zodanige plaats aangebracht dat deze leesbaar zijn, indien de appendages zijn gemonteerd.
### **Artikel 42 één-assige aanhangwagens**
Eén-assige en meerassige middenasaanhangwagens zijn uitsluitend toegestaan voor het vervoer van vaste (poeder- of korrelvormige) stoffen.
2. Indien een oplegger niet is voorzien van parkeersteunen, is deze zodanig ingericht dat losse ondersteuningen kunnen worden geplaatst teneinde bij onderhoudswerkzaamheden en bij de periodieke keuring de ledige oplegger af te koppelen.
2. De tankbevestigingspunten zijn met behulp van een profielconstructie deugdelijk met het voertuigchassis verbonden.
Indien het voertuig is ingericht voor het vervoer van brandbare vloeistoffen met een vlampunt van 61°C of lager, van brandbare stoffen van klasse 2 zoals gedefinieerd in rn. 2.2.2.1.1 (FL voertuig) dan wel is uitgevoerd als EX/II of EX/III voertuig, is ten aanzien van de motor die het voertuig voortbeweegt aan de artikelen 47 tot en met 49 te voldoen.
### **Artikel 47 rn. 9.2.4.4 en 9.3.5**
1. Aan het bepaalde in rn. 9.2.4.4 en 9.3.5 wordt geacht te zijn voldaan indien:
2. De uitmonding van de uitlaatleiding mag onder het voertuig zijn gelegen indien de uitmonding schuin naar beneden is gericht.
1. Aan het bepaalde in rn.’s 9.2.4.5 en 9.3.6 is voldaan indien een afscherming is aangebracht die ten minste even doeltreffend is als een afscherming met de onderstaande kenmerken:
3. Bij een trekker voor het voortbewegen van een oplegger is in elk geval voldaan aan het tweede lid, indien:
5. In verband met de aansluiting van een uitlaatgasafzuiginrichting behoeft het aan de uitmonding grenzende deel van de uitlaatleiding over een lengte van ten hoogste 10 cm niet te zijn afgeschermd.
### **Artikel 50 verticaal gerichte uitlaat**
1. Een verticaal gerichte uitlaatleiding is voor alle categorieën (FL, EX/II, EX/III, OX en AT) toegestaan indien:
3. Bij voertuigen van de categorie FL is aan het einde van de uitlaatleiding een vonkenvanger aangebracht.
### **§ 2. Hulpmotor (Verbrandingsmotor)**
### **Artikel 52 rn. 9.2.2.2.1 zekeringen**
1. Het van fabriekswege tot de standaarduitrusting van een voertuig behorende zekeringenbestand wordt als voldoende aangemerkt, indien ten minste aan het onderstaande is voldaan:
2. Indien een voertuig is uitgerust met extra accu’s ten behoeve van hulpapparatuur, voldoen deze aan de volgende voorschriften:
De uitvoering van de in genoemd randnummer voorgeschreven identificatieplaat voldoet aan de navolgende voorschriften:
### **Artikel 57 rn 6.8.2.5.1 en 6.8.3.5.10 waarmerk**
### **Artikel 58 rn. 6.8.2.5.2, 6.8.3.5.6, 6.8.3.5.11 en 6.8.3.5.12**
1. Voor de in de VLG voorgeschreven opschriften bedraagt de letterhoogte voor:
3. Bij vervoer van vloeibaar gemaakte gassen worden de op het voertuig aan te brengen opschriften aangevuld met het hoogst toelaatbare vulpercentage.
2. In afwijking van het bepaalde in artikel 58 is het voor de buitenzijde voorgeschreven opschrift met een letterhoogte van ten minste 10 mm uitgevoerd.
### **Artikel 60**
1. Alvorens tot keuring van een nieuw of gewijzigd voertuig of voertuigdeel wordt overgegaan, zijn ontwerpgegevens van de constructie bij IKS overgelegd en akkoord bevonden;
3. Bij ontwerptekeningen, respectievelijk berekeningen inzake een wijziging, wordt deze wijziging zo volledig mogelijk omschreven.
5. De directeur deelt de goedkeuring van het ontwerp, waaraan voorschriften kunnen worden verbonden, schriftelijk mede aan de ondernemer;
Aan de daartoe door de directeur aangewezen inspecteurs wordt tijdens de bouw of het wijzigen van een voertuig te allen tijde gelegenheid gegeven daarbij tegenwoordig te zijn en worden alle gewenste inlichtingen verstrekt en alle medewerking verleend.
### **§ 2. Ontwerpbeoordeling voertuigen met uitzondering van trekkers en dragende motorvoertuigen, opleggers en aanhangwagens voor containers met een inhoud van meer dan 3000 liter**
2. Voor voertuigen die moeten voldoen aan rn 9.7.5.2 van de ADR wordt aangegeven op welke wijze voldaan wordt.
### **§ 2.1 Tekeningen (Algemeen)**
Alle tekeningen:
### **Artikel 65**
1. Overzichtstekeningen geven aan voor wat betreft het complete voertuig:
### **Artikel 68**
Bij het ontwerp worden per voertuig ten minste de volgende berekeningen overgelegd:
### **§ 3. Beoordeling van een aanvraag voor goedkeuring van een trekker of een dragend motorvoertuig of getrokken voertuig voor containers met een inhoud groter dan 3000 liter**
### **Artikel 69**
1. Ingevolge artikel 60, eerste lid, wordt een aanvraagformulier volgens een door de directeur vastgesteld model overgelegd.
2. Op het aanvraagformulier wordt door de fabrikant van het voertuig of zijn officiële vertegenwoordiger in Nederland verklaard aan welke ADR typegoedkeuring het voertuig voldoet. Tevens wordt verklaard dat het ABS en indien van toepassing de duurreminstallatie voldoen aan de eisen zoals vastgesteld in het ADR.
### **§ 4. Typegoedkeuring uitrustingsdelen**
### **Artikel 70**
Typegoedkeuring voor de in artikel 33 genoemde uitrustingsdelen wordt uitsluitend verleend aan de fabrikant van de appendages of aan de officiële vertegenwoordiging daarvan in Nederland.
### **Artikel 71**
De aanvraag ter verkrijging van een typegoedkeuring gaat vergezeld van de volgende bescheiden:
### **Artikel 72**
De in artikel 71, onderdelen b, c en e, bedoelde bescheiden worden door de fabrikant van de appendages verstrekt.
### **Artikel 73**
Indien de in artikel 71 bedoelde over te leggen bescheiden door de directeur akkoord zijn bevonden wordt een proefexemplaar van het appendage, dat van de vereiste merk- en typeaanduiding(en) is voorzien, ter beoordeling overgelegd.
### **Hoofdstuk IX Keuringen en beproevingen**
### **§ 1. Algemeen**
### **Artikel 74**
Naast het overige dat in de VLG is voorgeschreven, wordt een voertuig onderscheidenlijk tank voor een keuring respectievelijk beproeving aangeboden:
### **Artikel 75**
1. Een nieuw gebouwd of gewijzigd voertuig voor het vervoer van gevaarlijke stoffen wordt niet in dienst gesteld dan na goedkeuring door of namens de directeur.
2. De keuringen en beproevingen worden slechts verricht na ontvangst van een schriftelijke orderbevestiging.
3. De keuringsdatum wordt vastgesteld nadat de ontwerpgegevens zijn goedgekeurd door de directeur.
4. In geval van verhindering is daarvan voor de keuringsdatum kennis gegeven aan de directeur.
### **Artikel 76**
Bij de keuring wordt nagegaan of het te keuren object:
### **Artikel 77**
1. Bij keuringen en beproevingen staat voldoende geschoold personeel en gereedschap ter beschikking, opdat eventuele verrichtingen als hydraulische proefpersingen, dichtheidsbeproevingen, wanddiktemetingen, demontage van onderdelen, remproeven en dergelijke, een vlot verloop kunnen hebben.
2. Bij keuringen en beproevingen bevinden de voertuigen en in het bijzonder de tanks met bijbehorende appendages, zich in een in- en uitwendig afdoende gereinigde staat.
### **Artikel 78**
Voor zover geen inwendige inspectie of proefpersing van de tank is vereist, behoeft de tank niet inwendig te worden gereinigd bij de keuring van:
### **Artikel 79**
1. Bij keuringen, onderscheidenlijk beproevingen zonder inwendige inspectie van de tank wordt het bepaalde onder artikel 77, tweede lid, bevestigd in een door de eigenaar, dan wel houder van het voertuig opgestelde verklaring, welke onmiddellijk vóór de keuring onderscheidenlijk beproeving aan de keurende inspecteur wordt afgegeven.
2. In deze verklaring is tevens vermeldt welke stof, aangegeven door naam, klasse en rn., als laatste werd vervoerd voorafgaand aan het tijdstip van keuring onderscheidenlijk beproeving.
### **Artikel 80**
1. Voorafgaand aan een inwendige inspectie is de tank inwendig gereinigd.
2. Onmiddellijk voor de inwendige inspectie van de tank wordt een certificaat overgelegd waaruit blijkt dat de veiligheid van degene die de tank inwendig inspecteert, is gegarandeerd. In het certificaat is ten minste aangegeven:
3. Het in het tweede lid genoemde certificaat is opgemaakt door een deskundige, als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder v van het Veiligheidsbesluit Tankschepen, van een door het Directoraat Generaal van de Arbeid erkende rechtspersoon.
4. Indien de fabrikant van de tank of de werkplaats waar de tank wordt geïnspecteerd ten minste is gecertificeerd voor een kwaliteitsborgingssysteem volgens de norm ISO 9001:2000, kan de directeur onder nader bekend te maken voorschriften en beperkingen toestaan dat het certificaat, bedoeld in het tweede lid, door de eigen gekwalificeerde deskundige wordt opgesteld en gewaarmerkt.
5. Het in het tweede lid genoemde certificaat behoeft niet te worden overgelegd, indien:
### **Artikel 81**
Indien bij een keuring of beproeving gebreken worden vastgesteld van zodanige aard dat niet tot goedkeuring kan worden overgegaan, wordt aan de ondernemer een opgave verstrekt van de gebreken die tot de weigering van de goedkeuring hebben geleid en wordt het voertuig, nadat de nodige voorzieningen zijn getroffen, voor herkeuring aangeboden.
### **§ 2. Beproevingen (Algemeen)**
### **Artikel 82 rn. 6.8.2.4.1 hydraulische proefpersing /rn.**
1. Hydraulische proefpersingen en dichtheidsproeven worden onder toezicht van IKS verricht.
2. In afwijking van het eerste lid kan de directeur toestaan dat bedoelde beproevingen worden verricht onder toezicht van een door hem aan te wijzen deskundige, in dat geval wordt een door genoemde deskundige gewaarmerkt certificaat overgelegd, waarin is vermeld:
### **Artikel 83**
Bij tanks overeenkomstig rn. 6.8.2.1.14 onder (a), die zijn verdeeld in compartimenten en die zijn gebouwd volgens de met ingang van 1 januari 1990 geldende voorschriften, wordt de proefpersing van elk compartiment verricht bij een druk gelijk aan die van de gehele tank.
### **Artikel 84**
1. De bij de proefpersing toegepaste druk bedraagt in elk geval ten minste 25 kPa (0,25 bar).
Indien de proefpersing met vloeistof als medium wordt verricht, wordt genoemde druk gemeten boven in de tank.
2. Bij een beproevingsdruk van ten hoogste 50 kPa (0,5 bar) mag lucht of een ander gas als beproevingsmedium worden toegepast, voor zover dat in geen enkel opzicht gevaar oplevert.
### **Artikel 85 rn. 6.8.2.4.1 hydraulische proefpersing / rn. 6.8.2.4.3 dichtheidsproef**
1. De in rn. 6.8.2.4.3 bedoelde inwendige druk van ten minste 20 kPa (0,2) bar, wordt bij beproeving met vloeistof als medium, gemeten boven in de tank.
2. Indien de tank is voorzien van een ontluchtings- en veiligheidsinrichting die voorkomt dat de inhoud uit de tank ontsnapt, wordt de dichtheidsproef verricht bij een inwendige druk welke ten minste gelijk is aan de openingsdruk van deze voorziening.
### **§ 3. Fabricageonderzoek rn. 6.8.2.4.1**
### **Artikel 86**
Uiterlijk bij de aanvang van de keuring worden de volgende bescheiden overgelegd:
### **Artikel 87 proefpersing**
1. Bij de proefpersing worden alle noodzakelijke inspecties verricht om vast te stellen dat:
2. Bij de proefpersing is de tank:
### **§ 4. Periodiek inspectie en beproeving rn. 6.8.2.4.2**
### **Artikel 88**
Voor de periodieke inspectie en beproeving wordt de tank van een tankvoertuig en een tankcontainer tijdig voor het aflopen van de in rn. 6.8.2.4.2 genoemde termijnen bij IKS voor keuring aangeboden.
### **Artikel 89**
Indien de resultaten van het inwendige onderzoek van de tank daartoe aanleiding geven en in elk geval met tussenliggende perioden van ten hoogste 12 jaar, wordt tevens een onderzoek naar de tankondersteuning ingesteld, waartoe de eventueel aanwezige tankommanteling wordt verwijderd voor zover dit met het oog op het onderzoek naar het oordeel van de directeur noodzakelijk wordt geacht.
### **Artikel 90**
1. De hydraulische proefpersing wordt bij de tank als geheel verricht bij de beproevingsdruk, zoals vermeld op de tank-identificatieplaat (stempelplaat).
2. Per compartiment wordt de hydraulische proefpersing verricht bij een druk gelijk aan 1,3 maal de op de stempelplaat aangegeven werkdruk.
3. Indien de beproeving per compartiment plaats vindt aansluitend aan de in het eerste lid bedoelde beproeving, behoeven de aan het te beproeven compartiment grenzende compartimenten niet te zijn geledigd.
### **§5. Periodieke keuring voertuig**
### **Artikel 91**
De ondernemer wordt, ten behoeve van de jaarlijkse periodieke keuring, in de regel ten minste acht dagen voor de vervaldag van het keuringsdocument namens de directeur door het keuringsstation van VT waaronder de ondernemer ressorteert, bericht gegeven. Datum, plaats, en tijdstip van de keuringen worden door het betrokken keuringsstation in overleg met de aanvrager vastgesteld.
### **Artikel 92**
Het niet ontvangen van de in artikel 91 bedoelde oproep ontslaat de ondernemer niet van zijn plicht de keuring tijdig aan te vragen.
### **Artikel 93**
Bij de periodieke keuring wordt nagegaan of het voertuig:
### **Artikel 94**
1. Indien ten behoeve van de periodieke keuring het inwendig reinigen van de tank niet, of slechts met zeer grote moeite mogelijk is, kan ontheffing daarvan worden aangevraagd bij IKS.
2. Wanneer de gevraagde ontheffing wordt verleend, zal de tank op door de directeur vast te stellen termijnen aan vervangende en aanvullende beproevingen worden onderworpen. Het voertuig wordt voor deze vervangende en aanvullende beproevingen aangeboden bij IKS.
3. Het oorspronkelijk verstrekte keuringsdocument wordt daarbij vervangen door een exemplaar waarop uitsluitend die stoffen zijn vermeld, welke aanleiding gaven tot het aanvragen van de ontheffing.
4. Indien de eigenaar of houder van het voertuig niet langer van de ontheffing gebruik wenst te maken, wordt het voertuig bij het keuringsstation van VT aangeboden waar dit is geregistreerd ter controle van die aspecten, die tengevolge van bedoelde ontheffing bij de voorgaande periodieke keuring achterwege zijn gebleven; eerst daarna kan het voertuig wederom worden goedgekeurd voor de stoffen die op het oorspronkelijke keuringsdocument waren vermeld.
### **§6. Keuring na belangrijke herstelling ongeval**
### **Artikel 95 rn. 6.8.2.4.4**
Bij een schademelding ingevolge artikel 5, zijn tevens de volgende voorschriften van toepassing:
### **Hoofdstuk X Overgangs- en slotbepalingen**
### **Artikel 96**
Deze bijlage is van toepassing op voertuigen, tanks, tankcontainers en hun uitrusting, die zijn vervaardigd overeenkomstig de VLG.
### **Artikel 97**
1. Bijlage 4 bij de VLG, zoals deze luidde met ingang van 11 september 2002 en zoals gewijzigd met ingang van 1 januari 2005, blijft van toepassing op voertuigen waarvoor zij bij de toelating van kracht was.
2. De Regeling Rijkskeuringsvoorschriften betreffende het vervoer over land van gevaarlijke stoffen 1990 blijft van toepassing op voertuigen waarvoor zij bij de toelating van kracht was.
3. De Rijkskeuringsvoorschriften betreffende het vervoer over land van gevaarlijke stoffen 1985 (R.V.L.G. ’85) blijven van toepassing op voertuigen waarvoor zij bij de toelating van kracht waren.
4. De Rijkskeuringsvoorschriften betreffende het vervoer over land van gevaarlijke stoffen 1978 (R.V.L.G. ’78) blijven van toepassing op voertuigen waarvoor zij bij de toelating van kracht waren.
### **Aanhangsel 1 als bedoeld in artikel 57, bijlage 4, Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen: waarmerk**
Het in het waarmerk opgenomen nummer ‘01’ kan variëren afhankelijk van degene die de keuring uitvoert.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst met uitzondering van de bijlage 1, die ter inzage wordt gelegd bij het Directoraat-Generaal Goederenvervoer van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat, Nieuwe Uitleg 1 te Den Haag.
2008-02-20
Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen — arts. 9, 2, 1 y 5
2008-02-18
Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen — arts. 9, 9, 2 y 13
2007-07-01
Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen — arts. 4, 4, 18 y 2
2007-03-02
Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen — arts. 9, 4, 12 y 2
2006-06-15
Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen — arts. 8, 9, 1 y 4
2005-12-25
Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen — arts. 8, 9, 1 y 4
2005-03-19
Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen — arts. 6, 9, 3 y 23
2005-01-01
Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen — arts. 8, 8, 9 y 29
2004-07-03
Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen — arts. 8, 9, 10 y 1
2004-05-28
Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen — arts. 8, 9, 10 y 1
2003-11-18
Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen — arts. 8, 9, 10 y 1
2003-07-30
Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen — arts. 8, 9, 10 y 7
2003-03-14
Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen — arts. 10, 4, 6 y 3
2003-03-14
Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen — versión origina
original version
Tekst op deze datum