Wijzigingsgeschiedenis
Besluit van 20 december 2000, houdende vaststelling van het Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001
51 versions
· 2026-01-01
2026-01-01
Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001 — art. 18
2025-12-12
Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001 — arts. 18, 18
2025-06-18
Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001 — arts. 18, 18, 18
2025-01-01
Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001 — arts. 18, 18, 18
2024-11-27
Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001 — arts. 18, 18, 18, 18
2024-07-01
Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001 — arts. 18, 18, 18
2024-01-01
Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001
2023-09-28
Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001 — arts. 18, 18, 18, 18
2023-07-11
Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001 — arts. 18, 18, 18, 18
2023-07-01
Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001
2023-01-01
Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001 — arts. 18, 18, 18, 18
2022-01-01
Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001
2021-01-01
Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001 — arts. 18, 18, 18
2020-01-01
Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001 — arts. 18, 18, 18
2019-01-01
Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001 — arts. 18, 18, 18, 18
2018-04-14
Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001 — arts. 18, 18, 18 y 2 más
2018-02-28
Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001 — arts. 18, 18, 18, 18
2018-01-01
Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001 — arts. 18, 18, 18 y 2 más
2017-04-01
Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001 — arts. 18, 18, 18 y 2 más
2017-01-01
Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001
Wijzigingen op 2017-01-01
@@ -14,7 +14,7 @@
##### Artikel 1. Reikwijdte en definitie
1. Dit besluit geeft uitvoering aan de [artikelen 1.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=1.7), [2.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=2.6), [3.11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.11), [3.18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.18), [3.20](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.20), [3.54](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.54), [3.83](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.83), [3.126](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.126), [3.126a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.126a), [3.127](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.127), [4.25](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=4.25), [5.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=5.7), [5.16b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=5.16b), [5.20](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=5.20), [5.22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=5.22), [5.23](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=5.23), [6.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=6.1), [6.16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=6.16), [6.25](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=6.25), [7.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=7.6), [7.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=7.8), [9.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=9.2), [10.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=10.8) en [10.9 van de Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=10.9) en aan [artikel 10a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=10a).
1. Dit besluit geeft uitvoering aan de [artikelen 1.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=1.7), [2.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=2.6), [3.11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.11), [3.18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.18), [3.20](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.20), [3.54](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.54), [3.83](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.83), [3.126](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.126), [3.126a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.126a), [3.127](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.127), [4.25](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=4.25), [5.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=5.7), [5.16b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=5.16b), [5.20](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=5.20), [5.22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=5.22), [5.23](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=5.23), [6.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=6.1), [6.16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=6.16), [6.25](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=6.25), [7.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=7.6), [7.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=7.8), [10.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=10.8) en [10.9 van de Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=10.9) en aan [artikel 10a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=10a).
2. Dit besluit verstaat onder wet: de [Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353).
@@ -173,9 +173,9 @@
- g. de waardedaling van de aandelen of winstbewijzen bij de belastingplichtige in de periode dat hij niet in Nederland belastingplichtig was, voor zover blijkt dat de waardedaling in die periode is ontstaan.
Ingeval aan de in de eerste volzin lid bedoelde verkrijging meerdere vervreemdingen vooraf zijn gegaan ter zake waarvan conserverende belastingaanslagen zijn opgelegd waarvan het uitstel van betaling nog loopt, wordt voor de toepassing van de eerste volzin als uitgangspunt genomen de overdrachtsprijs waarvan is uitgegaan voor de laatste vervreemding en worden vervolgens met overeenkomstige toepassing van [artikel 15a, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012066&hoofdstuk=4&artikel=15a&z=2016-01-01&g=2016-01-01), de verminderingen en vermeerderingen van de eerste volzin toegepast.
[Artikel 15a, vierde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012066&hoofdstuk=4&artikel=15a&z=2016-01-01&g=2016-01-01), is van overeenkomstige toepassing.
Ingeval aan de in de eerste volzin lid bedoelde verkrijging meerdere vervreemdingen vooraf zijn gegaan ter zake waarvan conserverende belastingaanslagen zijn opgelegd waarvan het uitstel van betaling nog loopt, wordt voor de toepassing van de eerste volzin als uitgangspunt genomen de overdrachtsprijs waarvan is uitgegaan voor de laatste vervreemding en worden vervolgens met overeenkomstige toepassing van [artikel 15a, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012066&hoofdstuk=4&artikel=15a&z=2017-01-01&g=2017-01-01), de verminderingen en vermeerderingen van de eerste volzin toegepast.
[Artikel 15a, vierde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012066&hoofdstuk=4&artikel=15a&z=2017-01-01&g=2017-01-01), is van overeenkomstige toepassing.
11. Indien de belastingplichtige een aanmerkelijk belang in een vennootschap heeft die middellijk of onmiddellijk aandelen in of winstbewijzen van een in Nederland gevestigde vennootschap heeft en deze aandelen of winstbewijzen, al dan niet rechtstreeks, zijn verkregen van de belastingplichtige bij wie die aandelen of winstbewijzen tot een aanmerkelijk belang behoorden, wordt de verkrijgingsprijs volgens [artikel 4.21 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=4.21) van het eerstbedoelde aanmerkelijk belang verminderd met een bedrag, waarbij deze vermindering kan leiden tot een negatieve verkrijgingsprijs; de vermindering is gelijk aan het bedrag waarmee op het tijdstip van bedoelde verkrijging door de vennootschap de waarde in het economische verkeer van de door de vennootschap van de belastingplichtige verkregen aandelen of winstbewijzen de verkrijgingsprijs volgens artikel 4.21 van de wet van de belastingplichtige van die aandelen of winstbewijzen overtreft. De eerste volzin is niet van toepassing voorzover in Nederland inkomstenbelasting of in een ander land naar het inkomen geheven belasting is betaald over de waardeaangroei van laatstgenoemde aandelen of winstbewijzen die naar Nederlandse maatstaven redelijk is. Voor de berekening van de in het slot van de eerste volzin bedoelde vermindering, wordt de verkrijgingsprijs van de door de belastingplichtige aan de vennootschap vervreemde aandelen of winstbewijzen vermeerderd met de waardeaangroei, bedoeld in het derde lid, tot op het tijdstip van de in het slot van de in de eerste volzin bedoelde verkrijging door die vennootschap onderscheidenlijk verminderd met de waardedaling als bedoeld in het vierde lid tot op het tijdstip van die verkrijging.
@@ -187,7 +187,7 @@
##### Artikel 18. Waardering; waardering genotsrechten
1. De waarde van een genotsrecht als bedoeld in [artikel 5.22, derde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=5.22) wordt gesteld op het overeenkomstig [artikel 19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012066&hoofdstuk=5&artikel=19&z=2016-01-01&g=2016-01-01) tot kapitaal gebrachte bedrag van de jaarlijkse voordelen uit de gerechtigdheid.
1. De waarde van een genotsrecht als bedoeld in [artikel 5.22, derde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=5.22) wordt gesteld op het overeenkomstig [artikel 19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012066&hoofdstuk=5&artikel=19&z=2017-01-01&g=2017-01-01) tot kapitaal gebrachte bedrag van de jaarlijkse voordelen uit de gerechtigdheid.
2. Voor de toepassing van het eerste lid worden de jaarlijkse voordelen gesteld op 4% van de waarde van hetgeen aan het genotsrecht is onderworpen, naar het tijdstip waarop de waardering van het genotsrecht plaatsvindt.
@@ -316,238 +316,238 @@
##### Artikel 21a. Als voorheffing aangewezen bronbelasting
Als voorheffing worden aangewezen door Andorra, Curaçao, Liechtenstein, Monaco, San Marino, Sint Maarten en Zwitserland geheven bronbelasting over een uit die mogendheid als uiteindelijk gerechtigde als bedoeld in artikel 2 van de Richtlijn 2003/48/EG van de Raad van 3 juni 2003 betreffende belastingheffing op inkomsten uit spaargelden in de vorm van rentebetaling (PbEU 2003, L 157), genoten rentebetaling, mits de bronbelasting vergelijkbaar is met die in artikel 11 van die richtlijn en de rentebetaling valt onder de begripsomschrijving van artikel 6 van die richtlijn.
Vervallen
### Hoofdstuk 5. Heffingsgrondslag bij sparen en beleggen ([Hoofdstuk 5 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&hoofdstuk=5))
##### Artikel 22. Overige aanvullende regelingen; verstrekken van gegevens en inlichtingen
1. Als administratieplichtigen als bedoeld in [artikel 10.8, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=10.8) worden aangewezen: banken, beheerders, beleggingsinstellingen, beleggingsondernemingen, betaaldienstverleners, elektronischgeldinstellingen, financiële instellingen, levensverzekeraars, natura-uitvaartverzekeraars en schadeverzekeraars in de zin van de [Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368) alsmede pensioenuitvoerders in de zin van [artikel 1 van de Pensioenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020809&artikel=1), pensioenuitvoerders in de zin van [artikel 1 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018831&artikel=1) en de Stichting Notarieel Pensioenfonds, bedoeld in [artikel 113a van de Wet op het notarisambt](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010388&artikel=113a).
2. Als gegevens en inlichtingen als bedoeld in [artikel 10.8, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=10.8) worden aangewezen:
- a. met betrekking tot betaalproducten, spaarproducten en beleggingsproducten:
- 1°. de waarde in het economische verkeer aan het begin van het kalenderjaar;
- 2°. de in het kalenderjaar genoten rente;
- 3°. de in het kalenderjaar genoten opbrengst, bedoeld in [artikel 3, eerste lid, van de Wet op de dividendbelasting 1965](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002515&artikel=3);
- 4°. de obligatierente die in het kalenderjaar is genoten, alsmede de obligatierente die in het kalenderjaar is betaald, is verrekend, ter beschikking is gesteld of rentedragend is geworden;
- 5°. de in het kalenderjaar ten laste van de belastingplichtige geheven dividendbelasting en ingehouden buitenlandse bronbelasting;
- b. met betrekking tot schulden als bedoeld in [artikel 3.119a van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.119a):
- 1°. de waarde in het economische verkeer aan het einde van het kalenderjaar;
- 2°. de rente die in het kalenderjaar is betaald, is verrekend, ter beschikking is gesteld of rentedragend is geworden;
- 3°. de datum van aangaan van de schuld;
- 4°. het startbedrag van de schuld;
- 5°. de maandelijkse rentevoet aan het einde van het kalenderjaar;
- 6°. de resterende maximale looptijd in maanden aan het einde van het kalenderjaar;
- c. met betrekking tot schulden als bedoeld in [artikel 10bis.1 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=10bis.1) en schulden als bedoeld in [artikel 5.3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=5.3):
- 1°. de waarde in het economische verkeer aan het einde van het kalenderjaar;
- 2°. de rente die in het kalenderjaar is betaald, is verrekend, ter beschikking is gesteld of rentedragend is geworden;
- d. met betrekking tot een kapitaalverzekering eigen woning als bedoeld in [artikel 10bis.2 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=10bis.2):
- 1°. het in het kalenderjaar genoten bedrag aan uitkering;
- 2°. indien de verzekering op grond van [artikel 10bis.4, derde lid, onderdelen a, b, c, e, f of g, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=10bis.4) in het kalenderjaar wordt geacht tot uitkering te zijn gekomen: de waarde in het economische verkeer van de verzekering op het tijdstip waarop die verzekering wordt geacht tot uitkering te zijn gekomen;
- e. met betrekking tot een spaarrekening eigen woning of een beleggingsrecht eigen woning als bedoeld in [artikel 10bis.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=10bis.2) van de wet:
- 1°. het in het kalenderjaar gedeblokkeerde tegoed, onderscheidenlijk de in het kalenderjaar gedeblokkeerde waarde;
- 2°. indien de spaarrekening of het beleggingsrecht op grond van [artikel 10bis.5, vierde lid, onderdelen a, b, d, e of f, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=10bis.5) in het kalenderjaar wordt geacht te zijn gedeblokkeerd: het tegoed op de spaarrekening onderscheidenlijk de waarde in het economische verkeer van het beleggingsrecht op het tijdstip waarop die spaarrekening of dat beleggingsrecht wordt geacht te zijn gedeblokkeerd;
- f. met betrekking tot een lijfrente als bedoeld in de [artikelen 3.124](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.124) en [3.125 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.125):
- 1°. de in het kalenderjaar betaalde of verrekende premies;
- 2°. indien in het kalenderjaar zich een omstandigheid voordoet als bedoeld in [artikel 3.133, tweede lid, onderdeel a, b, c, d voor zover betrekking hebbend op vervreemding, e, g, h, i of j, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.133) of zich een omstandigheid voordoet als bedoeld in artikel 3.133, derde lid, van de wet: de omstandigheid die zich heeft voorgedaan en de waarde in het economische verkeer van de aanspraak bepaald met toepassing van [artikel 3.137 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.137);
- 3°. de restituties in het kalenderjaar van in een eerder kalenderjaar betaalde of verrekende premies indien de restitutie geen afkoop is in de zin van [artikel 3.133, tweede lid, onderdeel d, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.133);
- g. met betrekking tot een lijfrentespaarrekening of een lijfrentebeleggingsrecht als bedoeld in [artikel 3.126a van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.126a):
- 1°. de in het kalenderjaar overgemaakte bedragen;
- 2°. indien in het kalenderjaar zich een omstandigheid voordoet als bedoeld in [artikel 3.133, achtste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.133) in samenhang met artikel 3.133, tweede lid, onderdeel a, b, c, d voor zover betrekking hebbend op vervreemding, e, g, h, i of j, van de wet: de omstandigheid die zich heeft voorgedaan en de waarde in het economische verkeer van de aanspraak bepaald met toepassing van [artikel 3.137 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.137);
- h. met betrekking tot een recht als bedoeld in [artikel 5.10, eerste lid, onderdeel a, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=5.10): waarde in het economische verkeer van het recht aan het begin van het kalenderjaar;
- i. met betrekking tot een recht op kapitaaluitkering uit een op 14 september 1999 bestaande levensverzekering:
- 1°. de waarde in het economische verkeer van het recht aan het begin van het kalenderjaar;
- 2°. een verhoging in het kalenderjaar van het verzekerde kapitaal bij leven, dan wel, bij het ontbreken hiervan, een verhoging in het kalenderjaar van de premies, alsmede een verlenging van de looptijd van de levensverzekering in het kalenderjaar, een en ander voor zover die verhoging of verlenging de eerbiedigende werking van [hoofdstuk 2, artikel I, onderdeel AN, van de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001](onbekend), verloren doet gaan;
- 3°. het in het kalenderjaar genoten bedrag aan uitkering;
- j. met betrekking tot een recht op kapitaaluitkering uit een op 31 december 2000 bestaande levensverzekering, niet zijnde een recht als bedoeld in onderdeel i:
- 1°. de waarde in het economische verkeer van het recht aan het begin van het kalenderjaar;
- 2°. het in het kalenderjaar genoten bedrag aan uitkering;
- k. met betrekking tot een recht op kapitaaluitkering of prestatie uit levensverzekering, niet zijnde een recht als bedoeld in de onderdelen d, h, i en j en niet zijnde een recht als bedoeld in [artikel 5.10, eerste lid, onderdeel c, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=5.10): de waarde in het economische verkeer van het recht aan het begin van het kalenderjaar;
- l. met betrekking tot een aanspraak op periodieke uitkeringen of verstrekkingen ter zake van invaliditeit, ziekte of ongeval als bedoeld in [artikel 3.124, eerste lid, onderdeel c, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.124):
- 1°. indien in het kalenderjaar zich een omstandigheid voordoet als bedoeld in [artikel 3.133, tweede lid, onderdeel a, d voor zover betrekking hebbend op vervreemding, e, g of i, laatstgenoemd onderdeel in samenhang met het vijfde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.133): de omstandigheid die zich heeft voorgedaan en de waarde in het economische verkeer van de aanspraak bepaald met toepassing van [artikel 3.137 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.137);
- 2°. de in het kalenderjaar betaalde of verrekende premies;
- 3°. de restituties in het kalenderjaar van betaalde of verrekende premies indien de restitutie geen afkoop is in de zin van [artikel 3.133, tweede lid, onderdeel d, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.133);
- m. met betrekking tot een aanspraak op periodieke uitkeringen of verstrekkingen, niet zijnde een aanspraak als bedoeld in de onderdelen f, g en l: de waarde in het economische verkeer van het recht aan het begin van het kalenderjaar;
- n. met betrekking tot premies als bedoeld in [artikel 3.18 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.18):
- 1°. het inkomen waarop de over het kalenderjaar verschuldigde pensioenpremie is gebaseerd;
- 2°. de in rekening gebrachte pensioenpremie over het kalenderjaar;
- 3°. de deeltijdfactor, bedoeld in [artikel 11c, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012066&hoofdstuk=3&artikel=11c&z=2017-01-01&g=2017-01-01);
- 4°. de omstandigheid dat het pensioengevend inkomen van de belastingplichtige is bepaald met toepassing van [artikel 11c, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012066&hoofdstuk=3&artikel=11c&z=2017-01-01&g=2017-01-01);
- 5°. indien in het kalenderjaar zich een omstandigheid voordoet als bedoeld in [artikel 3.135, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.135): de omstandigheid die zich heeft voorgedaan en de met toepassing van [artikel 3.137 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.137) bepaalde waarde in het economische verkeer van de aanspraak;
- o. met betrekking tot een nettolijfrente of een nettopensioen als bedoeld in [artikel 5.16, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=5.16), onderscheidenlijk [artikel 5.17, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=5.17):
- 1°. de in het kalenderjaar betaalde of verrekende premies;
- 2°. indien in het kalenderjaar zich een omstandigheid voordoet als bedoeld in [artikel 5.16c, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=5.16c), onderscheidenlijk [artikel 5.17e, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=5.17e): de omstandigheid die zich heeft voorgedaan en de waarde in het economische verkeer van de aanspraak aan het begin van het kalenderjaar.
3. Onder rente als bedoeld in het tweede lid, onderdelen a, b en c, wordt verstaan: hetgeen tussen de geldgever en de geldnemer is overeengekomen als vergoeding voor het gedurende de looptijd van de geldlening ter beschikking stellen van de hoofdsom.
4. Een administratieplichtige is gehouden de gegevens en inlichtingen te verstrekken op de door de inspecteur voorgeschreven wijze en met een door de inspecteur voorgeschreven frequentie. De gegevens en inlichtingen dienen uiterlijk te worden verstrekt:
- a. indien de inspecteur maandelijkse aanlevering voorschrijft: de laatste dag van de kalendermaand volgend op de kalendermaand waarop de gegevens en inlichtingen betrekking hebben;
- b. indien de inspecteur jaarlijkse aanlevering gedurende het kalenderjaar waarop de gegevens en inlichtingen betrekking hebben voorschrijft: 30 april van dat kalenderjaar;
- c. indien de inspecteur jaarlijkse aanlevering na afloop van het kalenderjaar waarop de gegevens en inlichtingen betrekking hebben voorschrijft: 31 januari volgend op dat kalenderjaar.
5. Een administratieplichtige kan de verstrekking van gegevens en inlichtingen achterwege laten indien:
- a. naar het oordeel van de inspecteur het belang van ontvangst van de gegevens en inlichtingen niet opweegt tegen de inspanning tot verstrekking daarvan door de administratieplichtige;
- b. naar het oordeel van de inspecteur de administratieplichtige tijdelijk niet in staat is de gegevens en inlichtingen te verstrekken of niet in de gelegenheid is tijdig de gegevens en inlichtingen te verstrekken en de administratieplichtige met de inspecteur een tijdstip is overeengekomen waarop hij geacht wordt daartoe wel weer in staat onderscheidenlijk in de gelegenheid te zijn;
- c. de waarde in het economische verkeer van het recht, bedoeld in het tweede lid, onderdelen h en i, onder 1°, lager is dan het bedrag, genoemd in [artikel 5.10, eerste lid, onderdeel a, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=5.10), of
- d. de gegevens of inlichtingen door de inspecteur zijn aangewezen als van verstrekking vrijgestelde gegevens en inlichtingen en aan de voor die vrijstelling verbonden voorwaarden is voldaan.
##### Artikel 23. Overige aanvullende regelingen; rechtspersonen met natuurschoonwet-landgoederen
1. De werkzaamheden, rechten en verplichtingen van een naamloze vennootschap of besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid welker bezittingen uitsluitend of hoofdzakelijk bestaan uit op de voet van [artikel 2 van de Natuurschoonwet 1928](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001939&artikel=2) als landgoed aangemerkte onroerende zaken, worden voor de heffing van de inkomstenbelasting beschouwd als werkzaamheden, rechten en verplichtingen van haar gezamenlijke aandeelhouders, indien:
- a. de werkzaamheden van de vennootschap uitsluitend of hoofdzakelijk bestaan uit de instandhouding van onroerende zaken die zijn aangemerkt als landgoederen in de zin van [artikel 1 van de Natuurschoonwet 1928](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001939&artikel=1);
- b. alle aandeelhouders natuurlijke personen zijn;
- c. het aantal aandeelhouders niet meer dan twintig bedraagt.
2. Ingeval niet langer aan de voorwaarden, genoemd in het eerste lid, wordt voldaan, blijft dat lid buiten toepassing met ingang van het kalenderjaar waarin de vervulling van die voorwaarden een einde heeft genomen.
3. Voor de toepassing van het eerste lid worden rechtspersonen die zich uitsluitend of hoofdzakelijk het behoud van natuurschoon ten doel stellen, met natuurlijke personen gelijkgesteld.
4. De voorwaarde, genoemd in het eerste lid, onderdeel c, is niet van toepassing, voorzover de toeneming van het aantal aandeelhouders boven twintig is toe te schrijven aan vererving of schenking of aan ontbinding van een huwelijksgemeenschap.
### Hoofdstuk 7. Belastingheffing van buitenlandse belastingplichtigen ([Hoofdstuk 7 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&hoofdstuk=7))
##### Artikel 24
[Artikel 11a, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012066&hoofdstuk=3&artikel=11a&z=2017-01-01&g=2017-01-01), is van overeenkomstige toepassing op een overdracht in het kalenderjaar 2001 waarop [hoofdstuk 2, artikel I, onderdeel Db, van de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001](onbekend) van toepassing is mits zowel door de ondernemer als degene die de onderneming voortzet, bij de aangifte van de ondernemer is verzocht om toepassing van dat onderdeel.
##### Artikel 25. Overgangsrecht inzake aanmerkelijk belang
1. Indien op grond van [artikel 26, tweede lid, van de Invorderingswet 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770&artikel=26), zoals dat op 14 september 2015 luidde, aan een belastingplichtige ter zake van geconserveerd inkomen uit tot een aanmerkelijk belang behorende aandelen of winstbewijzen kwijtschelding van belasting is verleend wegens het verstrijken van de termijn, bedoeld in dat lid, of indien ter zake van de vervreemding van tot een aanmerkelijk belang behorende aandelen of winstbewijzen aan de belastingplichtige ten aanzien van de overdrager een conserverende belastingaanslag is opgelegd en met betrekking tot die belastingaanslag krachtens artikel 26, tweede lid, van de Invorderingswet 1990, zoals dat op 14 september 2015 luidde, kwijtschelding van belasting is verleend wegens het verstrijken van de termijn, bedoeld in dat lid, wordt ten aanzien van de belastingplichtige de in [artikel 7.6 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=7.6) bedoelde verkrijgingsprijs van die aandelen of winstbewijzen verminderd met:
- a. ingeval geen kwijtschelding van belasting is verleend wegens genoten reguliere voordelen op die aandelen of winstbewijzen: een bedrag gelijk aan vier maal het bedrag dat is kwijtgescholden aan belasting voor zover die kwijtschelding toerekenbaar is aan die aandelen of winstbewijzen;
- b. ingeval wel kwijtschelding van belasting is verleend wegens genoten reguliere voordelen op die aandelen of winstbewijzen: een bedrag gelijk aan het verschil tussen vier maal het bedrag dat zou zijn kwijtgescholden indien onderdeel a toepassing zou hebben gevonden en de eerdere vermindering van de verkrijgingsprijs ingevolge de kwijtschelding wegens de genoten reguliere voordelen op die aandelen of winstbewijzen.
2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot een kwijtschelding van belasting ter zake van een conserverende belastingaanslag waarvan het uitstel van betaling krachtens [artikel 25, achtste lid, onderdeel a, van de Invorderingswet 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770&artikel=25) is voortgezet bij de vervreemding van tot een aanmerkelijk belang behorende aandelen of winstbewijzen aan de belastingplichtige.
3. Voor de toepassing van dit besluit worden:
- a. met [artikel 4.16, eerste lid, onderdeel h, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=4.16) gelijkgesteld: artikel 20a, zesde lid, onderdeel i, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 zoals dat artikelonderdeel luidde op 31 december 2000;
- b. met [artikel 4.18 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=4.18) gelijkgesteld: artikel 20a, achtste lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 zoals dat artikelonderdeel luidde op 31 december 2000;
- c. met [artikel 7.5, zevende lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=7.5) gelijkgesteld: artikel 49, vijfde lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 zoals dat artikelonderdeel luidde op 31 december 2000;
- d. met [artikel 25, achtste lid, van de Invorderingswet 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770&artikel=25) gelijkgesteld: artikel 25, zesde lid, van de Invorderingswet 1990 zoals dat artikelonderdeel luidde op 31 december 2000;
- e. met [artikel 26, tweede, vierde of vijfde lid, aanhef en onderdeel a, van de Invorderingswet 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770&artikel=26) gelijkgesteld: artikel 26, derde lid, van de Invorderingswet 1990, zoals dat luidde op 10 maart 2004 en artikel 26, tweede lid, van de Invorderingswet 1990 zoals dat luidde op 31 december 2000.
##### Artikel 25a. Overgangsbepaling vermenigvuldigingsfactoren buitengewone uitgaven
Vervallen
##### Artikel 26. Inwerkingtreding
Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2001.
##### Artikel 27. Citeertitel
Dit besluit wordt aangehaald als: Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
##### Artikel 12a. Belastbare winst uit onderneming; aangewezen herstructureringsregelgeving
Als nationale regelgeving die leidt tot herstructurering of beëindiging van een bedrijfstak als bedoeld in [artikel 3.54, twaalfde lid, onderdeel c, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.54) wordt aangewezen:
- a. de [Regeling beëindiging veehouderijtakken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011234);
- b. de volgende provinciale regelingen die in overeenstemming zijn met Verordening (EU) nr. 702/2014 van de Commissie van 25 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandgebieden op grond van artikel 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PbEU 2014, L 193):
- 1°. wat betreft de provincie Limburg: de Algemene subsidieverordening 2004 (provinciaal blad 2004, nr. 51); de Subsidieregels Project Verplaatsing Intensieve Veehouderijen Noord- en Midden-Limburg (provinciaal blad 2005, nr. 63); de Beleidsregels Project Verplaatsing Intensieve Veehouderijen Noord- en Midden-Limburg (provinciaal blad 2005, nr. 62); de Subsidieverordening inrichting landelijk gebied Limburg, paragraaf 1.9 Verplaatsen grondgebonden landbouwbedrijven met grondverwerving (provinciaal blad 2013, nr. 61);
- 2°. wat betreft de provincie Noord-Brabant: de Subsidieregeling Verplaatsingskosten Intensieve Veehouderijen 2006 (provinciaal blad 2005, nr. 203); de Beleidsregeling Verplaatsing Intensieve Veehouderij 2005 (provinciaal blad 2004, nr. 177); de Subsidieregeling verplaatsing grondgebonden agrarische bedrijven Noord-Brabant (provinciaal blad 2007, nr. 127); de Subsidieregeling knelpunten platteland Noord-Brabant (provinciaal blad 2013, nr. 142); de Subsidieregeling urgentiegebieden Noord-Brabant 2016 (provinciaal blad 2016, nr. 51);
- 3°. wat betreft de provincie Utrecht: de Uitvoeringsverordening subsidie Agenda Vitaal Platteland provincie Utrecht, artikel 4.1.4 Verplaatsing grondgebonden bedrijven (provinciaal blad 2012, nr. 38); de Uitvoeringsverordening subsidie Agenda Vitaal Platteland provincie Utrecht 2016–2019, artikel 4.1.1 Verplaatsing grondgebonden bedrijven (provinciaal blad 2016, nr. 5037);
- 4°. wat betreft de provincie Gelderland: de Subsidieregeling Verplaatsing intensieve veehouderijen Gelderland (provinciaal blad 2005, nr. 81); e Regels Ruimte voor Gelderland 2016. Gecorrigeerd Exemplaar, paragraaf 4.5 Verplaatsing landbouwbedrijfsgebouwen ten behoeve van het Gelders Natuurnetwerk (provinciaal blad 2015, nr. 7842);
- 5°. wat betreft de provincie Overijssel: het Uitvoeringsbesluit Subsidies Overijssel 2005 (provinciaal blad 2005, nr. 82); de Beleidsregel Verplaatsing intensieve veehouderijen Overijssel 2005 (provinciaal blad 2006, nr. 85); het Uitvoeringsbesluit subsidies Overijssel 2011, hoofdstuk 9. Bijzondere bepalingen Landbouw natuur en landschap, paragraaf 9.26. Verplaatsing landbouwbedrijfsgebouwen vanwege de ontwikkelopgave EHS/Natura 2000 (provinciaal blad 2015, nr. 7938);
- 6°. wat betreft de provincie Friesland: Kadersubsidieverordening pMJP Fryslân 2009 (provinciaal blad 2009, nr. 20); Subsidieverordening pMJP Fryslân 2009, hoofdstuk 1.1.3. Subsidie agrarische bedrijfsverplaatsing en daaraan gerelateerde investeringskosten (provinciaal blad 2009, nr. 48); Subsidieregeling agrarische bedrijfsverplaatsing Fryslân 2015 (provinciaal blad 2015, nr. 4424);
- 7°. wat betreft de provincie Groningen: Programma landelijk gebied PMJP 2007-2013 Groningen, deel 3. Kader voor subsidies en overeenkomsten, paragraaf 9.3. Regeling bedrijfshervestiging en beëindiging (provinciaal blad 2007, nr. 36); Beleidsregel Verplaatsing Grondgebonden Agrarische Bedrijven Provincie Groningen (provinciaal blad 2013, nr. 56); Subsidieregeling agrarische bedrijfsverplaatsing Groningen 2016 (provinciaal blad 2016, nr. 4210);
- 8°. wat betreft de provincie Drenthe: Provinciaal Meerjarenprogramma Drenthe, deel 3. Subsidiegids, hoofdstuk 2. Subsidies voor natuur, paragraaf 2.1. Realisatie natuur binnen de EHS, Subparagrafen Verwerving EHS en Agrarische bedrijfsverplaatsingen (provinciaal blad 2007, nr. 44); Subsidieregeling Verplaatsing Grondgebonden Agrarische Bedrijven Drenthe 2016 (provinciaal blad 2016, nr. 4154).
### Hoofdstuk 4. Heffingsgrondslag bij aanmerkelijk belang ([Hoofdstuk 4 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&hoofdstuk=4))
### Hoofdstuk 4. Heffingsgrondslag bij aanmerkelijk belang ([Hoofdstuk 4 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&hoofdstuk=4))
### Hoofdstuk 5. Heffingsgrondslag bij sparen en beleggen ([Hoofdstuk 5 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&hoofdstuk=5))
### Hoofdstuk 4. Heffingsgrondslag bij aanmerkelijk belang ([Hoofdstuk 4 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&hoofdstuk=4))
### Hoofdstuk 5. Heffingsgrondslag bij sparen en beleggen ([Hoofdstuk 5 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&hoofdstuk=5))
### Hoofdstuk 7. Belastingheffing van buitenlandse belastingplichtigen ([Hoofdstuk 7 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&hoofdstuk=7))
### Hoofdstuk 7A. Wijze van heffing ([Hoofdstuk 9 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&hoofdstuk=9))
##### Artikel 22. Overige aanvullende regelingen; verstrekken van gegevens en inlichtingen
1. Als administratieplichtigen als bedoeld in [artikel 10.8, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=10.8) worden aangewezen: banken, beheerders, beleggingsinstellingen, beleggingsondernemingen, betaaldienstverleners, elektronischgeldinstellingen, financiële instellingen, levensverzekeraars en schadeverzekeraars in de zin van de [Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368) alsmede pensioenuitvoerders in de zin van [artikel 1 van de Pensioenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020809&artikel=1), pensioenuitvoerders in de zin van [artikel 1 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018831&artikel=1) en de Stichting Notarieel Pensioenfonds, bedoeld in [artikel 113a van de Wet op het notarisambt](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010388&artikel=113a).
2. Als gegevens en inlichtingen als bedoeld in [artikel 10.8, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=10.8) worden aangewezen:
- a. met betrekking tot betaalproducten, spaarproducten en beleggingsproducten:
- 1°. de waarde in het economische verkeer aan het begin van het kalenderjaar;
- 2°. de in het kalenderjaar genoten rente;
- 3°. de in het kalenderjaar genoten opbrengst, bedoeld in [artikel 3, eerste lid, van de Wet op de dividendbelasting 1965](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002515&artikel=3);
- 4°. de obligatierente die in het kalenderjaar is genoten, alsmede de obligatierente die in het kalenderjaar is betaald, is verrekend, ter beschikking is gesteld of rentedragend is geworden;
- 5°. de in het kalenderjaar ten laste van de belastingplichtige geheven dividendbelasting en ingehouden buitenlandse bronbelasting;
- b. met betrekking tot schulden als bedoeld in [artikel 3.119a van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.119a):
- 1°. de waarde in het economische verkeer aan het einde van het kalenderjaar;
- 2°. de rente die in het kalenderjaar is betaald, is verrekend, ter beschikking is gesteld of rentedragend is geworden;
- 3°. de datum van aangaan van de schuld;
- 4°. het startbedrag van de schuld;
- 5°. de maandelijkse rentevoet aan het einde van het kalenderjaar;
- 6°. de resterende maximale looptijd in maanden aan het einde van het kalenderjaar;
- c. met betrekking tot schulden als bedoeld in [artikel 10bis.1 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=10bis.1) en schulden als bedoeld in [artikel 5.3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=5.3):
- 1°. de waarde in het economische verkeer aan het einde van het kalenderjaar;
- 2°. de rente die in het kalenderjaar is betaald, is verrekend, ter beschikking is gesteld of rentedragend is geworden;
- d. met betrekking tot een kapitaalverzekering eigen woning als bedoeld in [artikel 10bis.2 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=10bis.2):
- 1°. het in het kalenderjaar genoten bedrag aan uitkering;
- 2°. indien de verzekering op grond van [artikel 10bis.4, derde lid, onderdelen a, b, c, e, f of g, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=10bis.4) in het kalenderjaar wordt geacht tot uitkering te zijn gekomen: de waarde in het economische verkeer van de verzekering op het tijdstip waarop die verzekering wordt geacht tot uitkering te zijn gekomen;
- e. met betrekking tot een spaarrekening eigen woning of een beleggingsrecht eigen woning als bedoeld in [artikel 10bis.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=10bis.2) van de wet:
- 1°. het in het kalenderjaar gedeblokkeerde tegoed, onderscheidenlijk de in het kalenderjaar gedeblokkeerde waarde;
- 2°. indien de spaarrekening of het beleggingsrecht op grond van [artikel 10bis.5, vierde lid, onderdelen a, b, d, e of f, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=10bis.5) in het kalenderjaar wordt geacht te zijn gedeblokkeerd: het tegoed op de spaarrekening onderscheidenlijk de waarde in het economische verkeer van het beleggingsrecht op het tijdstip waarop die spaarrekening of dat beleggingsrecht wordt geacht te zijn gedeblokkeerd;
- f. met betrekking tot een lijfrente als bedoeld in de [artikelen 3.124](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.124) en [3.125 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.125):
- 1°. de in het kalenderjaar betaalde of verrekende premies;
- 2°. indien in het kalenderjaar zich een omstandigheid voordoet als bedoeld in [artikel 3.133, tweede lid, onderdeel a, b, c, d voor zover betrekking hebbend op vervreemding, e, g, h, i of j, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.133) of zich een omstandigheid voordoet als bedoeld in artikel 3.133, derde lid, van de wet: de omstandigheid die zich heeft voorgedaan en de waarde in het economische verkeer van de aanspraak bepaald met toepassing van [artikel 3.137 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.137);
- 3°. de restituties in het kalenderjaar van in een eerder kalenderjaar betaalde of verrekende premies indien de restitutie geen afkoop is in de zin van [artikel 3.133, tweede lid, onderdeel d, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.133);
- g. met betrekking tot een lijfrentespaarrekening of een lijfrentebeleggingsrecht als bedoeld in [artikel 3.126a van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.126a):
- 1°. de in het kalenderjaar overgemaakte bedragen;
- 2°. indien in het kalenderjaar zich een omstandigheid voordoet als bedoeld in [artikel 3.133, achtste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.133) in samenhang met artikel 3.133, tweede lid, onderdeel a, b, c, d voor zover betrekking hebbend op vervreemding, e, g, h, i of j, van de wet: de omstandigheid die zich heeft voorgedaan en de waarde in het economische verkeer van de aanspraak bepaald met toepassing van [artikel 3.137 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.137);
- h. met betrekking tot een recht als bedoeld in [artikel 5.10, eerste lid, onderdeel a, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=5.10): waarde in het economische verkeer van het recht aan het begin van het kalenderjaar;
- i. met betrekking tot een recht op kapitaaluitkering uit een op 14 september 1999 bestaande levensverzekering:
- 1°. de waarde in het economische verkeer van het recht aan het begin van het kalenderjaar;
- 2°. een verhoging in het kalenderjaar van het verzekerde kapitaal bij leven, dan wel, bij het ontbreken hiervan, een verhoging in het kalenderjaar van de premies, alsmede een verlenging van de looptijd van de levensverzekering in het kalenderjaar, een en ander voor zover die verhoging of verlenging de eerbiedigende werking van [hoofdstuk 2, artikel I, onderdeel AN, van de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001](onbekend), verloren doet gaan;
- 3°. het in het kalenderjaar genoten bedrag aan uitkering;
- j. met betrekking tot een recht op kapitaaluitkering uit een op 31 december 2000 bestaande levensverzekering, niet zijnde een recht als bedoeld in onderdeel i:
- 1°. de waarde in het economische verkeer van het recht aan het begin van het kalenderjaar;
- 2°. het in het kalenderjaar genoten bedrag aan uitkering;
- k. met betrekking tot een recht op kapitaaluitkering of prestatie uit levensverzekering, niet zijnde een recht als bedoeld in de onderdelen d, h, i en j en niet zijnde een recht als bedoeld in [artikel 5.10, eerste lid, onderdeel c, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=5.10): de waarde in het economische verkeer van het recht aan het begin van het kalenderjaar;
- l. met betrekking tot een aanspraak op periodieke uitkeringen of verstrekkingen ter zake van invaliditeit, ziekte of ongeval als bedoeld in [artikel 3.124, eerste lid, onderdeel c, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.124):
- 1°. indien in het kalenderjaar zich een omstandigheid voordoet als bedoeld in [artikel 3.133, tweede lid, onderdeel a, d voor zover betrekking hebbend op vervreemding, e, g of i, laatstgenoemd onderdeel in samenhang met het vijfde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.133): de omstandigheid die zich heeft voorgedaan en de waarde in het economische verkeer van de aanspraak bepaald met toepassing van [artikel 3.137 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.137);
- 2°. de in het kalenderjaar betaalde of verrekende premies;
- 3°. de restituties in het kalenderjaar van betaalde of verrekende premies indien de restitutie geen afkoop is in de zin van [artikel 3.133, tweede lid, onderdeel d, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.133);
- m. met betrekking tot een aanspraak op periodieke uitkeringen of verstrekkingen, niet zijnde een aanspraak als bedoeld in de onderdelen f, g en l: de waarde in het economische verkeer van het recht aan het begin van het kalenderjaar;
- n. met betrekking tot premies als bedoeld in [artikel 3.18 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.18):
- 1°. het inkomen waarop de over het kalenderjaar verschuldigde pensioenpremie is gebaseerd;
- 2°. de in rekening gebrachte pensioenpremie over het kalenderjaar;
- 3°. de deeltijdfactor, bedoeld in [artikel 11c, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012066&hoofdstuk=3&artikel=11c&z=2016-01-01&g=2016-01-01);
- 4°. de omstandigheid dat het pensioengevend inkomen van de belastingplichtige is bepaald met toepassing van [artikel 11c, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012066&hoofdstuk=3&artikel=11c&z=2016-01-01&g=2016-01-01);
- 5°. indien in het kalenderjaar zich een omstandigheid voordoet als bedoeld in [artikel 3.135, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.135): de omstandigheid die zich heeft voorgedaan en de met toepassing van [artikel 3.137 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.137) bepaalde waarde in het economische verkeer van de aanspraak;
- o. met betrekking tot een nettolijfrente of een nettopensioen als bedoeld in [artikel 5.16, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=5.16), onderscheidenlijk [artikel 5.17, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=5.17):
- 1°. de in het kalenderjaar betaalde of verrekende premies;
- 2°. indien in het kalenderjaar zich een omstandigheid voordoet als bedoeld in [artikel 5.16c, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=5.16c), onderscheidenlijk [artikel 5.17e, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=5.17e): de omstandigheid die zich heeft voorgedaan en de waarde in het economische verkeer van de aanspraak aan het begin van het kalenderjaar.
3. Onder rente als bedoeld in het tweede lid, onderdelen a, b en c, wordt verstaan: hetgeen tussen de geldgever en de geldnemer is overeengekomen als vergoeding voor het gedurende de looptijd van de geldlening ter beschikking stellen van de hoofdsom.
4. Een administratieplichtige is gehouden de gegevens en inlichtingen te verstrekken op de door de inspecteur voorgeschreven wijze en met een door de inspecteur voorgeschreven frequentie. De gegevens en inlichtingen dienen uiterlijk te worden verstrekt:
- a. indien de inspecteur maandelijkse aanlevering voorschrijft: de laatste dag van de kalendermaand volgend op de kalendermaand waarop de gegevens en inlichtingen betrekking hebben;
- b. indien de inspecteur jaarlijkse aanlevering gedurende het kalenderjaar waarop de gegevens en inlichtingen betrekking hebben voorschrijft: 30 april van dat kalenderjaar;
- c. indien de inspecteur jaarlijkse aanlevering na afloop van het kalenderjaar waarop de gegevens en inlichtingen betrekking hebben voorschrijft: 31 januari volgend op dat kalenderjaar.
5. Een administratieplichtige kan de verstrekking van gegevens en inlichtingen achterwege laten indien:
- a. naar het oordeel van de inspecteur het belang van ontvangst van de gegevens en inlichtingen niet opweegt tegen de inspanning tot verstrekking daarvan door de administratieplichtige;
- b. naar het oordeel van de inspecteur de administratieplichtige tijdelijk niet in staat is de gegevens en inlichtingen te verstrekken of niet in de gelegenheid is tijdig de gegevens en inlichtingen te verstrekken en de administratieplichtige met de inspecteur een tijdstip is overeengekomen waarop hij geacht wordt daartoe wel weer in staat onderscheidenlijk in de gelegenheid te zijn;
- c. de waarde in het economische verkeer van het recht, bedoeld in het tweede lid, onderdelen h en i, onder 1°, lager is dan het bedrag, genoemd in [artikel 5.10, eerste lid, onderdeel a, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=5.10), of
- d. de gegevens of inlichtingen door de inspecteur zijn aangewezen als van verstrekking vrijgestelde gegevens en inlichtingen en aan de voor die vrijstelling verbonden voorwaarden is voldaan.
##### Artikel 23. Overige aanvullende regelingen; rechtspersonen met natuurschoonwet-landgoederen
1. De werkzaamheden, rechten en verplichtingen van een naamloze vennootschap of besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid welker bezittingen uitsluitend of hoofdzakelijk bestaan uit op de voet van [artikel 2 van de Natuurschoonwet 1928](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001939&artikel=2) als landgoed aangemerkte onroerende zaken, worden voor de heffing van de inkomstenbelasting beschouwd als werkzaamheden, rechten en verplichtingen van haar gezamenlijke aandeelhouders, indien:
- a. de werkzaamheden van de vennootschap uitsluitend of hoofdzakelijk bestaan uit de instandhouding van onroerende zaken die zijn aangemerkt als landgoederen in de zin van [artikel 1 van de Natuurschoonwet 1928](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001939&artikel=1);
- b. alle aandeelhouders natuurlijke personen zijn;
- c. het aantal aandeelhouders niet meer dan twintig bedraagt.
2. Ingeval niet langer aan de voorwaarden, genoemd in het eerste lid, wordt voldaan, blijft dat lid buiten toepassing met ingang van het kalenderjaar waarin de vervulling van die voorwaarden een einde heeft genomen.
3. Voor de toepassing van het eerste lid worden rechtspersonen die zich uitsluitend of hoofdzakelijk het behoud van natuurschoon ten doel stellen, met natuurlijke personen gelijkgesteld.
4. De voorwaarde, genoemd in het eerste lid, onderdeel c, is niet van toepassing, voorzover de toeneming van het aantal aandeelhouders boven twintig is toe te schrijven aan vererving of schenking of aan ontbinding van een huwelijksgemeenschap.
### Hoofdstuk 7. Belastingheffing van buitenlandse belastingplichtigen ([Hoofdstuk 7 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&hoofdstuk=7))
##### Artikel 24
[Artikel 11a, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012066&hoofdstuk=3&artikel=11a&z=2016-01-01&g=2016-01-01), is van overeenkomstige toepassing op een overdracht in het kalenderjaar 2001 waarop [hoofdstuk 2, artikel I, onderdeel Db, van de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001](onbekend) van toepassing is mits zowel door de ondernemer als degene die de onderneming voortzet, bij de aangifte van de ondernemer is verzocht om toepassing van dat onderdeel.
##### Artikel 25. Overgangsrecht inzake aanmerkelijk belang
1. Indien op grond van [artikel 26, tweede lid, van de Invorderingswet 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770&artikel=26), zoals dat op 14 september 2015 luidde, aan een belastingplichtige ter zake van geconserveerd inkomen uit tot een aanmerkelijk belang behorende aandelen of winstbewijzen kwijtschelding van belasting is verleend wegens het verstrijken van de termijn, bedoeld in dat lid, of indien ter zake van de vervreemding van tot een aanmerkelijk belang behorende aandelen of winstbewijzen aan de belastingplichtige ten aanzien van de overdrager een conserverende belastingaanslag is opgelegd en met betrekking tot die belastingaanslag krachtens artikel 26, tweede lid, van de Invorderingswet 1990, zoals dat op 14 september 2015 luidde, kwijtschelding van belasting is verleend wegens het verstrijken van de termijn, bedoeld in dat lid, wordt ten aanzien van de belastingplichtige de in [artikel 7.6 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=7.6) bedoelde verkrijgingsprijs van die aandelen of winstbewijzen verminderd met:
- a. ingeval geen kwijtschelding van belasting is verleend wegens genoten reguliere voordelen op die aandelen of winstbewijzen: een bedrag gelijk aan vier maal het bedrag dat is kwijtgescholden aan belasting voor zover die kwijtschelding toerekenbaar is aan die aandelen of winstbewijzen;
- b. ingeval wel kwijtschelding van belasting is verleend wegens genoten reguliere voordelen op die aandelen of winstbewijzen: een bedrag gelijk aan het verschil tussen vier maal het bedrag dat zou zijn kwijtgescholden indien onderdeel a toepassing zou hebben gevonden en de eerdere vermindering van de verkrijgingsprijs ingevolge de kwijtschelding wegens de genoten reguliere voordelen op die aandelen of winstbewijzen.
2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot een kwijtschelding van belasting ter zake van een conserverende belastingaanslag waarvan het uitstel van betaling krachtens [artikel 25, achtste lid, onderdeel a, van de Invorderingswet 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770&artikel=25) is voortgezet bij de vervreemding van tot een aanmerkelijk belang behorende aandelen of winstbewijzen aan de belastingplichtige.
3. Voor de toepassing van dit besluit worden:
- a. met [artikel 4.16, eerste lid, onderdeel h, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=4.16) gelijkgesteld: artikel 20a, zesde lid, onderdeel i, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 zoals dat artikelonderdeel luidde op 31 december 2000;
- b. met [artikel 4.18 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=4.18) gelijkgesteld: artikel 20a, achtste lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 zoals dat artikelonderdeel luidde op 31 december 2000;
- c. met [artikel 7.5, zevende lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=7.5) gelijkgesteld: artikel 49, vijfde lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 zoals dat artikelonderdeel luidde op 31 december 2000;
- d. met [artikel 25, achtste lid, van de Invorderingswet 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770&artikel=25) gelijkgesteld: artikel 25, zesde lid, van de Invorderingswet 1990 zoals dat artikelonderdeel luidde op 31 december 2000;
- e. met [artikel 26, tweede, vierde of vijfde lid, aanhef en onderdeel a, van de Invorderingswet 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770&artikel=26) gelijkgesteld: artikel 26, derde lid, van de Invorderingswet 1990, zoals dat luidde op 10 maart 2004 en artikel 26, tweede lid, van de Invorderingswet 1990 zoals dat luidde op 31 december 2000.
##### Artikel 25a. Overgangsbepaling vermenigvuldigingsfactoren buitengewone uitgaven
Vervallen
##### Artikel 26. Inwerkingtreding
Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2001.
##### Artikel 27. Citeertitel
Dit besluit wordt aangehaald als: Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
##### Artikel 12a. Belastbare winst uit onderneming; aangewezen herstructureringsregelgeving
Als nationale regelgeving die leidt tot herstructurering of beëindiging van een bedrijfstak als bedoeld in [artikel 3.54, twaalfde lid, onderdeel c, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.54) wordt aangewezen:
- a. de [Regeling beëindiging veehouderijtakken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011234);
- b. de volgende provinciale regelingen die in overeenstemming zijn met Verordening (EG) nr. 1857/2006 van de Commissie van 15 december 2006 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het Verdrag op staatssteun voor kleine en middelgrote ondernemingen die landbouwproducten produceren, en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 70/2001 (PbEG 2006, L 358):
- 1°. wat betreft de provincie Limburg: de Algemene subsidieverordening 2004 (provinciaal blad 2004, nr. 51); de Subsidieregels Project Verplaatsing Intensieve Veehouderijen Noord- en Midden-Limburg (provinciaal blad 2005, nr. 63); de Beleidsregels Project Verplaatsing Intensieve Veehouderijen Noord- en Midden-Limburg (provinciaal blad 2005, nr. 62); de Subsidieverordening inrichting landelijk gebied Limburg, paragraaf 1.9 Verplaatsen grondgebonden landbouwbedrijven met grondverwerving (provinciaal blad 2013, nr. 61);
- 2°. wat betreft de provincie Noord-Brabant: de Subsidieregeling Verplaatsingskosten Intensieve Veehouderijen 2006 (provinciaal blad 2005, nr. 203); de Beleidsregeling Verplaatsing Intensieve Veehouderij 2005 (provinciaal blad 2004, nr. 177); de Subsidieregeling verplaatsing grondgebonden agrarische bedrijven Noord-Brabant (provinciaal blad 2007, nr. 127);
- 3°. wat betreft de provincie Utrecht: de Subsidieverordening verplaatsing intensieve veehouderij provincie Utrecht 2005 (provinciaal blad 2006, nr. 6); de Uitvoeringsverordening subsidie Agenda Vitaal Platteland provincie Utrecht, artikel 4.1.4 Verplaatsing grondgebonden bedrijven (provinciaal blad 2012, nr. 38);
- 4°. wat betreft de provincie Gelderland: de Subsidieregeling Verplaatsing intensieve veehouderijen Gelderland (provinciaal blad 2005, nr. 81);
- 5°. wat betreft de provincie Overijssel: het Uitvoeringsbesluit Subsidies Overijssel 2005 (provinciaal blad 2005, nr. 82); de Beleidsregel Verplaatsing intensieve veehouderijen Overijssel 2005 (provinciaal blad 2006, nr. 85); het Uitvoeringsbesluit subsidies Overijssel 2011, hoofdstuk 3. Bijzondere bepalingen Landbouw natuur en landschap, paragraaf 26. Verplaatsing landbouwbedrijfsgebouwen vanwege de ontwikkelopgave EHS/Natura 2000 (provinciaal blad 2015, nr. 7938);
- 6°. wat betreft de provincie Friesland: Kadersubsidieverordening pMJP Fryslân 2009 (provinciaal blad 2009, nr. 20); Subsidieverordening pMJP Fryslân 2009, hoofdstuk 1.1.3. Subsidie agrarische bedrijfsverplaatsing en daaraan gerelateerde investeringskosten (provinciaal blad 2009, nr. 48); Subsidieverordening agrarische bedrijfsverplaatsing Fryslân 2015 (provinciaal blad 2015, nr. 4424);
- 7°. wat betreft de provincie Groningen: Programma landelijk gebied PMJP 2007-2013 Groningen, deel 3. Kader voor subsidies en overeenkomsten, paragraaf 9.3. Regeling bedrijfshervestiging en beëindiging (provinciaal blad 2007, nr. 36); Beleidsregel Verplaatsing Grondgebonden Agrarische Bedrijven Provincie Groningen (provinciaal blad 2013, nr. 56);
- 8°. wat betreft de provincie Drenthe: Provinciaal Meerjarenprogramma Drenthe, deel 3. Subsidiegids, hoofdstuk 2. Subsidies voor natuur, paragraaf 2.1. Realisatie natuur binnen de EHS, Subparagrafen Verwerving EHS en Agrarische bedrijfsverplaatsingen (provinciaal blad 2007, nr. 44).
### Hoofdstuk 4. Heffingsgrondslag bij aanmerkelijk belang ([Hoofdstuk 4 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&hoofdstuk=4))
### Hoofdstuk 4. Heffingsgrondslag bij aanmerkelijk belang ([Hoofdstuk 4 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&hoofdstuk=4))
### Hoofdstuk 5. Heffingsgrondslag bij sparen en beleggen ([Hoofdstuk 5 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&hoofdstuk=5))
### Hoofdstuk 6. Persoonsgebonden aftrek ([Hoofdstuk 6 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&hoofdstuk=6))
### Hoofdstuk 5. Heffingsgrondslag bij sparen en beleggen ([Hoofdstuk 5 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&hoofdstuk=5))
### Hoofdstuk 7. Belastingheffing van buitenlandse belastingplichtigen ([Hoofdstuk 7 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&hoofdstuk=7))
### Hoofdstuk 7A. Wijze van heffing ([Hoofdstuk 9 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&hoofdstuk=9))
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
##### Artikel 14a. Uitgaven voor inkomensvoorzieningen via een lijfrentespaarrekening of een lijfrentebeleggingsrecht; toegelaten aanbieders
1. Als een onderneming of instelling die bevoegd als bank of als beheerder van een beleggingsinstelling optreedt als bedoeld in [artikel 3.126a, tweede lid, onderdeel c, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.126a) kan door Onze Minister worden aangewezen een onderneming of instelling die op grond van de [Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368) bevoegd is diensten naar Nederland te verrichten.
@@ -556,7 +556,7 @@
3. De aanwijzing kan eveneens plaatsvinden indien de in het tweede lid bedoelde zekerheid niet door de onderneming of instelling maar door de belastingplichtige wordt gesteld, waarbij de belastingplichtige tevens de mogelijkheid heeft zekerheid te stellen door middel van verpanding van de aanspraken op het tegoed van een lijfrentespaarrekening, onderscheidenlijk van de aanspraken op de waarde van een lijfrentebeleggingsrecht aan de ontvanger, mits de onderneming of instelling instemt met deze verpanding.
4. [Artikel 14, vijfde, zesde en zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012066&hoofdstuk=3&artikel=14&z=2016-01-01&g=2016-01-01), is van overeenkomstige toepassing.
4. [Artikel 14, vijfde, zesde en zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012066&hoofdstuk=3&artikel=14&z=2017-01-01&g=2017-01-01), is van overeenkomstige toepassing.
### Hoofdstuk 4. Heffingsgrondslag bij aanmerkelijk belang ([Hoofdstuk 4 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&hoofdstuk=4))
@@ -647,7 +647,7 @@
##### Artikel 17b. Waardering woningen; correctie voor erfpachtcanon
De waarde van een erfpachtcanon als bedoeld in [artikel 5.20, vierde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=5.20) wordt gesteld op het zeventienvoud van het jaarlijkse bedrag. In afwijking van de eerste volzin wordt het deel van een erfpachtcanon dat kan worden toegerekend aan een verhuurde woning als bedoeld in [artikel 17a, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012066&hoofdstuk=5&artikel=17a&z=2016-01-01&g=2016-01-01), gesteld op het twintigvoud van het jaarlijkse bedrag. De toerekening van de erfpachtcanon, bedoeld in de vorige volzin, geschiedt naar rato van de, met inachtneming van artikel 17a, vierde lid, berekende, WOZ-waarden van de te onderscheiden zelfstandige onderdelen van het gebouwd eigendom waarop de erfpachtcanon betrekking heeft.
De waarde van een erfpachtcanon als bedoeld in [artikel 5.20, vierde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=5.20) wordt gesteld op het zeventienvoud van het jaarlijkse bedrag. In afwijking van de eerste volzin wordt het deel van een erfpachtcanon dat kan worden toegerekend aan een verhuurde woning als bedoeld in [artikel 17a, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012066&hoofdstuk=5&artikel=17a&z=2017-01-01&g=2017-01-01), gesteld op het twintigvoud van het jaarlijkse bedrag. De toerekening van de erfpachtcanon, bedoeld in de vorige volzin, geschiedt naar rato van de, met inachtneming van artikel 17a, vierde lid, berekende, WOZ-waarden van de te onderscheiden zelfstandige onderdelen van het gebouwd eigendom waarop de erfpachtcanon betrekking heeft.
### Hoofdstuk 9. Overgangs- en slotbepalingen ([Hoofdstuk 11 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&hoofdstuk=11))
@@ -655,7 +655,7 @@
##### Artikel 12bis. Belastbare winst uit onderneming; privégebruik auto
1. Het afgeven van de verklaring uitsluitend zakelijk gebruik bestelauto, bedoeld in [artikel 3.20, tiende lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.20), geschiedt door het duidelijk, stellig en zonder voorbehoud invullen van het daartoe langs elektronische weg ter beschikking gestelde modelformulier en het toezenden van het ingevulde modelformulier aan de inspecteur.
1. Het afgeven van de verklaring uitsluitend zakelijk gebruik bestelauto, bedoeld in [artikel 3.20, zesde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.20), geschiedt door het duidelijk, stellig en zonder voorbehoud invullen van het daartoe langs elektronische weg ter beschikking gestelde modelformulier en het toezenden van het ingevulde modelformulier aan de inspecteur.
2. De belastingplichtige is gehouden voordat met de bestelauto waarop de verklaring, bedoeld in het eerste lid, betrekking heeft voor privédoeleinden wordt gereden, mede te delen dat hij de verklaring intrekt.
@@ -687,7 +687,7 @@
### Hoofdstuk 3. Heffingsgrondslag bij werk en woning ([Hoofdstuk 3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&hoofdstuk=3))
### Hoofdstuk 8. Aanvullende regelingen ([Hoofdstuk 10 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&hoofdstuk=10))
### Hoofdstuk 6. Persoonsgebonden aftrek ([Hoofdstuk 6 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&hoofdstuk=6))
### Hoofdstuk 7. Belastingheffing van buitenlandse belastingplichtigen ([Hoofdstuk 7 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&hoofdstuk=7))
@@ -747,11 +747,11 @@
| 30 jaar of ouder, doch jonger dan 35 jaar is | 3,9 |
| 35 jaar of ouder, doch jonger dan 40 jaar is | 4,7 |
| 40 jaar of ouder, doch jonger dan 45 jaar is | 5,7 |
| 45 jaar of ouder, doch jonger dan 50 jaar is | 6,8 |
| 45 jaar of ouder, doch jonger dan 50 jaar is | 6,9 |
| 50 jaar of ouder, doch jonger dan 55 jaar is | 8,3 |
| 55 jaar of ouder, doch jonger dan 60 jaar is | 9,9 |
| 60 jaar of ouder, doch jonger dan 65 jaar is | 11,9 |
| 65 jaar of ouder is | 13,5 |
| 55 jaar of ouder, doch jonger dan 60 jaar is | 10,0 |
| 60 jaar of ouder, doch jonger dan 65 jaar is | 12,0 |
| 65 jaar of ouder is | 13,6 |
2. De ten hoogste in aanmerking te nemen premie, bedoeld in [artikel 5.16b, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=5.16b), wordt verminderd met de premie die in het voorafgaande kalenderjaar is ingelegd ten behoeve van een nettopensioenregeling als bedoeld in [artikel 5.17, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=5.17).
@@ -776,3 +776,23 @@
### Hoofdstuk 9. Overgangs- en slotbepalingen ([Hoofdstuk 11 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&hoofdstuk=11))
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
##### Artikel 11bis. Toerekeningsregels; meldingsplicht bij [artikel 2.14, derde lid, onderdeel d, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=2.14)
1. Indien de belastingplichtige een vermogensbestanddeel dat ingevolge [artikel 2.14, derde lid, onderdeel d, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=2.14) tevens in aanmerking wordt genomen bij de bepaling van het belastbare inkomen uit sparen en beleggen, niet als zodanig in de aangifte heeft vermeld, is hij gehouden daarvan schriftelijk mededeling aan de inspecteur te doen voordat de belastingplichtige weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat de inspecteur met de desbetreffende onjuistheid of onvolledigheid bekend is of zal worden.
2. Het niet of niet tijdig dan wel onjuist of onvolledig doen van de mededeling, bedoeld in het eerste lid, wordt aangemerkt als een overtreding.
3. De bevoegdheid tot het opleggen van een vergrijpboete in de gevallen, bedoeld in het tweede lid, vervalt door verloop van vijf jaren na afloop van het kalenderjaar waarin de peildatum, bedoeld in [artikel 2.14, derde lid, onderdeel d, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=2.14), is gelegen. Indien het vermogensbestanddeel, bedoeld in het eerste lid, in het buitenland wordt gehouden of is opgekomen vervalt de bevoegdheid tot het opleggen van een vergrijpboete in de gevallen, bedoeld in het tweede lid, in afwijking in zoverre van de eerste volzin, door verloop van twaalf jaren na afloop van het kalenderjaar, bedoeld in de eerste volzin.
### Hoofdstuk 3. Heffingsgrondslag bij werk en woning ([Hoofdstuk 3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&hoofdstuk=3))
### Hoofdstuk 7. Belastingheffing van buitenlandse belastingplichtigen ([Hoofdstuk 7 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&hoofdstuk=7))
### Hoofdstuk 7A. Wijze van heffing ([Hoofdstuk 9 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&hoofdstuk=9))
### Hoofdstuk 8. Aanvullende regelingen ([Hoofdstuk 10 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&hoofdstuk=10))
### Hoofdstuk 9. Overgangs- en slotbepalingen ([Hoofdstuk 11 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&hoofdstuk=11))
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
2016-01-01
Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001 — arts. 18, 18, 18 y 3 más
2015-09-15
Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001 — arts. 18, 18, 18 y 3 más
2015-08-01
Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001 — arts. 18, 18, 18 y 2 más
2015-04-03
Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001 — arts. 18, 18, 18 y 3 más
2015-01-01
Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001
2014-09-13
Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001 — arts. 2, 2, 2 y 21 más
2014-07-01
Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001 — arts. 2, 2, 2 y 27 más
2014-01-01
Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001
2013-10-21
Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001 — arts. 2, 2, 2 y 15 más
2013-09-27
Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001 — arts. 2, 2, 2 y 15 más
2013-07-01
Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001 — arts. 2, 2, 2 y 21 más
2013-01-15
Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001 — arts. 2, 2, 2 y 21 más
2013-01-01
Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001 — arts. 2, 2, 2 y 15 más
2012-01-01
Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001
2011-01-01
Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001 — arts. 2, 2, 2 y 21 más
2010-10-10
Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001 — arts. 2, 2, 2 y 25 más
2010-07-07
Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001 — arts. 2, 2, 2 y 25 más
2010-01-01
Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001
2009-02-10
Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001 — arts. 2, 2, 2 y 39 más
2009-01-29
Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001 — arts. 2, 2, 2 y 39 más
2009-01-01
Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001
2008-08-01
Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001 — arts. 2, 2, 2 y 25 más
2008-05-06
Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001 — arts. 2, 2, 2 y 32 más
2008-04-16
Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001 — arts. 2, 2, 2 y 25 más
2008-01-01
Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001 — arts. 2, 2, 2 y 18 más
2007-07-18
Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001 — arts. 2, 2, 5 y 11 más
2007-03-09
Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001 — arts. 2, 2, 2 y 18 más
2007-01-01
Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001 — arts. 2, 2, 2 y 25 más
2006-01-01
Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001 — arts. 2, 2, 2 y 18 más
2005-09-09
Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001 — arts. 17, 1, 2 y 40 más
2005-09-09
Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001
original version
Tekst op deze datum