Wijzigingsgeschiedenis

Besluit van 20 december 2000, houdende vaststelling van het Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001

51 versions · 2026-01-01
2026-01-01
Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001 — art. 18
2025-12-12
Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001 — arts. 18, 18
2025-06-18
Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001 — arts. 18, 18, 18
2025-01-01
Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001 — arts. 18, 18, 18
2024-11-27
Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001 — arts. 18, 18, 18, 18
2024-07-01
Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001 — arts. 18, 18, 18
2024-01-01
Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001

Wijzigingen op 2024-01-01

@@ -14,7 +14,7 @@
##### Artikel 1. Reikwijdte en definitie
1. Dit besluit geeft uitvoering aan de [artikelen 1.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=1.7), [2.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=2.6), [3.11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.11), [3.18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.18), [3.20](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.20), [3.54](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.54), [3.83](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.83), [3.126](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.126), [3.126a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.126a), [3.127](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.127), [4.25](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=4.25), [5.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=5.7), [5.20](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=5.20), [5.22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=5.22), [5.23](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=5.23), [6.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=6.1), [6.16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=6.16), [6.25](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=6.25), [7.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=7.6), [7.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=7.8), [10.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=10.8) en [10.9 van de Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=10.9) en aan [artikel 10a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=10a).
1. Dit besluit geeft uitvoering aan de [artikelen 1.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=1.7), [2.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=2.6), [3.11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.11), [3.18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.18), [3.20](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.20), [3.54](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.54), [3.83](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.83), [3.126](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.126), [3.126a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.126a), [3.127](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.127), [4.14b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=4.14b), [4.21](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=4.21), [4.25](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=4.25), [5.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=5.7), [5.20](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=5.20), [5.22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=5.22), [5.23](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=5.23), [6.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=6.1), [6.16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=6.16), [6.25](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=6.25), [7.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=7.6), [7.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=7.8), [10.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=10.8) en [10.9 van de Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=10.9) en aan [artikel 10a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=10a).
2. Dit besluit verstaat onder wet: de [Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353).
@@ -96,44 +96,11 @@
##### Artikel 15. Uitgaven voor inkomensvoorzieningen; in aanmerking te nemen premies voor lijfrenten; waardeaangroei
1. Voor de toepassing van [artikel 3.127, eerste en vierde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.127), verstrekt de verzekeraar van een pensioen als bedoeld in [artikel 1.7, tweede lid, onderdelen a en b, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=1.7) aan de belastingplichtige een opgave van de aan het voorafgaande kalenderjaar toe te rekenen aangroei van het bedrag van de jaarlijkse uitkeringen van de aan hem toekomende aanspraken die recht geven op een levenslange inkomensvoorziening bij ouderdom, voor zover deze aangroei het gevolg is van de toeneming van de diensttijd in dat voorafgaande kalenderjaar.
2. De aan het voorafgaande kalenderjaar toe te rekenen pensioenaangroei, bedoeld in het eerste lid, wordt bepaald als volgt:
- a. bij een aan een beschikbare premie gerelateerde levenslange inkomensvoorziening bij ouderdom: door de op het voorafgaande kalenderjaar betrekking hebbende premies te vermenigvuldigen met de volgende factor:
| **Indien de belastingplichtige bij het begin van het voorafgaande kalenderjaar** | **factor** |
| --- | --- |
| 15 jaar of ouder, doch jonger dan 20 jaar is | 0,45 |
| 20 jaar of ouder, doch jonger dan 25 jaar is | 0,37 |
| 25 jaar of ouder, doch jonger dan 30 jaar is | 0,31 |
| 30 jaar of ouder, doch jonger dan 35 jaar is | 0,26 |
| 35 jaar of ouder, doch jonger dan 40 jaar is | 0,21 |
| 40 jaar of ouder, doch jonger dan 45 jaar is | 0,17 |
| 45 jaar of ouder, doch jonger dan 50 jaar is | 0,14 |
| 50 jaar of ouder, doch jonger dan 55 jaar is | 0,12 |
| 55 jaar of ouder, doch jonger dan 60 jaar is | 0,10 |
| 60 jaar of ouder, doch jonger dan 65 jaar is | 0,08 |
| 65 jaar of ouder is | 0,07 |
- b. bij overige aan het inkomen gerelateerde levenslange inkomensvoorzieningen bij ouderdom: door het opbouwpercentage van het voorafgaande kalenderjaar van de aan de belastingplichtige toekomende pensioenaanspraken te vermenigvuldigen met de pensioengrondslag van het voorafgaande kalenderjaar.
3. De opgave van de pensioenaangroei wordt door de verzekeraar binnen tien maanden na afloop van het kalenderjaar waarop de pensioenaangroei betrekking heeft, aan de belastingplichtige verstrekt.
4. De pensioengrondslag, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, wordt bepaald door het pensioengevend inkomen van het voorafgaande kalenderjaar te verminderen met het in het voorafgaande kalenderjaar ingevolge de pensioenregeling in aanmerking genomen bedrag ter zake van uitkeringen als bedoeld in [artikel 9 van de Algemene Ouderdomswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002221&artikel=9).
5. Ingeval het pensioen op grond van de in de pensioenregeling vastgestelde ingangsdatum eerder ingaat dan op de eerste dag van de maand waarin de pensioenrichtleeftijd, bedoeld in [artikel 18a, zesde lid, van de Wet op de loonbelasting 1964](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=18a), wordt bereikt en er geen sprake is van een aan een beschikbare premie gerelateerde levenslange inkomensvoorziening bij ouderdom, wordt de in het eerste lid bedoelde aangroei gesteld op de met toepassing van het tweede lid, onderdeel b, bepaalde aangroei, vermenigvuldigd met de volgende factor:
| **In de pensioenregeling vastgestelde ingangsdatum** | **factor** |
| --- | --- |
| 67 jaar of ouder | 1,875/1,739 |
| 66 jaar of ouder, doch jonger dan 67 jaar | 1,875/1,616 |
| 65 jaar of ouder, doch jonger dan 66 jaar | 1,875/1,504 |
| 64 jaar of ouder, doch jonger dan 65 jaar | 1,875/1,403 |
| 63 jaar of ouder, doch jonger dan 64 jaar | 1,875/1,311 |
| 62 jaar of ouder, doch jonger dan 63 jaar | 1,875/1,226 |
| 61 jaar of ouder, doch jonger dan 62 jaar | 1,875/1,149 |
| jonger dan 61 jaar | 1,875/1,078 |
1. Voor de toepassing van [artikel 3.127, eerste en vierde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.127), verstrekt de verzekeraar van een pensioen als bedoeld in [artikel 1.7, tweede lid, onderdelen a en b, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=1.7) aan de belastingplichtige een opgave van het bedrag van de in het voorafgaande kalenderjaar in de pensioenregeling van de belastingplichtige ingelegde premies voor ouderdomspensioen en partnerpensioen op of na pensioendatum voor zover dit bedrag het gevolg is van de toeneming van de diensttijd in dat voorafgaande kalenderjaar en exclusief de premie voor een compensatie als bedoeld in [artikel 38s van de Wet op de loonbelasting 1964](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=38s).
2. In afwijking van het eerste lid verstrekt de verzekeraar van een pensioen als bedoeld in [artikel 1.7, tweede lid, onderdelen a en b, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=1.7) aan de belastingplichtige die met toepassing van [artikel 38r van de Wet op de loonbelasting 1964](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=38r) pensioen opbouwt een opgave van het bedrag van de in het voorafgaande kalenderjaar in de pensioenregeling van de belastingplichtige ingelegde premies voor ouderdomspensioen en partnerpensioen op of na pensioendatum voor zover dit bedrag het gevolg is van de toeneming van de diensttijd in dat voorafgaande kalenderjaar waarbij de aan het voorafgaande kalenderjaar toe te rekenen premies worden bepaald overeenkomstig [artikel 10a.25, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=10a.25).
3. De opgave, bedoeld in het eerste en tweede lid, wordt door de verzekeraar binnen tien maanden na afloop van het kalenderjaar waarop de ingelegde premies betrekking hebben, aan de belastingplichtige verstrekt.
### Hoofdstuk 4. Heffingsgrondslag bij aanmerkelijk belang ([Hoofdstuk 4 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&hoofdstuk=4))
@@ -151,7 +118,13 @@
6. De verkrijgingsprijs volgens [artikel 4.21 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=4.21) van de nog tot het aanmerkelijk belang behorende aandelen of winstbewijzen wordt vermeerderd met de aan die aandelen of winstbewijzen toe te rekenen kosten welke zijn gemaakt voor het stellen van zekerheid als bedoeld in [artikel 25, achtste lid, van de Invorderingswet 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770&artikel=25), tenzij de verkrijgingsprijs op grond van het tweede lid reeds is vermeerderd met de waardeaangroei van de aandelen of winstbewijzen die eerder krachtens [artikel 4.16, eerste lid, onderdeel h](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=4.16), onderscheidenlijk [artikel 7.5, zevende lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=7.5) tot het belastbare inkomen uit aanmerkelijk belang is gerekend.
7. Indien [artikel 4.16, eerste lid, onderdeel h](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=4.16), onderscheidenlijk artikel [7.5, zevende lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=7.5) eerder met betrekking tot het aanmerkelijk belang van toepassing is geweest en de belastingplichtige op de belastingaanslag bij de vaststelling waarvan een van de genoemde artikelonderdelen van toepassing is geweest betalingen heeft gedaan ter voldoening van de ingevolge een van die artikelonderdelen verschuldigde belasting, wordt de verkrijgingsprijs volgens [artikel 4.21 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=4.21) van de nog tot het aanmerkelijk belang behorende aandelen of winstbewijzen vermeerderd met een bedrag ter grootte van het quotiënt van 100% en het in artikel 2.12 van de wet vermelde percentage, vermenigvuldigd met het bedrag van de op die aandelen of winstbewijzen betrekking hebbende betalingen. De eerste volzin is niet van toepassing voorzover de verkrijgingsprijs op grond van het tweede lid reeds is vermeerderd met de waardeaangroei van de aandelen of winstbewijzen die eerder krachtens [artikel 4.16, eerste lid, onderdeel h](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=4.16), onderscheidenlijk [artikel 7.5, zevende lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=7.5) tot het belastbare inkomen uit aanmerkelijk belang is gerekend. De eerste volzin is mede niet van toepassing voor zover de betalingen zijn gedaan in verband met het beëindigen van het uitstel van betaling op grond van [artikel 25, achtste lid, onderdeel b, van de Invorderingswet 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770&artikel=25).
7. Indien [artikel 4.16, eerste lid, onderdeel h](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=4.16), onderscheidenlijk artikel [7.5, zevende lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=7.5) eerder met betrekking tot het aanmerkelijk belang van toepassing is geweest en de belastingplichtige op de belastingaanslag bij de vaststelling waarvan een van de genoemde artikelonderdelen van toepassing is geweest betalingen heeft gedaan ter voldoening van de ingevolge een van die artikelonderdelen verschuldigde belasting, wordt de verkrijgingsprijs volgens [artikel 4.21 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=4.21) van de nog tot het aanmerkelijk belang behorende aandelen of winstbewijzen vermeerderd met een bedrag ter grootte van het bedrag van de op die aandelen of winstbewijzen betrekking hebbende betalingen, vermenigvuldigd met:
- a. het quotiënt van 100% en het in de vierde kolom van de in [artikel 2.12 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=2.12) opgenomen tabel als eerste vermelde percentage, voor zover het bedrag van de op die aandelen of winstbewijzen betrekking hebbende betalingen niet meer bedraagt dan het in de eerste en tweede kolom van die tabel vermelde bedrag; en
- b. het quotiënt van 100% en het in de vierde kolom van die tabel als tweede vermelde percentage, voor zover het bedrag van die betalingen meer bedraagt dan het in de eerste en tweede kolom van die tabel vermelde bedrag.
De eerste volzin is niet van toepassing voorzover de verkrijgingsprijs op grond van het tweede lid reeds is vermeerderd met de waardeaangroei van de aandelen of winstbewijzen die eerder krachtens [artikel 4.16, eerste lid, onderdeel h](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=4.16), onderscheidenlijk [artikel 7.5, zevende lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=7.5) tot het belastbare inkomen uit aanmerkelijk belang is gerekend. De eerste volzin is mede niet van toepassing voor zover de betalingen zijn gedaan in verband met het beëindigen van het uitstel van betaling op grond van [artikel 25, achtste lid, onderdeel b, van de Invorderingswet 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770&artikel=25).
8. Indien [artikel 4.16, eerste lid, onderdeel h](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=4.16), onderscheidenlijk artikel [7.5, zevende lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=7.5) eerder met betrekking tot het aanmerkelijk belang van toepassing is geweest en daarbij sprake was van een negatief vervreemdingsvoordeel, wordt de verkrijgingsprijs volgens artikel [4.21 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=4.21) van de nog tot het aanmerkelijk belang behorende aandelen of winstbewijzen verminderd met het aan die aandelen of winstbewijzen toe te rekenen negatieve vervreemdingsvoordeel.
@@ -161,11 +134,23 @@
verminderd met:
- a. het quotiënt van 100% en het in artikel 2.12 van de wet vermelde percentage, vermenigvuldigd met het bedrag waarvoor krachtens [artikel 25, achtste lid, van de Invorderingswet 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770&artikel=25) nog uitstel van betaling loopt voor bedoelde conserverende belastingaanslag voor zover dit uitstel toerekenbaar is aan de aandelen of winstbewijzen die de belastingplichtige heeft;
- b. het quotiënt van 100% en het in artikel 2.12 van de wet vermelde percentage, vermenigvuldigd met het bedrag waarvoor krachtens [artikel 25, achtste lid, onderdeel b, van de Invorderingswet 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770&artikel=25) het uitstel van betaling is beëindigd voor bedoelde conserverende belastingaanslag, voor zover de beëindiging toerekenbaar is aan de aandelen of winstbewijzen die de belastingplichtige verkrijgt;
- c. het quotiënt van 100% en het in artikel 2.12 van de wet vermelde percentage, vermenigvuldigd met het bedrag waarvoor krachtens [artikel 26, vierde lid, van de Invorderingswet 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770&artikel=26) kwijtschelding van belasting is verleend op bedoelde conserverende belastingaanslag, voor zover deze kwijtschelding toerekenbaar is aan de aandelen of winstbewijzen die de belastingplichtige heeft, en
- a. het bedrag waarvoor krachtens [artikel 25, achtste lid, van de Invorderingswet 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770&artikel=25) nog uitstel van betaling loopt voor bedoelde conserverende belastingaanslag voor zover dit uitstel toerekenbaar is aan de aandelen of winstbewijzen die de belastingplichtige heeft, vermenigvuldigd met:
- 1°. het quotiënt van 100% en het in de vierde kolom van de in [artikel 2.12 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=2.12) opgenomen tabel als eerste vermelde percentage, voor zover het bedrag waarvoor nog uitstel van betaling loopt niet meer bedraagt dan het in de eerste en tweede kolom van die tabel vermelde bedrag; en
- 2°. het quotiënt van 100% en het in de vierde kolom van die tabel als tweede vermelde percentage, voor zover het bedrag waarvoor nog uitstel van betaling loopt meer bedraagt dan het in de eerste en tweede kolom van die tabel vermelde bedrag;
- b. het bedrag waarvoor krachtens [artikel 25, achtste lid, onderdeel b, van de Invorderingswet 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770&artikel=25) het uitstel van betaling is beëindigd voor bedoelde conserverende belastingaanslag, voor zover de beëindiging toerekenbaar is aan de aandelen of winstbewijzen die de belastingplichtige verkrijgt, vermenigvuldigd met:
- 1°. het quotiënt van 100% en het in de vierde kolom van de in [artikel 2.12 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=2.12) opgenomen tabel als eerste vermelde percentage, voor zover het bedrag waarvoor het uitstel van betaling is beëindigd niet meer bedraagt dan het in de eerste en tweede kolom van die tabel vermelde bedrag; en
- 2°. het quotiënt van 100% en het in de vierde kolom van die tabel als tweede vermelde percentage, voor zover het bedrag waarvoor het uitstel van betaling is beëindigd meer bedraagt dan het in de eerste en tweede kolom van die tabel vermelde bedrag;
- c. het bedrag waarvoor krachtens [artikel 26, vierde lid, van de Invorderingswet 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770&artikel=26) kwijtschelding van belasting is verleend op bedoelde conserverende belastingaanslagen, voor zover deze kwijtschelding toerekenbaar is aan de aandelen of winstbewijzen die de belastingplichtige verkrijgt, vermenigvuldigd met:
- 1°. het in de vierde kolom van de in [artikel 2.12 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=2.12) opgenomen tabel als eerste vermelde percentage, voor zover het bedrag van de kwijtschelding niet meer bedraagt dan het in de eerste en tweede kolom van die tabel vermelde bedrag; en
- 2°. het in de vierde kolom van die tabel als tweede vermelde percentage, voor zover het bedrag van de kwijtschelding meer bedraagt dan het in de eerste en tweede kolom van die tabel vermelde bedrag; en
- d. de reguliere voordelen die ingevolge [artikel 4.12a van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=4.12a) niet tot het inkomen uit aanmerkelijk belang zijn gerekend voor zover deze voordelen toerekenbaar zijn aan de aandelen of winstbewijzen die de belastingplichtige heeft, en vermeerderd met:
@@ -175,9 +160,9 @@
- g. de waardedaling van de aandelen of winstbewijzen bij de belastingplichtige in de periode dat hij niet in Nederland belastingplichtig was, voor zover blijkt dat de waardedaling in die periode is ontstaan.
Ingeval aan de in de eerste volzin lid bedoelde verkrijging meerdere vervreemdingen vooraf zijn gegaan ter zake waarvan conserverende belastingaanslagen zijn opgelegd waarvan het uitstel van betaling nog loopt, wordt voor de toepassing van de eerste volzin als uitgangspunt genomen de overdrachtsprijs waarvan is uitgegaan voor de laatste vervreemding en worden vervolgens met overeenkomstige toepassing van [artikel 15a, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012066&hoofdstuk=4&artikel=15a&z=2023-07-01&g=2023-09-28), de verminderingen en vermeerderingen van de eerste volzin toegepast.
[Artikel 15a, vierde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012066&hoofdstuk=4&artikel=15a&z=2023-07-01&g=2023-09-28), is van overeenkomstige toepassing.
Ingeval aan de in de eerste volzin lid bedoelde verkrijging meerdere vervreemdingen vooraf zijn gegaan ter zake waarvan conserverende belastingaanslagen zijn opgelegd waarvan het uitstel van betaling nog loopt, wordt voor de toepassing van de eerste volzin als uitgangspunt genomen de overdrachtsprijs waarvan is uitgegaan voor de laatste vervreemding en worden vervolgens met overeenkomstige toepassing van [artikel 15a, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012066&hoofdstuk=4&artikel=15a&z=2024-01-01&g=2024-01-01), de verminderingen en vermeerderingen van de eerste volzin toegepast.
[Artikel 15a, vierde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012066&hoofdstuk=4&artikel=15a&z=2024-01-01&g=2024-01-01), is van overeenkomstige toepassing.
11. Indien de belastingplichtige een aanmerkelijk belang in een vennootschap heeft die middellijk of onmiddellijk aandelen in of winstbewijzen van een in Nederland gevestigde vennootschap heeft en deze aandelen of winstbewijzen, al dan niet rechtstreeks, zijn verkregen van de belastingplichtige bij wie die aandelen of winstbewijzen tot een aanmerkelijk belang behoorden, wordt de verkrijgingsprijs volgens [artikel 4.21 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=4.21) van het eerstbedoelde aanmerkelijk belang verminderd met een bedrag, waarbij deze vermindering kan leiden tot een negatieve verkrijgingsprijs; de vermindering is gelijk aan het bedrag waarmee op het tijdstip van bedoelde verkrijging door de vennootschap de waarde in het economische verkeer van de door de vennootschap van de belastingplichtige verkregen aandelen of winstbewijzen de verkrijgingsprijs volgens artikel 4.21 van de wet van de belastingplichtige van die aandelen of winstbewijzen overtreft. De eerste volzin is niet van toepassing voorzover in Nederland inkomstenbelasting of in een ander land naar het inkomen geheven belasting is betaald over de waardeaangroei van laatstgenoemde aandelen of winstbewijzen die naar Nederlandse maatstaven redelijk is. Voor de berekening van de in het slot van de eerste volzin bedoelde vermindering, wordt de verkrijgingsprijs van de door de belastingplichtige aan de vennootschap vervreemde aandelen of winstbewijzen vermeerderd met de waardeaangroei, bedoeld in het derde lid, tot op het tijdstip van de in het slot van de in de eerste volzin bedoelde verkrijging door die vennootschap onderscheidenlijk verminderd met de waardedaling als bedoeld in het vierde lid tot op het tijdstip van die verkrijging.
@@ -189,7 +174,7 @@
##### Artikel 18. Waardering; waardering genotsrechten
1. De waarde van een genotsrecht als bedoeld in [artikel 5.22, derde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=5.22) wordt gesteld op het overeenkomstig [artikel 19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012066&hoofdstuk=5&artikel=19&z=2023-07-01&g=2023-09-28) tot kapitaal gebrachte bedrag van de jaarlijkse voordelen uit de gerechtigdheid.
1. De waarde van een genotsrecht als bedoeld in [artikel 5.22, derde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=5.22) wordt gesteld op het overeenkomstig [artikel 19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012066&hoofdstuk=5&artikel=19&z=2024-01-01&g=2024-01-01) tot kapitaal gebrachte bedrag van de jaarlijkse voordelen uit de gerechtigdheid.
2. Voor de toepassing van het eerste lid worden de jaarlijkse voordelen gesteld op 4% van de waarde van hetgeen aan het genotsrecht is onderworpen, naar het tijdstip waarop de waardering van het genotsrecht plaatsvindt.
@@ -302,15 +287,31 @@
1. Indien op grond van [artikel 26, vierde lid, van de Invorderingswet 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770&artikel=26) aan een belastingplichtige ter zake van geconserveerd inkomen uit tot een aanmerkelijk belang behorende aandelen of winstbewijzen kwijtschelding van belasting is verleend wegens in Nederland verschuldigde dividend- of inkomstenbelasting ter zake van nadien genoten reguliere voordelen uit die aandelen of winstbewijzen, wordt ten aanzien van hem de in [artikel 7.6 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=7.6) bedoelde verkrijgingsprijs van deze aandelen of winstbewijzen verminderd met een bedrag gelijk aan het bedrag van die reguliere voordelen.
2. Indien op grond van [artikel 26, vijfde lid, aanhef en onderdeel a, van de Invorderingswet 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770&artikel=26) aan een belastingplichtige ter zake van geconserveerd inkomen uit tot een aanmerkelijk belang behorende aandelen of winstbewijzen kwijtschelding van belasting zal worden verleend wegens een vervreemding van tot dat belang behorende aandelen of winstbewijzen tegen een lagere waarde dan waarvan is uitgegaan voor de bepaling van dat geconserveerd inkomen, wordt ten aanzien van hem de in [artikel 7.6 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=7.6) bedoelde verkrijgingsprijs van deze vervreemde aandelen of winstbewijzen verminderd met een bedrag gelijk aan het quotiënt van 100% en het in artikel 2.12 van de wet vermelde percentage, vermenigvuldigd met het bedrag dat zal worden kwijtgescholden aan belasting.
3. Indien op grond van [artikel 25, achtste lid, onderdeel b, van de Invorderingswet 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770&artikel=25) bij een belastingplichtige ter zake van geconserveerd inkomen uit tot een aanmerkelijk belang behorende aandelen of winstbewijzen het uitstel van betaling voor de verschuldigde belasting is beëindigd, wordt ten aanzien van hem de in [artikel 7.6 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=7.6) bedoelde verkrijgingsprijs van die aandelen of winstbewijzen verminderd met een bedrag gelijk aan het quotiënt van 100% en het in artikel 2.12 van de wet vermelde percentage, vermenigvuldigd met het bedrag waarvoor het uitstel van betaling is beëindigd.
2. Indien op grond van [artikel 26, vijfde lid, aanhef en onderdeel a, van de Invorderingswet 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770&artikel=26) aan een belastingplichtige ter zake van geconserveerd inkomen uit tot een aanmerkelijk belang behorende aandelen of winstbewijzen kwijtschelding van belasting zal worden verleend wegens een vervreemding van tot dat belang behorende aandelen of winstbewijzen tegen een lagere waarde dan waarvan is uitgegaan voor de bepaling van dat geconserveerd inkomen, wordt ten aanzien van hem de in [artikel 7.6 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=7.6) bedoelde verkrijgingsprijs van deze vervreemde aandelen of winstbewijzen verminderd met een bedrag gelijk aan het bedrag dat zal worden kwijtgescholden aan belasting, vermenigvuldigd met:
- a. het quotiënt van 100% en het in de vierde kolom van de in [artikel 2.12 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=2.12) opgenomen tabel als eerste vermelde percentage, voor zover het bedrag dat zal worden kwijtgescholden niet meer bedraagt dan het in de eerste en tweede kolom van die tabel vermelde bedrag; en
- b. het quotiënt van 100% en het in de vierde kolom van die tabel als tweede vermelde percentage, voor zover het bedrag dat zal worden kwijtgescholden meer bedraagt dan het in de eerste en tweede kolom van die tabel vermelde bedrag.
3. Indien op grond van [artikel 25, achtste lid, onderdeel b, van de Invorderingswet 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770&artikel=25) bij een belastingplichtige ter zake van geconserveerd inkomen uit tot een aanmerkelijk belang behorende aandelen of winstbewijzen het uitstel van betaling voor de verschuldigde belasting is beëindigd, wordt ten aanzien van hem de in [artikel 7.6 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=7.6) bedoelde verkrijgingsprijs van die aandelen of winstbewijzen verminderd met een bedrag gelijk aan het bedrag waarvoor het uitstel van betaling is beëindigd, vermenigvuldigd met:
- a. het quotiënt van 100% en het in de vierde kolom van de in [artikel 2.12 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=2.12) opgenomen tabel als eerste vermelde percentage, voor zover het bedrag waarvoor het uitstel van betaling is beëindigd niet meer bedraagt dan het in de eerste en tweede kolom van die tabel vermelde bedrag; en
- b. het quotiënt van 100% en het in de vierde kolom van die tabel als tweede vermelde percentage, voor zover het bedrag waarvoor het uitstel van betaling is beëindigd meer bedraagt dan het in de eerste en tweede kolom van die tabel vermelde bedrag.
4. Indien ter zake van de vervreemding van tot een aanmerkelijk belang behorende aandelen of winstbewijzen aan de belastingplichtige ten aanzien van de overdrager een conserverende belastingaanslag is opgelegd en met betrekking tot die belastingaanslag krachtens [artikel 26, vierde lid, van de Invorderingswet 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770&artikel=26) kwijtschelding van belasting is verleend wegens in Nederland verschuldigde dividend- of inkomstenbelasting ter zake van nadien door de belastingplichtige genoten reguliere voordelen uit die aandelen of winstbewijzen, wordt ten aanzien van de belastingplichtige de in [artikel 7.6 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=7.6) bedoelde verkrijgingsprijs van deze aandelen of winstbewijzen verminderd met een bedrag gelijk aan het bedrag van die reguliere voordelen.
5. Indien ter zake van de vervreemding van tot een aanmerkelijk belang behorende aandelen of winstbewijzen aan de belastingplichtige ten aanzien van de overdrager een conserverende belastingaanslag is opgelegd en met betrekking tot die belastingaanslag krachtens [artikel 26, vijfde lid, aanhef en onderdeel a, van de Invorderingswet 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770&artikel=26) kwijtschelding van belasting zal worden verleend wegens een vervreemding van tot dat belang behorende aandelen of winstbewijzen door de belastingplichtige tegen een lagere waarde dan waarvan is uitgegaan voor die conserverende belastingaanslag, wordt ten aanzien van de belastingplichtige de in [artikel 7.6 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=7.6) bedoelde verkrijgingsprijs van deze vervreemde aandelen of winstbewijzen verminderd met een bedrag gelijk aan het quotiënt van 100% en het in artikel 2.12 van de wet vermelde percentage, vermenigvuldigd met het bedrag dat zal worden kwijtgescholden aan belasting.
6. Indien ter zake van de vervreemding van tot een aanmerkelijk belang behorende aandelen of winstbewijzen aan de belastingplichtige ten aanzien van de overdrager een conserverende belastingaanslag is opgelegd en met betrekking tot die aanslag krachtens [artikel 25, achtste lid, onderdeel b, van de Invorderingswet 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770&artikel=25) het uitstel van betaling voor de verschuldigde belasting is beëindigd, wordt ten aanzien van de belastingplichtige de in [artikel 7.6 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=7.6) bedoelde verkrijgingsprijs van die aandelen of winstbewijzen verminderd met een bedrag gelijk aan het quotiënt van 100% en het in artikel 2.12 van de wet vermelde percentage, vermenigvuldigd met het bedrag waarvoor het uitstel van betaling is beëindigd.
5. Indien ter zake van de vervreemding van tot een aanmerkelijk belang behorende aandelen of winstbewijzen aan de belastingplichtige ten aanzien van de overdrager een conserverende belastingaanslag is opgelegd en met betrekking tot die belastingaanslag krachtens [artikel 26, vijfde lid, aanhef en onderdeel a, van de Invorderingswet 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770&artikel=26) kwijtschelding van belasting zal worden verleend wegens een vervreemding van tot dat belang behorende aandelen of winstbewijzen door de belastingplichtige tegen een lagere waarde dan waarvan is uitgegaan voor die conserverende belastingaanslag, wordt ten aanzien van de belastingplichtige de in [artikel 7.6 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=7.6) bedoelde verkrijgingsprijs van deze vervreemde aandelen of winstbewijzen verminderd met een bedrag gelijk aan het bedrag dat zal worden kwijtgescholden aan belasting, vermenigvuldigd met:
- a. het quotiënt van 100% en het in de vierde kolom van de in [artikel 2.12 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=2.12) opgenomen tabel als eerste vermelde percentage, voor zover het bedrag dat zal worden kwijtgescholden niet meer bedraagt dan het in de eerste en tweede kolom van die tabel vermelde bedrag; en
- b. het quotiënt van 100% en het in de vierde kolom van die tabel als tweede vermelde percentage, voor zover het bedrag dat zal worden kwijtgescholden meer bedraagt dan het in de eerste en tweede kolom van die tabel vermelde bedrag.
6. Indien ter zake van de vervreemding van tot een aanmerkelijk belang behorende aandelen of winstbewijzen aan de belastingplichtige ten aanzien van de overdrager een conserverende belastingaanslag is opgelegd en met betrekking tot die aanslag krachtens [artikel 25, achtste lid, onderdeel b, van de Invorderingswet 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770&artikel=25) het uitstel van betaling voor de verschuldigde belasting is beëindigd, wordt ten aanzien van de belastingplichtige de in [artikel 7.6 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=7.6) bedoelde verkrijgingsprijs van die aandelen of winstbewijzen verminderd met een bedrag gelijk aan het bedrag waarvoor het uitstel van betaling is beëindigd, vermenigvuldigd met:
- a. het quotiënt van 100% en het in de vierde kolom van de in [artikel 2.12 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=2.12) opgenomen tabel als eerste vermelde percentage, voor zover het bedrag waarvoor het uitstel van betaling is beëindigd niet meer bedraagt dan het in de eerste en tweede kolom van die tabel vermelde bedrag; en
- b. het quotiënt van 100% en het in de vierde kolom van die tabel als tweede vermelde percentage, voor zover het bedrag waarvoor het uitstel van betaling is beëindigd meer bedraagt dan het in de eerste en tweede kolom van die tabel vermelde bedrag.
7. Het vierde tot en met zesde lid is ook van toepassing indien het betreft een kwijtschelding van een conserverende belastingaanslag of een beëindiging van het uitstel van betaling van een conserverende belastingaanslag waarvan het uitstel van betaling krachtens [artikel 25, achtste lid, onderdeel a, van de Invorderingswet 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770&artikel=25) is voortgezet bij de vervreemding aan de belastingplichtige.
@@ -420,9 +421,9 @@
- 2°. de in rekening gebrachte pensioenpremie over het kalenderjaar;
- 3°. de deeltijdfactor, bedoeld in [artikel 11c, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012066&hoofdstuk=3&artikel=11c&z=2023-07-01&g=2023-09-28);
- 4°. de omstandigheid dat het pensioengevend inkomen van de belastingplichtige is bepaald met toepassing van [artikel 11c, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012066&hoofdstuk=3&artikel=11c&z=2023-07-01&g=2023-09-28);
- 3°. de deeltijdfactor, bedoeld in [artikel 11c, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012066&hoofdstuk=3&artikel=11c&z=2024-01-01&g=2024-01-01);
- 4°. de omstandigheid dat het pensioengevend inkomen van de belastingplichtige is bepaald met toepassing van [artikel 11c, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012066&hoofdstuk=3&artikel=11c&z=2024-01-01&g=2024-01-01);
- 5°. indien in het kalenderjaar zich een omstandigheid voordoet als bedoeld in [artikel 3.135, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.135): de omstandigheid die zich heeft voorgedaan en de met toepassing van [artikel 3.137 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.137) bepaalde waarde in het economische verkeer van de aanspraak;
@@ -474,15 +475,23 @@
##### Artikel 24
[Artikel 11a, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012066&hoofdstuk=3&artikel=11a&z=2023-07-01&g=2023-09-28), is van overeenkomstige toepassing op een overdracht in het kalenderjaar 2001 waarop [hoofdstuk 2, artikel I, onderdeel Db, van de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001](onbekend) van toepassing is mits zowel door de ondernemer als degene die de onderneming voortzet, bij de aangifte van de ondernemer is verzocht om toepassing van dat onderdeel.
[Artikel 11a, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012066&hoofdstuk=3&artikel=11a&z=2024-01-01&g=2024-01-01), is van overeenkomstige toepassing op een overdracht in het kalenderjaar 2001 waarop [hoofdstuk 2, artikel I, onderdeel Db, van de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001](onbekend) van toepassing is mits zowel door de ondernemer als degene die de onderneming voortzet, bij de aangifte van de ondernemer is verzocht om toepassing van dat onderdeel.
##### Artikel 25. Overgangsrecht inzake aanmerkelijk belang
1. Indien op grond van [artikel 26, tweede lid, van de Invorderingswet 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770&artikel=26), zoals dat op 14 september 2015 luidde, aan een belastingplichtige ter zake van geconserveerd inkomen uit tot een aanmerkelijk belang behorende aandelen of winstbewijzen kwijtschelding van belasting is verleend wegens het verstrijken van de termijn, bedoeld in dat lid, of indien ter zake van de vervreemding van tot een aanmerkelijk belang behorende aandelen of winstbewijzen aan de belastingplichtige ten aanzien van de overdrager een conserverende belastingaanslag is opgelegd en met betrekking tot die belastingaanslag krachtens artikel 26, tweede lid, van de Invorderingswet 1990, zoals dat op 14 september 2015 luidde, kwijtschelding van belasting is verleend wegens het verstrijken van de termijn, bedoeld in dat lid, wordt ten aanzien van de belastingplichtige de in [artikel 7.6 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=7.6) bedoelde verkrijgingsprijs van die aandelen of winstbewijzen verminderd met:
- a. ingeval geen kwijtschelding van belasting is verleend wegens genoten reguliere voordelen op die aandelen of winstbewijzen: een bedrag gelijk aan het quotiënt van 100% en het in artikel 2.12 van de wet vermelde percentage, vermenigvuldigd met het bedrag dat is kwijtgescholden aan belasting voor zover die kwijtschelding toerekenbaar is aan die aandelen of winstbewijzen;
- b. ingeval wel kwijtschelding van belasting is verleend wegens genoten reguliere voordelen op die aandelen of winstbewijzen: een bedrag gelijk aan het verschil tussen het quotiënt van 100% en het in artikel 2.12 van de wet vermelde percentage, vermenigvuldigd met het bedrag dat zou zijn kwijtgescholden indien onderdeel a toepassing zou hebben gevonden en de eerdere vermindering van de verkrijgingsprijs ingevolge de kwijtschelding wegens de genoten reguliere voordelen op die aandelen of winstbewijzen.
- a. ingeval geen kwijtschelding van belasting is verleend wegens genoten reguliere voordelen op die aandelen of winstbewijzen: een bedrag gelijk aan het bedrag dat is kwijtgescholden aan belasting voor zover die kwijtschelding toerekenbaar is aan die aandelen of winstbewijzen, vermenigvuldigd met:
- 1°. het quotiënt van 100% en het in de vierde kolom van de in [artikel 2.12 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=2.12) opgenomen tabel als eerste vermelde percentage, voor zover het bedrag van de kwijtschelding niet meer bedraagt dan het in de eerste en tweede kolom van die tabel vermelde bedrag; en
- 2°. het quotiënt van 100% en het in de vierde kolom van die tabel als tweede vermelde percentage, voor zover het bedrag van de kwijtschelding meer bedraagt dan het in de eerste en tweede kolom van die tabel vermelde bedrag.
- b. ingeval wel kwijtschelding van belasting is verleend wegens genoten reguliere voordelen op die aandelen of winstbewijzen: een bedrag gelijk aan het verschil tussen het bedrag dat zou zijn kwijtgescholden indien onderdeel a toepassing zou hebben gevonden, vermenigvuldigd met:
- 1°. het quotiënt van 100% en het in de vierde kolom van de in [artikel 2.12 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=2.12) opgenomen tabel als eerste vermelde percentage, voor zover het bedrag dat zou zijn kwijtgescholden niet meer bedraagt dan het in de eerste en tweede kolom van die tabel vermelde bedrag; en
- 2°. het quotiënt van 100% en het in de vierde kolom van die tabel als tweede vermelde percentage, voor zover het bedrag dat zou zijn kwijtgescholden meer bedraagt dan het in de eerste en tweede kolom van die tabel vermelde bedrag; en de eerdere vermindering van de verkrijgingsprijs ingevolge de kwijtschelding wegens de genoten reguliere voordelen op die aandelen of winstbewijzen.
2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot een kwijtschelding van belasting ter zake van een conserverende belastingaanslag waarvan het uitstel van betaling krachtens [artikel 25, achtste lid, onderdeel a, van de Invorderingswet 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770&artikel=25) is voortgezet bij de vervreemding van tot een aanmerkelijk belang behorende aandelen of winstbewijzen aan de belastingplichtige.
@@ -500,9 +509,9 @@
##### Artikel 25a. Experimenteerbepaling zelfstandigen
1. [Artikel 1a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012066&hoofdstuk=1&artikel=1a&z=2023-07-01&g=2023-09-28), is van overeenkomstige toepassing op de beëindiging van deelname aan een pensioenregeling als bedoeld in [artikel 150a van de Pensioenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020809&artikel=150a).
2. [Artikel 11e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012066&hoofdstuk=3&artikel=11e&z=2023-07-01&g=2023-09-28) is van overeenkomstige toepassing op de deelname aan een pensioenregeling als bedoeld in [artikel 150a van de Pensioenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020809&artikel=150a), met dien verstande dat dit alleen geldt voor het eerste jaar van deelname.
1. [Artikel 1a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012066&hoofdstuk=1&artikel=1a&z=2024-01-01&g=2024-01-01), is van overeenkomstige toepassing op de beëindiging van deelname aan een pensioenregeling als bedoeld in [artikel 150a van de Pensioenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020809&artikel=150a).
2. [Artikel 11e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012066&hoofdstuk=3&artikel=11e&z=2024-01-01&g=2024-01-01) is van overeenkomstige toepassing op de deelname aan een pensioenregeling als bedoeld in [artikel 150a van de Pensioenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020809&artikel=150a), met dien verstande dat dit alleen geldt voor het eerste jaar van deelname.
##### Artikel 26. Inwerkingtreding
@@ -524,19 +533,21 @@
- c. de [Tijdelijke subsidieregeling vermindering gevolgen Brexit voor de visserij, titel 2.1 Ondersteuning voor de sanering van vissersvaartuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046962&titeldeel=2.1);
- d. de volgende provinciale regelingen die in overeenstemming zijn met Verordening (EU) nr. 702/2014 van de Commissie van 25 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandgebieden op grond van artikel 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PbEU 2014, L 193):
- 1°. wat betreft de provincie Utrecht: artikel 2.3 van de Uitvoeringsverordening subsidie Agenda Vitaal Platteland provincie Utrecht 2021;
- 2°. wat betreft de provincie Gelderland: Regels Ruimte voor Gelderland 2016. Gecorrigeerd Exemplaar, paragraaf 4.5 Verplaatsing landbouwbedrijfsgebouwen ten behoeve van het Gelders Natuurnetwerk (provinciaal blad 2015, nr. 7842);
- 3°. wat betreft de provincie Overijssel: het Uitvoeringsbesluit subsidies Overijssel 2017, hoofdstuk 9 Gebiedsontwikkeling, paragraaf 9.4 Verplaatsing landbouwbedrijfsgebouwen vanwege de ontwikkelopgave EHS/Natura 2000 (provinciaal blad 2016, nr. 7088), zoals dat luidde op 13 april 2018; het Uitvoeringsbesluit subsidies Overijssel 2017, hoofdstuk 9 Gebiedsontwikkeling, paragraaf 9.4 Verplaatsing landbouwbedrijfsgebouwen vanwege de ontwikkelopgave Natura 2000 (provinciaal blad 2016, nr. 7088, zoals gewijzigd met ingang van 14 april 2018, gepubliceerd in provinciaal blad 2018, nr. 2716); het Uitvoeringsbesluit subsidies Overijssel 2022, paragraaf 4.9 Verplaatsing landbouwbedrijfsgebouwen;
- 4°. wat betreft de provincie Friesland: Subsidieregeling agrarische bedrijfsverplaatsing Fryslân 2021;
- 5°. wat betreft de provincie Groningen: Beleidsregel Verplaatsing Grondgebonden Agrarische Bedrijven Provincie Groningen (provinciaal blad 2013, nr. 56); Subsidieregeling agrarische bedrijfsverplaatsing Groningen 2016 (provinciaal blad 2016, nr. 4210);
- 6°. wat betreft de provincie Drenthe: Subsidieregeling verplaatsing grondgebonden agrarische bedrijven Drenthe.
- d. de Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties voor stikstofreductie;
- e. de Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties met piekbelasting;
- f. de volgende provinciale regelingen die in overeenstemming zijn met [Verordening (EU) 2022/2472](32022R2472) van de Commissie van 14 december 2022 waarbij bepaalde categorieën steun in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PbEU 2022, L 327):
- 1°. wat betreft de provincie Utrecht: de Subsidieregeling Agenda Vitaal Platteland provincie Utrecht, artikel 2.2 Verplaatsing grondgebonden agrarische bedrijven in het kader van het NNN, en de Subsidieregeling verplaatsing en beëindiging veehouderijen Utrecht, artikel 1.2 Subsidiabele activiteiten en prestatie;
- 2°. wat betreft de provincie Gelderland: de Regels Subsidieverlening Gelderland 2023, paragraaf 2.4 Verplaatsing landbouwbedrijfsgebouwen ten behoeve van het Gelders Natuurnetwerk en paragraaf 2.28 Verplaatsing veehouderij;
- 3°. wat betreft de provincie Overijssel: het Uitvoeringsbesluit subsidies Overijssel 2022, paragraaf 4.9 Verplaatsing landbouwbedrijfsgebouwen;
- 4°. wat betreft de provincie Fryslân: Subsidieregeling agrarische bedrijfsverplaatsing Fryslân 2023;
- 5°. wat betreft de provincie Groningen: Subsidieregeling agrarische bedrijfsverplaatsing Groningen 2016 (provinciaal blad 2016, nr. 4210).
### Hoofdstuk 4. Heffingsgrondslag bij aanmerkelijk belang ([Hoofdstuk 4 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&hoofdstuk=4))
@@ -562,13 +573,13 @@
3. De aanwijzing kan eveneens plaatsvinden indien de in het tweede lid bedoelde zekerheid niet door de onderneming of instelling maar door de belastingplichtige wordt gesteld, waarbij de belastingplichtige tevens de mogelijkheid heeft zekerheid te stellen door middel van verpanding van de aanspraken op het tegoed van een lijfrenterekening, onderscheidenlijk van de aanspraken op de waarde van een lijfrentebeleggingsrecht aan de ontvanger, mits de onderneming of instelling instemt met deze verpanding.
4. [Artikel 14, vijfde, zesde en zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012066&hoofdstuk=3&artikel=14&z=2023-07-01&g=2023-09-28), is van overeenkomstige toepassing.
4. [Artikel 14, vijfde, zesde en zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012066&hoofdstuk=3&artikel=14&z=2024-01-01&g=2024-01-01), is van overeenkomstige toepassing.
### Hoofdstuk 4. Heffingsgrondslag bij aanmerkelijk belang ([Hoofdstuk 4 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&hoofdstuk=4))
### Hoofdstuk 6. Persoonsgebonden aftrek ([Hoofdstuk 6 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&hoofdstuk=6))
### Hoofdstuk 7. Belastingheffing van buitenlandse belastingplichtigen ([Hoofdstuk 7 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&hoofdstuk=7))
### Hoofdstuk 5. Heffingsgrondslag bij sparen en beleggen ([Hoofdstuk 5 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&hoofdstuk=5))
### Hoofdstuk 7A. Wijze van heffing ([Hoofdstuk 9 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&hoofdstuk=9))
@@ -580,11 +591,23 @@
verminderd met:
- a. het quotiënt van 100% en het in artikel 2.12 van de wet vermelde percentage, vermenigvuldigd met het bedrag waarvoor krachtens [artikel 25, achtste lid, van de Invorderingswet 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770&artikel=25) nog uitstel van betaling loopt voor bedoelde conserverende belastingaanslag voor zover dit uitstel toerekenbaar is aan de aandelen of winstbewijzen die de belastingplichtige verkrijgt;
- b. het quotiënt van 100% en het in artikel 2.12 van de wet vermelde percentage, vermenigvuldigd met het bedrag waarvoor krachtens [artikel 25, achtste lid, onderdeel b, van de Invorderingswet 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770&artikel=25) het uitstel van betaling is beëindigd voor bedoelde conserverende belastingaanslag, voor zover de beëindiging toerekenbaar is aan de aandelen of winstbewijzen die de belastingplichtige verkrijgt;
- c. het quotiënt van 100% en het in artikel 2.12 van de wet vermelde percentage, vermenigvuldigd met het bedrag waarvoor krachtens [artikel 26, vierde lid, van de Invorderingswet 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770&artikel=26) kwijtschelding van belasting is verleend op bedoelde conserverende belastingaanslag, voor zover deze kwijtschelding toerekenbaar is aan de aandelen of winstbewijzen die de belastingplichtige verkrijgt, en
- a. het bedrag waarvoor krachtens [artikel 25, achtste lid, van de Invorderingswet 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770&artikel=25) nog uitstel van betaling loopt voor bedoelde conserverende belastingaanslag voor zover dit uitstel toerekenbaar is aan de aandelen of winstbewijzen die de belastingplichtige verkrijgt, vermenigvuldigd met:
- 1°. het quotiënt van 100% en het in de vierde kolom van de in [artikel 2.12 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=2.12) opgenomen tabel als eerste vermelde percentage, voor zover het bedrag waarvoor nog uitstel van betaling loopt niet meer bedraagt dan het in de eerste en tweede kolom van die tabel vermelde bedrag; en
- 2°. het quotiënt van 100% en het in de vierde kolom van die tabel als tweede vermelde percentage, voor zover het bedrag waarvoor nog uitstel van betaling loopt meer bedraagt dan het in de eerste en tweede kolom van die tabel vermelde bedrag;
- b. het bedrag waarvoor krachtens [artikel 25, achtste lid, onderdeel b, van de Invorderingswet 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770&artikel=25) het uitstel van betaling is beëindigd voor bedoelde conserverende belastingaanslag, voor zover de beëindiging toerekenbaar is aan de aandelen of winstbewijzen die de belastingplichtige verkrijgt, vermenigvuldigd met:
- 1°. het quotiënt van 100% en het in de vierde kolom van de in [artikel 2.12 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=2.12) opgenomen tabel als eerste vermelde percentage, voor zover het bedrag waarvoor het uitstel van betaling is beëindigd niet meer bedraagt dan het in de eerste en tweede kolom van die tabel vermelde bedrag; en
- 2°. het quotiënt van 100% en het in de vierde kolom van die tabel als tweede vermelde percentage, voor zover het bedrag waarvoor het uitstel van betaling is beëindigd meer bedraagt dan het in de eerste en tweede kolom van die tabel vermelde bedrag;
- c. het bedrag waarvoor krachtens [artikel 26, vierde lid, van de Invorderingswet 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770&artikel=26) de kwijtschelding van belasting is verleend op bedoelde conserverende belastingaanslag, voor zover de kwijtschelding toerekenbaar is aan de aandelen of winstbewijzen die de belastingplichtige verkrijgt, vermenigvuldigd met:
- 1°. het quotiënt van 100% en het in de vierde kolom van de in [artikel 2.12 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=2.12) opgenomen tabel als eerste vermelde percentage, voor zover het bedrag waarvoor de kwijtschelding is verleend niet meer bedraagt dan het in de eerste en tweede kolom van die tabel vermelde bedrag; en
- 2°. het quotiënt van 100% en het in de vierde kolom van die tabel als tweede vermelde percentage, voor zover het bedrag waarvoor de kwijtschelding is verleend meer bedraagt dan het in de eerste en tweede kolom van die tabel vermelde bedrag; en
- d. de reguliere voordelen die ingevolge [artikel 4.12a van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=4.12a) niet tot het inkomen uit aanmerkelijk belang zijn gerekend voor zover deze voordelen toerekenbaar zijn aan de aandelen of winstbewijzen die de belastingplichtige verkrijgt, en vermeerderd met:
@@ -598,11 +621,23 @@
verminderd met:
- a. het quotiënt van 100% en het in artikel 2.12 van de wet vermelde percentage, vermenigvuldigd met het bedrag waarvoor krachtens [artikel 25, achtste lid, van de Invorderingswet 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770&artikel=25) nog uitstel van betaling loopt voor bedoelde conserverende belastingaanslagen voor zover dit uitstel toerekenbaar is aan de aandelen of winstbewijzen die de belastingplichtige verkrijgt;
- b. het quotiënt van 100% en het in artikel 2.12 van de wet vermelde percentage, vermenigvuldigd met het bedrag waarvoor krachtens [artikel 25, achtste lid, onderdeel b, van de Invorderingswet 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770&artikel=25) het uitstel van betaling is beëindigd voor bedoelde conserverende belastingaanslagen, voor zover de beëindiging toerekenbaar is aan de aandelen of winstbewijzen die de belastingplichtige verkrijgt;
- c. het quotiënt van 100% en het in artikel 2.12 van de wet vermelde percentage, vermenigvuldigd met het bedrag waarvoor krachtens [artikel 26, vierde lid, van de Invorderingswet 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770&artikel=26) kwijtschelding van belasting is verleend op bedoelde conserverende belastingaanslagen, voor zover deze kwijtschelding toerekenbaar is aan de aandelen of winstbewijzen die de belastingplichtige verkrijgt, en
- a. het bedrag waarvoor krachtens [artikel 25, achtste lid, van de Invorderingswet 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770&artikel=25) nog uitstel van betaling loopt voor bedoelde conserverende belastingaanslagen voor zover dit uitstel toerekenbaar is aan de aandelen of winstbewijzen die de belastingplichtige verkrijgt, vermenigvuldigd met:
- 1°. het quotiënt van 100% en het in de vierde kolom van de in [artikel 2.12 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=2.12) opgenomen tabel als eerste vermelde percentage, voor zover het bedrag waarvoor nog uitstel van betaling loopt niet meer bedraagt dan het in de eerste en tweede kolom van die tabel vermelde bedrag; en
- 2°. het quotiënt van 100% en het in de vierde kolom van die tabel als tweede vermelde percentage, voor zover het bedrag waarvoor nog uitstel van betaling loopt meer bedraagt dan het in de eerste en tweede kolom van die tabel vermelde bedrag;
- b. het bedrag waarvoor krachtens [artikel 25, achtste lid, onderdeel b, van de Invorderingswet 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770&artikel=25) het uitstel van betaling is beëindigd voor bedoelde conserverende belastingaanslagen, voor zover de beëindiging toerekenbaar is aan de aandelen of winstbewijzen die de belastingplichtige verkrijgt, vermenigvuldigd met:
- 1°. het quotiënt van 100% en het in de vierde kolom van de in [artikel 2.12 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=2.12) opgenomen tabel als eerste vermelde percentage, voor zover het bedrag waarvoor het uitstel van betaling is beëindigd niet meer bedraagt dan het in de eerste en tweede kolom van die tabel vermelde bedrag; en
- 2°. het quotiënt van 100% en het in de vierde kolom van die tabel als tweede vermelde percentage, voor zover het bedrag waarvoor het uitstel van betaling is beëindigd meer bedraagt dan het in de eerste en tweede kolom van die tabel vermelde bedrag;
- c. het bedrag waarvoor krachtens [artikel 26, vierde lid, van de Invorderingswet 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770&artikel=26) kwijtschelding van belasting is verleend op bedoelde conserverende belastingaanslagen, voor zover de kwijtschelding toerekenbaar is aan de aandelen of winstbewijzen die de belastingplichtige verkrijgt, vermenigvuldigd met:
- 1°. het quotiënt van 100% en het in de vierde kolom van de in [artikel 2.12 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=2.12) opgenomen tabel als eerste vermelde percentage, voor zover het bedrag van de kwijtschelding niet meer bedraagt dan het in de eerste en tweede kolom van die tabel vermelde bedrag; en
- 2°. het quotiënt van 100% en het in de vierde kolom van die tabel als tweede vermelde percentage, voor zover het bedrag van de kwijtschelding meer bedraagt dan het in de eerste en tweede kolom van die tabel vermelde bedrag; en
- d. de reguliere voordelen die ingevolge [artikel 4.12a van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=4.12a) niet tot het inkomen uit aanmerkelijk belang zijn gerekend voor zover deze voordelen toerekenbaar zijn aan de aandelen of winstbewijzen die de belastingplichtige verkrijgt, en vermeerderd met:
@@ -651,7 +686,7 @@
##### Artikel 17b. Waardering woningen; correctie voor erfpachtcanon
De waarde van een erfpachtcanon als bedoeld in [artikel 5.20, vierde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=5.20) wordt gesteld op het zeventienvoud van het jaarlijkse bedrag. In afwijking van de eerste volzin wordt het deel van een erfpachtcanon dat kan worden toegerekend aan een verhuurde woning als bedoeld in [artikel 17a, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012066&hoofdstuk=5&artikel=17a&z=2023-07-01&g=2023-09-28), gesteld op het twintigvoud van het jaarlijkse bedrag. De toerekening van de erfpachtcanon, bedoeld in de vorige volzin, geschiedt naar rato van de, met inachtneming van artikel 17a, vierde lid, berekende, WOZ-waarden van de te onderscheiden zelfstandige onderdelen van het gebouwd eigendom waarop de erfpachtcanon betrekking heeft.
De waarde van een erfpachtcanon als bedoeld in [artikel 5.20, vierde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=5.20) wordt gesteld op het zeventienvoud van het jaarlijkse bedrag. In afwijking van de eerste volzin wordt het deel van een erfpachtcanon dat kan worden toegerekend aan een verhuurde woning als bedoeld in [artikel 17a, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012066&hoofdstuk=5&artikel=17a&z=2024-01-01&g=2024-01-01), gesteld op het twintigvoud van het jaarlijkse bedrag. De toerekening van de erfpachtcanon, bedoeld in de vorige volzin, geschiedt naar rato van de, met inachtneming van artikel 17a, vierde lid, berekende, WOZ-waarden van de te onderscheiden zelfstandige onderdelen van het gebouwd eigendom waarop de erfpachtcanon betrekking heeft.
### Hoofdstuk 9. Overgangs- en slotbepalingen ([Hoofdstuk 11 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&hoofdstuk=11))
@@ -671,160 +706,180 @@
### Hoofdstuk 6. Persoonsgebonden aftrek ([Hoofdstuk 6 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&hoofdstuk=6))
### Hoofdstuk 6. Persoonsgebonden aftrek ([Hoofdstuk 6 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&hoofdstuk=6))
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
##### Artikel 1a. Pensioenregeling; vrijwillige voortzetting
1. Een regeling als bedoeld in [artikel 1.7, tweede lid, onderdeel b, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=1.7), die vrijwillig wordt voortgezet nadat de arbeidsverhouding op grond waarvan deelneming aan die pensioenregeling was verplicht is geëindigd, wordt, onder door Onze Minister te stellen voorwaarden, als een zodanige pensioenregeling aangemerkt, ingeval:
- a. de regeling ten hoogste tien jaar vrijwillig wordt voortgezet;
- b. gedurende de vrijwillige voorzetting als pensioengevend inkomen geen hoger bedrag in aanmerking wordt genomen dan het gemiddelde pensioengevend inkomen, bedoeld in [artikel 3.18, vierde lid, onderdeel d, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.18), in de vijf aan het eerste dienstjaar van vrijwillige voortzetting voorafgaande kalenderjaren, voor zover de belastingplichtige in die jaren heeft deelgenomen aan de pensioenregeling;
- c. onverminderd onderdeel b vanaf het vierde kalenderjaar van vrijwillige voortzetting als pensioengevend inkomen geen hoger bedrag in aanmerking wordt genomen dan het gezamenlijke bedrag van het pensioengevend inkomen, bedoeld in [artikel 3.18, vierde lid, onderdeel d, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.18), vermeerderd met het belastbare loon, het belastbare resultaat uit overige werkzaamheden en de belastbare periodieke uitkeringen en verstrekkingen van de belastingplichtige in het derde kalenderjaar voorafgaande aan het betreffende dienstjaar.
2. Ingeval de arbeidsverhouding, bedoeld in het eerste lid, is geëindigd als gevolg van arbeidsongeschiktheid, is het eerste lid, onderdelen a en c, niet van toepassing zolang een inkomensvervangende arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt ontvangen.
### Hoofdstuk 2. Raamwerk ([Hoofdstuk 2 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&hoofdstuk=2))
### Hoofdstuk 3. Heffingsgrondslag bij werk en woning ([Hoofdstuk 3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&hoofdstuk=3))
### Hoofdstuk 6. Persoonsgebonden aftrek ([Hoofdstuk 6 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&hoofdstuk=6))
### Hoofdstuk 7. Belastingheffing van buitenlandse belastingplichtigen ([Hoofdstuk 7 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&hoofdstuk=7))
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
##### Artikel 11a. Belastbare winst uit onderneming; vrijstelling voor bosbedrijf
1. Op verzoek van de belastingplichtige blijven buiten aanmerking de voordelen uit bosbedrijf welke worden behaald door onmiddellijk voorafgaande aan het tijdstip met ingang waarvan op hem de vrijstelling van [artikel 3.11, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.11) van toepassing wordt de tot het bosbedrijf behorende bezittingen te stellen op de waarde in het economische verkeer. De vorige volzin is slechts van toepassing indien artikel 3.11, eerste lid, van de wet met ingang van een jaar van toepassing wordt.
2. De inspecteur stelt het bedrag dat ingevolge het eerste lid buiten aanmerking blijft bij voor bezwaar vatbare beschikking vast.
3. De voordelen die ingevolge het eerste lid buiten aanmerking blijven, worden alsnog als winst uit onderneming in aanmerking genomen – met dien verstande dat [artikel 3.11, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.11) op die voordelen niet van toepassing is – indien de belastingplichtige binnen vijf jaren na het tijdstip waarop de in het eerste lid bedoelde vrijstelling op hem van toepassing is geworden, het bosbedrijf of een gedeelte van het bosbedrijf – anders dan ten gevolge van overlijden of onteigening, daaronder begrepen minnelijke onteigening en verkoop ter voorkoming van onteigening – staakt. In geval van staking van een gedeelte van het bosbedrijf worden de in de vorige volzin bedoelde voordelen slechts in aanmerking genomen voorzover deze betrekking hebben op dit gedeelte. De voordelen worden geacht te zijn genoten ten tijde van de staking.
4. Voor de toepassing van het derde lid wordt niet als een staking aangemerkt een overdracht aan een persoon als bedoeld in [artikel 3.63, vierde of vijfde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.63) mits zowel de belastingplichtige als degene aan wie is overgedragen dit schriftelijk verzoekt. Alsdan wordt degene aan wie is overgedragen voor de toepassing van het derde lid geacht in de plaats te zijn getreden van de belastingplichtige.
##### Artikel 11b. In aanmerking te nemen kosten en AOW-bedragen
Voor de overeenkomstige toepassing, bedoeld in [artikel 3.18, vijfde lid, onderdeel a, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.18), van [artikel 18a, eerste lid en derde lid, vijfde zin, van de Wet op de loonbelasting 1964](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=18a) zijn de [artikelen 10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002489&artikel=10) en [10aa van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002489&artikel=10aa) van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 11c. Deeltijd
1. Ingeval een belastingplichtige op jaarbasis minder dan 1.750 uren besteedt aan werkzaamheden op grond waarvan hij verplicht deelneemt aan een pensioenregeling als bedoeld in [artikel 1.7, tweede lid, onderdeel b, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=1.7), wordt voor de overeenkomstige toepassing, bedoeld in [artikel 3.18, vijfde lid, onderdeel a, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.18), van de [artikelen 18a, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=18a), en [18ga, eerste lid, van de Wet op de loonbelasting 1964](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=18ga) het aldaar bedoelde bedrag vermenigvuldigd met de deeltijdfactor.
2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder deeltijdfactor verstaan: een breuk waarvan de teller wordt gevormd door het aantal uren dat de belastingplichtige op jaarbasis besteedt aan werkzaamheden op grond waarvan hij deelneemt aan een pensioenregeling als bedoeld in [artikel 1.7, tweede lid, onderdeel b, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=1.7) en de noemer door 1.750, waarbij de uitkomst ten hoogste 1 bedraagt.
3. Ingeval een belastingplichtige in een kalenderjaar dat is gelegen in de periode die aanvangt tien jaar direct voorafgaand aan de in de pensioenregeling vastgestelde ingangsdatum ten opzichte van het laatste kalenderjaar van de periode die direct voorafgaat aan de eerstgenoemde periode ten hoogste 50% minder uren per jaar besteedt aan werkzaamheden op grond waarvan hij deelneemt aan een pensioenregeling als bedoeld in [artikel 1.7, tweede lid, onderdeel b, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=1.7), mag als pensioengevend inkomen worden aangemerkt: het pensioengevend inkomen, bedoeld in [artikel 3.18, vierde lid, onderdeel d, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.18), vermenigvuldigd met de verhouding tussen de deeltijdfactor van het laatstgenoemde kalenderjaar en de deeltijdfactor van het eerstgenoemde kalenderjaar. Ingeval de vorige volzin toepassing vindt, wordt voor de toepassing van het eerste lid als deeltijdfactor in aanmerking genomen: de deeltijdfactor van het in de eerste volzin als tweede genoemde kalenderjaar.
4. Indien de werkzaamheden, bedoeld in het eerste lid, zijn onderbroken vanwege zwangerschap of bevalling van de belastingplichtige, worden deze tijdens de periode die overeenkomt met de periode van zwangerschaps- en bevallingsverlof voor vrouwelijke werknemers, voor de bepaling van het aantal gewerkte uren, bedoeld in het tweede lid, geacht niet te zijn onderbroken.
##### Artikel 11d. Ziekte, arbeidsongeschiktheid, zwangerschap en bevalling
1. Ingeval het pensioengevend inkomen, bedoeld in [artikel 3.18, vierde lid, onderdeel d, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.18), is verlaagd als gevolg van ziekte, arbeidsongeschiktheid of een periode van zwangerschap of bevalling overeenkomstig de periode van zwangerschaps- en bevallingsverlof voor vrouwelijke werknemers wordt met het pensioengevend inkomen gelijkgesteld: het gemiddelde pensioengevend inkomen, bedoeld in artikel 3.18, vierde lid, onderdeel d, van de wet, van de belastingplichtige in de ten hoogste vijf kalenderjaren voorafgaande aan die ziekte, arbeidsongeschiktheid of periode van afwezigheid wegens zwangerschap of bevalling, voor zover de belastingplichtige in die jaren heeft deelgenomen aan een pensioenregeling als bedoeld in [artikel 1.7, tweede lid, onderdeel b, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=1.7).
2. Het ingevolge het eerste lid vastgestelde pensioengevend inkomen mag gedurende de periode van ziekte, arbeidsongeschiktheid, zwangerschapsverlof of bevallingsverlof worden geïndexeerd met de loonindex in de bedrijfstak waarin de werknemer werkzaam is, dan wel met de gemiddelde loonindex voor de CAO-lonen per maand, inclusief bijzondere beloningen, zoals berekend door het Centraal Bureau voor de Statistiek.
##### Artikel 11e. Starters
1. Gedurende ten hoogste de eerste drie jaar waarin de belastingplichtige anders dan als werknemer deelneemt aan een pensioenregeling op grond van de [Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012092), de [Wet op het notarisambt](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010388) of de [Wet verplichte beroepspensioenregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018831) wordt met pensioengevend inkomen als bedoeld in [artikel 3.18, vierde lid, onderdeel d, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.18) gelijkgesteld: een schatting van de belastingplichtige van zijn pensioengevend inkomen in het betreffende jaar van deelname.
2. Ingeval de belastingplichtige ter zake van de schatting, bedoeld in het eerste lid, te kwader trouw is, is het eerste lid niet van toepassing en wordt het pensioengevend inkomen gesteld op de in het dienstjaar genoten winst uit onderneming vóór toevoeging aan en afneming van de oudedagsreserve en vóór de ondernemersaftrek en vermeerderd met de ten laste van de winst gebrachte premies uit hoofde van een pensioenregeling als bedoeld in [artikel 1.7, tweede lid, onderdeel b, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=1.7), waarbij het pensioengevend inkomen ten minste wordt gesteld op nihil. [Artikel 3.95, eerste lid, tweede volzin, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.59) is van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 11f. Laatstgenoten pensioengevend loon
1. Voor de toepassing van [artikel 3.18 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.18) wordt met laatstgenoten pensioengevend loon als bedoeld in de [artikelen 18b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=18b) en [18c van de Wet op de loonbelasting 1964](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=18c) gelijkgesteld: laatstgenoten pensioengevend inkomen.
2. Onder laatstgenoten pensioengevend inkomen als bedoeld in het eerste lid wordt verstaan: het gemiddelde van het pensioengevend inkomen, bedoeld in [artikel 3.18, vierde lid, onderdeel d, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.18), van de deelnemer of gewezen deelnemer in de ten hoogste vijf kalenderjaren voorafgaande aan het kalenderjaar van zijn overlijden, voor zover de deelnemer of gewezen deelnemer in die jaren heeft deelgenomen aan een pensioenregeling als bedoeld in [artikel 1.7, tweede lid, onderdeel b, van de we](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=1.7)t.
##### Artikel 11g. Buitenlandse aanbieder
Voor de overeenkomstige toepassing, bedoeld in [artikel 3.18, vijfde lid, onderdeel f, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.18), van [artikel 19a, eerste lid, onderdeel d, van de Wet op de loonbelasting 1964](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=19a) wordt voor «de belasting die is verschuldigd door toepassing van [artikel 19b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=19b), ofwel [artikel 3.83, eerste of tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.83), [artikel 3.136, derde, vierde of vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.136), of [artikel 7.2, achtste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=7.2)» gelezen: de belasting die is verschuldigd door toepassing van de [artikelen 3.135](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.135), 3.136, eerste tot en met vijfde lid, of 7.2, tweede lid, van de wet.
##### Artikel 17bis. Vrijstellingen; begrenzing premie nettolijfrente
Vervallen
##### Artikel 21bis. Kwalificerende buitenlandse belastingplichtigen
1. Als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige als bedoeld in [artikel 7.8 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=7.8) wordt mede aangemerkt een buitenlandse belastingplichtige die:
- a. pensioen, lijfrente of een soortgelijke uitkering geniet:
- b. voldoet aan de voorwaarden, bedoeld in de aanhef en het slot van de eerste volzin van [artikel 7.8, zesde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=7.8); en
- c. aannemelijk maakt dat hij wegens de geringe hoogte van zijn inkomen in het woonland geen inkomstenbelasting is verschuldigd.
2. Een buitenlandse belastingplichtige die in een kalenderjaar voldoet aan de voorwaarden, bedoeld in onderdeel a of onderdeel b en het slot van de eerste volzin van [artikel 7.8, zesde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=7.8), en die gedurende een deel van dat kalenderjaar als inwoner van een andere lidstaat van de Europese Unie, een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, Zwitserland of de BES eilanden in de belastingheffing van die staat of op de BES eilanden wordt betrokken, wordt voor dat deel van het kalenderjaar aangemerkt als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige.
3. Voor de inkomensverklaring, bedoeld in [artikel 7.8, zesde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=7.8), wordt gebruikgemaakt van een door de inspecteur vastgestelde modelverklaring.
4. De inkomensverklaring kan achterwege blijven, indien de buitenlandse belastingplichtige in een voorafgaand kalenderjaar is aangemerkt als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige en sindsdien onafgebroken is blijven voldoen aan de overige voorwaarden van [artikel 7.8, zesde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=7.8).
### Hoofdstuk 7. Belastingheffing van buitenlandse belastingplichtigen ([Hoofdstuk 7 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&hoofdstuk=7))
### Hoofdstuk 8. Aanvullende regelingen ([Hoofdstuk 10 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&hoofdstuk=10))
### Hoofdstuk 8. Aanvullende regelingen ([Hoofdstuk 10 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&hoofdstuk=10))
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
##### Artikel 11bis. Toerekeningsregels; meldingsplicht bij [artikel 2.14, derde lid, onderdeel d, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=2.14)
1. Indien de belastingplichtige een vermogensbestanddeel dat ingevolge [artikel 2.14, derde lid, onderdeel d, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=2.14) tevens in aanmerking wordt genomen bij de bepaling van het belastbare inkomen uit sparen en beleggen, niet als zodanig in de aangifte heeft vermeld, is hij gehouden daarvan schriftelijk mededeling aan de inspecteur te doen voordat de belastingplichtige weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat de inspecteur met de desbetreffende onjuistheid of onvolledigheid bekend is of zal worden.
2. Het niet of niet tijdig dan wel onjuist of onvolledig doen van de mededeling, bedoeld in het eerste lid, wordt aangemerkt als een overtreding.
3. De bevoegdheid tot het opleggen van een vergrijpboete in de gevallen, bedoeld in het tweede lid, vervalt door verloop van vijf jaren na afloop van het kalenderjaar waarin de peildatum, bedoeld in [artikel 2.14, derde lid, onderdeel d, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=2.14), is gelegen. Indien het vermogensbestanddeel, bedoeld in het eerste lid, in het buitenland wordt gehouden of is opgekomen vervalt de bevoegdheid tot het opleggen van een vergrijpboete in de gevallen, bedoeld in het tweede lid, in afwijking in zoverre van de eerste volzin, door verloop van twaalf jaren na afloop van het kalenderjaar, bedoeld in de eerste volzin.
### Hoofdstuk 3. Heffingsgrondslag bij werk en woning ([Hoofdstuk 3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&hoofdstuk=3))
### Hoofdstuk 7. Belastingheffing van buitenlandse belastingplichtigen ([Hoofdstuk 7 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&hoofdstuk=7))
### Hoofdstuk 7A. Wijze van heffing ([Hoofdstuk 9 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&hoofdstuk=9))
### Hoofdstuk 7A. Wijze van heffing ([Hoofdstuk 9 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&hoofdstuk=9))
### Hoofdstuk 9. Overgangs- en slotbepalingen ([Hoofdstuk 11 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&hoofdstuk=11))
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
##### Artikel 1a. Pensioenregeling; vrijwillige voortzetting
1. Een regeling als bedoeld in [artikel 1.7, tweede lid, onderdeel b, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=1.7), die vrijwillig wordt voortgezet nadat de arbeidsverhouding op grond waarvan deelneming aan die pensioenregeling was verplicht is geëindigd, wordt, onder door Onze Minister te stellen voorwaarden, als een zodanige pensioenregeling aangemerkt, ingeval:
- a. de regeling ten hoogste tien jaar vrijwillig wordt voortgezet;
- b. gedurende de vrijwillige voorzetting als pensioengevend inkomen geen hoger bedrag in aanmerking wordt genomen dan het gemiddelde pensioengevend inkomen, bedoeld in [artikel 3.18, vierde lid, onderdeel d, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.18), in de vijf aan het eerste dienstjaar van vrijwillige voortzetting voorafgaande kalenderjaren, voor zover de belastingplichtige in die jaren heeft deelgenomen aan de pensioenregeling;
- c. onverminderd onderdeel b vanaf het vierde kalenderjaar van vrijwillige voortzetting als pensioengevend inkomen geen hoger bedrag in aanmerking wordt genomen dan het gezamenlijke bedrag van het pensioengevend inkomen, bedoeld in [artikel 3.18, vierde lid, onderdeel d, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.18), vermeerderd met het belastbare loon, het belastbare resultaat uit overige werkzaamheden en de belastbare periodieke uitkeringen en verstrekkingen van de belastingplichtige in het derde kalenderjaar voorafgaande aan het betreffende dienstjaar.
2. Ingeval de arbeidsverhouding, bedoeld in het eerste lid, is geëindigd als gevolg van arbeidsongeschiktheid, is het eerste lid, onderdelen a en c, niet van toepassing zolang een inkomensvervangende arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt ontvangen.
### Hoofdstuk 2. Raamwerk ([Hoofdstuk 2 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&hoofdstuk=2))
### Hoofdstuk 3. Heffingsgrondslag bij werk en woning ([Hoofdstuk 3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&hoofdstuk=3))
### Hoofdstuk 6. Persoonsgebonden aftrek ([Hoofdstuk 6 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&hoofdstuk=6))
### Hoofdstuk 7. Belastingheffing van buitenlandse belastingplichtigen ([Hoofdstuk 7 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&hoofdstuk=7))
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
##### Artikel 11a. Belastbare winst uit onderneming; vrijstelling voor bosbedrijf
1. Op verzoek van de belastingplichtige blijven buiten aanmerking de voordelen uit bosbedrijf welke worden behaald door onmiddellijk voorafgaande aan het tijdstip met ingang waarvan op hem de vrijstelling van [artikel 3.11, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.11) van toepassing wordt de tot het bosbedrijf behorende bezittingen te stellen op de waarde in het economische verkeer. De vorige volzin is slechts van toepassing indien artikel 3.11, eerste lid, van de wet met ingang van een jaar van toepassing wordt.
2. De inspecteur stelt het bedrag dat ingevolge het eerste lid buiten aanmerking blijft bij voor bezwaar vatbare beschikking vast.
3. De voordelen die ingevolge het eerste lid buiten aanmerking blijven, worden alsnog als winst uit onderneming in aanmerking genomen – met dien verstande dat [artikel 3.11, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.11) op die voordelen niet van toepassing is – indien de belastingplichtige binnen vijf jaren na het tijdstip waarop de in het eerste lid bedoelde vrijstelling op hem van toepassing is geworden, het bosbedrijf of een gedeelte van het bosbedrijf – anders dan ten gevolge van overlijden of onteigening, daaronder begrepen minnelijke onteigening en verkoop ter voorkoming van onteigening – staakt. In geval van staking van een gedeelte van het bosbedrijf worden de in de vorige volzin bedoelde voordelen slechts in aanmerking genomen voorzover deze betrekking hebben op dit gedeelte. De voordelen worden geacht te zijn genoten ten tijde van de staking.
4. Voor de toepassing van het derde lid wordt niet als een staking aangemerkt een overdracht aan een persoon als bedoeld in [artikel 3.63, vierde of vijfde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.63) mits zowel de belastingplichtige als degene aan wie is overgedragen dit schriftelijk verzoekt. Alsdan wordt degene aan wie is overgedragen voor de toepassing van het derde lid geacht in de plaats te zijn getreden van de belastingplichtige.
##### Artikel 11b. In aanmerking te nemen kosten en AOW-bedragen
Voor de overeenkomstige toepassing, bedoeld in [artikel 3.18, vijfde lid, onderdeel a, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.18), van [artikel 18a, eerste lid en derde lid, vijfde zin, van de Wet op de loonbelasting 1964](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=18a) zijn de [artikelen 10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002489&artikel=10) en [10aa van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002489&artikel=10aa) van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 11c. Deeltijd
1. Ingeval een belastingplichtige op jaarbasis minder dan 1.750 uren besteedt aan werkzaamheden op grond waarvan hij verplicht deelneemt aan een pensioenregeling als bedoeld in [artikel 1.7, tweede lid, onderdeel b, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=1.7), wordt voor de overeenkomstige toepassing, bedoeld in [artikel 3.18, vijfde lid, onderdeel a, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.18), van de [artikelen 18a, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=18a), en [18ga, eerste lid, van de Wet op de loonbelasting 1964](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=18ga) het aldaar bedoelde bedrag vermenigvuldigd met de deeltijdfactor.
2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder deeltijdfactor verstaan: een breuk waarvan de teller wordt gevormd door het aantal uren dat de belastingplichtige op jaarbasis besteedt aan werkzaamheden op grond waarvan hij deelneemt aan een pensioenregeling als bedoeld in [artikel 1.7, tweede lid, onderdeel b, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=1.7) en de noemer door 1.750, waarbij de uitkomst ten hoogste 1 bedraagt.
3. Ingeval een belastingplichtige in een kalenderjaar dat is gelegen in de periode die aanvangt tien jaar direct voorafgaand aan de in de pensioenregeling vastgestelde ingangsdatum ten opzichte van het laatste kalenderjaar van de periode die direct voorafgaat aan de eerstgenoemde periode ten hoogste 50% minder uren per jaar besteedt aan werkzaamheden op grond waarvan hij deelneemt aan een pensioenregeling als bedoeld in [artikel 1.7, tweede lid, onderdeel b, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=1.7), mag als pensioengevend inkomen worden aangemerkt: het pensioengevend inkomen, bedoeld in [artikel 3.18, vierde lid, onderdeel d, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.18), vermenigvuldigd met de verhouding tussen de deeltijdfactor van het laatstgenoemde kalenderjaar en de deeltijdfactor van het eerstgenoemde kalenderjaar. Ingeval de vorige volzin toepassing vindt, wordt voor de toepassing van het eerste lid als deeltijdfactor in aanmerking genomen: de deeltijdfactor van het in de eerste volzin als tweede genoemde kalenderjaar.
4. Indien de werkzaamheden, bedoeld in het eerste lid, zijn onderbroken vanwege zwangerschap of bevalling van de belastingplichtige, worden deze tijdens de periode die overeenkomt met de periode van zwangerschaps- en bevallingsverlof voor vrouwelijke werknemers, voor de bepaling van het aantal gewerkte uren, bedoeld in het tweede lid, geacht niet te zijn onderbroken.
##### Artikel 11d. Ziekte, arbeidsongeschiktheid, zwangerschap en bevalling
1. Ingeval het pensioengevend inkomen, bedoeld in [artikel 3.18, vierde lid, onderdeel d, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.18), is verlaagd als gevolg van ziekte, arbeidsongeschiktheid of een periode van zwangerschap of bevalling overeenkomstig de periode van zwangerschaps- en bevallingsverlof voor vrouwelijke werknemers wordt met het pensioengevend inkomen gelijkgesteld: het gemiddelde pensioengevend inkomen, bedoeld in artikel 3.18, vierde lid, onderdeel d, van de wet, van de belastingplichtige in de ten hoogste vijf kalenderjaren voorafgaande aan die ziekte, arbeidsongeschiktheid of periode van afwezigheid wegens zwangerschap of bevalling, voor zover de belastingplichtige in die jaren heeft deelgenomen aan een pensioenregeling als bedoeld in [artikel 1.7, tweede lid, onderdeel b, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=1.7).
2. Het ingevolge het eerste lid vastgestelde pensioengevend inkomen mag gedurende de periode van ziekte, arbeidsongeschiktheid, zwangerschapsverlof of bevallingsverlof worden geïndexeerd met de loonindex in de bedrijfstak waarin de werknemer werkzaam is, dan wel met de gemiddelde loonindex voor de CAO-lonen per maand, inclusief bijzondere beloningen, zoals berekend door het Centraal Bureau voor de Statistiek.
##### Artikel 11e. Starters
1. Gedurende ten hoogste de eerste drie jaar waarin de belastingplichtige anders dan als werknemer deelneemt aan een pensioenregeling op grond van de [Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012092), de [Wet op het notarisambt](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010388) of de [Wet verplichte beroepspensioenregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018831) wordt met pensioengevend inkomen als bedoeld in [artikel 3.18, vierde lid, onderdeel d, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.18) gelijkgesteld: een schatting van de belastingplichtige van zijn pensioengevend inkomen in het betreffende jaar van deelname.
2. Ingeval de belastingplichtige ter zake van de schatting, bedoeld in het eerste lid, te kwader trouw is, is het eerste lid niet van toepassing en wordt het pensioengevend inkomen gesteld op de in het dienstjaar genoten winst uit onderneming vóór toevoeging aan en afneming van de oudedagsreserve en vóór de ondernemersaftrek en vermeerderd met de ten laste van de winst gebrachte premies uit hoofde van een pensioenregeling als bedoeld in [artikel 1.7, tweede lid, onderdeel b, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=1.7), waarbij het pensioengevend inkomen ten minste wordt gesteld op nihil. [Artikel 3.95, eerste lid, tweede volzin, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.59) is van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 11f. Laatstgenoten pensioengevend loon
1. Voor de toepassing van [artikel 3.18 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.18) wordt met laatstgenoten pensioengevend loon als bedoeld in de [artikelen 18b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=18b) en [18c van de Wet op de loonbelasting 1964](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=18c) gelijkgesteld: laatstgenoten pensioengevend inkomen.
2. Onder laatstgenoten pensioengevend inkomen als bedoeld in het eerste lid wordt verstaan: het gemiddelde van het pensioengevend inkomen, bedoeld in [artikel 3.18, vierde lid, onderdeel d, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.18), van de deelnemer of gewezen deelnemer in de ten hoogste vijf kalenderjaren voorafgaande aan het kalenderjaar van zijn overlijden, voor zover de deelnemer of gewezen deelnemer in die jaren heeft deelgenomen aan een pensioenregeling als bedoeld in [artikel 1.7, tweede lid, onderdeel b, van de we](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=1.7)t.
##### Artikel 11g. Buitenlandse aanbieder
Voor de overeenkomstige toepassing, bedoeld in [artikel 3.18, vijfde lid, onderdeel f, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.18), van [artikel 19a, eerste lid, onderdeel d, van de Wet op de loonbelasting 1964](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=19a) wordt voor «de belasting die is verschuldigd door toepassing van [artikel 19b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=19b), ofwel [artikel 3.83, eerste of tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.83), [artikel 3.136, derde, vierde of vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.136), of [artikel 7.2, achtste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=7.2)» gelezen: de belasting die is verschuldigd door toepassing van de [artikelen 3.135](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.135), 3.136, eerste tot en met vijfde lid, of 7.2, tweede lid, van de wet.
##### Artikel 17bis. Vrijstellingen; begrenzing premie nettolijfrente
Vervallen
##### Artikel 21bis. Kwalificerende buitenlandse belastingplichtigen
1. Als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige als bedoeld in [artikel 7.8 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=7.8) wordt mede aangemerkt een buitenlandse belastingplichtige die:
- a. pensioen, lijfrente of een soortgelijke uitkering geniet:
- b. voldoet aan de voorwaarden, bedoeld in de aanhef en het slot van de eerste volzin van [artikel 7.8, zesde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=7.8); en
- c. aannemelijk maakt dat hij wegens de geringe hoogte van zijn inkomen in het woonland geen inkomstenbelasting is verschuldigd.
2. Een buitenlandse belastingplichtige die in een kalenderjaar voldoet aan de voorwaarden, bedoeld in onderdeel a of onderdeel b en het slot van de eerste volzin van [artikel 7.8, zesde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=7.8), en die gedurende een deel van dat kalenderjaar als inwoner van een andere lidstaat van de Europese Unie, een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, Zwitserland of de BES eilanden in de belastingheffing van die staat of op de BES eilanden wordt betrokken, wordt voor dat deel van het kalenderjaar aangemerkt als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige.
3. Voor de inkomensverklaring, bedoeld in [artikel 7.8, zesde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=7.8), wordt gebruikgemaakt van een door de inspecteur vastgestelde modelverklaring.
### Hoofdstuk 7A. Wijze van heffing ([Hoofdstuk 9 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&hoofdstuk=9))
### Hoofdstuk 8. Aanvullende regelingen ([Hoofdstuk 10 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&hoofdstuk=10))
##### Artikel 22a. Overige aanvullende regelingen; verstrekken van gegevens en inlichtingen; betalingen voor werkzaamheden en diensten
1. Als administratieplichtigen als bedoeld in [artikel 10.8, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=10.8) worden mede aangewezen:
- a. inhoudingsplichtigen als bedoeld in de [Wet op de loonbelasting 1964](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471) die een of meer betalingen doen aan een natuurlijk persoon inzake voor de inhoudingsplichtige of een met de inhoudingsplichtige verbonden vennootschap als bedoeld in [artikel 10a, zevende lid, van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=10a) verrichte werkzaamheden en diensten;
- b. collectieve beheersorganisaties als bedoeld in [artikel 1, onderdeel c, van de Wet toezicht en geschillenbeslechting collectieve beheersorganisaties auteurs- en naburige rechten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014779&artikel=1) die een of meer betalingen doen aan een natuurlijk persoon als rechthebbende in de zin van artikel 1, onderdeel g, van die wet.
2. Onder een betaling als bedoeld in het eerste lid wordt niet verstaan een betaling aan een natuurlijk persoon die:
- a. de werkzaamheden en diensten heeft verricht als werknemer, artiest of beroepssporter als bedoeld in de [Wet op de loonbelasting 1964](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471), als persoon als bedoeld in [artikel 5a, eerste lid, aanhef en onderdeel a, of tweede lid, aanhef en onderdeel b, van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=5a), als lid van een buitenlands gezelschap als bedoeld in die wet of als persoon als bedoeld in [artikel 5b, eerste lid, aanhef en onder 2°, van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=5b);
- b. de werkzaamheden heeft verricht als vrijwilliger als bedoeld in [artikel 2, zesde lid, tweede zin, van de Wet op de loonbelasting 1964](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=2) en de van de administratieplichtige, bedoeld in het eerste lid, ontvangen vergoedingen en verstrekkingen gezamenlijk niet hoger zijn dan de maximumbedragen, bedoeld in artikel 2, zesde lid, eerste zin, van de Wet op de loonbelasting 1964;
- c. ter zake van de werkzaamheden een factuur heeft uitgereikt als bedoeld in [artikel 34c, eerste lid, van de Wet op de omzetbelasting 1968](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629&artikel=34c) met daarop de vermelding van de omzetbelasting, bedoeld in [artikel 35a, eerste lid, onderdeel j, van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629&artikel=35a); of
- d. een betaling als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, heeft ontvangen als erfgerechtigde tot de inkomsten uit een auteursrecht of naburig recht als bedoeld in dat onderdeel.
3. Als gegevens en inlichtingen als bedoeld in [artikel 10.8, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=10.8) worden met betrekking tot de betalingen, bedoeld in het eerste lid, aangewezen:
- a. de naam, het adres en de geboortedatum van de ontvanger van de betaling;
- b. de in het kalenderjaar betaalde bedragen, daaronder begrepen kostenvergoedingen.
4. Een administratieplichtige als bedoeld in het eerste lid is gehouden de gegevens en inlichtingen te verstrekken op de door de inspecteur voorgeschreven wijze. De gegevens en inlichtingen dienen jaarlijks na afloop van het kalenderjaar waarop de gegevens en inlichtingen betrekking hebben te worden verstrekt op uiterlijk 31 januari volgend op dat kalenderjaar.
5. De inspecteur kan de administratieplichtige de mogelijkheid bieden de gegevens en inlichtingen in afwijking van het vierde lid gedurende het kalenderjaar waarop de gegevens en inlichtingen betrekking hebben te verstrekken.
6. [Artikel 22, zesde lid, aanhef en onderdelen a, b en d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012066&hoofdstuk=8&artikel=22&z=2024-01-01&g=2024-01-01), is van overeenkomstige toepassing.
### Hoofdstuk 9. Overgangs- en slotbepalingen ([Hoofdstuk 11 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&hoofdstuk=11))
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
##### Artikel 11bis. Toerekeningsregels; meldingsplicht bij [artikel 2.14, derde lid, onderdeel d, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=2.14)
1. Indien de belastingplichtige een vermogensbestanddeel dat ingevolge [artikel 2.14, derde lid, onderdeel d, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=2.14) tevens in aanmerking wordt genomen bij de bepaling van het belastbare inkomen uit sparen en beleggen, niet als zodanig in de aangifte heeft vermeld, is hij gehouden daarvan schriftelijk mededeling aan de inspecteur te doen voordat de belastingplichtige weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat de inspecteur met de desbetreffende onjuistheid of onvolledigheid bekend is of zal worden.
2. Het niet of niet tijdig dan wel onjuist of onvolledig doen van de mededeling, bedoeld in het eerste lid, wordt aangemerkt als een overtreding.
3. De bevoegdheid tot het opleggen van een vergrijpboete in de gevallen, bedoeld in het tweede lid, vervalt door verloop van vijf jaren na afloop van het kalenderjaar waarin de peildatum, bedoeld in [artikel 2.14, derde lid, onderdeel d, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=2.14), is gelegen. Indien het vermogensbestanddeel, bedoeld in het eerste lid, in het buitenland wordt gehouden of is opgekomen vervalt de bevoegdheid tot het opleggen van een vergrijpboete in de gevallen, bedoeld in het tweede lid, in afwijking in zoverre van de eerste volzin, door verloop van twaalf jaren na afloop van het kalenderjaar, bedoeld in de eerste volzin.
### Hoofdstuk 3. Heffingsgrondslag bij werk en woning ([Hoofdstuk 3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&hoofdstuk=3))
### Hoofdstuk 7. Belastingheffing van buitenlandse belastingplichtigen ([Hoofdstuk 7 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&hoofdstuk=7))
### Hoofdstuk 7A. Wijze van heffing ([Hoofdstuk 9 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&hoofdstuk=9))
### Hoofdstuk 8. Aanvullende regelingen ([Hoofdstuk 10 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&hoofdstuk=10))
##### Artikel 25b. Overgangsrecht vrijwillige voortzetting
In afwijking van [artikel 1a, eerste lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012066&hoofdstuk=1&artikel=1a&z=2024-01-01&g=2024-01-01), geldt voor de toepassing van artikel 1a, eerste lid, onderdeel a, een termijn van vijftien jaar indien de arbeidsverhouding op grond waarvan de deelneming aan een pensioenregeling als bedoeld in [artikel 1.7, tweede lid, onderdeel b, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=1.7), was verplicht, is geëindigd voor het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet toekomst pensioenen en voor zover gedurende de periode van vrijwillige voortzetting winst uit onderneming wordt genoten als bedoeld in [artikel 3.8 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.8).
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
##### Artikel 15bis. Vaststelling gezamenlijk maximumbedrag bij aanvang partnerschap
Indien het partnerschap in de loop van het kalenderjaar is aangevangen, wordt het gezamenlijke maximumbedrag, bedoeld in [artikel 4.14a, derde lid, tweede zin, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=4.14a), gesteld op het bedrag genoemd in artikel 4.14a, tweede lid, van de wet, vermeerderd met de bedragen die bij de belastingplichtige of zijn partner over een eerdere periode in aanmerking zijn genomen als fictief regulier voordeel als bedoeld in artikel 4.14a, eerste lid, van de wet. Indien de belastingplichtige of zijn partner in het kalenderjaar waarin het partnerschap aanvangt eerder een partnerschap heeft gehad, is voor de toepassing van de eerste zin [artikel 15ter](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012066&hoofdstuk=4&artikel=15ter&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 15ter. Vaststelling individueel maximumbedrag bij einde partnerschap
1. Indien het partnerschap in het kalenderjaar is geëindigd, wordt met ingang van dat kalenderjaar het gedeelte van het gezamenlijke maximumbedrag, bedoeld in [artikel 4.14a, derde lid, tweede zin, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=4.14a), dat meer bedraagt dan het bedrag genoemd in artikel 4.14a, tweede lid, van de wet in het jaar voorafgaand aan het kalenderjaar waarin het partnerschap is geëindigd, gelijkelijk verdeeld tussen de belastingplichtige en zijn gewezen partner. De eerste zin is niet van toepassing indien, de belastingplichtige dan wel de gewezen partner direct na beëindiging van het partnerschap geen aanmerkelijk belang heeft als bedoeld in [afdeling 4.3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&afdeling=4.3). In dat geval wordt bedoeld gedeelte van het maximumbedrag toebedeeld aan degene die na beëindiging van het partnerschap wel een aanmerkelijk belang heeft.
2. In afwijking van het eerste lid kan een andere onderlinge verdeling worden gekozen, indien de belastingplichtige en zijn gewezen partner of de belastingplichtige en de erfgenamen van zijn gewezen partner bij het doen van aangifte van de belastingplichtige en van de gewezen partner over het kalenderjaar waarin het partnerschap eindigt kiezen voor partnerschap als bedoeld in [artikel 2.17, zevende lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=2.17).
3. Indien de belastingplichtige en zijn gewezen partner kiezen voor partnerschap als bedoeld in [artikel 2.17, zevende lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=2.17), worden de belastingplichtige en zijn gewezen partner ook voor de toepassing van [artikel 4.14a van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=4.14a), geacht het gehele kalenderjaar elkaars partner te zijn geweest.
4. Indien het partnerschap eindigt door emigratie van de belastingplichtige of van zijn partner kan in afwijking van het eerste en tweede lid, indien de belastingplichtige en zijn gewezen partner daar schriftelijk om verzoeken, een andere onderlinge verdeling worden gekozen.
### Hoofdstuk 9. Overgangs- en slotbepalingen ([Hoofdstuk 11 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&hoofdstuk=11))
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
##### Artikel 22a. Overige aanvullende regelingen; verstrekken van gegevens en inlichtingen; betalingen voor werkzaamheden en diensten
1. Als administratieplichtigen als bedoeld in [artikel 10.8, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=10.8) worden mede aangewezen:
- a. inhoudingsplichtigen als bedoeld in de [Wet op de loonbelasting 1964](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471) die een of meer betalingen doen aan een natuurlijk persoon inzake voor de inhoudingsplichtige of een met de inhoudingsplichtige verbonden vennootschap als bedoeld in [artikel 10a, zevende lid, van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=10a) verrichte werkzaamheden en diensten;
- b. collectieve beheersorganisaties als bedoeld in [artikel 1, onderdeel c, van de Wet toezicht en geschillenbeslechting collectieve beheersorganisaties auteurs- en naburige rechten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014779&artikel=1) die een of meer betalingen doen aan een natuurlijk persoon als rechthebbende in de zin van artikel 1, onderdeel g, van die wet.
2. Onder een betaling als bedoeld in het eerste lid wordt niet verstaan een betaling aan een natuurlijk persoon die:
- a. de werkzaamheden en diensten heeft verricht als werknemer, artiest of beroepssporter als bedoeld in de [Wet op de loonbelasting 1964](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471), als persoon als bedoeld in [artikel 5a, eerste lid, aanhef en onderdeel a, of tweede lid, aanhef en onderdeel b, van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=5a), als lid van een buitenlands gezelschap als bedoeld in die wet of als persoon als bedoeld in [artikel 5b, eerste lid, aanhef en onder 2°, van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=5b);
- b. de werkzaamheden heeft verricht als vrijwilliger als bedoeld in [artikel 2, zesde lid, tweede zin, van de Wet op de loonbelasting 1964](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=2) en de van de administratieplichtige, bedoeld in het eerste lid, ontvangen vergoedingen en verstrekkingen gezamenlijk niet hoger zijn dan de maximumbedragen, bedoeld in artikel 2, zesde lid, eerste zin, van de Wet op de loonbelasting 1964;
- c. ter zake van de werkzaamheden een factuur heeft uitgereikt als bedoeld in [artikel 34c, eerste lid, van de Wet op de omzetbelasting 1968](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629&artikel=34c) met daarop de vermelding van de omzetbelasting, bedoeld in [artikel 35a, eerste lid, onderdeel j, van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629&artikel=35a); of
- d. een betaling als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, heeft ontvangen als erfgerechtigde tot de inkomsten uit een auteursrecht of naburig recht als bedoeld in dat onderdeel.
3. Als gegevens en inlichtingen als bedoeld in [artikel 10.8, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=10.8) worden met betrekking tot de betalingen, bedoeld in het eerste lid, aangewezen:
- a. de naam, het adres en de geboortedatum van de ontvanger van de betaling;
- b. de in het kalenderjaar betaalde bedragen, daaronder begrepen kostenvergoedingen.
4. Een administratieplichtige als bedoeld in het eerste lid is gehouden de gegevens en inlichtingen te verstrekken op de door de inspecteur voorgeschreven wijze. De gegevens en inlichtingen dienen jaarlijks na afloop van het kalenderjaar waarop de gegevens en inlichtingen betrekking hebben te worden verstrekt op uiterlijk 31 januari volgend op dat kalenderjaar.
5. De inspecteur kan de administratieplichtige de mogelijkheid bieden de gegevens en inlichtingen in afwijking van het vierde lid gedurende het kalenderjaar waarop de gegevens en inlichtingen betrekking hebben te verstrekken.
6. [Artikel 22, zesde lid, aanhef en onderdelen a, b en d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012066&hoofdstuk=8&artikel=22&z=2023-07-01&g=2023-09-28), is van overeenkomstige toepassing.
### Hoofdstuk 9. Overgangs- en slotbepalingen ([Hoofdstuk 11 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&hoofdstuk=11))
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
##### Artikel 25b. Overgangsrecht vrijwillige voortzetting
In afwijking van [artikel 1a, eerste lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012066&hoofdstuk=1&artikel=1a&z=2023-07-01&g=2023-09-28), geldt voor de toepassing van artikel 1a, eerste lid, onderdeel a, een termijn van vijftien jaar indien de arbeidsverhouding op grond waarvan de deelneming aan een pensioenregeling als bedoeld in [artikel 1.7, tweede lid, onderdeel b, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=1.7), was verplicht, is geëindigd voor het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet toekomst pensioenen en voor zover gedurende de periode van vrijwillige voortzetting winst uit onderneming wordt genoten als bedoeld in [artikel 3.8 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.8).
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
2023-09-28
Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001 — arts. 18, 18, 18, 18
2023-07-11
Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001 — arts. 18, 18, 18, 18
2023-07-01
Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001
2023-01-01
Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001 — arts. 18, 18, 18, 18
2022-01-01
Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001
2021-01-01
Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001 — arts. 18, 18, 18
2020-01-01
Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001 — arts. 18, 18, 18
2019-01-01
Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001 — arts. 18, 18, 18, 18
2018-04-14
Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001 — arts. 18, 18, 18 y 2 más
2018-02-28
Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001 — arts. 18, 18, 18, 18
2018-01-01
Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001 — arts. 18, 18, 18 y 2 más
2017-04-01
Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001 — arts. 18, 18, 18 y 2 más
2017-01-01
Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001
2016-01-01
Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001 — arts. 18, 18, 18 y 3 más
2015-09-15
Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001 — arts. 18, 18, 18 y 3 más
2015-08-01
Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001 — arts. 18, 18, 18 y 2 más
2015-04-03
Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001 — arts. 18, 18, 18 y 3 más
2015-01-01
Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001
2014-09-13
Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001 — arts. 2, 2, 2 y 21 más
2014-07-01
Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001 — arts. 2, 2, 2 y 27 más
2014-01-01
Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001
2013-10-21
Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001 — arts. 2, 2, 2 y 15 más
2013-09-27
Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001 — arts. 2, 2, 2 y 15 más
2013-07-01
Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001 — arts. 2, 2, 2 y 21 más
2013-01-15
Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001 — arts. 2, 2, 2 y 21 más
2013-01-01
Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001 — arts. 2, 2, 2 y 15 más
2012-01-01
Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001
2011-01-01
Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001 — arts. 2, 2, 2 y 21 más
2010-10-10
Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001 — arts. 2, 2, 2 y 25 más
2010-07-07
Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001 — arts. 2, 2, 2 y 25 más
2010-01-01
Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001
2009-02-10
Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001 — arts. 2, 2, 2 y 39 más
2009-01-29
Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001 — arts. 2, 2, 2 y 39 más
2009-01-01
Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001
2008-08-01
Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001 — arts. 2, 2, 2 y 25 más
2008-05-06
Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001 — arts. 2, 2, 2 y 32 más
2008-04-16
Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001 — arts. 2, 2, 2 y 25 más
2008-01-01
Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001 — arts. 2, 2, 2 y 18 más
2007-07-18
Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001 — arts. 2, 2, 5 y 11 más
2007-03-09
Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001 — arts. 2, 2, 2 y 18 más
2007-01-01
Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001 — arts. 2, 2, 2 y 25 más
2006-01-01
Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001 — arts. 2, 2, 2 y 18 más
2005-09-09
Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001 — arts. 17, 1, 2 y 40 más
2005-09-09
Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001
original version Tekst op deze datum