Wijzigingsgeschiedenis

Wet van 23 april 2003, houdende nieuwe algemene regels over de aanleg, het beheer, de toegankelijkheid en het gebruik van spoorwegen alsmede over het verkeer over spoorwegen (Spoorwegwet)

46 versions · 2024-01-01
2024-01-01
Spoorwegwet — arts. 4, 117, 118 y 6 más
2023-07-01
Spoorwegwet — arts. 4, 117, 118 y 6 más
2022-01-01
Spoorwegwet — arts. 4, 117, 118 y 6 más
2021-07-01
Spoorwegwet — arts. 4, 117, 118 y 6 más
2021-06-30
2019-06-16
2019-04-01
Spoorwegwet — arts. 4, 117, 118 y 7 más
2019-03-07
2018-07-28
Spoorwegwet — arts. 4, 117, 118 y 7 más
2018-05-25
Spoorwegwet — arts. 4, 4, 117 y 17 más
2018-02-17
Spoorwegwet — arts. 4, 117, 118 y 7 más
2018-01-01
Spoorwegwet — arts. 4, 117, 118 y 7 más
2017-08-30
Spoorwegwet — arts. 4, 117, 118 y 7 más
2016-11-26
2016-10-01
Spoorwegwet — arts. 4, 117, 118 y 7 más
2016-07-01
Spoorwegwet — arts. 4, 117, 118 y 8 más
2016-01-18
Spoorwegwet — arts. 4, 117, 118 y 8 más
2015-12-15
2015-12-01
2015-07-01
2015-01-01
2014-08-01
Spoorwegwet — arts. 4, 117, 118 y 12 más
2014-01-01
Spoorwegwet — arts. 4, 117, 118 y 12 más
2013-04-01
Spoorwegwet — arts. 4, 117, 118 y 13 más
2013-01-01
Spoorwegwet — arts. 4, 117, 118 y 13 más
2012-07-25
Spoorwegwet — arts. 4, 117, 118 y 18 más
2012-07-01
2012-04-01
Spoorwegwet — arts. 4, 117, 118 y 20 más
2011-11-15
Spoorwegwet — arts. 4, 117, 118 y 41 más
2011-10-12
Spoorwegwet — arts. 4, 117, 118 y 42 más
2011-01-01
2009-12-31
Spoorwegwet — arts. 4, 117, 118 y 42 más
2009-07-01
Spoorwegwet — arts. 4, 117, 118 y 43 más
2009-05-01
Spoorwegwet — arts. 4, 117, 118 y 45 más
2007-12-21
Spoorwegwet — arts. 4, 117, 118 y 45 más
2007-10-01
Spoorwegwet — arts. 4, 117, 118 y 46 más
2007-03-30
Spoorwegwet — arts. 4, 117, 118 y 46 más
2006-12-01
Spoorwegwet — arts. 4, 117, 118 y 46 más
2006-02-01
Spoorwegwet — arts. 4, 117, 118 y 46 más
2005-08-03
Spoorwegwet — arts. 4, 117, 118 y 46 más
2005-07-01
Spoorwegwet — arts. 4, 117, 118 y 46 más
2005-03-16
Spoorwegwet — arts. 4, 117, 118 y 46 más
2005-02-15
Spoorwegwet — arts. 1, 1, 4 y 109 más
2005-01-01
2004-12-31
Spoorwegwet — arts. 1, 1, 2 y 23 más

Wijzigingen op 2004-12-31

@@ -113,2379 +113,3 @@
#### § 3. Slotbepalingen
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
#### § 1. Algemeen
##### Artikel 5
Onze Minister draagt zorg voor de aanleg, het beheer en het onderhoud van hoofdspoorweginfrastructuur.
#### § 2. De eigenschappen van hoofdspoorweginfrastructuur
##### Artikel 6
1. Hoofdspoorweginfrastructuur voldoet aan de bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen regels en nadere regels ten aanzien van basiskwaliteit, te weten inrichting, uitrusting en technische eigenschappen, waaronder regels over:
- a. algemene kenmerken van de infrastructuur;
- b. aanleg en onderhoud;
- c. beveiliging;
- d. bouwwerken;
- e. telecommunicatievoorzieningen;
- f. kunstwerken;
- g. spoorwegovergangen;
- h. afstandsbediening;
- i. energievoorziening.
2. De voordracht voor een krachtens het eerste lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
##### Artikel 7
1. Onverminderd de krachtens [artikel 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2&paragraaf=2&artikel=6&z=2005-01-01&g=2005-01-01) gestelde regels zijn hoofdspoorwegen waar een snelheid van meer dan 40 kilometer per uur is toegestaan, voorzien van een bij ministeriële regeling te omschrijven systeem van beveiliging.
2. Onverminderd de krachtens [artikel 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2&paragraaf=2&artikel=6&z=2005-01-01&g=2005-01-01) gestelde regels zijn gedeelten van een hoofdspoorweg die niet zijn gelegen in een gelijkvloerse kruising met een weg of in een voor het openbaar verkeer openstaande weg, zodanig afgesloten van de omgeving dat het publiek zich niet of slechts met bijzondere moeite op de spoorweg kan begeven.
3. Onze Minister kan ontheffing verlenen van het eerste en tweede lid.
#### § 3. De interoperabiliteit van de hoofdspoorweginfrastructuur
##### Artikel 8
1. Onverminderd de krachtens [artikel 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2&paragraaf=2&artikel=6&z=2005-01-01&g=2005-01-01) gestelde regels voldoet hoofdspoorweginfrastructuur waarover internationaal verkeer plaatsvindt aan de toepasselijke voorschriften van de [richtlijnen 2001/16/EG](32001L0016) en [96/48/EG](31996L0048) of van het Verdrag.
2. De in het eerste lid bedoelde infrastructuur wordt vermoed te voldoen aan de voorschriften:
- a. van [richtlijn 2001/16/EG](32001L0016), indien ter zake een geldige EG-keuringsverklaring als bedoeld in artikel 16 van die richtlijn is afgegeven;
- b. van [richtlijn 96/48/EG](31996L0048), indien ter zake een geldige EG-keuringsverklaring als bedoeld in artikel 16 van die richtlijn is afgegeven;
- c. van het Verdrag, indien ter zake een geldig goedkeuringscertificaat als bedoeld in bijlage G van het Verdrag is afgegeven.
##### Artikel 9
1. Een EG-keuringsverklaring als bedoeld in [artikel 8, tweede lid, onderdelen a of b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2&paragraaf=3&artikel=8&z=2005-01-01&g=2005-01-01), wordt afgegeven indien:
- a. de spoorweginfrastructuur voldoet aan de toepasselijke technische specificaties inzake interoperabiliteit, bedoeld in artikel 2, onderdeel g, van [richtlijn 2001/16/EG](32001L0016), respectievelijk artikel 2, onderdeel g, van [richtlijn 96/48/EG](31996L0048);
- b. ten aanzien van de spoorweginfrastructuur een conformiteitsverklaring als bedoeld in [richtlijn 2001/16/EG](32001L0016), bijlage VI, punt 3, respectievelijk in [richtlijn 96/48/EG](31996L0048), bijlage VI, punt 3, is afgegeven door een keuringsinstantie.
2. Een goedkeuringscertificaat als bedoeld in [artikel 8, tweede lid, onderdeel c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2&paragraaf=3&artikel=8&z=2005-01-01&g=2005-01-01), wordt afgegeven indien de spoorweginfrastructuur voldoet aan de bij of krachtens algemene maatregel van bestuur gestelde eisen.
##### Artikel 10
1. Het is verboden de ingevolge [richtlijnen 2001/16/EG](32001L0016) of [96/48/EG](31996L0048) dan wel het Verdrag als zodanig aangemerkte onderdelen van hoofdspoorweginfrastructuur als zodanig in de handel te brengen indien ten aanzien daarvan niet zijn afgegeven:
- a. geldige EG-verklaringen van conformiteit of geschiktheid voor gebruik als bedoeld in artikel 10 van [richtlijn 2001/16/EG](32001L0016);
- b. geldige EG-verklaringen van conformiteit of geschiktheid voor gebruik als bedoeld in artikel 10 van [richtlijn 96/48/EG](31996L0048) of
- c. geldige goedkeuringscertificaten als bedoeld in bijlage G van het Verdrag.
2. Het in het eerste lid, aanhef en onderdelen a en b, bedoelde verbod geldt niet ten aanzien van niet door de desbetreffende richtlijnen bestreken toepassing van deze onderdelen.
3. Degene die deze onderdelen gebruikt, zorgt dat deze onderdelen binnen hun toepassingsgebied worden gebruikt overeenkomstig hun bestemming, en dat zij naar behoren worden geïnstalleerd en onderhouden.
##### Artikel 11
1. Een EG-verklaring als bedoeld in [artikel 10, eerste lid, onderdelen a of b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2&paragraaf=3&artikel=10&z=2005-01-01&g=2005-01-01), wordt afgegeven indien:
- a. de desbetreffende onderdelen voldoen aan de toepasselijke technische specificaties inzake interoperabiliteit, bedoeld in artikel 2, onderdeel g, van [richtlijn 2001/16/EG](32001L0016), respectievelijk artikel 2, onderdeel g, van [richtlijn 96/48/EG](31996L0048);
- b. de toetsing van onderdeel a is uitgevoerd door een keuringsinstantie, respectievelijk door een keuringsinstantie voorzover de technische specificaties dat vereisen.
2. Een goedkeuringscertificaat als bedoeld in [artikel 10, eerste lid, onderdeel c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2&paragraaf=3&artikel=10&z=2005-01-01&g=2005-01-01), wordt afgegeven indien de desbetreffende onderdelen voldoen aan de bij of krachtens algemene maatregel van bestuur gestelde eisen.
3. Indien met betrekking tot de in het eerste lid bedoelde onderdelen andere EG-richtlijnen bestaan ten aanzien van andere aspecten dan geregeld in bedoelde technische specificaties, vermelden de verklaringen, bedoeld in dat lid, tevens of de onderdelen aan die andere EG-richtlijnen voldoen.
##### Artikel 12
1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de aanvraag, afgifte, vorm en inhoud van EG-keuringsverklaringen als bedoeld in [artikel 8, tweede lid, onderdelen a en b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2&paragraaf=3&artikel=8&z=2005-01-01&g=2005-01-01), EG-verklaringen als bedoeld in [artikel 10, eerste lid, onderdelen a en b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2&paragraaf=3&artikel=10&z=2005-01-01&g=2005-01-01), en goedkeuringscertificaten als bedoeld in de [artikelen 8, eerste lid, onderdeel c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2&paragraaf=3&artikel=8&z=2005-01-01&g=2005-01-01), en [10, eerste lid, onderdeel c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2&paragraaf=3&artikel=10&z=2005-01-01&g=2005-01-01), alsmede over het registreren of bewaren van gegevens of documenten over de aanvraag en afgifte.
2. Met de in het eerste lid bedoelde EG-keuringsverklaringen en EG-verklaringen worden gelijkgesteld zodanige verklaringen afgegeven met inachtneming van de [richtlijnen 2001/16/EG](32001L0016) of [96/48/EG](31996L0048) door de bevoegde instantie van een andere lidstaat.
3. Met de in het eerste lid bedoelde goedkeuringscertificaten worden gelijkgesteld zodanige certificaten afgegeven met inachtneming van het Verdrag door de bevoegde instantie van een andere staat die partij is bij het Verdrag.
##### Artikel 13
1. Het is verboden een EG-keuringsverklaring als bedoeld in [artikel 8, tweede lid, onderdelen a of b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2&paragraaf=3&artikel=8&z=2005-01-01&g=2005-01-01), af te geven indien niet is voldaan aan [artikel 9, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2&paragraaf=3&artikel=9&z=2005-01-01&g=2005-01-01).
2. Het is verboden een EG-verklaring als bedoeld in [artikel 10, eerste lid, onderdelen a of b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2&paragraaf=3&artikel=10&z=2005-01-01&g=2005-01-01), af te geven indien niet is voldaan aan [artikel 11, eerste of derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2&paragraaf=3&artikel=11&z=2005-01-01&g=2005-01-01).
##### Artikel 14
1. De fabrikant van onderdelen van hoofdspoorweginfrastructuur als bedoeld in [artikel 10, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2&paragraaf=3&artikel=10&z=2005-01-01&g=2005-01-01), en zijn in Nederland gevestigde gemachtigde, die in strijd met [artikel 13, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2&paragraaf=3&artikel=13&z=2005-01-01&g=2005-01-01), een EG-verklaring als daar bedoeld hebben afgegeven, zijn verplicht op eerste vordering van Onze Minister en binnen een door deze te stellen termijn het verzuim te herstellen. Zij zijn verplicht de daarbij door Onze Minister gegeven aanwijzingen op te volgen.
2. Indien de fabrikant of zijn in Nederland gevestigde gemachtigde niet voldoet aan het eerste lid, neemt Onze Minister met toepassing van artikel 12 van [richtlijn 2001/16/EG](32001L0016) of van [richtlijn 96/48/EG](31996L0048) maatregelen om het in de handel brengen van het betrokken onderdeel te beperken, te verbieden of het uit de handel te doen nemen.
##### Artikel 15
Indien Onze Minister vaststelt dat een onderdeel van hoofdspoorweginfrastructuur als bedoeld in [artikel 10, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2&paragraaf=3&artikel=10&z=2005-01-01&g=2005-01-01), ondanks het feit dat ten aanzien daarvan een EG-verklaring als bedoeld in [artikel 10, eerste lid, onderdelen a of b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2&paragraaf=3&artikel=10&z=2005-01-01&g=2005-01-01), is afgegeven en ondanks het feit dat dit onderdeel overeenkomstig zijn bestemming wordt gebruikt, de veiligheid van het verkeer op de hoofdspoorwegen of interoperabiliteit als bedoeld in artikel 2, onderdeel b, van [richtlijn 96/48/EG](31996L0048) of van [richtlijn 2001/16/EG](32001L0016) in gevaar brengt, neemt hij met toepassing van de artikelen 12 van deze richtlijnen maatregelen om het toepassingsgebied van dit onderdeel te beperken, het gebruik ervan te verbieden of het uit de handel te doen nemen.
#### § 4. Beheer van hoofdspoorwegen
##### Artikel 16
1. Onze Minister verleent een of meer concessies voor het beheer van de hoofdspoorweginfrastructuur. Het beheer omvat de zorg voor:
- a. de kwaliteit, betrouwbaarheid en beschikbaarheid van de infrastructuur;
- b. een eerlijke, niet-discriminerende verdeling van de capaciteit van de infrastructuur zowel ten behoeve van de beheerder als ten behoeve van spoorwegondernemingen;
- c. het leiden van het verkeer over de infrastructuur.
2. Een concessie bevat een beschrijving van de werkzaamheden waarvoor de concessie wordt verleend.
3. Een concessie wordt verleend voor ten minste drie jaar.
4. Een concessie wordt niet verleend aan een spoorwegonderneming dan met inachtneming van artikel 6, derde lid, van [richtlijn 91/440/EEG](31991L0440) en de artikelen 4, tweede lid, en 14, tweede lid, van [richtlijn 2001/14/EG](32001L0014).
5. De aansprakelijkheid op grond van [artikel 174 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005289&artikel=174) ten aanzien van de infrastructuur waarop de concessie betrekking heeft, rust op de beheerder.
##### Artikel 17
1. Aan de concessie worden in elk geval voorschriften, onder meer houdende prestatie-indicatoren, verbonden om te waarborgen dat:
- a. de infrastructuur in goede staat verkeert en geschikt is voor het verkeer of ander gebruik waarvoor zij bestemd is;
- b. de infrastructuur veilig en doelmatig bereden kan worden zonder overmatige slijtage aan spoorvoertuigen;
- c. de risico's van het gebruik en beheer voor de veiligheid van hoofdspoorwegen worden geanalyseerd en dat passende maatregelen worden genomen, waaronder het zo nodig buiten dienst stellen van een gedeelte van de hoofdspoorweg, om deze risico's afdoende te beheersen, waarbij rekening wordt gehouden met de specifieke vereisten van de te verwachten bedrijfsvoering en de stand der techniek;
- d. voldaan wordt aan de [richtlijnen 91/440/EEG](31991L0440) en [2001/14/EG](32001L0014);
- e. de beheerder financieel draagkrachtig en beroepsbekwaam is.
2. Aan de concessie worden voorts in elk geval voorschriften verbonden ten aanzien van:
- a. door de beheerder te berekenen tarieven voor diensten aan derden;
- b. het verstrekken van gegevens aan Onze Minister ten behoeve van het toezicht op de naleving van de concessie alsmede ten behoeve van het voldoen aan de verplichtingen die Onze Minister met betrekking tot de hoofdspoorwegen heeft ingevolge de [artikelen 116](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003227&artikel=116), [118](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003227&artikel=118) en [122 van de Wet geluidhinder](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003227&artikel=122) ter uitvoering van [richtlijn nr. 2002/49/EG](32002L0049) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 25 juni 2002 inzake de evaluatie en de beheersing van omgevingslawaai (PbEG L 189);
- c. het opstellen van een financiële verantwoording van het uitvoeren van de concessie, welke verantwoording gescheiden is van die voor andere werkzaamheden.
3. Een wijziging van de technische of functionele eigenschappen van de hoofdspoorweginfrastructuur die de gebruiksmogelijkheden van de hoofdspoorwegen aanmerkelijk verandert, behoeft de voorafgaande instemming van Onze Minister. De beheerder vermeldt in zijn verzoek om instemming de zienswijzen van betrokken gerechtigden als bedoeld in [artikel 57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=4&paragraaf=1&artikel=57&z=2005-01-01&g=2005-01-01) en, voorzover de wijziging afwijkt van die zienswijzen, een deugdelijke motivering van die afwijking.
##### Artikel 18
1. Onze Minister kan een concessie geheel of gedeeltelijk intrekken indien de beheerder de concessie of een voor de beheerder geldend wettelijk voorschrift niet naleeft.
2. Onze Minister gaat niet tot intrekking over dan nadat hij de beheerder de gelegenheid heeft geboden om binnen een daartoe te bepalen termijn zijn handelen alsnog in overeenstemming te brengen met de concessie, dan wel het wettelijk voorschrift.
3. Voordat Onze Minister een concessie verleent, wijzigt of geheel of gedeeltelijk intrekt, stelt hij betrokken gerechtigden als bedoeld in [artikel 57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=4&paragraaf=1&artikel=57&z=2005-01-01&g=2005-01-01) in de gelegenheid om gedurende een door Onze Minister daarbij te bepalen termijn van ten hoogste drie weken hun zienswijze naar voren te brengen.
4. Een concessie wordt niet eerder verleend dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
5. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over het verlenen of wijzigen van een concessie en over de aan een concessie te verbinden voorschriften.
##### Artikel 19
1. Het is verboden zonder vergunning van Onze Minister gebruik te maken van hoofdspoorwegen en de daarnaast gelegen gronden door anders dan waartoe deze zijn bestemd:
- a. binnen de begrenzing van de hoofdspoorweg aan, op, in, onder, boven of naast de hoofdspoorweg, bouwwerken of andere opstallen op te richten of werken, inrichtingen, kabels, leidingen of beplantingen aan te brengen, te doen aanbrengen of te hebben, dan wel daarmee verband houdende werkzaamheden uit te voeren of te doen uitvoeren;
- b. binnen de begrenzing van de hoofdspoorweg, op, in, onder of naast de hoofdspoorweg vaste stoffen of vloeistoffen te storten of te doen storten, met uitzondering van vaste stoffen of vloeistoffen die vrijkomen bij de normale bedrijfsvoering van spoorvoertuigen;
- c. binnen de begrenzing van de hoofdspoorweg, op, in, onder, boven of naast de hoofdspoorweg, voorwerpen te plaatsen of neer te leggen of graafwerk te verrichten of deze activiteiten te doen uitvoeren;
- d. binnen 14 meter van de begrenzing van de hoofdspoorweg licht ontvlambare stoffen te hebben of op te slaan.
2. Een vergunning op grond van het eerste lid kan onder beperkingen worden verleend. Aan de vergunning kunnen voorschriften worden verbonden, onder meer ter bescherming van de hoofdspoorweg, in het belang van een veilig en doelmatig gebruik ervan of het financieel belang van de Staat.
3. Het eerste lid is niet van toepassing op het uitvoeren van het beheer van de hoofdspoorweginfrastructuur.
##### Artikel 20
1. Bij een hoofdspoorweg wordt de begrenzing van de hoofdspoorweg, bedoeld in [artikel 19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2&paragraaf=4&artikel=19&z=2005-01-01&g=2005-01-01), aan weerszijden gevormd door een lijn liggend op een afstand:
- a. van elf meter bij een hoofdspoorweg op maaiveldniveau gemeten vanaf het hart van het buitenste spoor, zijnde een denkbeeldige lijn in de lengterichting van het spoor midden tussen beide spoorstaven;
- b. van zes meter bij een hoofdspoorweg in ingraving gemeten uit de bovenzijde van de ingraving;
- c. van zes meter bij een hoofdspoorweg in ophoging gemeten uit de teen van het talud;
- d. die gelijk is aan de afstand tussen de bovenkant van de spoorstaaf en het maaiveld horizontaal gemeten vanaf de buitenste wand van de tunnel, in een verticale lijn tot het maaiveld, waarbij deze grenzen ten minste gelegen zijn op elf meter uit het hart van het spoor, indien het betreft een geboorde, ingegraven of afgezonken tunnel bij een hoofdspoorweg;
- e. bij een hoofdspoorweg op of in een vaste constructie anders dan bedoeld in de onderdelen a tot en met d, van zes meter gemeten vanaf een horizontale lijn die ligt op tweemaal de afstand tussen de bovenkant van de spoorstaaf en het maaiveld vanaf de buitenste rand van de constructie, waarbij deze grenzen ten minste gelegen zijn op 11 meter uit het hart van het buitenste spoor.
2. Indien bij een hoofdspoorweg in ingraving of in ophoging de afstand tussen het hart van het buitenste spoor en de bovenkant van de ingraving of teen van het talud minder bedraagt dan vijf meter, wordt de begrenzing vastgesteld overeenkomstig het eerste lid, onderdeel a.
3. Indien de bodemgesteldheid daartoe aanleiding geeft, kan bij besluit van Onze Minister, gehoord de beheerder, een begrenzing worden vastgesteld die afwijkt van het eerste of tweede lid.
##### Artikel 21
1. Het is verboden zaken te bouwen, neer te leggen, op te richten of aan te leggen die een meter of hoger reiken dan het maaiveld aan weerszijden van de hoofdspoorweg bij voor het openbaar verkeer openstaande overwegen buiten de bebouwde kom, binnen een vlak dat wordt gevormd door hoekpunten in het hart van het buitenste spoor op vijfhonderd meter aan weerszijden van de as van de weg en op elf meter uit het hart van het spoor in de as van de weg.
2. Onze Minister kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid vervatte verbod. De ontheffing kan onder beperkingen worden verleend. Aan de ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden in het belang van een veilig en doelmatig gebruik van de spoorweg of het financieel belang van de Staat.
##### Artikel 22
1. Het is verboden:
- a. anders dan als rechtmatige gebruiker in te grijpen in de bediening of de werking van installaties van de hoofdspoorweginfrastructuur;
- b. de hoofdspoorweginfrastructuur of delen daarvan te beschadigen, te vernielen, te verwijderen, af te breken, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen;
- c. zich op of langs gedeelten van een hoofdspoorweg, met uitzondering van een perron, die niet zijn gelegen in een gelijkvloerse kruising met een weg of in een voor het openbaar verkeer openstaande weg, te bevinden of daarop of daarlangs dieren te drijven of te laten lopen;
- d. enige handeling op of nabij de hoofdspoorweg te verrichten waardoor het beheer van de hoofdspoorweginfrastructuur kan worden gehinderd of belemmerd.
2. Het eerste lid is niet van toepassing op het uitvoeren van het beheer, de uitoefening van een veiligheidsfunctie of de uitoefening van een wettelijke taak.
##### Artikel 23
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld ter uitvoering van de [artikelen 19 tot en met 22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2&paragraaf=4&artikel=19&z=2005-01-01&g=2005-01-01).
##### Artikel 24
1. Onverminderd de bij of krachtens andere wetten ter zake gegeven voorschriften wordt aanraking, doorsnijding of overbrugging van andere infrastructuur van openbaar nut door hoofdspoorwegen waarvan de aanleg vanwege het Rijk is opgedragen of toegestaan, gedoogd door de rechthebbende ten aanzien van die andere infrastructuur. Onder infrastructuur van openbaar nut wordt in ieder geval begrepen infrastructuur waarvan het beheer bij of krachtens wet is opgedragen en infrastructuur in beheer bij een openbaar lichaam.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over financiering, onderhoud, instandhouding, aanleg, uitbreiding, gedeeld gebruik en verdeling van de gebruiksmogelijkheden van kunstwerken voorzover deze dienen tot aanraking, doorsnijding of overbrugging als bedoeld in het eerste lid.
3. Een hoofdspoorweg die is of wordt aangelegd, hersteld, vernieuwd of uitgebreid, wordt voor de toepassing van de [Belemmeringenwet Verordeningen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001865) en de [Belemmeringenwet Privaatrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001936) aangemerkt als openbaar werk van algemeen nut.
##### Artikel 25
Deze paragraaf geldt onverkort voor de rechthebbende ten aanzien van de onder of naast de hoofdspoorweginfrastructuur gelegen grond, de daarin gelegen werken en daarop gelegen opstallen.
#### § 5. Bepalingen inzake stations en laad- en losplaatsen
##### Artikel 26
1. De rechthebbende ten aanzien van een rechtstreeks aan de hoofdspoorweg gelegen station draagt ervoor zorg dat reizigers, gehandicapten daaronder begrepen, via de in het station aanwezige hallen, tunnels, trappen en liften, met logische en overzichtelijke routes, een veilige en adequate toegang hebben tot perrons en spoorvoertuigen.
2. Onder station wordt in het eerste lid verstaan: een gebouw of werk dat blijkens zijn constructie en inrichting geheel of gedeeltelijk is bestemd voor aankomst en vertrek van spoorvoertuigen met het oog op het in-, uit- of overstappen van reizigers.
3. Indien de veilige en adequate toegang tot perrons, laad- of losplaatsen of spoorvoertuigen in het gedrang komt of dreigt te komen, geeft Onze Minister aan de betrokken rechthebbende een bindende aanwijzing ter waarborging van die toegang. Tevens kan Onze Minister aan de betrokken rechthebbende een bindende aanwijzing geven met betrekking tot fysieke voorzieningen ter bevordering van de sociale veiligheid op de stations.
4. Desgevraagd adviseert de beheerder Onze Minister over de toepassing van het derde lid.
### Hoofdstuk 3. Het spoorwegbedrijf
#### § 1. Algemeen
##### Artikel 27
1. Een spoorwegonderneming heeft op niet-discriminerende grondslag recht op toegang tot hoofdspoorwegen.
2. Geen toegang tot hoofdspoorwegen heeft een spoorwegonderneming:
- a. die niet beschikt over een geldige bedrijfsvergunning;
- b. die niet beschikt over een geldig veiligheidsattest of proefattest;
- c. die niet voldoet aan de voor haar ingevolge [artikel 55](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=6&artikel=55&z=2005-01-01&g=2005-01-01) geldende verzekeringsplicht;
- d. indien het recht op die toegang niet rechtstreeks voortvloeit uit een toegangsovereenkomst als bedoeld in [artikel 59](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=4&paragraaf=3&artikel=59&z=2005-01-01&g=2005-01-01);
- e. die anderszins niet gerechtigd is van de hoofdspoorweg gebruik te maken.
#### § 2. De bedrijfsvergunning voor spoorwegondernemingen
##### Artikel 28
1. Onze Minister verleent op aanvraag een bedrijfsvergunning aan een in Nederland gevestigde spoorwegonderneming, indien deze voldoet aan de vereisten van goede naam, financiële draagkracht en beroepsbekwaamheid alsmede de uit [artikel 55](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=6&artikel=55&z=2005-01-01&g=2005-01-01) voortvloeiende verzekeringsplicht.
2. Onze Minister kan voor bij of krachtens algemene maatregel van bestuur omschreven soorten van gebruik van de hoofdspoorweg, bij de verlening van een bedrijfsvergunning een of meer van de bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aangewezen, in het eerste lid bedoelde eisen geheel of gedeeltelijk buiten toepassing laten. Alsdan is een zodanige beperkte bedrijfsvergunning slechts geldig voor het gebruik waarvoor deze is verleend.
3. Onze Minister beslist binnen dertien weken op de aanvraag.
4. Aan de vergunning kunnen voorschriften worden verbonden. De vergunning wordt verleend voor onbepaalde tijd.
5. Onze Minister kan ambtshalve of op aanvraag van de vergunninghouder de vergunning wijzigen, alsnog voorschriften aan de vergunning verbinden en de aan de vergunning verbonden voorschriften aanvullen dan wel wijzigen.
##### Artikel 29
Onze Minister schorst de bedrijfsvergunning of trekt deze in, indien:
- a. de vergunninghouder niet meer voldoet aan de bij of krachtens [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=2&artikel=28&z=2005-01-01&g=2005-01-01) toepasselijke eisen of voorschriften;
- b. de veiligheid van het spoorverkeer door wijziging van de rechtspositie van de vergunninghouder ingeval van fusie of bedrijfsovername naar het oordeel van Onze Minister niet langer is gewaarborgd of
- c. bij herhaling bij onherroepelijk rechterlijk vonnis is vastgesteld dat de vergunninghouder of zijn bestuurders het bepaalde bij of krachtens deze wet dan wel de toepasselijke voorschriften inzake arbeidsomstandigheden of arbeidstijden hebben overtreden, dan wel bij onherroepelijk vonnis is vastgesteld dat deze het bepaalde bij of krachtens deze wet dan wel de toepasselijke voorschriften inzake arbeidsomstandigheden of arbeidstijden in ernstige mate hebben overtreden.
##### Artikel 30
1. Een vergunning als bedoeld in artikel 2, onderdeel b, van [richtlijn 95/18/EG](31995L0018) die is verleend door een bevoegde instantie van een andere lidstaat aan een aldaar gevestigde spoorwegonderneming, wordt voor de toepassing van deze wet gelijkgesteld met een bedrijfsvergunning, verleend op grond van [artikel 28, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=2&artikel=28&z=2005-01-01&g=2005-01-01).
2. Met een bedrijfsvergunning verleend op grond van [artikel 28, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=2&artikel=28&z=2005-01-01&g=2005-01-01), worden voorts voor de toepassing van deze wet gelijkgesteld:
- a. de bij ministeriële regeling omschreven documenten die in het buitenland door het aldaar bevoegde gezag zijn afgegeven en die in voldoende mate kunnen gelden als bewijs dat ten minste wordt voldaan aan de in [artikel 28, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=2&artikel=28&z=2005-01-01&g=2005-01-01), bedoelde eisen;
- b. een besluit van Onze Minister waarin ten aanzien van een in het buitenland gevestigde spoorwegonderneming is verklaard dat ten minste wordt voldaan aan de in [artikel 28, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=2&artikel=28&z=2005-01-01&g=2005-01-01), vermelde eisen.
3. [Artikel 29](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=2&artikel=29&z=2005-01-01&g=2005-01-01) is van overeenkomstige toepassing op de gelijkstelling krachtens het tweede lid.
##### Artikel 31
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gegeven over de uitvoering van deze paragraaf, waaronder regels over:
- a. de toepassing van de in [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=2&artikel=28&z=2005-01-01&g=2005-01-01), eerste lid, bedoelde eisen;
- b. de verlening, weigering, wijziging, schorsing of intrekking van een bedrijfsvergunning;
- c. de aan de bedrijfsvergunning te verbinden voorschriften en beperkingen.
#### § 3. Het veiligheidsattest
##### Artikel 32
1. Onze Minister verleent op aanvraag een veiligheidsattest aan de houder of de aanvrager van een bedrijfsvergunning, indien deze aantoont:
- a. bij het voorgenomen gebruik van de spoorweg te kunnen voldoen aan de bij of krachtens dit hoofdstuk gestelde voorschriften en
- b. door toepassing van een adequaat veiligheidszorgsysteem veilig gebruik te kunnen maken van de spoorweg.
2. Onze Minister beslist binnen dertien weken op de aanvraag. Indien de beschikking niet binnen dertien weken kan worden gegeven, stelt Onze Minister de aanvrager daarvan in kennis en noemt daarbij een redelijke termijn waarbinnen de beschikking wel tegemoet kan worden gezien.
##### Artikel 33
1. Het veiligheidsattest is ten hoogste drie jaar geldig.
2. De attesthouder past een adequaat veiligheidszorgsysteem toe, met behulp waarvan wordt gewaarborgd dat de spoorwegonderneming:
- a. bij de normale bedrijfsvoering en bij voorzienbare afwijkingen daarvan geen schade berokkent en niemand onnodig hindert of in gevaar brengt en zorgt dat het spoorverkeer zo veel mogelijk zonder verstoringen kan worden afgewikkeld;
- b. rekening houdt met de specifieke vereisten wanneer de normale bedrijfsvoering raakt aan die van andere gebruikers van de spoorweg of van de beheerder;
- c. de aan de bedrijfsvoering verbonden risico's onderkent en passende maatregelen neemt om deze afdoende te beheersen en daarbij rekening houdt met de stand der techniek en de binnen de bedrijfstak aanwezige kennis en richtsnoeren voor een veilige bedrijfsvoering;
- d. procedures vaststelt en hanteert voor het nemen van corrigerende maatregelen bij afwijkingen en incidenten, alsmede voor het voortdurend verbeteren van het veiligheidsniveau met het oog op zich wijzigende omstandigheden en op grond van opgedane ervaringen;
- e. ervoor zorg draagt dat werknemers met een veiligheidsfunctie met het oog op het behouden van hun geschiktheid, kennis en bekwaamheid voor de desbetreffende functie de noodzakelijke oefening hebben en de noodzakelijke nadere of aanvullende scholing, opleiding en studie volgen.
3. Het veiligheidszorgsysteem is passend voor de aard en de omvang van de spoorwegonderneming.
4. Aan het veiligheidsattest kunnen beperkingen en voorschriften worden verbonden in het belang van de veiligheid op en in de directe nabijheid van de spoorweg.
5. Onze Minister kan het veiligheidsattest schorsen of intrekken:
- a. wegens handelen in strijd met dit hoofdstuk;
- b. in het belang van de veiligheid op en in de directe nabijheid van de spoorweg;
- c. indien de bedrijfsvergunning van de attesthouder is geschorst of ingetrokken.
6. Onze Minister kan het veiligheidsattest of de daaraan verbonden beperkingen en voorschriften ambtshalve of op aanvraag wijzigen, met inachtneming van het belang van de veiligheid op en in de directe nabijheid van de spoorweg.
7. Overtreding van de voorschriften, bedoeld in het vierde lid, is verboden.
##### Artikel 34
1. Onze Minister kan aan degene die een veiligheidsattest heeft aangevraagd of aan de attesthouder die een wijziging van het veiligheidsattest heeft aangevraagd een proefattest verlenen.
2. Het proefattest wordt verleend met het oog op het opdoen van ervaring of het testen van procedures of spoorvoertuigen ten behoeve van verlening of wijziging van een veiligheidsattest.
3. Het proefattest is ten hoogste dertien weken geldig en vervalt van rechtswege bij de verlening of de wijziging, bedoeld in het tweede lid. Indien toepassing is gegeven aan [artikel 32, tweede lid, tweede volzin](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=3&artikel=32&z=2005-01-01&g=2005-01-01), vervalt het proefattest met ingang van de dag na de laatste dag van de krachtens die bepaling gestelde termijn.
4. [Artikel 33, vierde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=3&artikel=33&z=2005-01-01&g=2005-01-01), is op het proefattest van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 35
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gegeven over de uitvoering van deze paragraaf, waaronder regels ten aanzien van:
- a. de verlening, weigering, wijziging, schorsing of intrekking van een veiligheidsattest en van een proefattest;
- b. de aan een veiligheidsattest en een proefattest te verbinden voorschriften en beperkingen;
- c. de bedrijfsprocessen die ten minste in het veiligheidszorgsysteem zijn opgenomen.
#### § 4. Gebruik, compatibiliteit en interoperabiliteit van spoorvoertuigen
##### Artikel 36
1. Het is verboden over een hoofdspoorweg te rijden met een spoorvoertuig:
- a. waarvoor geen geldige EG-keuringsverklaring of geldig goedkeuringscertificaat als bedoeld in [artikel 37](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=4&artikel=37&z=2005-01-01&g=2005-01-01) is afgegeven;
- b. dat niet voldoet aan de toepasselijke technische specificaties of eisen, bedoeld in [artikel 47](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=4&artikel=47&z=2005-01-01&g=2005-01-01);
- c. dat storingen, buitensporige slijtage of schade aan de desbetreffende spoorweginfrastructuur kan veroorzaken;
- d. dat niet beschikt over de eigenschappen die noodzakelijk zijn om veilig gebruik te kunnen maken van de desbetreffende spoorweginfrastructuur.
2. Met een EG-keuringsverklaring als bedoeld in het eerste lid wordt gelijkgesteld een zodanige verklaring afgegeven met inachtneming van [richtlijn 2001/16/EG](32001L0016) onderscheidenlijk 96/48/EG door de bevoegde instantie van een andere lidstaat.
3. Met een goedkeuringscertificaat als bedoeld in het eerste lid, voorzover afgegeven op basis van het Verdrag wordt gelijkgesteld een zodanig certificaat afgegeven met inachtneming van het Verdrag door de bevoegde instantie van een andere staat die partij is bij het Verdrag.
4. Tot het bewijs dat een spoorvoertuig is gecontroleerd op het voldoen aan de regels, bedoeld in [artikel 38, eerste lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=4&artikel=38&z=2005-01-01&g=2005-01-01), is een geldig inzetcertificaat vereist, afgegeven door Onze Minister, de beheerder gehoord.
5. Onze Minister, de beheerder gehoord, kan het certificaat, bedoeld in het vierde lid, wijzigen of intrekken indien niet langer aan de regels, bedoeld in [artikel 38, eerste lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=4&artikel=38&z=2005-01-01&g=2005-01-01), wordt voldaan.
6. Het certificaat, bedoeld in het vierde lid, kan onder voorschriften of beperkingen worden afgegeven.
7. Bij ministeriële regeling kunnen categorieën van spoorvoertuigen worden aangewezen, waarop het vierde lid niet van toepassing is.
##### Artikel 37
1. Een EG-keuringsverklaring als bedoeld in [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=4&artikel=36&z=2005-01-01&g=2005-01-01), wordt afgegeven indien:
- a. het spoorvoertuig dan wel de uitrusting daarvan voldoet aan de toepasselijke technische specificaties inzake interoperabiliteit, bedoeld in artikel 2, onderdeel g, van [richtlijn 2001/16/EG](32001L0016), respectievelijk artikel 2, onderdeel g, van [richtlijn 96/48/EG](31996L0048) en
- b. ten aanzien van het spoorvoertuig of de uitrusting daarvan een conformiteitsverklaring als bedoeld in [richtlijn 2001/16/EG](32001L0016), bijlage VI, punt 3, respectievelijk in [richtlijn 96/48/EG](31996L0048), bijlage VI, punt 3, is afgegeven door een keuringsinstantie.
2. Een goedkeuringscertificaat als bedoeld in [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=4&artikel=36&z=2005-01-01&g=2005-01-01), wordt afgegeven, indien het spoorvoertuig of de uitrusting daarvan voldoet aan de bij of krachtens algemene maatregel van bestuur gestelde eisen.
##### Artikel 38
1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels of nadere regels gesteld over:
- a. de compatibiliteit van spoorvoertuigen met de spoorweginfrastructuur, bedoeld in [artikel 36, eerste lid, onderdelen c en d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=4&artikel=36&z=2005-01-01&g=2005-01-01);
- b. de aanvraag, afgifte, wijziging, intrekking, vorm of inhoud van de EG-keuringsverklaringen, de goedkeuringscertificaten en de inzetcertificaten, bedoeld in [artikel 36](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=4&artikel=36&z=2005-01-01&g=2005-01-01), en de aan die certificaten te verbinden voorschriften of beperkingen, alsmede over het registreren of bewaren van gegevens of documenten over de aanvraag, afgifte, wijziging of intrekking;
- c. het onderzoek naar de overeenstemming van de productie van spoorvoertuigen of uitrusting daarvan, waarvoor een goedkeuring van het type is verleend, met het goedgekeurde type.
2. Bij of krachtens de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het eerste lid, kunnen in het belang van de veiligheid of de interoperabiliteit van het verkeer over hoofdspoorwegen aanvullende technische specificaties worden gesteld op de technische specificaties, bedoeld in [artikel 37, eerste lid, onderdelen a en b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=4&artikel=37&z=2005-01-01&g=2005-01-01).
##### Artikel 39
1. Het is verboden de ingevolge [richtlijnen 2001/16/EG](32001L0016) of [96/48/EG](31996L0048) dan wel het Verdrag dan wel krachtens deze wet als zodanig aangewezen onderdelen van spoorvoertuigen of uitrusting daarvan als zodanig in de handel te brengen of te gebruiken, indien ten aanzien daarvan niet zijn afgegeven:
- a. geldige EG-verklaringen van conformiteit of geschiktheid voor gebruik als bedoeld in artikel 10 van [richtlijn 2001/16/EG](32001L0016);
- b. geldige EG-verklaringen van conformiteit of geschiktheid voor gebruik als bedoeld in artikel 10 van [richtlijn 96/48/EG](31996L0048) of
- c. geldige goedkeuringscertificaten.
2. Met een EG-verklaring als bedoeld in het eerste lid, onderdelen a of b, wordt gelijkgesteld een zodanige verklaring afgegeven met inachtneming van [richtlijn 2001/16/EG](32001L0016) onderscheidenlijk 96/48/EG door de bevoegde instantie van een andere lidstaat.
3. Met een goedkeuringscertificaat als bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, voorzover afgegeven op basis van het Verdrag wordt gelijkgesteld een zodanig certificaat afgegeven met inachtneming van het Verdrag door de bevoegde instantie van een andere staat die partij is bij het Verdrag.
##### Artikel 40
1. Een EG-verklaring als bedoeld in [artikel 39, eerste lid, onderdelen a of b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=4&artikel=39&z=2005-01-01&g=2005-01-01), wordt afgegeven indien:
- a. de desbetreffende onderdelen voldoen aan de toepasselijke technische specificaties inzake interoperabiliteit als bedoeld in artikel 2, onderdeel g, van [richtlijn 2001/16/EG](32001L0016), respectievelijk artikel 2, onderdeel g, van [richtlijn 96/48/EG](31996L0048);
- b. de toetsing van onderdeel a is uitgevoerd door een keuringsinstantie, respectievelijk door een keuringsinstantie voorzover de technische specificaties dit vereisen.
2. Een goedkeuringscertificaat als bedoeld in [artikel 39, eerste lid, onderdeel c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=4&artikel=39&z=2005-01-01&g=2005-01-01), wordt afgegeven indien de desbetreffende onderdelen voldoen aan de bij of krachtens algemene maatregel van bestuur gestelde eisen.
3. Indien met betrekking tot de in het eerste lid bedoelde onderdelen, andere EG-richtlijnen bestaan ten aanzien van andere aspecten dan geregeld in bedoelde technische specificaties, vermelden de verklaringen, bedoeld in dat lid, tevens of deze onderdelen aan die andere EG-richtlijnen voldoen.
##### Artikel 41
1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels of nadere regels gesteld over:
- a. de aanvraag, afgifte, vorm en inhoud van de EG-verklaringen en de goedkeuringscertificaten, bedoeld in [artikel 39](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=4&artikel=39&z=2005-01-01&g=2005-01-01), alsmede over het registreren of bewaren van gegevens of documenten over de aanvraag en afgifte;
- b. het onderzoek naar de overeenstemming van de productie van als zodanig aangewezen onderdelen van spoorvoertuigen of uitrusting daarvan, waarvoor een goedkeuring van het type is verleend, met het goedgekeurde type.
2. Bij of krachtens de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het eerste lid, kunnen in het belang van de veiligheid of de interoperabiliteit van het verkeer over de hoofdspoorwegen aanvullende technische specificaties worden gesteld op de technische specificaties, bedoeld in [artikel 40, eerste lid, onderdelen a en b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=4&artikel=40&z=2005-01-01&g=2005-01-01).
##### Artikel 42
1. Het is verboden een EG-keuringsverklaring als bedoeld in [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=4&artikel=36&z=2005-01-01&g=2005-01-01), af te geven indien niet is voldaan aan [artikel 37](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=4&artikel=37&z=2005-01-01&g=2005-01-01).
2. Het is verboden een EG-verklaring als bedoeld in [artikel 39, eerste lid, onderdelen a of b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=4&artikel=39&z=2005-01-01&g=2005-01-01), af te geven indien niet is voldaan aan [artikel 40, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=4&artikel=40&z=2005-01-01&g=2005-01-01).
##### Artikel 43
1. De fabrikant van onderdelen van spoorvoertuigen of uitrusting daarvan als bedoeld in [artikel 39, eerste lid, onderdelen a of b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=4&artikel=39&z=2005-01-01&g=2005-01-01), en zijn in Nederland gevestigde gemachtigde die in strijd met [artikel 42, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=4&artikel=42&z=2005-01-01&g=2005-01-01), een EG-verklaring als daar bedoeld voor die onderdelen hebben afgegeven, zijn verplicht op eerste vordering van Onze Minister en binnen een door deze te stellen termijn het verzuim te herstellen. Zij zijn verplicht de daarbij door Onze Minister gegeven aanwijzingen op te volgen.
2. Indien de fabrikant of zijn in Nederland gevestigde gemachtigde niet voldoet aan het eerste lid, neemt Onze Minister met toepassing van artikel 12 van [richtlijn 2001/16/EG](32001L0016) of van [richtlijn 96/48/EG](31996L0048) maatregelen om het in de handel brengen van het betrokken onderdeel te beperken, te verbieden of het uit de handel te doen nemen.
##### Artikel 44
Indien Onze Minister vaststelt dat een onderdeel van een spoorvoertuig of uitrusting daarvan als bedoeld in [artikel 39, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=4&artikel=39&z=2005-01-01&g=2005-01-01), ondanks het feit dat ten aanzien daarvan een EG-verklaring als bedoeld in [artikel 39, eerste lid, onderdelen a of b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=4&artikel=39&z=2005-01-01&g=2005-01-01), is afgegeven en ondanks het feit dat dit onderdeel overeenkomstig zijn bestemming wordt gebruikt, de veiligheid van het verkeer op de hoofdspoorwegen of interoperabiliteit als bedoeld in artikel 2, onderdeel b, van [richtlijn 96/48/EG](31996L0048) of van [richtlijn 2001/16/EG](32001L0016) in gevaar brengt, neemt hij met toepassing van de artikelen 12 van deze richtlijnen maatregelen om het toepassingsgebied van dit onderdeel te beperken, het gebruik ervan te verbieden of het uit de handel te doen nemen.
##### Artikel 45
De spoorwegonderneming die een krachtens deze wet goedgekeurd spoorvoertuig gebruikt, doet overeenkomstig bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen regels onverwijld mededeling van:
- a. een ernstige beschadiging van het spoorvoertuig, zodanig dat het spoorvoertuig niet op eenvoudige wijze in een toestand kan worden gebracht, dat het rijdend vervoerd kan worden zonder de veiligheid van het verkeer op de hoofdspoorweg in gevaar te brengen;
- b. wijzigingen in constructie, inrichting of uitrusting van het spoorvoertuig ten opzichte van de feitelijke situatie bij de goedkeuring;
- c. de wijziging van eigenaar of houder van dat voertuig of de definitieve buitengebruikstelling daarvan.
##### Artikel 46
1. Onze Minister, de beheerder gehoord, kan ontheffing verlenen van het verbod, bedoeld in [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=4&artikel=36&z=2005-01-01&g=2005-01-01).
2. Aan een ontheffing kunnen voorschriften of beperkingen worden verbonden in het belang van een veilig en ongestoord gebruik van hoofdspoorwegen.
3. Overtreding van de voorschriften, bedoeld in het tweede lid, is verboden.
##### Artikel 47
1. De spoorwegonderneming of de houder van een spoorvoertuig draagt er zorg voor dat de door hen gebruikte spoorvoertuigen, de uitrusting en de als zodanig aangewezen onderdelen daarvan tijdens het gebruik in het verkeer over de hoofdspoorwegen bij voortduring blijven voldoen aan:
- a. de toepasselijke technische specificaties inzake interoperabiliteit, bedoeld in artikel 2, onderdeel g, van [richtlijn 2000/16/EG](32000L0016), respectievelijk artikel 2, onderdeel g, van [richtlijn 96/48/EG](31996L0048);
- b. de eisen, bedoeld in de [artikelen 37, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=4&artikel=37&z=2005-01-01&g=2005-01-01), [38, eerste lid, onderdeel a, of tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=4&artikel=38&z=2005-01-01&g=2005-01-01), [40, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=4&artikel=40&z=2005-01-01&g=2005-01-01), of [41, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=4&artikel=41&z=2005-01-01&g=2005-01-01).
2. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder houder van een spoorvoertuig verstaan degene die als eigenaar of anderszins beschikkingsbevoegde dit voertuig duurzaam als transportmiddel exploiteert.
##### Artikel 48
1. Het is verboden onderhoud en herstel van spoorvoertuigen die van hoofdspoorwegen gebruik maken te laten uitvoeren door anderen dan daartoe door Onze Minister erkende natuurlijke personen of rechtspersonen.
2. Een erkenning wordt op aanvraag verleend indien:
- a. de natuurlijke persoon of de bestuurders van de rechtspersoon beschikken over een met het oog op de erkenning verleende verklaring omtrent het gedrag als bedoeld in [artikel 28 van de Wet justitiële gegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014194&artikel=28) dan wel voldoen aan gelijkwaardige eisen van betrouwbaarheid;
- b. de natuurlijke persoon of de bestuurders van de rechtspersoon aantonen dat de onderhouds- en herstelwerkzaamheden met de grootste beroepsintegriteit en vakbekwaamheid worden uitgevoerd en
- c. wordt voldaan aan bij algemene maatregel van bestuur gestelde eisen of nadere eisen.
3. De eisen of nadere eisen, bedoeld in het tweede lid, onderdeel c, kunnen onder meer betrekking hebben op:
- a. de voor het onderhoud of herstel beschikbare ruimte en de gebruikte apparatuur;
- b. de deskundigheid van de met het onderhoud of herstel belaste personen en
- c. het proces dat bij het onderhoud of herstel wordt toegepast.
4. Onze Minister kan de erkenning, bedoeld in het tweede lid, onder beperkingen verlenen en daaraan voorschriften verbinden met betrekking tot de uit te voeren werkzaamheden.
5. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over het onderhoud alsmede over de aanvraag en het verlenen van een erkenning.
6. Onze Minister trekt een erkenning in:
- a. op verzoek van degene aan wie deze is verleend;
- b. indien degene, aan wie deze is verleend, niet langer voldoet aan de eisen, bedoeld in het tweede lid.
#### § 5. Personeel
##### Artikel 49
1. Personen die binnen het hoofdspoorwegverkeerssysteem een veiligheidsfunctie uitoefenen dienen, behoudens bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde uitzonderingen, te voldoen aan de bij of krachtens algemene maatregel van bestuur voor de uitoefening van die functie gestelde eisen inzake:
- a. minimumleeftijd;
- b. medische en psychologische geschiktheid;
- c. algemene kennis, bekwaamheid en ervaring;
- d. beheersing van de Nederlandse taal.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de wijze waarop dient te worden aangetoond dat aan de in het eerste lid bedoelde eisen wordt voldaan.
##### Artikel 50
1. Personen die binnen het hoofdspoorwegverkeerssysteem een veiligheidsfunctie uitoefenen, beschikken, behoudens bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde uitzonderingen, over:
- a. een certificaat van bekwaamheid, afgegeven door een door Onze Minister aangewezen exameninstituut, waaruit blijkt dat zij voldoen aan de in [artikel 49, eerste lid, onderdeel c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=5&artikel=49&z=2005-01-01&g=2005-01-01), bedoelde eisen;
- b. een geldige verklaring van medische geschiktheid en een geldige verklaring van psychologische geschiktheid, afgegeven door een door Onze Minister aangewezen keuringsinstituut, waaruit blijkt dat zij voldoen aan de in [artikel 49, eerste lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=5&artikel=49&z=2005-01-01&g=2005-01-01), bedoelde eisen.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de afgifte, de inhoud en de geldigheid van de in het eerste lid bedoelde documenten alsmede over de aanwijzing van exameninstituten en keuringsinstituten.
##### Artikel 51
1. Degene onder wiens gezag binnen het hoofdspoorwegverkeerssysteem een veiligheidsfunctie wordt uitgeoefend verschaft, behoudens bij algemene maatregel van bestuur omschreven uitzonderingen, aan degene die de betrokken functie uitoefent, die beschikt over de in [artikel 50, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=5&artikel=50&z=2005-01-01&g=2005-01-01), bedoelde documenten en die naar zijn oordeel beschikt over de voor de uitoefening van die functie vereiste specifieke, taakgebonden en bedrijfsgebonden kennis en bekwaamheid, een bedrijfspas.
2. De bedrijfspas voldoet aan de bij of krachtens algemene maatregel van bestuur gestelde eisen.
3. De houder van de bedrijfspas is verplicht die pas op eerste vordering te tonen aan de krachtens de [artikelen 69](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=6&paragraaf=1&artikel=69&z=2005-01-01&g=2005-01-01) en [86](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=6&paragraaf=4&artikel=86&z=2005-01-01&g=2005-01-01) met het toezicht op de naleving onderscheidenlijk de opsporing van strafbare feiten belaste personen.
4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over:
- a. de voor de uitoefening van veiligheidsfuncties vereiste specifieke, taakgebonden en bedrijfsgebonden kennis en bekwaamheid;
- b. de geldigheidsduur van bedrijfspassen.
##### Artikel 52
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen, met het oog op de veiligheid, regels worden gesteld over de bedrijfsvoering en de organisatiestructuur van degene onder wiens gezag binnen het hoofdspoorwegverkeerssysteem een veiligheidsfunctie wordt uitgeoefend.
##### Artikel 53
Het is verboden een veiligheidsfunctie binnen het hoofdspoorwegverkeerssysteem te doen uitoefenen door een persoon:
- a. die niet beschikt over de in [artikel 50, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=5&artikel=50&z=2005-01-01&g=2005-01-01), bedoelde documenten;
- b. waarvan men weet of redelijkerwijs moet weten dat hij niet voldoet aan de voor de uitoefening van de functie gestelde eisen als bedoeld in [artikel 49](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=5&artikel=49&z=2005-01-01&g=2005-01-01).
##### Artikel 54
Degene onder wiens gezag een persoon die binnen het hoofdspoorwegverkeerssysteem een functie, niet zijnde een veiligheidsfunctie, uitoefent die van invloed kan zijn op de veiligheid van het verkeer over hoofdspoorwegen, draagt er zorg voor dat die persoon daartoe geschikt is en de nodige kennis en bekwaamheid bezit.
#### § 6. De verzekeringsplicht
##### Artikel 55
1. De spoorwegonderneming die van de hoofdspoorweg gebruik maakt, is verplicht ter zake van dat gebruik een verzekering te sluiten en in stand te houden, waarmee haar uit wettelijke aansprakelijkheid voortvloeiende financiële risico's voldoende zijn gedekt.
2. Bij algemene maatregel van bestuur worden bedragen vastgesteld waarboven de verzekeringsplicht zich niet uitstrekt. Afzonderlijke bedragen kunnen worden bepaald naar gelang van onder meer de aard van de gebeurtenis, de aard van de schade, de grond van de aansprakelijkheid en de aard van de onderneming.
3. [Artikel 6 van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002415&artikel=6) is van overeenkomstige toepassing.
### Hoofdstuk 4. Het gebruik van hoofdspoorwegen
#### § 1. Algemene bepalingen
##### Artikel 56
In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
- a. gerechtigde: gerechtigde als bedoeld in [artikel 57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=4&paragraaf=1&artikel=57&z=2005-01-01&g=2005-01-01);
- b. toegangsovereenkomst: toegangsovereenkomst als bedoeld in [artikel 59](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=4&paragraaf=3&artikel=59&z=2005-01-01&g=2005-01-01);
- c. kaderovereenkomst: kaderovereenkomst als bedoeld in artikel 17 van [richtlijn 2001/14/EG](32001L0014);
- d. gebruik van een hoofdspoorweg: het met een spoorvoertuig rijden over of stilstaan op een hoofdspoorweg;
- e. capaciteit: capaciteit van de hoofdspoorweginfrastructuur;
- f. netverklaring: netverklaring als bedoeld in [richtlijn 2001/14/EG](32001L0014);
- g. gebruiksvergoeding: vergoeding als bedoeld in artikel 8 van [richtlijn 91/440/EEG](31991L0440) en artikel 4 van [richtlijn 2001/14/EG](32001L0014).
##### Artikel 57
Gerechtigd tot het sluiten van een toegangsovereenkomst en een kaderovereenkomst met de beheerder zijn:
- a. spoorwegondernemingen en hun internationale samenwerkingsverbanden als bedoeld in artikel 3 van [richtlijn 91/440/EEG](31991L0440) die in het bezit zijn van een bedrijfsvergunning of deze hebben aangevraagd, voorzover zij daarmee gerechtigd zijn van de hoofdspoorwegen gebruik te maken op de wijze waarvoor zij de overeenkomst willen sluiten;
- b. concessieverleners als bedoeld in [artikel 20 van de Wet personenvervoer 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011470&artikel=20) ten behoeve van openbaar vervoer per trein;
- c. andere bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aan te wijzen bestuursorganen, personen of rechtspersonen.
#### § 2. Netverklaring
##### Artikel 58
1. De beheerder stelt jaarlijks, na overleg met betrokken gerechtigden, een netverklaring op.
2. De netverklaring bevat de gegevens, bedoeld in artikel 3 en bijlage I van [richtlijn 2001/14/EG](32001L0014), en voorts ten minste:
- a. informatie over voor bepaalde soorten van gebruik voorbehouden capaciteit;
- b. een zakelijke weergave van de inhoud van de geldende kaderovereenkomsten;
- c. een prognose omtrent de ontwikkeling van de capaciteit;
- d. alle overige relevante informatie voor het gebruik van de capaciteit.
3. Dit lid is nog niet in werking getreden.
4. De beheerder brengt in de netverklaring zo nodig wijzigingen aan. Met inachtneming van artikel 8, vierde lid, van [richtlijn 2001/14/EG](32001L0014) en tegen vergoeding van ten hoogste de kostprijs stelt hij de gewijzigde netverklaring algemeen verkrijgbaar en doet hij van de wijzigingen mededeling aan de betrokken spoorwegondernemingen en aan de raad van bestuur NMa.
#### § 3. Toegangsovereenkomst
##### Artikel 59
1. Een tussen de beheerder en een gerechtigde gesloten overeenkomst over het gebruik van capaciteit bevat in elk geval bedingen over:
- a. de door de beheerder te bieden kwaliteit van de hoofdspoorweginfrastructuur;
- b. de gebruiksvergoeding.
2. In de overeenkomst wordt uitgesloten dat overeengekomen capaciteit kan worden overgedragen aan of gebruikt door een ander dan een gerechtigde.
3. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen ten behoeve van de overeenkomst algemene voorwaarden als bedoeld in [artikel 231 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005289&artikel=231) worden vastgesteld. In dat geval wordt in de overeenkomst naar die algemene voorwaarden verwezen.
#### § 4. Kaderovereenkomst
##### Artikel 60
1. Een tussen de beheerder en een gerechtigde gesloten kaderovereenkomst voldoet aan artikel 10, vijfde lid, van [richtlijn 91/440/EEG](31991L0440) en artikel 17 van [richtlijn 2001/14/EG](32001L0014).
2. In een kaderovereenkomst wordt uitgesloten dat overeengekomen capaciteit kan worden overgedragen aan of gebruikt door een ander dan een gerechtigde.
3. Een kaderovereenkomst met een geldigheidsduur van meer dan vijf jaar behoeft de voorafgaande instemming van de raad van bestuur NMa.
4. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen ten behoeve van de kaderovereenkomst algemene voorwaarden als bedoeld in [artikel 231 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005289&artikel=231) worden vastgesteld. In dat geval wordt in de kaderovereenkomst naar die algemene voorwaarden verwezen.
#### § 5. Algemene regels over de verdeling van capaciteit
##### Artikel 61
1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de verdeling van capaciteit. Die regels kunnen strekken ter bescherming van het milieu.
2. Bij de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het eerste lid, worden minimale niveaus van capaciteit vastgesteld voor daarbij aangegeven deelmarkten van het goederenvervoer en het personenvervoer en worden regels gesteld over de prioriteitscriteria, bedoeld in artikel 22, derde tot en met vijfde lid, van [richtlijn 2001/14/EG](32001L0014).
3. Bij of krachtens de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het eerste lid, wordt bepaald in welke gevallen capaciteit tot een bepaald tijdstip is voorbehouden voor bepaalde soorten gebruik van de hoofdspoorwegen en vanaf welk tijdstip deze capaciteit beschikbaar is voor ander gebruik.
4. De voordracht voor een krachtens het eerste lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
#### § 6. Gebruiksvergoeding
##### Artikel 62
1. Behoudens het tweede, derde en vijfde lid bedragen de begrote opbrengsten van de gebruiksvergoeding niet meer dan de begrote kosten ter zake van de desbetreffende hoofdspoorweginfrastructuur in dat jaar voor de beheerder.
2. Met betrekking tot bij algemene maatregel van bestuur aangewezen hoofdspoorweginfrastructuur kan een gebruiksvergoeding worden overeengekomen die mede strekt ter dekking van door een ander dan de beheerder gedane uitgaven voor de aanleg van die infrastructuur.
3. Er kan een verhoging worden overeengekomen voor het gebruik van overbelaste hoofdspoorweginfrastructuur gedurende periodes van overbelasting en voor de kosten van milieueffecten van het gebruik van hoofdspoorweginfrastructuur die niet in de begrote kosten van de beheerder zijn opgenomen.
4. Er kan een korting als bedoeld in artikel 9 van [richtlijn 2001/14/EG](32001L0014) worden overeengekomen.
5. Er kan een aftrek dan wel bijtelling worden overeengekomen in verband met optredende verstoringen en met het oog op verbetering van de prestaties van het spoorwegnet.
6. Er kan worden overeengekomen dat de gebruiksvergoeding ook verschuldigd is voor overeengekomen capaciteit die niet wordt gebruikt.
7. De overeengekomen gebruiksvergoeding voldoet aan de artikelen 4, vierde en vijfde lid, 7 tot en met 12 en 26, derde lid, van [richtlijn 2001/14/EG](32001L0014).
8. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de maatstaven en nadere regels over de hoogte van de gebruiksvergoeding.
9. De voordracht voor een krachtens het achtste lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
##### Artikel 63
1. Onderhandelingen tussen een gerechtigde en de beheerder betreffende de hoogte van de gebruiksvergoeding zijn niet toegestaan dan na een melding aan en onder toezicht van de raad van bestuur NMa.
2. De raad van bestuur NMa legt, indien de onderhandelingen naar zijn oordeel in strijd zijn met [richtlijn 2001/14/EG](32001L0014), aan de overtreder zo nodig een last onder dwangsom op. Aan de last kunnen voorschriften worden verbonden inzake het verstrekken van gegevens aan de raad van bestuur NMa. De [artikelen 3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008691&artikel=3), [56, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008691&artikel=56), [62, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008691&artikel=62), en [65 van de Mededingingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008691&artikel=65) zijn van overeenkomstige toepassing.
#### § 7. Nadere bepalingen inzake het gebruik van hoofdspoorwegen
##### Artikel 64
1. De beheerder bevordert dat werkzaamheden aan en nabij de hoofdspoorweg veilig plaatsvinden. Werkzaamheden aan of nabij de hoofdspoorweg, waardoor veilig en ongestoord rijden of stilstaan met spoorvoertuigen niet mogelijk is, worden slechts uitgevoerd, indien het betrokken gedeelte van de hoofdspoorweg door de beheerder buiten dienst is gesteld.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over het verrichten van werkzaamheden aan of nabij de hoofdspoorweg.
##### Artikel 65
1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden met het oog op een veilig en ongestoord gebruik van hoofdspoorwegen regels gesteld. Deze regels kunnen onder meer betrekking hebben op:
- a. aard, uitvoering, plaatsing, bediening en betekenis van seinen;
- b. bewegingen met spoorvoertuigen;
- c. het rijden met spoorvoertuigen op de openbare weg;
- d. het gebruik van overwegen en overpaden;
- e. verplichtingen – in verband met storingen, ongevallen, incidenten en andere onregelmatigheden – van spoorwegondernemingen, bestuurders van een spoorvoertuig en andere personen die deelnemen aan het verkeer over de hoofdspoorweg.
2. Een ieder die zich op de hoofdspoorweg bevindt, neemt de voor hem bestemde seinen in acht.
#### § 8. Onderzoek van ongevallen, incidenten en onregelmatigheden op hoofdspoorwegen
##### Artikel 66
1. Onze Minister kan onderzoek verrichten naar de oorzaken van ongevallen en incidenten op hoofdspoorwegen en naar andere onregelmatigheden in de afwikkeling van het spoorverkeer waardoor de veiligheid van het spoorverkeer of van daarbij betrokken personen in gevaar is gebracht of in gevaar gebracht had kunnen worden, indien hij dit onderzoek nodig acht ter evaluatie van de wettelijke voorschriften en het beleid op het terrein van de veiligheid van het spoorverkeer.
2. Ten behoeve van het onderzoek hebben de door Onze Minister aangewezen ambtenaren jegens spoorwegondernemingen en de beheerder de bevoegdheden, bedoeld in de [artikelen 5:15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=5:15) tot en met [5:19 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=5:19). De [artikelen 5:12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=5:12), [5:13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=5:13) en [5:20 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=5:20) zijn van overeenkomstige toepassing.
### Hoofdstuk 5. Toegang tot bijkomende diensten en voorzieningen
##### Artikel 67
1. Een rechthebbende ten aanzien van een dienst als bedoeld in artikel 10, zesde lid, van [richtlijn 91/440/EEG](31991L0440) ten behoeve van spoorwegactiviteiten als bedoeld in dat lid, ten aanzien van een voorziening of dienst als bedoeld in onderdeel 2 van bijlage II bij [richtlijn 2001/14/EG](32001L0014) of ten aanzien van een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen, voor het verrichten van vervoer via spoorwegen noodzakelijke voorziening of dienst doet een spoorwegonderneming die daarom verzoekt een redelijk aanbod voor het ter beschikking stellen van die dienst of voorziening tegen kostengeoriënteerde tarieven en onder voorwaarden die de mededinging niet beperken.
2. De rechthebbende onthoudt zich van iedere vorm van discriminatie tussen degenen jegens wie de in het eerste lid bedoelde verplichting geldt.
3. Op de grondslag van hetgeen ingevolge het eerste lid is overeengekomen, stelt de rechthebbende de dienst of voorziening ter beschikking. De rechthebbende mag slechts weigeren om de voorziening ter beschikking te stellen, indien de spoorwegonderneming onder marktvoorwaarden op een voor haar haalbare andere wijze kan voorzien in de behoefte die ten grondslag ligt aan haar verzoek.
4. Indien de beheerder rechthebbende is ten aanzien van een dienst als bedoeld in onderdeel 3 van bijlage II bij [richtlijn 2001/14/EG](32001L0014), zijn het eerste tot en met derde lid van overeenkomstige toepassing op een zodanige dienst.
5. Indien er in Nederland slechts één rechthebbende is ten aanzien van een dienst als bedoeld in onderdeel 3 of 4 van bijlage II bij [richtlijn 2001/14/EG](32001L0014), zijn, onverminderd het vierde lid, het eerste en tweede lid en het derde lid, eerste volzin, van overeenkomstige toepassing op een zodanige dienst.
##### Artikel 68
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de kostenoriëntatie, bedoeld in [artikel 67, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=5&artikel=67&z=2005-01-01&g=2005-01-01), en nadere regels ter waarborging van de toegang, op een niet-discriminerende grondslag, tot diensten en voorzieningen als bedoeld in dat artikel. Die nadere regels kunnen in elk geval inhouden dat de rechthebbende:
- a. jaarlijks bekendmaakt:
- 1°. een indicatie van de tarieven en voorwaarden die hij voornemens is te hanteren voor het ter beschikking stellen van de dienst of voorziening aan spoorwegondernemingen;
- 2°. een overzicht van de verwachte beschikbaarheid in het volgende kalenderjaar van de dienst of voorziening;
- b. voor de dienst of voorziening een afzonderlijke boekhouding voert en deze ter inzage legt.
### Hoofdstuk 6. Toezicht, handhaving en overige bepalingen
#### § 1. Toezicht
##### Artikel 69
1. Behoudens [artikel 70, tweede lid, aanhef en onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=6&paragraaf=2&artikel=70&z=2005-01-01&g=2005-01-01), zijn met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze wet belast de bij besluit van Onze Minister daartoe aangewezen personen.
2. Een besluit als bedoeld in het eerste lid bevat een aanduiding van de voorschriften op naleving waarvan toezicht wordt gehouden.
3. Van een besluit als bedoeld in het eerste lid wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.
#### § 2. De Nederlandse Mededingingsautoriteit
##### Artikel 70
1. De raad van bestuur NMa is de toezichthoudende instantie, bedoeld in artikel 10, zevende lid, van [richtlijn 91/440/EEG](31991L0440) en de artikelen 30 en 31 van [richtlijn 2001/14/EG](32001L0014).
2. De bij besluit van de raad van bestuur NMa aangewezen ambtenaren van deze autoriteit zijn belast met:
- a. voor de toepassing van het eerste lid: het toezicht op de naleving van het bepaalde krachtens [artikel 17, eerste lid, onderdeel d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2&paragraaf=4&artikel=17&z=2005-01-01&g=2005-01-01), en het bepaalde bij of krachtens de [artikelen 27, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=1&artikel=27&z=2005-01-01&g=2005-01-01), [57 tot en met 63](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=4&paragraaf=1&artikel=57&z=2005-01-01&g=2005-01-01), [67](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=5&artikel=67&z=2005-01-01&g=2005-01-01), [68](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=5&artikel=68&z=2005-01-01&g=2005-01-01) en [95, eerste volzin](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=6&paragraaf=9&artikel=95&z=2005-01-01&g=2005-01-01);
- b. voor de toepassing van het eerste lid en [artikel 71](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=6&paragraaf=2&artikel=71&z=2005-01-01&g=2005-01-01): het onderzoek, bedoeld in [artikel 1 van de Mededingingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008691&artikel=1).
3. Van een besluit als bedoeld in het tweede lid wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.
4. Op het tweede lid, onderdeel a, is [artikel 51 van de Mededingingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008691&artikel=51) van toepassing. Op het tweede lid, onderdeel b, zijn de [artikelen 52, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008691&artikel=52), en [53 tot en met 55 van de Mededingingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008691&artikel=53) van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 71
1. Een gerechtigde als bedoeld in [artikel 57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=4&paragraaf=1&artikel=57&z=2005-01-01&g=2005-01-01) of een andere belanghebbende kan de raad van bestuur NMa schriftelijk verzoeken om te onderzoeken of de beheerder, een spoorwegonderneming of een rechthebbende als bedoeld in [artikel 67](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=5&artikel=67&z=2005-01-01&g=2005-01-01) of [95](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=6&paragraaf=9&artikel=95&z=2005-01-01&g=2005-01-01) de verzoeker oneerlijk heeft behandeld, heeft gediscrimineerd of anderszins heeft benadeeld als bedoeld in artikel 10, zevende lid, van [richtlijn 91/440/EEG](31991L0440) of artikel 30, tweede lid, van [richtlijn 2001/14/EG](32001L0014).
2. Een partij bij een toegangsovereenkomst of een kaderovereenkomst als bedoeld in [hoofdstuk 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=4&z=2005-01-01&g=2005-01-01) kan de raad van bestuur NMa schriftelijk verzoeken om een oordeel over het gedrag van de wederpartij.
3. Indien de raad van bestuur NMa van oordeel is dat de klacht ongegrond is, geeft hij dat oordeel binnen uiterlijk twee maanden na ontvangst van de gegevens en bescheiden die voor zijn oordeel nodig zijn.
4. Indien de raad van bestuur NMa van oordeel is dat de klacht gegrond is, legt hij zo nodig een last onder dwangsom op. De raad van bestuur NMa kiest de termijn, bedoeld in [artikel 5:32, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=5:32), zodanig dat de last moet zijn uitgevoerd binnen uiterlijk twee maanden na ontvangst van de gegevens en bescheiden die voor het oordeel van de raad van bestuur NMa nodig zijn.
5. Aan een last als bedoeld in het vierde lid kunnen voorschriften worden verbonden inzake het verstrekken van gegevens aan de raad van bestuur NMa. De [artikelen 3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008691&artikel=3), [56, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008691&artikel=56), [62, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008691&artikel=62), en [65 van de Mededingingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008691&artikel=65) zijn van overeenkomstige toepassing.
6. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot ten behoeve van het onderzoek te verstrekken gegevens en bescheiden, alsmede met betrekking tot de termijnen voor het verstrekken van de gegevens en bescheiden.
##### Artikel 72
De raad van bestuur NMa en de krachtens[artikel 70, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=6&paragraaf=2&artikel=70&z=2005-01-01&g=2005-01-01), aangewezen ambtenaren gebruiken de gegevens of inlichtingen die zij hebben verkregen bij de uitoefening van hun in [dat artikel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=6&paragraaf=2&artikel=70&z=2005-01-01&g=2005-01-01) bedoelde taken, uitsluitend voor de uitoefening van die taken of van de bij of krachtens de [Mededingingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008691) aan hen opgedragen taken of toegekende bevoegdheden.
##### Artikel 73
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
##### Artikel 74
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
#### § 3. Bestuursrechtelijke handhaving
##### Artikel 75
De raad van bestuur NMa kan aan degene die jegens een krachtens [artikel 70, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=6&paragraaf=2&artikel=70&z=2005-01-01&g=2005-01-01), aangewezen ambtenaar in strijd handelt met [artikel 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=5:20), een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste € 4 500. De [artikelen 69, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008691&artikel=69), [70](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008691&artikel=70), [77 tot en met 79](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008691&artikel=77), [81](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008691&artikel=81) en [82 van de Mededingingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008691&artikel=82) zijn van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 76
1. Onze Minister is bevoegd tot toepassing van bestuursdwang ter handhaving van de bij of krachtens deze wet gestelde verplichtingen met uitzondering van de verplichtingen als bedoeld in het tweede lid.
2. In geval van overtreding van het bepaalde krachtens [artikel 17, eerste lid, onderdeel d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2&paragraaf=4&artikel=17&z=2005-01-01&g=2005-01-01), of het bepaalde bij of krachtens de [artikelen 27, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=1&artikel=27&z=2005-01-01&g=2005-01-01), [57 tot en met 62](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=4&paragraaf=1&artikel=57&z=2005-01-01&g=2005-01-01), [63, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=4&paragraaf=6&artikel=63&z=2005-01-01&g=2005-01-01), [67](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=5&artikel=67&z=2005-01-01&g=2005-01-01), [68](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=5&artikel=68&z=2005-01-01&g=2005-01-01) en [95, eerste volzin](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=6&paragraaf=9&artikel=95&z=2005-01-01&g=2005-01-01), kan de raad van bestuur NMa de natuurlijke persoon of rechtspersoon aan wie de overtreding kan worden toegerekend:
- a. een bestuurlijke boete opleggen;
- b. een last onder dwangsom opleggen.
3. Op het tweede lid zijn de [artikelen 54a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008691&artikel=54a), [56, tweede tot en met vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008691&artikel=56), [57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008691&artikel=57), [58](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008691&artikel=58), [62](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008691&artikel=62) en [64 tot en met 68 van de Mededingingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008691&artikel=64) van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 77
1. Onze Minister kan een bestuurlijke boete opleggen ter zake van overtreding van de [artikelen 33, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=3&artikel=33&z=2005-01-01&g=2005-01-01), [36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=4&artikel=36&z=2005-01-01&g=2005-01-01), [53](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=5&artikel=53&z=2005-01-01&g=2005-01-01), en [96, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=6&paragraaf=10&artikel=96&z=2005-01-01&g=2005-01-01).
2. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de uitoefening van de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid.
##### Artikel 78
1. Onze Minister legt geen bestuurlijke boete op voorzover de overtreding niet aan de overtreder kan worden verweten.
2. Onze Minister legt geen bestuurlijke boete op, indien de overtreder is overleden. Bij overlijden van de overtreder vervalt een opgelegde bestuurlijke boete voorzover de geldsom nog niet is betaald.
3. Onze Minister legt geen bestuurlijke boete op, indien aan de overtreder wegens dezelfde gedraging reeds eerder een bestuurlijke boete is opgelegd.
4. Onze Minister legt geen bestuurlijke boete op, indien tegen de overtreder wegens dezelfde gedraging:
- a. een strafvervolging is ingesteld en het onderzoek ter terechtzitting is begonnen of
- b. het recht tot strafvordering is vervallen ingevolge de artikelen [74](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=74) of [74c van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=74c) of ingevolge [artikel 37 van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=37).
5. Indien de gedraging tevens een strafbaar feit is en de ernst van de overtreding of de omstandigheden waaronder zij is begaan daartoe aanleiding geeft, wordt zij aan het openbaar ministerie voorgelegd.
6. Voor een gedraging die aan het openbaar ministerie is voorgelegd, legt Onze Minister slechts een bestuurlijke boete op, indien:
- a. het openbaar ministerie heeft medegedeeld van strafvervolging tegen de overtreder af te zien of
- b. sedert het voorleggen van de gedraging dertien weken zijn verstreken en geen reactie van het openbaar ministerie is ontvangen.
##### Artikel 79
1. De bevoegdheid tot het opleggen van een bestuurlijke boete vervalt vijf jaar nadat de overtreding heeft plaatsgevonden.
2. Indien tegen de bestuurlijke boete bezwaar wordt gemaakt of beroep wordt ingesteld, wordt de vervaltermijn opgeschort tot onherroepelijk op het bezwaar of beroep is beslist.
##### Artikel 80
1. Voor de overtredingen gelden de volgende vaste bedragen van de bestuurlijke boete:
- a. voor overtreding van de [artikelen 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=4&artikel=36&z=2005-01-01&g=2005-01-01), en [53](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=5&artikel=53&z=2005-01-01&g=2005-01-01): € 10 000;
- b. voor overtreding van [artikel 96, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=6&paragraaf=10&artikel=96&z=2005-01-01&g=2005-01-01): € 50 000.
2. Indien de boete wordt opgelegd voor het overtreden van een bepaling vermeld in het eerste lid is bij de vaststelling van de hoogte van deze boete de onderstaande categorie-indeling naar omzet van toepassing met de daarbij behorende factor. De omzet is de omzet in het kalenderjaar voorafgaand aan de datum van overtreding. De boete wordt vastgesteld door het in het eerste lid vermelde bedrag te vermenigvuldigen met de factor behorende bij de onderstaande omzet-categorie:
- –. Categorie I: ondernemingen met een omzet van minder dan € 100 000: factor 0,25.
- –. Categorie II: ondernemingen met een omzet van ten minste € 100 000 maar minder dan € 200 000: factor 0,5.
- –. Categorie III: ondernemingen met een omzet van ten minste € 200 000 maar minder dan € 500 000: factor 1.
- –. Categorie IV: ondernemingen met een omzet van ten minste € 500 000 maar minder dan € 1 000 000: factor 2.
- –. Categorie V: ondernemingen met een omzet van meer dan € 1 000 000: factor 3.
3. Indien de gegevens omtrent de omzet niet aan Onze Minister beschikbaar zijn gesteld, kan Onze Minister aan degene aan wie de boete wordt opgelegd verzoeken deze gegevens binnen een door hem te stellen termijn te verstrekken. Indien de betrokkene niet binnen de gestelde termijn voldoet aan dit verzoek, is bij de vaststelling van de hoogte van de in het tweede lid bedoelde boete categorie V van toepassing.
4. De in het eerste en tweede lid vermelde bedragen en factoren kunnen bij algemene maatregel van bestuur worden gewijzigd.
5. Onze Minister legt een lagere bestuurlijke boete op, indien de overtreder aannemelijk maakt dat de vastgestelde bestuurlijke boete wegens bijzondere omstandigheden te hoog is.
6. Indien de bestuurlijke boete voor een overtreding ingevolge het vierde lid wordt verlaagd, past Onze Minister de verlaging voortaan ook toe op bestuurlijke boeten wegens overtredingen die voor de verlaging hebben plaatsgevonden.
##### Artikel 81
1. De door Onze Minister daartoe aangewezen ambtenaar of de voor de overtreding bevoegde toezichthouder maakt van de overtreding een rapport op.
2. Het rapport is gedagtekend en vermeldt:
- a. de naam van de overtreder;
- b. de overtreding alsmede het overtreden voorschrift;
- c. zo nodig een aanduiding van de plaats waar en het tijdstip waarop de overtreding is geconstateerd.
3. Een afschrift van het rapport wordt uiterlijk bij de bekendmaking van de beschikking tot oplegging van de bestuurlijke boete aan de overtreder toegezonden of uitgereikt.
4. Indien van de overtreding een proces-verbaal, als bedoeld in [artikel 152 van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=152), is opgemaakt, treedt dit voor de toepassing van deze paragraaf in de plaats van het rapport.
5. Op verzoek van de belanghebbende die het rapport wegens zijn gebrekkige kennis van de Nederlandse taal onvoldoende begrijpt, draagt Onze Minister er zoveel mogelijk zorg voor dat de inhoud van het rapport aan de betrokkene wordt meegedeeld in een voor hem begrijpelijke taal.
##### Artikel 82
1. Onze Minister stelt de overtreder desgevraagd in de gelegenheid de gegevens waarop het opleggen van de bestuurlijke boete, dan wel het voornemen daartoe, berust, in te zien en daarvan afschriften te vervaardigen.
2. In afwijking van [afdeling 4.1.2 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=4.1.2) stelt Onze Minister de overtreder in de gelegenheid om binnen een redelijke termijn naar keuze schriftelijk of mondeling zijn zienswijze naar voren te brengen.
3. Indien de overtreder zijn zienswijze mondeling naar voren brengt, zorgt Onze Minister op verzoek van de overtreder die de Nederlandse taal onvoldoende beheerst, voor bijstand door een tolk, tenzij redelijkerwijs kan worden aangenomen dat daaraan geen behoefte bestaat.
4. Indien Onze Minister nadat de overtreder zijn zienswijze naar voren heeft gebracht, beslist dat:
- a. voor de overtreding geen bestuurlijke boete zal worden opgelegd of
- b. de overtreding met het oog op strafvervolging aan het openbaar ministerie zal worden voorgelegd, wordt dit schriftelijk aan de overtreder medegedeeld.
##### Artikel 83
De beschikking tot oplegging van de bestuurlijke boete vermeldt de naam van de overtreder en het bedrag van de boete.
##### Artikel 84
1. Degene die aan een handeling van Onze Minister redelijkerwijs de gevolgtrekking kan verbinden dat aan hem een bestuurlijke boete zal worden opgelegd, is niet langer verplicht ten behoeve van deze oplegging inlichtingen over de overtreding te verstrekken.
2. De overtreder wordt hierop gewezen alvorens hem mondeling wordt gevraagd inlichtingen te verstrekken, en in ieder geval wanneer hij in de gelegenheid wordt gesteld over het voornemen tot oplegging van de bestuurlijke boete zijn zienswijze naar voren te brengen.
##### Artikel 85
Indien een bestuurlijke boete is opgelegd, dan wel een kennisgeving als bedoeld in [artikel 82, vierde lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=6&paragraaf=3&artikel=82&z=2005-01-01&g=2005-01-01), is verzonden, heeft dit dezelfde rechtsgevolgen als een kennisgeving van niet verdere vervolging als bedoeld in [artikel 243 van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=243), met dien verstande dat [artikel 245a van dat wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=245a) niet van toepassing is.
#### § 4. Strafrechtelijke handhaving
##### Artikel 86
1. Met de opsporing van de bij of krachtens deze wet strafbaar gestelde feiten zijn, onverminderd [artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=141), belast de met betrekking tot deze wet krachtens [artikel 17, eerste lid, onderdeel 2°, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17) aangewezen ambtenaren. Deze ambtenaren zijn tevens belast met de opsporing van de feiten, strafbaar gesteld in de [artikelen 179 tot en met 182](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=179) en [184 van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=184), voorzover deze feiten betrekking hebben op een bevel, vordering of handeling, gedaan of ondernomen door henzelf.
2. Met de opsporing van de bij of krachtens deze wet strafbaar gestelde feiten zijn voorts belast de bij besluit van Onze Minister en Onze Minister van Justitie tezamen aangewezen personen.
3. Van een besluit als bedoeld in het tweede lid wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.
##### Artikel 87
1. Overtreding van de [artikelen 4, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=1&artikel=4&z=2005-01-01&g=2005-01-01), [19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2&paragraaf=4&artikel=19&z=2005-01-01&g=2005-01-01), [21](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2&paragraaf=4&artikel=21&z=2005-01-01&g=2005-01-01), [22, eerste lid, onderdelen c en d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2&paragraaf=4&artikel=22&z=2005-01-01&g=2005-01-01), en [51, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=5&artikel=51&z=2005-01-01&g=2005-01-01), alsmede overtreding van de krachtens [hoofdstuk 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2&z=2005-01-01&g=2005-01-01) en de [artikelen 64, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=4&paragraaf=7&artikel=64&z=2005-01-01&g=2005-01-01), [65, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=4&paragraaf=7&artikel=65&z=2005-01-01&g=2005-01-01), en [94](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=6&paragraaf=9&artikel=94&z=2005-01-01&g=2005-01-01) vastgestelde voorschriften, voorzover die overtreding daarbij uitdrukkelijk als strafbaar feit is aangemerkt, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste twee maanden of geldboete van de tweede categorie.
2. Overtreding van de [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=1&artikel=3&z=2005-01-01&g=2005-01-01), [22, eerste lid, onderdelen a en b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2&paragraaf=4&artikel=22&z=2005-01-01&g=2005-01-01), en [65, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=4&paragraaf=7&artikel=65&z=2005-01-01&g=2005-01-01), wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de derde categorie.
3. Overtreding van [artikel 4, eerste, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=1&artikel=4&z=2005-01-01&g=2005-01-01), [artikel 88, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=6&paragraaf=4&artikel=88&z=2005-01-01&g=2005-01-01), [artikel 89, tweede, zesde, achtste en negende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=6&paragraaf=4&artikel=89&z=2005-01-01&g=2005-01-01), wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de vierde categorie.
4. Bij veroordeling van een persoon die een veiligheidsfunctie uitoefent, wegens overtreding van [artikel 4, eerste of tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=1&artikel=4&z=2005-01-01&g=2005-01-01), kan hem de bevoegdheid tot het uitoefenen van die functie voor ten hoogste vijf jaren worden ontzegd.
5. Bij veroordeling van een persoon die een veiligheidsfunctie uitoefent, wegens overtreding van het bepaalde krachtens deze wet, kan hem in die gevallen waarin dit bij algemene maatregel van bestuur is bepaald, de bevoegdheid tot het uitoefenen van die functie voor ten hoogste twee jaar worden ontzegd.
6. De feiten strafbaar gesteld bij dan wel krachtens de in het eerste en tweede lid bedoelde bepalingen zijn overtredingen. De in het derde lid strafbaar gestelde feiten zijn misdrijven.
##### Artikel 88
1. Een van de bij of krachtens [artikel 86 van deze wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=6&paragraaf=4&artikel=86&z=2005-01-01&g=2005-01-01) of [artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=141) met de opsporing van strafbare feiten belaste ambtenaren, kan een in [artikel 4, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=1&artikel=4&z=2005-01-01&g=2005-01-01), bedoelde persoon van wie, uit het in [artikel 4, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=1&artikel=4&z=2005-01-01&g=2005-01-01), bedoelde onderzoek of op andere wijze, naar het oordeel van die ambtenaar gebleken is dat hij onder zodanige invloed van het gebruik van een stof als bedoeld in [artikel 4, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=1&artikel=4&z=2005-01-01&g=2005-01-01), verkeert, dat hij onvoldoende in staat is een veiligheidsfunctie uit te oefenen dan wel op de uitoefening van zodanige functie toezicht te houden, een verbod opleggen tot het uitoefenen van die functie of tot het houden van toezicht daarop, voor de tijd gedurende welke redelijkerwijs verwacht mag worden dat deze toestand zal voortduren tot ten hoogste vierentwintig uur. De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing op degene die aanstalten maakt een veiligheidsfunctie te gaan uitoefenen dan wel op de uitoefening van zodanige functie toezicht te houden.
2. De ambtenaar die een verbod als bedoeld in het eerste lid oplegt, legt dit vast in een beschikking die het tijdstip van ingang en de duur van het verbod bevat.
3. Het is degene aan wie een verbod als bedoeld in het eerste lid is opgelegd, verboden een veiligheidsfunctie uit te oefenen dan wel op de uitoefening van zodanige functie toezicht te houden, gedurende de tijd waarvoor dat verbod geldt.
##### Artikel 89
1. Bij verdenking dat een persoon heeft gehandeld in strijd met [artikel 4, eerste, tweede of derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=1&artikel=4&z=2005-01-01&g=2005-01-01), kan de in [artikel 88, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=6&paragraaf=4&artikel=88&z=2005-01-01&g=2005-01-01), bedoelde ambtenaar hem bevelen zijn medewerking te verlenen aan een onderzoek als bedoeld in [artikel 4, tweede lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=1&artikel=4&z=2005-01-01&g=2005-01-01).
2. Degene aan wie het in het eerste lid bedoelde bevel is gegeven, is verplicht ademlucht te blazen in een voor het onderzoek bestemd apparaat en gevolg te geven aan alle door de betrokken ambtenaar ten dienste van het onderzoek gegeven aanwijzingen.
3. De in het tweede lid genoemde verplichtingen gelden niet voor de verdachte van wie aannemelijk is, dat het verlenen van medewerking aan een ademonderzoek voor hem om bijzondere geneeskundige redenen onwenselijk is.
4. In het geval, bedoeld in het derde lid, dan wel indien de medewerking van de verdachte niet heeft geleid tot een voltooid ademonderzoek, kan de betrokken ambtenaar de verdachte vragen of hij zijn toestemming geeft tot het verrichten van een onderzoek als bedoeld in [artikel 4, tweede lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=1&artikel=4&z=2005-01-01&g=2005-01-01). Gelijke bevoegdheid heeft de betrokken ambtenaar, indien het vermoeden bestaat dat de verdachte onder invloed van een andere in [artikel 4, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=1&artikel=4&z=2005-01-01&g=2005-01-01), bedoelde stof dan alcoholhoudende drank verkeert.
5. Indien de verdachte zijn op grond van het vierde lid gevraagde toestemming niet verleent, kan de officier van justitie, een hulpofficier van justitie of een van de daartoe bij regeling van Onze Minister van Justitie aangewezen ambtenaren, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, hem bevelen zich te onderwerpen aan een bloedonderzoek.
6. Degene wie is bevolen zich aan een bloedonderzoek te onderwerpen, is verplicht aan dit bevel gevolg te geven en zijn medewerking te verlenen. Hem wordt door een arts zoveel bloed afgenomen als voor het onderzoek noodzakelijk is.
7. De in het zesde lid genoemde verplichtingen gelden niet voor de verdachte van wie aannemelijk is, dat afname van bloed bij hem om bijzondere geneeskundige redenen onwenselijk is.
8. De krachtens het zevende lid van de in het zesde lid genoemde verplichtingen vrijgestelde personen zijn verplicht mee te werken aan een door de officier van justitie, door een hulpofficier van justitie of door een van de daartoe bij regeling van Onze Minister van Justitie aangewezen ambtenaren, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, bevolen onderzoek ten einde op andere wijze dan door bloed- of ademonderzoek het gebruik van de in [artikel 4, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=1&artikel=4&z=2005-01-01&g=2005-01-01), bedoelde stoffen of het in [artikel 4, tweede lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=1&artikel=4&z=2005-01-01&g=2005-01-01), genoemde gehalte vast te stellen.
9. Indien de verdachte niet in staat is zijn wil kenbaar te maken, kan hem met toestemming van de officier van justitie, een hulpofficier van justitie of een van de daartoe bij regeling van Onze Minister van Justitie aangewezen ambtenaren, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, door een arts de in het zesde lid bedoelde hoeveelheid bloed worden afgenomen, tenzij aannemelijk is dat dit bij hem om bijzondere geneeskundige redenen onwenselijk is. Een onderzoek van het bloed vindt niet plaats dan nadat de verdachte in de gelegenheid is gesteld zijn toestemming daartoe te geven. Zo nodig kan hem overeenkomstig het vijfde lid worden bevolen zijn medewerking te verlenen. De verdachte aan wie een zodanig bevel is gegeven, is verplicht zijn medewerking te verlenen. Indien de verdachte weigert zijn medewerking te verlenen, wordt het bloedmonster vernietigd.
10. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de wijze van uitvoering van [artikel 4, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=1&artikel=4&z=2005-01-01&g=2005-01-01), en van dit artikel. Deze regels kunnen mede betrekking hebben op de mogelijkheid tot het doen verrichten van een tegenonderzoek. Bij regeling van Onze Minister van Justitie worden in de bij die algemene maatregel van bestuur aangegeven gevallen voorschriften ter uitvoering van die regels vastgesteld.
#### § 5. Beroep
##### Artikel 90
In afwijking van [artikel 8:7 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=8:7) is voor beroepen tegen besluiten op grond van deze wet, met uitzondering van besluiten op grond van de [artikelen 19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2&paragraaf=4&artikel=19&z=2005-01-01&g=2005-01-01) en [21](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2&paragraaf=4&artikel=21&z=2005-01-01&g=2005-01-01), de rechtbank te Rotterdam bevoegd.
#### § 6. Heffingen
##### Artikel 91
1. Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat aan het betrokken bestuursorgaan een vergoeding verschuldigd is volgens de daarbij vast te stellen tarieven ter zake van het overeenkomstig deze wet aanvragen of verstrekken van een bij of krachtens deze wet te nemen besluit, te verstrekken certificaat of ander document.
2. De hoogte van de krachtens het eerste lid vastgestelde tarieven wordt zodanig vastgesteld dat de geraamde baten van de vergoedingen voor het betrokken bestuursorgaan niet uitgaan boven de geraamde lasten van het betrokken bestuursorgaan ter zake van de behandelingen van de aanvragen en het verstrekken van de besluiten en documenten, bedoeld in het eerste lid.
#### § 7. Toepasselijkheid nieuwe Europese regelgeving
##### Artikel 92
1. Een wijziging van [richtlijn 91/440/EEG](31991L0440), [richtlijn 95/18/EG](31995L0018), [richtlijn 2001/14/EG](32001L0014), [richtlijn 96/48/EG](31996L0048) en [richtlijn 2001/16/EG](32001L0016) gaat voor de toepassing van deze wet gelden met ingang van de dag waarop aan de betrokken wijzigingsrichtlijn uitvoering moet zijn gegeven, tenzij bij ministerieel besluit, dat in de Staatscourant wordt bekendgemaakt, een ander tijdstip wordt vastgesteld.
2. Onze Minister kan met inachtneming van artikel 7 van [richtlijn 96/48/EG](31996L0048) dan wel van [richtlijn 2001/16/EG](32001L0016) een technische specificatie inzake interoperabiliteit geheel of gedeeltelijk buiten toepassing verklaren.
#### § 8. Aanwijzing van keuringsinstanties
##### Artikel 93
1. Onze Minister wijst de instanties aan die zijn belast met:
- a. de beoordeling van de conformiteit of van de geschiktheid voor gebruik als bedoeld in de artikelen 13 van de [richtlijnen 96/48/EG](31996L0048) en [2001/16/EG](32001L0016) en de afgifte van de bijbehorende EG-verklaringen van conformiteit of geschiktheid voor gebruik als bedoeld in de artikelen 10 van deze richtlijnen;
- b. de goedkeuring als bedoeld in de artikelen 18 van de [richtlijnen 96/48/EG](31996L0048) en [2001/16/EG](32001L0016) en de afgifte van de bijbehorende EG-keuringsverklaringen als bedoeld in de artikelen 16 van deze richtlijnen;
- c. de afgifte van goedkeuringscertificaten als bedoeld in [artikel 8, tweede lid, onderdeel c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2&paragraaf=3&artikel=8&z=2005-01-01&g=2005-01-01);
- d. de afgifte van goedkeuringscertificaten als bedoeld in [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=4&artikel=36&z=2005-01-01&g=2005-01-01);
- e. het onderzoek, bedoeld in [artikel 38, eerste lid, onderdeel c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=4&artikel=38&z=2005-01-01&g=2005-01-01).
2. De instanties, de directeur en het personeel daarvan voldoen ten minste aan de toepasselijke eisen, neergelegd in bijlage VII van [richtlijn 96/48/EG](31996L0048), respectievelijk [richtlijn 2001/16/EG](32001L0016), en aan de bij ministeriële regeling vastgestelde eisen.
3. Aan de aanwijzing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden.
4. De instanties verrichten hun werkzaamheden met inachtneming van de toepasselijke bepalingen in bijlage VI van [richtlijn 96/48/EG](31996L0048) respectievelijk [richtlijn 2001/16/EG](32001L0016) en het Besluit nr. 93/465/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 22 juli 1993 betreffende de modules voor de verschillende fasen van de overeenstemmingsbeoordelingsprocedures en de voorschriften inzake het aanbrengen en het gebruik van de CE-markering van overeenstemming (PbEG L 220).
5. De instanties stellen na elk onderzoek een onderzoekscertificaat op, in voorkomend geval met vermelding van de geldigheidsduur en van de voorwaarden waaronder het geldig is.
6. Onze Minister trekt de aanwijzing, bedoeld in het eerste lid, in indien de betrokken instantie niet langer voldoet aan de toepasselijke eisen van bijlage VII van de desbetreffende richtlijn. Onze Minister kan de aanwijzing intrekken, indien de betrokken instantie niet langer voldoet aan bijlage VI van de desbetreffende richtlijn of de bij ministeriële regeling vastgestelde eisen, bedoeld in het tweede lid.
7. Onze Minister doet mededeling van een aanwijzing of van een intrekking van een aanwijzing door kennisgeving in de Staatscourant.
#### § 9. Bepalingen inzake bijzondere spoorwegen
#### § 10. Informatieplicht van spoorwegondernemingen en de beheerder
##### Artikel 96
1. Spoorwegondernemingen en de beheerder zijn verplicht Onze Minister mondeling, schriftelijk of op andere wijze – dit ter keuze van Onze Minister na overleg met de betrokken spoorwegonderneming of betrokken beheerder – alle bij hen berustende gegevens te verstrekken en inzage te geven van boeken en bescheiden die betrekking hebben op het gebruik of beheer van spoorwegen en het vervoer daarover, voorzover Onze Minister dat redelijkerwijs voor de vervulling van zijn taak nodig heeft.
2. Degene van wie krachtens het eerste lid gegevens worden verlangd, is op de door Onze Minister aan te geven wijze en binnen de door hem te bepalen termijn verplicht deze volledig en naar waarheid te verstrekken en degene van wie inzage wordt verlangd is verplicht deze ongestoord te verlenen.
3. Onze Minister gebruikt gegevens of inlichtingen omtrent een spoorwegonderneming die hij heeft verkregen in verband met enige werkzaamheid ten behoeve van de uitvoering van een van zijn taken, uitsluitend voor de uitvoering van die taak.
#### § 11. De verwerking van persoonsgegevens
##### Artikel 97
Voorzover dit noodzakelijk is ter beoordeling van het voldoen aan de bij of krachtens deze wet gestelde voorschriften kunnen gegevens betreffende het gedrag van bestuurders, het gedrag van een vergunninghouder en de gezondheid van personeel worden verwerkt. Onze Minister is verantwoordelijke voor de verwerking van de gegevens als bedoeld in de [Wet bescherming persoonsgegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011468).
### Hoofdstuk 7. Buitengewone omstandigheden
##### Artikel 98
1. Onverminderd de [artikelen 7, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007981&artikel=7), en [8, eerste lid, van de Coördinatiewet uitzonderingstoestanden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007981&artikel=8) kunnen, ingeval buitengewone omstandigheden dit noodzakelijk maken, bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, de [artikelen 99 tot en met 101, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=7&artikel=99&z=2005-01-01&g=2005-01-01), en [102](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=7&artikel=102&z=2005-01-01&g=2005-01-01) in werking worden gesteld.
2. Wanneer het in het eerste lid bedoelde besluit is genomen, wordt onverwijld een voorstel van wet aan de Tweede Kamer gezonden omtrent het voortduren van de werking van de bij dat besluit in werking gestelde bepalingen.
3. Wordt het voorstel van wet door de Staten-Generaal verworpen, dan worden bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, de bepalingen die ingevolge het eerste lid in werking zijn gesteld, onverwijld buiten werking gesteld.
4. Bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, worden bepalingen die ingevolge het eerste lid in werking zijn gesteld, buiten werking gesteld, zodra de omstandigheden dit naar Ons oordeel toelaten.
5. Het besluit, bedoeld in het eerste, derde en vierde lid, wordt op de daarin te bepalen wijze bekendgemaakt. Het treedt in werking terstond na de bekendmaking.
6. Het besluit, bedoeld in het eerste, derde en vierde lid, wordt in ieder geval geplaatst in het Staatsblad.
##### Artikel 99
1. Wegens redenen van staatsbelang kan Onze Minister de staking van de dienst bevelen.
2. Een besluit op grond van het eerste lid wordt in de Staatscourant bekendgemaakt en in de provincies waarin de spoorweg ligt zo spoedig mogelijk algemeen bekend gemaakt.
3. Een krachtens het eerste lid gestaakte dienst wordt niet hervat dan na toestemming van Onze Minister.
4. Indien Onze Minister staking van de dienst beveelt vanuit het oogpunt van de verdediging, kan hij tevens bepalen dat al het spoorwegmaterieel wordt verwijderd. In dat geval wijst Onze Minister van Defensie de plaats of plaatsen aan waarheen dat materieel moet worden vervoerd.
##### Artikel 100
Onze Minister van Defensie is bevoegd bevel te geven tot het geheel of gedeeltelijk onbruikbaar maken van spoorweginfrastructuur. Zo spoedig als het staatsbelang het toelaat wordt de spoorweginfrastructuur op bevel van Onze Minister en op kosten van het Rijk hersteld.
##### Artikel 101
1. Onze Minister wie het aangaat is bevoegd, tegen schadeloosstelling, het gebruik van spoorweginfrastructuur en spoorwegmaterieel te vorderen.
2. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de toepassing van het eerste lid.
##### Artikel 102
Onze Minister van Defensie kan in overeenstemming met Onze Minister aan een spoorwegonderneming en de beheerder aanwijzingen geven betreffende de uitvoering van hun werkzaamheden.
### Hoofdstuk 8. Aanpassing en intrekking van andere wetten
##### Artikel 103
De volgende wetten worden ingetrokken op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld:
- a. de [Spoorwegwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001848) (Stb. 1875, 67);
- b. de [wet van 9 juli 1900, houdende nadere regeling van den dienst en het gebruik van spoorwegen, waarop uitsluitend met beperkte snelheid wordt vervoerd](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001866) (Stb. 118);
- c. de [wet van 1 november 1924, houdende wettelijke maatregelen tegen aantasting van metalen voorwerpen in den bodem door zwerfstroomen, afkomstig van spoorstaven van electrische spoor- en tramwegen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001921) (Stb. 498);
- d. de [wet van 15 december 1917, houdende voorschriften omtrent aanleg en instandhouding van spoorwegen, waarop uitsluitend met beperkte snelheid wordt vervoerd, op wegen niet onder beheer van het Rijk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001892) (Stb. 703);
- e. de [wet van 26 mei 1937 tot reorganisatie van het spoorwegbedrijf](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001988) (Stb. 520);
- f. de [wet van 11 juni 1998, houdende wijziging van de Spoorwegwet ter implementatie van richtlijn nr. 95/18/EG en richtlijn nr. 95/19/EG](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009683) (Stb. 374).
##### Artikel 104
Wijzigt de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie.
##### Artikel 105
Wijzigt de Coördinatiewet uitzonderingstoestanden.
##### Artikel 106
Wijzigt de Vervoersnoodwet.
##### Artikel 107
Wijzigt de Wet op de economische delicten.
##### Artikel 108
Wijzigt de Tracéwet.
##### Artikel 109
Wijzigt de Wet geluidhinder.
##### Artikel 110
Wijzigt de Wet Infrastructuurfonds.
##### Artikel 111
Wijzigt de Vestigingswet Bedrijven 1954.
##### Artikel 112
Wijzigt de Wegenverkeerswet 1994.
##### Artikel 113
Wijzigt het Wetboek van Strafrecht.
##### Artikel 114
Wijzigt de Wegenwet.
##### Artikel 115
Wijzigt de Wet Raad voor de Transportveiligheid.
### Hoofdstuk 9. Overgangs- en slotbepalingen
#### § 1. Overgangsbepalingen gedelegeerde regelgeving
#### § 2. Overige overgangsbepalingen
#### § 3. Slotbepalingen
##### Artikel 126
Onze Minister zendt in het jaar 2006 aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk.
##### Artikel 127
De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.
##### Artikel 128
Deze wet wordt aangehaald als: Spoorwegwet.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
##### Artikel 16a
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
##### Artikel 16b
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
#### § 5. Bepalingen inzake stations en laad- en losplaatsen
### Hoofdstuk 3. Het spoorwegbedrijf
#### § 2. De bedrijfsvergunning voor spoorwegondernemingen
#### § 3. Het veiligheidsattest
#### § 4. Gebruik, compatibiliteit en interoperabiliteit van spoorvoertuigen
##### Artikel 37a
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
##### Artikel 37b
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
#### § 5. Personeel
##### Artikel 51a
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
##### Artikel 51b
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
### Hoofdstuk 4. Het gebruik van hoofdspoorwegen
#### § 1. Algemene bepalingen
#### § 4. Kaderovereenkomst
#### § 5. Algemene regels over de verdeling van capaciteit
#### § 7. Nadere bepalingen inzake het gebruik van hoofdspoorwegen
### Hoofdstuk 5. Toegang tot bijkomende diensten en voorzieningen
### Hoofdstuk 6. Toezicht, handhaving en overige bepalingen
#### § 1. Toezicht
#### § 3. Bestuursrechtelijke handhaving
#### § 4. Strafrechtelijke handhaving
#### § 7. Toepasselijkheid nieuwe Europese regelgeving
#### § 8. Aanwijzing van keuringsinstanties
#### § 9. Bepalingen inzake bijzondere spoorwegen
#### § 10. Informatieplicht van spoorwegondernemingen en de beheerder
#### § 11. De verwerking van persoonsgegevens
### Hoofdstuk 8. Aanpassing en intrekking van andere wetten
### Hoofdstuk 9. Overgangs- en slotbepalingen
#### § 1. Overgangsbepalingen gedelegeerde regelgeving
#### § 2. Overige overgangsbepalingen
#### § 3. Slotbepalingen
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
##### Artikel 17a
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
##### Artikel 17b
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
##### Artikel 18a
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
### Hoofdstuk 3. Het spoorwegbedrijf
#### § 1. Algemeen
#### § 4. Gebruik, compatibiliteit en interoperabiliteit van spoorvoertuigen en interoperabiliteitsonderdelen
### Hoofdstuk 4. Het gebruik van hoofdspoorwegen
#### § 2. Netverklaring
#### § 4. Kaderovereenkomst
#### § 5. Algemene regels over de verdeling van capaciteit
#### § 8. Onderzoek van ongevallen, incidenten en onregelmatigheden op hoofdspoorwegen
### Hoofdstuk 6. Toezicht, handhaving en overige bepalingen
#### § 1. Toezicht
#### § 2. De Nederlandse Mededingingsautoriteit
#### § 3. Bestuursrechtelijke handhaving
#### § 7. Toepasselijkheid nieuwe Europese regelgeving
#### § 10. Informatieplicht van spoorwegondernemingen en de beheerder
#### § 11. De verwerking van persoonsgegevens
### Hoofdstuk 7. Buitengewone omstandigheden
### Hoofdstuk 8. Aanpassing en intrekking van andere wetten
### Hoofdstuk 9. Overgangs- en slotbepalingen
#### § 1. Overgangsbepalingen gedelegeerde regelgeving
#### § 2. Overige overgangsbepalingen
#### § 3. Slotbepalingen
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
##### Artikel 51c
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
##### Artikel 54a
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
#### § 6. De verzekeringsplicht
### Hoofdstuk 4. Het gebruik van hoofdspoorwegen
#### § 6. Gebruiksvergoeding
#### § 8. Onderzoek van ongevallen, incidenten en onregelmatigheden op hoofdspoorwegen
### Hoofdstuk 5. Toegang tot bijkomende diensten en voorzieningen
### Hoofdstuk 6. Toezicht, handhaving en overige bepalingen
#### § 2. De Autoriteit Consument en Markt
#### § 2a. Vrijstelling, ontheffing of vergunning
#### § 4. Strafrechtelijke handhaving
#### § 7. Toepasselijkheid nieuwe Europese regelgeving
#### § 10. Informatieplicht van spoorwegondernemingen en de beheerder
#### § 11. De verwerking van persoonsgegevens
### Hoofdstuk 8. Aanpassing en intrekking van andere wetten
### Hoofdstuk 9. Overgangs- en slotbepalingen
#### § 2. Overige overgangsbepalingen
#### § 3. Slotbepalingen
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
##### Artikel 74a
Het is verboden te handelen in strijd met de aan een op grond van deze wet verleende vrijstelling, ontheffing of vergunning verbonden voorschriften.
#### § 3. Bestuursrechtelijke handhaving
#### § 8. Erkenning van keuringsinstanties
#### § 10. Informatieplicht van spoorwegondernemingen en de beheerder
#### § 11. De verwerking van persoonsgegevens
### Hoofdstuk 7. Buitengewone omstandigheden
### Hoofdstuk 8. Aanpassing en intrekking van andere wetten
### Hoofdstuk 9. Overgangs- en slotbepalingen
#### § 1. Overgangsbepalingen gedelegeerde regelgeving
#### § 2. Overige overgangsbepalingen
#### § 3. Slotbepalingen
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
##### Artikel 72a
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
#### § 3. Bestuursrechtelijke handhaving
##### Artikel 94
1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met het oog op het veilig gebruik van bijzondere spoorwegen, waaronder in ieder geval regels over:
- a. technische eigenschappen van de spoorweginfrastructuur;
- b. veiligheidsvoorzieningen en -maatregelen;
- c. seingeving;
- d. opening van spoorwegbruggen;
- e. technische eigenschappen, alsmede goedkeuring en toelating tot het verkeer van spoorvoertuigen;
- f. verkeersgedrag;
- g. voorwaarden waaronder het gebruik van bijzondere spoorwegen is toegestaan; en
- h. rijvaardigheid en rijbevoegdheid.
2. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen categorieën van bijzondere spoorwegen worden onderscheiden.
3. In afwijking van [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=1&artikel=2&z=2015-12-01&g=2015-12-01), zijn de [artikelen 1 tot en met 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=1&artikel=1&z=2015-12-01&g=2015-12-01), [69](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=6&paragraaf=1&artikel=69&z=2015-12-01&g=2015-12-01), [76, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=6&paragraaf=3&artikel=76&z=2015-12-01&g=2015-12-01), [77](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=6&paragraaf=3&artikel=77&z=2015-12-01&g=2015-12-01), [80](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=6&paragraaf=3&artikel=80&z=2015-12-01&g=2015-12-01), [86 tot en met 91](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=6&paragraaf=4&artikel=86&z=2015-12-01&g=2015-12-01), en [97](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=6&paragraaf=11&artikel=97&z=2015-12-01&g=2015-12-01) niet van toepassing op een categorie als bedoeld in het tweede lid, voor zover dit bij algemene maatregel van bestuur is bepaald.
##### Artikel 95
Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2015/9.
De rechthebbende ten aanzien van een bijzondere of lokale spoorweg die onder de werking van de [richtlijnen 91/440/EEG](31991L0440), [95/18/EG](31995L0018) of [2001/14/EG](32001L0014) valt, verleent aan spoorwegondernemingen recht op toegang of gebruik overeenkomstig de in die richtlijnen opgenomen voorschriften en overigens tegen eerlijke, redelijke en niet-discriminerende voorwaarden. [Artikel 26](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2&paragraaf=5&artikel=26&z=2015-12-01&g=2015-12-01) is van overeenkomstige toepassing. De vergunning, bedoeld in artikel 2, onderdeel b, van [richtlijn 95/18/EG](31995L0018), wordt verleend door Onze Minister met overeenkomstige toepassing van [hoofdstuk 3, paragraaf 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=2&z=2015-12-01&g=2015-12-01).
#### § 10. Informatieplicht van spoorwegondernemingen en de beheerder
##### Artikel 96a
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
#### § 11. De verwerking van persoonsgegevens
### Hoofdstuk 7. Buitengewone omstandigheden
### Hoofdstuk 8. Aanpassing en intrekking van andere wetten
### Hoofdstuk 9. Overgangs- en slotbepalingen
#### § 1. Overgangsbepalingen gedelegeerde regelgeving
#### § 2. Overige overgangsbepalingen
#### § 3. Slotbepalingen
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
##### Artikel 68a
1. Exploitanten van dienstvoorzieningen verstrekken aan de beheerder informatie over de voorwaarden voor toegang en voor verlening van diensten, bedoeld in [artikel 67](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=5&paragraaf=1&artikel=67&z=2015-12-15&g=2015-12-15), en informatie over de vergoedingen, bedoeld in [artikel 68](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=5&paragraaf=1&artikel=68&z=2015-12-15&g=2015-12-15), of verwijzen de beheerder naar een website waarop deze informatie kosteloos in elektronische vorm wordt aangeboden.
2. Onverminderd het eerste lid, verstrekken exploitanten van dienstvoorzieningen als bedoeld in bijlage II, punt 2, onderdelen a, f en i, van richtlijn 2012/34/EU, onverwijld informatie over de voorwaarden voor toegang als bedoeld in [artikel 67, eerste lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=5&paragraaf=1&artikel=67&z=2015-12-15&g=2015-12-15), of voor verlening van diensten als bedoeld in artikel 67, eerste lid, onderdeel c, alsmede informatie over vergoedingen als bedoeld in [artikel 68, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=5&paragraaf=1&artikel=68&z=2015-12-15&g=2015-12-15), aan spoorwegondernemingen die daarom verzoeken.
3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld ter uitvoering van het eerste lid.
#### § 2. Bijzondere verplichtingen
##### Artikel 68b
1. Deze paragraaf is uitsluitend van toepassing in geval van een aanbesteding als bedoeld in [hoofdstuk III, paragraaf 4, van de Wet personenvervoer 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011470&paragraaf=4) van een concessie voor openbaar vervoer per trein, indien:
- a. voor de uitvoering van die concessie sprake is van gebruik van dienstvoorzieningen of van diensten als bedoeld in bijlage II, punt 2, onderdelen a, f en i, van richtlijn 2012/34/EU, en
- b. een dergelijke dienstvoorziening of dienst op één locatie uitsluitend bij één exploitant aanwezig is.
2. Onder exploitant van een dienstvoorziening wordt in deze paragraaf verstaan een exploitant die verantwoordelijk is voor het beheer van een of meer dienstvoorzieningen of voor het verrichten van een of meer diensten als bedoeld in het eerste lid.
##### Artikel 68c
1. Onverminderd het bepaalde bij of krachtens [hoofdstuk 5, paragraaf 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=5&paragraaf=1&z=2015-12-15&g=2015-12-15), mag een exploitant van een dienstvoorziening in het kader van een aanbesteding als bedoeld in [artikel 68b, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=5&paragraaf=2&artikel=68b&z=2015-12-15&g=2015-12-15), de voorwaarden voor toegang, bedoeld in [artikel 67, eerste lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=5&paragraaf=1&artikel=67&z=2015-12-15&g=2015-12-15), of voor verlening van diensten, bedoeld in artikel 67, eerste lid, onderdeel c, of de vergoedingen, bedoeld in [artikel 68, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=5&paragraaf=1&artikel=68&z=2015-12-15&g=2015-12-15), pas toepassen nadat deze voorwaarden of vergoedingen zijn goedgekeurd door de Autoriteit Consument en Markt.
2. De exploitant van een dienstvoorziening doet het verzoek tot goedkeuring ten minste zes weken voorafgaand aan de datum waarop een aanbesteding als bedoeld in [artikel 61, eerste lid, van de Wet personenvervoer 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011470&artikel=61), is gestart.
3. De Autoriteit Consument en Markt beoordeelt binnen zes weken na ontvangst van het verzoek of de voorwaarden of vergoedingen, bedoeld in het eerste lid, in overeenstemming zijn met het bepaalde bij of krachtens de [artikelen 67, eerste of tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=5&paragraaf=1&artikel=67&z=2015-12-15&g=2015-12-15), of [68](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=5&paragraaf=1&artikel=68&z=2015-12-15&g=2015-12-15). Indien gegevens die de Autoriteit Consument en Markt noodzakelijk acht voor een beoordeling ontbreken, wordt de exploitant van de dienstvoorziening hiervan binnen een week na ontvangst van het verzoek op de hoogte gesteld. Deze exploitant wordt in de gelegenheid gesteld deze gegevens binnen een redelijke termijn alsnog aan te leveren in een door de Autoriteit Consument en Markt aan te geven vorm.
4. De Autoriteit Consument en Markt kan de termijn, bedoeld in het derde lid, eerste volzin, eenmaal met zes weken verlengen. Zij doet hiervan schriftelijk mededeling aan de exploitant van de dienstvoorziening die het verzoek heeft ingediend.
5. Indien de Autoriteit Consument en Markt van oordeel is dat de voorwaarden of vergoedingen in overeenstemming zijn met het bepaalde bij of krachtens de [artikelen 67, eerste of tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=5&paragraaf=1&artikel=67&z=2015-12-15&g=2015-12-15), of [68](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=5&paragraaf=1&artikel=68&z=2015-12-15&g=2015-12-15), keurt zij de toepassing hiervan goed.
6. Indien de Autoriteit Consument en Markt van oordeel is dat de voorwaarden of vergoedingen niet in overeenstemming zijn met het bepaalde bij of krachtens de [artikelen 67, eerste of tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=5&paragraaf=1&artikel=67&z=2015-12-15&g=2015-12-15), of [68](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=5&paragraaf=1&artikel=68&z=2015-12-15&g=2015-12-15), doet zij hiervan mededeling aan de desbetreffende exploitant. Zij deelt hierbij mede op welke punten niet voldaan is aan het bepaalde bij of krachtens de artikelen 67, eerste of tweede lid, of 68.
7. De exploitant van de dienstvoorziening deelt de Autoriteit Consument en Markt binnen vier weken na de datum van de mededeling, bedoeld in het zesde lid, schriftelijk mede in hoeverre de voorwaarden of vergoedingen worden aangepast aan die mededeling. De Autoriteit Consument en Markt beoordeelt binnen drie weken na ontvangst van de mededeling van de exploitant van de dienstvoorziening, bedoeld in de eerste volzin, op het verzoek tot goedkeuring, of de voorwaarden of vergoedingen in overeenstemming zijn met het bepaalde bij of krachtens de [artikelen 67, eerste of tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=5&paragraaf=1&artikel=67&z=2015-12-15&g=2015-12-15), of [68](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=5&paragraaf=1&artikel=68&z=2015-12-15&g=2015-12-15).
8. Artikel 68a is van toepassing op de voorwaarden of vergoedingen die op grond van dit artikel zijn goedgekeurd.
9. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen in afwijking van het eerste lid soorten dienstvoorzieningen of soorten diensten als bedoeld in bijlage II, punt 2, onderdelen a, f en i, van richtlijn 2012/34/EU uitgezonderd worden van de verplichting, bedoeld in het eerste lid.
10. De voordracht voor een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het negende lid wordt niet eerder gedaan dan nadat de Autoriteit Consument en Markt in de gelegenheid is gesteld advies uit te brengen over het ontwerp van dat besluit en niet eerder dan vier weken nadat het ontwerp tezamen met het advies van de Autoriteit Consument en Markt aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
### Hoofdstuk 6. Toezicht, handhaving en overige bepalingen
#### § 1. Toezicht
#### § 2. De Autoriteit Consument en Markt
#### § 8. Erkenning van keuringsinstanties
#### § 10. Informatieplicht
### Hoofdstuk 9. Overgangs- en slotbepalingen
#### § 1. Overgangsbepalingen gedelegeerde regelgeving
#### § 3. Slotbepalingen
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
##### Artikel 36a
1. Onze Minister is bevoegd, ter verlening van de in [artikel 36, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=4&artikel=36&z=2016-11-26&g=2016-11-26), bedoelde aanvullende vergunning voor indienststelling aanvullende informatie, uitvoering van risicoanalysen overeenkomstig artikel 6, derde lid, onderdeel a, van [richtlijn 2004/49/EG](32004L0049) of tests op de hoofdspoorweginfrastructuur te eisen, teneinde de technische verenigbaarheid te toetsen tussen het spoorvoertuig en de hoofdspoorweginfrastructuur, met inbegrip van de nationale voorschriften die van toepassing zijn op de openstaande punten in de technische specificaties die nodig zijn om deze verenigbaarheid te waarborgen en van de nationale voorschriften die van toepassing zijn op de specifieke gevallen die in de betreffende technische specificaties zijn omschreven. Onze Minister bepaalt na raadpleging van de aanvrager de draagwijdte en de inhoud van de gevraagde aanvullende informatie, risicoanalysen en tests. De beheerder doet, in overleg met de aanvrager, al het mogelijke om ervoor te zorgen dat eventuele tests plaatsvinden binnen drie maanden na het verzoek van de aanvrager. Onze Minister is bevoegd van een ieder medewerking te vorderen voor zover die redelijkerwijs nodig is om te waarborgen dat de tests plaatsvinden.
2. Na de goedkeuring van het in artikel 27 van [richtlijn 2008/57/EG](32008L0057) bedoelde referentiedocument verricht Onze Minister de toets, bedoeld in het eerste lid, alleen op basis van de in de categorieën B of C van het referentiedocument opgenomen nationale voorschriften.
3. [Artikel 16a, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2&paragraaf=4&artikel=16a&z=2016-11-26&g=2016-11-26), is van overeenkomstige toepassing op:
- a. de aanvragen voor een vergunning of aanvullende vergunning voor indienststelling, bedoeld in [artikel 36, derde of vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=4&artikel=36&z=2016-11-26&g=2016-11-26);
- b. de aanvragen, bedoeld in [artikel 36, vierde, negende en tiende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=4&artikel=36&z=2016-11-26&g=2016-11-26).
4. In afwijking van het derde lid neemt Onze Minister bij verlenging van de beslistermijn een besluit ten aanzien van een aanvullende vergunning voor indienststelling als bedoeld in [artikel 36, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=4&artikel=36&z=2016-11-26&g=2016-11-26), in ieder geval:
- a. uiterlijk twee maanden na indiening van de bij de aanvraag van de aanvullende vergunning voor indienststelling behorende gegevens;
- b. uiterlijk een maand na het verstrekken van de aanvullende informatie, bedoeld in het eerste lid, en
- c. uiterlijk een maand na het verstrekken van de resultaten van de tests, bedoeld in het eerste lid.
5. In afwijking van [artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=6:7) dient de aanvrager een bezwaarschrift tegen een beschikking tot weigering van een vergunning of aanvullende vergunning voor indienststelling, bedoeld in [artikel 36, derde of vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=4&artikel=36&z=2016-11-26&g=2016-11-26), in binnen een maand. In afwijking van [artikel 7:10 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=7:10) beslist Onze Minister op dit bezwaarschrift uiterlijk twee maanden, gerekend vanaf de dag na die waarop de in de eerste volzin bedoelde termijn is verstreken.
6. Indien Onze Minister niet binnen de termijn, bedoeld in het vijfde lid, op het bezwaar heeft beslist, is de aanvullende vergunning voor indienststelling, bedoeld in [artikel 36, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=4&artikel=36&z=2016-11-26&g=2016-11-26), drie maanden na afloop van die termijn van rechtswege gegeven. Deze van rechtswege gegeven aanvullende vergunning voor indienststelling geldt alleen voor de hoofdspoorweginfrastructuur ten aanzien waarvan Onze Minister niet binnen de termijn, bedoeld in het vijfde lid, op het bezwaar heeft beslist. De [artikelen 4:20b, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:20a), [4:20c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:20c) en [4:20d van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:20d) zijn van overeenkomstige toepassing.
7. Wanneer Onze Minister vaststelt dat de houder van de vergunning of de aanvullende vergunning voor indienststelling, bedoeld in [artikel 36, derde of vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=4&artikel=36&z=2016-11-26&g=2016-11-26), niet langer aan de eisen voldoet, kan hij de vergunning of de aanvullende vergunning voor indienststelling intrekken. Wanneer Onze Minister de aanvullende vergunning voor indienststelling heeft ingetrokken, stelt hij de instantie die de vergunning voor indienststelling heeft verleend onverwijld in kennis van die intrekking. Tevens kan Onze Minister de vergunning of aanvullende vergunning voor indienststelling intrekken wanneer blijkt dat de vergunninghouder er gedurende het jaar dat volgde op de verlening niet het bedoelde gebruik van heeft gemaakt.
##### Artikel 36b
1. Het is een spoorwegonderneming verboden om van hoofdspoorweginfrastructuur gebruik te maken met een spoorvoertuig dat niet voldoet aan alle relevante technische specificaties inzake interoperabiliteit die op het ogenblik van de indienststelling van kracht zijn, met inbegrip van spoorvoertuigen waarvoor afwijkingen gelden, of wanneer een belangrijk gedeelte van de essentiële eisen niet is opgenomen in één of meer technische specificaties inzake interoperabiliteit, waarvoor Onze Minister geen vergunning voor indienststelling, bedoeld in het derde lid, respectievelijk aanvullende vergunning voor indienststelling, bedoeld in het vierde lid heeft verleend. Onze Minister kan op aanvraag, na de beheerder te hebben gehoord, ontheffing verlenen van dit verbod. De ontheffing kan onder voorwaarden worden verleend. Aan de ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden.
2. Het eerste lid geldt niet voor bij algemene maatregel van bestuur met inachtneming van artikel 21 van [richtlijn 2008/57/EG](32008L0057), aangewezen spoorvoertuigen.
3. Onze Minister verleent, na de beheerder te hebben gehoord, een vergunning voor indienststelling als volgt:
- –. voor de technische aspecten die onder een technische specificatie inzake interoperabiliteit vallen, wordt de procedure voor de opstelling van de EG-keuringsverklaring uit artikel 18 van [richtlijn 2008/57/EG](32008L0057) toegepast;
- –. voor de andere technische aspecten gelden de voorschriften waarvan overeenkomstig artikel 17, derde lid, van [richtlijn 2008/57/EG](32008L0057) en artikel 8 van [richtlijn 2004/49/EG](32004L0049) kennis is gegeven.
4. Onze Minister verleent, na de beheerder te hebben gehoord, een aanvullende vergunning voor indienststelling slechts wanneer in een andere lidstaat reeds een vergunning voor indienststelling is verleend.
5. Onze Minister is bevoegd ter verlening van de aanvullende vergunning voor indienststelling aanvullende informatie, de uitvoering van risicoanalysen overeenkomstig artikel 6, derde lid, onderdeel a, van [richtlijn 2004/49/EG](32004L0049) of tests op de hoofdspoorweginfrastructuur te eisen, teneinde na te gaan of de in artikel 25, tweede lid, onderdelen c en d, van [richtlijn 2008/57/EG](32008L0057) bedoelde informatie voldoet aan de geldende voorschriften zoals die overeenkomstig artikel 8 van [richtlijn 2004/49/EG](32004L0049) aan de Commissie zijn meegedeeld.
Onze Minister legt, na raadpleging van de aanvrager, de reikwijdte en de inhoud van de aanvullende informatie, de risicoanalysen of de vereiste tests vast. De beheerder doet, in overleg met de aanvrager, al het mogelijke om ervoor te zorgen dat tests kunnen plaatsvinden binnen drie maanden na het verzoek van de aanvrager. Onze Minister is bevoegd van een ieder medewerking te vorderen voor zover die redelijkerwijs nodig is om te waarborgen dat de tests plaatsvinden.
6. Na de aanneming van het in artikel 27 van [richtlijn 2008/57/EG](32008L0057) bedoelde referentiedocument, voert Onze Minister de in het vijfde lid bedoelde controle echter alleen uit op basis van de nationale voorschriften van categorie B of C die in dat referentiedocument zijn opgenomen.
7. In afwijking van [artikel 4:14 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:14) neemt Onze Minister bij verlenging van de beslistermijn een besluit, bedoeld in het vierde lid, ten aanzien van een aanvullende vergunning voor indienststelling in ieder geval:
- a. uiterlijk vier maanden na indiening van de bij de aanvraag voor de aanvullende vergunning voor indienststelling behorende gegevens;
- b. uiterlijk binnen twee maanden na het verstrekken van de aanvullende informatie, bedoeld in het vijfde lid, en
- c. uiterlijk binnen twee maanden na het verstrekken van de resultaten van de tests, bedoeld in het vijfde lid.
8. Onze Minister kan op aanvraag, met inachtneming van artikel 1, derde lid, van [richtlijn 2008/57/EG](32008L0057), ontheffing verlenen van de technische specificaties respectievelijk de voorschriften, bedoeld in het derde lid. De ontheffing kan onder beperkingen worden verleend. Aan de ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld ter omschrijving van spoorvoertuigen waarmee op omschreven hoofdspoorwegen gebruik gemaakt mag worden en met het oog op het veilig gebruik van die spoorvoertuigen op die hoofdspoorwegen alsmede over de procedures die bij ontheffingverlening kunnen gelden.
9. [Artikel 36a, derde, vijfde tot en met zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=4&artikel=36a&z=2016-11-26&g=2016-11-26), is van overeenkomstige toepassing.
10. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over de toepassing van het eerste lid.
#### § 5. Personeel
#### § 6. De verzekeringsplicht
### Hoofdstuk 4. Het gebruik van hoofdspoorweginfrastructuur
#### § 6. Vergoeding voor het aan spoorwegondernemingen aangeboden minimumtoegangspakket alsmede aanvullende heffingen, bijtellingen, kortingen en aftrek
#### § 7. Nadere bepalingen inzake het gebruik van hoofdspoorwegen
#### § 8. Onderzoek van ongevallen, incidenten en onregelmatigheden op hoofdspoorwegen
### Hoofdstuk 5. Dienstvoorzieningen en diensten
#### § 1. Algemeen. Toegang tot dienstvoorzieningen en levering diensten
### Hoofdstuk 6. Toezicht, handhaving en overige bepalingen
##### Artikel 71a
1. Bij de werving, selectie en benoeming van de leden van de Autoriteit Consument en Markt draagt Onze Minister van Economische Zaken er zorg voor dat onder de leden passende beroepsbekwaamheid en relevante ervaring bij voorkeur op het gebied van spoorwegen of andere netwerkindustrieën zijn vertegenwoordigd.
2. Een lid van de Autoriteit Consument en Markt neemt geen deel aan de behandeling van en de besluitvorming over aangelegenheden die een onderneming uit de spoorwegsector betreffen waarmee hij gedurende het jaar voorafgaand aan de start van een procedure een directe of indirecte band onderhield.
3. Een lid van de Autoriteit Consument en Markt bekleedt gedurende een periode van ten minste een jaar na de datum waarop zijn benoeming bij die autoriteit is beëindigd, geen beroepsfunctie of beroepsverantwoordelijkheid bij een onderneming of instantie uit de spoorwegsector.
#### § 2a. Vrijstelling, ontheffing of vergunning
#### § 3. Bestuursrechtelijke handhaving
#### § 7. Toepasselijkheid nieuwe Europese regelgeving
#### § 8. Erkenning van keuringsinstanties
#### § 11. De verwerking van persoonsgegevens
### Hoofdstuk 9. Overgangs- en slotbepalingen
#### § 1. Overgangsbepalingen gedelegeerde regelgeving
#### § 2. Overige overgangsbepalingen
##### Artikel 123a
1. Op vergunningen en aanvullende vergunningen voor indienststelling die ingevolge [artikel 36](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=4&artikel=36&z=2016-11-26&g=2016-11-26) van de Spoorwegwet zijn verleend, zoals dat artikel luidde tot de inwerkingtreding van het bij koninklijke boodschap van 12 mei 2016 ingediende voorstel van wet tot wijziging van de Spoorwegwet ter nadere implementatie van drie spoorwegrichtlijnen, en gelden op het tijdstip van inwerkingtreding van het bij koninklijke boodschap van 12 mei 2016 ingediende voorstel van wet tot wijziging van de Spoorwegwet ter nadere implementatie van drie spoorwegrichtlijnen, zijn de artikelen 36 en [36b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=4&artikel=36b&z=2016-11-26&g=2016-11-26) van genoemde wet, zoals die luidt met ingang van het tijdstip van inwerkingtreding van het bij koninklijke boodschap van 12 mei 2016 ingediende voorstel van wet tot wijziging van de Spoorwegwet ter nadere implementatie van drie spoorwegrichtlijnen, van toepassing.
2. Op aanvragen voor vergunningen en aanvullende vergunningen voor indienststelling die ingevolge [artikel 36](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=4&artikel=36&z=2016-11-26&g=2016-11-26) van de Spoorwegwet, zoals dat artikel luidde tot de inwerkingtreding van het bij koninklijke boodschap van 12 mei 2016 ingediende voorstel van wet tot wijziging van de Spoorwegwet ter nadere implementatie van drie spoorwegrichtlijnen, door Onze Minister in behandeling zijn genomen, zijn de artikelen 36 en [36b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=4&artikel=36b&z=2016-11-26&g=2016-11-26) van genoemde wet, zoals die luidt met ingang van het tijdstip van inwerkingtreding van het bij koninklijke boodschap van 12 mei 2016 ingediende voorstel van wet tot wijziging van de Spoorwegwet ter nadere implementatie van drie spoorwegrichtlijnen, van toepassing.
#### § 3. Slotbepalingen
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
##### Artikel 16c
1. Indien er geen belangenconflicten ontstaan en de vertrouwelijkheid van bedrijfsgevoelige informatie wordt gewaarborgd, kan een beheerder:
- a. functies uitbesteden aan een andere organisatie indien deze geen spoorwegonderneming is, geen zeggenschap over een spoorwegonderneming heeft, of niet onder zeggenschap van een spoorwegonderneming staat;
- b. de uitvoering van werkzaamheden en de daarmee verband houdende taken inzake onderhoud en vernieuwing van de hoofdspoorweginfrastructuur en de ontwikkeling daarvan, bedoeld in [artikel 16, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2&paragraaf=4&artikel=16&z=2019-03-07&g=2019-03-07), uitbesteden aan een spoorwegonderneming of onderneming die zeggenschap over de spoorwegonderneming uitoefent, of onder zeggenschap van die spoorwegonderneming staat.
2. De beheerder blijft verantwoordelijk voor de functies, bedoeld in artikel 3, punt 2, van [richtlijn 2012/34](32012L0034)/EU.
3. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld ter uitvoering van artikel 7 quater, tweede tot en met vierde lid, van [richtlijn 2012/34](32012L0034)/EU.
##### Artikel 16d
1. Een beheerder gebruikt inkomsten uit het beheer van de hoofdspoorweginfrastructuur slechts voor het financieren van eigen activiteiten, met inbegrip van het afbetalen van leningen. De beheerder mag inkomsten gebruiken om dividend uit te keren aan de aandeelhouder of eigenaar.
2. Een beheerder verstrekt direct noch indirect leningen aan spoorwegondernemingen.
3. Een spoorwegonderneming verstrekt direct noch indirect leningen aan een beheerder.
##### Artikel 16e
Ten aanzien van een verticaal geïntegreerde onderneming als bedoeld in artikel 3, onderdeel 31, van [richtlijn 2012/34](32012L0034)/EU kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld ter uitvoering van de artikelen 7, eerste lid, tweede volzin, tweede lid, derde lid, onderdeel d, vierde en vijfde lid, 7 bis, tweede lid, onderdeel b, 7 quater, eerste lid, onderdeel a, en 7 quinquies, eerste lid, en vierde tot en met tiende lid, van [richtlijn 2012/34](32012L0034)/EU.
##### Artikel 16f
1. Een beheerder beschikt bij de uitvoering van de taken, bedoeld in [artikel 16, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2&paragraaf=4&artikel=16&z=2019-03-07&g=2019-03-07), anders dan ten behoeve van de aanleg van hoofdspoorweginfrastructuur over een geldige veiligheidsvergunning.
2. Onze Minister verleent op aanvraag een veiligheidsvergunning aan de beheerder, indien hij beschikt over een veiligheidsbeheersysteem dat:
- a. voldoet aan de krachtens het zevende lid, onderdeel b, gestelde regels;
- b. op zodanige wijze is geoperationaliseerd dat het een veilig beheer en gebruik van hoofdspoorweginfrastructuur mogelijk maakt.
3. In afwijking van [artikel 4:14 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:14) beslist Onze Minister bij verlenging van de beslistermijn op de aanvraag, bedoeld in het tweede lid, in ieder geval uiterlijk vier maanden nadat alle in [artikel 4:2, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:2) bedoelde informatie is verschaft, en neemt het besluit, bedoeld in het vijfde lid, uiterlijk vier maanden nadat hij heeft vastgesteld dat het veiligheidsbeheersysteem niet meer voldoet aan het tweede lid.
4. Onze Minister stelt beperkingen aan of trekt een veiligheidsvergunning in, indien het veiligheidsbeheersysteem van de beheerder niet meer voldoet aan het tweede lid.
5. De beheerder gebruikt het veiligheidsbeheersysteem, bedoeld in het tweede lid, bij de uitvoering van de taken, bedoeld in het eerste lid, ter beheersing van alle uit die taken voortvloeiende risico’s.
6. Een beheerder stelt jaarlijks een verslag op met betrekking tot de spoorwegveiligheid dat voldoet aan de krachtens het zevende lid, onderdeel d, gestelde regels, en zendt dat verslag voor 31 mei aan Onze Minister.
7. Bij ministeriële regeling kunnen in het belang van een goede uitvoering van het bij of krachtens de spoorwegveiligheidsrichtlijn bepaalde met betrekking tot de veiligheidsvergunning ten minste regels worden gesteld over:
- a. de aanvraag van een veiligheidsvergunning als bedoeld in het tweede lid,
- b. eisen waaraan het veiligheidsbeheersysteem, bedoeld in het tweede lid, voldoet,
- c. verlening, wijziging en geldigheidsduur van een veiligheidsvergunning als bedoeld in het tweede lid,
- d. de inhoud van het verslag, bedoeld in het zesde lid.
##### Artikel 16g
Een beheerder legt een activaregister aan dat voldoet aan artikel 30, zevende lid, van richtlijn 2012/34/EU.
### Hoofdstuk 3. Het spoorwegbedrijf
#### § 1. Algemeen
#### § 4. Gebruik, compatibiliteit en interoperabiliteit van spoorvoertuigen en interoperabiliteitsonderdelen
#### § 5. Personeel
### Hoofdstuk 4. Het gebruik van hoofdspoorweginfrastructuur
#### § 2. Netverklaring
### Hoofdstuk 5. Dienstvoorzieningen en diensten
#### § 1. Algemeen. Toegang tot dienstvoorzieningen en levering diensten
### Hoofdstuk 6. Toezicht, handhaving en overige bepalingen
#### § 1. Toezicht
#### § 6. Heffingen
#### § 7. Toepasselijkheid nieuwe Europese regelgeving
#### § 10. Informatieplicht
### Hoofdstuk 7. Buitengewone omstandigheden
### Hoofdstuk 9. Overgangs- en slotbepalingen
#### § 1. Overgangsbepalingen gedelegeerde regelgeving
#### § 2. Overige overgangsbepalingen
#### § 3. Slotbepalingen
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
##### Artikel 3a
Bij ministeriële regeling kunnen in het belang van een goede uitvoering van het bij of krachtens de spoorwegveiligheidsrichtlijn bepaalde regels worden gesteld met betrekking tot:
- a. maatregelen op het gebied van veiligheid en risicobeheersing die spoorwegondernemingen, beheerders, houders van spoorvoertuigen, met het onderhoud van spoorvoertuigen belaste entiteiten en andere actoren met een potentiële invloed op de veiligheid van, op en rond de spoorwegen moeten nemen,
- b. het uitwisselen van informatie met betrekking tot het uitwisselen of overdragen van spoorvoertuigen tussen spoorwegondernemingen.
#### § 1. Algemeen
#### § 2. De eigenschappen van hoofdspoorweginfrastructuur
#### § 3. De interoperabiliteit van de hoofdspoorweginfrastructuur
#### § 4. Beheer van hoofdspoorweginfrastructuur
#### § 5. Bepalingen inzake stations en laad- en losplaatsen
### Hoofdstuk 2a. Interoperabiliteit van het hoofdspoorwegsysteem
#### § 1. Interoperabiliteitsonderdelen
##### Artikel 26a
1. Het is verboden interoperabiliteitsonderdelen voor gebruik binnen het hoofdspoorwegsysteem in de handel te brengen of voor eigen gebruik te vervaardigen, dan wel interoperabiliteitsonderdelen van diverse herkomst of delen daarvan te assembleren:
- a. die niet voldoen aan de voor het desbetreffende interoperabiliteitsonderdeel geldende essentiële eisen,
- b. waarvoor geen EG-verklaring van conformiteit of geschiktheid voor gebruik is opgesteld, en
- c. waarvoor niet is voldaan aan de krachtens [artikel 26b, onderdelen b, c, en d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=1&artikel=26b&z=2019-06-16&g=2019-06-16), gestelde regels.
2. Het is verboden een EG-verklaring van conformiteit of geschiktheid voor gebruik op te stellen voor interoperabiliteitsonderdelen die niet voldoen aan de essentiële eisen en aan de krachtens [artikel 26b, onderdelen b, c en d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=1&artikel=26b&z=2019-06-16&g=2019-06-16), gestelde regels.
3. Interoperabiliteitsonderdelen die conform zijn met geharmoniseerde normen of delen daarvan waarvan de referenties in het Publicatieblad van de Europese Unie zijn bekendgemaakt, worden geacht conform te zijn met de essentiële eisen die door die normen of delen daarvan worden bestreken.
4. Interoperabiliteitsonderdelen worden binnen hun toepassingsgebied overeenkomstig hun bestemming gebruikt en naar behoren geïnstalleerd en onderhouden.
5. Onze Minister kan maatregelen nemen ter beperking van de handel in of het gebruik van een van de EG-verklaring van conformiteit of geschiktheid voor gebruik voorzien interoperabiliteitsonderdeel dat in de handel is gebracht en wordt gebruikt overeenkomstig zijn bestemming, maar dat de naleving van de essentiële eisen in het gedrang dreigt te brengen.
##### Artikel 26b
Bij ministeriële regeling kunnen in het belang van een goede uitvoering van het bij of krachtens de interoperabiliteitsrichtlijn bepaalde met betrekking tot de onderwerpen in deze paragraaf regels worden gesteld, waaronder in elk geval regels over:
- a. interoperabiliteitsonderdelen die kunnen worden vrijgesteld van de verplichtingen, bedoeld in [artikel 26a, eerste lid, onderdelen b en c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=1&artikel=26a&z=2019-06-16&g=2019-06-16),
- b. eisen waaraan interoperabiliteitsonderdelen voldoen,
- c. het keuren van interoperabiliteitsonderdelen,
- d. het opstellen van de EG-verklaring van conformiteit of geschiktheid voor gebruik en andere documentatieverplichtingen met betrekking tot interoperabiliteitsonderdelen,
- e. het gebruik, de installatie en het onderhoud van interoperabiliteitsonderdelen,
- f. de door Onze Minister te nemen maatregelen, bedoeld in [artikel 26a, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=1&artikel=26a&z=2019-06-16&g=2019-06-16).
##### Artikel 26c
1. Het is verboden een subsysteem te construeren, in dienst te stellen of te exploiteren binnen het hoofdspoorwegsysteem dat niet voldoet aan de voor dat subsysteem geldende essentiële eisen.
2. Een subsysteem wordt geacht te voldoen aan de essentiële eisen, indien voor dat subsysteem een EG-keuringsverklaring is opgesteld op basis van de TSI’s en, naargelang het geval, overeenkomstig de nationale voorschriften.
3. Een EG-keuringsverklaring als bedoeld in het tweede lid wordt opgesteld na toepassing van de daarvoor geldende keuringsprocedures en overeenkomstig de krachtens [artikel 26e, onderdelen b, c en d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=2&artikel=26e&z=2019-06-16&g=2019-06-16), gestelde regels.
4. Het is verboden een EG-keuringsverklaring op te stellen voor een subsysteem dat niet voldoet aan de essentiële eisen.
5. Subsystemen die conform zijn met geharmoniseerde normen of delen daarvan waarvan de referenties in het Publicatieblad van de Europese Unie zijn bekendgemaakt, worden geacht conform te zijn met de essentiële eisen die door die normen of delen daarvan worden bestreken.
6. Onze Minister kan verzoeken om aanvullende verificaties te verrichten ten aanzien van een subsysteem dat is voorzien van een EG-keuringsverklaring, indien hij constateert dat het subsysteem niet voldoet aan de essentiële eisen.
##### Artikel 26d
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over:
- a. de uitvoering van essentiële eisen voor subsystemen die niet volledig door de TSI’s worden bestreken,
- b. eisen die gelden bij het buiten toepassing laten van een TSI of een gedeelte daarvan als bedoeld in [artikel 26f, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=3&artikel=26f&z=2019-06-16&g=2019-06-16),
- c. technische eisen die toegepast worden in specifieke gevallen waarin de TSI’s niet voorzien,
- d. de verzekering van de technische compatibiliteit van een spoorvoertuig met de hoofdspoorweginfrastructuur,
- e. hoofdspoorweginfrastructuur en spoorvoertuigen die daarvan gebruik maken die niet onder de werkingssfeer van de TSI’s vallen,
- f. dringende, tijdelijke en preventieve maatregelen, te nemen ten aanzien van hoofdspoorweginfrastructuur of spoorvoertuigen die daarvan gebruik maken, in het bijzonder na een ongeval.
##### Artikel 26e
Bij ministeriële regeling kunnen in het belang van een goede uitvoering van het bij of krachtens de interoperabiliteitsrichtlijn bepaalde met betrekking tot de onderwerpen in deze paragraaf regels worden gesteld, waaronder in elk geval regels over:
- a. subsystemen die kunnen worden vrijgesteld van het verbod, bedoeld in [artikel 26c, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=2&artikel=26c&z=2019-06-16&g=2019-06-16),
- b. eisen die van toepassing zijn op subsystemen,
- c. het keuren van subsystemen,
- d. het opstellen van EG-keuringsverklaringen en andere documentatieverplichtingen met betrekking tot subsystemen,
- e. het verzoeken om verificaties, bedoeld in [artikel 26c, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=2&artikel=26c&z=2019-06-16&g=2019-06-16).
#### § 3. Ontheffing van toepassen TSI’s of nationale voorschriften
##### Artikel 26f
1. Onze Minister kan, op aanvraag, met inachtneming van artikel 7 van de interoperabiliteitsrichtlijn ontheffing verlenen van de toepassing van een of meerdere TSI’s of delen daarvan op een subsysteem. Een ontheffing kan onder beperkingen worden verleend. Aan een ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden.
2. Onze Minister kan, op aanvraag, ontheffing verlenen van de toepassing van nationale voorschriften op een subsysteem. Een ontheffing kan onder beperkingen worden verleend. Aan een ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot een ontheffing als bedoeld in de eerste volzin. De regels kunnen betrekking hebben op de aanvraag en verlening van een ontheffing, alsmede de aan een ontheffing te verbinden voorschriften.
3. Indien Onze Minister ontheffing als bedoeld in het eerste lid verleent voor een subsysteem waarvoor een vergunning voor indienststelling als bedoeld in [artikel 26h, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=4&artikel=26h&z=2019-06-16&g=2019-06-16), of een subsysteem dat deel uitmaakt van een spoorvoertuig waarvoor een voertuigvergunning als bedoeld in [artikel 26k, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=5&artikel=26k&z=2019-06-16&g=2019-06-16), wordt aangevraagd, verleent hij, in afwijking van [artikel 26dd, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=9&artikel=26dd&z=2019-06-16&g=2019-06-16), de desbetreffende vergunning niet voordat de procedure, beschreven in artikel 7 van de interoperabiliteitsrichtlijn, is toegepast.
4. De termijnen, bedoeld in [artikel 26dd, vijfde en zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=9&artikel=26dd&z=2019-06-16&g=2019-06-16), zijn van toepassing op ontheffingen als bedoeld in het eerste en tweede lid.
##### Artikel 26g
Bij ministeriële regeling kunnen in het belang van een goede uitvoering van het bij of krachtens de interoperabiliteitsrichtlijn bepaalde met betrekking tot de onderwerpen, bedoeld in [artikel 26f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=3&artikel=26f&z=2019-06-16&g=2019-06-16), regels worden gesteld, waaronder in elk geval regels over de aanvraag en verlening van een ontheffing als bedoeld in artikel 26f, eerste lid.
#### § 4. Vergunning voor het in dienst stellen van subsystemen die deel uitmaken van hoofdspoorweginfrastructuur
##### Artikel 26h
1. Het is verboden een nieuw subsysteem dat deel uit gaat maken van de hoofdspoorweginfrastructuur in dienst te stellen waarvoor Onze Minister geen vergunning voor indienststelling heeft verleend.
2. Onze Minister verleent, op aanvraag, een vergunning voor indienststelling indien:
- a. voor het subsysteem een geldige EG-keuringsverklaring is opgesteld op basis van de TSI’s en nationale voorschriften die gelden op het moment dat de aanvraag wordt ingediend, tenzij voor de toepassing daarvan ontheffing is verleend overeenkomstig [artikel 26f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=3&artikel=26f&z=2019-06-16&g=2019-06-16),
- b. het subsysteem technisch compatibel is met de systemen waarin het wordt geïntegreerd,
- c. het subsysteem veilig geïntegreerd wordt in die systemen, en
- d. voor zover van toepassing op het desbetreffende subsysteem, de procedures, bedoeld in artikel 18, vierde lid, onderdeel d, van de interoperabiliteitsrichtlijn zijn gevolgd.
Een vergunning voor indienststelling kan onder beperkingen worden verleend. Aan een vergunning voor indienststelling kunnen voorschriften worden verbonden.
3. De aanvraag gaat vergezeld van een dossier dat compleet is met betrekking tot de eisen, bedoeld in het tweede lid.
4. Onze Minister kan, op aanvraag, met inachtneming van artikel 1 van de interoperabiliteitsrichtlijn ontheffing verlenen van het verbod, bedoeld in het eerste lid. Een ontheffing kan onder beperkingen worden verleend. Aan een ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de aanvraag en verlening van een ontheffing, ter omschrijving van hoofdspoorwegen waarvoor ontheffing mogelijk is, met het oog op het veilig gebruik van die hoofdspoorwegen en over de procedures die bij verlening van een ontheffing kunnen gelden.
5. Onze Minister kan, op aanvraag, voorafgaand aan de vergunningverlening, bedoeld in het tweede lid, ontheffing verlenen van het verbod, bedoeld in het eerste lid. Een ontheffing kan onder beperkingen worden verleend. Aan een ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden.
6. De conformiteit met en naleving van de op een subsysteem als bedoeld in het eerste lid toepasselijke voorschriften wordt tijdens het gebruik ononderbroken gewaarborgd.
##### Artikel 26i
1. Het is verboden een vernieuwing of verbetering van de hoofdspoorweginfrastructuur in dienst te stellen zonder dat Onze Minister een vergunning voor indienststelling als bedoeld in [artikel 26h, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=4&artikel=26h&z=2019-06-16&g=2019-06-16), heeft verleend, tenzij Onze Minister heeft geoordeeld dat voor de vernieuwing of verbetering geen vergunning voor indienststelling vereist is.
2. De beoordeling, bedoeld in het eerste lid, vindt plaats:
- a. op basis van een bij Onze Minister ingediend dossier waarin het project tot verbetering of vernieuwing wordt beschreven, en
- b. met inachtneming van de krachtens [artikel 26j, onderdeel d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=4&artikel=26j&z=2019-06-16&g=2019-06-16), gestelde regels.
3. De termijnen, bedoeld in [artikel 26dd, tweede tot en met vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=9&artikel=26dd&z=2019-06-16&g=2019-06-16), zijn van overeenkomstige toepassing op de beslissing, bedoeld in het eerste lid.
##### Artikel 26j
Bij ministeriële regeling kunnen in het belang van een goede uitvoering van het bij of krachtens de interoperabiliteitsrichtlijn bepaalde met betrekking tot de onderwerpen in deze paragraaf regels worden gesteld, waaronder in elk geval regels over:
- a. de eisen voor subsystemen als bedoeld in [artikel 26h, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=4&artikel=26h&z=2019-06-16&g=2019-06-16),
- b. de aanvraag van een vergunning voor indienststelling en het dossier, bedoeld in [artikel 26h, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=4&artikel=26h&z=2019-06-16&g=2019-06-16),
- c. het dossier waarin het project tot vernieuwing of verbetering wordt beschreven, bedoeld in [artikel 26i, tweede lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=4&artikel=26i&z=2019-06-16&g=2019-06-16),
- d. beoordelingscriteria voor vernieuwingen en verbeteringen van de hoofdspoorweginfrastructuur.
#### § 5. Voertuigvergunning
##### Artikel 26k
1. Het is verboden een spoorvoertuig, voor gebruik op de hoofdspoorweginfrastructuur of een gedeelte daarvan, in de handel te brengen waarvoor geen voertuigvergunning is verleend door het Europees Spoorwegbureau of Onze Minister.
2. Onze Minister verleent, op aanvraag, een voertuigvergunning voor een spoorvoertuig, bestemd voor gebruik op de hoofdspoorweginfrastructuur of een gedeelte daarvan, met een gebruiksgebied dat zich beperkt tot Nederland, indien:
- a. voor de in het spoorvoertuig aanwezige subsystemen geldige EG-keuringsverklaringen zijn opgesteld op grond van de TSI’s en nationale voorschriften die gelden op het moment dat de aanvraag wordt ingediend, tenzij voor de toepassing daarvan ontheffing is verleend overeenkomstig [artikel 26f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=3&artikel=26f&z=2019-06-16&g=2019-06-16),
- b. de in het spoorvoertuig aanwezige subsystemen technisch compatibel zijn,
- c. de in het spoorvoertuig aanwezige subsystemen veilig geïntegreerd zijn, en
- d. het spoorvoertuig technisch compatibel is met de hoofdspoorweginfrastructuur in het gebruiksgebied.
Een vergunning kan onder beperkingen worden verleend. Aan een vergunning kunnen voorschriften worden verbonden.
3. De aanvraag voor een voertuigvergunning gaat vergezeld van een dossier dat compleet is met betrekking tot de eisen, bedoeld in het tweede lid.
4. Onze Minister breidt, op aanvraag, het gebruiksgebied van een door hem verleende voertuigvergunning uit. Het tweede en derde lid zijn van toepassing op een aanvraag tot uitbreiding van het gebruiksgebied, met dien verstande dat de beoordeling van Onze Minister enkel betrekking heeft op de uitbreiding.
5. Onze Minister kan, met inachtneming van artikel 1 van de interoperabiliteitsrichtlijn en de TSI’s, ontheffing verlenen van het verbod, bedoeld in het eerste lid. Een ontheffing kan onder beperkingen worden verleend. Aan een ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de aanvraag en verlening van een ontheffing, ter omschrijving van spoorvoertuigen waarmee op omschreven hoofdspoorwegen gebruik gemaakt mag worden, met het oog op het veilig gebruik van die spoorvoertuigen op de hoofdspoorweginfrastructuur, alsmede met betrekking tot de registratie en identificatie van die spoorvoertuigen.
6. De conformiteit met en naleving van de op een spoorvoertuig bij de indiening van de aanvraag voor een voertuigvergunning als bedoeld in het eerste lid toepasselijke voorschriften wordt tijdens het gebruik ononderbroken gewaarborgd.
7. Een voertuigvergunning als bedoeld in het tweede lid geldt ook zonder uitbreiding van het gebruiksgebied voor spoorvoertuigen die gebruik maken van dicht bij de grens gelegen spoorweginfrastructuur in aangrenzende lidstaten, indien de eventueel daarvoor vereiste raadpleging van de daartoe bevoegde autoriteiten in de desbetreffende lidstaten heeft plaatsgevonden.
8. Een voertuigvergunning, verleend door een daartoe bevoegde autoriteit in een andere lidstaat, geldt ook voor de in die voertuigvergunning opgenomen dicht bij de grens gelegen gedeelten van de hoofdspoorweginfrastructuur, voor zover de daarvoor vereiste raadpleging van Onze Minister heeft plaatsgevonden.
##### Artikel 26l
Voor de vernieuwing of verbetering van een spoorvoertuig waarvoor reeds een voertuigvergunning is verleend als bedoeld in [artikel 26k, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=5&artikel=26k&z=2019-06-16&g=2019-06-16), is een nieuwe voertuigvergunning vereist indien:
- a. de vernieuwing of verbetering leidt tot een substantiële verandering van de waarden van de parameters voor het controleren van de technische compatibiliteit van het spoorvoertuig met het gebruiksgebied op grond waarvan de voertuigvergunning is verleend,
- b. de vernieuwing of verbetering het algehele veiligheidsniveau van het spoorvoertuig aantast of aan kan tasten, of
- c. een TSI dat vereist.
##### Artikel 26m
1. Onze Minister verleent, op aanvraag, een typegoedkeuring voor een spoorvoertuig overeenkomstig de procedure voor het verlenen van voertuigvergunningen als bedoeld in [artikel 26k, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=5&artikel=26k&z=2019-06-16&g=2019-06-16).
2. Indien Onze Minister een voertuigvergunning als bedoeld in [artikel 26k, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=5&artikel=26k&z=2019-06-16&g=2019-06-16), verleent, dan verleent Onze Minister, op verzoek van de aanvrager van de voertuigvergunning, gelijktijdig een typegoedkeuring voor een spoorvoertuig die geldt voor hetzelfde gebruiksgebied.
3. Onze Minister wijzigt een typegoedkeuring voor een spoorvoertuig of trekt deze in indien de TSI’s of nationale voorschriften op grond waarvan de desbetreffende typegoedkeuring is verleend, zijn gewijzigd en bij die wijzigingen is bepaald dat reeds op basis van die voorschriften verleende typegoedkeuringen gewijzigd of ingetrokken moeten worden. Onze Minister voert bij de beoordeling van een wijziging van de typegoedkeuring voor een spoorvoertuig enkel controles uit die betrekking hebben op de overeenstemming met de gewijzigde voorschriften.
##### Artikel 26n
Onze Minister verleent, op aanvraag, zonder verdere controles, een voertuigvergunning als bedoeld in [artikel 26k, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=5&artikel=26k&z=2019-06-16&g=2019-06-16), voor een spoorvoertuig dat in overeenstemming is met een spoorvoertuig waarvoor reeds een typegoedkeuring voor een spoorvoertuig is verleend. De overeenstemming blijkt uit een door de aanvrager overgelegde geldige verklaring van conformiteit met het type.
##### Artikel 26o
Bij ministeriële regeling kunnen in het belang van een goede uitvoering van het bij of krachtens de interoperabiliteitsrichtlijn bepaalde met betrekking tot de onderwerpen in deze paragraaf regels worden gesteld, waaronder in elk geval regels over:
- a. de eisen voor spoorvoertuigen, bedoeld in [artikel 26k, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=5&artikel=26k&z=2019-06-16&g=2019-06-16),
- b. de aanvraag van een voertuigvergunning of typegoedkeuring van een spoorvoertuig en het dossier, bedoeld in [artikel 26k, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=5&artikel=26k&z=2019-06-16&g=2019-06-16),
- c. uitbreiding van het gebruiksgebied als bedoeld in [artikel 26k, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=5&artikel=26k&z=2019-06-16&g=2019-06-16),
- d. de gevallen waarin en voorwaarden waaronder een voertuigvergunning ook geldt voor dicht bij de grens gelegen spoorweginfrastructuur in aangrenzende lidstaten of dicht bij de grens gelegen hoofdspoorweginfrastructuur, bedoeld in [artikel 26k, zevende en achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=5&artikel=26k&z=2019-06-16&g=2019-06-16), alsmede de daarvoor toe te passen procedure,
- e. vernieuwing en verbetering van spoorvoertuigen als bedoeld in [artikel 26l](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=5&artikel=26l&z=2019-06-16&g=2019-06-16),
- f. verlening, wijziging, intrekking en geldigheid van een voertuigvergunning als bedoeld in [artikel 26k, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=5&artikel=26k&z=2019-06-16&g=2019-06-16), of typegoedkeuring van een spoorvoertuig als bedoeld in [artikel 26m, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=5&artikel=26m&z=2019-06-16&g=2019-06-16),
- g. de beoordeling van de conformiteit van een spoorvoertuig met een type en het opstellen van de verklaring van conformiteit met het type, bedoeld in [artikel 26n](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=5&artikel=26n&z=2019-06-16&g=2019-06-16).
#### § 6. Gebruik van een spoorvoertuig op de hoofdspoorweginfrastructuur
##### Artikel 26p
Voordat een spoorwegonderneming een spoorvoertuig gebruikt op de in de voertuigvergunning vermelde hoofdspoorweginfrastructuur in het gebruiksgebied, controleert de spoorwegonderneming met inachtneming van de krachtens [artikel 26t, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=6&artikel=26t&z=2019-06-16&g=2019-06-16), gestelde regels in ieder geval of:
- a. voor het spoorvoertuig een voertuigvergunning als bedoeld in [artikel 26k, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=5&artikel=26k&z=2019-06-16&g=2019-06-16), is verleend,
- b. het spoorvoertuig in een van de registers, bedoeld in [artikel 26aa, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=8&artikel=26aa&z=2019-06-16&g=2019-06-16), is ingeschreven,
- c. het spoorvoertuig compatibel is met de te berijden hoofdspoorweginfrastructuur, en
- d. het spoorvoertuig correct is geïntegreerd in de samenstelling waarin het bedoeld is te functioneren.
##### Artikel 26q
1. Het is verboden gebruik te maken van de hoofdspoorweginfrastructuur met een spoorvoertuig:
- a. zonder een voor het desbetreffende gedeelte van de hoofdspoorweginfrastructuur geldige voertuigvergunning als bedoeld in [artikel 26k, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=5&artikel=26k&z=2019-06-16&g=2019-06-16),
- b. dat niet staat ingeschreven in het door Onze Minister gehouden voertuigregister, bedoeld in [artikel 26aa, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=8&artikel=26aa&z=2019-06-16&g=2019-06-16), het voertuigregister van een andere lidstaat of het Europees voertuigregister, en
- c. waarop geen Europees voertuignummer is aangebracht.
2. Het is verboden gebruik te maken van de hoofdspoorweginfrastructuur met een vernieuwd of verbeterd spoorvoertuig waarvoor, in strijd met [artikel 26l](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=5&artikel=26l&z=2019-06-16&g=2019-06-16) of de krachtens [artikel 26o, onderdeel e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=5&artikel=26o&z=2019-06-16&g=2019-06-16), gestelde regels, geen nieuwe voertuigvergunning is verleend.
3. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing, indien Onze Minister een tijdelijke gebruiksvergunning heeft verleend als bedoeld in [artikel 26r, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=6&artikel=26r&z=2019-06-16&g=2019-06-16).
4. Onze Minister kan ontheffing of vrijstelling verlenen van de verplichting om te beschikken over een voor het desbetreffende gedeelte van de hoofdspoorweginfrastructuur geldige voertuigvergunning als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, indien voor die spoorvoertuigen een voertuigvergunning is verleend die geldt voor de met de desbetreffende hoofdspoorweginfrastructuur verbonden, dicht bij de grens gelegen spoorweginfrastructuur in de aangrenzende lidstaat. Een ontheffing of vrijstelling kan onder beperkingen worden verleend. Aan een ontheffing of vrijstelling kunnen voorschriften worden verbonden.
5. Het eerste lid is niet van toepassing op spoorvoertuigen waarvoor Onze Minister een ontheffing als bedoeld in [artikel 26k, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=5&artikel=26k&z=2019-06-16&g=2019-06-16), heeft verleend.
6. Onze Minister kan, op aanvraag, ontheffing verlenen van het verbod, bedoeld in het eerste lid. Een ontheffing kan onder beperkingen worden verleend. Aan een ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de aanvraag en verlening van een ontheffing, ter omschrijving van spoorvoertuigen waarmee op omschreven hoofdspoorwegen gebruik gemaakt mag worden, met het oog op het veilig gebruik van die spoorvoertuigen op die hoofdspoorwegen en over de procedures die bij verlening van een ontheffing gelden.
##### Artikel 26r
1. Onze Minister kan, op aanvraag, een tijdelijke gebruiksvergunning verlenen voor het uitvoeren van tests met spoorvoertuigen op de hoofdspoorweginfrastructuur of een gedeelte daarvan. Een tijdelijke gebruiksvergunning kan onder beperkingen worden verleend. Aan een tijdelijke gebruiksvergunning kunnen voorschriften worden verbonden.
2. Onze Minister kan een aanvrager van een voertuigvergunning als bedoeld in [artikel 26k, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=5&artikel=26k&z=2019-06-16&g=2019-06-16), van een ontheffing als bedoeld in artikel 26k, vijfde lid, of van een typegoedkeuring als bedoeld in [artikel 26m, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=5&artikel=26m&z=2019-06-16&g=2019-06-16), verzoeken tests uit te voeren met een spoorvoertuig voor zover dat nodig is voor een goede beoordeling van de desbetreffende aanvraag. In dat geval verleent Onze Minister een tijdelijke gebruiksvergunning als bedoeld in het eerste lid ambtshalve.
3. De beheerder doet, in overleg met de aanvrager van de tijdelijke gebruiksvergunning, een aanvrager als bedoeld in het tweede lid, dan wel een spoorwegonderneming die controles wil uitvoeren als bedoeld in [artikel 26p](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=6&artikel=26p&z=2019-06-16&g=2019-06-16), al het mogelijke om ervoor te zorgen dat de tests plaats kunnen vinden binnen drie maanden nadat de beheerder een verzoek daartoe heeft ontvangen.
4. Onze Minister kan van eenieder medewerking vorderen die redelijkerwijs noodzakelijk is om te waarborgen dat de tests tijdig kunnen plaatsvinden.
##### Artikel 26s
1. Indien een spoorwegonderneming vaststelt dat een spoorvoertuig waarmee zij van de hoofdspoorweginfrastructuur gebruik maakt niet aan een van de essentiële eisen voldoet, neemt zij de noodzakelijke corrigerende maatregelen om het voertuig en, in voorkomend geval, de spoorvoertuigen van hetzelfde type met de essentiële eisen in overeenstemming te brengen. Zij kan Onze Minister, het Europees Spoorwegbureau en de betrokken nationale veiligheidsinstanties in de andere lidstaten in kennis stellen van de door haar genomen maatregelen.
2. Indien een spoorwegonderneming over aanwijzingen beschikt waaruit blijkt dat een spoorvoertuig als bedoeld in het eerste lid, reeds ten tijde van de verlening van de voertuigvergunning niet aan de essentiële eisen voldeed, dan stelt zij Onze Minister, het Europees Spoorwegbureau en de betrokken nationale veiligheidsinstanties in de andere lidstaten daarvan in kennis.
3. Indien Onze Minister vaststelt dat een spoorvoertuig of type spoorvoertuig bij gebruik op de bedoelde wijze niet voldoet aan de essentiële eisen, dan stelt hij de spoorwegonderneming die het spoorvoertuig of type spoorvoertuig gebruikt daarvan in kennis en verzoekt de spoorwegonderneming de noodzakelijke corrigerende maatregelen te nemen om het spoorvoertuig of de spoorvoertuigen van hetzelfde type in overeenstemming te brengen met de essentiële eisen.
4. Indien het nemen van de maatregelen, bedoeld in het eerste en derde lid, niet tot conformiteit met de essentiële eisen leidt en de non-conformiteit een ernstig veiligheidsrisico vormt, kan Onze Minister in ieder geval:
- a. tijdelijke veiligheidsmaatregelen als bedoeld in [artikel 34](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=3&artikel=34&z=2019-06-16&g=2019-06-16) nemen,
- b. een door hem verleende typegoedkeuring voor het desbetreffende spoorvoertuig schorsen.
5. Indien de maatregelen die zijn genomen om het ernstige veiligheidsrisico weg te nemen onvoldoende effectief blijken en er bewijs wordt geleverd dat reeds ten tijde van de verlening van de voertuigvergunning of de typegoedkeuring niet werd voldaan aan de essentiële eisen, kan Onze Minister een door hem verleende voertuigvergunning of typegoedkeuring voor een spoorvoertuig intrekken of wijzigen. Indien het niet voldoen aan de essentiële eisen slechts beperkt blijft tot een gedeelte van de hoofdspoorweginfrastructuur, dan wijzigt Onze Minister de door hem verleende voertuigvergunning of typegoedkeuring voor het spoorvoertuig door slechts het desbetreffende gedeelte van de hoofdspoorweginfrastructuur van het gebruiksgebied uit te sluiten.
6. In afwijking van [artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=6:7) wordt een bezwaarschrift tegen een wijziging of intrekking van een voertuigvergunning of typegoedkeuring als bedoeld in het vijfde lid ingediend binnen een maand na de bekendmaking van het besluit.
7. In afwijking van [artikel 7:10, eerste en derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=7:10) beslist Onze Minister op het bezwaarschrift, bedoeld in het zesde lid, uiterlijk binnen een maand, gerekend vanaf de dag na die waarop het bezwaarschrift is ingediend. Het indienen van een bezwaarschrift schorst het besluit waartegen het gericht is.
8. In afwijking van [artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=6:7) wordt een beroepschrift tegen een beslissing op een bezwaarschrift als bedoeld in het zevende lid ingediend binnen twee maanden na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar.
9. Onze Minister stelt spoorwegondernemingen die gebruik maken van spoorvoertuigen van hetzelfde type als het spoorvoertuig waarvan de voertuigvergunning of typegoedkeuring voor het spoorvoertuig is ingetrokken in kennis van die intrekking. Deze spoorwegondernemingen controleren onverwijld of het niet voldoen aan de essentiële eisen zich ook voordoet bij de desbetreffende spoorvoertuigen van hetzelfde type en informeren Onze Minister over hun bevindingen en genomen maatregelen. Op deze spoorwegondernemingen is de procedure van dit artikel van toepassing.
10. Het is verboden een spoorvoertuig in de handel te brengen of in de handel te houden dat op basis van een ingetrokken typegoedkeuring van een spoorvoertuig is gebouwd. Indien voor de desbetreffende spoorvoertuigen reeds een voertuigvergunning is verleend met toepassing van [artikel 26n](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=5&artikel=26n&z=2019-06-16&g=2019-06-16), dan vervalt die voertuigvergunning van rechtswege.
##### Artikel 26t
Bij ministeriële regeling kunnen in het belang van een goede uitvoering van het bij of krachtens de interoperabiliteitsrichtlijn bepaalde met betrekking tot de onderwerpen in deze paragraaf regels worden gesteld, waaronder in elk geval regels over:
- a. de controles, bedoeld in [artikel 26p](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=6&artikel=26p&z=2019-06-16&g=2019-06-16),
- b. de verlening en weigering van een ontheffing of vrijstelling als bedoeld in [artikel 26q, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=6&artikel=26q&z=2019-06-16&g=2019-06-16),
- c. het testen van spoorvoertuigen op de hoofdspoorweginfrastructuur, bedoeld in [artikel 26r](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=6&artikel=26r&z=2019-06-16&g=2019-06-16),
- d. de maatregelen die Onze Minister op grond van [artikel 26s](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=6&artikel=26s&z=2019-06-16&g=2019-06-16) kan nemen.
#### § 7. Conformiteitsbeoordelingsinstanties
##### Artikel 26u
1. Onze Minister besluit, op aanvraag, tot aanmelding van een of meer conformiteitsbeoordelingsinstanties die voldoen aan de krachtens [artikel 26z, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=7&artikel=26z&z=2019-06-16&g=2019-06-16), gestelde regels bij de Europese Commissie en de andere lidstaten. Een besluit tot aanmelding kan onder beperkingen worden gegeven. Aan een besluit tot aanmelding kunnen voorschriften worden verbonden.
2. De in het eerste lid bedoelde regels bevatten ten minste voorschriften die waarborgen dat:
- a. de conformiteitsbeoordelingsinstantie onafhankelijk en onpartijdig is ten opzichte van de organisatie waarvan zij de producten beoordeelt,
- b. de conformiteitsbeoordelingsinstantie beschikt over een gedegen organisatie, en
- c. het personeel van de conformiteitsbeoordelingsinstantie deskundig en integer is.
3. Wanneer een conformiteitsbeoordelingsinstantie aantoont dat zij voldoet aan de criteria in de toepasselijke geharmoniseerde normen of delen ervan waarvan de referentienummers in het Publicatieblad van de Europese Unie zijn bekendgemaakt, wordt zij geacht aan de eisen, bedoeld in het eerste lid, te voldoen, op voorwaarde dat de van toepassing zijnde geharmoniseerde normen deze eisen dekken.
4. Een aangemelde instantie is bevoegd om de bij die aanmelding beschreven conformiteitsbeoordelingen uit te voeren ten aanzien van interoperabiliteitsonderdelen, subsystemen, spoorvoertuigen en andere producten, bestemd om deel uit te maken van het spoorwegsysteem, voor zover die conformiteitsbeoordelingen betrekking hebben op de TSI’s en andere toepasselijke Europese voorschriften.
5. Onze Minister kan bij ministeriële regeling de nationale accreditatie-instantie aanwijzen om de beoordeling van aanvragen als bedoeld in het eerste lid te verrichten en het toezicht op door hem aangemelde instanties te houden.
6. Een aangemelde instantie gaat pas over tot het verrichten van conformiteitsbeoordelingsactiviteiten na de mededeling van Onze Minister dat de Europese Commissie en de andere lidstaten geen bezwaren hebben geuit tegen de aanmelding.
7. De Kaderwet zelfstandige bestuursorganen is niet van toepassing op conformiteitsbeoordelingsinstanties die op grond van het eerste lid zijn aangemeld.
##### Artikel 26v
1. Onze Minister wijst, op aanvraag, een of meer conformiteitsbeoordelingsinstanties aan die voldoen aan de krachtens [artikel 26z, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=7&artikel=26z&z=2019-06-16&g=2019-06-16), gestelde regels. Een aanwijzing kan onder beperkingen worden verleend. Aan een aanwijzing kunnen voorschriften worden verbonden.
2. Een aangewezen instantie is bevoegd om de bij die aanwijzing beschreven conformiteitsbeoordelingen uit te voeren ten aanzien van subsystemen, spoorvoertuigen en andere producten, bestemd om deel uit te maken van het spoorwegsysteem, voor zover die conformiteitsbeoordelingen betrekking hebben op nationale voorschriften.
3. Onze Minister kan bij ministeriële regeling de nationale accreditatie-instantie aanwijzen om de beoordeling van aanvragen als bedoeld in het eerste lid te verrichten en het toezicht op aangewezen instanties te houden.
4. De Kaderwet zelfstandige bestuursorganen is niet van toepassing op conformiteitsbeoordelingsinstanties die op grond van het eerste lid zijn aangewezen.
##### Artikel 26w
1. Een aangemelde of aangewezen instantie verricht de werkzaamheden waarvoor zij is aangemeld of aangewezen volgens de krachtens [artikel 26z, onderdeel c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=7&artikel=26z&z=2019-06-16&g=2019-06-16), gestelde regels.
2. Een aangemelde of aangewezen instantie verstrekt documenten, gegevens en andere informatie aan Onze Minister, het Europees Spoorwegbureau of andere conformiteitsbeoordelingsinstanties volgens de krachtens [artikel 26z, onderdeel d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=7&artikel=26z&z=2019-06-16&g=2019-06-16), gestelde regels.
3. Activiteiten van aangemelde of aangewezen instanties mogen uitsluitend worden uitbesteed of door een dochteronderneming worden uitgevoerd:
- a. met instemming van de klant,
- b. na melding daarvan bij Onze Minister, en
- c. met inachtneming van de krachtens [artikel 26z, onderdeel e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=7&artikel=26z&z=2019-06-16&g=2019-06-16), gestelde regels.
4. Aangemelde instanties nemen rechtstreeks dan wel via aangestelde vertegenwoordigers deel aan de werkzaamheden van de door de Europese Commissie opgerichte sectorale groep van aangemelde instanties, bedoeld in artikel 44 van de interoperabiliteitsrichtlijn.
##### Artikel 26x
1. Indien is gebleken dat een door Onze Minister aangemelde of een aangewezen instantie niet meer voldoet aan de eisen om te worden aangemeld of aangewezen of de voor die instantie geldende verplichtingen, bedoeld in [artikel 26w](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=7&artikel=26w&z=2019-06-16&g=2019-06-16), niet naleeft, kan Onze Minister, afhankelijk van de ernst van het niet voldoen aan de eisen of het niet nakomen van de verplichtingen, de aanmelding of aanwijzing beperken, schorsen of intrekken.
2. Onze Minister draagt zorg voor een goede overdracht van de dossiers die in behandeling waren bij of in bezit zijn van een aangemelde of aangewezen instantie waarvan de aanmelding of aanwijzing is beperkt, geschorst of ingetrokken of die haar activiteiten heeft gestaakt.
3. Onze Minister kan vorderen dat een aangemelde of aangewezen instantie als bedoeld in het tweede lid de dossiers aan hem overdraagt.
##### Artikel 26y
Conformiteitsbeoordelingsactiviteiten kunnen worden uitgevoerd door een geaccrediteerde interne instantie als bedoeld in artikel 35 van de interoperabiliteitsrichtlijn, indien wordt voldaan aan de krachtens [artikel 26z, onderdeel g](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=7&artikel=26z&z=2019-06-16&g=2019-06-16), gestelde regels.
##### Artikel 26z
Bij ministeriële regeling kunnen in het belang van een goede uitvoering van het bij of krachtens de interoperabiliteitsrichtlijn bepaalde met betrekking tot de onderwerpen in deze paragraaf regels worden gesteld, waaronder in elk geval regels over:
- a. eisen om te worden aangemeld als bedoeld in [artikel 26u, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=7&artikel=26u&z=2019-06-16&g=2019-06-16), of aangewezen als bedoeld in [artikel 26v, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=7&artikel=26v&z=2019-06-16&g=2019-06-16),
- b. de aanvraag, de procedure en de beoordeling van een aanvraag om aanmelding als bedoeld in [artikel 26u, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=7&artikel=26u&z=2019-06-16&g=2019-06-16), of aanwijzing als bedoeld in [artikel 26v, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=7&artikel=26v&z=2019-06-16&g=2019-06-16),
- c. de uitvoering van conformiteitsbeoordelingen en andere operationele verplichtingen van aangemelde of aangewezen instanties, bedoeld in [artikel 26w, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=7&artikel=26w&z=2019-06-16&g=2019-06-16),
- d. de verstrekking van documenten, gegevens en andere informatie door aangemelde of aangewezen instanties, bedoeld in [artikel 26w, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=7&artikel=26w&z=2019-06-16&g=2019-06-16),
- e. de voorwaarden waaronder en wijze waarop een aangemelde of aangewezen instantie haar taken kan uitbesteden of kan laten uitvoeren door een dochteronderneming, bedoeld in [artikel 26w, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=7&artikel=26w&z=2019-06-16&g=2019-06-16),
- f. de overdracht van dossiers, bedoeld in [artikel 26x, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=7&artikel=26x&z=2019-06-16&g=2019-06-16),
- g. de activiteiten waarvoor, voorwaarden waaronder en wijze waarop een geaccrediteerde interne instantie als bedoeld in [artikel 26y](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=7&artikel=26y&z=2019-06-16&g=2019-06-16) conformiteitsbeoordelingsactiviteiten kan uitvoeren.
##### Artikel 26aa
1. Onze Minister houdt een voertuigregister en draagt, op aanvraag, zorg voor de inschrijving in dit register van spoorvoertuigen waarvoor een voertuigvergunning is verleend met een gebruiksgebied dat de hoofdspoorweginfrastructuur betreft, tenzij het desbetreffende spoorvoertuig reeds in een register van een andere lidstaat of het Europees voertuigregister is ingeschreven.
2. Spoorvoertuigen waarvoor Onze Minister de voertuigvergunning heeft verleend, worden in ieder geval in het door hem gehouden voertuigregister ingeschreven, tot het moment dat het Europees voertuigregister operationeel is.
3. Onze Minister kent aan een spoorvoertuig dat wordt ingeschreven in het door Onze Minister gehouden voertuigregister een Europees voertuignummer toe. De houder van het spoorvoertuig brengt het Europees voertuignummer aan op het spoorvoertuig.
4. Onze Minister kan een inschrijving in het door hem gehouden voertuigregister wijzigen of schrappen.
5. De houder van een spoorvoertuig dat staat ingeschreven in het door Onze Minister gehouden voertuigregister meldt informatie die kan leiden tot wijziging of schrapping van de inschrijving van dat spoorvoertuig in dat voertuigregister onverwijld aan Onze Minister.
6. Onze Minister kan aan de instanties, bedoeld in artikel 47, eerste lid, onderdeel c, van de interoperabiliteitsrichtlijn inzage verlenen in het register, bedoeld in het eerste lid.
##### Artikel 26bb
Een beheerder houdt en publiceert met inachtneming van de krachtens [artikel 26cc, onderdeel d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=8&artikel=26cc&z=2019-06-16&g=2019-06-16), gestelde regels een register van de hoofdspoorweginfrastructuur die hij beheert.
##### Artikel 26cc
Bij ministeriële regeling kunnen in het belang van een goede uitvoering van het bij of krachtens de interoperabiliteitsrichtlijn bepaalde met betrekking tot de onderwerpen in deze paragraaf regels worden gesteld, waaronder in elk geval regels over:
- a. informatie die wordt opgenomen in het door Onze Minister gehouden voertuigregister,
- b. de aanvraag, wijziging en schrapping van een inschrijving in het door Onze Minister gehouden voertuigregister,
- c. het Europees voertuignummer, bedoeld in [artikel 26aa, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=8&artikel=26aa&z=2019-06-16&g=2019-06-16),
- d. het register, bedoeld in [artikel 26bb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=8&artikel=26bb&z=2019-06-16&g=2019-06-16).
##### Artikel 26dd
1. Dit artikel is van toepassing op de besluiten die Onze Minister neemt op grond van:
- a. [artikel 26h, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=4&artikel=26h&z=2019-06-16&g=2019-06-16),
- b. [artikel 26k, tweede en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=5&artikel=26k&z=2019-06-16&g=2019-06-16),
- c. [artikel 26m, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=5&artikel=26m&z=2019-06-16&g=2019-06-16).
2. Onze Minister deelt uiterlijk een maand na ontvangst van de aanvraag aan de aanvrager mede of alle informatie die nodig is voor een goede beoordeling van de aanvraag is verstrekt.
3. Onze Minister stelt een redelijke termijn voor het indienen van aanvullende informatie indien hij van oordeel is dat er onvoldoende informatie voor een goede beoordeling van de aanvraag is verstrekt.
4. Onze Minister beslist na ontvangst van alle informatie die nodig is voor een goede beoordeling van de aanvraag, met inachtneming van [artikel 4:14, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:14), uiterlijk binnen vier maanden.
5. In afwijking van [artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=6:7) wordt een bezwaarschrift tegen een besluit ingediend binnen een maand na de bekendmaking van het besluit.
6. In afwijking van [artikel 7:10, eerste en derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=7:10) beslist Onze Minister op een bezwaarschrift uiterlijk binnen twee maanden, gerekend vanaf de dag na die waarop het bezwaarschrift is ontvangen.
7. Bij ministeriële regeling kunnen in het belang van een goede uitvoering van bindende EU-rechtshandelingen van algemene strekking nadere regels worden gesteld met betrekking tot de termijnen, bedoeld in dit artikel.
### Hoofdstuk 3. Het spoorwegbedrijf
### Hoofdstuk 4. Het gebruik van hoofdspoorweginfrastructuur
### Hoofdstuk 6. Toezicht, handhaving en overige bepalingen
#### § 1. Toezicht
#### § 3a. Toezicht en handhaving Europese regelgeving
#### § 8. Erkenning van keuringsinstanties
#### § 10. Informatieplicht
#### § 11. De verwerking van persoonsgegevens
### Hoofdstuk 7. Buitengewone omstandigheden
### Hoofdstuk 8. Aanpassing en intrekking van andere wetten
### Hoofdstuk 9. Overgangs- en slotbepalingen
#### § 1. Overgangsbepalingen gedelegeerde regelgeving
#### § 2. Overige overgangsbepalingen
##### Artikel 122a
[Artikel 26q, eerste lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=6&artikel=26q&z=2019-06-16&g=2019-06-16), is niet van toepassing op een spoorvoertuig dat:
- a. op de dag voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van [hoofdstuk 2a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&z=2019-06-16&g=2019-06-16) in overeenstemming met de op 31 december 2004 geldende voorschriften kon worden gebruikt op een hoofdspoorweg;
- b. waarvoor Onze Minister voor 19 juli 2008 een inzetcertificaat heeft verleend als bedoeld in artikel 36a, vierde lid, van de Spoorwegwet, zoals dat luidde op 19 juli 2008;
- c. dat voldoet aan de technische voorschriften van de Overeenkomst inzake het wederzijdse gebruik van personenrijtuigen en bagagewagens in het internationale verkeer (RIC) in haar laatst geldende redactie, en waarmee voor 19 juli 2008 van de hoofdspoorweginfrastructuur gebruik werd gemaakt, of
- d. dat voldoet aan de technische voorschriften van de Overeenkomst inzake het wederzijdse gebruik van goederenwagens in het internationale verkeer (RIV) in haar laatst geldende redactie, en waarmee voor 19 juli 2008 van de hoofdspoorweginfrastructuur gebruik werd gemaakt.
##### Artikel 123a*
In de [artikelen 123c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=123c&z=2019-06-16&g=2019-06-16) en [123f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=123f&z=2019-06-16&g=2019-06-16) wordt verstaan onder «Wet houdende implementatie van het vierde spoorwegpakket»: de Wet tot wijziging van de Spoorwegwet, de Wet personenvervoer 2000 en enige andere wetten in verband met de implementatie van richtlijn (EU) 2016/797 van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2016 betreffende de interoperabiliteit van het spoorwegsysteem in de Europese Unie (PbEU 2016, L 138/44), richtlijn (EU) 2016/798 van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2016 inzake veiligheid op het spoor (PbEU 2016, L 138/102), richtlijn (EU) 2016/2370 van het Europees Parlement en de Raad van 14 december 2016 tot wijziging van [Richtlijn 2012/34](32012L0034)/EU, met betrekking tot de openstelling van de markt voor het binnenlands passagiersvervoer per spoor en het beheer van de spoorweginfrastructuur (PbEU 2016, L 352/1) en tevens ter goede uitvoering van verordening (EU) 2016/796 van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2016 betreffende het Spoorwegbureau van de Europese Unie en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 881/2004 (PbEU 2016 L 138/1) en van verordening (EU) 2016/2338 van het Europees Parlement en de Raad van 14 december 2016 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1370/2007, met betrekking tot de openstelling van de markt voor het binnenlands personenvervoer per spoor (PbEU 2016, L 354/22).
##### Artikel 123b
1. Een vergunning voor indienststelling van een hoofdspoorweg als bedoeld in [artikel 8, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2&paragraaf=3&artikel=8&z=2019-06-16&g=2019-06-16), zoals dat luidde op de dag voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van [hoofdstuk 2a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&z=2019-06-16&g=2019-06-16), berust met ingang van de dag waarop [artikel 26h](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=4&artikel=26h&z=2019-06-16&g=2019-06-16) in werking treedt op artikel 26h, tweede lid.
2. Een aanvraag respectievelijk een beslissing op een aanvraag voor het buiten toepassing laten van een of meer technische specificaties inzake interoperabiliteit als bedoeld in [artikel 8, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2&paragraaf=3&artikel=8&z=2019-06-16&g=2019-06-16), respectievelijk [9, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2&paragraaf=3&artikel=9&z=2019-06-16&g=2019-06-16), zoals die artikelen luidden op de dag voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van [hoofdstuk 2a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&z=2019-06-16&g=2019-06-16), berust met ingang van de dag waarop [artikel 26f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=3&artikel=26f&z=2019-06-16&g=2019-06-16) in werking treedt op artikel 26f, eerste lid.
3. Een aanvraag respectievelijk een beslissing op een aanvraag als bedoeld in [artikel 8, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2&paragraaf=3&artikel=8&z=2019-06-16&g=2019-06-16), respectievelijk [9, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2&paragraaf=3&artikel=9&z=2019-06-16&g=2019-06-16), zoals die artikelen luidden op de dag voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van [hoofdstuk 2a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&z=2019-06-16&g=2019-06-16), berust met ingang van de dag waarop [artikel 26h](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=4&artikel=26h&z=2019-06-16&g=2019-06-16) in werking treedt op artikel 26h, vijfde lid.
4. Een aanvraag respectievelijk een beslissing op een aanvraag als bedoeld in [artikel 8, achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2&paragraaf=3&artikel=8&z=2019-06-16&g=2019-06-16), zoals dat luidde op de dag voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van [hoofdstuk 2a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&z=2019-06-16&g=2019-06-16), berust met ingang van de dag waarop [artikel 26h](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=4&artikel=26h&z=2019-06-16&g=2019-06-16) in werking treedt op artikel 26h, vierde lid.
5. Een aanvraag respectievelijk een beslissing op een aanvraag als bedoeld in [artikel 9, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2&paragraaf=3&artikel=9&z=2019-06-16&g=2019-06-16), zoals dat luidde op de dag voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van [hoofdstuk 2a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&z=2019-06-16&g=2019-06-16), berust met ingang van de dag waarop [artikel 26f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=3&artikel=26f&z=2019-06-16&g=2019-06-16), in werking treedt op artikel 26f, eerste lid.
##### Artikel 123c
Een veiligheidscertificaat als bedoeld in [artikel 32](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=3&artikel=32&z=2019-06-16&g=2019-06-16) respectievelijk een proefcertificaat als bedoeld in [artikel 34](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=3&artikel=34&z=2019-06-16&g=2019-06-16) van de Spoorwegwet, zoals die artikelen luidden op de dag voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet houdende implementatie van het vierde spoorwegpakket, blijft na de inwerkingtreding van die wet geldig voor de duur waarvoor het betreffende certificaat is verleend. Op een tussentijdse wijziging, schorsing of intrekking van het betreffende veiligheidscertificaat zijn met ingang van de dag waarop de Wet houdende implementatie van het vierde spoorwegpakket in werking treedt, [artikel 33, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=3&artikel=33&z=2019-06-16&g=2019-06-16), en de krachtens [artikel 35, onderdeel c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=3&artikel=35&z=2019-06-16&g=2019-06-16), gestelde regels, van toepassing.
##### Artikel 123d
1. Een vergunning voor indienststelling van een spoorvoertuig respectievelijk voor een type spoorvoertuig als bedoeld in de [artikelen 36](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=4&artikel=36&z=2019-06-16&g=2019-06-16), 36b en 37a van de Spoorwegwet, zoals die artikelen luidden op de dag voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van [hoofdstuk 2a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&z=2019-06-16&g=2019-06-16), blijven na de inwerkingtreding van hoofdstuk 2a, geldig voor de duur waarvoor de desbetreffende vergunning door Onze Minister is verleend. Op de betreffende vergunning voor indienststelling van een spoorvoertuig respectievelijk voor een type spoorvoertuig blijft het recht van toepassing zoals dat voor de inwerkingtreding van hoofdstuk 2a voor de betreffende vergunning gold, met dien verstande dat:
- a. op een uitbreiding van het gebruiksgebied in een vergunning voor indienststelling van een spoorvoertuig [artikel 26k, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=5&artikel=26k&z=2019-06-16&g=2019-06-16), van toepassing is,
- b. op een vernieuwing of verbetering van het desbetreffende spoorvoertuig de [artikelen 26l](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=5&artikel=26l&z=2019-06-16&g=2019-06-16) en [26q, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=6&artikel=26q&z=2019-06-16&g=2019-06-16), van overeenkomstige toepassing zijn.
2. Een ontheffing als bedoeld in de [artikelen 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=4&artikel=36&z=2019-06-16&g=2019-06-16), en 36b, eerste lid, van de Spoorwegwet, zoals die artikelen luidden op de dag voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van [hoofdstuk 2a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&z=2019-06-16&g=2019-06-16), blijft na de inwerkingtreding van hoofdstuk 2a, geldig voor de duur waarvoor de desbetreffende ontheffing is verleend. Op de desbetreffende ontheffing blijft het recht van toepassing zoals dat voor de inwerkingtreding van hoofdstuk 2a voor de ontheffing gold.
3. Aanvragen voor een vergunning voor indienststelling van een spoorvoertuig respectievelijk voor een type spoorvoertuig of een ontheffing die voor de inwerkingtreding van [hoofdstuk 2a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&z=2019-06-16&g=2019-06-16) zijn ingediend en waarop op de dag dat hoofdstuk 2a in werking treedt nog niet is beslist, worden aangemerkt als volgt:
- a. een aanvraag, ingediend voor een ontheffing op grond van[artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=4&artikel=36&z=2019-06-16&g=2019-06-16), of 36b, eerste lid, wordt afhankelijk van het geval aangemerkt als een aanvraag op grond van:
- 1°. [artikel 26k, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=5&artikel=26k&z=2019-06-16&g=2019-06-16),
- 2°. [artikel 26q, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=6&artikel=26q&z=2019-06-16&g=2019-06-16), of
- 3°. [artikel 26r, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=6&artikel=26r&z=2019-06-16&g=2019-06-16).
- b. een aanvraag, ingediend voor een vergunning op grond van [artikel 36, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=4&artikel=36&z=2019-06-16&g=2019-06-16), wordt aangemerkt als een aanvraag op grond van [artikel 26k, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=5&artikel=26k&z=2019-06-16&g=2019-06-16),
- c. een aanvraag op grond van [artikel 36, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=4&artikel=36&z=2019-06-16&g=2019-06-16), wordt aangemerkt als een aanvraag op grond van [artikel 26f, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=3&artikel=26f&z=2019-06-16&g=2019-06-16),
- d. een aanvraag, ingediend op grond van [artikel 36, negende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=4&artikel=36&z=2019-06-16&g=2019-06-16), wordt aangemerkt als een aanvraag op grond van [artikel 26f, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=3&artikel=26f&z=2019-06-16&g=2019-06-16),
- e. een aanvraag, ingediend op grond van [artikel 36, tiende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=4&artikel=36&z=2019-06-16&g=2019-06-16), wordt aangemerkt als een aanvraag op grond van [artikel 26k, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=5&artikel=26k&z=2019-06-16&g=2019-06-16),
- f. een aanvraag, ingediend op grond van [artikel 37, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=4&artikel=37&z=2019-06-16&g=2019-06-16), wordt aangemerkt als een aanvraag op grond van [artikel 26aa, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=8&artikel=26aa&z=2019-06-16&g=2019-06-16),
- g. een aanvraag, ingediend voor een vergunning voor indienststelling voor een type op grond van artikel 37a, eerste lid, wordt aangemerkt als een aanvraag op grond van [artikel 26n](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=5&artikel=26n&z=2019-06-16&g=2019-06-16),
- h. een aanvraag, ingediend op grond van artikel 37b, vijfde lid, wordt aangemerkt als een aanvraag op grond van [artikel 26f, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=3&artikel=26f&z=2019-06-16&g=2019-06-16).
4. Aanvragen voor een vergunning voor indienststelling van een spoorvoertuig of een ontheffing als bedoeld in artikel 36b die voor de inwerkingtreding van [hoofdstuk 2a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&z=2019-06-16&g=2019-06-16) zijn ingediend en waarop op de dag dat hoofdstuk 2a in werking treedt nog niet is beslist, worden na de inwerkingtreding van hoofdstuk 2a, geacht van rechtswege te zijn geweigerd.
##### Artikel 123e
1. Een aanvullende vergunning voor indienststelling van een spoorvoertuig respectievelijk voor een type spoorvoertuig die is verleend op grond van [artikel 36](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=4&artikel=36&z=2019-06-16&g=2019-06-16), 36b of 37a van de Spoorwegwet, zoals die artikelen luidden op de dag voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van [hoofdstuk 2a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&z=2019-06-16&g=2019-06-16), blijft na de inwerkingtreding van hoofdstuk 2a, geldig voor de duur waarvoor de desbetreffende vergunning door Onze Minister is verleend, met dien verstande dat het betreffende besluit tussentijds door het Europees Spoorwegbureau kan worden gewijzigd, geschorst of ingetrokken.
2. Onze Minister zendt de aanvragen om een aanvullende vergunning voor indienststelling van een spoorvoertuig respectievelijk voor een type spoorvoertuig op grond van de [artikelen 36](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=4&artikel=36&z=2019-06-16&g=2019-06-16), 36b en 37a van de Spoorwegwet, zoals die artikelen luidden op de dag voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van [hoofdstuk 2a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&z=2019-06-16&g=2019-06-16), die voor 16 juni 2019 bij hem zijn ingediend en waarop op 15 juni 2019 nog niet is beslist, onverwijld ter verdere behandeling door aan het Europees Spoorwegbureau. Onze Minister stelt de desbetreffende aanvrager in kennis van de doorzending.
##### Artikel 123f
Bijlagen IV, V, VII en IX bij [richtlijn 2008/57/EG](32008L0057) blijven na de inwerkingtreding van de Wet houdende implementatie van het vierde spoorwegpakket van toepassing in de bij ministeriële regeling op grond van de [artikelen 26b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=1&artikel=26b&z=2019-06-16&g=2019-06-16), [26d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=2&artikel=26d&z=2019-06-16&g=2019-06-16), [26e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=2&artikel=26e&z=2019-06-16&g=2019-06-16), [26g](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=3&artikel=26g&z=2019-06-16&g=2019-06-16), [26j](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=4&artikel=26j&z=2019-06-16&g=2019-06-16) en [26o](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=5&artikel=26o&z=2019-06-16&g=2019-06-16) van die wet bepaalde gevallen.
#### § 3. Slotbepalingen
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
##### Artikel 26ca
1. Indien voor een subsysteem een EG-keuringsverklaring is opgesteld op basis van de TSI’s en, naargelang het geval, overeenkomstig de nationale voorschriften, wordt dat subsysteem geacht te voldoen aan de essentiële eisen.
2. Een EG-keuringsverklaring als bedoeld in het eerste lid wordt opgesteld na toepassing van de daarvoor geldende keuringsprocedures en overeenkomstig de krachtens [artikel 26e, onderdelen b, c en d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=2&artikel=26e&z=2021-06-30&g=2021-06-30), gestelde regels.
3. Het is verboden een EG-keuringsverklaring op te stellen voor een subsysteem dat niet voldoet aan de essentiële eisen.
4. Subsystemen die conform zijn met geharmoniseerde normen of delen daarvan waarvan de referenties in het Publicatieblad van de Europese Unie zijn bekendgemaakt, worden geacht conform te zijn met de essentiële eisen die door die normen of delen daarvan worden bestreken.
5. Onze Minister kan verzoeken om aanvullende verificaties te verrichten ten aanzien van een subsysteem dat is voorzien van een EG-keuringsverklaring, indien hij constateert dat het subsysteem niet voldoet aan de essentiële eisen.
#### § 3. Ontheffing van toepassen TSI’s of nationale voorschriften
#### § 6. Gebruik van een spoorvoertuig op de hoofdspoorweginfrastructuur
#### § 7. Conformiteitsbeoordelingsinstanties
### Hoofdstuk 3. Het spoorwegbedrijf
##### Artikel 27a
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
#### § 2. De bedrijfsvergunning voor spoorwegondernemingen
##### Artikel 33a
1. Onze Minister besluit, op aanvraag, tot aanmelding bij het Europees Spoorwegbureau van een of meer beoordelingsinstanties die voldoen aan de in [artikel 35, onder f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=3&artikel=35&z=2021-06-30&g=2021-06-30), gestelde regels.
2. Een besluit tot aanmelding kan onder beperkingen geschieden. Aan een aanmelding kunnen voorschriften worden verbonden.
3. Een aangemelde beoordelingsinstantie is bevoegd om conformiteitsbeoordelingen uit te voeren ten aanzien van interoperabiliteitsonderdelen, subsystemen, spoorvoertuigen en andere producten, bestemd om deel uit te maken van het spoorwegsysteem, voor zover die conformiteitsbeoordelingen betrekking hebben op uitvoeringsverordening (EU) 402/2013.
4. Onze Minister kan bij ministeriële regeling de nationale accreditatie-instantie aanwijzen om de aanvragen, bedoeld in het eerste lid, te beoordelen en om controles uit te voeren op de aangemelde beoordelingsinstanties.
5. De [Kaderwet zelfstandige bestuursorganen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020495) is niet van toepassing op beoordelingsinstanties die op grond van het eerste lid zijn aangemeld.
### Hoofdstuk 4. Het gebruik van hoofdspoorweginfrastructuur
### Hoofdstuk 5. Dienstvoorzieningen en diensten
### Hoofdstuk 6. Toezicht, handhaving en overige bepalingen
#### § 1. Toezicht
#### § 3. Bestuursrechtelijke handhaving
#### § 5. Beroep
#### § 6. Heffingen
#### § 7. Toepasselijkheid nieuwe Europese regelgeving
#### § 8. Erkenning van keuringsinstanties
#### § 11. De verwerking van persoonsgegevens
### Hoofdstuk 7. Buitengewone omstandigheden
### Hoofdstuk 8. Aanpassing en intrekking van andere wetten
### Hoofdstuk 9. Overgangs- en slotbepalingen
#### § 1. Overgangsbepalingen gedelegeerde regelgeving
#### § 2. Overige overgangsbepalingen
##### Artikel 123a*
In de [artikelen 123c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=123c&z=2021-06-30&g=2021-06-30), [123f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=123f&z=2021-06-30&g=2021-06-30) en [123g](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=123g&z=2021-06-30&g=2021-06-30) wordt verstaan onder «Wet houdende implementatie van het vierde spoorwegpakket»: de Wet tot wijziging van de Spoorwegwet, de Wet personenvervoer 2000 en enige andere wetten in verband met de implementatie van richtlijn (EU) 2016/797 van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2016 betreffende de interoperabiliteit van het spoorwegsysteem in de Europese Unie (PbEU 2016, L 138/44), richtlijn (EU) 2016/798 van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2016 inzake veiligheid op het spoor (PbEU 2016, L 138/102), richtlijn (EU) 2016/2370 van het Europees Parlement en de Raad van 14 december 2016 tot wijziging van [Richtlijn 2012/34](32012L0034)/EU, met betrekking tot de openstelling van de markt voor het binnenlands passagiersvervoer per spoor en het beheer van de spoorweginfrastructuur (PbEU 2016, L 352/1) en tevens ter goede uitvoering van verordening (EU) 2016/796 van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2016 betreffende het Spoorwegbureau van de Europese Unie en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 881/2004 (PbEU 2016 L 138/1) en van verordening (EU) 2016/2338 van het Europees Parlement en de Raad van 14 december 2016 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1370/2007, met betrekking tot de openstelling van de markt voor het binnenlands personenvervoer per spoor (PbEU 2016, L 354/22).
##### Artikel 123g
Bijlagen IV, V, VII en IX bij [richtlijn 2008/57/EG](32008L0057) blijven na de inwerkingtreding van de Wet houdende implementatie van het vierde spoorwegpakket van toepassing in de bij ministeriële regeling op grond van de [artikelen 26b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=1&artikel=26b&z=2021-06-30&g=2021-06-30), [26d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=2&artikel=26d&z=2021-06-30&g=2021-06-30), [26e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=2&artikel=26e&z=2021-06-30&g=2021-06-30), [26g](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=3&artikel=26g&z=2021-06-30&g=2021-06-30), [26j](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=4&artikel=26j&z=2021-06-30&g=2021-06-30) en [26o](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=5&artikel=26o&z=2021-06-30&g=2021-06-30) van die wet bepaalde gevallen.
#### § 3. Slotbepalingen
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
2004-12-31
Spoorwegwet
original version Tekst op deze datum