Wijzigingsgeschiedenis

Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen

41 versions · 2026-03-15
2026-03-15
Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen — arts. 1, 7, 2 y 5
2025-08-14
Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen — arts. 1, 7, 2 y 7
2025-06-06
Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen — arts. 1, 7, 2 y 5
2024-11-15
Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen — arts. 1, 7, 2 y 5
2023-06-07
Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen — arts. 1, 7, 2 y 6
2021-05-26
Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen — arts. 1, 7, 2 y 5
2021-02-03
Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen — arts. 1, 7, 2 y 5
2019-07-01
Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen — arts. 1, 7, 2 y 5
2019-04-20
Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen — arts. 9, 95, 3 y 1
2018-05-01
Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen — arts. 1, 7, 2 y 5
2017-08-01
Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen — arts. 1, 7, 2 y 5
2017-04-22
Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen — arts. 10, 1, 7 y 2
2015-11-19
Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen — arts. 1, 7, 2 y 5
2015-05-01
Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen — arts. 1, 7, 3 y 15
2013-10-09
Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen — arts. 1, 7, 2 y 5
2013-04-01
Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen — arts. 9, 95, 3 y 2
2013-01-01
Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen — arts. 8, 9, 1 y 4
2012-03-31
Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen — arts. 6, 9, 4 y 24
2011-01-01
Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen — arts. 3, 1, 9 y 20
2010-04-01
Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen — arts. 1, 7, 1 y 4
2010-01-01
Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen — arts. 6, 7, 9 y 24
2009-05-01
Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen — arts. 1, 7, 1 y 5
2009-04-04
Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen — arts. 6, 6, 9 y 26
2008-10-08
Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen — arts. 1, 1, 3 y 5
2008-07-11
Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen — arts. 1, 1, 3 y 5
2008-07-01
Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen — arts. 1, 1, 3 y 5
2008-03-08
Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen — arts. 6, 6, 7 y 26
2008-02-20
Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen — arts. 9, 2, 1 y 5
2008-02-18
Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen — arts. 9, 9, 2 y 13
2007-07-01
Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen — arts. 4, 4, 18 y 2
2007-03-02
Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen — arts. 9, 4, 12 y 2
2006-06-15
Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen — arts. 8, 9, 1 y 4
2005-12-25
Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen — arts. 8, 9, 1 y 4
2005-03-19
Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen — arts. 6, 9, 3 y 23
2005-01-01
Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen — arts. 8, 8, 9 y 29
2004-07-03
Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen — arts. 8, 9, 10 y 1
2004-05-28
Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen — arts. 8, 9, 10 y 1
2003-11-18
Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen — arts. 8, 9, 10 y 1
2003-07-30
Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen — arts. 8, 9, 10 y 7

Wijzigingen op 2003-07-30

@@ -8,25 +8,25 @@
1. In deze regeling wordt verstaan onder:
a. Minister: Minister van Verkeer en Waterstaat; b. bevoegde autoriteit: 1º. Minister, of 2º. een in bijlage 3 bij deze regeling erkende instantie; c. ADR: Accord européen relatif au transport international des marchandises dan-gereuses par route.
2. De in bijlage 1 opgenomen begripsbepalingen zijn van toepassing op de [bijlagen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010054&bijlage=2&z=2003-03-14&g=2003-03-14), [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010054&bijlage=3&z=2003-03-14&g=2003-03-14) en [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010054&bijlage=4&z=2003-03-14&g=2003-03-14) voorzover daarin niet anders is bepaald.
a. Minister: Minister van Verkeer en Waterstaat; b. bevoegde autoriteit: 1º. Minister, of 2º. een in [bijlage 3 bij deze regeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010054&bijlage=3&z=2003-07-30&g=2003-07-30) erkende instantie.
2. De in [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010054&bijlage=1&z=2003-07-30&g=2003-07-30) opgenomen begripsbepalingen zijn van toepassing op de [bijlagen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010054&bijlage=2&z=2003-07-30&g=2003-07-30), [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010054&bijlage=3&z=2003-07-30&g=2003-07-30) en [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010054&bijlage=4&z=2003-07-30&g=2003-07-30) voorzover daarin niet anders is bepaald.
##### Artikel 2
Bij deze regeling behoren vier bijlagen:
- a. bijlage 1: voorschriften betreffende het vervoer van gevaarlijke stoffen over land, zijnde de Nederlandse vertaling van de bijlagen A en B van het ADR en de daarbij behorende aanhangsels;
- b. [bijlage 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010054&bijlage=2&z=2003-03-14&g=2003-03-14): voorschriften in afwijking van of in aanvulling op bijlage 1;
- c. [bijlage 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010054&bijlage=3&z=2003-03-14&g=2003-03-14): erkende instanties, bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onderdeel b, 2°](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010054&artikel=1&z=2003-03-14&g=2003-03-14);
- d. [bijlage 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010054&bijlage=4&z=2003-03-14&g=2003-03-14): rijkskeuringsvoorschriften betreffende het vervoer over land van gevaarlijke stoffen.
- a. [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010054&bijlage=1&z=2003-07-30&g=2003-07-30): voorschriften betreffende het vervoer van gevaarlijke stoffen over land, zijnde de Nederlandse vertaling van de bijlagen A en B van het ADR en de daarbij behorende aanhangsels;
- b. [bijlage 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010054&bijlage=2&z=2003-07-30&g=2003-07-30): voorschriften in afwijking van of in aanvulling op [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010054&bijlage=1&z=2003-07-30&g=2003-07-30);
- c. [bijlage 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010054&bijlage=3&z=2003-07-30&g=2003-07-30): erkende instanties, bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onderdeel b, 2°](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010054&artikel=1&z=2003-07-30&g=2003-07-30);
- d. [bijlage 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010054&bijlage=4&z=2003-07-30&g=2003-07-30): rijkskeuringsvoorschriften betreffende het vervoer over land van gevaarlijke stoffen.
##### Artikel 3
Met voorwaardelijk tot het vervoer over land toegelaten gevaarlijke stoffen als bedoeld in bijlage 1 mogen de handelingen, bedoeld in [artikel 2 van het Besluit vervoer gevaarlijke stoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008080&artikel=2), worden verricht, mits de in deze regeling gestelde voorschriften in acht worden genomen.
Met voorwaardelijk tot het vervoer over land toegelaten gevaarlijke stoffen als bedoeld in [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010054&bijlage=1&z=2003-07-30&g=2003-07-30) mogen de handelingen, bedoeld in [artikel 2 van het Besluit vervoer gevaarlijke stoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008080&artikel=2), worden verricht, mits de in deze regeling gestelde voorschriften in acht worden genomen.
##### Artikel 4
@@ -46,7 +46,9 @@
Deze regeling wordt aangehaald als: [Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010054).
## Bijlage 2. , bedoeld in artikel 2, onderdeel b van de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen
## Bijlage 1
Ligt ter inzage bij het Ministerie van Verkeer en Waterstaat.
### Hoofdstuk I. Bepalingen voor uitsluitend binnenlands vervoer
@@ -416,49 +418,49 @@
##### Artikel 8. Pont
Bij het kruisen van een binnenwater zijn op het vervoer van voertuigen op schepen anders dan een zout veer als bedoeld in artikel 7, de volgende voorschriften van toepassing:
Bij het kruisen van een binnenwater zijn op het vervoer van voertuigen op schepen anders dan een zout veer als bedoeld in [artikel 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010054&artikel=7&z=2003-07-30&g=2003-07-30), de volgende voorschriften van toepassing:
- a. een transporteenheid beladen met ontplofbare stoffen en voorwerpen van klasse 1 wordt met voorrang op de pont toegelaten boven andere voertuigen of personen;
- b. tijdens een transport als bedoeld in onderdeel a bevinden zich geen andere voertuigen of personen op de pont, tenzij deze personen behoren tot de bemanning van de transporteenheid dan wel benodigd zijn voor de bediening van de pont;
- c. transporteenheden met tanks gekenmerkt ingevolge randnummer 5.3.1 van bijlage 1 worden zodanig op de pont geplaatst dat zij snel kunnen worden verwijderd; en
- c. transporteenheden met tanks gekenmerkt ingevolge randnummer 5.3.1 van [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010054&bijlage=1&z=2003-07-30&g=2003-07-30) worden zodanig op de pont geplaatst dat zij snel kunnen worden verwijderd; en
- d. de bestuurder van een transporteenheid, beladen met gevaarlijke stoffen, verstrekt, alvorens de pont op te rijden, aan de schipper dan wel aan een daartoe aangewezen personeelslid van de waldienst de benodigde informatie omtrent aard en de hoeveelheid van de vervoerde gevaarlijke stoffen.
##### Artikel 9. Kenmerking en etikettering der voertuigen
Afgekoppelde aanhangwagens en opleggers zijn voorzien van de kenmerking en etikettering die ingevolge randnummer 5.3.1 van bijlage 1 zijn voorgeschreven als zijnde aan een trekkend voertuig gekoppeld.
##### Artikel 10. Toelating van voertuigen, tankcontainers en
1. In dit artikel wordt verstaan onder “kleine mobiele tanks”: vaste tanks met een inhoud van ten hoogste 1 m3, bestemd voor het vervoer van dieselolie, gasolie of lichte stookolie.
2. De volgende voertuigen, tankcontainers en mobiele tanks kunnen overeenkomstig hun bestemming worden gebruikt, indien zij zijn goedgekeurd door de Dienst Wegverkeer (RDW):
- a. in Nederland geregistreerde, ingevolge deze regeling keuringsplichtige voertuigen als bedoeld in randnummer 9.1.2.1 van bijlage 1;
Afgekoppelde aanhangwagens en opleggers zijn voorzien van de kenmerking en etikettering die ingevolge randnummer 5.3.1 van [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010054&bijlage=1&z=2003-07-30&g=2003-07-30) zijn voorgeschreven als zijnde aan een trekkend voertuig gekoppeld.
##### Artikel 10. Toelating van voertuigen, tankcontainers en kleine mobiele tanks
1. In dit artikel wordt verstaan onder ‘kleine mobiele tanks’: vaste tanks met een inhoud van ten hoogste 1 m3, bestemd voor het vervoer van dieselolie, gasolie of lichte stookolie.
2. De volgende voertuigen, tankcontainers en mobiele tanks kunnen overeenkomstig hun bestemming worden gebruikt, indien zij zijn goedgekeurd door de Dienst Wegverkeer:
- a. in Nederland geregistreerde, ingevolge deze regeling keuringsplichtige voertuigen als bedoeld in randnummer 9.1.2.1 van [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010054&bijlage=1&z=2003-07-30&g=2003-07-30);
- b. in Nederland geregistreerde, ingevolge deze regeling keuringsplichtige tankcontainers; of
- c. in Nederland beproefde en toegelaten kleine mobiele tanks.
3. De goedkeuring wordt geweigerd, indien een transportmiddel als bedoeld in het tweede lid naar het oordeel van de RDW niet voldoet aan deze regeling.
4. In afwijking van het derde lid kunnen transportmiddelen waarvan de technische inrichting en uitrusting niet voldoen aan deze regeling worden goedgekeurd, indien de technische inrichting en uitrusting der transportmiddelen naar het oordeel van de RDW een ten minste gelijkwaardige veiligheid bieden.
5. De eigenaar of houder van een transportmiddel als bedoeld in het tweede lid stelt na een aanrijding of ongeval waardoor beschadiging van het transportmiddel is ontstaan, de RDW hiervan onverwijld in kennis.
6. De eigenaar of houder van een transportmiddel als bedoeld in het tweede lid, zorgt dat dit transportmiddel voor onderzoek aan de RDW wordt aangeboden:
telkenmale voordat de laatste goedkeuring haar geldigheid verliest;
na een belangrijke herstelling; of
wanneer de RDW een onderzoek om redenen van veiligheid noodzakelijk acht.
7. Indien uit het onderzoek, bedoeld in het zesde lid, blijkt, dat een transportmiddel als bedoeld in het tweede lid niet aan deze regeling voldoet, is de eigenaar of houder ervan verplicht te zorgen dat dit niet weer in gebruik wordt genomen voordat uit een hernieuwd onderzoek is gebleken dat de door de RDW nodig geachte voorzieningen zijn aangebracht; in afwachting van het hernieuwde onderzoek kan de RDW het keuringsdocument innemen of doen innemen. De eigenaar of houder is alsdan verplicht op eerste vordering van of vanwege de RDW het keuringsdocument af te geven.
8. Indien een transportmiddel als bedoeld in het tweede lid niet overeenkomstig het bepaalde in het zevende lid voor keuring wordt aangeboden, kan de RDW het keuringsdocument innemen of doen innemen. De eigenaar of houder is alsdan verplicht het keuringsdocument aan hem af te geven.
3. De goedkeuring wordt geweigerd, indien een transportmiddel als bedoeld in het tweede lid naar het oordeel van de Dienst Wegverkeer niet voldoet aan deze regeling.
4. In afwijking van het derde lid kunnen transportmiddelen, waarvan de technische inrichting en uitrusting niet voldoen aan deze regeling, worden goedgekeurd, indien de technische inrichting en uitrusting der transportmiddelen naar het oordeel van de Dienst Wegverkeer een ten minste gelijkwaardige veiligheid bieden.
5. De eigenaar of houder van een transportmiddel als bedoeld in het tweede lid stelt na een aanrijding of ongeval waardoor beschadiging van het transportmiddel is ontstaan, de Dienst Wegverkeer hiervan onverwijld in kennis.
6. De eigenaar of houder van een transportmiddel als bedoeld in het tweede lid, zorgt dat dit transportmiddel voor onderzoek aan de Dienst Wegverkeer wordt aangeboden:
- a. telkenmale voordat de laatste goedkeuring haar geldigheid verliest;
- b. na een belangrijke herstelling; of
- c. wanneer de Dienst Wegverkeer een onderzoek om redenen van veiligheid noodzakelijk acht.
7. Indien uit het onderzoek, bedoeld in het zesde lid, blijkt, dat een transportmiddel als bedoeld in het tweede lid niet aan deze regeling voldoet, is de eigenaar of houder ervan verplicht te zorgen dat dit niet weer in gebruik wordt genomen voordat uit een hernieuwd onderzoek is gebleken dat de door de Dienst Wegverkeer nodig geachte voorzieningen zijn aangebracht; in afwachting van het hernieuwde onderzoek kan de Dienst Wegverkeer het keuringsdocument innemen of doen innemen. De eigenaar of houder is alsdan verplicht op eerste vordering van of vanwege de Dienst Wegverkeer het keuringsdocument af te geven.
8. Indien een transportmiddel als bedoeld in het tweede lid niet overeenkomstig het bepaalde in het zevende lid voor keuring wordt aangeboden, kan de Dienst Wegverkeer het keuringsdocument innemen of doen innemen. De eigenaar of houder is alsdan verplicht het keuringsdocument aan hem af te geven.
### Hoofdstuk III. Implementatie van [richtlijn 95/50/EG](31995L0050) betreffende uniforme procedures voor de controle op het vervoer van gevaarlijke goederen over de weg
@@ -866,7 +868,7 @@
IEC 60079 - 11:1999: Electrical apparatus for explosive gas atmospheres - part 11 : intrinsic safety `i'.
### Hoofdstuk III. Algemeen
### § 3. Dimensionering
##### Artikel 3
@@ -892,7 +894,7 @@
### Hoofdstuk IV. Tanks
### § 1. Stoomwezen B.V.
### § 4. Constructie
##### Artikel 6
@@ -1095,7 +1097,7 @@
- d. de tank bevat geen onderdelen die de explosiedruk kunnen verhogen, zoals slingerschotten.
2. In afwijking van het eerste lid is tevens voldaan aan de eis van explosiebestendigheid indien de tank wordt onderworpen aan een hydraulische proefpersing onder een druk van 1,3 maal de berekeningsdruk van 970 kPa (9,7 bar) (absoluut) en, behoudens plastische vervorming, daartegen bestand blijkt.
2. In afwijking van het eerste lid is tevens voldaan aan de eis van explosiebestendigheid indien het prototype van de tank wordt onderworpen aan een hydraulische proefpersing onder een druk van 1,3 maal de berekeningsdruk van 970 kPa (9,7 bar) (absoluut) en, behoudens plastische vervorming, daartegen bestand blijkt.
##### Artikel 21. bovenlossing
@@ -1187,7 +1189,7 @@
- 3º. lichtmetaal: 4 mm;
- e. e. de langsbalken zijn in dwarsrichting zodanig geschoord dat zij de bij het kantelen van het voertuig op de balken uitgeoefende krachten kunnen weerstaan, waarbij de schoring ten minste is aangebracht:
- e. de langsbalken zijn in dwarsrichting zodanig geschoord dat zij de bij het kantelen van het voertuig op de balken uitgeoefende krachten kunnen weerstaan, waarbij de schoring ten minste is aangebracht:
- 1º. ter plaatse van beide uiteinden van de langsbalken;
@@ -1195,7 +1197,7 @@
3. (rolbeugels) Indien ter bescherming van de bedrijfsuitrusting rolbeugels worden toegepast, voldoen deze aan de volgende voorschriften:
- a. a. de beugels zijn zo laag mogelijk uitgevoerd, waarbij er rekening mee wordt gehouden dat alle onderdelen van de bedrijfsuitrusting binnen de contouren van de beugel vallen;
- a. de beugels zijn zo laag mogelijk uitgevoerd, waarbij er rekening mee wordt gehouden dat alle onderdelen van de bedrijfsuitrusting binnen de contouren van de beugel vallen;
- b. b. er zijn beugels aangebracht voor het voorste en achter het achterste uitrustingsdeel en voorts op onderlinge afstanden van gemiddeld 300 cm;
@@ -1393,7 +1395,7 @@
- b. veerbelaste klep.
2. In gekantelde toestand van de tank is de dichtheid gewaarborgd tot een druk tussen 50 en 100 kPa (0,5 en 1 bar).
2. In gekantelde toestand van de tank is de dichtheid gewaarborgd tot een druk tussen 25 en 30 kPa (0,25 en 0,3 bar).
3. Indien een ontluchtingsventiel is uitgevoerd als kipventiel bedraagt de openingsdruk in de normale bedrijfsstand ten hoogste 30 kPa (0,3 bar); een lagere openingsdruk of een open verbinding is toegestaan, mits aan het tweede lid is voldaan.
@@ -1476,17 +1478,17 @@
1. Mangatdeksels:
- a. a. worden van gewalst plaatmateriaal vervaardigd, waarvan de eigenschappen voldoen aan het bepaalde daaromtrent in de rn.'s 6.8.2.1.4, 6.8.2.1.8 tot en met 6.8.2.1.12 alsmede 6.8.2.1.15;
- b. b. bezitten een wanddikte, welke ten minste gelijk is aan de voorgeschreven minimumwaarde voor de tankwand overeenkomstig rn. 6.8.2.1.19;
- c. c. zijn bestand tegen de beproevingsdruk van de tank doch ten minste 200 kPa (2 bar), waarbij lekkage of blijvende vormverandering niet is toegestaan;
- d. d. zijn van gemakkelijk vervangbare pakkingen voorzien; en zijn, voor zover van toepassing bij tanks overeenkomstig rn. 6.8.2.1.14 onder b) tot en met d), daarenboven voorzien van ten minste vier scharnierbare knevelbouten met oog- of vleugelmoeren.
- a. worden van gewalst plaatmateriaal vervaardigd, waarvan de eigenschappen voldoen aan het bepaalde daaromtrent in de rn.'s 6.8.2.1.4, 6.8.2.1.8 tot en met 6.8.2.1.12 alsmede 6.8.2.1.15;
- b. bezitten een wanddikte, welke ten minste gelijk is aan de voorgeschreven minimumwaarde voor de tankwand overeenkomstig rn. 6.8.2.1.19;
- c. zijn bestand tegen de beproevingsdruk van de tank doch ten minste 50 kPa (0,5 bar), waarbij lekkage of blijvende vormverandering niet is toegestaan;
- d. zijn van gemakkelijk vervangbare pakkingen voorzien; en zijn, voor zover van toepassing bij tanks overeenkomstig rn. 6.8.2.1.14 onder b) tot en met d), daarenboven voorzien van ten minste vier scharnierbare knevelbouten met oog- of vleugelmoeren.
2. In afwijking van het eerste lid, onderdeel b, wordt bij toepassing van andere metalen de vereiste minimumwaarde van de wanddikte van het mangatdeksel vastgesteld aan de hand van de vergelijkingsformule, vermeld in rn. 6.8.2.1.18.
3. In afwijking van het eerste lid, onder e, worden indien uit meerdere delen samengestelde (gelaste) knevelbouten worden toegepast bij een werkdruk van meer dan 200 kPa (2 bar) 6 exemplaren toegepast.
3. In afwijking van het eerste lid, onder d, worden indien uit meerdere delen samengestelde (gelaste) knevelbouten worden toegepast bij een werkdruk van meer dan 200 kPa (2 bar) 6 exemplaren toegepast.
##### Artikel 46. identificatiekenmerken
@@ -1620,804 +1622,1455 @@
### Hoofdstuk VIII. Motor en uitlaatleiding rn. 9.2.4.4, 9.2.4.5 en 9.3.5
### Hoofdstuk X. Laadruimte EX/II-voertuigen
##### Artikel 54. rn.. 9.2.4.3 tot en met 9.2.4.5,
Indien het voertuig is ingericht voor het vervoer van brandbare vloeistoffen met een vlampunt van 61°C of lager, van brandbare stoffen van klasse 2 zoals gedefinieerd in rn. 2.2.2.1.1 (FL voertuig) dan wel is uitgevoerd als EX/II of EX/III voertuig, is ten aanzien van de motor die het voertuig voortbeweegt aan de artikelen 55 tot en met 58 voldaan.
##### Artikel 55. rn.. 9.2.4.4 en 9.3.5
1. Aan het bepaalde in rn. 9.2.4.4 en 9.3.5 wordt geacht te zijn voldaan indien:
- a. de hete delen van de motor zoals de turbo en het uitlaatspruitstuk zich op ten minste 50 cm afstand bevinden van de ladingtank of de laadruimte; of
- b. een warmtewerend schild is aangebracht tussen de hete delen en de ladingtank of de laadruimte.
2. Aan het bepaalde in het eerste lid, onderdeel a, is bij een trekker voor een oplegger in elk geval voldaan, indien genoemde delen zich op niet meer dan 20 cm achter de achterwand van de bestuurderscabine bevinden.
##### Artikel 56. rn.. 9.2.4.5 en 9.3.6,
1. De uitmonding van de uitlaatleiding is niet onder of in de nabijheid van vul- en aftapaansluitingen, apparatuurkasten en dergelijke gelegen.
2. De uitmonding van de uitlaatleiding mag onder het voertuig zijn gelegen indien de uitmonding schuin naar beneden is gericht.
##### Artikel 57. rn.. 9.2.4.5 en 9.3.6
1. Aan het bepaalde in rn.'s 9.2.4.5 en 9.3.6 is voldaan indien een afscherming is aangebracht die ten minste even doeltreffend is als een afscherming met de onderstaande kenmerken:
- a. het gedeelte van de uitlaatleiding dat achter de achterwand van de cabine is gelegen, is aan de bovenzijde van een metalen afschermkap voorzien waarvan de breedte aan weerszijden ten minste 2 cm meer bedraagt dan de diameter van de uitlaatleiding ter plaatse van de afschermkap;
- b. de hoek tussen de raaklijn aan de uitlaatleiding naar de rand van de afschermkap en de verticaal bedraagt ten minste 15°, waarbij de afschermkap ten minste 1 cm boven de uitlaatleiding is aangebracht;
- c. indien de uitlaat of delen daarvan onder een accubak, gereedschapkast of, bij trekkers, onder een metalen plaat tussen de cabine en de opleggerkoppeling is dan wel zijn aangebracht, behoeft het gedeelte van de uitlaatleiding dat zich hieronder bevindt, niet van de in onderdeel b bedoelde afschermkap te worden voorzien.
2. de uitlaatleiding behoeft niet van een (aanvullende) warmtewerende afscherming te worden voorzien indien:
- a. delen van het uitlaatsysteem zich op een afstand van ten minste 50 cm van de ladingtank of de laadruimte bevinden of ten minste 20 cm van vul- en aftapleidingen van de tank; en
- b. ten genoegen van de directeur wordt aangetoond dat het oppervlak van het achter de cabine van het voertuig gelegen deel van de uitlaatleiding of van de ommanteling daarvan bij langdurige belasting van de motor een temperatuur van 200°C niet overschrijdt.
3. bij een trekker voor het voortbewegen van een oplegger is in elk geval voldaan aan het tweede lid, indien:
- a. delen van het uitlaatsysteem zich, ongeacht hun positie, op niet meer dan 70 cm achter de achterwand van de bestuurderscabine bevinden; en
- b. de in het derde lid, onderdeel a, genoemde delen op meer dan 70 cm achter de achterwand van de bestuurderscabine doch niet boven de onderzijde van de chassisbalken zijn aangebracht.
4. bij een voertuigchassis voor het vervoer van (tank-) containers wordt geacht te zijn voldaan aan het tweede lid, indien:
- a. delen van het uitlaatsysteem zich voor de voorste twist locks en niet boven de bovenzijde van de chassisbalken bevinden;
- b. de in het vierde lid, onderdeel a, genoemde delen achter de voorste twist locks en niet boven de onderzijde van de chassisbalken zijn aangebracht.
5. in verband met de aansluiting van een uitlaatgasafzuiginrichting behoeft het aan de uitmonding grenzende deel van de uitlaatleiding over een lengte van ten hoogste 10 cm niet te zijn afgeschermd.
##### Artikel 58. verticaal gerichte uitlaat
1. Een verticaal gerichte uitlaatleiding is voor alle categorieën (FL, EX/II, EX/III, OX en AT) toegestaan indien:
- a. de plaatsing en constructie zijn toegelaten in de typegoedkeuring; en
- b. de delen zo dicht mogelijk tegen de achterwand van de bestuurderscabine zijn aangebracht, met in achtneming van de warmtebestendigheid van de cabine.
2. Bij voertuigen van de categorieën FL, EX/II, EX/III en OX, waarbij de afstand van de uitlaatleiding ten opzichte van de ladingtank minder dan 50 cm bedraagt, is deze voorzien van een warmtewerende ommanteling.
3. Bij voertuigen van de categorie FL is aan het einde van de uitlaatleiding een vonkenvanger aangebracht.
### § 2. Hulpmotor (Verbrandingsmotor)
##### Artikel 59. rn. 9.2.4.3 tot en met 9 2.4.5
Bij voertuigen welke zijn bestemd voor het vervoer van brandbare vloeistoffen met een vlampunt van 61°C of lager, met uitzondering van dieselbrandstof overeenkomstig de norm EN 590:1993, gasolie en huisbrandolie(licht) - identificatienummer 1202 - met een vlampunt zoals gespecificeerd in de norm EN 590:1993, of van brandbare stoffen van klasse 2 zoals gedefinieerd in rn. 2.2.2.1.1 mag een verbrandingsmotor als hulpmotor zijn aangebracht die de apparatuur aandrijft, mits aan de volgende voorschriften is voldaan:
- a. de verbrandingsmotor is van het type dieselmotor;
- b. (afscherming motor) de hulpmotor wordt in een metalen kast ondergebracht, die van voldoende ventilatiemogelijkheden is voorzien, waarbij de tankwand niet als een deel van de kast wordt aangemerkt en er zich in deze kast geen vul- en aftapleidingen, vloeistofpompen en dergelijke bevinden;
- c. de uitmonding van de uitlaatleiding is:
- 1º. aan de zijkant van het voertuig gelegen, doch niet onder of in de nabijheid van vul- en aftapaansluitingen, apparatuurkasten en dergelijke;
- 2º. van een doelmatige vonkenvanger voorzien; en
- 3º. aan de linkerzijde van het voertuig gelegen indien het voertuig zodanig is ingericht dat de hulpmotor tijdens het rijden in werking kan zijn;
- d. d. (afscherming uitlaatleiding) het gedeelte van de uitlaatleiding dat buiten de in het eerste lid, onderdeel b, genoemde kast is gelegen, is aan de bovenzijde van een metalen afschermkap voorzien overeenkomstig het bepaalde in artikel 57, eerste lid, onderdelen a, b en c;
- e. e. (luchtaanzuigopening) de voor de verbranding benodigde lucht wordt van buiten de kast aangezogen op ten minste 80 cm boven het wegdek; en
- f. f. (noodstopinrichting) de hulpmotor is van een noodstopinrichting voorzien die aan de volgende voorschriften voldoet:
- 1º. de noodstopinrichting is aangesloten op de inlaatleiding van de verbrandingslucht voor de motor; en
- 2º. de knop (schakelaar) voor het inwerking stellen van de noodstopinrichting bevindt zich aan de bedieningszijde van de kast onder handbereik en is duidelijk gekenmerkt.
### § 1. Ontwerpbeoordeling (Algemeen)
##### Artikel 60. rn. 9.2.2.2.1 zekeringen
Het van fabriekswege tot de standaarduitrusting van een voertuig behorende zekeringenbestand wordt als voldoende aangemerkt, indien ten minste aan het onderstaande is voldaan:
- a. naast het bepaalde in rn. 9.2.2.2.1 zijn uitgezonderd van de verplichting om te zijn gezekerd: standaardschakelingen ten behoeve van in de cabine aangebrachte relais, controlelampen en de elektromotor van een bogieliftinstallatie (ashefinrichting);
- b. zekeringen worden in een of meer kasten op een gemakkelijk bereikbare plaats aangebracht;
- c. toepassing van zogenaamde zwevende zekeringen zonder noodzaak is verboden;
- d. zekeringen worden niet geplaatst in accubakken en in andere ruimten waarin explosieve dampen kunnen voorkomen;
- e. bij de zekeringen is een duidelijke en duurzaam uitgevoerde lijst aangebracht waarop is vermeld op welke stroomverbruiker(s) elke zekering betrekking heeft alsmede de nominale waarde in ampères;
- f. stroomverbruikers welke anders dan van fabriekswege worden aangebracht, zoals centrale smering, luchtdrogers, relais voor hulpapparatuur, aanvullende verlichting en dergelijke, worden aangesloten via zekeringen.
##### Artikel 61
Het gedeelte van de elektrische installatie dat achter de bestuurderscabine is gelegen, voldoet, onverminderd het bepaalde in artikel 60, aan de volgende voorschriften:
- a. a. (leidingen)
- 1º. bij toepassing van andere isolatiematerialen voor de elektrische leidingen dan die, genoemd in de afbeeldingen behorend bij rn. 9.2.2.6, wordt de gelijkwaardigheid van de bestendigheid met de materialen, genoemd in eerdergenoemde afbeeldingen aangetoond;
- 2º. onder gelijkwaardigheid onder `normale gebruiksomstandigheden' als genoemd in rn. 9.2.2.6 en 9.2.2.6.1 wordt verstaan: het zoveel mogelijk overeenkomen van het chemische en mechanische bestendigheidsniveau binnen een temperatuurbereik van -40°C tot +100°C;
- 3º. de volgende eigenschappen van de isolatiematerialen worden bij de beoordeling in aanmerking genomen:
- de slagvastheid bij de gedefinieerde minimumtemperatuur;
- de bestendigheid tegen verweking bij de gedefinieerde maximumtemperatuur;
- de chemische bestendigheid tegen verweking of aantasting door vetten, oplosmiddelen, zuren en logen;
- - bestendigheid tegen veroudering.
- 4º. de elektrische leidingen en armaturen vormen bij onderlinge aansluitingen een dichte afsluiting. Voor zover geplaatst buiten de in artikel 62, onderdeel a, omschreven ruimten wordt geacht hieraan te zijn voldaan bij:
- plaatsing in een gesloten ruimte, indien de aansluitingen overeenkomen met aanduiding IP 44 overeenkomstig IEC 529 (beschermd tegen binnendringen van vaste voorwerpen en opspattend water), of
- overige aansluitingen, volgens aanduiding IP 54 (beschermd tegen binnendringen van stof en opspattend water),
- b. (werklampen)
- 1º. werklampen zijn zodanig aangesloten, bijvoorbeeld via de p.t.o. of via een schakelaar, bediend door de meterkastdeur, dat deze tijdens het vervoer niet kunnen branden;
- 2º. de werklamp op een trekker bij de rem- en lichtaansluitingen mag via een schakelaar met controlelamp op het dashboard zijn aangesloten, mits de werklamp zo laag mogelijk tegen de achterwand van de cabine is aangebracht.
- c. (accumulatoren) indien een accu in een gesloten kast is geplaatst welke mede is bestemd voor apparatuur zoals een hulpmotor voor de aandrijving van een pomp of compressor, wordt de bescherming van de accu geacht te voldoen aan het bepaalde in rn. 9.2.2.4 indien deze bestaat uit een isolerend deksel van metaal of van daaraan gelijkwaardig materiaal.
##### Artikel 62. rn.. 9.7.8.1 tot en met 9.7.8.3
Bij voertuigen bestemd voor het vervoer van brandbare vloeistoffen met een vlampunt van 61°C of lager (met uitzondering van dieselolie, gasolie en lichte stookolie - identificatienummer 1202 - met een vlampunt zoals gespecificeerd in de norm EN 590:1993) of van brandbare stoffen van klasse 2 zoals gedefinieerd in rn. 2.2.2.1.1 wordt daarbij aan de volgende voorschriften voldaan:
- a. a. (explosievastheid) in gesloten ruimten waarin tevens vul- en aftapleidingen, vloeistofpompen en dergelijke ten behoeve van de lading aanwezig zijn, is het aanbrengen van elektrische apparatuur toegestaan, mits:
- 1º. elektromotoren, generatoren en schakelmaterieel explosieveilig overeenkomstig rn. 9.2.2.5.1 en 9.2.2.5.2 zijn uitgevoerd en als zodanig zijn gekenmerkt; en
- 2º. lampen van beschermglazen zijn voorzien, welke door middel van een schutkorf tegen beschadiging zijn beschermd;
- b. (rn. 6.8.2.1.27 en 9.7.4 aardleiding) er is een aardleiding aanwezig welke blijvend met het voertuig is verbonden, tegen weersinvloeden is beschermd en van een verende roestvrije aansluitklem is voorzien.
- c. de lengte van de aardleiding bedoeld in onderdeel b, bedraagt ten minste 15 m en de doorsnede ten minste 4 mm².
##### Artikel 63. rn. 9.2.2.3 hoofdschakelaar
1. Indien zo dicht mogelijk bij de aansluiting op de accu's een voorziening is aangebracht waardoor de stroomsterkte in het te beveiligen circuit een waarde van 1 A bij 30 V (6 A bij 15 V) niet kan overschrijden overeenkomstig figuur A.2.2 - stroomkringen met weerstand van IEC 60079-11 of EN 50 020, is het aangetoond dat delen van de elektrische installatie welke na het openen van de hoofdschakelaar onder spanning blijven, explosieveilig zijn.
2. Indien een voertuig is uitgerust met extra accu's ten behoeve van hulpapparatuur, voldoen deze aan de volgende voorschriften:
- a. indien gekoppeld aan het boordnet: door het bedienen van de in rn. 9.2.2.3bedoelde hoofdschakelaar voldoet ook het door de extra accu gevoede circuit aan het bepaalde in het tweede lid;
- b. indien onderdeel van een afzonderlijk circuit:
- 1. de accu kan door middel van een afzonderlijke hoofdschakelaar worden gescheiden van het bijbehorende circuit;
- 2. de bedieningsinrichting van de afzonderlijke hoofdschakelaar mag in afwijking van het bepaalde in genoemd randnummer enkelvoudig zijn uitgevoerd.
3. De bedieningsinrichting van de hoofdschakelaar aan de buitenzijde van het voertuig is uitgevoerd in een duidelijk opvallende of contrasterende kleur.
### Hoofdstuk X. Laadruimte EX/II-voertuigen
##### Artikel 64. rn.9.3.3 afsluitbaarheid
Aan het vereiste in rn. 9.3.3 dat in de wanden van de laadruimte van gesloten voertuigen van type EX/II geen ramen mogen zijn aangebracht is voldaan indien aanwezige ramen zodanig door middel van tralies of een rooster zijn beschermd dat ongeautoriseerde toegang tot de laadruimte daarmee wordt verhinderd.
### § 2. Ontwerpbeoordeling voertuigen met uitzondering van trekkers en dragende motorvoertuigen, opleggers en aanhangwagens voor containers met een inhoud van meer dan 3000 liter
##### Artikel 65. rn.. 6.8.2.5.1 en 6.8.3.5.1 tank-identificatieplaat
De uitvoering van de in genoemd randnummer voorgeschreven identificatieplaat voldoet aan de navolgende voorschriften:
- a. de afmetingen bedragen ten minste 150 x 100 x 1,5 mm;
- b. de plaat:
- 1º. is rechtstreeks of op een brugstuk op de tankwand of op een onverbrekelijk met de tank verbonden deel van de tankondersteuning bevestigd, waarbij het op de tankwand of de tankondersteuning te bevestigen deel op ten minste de vier hoekpunten deugdelijk op het bevestigingsvlak is afgelast;
- 2º. is, indien aangebracht op een brugstuk, met ten minste vier klinknagels bevestigd, waarvan één massief exemplaar waarop met een slagstempel een waarmerk kan worden aangebracht.
- 3º. mag, met uitzondering van het bevestigingspunt bedoeld in onderdeel 2°, zijn bevestigd met popnagels van duurzaam materiaal zoals roestvrij staal; en
- 4º. is of kan voldoende worden ondersteund om met slagstempels na het aanbrengen van de stempelplaat aanvullende of gewijzigde gegevens te kunnen aanbrengen.
##### Artikel 66. rn 6.8.2.5.1 en 6.8.3.5.10 waarmerk
Het in rn. 6.8.2.5.1 en 6.8.3.5.10 bedoelde waarmerk van de deskundige die de beproeving heeft uitgevoerd, is vastgesteld als slagstempel overeenkomstig het in aanhangsel 1 bij deze bijlage weergegeven model.
##### Artikel 67. rn.. 6.8.2.5.2, 6.8.3.5.6, 6.8.3.5.11 en 6.8.3.5.12
1. Op een voertuig zijn van buitenaf duidelijk leesbaar aangegeven de naam van de eigenaar of houder in letters van ten minste 35 mm hoogte.
2. De letter- en cijferhoogte van alle andere in de VLG voorgeschreven opschriften bedraagt ten minste 15 mm.
3. Bij vervoer van vloeibaar gemaakte gassen worden de op het voertuig aan te brengen opschriften aangevuld met het hoogst toelaatbare vulpercentage.
4. De voorgeschreven opschriften zijn op een goed waarneembare plaats aangebracht en niet op het chassis van het voertuig.
5. Bij een voertuigcombinatie zijn elk der samenstellende voertuigen van de in het eerste lid bedoelde opschriften voorzien; de in het tweede lid bedoelde opschriften worden op het voertuig aangebracht dat de lading bevat.
##### Artikel 68
1. Bij het bedieningsmechanisme van de hoofdschakelaar, zowel aan de buitenzijde van het voertuig als in de cabine, is het opschrift `hoofdschakelaar' in een duidelijk opvallende uitvoering of een naar het oordeel van de directeur duidelijk herkenbaar symbool aangebracht. Bij de in de cabine geplaatste schakelaar behoeft geen opschrift te worden aangebracht indien naar het oordeel van de directeur deze schakelaar op andere wijze voldoende herkenbaar is.
2. In afwijking van het bepaalde in artikel 67 is het voor de buitenzijde voorgeschreven opschrift met een letterhoogte van ten minste 10 mm uitgevoerd.
### § 2.2. Berekeningen
### § 1. Ontwerpbeoordeling (Algemeen)
##### Artikel 69
Alvorens tot keuring van een nieuw of gewijzigd voertuig of voertuigdeel wordt overgegaan, zijn ontwerpgegevens van de constructie bij de IKS overgelegd en akkoord bevonden.
##### Artikel 70
De overgelegde gegevens worden getoetst aan de VLG.
##### Artikel 71
De directeur deelt de goedkeuring van het ontwerp schriftelijk mede aan de ondernemer.
Aan deze goedkeuring kunnen voorschriften worden verbonden.
##### Artikel 72
Bij ontwerptekeningen, respectievelijk berekeningen inzake een wijziging, wordt deze wijziging zo volledig mogelijk omschreven.
##### Artikel 73
Indien tijdens de nieuwbouw of de wijziging afwijkingen van een in beginsel goedgekeurde tekening wenselijk worden geacht, wordt dit aan de directeur ter goedkeuring voorgedragen.
##### Artikel 74
Aan de daartoe door de directeur aangewezen inspecteurs wordt tijdens de bouw of het wijzigen van een voertuig te allen tijde gelegenheid gegeven daarbij tegenwoordig te zijn en worden alle gewenste inlichtingen verstrekt en alle medewerking verleend.
### § 2. Ontwerpbeoordeling voertuigen met uitzondering van trekkers en dragende motorvoertuigen, opleggers en aanhangwagens voor containers met een inhoud van meer dan 3000 liter
##### Artikel 75
Bij de in artikel 69 bedoelde ontwerpgegevens is een volledig ingevuld volgens een door de directeur vastgesteld model gevoegd of een begeleidend schrijven met vermelding van naam, adres, postcode en plaats van vestiging van de ondernemer, het correspondentieadres en een korte omschrijving van de aard van de aanvraag.
### § 2.1. Tekeningen (Algemeen)
##### Artikel 76
De ontwerpaanvraag bevat de volgende tekeningen in tweevoud (indien van toepassing):
- a. een overzichtstekening van het complete voertuig;
- b. een tekening van de constructie van de tank (bij EX/III-voertuigen: van de constructie van de laadbak);
- c. een schema van de vul- en aftapleidingen van de tank; en
- d. een tekening of schema van bijzondere apparatuur of constructies, bijvoorbeeld voor het behandelen van de lading.
##### Artikel 77
Alle tekeningen:
- a. zijn zo duidelijk en nauwkeurig mogelijk vervaardigd, bij voorkeur op schaal 1:20 en op formaat A1, het leidingschema echter op formaat A3 of A4;
- b. zijn van een volledige maataanduiding voorzien;
- c. dragen in de rechter onderhoek de naam van de vervaardiger en een nummer, waarmee de tekening in de correspondentie kan worden aangeduid;
- d. zijn zo mogelijk in de rechter bovenhoek van een vrije ruimte van circa 12 x 7 cm voorzien ten behoeve van een goedkeuringsstempel;
- e. bevatten zo mogelijk onder de vrije ruimte, bedoeld in onderdeel d, of in de rechteronderhoek de volgende gegevens:
- 1º. op de in artikel 77, onderdeel a, bedoelde tekening:
- A. merk en chassisnummer van het voertuig;
- B. het typegoedkeuringsnummer waaronder het chassis, de oplegger of de aanhangwagen door de directeur is goedgekeurd; en
- C. het kenteken of het registratieteken, indien dit reeds voor het voertuig is afgegeven;
- 2º. op de in artikel 77, onderdeel b, bedoelde tekening (indien van toepassing):
- A. merk en fabricagenummer van de tank;
- B. het type van de tank overeenkomstig rn. 6.8.2.1.14;
- C. indien van toepassing: het typegoedkeuringsnummer; en
- D. de gevarenklasse(n);
- f. zijn harmonicavormig tot een uiteindelijk formaat van maximaal A4 opgevouwen op zodanige wijze, dat zowel de rechter bovenhoek als de rechter onderhoek zich aan de buitenzijde bevinden;
- g. (overzichtstekening) geven aan voor wat betreft het complete voertuig:
- 1º. een algemeen overzicht van het voertuig in ten minste zij- en achteraanzicht en, voor zover de vereiste gegevens dit noodzakelijk maken, een derde aanzicht met de uitwendige hoofdafmetingen (grootste lengte, breedte, hoogte, achteroverbouw en wielbasis);
- 2º. de plaats van de accu's alsmede de plaats van de hoofdschakelaar en van de bedieningspunten daarvan;
- 3º. de plaats van de brandstoftank dan wel brandstoftanks;
- 4º. indien van toepassing de bescherming van de brandstoftank en bij bijzondere constructies ook een nadere detaillering van de uitvoering;
- 5º. de plaats van de zekeringenkast dan wel zekeringenkasten;
- 6º. de ligging van de uitlaatleiding alsmede de eventuele afscherming daarvan;
- 7º. de grootste afstand tussen de buitenste linker en rechter achterband, gemeten vanaf de buitenste raaklijn aan de grond;
- 8º.
- A. de hoogte van het midden van de onbeladen tank boven het wegdek;
- B. de afstand van het zwaartepunt van de lading tot het rekenkundig hart van de achterassen;
- C. de afstand van de achterzijde van de tank tot het achterste deel van de stootbalk;
- 9º. bij opleggers: merk, type, plaats en hefvermogen van de steunpoten;
- 10º. de ligging van de vul- en aftapleidingen onder de tank, waarbij vermelding van de gegevens op één der overige in te dienen tekeningen of op een afzonderlijke lijst van uitrustingsdelen is toegestaan;
- 11º. bij klasse 6.1:
- A. de ligging van de vul- en aftapleidingen ten opzichte van de verticale raaklijn aan de tank;
- B. de plaats en de constructieve gegevens van beschermingsbeugels voor de vul- en aftapleidingen;
- 12º. de ligging van de drukluchtlosinstallatie alsmede merk, type, afsteldruk en typegoedkeuringsnummer van het afblaasventiel, waarbij vermelding van de gegevens op één der overige in te dienen tekeningen of op een afzonderlijke lijst van uitrustingsdelen is toegestaan; en
- 13º. bij voertuigen met vaste of afneembare tanks:
- A. de geschatte ledige massa ter plaatse van elk der assen onderscheidenlijk de opleggerkoppeling;
- B. de maximaal toelaatbare massa ter plaatse van elk der assen, onderscheidenlijk de opleggerkoppeling; en
- C. de maximaal toelaatbare massa van het complete voertuig;
- h. (tanktekening) geven aan voor wat betreft de tank:
- 1º. de materiaalaanduiding overeenkomstig de in de berekening toegepaste norm alsmede de wanddikte van de tankromp, de eindbodems, de tussenbodems, de slingerschotten en van de eventuele contraringen;
- 2º. de hoofdafmetingen van de tank alsmede de bruto inhoud (waterinhoud) van elk compartiment in liters, afgerond op 100 liter;
- 3º. de wijze van uitvoering, de afmetingen en de onderlinge afstand van de tussenbodems en/of van de slingerschotten;
- 4º. de plaats en de afmetingen van de binnen- of buitenliggende versterkingsringen;
- 5º. bij niet-cilindrische tanks: het oppervlak in dm² van de doorsnede(n) alsmede de kromtestralen en de ligging van het middelpunt daarvan;
- 6º. de plaats van de lasnaden, zowel van de romp als van samengestelde eindbodems, waarbij ten aanzien van de lassen ten minste is aangegeven:
- A. de voorbewerking van de lasnaad;
- B. de toegepaste lasmethode(n);
- C. het toevoegmateriaal, zijnde elektrode of draad;
- D. het beschermgas of andere bescherming; en
- E. de nabewerking van de lassen; waarbij vermelding van de gegevens op één der overige in te dienen tekeningen of op een afzonderlijke lijst van uitrustingsdelen is toegestaan;
- 7º. de plaats van de mangaten alsmede een opgave van het nummer waaronder de mangatconstructie door de directeur is goedgekeurd;
- 8º. de plaats en de wijze van bevestiging van alle overige appendages met inbegrip van de wanddikte voor de eventueel daarbij toe te passen tubelures;
- 9º. de plaats en de wijze van uitvoering van de bescherming aan weerszijden van de tank;
- 10º. de plaats en de wijze van uitvoering van de bescherming van de uitrustingsdelen boven op de tank, met inbegrip van, indien van toepassing, camouflageranden, morsbakken met bijbehorende deksels, rolbeugels;
- 11º. de plaats(en) en de wijze van uitvoering van de bevestiging van de tank aan het chassis onder opgave van de toe te passen profielen, het aantal en de afmetingen van de boutverbindingen dan wel de lengten en doorsnede(n) van de lasverbindingen, waarbij vermelding van de gegevens op één der overige in te dienen tekeningen of op een afzonderlijke lijst van uitrustingsdelen is toegestaan; en
- 12º. het merk, de type en het typegoedkeuringsnummer van de ontluchtingsinrichting onderscheidenlijk de beveiligingsinrichting, de bodemafsluiter en de eindafsluiter, waarbij vermelding van de gegevens op één der overige in te dienen tekeningen of op een afzonderlijke lijst van uitrustingsdelen is toegestaan;
- i. vul- en aftapleidingen, geven aan voor wat betreft de vul- en aftapleidingen:
- 1º. de ligging van de vul- en aftapleidingen en de inwendige diameter daarvan in mm;
- 2º. de plaats van alle in de vul- en aftapleidingen aangebrachte appendages;
- 3º. het merk en type van de appendages waarvoor geen typegoedkeuring is vereist;
- 4º. de wijze van aandrijving van de vloeistofpomp en voor zover van toepassing van de slanghaspel;
- 5º. de gegevens van de toegepaste elektromotor of van de generator indien deze ingevolge artikel 62 explosievast is uitgevoerd;
- 6º. de maximaal optredende pompdruk in het leidingsysteem; waarbij vermelding van de gegevens op één der overige in te dienen tekeningen of op een afzonderlijke lijst van uitrustingsdelen is toegestaan.
### § 2.2. Berekeningen
##### Artikel 78
Bij het ontwerp worden per voertuig ten minste de volgende berekeningen overgelegd:
- a. een berekening waaruit blijkt dat de bevestigingsmiddelen van de tank bij het hoogst toelaatbare vulgewicht de in rn. 6.8.2.1.2 genoemde belastingen kunnen weerstaan;
- b. de berekening, bedoeld onder a, behoeft niet te worden ingediend voor de verbinding tussen de tank en de koppelingssectie en tussen de tank en het asstel bij voertuigen waarbij de tank zelfdragend is uitgevoerd;
- c. een berekening van de bruto inhoud (waterinhoud) van elk tankcompartiment; en
- d. een berekening van de wanddikte van de tank, overeenkomstig de volgende richtlijnen:
- 1º. bij tanks waarbij de lading met behulp van de zwaartekracht wordt gelost, is de berekende dikte van de tankwand eveneens van toepassing voor de dikte van de eindbodems;
- 2º. bij tanks waarbij de lading met behulp van overdruk wordt gelost, wordt de wanddikte van de tank, van de eindbodems en voor zover van toepassing van de tussenbodems berekend bij een druk, welke ten minste 1,3 x de voor het lossen benodigde druk bedraagt;
- 3º. bij de berekening, bedoeld onder 2°, van het cilindrische deel van de tank wordt uitgegaan van de in rn. 6.8.2.1.17 bedoelde formule;
- 4º. bij tanks, waarbij in de VLG een berekeningsdruk van ten minste 400 kPa (4 bar) is voorgeschreven, wordt voor de vaststelling van de wanddikte van de tank, van de eindbodems en van de mangatconstructie de berekening uitgevoerd met de hierna vermelde factoren:
- A. de (fictieve) berekeningsdruk in combinatie met de omgevingstemperatuur; en
- B. de maximumbedrijfsdruk in combinatie met de maximumbedrijfstemperatuur;
- 5º. van de onder 2° en 3° bedoelde tanks met uitzondering van tanks voor het vervoer van poeder- of korrelvormige stoffen die niet hermetisch moeten kunnen worden gesloten, wordt een berekening op uitwendige overdruk ingediend.
- 6º. de onder 5° genoemde, te berekenen druk bedraagt:
- A. voor tanks voorzien van een onderdrukventiel: de openingsdruk van het ventiel met een minimumverschildruk van 10 kPa (0,1 bar); of
- B. voor hermetisch gesloten tanks: 30 kPa (0,3 bar);
- 7º. indien geen bedrijfstemperatuur is vermeld, worden als bedrijfstemperatuur 50°C en voor de berekening de waarden van de materiaaleigenschappen bij 20°C aangehouden;
- 8º. bij aanwezigheid van een stoomdoos wordt als minimale berekeningstemperatuur 100°C aangehouden; en
- 9º. bij de berekening van de tank wordt de verzwakking door mangaten en eventuele andere openingen in de tankwand alsmede compensatie in de vorm van mangathalzen, flenzen en dergelijke mede in rekening gebracht.
### § 3. Beoordeling van een aanvraag voor goedkeuring van een trekker of een dragend motorvoertuig voor containers met een inhoud groter dan 3000 liter
##### Artikel 79
De ingevolge artikel 69 over te leggen gegevens betreffen voor een trekker de volgende bescheiden:
- a. een door de aanvrager ingevuld VLG aanvraagformulier volgens een door de directeur vastgesteld model;
- b. een zekeringenlijst;
- c. een aansluitschema van de hoofdschakelaar en het beveiligingscircuit van de dynamo;
- d. voor het vervoer van propaan, butaan en mengsels daarvan een schema van de ingevolge rn. 6.8.3.2 N voorgeschreven wegrijalarmering;
- e. een door de fabrikant van het voertuig geautoriseerde verklaring waaruit blijkt dat, voor zover van toepassing, het voertuig voldoet aan het bepaalde in rn. 9.2.3.2 (antiblokkeer-remsysteem) en rn. 9.2.3.3 (duurremsysteem / retarder);
- f. voor de klassen 1 en 5.1, identificatienummer 2015: een verklaring, geautoriseerd door een door de directeur aangewezen onafhankelijk deskundige, waaruit blijkt dat de bestuurderscabine van het voertuig voldoet aan het bepaalde in rn. 9.2.4.2 met betrekking tot de brandbestendigheid.
### § 4. Beoordeling van een aanvraag voor goedkeuring van een getrokken dragend voertuig voor containers met een inhoud groter dan 3000 liter
##### Artikel 80
In afwijking van het bepaalde in artikel 69 worden de hierna genoemde bescheiden bij het aanbieden van het voertuig voor keuring in een keuringsstation van de RDW aan de inspecteur aangeboden:
- a. een door de aanvrager ingevuld VLG aanvraagformulier volgens een door de directeur vastgesteld model;
- b. een schematische weergave van het remsysteem;
- c. een door de fabrikant van het voertuig geautoriseerde verklaring waaruit blijkt dat, voor zover van toepassing, het voertuig voldoet aan het bepaalde in rn. 9.2.3.2 (antiblokkeer-remsysteem).
### § 5. Typegoedkeuring uitrustingsdelen
##### Artikel 81
Typegoedkeuring voor de in artikel 40 genoemde uitrustingsdelen wordt uitsluitend verleend aan de fabrikant van de appendages of aan de officiële vertegenwoordiging daarvan in Nederland.
##### Artikel 82
De aanvraag ter verkrijging van een typegoedkeuring gaat vergezeld van de volgende bescheiden:
- a. een volledige werktekening met voldoende aanzichten in 2-voud, en deze:
- 1º. is zo duidelijk en nauwkeurig mogelijk bij voorkeur op formaat A2 vervaardigd;
- 2º. is van een volledige maataanduiding voorzien;
- 3º. is van een stuklijst voorzien waarin alle materialen, ook de alternatief te gebruiken materialen, zijn vermeld;
- 4º. vermeldt waar en op welke wijze de vereiste merk- en typeaanduidingen onderscheidenlijk coderingen zijn aangebracht;
- 5º. vermeldt de naam, het adres en de woonplaats van de fabrikant, alsmede, indien van toepassing, van de vertegenwoordiging in Nederland; en
- 6º. vermeldt voorzover van toepassing de wijze van verzegeling alsmede de afbeelding van het waarmerk;
- b. een gespecificeerde lijst waarin de kwaliteitsnaam, zijnde niet de handels- of merknaam en het toepassingsgebied van alle toegepaste materialen en afdichtingen is vermeld, waarbij aanduidingen zoals bezinebestendig en zuurbestendig onvoldoende zijn;
- c. een opgave van de minimum- en maximumwerktemperatuur met de daarbij toelaatbare bedrijfsdruk;
- d. een opgave van de betekenis van de coderingen welke op de appendages zijn aangebracht;
- e. bij ontluchtingsinrichtingen bij gecombineerde beluchtings- en ontluchtingsinrichtingen alsmede bij afblaasventielen een capaciteitsgrafiek in Nm³/uur voor de ontluchting, waarbij in de grafiek voorts is aangegeven:
- 1º. de stand van de ontluchtingsinrichting in gemonteerde toestand; en
- 2º. of bij het bepalen van de vermelde capaciteit de invloed van de vlamkering, voor zover aanwezig, is inbegrepen;
- f. bij mangatdeksels bovendien de volgende berekeningen:
- 1. bij mangatdeksels van tanks overeenkomstig rn. 6.8.2.1.14 onder (a) een berekening van het deksel bij een inwendige overdruk van 50 kPa (0,5 bar);
- 2. bij alle niet onder 1° genoemde mangatdeksels een berekening op ten minste de beproevingsdruk van de tank van:
- A. het deksel;
- B. de mangathals;
- C. de knevels en de knevelbouten; en
- D. de scharnierpunten van de knevelbouten;
- g. g. van samengestelde oogbouten:
- 1º. een door een onafhankelijke deskundige afgegeven verklaring, waarin is aangegeven dat een proefexemplaar aan een trekproef is onderworpen alsmede bij welke belasting het exemplaar is bezweken;
- 2º. het proefexemplaar.
##### Artikel 83
De in artikel 82, onderdelen b, c en e, bedoelde bescheiden worden door de fabrikant van de appendages verstrekt.
##### Artikel 84
Indien de in artikel 82 bedoelde over te leggen bescheiden door de directeur akkoord zijn bevonden wordt een proefexemplaar van het appendage, dat van de vereiste merk- en typeaanduiding(en) is voorzien, ter beoordeling overgelegd.
### Hoofdstuk XIII. Keuringen en beproevingen
### § 2. Beproevingen (Algemeen)
##### Artikel 85
Naast het overige dat in de VLG is voorgeschreven, wordt een voertuig onderscheidenlijk tank voor een keuring respectievelijk beproeving aangeboden:
- a. na een wijziging of herstelling van voor de veiligheid essentiële delen;
- b. na een aanrijding of ongeval waardoor beschadiging is ontstaan; of
- c. wanneer zulks om redenen van veiligheid nodig is.
##### Artikel 86
Een nieuw gebouwd of gewijzigd voertuig voor het vervoer van gevaarlijke stoffen wordt niet in dienst gesteld dan na goedkeuring door of namens de directeur.
##### Artikel 87
De keuringsdatum wordt vastgesteld nadat de ontwerpgegevens zijn goedgekeurd door de directeur.
##### Artikel 88
In geval van verhindering is daarvan voor de keuringsdatum kennis gegeven aan de directeur.
##### Artikel 89
De keuringen en beproevingen worden slechts verricht na ontvangst van een schriftelijke orderbevestiging.
##### Artikel 90
Bij de keuring wordt nagegaan of het te keuren object:
- a. geheel overeenkomt met de ingediende tekeningen of gegevens; en
- b. geheel voldoet aan de voorschriften bedoeld in artikel 3.
##### Artikel 91
Bij keuringen en beproevingen staat voldoende geschoold personeel en gereedschap ter beschikking, opdat eventuele verrichtingen als hydraulische proefpersingen, dichtheidsbeproevingen, wanddiktemetingen, demontage van onderdelen, remproeven en dergelijke, een vlot verloop kunnen hebben.
##### Artikel 92
Bij keuringen en beproevingen bevinden de voertuigen en in het bijzonder de tanks met bijbehorende appendages, zich in een in- en uitwendig afdoende gereinigde staat.
##### Artikel 93
Voor zover geen inwendige inspectie of proefpersing van de tank is vereist, behoeft de tank niet inwendig te worden gereinigd bij de keuring van:
- a. tankwagens uitsluitend goedgekeurd voor het vervoer van stoffen van klasse 2;
- b. tankwagens die als laatste product kerosine met identificatienummer 1223, dieselolie, gasolie, lichte stookolie met identificatienummer 1202 of bitumen met identificatienummer 3257 hebben vervoerd.
##### Artikel 94
1. Bij keuringen, onderscheidenlijk beproevingen zonder inwendige inspectie van de tank wordt het bepaalde onder artikel 93 bevestigd in een door de eigenaar, dan wel houder van het voertuig opgestelde verklaring, welke onmiddellijk vóór de keuring onderscheidenlijk beproeving aan de keurende inspecteur wordt afgegeven.
2. In deze verklaring is tevens vermeldt welke stof, aangegeven door naam, klasse en rn., als laatste werd vervoerd voorafgaand aan het tijdstip van keuring onderscheidenlijk beproeving.
##### Artikel 95
1. Voorafgaand aan een inwendige inspectie is de tank inwendig gereinigd.
2. Onmiddellijk voor de inwendige inspectie van de tank wordt een certificaat overgelegd waaruit blijkt dat de veiligheid van degene die de tank inwendig inspecteert, is gegarandeerd. In het certificaat is ten minste aangegeven:
- a. het fabricagenummer van de tank;
- b. het kenteken, registratieteken of het chassisnummer van het voertuig;
- c. de datum en het tijdstip van het onderzoek; en
- d. de aanduiding: veilig voor mensen en veilig voor vuur.
3. Het in het tweede lid genoemde certificaat is opgemaakt door een deskundige, als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder v van het Veiligheidsbesluit Tankschepen, van een door het Directoraat Generaal van de Arbeid erkende rechtspersoon.
4. Indien de fabrikant van de tank of de werkplaats waar de tank wordt geïnspecteerd ten minste is gecertificeerd voor een kwaliteitsborgingssysteem volgens de norm ISO 9003, kan de directeur onder nader bekend te maken voorschriften en beperkingen toestaan dat het certificaat, bedoeld in het tweede lid, door de eigen gekwalificeerde deskundige wordt opgesteld en gewaarmerkt.
5. Het in het tweede lid genoemde certificaat behoeft niet te worden overgelegd, indien:
- a. de tank niet is voorzien van een inwendige bekleding;
- b. de tank uit roestvrij staal of aluminium is vervaardigd, een glad oppervlak en geen moeilijk te reinigen details bezit;
- c. de tank door middel van stomen is gereinigd, waarbij elke aanslag is verdwenen; en
- d. het inwendig betreden van de tank plaatsvindt, aansluitend op het ledigen van de tank na persing met water.
##### Artikel 96
Indien bij een keuring of beproeving gebreken worden vastgesteld van zodanige aard dat niet tot goedkeuring kan worden overgegaan, wordt aan de ondernemer een opgave verstrekt van de gebreken die tot de weigering van de goedkeuring hebben geleid en wordt het voertuig, nadat de nodige voorzieningen zijn getroffen, voor herkeuring aangeboden.
### § 2. Beproevingen (Algemeen)
##### Artikel 97. rn. 6.8.2.4.1 hydraulische proefpersing /rn.
1. Hydraulische proefpersingen en dichtheidsproeven worden onder toezicht van IKS verricht.
2. In afwijking van het eerste lid kan de directeur toestaan dat bedoelde beproevingen worden verricht onder toezicht van een door hem aan te wijzen deskundige, in dat geval wordt een door genoemde deskundige gewaarmerkt certificaat overgelegd, waarin is vermeld:
- a. het fabricagenummer van de beproefde tank;
- b. de datum van de beproeving;
- c. de waarde van de beproevingsdruk in kPa of bar;
- d. het medium waarmee de beproeving is uitgevoerd;
- e. de beproevingsduur; en
- f. het resultaat van de beproeving.
##### Artikel 98
Bij tanks overeenkomstig rn. 6.8.2.1.14 onder (a), die zijn verdeeld in compartimenten en die zijn gebouwd volgens de met ingang van 1 januari 1990 geldende voorschriften, wordt de proefpersing van elk compartiment verricht bij een druk gelijk aan die van de gehele tank.
##### Artikel 99
De bij de proefpersing toegepaste druk bedraagt in elk geval ten minste 25 kPa (0,25 bar).
Indien de proefpersing met vloeistof als medium wordt verricht, wordt genoemde druk gemeten boven in de tank.
##### Artikel 100
Bij een beproevingsdruk van ten hoogste 50 kPa (0,5 bar) mag lucht of een ander gas als beproevingsmedium worden toegepast, voor zover dat in geen enkel opzicht gevaar oplevert.
##### Artikel 101. rn. 6.8.2.4.3 dichtheidsproef
1. De in rn. 6.8.2.4.3 bedoelde inwendige druk van ten minste 20 kPa (0,2) bar, wordt bij beproeving met vloeistof als medium, gemeten boven in de tank.
2. Indien de tank is voorzien van een ontluchtings- en veiligheidsinrichting die voorkomt dat de inhoud uit de tank ontsnapt, wordt de dichtheidsproef verricht bij een inwendige druk welke ten minste gelijk is aan de openingsdruk van deze voorziening.
### § 3. Fabricageonderzoek rn. 6.8.2.4.1
##### Artikel 102
Uiterlijk bij de aanvang van de keuring worden de volgende bescheiden overgelegd:
- a. de in artikel 7, derde lid, genoemde attesten, alsmede een schets van ten minste formaat A4 waarop de plaatindeling van de tankromp en de plaatnummers, zoals vermeld in de attesten, zijn aangegeven:
- 1º. De op de tank aangebrachte merktekens zijn duidelijk leesbaar en worden zo nodig gemarkeerd;
- b. het in artikel 9, eerste lid, bedoelde rapport met de bijbehorende radiografische opnamen, alsmede een schets van ten minste formaat A4, van de tank, waarop de plaats en de richting van deze opnamen is aangegeven;
- 1º. Het rapport van de radiografische controle is voorzien van een kenmerk, dat overeenkomt met een onuitwisbaar op de desbetreffende tank aangebracht identificatienummer.
- 2º. Dit nummer is ook na completering van het voertuig nog zichtbaar;
- c. een verklaring waarin is vermeld door welke persoon, dan wel personen de laswerkzaamheden zijn verricht.
##### Artikel 103. proefpersing
1. Bij de proefpersing worden alle noodzakelijke inspecties verricht om vast te stellen dat:
- a. de tank deugdelijk is vervaardigd;
- b. noch in de lassen, noch in het overige tankmateriaal lekkage optreedt; en
- c. geen zichtbare blijvende vormverandering optreedt.
2. Bij de proefpersing is de tank:
- a. zodanig gereed, dat alle belangrijke constructieve elementen zijn aangebracht en na de beproeving geen las- en slijpwerkzaamheden meer aan de tank behoeven te worden verricht;
- b. voorzien van de bij de tank behorende mangatdeksels, knevels en pakkingen, dan wel van identieke exemplaren, waarbij speciale persdeksels mogen worden toegepast bij een beproevingsdruk van ten hoogste 50 kPa (0.5 bar);
- c. horizontaal en goed bereikbaar opgesteld, teneinde een goede inspectie mogelijk te maken;
- d. ongeschilderd en nog niet van een eventuele binnenbekleding voorzien; en
- e. indien water als medium wordt toegepast:
- 1. geheel gevuld; en
- 2. aan de buitenzijde, met inbegrip van eventuele holle ruimten tussen de compartimenten, geheel droog.
### § 4. Hernieuwde toelating tank rn. 6.8.2.4.2
##### Artikel 104
Voor hernieuwde toelating van de tank na maximaal 6 jaar, wordt het voertuig bij IKS voor keuring aangeboden.
##### Artikel 105
Het onderzoek naar de in- en uitwendige toestand omvat tevens een onderzoek naar de bedrijfsuitrusting van de tank.
##### Artikel 106
Indien de resultaten van het inwendige onderzoek van de tank daartoe aanleiding geven en in elk geval met tussenliggende perioden van ten hoogste 12 jaar, wordt tevens een onderzoek naar de tankondersteuning ingesteld, waartoe de eventueel aanwezige tankommanteling wordt verwijderd voor zover dit met het oog op het onderzoek naar het oordeel van de directeur noodzakelijk wordt geacht.
##### Artikel 107
1. De hydraulische proefpersing wordt bij de tank als geheel verricht bij de beproevingsdruk, zoals vermeld op de tank-identificatieplaat (stempelplaat).
2. Per compartiment wordt de hydraulische proefpersing verricht bij een druk gelijk aan 1,3 maal de op de stempelplaat aangegeven werkdruk.
3. Indien de beproeving per compartiment plaats vindt aansluitend aan de in het eerste lid bedoelde beproeving, behoeven de aan het te beproeven compartiment grenzende compartimenten niet te zijn geledigd
### 5. Periodieke keuring en keuring na belangrijke herstelling na ongeval
##### Artikel 108
De ondernemer wordt, ten behoeve van de jaarlijkse periodieke keuring, in de regel ten minste acht dagen voor de vervaldag van het keuringsdocument namens de directeur door het keuringsstation van VT waaronder de ondernemer ressorteert, bericht gegeven. Datum, plaats, en tijdstip van de in artikel 86 bedoelde keuringen worden door het betrokken keuringsstation in overleg met de aanvrager vastgesteld.
##### Artikel 109
Het niet ontvangen van de in artikel 110 bedoelde oproep ontslaat de ondernemer niet van zijn plicht de keuring tijdig aan te vragen.
##### Artikel 110
Bij de periodieke keuring wordt nagegaan of het voertuig:
- a. geheel voldoet aan de daarvoor geldende voorschriften, zoals genoemd in artikel 3;
- b. geen gebreken vertoont, waartoe het chassis goed gereinigd is;
- c. voldoende is onderhouden; en
- d. tevens ten minste voldoet aan de eisen neergelegd in de Regeling houdende vaststelling keuringseisen en regels omtrent de wijze van keuren van motorrijtuigen, aanhangwagens en opleggers.
##### Artikel 111
1. Indien ten behoeve van de periodieke keuring het inwendig reinigen van de tank niet, of slechts met zeer grote moeite mogelijk is, kan ontheffing daarvan worden aangevraagd bij IKS.
2. Wanneer de gevraagde ontheffing wordt verleend, zal de tank op door de directeur vast te stellen termijnen aan vervangende en aanvullende beproevingen worden onderworpen. Het voertuig wordt voor deze vervangende en aanvullende beproevingen aangeboden bij IKS.
3. Het oorspronkelijk verstrekte keuringsdocument wordt daarbij vervangen door een exemplaar waarop uitsluitend die stoffen zijn vermeld, welke aanleiding gaven tot het aanvragen van de ontheffing.
4. Indien de eigenaar of houder van het voertuig niet langer van de ontheffing gebruik wenst te maken, wordt het voertuig bij het keuringsstation van VT aangeboden waar dit is geregistreerd ter controle van die aspecten, die tengevolge van bedoelde ontheffing bij de voorgaande periodieke keuring achterwege zijn gebleven; eerst daarna kan het voertuig wederom worden goedgekeurd voor de stoffen die op het oorspronkelijke keuringsdocument waren vermeld.
##### Artikel 112. rn. 6.8.2.4.4
Indien een schademelding overeenkomstig artikel 5 heeft plaatsgevonden, zijn tevens de volgende voorschriften van toepassing:
- 1. Op grond van de verkregen informatie beoordeelt het keuringsstation van de RDW of een onderzoek naar de aard en de ernst van de schade wordt uitgevoerd;
- 2. Indien herstelling noodzakelijk wordt geacht, legt het bedrijf dat deze herstelling zal uitvoeren, een plan voor bij voornoemd keuringsstation;
- 3. De herstelling wordt niet uitgevoerd dan nadat dit plan door voornoemd keuringsstation is goedgekeurd;
- 4. Bij schade aan de tank met inbegrip van versterkingen, ondersteuningen en uitrusting stelt voornoemd keuringsstation IKS daarvan in kennis;
- 5. Indien bij de voorgenomen herstelwerkzaamheden (mede) de in het vierde lid genoemde elementen van de constructie worden onderworpen aan vervorming of het inbrengen van warmte, is onverminderd het bepaalde in het derde lid tevens de goedkeuring van IKS vereist;
- 6. IKS verricht de op grond van rn. 6.8.2.4.4 noodzakelijk geachte onderzoeken en beproevingen;
- 7. Het keuringsstation van VT beslist op grond van de resultaten van een keuring na herstelling en voor zover van toepassing het zesde lid bepaalde omtrent hernieuwde goedkeuring voor het vervoer van gevaarlijke stoffen.
### Hoofdstuk XIV. Overgangs- en slotbepalingen
##### Artikel 113
Deze bijlage is van toepassing op voertuigen en hun uitrusting, die zijn vervaardigd overeenkomstig de VLG.
##### Artikel 114
De Regeling Rijkskeuringsvoorschriften betreffende het vervoer over land van gevaarlijke stoffen 1990 blijft van toepassing op voertuigen waarvoor zij bij de toelating van kracht was.
##### Artikel 115
De Rijkskeuringsvoorschriften betreffende het vervoer over land van gevaarlijke stoffen 1985 (R.V.L.G. '85) blijven van toepassing op voertuigen waarvoor zij bij de toelating van kracht waren.
##### Artikel 116
De Rijkskeuringsvoorschriften betreffende het vervoer over land van gevaarlijke stoffen 1978 (R.V.L.G. '78) blijven van toepassing op voertuigen waarvoor zij bij de toelating van kracht waren.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst met uitzondering van de bijlage 1, die ter inzage wordt gelegd bij het Directoraat-Generaal Goederenvervoer van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat, Nieuwe Uitleg 1 te Den Haag.
## Bijlage 2. , bedoeld in [artikel 2, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010054&artikel=2&z=2003-07-30&g=2003-07-30) van de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen
### Hoofdstuk I. Bepalingen voor uitsluitend binnenlands vervoer
##### Artikel 1. Toepassingsbereik
Dit hoofdstuk is van toepassing op vervoer van gevaarlijke stoffen dat uitsluitend binnen Nederland plaatsvindt, en heeft voorrang boven [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010054&bijlage=1&z=2003-07-30&g=2003-07-30).
##### Artikel 2. Implementatie van [richtlijn 94/55/EG](31994L0055) betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten inzake het vervoer van gevaarlijke goederen over de weg
1. De Minister kan tijdelijk ontheffing of vrijstelling van [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010054&bijlage=1&z=2003-07-30&g=2003-07-30) verlenen, indien het betreft proefnemingen die nodig zijn om bepalingen van die bijlage te kunnen wijzigen met het oog op de aanpassing ervan aan de technische of industriële ontwikkelingen. Van een dergelijke vrijstelling of ontheffing doet de Minister mededeling aan de Commissie van de Europese Gemeenschappen.
2. De ontheffingen en vrijstellingen, bedoeld in het eerste lid, worden verleend zonder onderscheid naar nationaliteit of vestigingsplaats van de afzender, de vervoerder of de geadresseerde, hebben een looptijd van ten hoogste vijf jaar en zijn niet hernieuwbaar.
3. Ontheffing van deze regeling als bedoeld in [artikel 9 van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007606&artikel=9), anders dan bedoeld in het eerste en tweede lid, verleent de Minister slechts, indien deze ontheffing betrekking heeft op één geval dat naar zijn oordeel duidelijk omschreven en in tijd beperkt is.
##### Artikel 3. N-bepalingen
De N-bepalingen in dit hoofdstuk:
- a. zijn een aanvulling op [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010054&bijlage=1&z=2003-07-30&g=2003-07-30); of
- b. treden, voor zover zij met de overeenkomstig genummerde bepalingen van [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010054&bijlage=1&z=2003-07-30&g=2003-07-30) niet overeenstemmende verplichtingen bevatten, in plaats van bedoelde verplichtingen van de overeenkomstig genummerde bepalingen van [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010054&bijlage=1&z=2003-07-30&g=2003-07-30).
**1.5.1.1 N Multilaterale overeenkomsten**
1. Niet-grensoverschrijdend vervoer mag plaatsvinden overeenkomstig multilaterale overeenkomsten als bedoeld in randnummer 1.5.1.1 van [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010054&bijlage=1&z=2003-07-30&g=2003-07-30).
2. Bij het vervoer dat voldoet aan de in het eerste lid bedoelde multilaterale overeenkomst worden de voorschriften met betrekking tot het vervoer in acht genomen die in deze overeenkomst zijn opgenomen.
**5.2.1 N Opschriften, kenmerking en gevaarsetiketten**
De opschriften en kenmerkingen op colli, containers, tanks en voertuigen zijn in ieder geval gesteld in de Nederlandse, Franse, Duitse of Engelse taal.
**5.4.1.4 N Vervoerdocument**
Het is toegestaan dat in het vervoerdocument de voorgeschreven aanduidingen uitsluitend zijn gesteld in de Nederlandse taal.
**6.8.3.2 N Uitrusting van tankwagens voor propaan, butaan en mengsels daarvan**
In Nederland geregistreerde tankwagens, bestemd voor het vervoer van propaan, butaan en mengsels daarvan, zijn voorzien van een noodstopvoorziening die is aangesloten op het bedieningssysteem van de veiligheidsinrichting, bedoeld in randnummer 6.8.3.2.3 van [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010054&bijlage=1&z=2003-07-30&g=2003-07-30), en op het aandrijfsysteem van de pomp. Het bedienen van de noodstopvoorziening heeft tot direct gevolg dat de veiligheidsinrichtingen gesloten worden en de pomp gestopt wordt. De bedieningsorganen van de noodstopvoorziening zijn zowel aangebracht in de bedieningskast(en) als bij de linkervoorzijde als bij de rechterachterzijde van de tank.
Tankwagens, bestemd voor het vervoer van propaan, butaan of mengsels daarvan, zijn voorzien van een wegrijalarmering, ter voorkoming van het wegrijden met een aangekoppelde of niet opgeborgen slang. Deze voorziening bestaat uit een knipperende rode lamp op het dashbord en een intermitterende claxon in de cabine.
**6.8.4.1 N Inspectie**
In Nederland geregistreerde tankwagens, bestemd voor het vervoer van propaan, butaan of mengsels daarvan, worden iedere 26 weken onderworpen aan een visuele uitwendige inspectie en aan een controle op de goede werking van de uitrusting.
**8.1.2 N Documenten die het vervoer moeten begeleiden**
Indien voor het betrokken vervoer ontheffing is verleend ingevolge [artikel 9 van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007606&artikel=9), is deze ontheffing of een afschrift daarvan bij het vervoerdocument gevoegd.
**8.2.1 N Speciale opleiding van de bestuurder**
De verplichting van randnummer 8.2.1 van [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010054&bijlage=1&z=2003-07-30&g=2003-07-30) is niet van toepassing op bestuurders van:
- a. motorrijtuigen met beperkte snelheid als bedoeld in het [Voertuigreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006746), waarmee lege, ongereinigde tanks met een capaciteit van ten hoogste 3 m3 worden vervoerd, die dieselolie, gasolie en lichte stookolie hebben bevat; of
- b. brandweervoertuigen die gevaarlijke stoffen bevatten, mits:
- 1°. op deze voertuigen gediplomeerd brandweerpersoneel in de zin van het [Besluit brandweerpersoneel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005073) aanwezig is; en
- 2°. dit personeel iedere vijf jaar een brandweerbijscholingscursus gevaarlijke stoffen volgt.
**9.2.3.1 N Reminrichting**
Voor wat betreft het duurremsysteem is randnummer 9.2.3.1 van [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010054&bijlage=1&z=2003-07-30&g=2003-07-30) (retarder) niet van toepassing op motorvoertuigen gebouwd vóór 1 januari 1997.
**9.7.5.1 N Stabiliteit**
In afwijking van de tweede volzin van randnummer 9.7.5.1 van [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010054&bijlage=1&z=2003-07-30&g=2003-07-30), behoeft bij in Nederland geregistreerde gelede voertuigen voor wat betreft de druk van de assen van de beladen oplegger, slechts te worden voldaan aan [artikel 3.3.9 van het Voertuigreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006746&artikel=3.3.9).
### Hoofdstuk II. Bepalingen voor elk vervoer op Nederlands grondgebied
##### Artikel 1. Toepassingsbereik
1. Dit hoofdstuk is van toepassing op elk vervoer van gevaarlijke stoffen op Nederlands grondgebied en is gebaseerd op de randnummers 1.9.2, 1.9.3 en 1.9.4 van [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010054&bijlage=1&z=2003-07-30&g=2003-07-30).
2. Dit hoofdstuk is, behoudens [artikel 3, eerste lid, onderdeel c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010054&artikel=3&z=2003-07-30&g=2003-07-30), niet van toepassing op het vervoer dat plaatsvindt overeenkomstig de randnummers 1.1.3 en 3.4.6 van [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010054&bijlage=1&z=2003-07-30&g=2003-07-30).
##### Artikel 2. Laad- en losplaats
Het is verboden met een tankwagen, afneembare tank, batterijwagen, tankcontainer, transporttank, MEGC, mobiele tank of IBC gevaarlijke stoffen als bedoeld in randnummer 1.2.1 van [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010054&bijlage=1&z=2003-07-30&g=2003-07-30):
- a. te laden elders dan op het adres van de afzender, alsmede op plaatsen waar gevaarlijke stoffen worden aangewend; of
- b. te lossen elders dan op het adres van de geadresseerde, alsmede op plaatsen waar gevaarlijke stoffen worden aangewend.
##### Artikel 3. Tunnelregime
1. Het is verboden:
- a. de in tabel 3 vermelde gevaarlijke stoffen te vervoeren door tunnels van categorie I, genoemd in tabel 1;
- b. de in tabel 4 vermelde gevaarlijke stoffen te vervoeren door tunnels van categorie II, genoemd in tabel 2;
- c. stationaire drukhouders die zijn vrijgesteld ingevolge randnummer 1.1.3.2 die mengsels van koolwaterstoffen met UN-nummer 1965 hebben bevat, te vervoeren door tunnels van categorie I of II.
2. De in dit artikel bedoelde tunnels worden aangeduid met verkeersbord C 22, bedoeld in [bijlage 1 bij het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&bijlage=1). Onder het bord wordt een onderbord geplaatst waarop met Romeinse cijfers de categorie van de tunnel wordt aangegeven.
| Naam | Weg en plaats | Onder |
| --- | --- | --- |
| Beneluxtunnel | A4 bij Vlaardingen en Hoogvliet | Nieuwe Waterweg |
| Coentunnel | A10 in Amsterdam | Noordzeekanaal |
| Drechttunnel | A16 tussen Zwijndrecht en Dor- drecht | Oude Maas |
| Noordtunnel | A15 tussen Hendrik-Ido-Ambacht en Alblasserdam | Noord |
| Vlaketunnel | A58 tussen Kruiningen en Kapelle | Kanaal door Zuid-Beveland |
| Westerscheldetunnel | N62 tussen Terneuzen en Goes | Westerschelde |
| Wijkertunnel | A9 tussen Beverwijk en Velsen | Noordzeekanaal |
| Zeeburgertunnel | A10 in Amsterdam | IJ |
| Naam | Weg en plaats | Onder |
| --- | --- | --- |
| Botlektunnel | A15 tussen Hoogvliet en Rozenburg | Oude Maas |
| Heinenoordtunnel | A29 tussen Barendrecht en Oud-Beijerland | Oude Maas |
| IJtunnel | Stedelijke weg te Amsterdam | IJ |
| Kiltunnel | S43 tussen Dordrecht en 's-Gravendeel | Dordtse Kil |
| Maasboulevard | Stedelijke weg te Maastricht | Stadgebied Maastricht |
| Maastunnel | Stedelijke weg te Rotterdam | Nieuwe Maas |
| Piet Heintunnel | Stedelijke weg te Amsterdam | Amsterdam-Rijnkanaal |
| Velsertunnel | A22 bij Velsen | Noordzeekanaal |
##### Artikel 4
Het vervoer van de stoffen die in tabel 3 zijn opgenomen, is routeplichtig als bedoeld in [artikel 12, eerste lid, van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007606&artikel=12).
| **Klasse** | **Vervoer in tanks** | **Losgestort vervoer** | **Vervoer in colli in hoeveelheden groter dan 1.1.3.6** |
| --- | --- | --- | --- |
| 1 | | | alle stoffen en voorwerpen boven de hoeveelheden als bedoeld in 1.1.3.6 alsmede vuurwerk met de UN-nummers 0336 en 0337 met een totale netto explosieve massa van meer dan 20 kilogram |
| 2 | letters F, T, TF, TC, TO, TFC, TOC | | |
| 4.1 | | | UN 3221, 3222, 3231, 3232 |
| 4.2 | UN 1366, 1370, 1380, 1381, 2003, 2005, 2445, 2447, 2845, 2870, 3049, 3050, 3051, 3052, 3053, 3076, 3194, 3203 | | |
| 4.3 | alle stoffen | alle stoffen | |
| 5.2 | | | UN 3101, 3102, 3111, 3112 |
| 6.1 | UN 1092, 1238, 1239, 1259, 1613, 1695, 2334, 2382, 2438, 3294 | | |
| 8 | UN 1052, 1744, 1786, 1790, 1829, 1831, 2240, 2502, 2817 | | UN 2502 |
| lege tanks, voertuigen of containers ongereinigd van hierboven genoemde stoffen | lege tanks, voertuigen of containers ongereinigd van hierboven genoemde stoffen | lege tanks, voertuigen of containers ongereinigd van hierboven genoemde stoffen | |
| **Klasse** | **Vervoer in tanks** | **Losgestort vervoer** | **Vervoer in colli in hoeveelheden groter dan 1.1.3.6** |
| --- | --- | --- | --- |
| 1 | | | alle stoffen en voorwerpen boven de hoeveelheden als bedoeld in 1.1.3.6 alsmede vuurwerk met de UN-nummers 0336 en 0337 met een totale netto explosieve massa van meer dan 20 kilogram |
| 2 | letters F, T, TF, TC, TO, TFC, TOC | | alle stoffen met brandbare (F) eigenschappen |
| 3 | stoffen van verpakkingsgroep I en II | | stoffen van verpakkingsgroep I en II |
| 4.1 | | | UN 3221, 3222, 3231, 3232 |
| 4.2 | alle stoffen | alle stoffen | alle stoffen |
| 4.3 | alle stoffen | alle stoffen | alle stoffen |
| 5.2 | alle stoffen | | alle stoffen |
| 6.1 | UN 1092, 1098, 1143, 1163, 1182, 1185, 1238, 1239, 1244, 1251, 1259, 1613, 1695, 1994, 2334, 2382, 2438, 2482, 2484, 2485, 2606, 2929*, 3279*, 3294 | | UN 1051, 1092, 1098, 1143, 1163, 1182, 1185 1238, 1239, 1244, 1251, 1259, 1613, 1614, 1695, 1994, 2334, 2382, 2407, 2438, 2480, 2482, 2484, 2485, 2606, 2929* 3279*, 3294 |
| 8 | alle stoffen | alle stoffen | alle stoffen |
| lege tanks, voertuigen of containers ongereinigd van hierboven genoemde stoffen | lege tanks, voertuigen of containers ongereinigd van hierboven genoemde stoffen | lege tanks, voertuigen of containers ongereinigd van hierboven genoemde stoffen | |
* voor zover het stoffen betreft van verpakkingsgroep I, bedoeld in randnummer 4.1.
##### Artikel 5. Laden en lossen
Het laden of lossen van ontplofbare stoffen en voorwerpen van klasse 1 in hoeveelheden die per transporteenheid groter zijn dan de vrijgestelde hoeveelheden van randnummer 1.1.3.6 van [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010054&bijlage=1&z=2003-07-30&g=2003-07-30) alsmede vuurwerk met de UN-nummers 0336 en 0337 met een totale netto explosieve massa van meer dan 20 kilogram geschiedt onder toezicht van een ter zake deskundige.
##### Artikel 6. Weersomstandigheden
1. Indien het zicht door weersomstandigheden zoals mist, sneeuw en regen minder is dan 200 m, is het niet toegestaan:
- a. gevaarlijke stoffen te vervoeren in transporteenheden met tanks waarvan de capaciteit meer dan 3000 liter is;
- b. vuurwerk te vervoeren boven de vrijgestelde hoeveelheden als bedoeld in randnummer 1.1.3.6, alsmede vuurwerk met de UN-nummers 0336 en 0337 met een totale netto explosieve massa van meer dan 20 kilogram.
2. Het is niet toegestaan gevaarlijke stoffen te vervoeren in tanks, losgestort of in colli, in hoeveelheden die per transporteenheid groter zijn dan de voorwaardelijk vrijgestelde hoeveelheden bedoeld in randnummer 1.1.3.6 van bijlage 1 en vuurwerk met de UN-nummers 0336 en 0337 met een totale netto explosieve massa van meer dan 20 kilogram:
- a. indien door weersomstandigheden het zicht minder is dan 50 m; of
- b. bij glad wegdek.
3. De Minister kan ontheffing verlenen van het in het tweede lid vermelde verbod bij glad wegdek, indien:
- a. sprake is van langdurige gladheid; en
- b. het spoedeisende karakter van het vervoer naar zijn oordeel genoegzaam is aangetoond.De afdeling Gevaarlijke Stoffen en Advies van de divisie Vervoer van de Inspectie Verkeer en Waterstaat verleent de ontheffing. Informatie over de wegen en de weersomstandigheden verstrekt het Korps Landelijke Politiediensten (KLPD).
##### Artikel 7. Zout veer
1. Onder ‘zout veer’ wordt verstaan: schip waarmee tegelijkertijd voertuigen en passagiers, andere dan de bemanning van de voertuigen, worden vervoerd over een van de volgende trajecten:
- a. Den Helder–Texel;
- b. Harlingen–Vlieland;
- c. Harlingen–Terschelling;
- d. Holwerd–Ameland;
- e. Lauwersoog–Schiermonnikoog.
2. Tabel 5 vermeldt de stoffen, wijze van vervoer en hoeveelheden waarvan het vervoer verboden is met een zout veer.
3. Het vervoer van andere gevaarlijke stoffen dan vermeld in tabel 5, is slechts toegestaan indien het betreft:
- a. ten hoogste twee transporteenheden als laatste geplaatst op een open rijdek; of
- b. ten hoogste één transporteenheid als laatste geplaatst op een gesloten rijdek.
4. Op een gesloten rijdek van een zout veer wordt geen transporteenheid geplaatst die beladen is met brandbare gassen (F, TF en TFC) van klasse 2 of stoffen van:
- a. klasse 3 met verpakkingsgroep I en II;
- b. klasse 6.1 met een vlampunt lager dan 23 °C met verpakkingsgroep I; of
- c. klasse 8 met UN-nummers 2401, 2734, 2920.
5. Rondom de transporteenheden beladen met gevaarlijke stoffen worden in horizontale richting een vrije ruimte aangehouden van ten minste twee meter en een afstand van ten minste vijf meter ten opzichte van passagiers.
6. De bestuurder of bijrijder van een transporteenheid met gevaarlijke stoffen blijft tijdens de vaart bij zijn voertuig.
7. De bestuurder van een transporteenheid beladen met andere gevaarlijke stoffen dan die zijn vermeld in tabel 5, verstrekt, alvorens een zout veer op te rijden, aan de schipper dan wel aan een daartoe aangewezen personeelslid van de waldienst de benodigde informatie omtrent aard en de hoeveelheid van de vervoerde gevaarlijke stoffen.
8. Rederijen kunnen aanvullende of beperkende maatregelen treffen.
| **Klasse** | **Vervoer in tanks** | **Losgestort vervoer** | **Vervoer in colli in hoeveelheden groter dan 1.1.3.6** |
| --- | --- | --- | --- |
| 1 | | | a. alle stoffen en b. vuurwerk met de UN-nummers 0336 en 0337 met een totale netto explosieve massa van meer dan 20 kilogram |
| 2 | letters F, T, TF, TC, TO, TFC, TOC | | alle stoffen met brandbare (F) eigenschappen |
| 3 | 1093, 1099, 1100, 1106**, 1125, 1131, 1154, 1158, 1160, 1162, 1182, 1184, 1194, 1196, 1214, 1221, 1228**, 1230, 1235, 1238, 1250, 1277, 1289**, 1296, 1297**, 1298, 1305, 1695, 1717, 1723, 1815, 1921, 1922, 1986**, 1988**, 1991, 1992, 2266, 2270, 2284, 2333, 2335, 2336, 2353, 2354, 2359, 2360, 2378, 2379, 2383, 2386, 2395, 2396, 2399, 2404, 2438, 2411, 2478**, 2483, 2486, 2493, 2535, 2603, 2605, 2622, 2733, 2758**, 2760, 2762, 2764, 2772, 2776, 2778, 2780, 2782, 2784, 2787, 2924**, 2945, 2983, 2985, 3024**, 3021, 3079, 3248**, 3273, 3274, 3286, 3346, 3350 | | 1093, 1099, 1100, 1106**, 1125, 1131, 1154, 1158, 1160, 1162, 1182, 1184, 1194, 1196, 1204, 1214, 1221, 1228**, 1230, 1235, 1238, 1250, 1277, 1289** 1296, 1297**, 1298, 1305, 1695, 1717, 1723, 1815, 1922, 1986** 1988**, 1991, 1992, 2266, 2270, 2284, 2333, 2335, 2336, 2353, 2354, 2359, 2360, 2378, 2379, 2383, 2386, 2395, 2396, 2399, 2404, 2411, 2438, 2478**, 2481, 2483, 2486, 2493, 2535, 2603, 2605, 2622, 2733, 2758, 2760, 2762, 2764, 2772, 2776, 2778, 2780, 2782, 2784, 2787, 2924**, 2945, 2983, 2985, 3024, 3021, 3064, 3079, 3165, 3248**, 3273, 3274, 3286, 3346, 3350 |
| 4.1 | | | UN 3221, 3222, 3231, 3232 |
| 4.2 | alle stoffen | alle stoffen | alle stoffen |
| 4.3 | alle stoffen | alle stoffen | alle stoffen |
| 5.2 | alle stoffen | | alle stoffen |
| 6.1 | UN 1092, 1098, 1143, 1163, 1182, 1185, 1238, 1239, 1244, 1251, 1259, 1613, 1695, 1994, 2334, 2382, 2438, 2482, 2484, 2485, 2606, 2929*, 3279*, 3294 | | UN 1051, 1092, 1098, 1143, 1163, 1182, 1185, 1238, 1239, 1244, 1251, 1259, 1613, 1614, 1695, 1994, 2334, 2382, 2438, 2480, 2482, 2484, 2485, 2606, 2929*, 3279*, 3294 |
| 6.2 | UN 2814, 2900 (risicogroep 3 + 4) | | UN 2814, 2900 (risicogroep 3 + 4) |
| 8 | alle stoffen, | alle stoffen | alle stoffen |
| lege tanks, voertuigen of containers ongereinigd van hierboven genoemde stoffen | lege tanks, voertuigen of containers ongereinigd van hierboven genoemde stoffen | lege tanks, voertuigen of containers ongereinigd van hierboven genoemde stoffen | |
* voor zover het stoffen betreft van verpakkingsgroep I, bedoeld in randnummer 4.1 van [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010054&bijlage=1&z=2003-07-30&g=2003-07-30).
** voor zover het stoffen betreft van verpakkingsgroep I of II, bedoeld in randnummer 4.1 van [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010054&bijlage=1&z=2003-07-30&g=2003-07-30).
### Hoofdstuk III. Implementatie van [richtlijn 95/50/EG](31995L0050) betreffende uniforme procedures voor de controle op het vervoer van gevaarlijke goederen over de weg
##### Artikel 1
De Directeur-Hoofdinspecteur van de divisie Vervoer van de Inspectie Verkeer en Waterstaat legt jaarlijks in november aan de Minister ter goedkeuring voor een plan inzake het in het volgende jaar te houden toezicht op de naleving op het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010054&artikel=2&z=2003-07-30&g=2003-07-30).
##### Artikel 2
1. Het toezicht op de naleving waarvoor met inachtneming van [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010054&artikel=1&z=2003-07-30&g=2003-07-30) een plan wordt opgesteld:
- a. heeft betrekking op een representatief deel van het vervoer;
- b. wordt verricht overeenkomstig artikel 3 van [verordening (EEG) nr. 4060/89](31989R4060) van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 december 1989 inzake de afschaffing van controles aan de grenzen van de lidstaten voor wegvervoer en binnenvaart (PbEG L 390) en verordening (EEG) nr. 39123/92 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 17 december 1992 inzake in de Gemeenschap in het wegvervoer en de binnenvaart uitgevoerde controles van in een derde land ingeschreven of tot het verkeer toegelaten vervoermiddelen (PbEG L 359);
- c. wordt uitgevoerd met toepassing van de controlelijst, bedoeld in bijlage I van [Richtlijn 95/50/EG](31995L0050);
- d. wordt uitgevoerd door middel van steekproeven en omvat zoveel mogelijk een groot deel van het wegennet.
2. Wanneer het toezicht is uitgevoerd, ontvangt de bestuurder van het betrokken voertuig een verklaring van de verrichte controle, welke verklaring zoveel mogelijk luidt conform de controlelijst, bedoeld in bijlage I van [Richtlijn 95/50/EG](31995L0050).
##### Artikel 3
1. De plaats waar het toezicht op de naleving, bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010054&artikel=1&z=2003-07-30&g=2003-07-30), wordt gehouden, wordt zodanig gekozen, dat het mogelijk is de voertuigen die in overtreding zijn, opnieuw met de voorschriften in overeenstemming te brengen of deze voertuigen zo nodig ter plaatse of elders een doorrijverbod op te leggen, zonder dat de veiligheid daardoor in gevaar wordt gebracht.
2. Indien het toezicht op de naleving in de onderneming wordt gehouden en overtredingen zijn vastgesteld overeenkomstig bijlage II van [Richtlijn 95/50/EG](31995L0050), wordt het betrokken vervoer voor het verlaten van de onderneming in overeenstemming gebracht met de voorschriften, dan wel worden andere naar het oordeel van de Minister gepaste maatregelen genomen.
##### Artikel 4
Indien bij het toezicht op de naleving als bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010054&artikel=1&z=2003-07-30&g=2003-07-30) dan wel anderszins blijkt van naar het oordeel van de Minister of van de Directeur-Hoofdinspecteur van de divisie Vervoer van de Inspectie Verkeer en Waterstaat, ernstige of herhaalde overtredingen die een gevaar voor de veiligheid van het vervoer van gevaarlijke stoffen opleveren en die zijn begaan met een in een andere lidstaat van de Europese Unie ingeschreven voertuig of gevestigde onderneming, doet de Directeur-Hoofdinspecteur of de Minister daarvan onverwijld mededeling aan de bevoegde instantie van de desbetreffende lidstaat.
##### Artikel 5
Indien een bevoegde instantie van een andere lidstaat van de Europese Unie de Minister mededeling doet van het vermoeden van ernstige of herhaalde overtredingen die een gevaar voor de veiligheid van het vervoer van gevaarlijke stoffen opleveren en die zijn begaan met een in Nederland ingeschreven voertuig of in Nederland gevestigde onderneming, vergezeld van het verzoek tegen de overtreder passende maatregelen te treffen, doet de Minister aan die instantie mededeling van de genomen maatregelen.
##### Artikel 6
Indien een bevoegde instantie van een andere lidstaat van de Europese Unie de Minister mededeling doet van het vermoeden van ernstige of herhaalde overtredingen, die tijdens het toezicht op de naleving door het ontbreken van de noodzakelijke voorzieningen niet kunnen worden aangetoond, verleent de Minister de desbetreffende bevoegde instantie de nodige bijstand en doet mededeling van de resultaten van het daartoe in de betrokken onderneming uitgevoerde toezicht op de naleving.
## Bijlage 3. , bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010054&artikel=1), en [artikel 2, onderdeel c, van de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010054&artikel=2)
##### Artikel 1. Erkende instanties
1. In de onderstaande tabel zijn de instanties opgenomen met betrekking tot de uitvoering van de voorschriften in de vermelde randnummers van [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010054&bijlage=1&z=2003-07-30&g=2003-07-30) voor zover bedoelde handelingen worden uitgevoerd door Nederlandse instanties.
| Randnummer | Instanties |
| --- | --- |
| 1.4.2.2.4, 1.8.1.1, 1.8.1.2. 1.8.1.3, 1.8.1.4, 1.8.2.2, 1.8.2.3 | IVW DV |
| 1.8.3.7, 1.8.3.8, 1.8.3.10, 1.8.3.14, 1.8.3.16 | SEV |
| 1.9.4 | DGG |
| 2.2.1.1, voor zover het betreft de autoriteit, genoemd in het Handboek beproevingen en criteria | TNO PML |
| 2.2.1.1.3 2.2.1.3, Opmerking bij UN-nummer 0190 | TNO PML of Defensie, laatstgenoemde voor zover het betreft classificatie van uitsluitend voor de krijgsmacht bestemde munitie en toelating van de verpakking ervan |
| 2.2.41.1, voor zover het betreft de autoriteit, genoemd in het Handboek beproevingen en criteria, 2.2.41.1.13 2.2.51.1, voor zover het betreft de autoriteit, genoemd in het Handboek beproevingen en criteria, 2.2.52.1.8 | TNO PML |
| 2.2.62.1.5, 2.2.62.1.7 | LNV of VWS |
| 2.2.9.1.12 | VROM |
| 3.1.2.6 | Stoomwezen |
| 3.3.1, bijzondere bepalingen 16 en 178 | TNO PML of Defensie, laatstgenoemde voor zover het betreft classificatie van uitsluitend voor de krijgsmacht bestemde munitie en toelating van de verpakking ervan |
| 3.3.1, bijzondere bepalingen 181, 237, 239, 266, 271, 272 en 278 | TNO PML |
| 3.3.1, bijzondere bepaling 283 | Stoomwezen |
| 3.3.1, bijzondere bepalingen 288, 309, 636 | TNO PML |
| 3.3.1, bijzondere bepaling 645 | IVW DV |
| 4.1.3.6 | Stoomwezen |
| 4.1.4.1, P099, P101 | TNO PML of Defensie, laatstgenoemde voor zover het betreft classificatie van uitsluitend voor de krijgsmacht bestemde munitie en toelating van de verpakking ervan |
| 4.1.4.1, P200, P201, P203 | Stoomwezen |
| 4.1.4.1, P405 (2) b) | TNO PML of Defensie, laatstgenoemde voor zover het betreft classificatie van uitsluitend voor de krijgsmacht bestemde munitie en toelating van de verpakking ervan |
| 4.1.4.1, P601 (3) g) | TNO PTC |
| 4.1.4.1, P902, 4.1.4.1, P905 | Stoomwezen |
| 4.1.4.2 IBC99, 4.1.4.2 IBC520, 4.1.4.2 LP99 | TNO PML |
| 4.1.4.3 LP902, 4.1.4.4 PR6 | Stoomwezen |
| 4.1.5.15, 4.1.5.18 | TNO PML of Defensie, laatstgenoemde voor zover het betreft classificatie van uitsluitend voor de krijgsmacht bestemde munitie en toelating van de verpakking ervan |
| 4.1.7.2.2 | TNO PML |
| 4.1.10.4, MP21 | TNO PML of Defensie, laatstgenoemde voor zover het betreft classificatie van uitsluitend voor de krijgsmacht bestemde munitie en toelating van de verpakking ervan |
| 4.2.1.7, 4.2.1.9.1 | RDW/Stoomwezen/Klassenbureau |
| 4.2.1.13.1, 4.2.1.13.3 | RDW in overeenstemming met TNO PML |
| 4.2.3.7.1, 4.2.5.1.1 | RDW/Stoomwezen |
| 4.2.5.3 TP4, TP9, TP10, TP16, TP24 | RDW/Stoomwezen/Klassenbureau |
| 4.3.2.1.5, voetnoot 2, 4.3.3.2.5 | RDW/Stoomwezen |
| 5.2.2.1.9 | TNO PML |
| 5.5.1.2, 5.5.1.3 | LNV of VWS |
| 6.1.1.2, 6.1.1.4 | TNO PTC in overeenstemming met DGG |
| 6.1.3.1, 6.1.3.8 | TNO PTC |
| 6.1.4.8.8, 6.1.4.13.7 | TNO PTC in overeenstemming met DGG |
| 6.1.5.1.1, 6.1.5.1.3, 6.1.5.1.5, 6.1.5.1.10, 6.1.5.2.5, 6.1.5.9.2 | TNO PTC |
| 6.2.1.1.2 | SZW |
| 6.2.1.4.1, 6.2.1.4.2, 6.2.1.4.3, 6.2.1.4.5, 6.2.1.5.2, 6.2.1.6.1, 6.2.1.7.1, 6.2.1.7.3, 6.2.1.7.6, 6.2.1.7.7, 6.2.3, 6.2.3.2.2, 6.2.5, 6.2.5.1.2., 6.2.5.6.2.1, 6.2.5.6.2.2, 6.2.5.6.2.3, 6.2.5.6.2.4, 6.2.5.6.2.6, 6.2.5.6.3.2, 6.2.5.6.3.3, 6.2.5.6.4.2, 6.2.5.6.4.3, 6.2.5.6.4.4, 6.2.5.6.4.5, 6.2.5.6.4.6, 6.2.5.6.4.8, 6.2.5.6.4.9, 6.2.5.6.4.10, 6.2.5.6.4.11, 6.2.5.7.1, 6.2.5.7.3, 6.2.5.7.6 | Stoomwezen |
| 6.3.1.1, 6.3.2.7, 6.3.3.2 | TNO PTC |
| 6.5.1.1.2 | TNO PTC in overeenstemming met DGG |
| 6.5.1.1.3 | TNO PTC |
| 6.5.1.6.1 | TNO PTC in overeenstemming met DGG |
| 6.5.1.6.4, 6.5.1.6.7, 6.5.2.1.1, 6.5.2.2.3, 6.5.2.2.4, 6.5.4.1.1, 6.5.4.2.1, 6.5.4.2.2, 6.5.4.3.4, 6.5.4.13.2, 6.5.4.14.1 | TNO PTC |
| 6.6.1.2, 6.6.1.3 | TNO PTC in overeenstemming met DGG |
| 6.6.3.1, 6.6.5.1.1, 6.6.5.1.3, 6.6.5.1.5, 6.6.5.1.7, 6.6.5.1.8, 6.6.5.4.3 | TNO PTC |
| 6.7.1.2 | RDW/Stoomwezen |
| 6.7.2.2.1, 6.7.2.2.14 | RDW/Stoomwezen/Klassenbureau |
| 6.7.2.3.1, 6.7.2.3.3.1 | RDW/Stoomwezen |
| 6.7.2.4.3, 6.7.2.6.2, 6.7.2.6.3, 6.7.2.6.4, 6.7.2.7.1, 6.7.2.8.3, 6.7.2.10.1, 6.7.2.12.2.4, 6.7.2.18.1, 6.7.2.19.5, 6.7.2.19.9, 6.7.2.19.10 | RDW/Stoomwezen/Klassenbureau |
| 6.7.3.2.1, 6.7.3.2.11, 6.7.3.3.3.1, 6.7.3.7.3, 6.7.3.8.1.2, 6.7.3.14.1, 6.7.3.15.3, 6.7.3.15.5, 6.7.3.15.9, 6.7.3.15.10, 6.7.4.2.1, 6.7.4.2.8.1, 6.7.4.2.8.2, 6.7.4.2.14, 6.7.4.3.3.1, 6.7.4.5.10, 6.7.4.6.4, 6.7.4.7.4, 6.7.4.13.1, 6.7.4.14.3, 6.7.4.14.6 b) | RDW/Stoomwezen |
| 6.7.4.14.10, 6.7.4.14.11 | RDW/Stoomwezen/Klassenbureau |
| 6.7.5.2.9, 6.7.5.4.1, 6.7.5.4.3, 6.7.5.11.1 | RDW/Stoomwezen |
| 6.7.5.12.3, 6.7.5.12.7 | RDW/Stoomwezen/Klassenbureau |
| 6.8.2.1.4, 6.8.2.1.16, 6.8.2.1.19 | RDW/Stoomwezen/Klassenbureau |
| 6.8.2.1.20 | RDW/Stoomwezen |
| 6.8.2.1.23, 6.8.2.2.2, 6.8.2.3.1, 6.8.2.4.2, 6.8.2.4.5 | RDW/Stoomwezen/Klassenbureau |
| 6.8.3.2.16, 6.8.3.2.24, 6.8.3.4.4 | RDW/Stoomwezen |
| 6.8.3.4.6 b) | RDW/Stoomwezen/Klassenbureau |
| 6.8.3.4.12, 6.8.3.7 | RDW/Stoomwezen |
| 6.8.4 TE1 | RDW |
| 6.8.4 TA2 | RDW in overeenstemming met TNO PML |
| 6.8.5.2.2 | RDW/Stoomwezen |
| 6.9.1.1, 6.9.2.1, 6.9.2.13, 6.9.2.14.4, 6.9.2.14.5, 6.9.4.2.4, 6.9.4.4.1, 6.9.5.3 | RDW |
| 7.3.3, VV12, VV13 | RDW |
| 7.5.11 | Burgemeester |
| 7.5.2.2 voetnoot a) | RDW |
| 8.1.4.4 | BZK |
| 8.2.1.1, 8.2.1.2, 8.2.1.5, 8.2.1.7, 8.2.1.8, 8.2.1.9, 8.2.2.4.2, 8.2.2.6.1, 8.2.2.6.4, 8.2.2.6.5, 8.2.2.6.7, 8.2.2.7.1.3, 8.2.2.7.1.5, 8.2.2.8.3 | CCV |
| 8.5 S1 (4) | Burgemeester |
| 9.1.2, 9.1.2.1.2 | RDW |
##### Artikel 2
1. In tabel 1 wordt verstaan onder:
- a. Burgemeester: de burgemeester van de desbetreffende gemeente;
- b. BZK:
- 1°. de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
- 2°. ten aanzien van de inspectie: een ieder die een erkenning heeft van de Vereniging van Beveiligingsondernemingen in Nederland (VBON) op grond van de regeling voor de erkenning van onderhoudsbedrijven kleine blusmiddelen (REOB);
- c. CCV: zelfstandige divisie van de Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR);
- d. Defensie: Militaire Commissie Gevaarlijke Stoffen van het Ministerie van Defensie;
- e. DGG: Minister, namens hem het hoofd van de afdeling Lading en Risicobeleid van het Directoraat-Generaal Goederenvervoer;
- f. IVW DV: Minister, namens deze de Directeur-Hoofdinspecteur van de Inspectie Verkeer en Waterstaat divisie Vervoer
- g. klassenbureau: privaatrechtelijke organisatie die keuringen van tankcontainers of transporttanks uitvoert in opdracht van de fabrikant, de eigenaar of de gebruiker van tankcontainers of transporttanks en die is erkend overeenkomstig [artikel 4 van deze bijlage](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010054&artikel=4&z=2003-07-30&g=2003-07-30);
- h. LNV: de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij;
- i. RDW: Dienst Wegverkeer;
- j. RDW/Stoomwezen:
- 1°. Dienst Wegverkeer, of
- 2°. Stoomwezen B.V.
- k. RDW/Stoomwezen/Klassenbureau:
- 1°. Dienst Wegverkeer,
- 2°. Stoomwezen B.V., of
- 3°. klassenbureau, voor zover het betreft tankcontainers of transporttanks voor gevaarlijke stoffen, met uitzondering van gassen van klasse 2 (behoudens de dichtheidsproef);
- l. SEV: Stichting Exameninstituut Veiligheidsadviseur;
- m. Stoomwezen: Stoomwezen B.V.;
- n. SZW: de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
- o. TNO PML: Het Prins Maurits Laboratorium van de Nederlandse Organisatie voor toegepast-natuurwetenschappelijk onderzoek;
- p. TNO PTC: De Product Testing & Consultancy B.V. van de Nederlandse Organisatie voor toegepast-natuurwetenschappelijk onderzoek;
- q. VROM: de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer;
- r. VWS: de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.
2. Bij toepassing van het eerste lid, onderdeel b, geldt als merkteken het rijkstypekeur.
##### Artikel 3
1. In dit artikel wordt verstaan onder:
- a. overeenstemming vooraf: de CCV doet schriftelijk een voorstel aan de Minister, die, indien accoord, instemt;
- b. informatie achteraf: de CCV informeert schriftelijk achteraf de Minister door toezending van een jaarlijks verslag, houdende:
- a. aantallen examens;
- b. aantallen geslaagden aan wie een ADR-vakbekwaamheidscertificaat is verstrekt; alsmede
- c. een evaluatie van het in onderdeel a en b genoemde.
2. Bij het uitoefenen van zijn bevoegdheden als bedoeld in [artikel 1 van deze bijlage](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010054&artikel=1&z=2003-07-30&g=2003-07-30) geeft de CCV toepassing aan tabel 2.
| ADR-randnummer | Bevoegdheid van de CCV | Overeen- stemming vooraf | Infor- matie achteraf |
| --- | --- | --- | --- |
| 8.2.1.2, 8.2.14 + 8.5; S1, S11, S12, 8.2.21, 8.2.1.2, 8.2.15, 8.2.18, 8.2.19 | afgifte vakbekwaamheids- certificaten volgens model B.6 en aantekening herhalingscursus | | X |
| 8.2.1.2, 8.2.1.3, 8.2.1.4, 8.2.2.3.1, 8.2.2.3.2, 8.2.2.3.3, 8.2.2.3.4, 8.2.2.3.5 | inhoudelijke eisen opleiding: vaststellen eindtermen | X | |
| 8.2.2.6.1,8.2.2.6.4, 8.2.2.6.5 | goedkeuren van de opleidingen; vaststellen van erkenningsrichtlijn | X | |
| 8.2.2.7.1.3, 8.2.2.7.1.6 | eisen aan examens en wijze van examineren: opstellen van examenrichtlijn en afnemen examen | X | |
##### Artikel 4. Erkenningsvoorwaarden
1. De Minister kan een instantie erkennen voor het uitvoeren van een of meer taken als bedoeld in [artikel 1 van deze bijlage](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010054&artikel=1&z=2003-07-30&g=2003-07-30), behalve voor zover in de tabel 1 een taak is toegewezen aan de CCV.
2. Een aanvraag om erkenning, gedaan door een ander dan een orgaan van de rijksoverheid of door de CCV, wordt slechts ingewilligd, indien de aanvrager naar het oordeel van de Minister:
- a. rechtspersoonlijkheid heeft;
- b. redelijkerwijs onafhankelijk is van de betrokken opdrachtgever;
- c. beschikt over voldoende vakbekwaamheid voor de desbetreffende taak op ten minste MBO-niveau;
- d. beschikt over een geschikt kwaliteitsborgingssysteem; en
- e. voldoet aan andere door de Minister met het oog op het behoorlijk uitvoeren van de desbetreffende taak te stellen nadere voorschriften.
3. Bij de aanvraag overlegt de aanvrager bewijzen of verklaringen waaruit genoegzaam blijkt, dat hij voldoet aan het tweede lid.
4. Aan de erkenning kan de Minister voorschriften of beperkingen verbinden.
5. De Minister kan een erkenning intrekken of schorsen, indien naar zijn oordeel niet wordt voldaan aan dit artikel.
6. De instantie verstrekt de Minister binnen zes maanden na afloop van het kalenderjaar een overzicht van de in dat jaar verrichte keuringen, bevattende goedkeuringen, weigeringen tot goedkeuring, alsmede de redenen voor weigeringen tot goedkeuring.
7. De instantie verstrekt alle inlichtingen die namens de Minister verlangd worden door de Dienst Wegverkeer (RDW) en die betrekking hebben op de leden 2, 3, en 4 voor zover betreffende handelingen met betrekking tot voertuigen en tanks als bedoeld in [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010054&bijlage=1&z=2003-07-30&g=2003-07-30).
## Bijlage 4. als bedoeld in artikel 2, onderdeel d, van de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen
Deze bijlage behoort bij de regeling tot wijziging van de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen in verband met de omzetting van de Regeling Rijkskeuringsvoorschriften betreffende het vervoer over land van gevaarlijke stoffen in bijlage 4 bij de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen.
### Hoofdstuk I. Begripsbepalingen
##### Artikel 1
In deze bijlage wordt verstaan onder:
### Hoofdstuk II. Normatieve Verwijzingen
##### Artikel 2
In deze bijlage wordt verwezen naar onderstaande Europese normen die betrekking hebben op de daarbij genoemde onderwerpen:
EN 50 020:1992: Stroomkringen met weerstand zonder cadmium, zink, magnesium of aluminium.
EN 287-1:1997: Het kwalificeren van lassers - Smeltlassen - Deel 1: Staal.
EN 287-2:1997: `Het kwalificeren van lassers - Smeltlassen - Deel 2: Aluminium en Aluminiumlegeringen.
EN 288-2:1992: Het beschrijven en kwalificeren van lasprocedures voor metallische materialen - Deel 2: Lasmethodebeschrijving voor het booglassen.
EN 473:1993: Kwalificatie en certificatie van personeel voor niet-destructief onderzoek. Algemene principes.
EN 571-1:1997: Niet-destructief onderzoek - Penetrantonderzoek - Deel 1: Algemene beginselen.
EN-ISO 6947:1997: Lassen - Lasposities - Definities van hellings- en rotatiehoeken.
EN 10204:1991 + A1: 1995 : Producten van metaal. Soorten keuringsdocumenten.
EN 12266-1:1991: Industriële afsluiters / Beproeving van afsluiters / Deel 1: Beproevingen, beproevingsprocedures en acceptatiecriteria waaraan iedere afsluiter moet voldoen.
EN 25817:1992 (ISO 5817:1992): Booglasverbindingen in staal - Richtlijn voor het vaststellen van kwaliteitsniveaus voor onvolkomenheden.
EN 30042:1994 (ISO 10042:1992): Booglasverbindingen in aluminium en lasbare aluminiumlegeringen - Richtlijn voor het vaststellen van kwaliteitsniveaus voor onvolkomenheden.
IEC 529:1993: Degrees of protection provided by enclosures of electrical equipment (IP Code).
IEC 60079 - 11:1999: Electrical apparatus for explosive gas atmospheres - part 11 : intrinsic safety `i'.
### Hoofdstuk III. Algemeen
##### Artikel 3
1. Voertuigen zijn slechts tot het vervoer toegelaten indien zij zijn onderworpen aan een door of namens de directeur verrichte technische keuring, waarbij is gebleken dat is voldaan aan:
- a. het Voertuigreglement;
- b. de voorschriften gesteld in de bijlagen 1 en 2; en
- c. de in deze bijlage genoemde voorschriften, voor zover in de bijlagen 1 en 2 niet uitdrukkelijk het tegendeel is bepaald.
2. Met de krachtens deze regeling tot het vervoer toegelaten voertuigen, tanks en tankcontainers worden gelijkgesteld voertuigen die tot het vervoer zijn toegelaten in een andere lidstaat van de Europese Unie dan wel geproduceerd zijn in een staat die partij is bij de overeenkomst inzake de Europese Economische Ruimte en die aan gelijkwaardige eisen voldoen.
##### Artikel 4
De directeur kan voertuigen waarvan de technische inrichting en uitrusting niet voldoen aan deze bijlage goedkeuren, indien de technische inrichting en uitrusting van de voertuigen naar het oordeel van de directeur een gelijkwaardige veiligheid bieden.
##### Artikel 5. rn.. 6.8.2.4.4
1. Wanneer schade aan een voertuig is ontstaan en een veilig vervoer van gevaarlijke stoffen daardoor niet langer is gewaarborgd, geeft de eigenaar of houder hiervan onverwijld schriftelijk kennis. De melding wordt gericht aan het keuringsstation van VT waar het voertuig is geregistreerd.
2. Indien herstellingen zijn verricht van schade waarvan vooraf geen melding is gemaakt en tengevolge waarvan, naar het oordeel van de directeur, onvoldoende inzicht in de deugdelijkheid van het voertuig of van belangrijke onderdelen is ontstaan, kan de goedkeuring aan het voertuig worden onthouden.
### Hoofdstuk IV. Tanks
### § 1. Stoomwezen B.V.
##### Artikel 6
Voor tanks voor het vervoer van stoffen van klasse 2 en tanks waarvan de voorgeschreven berekeningsdruk 1 Mpa (10 bar) of meer bedraagt, welke door Stoomwezen B.V. worden beoordeeld op conformiteit met de bijlagen 1 en 2, wordt een door genoemde instantie afgegeven certificaat overgelegd, waarin is aangegeven dat de tank aan de desbetreffende voorschriften van de bijlagen 1 en 2 voldoet.
### § 2. Beoordelingsnormen/Codes
##### Artikel 7
1. Bij tanks wordt ter vaststelling van:
- a. wanddikte;
- b. eventuele bescherming;
- c. ondersteuning; en
- d. bevestiging aan het chassis; uitgegaan van waarden, zoals vastgelegd in de EN die betrekking heeft op het desbetreffende materiaal.
2. De directeur kan toestaan dat in plaats van EN vergelijkbare normen worden toegepast van de overige bij de ADR aangesloten landen.
3. Van het materiaal voor de romp, de eind- en tussenbodems en de mangathalzen wordt een keuringsrapport `3.1.B' overgelegd overeenkomstig de norm EN 10204 of een overeenkomstig exemplaar volgens andere omschrijvingen, zoals DIN 50049, Abnahmeprüfzeugnis 3.1B.
Van mangathalzen voor tanks, anders dan bedoeld in artikel 6, behoeft geen attest te worden overgelegd, indien deze zijn vervaardigd uit zacht staal of bij tanks overeenkomstig rn. 6.8.2.1.14, onder a) indien de wanddikte van de mangathals ten minste 2 maal de vereiste minimumwanddikte van de tankromp bedraagt.
4. Op alle delen van het materiaal bedoeld in het derde lid is het chargenummer, vermeld in het bijbehorende attest, aangegeven. Dit nummer is door de materiaalfabrikant aangebracht of, bij versneden platen, op een door de directeur te bepalen wijze overgestempeld.
5. Onder gespecificeerde minimumwaarden volgens de materiaalnormen voor austenitische staalsoorten welke ingevolge rn. 6.8.2.1.16 mogen worden overschreden, worden uitsluitend verstaan de rekgrens (Re) en de treksterkte (Rm).
##### Artikel 8. rn. 6.8.2.1.4
Als berekeningscodes worden door de directeur erkend:
- a. de AD-Merkblätter; en
- b. de Regels voor toestellen onder druk.
##### Artikel 9. rn. 6.8.2.1.6
1. Bij radiografisch lasonderzoek wordt van röntgenopnamen een beoordelingsrapport overgelegd, dat ten minste de navolgende gegevens bevat:
- a. voor de materialen zacht staal en roestvrij staal: de klassering van de waargenomen afwijkingen volgens de IIW-code (oud);
- b. voor aluminium en legeringen: klassering volgens de op de specifieke materiaalgroep betrekking hebbende IIW-codering;
2. Tevens wordt daarin opgenomen het resultaat van toetsing aan een der hierna genoemde criteria:
- a. voor staal: EN 25817:1992 (ISO 5817:1992), niveau B met uitzondering van onvolkomenheden waarvoor niveau C geldt;
- b. voor aluminium en legeringen: EN 30042 (ISO 10042:1992), niveau B met uitzondering van onvolkomenheden waarvoor niveau C geldt;
- c. HP 5/3, § 4 van de AD-Merkblätter; of
- d. blad T0111, § 3 en bijlage 1 van de Regels voor toestellen onder druk.
3. Het in het eerste lid bedoelde beoordelingsrapport is gewaarmerkt door een deskundige van een door de directeur erkende instantie, die in aanmerking komt voor aanwijzing indien deze is gecertificeerd en de deskundige is gekwalificeerd overeenkomstig de norm EN 473:1993.
##### Artikel 10. rn. 6.8.2.1.23
Bij radiografisch lasonderzoek geldt ten aanzien van de omvang daarvan:
- a. dat indien de coëfficiënt lambda (λ) = 0,8 van toepassing is, de radiografische controle ten minste omvat:
- 1°. 10% van de rondnaden, met inbegrip van alle kruisende naden,
- 2°. 10% van de langsnaden, en
- 3°. 100% van de las van (ronde) inzetstukken ter voorkoming van kruisende lassen;
- b. dat, in afwijking van het in onderdeel a bepaalde en ongeacht de voorgeschreven coëfficiënt lambda (λ), ter controle van de beheersing van het lasproces, de radiografische controle van de lasnaden bij de eerste tank, vervaardigd door een bedrijf waar niet eerder door de RDW tanks voor het vervoer van gevaarlijke stoffen zijn gekeurd, de volledige lengte van de lassen omvat;
- c. dat de controle van lasnaden in samengestelde eindbodems geschiedt overeenkomstig de bepalingen voor rondnaden;
- d. dat indien de wanddikte van het middendeel van de onder c) genoemde bodems ten minste gelijk is aan de wanddikte van de omhaling, volstaan kan worden met radiografische controle van uitsluitend het in de omhaling gelegen deel van de lasnaad;
- e. dat bij samengestelde tussenbodems welke op druk op de bolle zijde zijn berekend, geen radiografische controle behoeft te worden uitgevoerd;
- f. dat indien bij toepassing van lambda = 0,8 of 0,9 op grond van de radiografische controle ontoelaatbare afwijkingen in de lasnaad zijn vastgesteld welke moeten worden hersteld, van de herstelling en, voor zover van toepassing, van het aan weerszijden van de oorspronkelijke opname gelegen deel van de las een radiografische opname wordt gemaakt;
- g. dat indien bij deze controle of bij de visuele controle van de lassen opnieuw afwijkingen worden vastgesteld, de directeur, afhankelijk van de plaats en de aard van deze afwijkingen, aanvullende radiografische controle kan voorschrijven tot 100 % van de lasnaden;
- h. dat radiografische controle van lasnaden plaats vindt voordat deze door tankringen, dubbelplaten of andere constructieve elementen worden afgedekt;
- i. dat indien lassen zodanig zijn uitgevoerd of geplaatst dat radiografische controle niet mogelijk is of de resultaten niet interpreteerbaar zijn, zoals bij hoeklassen of bij lassen, gesitueerd in de ringvormige ruimte, omsloten door een slingerschot of tussenbodem, een tegenring en de tankwand, de directeur vervangende controlemethoden kan voorschrijven, bijvoorbeeld penetrantonderzoek overeenkomstig de norm EN 571-1:1997.
### § 5. Bescherming
### § 6. Uitrusting
### Hoofdstuk V. Tankuitrustingsdelen
### Hoofdstuk VI. Chassis
### Hoofdstuk VII. Cabine
### Hoofdstuk VIII. Motor en uitlaatleiding rn. 9.2.4.4, 9.2.4.5 en 9.3.5
### § 1. Motor voor aandrijving van het voertuig
##### Artikel 54. rn.. 9.2.4.3 tot en met 9.2.4.5,
Indien het voertuig is ingericht voor het vervoer van brandbare vloeistoffen met een vlampunt van 61°C of lager, van brandbare stoffen van klasse 2 zoals gedefinieerd in rn. 2.2.2.1.1 (FL voertuig) dan wel is uitgevoerd als EX/II of EX/III voertuig, is ten aanzien van de motor die het voertuig voortbeweegt aan de artikelen 55 tot en met 58 voldaan.
##### Artikel 55. rn.. 9.2.4.4 en 9.3.5
1. Aan het bepaalde in rn. 9.2.4.4 en 9.3.5 wordt geacht te zijn voldaan indien:
- a. de hete delen van de motor zoals de turbo en het uitlaatspruitstuk zich op ten minste 50 cm afstand bevinden van de ladingtank of de laadruimte; of
- b. een warmtewerend schild is aangebracht tussen de hete delen en de ladingtank of de laadruimte.
2. Aan het bepaalde in het eerste lid, onderdeel a, is bij een trekker voor een oplegger in elk geval voldaan, indien genoemde delen zich op niet meer dan 20 cm achter de achterwand van de bestuurderscabine bevinden.
##### Artikel 56. rn.. 9.2.4.5 en 9.3.6,
1. De uitmonding van de uitlaatleiding is niet onder of in de nabijheid van vul- en aftapaansluitingen, apparatuurkasten en dergelijke gelegen.
2. De uitmonding van de uitlaatleiding mag onder het voertuig zijn gelegen indien de uitmonding schuin naar beneden is gericht.
##### Artikel 57. rn.. 9.2.4.5 en 9.3.6
1. Aan het bepaalde in rn.'s 9.2.4.5 en 9.3.6 is voldaan indien een afscherming is aangebracht die ten minste even doeltreffend is als een afscherming met de onderstaande kenmerken:
- a. het gedeelte van de uitlaatleiding dat achter de achterwand van de cabine is gelegen, is aan de bovenzijde van een metalen afschermkap voorzien waarvan de breedte aan weerszijden ten minste 2 cm meer bedraagt dan de diameter van de uitlaatleiding ter plaatse van de afschermkap;
- b. de hoek tussen de raaklijn aan de uitlaatleiding naar de rand van de afschermkap en de verticaal bedraagt ten minste 15°, waarbij de afschermkap ten minste 1 cm boven de uitlaatleiding is aangebracht;
- c. indien de uitlaat of delen daarvan onder een accubak, gereedschapkast of, bij trekkers, onder een metalen plaat tussen de cabine en de opleggerkoppeling is dan wel zijn aangebracht, behoeft het gedeelte van de uitlaatleiding dat zich hieronder bevindt, niet van de in onderdeel b bedoelde afschermkap te worden voorzien.
2. de uitlaatleiding behoeft niet van een (aanvullende) warmtewerende afscherming te worden voorzien indien:
- a. delen van het uitlaatsysteem zich op een afstand van ten minste 50 cm van de ladingtank of de laadruimte bevinden of ten minste 20 cm van vul- en aftapleidingen van de tank; en
- b. ten genoegen van de directeur wordt aangetoond dat het oppervlak van het achter de cabine van het voertuig gelegen deel van de uitlaatleiding of van de ommanteling daarvan bij langdurige belasting van de motor een temperatuur van 200°C niet overschrijdt.
3. bij een trekker voor het voortbewegen van een oplegger is in elk geval voldaan aan het tweede lid, indien:
- a. delen van het uitlaatsysteem zich, ongeacht hun positie, op niet meer dan 70 cm achter de achterwand van de bestuurderscabine bevinden; en
- b. de in het derde lid, onderdeel a, genoemde delen op meer dan 70 cm achter de achterwand van de bestuurderscabine doch niet boven de onderzijde van de chassisbalken zijn aangebracht.
4. bij een voertuigchassis voor het vervoer van (tank-) containers wordt geacht te zijn voldaan aan het tweede lid, indien:
- a. delen van het uitlaatsysteem zich voor de voorste twist locks en niet boven de bovenzijde van de chassisbalken bevinden;
- b. de in het vierde lid, onderdeel a, genoemde delen achter de voorste twist locks en niet boven de onderzijde van de chassisbalken zijn aangebracht.
5. in verband met de aansluiting van een uitlaatgasafzuiginrichting behoeft het aan de uitmonding grenzende deel van de uitlaatleiding over een lengte van ten hoogste 10 cm niet te zijn afgeschermd.
##### Artikel 58. verticaal gerichte uitlaat
1. Een verticaal gerichte uitlaatleiding is voor alle categorieën (FL, EX/II, EX/III, OX en AT) toegestaan indien:
- a. de plaatsing en constructie zijn toegelaten in de typegoedkeuring; dan wel
- b. de delen zo dicht mogelijk tegen de achterwand van de bestuurderscabine zijn aangebracht, met in achtneming van de warmtebestendigheid van de cabine.
2. Bij voertuigen van de categorieën FL, EX/II, EX/III en OX, waarbij de afstand van de uitlaatleiding ten opzichte van de ladingtank minder dan 50 cm bedraagt, is deze voorzien van een warmtewerende ommanteling.
3. Bij voertuigen van de categorie FL is aan het einde van de uitlaatleiding een vonkenvanger aangebracht.
### § 2. Hulpmotor (Verbrandingsmotor)
##### Artikel 59. rn. 9.2.4.3 tot en met 9 2.4.5
Bij voertuigen welke zijn bestemd voor het vervoer van brandbare vloeistoffen met een vlampunt van 61°C of lager, met uitzondering van dieselbrandstof overeenkomstig de norm EN 590:1993, gasolie en huisbrandolie(licht) - identificatienummer 1202 - met een vlampunt zoals gespecificeerd in de norm EN 590:1993, of van brandbare stoffen van klasse 2 zoals gedefinieerd in rn. 2.2.2.1.1 mag een verbrandingsmotor als hulpmotor zijn aangebracht die de apparatuur aandrijft, mits aan de volgende voorschriften is voldaan:
- a. de verbrandingsmotor is van het type dieselmotor;
- b. (afscherming motor) de hulpmotor wordt in een metalen kast ondergebracht, die van voldoende ventilatiemogelijkheden is voorzien, waarbij de tankwand niet als een deel van de kast wordt aangemerkt en er zich in deze kast geen vul- en aftapleidingen, vloeistofpompen en dergelijke bevinden;
- c. de uitmonding van de uitlaatleiding is:
- 1º. aan de zijkant van het voertuig gelegen, doch niet onder of in de nabijheid van vul- en aftapaansluitingen, apparatuurkasten en dergelijke;
- 2º. van een doelmatige vonkenvanger voorzien; en
- 3º. aan de linkerzijde van het voertuig gelegen indien het voertuig zodanig is ingericht dat de hulpmotor tijdens het rijden in werking kan zijn;
- d. d. (afscherming uitlaatleiding) het gedeelte van de uitlaatleiding dat buiten de in het eerste lid, onderdeel b, genoemde kast is gelegen, is aan de bovenzijde van een metalen afschermkap voorzien overeenkomstig het bepaalde in artikel 57, eerste lid, onderdelen a, b en c;
- e. e. (luchtaanzuigopening) de voor de verbranding benodigde lucht wordt van buiten de kast aangezogen op ten minste 80 cm boven het wegdek; en
- f. f. (noodstopinrichting) de hulpmotor is van een noodstopinrichting voorzien die aan de volgende voorschriften voldoet:
- 1º. de noodstopinrichting is aangesloten op de inlaatleiding van de verbrandingslucht voor de motor; en
- 2º. de knop (schakelaar) voor het inwerking stellen van de noodstopinrichting bevindt zich aan de bedieningszijde van de kast onder handbereik en is duidelijk gekenmerkt.
### Hoofdstuk IX. Elektrische Installatie
##### Artikel 60. rn. 9.2.2.2.1 zekeringen
Het van fabriekswege tot de standaarduitrusting van een voertuig behorende zekeringenbestand wordt als voldoende aangemerkt, indien ten minste aan het onderstaande is voldaan:
- a. naast het bepaalde in rn. 9.2.2.2.1 zijn uitgezonderd van de verplichting om te zijn gezekerd: standaardschakelingen ten behoeve van in de cabine aangebrachte relais, controlelampen en de elektromotor van een bogieliftinstallatie (ashefinrichting);
- b. zekeringen worden in een of meer kasten op een gemakkelijk bereikbare plaats aangebracht;
- c. toepassing van zogenaamde zwevende zekeringen zonder noodzaak is verboden;
- d. zekeringen worden niet geplaatst in accubakken en in andere ruimten waarin explosieve dampen kunnen voorkomen;
- e. bij de zekeringen is een duidelijke en duurzaam uitgevoerde lijst aangebracht waarop is vermeld op welke stroomverbruiker(s) elke zekering betrekking heeft alsmede de nominale waarde in ampères;
- f. stroomverbruikers welke anders dan van fabriekswege worden aangebracht, zoals centrale smering, luchtdrogers, relais voor hulpapparatuur, aanvullende verlichting en dergelijke, worden aangesloten via zekeringen.
##### Artikel 61
Het gedeelte van de elektrische installatie dat achter de bestuurderscabine is gelegen, voldoet, onverminderd het bepaalde in artikel 60, aan de volgende voorschriften:
- a. a. (leidingen)
- 1º. bij toepassing van andere isolatiematerialen voor de elektrische leidingen dan die, genoemd in de afbeeldingen behorend bij rn. 9.2.2.6, wordt de gelijkwaardigheid van de bestendigheid met de materialen, genoemd in eerdergenoemde afbeeldingen aangetoond;
- 2º. onder gelijkwaardigheid onder `normale gebruiksomstandigheden' als genoemd in rn. 9.2.2.6 en 9.2.2.6.1 wordt verstaan: het zoveel mogelijk overeenkomen van het chemische en mechanische bestendigheidsniveau binnen een temperatuurbereik van -40°C tot +100°C;
- 3º. de volgende eigenschappen van de isolatiematerialen worden bij de beoordeling in aanmerking genomen:
- de slagvastheid bij de gedefinieerde minimumtemperatuur;
- de bestendigheid tegen verweking bij de gedefinieerde maximumtemperatuur;
- de chemische bestendigheid tegen verweking of aantasting door vetten, oplosmiddelen, zuren en logen;
- - bestendigheid tegen veroudering.
- 4º. de elektrische leidingen en armaturen vormen bij onderlinge aansluitingen een dichte afsluiting. Voor zover geplaatst buiten de in artikel 62, onderdeel a, omschreven ruimten wordt geacht hieraan te zijn voldaan bij:
- plaatsing in een gesloten ruimte, indien de aansluitingen overeenkomen met aanduiding IP 44 overeenkomstig IEC 529 (beschermd tegen binnendringen van vaste voorwerpen en opspattend water), of
- overige aansluitingen, volgens aanduiding IP 54 (beschermd tegen binnendringen van stof en opspattend water),
- b. (werklampen)
- 1º. werklampen zijn zodanig aangesloten, bijvoorbeeld via de p.t.o. of via een schakelaar, bediend door de meterkastdeur, dat deze tijdens het vervoer niet kunnen branden;
- 2º. de werklamp op een trekker bij de rem- en lichtaansluitingen mag via een schakelaar met controlelamp op het dashboard zijn aangesloten, mits de werklamp zo laag mogelijk tegen de achterwand van de cabine is aangebracht.
- c. (accumulatoren) indien een accu in een gesloten kast is geplaatst welke mede is bestemd voor apparatuur zoals een hulpmotor voor de aandrijving van een pomp of compressor, wordt de bescherming van de accu geacht te voldoen aan het bepaalde in rn. 9.2.2.4 indien deze bestaat uit een isolerend deksel van metaal of van daaraan gelijkwaardig materiaal.
##### Artikel 62. rn.. 9.7.8.1 tot en met 9.7.8.3
Bij voertuigen bestemd voor het vervoer van brandbare vloeistoffen met een vlampunt van 61°C of lager (met uitzondering van dieselolie, gasolie en lichte stookolie - identificatienummer 1202 - met een vlampunt zoals gespecificeerd in de norm EN 590:1993) of van brandbare stoffen van klasse 2 zoals gedefinieerd in rn. 2.2.2.1.1 wordt daarbij aan de volgende voorschriften voldaan:
- a. a. (explosievastheid) in gesloten ruimten waarin tevens vul- en aftapleidingen, vloeistofpompen en dergelijke ten behoeve van de lading aanwezig zijn, is het aanbrengen van elektrische apparatuur toegestaan, mits:
- 1º. elektromotoren, generatoren en schakelmaterieel explosieveilig overeenkomstig rn. 9.2.2.5.1 en 9.2.2.5.2 zijn uitgevoerd en als zodanig zijn gekenmerkt; en
- 2º. lampen van beschermglazen zijn voorzien, welke door middel van een schutkorf tegen beschadiging zijn beschermd;
- b. (rn. 6.8.2.1.27 en 9.7.4 aardleiding) er is een aardleiding aanwezig welke blijvend met het voertuig is verbonden, tegen weersinvloeden is beschermd en van een verende roestvrije aansluitklem is voorzien.
- c. de lengte van de aardleiding bedoeld in onderdeel b, bedraagt ten minste 15 m en de doorsnede ten minste 4 mm².
##### Artikel 63. rn. 9.2.2.3 hoofdschakelaar
1. Indien zo dicht mogelijk bij de aansluiting op de accu's een voorziening is aangebracht waardoor de stroomsterkte in het te beveiligen circuit een waarde van 1 A bij 30 V (6 A bij 15 V) niet kan overschrijden overeenkomstig figuur A.2.2 - stroomkringen met weerstand van IEC 60079-11 of EN 50 020, is het aangetoond dat delen van de elektrische installatie welke na het openen van de hoofdschakelaar onder spanning blijven, explosieveilig zijn.
2. Indien een voertuig is uitgerust met extra accu's ten behoeve van hulpapparatuur, voldoen deze aan de volgende voorschriften:
- a. indien gekoppeld aan het boordnet: door het bedienen van de in rn. 9.2.2.3bedoelde hoofdschakelaar voldoet ook het door de extra accu gevoede circuit aan het bepaalde in het tweede lid;
- b. indien onderdeel van een afzonderlijk circuit:
- 1. de accu kan door middel van een afzonderlijke hoofdschakelaar worden gescheiden van het bijbehorende circuit;
- 2. de bedieningsinrichting van de afzonderlijke hoofdschakelaar mag in afwijking van het bepaalde in genoemd randnummer enkelvoudig zijn uitgevoerd.
3. De bedieningsinrichting van de hoofdschakelaar aan de buitenzijde van het voertuig is uitgevoerd in een duidelijk opvallende of contrasterende kleur.
### Hoofdstuk X. Laadruimte EX/II-voertuigen
##### Artikel 64. rn.9.3.3 afsluitbaarheid
Aan het vereiste in rn. 9.3.3 dat in de wanden van de laadruimte van gesloten voertuigen van type EX/II geen ramen mogen zijn aangebracht is voldaan indien aanwezige ramen zodanig door middel van tralies of een rooster zijn beschermd dat ongeautoriseerde toegang tot de laadruimte daarmee wordt verhinderd.
### Hoofdstuk XI. Merktekens
##### Artikel 65. rn.. 6.8.2.5.1 en 6.8.3.5.1 tank-identificatieplaat
De uitvoering van de in genoemd randnummer voorgeschreven identificatieplaat voldoet aan de navolgende voorschriften:
- a. de afmetingen bedragen ten minste 150 x 100 x 1,5 mm;
- b. de plaat:
- 1º. is rechtstreeks of op een brugstuk op de tankwand of op een onverbrekelijk met de tank verbonden deel van de tankondersteuning bevestigd, waarbij het op de tankwand of de tankondersteuning te bevestigen deel op ten minste de vier hoekpunten deugdelijk op het bevestigingsvlak is afgelast;
- 2º. is, indien aangebracht op een brugstuk, met ten minste vier klinknagels bevestigd, waarvan één massief exemplaar waarop met een slagstempel een waarmerk kan worden aangebracht.
- 3º. mag, met uitzondering van het bevestigingspunt bedoeld in onderdeel 2°, zijn bevestigd met popnagels van duurzaam materiaal zoals roestvrij staal; en
- 4º. is of kan voldoende worden ondersteund om met slagstempels na het aanbrengen van de stempelplaat aanvullende of gewijzigde gegevens te kunnen aanbrengen.
##### Artikel 66. rn 6.8.2.5.1 en 6.8.3.5.10 waarmerk
Het in rn. 6.8.2.5.1 en 6.8.3.5.10 bedoelde waarmerk van de deskundige die de beproeving heeft uitgevoerd, is vastgesteld als slagstempel overeenkomstig het in aanhangsel 1 bij deze bijlage weergegeven model.
##### Artikel 67. rn.. 6.8.2.5.2, 6.8.3.5.6, 6.8.3.5.11 en 6.8.3.5.12
1. Op een voertuig zijn van buitenaf duidelijk leesbaar aangegeven de naam van de eigenaar of houder in letters van ten minste 35 mm hoogte.
2. De letter- en cijferhoogte van alle andere in de VLG voorgeschreven opschriften bedraagt ten minste 15 mm.
3. Bij vervoer van vloeibaar gemaakte gassen worden de op het voertuig aan te brengen opschriften aangevuld met het hoogst toelaatbare vulpercentage.
4. De voorgeschreven opschriften zijn op een goed waarneembare plaats aangebracht en niet op het chassis van het voertuig.
5. Bij een voertuigcombinatie zijn elk der samenstellende voertuigen van de in het eerste lid bedoelde opschriften voorzien; de in het tweede lid bedoelde opschriften worden op het voertuig aangebracht dat de lading bevat.
##### Artikel 68
1. Bij het bedieningsmechanisme van de hoofdschakelaar, zowel aan de buitenzijde van het voertuig als in de cabine, is het opschrift `hoofdschakelaar' in een duidelijk opvallende uitvoering of een naar het oordeel van de directeur duidelijk herkenbaar symbool aangebracht. Bij de in de cabine geplaatste schakelaar behoeft geen opschrift te worden aangebracht indien naar het oordeel van de directeur deze schakelaar op andere wijze voldoende herkenbaar is.
2. In afwijking van het bepaalde in artikel 67 is het voor de buitenzijde voorgeschreven opschrift met een letterhoogte van ten minste 10 mm uitgevoerd.
### Hoofdstuk XII. Goedkeuringsprocedures
### § 1. Ontwerpbeoordeling (Algemeen)
##### Artikel 69
Alvorens tot keuring van een nieuw of gewijzigd voertuig of voertuigdeel wordt overgegaan, zijn ontwerpgegevens van de constructie bij de IKS overgelegd en akkoord bevonden.
##### Artikel 70
De overgelegde gegevens worden getoetst aan de VLG.
##### Artikel 71
De directeur deelt de goedkeuring van het ontwerp schriftelijk mede aan de ondernemer.
Aan deze goedkeuring kunnen voorschriften worden verbonden.
##### Artikel 72
Bij ontwerptekeningen, respectievelijk berekeningen inzake een wijziging, wordt deze wijziging zo volledig mogelijk omschreven.
##### Artikel 73
Indien tijdens de nieuwbouw of de wijziging afwijkingen van een in beginsel goedgekeurde tekening wenselijk worden geacht, wordt dit aan de directeur ter goedkeuring voorgedragen.
##### Artikel 74
Aan de daartoe door de directeur aangewezen inspecteurs wordt tijdens de bouw of het wijzigen van een voertuig te allen tijde gelegenheid gegeven daarbij tegenwoordig te zijn en worden alle gewenste inlichtingen verstrekt en alle medewerking verleend.
### § 2. Ontwerpbeoordeling voertuigen met uitzondering van trekkers en dragende motorvoertuigen, opleggers en aanhangwagens voor containers met een inhoud van meer dan 3000 liter
##### Artikel 75
Bij de in artikel 69 bedoelde ontwerpgegevens is een volledig ingevuld volgens een door de directeur vastgesteld model gevoegd of een begeleidend schrijven met vermelding van naam, adres, postcode en plaats van vestiging van de ondernemer, het correspondentieadres en een korte omschrijving van de aard van de aanvraag.
### § 2.1. Tekeningen (Algemeen)
##### Artikel 76
De ontwerpaanvraag bevat de volgende tekeningen in tweevoud (indien van toepassing):
- a. een overzichtstekening van het complete voertuig;
- b. een tekening van de constructie van de tank (bij EX/III-voertuigen: van de constructie van de laadbak);
- c. een schema van de vul- en aftapleidingen van de tank; en
- d. een tekening of schema van bijzondere apparatuur of constructies, bijvoorbeeld voor het behandelen van de lading.
##### Artikel 77
Alle tekeningen:
- a. zijn zo duidelijk en nauwkeurig mogelijk vervaardigd, bij voorkeur op schaal 1:20 en op formaat A1, het leidingschema echter op formaat A3 of A4;
- b. zijn van een volledige maataanduiding voorzien;
- c. dragen in de rechter onderhoek de naam van de vervaardiger en een nummer, waarmee de tekening in de correspondentie kan worden aangeduid;
- d. zijn zo mogelijk in de rechter bovenhoek van een vrije ruimte van circa 12 x 7 cm voorzien ten behoeve van een goedkeuringsstempel;
- e. bevatten zo mogelijk onder de vrije ruimte, bedoeld in onderdeel d, of in de rechteronderhoek de volgende gegevens:
- 1º. op de in artikel 77, onderdeel a, bedoelde tekening:
- A. merk en chassisnummer van het voertuig;
- B. het typegoedkeuringsnummer waaronder het chassis, de oplegger of de aanhangwagen door de directeur is goedgekeurd; en
- C. het kenteken of het registratieteken, indien dit reeds voor het voertuig is afgegeven;
- 2º. op de in artikel 77, onderdeel b, bedoelde tekening (indien van toepassing):
- A. merk en fabricagenummer van de tank;
- B. het type van de tank overeenkomstig rn. 6.8.2.1.14;
- C. indien van toepassing: het typegoedkeuringsnummer; en
- D. de gevarenklasse(n);
- f. zijn harmonicavormig tot een uiteindelijk formaat van maximaal A4 opgevouwen op zodanige wijze, dat zowel de rechter bovenhoek als de rechter onderhoek zich aan de buitenzijde bevinden;
- g. (overzichtstekening) geven aan voor wat betreft het complete voertuig:
- 1º. een algemeen overzicht van het voertuig in ten minste zij- en achteraanzicht en, voor zover de vereiste gegevens dit noodzakelijk maken, een derde aanzicht met de uitwendige hoofdafmetingen (grootste lengte, breedte, hoogte, achteroverbouw en wielbasis);
- 2º. de plaats van de accu's alsmede de plaats van de hoofdschakelaar en van de bedieningspunten daarvan;
- 3º. de plaats van de brandstoftank dan wel brandstoftanks;
- 4º. indien van toepassing de bescherming van de brandstoftank en bij bijzondere constructies ook een nadere detaillering van de uitvoering;
- 5º. de plaats van de zekeringenkast dan wel zekeringenkasten;
- 6º. de ligging van de uitlaatleiding alsmede de eventuele afscherming daarvan;
- 7º. de grootste afstand tussen de buitenste linker en rechter achterband, gemeten vanaf de buitenste raaklijn aan de grond;
- 8º.
- A. de hoogte van het midden van de onbeladen tank boven het wegdek;
- B. de afstand van het zwaartepunt van de lading tot het rekenkundig hart van de achterassen;
- C. de afstand van de achterzijde van de tank tot het achterste deel van de stootbalk;
- 9º. bij opleggers: merk, type, plaats en hefvermogen van de steunpoten;
- 10º. de ligging van de vul- en aftapleidingen onder de tank, waarbij vermelding van de gegevens op één der overige in te dienen tekeningen of op een afzonderlijke lijst van uitrustingsdelen is toegestaan;
- 11º. bij klasse 6.1:
- A. de ligging van de vul- en aftapleidingen ten opzichte van de verticale raaklijn aan de tank;
- B. de plaats en de constructieve gegevens van beschermingsbeugels voor de vul- en aftapleidingen;
- 12º. de ligging van de drukluchtlosinstallatie alsmede merk, type, afsteldruk en typegoedkeuringsnummer van het afblaasventiel, waarbij vermelding van de gegevens op één der overige in te dienen tekeningen of op een afzonderlijke lijst van uitrustingsdelen is toegestaan; en
- 13º. bij voertuigen met vaste of afneembare tanks:
- A. de geschatte ledige massa ter plaatse van elk der assen onderscheidenlijk de opleggerkoppeling;
- B. de maximaal toelaatbare massa ter plaatse van elk der assen, onderscheidenlijk de opleggerkoppeling; en
- C. de maximaal toelaatbare massa van het complete voertuig;
- h. (tanktekening) geven aan voor wat betreft de tank:
- 1º. de materiaalaanduiding overeenkomstig de in de berekening toegepaste norm alsmede de wanddikte van de tankromp, de eindbodems, de tussenbodems, de slingerschotten en van de eventuele contraringen;
- 2º. de hoofdafmetingen van de tank alsmede de bruto inhoud (waterinhoud) van elk compartiment in liters, afgerond op 100 liter;
- 3º. de wijze van uitvoering, de afmetingen en de onderlinge afstand van de tussenbodems en/of van de slingerschotten;
- 4º. de plaats en de afmetingen van de binnen- of buitenliggende versterkingsringen;
- 5º. bij niet-cilindrische tanks: het oppervlak in dm² van de doorsnede(n) alsmede de kromtestralen en de ligging van het middelpunt daarvan;
- 6º. de plaats van de lasnaden, zowel van de romp als van samengestelde eindbodems, waarbij ten aanzien van de lassen ten minste is aangegeven:
- A. de voorbewerking van de lasnaad;
- B. de toegepaste lasmethode(n);
- C. het toevoegmateriaal, zijnde elektrode of draad;
- D. het beschermgas of andere bescherming; en
- E. de nabewerking van de lassen; waarbij vermelding van de gegevens op één der overige in te dienen tekeningen of op een afzonderlijke lijst van uitrustingsdelen is toegestaan;
- 7º. de plaats van de mangaten alsmede een opgave van het nummer waaronder de mangatconstructie door de directeur is goedgekeurd;
- 8º. de plaats en de wijze van bevestiging van alle overige appendages met inbegrip van de wanddikte voor de eventueel daarbij toe te passen tubelures;
- 9º. de plaats en de wijze van uitvoering van de bescherming aan weerszijden van de tank;
- 10º. de plaats en de wijze van uitvoering van de bescherming van de uitrustingsdelen boven op de tank, met inbegrip van, indien van toepassing, camouflageranden, morsbakken met bijbehorende deksels, rolbeugels;
- 11º. de plaats(en) en de wijze van uitvoering van de bevestiging van de tank aan het chassis onder opgave van de toe te passen profielen, het aantal en de afmetingen van de boutverbindingen dan wel de lengten en doorsnede(n) van de lasverbindingen, waarbij vermelding van de gegevens op één der overige in te dienen tekeningen of op een afzonderlijke lijst van uitrustingsdelen is toegestaan; en
- 12º. het merk, de type en het typegoedkeuringsnummer van de ontluchtingsinrichting onderscheidenlijk de beveiligingsinrichting, de bodemafsluiter en de eindafsluiter, waarbij vermelding van de gegevens op één der overige in te dienen tekeningen of op een afzonderlijke lijst van uitrustingsdelen is toegestaan;
- i. vul- en aftapleidingen, geven aan voor wat betreft de vul- en aftapleidingen:
- 1º. de ligging van de vul- en aftapleidingen en de inwendige diameter daarvan in mm;
- 2º. de plaats van alle in de vul- en aftapleidingen aangebrachte appendages;
- 3º. het merk en type van de appendages waarvoor geen typegoedkeuring is vereist;
- 4º. de wijze van aandrijving van de vloeistofpomp en voor zover van toepassing van de slanghaspel;
- 5º. de gegevens van de toegepaste elektromotor of van de generator indien deze ingevolge artikel 62 explosievast is uitgevoerd;
- 6º. de maximaal optredende pompdruk in het leidingsysteem; waarbij vermelding van de gegevens op één der overige in te dienen tekeningen of op een afzonderlijke lijst van uitrustingsdelen is toegestaan.
### § 2.2. Berekeningen
##### Artikel 78
Bij het ontwerp worden per voertuig ten minste de volgende berekeningen overgelegd:
- a. een berekening waaruit blijkt dat de bevestigingsmiddelen van de tank bij het hoogst toelaatbare vulgewicht de in rn. 6.8.2.1.2 genoemde belastingen kunnen weerstaan;
- b. de berekening, bedoeld onder a, behoeft niet te worden ingediend voor de verbinding tussen de tank en de koppelingssectie en tussen de tank en het asstel bij voertuigen waarbij de tank zelfdragend is uitgevoerd;
- c. een berekening van de bruto inhoud (waterinhoud) van elk tankcompartiment; en
- d. een berekening van de wanddikte van de tank, overeenkomstig de volgende richtlijnen:
- 1º. bij tanks waarbij de lading met behulp van de zwaartekracht wordt gelost, is de berekende dikte van de tankwand eveneens van toepassing voor de dikte van de eindbodems;
- 2º. bij tanks waarbij de lading met behulp van overdruk wordt gelost, wordt de wanddikte van de tank, van de eindbodems en voor zover van toepassing van de tussenbodems berekend bij een druk, welke ten minste 1,3 x de voor het lossen benodigde druk bedraagt;
- 3º. bij de berekening, bedoeld onder 2°, van het cilindrische deel van de tank wordt uitgegaan van de in rn. 6.8.2.1.17 bedoelde formule;
- 4º. bij tanks, waarbij in de VLG een berekeningsdruk van ten minste 400 kPa (4 bar) is voorgeschreven, wordt voor de vaststelling van de wanddikte van de tank, van de eindbodems en van de mangatconstructie de berekening uitgevoerd met de hierna vermelde factoren:
- A. de (fictieve) berekeningsdruk in combinatie met de omgevingstemperatuur; en
- B. de maximumbedrijfsdruk in combinatie met de maximumbedrijfstemperatuur;
- 5º. van de onder 2° en 3° bedoelde tanks met uitzondering van tanks voor het vervoer van poeder- of korrelvormige stoffen die niet hermetisch moeten kunnen worden gesloten, wordt een berekening op uitwendige overdruk ingediend.
- 6º. de onder 5° genoemde, te berekenen druk bedraagt:
- A. voor tanks voorzien van een onderdrukventiel: de openingsdruk van het ventiel met een minimumverschildruk van 10 kPa (0,1 bar); of
- B. voor hermetisch gesloten tanks: 30 kPa (0,3 bar);
- 7º. indien geen bedrijfstemperatuur is vermeld, worden als bedrijfstemperatuur 50°C en voor de berekening de waarden van de materiaaleigenschappen bij 20°C aangehouden;
- 8º. bij aanwezigheid van een stoomdoos wordt als minimale berekeningstemperatuur 100°C aangehouden; en
- 9º. bij de berekening van de tank wordt de verzwakking door mangaten en eventuele andere openingen in de tankwand alsmede compensatie in de vorm van mangathalzen, flenzen en dergelijke mede in rekening gebracht.
### § 3. Beoordeling van een aanvraag voor goedkeuring van een trekker of een dragend motorvoertuig voor containers met een inhoud groter dan 3000 liter
##### Artikel 79
De ingevolge artikel 69 over te leggen gegevens betreffen voor een trekker de volgende bescheiden:
- a. een door de aanvrager ingevuld VLG aanvraagformulier volgens een door de directeur vastgesteld model;
- b. een zekeringenlijst;
- c. een aansluitschema van de hoofdschakelaar en het beveiligingscircuit van de dynamo;
- d. voor het vervoer van propaan, butaan en mengsels daarvan een schema van de ingevolge rn. 6.8.3.2 N voorgeschreven wegrijalarmering;
- e. een door de fabrikant van het voertuig geautoriseerde verklaring waaruit blijkt dat, voor zover van toepassing, het voertuig voldoet aan het bepaalde in rn. 9.2.3.2 (antiblokkeer-remsysteem) en rn. 9.2.3.3 (duurremsysteem / retarder);
- f. voor de klassen 1 en 5.1, identificatienummer 2015: een verklaring, geautoriseerd door een door de directeur aangewezen onafhankelijk deskundige, waaruit blijkt dat de bestuurderscabine van het voertuig voldoet aan het bepaalde in rn. 9.2.4.2 met betrekking tot de brandbestendigheid.
### § 4. Beoordeling van een aanvraag voor goedkeuring van een getrokken dragend voertuig voor containers met een inhoud groter dan 3000 liter
##### Artikel 80
In afwijking van het bepaalde in artikel 69 worden de hierna genoemde bescheiden bij het aanbieden van het voertuig voor keuring in een keuringsstation van de RDW aan de inspecteur aangeboden:
- a. een door de aanvrager ingevuld VLG aanvraagformulier volgens een door de directeur vastgesteld model;
- b. een schematische weergave van het remsysteem;
- c. een door de fabrikant van het voertuig geautoriseerde verklaring waaruit blijkt dat, voor zover van toepassing, het voertuig voldoet aan het bepaalde in rn. 9.2.3.2 (antiblokkeer-remsysteem).
### § 5. Typegoedkeuring uitrustingsdelen
##### Artikel 81
Typegoedkeuring voor de in artikel 40 genoemde uitrustingsdelen wordt uitsluitend verleend aan de fabrikant van de appendages of aan de officiële vertegenwoordiging daarvan in Nederland.
##### Artikel 82
De aanvraag ter verkrijging van een typegoedkeuring gaat vergezeld van de volgende bescheiden:
- a. een volledige werktekening met voldoende aanzichten in 2-voud, en deze:
- 1º. is zo duidelijk en nauwkeurig mogelijk bij voorkeur op formaat A2 vervaardigd;
- 2º. is van een volledige maataanduiding voorzien;
- 3º. is van een stuklijst voorzien waarin alle materialen, ook de alternatief te gebruiken materialen, zijn vermeld;
- 4º. vermeldt waar en op welke wijze de vereiste merk- en typeaanduidingen onderscheidenlijk coderingen zijn aangebracht;
- 5º. vermeldt de naam, het adres en de woonplaats van de fabrikant, alsmede, indien van toepassing, van de vertegenwoordiging in Nederland; en
- 6º. vermeldt voorzover van toepassing de wijze van verzegeling alsmede de afbeelding van het waarmerk;
- b. een gespecificeerde lijst waarin de kwaliteitsnaam, zijnde niet de handels- of merknaam en het toepassingsgebied van alle toegepaste materialen en afdichtingen is vermeld, waarbij aanduidingen zoals bezinebestendig en zuurbestendig onvoldoende zijn;
- c. een opgave van de minimum- en maximumwerktemperatuur met de daarbij toelaatbare bedrijfsdruk;
- d. een opgave van de betekenis van de coderingen welke op de appendages zijn aangebracht;
- e. bij ontluchtingsinrichtingen bij gecombineerde beluchtings- en ontluchtingsinrichtingen alsmede bij afblaasventielen een capaciteitsgrafiek in Nm³/uur voor de ontluchting, waarbij in de grafiek voorts is aangegeven:
- 1º. de stand van de ontluchtingsinrichting in gemonteerde toestand; en
- 2º. of bij het bepalen van de vermelde capaciteit de invloed van de vlamkering, voor zover aanwezig, is inbegrepen;
- f. bij mangatdeksels bovendien de volgende berekeningen:
- 1. bij mangatdeksels van tanks overeenkomstig rn. 6.8.2.1.14 onder (a) een berekening van het deksel bij een inwendige overdruk van 50 kPa (0,5 bar);
- 2. bij alle niet onder 1° genoemde mangatdeksels een berekening op ten minste de beproevingsdruk van de tank van:
- A. het deksel;
- B. de mangathals;
- C. de knevels en de knevelbouten; en
- D. de scharnierpunten van de knevelbouten;
- g. g. van samengestelde oogbouten:
- 1º. een door een onafhankelijke deskundige afgegeven verklaring, waarin is aangegeven dat een proefexemplaar aan een trekproef is onderworpen alsmede bij welke belasting het exemplaar is bezweken;
- 2º. het proefexemplaar.
##### Artikel 83
De in artikel 83, onderdelen b, c en e, bedoelde bescheiden worden door de fabrikant van de appendages verstrekt.
##### Artikel 84
Indien de in artikel 83 bedoelde over te leggen bescheiden door de directeur akkoord zijn bevonden wordt een proefexemplaar van het appendage, dat van de vereiste merk- en typeaanduiding(en) is voorzien, ter beoordeling overgelegd.
### Hoofdstuk XIII. Keuringen en beproevingen
### § 1. Algemeen
##### Artikel 85
Naast het overige dat in de VLG is voorgeschreven, wordt een voertuig onderscheidenlijk tank voor een keuring respectievelijk beproeving aangeboden:
- a. na een wijziging of herstelling van voor de veiligheid essentiële delen;
- b. na een aanrijding of ongeval waardoor beschadiging is ontstaan; of
- c. wanneer zulks om redenen van veiligheid nodig is.
##### Artikel 86
Een nieuw gebouwd of gewijzigd voertuig voor het vervoer van gevaarlijke stoffen wordt niet in dienst gesteld dan na goedkeuring door of namens de directeur.
##### Artikel 87
De keuringsdatum wordt vastgesteld nadat de ontwerpgegevens zijn goedgekeurd door de directeur.
##### Artikel 88
In geval van verhindering is daarvan voor de keuringsdatum kennis gegeven aan de directeur.
##### Artikel 89
De keuringen en beproevingen worden slechts verricht na ontvangst van een schriftelijke orderbevestiging.
##### Artikel 90
Bij de keuring wordt nagegaan of het te keuren object:
- a. geheel overeenkomt met de ingediende tekeningen of gegevens; en
- b. geheel voldoet aan de voorschriften bedoeld in artikel 3.
##### Artikel 91
Bij keuringen en beproevingen staat voldoende geschoold personeel en gereedschap ter beschikking, opdat eventuele verrichtingen als hydraulische proefpersingen, dichtheidsbeproevingen, wanddiktemetingen, demontage van onderdelen, remproeven en dergelijke, een vlot verloop kunnen hebben.
##### Artikel 92
Bij keuringen en beproevingen bevinden de voertuigen en in het bijzonder de tanks met bijbehorende appendages, zich in een in- en uitwendig afdoende gereinigde staat.
##### Artikel 93
Voor zover geen inwendige inspectie of proefpersing van de tank is vereist, behoeft de tank niet inwendig te worden gereinigd bij de keuring van:
- a. tankwagens uitsluitend goedgekeurd voor het vervoer van stoffen van klasse 2;
- b. tankwagens die als laatste product kerosine met identificatienummer 1223, dieselolie, gasolie, lichte stookolie met identificatienummer 1202 of bitumen met identificatienummer 3257 hebben vervoerd.
##### Artikel 94
1. Bij keuringen, onderscheidenlijk beproevingen zonder inwendige inspectie van de tank wordt het bepaalde onder artikel 93 bevestigd in een door de eigenaar, dan wel houder van het voertuig opgestelde verklaring, welke onmiddellijk vóór de keuring onderscheidenlijk beproeving aan de keurende inspecteur wordt afgegeven.
2. In deze verklaring is tevens vermeldt welke stof, aangegeven door naam, klasse en rn., als laatste werd vervoerd voorafgaand aan het tijdstip van keuring onderscheidenlijk beproeving.
##### Artikel 95
1. Voorafgaand aan een inwendige inspectie is de tank inwendig gereinigd.
2. Onmiddellijk voor de inwendige inspectie van de tank wordt een certificaat overgelegd waaruit blijkt dat de veiligheid van degene die de tank inwendig inspecteert, is gegarandeerd. In het certificaat is ten minste aangegeven:
- a. het fabricagenummer van de tank;
- b. het kenteken, registratieteken of het chassisnummer van het voertuig;
- c. de datum en het tijdstip van het onderzoek; en
- d. de aanduiding: veilig voor mensen en veilig voor vuur.
3. Het in het tweede lid genoemde certificaat is opgemaakt door een deskundige, als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder v van het Veiligheidsbesluit Tankschepen, van een door het Directoraat Generaal van de Arbeid erkende rechtspersoon.
4. Indien de fabrikant van de tank of de werkplaats waar de tank wordt geïnspecteerd ten minste is gecertificeerd voor een kwaliteitsborgingssysteem volgens de norm ISO 9003, kan de directeur onder nader bekend te maken voorschriften en beperkingen toestaan dat het certificaat, bedoeld in het tweede lid, door de eigen gekwalificeerde deskundige wordt opgesteld en gewaarmerkt.
5. Het in het tweede lid genoemde certificaat behoeft niet te worden overgelegd, indien:
- a. de tank niet is voorzien van een inwendige bekleding;
- b. de tank uit roestvrij staal of aluminium is vervaardigd, een glad oppervlak en geen moeilijk te reinigen details bezit;
- c. de tank door middel van stomen is gereinigd, waarbij elke aanslag is verdwenen; en
- d. het inwendig betreden van de tank plaatsvindt, aansluitend op het ledigen van de tank na persing met water.
##### Artikel 96
Indien bij een keuring of beproeving gebreken worden vastgesteld van zodanige aard dat niet tot goedkeuring kan worden overgegaan, wordt aan de ondernemer een opgave verstrekt van de gebreken die tot de weigering van de goedkeuring hebben geleid en wordt het voertuig, nadat de nodige voorzieningen zijn getroffen, voor herkeuring aangeboden.
### § 2. Beproevingen (Algemeen)
##### Artikel 97. rn. 6.8.2.4.1 hydraulische proefpersing /rn.
1. Hydraulische proefpersingen en dichtheidsproeven worden onder toezicht van IKS verricht.
2. In afwijking van het eerste lid kan de directeur toestaan dat bedoelde beproevingen worden verricht onder toezicht van een door hem aan te wijzen deskundige, in dat geval wordt een door genoemde deskundige gewaarmerkt certificaat overgelegd, waarin is vermeld:
- a. het fabricagenummer van de beproefde tank;
- b. de datum van de beproeving;
- c. de waarde van de beproevingsdruk in kPa of bar;
- d. het medium waarmee de beproeving is uitgevoerd;
- e. de beproevingsduur; en
- f. het resultaat van de beproeving.
##### Artikel 98
Bij tanks overeenkomstig rn. 6.8.2.1.14 onder (a), die zijn verdeeld in compartimenten en die zijn gebouwd volgens de met ingang van 1 januari 1990 geldende voorschriften, wordt de proefpersing van elk compartiment verricht bij een druk gelijk aan die van de gehele tank.
##### Artikel 99
De bij de proefpersing toegepaste druk bedraagt in elk geval ten minste 25 kPa (0,25 bar).
Indien de proefpersing met vloeistof als medium wordt verricht, wordt genoemde druk gemeten boven in de tank.
##### Artikel 100
Bij een beproevingsdruk van ten hoogste 50 kPa (0,5 bar) mag lucht of een ander gas als beproevingsmedium worden toegepast, voor zover dat in geen enkel opzicht gevaar oplevert.
##### Artikel 101. rn. 6.8.2.4.3 dichtheidsproef
1. De in rn. 6.8.2.4.3 bedoelde inwendige druk van ten minste 20 kPa (0,2) bar, wordt bij beproeving met vloeistof als medium, gemeten boven in de tank.
2. Indien de tank is voorzien van een ontluchtings- en veiligheidsinrichting die voorkomt dat de inhoud uit de tank ontsnapt, wordt de dichtheidsproef verricht bij een inwendige druk welke ten minste gelijk is aan de openingsdruk van deze voorziening.
3. Veiligheidsinrichtingen welke in de normale positie voor de be- en ontluchting van de tank zorg dragen maar in gekantelde positie het uittreden van de lading verhinderen, zoals kipventielen, worden afzonderlijk van de tank beproefd op een druk van 50 kPa (0,5 bar) in gekantelde toestand onder hoeken van 90°, 180° en 270°. Indien vloeistof als beproevingsmedium is gekozen, is een lekhoeveelheid toegestaan als gespecificeerd in Tabel A van de norm EN 12266-1.
### § 3. Fabricageonderzoek rn. 6.8.2.4.1
##### Artikel 102
Uiterlijk bij de aanvang van de keuring worden de volgende bescheiden overgelegd:
- a. de in artikel 7, derde lid, genoemde attesten, alsmede een schets van ten minste formaat A4 waarop de plaatindeling van de tankromp en de plaatnummers, zoals vermeld in de attesten, zijn aangegeven:
- 1º. De op de tank aangebrachte merktekens zijn duidelijk leesbaar en worden zo nodig gemarkeerd;
- b. het in artikel 9, eerste lid, bedoelde rapport met de bijbehorende radiografische opnamen, alsmede een schets van ten minste formaat A4, van de tank, waarop de plaats en de richting van deze opnamen is aangegeven;
- 1º. Het rapport van de radiografische controle is voorzien van een kenmerk, dat overeenkomt met een onuitwisbaar op de desbetreffende tank aangebracht identificatienummer.
- 2º. Dit nummer is ook na completering van het voertuig nog zichtbaar;
- c. een verklaring waarin is vermeld door welke persoon, dan wel personen de laswerkzaamheden zijn verricht.
##### Artikel 103. proefpersing
1. Bij de proefpersing worden alle noodzakelijke inspecties verricht om vast te stellen dat:
- a. de tank deugdelijk is vervaardigd;
- b. noch in de lassen, noch in het overige tankmateriaal lekkage optreedt; en
- c. geen zichtbare blijvende vormverandering optreedt.
2. Bij de proefpersing is de tank:
- a. zodanig gereed, dat alle belangrijke constructieve elementen zijn aangebracht en na de beproeving geen las- en slijpwerkzaamheden meer aan de tank behoeven te worden verricht;
- b. voorzien van de bij de tank behorende mangatdeksels, knevels en pakkingen, dan wel van identieke exemplaren, waarbij speciale persdeksels mogen worden toegepast bij een beproevingsdruk van ten hoogste 50 kPa (0.5 bar);
- c. horizontaal en goed bereikbaar opgesteld, teneinde een goede inspectie mogelijk te maken;
- d. ongeschilderd en nog niet van een eventuele binnenbekleding voorzien; en
- e. indien water als medium wordt toegepast:
- 1. geheel gevuld; en
- 2. aan de buitenzijde, met inbegrip van eventuele holle ruimten tussen de compartimenten, geheel droog.
### § 4. Hernieuwde toelating tank rn. 6.8.2.4.2
##### Artikel 104
Voor hernieuwde toelating van de tank na maximaal 6 jaar, wordt het voertuig bij IKS voor keuring aangeboden.
##### Artikel 105
Het onderzoek naar de in- en uitwendige toestand omvat tevens een onderzoek naar de bedrijfsuitrusting van de tank.
##### Artikel 106
Indien de resultaten van het inwendige onderzoek van de tank daartoe aanleiding geven en in elk geval met tussenliggende perioden van ten hoogste 12 jaar, wordt tevens een onderzoek naar de tankondersteuning ingesteld, waartoe de eventueel aanwezige tankommanteling wordt verwijderd voor zover dit met het oog op het onderzoek naar het oordeel van de directeur noodzakelijk wordt geacht.
##### Artikel 107
1. De hydraulische proefpersing wordt bij de tank als geheel verricht bij de beproevingsdruk, zoals vermeld op de tank-identificatieplaat (stempelplaat).
2. Per compartiment wordt de hydraulische proefpersing verricht bij een druk gelijk aan 1,3 maal de op de stempelplaat aangegeven werkdruk.
3. Indien de beproeving per compartiment plaats vindt aansluitend aan de in het eerste lid bedoelde beproeving, behoeven de aan het te beproeven compartiment grenzende compartimenten niet te zijn geledigd
### 5. Periodieke keuring en keuring na belangrijke herstelling na ongeval
##### Artikel 108
De ondernemer wordt, ten behoeve van de jaarlijkse periodieke keuring, in de regel ten minste acht dagen voor de vervaldag van het keuringsdocument namens de directeur door het keuringsstation van VT waaronder de ondernemer ressorteert, bericht gegeven. Datum, plaats, en tijdstip van de in artikel 86 bedoelde keuringen worden door het betrokken keuringsstation in overleg met de aanvrager vastgesteld.
##### Artikel 109
Het niet ontvangen van de in artikel 110 bedoelde oproep ontslaat de ondernemer niet van zijn plicht de keuring tijdig aan te vragen.
##### Artikel 110
Bij de periodieke keuring wordt nagegaan of het voertuig:
- a. geheel voldoet aan de daarvoor geldende voorschriften, zoals genoemd in artikel 3;
- b. geen gebreken vertoont, waartoe het chassis goed gereinigd is;
- c. voldoende is onderhouden; en
- d. tevens ten minste voldoet aan de eisen neergelegd in de Regeling houdende vaststelling keuringseisen en regels omtrent de wijze van keuren van motorrijtuigen, aanhangwagens en opleggers.
##### Artikel 111
1. Indien ten behoeve van de periodieke keuring het inwendig reinigen van de tank niet, of slechts met zeer grote moeite mogelijk is, kan ontheffing daarvan worden aangevraagd bij IKS.
2. Wanneer de gevraagde ontheffing wordt verleend, zal de tank op door de directeur vast te stellen termijnen aan vervangende en aanvullende beproevingen worden onderworpen. Het voertuig wordt voor deze vervangende en aanvullende beproevingen aangeboden bij IKS.
3. Het oorspronkelijk verstrekte keuringsdocument wordt daarbij vervangen door een exemplaar waarop uitsluitend die stoffen zijn vermeld, welke aanleiding gaven tot het aanvragen van de ontheffing.
4. Indien de eigenaar of houder van het voertuig niet langer van de ontheffing gebruik wenst te maken, wordt het voertuig bij het keuringsstation van VT aangeboden waar dit is geregistreerd ter controle van die aspecten, die tengevolge van bedoelde ontheffing bij de voorgaande periodieke keuring achterwege zijn gebleven; eerst daarna kan het voertuig wederom worden goedgekeurd voor de stoffen die op het oorspronkelijke keuringsdocument waren vermeld.
##### Artikel 112. rn. 6.8.2.4.4
Indien een schademelding overeenkomstig artikel 5 heeft plaatsgevonden, zijn tevens de volgende voorschriften van toepassing:
- 1. Op grond van de verkregen informatie beoordeelt het keuringsstation van de RDW of een onderzoek naar de aard en de ernst van de schade wordt uitgevoerd;
- 2. Indien herstelling noodzakelijk wordt geacht, legt het bedrijf dat deze herstelling zal uitvoeren, een plan voor bij voornoemd keuringsstation;
- 3. De herstelling wordt niet uitgevoerd dan nadat dit plan door voornoemd keuringsstation is goedgekeurd;
- 4. Bij schade aan de tank met inbegrip van versterkingen, ondersteuningen en uitrusting stelt voornoemd keuringsstation IKS daarvan in kennis;
- 5. Indien bij de voorgenomen herstelwerkzaamheden (mede) de in het vierde lid genoemde elementen van de constructie worden onderworpen aan vervorming of het inbrengen van warmte, is onverminderd het bepaalde in het derde lid tevens de goedkeuring van IKS vereist;
- 6. IKS verricht de op grond van rn. 6.8.2.4.4 noodzakelijk geachte onderzoeken en beproevingen;
- 7. Het keuringsstation van VT beslist op grond van de resultaten van een keuring na herstelling en voor zover van toepassing het zesde lid bepaalde omtrent hernieuwde goedkeuring voor het vervoer van gevaarlijke stoffen.
### Hoofdstuk XIV. Overgangs- en slotbepalingen
##### Artikel 113
Deze bijlage is van toepassing op voertuigen en hun uitrusting, die zijn vervaardigd overeenkomstig de VLG.
##### Artikel 114
De Regeling Rijkskeuringsvoorschriften betreffende het vervoer over land van gevaarlijke stoffen 1990 blijft van toepassing op voertuigen waarvoor zij bij de toelating van kracht was.
##### Artikel 115
De Rijkskeuringsvoorschriften betreffende het vervoer over land van gevaarlijke stoffen 1985 (R.V.L.G. '85) blijven van toepassing op voertuigen waarvoor zij bij de toelating van kracht waren.
##### Artikel 116
De Rijkskeuringsvoorschriften betreffende het vervoer over land van gevaarlijke stoffen 1978 (R.V.L.G. '78) blijven van toepassing op voertuigen waarvoor zij bij de toelating van kracht waren.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst met uitzondering van de bijlage 1, die ter inzage wordt gelegd bij het Directoraat-Generaal Goederenvervoer van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat, Nieuwe Uitleg 1 te Den Haag.
2003-03-14
Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen — arts. 10, 4, 6 y 3
2003-03-14
Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen — versión origina
original version Tekst op deze datum