Wijzigingsgeschiedenis

Wet van 23 april 2003, houdende nieuwe algemene regels over de aanleg, het beheer, de toegankelijkheid en het gebruik van spoorwegen alsmede over het verkeer over spoorwegen (Spoorwegwet)

46 versions · 2024-01-01
2024-01-01
Spoorwegwet — arts. 4, 117, 118 y 6 más
2023-07-01
Spoorwegwet — arts. 4, 117, 118 y 6 más
2022-01-01
Spoorwegwet — arts. 4, 117, 118 y 6 más
2021-07-01
Spoorwegwet — arts. 4, 117, 118 y 6 más
2021-06-30
2019-06-16
2019-04-01
Spoorwegwet — arts. 4, 117, 118 y 7 más
2019-03-07
2018-07-28
Spoorwegwet — arts. 4, 117, 118 y 7 más
2018-05-25
Spoorwegwet — arts. 4, 4, 117 y 17 más
2018-02-17
Spoorwegwet — arts. 4, 117, 118 y 7 más
2018-01-01
Spoorwegwet — arts. 4, 117, 118 y 7 más
2017-08-30
Spoorwegwet — arts. 4, 117, 118 y 7 más
2016-11-26
2016-10-01
Spoorwegwet — arts. 4, 117, 118 y 7 más
2016-07-01
Spoorwegwet — arts. 4, 117, 118 y 8 más
2016-01-18
Spoorwegwet — arts. 4, 117, 118 y 8 más
2015-12-15
2015-12-01
2015-07-01
2015-01-01
2014-08-01
Spoorwegwet — arts. 4, 117, 118 y 12 más
2014-01-01
Spoorwegwet — arts. 4, 117, 118 y 12 más
2013-04-01
Spoorwegwet — arts. 4, 117, 118 y 13 más
2013-01-01
Spoorwegwet — arts. 4, 117, 118 y 13 más
2012-07-25
Spoorwegwet — arts. 4, 117, 118 y 18 más
2012-07-01
2012-04-01
Spoorwegwet — arts. 4, 117, 118 y 20 más
2011-11-15
Spoorwegwet — arts. 4, 117, 118 y 41 más
2011-10-12
Spoorwegwet — arts. 4, 117, 118 y 42 más
2011-01-01

Wijzigingen op 2011-01-01

@@ -26,9 +26,9 @@
- g. lidstaat: lidstaat van de Europese Unie of een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte;
- h. beheerder: houder van een concessie als bedoeld in [artikel 16, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2&paragraaf=4&artikel=16&z=2009-12-31&g=2009-12-31);
- i. keuringsinstantie: instantie aangewezen op grond van [artikel 93](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=6&paragraaf=8&artikel=93&z=2009-12-31&g=2009-12-31);
- h. beheerder: houder van een concessie als bedoeld in [artikel 16, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2&paragraaf=4&artikel=16&z=2011-01-01&g=2011-01-01);
- i. keuringsinstantie: instantie aangewezen op grond van [artikel 93](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=6&paragraaf=8&artikel=93&z=2011-01-01&g=2011-01-01);
- j. veiligheidsfunctie: functie van bestuurder van een spoorvoertuig of een andere, bij algemene maatregel van bestuur omschreven, functie binnen het spoorwegverkeerssysteem die van aanmerkelijke invloed is op de veiligheid van het spoorverkeer;
@@ -80,7 +80,7 @@
3. Het is verboden een veiligheidsfunctie te doen uitoefenen dan wel op de uitoefening van zodanige functie toezicht te doen houden door een persoon waarvan men weet of redelijkerwijs moet weten dat deze verkeert in een toestand als in het eerste of tweede lid is omschreven.
4. Op de eerste vordering van bij of krachtens [artikel 86 van deze wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=6&paragraaf=4&artikel=86&z=2009-12-31&g=2009-12-31) of [artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=141) met de opsporing van strafbare feiten belaste ambtenaren zijn personen die een veiligheidsfunctie uitoefenen dan wel op de uitoefening van zodanige functie toezicht houden, of daartoe aanstalten maken, verplicht hun medewerking te verlenen aan een voorlopig onderzoek van uitgeademde lucht en daartoe volgens door die ambtenaar te geven aanwijzingen ademlucht te blazen in een door die ambtenaar aangewezen apparaat.
4. Op de eerste vordering van bij of krachtens [artikel 86 van deze wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=6&paragraaf=4&artikel=86&z=2011-01-01&g=2011-01-01) of [artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=141) met de opsporing van strafbare feiten belaste ambtenaren zijn personen die een veiligheidsfunctie uitoefenen dan wel op de uitoefening van zodanige functie toezicht houden, of daartoe aanstalten maken, verplicht hun medewerking te verlenen aan een voorlopig onderzoek van uitgeademde lucht en daartoe volgens door die ambtenaar te geven aanwijzingen ademlucht te blazen in een door die ambtenaar aangewezen apparaat.
5. Dit artikel is niet van toepassing voorzover [artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=8) van toepassing is.
@@ -118,45 +118,45 @@
##### Artikel 117
De schadevergoedingsplicht, bedoeld in [artikel 57, eerste en tweede lid, van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005288&artikel=57), rust niet op de eigenaar van een erf met een recht van uitweg over de hoofdspoorweg, indien dat recht van kracht was op de dag voorafgaande aan de dag waarop [artikel 103, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=8&artikel=103&z=2009-12-31&g=2009-12-31), in werking treedt.
De schadevergoedingsplicht, bedoeld in [artikel 57, eerste en tweede lid, van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005288&artikel=57), rust niet op de eigenaar van een erf met een recht van uitweg over de hoofdspoorweg, indien dat recht van kracht was op de dag voorafgaande aan de dag waarop [artikel 103, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=8&artikel=103&z=2011-01-01&g=2011-01-01), in werking treedt.
##### Artikel 118
1. Tot en met de eerste dag van de vierde kalendermaand na de dag waarop [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=2&artikel=28&z=2009-12-31&g=2009-12-31) in werking treedt, worden houders van een vergunning voor openbaar vervoer per trein, verleend ingevolge de Wet personenvervoer of de [Wet personenvervoer 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011470), en houders van een erkenning als spoorwegonderneming, afgegeven door Onze Minister, voor de toepassing van deze wet aangemerkt als houders van een bedrijfsvergunning.
2. Het eerste lid geldt ook na de daarin bedoelde periode ten aanzien van de in het eerste lid bedoelde houders, indien zij voor de afloop van die periode een aanvraag hebben ingediend voor een vergunning als bedoeld in [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=2&artikel=28&z=2009-12-31&g=2009-12-31) en zolang als daarop niet onherroepelijk is beslist.
1. Tot en met de eerste dag van de vierde kalendermaand na de dag waarop [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=2&artikel=28&z=2011-01-01&g=2011-01-01) in werking treedt, worden houders van een vergunning voor openbaar vervoer per trein, verleend ingevolge de Wet personenvervoer of de [Wet personenvervoer 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011470), en houders van een erkenning als spoorwegonderneming, afgegeven door Onze Minister, voor de toepassing van deze wet aangemerkt als houders van een bedrijfsvergunning.
2. Het eerste lid geldt ook na de daarin bedoelde periode ten aanzien van de in het eerste lid bedoelde houders, indien zij voor de afloop van die periode een aanvraag hebben ingediend voor een vergunning als bedoeld in [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=2&artikel=28&z=2011-01-01&g=2011-01-01) en zolang als daarop niet onherroepelijk is beslist.
##### Artikel 119
1. Vergunningen die ingevolge [artikel 29a van de Spoorwegwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001848&artikel=29a) (Stb. 1875, 67) zijn verleend en gelden op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, worden vanaf de dag waarop [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=2&artikel=28&z=2009-12-31&g=2009-12-31) in werking treedt, aangemerkt als verleend op grond van [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=2&artikel=28&z=2009-12-31&g=2009-12-31).
2. Vergunningaanvragen die ingevolge [artikel 29a van de Spoorwegwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001848&artikel=29a) (Stb. 1875, 67) door Onze Minister in behandeling zijn genomen voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, worden vanaf de dag waarop [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=2&artikel=28&z=2009-12-31&g=2009-12-31) in werking treedt, aangemerkt als vergunningaanvragen op grond van [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=2&artikel=28&z=2009-12-31&g=2009-12-31).
1. Vergunningen die ingevolge [artikel 29a van de Spoorwegwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001848&artikel=29a) (Stb. 1875, 67) zijn verleend en gelden op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, worden vanaf de dag waarop [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=2&artikel=28&z=2011-01-01&g=2011-01-01) in werking treedt, aangemerkt als verleend op grond van [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=2&artikel=28&z=2011-01-01&g=2011-01-01).
2. Vergunningaanvragen die ingevolge [artikel 29a van de Spoorwegwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001848&artikel=29a) (Stb. 1875, 67) door Onze Minister in behandeling zijn genomen voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, worden vanaf de dag waarop [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=2&artikel=28&z=2011-01-01&g=2011-01-01) in werking treedt, aangemerkt als vergunningaanvragen op grond van [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=2&artikel=28&z=2011-01-01&g=2011-01-01).
##### Artikel 120
1. Een geldende concessie ter uitoefening van de dienst verleend op grond van [artikel 2 van de Wet van 9 juli 1900, houdende nadere regeling van den dienst en het gebruik van spoorwegen waarop uitsluitend met beperkte snelheid wordt vervoerd](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001866&artikel=2) (Stb. 118) wordt tot en met de eerste dag van de vierde kalendermaand na de dag waarop [artikel 103, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=8&artikel=103&z=2009-12-31&g=2009-12-31), in werking treedt, aangemerkt als een veiligheidsattest als bedoeld in [artikel 32](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=3&artikel=32&z=2009-12-31&g=2009-12-31).
2. De in het eerste lid bedoelde concessie wordt ook na de daarin bedoelde periode aangemerkt als een veiligheidsattest als bedoeld in [artikel 32](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=3&artikel=32&z=2009-12-31&g=2009-12-31), indien de houder voor die dag een aanvraag heeft ingediend voor een veiligheidsattest als bedoeld in [artikel 32](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=3&artikel=32&z=2009-12-31&g=2009-12-31) en zolang daarop niet onherroepelijk is beslist.
1. Een geldende concessie ter uitoefening van de dienst verleend op grond van [artikel 2 van de Wet van 9 juli 1900, houdende nadere regeling van den dienst en het gebruik van spoorwegen waarop uitsluitend met beperkte snelheid wordt vervoerd](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001866&artikel=2) (Stb. 118) wordt tot en met de eerste dag van de vierde kalendermaand na de dag waarop [artikel 103, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=8&artikel=103&z=2011-01-01&g=2011-01-01), in werking treedt, aangemerkt als een veiligheidsattest als bedoeld in [artikel 32](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=3&artikel=32&z=2011-01-01&g=2011-01-01).
2. De in het eerste lid bedoelde concessie wordt ook na de daarin bedoelde periode aangemerkt als een veiligheidsattest als bedoeld in [artikel 32](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=3&artikel=32&z=2011-01-01&g=2011-01-01), indien de houder voor die dag een aanvraag heeft ingediend voor een veiligheidsattest als bedoeld in [artikel 32](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=3&artikel=32&z=2011-01-01&g=2011-01-01) en zolang daarop niet onherroepelijk is beslist.
##### Artikel 121
Hoofdspoorweginfrastructuur die in overeenstemming met de daarvoor geldende voorschriften die gelden op de dag voorafgaande aan de dag waarop [artikel 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2&paragraaf=2&artikel=6&z=2009-12-31&g=2009-12-31) in werking treedt, wordt gebruikt, wordt met ingang van de dag waarop [dat artikel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2&paragraaf=2&artikel=6&z=2009-12-31&g=2009-12-31) in werking treedt, aangemerkt als in overeenstemming met [dat artikel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2&paragraaf=2&artikel=6&z=2009-12-31&g=2009-12-31).
Hoofdspoorweginfrastructuur die in overeenstemming met de daarvoor geldende voorschriften die gelden op de dag voorafgaande aan de dag waarop [artikel 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2&paragraaf=2&artikel=6&z=2011-01-01&g=2011-01-01) in werking treedt, wordt gebruikt, wordt met ingang van de dag waarop [dat artikel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2&paragraaf=2&artikel=6&z=2011-01-01&g=2011-01-01) in werking treedt, aangemerkt als in overeenstemming met [dat artikel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2&paragraaf=2&artikel=6&z=2011-01-01&g=2011-01-01).
##### Artikel 122
1. Een spoorvoertuig dat in overeenstemming met de daarvoor geldende voorschriften die gelden op de dag voorafgaande aan de dag waarop [artikel 36](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=4&artikel=36&z=2009-12-31&g=2009-12-31) in werking treedt, kan worden gebruikt op de hoofdspoorweg, wordt met ingang van de dag waarop [dat artikel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=4&artikel=36&z=2009-12-31&g=2009-12-31) in werking treedt, aangemerkt als in overeenstemming met de [onderdelen a en b van dat artikel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=4&artikel=36&z=2009-12-31&g=2009-12-31).
2. [Artikel 39, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=4&artikel=39&z=2009-12-31&g=2009-12-31), is niet van toepassing op spoorvoertuigen en uitrusting daarvan die voor de datum van inwerkingtreding van [dat artikel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=4&artikel=39&z=2009-12-31&g=2009-12-31) in gebruik zijn genomen.
1. Een spoorvoertuig dat in overeenstemming met de daarvoor geldende voorschriften die gelden op de dag voorafgaande aan de dag waarop [artikel 36](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=4&artikel=36&z=2011-01-01&g=2011-01-01) in werking treedt, kan worden gebruikt op de hoofdspoorweg, wordt met ingang van de dag waarop [dat artikel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=4&artikel=36&z=2011-01-01&g=2011-01-01) in werking treedt, aangemerkt als in overeenstemming met de [onderdelen a en b van dat artikel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=4&artikel=36&z=2011-01-01&g=2011-01-01).
2. [Artikel 39, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=4&artikel=39&z=2011-01-01&g=2011-01-01), is niet van toepassing op spoorvoertuigen en uitrusting daarvan die voor de datum van inwerkingtreding van [dat artikel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=4&artikel=39&z=2011-01-01&g=2011-01-01) in gebruik zijn genomen.
##### Artikel 123
Erkenningen op grond van [artikel 32d, zevende lid, van de Spoorwegwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001848&artikel=32d) (Stb. 1875, 67) berusten met ingang van de dag waarop [artikel 93](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=6&paragraaf=8&artikel=93&z=2009-12-31&g=2009-12-31) in werking treedt op [artikel 93, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=6&paragraaf=8&artikel=93&z=2009-12-31&g=2009-12-31).
Erkenningen op grond van [artikel 32d, zevende lid, van de Spoorwegwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001848&artikel=32d) (Stb. 1875, 67) berusten met ingang van de dag waarop [artikel 93](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=6&paragraaf=8&artikel=93&z=2011-01-01&g=2011-01-01) in werking treedt op [artikel 93, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=6&paragraaf=8&artikel=93&z=2011-01-01&g=2011-01-01).
##### Artikel 124
1. In afwijking van [artikel 2, tweede en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=1&artikel=2&z=2009-12-31&g=2009-12-31), kunnen spoorwegen als hoofdspoorwegen worden aangewezen, indien deze spoorwegen rechtstreeks of middellijk in overwegende mate zijn aangelegd op kosten van het Rijk en naar het oordeel van Onze Minister voldoende is komen vast te staan dat gedurende de periode van twee jaar voorafgaand aan de datum van inwerkingtreding van [artikel 2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=1&artikel=2&z=2009-12-31&g=2009-12-31) deze spoorwegen door Railinfrabeheer b.v., gevestigd te Utrecht, werden onderhouden.
2. Tot 1 januari 2010 kunnen in afwijking van [artikel 2, tweede en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=1&artikel=2&z=2009-12-31&g=2009-12-31), spoorwegen als hoofdspoorwegen worden aangewezen, indien Railinfrabeheer b.v., of Railinfratrust b.v., gevestigd te Utrecht, of hun rechtsopvolger rechthebbende is ten aanzien van deze spoorwegen.
1. In afwijking van [artikel 2, tweede en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=1&artikel=2&z=2011-01-01&g=2011-01-01), kunnen spoorwegen als hoofdspoorwegen worden aangewezen, indien deze spoorwegen rechtstreeks of middellijk in overwegende mate zijn aangelegd op kosten van het Rijk en naar het oordeel van Onze Minister voldoende is komen vast te staan dat gedurende de periode van twee jaar voorafgaand aan de datum van inwerkingtreding van [artikel 2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=1&artikel=2&z=2011-01-01&g=2011-01-01) deze spoorwegen door Railinfrabeheer b.v., gevestigd te Utrecht, werden onderhouden.
2. Tot 1 januari 2010 kunnen in afwijking van [artikel 2, tweede en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=1&artikel=2&z=2011-01-01&g=2011-01-01), spoorwegen als hoofdspoorwegen worden aangewezen, indien Railinfrabeheer b.v., of Railinfratrust b.v., gevestigd te Utrecht, of hun rechtsopvolger rechthebbende is ten aanzien van deze spoorwegen.
##### Artikel 125
@@ -208,9 +208,9 @@
##### Artikel 7
1. Onverminderd de krachtens [artikel 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2&paragraaf=2&artikel=6&z=2009-12-31&g=2009-12-31) gestelde regels zijn hoofdspoorwegen waar een snelheid van meer dan 40 kilometer per uur is toegestaan, voorzien van een bij ministeriële regeling te omschrijven systeem van beveiliging.
2. Onverminderd de krachtens [artikel 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2&paragraaf=2&artikel=6&z=2009-12-31&g=2009-12-31) gestelde regels zijn gedeelten van een hoofdspoorweg die niet zijn gelegen in een gelijkvloerse kruising met een weg of in een voor het openbaar verkeer openstaande weg, zodanig afgesloten van de omgeving dat het publiek zich niet of slechts met bijzondere moeite op de spoorweg kan begeven.
1. Onverminderd de krachtens [artikel 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2&paragraaf=2&artikel=6&z=2011-01-01&g=2011-01-01) gestelde regels zijn hoofdspoorwegen waar een snelheid van meer dan 40 kilometer per uur is toegestaan, voorzien van een bij ministeriële regeling te omschrijven systeem van beveiliging.
2. Onverminderd de krachtens [artikel 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2&paragraaf=2&artikel=6&z=2011-01-01&g=2011-01-01) gestelde regels zijn gedeelten van een hoofdspoorweg die niet zijn gelegen in een gelijkvloerse kruising met een weg of in een voor het openbaar verkeer openstaande weg, zodanig afgesloten van de omgeving dat het publiek zich niet of slechts met bijzondere moeite op de spoorweg kan begeven.
3. Onze Minister kan ontheffing verlenen van het eerste en tweede lid.
@@ -218,7 +218,7 @@
##### Artikel 8
1. Onverminderd de krachtens [artikel 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2&paragraaf=2&artikel=6&z=2009-12-31&g=2009-12-31) gestelde regels voldoet hoofdspoorweginfrastructuur waarover internationaal verkeer plaatsvindt aan de toepasselijke voorschriften van de [richtlijnen 2001/16/EG](32001L0016) en [96/48/EG](31996L0048) of van het Verdrag.
1. Onverminderd de krachtens [artikel 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2&paragraaf=2&artikel=6&z=2011-01-01&g=2011-01-01) gestelde regels voldoet hoofdspoorweginfrastructuur waarover internationaal verkeer plaatsvindt aan de toepasselijke voorschriften van de [richtlijnen 2001/16/EG](32001L0016) en [96/48/EG](31996L0048) of van het Verdrag.
2. De in het eerste lid bedoelde infrastructuur wordt vermoed te voldoen aan de voorschriften:
@@ -230,13 +230,13 @@
##### Artikel 9
1. Een EG-keuringsverklaring als bedoeld in [artikel 8, tweede lid, onderdelen a of b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2&paragraaf=3&artikel=8&z=2009-12-31&g=2009-12-31), wordt afgegeven indien:
1. Een EG-keuringsverklaring als bedoeld in [artikel 8, tweede lid, onderdelen a of b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2&paragraaf=3&artikel=8&z=2011-01-01&g=2011-01-01), wordt afgegeven indien:
- a. de spoorweginfrastructuur voldoet aan de toepasselijke technische specificaties inzake interoperabiliteit, bedoeld in artikel 2, onderdeel g, van [richtlijn 2001/16/EG](32001L0016), respectievelijk artikel 2, onderdeel g, van [richtlijn 96/48/EG](31996L0048);
- b. ten aanzien van de spoorweginfrastructuur een conformiteitsverklaring als bedoeld in [richtlijn 2001/16/EG](32001L0016), bijlage VI, punt 3, respectievelijk in [richtlijn 96/48/EG](31996L0048), bijlage VI, punt 3, is afgegeven door een keuringsinstantie.
2. Een goedkeuringscertificaat als bedoeld in [artikel 8, tweede lid, onderdeel c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2&paragraaf=3&artikel=8&z=2009-12-31&g=2009-12-31), wordt afgegeven indien de spoorweginfrastructuur voldoet aan de bij of krachtens algemene maatregel van bestuur gestelde eisen.
2. Een goedkeuringscertificaat als bedoeld in [artikel 8, tweede lid, onderdeel c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2&paragraaf=3&artikel=8&z=2011-01-01&g=2011-01-01), wordt afgegeven indien de spoorweginfrastructuur voldoet aan de bij of krachtens algemene maatregel van bestuur gestelde eisen.
##### Artikel 10
@@ -254,19 +254,19 @@
##### Artikel 11
1. Een EG-verklaring als bedoeld in [artikel 10, eerste lid, onderdelen a of b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2&paragraaf=3&artikel=10&z=2009-12-31&g=2009-12-31), wordt afgegeven indien:
1. Een EG-verklaring als bedoeld in [artikel 10, eerste lid, onderdelen a of b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2&paragraaf=3&artikel=10&z=2011-01-01&g=2011-01-01), wordt afgegeven indien:
- a. de desbetreffende onderdelen voldoen aan de toepasselijke technische specificaties inzake interoperabiliteit, bedoeld in artikel 2, onderdeel g, van [richtlijn 2001/16/EG](32001L0016), respectievelijk artikel 2, onderdeel g, van [richtlijn 96/48/EG](31996L0048);
- b. de toetsing van onderdeel a is uitgevoerd door een keuringsinstantie, respectievelijk door een keuringsinstantie voorzover de technische specificaties dat vereisen.
2. Een goedkeuringscertificaat als bedoeld in [artikel 10, eerste lid, onderdeel c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2&paragraaf=3&artikel=10&z=2009-12-31&g=2009-12-31), wordt afgegeven indien de desbetreffende onderdelen voldoen aan de bij of krachtens algemene maatregel van bestuur gestelde eisen.
2. Een goedkeuringscertificaat als bedoeld in [artikel 10, eerste lid, onderdeel c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2&paragraaf=3&artikel=10&z=2011-01-01&g=2011-01-01), wordt afgegeven indien de desbetreffende onderdelen voldoen aan de bij of krachtens algemene maatregel van bestuur gestelde eisen.
3. Indien met betrekking tot de in het eerste lid bedoelde onderdelen andere EG-richtlijnen bestaan ten aanzien van andere aspecten dan geregeld in bedoelde technische specificaties, vermelden de verklaringen, bedoeld in dat lid, tevens of de onderdelen aan die andere EG-richtlijnen voldoen.
##### Artikel 12
1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de aanvraag, afgifte, vorm en inhoud van EG-keuringsverklaringen als bedoeld in [artikel 8, tweede lid, onderdelen a en b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2&paragraaf=3&artikel=8&z=2009-12-31&g=2009-12-31), EG-verklaringen als bedoeld in [artikel 10, eerste lid, onderdelen a en b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2&paragraaf=3&artikel=10&z=2009-12-31&g=2009-12-31), en goedkeuringscertificaten als bedoeld in de [artikelen 8, eerste lid, onderdeel c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2&paragraaf=3&artikel=8&z=2009-12-31&g=2009-12-31), en [10, eerste lid, onderdeel c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2&paragraaf=3&artikel=10&z=2009-12-31&g=2009-12-31), alsmede over het registreren of bewaren van gegevens of documenten over de aanvraag en afgifte.
1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de aanvraag, afgifte, vorm en inhoud van EG-keuringsverklaringen als bedoeld in [artikel 8, tweede lid, onderdelen a en b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2&paragraaf=3&artikel=8&z=2011-01-01&g=2011-01-01), EG-verklaringen als bedoeld in [artikel 10, eerste lid, onderdelen a en b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2&paragraaf=3&artikel=10&z=2011-01-01&g=2011-01-01), en goedkeuringscertificaten als bedoeld in de [artikelen 8, eerste lid, onderdeel c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2&paragraaf=3&artikel=8&z=2011-01-01&g=2011-01-01), en [10, eerste lid, onderdeel c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2&paragraaf=3&artikel=10&z=2011-01-01&g=2011-01-01), alsmede over het registreren of bewaren van gegevens of documenten over de aanvraag en afgifte.
2. Met de in het eerste lid bedoelde EG-keuringsverklaringen en EG-verklaringen worden gelijkgesteld zodanige verklaringen afgegeven met inachtneming van de [richtlijnen 2001/16/EG](32001L0016) of [96/48/EG](31996L0048) door de bevoegde instantie van een andere lidstaat.
@@ -274,19 +274,19 @@
##### Artikel 13
1. Het is verboden een EG-keuringsverklaring als bedoeld in [artikel 8, tweede lid, onderdelen a of b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2&paragraaf=3&artikel=8&z=2009-12-31&g=2009-12-31), af te geven indien niet is voldaan aan [artikel 9, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2&paragraaf=3&artikel=9&z=2009-12-31&g=2009-12-31).
2. Het is verboden een EG-verklaring als bedoeld in [artikel 10, eerste lid, onderdelen a of b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2&paragraaf=3&artikel=10&z=2009-12-31&g=2009-12-31), af te geven indien niet is voldaan aan [artikel 11, eerste of derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2&paragraaf=3&artikel=11&z=2009-12-31&g=2009-12-31).
1. Het is verboden een EG-keuringsverklaring als bedoeld in [artikel 8, tweede lid, onderdelen a of b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2&paragraaf=3&artikel=8&z=2011-01-01&g=2011-01-01), af te geven indien niet is voldaan aan [artikel 9, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2&paragraaf=3&artikel=9&z=2011-01-01&g=2011-01-01).
2. Het is verboden een EG-verklaring als bedoeld in [artikel 10, eerste lid, onderdelen a of b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2&paragraaf=3&artikel=10&z=2011-01-01&g=2011-01-01), af te geven indien niet is voldaan aan [artikel 11, eerste of derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2&paragraaf=3&artikel=11&z=2011-01-01&g=2011-01-01).
##### Artikel 14
1. De fabrikant van onderdelen van hoofdspoorweginfrastructuur als bedoeld in [artikel 10, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2&paragraaf=3&artikel=10&z=2009-12-31&g=2009-12-31), en zijn in Nederland gevestigde gemachtigde, die in strijd met [artikel 13, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2&paragraaf=3&artikel=13&z=2009-12-31&g=2009-12-31), een EG-verklaring als daar bedoeld hebben afgegeven, zijn verplicht op eerste vordering van Onze Minister en binnen een door deze te stellen termijn het verzuim te herstellen. Zij zijn verplicht de daarbij door Onze Minister gegeven aanwijzingen op te volgen.
1. De fabrikant van onderdelen van hoofdspoorweginfrastructuur als bedoeld in [artikel 10, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2&paragraaf=3&artikel=10&z=2011-01-01&g=2011-01-01), en zijn in Nederland gevestigde gemachtigde, die in strijd met [artikel 13, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2&paragraaf=3&artikel=13&z=2011-01-01&g=2011-01-01), een EG-verklaring als daar bedoeld hebben afgegeven, zijn verplicht op eerste vordering van Onze Minister en binnen een door deze te stellen termijn het verzuim te herstellen. Zij zijn verplicht de daarbij door Onze Minister gegeven aanwijzingen op te volgen.
2. Indien de fabrikant of zijn in Nederland gevestigde gemachtigde niet voldoet aan het eerste lid, neemt Onze Minister met toepassing van artikel 12 van [richtlijn 2001/16/EG](32001L0016) of van [richtlijn 96/48/EG](31996L0048) maatregelen om het in de handel brengen van het betrokken onderdeel te beperken, te verbieden of het uit de handel te doen nemen.
##### Artikel 15
Indien Onze Minister vaststelt dat een onderdeel van hoofdspoorweginfrastructuur als bedoeld in [artikel 10, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2&paragraaf=3&artikel=10&z=2009-12-31&g=2009-12-31), ondanks het feit dat ten aanzien daarvan een EG-verklaring als bedoeld in [artikel 10, eerste lid, onderdelen a of b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2&paragraaf=3&artikel=10&z=2009-12-31&g=2009-12-31), is afgegeven en ondanks het feit dat dit onderdeel overeenkomstig zijn bestemming wordt gebruikt, de veiligheid van het verkeer op de hoofdspoorwegen of interoperabiliteit als bedoeld in artikel 2, onderdeel b, van [richtlijn 96/48/EG](31996L0048) of van [richtlijn 2001/16/EG](32001L0016) in gevaar brengt, neemt hij met toepassing van de artikelen 12 van deze richtlijnen maatregelen om het toepassingsgebied van dit onderdeel te beperken, het gebruik ervan te verbieden of het uit de handel te doen nemen.
Indien Onze Minister vaststelt dat een onderdeel van hoofdspoorweginfrastructuur als bedoeld in [artikel 10, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2&paragraaf=3&artikel=10&z=2011-01-01&g=2011-01-01), ondanks het feit dat ten aanzien daarvan een EG-verklaring als bedoeld in [artikel 10, eerste lid, onderdelen a of b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2&paragraaf=3&artikel=10&z=2011-01-01&g=2011-01-01), is afgegeven en ondanks het feit dat dit onderdeel overeenkomstig zijn bestemming wordt gebruikt, de veiligheid van het verkeer op de hoofdspoorwegen of interoperabiliteit als bedoeld in artikel 2, onderdeel b, van [richtlijn 96/48/EG](31996L0048) of van [richtlijn 2001/16/EG](32001L0016) in gevaar brengt, neemt hij met toepassing van de artikelen 12 van deze richtlijnen maatregelen om het toepassingsgebied van dit onderdeel te beperken, het gebruik ervan te verbieden of het uit de handel te doen nemen.
#### § 4. Beheer van hoofdspoorwegen
@@ -332,7 +332,7 @@
- 3°. het voldoen aan de verplichtingen die Onze Minister met betrekking tot de hoofdspoorwegen heeft ingevolge [artikel 12.13, eerste lid, van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=12.13).
3. Een wijziging van de technische of functionele eigenschappen van de hoofdspoorweginfrastructuur die de gebruiksmogelijkheden van de hoofdspoorwegen aanmerkelijk verandert, behoeft de voorafgaande instemming van Onze Minister. De beheerder vermeldt in zijn verzoek om instemming de zienswijzen van betrokken gerechtigden als bedoeld in [artikel 57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=4&paragraaf=1&artikel=57&z=2009-12-31&g=2009-12-31) en, voorzover de wijziging afwijkt van die zienswijzen, een deugdelijke motivering van die afwijking.
3. Een wijziging van de technische of functionele eigenschappen van de hoofdspoorweginfrastructuur die de gebruiksmogelijkheden van de hoofdspoorwegen aanmerkelijk verandert, behoeft de voorafgaande instemming van Onze Minister. De beheerder vermeldt in zijn verzoek om instemming de zienswijzen van betrokken gerechtigden als bedoeld in [artikel 57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=4&paragraaf=1&artikel=57&z=2011-01-01&g=2011-01-01) en, voorzover de wijziging afwijkt van die zienswijzen, een deugdelijke motivering van die afwijking.
##### Artikel 18
@@ -340,7 +340,7 @@
2. Onze Minister gaat niet tot intrekking over dan nadat hij de beheerder de gelegenheid heeft geboden om binnen een daartoe te bepalen termijn zijn handelen alsnog in overeenstemming te brengen met de concessie, dan wel het wettelijk voorschrift.
3. Voordat Onze Minister een concessie verleent, wijzigt of geheel of gedeeltelijk intrekt, stelt hij betrokken gerechtigden als bedoeld in [artikel 57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=4&paragraaf=1&artikel=57&z=2009-12-31&g=2009-12-31) in de gelegenheid om gedurende een door Onze Minister daarbij te bepalen termijn van ten hoogste drie weken hun zienswijze naar voren te brengen.
3. Voordat Onze Minister een concessie verleent, wijzigt of geheel of gedeeltelijk intrekt, stelt hij betrokken gerechtigden als bedoeld in [artikel 57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=4&paragraaf=1&artikel=57&z=2011-01-01&g=2011-01-01) in de gelegenheid om gedurende een door Onze Minister daarbij te bepalen termijn van ten hoogste drie weken hun zienswijze naar voren te brengen.
4. Een concessie wordt niet eerder verleend dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
@@ -364,7 +364,7 @@
##### Artikel 20
1. Bij een hoofdspoorweg wordt de begrenzing van de hoofdspoorweg, bedoeld in [artikel 19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2&paragraaf=4&artikel=19&z=2009-12-31&g=2009-12-31), aan weerszijden gevormd door een lijn liggend op een afstand:
1. Bij een hoofdspoorweg wordt de begrenzing van de hoofdspoorweg, bedoeld in [artikel 19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2&paragraaf=4&artikel=19&z=2011-01-01&g=2011-01-01), aan weerszijden gevormd door een lijn liggend op een afstand:
- a. van elf meter bij een hoofdspoorweg op maaiveldniveau gemeten vanaf het hart van het buitenste spoor, zijnde een denkbeeldige lijn in de lengterichting van het spoor midden tussen beide spoorstaven;
@@ -380,7 +380,7 @@
3. Indien de bodemgesteldheid daartoe aanleiding geeft, kan bij besluit van Onze Minister, gehoord de beheerder, een begrenzing worden vastgesteld die afwijkt van het eerste of tweede lid.
4. In afwijking van het eerste lid, onderdeel a, wordt de begrenzing van een deel van de hoofdspoorwegen die uitsluitend of overwegend bestemd zijn voor het verrichten van goederenvervoer ten behoeve van de lokale ontsluiting van haven- en industriegebieden, gevormd door een lijn liggend op een afstand van drie meter op maaiveldniveau, gemeten vanaf het hart van het buitenste spoor. Wanneer ingevolge [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=1&artikel=2&z=2009-12-31&g=2009-12-31) of [124](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=124&z=2009-12-31&g=2009-12-31) een spoorweg wordt aangewezen als hoofdspoorweg, wordt daarbij bepaald of de hoofdspoorweg onder het bereik van dit lid valt.
4. In afwijking van het eerste lid, onderdeel a, wordt de begrenzing van een deel van de hoofdspoorwegen die uitsluitend of overwegend bestemd zijn voor het verrichten van goederenvervoer ten behoeve van de lokale ontsluiting van haven- en industriegebieden, gevormd door een lijn liggend op een afstand van drie meter op maaiveldniveau, gemeten vanaf het hart van het buitenste spoor. Wanneer ingevolge [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=1&artikel=2&z=2011-01-01&g=2011-01-01) of [124](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=124&z=2011-01-01&g=2011-01-01) een spoorweg wordt aangewezen als hoofdspoorweg, wordt daarbij bepaald of de hoofdspoorweg onder het bereik van dit lid valt.
##### Artikel 21
@@ -388,7 +388,7 @@
2. Onze Minister kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid vervatte verbod. De ontheffing kan onder beperkingen worden verleend. Aan de ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden in het belang van een veilig en doelmatig gebruik van de spoorweg of het financieel belang van de Staat.
3. In afwijking van het eerste lid wordt bij een voor het openbaar verkeer openstaande overweg buiten de bebouwde kom die onderdeel uitmaakt van een hoofdspoorweg, als bedoeld in [artikel 20, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2&paragraaf=4&artikel=20&z=2009-12-31&g=2009-12-31), het vlak, bedoeld in het eerste lid, gevormd door hoekpunten in het hart van het buitenste spoor op 50 meter aan weerszijden van de as van de weg en op elf meter uit het hart van het spoor in de as van de weg.
3. In afwijking van het eerste lid wordt bij een voor het openbaar verkeer openstaande overweg buiten de bebouwde kom die onderdeel uitmaakt van een hoofdspoorweg, als bedoeld in [artikel 20, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2&paragraaf=4&artikel=20&z=2011-01-01&g=2011-01-01), het vlak, bedoeld in het eerste lid, gevormd door hoekpunten in het hart van het buitenste spoor op 50 meter aan weerszijden van de as van de weg en op elf meter uit het hart van het spoor in de as van de weg.
##### Artikel 22
@@ -410,13 +410,13 @@
- c. de uitoefening van een wettelijke taak;
- d. het uitvoeren van werkzaamheden in opdracht van een spoorwegonderneming die beschikt over een veiligheidsattest als bedoeld in [artikel 32, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=3&artikel=32&z=2009-12-31&g=2009-12-31), of een proefattest als bedoeld in [artikel 34](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=3&artikel=34&z=2009-12-31&g=2009-12-31).
3. Onze Minister kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid vervatte verbod. [Artikel 21, tweede lid, tweede en derde volzin](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2&paragraaf=4&artikel=21&z=2009-12-31&g=2009-12-31), zijn van toepassing.
- d. het uitvoeren van werkzaamheden in opdracht van een spoorwegonderneming die beschikt over een veiligheidsattest als bedoeld in [artikel 32, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=3&artikel=32&z=2011-01-01&g=2011-01-01), of een proefattest als bedoeld in [artikel 34](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=3&artikel=34&z=2011-01-01&g=2011-01-01).
3. Onze Minister kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid vervatte verbod. [Artikel 21, tweede lid, tweede en derde volzin](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2&paragraaf=4&artikel=21&z=2011-01-01&g=2011-01-01), zijn van toepassing.
##### Artikel 23
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld ter uitvoering van de [artikelen 19 tot en met 22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2&paragraaf=4&artikel=19&z=2009-12-31&g=2009-12-31).
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld ter uitvoering van de [artikelen 19 tot en met 22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2&paragraaf=4&artikel=19&z=2011-01-01&g=2011-01-01).
##### Artikel 24
@@ -456,874 +456,958 @@
- b. die niet beschikt over een geldig veiligheidsattest of proefattest;
- c. die niet voldoet aan de voor haar ingevolge [artikel 55](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=6&artikel=55&z=2009-12-31&g=2009-12-31) geldende verzekeringsplicht;
- d. indien het recht op die toegang niet rechtstreeks voortvloeit uit een toegangsovereenkomst als bedoeld in [artikel 59](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=4&paragraaf=3&artikel=59&z=2009-12-31&g=2009-12-31);
- c. die niet voldoet aan de voor haar ingevolge [artikel 55](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=6&artikel=55&z=2011-01-01&g=2011-01-01) geldende verzekeringsplicht;
- d. indien het recht op die toegang niet rechtstreeks voortvloeit uit een toegangsovereenkomst als bedoeld in [artikel 59](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=4&paragraaf=3&artikel=59&z=2011-01-01&g=2011-01-01);
- e. die anderszins niet gerechtigd is van de hoofdspoorweg gebruik te maken.
#### § 1. Algemeen
##### Artikel 28
1. Onze Minister verleent op aanvraag een bedrijfsvergunning aan een in Nederland gevestigde spoorwegonderneming, indien deze voldoet aan de vereisten van goede naam, financiële draagkracht en beroepsbekwaamheid alsmede de uit [artikel 55](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=6&artikel=55&z=2011-01-01&g=2011-01-01) voortvloeiende verzekeringsplicht.
2. Onze Minister kan voor bij of krachtens algemene maatregel van bestuur omschreven soorten van gebruik van de hoofdspoorweg, bij de verlening van een bedrijfsvergunning een of meer van de bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aangewezen, in het eerste lid bedoelde eisen geheel of gedeeltelijk buiten toepassing laten. Alsdan is een zodanige beperkte bedrijfsvergunning slechts geldig voor het gebruik waarvoor deze is verleend.
3. Onze Minister beslist binnen dertien weken op de aanvraag.
4. Aan de vergunning kunnen voorschriften worden verbonden. De vergunning wordt verleend voor onbepaalde tijd.
5. Onze Minister kan ambtshalve of op aanvraag van de vergunninghouder de vergunning wijzigen, alsnog voorschriften aan de vergunning verbinden en de aan de vergunning verbonden voorschriften aanvullen dan wel wijzigen.
##### Artikel 29
Onze Minister schorst de bedrijfsvergunning of trekt deze in, indien:
- a. de vergunninghouder niet meer voldoet aan de bij of krachtens [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=2&artikel=28&z=2011-01-01&g=2011-01-01) toepasselijke eisen of voorschriften;
- b. de veiligheid van het spoorverkeer door wijziging van de rechtspositie van de vergunninghouder ingeval van fusie of bedrijfsovername naar het oordeel van Onze Minister niet langer is gewaarborgd of
- c. bij herhaling bij onherroepelijk rechterlijk vonnis is vastgesteld dat de vergunninghouder of zijn bestuurders het bepaalde bij of krachtens deze wet dan wel de toepasselijke voorschriften inzake arbeidsomstandigheden of arbeidstijden hebben overtreden, dan wel bij onherroepelijk vonnis is vastgesteld dat deze het bepaalde bij of krachtens deze wet dan wel de toepasselijke voorschriften inzake arbeidsomstandigheden of arbeidstijden in ernstige mate hebben overtreden.
##### Artikel 30
1. Een vergunning als bedoeld in artikel 2, onderdeel b, van [richtlijn 95/18/EG](31995L0018) die is verleend door een bevoegde instantie van een andere lidstaat aan een aldaar gevestigde spoorwegonderneming, wordt voor de toepassing van deze wet gelijkgesteld met een bedrijfsvergunning, verleend op grond van [artikel 28, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=2&artikel=28&z=2011-01-01&g=2011-01-01).
2. Met een bedrijfsvergunning verleend op grond van [artikel 28, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=2&artikel=28&z=2011-01-01&g=2011-01-01), worden voorts voor de toepassing van deze wet gelijkgesteld:
- a. de bij ministeriële regeling omschreven documenten die in het buitenland door het aldaar bevoegde gezag zijn afgegeven en die in voldoende mate kunnen gelden als bewijs dat ten minste wordt voldaan aan de in [artikel 28, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=2&artikel=28&z=2011-01-01&g=2011-01-01), bedoelde eisen;
- b. een besluit van Onze Minister waarin ten aanzien van een in het buitenland gevestigde spoorwegonderneming is verklaard dat ten minste wordt voldaan aan de in [artikel 28, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=2&artikel=28&z=2011-01-01&g=2011-01-01), vermelde eisen.
3. [Artikel 29](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=2&artikel=29&z=2011-01-01&g=2011-01-01) is van overeenkomstige toepassing op de gelijkstelling krachtens het tweede lid.
##### Artikel 31
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gegeven over de uitvoering van deze paragraaf, waaronder regels over:
- a. de toepassing van de in [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=2&artikel=28&z=2011-01-01&g=2011-01-01), eerste lid, bedoelde eisen;
- b. de verlening, weigering, wijziging, schorsing of intrekking van een bedrijfsvergunning;
- c. de aan de bedrijfsvergunning te verbinden voorschriften en beperkingen.
#### § 3. Het veiligheidsattest
##### Artikel 32
1. Onze Minister verleent op aanvraag een veiligheidsattest aan de houder of de aanvrager van een bedrijfsvergunning, indien deze aantoont:
- a. bij het voorgenomen gebruik van de spoorweg te kunnen voldoen aan de bij of krachtens dit hoofdstuk gestelde voorschriften en
- b. door toepassing van een adequaat veiligheidszorgsysteem veilig gebruik te kunnen maken van de spoorweg.
2. Onze Minister beslist binnen dertien weken op de aanvraag. Indien de beschikking niet binnen dertien weken kan worden gegeven, stelt Onze Minister de aanvrager daarvan in kennis en noemt daarbij een redelijke termijn waarbinnen de beschikking wel tegemoet kan worden gezien.
##### Artikel 33
1. Het veiligheidsattest is ten hoogste drie jaar geldig.
2. De attesthouder past een adequaat veiligheidszorgsysteem toe, met behulp waarvan wordt gewaarborgd dat de spoorwegonderneming:
- a. bij de normale bedrijfsvoering en bij voorzienbare afwijkingen daarvan geen schade berokkent en niemand onnodig hindert of in gevaar brengt en zorgt dat het spoorverkeer zo veel mogelijk zonder verstoringen kan worden afgewikkeld;
- b. rekening houdt met de specifieke vereisten wanneer de normale bedrijfsvoering raakt aan die van andere gebruikers van de spoorweg of van de beheerder;
- c. de aan de bedrijfsvoering verbonden risico's onderkent en passende maatregelen neemt om deze afdoende te beheersen en daarbij rekening houdt met de stand der techniek en de binnen de bedrijfstak aanwezige kennis en richtsnoeren voor een veilige bedrijfsvoering;
- d. procedures vaststelt en hanteert voor het nemen van corrigerende maatregelen bij afwijkingen en incidenten, alsmede voor het voortdurend verbeteren van het veiligheidsniveau met het oog op zich wijzigende omstandigheden en op grond van opgedane ervaringen;
- e. ervoor zorg draagt dat werknemers met een veiligheidsfunctie met het oog op het behouden van hun geschiktheid, kennis en bekwaamheid voor de desbetreffende functie de noodzakelijke oefening hebben en de noodzakelijke nadere of aanvullende scholing, opleiding en studie volgen.
3. Het veiligheidszorgsysteem is passend voor de aard en de omvang van de spoorwegonderneming.
4. Aan het veiligheidsattest kunnen beperkingen en voorschriften worden verbonden in het belang van de veiligheid op en in de directe nabijheid van de spoorweg.
5. Onze Minister kan het veiligheidsattest schorsen of intrekken:
- a. wegens handelen in strijd met dit hoofdstuk;
- b. in het belang van de veiligheid op en in de directe nabijheid van de spoorweg;
- c. indien de bedrijfsvergunning van de attesthouder is geschorst of ingetrokken.
6. Onze Minister kan het veiligheidsattest of de daaraan verbonden beperkingen en voorschriften ambtshalve of op aanvraag wijzigen, met inachtneming van het belang van de veiligheid op en in de directe nabijheid van de spoorweg.
7. Overtreding van de voorschriften, bedoeld in het vierde lid, is verboden.
##### Artikel 34
1. Onze Minister kan aan degene die een veiligheidsattest heeft aangevraagd of aan de attesthouder die een wijziging van het veiligheidsattest heeft aangevraagd een proefattest verlenen.
2. Het proefattest wordt verleend met het oog op het opdoen van ervaring of het testen van procedures of spoorvoertuigen ten behoeve van verlening of wijziging van een veiligheidsattest.
3. Het proefattest is ten hoogste dertien weken geldig en vervalt van rechtswege bij de verlening of de wijziging, bedoeld in het tweede lid. Indien toepassing is gegeven aan [artikel 32, tweede lid, tweede volzin](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=3&artikel=32&z=2011-01-01&g=2011-01-01), vervalt het proefattest met ingang van de dag na de laatste dag van de krachtens die bepaling gestelde termijn.
4. [Artikel 33, vierde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=3&artikel=33&z=2011-01-01&g=2011-01-01), is op het proefattest van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 35
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gegeven over de uitvoering van deze paragraaf, waaronder regels ten aanzien van:
- a. de verlening, weigering, wijziging, schorsing of intrekking van een veiligheidsattest en van een proefattest;
- b. de aan een veiligheidsattest en een proefattest te verbinden voorschriften en beperkingen;
- c. de bedrijfsprocessen die ten minste in het veiligheidszorgsysteem zijn opgenomen.
#### § 4. Gebruik, compatibiliteit en interoperabiliteit van spoorvoertuigen
##### Artikel 36
1. Het is verboden over een hoofdspoorweg te rijden met een spoorvoertuig:
- a. waarvoor geen geldige EG-keuringsverklaring of geldig goedkeuringscertificaat als bedoeld in [artikel 37](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=4&artikel=37&z=2011-01-01&g=2011-01-01) is afgegeven;
- b. dat niet voldoet aan de toepasselijke technische specificaties of eisen, bedoeld in [artikel 47](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=4&artikel=47&z=2011-01-01&g=2011-01-01);
- c. dat storingen, buitensporige slijtage of schade aan de desbetreffende spoorweginfrastructuur kan veroorzaken;
- d. dat niet beschikt over de eigenschappen die noodzakelijk zijn om veilig gebruik te kunnen maken van de desbetreffende spoorweginfrastructuur.
2. Met een EG-keuringsverklaring als bedoeld in het eerste lid wordt gelijkgesteld een zodanige verklaring afgegeven met inachtneming van [richtlijn 2001/16/EG](32001L0016) onderscheidenlijk 96/48/EG door de bevoegde instantie van een andere lidstaat.
3. Met een goedkeuringscertificaat als bedoeld in het eerste lid, voorzover afgegeven op basis van het Verdrag wordt gelijkgesteld een zodanig certificaat afgegeven met inachtneming van het Verdrag door de bevoegde instantie van een andere staat die partij is bij het Verdrag.
4. Tot het bewijs dat een spoorvoertuig is gecontroleerd op het voldoen aan de regels, bedoeld in [artikel 38, eerste lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=4&artikel=38&z=2011-01-01&g=2011-01-01), is een geldig inzetcertificaat vereist, afgegeven door Onze Minister, de beheerder gehoord.
5. Onze Minister, de beheerder gehoord, kan het certificaat, bedoeld in het vierde lid, wijzigen of intrekken indien niet langer aan de regels, bedoeld in [artikel 38, eerste lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=4&artikel=38&z=2011-01-01&g=2011-01-01), wordt voldaan.
6. Het certificaat, bedoeld in het vierde lid, kan onder voorschriften of beperkingen worden afgegeven.
7. Bij ministeriële regeling kunnen categorieën van spoorvoertuigen worden aangewezen, waarop het vierde lid niet van toepassing is.
##### Artikel 37
1. Een EG-keuringsverklaring als bedoeld in [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=4&artikel=36&z=2011-01-01&g=2011-01-01), wordt afgegeven indien:
- a. het spoorvoertuig dan wel de uitrusting daarvan voldoet aan de toepasselijke technische specificaties inzake interoperabiliteit, bedoeld in artikel 2, onderdeel g, van [richtlijn 2001/16/EG](32001L0016), respectievelijk artikel 2, onderdeel g, van [richtlijn 96/48/EG](31996L0048) en
- b. ten aanzien van het spoorvoertuig of de uitrusting daarvan een conformiteitsverklaring als bedoeld in [richtlijn 2001/16/EG](32001L0016), bijlage VI, punt 3, respectievelijk in [richtlijn 96/48/EG](31996L0048), bijlage VI, punt 3, is afgegeven door een keuringsinstantie.
2. Een goedkeuringscertificaat als bedoeld in [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=4&artikel=36&z=2011-01-01&g=2011-01-01), wordt afgegeven, indien het spoorvoertuig of de uitrusting daarvan voldoet aan de bij of krachtens algemene maatregel van bestuur gestelde eisen.
##### Artikel 38
1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels of nadere regels gesteld over:
- a. de compatibiliteit van spoorvoertuigen met de spoorweginfrastructuur, bedoeld in [artikel 36, eerste lid, onderdelen c en d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=4&artikel=36&z=2011-01-01&g=2011-01-01);
- b. de aanvraag, afgifte, wijziging, intrekking, vorm of inhoud van de EG-keuringsverklaringen, de goedkeuringscertificaten en de inzetcertificaten, bedoeld in [artikel 36](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=4&artikel=36&z=2011-01-01&g=2011-01-01), en de aan die certificaten te verbinden voorschriften of beperkingen, alsmede over het registreren of bewaren van gegevens of documenten over de aanvraag, afgifte, wijziging of intrekking;
- c. het onderzoek naar de overeenstemming van de productie van spoorvoertuigen of uitrusting daarvan, waarvoor een goedkeuring van het type is verleend, met het goedgekeurde type.
2. Bij of krachtens de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het eerste lid, kunnen in het belang van de veiligheid of de interoperabiliteit van het verkeer over hoofdspoorwegen aanvullende technische specificaties worden gesteld op de technische specificaties, bedoeld in [artikel 37, eerste lid, onderdelen a en b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=4&artikel=37&z=2011-01-01&g=2011-01-01).
##### Artikel 39
1. Het is verboden de ingevolge [richtlijnen 2001/16/EG](32001L0016) of [96/48/EG](31996L0048) dan wel het Verdrag dan wel krachtens deze wet als zodanig aangewezen onderdelen van spoorvoertuigen of uitrusting daarvan als zodanig in de handel te brengen of te gebruiken, indien ten aanzien daarvan niet zijn afgegeven:
- a. geldige EG-verklaringen van conformiteit of geschiktheid voor gebruik als bedoeld in artikel 10 van [richtlijn 2001/16/EG](32001L0016);
- b. geldige EG-verklaringen van conformiteit of geschiktheid voor gebruik als bedoeld in artikel 10 van [richtlijn 96/48/EG](31996L0048) of
- c. geldige goedkeuringscertificaten.
2. Met een EG-verklaring als bedoeld in het eerste lid, onderdelen a of b, wordt gelijkgesteld een zodanige verklaring afgegeven met inachtneming van [richtlijn 2001/16/EG](32001L0016) onderscheidenlijk 96/48/EG door de bevoegde instantie van een andere lidstaat.
3. Met een goedkeuringscertificaat als bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, voorzover afgegeven op basis van het Verdrag wordt gelijkgesteld een zodanig certificaat afgegeven met inachtneming van het Verdrag door de bevoegde instantie van een andere staat die partij is bij het Verdrag.
##### Artikel 40
1. Een EG-verklaring als bedoeld in [artikel 39, eerste lid, onderdelen a of b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=4&artikel=39&z=2011-01-01&g=2011-01-01), wordt afgegeven indien:
- a. de desbetreffende onderdelen voldoen aan de toepasselijke technische specificaties inzake interoperabiliteit als bedoeld in artikel 2, onderdeel g, van [richtlijn 2001/16/EG](32001L0016), respectievelijk artikel 2, onderdeel g, van [richtlijn 96/48/EG](31996L0048);
- b. de toetsing van onderdeel a is uitgevoerd door een keuringsinstantie, respectievelijk door een keuringsinstantie voorzover de technische specificaties dit vereisen.
2. Een goedkeuringscertificaat als bedoeld in [artikel 39, eerste lid, onderdeel c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=4&artikel=39&z=2011-01-01&g=2011-01-01), wordt afgegeven indien de desbetreffende onderdelen voldoen aan de bij of krachtens algemene maatregel van bestuur gestelde eisen.
3. Indien met betrekking tot de in het eerste lid bedoelde onderdelen, andere EG-richtlijnen bestaan ten aanzien van andere aspecten dan geregeld in bedoelde technische specificaties, vermelden de verklaringen, bedoeld in dat lid, tevens of deze onderdelen aan die andere EG-richtlijnen voldoen.
##### Artikel 41
1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels of nadere regels gesteld over:
- a. de aanvraag, afgifte, vorm en inhoud van de EG-verklaringen en de goedkeuringscertificaten, bedoeld in [artikel 39](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=4&artikel=39&z=2011-01-01&g=2011-01-01), alsmede over het registreren of bewaren van gegevens of documenten over de aanvraag en afgifte;
- b. het onderzoek naar de overeenstemming van de productie van als zodanig aangewezen onderdelen van spoorvoertuigen of uitrusting daarvan, waarvoor een goedkeuring van het type is verleend, met het goedgekeurde type.
2. Bij of krachtens de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het eerste lid, kunnen in het belang van de veiligheid of de interoperabiliteit van het verkeer over de hoofdspoorwegen aanvullende technische specificaties worden gesteld op de technische specificaties, bedoeld in [artikel 40, eerste lid, onderdelen a en b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=4&artikel=40&z=2011-01-01&g=2011-01-01).
##### Artikel 42
1. Het is verboden een EG-keuringsverklaring als bedoeld in [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=4&artikel=36&z=2011-01-01&g=2011-01-01), af te geven indien niet is voldaan aan [artikel 37](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=4&artikel=37&z=2011-01-01&g=2011-01-01).
2. Het is verboden een EG-verklaring als bedoeld in [artikel 39, eerste lid, onderdelen a of b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=4&artikel=39&z=2011-01-01&g=2011-01-01), af te geven indien niet is voldaan aan [artikel 40, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=4&artikel=40&z=2011-01-01&g=2011-01-01).
##### Artikel 43
1. De fabrikant van onderdelen van spoorvoertuigen of uitrusting daarvan als bedoeld in [artikel 39, eerste lid, onderdelen a of b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=4&artikel=39&z=2011-01-01&g=2011-01-01), en zijn in Nederland gevestigde gemachtigde die in strijd met [artikel 42, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=4&artikel=42&z=2011-01-01&g=2011-01-01), een EG-verklaring als daar bedoeld voor die onderdelen hebben afgegeven, zijn verplicht op eerste vordering van Onze Minister en binnen een door deze te stellen termijn het verzuim te herstellen. Zij zijn verplicht de daarbij door Onze Minister gegeven aanwijzingen op te volgen.
2. Indien de fabrikant of zijn in Nederland gevestigde gemachtigde niet voldoet aan het eerste lid, neemt Onze Minister met toepassing van artikel 12 van [richtlijn 2001/16/EG](32001L0016) of van [richtlijn 96/48/EG](31996L0048) maatregelen om het in de handel brengen van het betrokken onderdeel te beperken, te verbieden of het uit de handel te doen nemen.
##### Artikel 44
Indien Onze Minister vaststelt dat een onderdeel van een spoorvoertuig of uitrusting daarvan als bedoeld in [artikel 39, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=4&artikel=39&z=2011-01-01&g=2011-01-01), ondanks het feit dat ten aanzien daarvan een EG-verklaring als bedoeld in [artikel 39, eerste lid, onderdelen a of b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=4&artikel=39&z=2011-01-01&g=2011-01-01), is afgegeven en ondanks het feit dat dit onderdeel overeenkomstig zijn bestemming wordt gebruikt, de veiligheid van het verkeer op de hoofdspoorwegen of interoperabiliteit als bedoeld in artikel 2, onderdeel b, van [richtlijn 96/48/EG](31996L0048) of van [richtlijn 2001/16/EG](32001L0016) in gevaar brengt, neemt hij met toepassing van de artikelen 12 van deze richtlijnen maatregelen om het toepassingsgebied van dit onderdeel te beperken, het gebruik ervan te verbieden of het uit de handel te doen nemen.
##### Artikel 45
De spoorwegonderneming die een krachtens deze wet goedgekeurd spoorvoertuig gebruikt, doet overeenkomstig bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen regels onverwijld mededeling van:
- a. een ernstige beschadiging van het spoorvoertuig, zodanig dat het spoorvoertuig niet op eenvoudige wijze in een toestand kan worden gebracht, dat het rijdend vervoerd kan worden zonder de veiligheid van het verkeer op de hoofdspoorweg in gevaar te brengen;
- b. wijzigingen in constructie, inrichting of uitrusting van het spoorvoertuig ten opzichte van de feitelijke situatie bij de goedkeuring;
- c. de wijziging van eigenaar of houder van dat voertuig of de definitieve buitengebruikstelling daarvan.
##### Artikel 46
1. Onze Minister, de beheerder gehoord, kan ontheffing verlenen van het verbod, bedoeld in [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=4&artikel=36&z=2011-01-01&g=2011-01-01).
2. Aan een ontheffing kunnen voorschriften of beperkingen worden verbonden in het belang van een veilig en ongestoord gebruik van hoofdspoorwegen.
3. Overtreding van de voorschriften, bedoeld in het tweede lid, is verboden.
##### Artikel 47
1. De spoorwegonderneming of de houder van een spoorvoertuig draagt er zorg voor dat de door hen gebruikte spoorvoertuigen, de uitrusting en de als zodanig aangewezen onderdelen daarvan tijdens het gebruik in het verkeer over de hoofdspoorwegen bij voortduring blijven voldoen aan:
- a. de toepasselijke technische specificaties inzake interoperabiliteit, bedoeld in artikel 2, onderdeel g, van [richtlijn 2000/16/EG](32000L0016), respectievelijk artikel 2, onderdeel g, van [richtlijn 96/48/EG](31996L0048);
- b. de eisen, bedoeld in de [artikelen 37, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=4&artikel=37&z=2011-01-01&g=2011-01-01), [38, eerste lid, onderdeel a, of tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=4&artikel=38&z=2011-01-01&g=2011-01-01), [40, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=4&artikel=40&z=2011-01-01&g=2011-01-01), of [41, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=4&artikel=41&z=2011-01-01&g=2011-01-01).
2. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder houder van een spoorvoertuig verstaan degene die als eigenaar of anderszins beschikkingsbevoegde dit voertuig duurzaam als transportmiddel exploiteert.
##### Artikel 48
1. Het is verboden onderhoud en herstel van spoorvoertuigen die van hoofdspoorwegen gebruik maken te laten uitvoeren door anderen dan daartoe door Onze Minister erkende natuurlijke personen of rechtspersonen.
2. Een erkenning wordt op aanvraag verleend indien:
- a. de natuurlijke persoon of de bestuurders van de rechtspersoon beschikken over een met het oog op de erkenning verleende verklaring omtrent het gedrag als bedoeld in [artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014194&artikel=28) dan wel voldoen aan gelijkwaardige eisen van betrouwbaarheid;
- b. de natuurlijke persoon of de bestuurders van de rechtspersoon aantonen dat de onderhouds- en herstelwerkzaamheden met de grootste beroepsintegriteit en vakbekwaamheid worden uitgevoerd en
- c. wordt voldaan aan bij algemene maatregel van bestuur gestelde eisen of nadere eisen.
3. De eisen of nadere eisen, bedoeld in het tweede lid, onderdeel c, kunnen onder meer betrekking hebben op:
- a. de voor het onderhoud of herstel beschikbare ruimte en de gebruikte apparatuur;
- b. de deskundigheid van de met het onderhoud of herstel belaste personen en
- c. het proces dat bij het onderhoud of herstel wordt toegepast.
4. Onze Minister kan de erkenning, bedoeld in het tweede lid, onder beperkingen verlenen en daaraan voorschriften verbinden met betrekking tot de uit te voeren werkzaamheden.
5. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over het onderhoud alsmede over de aanvraag en het verlenen van een erkenning.
6. Onze Minister trekt een erkenning in:
- a. op verzoek van degene aan wie deze is verleend;
- b. indien degene, aan wie deze is verleend, niet langer voldoet aan de eisen, bedoeld in het tweede lid.
#### § 5. Personeel
##### Artikel 49
1. Personen die binnen het hoofdspoorwegverkeerssysteem een veiligheidsfunctie uitoefenen dienen, behoudens bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde uitzonderingen, te voldoen aan de bij of krachtens algemene maatregel van bestuur voor de uitoefening van die functie gestelde eisen inzake:
- a. minimumleeftijd;
- b. medische en psychologische geschiktheid;
- c. algemene kennis, bekwaamheid en ervaring;
- d. beheersing van de Nederlandse taal.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de wijze waarop dient te worden aangetoond dat aan de in het eerste lid bedoelde eisen wordt voldaan.
##### Artikel 50
1. Personen die binnen het hoofdspoorwegverkeerssysteem een veiligheidsfunctie uitoefenen, beschikken, behoudens bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde uitzonderingen, over:
- a. een certificaat van bekwaamheid, afgegeven door een door Onze Minister aangewezen exameninstituut, waaruit blijkt dat zij voldoen aan de in [artikel 49, eerste lid, onderdeel c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=5&artikel=49&z=2011-01-01&g=2011-01-01), bedoelde eisen alsmede over een geldige verklaring van medische geschiktheid en een geldige verklaring van psychologische geschiktheid, afgegeven door een door Onze Minister aangewezen keuringsinstituut, waaruit blijkt dat zij voldoen aan de in [artikel 49, eerste lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=5&artikel=49&z=2011-01-01&g=2011-01-01), bedoelde eisen; of
- b. een erkenning van beroepskwalificaties als bedoeld in [artikel 5 van de Algemene wet erkenning EG-beroepskwalificaties](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023066&artikel=5).
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de afgifte, de inhoud en de geldigheid van de in het eerste lid bedoelde documenten alsmede over de aanwijzing van exameninstituten en keuringsinstituten.
##### Artikel 51
1. Degene onder wiens gezag binnen het hoofdspoorwegverkeerssysteem een veiligheidsfunctie wordt uitgeoefend verschaft, behoudens bij algemene maatregel van bestuur omschreven uitzonderingen, aan degene die de betrokken functie uitoefent, die beschikt over de in [artikel 50, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=5&artikel=50&z=2011-01-01&g=2011-01-01), bedoelde documenten en die naar zijn oordeel beschikt over de voor de uitoefening van die functie vereiste specifieke, taakgebonden en bedrijfsgebonden kennis en bekwaamheid, een bedrijfspas.
2. De bedrijfspas voldoet aan de bij of krachtens algemene maatregel van bestuur gestelde eisen.
3. De houder van de bedrijfspas is verplicht die pas op eerste vordering te tonen aan de krachtens de [artikelen 69](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=6&paragraaf=1&artikel=69&z=2011-01-01&g=2011-01-01) en [86](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=6&paragraaf=4&artikel=86&z=2011-01-01&g=2011-01-01) met het toezicht op de naleving onderscheidenlijk de opsporing van strafbare feiten belaste personen.
4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over:
- a. de voor de uitoefening van veiligheidsfuncties vereiste specifieke, taakgebonden en bedrijfsgebonden kennis en bekwaamheid;
- b. de geldigheidsduur van bedrijfspassen.
##### Artikel 52
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen, met het oog op de veiligheid, regels worden gesteld over de bedrijfsvoering en de organisatiestructuur van degene onder wiens gezag binnen het hoofdspoorwegverkeerssysteem een veiligheidsfunctie wordt uitgeoefend.
##### Artikel 53
Het is verboden een veiligheidsfunctie binnen het hoofdspoorwegverkeerssysteem te doen uitoefenen door een persoon:
- a. die niet beschikt over de in [artikel 50, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=5&artikel=50&z=2011-01-01&g=2011-01-01), bedoelde documenten;
- b. waarvan men weet of redelijkerwijs moet weten dat hij niet voldoet aan de voor de uitoefening van de functie gestelde eisen als bedoeld in [artikel 49](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=5&artikel=49&z=2011-01-01&g=2011-01-01).
##### Artikel 54
Degene onder wiens gezag een persoon die binnen het hoofdspoorwegverkeerssysteem een functie, niet zijnde een veiligheidsfunctie, uitoefent die van invloed kan zijn op de veiligheid van het verkeer over hoofdspoorwegen, draagt er zorg voor dat die persoon daartoe geschikt is en de nodige kennis en bekwaamheid bezit.
#### § 6. De verzekeringsplicht
##### Artikel 55
1. De spoorwegonderneming die van de hoofdspoorweg gebruik maakt, is verplicht ter zake van dat gebruik een verzekering te sluiten en in stand te houden, waarmee haar uit wettelijke aansprakelijkheid voortvloeiende financiële risico's voldoende zijn gedekt.
2. Bij algemene maatregel van bestuur worden bedragen vastgesteld waarboven de verzekeringsplicht zich niet uitstrekt. Afzonderlijke bedragen kunnen worden bepaald naar gelang van onder meer de aard van de gebeurtenis, de aard van de schade, de grond van de aansprakelijkheid en de aard van de onderneming.
3. [Artikel 6 van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002415&artikel=6) is van overeenkomstige toepassing.
### Hoofdstuk 4. Het gebruik van hoofdspoorwegen
#### § 1. Algemene bepalingen
##### Artikel 56
In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
- a. gerechtigde: gerechtigde als bedoeld in [artikel 57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=4&paragraaf=1&artikel=57&z=2011-01-01&g=2011-01-01);
- b. toegangsovereenkomst: toegangsovereenkomst als bedoeld in [artikel 59](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=4&paragraaf=3&artikel=59&z=2011-01-01&g=2011-01-01);
- c. kaderovereenkomst: kaderovereenkomst als bedoeld in artikel 17 van [richtlijn 2001/14/EG](32001L0014);
- d. gebruik van een hoofdspoorweg: het met een spoorvoertuig rijden over of stilstaan op een hoofdspoorweg;
- e. capaciteit: capaciteit van de hoofdspoorweginfrastructuur;
- f. netverklaring: netverklaring als bedoeld in [richtlijn 2001/14/EG](32001L0014);
- g. gebruiksvergoeding: vergoeding als bedoeld in artikel 8 van [richtlijn 91/440/EEG](31991L0440) en artikel 4 van [richtlijn 2001/14/EG](32001L0014).
##### Artikel 57
Gerechtigd tot het sluiten van een toegangsovereenkomst en een kaderovereenkomst met de beheerder zijn:
- a. spoorwegondernemingen en hun internationale samenwerkingsverbanden als bedoeld in artikel 3 van [richtlijn 91/440/EEG](31991L0440) die in het bezit zijn van een bedrijfsvergunning of deze hebben aangevraagd, voorzover zij daarmee gerechtigd zijn van de hoofdspoorwegen gebruik te maken op de wijze waarvoor zij de overeenkomst willen sluiten;
- b. concessieverleners als bedoeld in [artikel 20 van de Wet personenvervoer 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011470&artikel=20) ten behoeve van openbaar vervoer per trein;
- c. andere bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aan te wijzen bestuursorganen, personen of rechtspersonen.
#### § 6. De verzekeringsplicht
##### Artikel 58
1. De beheerder stelt jaarlijks, na overleg met betrokken gerechtigden, een netverklaring op.
2. De netverklaring bevat de gegevens, bedoeld in artikel 3 en bijlage I van [richtlijn 2001/14/EG](32001L0014), en voorts ten minste:
- a. informatie over voor bepaalde soorten van gebruik voorbehouden capaciteit;
- b. een zakelijke weergave van de inhoud van de geldende kaderovereenkomsten;
- c. een prognose omtrent de ontwikkeling van de capaciteit;
- d. alle overige relevante informatie voor het gebruik van de capaciteit.
3. Met inachtneming van artikel 3, vierde lid, van [richtlijn 2001/14/EG](32001L0014) stelt de beheerder de netverklaring tegen vergoeding van ten hoogste de kostprijs algemeen verkrijgbaar en zendt haar aan de betrokken spoorwegondernemingen en de raad van bestuur NMa.
4. De beheerder brengt in de netverklaring zo nodig wijzigingen aan. Met inachtneming van artikel 8, vierde lid, van [richtlijn 2001/14/EG](32001L0014) en tegen vergoeding van ten hoogste de kostprijs stelt hij de gewijzigde netverklaring algemeen verkrijgbaar en doet hij van de wijzigingen mededeling aan de betrokken spoorwegondernemingen en aan de raad van bestuur NMa.
#### § 3. Toegangsovereenkomst
##### Artikel 59
1. Een tussen de beheerder en een gerechtigde gesloten overeenkomst over het gebruik van capaciteit bevat in elk geval bedingen over:
- a. de door de beheerder te bieden kwaliteit van de hoofdspoorweginfrastructuur;
- b. de gebruiksvergoeding.
2. In de overeenkomst wordt uitgesloten dat overeengekomen capaciteit kan worden overgedragen aan of gebruikt door een ander dan een gerechtigde.
3. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen ten behoeve van de overeenkomst algemene voorwaarden als bedoeld in [artikel 231 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005289&artikel=231) worden vastgesteld. In dat geval wordt in de overeenkomst naar die algemene voorwaarden verwezen.
#### § 4. Kaderovereenkomst
##### Artikel 60
1. Een tussen de beheerder en een gerechtigde gesloten kaderovereenkomst voldoet aan artikel 10, vijfde lid, van [richtlijn 91/440/EEG](31991L0440) en artikel 17 van [richtlijn 2001/14/EG](32001L0014).
2. In een kaderovereenkomst wordt uitgesloten dat overeengekomen capaciteit kan worden overgedragen aan of gebruikt door een ander dan een gerechtigde.
3. Een kaderovereenkomst met een geldigheidsduur van meer dan vijf jaar behoeft de voorafgaande instemming van de raad van bestuur NMa.
4. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen ten behoeve van de kaderovereenkomst algemene voorwaarden als bedoeld in [artikel 231 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005289&artikel=231) worden vastgesteld. In dat geval wordt in de kaderovereenkomst naar die algemene voorwaarden verwezen.
#### § 2. Netverklaring
##### Artikel 61
1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de verdeling van capaciteit. Die regels kunnen strekken ter bescherming van het milieu.
2. Bij de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het eerste lid, worden minimale niveaus van capaciteit vastgesteld voor daarbij aangegeven deelmarkten van het goederenvervoer en het personenvervoer en worden regels gesteld over de prioriteitscriteria, bedoeld in artikel 22, derde tot en met vijfde lid, van [richtlijn 2001/14/EG](32001L0014).
3. Bij of krachtens de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het eerste lid, wordt bepaald in welke gevallen capaciteit tot een bepaald tijdstip is voorbehouden voor bepaalde soorten gebruik van de hoofdspoorwegen en vanaf welk tijdstip deze capaciteit beschikbaar is voor ander gebruik.
4. De voordracht voor een krachtens het eerste lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
#### § 3. Toegangsovereenkomst
##### Artikel 62
1. Behoudens het tweede, derde en vijfde lid bedragen de begrote opbrengsten van de gebruiksvergoeding niet meer dan de begrote kosten ter zake van de desbetreffende hoofdspoorweginfrastructuur in dat jaar voor de beheerder.
2. Met betrekking tot bij algemene maatregel van bestuur aangewezen hoofdspoorweginfrastructuur kan een gebruiksvergoeding worden overeengekomen die mede strekt ter dekking van door een ander dan de beheerder gedane uitgaven voor de aanleg van die infrastructuur.
3. Er kan een verhoging worden overeengekomen voor het gebruik van overbelaste hoofdspoorweginfrastructuur gedurende periodes van overbelasting en voor de kosten van milieueffecten van het gebruik van hoofdspoorweginfrastructuur die niet in de begrote kosten van de beheerder zijn opgenomen.
4. Er kan een korting als bedoeld in artikel 9 van [richtlijn 2001/14/EG](32001L0014) worden overeengekomen.
5. Er kan een aftrek dan wel bijtelling worden overeengekomen in verband met optredende verstoringen en met het oog op verbetering van de prestaties van het spoorwegnet.
6. Er kan worden overeengekomen dat de gebruiksvergoeding ook verschuldigd is voor overeengekomen capaciteit die niet wordt gebruikt.
7. De overeengekomen gebruiksvergoeding voldoet aan de artikelen 4, vierde en vijfde lid, 7 tot en met 12 en 26, derde lid, van [richtlijn 2001/14/EG](32001L0014).
8. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de maatstaven en nadere regels over de hoogte van de gebruiksvergoeding.
9. De voordracht voor een krachtens het achtste lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
##### Artikel 63
1. Onderhandelingen tussen een gerechtigde en de beheerder betreffende de hoogte van de gebruiksvergoeding zijn niet toegestaan dan na een melding aan en onder toezicht van de raad van bestuur NMa.
2. De raad van bestuur NMa legt, indien de onderhandelingen naar zijn oordeel in strijd zijn met [richtlijn 2001/14/EG](32001L0014), aan de overtreder zo nodig een last onder dwangsom op. Aan de last kunnen voorschriften worden verbonden inzake het verstrekken van gegevens aan de raad van bestuur NMa. De [artikelen 54a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008691&artikel=54a), [62](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008691&artikel=62) en [65 van de Mededingingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008691&artikel=65) zijn van overeenkomstige toepassing.
#### § 7. Nadere bepalingen inzake het gebruik van hoofdspoorwegen
##### Artikel 64
1. De beheerder bevordert dat werkzaamheden aan en nabij de hoofdspoorweg veilig plaatsvinden. Werkzaamheden aan of nabij de hoofdspoorweg, waardoor veilig en ongestoord rijden of stilstaan met spoorvoertuigen niet mogelijk is, worden slechts uitgevoerd, indien het betrokken gedeelte van de hoofdspoorweg door de beheerder buiten dienst is gesteld.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over het verrichten van werkzaamheden aan of nabij de hoofdspoorweg.
##### Artikel 65
1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden met het oog op een veilig en ongestoord gebruik van hoofdspoorwegen regels gesteld. Deze regels kunnen onder meer betrekking hebben op:
- a. aard, uitvoering, plaatsing, bediening en betekenis van seinen;
- b. bewegingen met spoorvoertuigen;
- c. het rijden met spoorvoertuigen op de openbare weg;
- d. het gebruik van overwegen en overpaden;
- e. verplichtingen – in verband met storingen, ongevallen, incidenten en andere onregelmatigheden – van spoorwegondernemingen, bestuurders van een spoorvoertuig en andere personen die deelnemen aan het verkeer over de hoofdspoorweg.
2. Een ieder die zich op de hoofdspoorweg bevindt, neemt de voor hem bestemde seinen in acht.
#### § 6. Gebruiksvergoeding
##### Artikel 66
1. Onze Minister kan onderzoek verrichten naar de oorzaken van ongevallen en incidenten op hoofdspoorwegen en naar andere onregelmatigheden in de afwikkeling van het spoorverkeer waardoor de veiligheid van het spoorverkeer of van daarbij betrokken personen in gevaar is gebracht of in gevaar gebracht had kunnen worden, indien hij dit onderzoek nodig acht ter evaluatie van de wettelijke voorschriften en het beleid op het terrein van de veiligheid van het spoorverkeer.
2. Ten behoeve van het onderzoek hebben de door Onze Minister aangewezen ambtenaren jegens spoorwegondernemingen en de beheerder de bevoegdheden, bedoeld in de [artikelen 5:15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=5:15) tot en met [5:19 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=5:19). De [artikelen 5:12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=5:12), [5:13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=5:13) en [5:20 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=5:20) zijn van overeenkomstige toepassing.
3. Onze Minister onthoudt zich van het onderzoek naar de oorzaken van ongevallen en incidenten op hoofdspoorwegen voorzover de Onderzoeksraad voor veiligheid naar het betreffende voorval een onderzoek instelt.
### Hoofdstuk 5. Toegang tot bijkomende diensten en voorzieningen
##### Artikel 67
1. Een rechthebbende ten aanzien van een dienst als bedoeld in artikel 10, zesde lid, van [richtlijn 91/440/EEG](31991L0440) ten behoeve van spoorwegactiviteiten als bedoeld in dat lid, ten aanzien van een voorziening of dienst als bedoeld in onderdeel 2 van bijlage II bij [richtlijn 2001/14/EG](32001L0014) of ten aanzien van een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen, voor het verrichten van vervoer via spoorwegen noodzakelijke voorziening of dienst doet een spoorwegonderneming die daarom verzoekt een redelijk aanbod voor het ter beschikking stellen van die dienst of voorziening tegen kostengeoriënteerde tarieven en onder voorwaarden die de mededinging niet beperken.
2. De rechthebbende onthoudt zich van iedere vorm van discriminatie tussen degenen jegens wie de in het eerste lid bedoelde verplichting geldt.
3. Op de grondslag van hetgeen ingevolge het eerste lid is overeengekomen, stelt de rechthebbende de dienst of voorziening ter beschikking. De rechthebbende mag slechts weigeren om de voorziening ter beschikking te stellen, indien de spoorwegonderneming onder marktvoorwaarden op een voor haar haalbare andere wijze kan voorzien in de behoefte die ten grondslag ligt aan haar verzoek.
4. Indien de beheerder rechthebbende is ten aanzien van een dienst als bedoeld in onderdeel 3 van bijlage II bij [richtlijn 2001/14/EG](32001L0014), zijn het eerste tot en met derde lid van overeenkomstige toepassing op een zodanige dienst.
5. Indien er in Nederland slechts één rechthebbende is ten aanzien van een dienst als bedoeld in onderdeel 3 of 4 van bijlage II bij [richtlijn 2001/14/EG](32001L0014), zijn, onverminderd het vierde lid, het eerste en tweede lid en het derde lid, eerste volzin, van overeenkomstige toepassing op een zodanige dienst.
##### Artikel 68
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de kostenoriëntatie, bedoeld in [artikel 67, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=5&artikel=67&z=2011-01-01&g=2011-01-01), en nadere regels ter waarborging van de toegang, op een niet-discriminerende grondslag, tot diensten en voorzieningen als bedoeld in dat artikel. Die nadere regels kunnen in elk geval inhouden dat de rechthebbende:
- a. jaarlijks bekendmaakt:
- 1°. een indicatie van de tarieven en voorwaarden die hij voornemens is te hanteren voor het ter beschikking stellen van de dienst of voorziening aan spoorwegondernemingen;
- 2°. een overzicht van de verwachte beschikbaarheid in het volgende kalenderjaar van de dienst of voorziening;
- b. voor de dienst of voorziening een afzonderlijke boekhouding voert en deze ter inzage legt.
### Hoofdstuk 6. Toezicht, handhaving en overige bepalingen
#### § 8. Onderzoek van ongevallen, incidenten en onregelmatigheden op hoofdspoorwegen
##### Artikel 69
1. Behoudens [artikel 70, tweede lid, aanhef en onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=6&paragraaf=2&artikel=70&z=2011-01-01&g=2011-01-01), zijn met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze wet belast de bij besluit van Onze Minister daartoe aangewezen personen.
2. Een besluit als bedoeld in het eerste lid bevat een aanduiding van de voorschriften op naleving waarvan toezicht wordt gehouden.
3. Van een besluit als bedoeld in het eerste lid wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.
#### § 2. De Nederlandse Mededingingsautoriteit
##### Artikel 70
1. De raad van bestuur NMa is de toezichthoudende instantie, bedoeld in artikel 10, zevende lid, van [richtlijn 91/440/EEG](31991L0440) en de artikelen 30 en 31 van [richtlijn 2001/14/EG](32001L0014).
2. De bij besluit van de raad van bestuur NMa aangewezen ambtenaren van deze autoriteit zijn belast met:
- a. voor de toepassing van het eerste lid: het toezicht op de naleving van het bepaalde krachtens [artikel 17, eerste lid, onderdeel d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2&paragraaf=4&artikel=17&z=2011-01-01&g=2011-01-01), en het bepaalde bij of krachtens de [artikelen 27, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=1&artikel=27&z=2011-01-01&g=2011-01-01), [57 tot en met 63](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=4&paragraaf=1&artikel=57&z=2011-01-01&g=2011-01-01), [67](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=5&artikel=67&z=2011-01-01&g=2011-01-01), [68](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=5&artikel=68&z=2011-01-01&g=2011-01-01) en [95, eerste volzin](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=6&paragraaf=9&artikel=95&z=2011-01-01&g=2011-01-01);
- b. voor de toepassing van het eerste lid en [artikel 71](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=6&paragraaf=2&artikel=71&z=2011-01-01&g=2011-01-01): het onderzoek, bedoeld in [artikel 1 van de Mededingingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008691&artikel=1).
3. Van een besluit als bedoeld in het tweede lid wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.
4. Op het tweede lid, onderdeel a, is [artikel 51 van de Mededingingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008691&artikel=51) van toepassing. Op het tweede lid, onderdeel b, zijn de [artikelen 52, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008691&artikel=52), en [53 tot en met 55 van de Mededingingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008691&artikel=53) van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 71
1. Een gerechtigde als bedoeld in [artikel 57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=4&paragraaf=1&artikel=57&z=2011-01-01&g=2011-01-01) of een andere belanghebbende kan de raad van bestuur NMa schriftelijk verzoeken om te onderzoeken of de beheerder, een spoorwegonderneming of een rechthebbende als bedoeld in [artikel 67](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=5&artikel=67&z=2011-01-01&g=2011-01-01) of [95](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=6&paragraaf=9&artikel=95&z=2011-01-01&g=2011-01-01) de verzoeker oneerlijk heeft behandeld, heeft gediscrimineerd of anderszins heeft benadeeld als bedoeld in artikel 10, zevende lid, van [richtlijn 91/440/EEG](31991L0440) of artikel 30, tweede lid, van [richtlijn 2001/14/EG](32001L0014).
2. Een partij bij een toegangsovereenkomst of een kaderovereenkomst als bedoeld in [hoofdstuk 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=4&z=2011-01-01&g=2011-01-01) kan de raad van bestuur NMa schriftelijk verzoeken om een oordeel over het gedrag van de wederpartij.
3. De raad van bestuur NMa geeft zijn oordeel over de klacht uiterlijk twee maanden na ontvangst van de gegevens en bescheiden die voor zijn oordeel nodig zijn.
4. Indien de raad van bestuur NMa van oordeel is dat de klacht gegrond is, legt hij zo nodig een last onder dwangsom op.
5. Aan een last als bedoeld in het vierde lid kunnen voorschriften worden verbonden inzake het verstrekken van gegevens aan de raad van bestuur NMa. De [artikelen 54a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008691&artikel=54a) en [65 van de Mededingingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008691&artikel=65) zijn van overeenkomstige toepassing.
6. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot ten behoeve van het onderzoek te verstrekken gegevens en bescheiden, alsmede met betrekking tot de termijnen voor het verstrekken van de gegevens en bescheiden.
##### Artikel 72
1. De raad van bestuur NMa en de krachtens [artikel 70, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=6&paragraaf=2&artikel=70&z=2011-01-01&g=2011-01-01), aangewezen ambtenaren gebruiken de gegevens of inlichtingen die zij hebben verkregen bij de uitoefening van hun in dat artikel bedoelde taken, uitsluitend voor de uitoefening van die taken of van de bij of krachtens de [Mededingingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008691) aan hen opgedragen taken of toegekende bevoegdheden.
2. Onze Minister kan desgevraagd aan de raad van bestuur NMa de voor de uitoefening van diens taak benodigde gegevens of inlichtingen verstrekken.
##### Artikel 73
Vervallen
##### Artikel 74
Indien door Onze Minister vast te stellen beleidsregels betrekking hebben op de interpretatie van mededingingsbegrippen stelt Onze Minister die beleidsregels vast in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken.
#### § 2. De Nederlandse Mededingingsautoriteit
##### Artikel 75
De raad van bestuur NMa kan aan degene die jegens een krachtens [artikel 70, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=6&paragraaf=2&artikel=70&z=2011-01-01&g=2011-01-01), aangewezen ambtenaar in strijd handelt met [artikel 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=5:20), een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste € 450 000 of, indien het een onderneming of ondernemingsvereniging als bedoeld in [artikel 1 van de Mededingingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008691&artikel=1) betreft en indien dat meer is, van ten hoogste 1% van de omzet van de onderneming, onderscheidenlijk van de gezamenlijke omzet van de ondernemingen die van de vereniging deel uitmaken, in het boekjaar voorafgaande aan de beschikking. De [artikelen 69, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008691&artikel=69), [70](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008691&artikel=70), [75a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008691&artikel=75a), [77](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008691&artikel=77), [80](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008691&artikel=80) en [82 van de Mededingingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008691&artikel=82) zijn van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 76
1. Onze Minister is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang ter handhaving van de bij of krachtens deze wet gestelde verplichtingen met uitzondering van de verplichtingen als bedoeld in het tweede lid.
2. In geval van overtreding van het bepaalde krachtens [artikel 17, eerste lid, onderdeel d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2&paragraaf=4&artikel=17&z=2011-01-01&g=2011-01-01), of het bepaalde bij of krachtens de [artikelen 27, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=1&artikel=27&z=2011-01-01&g=2011-01-01), [57 tot en met 62](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=4&paragraaf=1&artikel=57&z=2011-01-01&g=2011-01-01), [63, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=4&paragraaf=6&artikel=63&z=2011-01-01&g=2011-01-01), [67](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=5&artikel=67&z=2011-01-01&g=2011-01-01), [68](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=5&artikel=68&z=2011-01-01&g=2011-01-01) en [95, eerste volzin](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=6&paragraaf=9&artikel=95&z=2011-01-01&g=2011-01-01), kan de raad van bestuur NMa de overtreder:
- a. een bestuurlijke boete opleggen;
- b. een last onder dwangsom opleggen.
3. Op het tweede lid zijn de [artikelen 54a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008691&artikel=54a), [57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008691&artikel=57), [58](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008691&artikel=58), [59a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008691&artikel=59a), [62](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008691&artikel=62) en [64 tot en met 68 van de Mededingingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008691&artikel=64) van overeenkomstige toepassing.
4. [Artikel 70b van de Mededingingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008691&artikel=70b) is van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 77
1. Onze Minister kan een bestuurlijke boete opleggen ter zake van overtreding van de [artikelen 33, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=3&artikel=33&z=2011-01-01&g=2011-01-01), [36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=4&artikel=36&z=2011-01-01&g=2011-01-01), [53](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=5&artikel=53&z=2011-01-01&g=2011-01-01), en [96, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=6&paragraaf=10&artikel=96&z=2011-01-01&g=2011-01-01).
2. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de uitoefening van de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid.
##### Artikel 78
Vervallen
##### Artikel 79
Vervallen
##### Artikel 80
1. Voor de overtredingen gelden de volgende vaste bedragen van de bestuurlijke boete:
- a. voor overtreding van de [artikelen 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=4&artikel=36&z=2011-01-01&g=2011-01-01), en [53](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=5&artikel=53&z=2011-01-01&g=2011-01-01): € 10 000;
- b. voor overtreding van [artikel 96, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=6&paragraaf=10&artikel=96&z=2011-01-01&g=2011-01-01): € 50 000.
2. Indien de boete wordt opgelegd voor het overtreden van een bepaling vermeld in het eerste lid is bij de vaststelling van de hoogte van deze boete de onderstaande categorie-indeling naar omzet van toepassing met de daarbij behorende factor. De omzet is de omzet in het kalenderjaar voorafgaand aan de datum van overtreding. De boete wordt vastgesteld door het in het eerste lid vermelde bedrag te vermenigvuldigen met de factor behorende bij de onderstaande omzet-categorie:
- –. Categorie I: ondernemingen met een omzet van minder dan € 100 000: factor 0,25.
- –. Categorie II: ondernemingen met een omzet van ten minste € 100 000 maar minder dan € 200 000: factor 0,5.
- –. Categorie III: ondernemingen met een omzet van ten minste € 200 000 maar minder dan € 500 000: factor 1.
- –. Categorie IV: ondernemingen met een omzet van ten minste € 500 000 maar minder dan € 1 000 000: factor 2.
- –. Categorie V: ondernemingen met een omzet van meer dan € 1 000 000: factor 3.
3. Indien de gegevens omtrent de omzet niet aan Onze Minister beschikbaar zijn gesteld, kan Onze Minister aan degene aan wie de boete wordt opgelegd verzoeken deze gegevens binnen een door hem te stellen termijn te verstrekken. Indien de betrokkene niet binnen de gestelde termijn voldoet aan dit verzoek, is bij de vaststelling van de hoogte van de in het tweede lid bedoelde boete categorie V van toepassing.
4. De in het eerste en tweede lid vermelde bedragen en factoren kunnen bij algemene maatregel van bestuur worden gewijzigd.
##### Artikel 81
Vervallen
##### Artikel 82
Vervallen
##### Artikel 83
Vervallen
##### Artikel 84
Vervallen
##### Artikel 85
Vervallen
#### § 4. Strafrechtelijke handhaving
##### Artikel 86
1. Met de opsporing van de bij of krachtens deze wet strafbaar gestelde feiten zijn, onverminderd [artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=141), belast de met betrekking tot deze wet krachtens [artikel 17, eerste lid, onderdeel 2°, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17) aangewezen ambtenaren. Deze ambtenaren zijn tevens belast met de opsporing van de feiten, strafbaar gesteld in de [artikelen 179 tot en met 182](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=179) en [184 van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=184), voorzover deze feiten betrekking hebben op een bevel, vordering of handeling, gedaan of ondernomen door henzelf.
2. Met de opsporing van de bij of krachtens deze wet strafbaar gestelde feiten zijn voorts belast de bij besluit van Onze Minister en Onze Minister van Justitie tezamen aangewezen personen.
3. Van een besluit als bedoeld in het tweede lid wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.
##### Artikel 87
1. Overtreding van de [artikelen 4, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=1&artikel=4&z=2011-01-01&g=2011-01-01), [19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2&paragraaf=4&artikel=19&z=2011-01-01&g=2011-01-01), [21](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2&paragraaf=4&artikel=21&z=2011-01-01&g=2011-01-01), [22, eerste lid, onderdelen c en d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2&paragraaf=4&artikel=22&z=2011-01-01&g=2011-01-01), en [51, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=5&artikel=51&z=2011-01-01&g=2011-01-01), alsmede overtreding van de krachtens [hoofdstuk 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2&z=2011-01-01&g=2011-01-01) en de [artikelen 64, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=4&paragraaf=7&artikel=64&z=2011-01-01&g=2011-01-01), [65, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=4&paragraaf=7&artikel=65&z=2011-01-01&g=2011-01-01), en [94](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=6&paragraaf=9&artikel=94&z=2011-01-01&g=2011-01-01) vastgestelde voorschriften, voorzover die overtreding daarbij uitdrukkelijk als strafbaar feit is aangemerkt, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste twee maanden of geldboete van de tweede categorie.
2. Overtreding van de [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=1&artikel=3&z=2011-01-01&g=2011-01-01), [22, eerste lid, onderdelen a en b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2&paragraaf=4&artikel=22&z=2011-01-01&g=2011-01-01), en [65, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=4&paragraaf=7&artikel=65&z=2011-01-01&g=2011-01-01), wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de derde categorie.
3. Overtreding van [artikel 4, eerste, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=1&artikel=4&z=2011-01-01&g=2011-01-01), [artikel 88, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=6&paragraaf=4&artikel=88&z=2011-01-01&g=2011-01-01), [artikel 89, tweede, zesde, achtste en negende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=6&paragraaf=4&artikel=89&z=2011-01-01&g=2011-01-01), wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de vierde categorie.
4. Bij veroordeling van een persoon die een veiligheidsfunctie uitoefent, wegens overtreding van [artikel 4, eerste of tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=1&artikel=4&z=2011-01-01&g=2011-01-01), kan hem de bevoegdheid tot het uitoefenen van die functie voor ten hoogste vijf jaren worden ontzegd.
5. Bij veroordeling van een persoon die een veiligheidsfunctie uitoefent, wegens overtreding van het bepaalde krachtens deze wet, kan hem in die gevallen waarin dit bij algemene maatregel van bestuur is bepaald, de bevoegdheid tot het uitoefenen van die functie voor ten hoogste twee jaar worden ontzegd.
6. De feiten strafbaar gesteld bij dan wel krachtens de in het eerste en tweede lid bedoelde bepalingen zijn overtredingen. De in het derde lid strafbaar gestelde feiten zijn misdrijven.
##### Artikel 88
1. Een van de bij of krachtens [artikel 86 van deze wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=6&paragraaf=4&artikel=86&z=2011-01-01&g=2011-01-01) of [artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=141) met de opsporing van strafbare feiten belaste ambtenaren, kan een in [artikel 4, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=1&artikel=4&z=2011-01-01&g=2011-01-01), bedoelde persoon van wie, uit het in [artikel 4, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=1&artikel=4&z=2011-01-01&g=2011-01-01), bedoelde onderzoek of op andere wijze, naar het oordeel van die ambtenaar gebleken is dat hij onder zodanige invloed van het gebruik van een stof als bedoeld in [artikel 4, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=1&artikel=4&z=2011-01-01&g=2011-01-01), verkeert, dat hij onvoldoende in staat is een veiligheidsfunctie uit te oefenen dan wel op de uitoefening van zodanige functie toezicht te houden, een verbod opleggen tot het uitoefenen van die functie of tot het houden van toezicht daarop, voor de tijd gedurende welke redelijkerwijs verwacht mag worden dat deze toestand zal voortduren tot ten hoogste vierentwintig uur. De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing op degene die aanstalten maakt een veiligheidsfunctie te gaan uitoefenen dan wel op de uitoefening van zodanige functie toezicht te houden.
2. De ambtenaar die een verbod als bedoeld in het eerste lid oplegt, legt dit vast in een beschikking die het tijdstip van ingang en de duur van het verbod bevat.
3. Het is degene aan wie een verbod als bedoeld in het eerste lid is opgelegd, verboden een veiligheidsfunctie uit te oefenen dan wel op de uitoefening van zodanige functie toezicht te houden, gedurende de tijd waarvoor dat verbod geldt.
##### Artikel 89
1. Bij verdenking dat een persoon heeft gehandeld in strijd met [artikel 4, eerste, tweede of derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=1&artikel=4&z=2011-01-01&g=2011-01-01), kan de in [artikel 88, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=6&paragraaf=4&artikel=88&z=2011-01-01&g=2011-01-01), bedoelde ambtenaar hem bevelen zijn medewerking te verlenen aan een onderzoek als bedoeld in [artikel 4, tweede lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=1&artikel=4&z=2011-01-01&g=2011-01-01).
2. Degene aan wie het in het eerste lid bedoelde bevel is gegeven, is verplicht ademlucht te blazen in een voor het onderzoek bestemd apparaat en gevolg te geven aan alle door de betrokken ambtenaar ten dienste van het onderzoek gegeven aanwijzingen.
3. De in het tweede lid genoemde verplichtingen gelden niet voor de verdachte van wie aannemelijk is, dat het verlenen van medewerking aan een ademonderzoek voor hem om bijzondere geneeskundige redenen onwenselijk is.
4. In het geval, bedoeld in het derde lid, dan wel indien de medewerking van de verdachte niet heeft geleid tot een voltooid ademonderzoek, kan de betrokken ambtenaar de verdachte vragen of hij zijn toestemming geeft tot het verrichten van een onderzoek als bedoeld in [artikel 4, tweede lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=1&artikel=4&z=2011-01-01&g=2011-01-01). Gelijke bevoegdheid heeft de betrokken ambtenaar, indien het vermoeden bestaat dat de verdachte onder invloed van een andere in [artikel 4, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=1&artikel=4&z=2011-01-01&g=2011-01-01), bedoelde stof dan alcoholhoudende drank verkeert.
5. Indien de verdachte zijn op grond van het vierde lid gevraagde toestemming niet verleent, kan de officier van justitie, een hulpofficier van justitie of een van de daartoe bij regeling van Onze Minister van Justitie aangewezen ambtenaren, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, hem bevelen zich te onderwerpen aan een bloedonderzoek.
6. Degene wie is bevolen zich aan een bloedonderzoek te onderwerpen, is verplicht aan dit bevel gevolg te geven en zijn medewerking te verlenen. Hem wordt door een arts zoveel bloed afgenomen als voor het onderzoek noodzakelijk is.
7. De in het zesde lid genoemde verplichtingen gelden niet voor de verdachte van wie aannemelijk is, dat afname van bloed bij hem om bijzondere geneeskundige redenen onwenselijk is.
8. De krachtens het zevende lid van de in het zesde lid genoemde verplichtingen vrijgestelde personen zijn verplicht mee te werken aan een door de officier van justitie, door een hulpofficier van justitie of door een van de daartoe bij regeling van Onze Minister van Justitie aangewezen ambtenaren, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, bevolen onderzoek ten einde op andere wijze dan door bloed- of ademonderzoek het gebruik van de in [artikel 4, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=1&artikel=4&z=2011-01-01&g=2011-01-01), bedoelde stoffen of het in [artikel 4, tweede lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=1&artikel=4&z=2011-01-01&g=2011-01-01), genoemde gehalte vast te stellen.
9. Indien de verdachte niet in staat is zijn wil kenbaar te maken, kan hem met toestemming van de officier van justitie, een hulpofficier van justitie of een van de daartoe bij regeling van Onze Minister van Justitie aangewezen ambtenaren, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, door een arts de in het zesde lid bedoelde hoeveelheid bloed worden afgenomen, tenzij aannemelijk is dat dit bij hem om bijzondere geneeskundige redenen onwenselijk is. Een onderzoek van het bloed vindt niet plaats dan nadat de verdachte in de gelegenheid is gesteld zijn toestemming daartoe te geven. Zo nodig kan hem overeenkomstig het vijfde lid worden bevolen zijn medewerking te verlenen. De verdachte aan wie een zodanig bevel is gegeven, is verplicht zijn medewerking te verlenen. Indien de verdachte weigert zijn medewerking te verlenen, wordt het bloedmonster vernietigd.
10. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de wijze van uitvoering van [artikel 4, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=1&artikel=4&z=2011-01-01&g=2011-01-01), en van dit artikel. Deze regels kunnen mede betrekking hebben op de mogelijkheid tot het doen verrichten van een tegenonderzoek. Bij regeling van Onze Minister van Justitie worden in de bij die algemene maatregel van bestuur aangegeven gevallen voorschriften ter uitvoering van die regels vastgesteld.
#### § 5. Beroep
##### Artikel 90
In afwijking van [artikel 8:7 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=8:7) is voor beroepen tegen besluiten op grond van deze wet, met uitzondering van besluiten op grond van de [artikelen 19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2&paragraaf=4&artikel=19&z=2011-01-01&g=2011-01-01) en [21](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2&paragraaf=4&artikel=21&z=2011-01-01&g=2011-01-01), de rechtbank te Rotterdam bevoegd.
#### § 6. Heffingen
##### Artikel 91
1. Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat aan het betrokken bestuursorgaan een vergoeding verschuldigd is volgens de daarbij vast te stellen tarieven ter zake van het overeenkomstig deze wet aanvragen of verstrekken van een bij of krachtens deze wet te nemen besluit, te verstrekken certificaat of ander document.
2. De hoogte van de krachtens het eerste lid vastgestelde tarieven wordt zodanig vastgesteld dat de geraamde baten van de vergoedingen voor het betrokken bestuursorgaan niet uitgaan boven de geraamde lasten van het betrokken bestuursorgaan ter zake van de behandelingen van de aanvragen en het verstrekken van de besluiten en documenten, bedoeld in het eerste lid.
#### § 7. Toepasselijkheid nieuwe Europese regelgeving
##### Artikel 92
1. Een wijziging van [richtlijn 91/440/EEG](31991L0440), [richtlijn 95/18/EG](31995L0018), [richtlijn 2001/14/EG](32001L0014), [richtlijn 96/48/EG](31996L0048) en [richtlijn 2001/16/EG](32001L0016) gaat voor de toepassing van deze wet gelden met ingang van de dag waarop aan de betrokken wijzigingsrichtlijn uitvoering moet zijn gegeven, tenzij bij ministerieel besluit, dat in de Staatscourant wordt bekendgemaakt, een ander tijdstip wordt vastgesteld.
2. Onze Minister kan met inachtneming van artikel 7 van [richtlijn 96/48/EG](31996L0048) dan wel van [richtlijn 2001/16/EG](32001L0016) een technische specificatie inzake interoperabiliteit geheel of gedeeltelijk buiten toepassing verklaren.
#### § 5. Beroep
##### Artikel 93
1. Onze Minister wijst de instanties aan die zijn belast met:
- a. de beoordeling van de conformiteit of van de geschiktheid voor gebruik als bedoeld in de artikelen 13 van de [richtlijnen 96/48/EG](31996L0048) en [2001/16/EG](32001L0016) en de afgifte van de bijbehorende EG-verklaringen van conformiteit of geschiktheid voor gebruik als bedoeld in de artikelen 10 van deze richtlijnen;
- b. de goedkeuring als bedoeld in de artikelen 18 van de [richtlijnen 96/48/EG](31996L0048) en [2001/16/EG](32001L0016) en de afgifte van de bijbehorende EG-keuringsverklaringen als bedoeld in de artikelen 16 van deze richtlijnen;
- c. de afgifte van goedkeuringscertificaten als bedoeld in [artikel 8, tweede lid, onderdeel c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2&paragraaf=3&artikel=8&z=2011-01-01&g=2011-01-01);
- d. de afgifte van goedkeuringscertificaten als bedoeld in [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=4&artikel=36&z=2011-01-01&g=2011-01-01);
- e. het onderzoek, bedoeld in [artikel 38, eerste lid, onderdeel c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=4&artikel=38&z=2011-01-01&g=2011-01-01).
2. De instanties, de directeur en het personeel daarvan voldoen ten minste aan de toepasselijke eisen, neergelegd in bijlage VII van [richtlijn 96/48/EG](31996L0048), respectievelijk [richtlijn 2001/16/EG](32001L0016), en aan de bij ministeriële regeling vastgestelde eisen.
3. Aan de aanwijzing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden.
4. De instanties verrichten hun werkzaamheden met inachtneming van de toepasselijke bepalingen in bijlage VI van [richtlijn 96/48/EG](31996L0048) respectievelijk [richtlijn 2001/16/EG](32001L0016) en het Besluit nr. 93/465/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 22 juli 1993 betreffende de modules voor de verschillende fasen van de overeenstemmingsbeoordelingsprocedures en de voorschriften inzake het aanbrengen en het gebruik van de CE-markering van overeenstemming (PbEG L 220).
5. De instanties stellen na elk onderzoek een onderzoekscertificaat op, in voorkomend geval met vermelding van de geldigheidsduur en van de voorwaarden waaronder het geldig is.
6. Onze Minister trekt de aanwijzing, bedoeld in het eerste lid, in indien de betrokken instantie niet langer voldoet aan de toepasselijke eisen van bijlage VII van de desbetreffende richtlijn. Onze Minister kan de aanwijzing intrekken, indien de betrokken instantie niet langer voldoet aan bijlage VI van de desbetreffende richtlijn of de bij ministeriële regeling vastgestelde eisen, bedoeld in het tweede lid.
7. Onze Minister doet mededeling van een aanwijzing of van een intrekking van een aanwijzing door kennisgeving in de Staatscourant.
#### § 6. Heffingen
#### § 10. Informatieplicht van spoorwegondernemingen en de beheerder
##### Artikel 96
1. Spoorwegondernemingen en de beheerder zijn verplicht Onze Minister mondeling, schriftelijk of op andere wijze – dit ter keuze van Onze Minister na overleg met de betrokken spoorwegonderneming of betrokken beheerder – alle bij hen berustende gegevens te verstrekken en inzage te geven van boeken en bescheiden die betrekking hebben op het gebruik of beheer van spoorwegen en het vervoer daarover, voorzover Onze Minister dat redelijkerwijs voor de vervulling van zijn taak nodig heeft.
2. Degene van wie krachtens het eerste lid gegevens worden verlangd, is op de door Onze Minister aan te geven wijze en binnen de door hem te bepalen termijn verplicht deze volledig en naar waarheid te verstrekken en degene van wie inzage wordt verlangd is verplicht deze ongestoord te verlenen.
3. Onze Minister gebruikt gegevens of inlichtingen omtrent een spoorwegonderneming die hij heeft verkregen in verband met enige werkzaamheid ten behoeve van de uitvoering van een van zijn taken, uitsluitend voor de uitvoering van die taak.
#### § 11. De verwerking van persoonsgegevens
##### Artikel 97
Voorzover dit noodzakelijk is ter beoordeling van het voldoen aan de bij of krachtens deze wet gestelde voorschriften kunnen gegevens betreffende het gedrag van bestuurders, het gedrag van een vergunninghouder en de gezondheid van personeel worden verwerkt. Onze Minister is verantwoordelijke voor de verwerking van de gegevens als bedoeld in de [Wet bescherming persoonsgegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011468).
### Hoofdstuk 7. Buitengewone omstandigheden
##### Artikel 98
Vervallen
##### Artikel 99
Vervallen
##### Artikel 100
Vervallen
##### Artikel 101
Vervallen
##### Artikel 102
Vervallen
### Hoofdstuk 7. Buitengewone omstandigheden
##### Artikel 103
De volgende wetten worden ingetrokken op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld:
- a. de [Spoorwegwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001848) (Stb. 1875, 67);
- b. de [wet van 9 juli 1900, houdende nadere regeling van den dienst en het gebruik van spoorwegen, waarop uitsluitend met beperkte snelheid wordt vervoerd](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001866) (Stb. 118);
- c. de [wet van 1 november 1924, houdende wettelijke maatregelen tegen aantasting van metalen voorwerpen in den bodem door zwerfstroomen, afkomstig van spoorstaven van electrische spoor- en tramwegen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001921) (Stb. 498);
- d. de [wet van 15 december 1917, houdende voorschriften omtrent aanleg en instandhouding van spoorwegen, waarop uitsluitend met beperkte snelheid wordt vervoerd, op wegen niet onder beheer van het Rijk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001892) (Stb. 703);
- e. de [wet van 26 mei 1937 tot reorganisatie van het spoorwegbedrijf](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001988) (Stb. 520);
- f. de [wet van 11 juni 1998, houdende wijziging van de Spoorwegwet ter implementatie van richtlijn nr. 95/18/EG en richtlijn nr. 95/19/EG](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009683) (Stb. 374).
##### Artikel 104
Wijzigt de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie.
##### Artikel 105
Wijzigt de Coördinatiewet uitzonderingstoestanden.
##### Artikel 106
Wijzigt de Vervoersnoodwet.
##### Artikel 107
Wijzigt de Wet op de economische delicten.
##### Artikel 108
Wijzigt de Tracéwet.
##### Artikel 109
Wijzigt de Wet geluidhinder.
##### Artikel 110
Wijzigt de Wet Infrastructuurfonds.
##### Artikel 111
Wijzigt de Vestigingswet Bedrijven 1954.
##### Artikel 112
Wijzigt de Wegenverkeerswet 1994.
##### Artikel 113
Wijzigt het Wetboek van Strafrecht.
##### Artikel 114
Wijzigt de Wegenwet.
##### Artikel 115
Wijzigt de Wet Raad voor de Transportveiligheid.
### Hoofdstuk 9. Overgangs- en slotbepalingen
#### § 1. Overgangsbepalingen gedelegeerde regelgeving
#### § 2. Overige overgangsbepalingen
#### § 3. Slotbepalingen
##### Artikel 126
Onze Minister zendt in het jaar 2006 aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk.
##### Artikel 127
De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.
##### Artikel 128
Deze wet wordt aangehaald als: Spoorwegwet.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
##### Artikel 16a
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
##### Artikel 16b
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
#### § 5. Bepalingen inzake stations en laad- en losplaatsen
### Hoofdstuk 3. Het spoorwegbedrijf
#### § 2. De bedrijfsvergunning voor spoorwegondernemingen
##### Artikel 28
1. Onze Minister verleent op aanvraag een bedrijfsvergunning aan een in Nederland gevestigde spoorwegonderneming, indien deze voldoet aan de vereisten van goede naam, financiële draagkracht en beroepsbekwaamheid alsmede de uit [artikel 55](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=6&artikel=55&z=2009-12-31&g=2009-12-31) voortvloeiende verzekeringsplicht.
2. Onze Minister kan voor bij of krachtens algemene maatregel van bestuur omschreven soorten van gebruik van de hoofdspoorweg, bij de verlening van een bedrijfsvergunning een of meer van de bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aangewezen, in het eerste lid bedoelde eisen geheel of gedeeltelijk buiten toepassing laten. Alsdan is een zodanige beperkte bedrijfsvergunning slechts geldig voor het gebruik waarvoor deze is verleend.
3. Onze Minister beslist binnen dertien weken op de aanvraag.
4. Aan de vergunning kunnen voorschriften worden verbonden. De vergunning wordt verleend voor onbepaalde tijd.
5. Onze Minister kan ambtshalve of op aanvraag van de vergunninghouder de vergunning wijzigen, alsnog voorschriften aan de vergunning verbinden en de aan de vergunning verbonden voorschriften aanvullen dan wel wijzigen.
##### Artikel 29
Onze Minister schorst de bedrijfsvergunning of trekt deze in, indien:
- a. de vergunninghouder niet meer voldoet aan de bij of krachtens [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=2&artikel=28&z=2009-12-31&g=2009-12-31) toepasselijke eisen of voorschriften;
- b. de veiligheid van het spoorverkeer door wijziging van de rechtspositie van de vergunninghouder ingeval van fusie of bedrijfsovername naar het oordeel van Onze Minister niet langer is gewaarborgd of
- c. bij herhaling bij onherroepelijk rechterlijk vonnis is vastgesteld dat de vergunninghouder of zijn bestuurders het bepaalde bij of krachtens deze wet dan wel de toepasselijke voorschriften inzake arbeidsomstandigheden of arbeidstijden hebben overtreden, dan wel bij onherroepelijk vonnis is vastgesteld dat deze het bepaalde bij of krachtens deze wet dan wel de toepasselijke voorschriften inzake arbeidsomstandigheden of arbeidstijden in ernstige mate hebben overtreden.
##### Artikel 30
1. Een vergunning als bedoeld in artikel 2, onderdeel b, van [richtlijn 95/18/EG](31995L0018) die is verleend door een bevoegde instantie van een andere lidstaat aan een aldaar gevestigde spoorwegonderneming, wordt voor de toepassing van deze wet gelijkgesteld met een bedrijfsvergunning, verleend op grond van [artikel 28, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=2&artikel=28&z=2009-12-31&g=2009-12-31).
2. Met een bedrijfsvergunning verleend op grond van [artikel 28, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=2&artikel=28&z=2009-12-31&g=2009-12-31), worden voorts voor de toepassing van deze wet gelijkgesteld:
- a. de bij ministeriële regeling omschreven documenten die in het buitenland door het aldaar bevoegde gezag zijn afgegeven en die in voldoende mate kunnen gelden als bewijs dat ten minste wordt voldaan aan de in [artikel 28, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=2&artikel=28&z=2009-12-31&g=2009-12-31), bedoelde eisen;
- b. een besluit van Onze Minister waarin ten aanzien van een in het buitenland gevestigde spoorwegonderneming is verklaard dat ten minste wordt voldaan aan de in [artikel 28, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=2&artikel=28&z=2009-12-31&g=2009-12-31), vermelde eisen.
3. [Artikel 29](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=2&artikel=29&z=2009-12-31&g=2009-12-31) is van overeenkomstige toepassing op de gelijkstelling krachtens het tweede lid.
##### Artikel 31
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gegeven over de uitvoering van deze paragraaf, waaronder regels over:
- a. de toepassing van de in [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=2&artikel=28&z=2009-12-31&g=2009-12-31), eerste lid, bedoelde eisen;
- b. de verlening, weigering, wijziging, schorsing of intrekking van een bedrijfsvergunning;
- c. de aan de bedrijfsvergunning te verbinden voorschriften en beperkingen.
#### § 3. Het veiligheidsattest
##### Artikel 32
1. Onze Minister verleent op aanvraag een veiligheidsattest aan de houder of de aanvrager van een bedrijfsvergunning, indien deze aantoont:
- a. bij het voorgenomen gebruik van de spoorweg te kunnen voldoen aan de bij of krachtens dit hoofdstuk gestelde voorschriften en
- b. door toepassing van een adequaat veiligheidszorgsysteem veilig gebruik te kunnen maken van de spoorweg.
2. Onze Minister beslist binnen dertien weken op de aanvraag. Indien de beschikking niet binnen dertien weken kan worden gegeven, stelt Onze Minister de aanvrager daarvan in kennis en noemt daarbij een redelijke termijn waarbinnen de beschikking wel tegemoet kan worden gezien.
##### Artikel 33
1. Het veiligheidsattest is ten hoogste drie jaar geldig.
2. De attesthouder past een adequaat veiligheidszorgsysteem toe, met behulp waarvan wordt gewaarborgd dat de spoorwegonderneming:
- a. bij de normale bedrijfsvoering en bij voorzienbare afwijkingen daarvan geen schade berokkent en niemand onnodig hindert of in gevaar brengt en zorgt dat het spoorverkeer zo veel mogelijk zonder verstoringen kan worden afgewikkeld;
- b. rekening houdt met de specifieke vereisten wanneer de normale bedrijfsvoering raakt aan die van andere gebruikers van de spoorweg of van de beheerder;
- c. de aan de bedrijfsvoering verbonden risico's onderkent en passende maatregelen neemt om deze afdoende te beheersen en daarbij rekening houdt met de stand der techniek en de binnen de bedrijfstak aanwezige kennis en richtsnoeren voor een veilige bedrijfsvoering;
- d. procedures vaststelt en hanteert voor het nemen van corrigerende maatregelen bij afwijkingen en incidenten, alsmede voor het voortdurend verbeteren van het veiligheidsniveau met het oog op zich wijzigende omstandigheden en op grond van opgedane ervaringen;
- e. ervoor zorg draagt dat werknemers met een veiligheidsfunctie met het oog op het behouden van hun geschiktheid, kennis en bekwaamheid voor de desbetreffende functie de noodzakelijke oefening hebben en de noodzakelijke nadere of aanvullende scholing, opleiding en studie volgen.
3. Het veiligheidszorgsysteem is passend voor de aard en de omvang van de spoorwegonderneming.
4. Aan het veiligheidsattest kunnen beperkingen en voorschriften worden verbonden in het belang van de veiligheid op en in de directe nabijheid van de spoorweg.
5. Onze Minister kan het veiligheidsattest schorsen of intrekken:
- a. wegens handelen in strijd met dit hoofdstuk;
- b. in het belang van de veiligheid op en in de directe nabijheid van de spoorweg;
- c. indien de bedrijfsvergunning van de attesthouder is geschorst of ingetrokken.
6. Onze Minister kan het veiligheidsattest of de daaraan verbonden beperkingen en voorschriften ambtshalve of op aanvraag wijzigen, met inachtneming van het belang van de veiligheid op en in de directe nabijheid van de spoorweg.
7. Overtreding van de voorschriften, bedoeld in het vierde lid, is verboden.
##### Artikel 34
1. Onze Minister kan aan degene die een veiligheidsattest heeft aangevraagd of aan de attesthouder die een wijziging van het veiligheidsattest heeft aangevraagd een proefattest verlenen.
2. Het proefattest wordt verleend met het oog op het opdoen van ervaring of het testen van procedures of spoorvoertuigen ten behoeve van verlening of wijziging van een veiligheidsattest.
3. Het proefattest is ten hoogste dertien weken geldig en vervalt van rechtswege bij de verlening of de wijziging, bedoeld in het tweede lid. Indien toepassing is gegeven aan [artikel 32, tweede lid, tweede volzin](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=3&artikel=32&z=2009-12-31&g=2009-12-31), vervalt het proefattest met ingang van de dag na de laatste dag van de krachtens die bepaling gestelde termijn.
4. [Artikel 33, vierde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=3&artikel=33&z=2009-12-31&g=2009-12-31), is op het proefattest van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 35
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gegeven over de uitvoering van deze paragraaf, waaronder regels ten aanzien van:
- a. de verlening, weigering, wijziging, schorsing of intrekking van een veiligheidsattest en van een proefattest;
- b. de aan een veiligheidsattest en een proefattest te verbinden voorschriften en beperkingen;
- c. de bedrijfsprocessen die ten minste in het veiligheidszorgsysteem zijn opgenomen.
#### § 4. Gebruik, compatibiliteit en interoperabiliteit van spoorvoertuigen
##### Artikel 36
1. Het is verboden over een hoofdspoorweg te rijden met een spoorvoertuig:
- a. waarvoor geen geldige EG-keuringsverklaring of geldig goedkeuringscertificaat als bedoeld in [artikel 37](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=4&artikel=37&z=2009-12-31&g=2009-12-31) is afgegeven;
- b. dat niet voldoet aan de toepasselijke technische specificaties of eisen, bedoeld in [artikel 47](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=4&artikel=47&z=2009-12-31&g=2009-12-31);
- c. dat storingen, buitensporige slijtage of schade aan de desbetreffende spoorweginfrastructuur kan veroorzaken;
- d. dat niet beschikt over de eigenschappen die noodzakelijk zijn om veilig gebruik te kunnen maken van de desbetreffende spoorweginfrastructuur.
2. Met een EG-keuringsverklaring als bedoeld in het eerste lid wordt gelijkgesteld een zodanige verklaring afgegeven met inachtneming van [richtlijn 2001/16/EG](32001L0016) onderscheidenlijk 96/48/EG door de bevoegde instantie van een andere lidstaat.
3. Met een goedkeuringscertificaat als bedoeld in het eerste lid, voorzover afgegeven op basis van het Verdrag wordt gelijkgesteld een zodanig certificaat afgegeven met inachtneming van het Verdrag door de bevoegde instantie van een andere staat die partij is bij het Verdrag.
4. Tot het bewijs dat een spoorvoertuig is gecontroleerd op het voldoen aan de regels, bedoeld in [artikel 38, eerste lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=4&artikel=38&z=2009-12-31&g=2009-12-31), is een geldig inzetcertificaat vereist, afgegeven door Onze Minister, de beheerder gehoord.
5. Onze Minister, de beheerder gehoord, kan het certificaat, bedoeld in het vierde lid, wijzigen of intrekken indien niet langer aan de regels, bedoeld in [artikel 38, eerste lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=4&artikel=38&z=2009-12-31&g=2009-12-31), wordt voldaan.
6. Het certificaat, bedoeld in het vierde lid, kan onder voorschriften of beperkingen worden afgegeven.
7. Bij ministeriële regeling kunnen categorieën van spoorvoertuigen worden aangewezen, waarop het vierde lid niet van toepassing is.
##### Artikel 37
1. Een EG-keuringsverklaring als bedoeld in [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=4&artikel=36&z=2009-12-31&g=2009-12-31), wordt afgegeven indien:
- a. het spoorvoertuig dan wel de uitrusting daarvan voldoet aan de toepasselijke technische specificaties inzake interoperabiliteit, bedoeld in artikel 2, onderdeel g, van [richtlijn 2001/16/EG](32001L0016), respectievelijk artikel 2, onderdeel g, van [richtlijn 96/48/EG](31996L0048) en
- b. ten aanzien van het spoorvoertuig of de uitrusting daarvan een conformiteitsverklaring als bedoeld in [richtlijn 2001/16/EG](32001L0016), bijlage VI, punt 3, respectievelijk in [richtlijn 96/48/EG](31996L0048), bijlage VI, punt 3, is afgegeven door een keuringsinstantie.
2. Een goedkeuringscertificaat als bedoeld in [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=4&artikel=36&z=2009-12-31&g=2009-12-31), wordt afgegeven, indien het spoorvoertuig of de uitrusting daarvan voldoet aan de bij of krachtens algemene maatregel van bestuur gestelde eisen.
##### Artikel 38
1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels of nadere regels gesteld over:
- a. de compatibiliteit van spoorvoertuigen met de spoorweginfrastructuur, bedoeld in [artikel 36, eerste lid, onderdelen c en d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=4&artikel=36&z=2009-12-31&g=2009-12-31);
- b. de aanvraag, afgifte, wijziging, intrekking, vorm of inhoud van de EG-keuringsverklaringen, de goedkeuringscertificaten en de inzetcertificaten, bedoeld in [artikel 36](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=4&artikel=36&z=2009-12-31&g=2009-12-31), en de aan die certificaten te verbinden voorschriften of beperkingen, alsmede over het registreren of bewaren van gegevens of documenten over de aanvraag, afgifte, wijziging of intrekking;
- c. het onderzoek naar de overeenstemming van de productie van spoorvoertuigen of uitrusting daarvan, waarvoor een goedkeuring van het type is verleend, met het goedgekeurde type.
2. Bij of krachtens de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het eerste lid, kunnen in het belang van de veiligheid of de interoperabiliteit van het verkeer over hoofdspoorwegen aanvullende technische specificaties worden gesteld op de technische specificaties, bedoeld in [artikel 37, eerste lid, onderdelen a en b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=4&artikel=37&z=2009-12-31&g=2009-12-31).
##### Artikel 39
1. Het is verboden de ingevolge [richtlijnen 2001/16/EG](32001L0016) of [96/48/EG](31996L0048) dan wel het Verdrag dan wel krachtens deze wet als zodanig aangewezen onderdelen van spoorvoertuigen of uitrusting daarvan als zodanig in de handel te brengen of te gebruiken, indien ten aanzien daarvan niet zijn afgegeven:
- a. geldige EG-verklaringen van conformiteit of geschiktheid voor gebruik als bedoeld in artikel 10 van [richtlijn 2001/16/EG](32001L0016);
- b. geldige EG-verklaringen van conformiteit of geschiktheid voor gebruik als bedoeld in artikel 10 van [richtlijn 96/48/EG](31996L0048) of
- c. geldige goedkeuringscertificaten.
2. Met een EG-verklaring als bedoeld in het eerste lid, onderdelen a of b, wordt gelijkgesteld een zodanige verklaring afgegeven met inachtneming van [richtlijn 2001/16/EG](32001L0016) onderscheidenlijk 96/48/EG door de bevoegde instantie van een andere lidstaat.
3. Met een goedkeuringscertificaat als bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, voorzover afgegeven op basis van het Verdrag wordt gelijkgesteld een zodanig certificaat afgegeven met inachtneming van het Verdrag door de bevoegde instantie van een andere staat die partij is bij het Verdrag.
##### Artikel 40
1. Een EG-verklaring als bedoeld in [artikel 39, eerste lid, onderdelen a of b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=4&artikel=39&z=2009-12-31&g=2009-12-31), wordt afgegeven indien:
- a. de desbetreffende onderdelen voldoen aan de toepasselijke technische specificaties inzake interoperabiliteit als bedoeld in artikel 2, onderdeel g, van [richtlijn 2001/16/EG](32001L0016), respectievelijk artikel 2, onderdeel g, van [richtlijn 96/48/EG](31996L0048);
- b. de toetsing van onderdeel a is uitgevoerd door een keuringsinstantie, respectievelijk door een keuringsinstantie voorzover de technische specificaties dit vereisen.
2. Een goedkeuringscertificaat als bedoeld in [artikel 39, eerste lid, onderdeel c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=4&artikel=39&z=2009-12-31&g=2009-12-31), wordt afgegeven indien de desbetreffende onderdelen voldoen aan de bij of krachtens algemene maatregel van bestuur gestelde eisen.
3. Indien met betrekking tot de in het eerste lid bedoelde onderdelen, andere EG-richtlijnen bestaan ten aanzien van andere aspecten dan geregeld in bedoelde technische specificaties, vermelden de verklaringen, bedoeld in dat lid, tevens of deze onderdelen aan die andere EG-richtlijnen voldoen.
##### Artikel 41
1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels of nadere regels gesteld over:
- a. de aanvraag, afgifte, vorm en inhoud van de EG-verklaringen en de goedkeuringscertificaten, bedoeld in [artikel 39](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=4&artikel=39&z=2009-12-31&g=2009-12-31), alsmede over het registreren of bewaren van gegevens of documenten over de aanvraag en afgifte;
- b. het onderzoek naar de overeenstemming van de productie van als zodanig aangewezen onderdelen van spoorvoertuigen of uitrusting daarvan, waarvoor een goedkeuring van het type is verleend, met het goedgekeurde type.
2. Bij of krachtens de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het eerste lid, kunnen in het belang van de veiligheid of de interoperabiliteit van het verkeer over de hoofdspoorwegen aanvullende technische specificaties worden gesteld op de technische specificaties, bedoeld in [artikel 40, eerste lid, onderdelen a en b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=4&artikel=40&z=2009-12-31&g=2009-12-31).
##### Artikel 42
1. Het is verboden een EG-keuringsverklaring als bedoeld in [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=4&artikel=36&z=2009-12-31&g=2009-12-31), af te geven indien niet is voldaan aan [artikel 37](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=4&artikel=37&z=2009-12-31&g=2009-12-31).
2. Het is verboden een EG-verklaring als bedoeld in [artikel 39, eerste lid, onderdelen a of b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=4&artikel=39&z=2009-12-31&g=2009-12-31), af te geven indien niet is voldaan aan [artikel 40, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=4&artikel=40&z=2009-12-31&g=2009-12-31).
##### Artikel 43
1. De fabrikant van onderdelen van spoorvoertuigen of uitrusting daarvan als bedoeld in [artikel 39, eerste lid, onderdelen a of b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=4&artikel=39&z=2009-12-31&g=2009-12-31), en zijn in Nederland gevestigde gemachtigde die in strijd met [artikel 42, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=4&artikel=42&z=2009-12-31&g=2009-12-31), een EG-verklaring als daar bedoeld voor die onderdelen hebben afgegeven, zijn verplicht op eerste vordering van Onze Minister en binnen een door deze te stellen termijn het verzuim te herstellen. Zij zijn verplicht de daarbij door Onze Minister gegeven aanwijzingen op te volgen.
2. Indien de fabrikant of zijn in Nederland gevestigde gemachtigde niet voldoet aan het eerste lid, neemt Onze Minister met toepassing van artikel 12 van [richtlijn 2001/16/EG](32001L0016) of van [richtlijn 96/48/EG](31996L0048) maatregelen om het in de handel brengen van het betrokken onderdeel te beperken, te verbieden of het uit de handel te doen nemen.
##### Artikel 44
Indien Onze Minister vaststelt dat een onderdeel van een spoorvoertuig of uitrusting daarvan als bedoeld in [artikel 39, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=4&artikel=39&z=2009-12-31&g=2009-12-31), ondanks het feit dat ten aanzien daarvan een EG-verklaring als bedoeld in [artikel 39, eerste lid, onderdelen a of b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=4&artikel=39&z=2009-12-31&g=2009-12-31), is afgegeven en ondanks het feit dat dit onderdeel overeenkomstig zijn bestemming wordt gebruikt, de veiligheid van het verkeer op de hoofdspoorwegen of interoperabiliteit als bedoeld in artikel 2, onderdeel b, van [richtlijn 96/48/EG](31996L0048) of van [richtlijn 2001/16/EG](32001L0016) in gevaar brengt, neemt hij met toepassing van de artikelen 12 van deze richtlijnen maatregelen om het toepassingsgebied van dit onderdeel te beperken, het gebruik ervan te verbieden of het uit de handel te doen nemen.
##### Artikel 45
De spoorwegonderneming die een krachtens deze wet goedgekeurd spoorvoertuig gebruikt, doet overeenkomstig bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen regels onverwijld mededeling van:
- a. een ernstige beschadiging van het spoorvoertuig, zodanig dat het spoorvoertuig niet op eenvoudige wijze in een toestand kan worden gebracht, dat het rijdend vervoerd kan worden zonder de veiligheid van het verkeer op de hoofdspoorweg in gevaar te brengen;
- b. wijzigingen in constructie, inrichting of uitrusting van het spoorvoertuig ten opzichte van de feitelijke situatie bij de goedkeuring;
- c. de wijziging van eigenaar of houder van dat voertuig of de definitieve buitengebruikstelling daarvan.
##### Artikel 46
1. Onze Minister, de beheerder gehoord, kan ontheffing verlenen van het verbod, bedoeld in [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=4&artikel=36&z=2009-12-31&g=2009-12-31).
2. Aan een ontheffing kunnen voorschriften of beperkingen worden verbonden in het belang van een veilig en ongestoord gebruik van hoofdspoorwegen.
3. Overtreding van de voorschriften, bedoeld in het tweede lid, is verboden.
##### Artikel 47
1. De spoorwegonderneming of de houder van een spoorvoertuig draagt er zorg voor dat de door hen gebruikte spoorvoertuigen, de uitrusting en de als zodanig aangewezen onderdelen daarvan tijdens het gebruik in het verkeer over de hoofdspoorwegen bij voortduring blijven voldoen aan:
- a. de toepasselijke technische specificaties inzake interoperabiliteit, bedoeld in artikel 2, onderdeel g, van [richtlijn 2000/16/EG](32000L0016), respectievelijk artikel 2, onderdeel g, van [richtlijn 96/48/EG](31996L0048);
- b. de eisen, bedoeld in de [artikelen 37, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=4&artikel=37&z=2009-12-31&g=2009-12-31), [38, eerste lid, onderdeel a, of tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=4&artikel=38&z=2009-12-31&g=2009-12-31), [40, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=4&artikel=40&z=2009-12-31&g=2009-12-31), of [41, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=4&artikel=41&z=2009-12-31&g=2009-12-31).
2. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder houder van een spoorvoertuig verstaan degene die als eigenaar of anderszins beschikkingsbevoegde dit voertuig duurzaam als transportmiddel exploiteert.
##### Artikel 48
1. Het is verboden onderhoud en herstel van spoorvoertuigen die van hoofdspoorwegen gebruik maken te laten uitvoeren door anderen dan daartoe door Onze Minister erkende natuurlijke personen of rechtspersonen.
2. Een erkenning wordt op aanvraag verleend indien:
- a. de natuurlijke persoon of de bestuurders van de rechtspersoon beschikken over een met het oog op de erkenning verleende verklaring omtrent het gedrag als bedoeld in [artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014194&artikel=28) dan wel voldoen aan gelijkwaardige eisen van betrouwbaarheid;
- b. de natuurlijke persoon of de bestuurders van de rechtspersoon aantonen dat de onderhouds- en herstelwerkzaamheden met de grootste beroepsintegriteit en vakbekwaamheid worden uitgevoerd en
- c. wordt voldaan aan bij algemene maatregel van bestuur gestelde eisen of nadere eisen.
3. De eisen of nadere eisen, bedoeld in het tweede lid, onderdeel c, kunnen onder meer betrekking hebben op:
- a. de voor het onderhoud of herstel beschikbare ruimte en de gebruikte apparatuur;
- b. de deskundigheid van de met het onderhoud of herstel belaste personen en
- c. het proces dat bij het onderhoud of herstel wordt toegepast.
4. Onze Minister kan de erkenning, bedoeld in het tweede lid, onder beperkingen verlenen en daaraan voorschriften verbinden met betrekking tot de uit te voeren werkzaamheden.
5. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over het onderhoud alsmede over de aanvraag en het verlenen van een erkenning.
6. Onze Minister trekt een erkenning in:
- a. op verzoek van degene aan wie deze is verleend;
- b. indien degene, aan wie deze is verleend, niet langer voldoet aan de eisen, bedoeld in het tweede lid.
##### Artikel 37a
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
##### Artikel 37b
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
#### § 5. Personeel
##### Artikel 49
1. Personen die binnen het hoofdspoorwegverkeerssysteem een veiligheidsfunctie uitoefenen dienen, behoudens bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde uitzonderingen, te voldoen aan de bij of krachtens algemene maatregel van bestuur voor de uitoefening van die functie gestelde eisen inzake:
- a. minimumleeftijd;
- b. medische en psychologische geschiktheid;
- c. algemene kennis, bekwaamheid en ervaring;
- d. beheersing van de Nederlandse taal.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de wijze waarop dient te worden aangetoond dat aan de in het eerste lid bedoelde eisen wordt voldaan.
##### Artikel 50
1. Personen die binnen het hoofdspoorwegverkeerssysteem een veiligheidsfunctie uitoefenen, beschikken, behoudens bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde uitzonderingen, over:
- a. een certificaat van bekwaamheid, afgegeven door een door Onze Minister aangewezen exameninstituut, waaruit blijkt dat zij voldoen aan de in [artikel 49, eerste lid, onderdeel c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=5&artikel=49&z=2009-12-31&g=2009-12-31), bedoelde eisen alsmede over een geldige verklaring van medische geschiktheid en een geldige verklaring van psychologische geschiktheid, afgegeven door een door Onze Minister aangewezen keuringsinstituut, waaruit blijkt dat zij voldoen aan de in [artikel 49, eerste lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=5&artikel=49&z=2009-12-31&g=2009-12-31), bedoelde eisen; of
- b. een erkenning van beroepskwalificaties als bedoeld in [artikel 5 van de Algemene wet erkenning EG-beroepskwalificaties](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023066&artikel=5).
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de afgifte, de inhoud en de geldigheid van de in het eerste lid bedoelde documenten alsmede over de aanwijzing van exameninstituten en keuringsinstituten.
##### Artikel 51
1. Degene onder wiens gezag binnen het hoofdspoorwegverkeerssysteem een veiligheidsfunctie wordt uitgeoefend verschaft, behoudens bij algemene maatregel van bestuur omschreven uitzonderingen, aan degene die de betrokken functie uitoefent, die beschikt over de in [artikel 50, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=5&artikel=50&z=2009-12-31&g=2009-12-31), bedoelde documenten en die naar zijn oordeel beschikt over de voor de uitoefening van die functie vereiste specifieke, taakgebonden en bedrijfsgebonden kennis en bekwaamheid, een bedrijfspas.
2. De bedrijfspas voldoet aan de bij of krachtens algemene maatregel van bestuur gestelde eisen.
3. De houder van de bedrijfspas is verplicht die pas op eerste vordering te tonen aan de krachtens de [artikelen 69](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=6&paragraaf=1&artikel=69&z=2009-12-31&g=2009-12-31) en [86](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=6&paragraaf=4&artikel=86&z=2009-12-31&g=2009-12-31) met het toezicht op de naleving onderscheidenlijk de opsporing van strafbare feiten belaste personen.
4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over:
- a. de voor de uitoefening van veiligheidsfuncties vereiste specifieke, taakgebonden en bedrijfsgebonden kennis en bekwaamheid;
- b. de geldigheidsduur van bedrijfspassen.
##### Artikel 52
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen, met het oog op de veiligheid, regels worden gesteld over de bedrijfsvoering en de organisatiestructuur van degene onder wiens gezag binnen het hoofdspoorwegverkeerssysteem een veiligheidsfunctie wordt uitgeoefend.
##### Artikel 53
Het is verboden een veiligheidsfunctie binnen het hoofdspoorwegverkeerssysteem te doen uitoefenen door een persoon:
- a. die niet beschikt over de in [artikel 50, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=5&artikel=50&z=2009-12-31&g=2009-12-31), bedoelde documenten;
- b. waarvan men weet of redelijkerwijs moet weten dat hij niet voldoet aan de voor de uitoefening van de functie gestelde eisen als bedoeld in [artikel 49](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=5&artikel=49&z=2009-12-31&g=2009-12-31).
##### Artikel 54
Degene onder wiens gezag een persoon die binnen het hoofdspoorwegverkeerssysteem een functie, niet zijnde een veiligheidsfunctie, uitoefent die van invloed kan zijn op de veiligheid van het verkeer over hoofdspoorwegen, draagt er zorg voor dat die persoon daartoe geschikt is en de nodige kennis en bekwaamheid bezit.
#### § 6. De verzekeringsplicht
##### Artikel 55
1. De spoorwegonderneming die van de hoofdspoorweg gebruik maakt, is verplicht ter zake van dat gebruik een verzekering te sluiten en in stand te houden, waarmee haar uit wettelijke aansprakelijkheid voortvloeiende financiële risico's voldoende zijn gedekt.
2. Bij algemene maatregel van bestuur worden bedragen vastgesteld waarboven de verzekeringsplicht zich niet uitstrekt. Afzonderlijke bedragen kunnen worden bepaald naar gelang van onder meer de aard van de gebeurtenis, de aard van de schade, de grond van de aansprakelijkheid en de aard van de onderneming.
3. [Artikel 6 van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002415&artikel=6) is van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 51a
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
##### Artikel 51b
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
### Hoofdstuk 4. Het gebruik van hoofdspoorwegen
#### § 1. Algemene bepalingen
##### Artikel 56
In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
- a. gerechtigde: gerechtigde als bedoeld in [artikel 57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=4&paragraaf=1&artikel=57&z=2009-12-31&g=2009-12-31);
- b. toegangsovereenkomst: toegangsovereenkomst als bedoeld in [artikel 59](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=4&paragraaf=3&artikel=59&z=2009-12-31&g=2009-12-31);
- c. kaderovereenkomst: kaderovereenkomst als bedoeld in artikel 17 van [richtlijn 2001/14/EG](32001L0014);
- d. gebruik van een hoofdspoorweg: het met een spoorvoertuig rijden over of stilstaan op een hoofdspoorweg;
- e. capaciteit: capaciteit van de hoofdspoorweginfrastructuur;
- f. netverklaring: netverklaring als bedoeld in [richtlijn 2001/14/EG](32001L0014);
- g. gebruiksvergoeding: vergoeding als bedoeld in artikel 8 van [richtlijn 91/440/EEG](31991L0440) en artikel 4 van [richtlijn 2001/14/EG](32001L0014).
##### Artikel 57
Gerechtigd tot het sluiten van een toegangsovereenkomst en een kaderovereenkomst met de beheerder zijn:
- a. spoorwegondernemingen en hun internationale samenwerkingsverbanden als bedoeld in artikel 3 van [richtlijn 91/440/EEG](31991L0440) die in het bezit zijn van een bedrijfsvergunning of deze hebben aangevraagd, voorzover zij daarmee gerechtigd zijn van de hoofdspoorwegen gebruik te maken op de wijze waarvoor zij de overeenkomst willen sluiten;
- b. concessieverleners als bedoeld in [artikel 20 van de Wet personenvervoer 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011470&artikel=20) ten behoeve van openbaar vervoer per trein;
- c. andere bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aan te wijzen bestuursorganen, personen of rechtspersonen.
#### § 2. Netverklaring
##### Artikel 58
1. De beheerder stelt jaarlijks, na overleg met betrokken gerechtigden, een netverklaring op.
2. De netverklaring bevat de gegevens, bedoeld in artikel 3 en bijlage I van [richtlijn 2001/14/EG](32001L0014), en voorts ten minste:
- a. informatie over voor bepaalde soorten van gebruik voorbehouden capaciteit;
- b. een zakelijke weergave van de inhoud van de geldende kaderovereenkomsten;
- c. een prognose omtrent de ontwikkeling van de capaciteit;
- d. alle overige relevante informatie voor het gebruik van de capaciteit.
3. Met inachtneming van artikel 3, vierde lid, van [richtlijn 2001/14/EG](32001L0014) stelt de beheerder de netverklaring tegen vergoeding van ten hoogste de kostprijs algemeen verkrijgbaar en zendt haar aan de betrokken spoorwegondernemingen en de raad van bestuur NMa.
4. De beheerder brengt in de netverklaring zo nodig wijzigingen aan. Met inachtneming van artikel 8, vierde lid, van [richtlijn 2001/14/EG](32001L0014) en tegen vergoeding van ten hoogste de kostprijs stelt hij de gewijzigde netverklaring algemeen verkrijgbaar en doet hij van de wijzigingen mededeling aan de betrokken spoorwegondernemingen en aan de raad van bestuur NMa.
#### § 3. Toegangsovereenkomst
##### Artikel 59
1. Een tussen de beheerder en een gerechtigde gesloten overeenkomst over het gebruik van capaciteit bevat in elk geval bedingen over:
- a. de door de beheerder te bieden kwaliteit van de hoofdspoorweginfrastructuur;
- b. de gebruiksvergoeding.
2. In de overeenkomst wordt uitgesloten dat overeengekomen capaciteit kan worden overgedragen aan of gebruikt door een ander dan een gerechtigde.
3. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen ten behoeve van de overeenkomst algemene voorwaarden als bedoeld in [artikel 231 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005289&artikel=231) worden vastgesteld. In dat geval wordt in de overeenkomst naar die algemene voorwaarden verwezen.
#### § 4. Kaderovereenkomst
##### Artikel 60
1. Een tussen de beheerder en een gerechtigde gesloten kaderovereenkomst voldoet aan artikel 10, vijfde lid, van [richtlijn 91/440/EEG](31991L0440) en artikel 17 van [richtlijn 2001/14/EG](32001L0014).
2. In een kaderovereenkomst wordt uitgesloten dat overeengekomen capaciteit kan worden overgedragen aan of gebruikt door een ander dan een gerechtigde.
3. Een kaderovereenkomst met een geldigheidsduur van meer dan vijf jaar behoeft de voorafgaande instemming van de raad van bestuur NMa.
4. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen ten behoeve van de kaderovereenkomst algemene voorwaarden als bedoeld in [artikel 231 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005289&artikel=231) worden vastgesteld. In dat geval wordt in de kaderovereenkomst naar die algemene voorwaarden verwezen.
#### § 5. Algemene regels over de verdeling van capaciteit
##### Artikel 61
1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de verdeling van capaciteit. Die regels kunnen strekken ter bescherming van het milieu.
2. Bij de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het eerste lid, worden minimale niveaus van capaciteit vastgesteld voor daarbij aangegeven deelmarkten van het goederenvervoer en het personenvervoer en worden regels gesteld over de prioriteitscriteria, bedoeld in artikel 22, derde tot en met vijfde lid, van [richtlijn 2001/14/EG](32001L0014).
3. Bij of krachtens de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het eerste lid, wordt bepaald in welke gevallen capaciteit tot een bepaald tijdstip is voorbehouden voor bepaalde soorten gebruik van de hoofdspoorwegen en vanaf welk tijdstip deze capaciteit beschikbaar is voor ander gebruik.
4. De voordracht voor een krachtens het eerste lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
#### § 6. Gebruiksvergoeding
##### Artikel 62
1. Behoudens het tweede, derde en vijfde lid bedragen de begrote opbrengsten van de gebruiksvergoeding niet meer dan de begrote kosten ter zake van de desbetreffende hoofdspoorweginfrastructuur in dat jaar voor de beheerder.
2. Met betrekking tot bij algemene maatregel van bestuur aangewezen hoofdspoorweginfrastructuur kan een gebruiksvergoeding worden overeengekomen die mede strekt ter dekking van door een ander dan de beheerder gedane uitgaven voor de aanleg van die infrastructuur.
3. Er kan een verhoging worden overeengekomen voor het gebruik van overbelaste hoofdspoorweginfrastructuur gedurende periodes van overbelasting en voor de kosten van milieueffecten van het gebruik van hoofdspoorweginfrastructuur die niet in de begrote kosten van de beheerder zijn opgenomen.
4. Er kan een korting als bedoeld in artikel 9 van [richtlijn 2001/14/EG](32001L0014) worden overeengekomen.
5. Er kan een aftrek dan wel bijtelling worden overeengekomen in verband met optredende verstoringen en met het oog op verbetering van de prestaties van het spoorwegnet.
6. Er kan worden overeengekomen dat de gebruiksvergoeding ook verschuldigd is voor overeengekomen capaciteit die niet wordt gebruikt.
7. De overeengekomen gebruiksvergoeding voldoet aan de artikelen 4, vierde en vijfde lid, 7 tot en met 12 en 26, derde lid, van [richtlijn 2001/14/EG](32001L0014).
8. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de maatstaven en nadere regels over de hoogte van de gebruiksvergoeding.
9. De voordracht voor een krachtens het achtste lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
##### Artikel 63
1. Onderhandelingen tussen een gerechtigde en de beheerder betreffende de hoogte van de gebruiksvergoeding zijn niet toegestaan dan na een melding aan en onder toezicht van de raad van bestuur NMa.
2. De raad van bestuur NMa legt, indien de onderhandelingen naar zijn oordeel in strijd zijn met [richtlijn 2001/14/EG](32001L0014), aan de overtreder zo nodig een last onder dwangsom op. Aan de last kunnen voorschriften worden verbonden inzake het verstrekken van gegevens aan de raad van bestuur NMa. De [artikelen 54a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008691&artikel=54a), [62](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008691&artikel=62) en [65 van de Mededingingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008691&artikel=65) zijn van overeenkomstige toepassing.
#### § 7. Nadere bepalingen inzake het gebruik van hoofdspoorwegen
##### Artikel 64
1. De beheerder bevordert dat werkzaamheden aan en nabij de hoofdspoorweg veilig plaatsvinden. Werkzaamheden aan of nabij de hoofdspoorweg, waardoor veilig en ongestoord rijden of stilstaan met spoorvoertuigen niet mogelijk is, worden slechts uitgevoerd, indien het betrokken gedeelte van de hoofdspoorweg door de beheerder buiten dienst is gesteld.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over het verrichten van werkzaamheden aan of nabij de hoofdspoorweg.
##### Artikel 65
1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden met het oog op een veilig en ongestoord gebruik van hoofdspoorwegen regels gesteld. Deze regels kunnen onder meer betrekking hebben op:
- a. aard, uitvoering, plaatsing, bediening en betekenis van seinen;
- b. bewegingen met spoorvoertuigen;
- c. het rijden met spoorvoertuigen op de openbare weg;
- d. het gebruik van overwegen en overpaden;
- e. verplichtingen – in verband met storingen, ongevallen, incidenten en andere onregelmatigheden – van spoorwegondernemingen, bestuurders van een spoorvoertuig en andere personen die deelnemen aan het verkeer over de hoofdspoorweg.
2. Een ieder die zich op de hoofdspoorweg bevindt, neemt de voor hem bestemde seinen in acht.
#### § 8. Onderzoek van ongevallen, incidenten en onregelmatigheden op hoofdspoorwegen
##### Artikel 66
1. Onze Minister kan onderzoek verrichten naar de oorzaken van ongevallen en incidenten op hoofdspoorwegen en naar andere onregelmatigheden in de afwikkeling van het spoorverkeer waardoor de veiligheid van het spoorverkeer of van daarbij betrokken personen in gevaar is gebracht of in gevaar gebracht had kunnen worden, indien hij dit onderzoek nodig acht ter evaluatie van de wettelijke voorschriften en het beleid op het terrein van de veiligheid van het spoorverkeer.
2. Ten behoeve van het onderzoek hebben de door Onze Minister aangewezen ambtenaren jegens spoorwegondernemingen en de beheerder de bevoegdheden, bedoeld in de [artikelen 5:15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=5:15) tot en met [5:19 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=5:19). De [artikelen 5:12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=5:12), [5:13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=5:13) en [5:20 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=5:20) zijn van overeenkomstige toepassing.
3. Onze Minister onthoudt zich van het onderzoek naar de oorzaken van ongevallen en incidenten op hoofdspoorwegen voorzover de Onderzoeksraad voor veiligheid naar het betreffende voorval een onderzoek instelt.
### Hoofdstuk 5. Toegang tot bijkomende diensten en voorzieningen
##### Artikel 67
1. Een rechthebbende ten aanzien van een dienst als bedoeld in artikel 10, zesde lid, van [richtlijn 91/440/EEG](31991L0440) ten behoeve van spoorwegactiviteiten als bedoeld in dat lid, ten aanzien van een voorziening of dienst als bedoeld in onderdeel 2 van bijlage II bij [richtlijn 2001/14/EG](32001L0014) of ten aanzien van een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen, voor het verrichten van vervoer via spoorwegen noodzakelijke voorziening of dienst doet een spoorwegonderneming die daarom verzoekt een redelijk aanbod voor het ter beschikking stellen van die dienst of voorziening tegen kostengeoriënteerde tarieven en onder voorwaarden die de mededinging niet beperken.
2. De rechthebbende onthoudt zich van iedere vorm van discriminatie tussen degenen jegens wie de in het eerste lid bedoelde verplichting geldt.
3. Op de grondslag van hetgeen ingevolge het eerste lid is overeengekomen, stelt de rechthebbende de dienst of voorziening ter beschikking. De rechthebbende mag slechts weigeren om de voorziening ter beschikking te stellen, indien de spoorwegonderneming onder marktvoorwaarden op een voor haar haalbare andere wijze kan voorzien in de behoefte die ten grondslag ligt aan haar verzoek.
4. Indien de beheerder rechthebbende is ten aanzien van een dienst als bedoeld in onderdeel 3 van bijlage II bij [richtlijn 2001/14/EG](32001L0014), zijn het eerste tot en met derde lid van overeenkomstige toepassing op een zodanige dienst.
5. Indien er in Nederland slechts één rechthebbende is ten aanzien van een dienst als bedoeld in onderdeel 3 of 4 van bijlage II bij [richtlijn 2001/14/EG](32001L0014), zijn, onverminderd het vierde lid, het eerste en tweede lid en het derde lid, eerste volzin, van overeenkomstige toepassing op een zodanige dienst.
##### Artikel 68
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de kostenoriëntatie, bedoeld in [artikel 67, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=5&artikel=67&z=2009-12-31&g=2009-12-31), en nadere regels ter waarborging van de toegang, op een niet-discriminerende grondslag, tot diensten en voorzieningen als bedoeld in dat artikel. Die nadere regels kunnen in elk geval inhouden dat de rechthebbende:
- a. jaarlijks bekendmaakt:
- 1°. een indicatie van de tarieven en voorwaarden die hij voornemens is te hanteren voor het ter beschikking stellen van de dienst of voorziening aan spoorwegondernemingen;
- 2°. een overzicht van de verwachte beschikbaarheid in het volgende kalenderjaar van de dienst of voorziening;
- b. voor de dienst of voorziening een afzonderlijke boekhouding voert en deze ter inzage legt.
### Hoofdstuk 6. Toezicht, handhaving en overige bepalingen
#### § 1. Toezicht
##### Artikel 69
1. Behoudens [artikel 70, tweede lid, aanhef en onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=6&paragraaf=2&artikel=70&z=2009-12-31&g=2009-12-31), zijn met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze wet belast de bij besluit van Onze Minister daartoe aangewezen personen.
2. Een besluit als bedoeld in het eerste lid bevat een aanduiding van de voorschriften op naleving waarvan toezicht wordt gehouden.
3. Van een besluit als bedoeld in het eerste lid wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.
#### § 2. De Nederlandse Mededingingsautoriteit
##### Artikel 70
1. De raad van bestuur NMa is de toezichthoudende instantie, bedoeld in artikel 10, zevende lid, van [richtlijn 91/440/EEG](31991L0440) en de artikelen 30 en 31 van [richtlijn 2001/14/EG](32001L0014).
2. De bij besluit van de raad van bestuur NMa aangewezen ambtenaren van deze autoriteit zijn belast met:
- a. voor de toepassing van het eerste lid: het toezicht op de naleving van het bepaalde krachtens [artikel 17, eerste lid, onderdeel d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2&paragraaf=4&artikel=17&z=2009-12-31&g=2009-12-31), en het bepaalde bij of krachtens de [artikelen 27, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=1&artikel=27&z=2009-12-31&g=2009-12-31), [57 tot en met 63](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=4&paragraaf=1&artikel=57&z=2009-12-31&g=2009-12-31), [67](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=5&artikel=67&z=2009-12-31&g=2009-12-31), [68](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=5&artikel=68&z=2009-12-31&g=2009-12-31) en [95, eerste volzin](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=6&paragraaf=9&artikel=95&z=2009-12-31&g=2009-12-31);
- b. voor de toepassing van het eerste lid en [artikel 71](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=6&paragraaf=2&artikel=71&z=2009-12-31&g=2009-12-31): het onderzoek, bedoeld in [artikel 1 van de Mededingingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008691&artikel=1).
3. Van een besluit als bedoeld in het tweede lid wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.
4. Op het tweede lid, onderdeel a, is [artikel 51 van de Mededingingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008691&artikel=51) van toepassing. Op het tweede lid, onderdeel b, zijn de [artikelen 52, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008691&artikel=52), en [53 tot en met 55 van de Mededingingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008691&artikel=53) van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 71
1. Een gerechtigde als bedoeld in [artikel 57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=4&paragraaf=1&artikel=57&z=2009-12-31&g=2009-12-31) of een andere belanghebbende kan de raad van bestuur NMa schriftelijk verzoeken om te onderzoeken of de beheerder, een spoorwegonderneming of een rechthebbende als bedoeld in [artikel 67](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=5&artikel=67&z=2009-12-31&g=2009-12-31) of [95](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=6&paragraaf=9&artikel=95&z=2009-12-31&g=2009-12-31) de verzoeker oneerlijk heeft behandeld, heeft gediscrimineerd of anderszins heeft benadeeld als bedoeld in artikel 10, zevende lid, van [richtlijn 91/440/EEG](31991L0440) of artikel 30, tweede lid, van [richtlijn 2001/14/EG](32001L0014).
2. Een partij bij een toegangsovereenkomst of een kaderovereenkomst als bedoeld in [hoofdstuk 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=4&z=2009-12-31&g=2009-12-31) kan de raad van bestuur NMa schriftelijk verzoeken om een oordeel over het gedrag van de wederpartij.
3. De raad van bestuur NMa geeft zijn oordeel over de klacht uiterlijk twee maanden na ontvangst van de gegevens en bescheiden die voor zijn oordeel nodig zijn.
4. Indien de raad van bestuur NMa van oordeel is dat de klacht gegrond is, legt hij zo nodig een last onder dwangsom op.
5. Aan een last als bedoeld in het vierde lid kunnen voorschriften worden verbonden inzake het verstrekken van gegevens aan de raad van bestuur NMa. De [artikelen 54a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008691&artikel=54a) en [65 van de Mededingingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008691&artikel=65) zijn van overeenkomstige toepassing.
6. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot ten behoeve van het onderzoek te verstrekken gegevens en bescheiden, alsmede met betrekking tot de termijnen voor het verstrekken van de gegevens en bescheiden.
##### Artikel 72
1. De raad van bestuur NMa en de krachtens [artikel 70, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=6&paragraaf=2&artikel=70&z=2009-12-31&g=2009-12-31), aangewezen ambtenaren gebruiken de gegevens of inlichtingen die zij hebben verkregen bij de uitoefening van hun in dat artikel bedoelde taken, uitsluitend voor de uitoefening van die taken of van de bij of krachtens de [Mededingingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008691) aan hen opgedragen taken of toegekende bevoegdheden.
2. De raad van bestuur NMa kan desgevraagd aan Onze Minister de voor de uitoefening van diens taak benodigde gegevens of inlichtingen verstrekken.
3. Onze Minister kan desgevraagd aan de raad van bestuur NMa de voor de uitoefening van diens taak benodigde gegevens of inlichtingen verstrekken.
##### Artikel 73
De raad van bestuur NMa stelt jaarlijks voor 1 juli een verslag op van zijn werkzaamheden ingevolge deze wet in het voorafgaande kalenderjaar. Het verslag wordt toegezonden aan Onze Minister en Onze Minister van Economische Zaken en algemeen verkrijgbaar gesteld.
##### Artikel 74
1. Onze Minister kan beleidsregels vaststellen met betrekking tot de uitoefening van in deze wet aan de raad van bestuur NMa toegekende bevoegdheden.
2. De bekendmaking van de beleidsregels geschiedt door plaatsing in de Staatscourant.
3. Indien beleidsregels als bedoeld in het eerste lid betrekking hebben op de interpretatie van mededingingsbegrippen, stelt Onze Minister die beleidsregels vast in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken.
#### § 3. Bestuursrechtelijke handhaving
##### Artikel 75
De raad van bestuur NMa kan aan degene die jegens een krachtens [artikel 70, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=6&paragraaf=2&artikel=70&z=2009-12-31&g=2009-12-31), aangewezen ambtenaar in strijd handelt met [artikel 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=5:20), een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste € 450 000 of, indien het een onderneming of ondernemingsvereniging als bedoeld in [artikel 1 van de Mededingingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008691&artikel=1) betreft en indien dat meer is, van ten hoogste 1% van de omzet van de onderneming, onderscheidenlijk van de gezamenlijke omzet van de ondernemingen die van de vereniging deel uitmaken, in het boekjaar voorafgaande aan de beschikking. De [artikelen 69, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008691&artikel=69), [70](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008691&artikel=70), [75a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008691&artikel=75a), [77](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008691&artikel=77), [80](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008691&artikel=80) en [82 van de Mededingingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008691&artikel=82) zijn van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 76
1. Onze Minister is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang ter handhaving van de bij of krachtens deze wet gestelde verplichtingen met uitzondering van de verplichtingen als bedoeld in het tweede lid.
2. In geval van overtreding van het bepaalde krachtens [artikel 17, eerste lid, onderdeel d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2&paragraaf=4&artikel=17&z=2009-12-31&g=2009-12-31), of het bepaalde bij of krachtens de [artikelen 27, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=1&artikel=27&z=2009-12-31&g=2009-12-31), [57 tot en met 62](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=4&paragraaf=1&artikel=57&z=2009-12-31&g=2009-12-31), [63, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=4&paragraaf=6&artikel=63&z=2009-12-31&g=2009-12-31), [67](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=5&artikel=67&z=2009-12-31&g=2009-12-31), [68](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=5&artikel=68&z=2009-12-31&g=2009-12-31) en [95, eerste volzin](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=6&paragraaf=9&artikel=95&z=2009-12-31&g=2009-12-31), kan de raad van bestuur NMa de overtreder:
- a. een bestuurlijke boete opleggen;
- b. een last onder dwangsom opleggen.
3. Op het tweede lid zijn de [artikelen 54a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008691&artikel=54a), [57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008691&artikel=57), [58](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008691&artikel=58), [59a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008691&artikel=59a), [62](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008691&artikel=62) en [64 tot en met 68 van de Mededingingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008691&artikel=64) van overeenkomstige toepassing.
4. [Artikel 70b van de Mededingingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008691&artikel=70b) is van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 77
1. Onze Minister kan een bestuurlijke boete opleggen ter zake van overtreding van de [artikelen 33, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=3&artikel=33&z=2009-12-31&g=2009-12-31), [36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=4&artikel=36&z=2009-12-31&g=2009-12-31), [53](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=5&artikel=53&z=2009-12-31&g=2009-12-31), en [96, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=6&paragraaf=10&artikel=96&z=2009-12-31&g=2009-12-31).
2. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de uitoefening van de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid.
##### Artikel 78
Vervallen
##### Artikel 79
Vervallen
##### Artikel 80
1. Voor de overtredingen gelden de volgende vaste bedragen van de bestuurlijke boete:
- a. voor overtreding van de [artikelen 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=4&artikel=36&z=2009-12-31&g=2009-12-31), en [53](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=5&artikel=53&z=2009-12-31&g=2009-12-31): € 10 000;
- b. voor overtreding van [artikel 96, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=6&paragraaf=10&artikel=96&z=2009-12-31&g=2009-12-31): € 50 000.
2. Indien de boete wordt opgelegd voor het overtreden van een bepaling vermeld in het eerste lid is bij de vaststelling van de hoogte van deze boete de onderstaande categorie-indeling naar omzet van toepassing met de daarbij behorende factor. De omzet is de omzet in het kalenderjaar voorafgaand aan de datum van overtreding. De boete wordt vastgesteld door het in het eerste lid vermelde bedrag te vermenigvuldigen met de factor behorende bij de onderstaande omzet-categorie:
- –. Categorie I: ondernemingen met een omzet van minder dan € 100 000: factor 0,25.
- –. Categorie II: ondernemingen met een omzet van ten minste € 100 000 maar minder dan € 200 000: factor 0,5.
- –. Categorie III: ondernemingen met een omzet van ten minste € 200 000 maar minder dan € 500 000: factor 1.
- –. Categorie IV: ondernemingen met een omzet van ten minste € 500 000 maar minder dan € 1 000 000: factor 2.
- –. Categorie V: ondernemingen met een omzet van meer dan € 1 000 000: factor 3.
3. Indien de gegevens omtrent de omzet niet aan Onze Minister beschikbaar zijn gesteld, kan Onze Minister aan degene aan wie de boete wordt opgelegd verzoeken deze gegevens binnen een door hem te stellen termijn te verstrekken. Indien de betrokkene niet binnen de gestelde termijn voldoet aan dit verzoek, is bij de vaststelling van de hoogte van de in het tweede lid bedoelde boete categorie V van toepassing.
4. De in het eerste en tweede lid vermelde bedragen en factoren kunnen bij algemene maatregel van bestuur worden gewijzigd.
##### Artikel 81
Vervallen
##### Artikel 82
Vervallen
##### Artikel 83
Vervallen
##### Artikel 84
Vervallen
##### Artikel 85
Vervallen
#### § 4. Strafrechtelijke handhaving
##### Artikel 86
1. Met de opsporing van de bij of krachtens deze wet strafbaar gestelde feiten zijn, onverminderd [artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=141), belast de met betrekking tot deze wet krachtens [artikel 17, eerste lid, onderdeel 2°, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17) aangewezen ambtenaren. Deze ambtenaren zijn tevens belast met de opsporing van de feiten, strafbaar gesteld in de [artikelen 179 tot en met 182](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=179) en [184 van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=184), voorzover deze feiten betrekking hebben op een bevel, vordering of handeling, gedaan of ondernomen door henzelf.
2. Met de opsporing van de bij of krachtens deze wet strafbaar gestelde feiten zijn voorts belast de bij besluit van Onze Minister en Onze Minister van Justitie tezamen aangewezen personen.
3. Van een besluit als bedoeld in het tweede lid wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.
##### Artikel 87
1. Overtreding van de [artikelen 4, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=1&artikel=4&z=2009-12-31&g=2009-12-31), [19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2&paragraaf=4&artikel=19&z=2009-12-31&g=2009-12-31), [21](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2&paragraaf=4&artikel=21&z=2009-12-31&g=2009-12-31), [22, eerste lid, onderdelen c en d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2&paragraaf=4&artikel=22&z=2009-12-31&g=2009-12-31), en [51, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=5&artikel=51&z=2009-12-31&g=2009-12-31), alsmede overtreding van de krachtens [hoofdstuk 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2&z=2009-12-31&g=2009-12-31) en de [artikelen 64, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=4&paragraaf=7&artikel=64&z=2009-12-31&g=2009-12-31), [65, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=4&paragraaf=7&artikel=65&z=2009-12-31&g=2009-12-31), en [94](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=6&paragraaf=9&artikel=94&z=2009-12-31&g=2009-12-31) vastgestelde voorschriften, voorzover die overtreding daarbij uitdrukkelijk als strafbaar feit is aangemerkt, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste twee maanden of geldboete van de tweede categorie.
2. Overtreding van de [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=1&artikel=3&z=2009-12-31&g=2009-12-31), [22, eerste lid, onderdelen a en b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2&paragraaf=4&artikel=22&z=2009-12-31&g=2009-12-31), en [65, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=4&paragraaf=7&artikel=65&z=2009-12-31&g=2009-12-31), wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de derde categorie.
3. Overtreding van [artikel 4, eerste, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=1&artikel=4&z=2009-12-31&g=2009-12-31), [artikel 88, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=6&paragraaf=4&artikel=88&z=2009-12-31&g=2009-12-31), [artikel 89, tweede, zesde, achtste en negende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=6&paragraaf=4&artikel=89&z=2009-12-31&g=2009-12-31), wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de vierde categorie.
4. Bij veroordeling van een persoon die een veiligheidsfunctie uitoefent, wegens overtreding van [artikel 4, eerste of tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=1&artikel=4&z=2009-12-31&g=2009-12-31), kan hem de bevoegdheid tot het uitoefenen van die functie voor ten hoogste vijf jaren worden ontzegd.
5. Bij veroordeling van een persoon die een veiligheidsfunctie uitoefent, wegens overtreding van het bepaalde krachtens deze wet, kan hem in die gevallen waarin dit bij algemene maatregel van bestuur is bepaald, de bevoegdheid tot het uitoefenen van die functie voor ten hoogste twee jaar worden ontzegd.
6. De feiten strafbaar gesteld bij dan wel krachtens de in het eerste en tweede lid bedoelde bepalingen zijn overtredingen. De in het derde lid strafbaar gestelde feiten zijn misdrijven.
##### Artikel 88
1. Een van de bij of krachtens [artikel 86 van deze wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=6&paragraaf=4&artikel=86&z=2009-12-31&g=2009-12-31) of [artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=141) met de opsporing van strafbare feiten belaste ambtenaren, kan een in [artikel 4, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=1&artikel=4&z=2009-12-31&g=2009-12-31), bedoelde persoon van wie, uit het in [artikel 4, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=1&artikel=4&z=2009-12-31&g=2009-12-31), bedoelde onderzoek of op andere wijze, naar het oordeel van die ambtenaar gebleken is dat hij onder zodanige invloed van het gebruik van een stof als bedoeld in [artikel 4, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=1&artikel=4&z=2009-12-31&g=2009-12-31), verkeert, dat hij onvoldoende in staat is een veiligheidsfunctie uit te oefenen dan wel op de uitoefening van zodanige functie toezicht te houden, een verbod opleggen tot het uitoefenen van die functie of tot het houden van toezicht daarop, voor de tijd gedurende welke redelijkerwijs verwacht mag worden dat deze toestand zal voortduren tot ten hoogste vierentwintig uur. De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing op degene die aanstalten maakt een veiligheidsfunctie te gaan uitoefenen dan wel op de uitoefening van zodanige functie toezicht te houden.
2. De ambtenaar die een verbod als bedoeld in het eerste lid oplegt, legt dit vast in een beschikking die het tijdstip van ingang en de duur van het verbod bevat.
3. Het is degene aan wie een verbod als bedoeld in het eerste lid is opgelegd, verboden een veiligheidsfunctie uit te oefenen dan wel op de uitoefening van zodanige functie toezicht te houden, gedurende de tijd waarvoor dat verbod geldt.
##### Artikel 89
1. Bij verdenking dat een persoon heeft gehandeld in strijd met [artikel 4, eerste, tweede of derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=1&artikel=4&z=2009-12-31&g=2009-12-31), kan de in [artikel 88, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=6&paragraaf=4&artikel=88&z=2009-12-31&g=2009-12-31), bedoelde ambtenaar hem bevelen zijn medewerking te verlenen aan een onderzoek als bedoeld in [artikel 4, tweede lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=1&artikel=4&z=2009-12-31&g=2009-12-31).
2. Degene aan wie het in het eerste lid bedoelde bevel is gegeven, is verplicht ademlucht te blazen in een voor het onderzoek bestemd apparaat en gevolg te geven aan alle door de betrokken ambtenaar ten dienste van het onderzoek gegeven aanwijzingen.
3. De in het tweede lid genoemde verplichtingen gelden niet voor de verdachte van wie aannemelijk is, dat het verlenen van medewerking aan een ademonderzoek voor hem om bijzondere geneeskundige redenen onwenselijk is.
4. In het geval, bedoeld in het derde lid, dan wel indien de medewerking van de verdachte niet heeft geleid tot een voltooid ademonderzoek, kan de betrokken ambtenaar de verdachte vragen of hij zijn toestemming geeft tot het verrichten van een onderzoek als bedoeld in [artikel 4, tweede lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=1&artikel=4&z=2009-12-31&g=2009-12-31). Gelijke bevoegdheid heeft de betrokken ambtenaar, indien het vermoeden bestaat dat de verdachte onder invloed van een andere in [artikel 4, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=1&artikel=4&z=2009-12-31&g=2009-12-31), bedoelde stof dan alcoholhoudende drank verkeert.
5. Indien de verdachte zijn op grond van het vierde lid gevraagde toestemming niet verleent, kan de officier van justitie, een hulpofficier van justitie of een van de daartoe bij regeling van Onze Minister van Justitie aangewezen ambtenaren, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, hem bevelen zich te onderwerpen aan een bloedonderzoek.
6. Degene wie is bevolen zich aan een bloedonderzoek te onderwerpen, is verplicht aan dit bevel gevolg te geven en zijn medewerking te verlenen. Hem wordt door een arts zoveel bloed afgenomen als voor het onderzoek noodzakelijk is.
7. De in het zesde lid genoemde verplichtingen gelden niet voor de verdachte van wie aannemelijk is, dat afname van bloed bij hem om bijzondere geneeskundige redenen onwenselijk is.
8. De krachtens het zevende lid van de in het zesde lid genoemde verplichtingen vrijgestelde personen zijn verplicht mee te werken aan een door de officier van justitie, door een hulpofficier van justitie of door een van de daartoe bij regeling van Onze Minister van Justitie aangewezen ambtenaren, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, bevolen onderzoek ten einde op andere wijze dan door bloed- of ademonderzoek het gebruik van de in [artikel 4, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=1&artikel=4&z=2009-12-31&g=2009-12-31), bedoelde stoffen of het in [artikel 4, tweede lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=1&artikel=4&z=2009-12-31&g=2009-12-31), genoemde gehalte vast te stellen.
9. Indien de verdachte niet in staat is zijn wil kenbaar te maken, kan hem met toestemming van de officier van justitie, een hulpofficier van justitie of een van de daartoe bij regeling van Onze Minister van Justitie aangewezen ambtenaren, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, door een arts de in het zesde lid bedoelde hoeveelheid bloed worden afgenomen, tenzij aannemelijk is dat dit bij hem om bijzondere geneeskundige redenen onwenselijk is. Een onderzoek van het bloed vindt niet plaats dan nadat de verdachte in de gelegenheid is gesteld zijn toestemming daartoe te geven. Zo nodig kan hem overeenkomstig het vijfde lid worden bevolen zijn medewerking te verlenen. De verdachte aan wie een zodanig bevel is gegeven, is verplicht zijn medewerking te verlenen. Indien de verdachte weigert zijn medewerking te verlenen, wordt het bloedmonster vernietigd.
10. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de wijze van uitvoering van [artikel 4, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=1&artikel=4&z=2009-12-31&g=2009-12-31), en van dit artikel. Deze regels kunnen mede betrekking hebben op de mogelijkheid tot het doen verrichten van een tegenonderzoek. Bij regeling van Onze Minister van Justitie worden in de bij die algemene maatregel van bestuur aangegeven gevallen voorschriften ter uitvoering van die regels vastgesteld.
#### § 5. Beroep
##### Artikel 90
In afwijking van [artikel 8:7 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=8:7) is voor beroepen tegen besluiten op grond van deze wet, met uitzondering van besluiten op grond van de [artikelen 19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2&paragraaf=4&artikel=19&z=2009-12-31&g=2009-12-31) en [21](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2&paragraaf=4&artikel=21&z=2009-12-31&g=2009-12-31), de rechtbank te Rotterdam bevoegd.
#### § 6. Heffingen
##### Artikel 91
1. Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat aan het betrokken bestuursorgaan een vergoeding verschuldigd is volgens de daarbij vast te stellen tarieven ter zake van het overeenkomstig deze wet aanvragen of verstrekken van een bij of krachtens deze wet te nemen besluit, te verstrekken certificaat of ander document.
2. De hoogte van de krachtens het eerste lid vastgestelde tarieven wordt zodanig vastgesteld dat de geraamde baten van de vergoedingen voor het betrokken bestuursorgaan niet uitgaan boven de geraamde lasten van het betrokken bestuursorgaan ter zake van de behandelingen van de aanvragen en het verstrekken van de besluiten en documenten, bedoeld in het eerste lid.
#### § 7. Toepasselijkheid nieuwe Europese regelgeving
##### Artikel 92
1. Een wijziging van [richtlijn 91/440/EEG](31991L0440), [richtlijn 95/18/EG](31995L0018), [richtlijn 2001/14/EG](32001L0014), [richtlijn 96/48/EG](31996L0048) en [richtlijn 2001/16/EG](32001L0016) gaat voor de toepassing van deze wet gelden met ingang van de dag waarop aan de betrokken wijzigingsrichtlijn uitvoering moet zijn gegeven, tenzij bij ministerieel besluit, dat in de Staatscourant wordt bekendgemaakt, een ander tijdstip wordt vastgesteld.
2. Onze Minister kan met inachtneming van artikel 7 van [richtlijn 96/48/EG](31996L0048) dan wel van [richtlijn 2001/16/EG](32001L0016) een technische specificatie inzake interoperabiliteit geheel of gedeeltelijk buiten toepassing verklaren.
#### § 8. Aanwijzing van keuringsinstanties
##### Artikel 93
1. Onze Minister wijst de instanties aan die zijn belast met:
- a. de beoordeling van de conformiteit of van de geschiktheid voor gebruik als bedoeld in de artikelen 13 van de [richtlijnen 96/48/EG](31996L0048) en [2001/16/EG](32001L0016) en de afgifte van de bijbehorende EG-verklaringen van conformiteit of geschiktheid voor gebruik als bedoeld in de artikelen 10 van deze richtlijnen;
- b. de goedkeuring als bedoeld in de artikelen 18 van de [richtlijnen 96/48/EG](31996L0048) en [2001/16/EG](32001L0016) en de afgifte van de bijbehorende EG-keuringsverklaringen als bedoeld in de artikelen 16 van deze richtlijnen;
- c. de afgifte van goedkeuringscertificaten als bedoeld in [artikel 8, tweede lid, onderdeel c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2&paragraaf=3&artikel=8&z=2009-12-31&g=2009-12-31);
- d. de afgifte van goedkeuringscertificaten als bedoeld in [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=4&artikel=36&z=2009-12-31&g=2009-12-31);
- e. het onderzoek, bedoeld in [artikel 38, eerste lid, onderdeel c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=4&artikel=38&z=2009-12-31&g=2009-12-31).
2. De instanties, de directeur en het personeel daarvan voldoen ten minste aan de toepasselijke eisen, neergelegd in bijlage VII van [richtlijn 96/48/EG](31996L0048), respectievelijk [richtlijn 2001/16/EG](32001L0016), en aan de bij ministeriële regeling vastgestelde eisen.
3. Aan de aanwijzing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden.
4. De instanties verrichten hun werkzaamheden met inachtneming van de toepasselijke bepalingen in bijlage VI van [richtlijn 96/48/EG](31996L0048) respectievelijk [richtlijn 2001/16/EG](32001L0016) en het Besluit nr. 93/465/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 22 juli 1993 betreffende de modules voor de verschillende fasen van de overeenstemmingsbeoordelingsprocedures en de voorschriften inzake het aanbrengen en het gebruik van de CE-markering van overeenstemming (PbEG L 220).
5. De instanties stellen na elk onderzoek een onderzoekscertificaat op, in voorkomend geval met vermelding van de geldigheidsduur en van de voorwaarden waaronder het geldig is.
6. Onze Minister trekt de aanwijzing, bedoeld in het eerste lid, in indien de betrokken instantie niet langer voldoet aan de toepasselijke eisen van bijlage VII van de desbetreffende richtlijn. Onze Minister kan de aanwijzing intrekken, indien de betrokken instantie niet langer voldoet aan bijlage VI van de desbetreffende richtlijn of de bij ministeriële regeling vastgestelde eisen, bedoeld in het tweede lid.
7. Onze Minister doet mededeling van een aanwijzing of van een intrekking van een aanwijzing door kennisgeving in de Staatscourant.
#### § 9. Bepalingen inzake bijzondere spoorwegen
#### § 10. Informatieplicht van spoorwegondernemingen en de beheerder
##### Artikel 96
1. Spoorwegondernemingen en de beheerder zijn verplicht Onze Minister mondeling, schriftelijk of op andere wijze – dit ter keuze van Onze Minister na overleg met de betrokken spoorwegonderneming of betrokken beheerder – alle bij hen berustende gegevens te verstrekken en inzage te geven van boeken en bescheiden die betrekking hebben op het gebruik of beheer van spoorwegen en het vervoer daarover, voorzover Onze Minister dat redelijkerwijs voor de vervulling van zijn taak nodig heeft.
2. Degene van wie krachtens het eerste lid gegevens worden verlangd, is op de door Onze Minister aan te geven wijze en binnen de door hem te bepalen termijn verplicht deze volledig en naar waarheid te verstrekken en degene van wie inzage wordt verlangd is verplicht deze ongestoord te verlenen.
3. Onze Minister gebruikt gegevens of inlichtingen omtrent een spoorwegonderneming die hij heeft verkregen in verband met enige werkzaamheid ten behoeve van de uitvoering van een van zijn taken, uitsluitend voor de uitvoering van die taak.
#### § 11. De verwerking van persoonsgegevens
##### Artikel 97
Voorzover dit noodzakelijk is ter beoordeling van het voldoen aan de bij of krachtens deze wet gestelde voorschriften kunnen gegevens betreffende het gedrag van bestuurders, het gedrag van een vergunninghouder en de gezondheid van personeel worden verwerkt. Onze Minister is verantwoordelijke voor de verwerking van de gegevens als bedoeld in de [Wet bescherming persoonsgegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011468).
### Hoofdstuk 7. Buitengewone omstandigheden
##### Artikel 98
Vervallen
##### Artikel 99
Vervallen
##### Artikel 100
Vervallen
##### Artikel 101
Vervallen
##### Artikel 102
Vervallen
### Hoofdstuk 8. Aanpassing en intrekking van andere wetten
##### Artikel 103
De volgende wetten worden ingetrokken op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld:
- a. de [Spoorwegwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001848) (Stb. 1875, 67);
- b. de [wet van 9 juli 1900, houdende nadere regeling van den dienst en het gebruik van spoorwegen, waarop uitsluitend met beperkte snelheid wordt vervoerd](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001866) (Stb. 118);
- c. de [wet van 1 november 1924, houdende wettelijke maatregelen tegen aantasting van metalen voorwerpen in den bodem door zwerfstroomen, afkomstig van spoorstaven van electrische spoor- en tramwegen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001921) (Stb. 498);
- d. de [wet van 15 december 1917, houdende voorschriften omtrent aanleg en instandhouding van spoorwegen, waarop uitsluitend met beperkte snelheid wordt vervoerd, op wegen niet onder beheer van het Rijk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001892) (Stb. 703);
- e. de [wet van 26 mei 1937 tot reorganisatie van het spoorwegbedrijf](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001988) (Stb. 520);
- f. de [wet van 11 juni 1998, houdende wijziging van de Spoorwegwet ter implementatie van richtlijn nr. 95/18/EG en richtlijn nr. 95/19/EG](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009683) (Stb. 374).
##### Artikel 104
Wijzigt de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie.
##### Artikel 105
Wijzigt de Coördinatiewet uitzonderingstoestanden.
##### Artikel 106
Wijzigt de Vervoersnoodwet.
##### Artikel 107
Wijzigt de Wet op de economische delicten.
##### Artikel 108
Wijzigt de Tracéwet.
##### Artikel 109
Wijzigt de Wet geluidhinder.
##### Artikel 110
Wijzigt de Wet Infrastructuurfonds.
##### Artikel 111
Wijzigt de Vestigingswet Bedrijven 1954.
##### Artikel 112
Wijzigt de Wegenverkeerswet 1994.
##### Artikel 113
Wijzigt het Wetboek van Strafrecht.
##### Artikel 114
Wijzigt de Wegenwet.
##### Artikel 115
Wijzigt de Wet Raad voor de Transportveiligheid.
### Hoofdstuk 9. Overgangs- en slotbepalingen
#### § 1. Overgangsbepalingen gedelegeerde regelgeving
@@ -1332,16 +1416,4 @@
#### § 3. Slotbepalingen
##### Artikel 126
Onze Minister zendt in het jaar 2006 aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk.
##### Artikel 127
De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.
##### Artikel 128
Deze wet wordt aangehaald als: Spoorwegwet.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
2009-12-31
Spoorwegwet — arts. 4, 117, 118 y 42 más
2009-07-01
Spoorwegwet — arts. 4, 117, 118 y 43 más
2009-05-01
Spoorwegwet — arts. 4, 117, 118 y 45 más
2007-12-21
Spoorwegwet — arts. 4, 117, 118 y 45 más
2007-10-01
Spoorwegwet — arts. 4, 117, 118 y 46 más
2007-03-30
Spoorwegwet — arts. 4, 117, 118 y 46 más
2006-12-01
Spoorwegwet — arts. 4, 117, 118 y 46 más
2006-02-01
Spoorwegwet — arts. 4, 117, 118 y 46 más
2005-08-03
Spoorwegwet — arts. 4, 117, 118 y 46 más
2005-07-01
Spoorwegwet — arts. 4, 117, 118 y 46 más
2005-03-16
Spoorwegwet — arts. 4, 117, 118 y 46 más
2005-02-15
Spoorwegwet — arts. 1, 1, 4 y 109 más
2005-01-01
2004-12-31
Spoorwegwet — arts. 1, 1, 2 y 23 más
2004-12-31
Spoorwegwet
original version Tekst op deze datum