Wijzigingsgeschiedenis

Wet van 23 april 2003, houdende nieuwe algemene regels over de aanleg, het beheer, de toegankelijkheid en het gebruik van spoorwegen alsmede over het verkeer over spoorwegen (Spoorwegwet)

46 versions · 2024-01-01
2024-01-01
Spoorwegwet — arts. 4, 117, 118 y 6 más
2023-07-01
Spoorwegwet — arts. 4, 117, 118 y 6 más
2022-01-01
Spoorwegwet — arts. 4, 117, 118 y 6 más
2021-07-01
Spoorwegwet — arts. 4, 117, 118 y 6 más

Wijzigingen op 2021-07-01

@@ -14,19 +14,19 @@
- **aangemelde instantie:** conformiteitsbeoordelingsinstantie die overeenkomstig artikel 37 van de interoperabiliteitsrichtlijn bij de Europese Commissie en de lidstaten is aangemeld;
- **aangewezen instantie:** conformiteitsbeoordelingsinstantie die op grond van [artikel 26v, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=7&artikel=26v&z=2021-06-30&g=2021-06-30), door Onze Minister is aangewezen;
- **aangewezen instantie:** conformiteitsbeoordelingsinstantie die op grond van [artikel 26v, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=7&artikel=26v&z=2021-07-01&g=2021-07-01), door Onze Minister is aangewezen;
- **Autoriteit Consument en Markt:** de Autoriteit Consument en Markt, genoemd in [artikel 2, eerste lid, van de Instellingswet Autoriteit Consument en Markt](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033043&artikel=2);
- **beheer:** uitvoeren van de taken, bedoeld in [artikel 16, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2&paragraaf=4&artikel=16&z=2021-06-30&g=2021-06-30);
- **beheerder:** houder van een concessie als bedoeld in [artikel 16, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2&paragraaf=4&artikel=16&z=2021-06-30&g=2021-06-30);
- **beheer:** uitvoeren van de taken, bedoeld in [artikel 16, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2&paragraaf=4&artikel=16&z=2021-07-01&g=2021-07-01);
- **beheerder:** houder van een concessie als bedoeld in [artikel 16, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2&paragraaf=4&artikel=16&z=2021-07-01&g=2021-07-01);
- **beoordelingsinstantie:** beoordelingsinstantie als bedoeld in artikel 3, onderdeel 14, van uitvoeringsverordening (EU) 402/2013;
- **bevoegdheidsbewijs:** bevoegdheidsbewijs als bedoeld in artikel 3, onderdeel j, van richtlijn 2007/59/EG;
- **bijzondere spoorweg:** spoorweg die niet is aangewezen als lokale spoorweg op grond van [artikel 2, tweede lid, van de Wet lokaal spoor](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034363&artikel=2), en niet als hoofdspoorweg op grond van [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=1&artikel=2&z=2021-06-30&g=2021-06-30) van deze wet;
- **bijzondere spoorweg:** spoorweg die niet is aangewezen als lokale spoorweg op grond van [artikel 2, tweede lid, van de Wet lokaal spoor](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034363&artikel=2), en niet als hoofdspoorweg op grond van [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=1&artikel=2&z=2021-07-01&g=2021-07-01) van deze wet;
- **capaciteit:** capaciteit van de hoofdspoorweginfrastructuur;
@@ -52,13 +52,13 @@
- **geharmoniseerde norm:** geharmoniseerde norm als bedoeld in artikel 2, onderdeel 24, van de interoperabiliteitsrichtlijn;
- **gerechtigde:** gerechtigde als bedoeld in [artikel 57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=4&paragraaf=1&artikel=57&z=2021-06-30&g=2021-06-30);
- **hoofdspoorweg:** op grond van [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=1&artikel=2&z=2021-06-30&g=2021-06-30) als hoofdspoorweg aangewezen spoorweg;
- **gerechtigde:** gerechtigde als bedoeld in [artikel 57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=4&paragraaf=1&artikel=57&z=2021-07-01&g=2021-07-01);
- **hoofdspoorweg:** op grond van [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=1&artikel=2&z=2021-07-01&g=2021-07-01) als hoofdspoorweg aangewezen spoorweg;
- **hoofdspoorweginfrastructuur:** spoorweginfrastructuur, waarbij de spoorwegen als hoofdspoorwegen zijn aangewezen;
- **houder van het spoorvoertuig:** de persoon of entiteit die eigenaar is van een spoorvoertuig of het recht heeft het te gebruiken, het exploiteert als vervoermiddel en als houder in het register, bedoeld in [artikel 26aa, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=8&artikel=26aa&z=2021-06-30&g=2021-06-30), is ingeschreven;
- **houder van het spoorvoertuig:** de persoon of entiteit die eigenaar is van een spoorvoertuig of het recht heeft het te gebruiken, het exploiteert als vervoermiddel en als houder in het register, bedoeld in [artikel 26aa, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=8&artikel=26aa&z=2021-07-01&g=2021-07-01), is ingeschreven;
- **in de handel brengen:** in de handel brengen als bedoeld in artikel 2, onderdeel 35, van de interoperabiliteitsrichtlijn;
@@ -94,7 +94,7 @@
- **subsysteem:** subsysteem dat overeen komt met een gebied van structurele aard als bedoeld in bijlage II van de interoperabiliteitsrichtlijn;
- **toegangsovereenkomst:** toegangsovereenkomst als bedoeld in [artikel 59](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=4&paragraaf=3&artikel=59&z=2021-06-30&g=2021-06-30);
- **toegangsovereenkomst:** toegangsovereenkomst als bedoeld in [artikel 59](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=4&paragraaf=3&artikel=59&z=2021-07-01&g=2021-07-01);
- **TSI:** technische specificatie inzake interoperabiliteit als bedoeld in artikel 2, onderdeel 11, van de interoperabiliteitsrichtlijn;
@@ -150,7 +150,7 @@
3. Het is verboden een veiligheidsfunctie te doen uitoefenen dan wel op de uitoefening van zodanige functie toezicht te doen houden door een persoon waarvan men weet of redelijkerwijs moet weten dat deze verkeert in een toestand als in het eerste of tweede lid is omschreven.
4. Op de eerste vordering van bij of krachtens [artikel 86 van deze wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=6&paragraaf=4&artikel=86&z=2021-06-30&g=2021-06-30) of [artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=141) met de opsporing van strafbare feiten belaste ambtenaren zijn personen die een veiligheidsfunctie uitoefenen dan wel op de uitoefening van zodanige functie toezicht houden, of daartoe aanstalten maken, verplicht hun medewerking te verlenen aan een voorlopig onderzoek van uitgeademde lucht en daartoe volgens door die ambtenaar te geven aanwijzingen ademlucht te blazen in een door die ambtenaar aangewezen apparaat.
4. Op de eerste vordering van bij of krachtens [artikel 86 van deze wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=6&paragraaf=4&artikel=86&z=2021-07-01&g=2021-07-01) of [artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=141) met de opsporing van strafbare feiten belaste ambtenaren zijn personen die een veiligheidsfunctie uitoefenen dan wel op de uitoefening van zodanige functie toezicht houden, of daartoe aanstalten maken, verplicht hun medewerking te verlenen aan een voorlopig onderzoek van uitgeademde lucht en daartoe volgens door die ambtenaar te geven aanwijzingen ademlucht te blazen in een door die ambtenaar aangewezen apparaat.
5. Dit artikel is niet van toepassing voorzover [artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=8) van toepassing is.
@@ -180,19 +180,19 @@
##### Artikel 117
De schadevergoedingsplicht, bedoeld in [artikel 57, eerste en tweede lid, van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005288&artikel=57), rust niet op de eigenaar van een erf met een recht van uitweg over de hoofdspoorweg, indien dat recht van kracht was op de dag voorafgaande aan de dag waarop [artikel 103, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=8&artikel=103&z=2021-06-30&g=2021-06-30), in werking treedt.
De schadevergoedingsplicht, bedoeld in [artikel 57, eerste en tweede lid, van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005288&artikel=57), rust niet op de eigenaar van een erf met een recht van uitweg over de hoofdspoorweg, indien dat recht van kracht was op de dag voorafgaande aan de dag waarop [artikel 103, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=8&artikel=103&z=2021-07-01&g=2021-07-01), in werking treedt.
##### Artikel 118
1. Tot en met de eerste dag van de vierde kalendermaand na de dag waarop [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=2&artikel=28&z=2021-06-30&g=2021-06-30) in werking treedt, worden houders van een vergunning voor openbaar vervoer per trein, verleend ingevolge de Wet personenvervoer of de [Wet personenvervoer 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011470), en houders van een erkenning als spoorwegonderneming, afgegeven door Onze Minister, voor de toepassing van deze wet aangemerkt als houders van een bedrijfsvergunning.
2. Het eerste lid geldt ook na de daarin bedoelde periode ten aanzien van de in het eerste lid bedoelde houders, indien zij voor de afloop van die periode een aanvraag hebben ingediend voor een vergunning als bedoeld in [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=2&artikel=28&z=2021-06-30&g=2021-06-30) en zolang als daarop niet onherroepelijk is beslist.
1. Tot en met de eerste dag van de vierde kalendermaand na de dag waarop [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=2&artikel=28&z=2021-07-01&g=2021-07-01) in werking treedt, worden houders van een vergunning voor openbaar vervoer per trein, verleend ingevolge de Wet personenvervoer of de [Wet personenvervoer 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011470), en houders van een erkenning als spoorwegonderneming, afgegeven door Onze Minister, voor de toepassing van deze wet aangemerkt als houders van een bedrijfsvergunning.
2. Het eerste lid geldt ook na de daarin bedoelde periode ten aanzien van de in het eerste lid bedoelde houders, indien zij voor de afloop van die periode een aanvraag hebben ingediend voor een vergunning als bedoeld in [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=2&artikel=28&z=2021-07-01&g=2021-07-01) en zolang als daarop niet onherroepelijk is beslist.
##### Artikel 119
1. Vergunningen die ingevolge [artikel 29a van de Spoorwegwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001848&artikel=29a) (Stb. 1875, 67) zijn verleend en gelden op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, worden vanaf de dag waarop [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=2&artikel=28&z=2021-06-30&g=2021-06-30) in werking treedt, aangemerkt als verleend op grond van [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=2&artikel=28&z=2021-06-30&g=2021-06-30).
2. Vergunningaanvragen die ingevolge [artikel 29a van de Spoorwegwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001848&artikel=29a) (Stb. 1875, 67) door Onze Minister in behandeling zijn genomen voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, worden vanaf de dag waarop [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=2&artikel=28&z=2021-06-30&g=2021-06-30) in werking treedt, aangemerkt als vergunningaanvragen op grond van [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=2&artikel=28&z=2021-06-30&g=2021-06-30).
1. Vergunningen die ingevolge [artikel 29a van de Spoorwegwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001848&artikel=29a) (Stb. 1875, 67) zijn verleend en gelden op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, worden vanaf de dag waarop [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=2&artikel=28&z=2021-07-01&g=2021-07-01) in werking treedt, aangemerkt als verleend op grond van [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=2&artikel=28&z=2021-07-01&g=2021-07-01).
2. Vergunningaanvragen die ingevolge [artikel 29a van de Spoorwegwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001848&artikel=29a) (Stb. 1875, 67) door Onze Minister in behandeling zijn genomen voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, worden vanaf de dag waarop [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=2&artikel=28&z=2021-07-01&g=2021-07-01) in werking treedt, aangemerkt als vergunningaanvragen op grond van [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=2&artikel=28&z=2021-07-01&g=2021-07-01).
##### Artikel 120
@@ -200,27 +200,27 @@
##### Artikel 121
Hoofdspoorweginfrastructuur die in overeenstemming met de daarvoor geldende voorschriften die gelden op de dag voorafgaande aan de dag waarop [artikel 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2&paragraaf=2&artikel=6&z=2021-06-30&g=2021-06-30) in werking treedt, wordt gebruikt, wordt met ingang van de dag waarop [dat artikel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2&paragraaf=2&artikel=6&z=2021-06-30&g=2021-06-30) in werking treedt, aangemerkt als in overeenstemming met [dat artikel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2&paragraaf=2&artikel=6&z=2021-06-30&g=2021-06-30).
Hoofdspoorweginfrastructuur die in overeenstemming met de daarvoor geldende voorschriften die gelden op de dag voorafgaande aan de dag waarop [artikel 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2&paragraaf=2&artikel=6&z=2021-07-01&g=2021-07-01) in werking treedt, wordt gebruikt, wordt met ingang van de dag waarop [dat artikel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2&paragraaf=2&artikel=6&z=2021-07-01&g=2021-07-01) in werking treedt, aangemerkt als in overeenstemming met [dat artikel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2&paragraaf=2&artikel=6&z=2021-07-01&g=2021-07-01).
##### Artikel 122
1. [Artikel 26a, eerste lid, onderdelen b en c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=1&artikel=26a&z=2021-06-30&g=2021-06-30), is niet van toepassing op spoorvoertuigen en uitrusting daarvan die voor 1 januari 2005 in gebruik zijn genomen.
2. Op de uitrusting van de spoorvoertuigen, bedoeld in het eerste lid, is [artikel 26a, vierde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=1&artikel=26a&z=2021-06-30&g=2021-06-30), van overeenkomstige toepassing.
1. [Artikel 26a, eerste lid, onderdelen b en c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=1&artikel=26a&z=2021-07-01&g=2021-07-01), is niet van toepassing op spoorvoertuigen en uitrusting daarvan die voor 1 januari 2005 in gebruik zijn genomen.
2. Op de uitrusting van de spoorvoertuigen, bedoeld in het eerste lid, is [artikel 26a, vierde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=1&artikel=26a&z=2021-07-01&g=2021-07-01), van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 123
Aanvragen voor een erkenning als conformiteitsbeoordelingsinstantie, die voor de inwerkingtreding van [hoofdstuk 2a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&z=2021-06-30&g=2021-06-30) zijn ingediend en waarop op de dag dat hoofdstuk 2a in werking treedt nog niet is beslist, worden aangemerkt als volgt:
- a. een aanvraag, ingediend op grond van [artikel 93, eerste lid, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=6&paragraaf=8&artikel=93&z=2021-06-30&g=2021-06-30), wordt aangemerkt als een aanvraag op grond van [artikel 26u](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=7&artikel=26u&z=2021-06-30&g=2021-06-30), eerste lid,
- b. een aanvraag, ingediend op grond van [artikel 93, eerste lid, onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=6&paragraaf=8&artikel=93&z=2021-06-30&g=2021-06-30), wordt aangemerkt als een aanvraag op grond van [artikel 26v, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=7&artikel=26v&z=2021-06-30&g=2021-06-30).
Aanvragen voor een erkenning als conformiteitsbeoordelingsinstantie, die voor de inwerkingtreding van [hoofdstuk 2a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&z=2021-07-01&g=2021-07-01) zijn ingediend en waarop op de dag dat hoofdstuk 2a in werking treedt nog niet is beslist, worden aangemerkt als volgt:
- a. een aanvraag, ingediend op grond van [artikel 93, eerste lid, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=6&paragraaf=8&artikel=93&z=2021-07-01&g=2021-07-01), wordt aangemerkt als een aanvraag op grond van [artikel 26u](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=7&artikel=26u&z=2021-07-01&g=2021-07-01), eerste lid,
- b. een aanvraag, ingediend op grond van [artikel 93, eerste lid, onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=6&paragraaf=8&artikel=93&z=2021-07-01&g=2021-07-01), wordt aangemerkt als een aanvraag op grond van [artikel 26v, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=7&artikel=26v&z=2021-07-01&g=2021-07-01).
##### Artikel 124
1. In afwijking van [artikel 2, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=1&artikel=2&z=2021-06-30&g=2021-06-30), kunnen spoorwegen als hoofdspoorwegen worden aangewezen, indien deze spoorwegen rechtstreeks of middellijk in overwegende mate zijn aangelegd op kosten van het Rijk en naar het oordeel van Onze Minister voldoende is komen vast te staan dat gedurende de periode van twee jaar voorafgaand aan de datum van inwerkingtreding van [artikel 2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=1&artikel=2&z=2021-06-30&g=2021-06-30) deze spoorwegen door Railinfrabeheer b.v., gevestigd te Utrecht, werden onderhouden.
2. Tot 1 januari 2013 kunnen in afwijking van [artikel 2, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=1&artikel=2&z=2021-06-30&g=2021-06-30), spoorwegen als hoofdspoorwegen worden aangewezen, indien Railinfrabeheer b.v., of Railinfratrust b.v., gevestigd te Utrecht, of hun rechtsopvolger rechthebbende is ten aanzien van deze spoorwegen.
1. In afwijking van [artikel 2, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=1&artikel=2&z=2021-07-01&g=2021-07-01), kunnen spoorwegen als hoofdspoorwegen worden aangewezen, indien deze spoorwegen rechtstreeks of middellijk in overwegende mate zijn aangelegd op kosten van het Rijk en naar het oordeel van Onze Minister voldoende is komen vast te staan dat gedurende de periode van twee jaar voorafgaand aan de datum van inwerkingtreding van [artikel 2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=1&artikel=2&z=2021-07-01&g=2021-07-01) deze spoorwegen door Railinfrabeheer b.v., gevestigd te Utrecht, werden onderhouden.
2. Tot 1 januari 2013 kunnen in afwijking van [artikel 2, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=1&artikel=2&z=2021-07-01&g=2021-07-01), spoorwegen als hoofdspoorwegen worden aangewezen, indien Railinfrabeheer b.v., of Railinfratrust b.v., gevestigd te Utrecht, of hun rechtsopvolger rechthebbende is ten aanzien van deze spoorwegen.
##### Artikel 125
@@ -272,7 +272,7 @@
5. Een wijziging van de technische of functionele eigenschappen van de hoofdspoorweginfrastructuur die de gebruiksmogelijkheden van de hoofdspoorwegen aanmerkelijk verandert, behoeft de voorafgaande instemming van Onze Minister. De beheerder vermeldt in zijn verzoek om instemming de zienswijzen van betrokken gerechtigden en, voor zover de wijziging afwijkt van die zienswijzen, een deugdelijke motivering van die afwijking.
6. Het vijfde lid geldt niet voor een wijziging van de technische of functionele eigenschappen, indien het een verbetering of vernieuwing betreft waarvoor Onze Minister een vergunning voor indienststelling als bedoeld in [artikel 26h, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=4&artikel=26h&z=2021-06-30&g=2021-06-30), heeft verleend, of een besluit als bedoeld in [artikel 26i, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=4&artikel=26i&z=2021-06-30&g=2021-06-30), heeft genomen.
6. Het vijfde lid geldt niet voor een wijziging van de technische of functionele eigenschappen, indien het een verbetering of vernieuwing betreft waarvoor Onze Minister een vergunning voor indienststelling als bedoeld in [artikel 26h, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=4&artikel=26h&z=2021-07-01&g=2021-07-01), heeft verleend, of een besluit als bedoeld in [artikel 26i, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=4&artikel=26i&z=2021-07-01&g=2021-07-01), heeft genomen.
##### Artikel 7
@@ -358,7 +358,7 @@
- c. het opstellen van een financiële verantwoording van het uitvoeren van de concessie, welke verantwoording gescheiden is van die voor andere werkzaamheden, en
- d. wijzigingen van hoofdspoorweginfrastructuur die de beheerder aanbesteedt en als een verbetering of vernieuwing als bedoeld in [artikel 26i, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=4&artikel=26i&z=2021-06-30&g=2021-06-30), worden aangemerkt.
- d. wijzigingen van hoofdspoorweginfrastructuur die de beheerder aanbesteedt en als een verbetering of vernieuwing als bedoeld in [artikel 26i, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=4&artikel=26i&z=2021-07-01&g=2021-07-01), worden aangemerkt.
3. Aan de concessie worden voorschriften verbonden om te waarborgen dat:
@@ -382,7 +382,7 @@
2. Onze Minister gaat niet tot intrekking over dan nadat hij de beheerder de gelegenheid heeft geboden om binnen een daartoe te bepalen termijn zijn handelen alsnog in overeenstemming te brengen met de concessie, dan wel het wettelijk voorschrift.
3. Voordat Onze Minister een concessie verleent, wijzigt of geheel of gedeeltelijk intrekt, stelt hij betrokken gerechtigden als bedoeld in [artikel 57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=4&paragraaf=1&artikel=57&z=2021-06-30&g=2021-06-30) in de gelegenheid om gedurende een door Onze Minister daarbij te bepalen termijn van ten hoogste drie weken hun zienswijze naar voren te brengen.
3. Voordat Onze Minister een concessie verleent, wijzigt of geheel of gedeeltelijk intrekt, stelt hij betrokken gerechtigden als bedoeld in [artikel 57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=4&paragraaf=1&artikel=57&z=2021-07-01&g=2021-07-01) in de gelegenheid om gedurende een door Onze Minister daarbij te bepalen termijn van ten hoogste drie weken hun zienswijze naar voren te brengen.
4. Een concessie wordt niet eerder verleend dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
@@ -448,7 +448,7 @@
- g. de uitoefening van overige activiteiten in opdracht van de beheerder.
3. Onze Minister kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid vervatte verbod. [Artikel 19, vierde lid, tweede en derde volzin](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2&paragraaf=4&artikel=19&z=2021-06-30&g=2021-06-30), is van overeenkomstige toepassing.
3. Onze Minister kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid vervatte verbod. [Artikel 19, vierde lid, tweede en derde volzin](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2&paragraaf=4&artikel=19&z=2021-07-01&g=2021-07-01), is van overeenkomstige toepassing.
4. In het belang van de bescherming van de fysieke integriteit van de hoofdspoorweginfrastructuur en in het belang van een veilig en ongestoord gebruik daarvan, kunnen bij ministeriële regeling over de uitvoering van dit artikel regels worden gesteld.
@@ -496,15 +496,15 @@
- b. die niet beschikt over een voor het desbetreffende gedeelte van de hoofdspoorweginfrastructuur geldig veiligheidscertificaat, verleend door Onze Minister of het Europees Spoorwegbureau;
- c. die niet voldoet aan de voor haar ingevolge [artikel 55](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=6&artikel=55&z=2021-06-30&g=2021-06-30) geldende verzekeringsplicht;
- d. indien het recht op die toegang niet rechtstreeks voortvloeit uit een toegangsovereenkomst als bedoeld in [artikel 59](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=4&paragraaf=3&artikel=59&z=2021-06-30&g=2021-06-30);
- c. die niet voldoet aan de voor haar ingevolge [artikel 55](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=6&artikel=55&z=2021-07-01&g=2021-07-01) geldende verzekeringsplicht;
- d. indien het recht op die toegang niet rechtstreeks voortvloeit uit een toegangsovereenkomst als bedoeld in [artikel 59](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=4&paragraaf=3&artikel=59&z=2021-07-01&g=2021-07-01);
- e. die anderszins niet gerechtigd is van de hoofdspoorweginfrastructuur, bedoeld in het eerste lid, gebruik te maken.
3. Bij algemene maatregel van bestuur kan met inachtneming van artikel 2, tweede lid, van richtlijn 2012/34/EU onder bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden en beperkingen vrijstelling worden verleend van het tweede lid, onderdeel a, en met inachtneming van artikel 2, derde lid, of artikel 3 van de spoorwegveiligheidsrichtlijn onder bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden en beperkingen vrijstelling worden verleend van het tweede lid, onderdeel b.
4. Een beheerder heeft in afwijking van het tweede lid, onder d, ten behoeve van de uitoefening van de taken, bedoeld in [artikel 16, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2&paragraaf=4&artikel=16&z=2021-06-30&g=2021-06-30), als spoorwegonderneming toegang tot hoofdspoorweginfrastructuur als bedoeld in het eerste lid zonder dat het recht rechtstreeks voortvloeit uit een toegangsovereenkomst met dien verstande dat de beheerder, voor zover het de activiteiten, bedoeld in artikel 53 van richtlijn 2012/34/EU betreft, beschikt over verdeelde capaciteit.
4. Een beheerder heeft in afwijking van het tweede lid, onder d, ten behoeve van de uitoefening van de taken, bedoeld in [artikel 16, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2&paragraaf=4&artikel=16&z=2021-07-01&g=2021-07-01), als spoorwegonderneming toegang tot hoofdspoorweginfrastructuur als bedoeld in het eerste lid zonder dat het recht rechtstreeks voortvloeit uit een toegangsovereenkomst met dien verstande dat de beheerder, voor zover het de activiteiten, bedoeld in artikel 53 van richtlijn 2012/34/EU betreft, beschikt over verdeelde capaciteit.
5. Onze Minister kan ontheffing of vrijstelling verlenen van de verplichting om te beschikken over een voor het desbetreffende gedeelte van de hoofdspoorweginfrastructuur geldig veiligheidscertificaat als bedoeld het tweede lid, onderdeel b, voor spoorwegondernemingen die gebruik maken van dicht bij de grens gelegen hoofdspoorweginfrastructuur, indien die spoorwegondernemingen beschikken over een veiligheidscertificaat dat geldt voor met de desbetreffende hoofdspoorweginfrastructuur verbonden, dicht bij de grens gelegen spoorweginfrastructuur in de aangrenzende lidstaat. Een ontheffing of vrijstelling kan onder beperkingen worden verleend. Aan een ontheffing of vrijstelling kunnen voorschriften worden verbonden. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot deze ontheffingen en vrijstellingen.
@@ -514,7 +514,7 @@
##### Artikel 28
1. Onze Minister verleent op aanvraag een bedrijfsvergunning aan een in Nederland gevestigde onderneming, indien deze voldoet aan de vereisten van goede naam, financiële draagkracht en beroepsbekwaamheid alsmede de uit [artikel 55](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=6&artikel=55&z=2021-06-30&g=2021-06-30) voortvloeiende verzekeringsplicht.
1. Onze Minister verleent op aanvraag een bedrijfsvergunning aan een in Nederland gevestigde onderneming, indien deze voldoet aan de vereisten van goede naam, financiële draagkracht en beroepsbekwaamheid alsmede de uit [artikel 55](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=6&artikel=55&z=2021-07-01&g=2021-07-01) voortvloeiende verzekeringsplicht.
2. Onze Minister kan voor bij of krachtens algemene maatregel van bestuur omschreven soorten van gebruik van de hoofdspoorweg, bij de verlening van een bedrijfsvergunning een of meer van de bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aangewezen, in het eerste lid bedoelde eisen geheel of gedeeltelijk buiten toepassing laten. Alsdan is een zodanige beperkte bedrijfsvergunning slechts geldig voor het gebruik waarvoor deze is verleend.
@@ -528,7 +528,7 @@
Onze Minister schorst de bedrijfsvergunning of trekt deze in, indien:
- a. de vergunninghouder niet meer voldoet aan de bij of krachtens [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=2&artikel=28&z=2021-06-30&g=2021-06-30) toepasselijke eisen of voorschriften;
- a. de vergunninghouder niet meer voldoet aan de bij of krachtens [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=2&artikel=28&z=2021-07-01&g=2021-07-01) toepasselijke eisen of voorschriften;
- b. de veiligheid van het spoorverkeer door wijziging van de rechtspositie van de vergunninghouder ingeval van fusie of bedrijfsovername naar het oordeel van Onze Minister niet langer is gewaarborgd of
@@ -536,21 +536,21 @@
##### Artikel 30
1. Een vergunning als bedoeld in artikel 3, onderdeel 14, van richtlijn 2012/34/EU die is verleend door een bevoegde instantie van een andere lidstaat aan een aldaar gevestigde spoorwegonderneming, wordt voor de toepassing van deze wet gelijkgesteld met een bedrijfsvergunning, verleend op grond van [artikel 28, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=2&artikel=28&z=2021-06-30&g=2021-06-30).
2. Met een bedrijfsvergunning verleend op grond van [artikel 28, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=2&artikel=28&z=2021-06-30&g=2021-06-30), worden voorts voor de toepassing van deze wet gelijkgesteld:
- a. de bij ministeriële regeling omschreven documenten die in het buitenland door het aldaar bevoegde gezag zijn afgegeven en die in voldoende mate kunnen gelden als bewijs dat ten minste wordt voldaan aan de in [artikel 28, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=2&artikel=28&z=2021-06-30&g=2021-06-30), bedoelde eisen;
- b. een besluit van Onze Minister waarin ten aanzien van een in het buitenland gevestigde spoorwegonderneming is verklaard dat ten minste wordt voldaan aan de in [artikel 28, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=2&artikel=28&z=2021-06-30&g=2021-06-30), vermelde eisen.
3. [Artikel 29](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=2&artikel=29&z=2021-06-30&g=2021-06-30) is van overeenkomstige toepassing op de gelijkstelling krachtens het tweede lid.
1. Een vergunning als bedoeld in artikel 3, onderdeel 14, van richtlijn 2012/34/EU die is verleend door een bevoegde instantie van een andere lidstaat aan een aldaar gevestigde spoorwegonderneming, wordt voor de toepassing van deze wet gelijkgesteld met een bedrijfsvergunning, verleend op grond van [artikel 28, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=2&artikel=28&z=2021-07-01&g=2021-07-01).
2. Met een bedrijfsvergunning verleend op grond van [artikel 28, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=2&artikel=28&z=2021-07-01&g=2021-07-01), worden voorts voor de toepassing van deze wet gelijkgesteld:
- a. de bij ministeriële regeling omschreven documenten die in het buitenland door het aldaar bevoegde gezag zijn afgegeven en die in voldoende mate kunnen gelden als bewijs dat ten minste wordt voldaan aan de in [artikel 28, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=2&artikel=28&z=2021-07-01&g=2021-07-01), bedoelde eisen;
- b. een besluit van Onze Minister waarin ten aanzien van een in het buitenland gevestigde spoorwegonderneming is verklaard dat ten minste wordt voldaan aan de in [artikel 28, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=2&artikel=28&z=2021-07-01&g=2021-07-01), vermelde eisen.
3. [Artikel 29](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=2&artikel=29&z=2021-07-01&g=2021-07-01) is van overeenkomstige toepassing op de gelijkstelling krachtens het tweede lid.
##### Artikel 31
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gegeven over de uitvoering van deze paragraaf, waaronder regels over:
- a. de toepassing van de in [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=2&artikel=28&z=2021-06-30&g=2021-06-30), eerste lid, bedoelde eisen;
- a. de toepassing van de in [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=2&artikel=28&z=2021-07-01&g=2021-07-01), eerste lid, bedoelde eisen;
- b. de verlening, weigering, wijziging, schorsing of intrekking van een bedrijfsvergunning;
@@ -562,7 +562,7 @@
1. Onze Minister verleent, op aanvraag, een veiligheidscertificaat aan een spoorwegonderneming met een exploitatiegebied dat de hoofdspoorweginfrastructuur, of een gedeelte daarvan, omvat, en zich beperkt tot Nederland, indien de spoorwegonderneming:
- a. een veiligheidsbeheersysteem tot stand heeft gebracht dat voldoet aan de krachtens [artikel 35, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=3&artikel=35&z=2021-06-30&g=2021-06-30), gestelde regels, en
- a. een veiligheidsbeheersysteem tot stand heeft gebracht dat voldoet aan de krachtens [artikel 35, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=3&artikel=35&z=2021-07-01&g=2021-07-01), gestelde regels, en
- b. in staat is veilig te opereren binnen het in de aanvraag omschreven exploitatiegebied.
@@ -570,13 +570,13 @@
3. Onze Minister breidt, op aanvraag van de houder van een door Onze Minister verleend veiligheidscertificaat, het exploitatiegebied met betrekking tot de hoofdspoorweginfrastructuur uit van dat veiligheidscertificaat. Het eerste en tweede lid zijn van toepassing op een aanvraag tot uitbreiding, met dien verstande dat de beoordeling van Onze Minister enkel betrekking heeft op de uitbreiding.
4. [Artikel 26dd, tweede tot en met zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=9&artikel=26dd&z=2021-06-30&g=2021-06-30), is van toepassing op de besluiten, bedoeld in het eerste en derde lid.
4. [Artikel 26dd, tweede tot en met zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=9&artikel=26dd&z=2021-07-01&g=2021-07-01), is van toepassing op de besluiten, bedoeld in het eerste en derde lid.
5. Een veiligheidscertificaat als bedoeld in het eerste lid geldt ook zonder uitbreiding van het exploitatiegebied voor spoorwegondernemingen die gebruik maken van dicht bij de grens gelegen spoorweginfrastructuur in aangrenzende lidstaten, indien dat volgt uit de raadpleging van de daartoe bevoegde autoriteiten in de desbetreffende lidstaten.
6. Onze Minister verleent, op aanvraag, aan een beheerder, in afwijking van het eerste lid, een veiligheidscertificaat, indien hij beschikt over een op grond van [artikel 16f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2&paragraaf=4&artikel=16f&z=2021-06-30&g=2021-06-30) verleende veiligheidsvergunning.
7. Een beheerder gebruikt een op grond van het zesde lid verleend veiligheidscertificaat slechts ten behoeve van de uitvoering van de taken, bedoeld in [artikel 16, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2&paragraaf=4&artikel=16&z=2021-06-30&g=2021-06-30).
6. Onze Minister verleent, op aanvraag, aan een beheerder, in afwijking van het eerste lid, een veiligheidscertificaat, indien hij beschikt over een op grond van [artikel 16f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2&paragraaf=4&artikel=16f&z=2021-07-01&g=2021-07-01) verleende veiligheidsvergunning.
7. Een beheerder gebruikt een op grond van het zesde lid verleend veiligheidscertificaat slechts ten behoeve van de uitvoering van de taken, bedoeld in [artikel 16, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2&paragraaf=4&artikel=16&z=2021-07-01&g=2021-07-01).
8. Onze Minister is bevoegd om bezoeken, audits en inspecties te verrichten bij, dan wel relevante informatie te verlangen van, een spoorwegonderneming in het kader van de beoordeling van een aanvraag als bedoeld in het eerste of derde lid.
@@ -606,33 +606,33 @@
Bij ministeriële regeling kunnen in het belang van een goede uitvoering van het bij of krachtens de spoorwegveiligheidsrichtlijn bepaalde met betrekking tot de onderwerpen in deze paragraaf regels worden gesteld, waaronder in elk geval regels over:
- a. het veiligheidsbeheersysteem, bedoeld in [artikel 32, eerste lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=3&artikel=32&z=2021-06-30&g=2021-06-30),
- b. de aanvraag en het bijbehorende dossier, bedoeld in [artikel 32, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=3&artikel=32&z=2021-06-30&g=2021-06-30),
- a. het veiligheidsbeheersysteem, bedoeld in [artikel 32, eerste lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=3&artikel=32&z=2021-07-01&g=2021-07-01),
- b. de aanvraag en het bijbehorende dossier, bedoeld in [artikel 32, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=3&artikel=32&z=2021-07-01&g=2021-07-01),
- c. de verlening, weigering, wijziging, uitbreiding, geldigheid, schorsing of intrekking van een veiligheidscertificaat,
- d. de gevallen waarin en voorwaarden waaronder een veiligheidscertificaat ook geldt voor dicht bij de grens gelegen spoorweginfrastructuur in aangrenzende lidstaten, bedoeld in [artikel 32, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=3&artikel=32&z=2021-06-30&g=2021-06-30), alsmede de daarvoor toe te passen procedure,
- e. door Onze Minister te stellen voorschriften en beperkingen, alsmede het nemen van maatregelen als bedoeld in de [artikelen 33](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=3&artikel=33&z=2021-06-30&g=2021-06-30) en [34](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=3&artikel=34&z=2021-06-30&g=2021-06-30),
- f. de eisen die gesteld worden aan een beoordelingsinstantie als bedoeld in [artikel 33a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=3&artikel=33a&z=2021-06-30&g=2021-06-30).
- d. de gevallen waarin en voorwaarden waaronder een veiligheidscertificaat ook geldt voor dicht bij de grens gelegen spoorweginfrastructuur in aangrenzende lidstaten, bedoeld in [artikel 32, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=3&artikel=32&z=2021-07-01&g=2021-07-01), alsmede de daarvoor toe te passen procedure,
- e. door Onze Minister te stellen voorschriften en beperkingen, alsmede het nemen van maatregelen als bedoeld in de [artikelen 33](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=3&artikel=33&z=2021-07-01&g=2021-07-01) en [34](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=3&artikel=34&z=2021-07-01&g=2021-07-01),
- f. de eisen die gesteld worden aan een beoordelingsinstantie als bedoeld in [artikel 33a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=3&artikel=33a&z=2021-07-01&g=2021-07-01).
#### § 2. De bedrijfsvergunning voor spoorwegondernemingen
##### Artikel 36
1. Voordat een spoorvoertuig op de hoofdspoorweginfrastructuur wordt gebruikt, is er een met het onderhoud belaste entiteit voor dat spoorvoertuig. De met het onderhoud belaste entiteit zorgt dat het desbetreffende spoorvoertuig in veilige staat is en past daartoe een onderhoudssysteem toe dat voldoet aan de krachtens [artikel 38, eerste lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=4&artikel=38&z=2021-06-30&g=2021-06-30), gestelde regels.
1. Voordat een spoorvoertuig op de hoofdspoorweginfrastructuur wordt gebruikt, is er een met het onderhoud belaste entiteit voor dat spoorvoertuig. De met het onderhoud belaste entiteit zorgt dat het desbetreffende spoorvoertuig in veilige staat is en past daartoe een onderhoudssysteem toe dat voldoet aan de krachtens [artikel 38, eerste lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=4&artikel=38&z=2021-07-01&g=2021-07-01), gestelde regels.
2. Onze Minister kan het gebruik met een spoorvoertuig van hoofdspoorweginfrastructuur verbieden indien ten aanzien van dat spoorvoertuig niet wordt voldaan aan het eerste lid.
3. De met het onderhoud belaste entiteit van een of meer goederenwagons beschikt over een geldig ECM-certificaat, verleend door Onze Minister of een daartoe bevoegde instantie in een andere lidstaat.
4. Onze Minister verleent, op aanvraag, een ECM-certificaat aan een met het onderhoud belaste entiteit die voldoet aan de krachtens [artikel 38, eerste lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=4&artikel=38&z=2021-06-30&g=2021-06-30), gestelde regels.
4. Onze Minister verleent, op aanvraag, een ECM-certificaat aan een met het onderhoud belaste entiteit die voldoet aan de krachtens [artikel 38, eerste lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=4&artikel=38&z=2021-07-01&g=2021-07-01), gestelde regels.
5. De verplichting te beschikken over een ECM-certificaat geldt niet voor spoorwegondernemingen of beheerders die de met het onderhoud belaste entiteit zijn van een of meer goederenwagons, mits de beoordeling van de voor het ECM-certificaat geldende eisen reeds bij de verlening van het veiligheidscertificaat, dan wel de veiligheidsvergunning, heeft plaatsgevonden.
6. Onze Minister verleent, op aanvraag, een certificaat aan een rechtspersoon die in staat is een gedeelte van het onderhoudssysteem, bedoeld in het eerste lid, uit te voeren, en voldoet aan de krachtens [artikel 38, eerste lid, onderdeel d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=4&artikel=38&z=2021-06-30&g=2021-06-30), gestelde regels.
6. Onze Minister verleent, op aanvraag, een certificaat aan een rechtspersoon die in staat is een gedeelte van het onderhoudssysteem, bedoeld in het eerste lid, uit te voeren, en voldoet aan de krachtens [artikel 38, eerste lid, onderdeel d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=4&artikel=38&z=2021-07-01&g=2021-07-01), gestelde regels.
##### Artikel 37
@@ -642,23 +642,23 @@
1. Bij ministeriële regeling kunnen in het belang van een goede uitvoering van de spoorwegveiligheidsrichtlijn met betrekking tot de onderwerpen in deze paragraaf regels worden gesteld, waaronder in elk geval regels over:
- a. het onderhoudssysteem, bedoeld in [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=4&artikel=36&z=2021-06-30&g=2021-06-30),
- b. de eisen voor het verkrijgen van een ECM-certificaat als bedoeld in [artikel 36, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=4&artikel=36&z=2021-06-30&g=2021-06-30),
- a. het onderhoudssysteem, bedoeld in [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=4&artikel=36&z=2021-07-01&g=2021-07-01),
- b. de eisen voor het verkrijgen van een ECM-certificaat als bedoeld in [artikel 36, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=4&artikel=36&z=2021-07-01&g=2021-07-01),
- c. het uitbesteden van onderhoudstaken door met het onderhoud belaste entiteiten,
- d. de eisen voor het verkrijgen van een certificaat als bedoeld in [artikel 36, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=4&artikel=36&z=2021-06-30&g=2021-06-30),
- e. de eisen, bedoeld in [artikel 37, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=4&artikel=37&z=2021-06-30&g=2021-06-30).
- d. de eisen voor het verkrijgen van een certificaat als bedoeld in [artikel 36, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=4&artikel=36&z=2021-07-01&g=2021-07-01),
- e. de eisen, bedoeld in [artikel 37, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=4&artikel=37&z=2021-07-01&g=2021-07-01).
2. Bij ministeriële regeling kan in het belang van een goede uitvoering van bindende EU-rechtshandelingen van algemene strekking van de Europese Commissie, gebaseerd op de spoorwegveiligheidsrichtlijn:
- a. de verplichting te beschikken over een ECM-certificaat, bedoeld in [artikel 36, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=4&artikel=36&z=2021-06-30&g=2021-06-30), worden uitgebreid tot met het onderhoud belaste entiteiten van andere spoorvoertuigen dan goederenwagons,
- b. het beschikken over een certificaat als bedoeld in [artikel 36, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=4&artikel=36&z=2021-06-30&g=2021-06-30), verplicht worden gesteld voor rechtspersonen die delen van het onderhoudssysteem uitvoeren op basis van een daartoe strekkende overeenkomst met een met het onderhoud belaste entiteit.
3. Bij ministeriële regeling kunnen met inachtneming van de artikelen 2 en 15 van de spoorwegveiligheidsrichtlijn spoorvoertuigen worden aangewezen waarop [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=4&artikel=36&z=2021-06-30&g=2021-06-30), of [37, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=4&artikel=37&z=2021-06-30&g=2021-06-30), niet of niet geheel van toepassing zijn en kunnen regels worden gesteld met betrekking tot het onderhoud van die spoorvoertuigen.
- a. de verplichting te beschikken over een ECM-certificaat, bedoeld in [artikel 36, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=4&artikel=36&z=2021-07-01&g=2021-07-01), worden uitgebreid tot met het onderhoud belaste entiteiten van andere spoorvoertuigen dan goederenwagons,
- b. het beschikken over een certificaat als bedoeld in [artikel 36, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=4&artikel=36&z=2021-07-01&g=2021-07-01), verplicht worden gesteld voor rechtspersonen die delen van het onderhoudssysteem uitvoeren op basis van een daartoe strekkende overeenkomst met een met het onderhoud belaste entiteit.
3. Bij ministeriële regeling kunnen met inachtneming van de artikelen 2 en 15 van de spoorwegveiligheidsrichtlijn spoorvoertuigen worden aangewezen waarop [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=4&artikel=36&z=2021-07-01&g=2021-07-01), of [37, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=4&artikel=37&z=2021-07-01&g=2021-07-01), niet of niet geheel van toepassing zijn en kunnen regels worden gesteld met betrekking tot het onderhoud van die spoorvoertuigen.
##### Artikel 39
@@ -732,13 +732,13 @@
1. Een persoon die binnen het hoofdspoorwegverkeerssysteem een veiligheidsfunctie anders dan die van machinist met volledige bevoegdheid of van machinist met beperkte bevoegdheid uitoefent, beschikt, behoudens bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde uitzonderingen, over:
- a. één of meer beoordelingen door Onze Minister waaruit blijkt dat hij voldoet aan de krachtens [artikel 49, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=5&artikel=49&z=2021-06-30&g=2021-06-30), voor de desbetreffende veiligheidsfunctie vastgestelde eisen inzake algemene kennis, bekwaamheid en ervaring en een geldige verklaring van medische geschiktheid en een geldige verklaring van psychologische geschiktheid, afgegeven door een door Onze Minister erkend keuringsinstituut, of
- a. één of meer beoordelingen door Onze Minister waaruit blijkt dat hij voldoet aan de krachtens [artikel 49, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=5&artikel=49&z=2021-07-01&g=2021-07-01), voor de desbetreffende veiligheidsfunctie vastgestelde eisen inzake algemene kennis, bekwaamheid en ervaring en een geldige verklaring van medische geschiktheid en een geldige verklaring van psychologische geschiktheid, afgegeven door een door Onze Minister erkend keuringsinstituut, of
- b. een geldige erkenning van beroepskwalificaties als bedoeld in [artikel 5 van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023066&artikel=5).
2. Een persoon die binnen het hoofdspoorwegverkeerssysteem de veiligheidsfunctie van machinist met volledige bevoegdheid of van machinist met beperkte bevoegdheid uitoefent, beschikt over:
- a. één of meer beoordelingen van Onze Minister waaruit blijkt dat hij voldoet aan de krachtens [artikel 49, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=5&artikel=49&z=2021-06-30&g=2021-06-30), voor de desbetreffende veiligheidsfunctie vastgestelde eisen inzake algemene kennis en vaardigheden en een geldige verklaring van medische geschiktheid en een geldige verklaring van psychologische geschiktheid, afgegeven door een door Onze Minister erkend keuringsinstituut, of
- a. één of meer beoordelingen van Onze Minister waaruit blijkt dat hij voldoet aan de krachtens [artikel 49, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=5&artikel=49&z=2021-07-01&g=2021-07-01), voor de desbetreffende veiligheidsfunctie vastgestelde eisen inzake algemene kennis en vaardigheden en een geldige verklaring van medische geschiktheid en een geldige verklaring van psychologische geschiktheid, afgegeven door een door Onze Minister erkend keuringsinstituut, of
- b. een geldige machinistenvergunning die in een andere lidstaat van de Europese Unie is afgegeven.
@@ -748,13 +748,13 @@
##### Artikel 51
1. Degene onder wiens gezag binnen het hoofdspoorwegverkeerssysteem een veiligheidsfunctie wordt uitgeoefend verschaft, behoudens bij algemene maatregel van bestuur omschreven uitzonderingen, aan degene die de betrokken functie uitoefent, die beschikt over de in [artikel 50, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=5&artikel=50&z=2021-06-30&g=2021-06-30), bedoelde documenten en die naar zijn oordeel beschikt over de voor de uitoefening van die functie vereiste specifieke, taakgebonden en bedrijfsgebonden kennis en bekwaamheid, een bedrijfspas.
1. Degene onder wiens gezag binnen het hoofdspoorwegverkeerssysteem een veiligheidsfunctie wordt uitgeoefend verschaft, behoudens bij algemene maatregel van bestuur omschreven uitzonderingen, aan degene die de betrokken functie uitoefent, die beschikt over de in [artikel 50, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=5&artikel=50&z=2021-07-01&g=2021-07-01), bedoelde documenten en die naar zijn oordeel beschikt over de voor de uitoefening van die functie vereiste specifieke, taakgebonden en bedrijfsgebonden kennis en bekwaamheid, een bedrijfspas.
2. De bedrijfspas voldoet aan de bij of krachtens algemene maatregel van bestuur gestelde eisen.
3. Het eerste lid geldt niet voor een persoon die binnen het hoofdspoorwegverkeerssysteem de veiligheidsfunctie van machinist met volledige bevoegdheid of van machinist met beperkte bevoegdheid uitoefent en aan wie degene onder wiens gezag die veiligheidsfunctie wordt uitgeoefend een bevoegdheidsbewijs heeft verstrekt.
4. De houder van een bedrijfspas en de houder van een bevoegdheidsbewijs als bedoeld in het derde lid zijn verplicht die pas onderscheidenlijk dat bewijs op eerste vordering te tonen aan de krachtens de [artikelen 69](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=6&paragraaf=1&artikel=69&z=2021-06-30&g=2021-06-30) en [86](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=6&paragraaf=4&artikel=86&z=2021-06-30&g=2021-06-30) met het toezicht op de naleving onderscheidenlijk de opsporing van strafbare feiten belaste personen.
4. De houder van een bedrijfspas en de houder van een bevoegdheidsbewijs als bedoeld in het derde lid zijn verplicht die pas onderscheidenlijk dat bewijs op eerste vordering te tonen aan de krachtens de [artikelen 69](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=6&paragraaf=1&artikel=69&z=2021-07-01&g=2021-07-01) en [86](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=6&paragraaf=4&artikel=86&z=2021-07-01&g=2021-07-01) met het toezicht op de naleving onderscheidenlijk de opsporing van strafbare feiten belaste personen.
5. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over:
@@ -770,15 +770,15 @@
1. Het is verboden een veiligheidsfunctie anders dan van machinist met volledige bevoegdheid of van machinist met beperkte bevoegdheid, binnen het hoofdspoorwegsysteem te doen uitoefenen door een persoon:
- a. die niet voldoet aan [artikel 50, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=5&artikel=50&z=2021-06-30&g=2021-06-30), of
- b. waarvan men weet of redelijkerwijs moet weten dat hij niet voldoet aan de voor de uitoefening van de functie krachtens [artikel 49, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=5&artikel=49&z=2021-06-30&g=2021-06-30), gestelde eisen.
- a. die niet voldoet aan [artikel 50, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=5&artikel=50&z=2021-07-01&g=2021-07-01), of
- b. waarvan men weet of redelijkerwijs moet weten dat hij niet voldoet aan de voor de uitoefening van de functie krachtens [artikel 49, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=5&artikel=49&z=2021-07-01&g=2021-07-01), gestelde eisen.
2. Het is verboden de veiligheidsfunctie van machinist met volledige bevoegdheid of van machinist met beperkte bevoegdheid binnen het hoofdspoorwegsysteem te doen uitoefenen door een persoon:
- a. die niet voldoet aan [artikel 50, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=5&artikel=50&z=2021-06-30&g=2021-06-30), of
- b. waarvan men weet of redelijkerwijs moet weten dat hij niet voldoet aan de voor de uitoefening van de functie krachtens [artikel 49, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=5&artikel=49&z=2021-06-30&g=2021-06-30), gestelde eisen.
- a. die niet voldoet aan [artikel 50, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=5&artikel=50&z=2021-07-01&g=2021-07-01), of
- b. waarvan men weet of redelijkerwijs moet weten dat hij niet voldoet aan de voor de uitoefening van de functie krachtens [artikel 49, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=5&artikel=49&z=2021-07-01&g=2021-07-01), gestelde eisen.
3. Het is verboden de veiligheidsfunctie van machinist met volledige bevoegdheid of van machinist met beperkte bevoegdheid te doen uitoefenen door een persoon:
@@ -850,7 +850,7 @@
- b. met inachtneming van artikel 41, tweede lid, van richtlijn 2012/34/EU, de voorwaarden om er voor te zorgen dat aan de gerechtvaardigde verwachtingen van de beheerder ten aanzien van toekomstige inkomsten en het toekomstig gebruik van de hoofdspoorweginfrastructuur wordt voldaan;
- c. de verwijzing naar de website waar de bij of krachtens [artikel 62, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=4&paragraaf=6&artikel=62&z=2021-06-30&g=2021-06-30), vastgestelde voorschriften zijn gepubliceerd;
- c. de verwijzing naar de website waar de bij of krachtens [artikel 62, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=4&paragraaf=6&artikel=62&z=2021-07-01&g=2021-07-01), vastgestelde voorschriften zijn gepubliceerd;
- d. in voorkomend geval: een verwijzing naar de websites, bedoeld in de artikelen 27, tweede lid, en 31, tiende lid, van richtlijn 2012/34/EU;
@@ -872,7 +872,7 @@
4. De beheerder brengt in de netverklaring zo nodig wijzigingen aan, met inachtneming van artikel 32, zesde lid, van richtlijn 2012/34/EU. Het derde lid is van overeenkomstige toepassing.
5. Een gerechtigde als bedoeld in het eerste lid kan bij de Autoriteit Consument en Markt een klacht als bedoeld in [artikel 71](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=6&paragraaf=2&artikel=71&z=2021-06-30&g=2021-06-30) indienen, voor zover deze klacht ziet op de in de netverklaring bekend gemaakte gegevens, bedoeld in onderdelen 2 en 3 van bijlage IV van richtlijn 2012/34/EU, tot uiterlijk zes weken na de datum van de Staatscourant waarin mededeling is gedaan van de vaststelling van de netverklaring of van een wijziging van de hiervoor bedoelde onderdelen van de netverklaring.
5. Een gerechtigde als bedoeld in het eerste lid kan bij de Autoriteit Consument en Markt een klacht als bedoeld in [artikel 71](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=6&paragraaf=2&artikel=71&z=2021-07-01&g=2021-07-01) indienen, voor zover deze klacht ziet op de in de netverklaring bekend gemaakte gegevens, bedoeld in onderdelen 2 en 3 van bijlage IV van richtlijn 2012/34/EU, tot uiterlijk zes weken na de datum van de Staatscourant waarin mededeling is gedaan van de vaststelling van de netverklaring of van een wijziging van de hiervoor bedoelde onderdelen van de netverklaring.
6. Bij ministeriële regeling kunnen met betrekking tot de voorwaarden, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, nadere regels worden gesteld die onder andere noodzakelijk zijn voor de goede uitvoering van uitvoeringshandelingen op grond van artikel 41, derde lid, van richtlijn 2012/34/EU.
@@ -884,11 +884,11 @@
- a. de door de beheerder te bieden kwaliteit van de hoofdspoorweginfrastructuur;
- b. de vergoeding, bedoeld in [artikel 62, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=4&paragraaf=6&artikel=62&z=2021-06-30&g=2021-06-30).
- b. de vergoeding, bedoeld in [artikel 62, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=4&paragraaf=6&artikel=62&z=2021-07-01&g=2021-07-01).
2. In de toegangsovereenkomst wordt capaciteit in de vorm van treinpaden als bedoeld in artikel 3, onderdeel 27, van richtlijn 2012/34/EU verdeeld voor maximaal de duur van een dienstregelingsperiode.
3. In de toegangsovereenkomst wordt voor het gebruik van capaciteit voor in opdracht van de beheerder uit te voeren werkzaamheden op of aan hoofdspoorweginfrastructuur ten behoeve van de uitoefening van de taken, bedoeld in [artikel 16, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2&paragraaf=4&artikel=16&z=2021-06-30&g=2021-06-30), een vergoeding van nihil vastgesteld als vergoeding als bedoeld in [artikel 62, eerste, tweede of derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=4&paragraaf=6&artikel=62&z=2021-06-30&g=2021-06-30).
3. In de toegangsovereenkomst wordt voor het gebruik van capaciteit voor in opdracht van de beheerder uit te voeren werkzaamheden op of aan hoofdspoorweginfrastructuur ten behoeve van de uitoefening van de taken, bedoeld in [artikel 16, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2&paragraaf=4&artikel=16&z=2021-07-01&g=2021-07-01), een vergoeding van nihil vastgesteld als vergoeding als bedoeld in [artikel 62, eerste, tweede of derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=4&paragraaf=6&artikel=62&z=2021-07-01&g=2021-07-01).
4. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen ten behoeve van de overeenkomst algemene voorwaarden als bedoeld in [artikel 231 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005289&artikel=231) worden vastgesteld. In dat geval wordt in de overeenkomst naar die algemene voorwaarden verwezen.
@@ -962,15 +962,15 @@
##### Artikel 63
1. De beheerder stelt een methode vast voor de toerekening van de kosten aan het aan spoorwegondernemingen aangeboden minimumtoegangspakket als bedoeld in artikel 30, achtste lid, van richtlijn 2012/34/EU, zulks met inachtneming van het krachtens [artikel 62, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=4&paragraaf=6&artikel=62&z=2021-06-30&g=2021-06-30), bepaalde.
1. De beheerder stelt een methode vast voor de toerekening van de kosten aan het aan spoorwegondernemingen aangeboden minimumtoegangspakket als bedoeld in artikel 30, achtste lid, van richtlijn 2012/34/EU, zulks met inachtneming van het krachtens [artikel 62, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=4&paragraaf=6&artikel=62&z=2021-07-01&g=2021-07-01), bepaalde.
2. De methode van toerekening, bedoeld in het eerste lid, behoeft de goedkeuring van de Autoriteit Consument en Markt. Op de voorbereiding van een goedkeuringsbesluit is [afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=3.4) van toepassing. Onverminderd [artikel 3:15 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=3:15), kunnen gerechtigden hun zienswijze naar voren brengen over het voorgenomen goedkeuringsbesluit.
3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de goedkeuring, bedoeld in het tweede lid, en de daartoe te volgen procedure.
4. De beheerder toont desgevraagd aan een spoorwegonderneming als bedoeld in [artikel 62, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=4&paragraaf=6&artikel=62&z=2021-06-30&g=2021-06-30), aan dat de overeenkomstig artikel 62 vastgestelde vergoeding en heffingen die aan die spoorwegonderneming in rekening zijn gebracht, voldoen aan de bij of krachtens artikel 62, eerste tot en met zevende lid, gestelde regels en aan de methode van toerekening, bedoeld in het eerste lid.
5. De beheerder wendt de door hem ontvangen vergoedingen, bedoeld in [artikel 62, eerste, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=4&paragraaf=6&artikel=62&z=2021-06-30&g=2021-06-30), aan om zijn onderneming van middelen te voorzien.
4. De beheerder toont desgevraagd aan een spoorwegonderneming als bedoeld in [artikel 62, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=4&paragraaf=6&artikel=62&z=2021-07-01&g=2021-07-01), aan dat de overeenkomstig artikel 62 vastgestelde vergoeding en heffingen die aan die spoorwegonderneming in rekening zijn gebracht, voldoen aan de bij of krachtens artikel 62, eerste tot en met zevende lid, gestelde regels en aan de methode van toerekening, bedoeld in het eerste lid.
5. De beheerder wendt de door hem ontvangen vergoedingen, bedoeld in [artikel 62, eerste, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=4&paragraaf=6&artikel=62&z=2021-07-01&g=2021-07-01), aan om zijn onderneming van middelen te voorzien.
#### § 2. Netverklaring
@@ -1002,9 +1002,11 @@
1. Onze Minister kan onderzoek verrichten naar de oorzaken van ongevallen en incidenten op hoofdspoorwegen en naar andere onregelmatigheden in de afwikkeling van het spoorverkeer waardoor de veiligheid van het spoorverkeer of van daarbij betrokken personen in gevaar is gebracht of in gevaar gebracht had kunnen worden, indien hij dit onderzoek nodig acht ter evaluatie van de wettelijke voorschriften en het beleid op het terrein van de veiligheid van het spoorverkeer.
2. Ten behoeve van het onderzoek hebben de door Onze Minister aangewezen ambtenaren jegens spoorwegondernemingen en de beheerder de bevoegdheden, bedoeld in de [artikelen 5:15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=5:15) tot en met [5:19 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=5:19). De [artikelen 5:12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=5:12), [5:13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=5:13) en [5:20 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=5:20) zijn van overeenkomstige toepassing.
3. Onze Minister onthoudt zich van het onderzoek naar de oorzaken van ongevallen en incidenten op hoofdspoorwegen voorzover de Onderzoeksraad voor veiligheid naar het betreffende voorval een onderzoek instelt.
2. Ten behoeve van het onderzoek hebben de door Onze Minister aangewezen ambtenaren jegens spoorwegondernemingen en de beheerder de bevoegdheden, bedoeld in de [artikelen 5:15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=5:15) tot en met [5:19 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=5:19). De [artikelen 5:12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=5:12), [5:13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=5:13) en [5:20, eerste en tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=5:20) zijn van overeenkomstige toepassing.
3. Onze Minister is bevoegd tot overeenkomstige toepassing van [artikel 5:20, derde lid, van de Algemeen wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=5:20) ter handhaving van het tweede lid.
4. Onze Minister onthoudt zich van het onderzoek naar de oorzaken van ongevallen en incidenten op hoofdspoorwegen voorzover de Onderzoeksraad voor veiligheid naar het betreffende voorval een onderzoek instelt.
### Hoofdstuk 5. Toegang tot bijkomende diensten en voorzieningen
@@ -1032,7 +1034,7 @@
##### Artikel 68
1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de voorwaarden en methoden voor berekening van vergoedingen die exploitanten van dienstvoorzieningen aan spoorwegondernemingen in rekening brengen voor het verlenen van toegang tot spoorweginfrastructuur en dienstvoorzieningen als bedoeld in [artikel 67, eerste lid, onderdelen a en b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=5&paragraaf=1&artikel=67&z=2021-06-30&g=2021-06-30), alsmede voor het verlenen van diensten in dienstvoorzieningen of diensten als bedoeld in artikel 67, eerste lid, onderdeel c.
1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de voorwaarden en methoden voor berekening van vergoedingen die exploitanten van dienstvoorzieningen aan spoorwegondernemingen in rekening brengen voor het verlenen van toegang tot spoorweginfrastructuur en dienstvoorzieningen als bedoeld in [artikel 67, eerste lid, onderdelen a en b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=5&paragraaf=1&artikel=67&z=2021-07-01&g=2021-07-01), alsmede voor het verlenen van diensten in dienstvoorzieningen of diensten als bedoeld in artikel 67, eerste lid, onderdeel c.
2. Bij de regels, bedoeld in het eerste lid, kan onderscheid worden gemaakt naar soort exploitant van een dienstvoorziening, soort spoorweginfrastructuur, soort dienstvoorziening en soort dienst. Die regels kunnen in ieder geval inhouden dat een exploitant van een dienstvoorziening een gescheiden boekhouding of een afzonderlijke administratie binnen de boekhouding voert en deze ter inzage legt.
@@ -1048,7 +1050,7 @@
##### Artikel 69
1. Behoudens [artikel 70, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=6&paragraaf=2&artikel=70&z=2021-06-30&g=2021-06-30), zijn met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze wet belast de bij besluit van Onze Minister daartoe aangewezen personen.
1. Behoudens [artikel 70, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=6&paragraaf=2&artikel=70&z=2021-07-01&g=2021-07-01), zijn met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze wet belast de bij besluit van Onze Minister daartoe aangewezen personen.
2. Een besluit als bedoeld in het eerste lid bevat een aanduiding van de voorschriften op naleving waarvan toezicht wordt gehouden.
@@ -1060,7 +1062,7 @@
1. De Autoriteit Consument en Markt is de toezichthoudende instantie, bedoeld in artikel 55 van richtlijn 2012/34/EU.
2. De Autoriteit Consument en Markt is belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de [artikelen 16a tot en met 16e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2&paragraaf=4&artikel=16a&z=2021-06-30&g=2021-06-30), van van het bepaalde krachtens [artikel 17, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2&paragraaf=4&artikel=17&z=2021-06-30&g=2021-06-30), en het bepaalde bij of krachtens de [artikelen 27, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=1&artikel=27&z=2021-06-30&g=2021-06-30), [56](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=4&paragraaf=1&artikel=56&z=2021-06-30&g=2021-06-30), [57 tot en met 63, eerste tot en met vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=4&paragraaf=1&artikel=57&z=2021-06-30&g=2021-06-30), [67](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=5&paragraaf=1&artikel=67&z=2021-06-30&g=2021-06-30), [68, eerste tot en met derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=5&paragraaf=1&artikel=68&z=2021-06-30&g=2021-06-30), [68a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=5&paragraaf=1&artikel=68a&z=2021-06-30&g=2021-06-30) en [68c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=5&paragraaf=2&artikel=68c&z=2021-06-30&g=2021-06-30),.
2. De Autoriteit Consument en Markt is belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de [artikelen 16a tot en met 16e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2&paragraaf=4&artikel=16a&z=2021-07-01&g=2021-07-01), van van het bepaalde krachtens [artikel 17, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2&paragraaf=4&artikel=17&z=2021-07-01&g=2021-07-01), en het bepaalde bij of krachtens de [artikelen 27, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=1&artikel=27&z=2021-07-01&g=2021-07-01), [56](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=4&paragraaf=1&artikel=56&z=2021-07-01&g=2021-07-01), [57 tot en met 63, eerste tot en met vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=4&paragraaf=1&artikel=57&z=2021-07-01&g=2021-07-01), [67](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=5&paragraaf=1&artikel=67&z=2021-07-01&g=2021-07-01), [68, eerste tot en met derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=5&paragraaf=1&artikel=68&z=2021-07-01&g=2021-07-01), [68a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=5&paragraaf=1&artikel=68a&z=2021-07-01&g=2021-07-01) en [68c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=5&paragraaf=2&artikel=68c&z=2021-07-01&g=2021-07-01),.
3. De Autoriteit Consument en Markt stelt een redelijke termijn als bedoeld in artikel 13, vierde lid, van richtlijn 2012/34/EU vast, die in de Staatscourant wordt bekendgemaakt.
@@ -1070,7 +1072,7 @@
6. De Autoriteit Consument en Markt consulteert in ieder geval om de twee jaar de vertegenwoordigers van de gebruikers van goederen- en personenvervoerdiensten.
7. Op verzoek van de Autoriteit Consument en Markt verstrekken de beheerder en een exploitant van een dienstvoorziening alle gegevens en bescheiden over de door hen aan spoorwegondernemingen in rekening gebrachte vergoedingen, zoals vastgesteld overeenkomstig [artikel 62, eerste tot en met achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=4&paragraaf=6&artikel=62&z=2021-06-30&g=2021-06-30), respectievelijk over de vergoedingen, bedoeld in [artikel 68](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=5&paragraaf=1&artikel=68&z=2021-06-30&g=2021-06-30).
7. Op verzoek van de Autoriteit Consument en Markt verstrekken de beheerder en een exploitant van een dienstvoorziening alle gegevens en bescheiden over de door hen aan spoorwegondernemingen in rekening gebrachte vergoedingen, zoals vastgesteld overeenkomstig [artikel 62, eerste tot en met achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=4&paragraaf=6&artikel=62&z=2021-07-01&g=2021-07-01), respectievelijk over de vergoedingen, bedoeld in [artikel 68](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=5&paragraaf=1&artikel=68&z=2021-07-01&g=2021-07-01).
8. Op verzoek van de Autoriteit Consument en Markt verstrekt een spoorwegonderneming of een exploitant van een dienstvoorziening die bij of krachtens deze wet verplicht is om een boekhoudkundige scheiding of een gescheiden administratie binnen de boekhouding te voeren de in bijlage VIII van richtlijn 2012/34/EU bedoelde informatie voor zover die informatie nodig is in het kader van de uitoefening van de taken, bedoeld in het tweede lid.
@@ -1078,7 +1080,7 @@
##### Artikel 71
1. Een gerechtigde als bedoeld in [artikel 57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=4&paragraaf=1&artikel=57&z=2021-06-30&g=2021-06-30), een spoorwegonderneming, een partij bij een toegangsovereenkomst of een kaderovereenkomst als bedoeld in [hoofdstuk 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=4&z=2021-06-30&g=2021-06-30) of een andere betrokken partij kan bij de Autoriteit Consument en Markt schriftelijk een aanvraag indienen om te onderzoeken of door een beheerder, een exploitant van een dienstvoorziening, een spoorwegonderneming jegens de aanvrager sprake is van:
1. Een gerechtigde als bedoeld in [artikel 57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=4&paragraaf=1&artikel=57&z=2021-07-01&g=2021-07-01), een spoorwegonderneming, een partij bij een toegangsovereenkomst of een kaderovereenkomst als bedoeld in [hoofdstuk 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=4&z=2021-07-01&g=2021-07-01) of een andere betrokken partij kan bij de Autoriteit Consument en Markt schriftelijk een aanvraag indienen om te onderzoeken of door een beheerder, een exploitant van een dienstvoorziening, een spoorwegonderneming jegens de aanvrager sprake is van:
- a. oneerlijke behandeling, discriminatie of anderszins van benadeling als bedoeld in artikel 56, eerste lid, van richtlijn 2012/34/EU;
@@ -1120,7 +1122,7 @@
1. Onze Minister is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang ter handhaving van de bij of krachtens deze wet gestelde verplichtingen met uitzondering van de verplichtingen als bedoeld in het tweede lid.
2. In geval van overtreding van het bepaalde krachtens [artikel 17, eerste lid, onderdeel d, en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2&paragraaf=4&artikel=17&z=2021-06-30&g=2021-06-30) of het bepaalde bij of krachtens de [artikelen 16a tot en met 16e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2&paragraaf=4&artikel=16a&z=2021-06-30&g=2021-06-30)[27, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=1&artikel=27&z=2021-06-30&g=2021-06-30), [56](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=4&paragraaf=1&artikel=56&z=2021-06-30&g=2021-06-30), [57 tot en met 62, eerste tot en met achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=4&paragraaf=1&artikel=57&z=2021-06-30&g=2021-06-30), [63, eerste lid, tweede lid, eerste volzin, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=4&paragraaf=6&artikel=63&z=2021-06-30&g=2021-06-30), [67](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=5&paragraaf=1&artikel=67&z=2021-06-30&g=2021-06-30), [68, eerste tot en met derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=5&paragraaf=1&artikel=68&z=2021-06-30&g=2021-06-30), [68a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=5&paragraaf=1&artikel=68a&z=2021-06-30&g=2021-06-30), [68c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=5&paragraaf=2&artikel=68c&z=2021-06-30&g=2021-06-30), [70, zevende tot en met negende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=6&paragraaf=2&artikel=70&z=2021-06-30&g=2021-06-30), kan de Autoriteit Consument en Markt de overtreder:
2. In geval van overtreding van het bepaalde krachtens [artikel 17, eerste lid, onderdeel d, en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2&paragraaf=4&artikel=17&z=2021-07-01&g=2021-07-01) of het bepaalde bij of krachtens de [artikelen 16a tot en met 16e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2&paragraaf=4&artikel=16a&z=2021-07-01&g=2021-07-01)[27, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=1&artikel=27&z=2021-07-01&g=2021-07-01), [56](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=4&paragraaf=1&artikel=56&z=2021-07-01&g=2021-07-01), [57 tot en met 62, eerste tot en met achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=4&paragraaf=1&artikel=57&z=2021-07-01&g=2021-07-01), [63, eerste lid, tweede lid, eerste volzin, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=4&paragraaf=6&artikel=63&z=2021-07-01&g=2021-07-01), [67](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=5&paragraaf=1&artikel=67&z=2021-07-01&g=2021-07-01), [68, eerste tot en met derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=5&paragraaf=1&artikel=68&z=2021-07-01&g=2021-07-01), [68a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=5&paragraaf=1&artikel=68a&z=2021-07-01&g=2021-07-01), [68c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=5&paragraaf=2&artikel=68c&z=2021-07-01&g=2021-07-01), [70, zevende tot en met negende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=6&paragraaf=2&artikel=70&z=2021-07-01&g=2021-07-01), kan de Autoriteit Consument en Markt de overtreder:
- a. een bestuurlijke boete opleggen;
@@ -1130,11 +1132,11 @@
##### Artikel 77
1. Onze Minister kan een bestuurlijke boete opleggen ter zake van overtreding van de [artikelen 19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2&paragraaf=4&artikel=19&z=2021-06-30&g=2021-06-30), [26a, eerste, tweede en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=1&artikel=26a&z=2021-06-30&g=2021-06-30), [26c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=2&artikel=26c&z=2021-06-30&g=2021-06-30), [26ca, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=2&artikel=26ca&z=2021-06-30&g=2021-06-30), [26k, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=5&artikel=26k&z=2021-06-30&g=2021-06-30), [26q, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=6&artikel=26q&z=2021-06-30&g=2021-06-30), [26r, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=6&artikel=26r&z=2021-06-30&g=2021-06-30), [26s, tiende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=6&artikel=26s&z=2021-06-30&g=2021-06-30), [26y](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=7&artikel=26y&z=2021-06-30&g=2021-06-30), [26aa, derde lid, laatste volzin, en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=8&artikel=26aa&z=2021-06-30&g=2021-06-30), [51, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=5&artikel=51&z=2021-06-30&g=2021-06-30), [53](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=5&artikel=53&z=2021-06-30&g=2021-06-30), [65, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=4&paragraaf=7&artikel=65&z=2021-06-30&g=2021-06-30), [74a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=6&paragraaf=2a&artikel=74a&z=2021-06-30&g=2021-06-30), [96, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=6&paragraaf=10&artikel=96&z=2021-06-30&g=2021-06-30), en [96a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=6&paragraaf=10&artikel=96a&z=2021-06-30&g=2021-06-30), alsmede ter zake van de overtreding van de krachtens de [hoofdstukken 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=1&z=2021-06-30&g=2021-06-30), [2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2&z=2021-06-30&g=2021-06-30), [2a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&z=2021-06-30&g=2021-06-30) en de [artikelen 35](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=3&artikel=35&z=2021-06-30&g=2021-06-30), [64, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=4&paragraaf=7&artikel=64&z=2021-06-30&g=2021-06-30), [65, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=4&paragraaf=7&artikel=65&z=2021-06-30&g=2021-06-30), [81, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=6&paragraaf=3a&artikel=81&z=2021-06-30&g=2021-06-30), en [hoofdstuk 6, paragraaf 9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=6&paragraaf=9&z=2021-06-30&g=2021-06-30) vastgestelde voorschriften, voor zover die overtreding daarbij uitdrukkelijk als beboetbaar feit is aangemerkt.
1. Onze Minister kan een bestuurlijke boete opleggen ter zake van overtreding van de [artikelen 19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2&paragraaf=4&artikel=19&z=2021-07-01&g=2021-07-01), [26a, eerste, tweede en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=1&artikel=26a&z=2021-07-01&g=2021-07-01), [26c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=2&artikel=26c&z=2021-07-01&g=2021-07-01), [26ca, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=2&artikel=26ca&z=2021-07-01&g=2021-07-01), [26k, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=5&artikel=26k&z=2021-07-01&g=2021-07-01), [26q, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=6&artikel=26q&z=2021-07-01&g=2021-07-01), [26r, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=6&artikel=26r&z=2021-07-01&g=2021-07-01), [26s, tiende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=6&artikel=26s&z=2021-07-01&g=2021-07-01), [26y](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=7&artikel=26y&z=2021-07-01&g=2021-07-01), [26aa, derde lid, laatste volzin, en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=8&artikel=26aa&z=2021-07-01&g=2021-07-01), [51, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=5&artikel=51&z=2021-07-01&g=2021-07-01), [53](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=5&artikel=53&z=2021-07-01&g=2021-07-01), [65, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=4&paragraaf=7&artikel=65&z=2021-07-01&g=2021-07-01), [74a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=6&paragraaf=2a&artikel=74a&z=2021-07-01&g=2021-07-01), [96, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=6&paragraaf=10&artikel=96&z=2021-07-01&g=2021-07-01), en [96a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=6&paragraaf=10&artikel=96a&z=2021-07-01&g=2021-07-01), alsmede ter zake van de overtreding van de krachtens de [hoofdstukken 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=1&z=2021-07-01&g=2021-07-01), [2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2&z=2021-07-01&g=2021-07-01), [2a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&z=2021-07-01&g=2021-07-01) en de [artikelen 35](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=3&artikel=35&z=2021-07-01&g=2021-07-01), [64, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=4&paragraaf=7&artikel=64&z=2021-07-01&g=2021-07-01), [65, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=4&paragraaf=7&artikel=65&z=2021-07-01&g=2021-07-01), [81, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=6&paragraaf=3a&artikel=81&z=2021-07-01&g=2021-07-01), en [hoofdstuk 6, paragraaf 9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=6&paragraaf=9&z=2021-07-01&g=2021-07-01) vastgestelde voorschriften, voor zover die overtreding daarbij uitdrukkelijk als beboetbaar feit is aangemerkt.
2. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de uitoefening van de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid.
3. Een overtreding die krachtens het eerste lid als beboetbaar feit is aangemerkt, wordt niet tevens als strafbaar feit krachtens [artikel 87, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=6&paragraaf=4&artikel=87&z=2021-06-30&g=2021-06-30), aangemerkt.
3. Een overtreding die krachtens het eerste lid als beboetbaar feit is aangemerkt, wordt niet tevens als strafbaar feit krachtens [artikel 87, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=6&paragraaf=4&artikel=87&z=2021-07-01&g=2021-07-01), aangemerkt.
##### Artikel 78
@@ -1146,7 +1148,7 @@
##### Artikel 80
1. De bestuurlijke boete die ten hoogste voor een overtreding als bedoeld in [artikel 77, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=6&paragraaf=3&artikel=77&z=2021-06-30&g=2021-06-30), kan worden opgelegd, is indien begaan door:
1. De bestuurlijke boete die ten hoogste voor een overtreding als bedoeld in [artikel 77, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=6&paragraaf=3&artikel=77&z=2021-07-01&g=2021-07-01), kan worden opgelegd, is indien begaan door:
- a. een natuurlijke persoon, niet zijnde een onderneming, gelijk aan de geldsom van ten hoogste € 5.700,–;
@@ -1164,13 +1166,13 @@
##### Artikel 81
1. Bij ministeriële regeling kunnen voor de goede uitvoering van bindende EU-rechtshandelingen van algemene strekking van de Europese Commissie over het gebruik of beheer van spoorwegen en het vervoer daarover in ieder geval regels worden gesteld met betrekking tot het toezicht, de toezichthoudende instantie en het van toepassing verklaren van de [artikelen 76](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=6&paragraaf=3&artikel=76&z=2021-06-30&g=2021-06-30), [77](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=6&paragraaf=3&artikel=77&z=2021-06-30&g=2021-06-30) of [80](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=6&paragraaf=3&artikel=80&z=2021-06-30&g=2021-06-30).
1. Bij ministeriële regeling kunnen voor de goede uitvoering van bindende EU-rechtshandelingen van algemene strekking van de Europese Commissie over het gebruik of beheer van spoorwegen en het vervoer daarover in ieder geval regels worden gesteld met betrekking tot het toezicht, de toezichthoudende instantie en het van toepassing verklaren van de [artikelen 76](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=6&paragraaf=3&artikel=76&z=2021-07-01&g=2021-07-01), [77](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=6&paragraaf=3&artikel=77&z=2021-07-01&g=2021-07-01) of [80](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=6&paragraaf=3&artikel=80&z=2021-07-01&g=2021-07-01).
2. Het is verboden te handelen in strijd met de bij ministeriële regeling aangewezen voorschriften die krachtens bindende EU-rechtshandelingen zijn vastgesteld over een onderwerp als bedoeld in het eerste lid.
##### Artikel 82
Onze Minister is bevoegd om audits te verrichten bij, dan wel relevante informatie te verlangen van, een actor als bedoeld in [artikel 3a, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=1&artikel=3a&z=2021-06-30&g=2021-06-30).
Onze Minister is bevoegd om audits te verrichten bij, dan wel relevante informatie te verlangen van, een actor als bedoeld in [artikel 3a, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=1&artikel=3a&z=2021-07-01&g=2021-07-01).
##### Artikel 83
@@ -1196,21 +1198,21 @@
##### Artikel 87
1. Overtreding van [artikel 4, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=1&artikel=4&z=2021-06-30&g=2021-06-30), en [artikel 22, eerste lid, onderdelen c en d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2&paragraaf=4&artikel=22&z=2021-06-30&g=2021-06-30), alsmede overtreding van de krachtens de [hoofdstukken 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=1&z=2021-06-30&g=2021-06-30), [2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2&z=2021-06-30&g=2021-06-30) en [2a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&z=2021-06-30&g=2021-06-30) en de [artikelen 64, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=4&paragraaf=7&artikel=64&z=2021-06-30&g=2021-06-30), [65, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=4&paragraaf=7&artikel=65&z=2021-06-30&g=2021-06-30), en [hoofdstuk 6, paragraaf 9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=6&paragraaf=9&z=2021-06-30&g=2021-06-30), vastgestelde voorschriften, voor zover die overtreding daarbij uitdrukkelijk als strafbaar feit is aangemerkt, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste twee maanden of geldboete van de tweede categorie.
2. Overtreding van de [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=1&artikel=3&z=2021-06-30&g=2021-06-30) en [22, eerste lid, onderdelen a en b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2&paragraaf=4&artikel=22&z=2021-06-30&g=2021-06-30), alsmede overtreding van de krachtens [hoofdstuk 6, paragraaf 9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=6&paragraaf=9&z=2021-06-30&g=2021-06-30), vastgestelde voorschriften, voor zover die overtreding daarbij uitdrukkelijk als strafbaar feit is aangemerkt, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de derde categorie.
3. Overtreding van [artikel 4, eerste, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=1&artikel=4&z=2021-06-30&g=2021-06-30), [artikel 88, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=6&paragraaf=4&artikel=88&z=2021-06-30&g=2021-06-30), [artikel 89, tweede, zesde, achtste en negende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=6&paragraaf=4&artikel=89&z=2021-06-30&g=2021-06-30), wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de vierde categorie.
4. Bij veroordeling van een persoon die een veiligheidsfunctie uitoefent, wegens overtreding van [artikel 4, eerste of tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=1&artikel=4&z=2021-06-30&g=2021-06-30), kan hem de bevoegdheid tot het uitoefenen van die functie voor ten hoogste vijf jaren worden ontzegd.
5. Een overtreding die krachtens het eerste lid als strafbaar feit is aangemerkt, wordt niet tevens als beboetbaar feit krachtens [artikel 77, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=6&paragraaf=3&artikel=77&z=2021-06-30&g=2021-06-30), aangemerkt.
1. Overtreding van [artikel 4, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=1&artikel=4&z=2021-07-01&g=2021-07-01), en [artikel 22, eerste lid, onderdelen c en d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2&paragraaf=4&artikel=22&z=2021-07-01&g=2021-07-01), alsmede overtreding van de krachtens de [hoofdstukken 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=1&z=2021-07-01&g=2021-07-01), [2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2&z=2021-07-01&g=2021-07-01) en [2a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&z=2021-07-01&g=2021-07-01) en de [artikelen 64, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=4&paragraaf=7&artikel=64&z=2021-07-01&g=2021-07-01), [65, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=4&paragraaf=7&artikel=65&z=2021-07-01&g=2021-07-01), en [hoofdstuk 6, paragraaf 9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=6&paragraaf=9&z=2021-07-01&g=2021-07-01), vastgestelde voorschriften, voor zover die overtreding daarbij uitdrukkelijk als strafbaar feit is aangemerkt, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste twee maanden of geldboete van de tweede categorie.
2. Overtreding van de [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=1&artikel=3&z=2021-07-01&g=2021-07-01) en [22, eerste lid, onderdelen a en b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2&paragraaf=4&artikel=22&z=2021-07-01&g=2021-07-01), alsmede overtreding van de krachtens [hoofdstuk 6, paragraaf 9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=6&paragraaf=9&z=2021-07-01&g=2021-07-01), vastgestelde voorschriften, voor zover die overtreding daarbij uitdrukkelijk als strafbaar feit is aangemerkt, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de derde categorie.
3. Overtreding van [artikel 4, eerste, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=1&artikel=4&z=2021-07-01&g=2021-07-01), [artikel 88, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=6&paragraaf=4&artikel=88&z=2021-07-01&g=2021-07-01), [artikel 89, tweede, zesde, achtste en negende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=6&paragraaf=4&artikel=89&z=2021-07-01&g=2021-07-01), wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de vierde categorie.
4. Bij veroordeling van een persoon die een veiligheidsfunctie uitoefent, wegens overtreding van [artikel 4, eerste of tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=1&artikel=4&z=2021-07-01&g=2021-07-01), kan hem de bevoegdheid tot het uitoefenen van die functie voor ten hoogste vijf jaren worden ontzegd.
5. Een overtreding die krachtens het eerste lid als strafbaar feit is aangemerkt, wordt niet tevens als beboetbaar feit krachtens [artikel 77, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=6&paragraaf=3&artikel=77&z=2021-07-01&g=2021-07-01), aangemerkt.
6. De feiten strafbaar gesteld bij dan wel krachtens de in het eerste en tweede lid bedoelde bepalingen zijn overtredingen. De in het derde lid strafbaar gestelde feiten zijn misdrijven.
##### Artikel 88
1. Een van de bij of krachtens [artikel 86 van deze wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=6&paragraaf=4&artikel=86&z=2021-06-30&g=2021-06-30) of [artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=141) met de opsporing van strafbare feiten belaste ambtenaren, kan een in [artikel 4, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=1&artikel=4&z=2021-06-30&g=2021-06-30), bedoelde persoon van wie, uit het in [artikel 4, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=1&artikel=4&z=2021-06-30&g=2021-06-30), bedoelde onderzoek of op andere wijze, naar het oordeel van die ambtenaar gebleken is dat hij onder zodanige invloed van het gebruik van een stof als bedoeld in [artikel 4, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=1&artikel=4&z=2021-06-30&g=2021-06-30), verkeert, dat hij onvoldoende in staat is een veiligheidsfunctie uit te oefenen dan wel op de uitoefening van zodanige functie toezicht te houden, een verbod opleggen tot het uitoefenen van die functie of tot het houden van toezicht daarop, voor de tijd gedurende welke redelijkerwijs verwacht mag worden dat deze toestand zal voortduren tot ten hoogste vierentwintig uur. De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing op degene die aanstalten maakt een veiligheidsfunctie te gaan uitoefenen dan wel op de uitoefening van zodanige functie toezicht te houden.
1. Een van de bij of krachtens [artikel 86 van deze wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=6&paragraaf=4&artikel=86&z=2021-07-01&g=2021-07-01) of [artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=141) met de opsporing van strafbare feiten belaste ambtenaren, kan een in [artikel 4, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=1&artikel=4&z=2021-07-01&g=2021-07-01), bedoelde persoon van wie, uit het in [artikel 4, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=1&artikel=4&z=2021-07-01&g=2021-07-01), bedoelde onderzoek of op andere wijze, naar het oordeel van die ambtenaar gebleken is dat hij onder zodanige invloed van het gebruik van een stof als bedoeld in [artikel 4, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=1&artikel=4&z=2021-07-01&g=2021-07-01), verkeert, dat hij onvoldoende in staat is een veiligheidsfunctie uit te oefenen dan wel op de uitoefening van zodanige functie toezicht te houden, een verbod opleggen tot het uitoefenen van die functie of tot het houden van toezicht daarop, voor de tijd gedurende welke redelijkerwijs verwacht mag worden dat deze toestand zal voortduren tot ten hoogste vierentwintig uur. De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing op degene die aanstalten maakt een veiligheidsfunctie te gaan uitoefenen dan wel op de uitoefening van zodanige functie toezicht te houden.
2. De ambtenaar die een verbod als bedoeld in het eerste lid oplegt, legt dit vast in een beschikking die het tijdstip van ingang en de duur van het verbod bevat.
@@ -1218,13 +1220,13 @@
##### Artikel 89
1. Bij verdenking dat een persoon heeft gehandeld in strijd met [artikel 4, eerste, tweede of derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=1&artikel=4&z=2021-06-30&g=2021-06-30), kan de in [artikel 88, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=6&paragraaf=4&artikel=88&z=2021-06-30&g=2021-06-30), bedoelde ambtenaar hem bevelen zijn medewerking te verlenen aan een onderzoek als bedoeld in [artikel 4, tweede lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=1&artikel=4&z=2021-06-30&g=2021-06-30).
1. Bij verdenking dat een persoon heeft gehandeld in strijd met [artikel 4, eerste, tweede of derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=1&artikel=4&z=2021-07-01&g=2021-07-01), kan de in [artikel 88, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=6&paragraaf=4&artikel=88&z=2021-07-01&g=2021-07-01), bedoelde ambtenaar hem bevelen zijn medewerking te verlenen aan een onderzoek als bedoeld in [artikel 4, tweede lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=1&artikel=4&z=2021-07-01&g=2021-07-01).
2. Degene aan wie het in het eerste lid bedoelde bevel is gegeven, is verplicht ademlucht te blazen in een voor het onderzoek bestemd apparaat en gevolg te geven aan alle door de betrokken ambtenaar ten dienste van het onderzoek gegeven aanwijzingen.
3. De in het tweede lid genoemde verplichtingen gelden niet voor de verdachte van wie aannemelijk is, dat het verlenen van medewerking aan een ademonderzoek voor hem om bijzondere geneeskundige redenen onwenselijk is.
4. In het geval, bedoeld in het derde lid, dan wel indien de medewerking van de verdachte niet heeft geleid tot een voltooid ademonderzoek, kan de betrokken ambtenaar de verdachte vragen of hij zijn toestemming geeft tot het verrichten van een onderzoek als bedoeld in [artikel 4, tweede lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=1&artikel=4&z=2021-06-30&g=2021-06-30). Gelijke bevoegdheid heeft de betrokken ambtenaar, indien het vermoeden bestaat dat de verdachte onder invloed van een andere in [artikel 4, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=1&artikel=4&z=2021-06-30&g=2021-06-30), bedoelde stof dan alcoholhoudende drank verkeert.
4. In het geval, bedoeld in het derde lid, dan wel indien de medewerking van de verdachte niet heeft geleid tot een voltooid ademonderzoek, kan de betrokken ambtenaar de verdachte vragen of hij zijn toestemming geeft tot het verrichten van een onderzoek als bedoeld in [artikel 4, tweede lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=1&artikel=4&z=2021-07-01&g=2021-07-01). Gelijke bevoegdheid heeft de betrokken ambtenaar, indien het vermoeden bestaat dat de verdachte onder invloed van een andere in [artikel 4, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=1&artikel=4&z=2021-07-01&g=2021-07-01), bedoelde stof dan alcoholhoudende drank verkeert.
5. Indien de verdachte zijn op grond van het vierde lid gevraagde toestemming niet verleent, kan de officier van justitie, een hulpofficier van justitie of een van de daartoe bij regeling van Onze Minister van Justitie aangewezen ambtenaren van politie, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, hem bevelen zich te onderwerpen aan een bloedonderzoek.
@@ -1232,11 +1234,11 @@
7. De in het zesde lid genoemde verplichtingen gelden niet voor de verdachte van wie aannemelijk is, dat afname van bloed bij hem om bijzondere geneeskundige redenen onwenselijk is.
8. De krachtens het zevende lid van de in het zesde lid genoemde verplichtingen vrijgestelde personen zijn verplicht mee te werken aan een door de officier van justitie, door een hulpofficier van justitie of door een van de daartoe bij regeling van Onze Minister van Justitie aangewezen ambtenaren, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, bevolen onderzoek ten einde op andere wijze dan door bloed- of ademonderzoek het gebruik van de in [artikel 4, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=1&artikel=4&z=2021-06-30&g=2021-06-30), bedoelde stoffen of het in [artikel 4, tweede lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=1&artikel=4&z=2021-06-30&g=2021-06-30), genoemde gehalte vast te stellen.
8. De krachtens het zevende lid van de in het zesde lid genoemde verplichtingen vrijgestelde personen zijn verplicht mee te werken aan een door de officier van justitie, door een hulpofficier van justitie of door een van de daartoe bij regeling van Onze Minister van Justitie aangewezen ambtenaren, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, bevolen onderzoek ten einde op andere wijze dan door bloed- of ademonderzoek het gebruik van de in [artikel 4, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=1&artikel=4&z=2021-07-01&g=2021-07-01), bedoelde stoffen of het in [artikel 4, tweede lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=1&artikel=4&z=2021-07-01&g=2021-07-01), genoemde gehalte vast te stellen.
9. Indien de verdachte niet in staat is zijn wil kenbaar te maken, kan hem met toestemming van de officier van justitie, een hulpofficier van justitie of een van de daartoe bij regeling van Onze Minister van Justitie aangewezen ambtenaren, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, door een arts de in het zesde lid bedoelde hoeveelheid bloed worden afgenomen, tenzij aannemelijk is dat dit bij hem om bijzondere geneeskundige redenen onwenselijk is. Een onderzoek van het bloed vindt niet plaats dan nadat de verdachte in de gelegenheid is gesteld zijn toestemming daartoe te geven. Zo nodig kan hem overeenkomstig het vijfde lid worden bevolen zijn medewerking te verlenen. De verdachte aan wie een zodanig bevel is gegeven, is verplicht zijn medewerking te verlenen. Indien de verdachte weigert zijn medewerking te verlenen, wordt het bloedmonster vernietigd.
10. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de wijze van uitvoering van [artikel 4, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=1&artikel=4&z=2021-06-30&g=2021-06-30), en van dit artikel. Deze regels kunnen mede betrekking hebben op de mogelijkheid tot het doen verrichten van een tegenonderzoek. Bij regeling van Onze Minister van Justitie worden in de bij die algemene maatregel van bestuur aangegeven gevallen voorschriften ter uitvoering van die regels vastgesteld.
10. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de wijze van uitvoering van [artikel 4, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=1&artikel=4&z=2021-07-01&g=2021-07-01), en van dit artikel. Deze regels kunnen mede betrekking hebben op de mogelijkheid tot het doen verrichten van een tegenonderzoek. Bij regeling van Onze Minister van Justitie worden in de bij die algemene maatregel van bestuur aangegeven gevallen voorschriften ter uitvoering van die regels vastgesteld.
#### § 2. De Autoriteit Consument en Markt
@@ -1248,7 +1250,7 @@
##### Artikel 91
1. Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat aan het betrokken bestuursorgaan een vergoeding verschuldigd is volgens de daarbij vast te stellen tarieven ter zake van het overeenkomstig deze wet aanvragen of verstrekken van een bij of krachtens deze wet te nemen besluit, te verstrekken certificaat, ander document, beoordeling of verklaring of te verrichten inschrijving of wijziging van die inschrijving in het register, bedoeld in [artikel 26aa, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=8&artikel=26aa&z=2021-06-30&g=2021-06-30). Voorgaande volzin is van overeenkomstige toepassing indien de handeling voortvloeit uit een bindende verordening als bedoeld in artikel 288 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.
1. Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat aan het betrokken bestuursorgaan een vergoeding verschuldigd is volgens de daarbij vast te stellen tarieven ter zake van het overeenkomstig deze wet aanvragen of verstrekken van een bij of krachtens deze wet te nemen besluit, te verstrekken certificaat, ander document, beoordeling of verklaring of te verrichten inschrijving of wijziging van die inschrijving in het register, bedoeld in [artikel 26aa, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=8&artikel=26aa&z=2021-07-01&g=2021-07-01). Voorgaande volzin is van overeenkomstige toepassing indien de handeling voortvloeit uit een bindende verordening als bedoeld in artikel 288 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.
2. De hoogte van de krachtens het eerste lid vastgestelde tarieven wordt zodanig vastgesteld dat de geraamde baten van de vergoedingen voor het betrokken bestuursorgaan niet uitgaan boven de geraamde lasten van het betrokken bestuursorgaan ter zake van de behandelingen van de aanvragen en het verstrekken van de besluiten en documenten, bedoeld in het eerste lid.
@@ -1476,11 +1478,11 @@
1. Onze Minister verleent op aanvraag een machinistenvergunning indien de machinist:
- a. voldoet aan de krachtens [artikel 49, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=5&artikel=49&z=2021-06-30&g=2021-06-30), vastgestelde eisen inzake minimumleeftijd;
- b. beschikt over een geldige verklaring van medische geschiktheid en een geldige verklaring van psychologische geschiktheid als bedoeld in [artikel 50, tweede lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=5&artikel=50&z=2021-06-30&g=2021-06-30), en
- c. beschikt over een geldige beoordeling van Onze Minister waaruit blijkt dat hij voldoet aan de krachtens [artikel 49, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=5&artikel=49&z=2021-06-30&g=2021-06-30), vastgestelde eisen inzake algemene kennis en vaardigheden voor de veiligheidsfunctie van machinist met volledige bevoegdheid respectievelijk van machinist met beperkte bevoegdheid.
- a. voldoet aan de krachtens [artikel 49, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=5&artikel=49&z=2021-07-01&g=2021-07-01), vastgestelde eisen inzake minimumleeftijd;
- b. beschikt over een geldige verklaring van medische geschiktheid en een geldige verklaring van psychologische geschiktheid als bedoeld in [artikel 50, tweede lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=5&artikel=50&z=2021-07-01&g=2021-07-01), en
- c. beschikt over een geldige beoordeling van Onze Minister waaruit blijkt dat hij voldoet aan de krachtens [artikel 49, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=5&artikel=49&z=2021-07-01&g=2021-07-01), vastgestelde eisen inzake algemene kennis en vaardigheden voor de veiligheidsfunctie van machinist met volledige bevoegdheid respectievelijk van machinist met beperkte bevoegdheid.
2. Onze Minister schorst of trekt de machinistenvergunning in, indien de machinist niet langer beschikt over een geldige verklaring van medische geschiktheid of een geldige verklaring van psychologische geschiktheid.
@@ -1488,9 +1490,9 @@
4. Degene onder wiens gezag de veiligheidsfunctie van machinist met volledige bevoegdheid of van machinist met beperkte bevoegdheid wordt uitgeoefend, verstrekt aan een machinist een bevoegdheidsbewijs indien deze:
- a. voldoet aan de krachtens [artikel 49, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=5&artikel=49&z=2021-06-30&g=2021-06-30), vastgestelde eisen inzake taalbeheersing;
- b. beschikt over een geldige beoordeling van degene onder wiens gezag de veiligheidsfunctie, bedoeld in de aanhef, wordt uitgeoefend waaruit blijkt dat hij voldoet aan de krachtens [artikel 49, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=5&artikel=49&z=2021-06-30&g=2021-06-30), vastgestelde eisen inzake specifieke vakkennis van de spoorvoertuigen en de hoofdspoorweginfrastructuur waarop het bevoegdheidsbewijs betrekking moet hebben, en
- a. voldoet aan de krachtens [artikel 49, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=5&artikel=49&z=2021-07-01&g=2021-07-01), vastgestelde eisen inzake taalbeheersing;
- b. beschikt over een geldige beoordeling van degene onder wiens gezag de veiligheidsfunctie, bedoeld in de aanhef, wordt uitgeoefend waaruit blijkt dat hij voldoet aan de krachtens [artikel 49, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=5&artikel=49&z=2021-07-01&g=2021-07-01), vastgestelde eisen inzake specifieke vakkennis van de spoorvoertuigen en de hoofdspoorweginfrastructuur waarop het bevoegdheidsbewijs betrekking moet hebben, en
- c. beschikt over de voor de uitoefening van die functie vereiste bedrijfsgebonden kennis en bekwaamheid.
@@ -1498,7 +1500,7 @@
6. Degene onder wiens gezag de veiligheidsfunctie van machinist met volledige bevoegdheid of van machinist met beperkte bevoegdheid wordt uitgeoefend onderzoekt periodiek of de machinist voldoet aan:
- a. de voor die veiligheidsfunctie krachtens [artikel 49, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=5&artikel=49&z=2021-06-30&g=2021-06-30), vastgestelde eisen inzake taalbeheersing;
- a. de voor die veiligheidsfunctie krachtens [artikel 49, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=5&artikel=49&z=2021-07-01&g=2021-07-01), vastgestelde eisen inzake taalbeheersing;
- b. de krachtens artikel 49, tweede lid, vastgestelde eisen inzake de specifieke vakkennis inzake de spoorvoertuigen en de hoofdspoorweginfrastructuur waarop het bevoegdheidsbewijs betrekking heeft, en
@@ -1526,7 +1528,7 @@
##### Artikel 51b
1. Opleidingactiviteiten met het oog op het verkrijgen van een of meer beoordelingen waaruit blijkt dat voldaan wordt aan de krachtens [artikel 49, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=5&artikel=49&z=2021-06-30&g=2021-06-30), vastgestelde eisen inzake algemene kennis en vaardigheden en specifieke vakkennis inzake de spoorvoertuigen en de hoofdspoorweginfrastructuur worden slechts verricht door daartoe door Onze Minister erkende opleidingsinstituten.
1. Opleidingactiviteiten met het oog op het verkrijgen van een of meer beoordelingen waaruit blijkt dat voldaan wordt aan de krachtens [artikel 49, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=5&artikel=49&z=2021-07-01&g=2021-07-01), vastgestelde eisen inzake algemene kennis en vaardigheden en specifieke vakkennis inzake de spoorvoertuigen en de hoofdspoorweginfrastructuur worden slechts verricht door daartoe door Onze Minister erkende opleidingsinstituten.
2. Een krachtens het eerste lid, erkend opleidingsinstituut geeft op billijke en non-discriminatoire wijze toegang tot de opleidingsactiviteiten, bedoeld in het eerste lid.
@@ -1582,7 +1584,7 @@
##### Artikel 17b
1. De beheerder vraagt advies aan de gerechtigden, bedoeld in [artikel 57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=4&paragraaf=1&artikel=57&z=2021-06-30&g=2021-06-30), met uitzondering van de concessieverlener, bedoeld in [artikel 20, eerste lid, van de Wet personenvervoer 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011470&artikel=20), over de bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aangewezen onderdelen van het beheerplan, bedoeld in [artikel 17a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2&paragraaf=4&artikel=17a&z=2021-06-30&g=2021-06-30).
1. De beheerder vraagt advies aan de gerechtigden, bedoeld in [artikel 57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=4&paragraaf=1&artikel=57&z=2021-07-01&g=2021-07-01), met uitzondering van de concessieverlener, bedoeld in [artikel 20, eerste lid, van de Wet personenvervoer 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011470&artikel=20), over de bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aangewezen onderdelen van het beheerplan, bedoeld in [artikel 17a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2&paragraaf=4&artikel=17a&z=2021-07-01&g=2021-07-01).
2. De beheerder stelt de gerechtigden in de gelegenheid met hem overleg te voeren voordat advies wordt uitgebracht.
@@ -1596,7 +1598,7 @@
1. Een besluit tot verlening of wijziging van een concessie kan worden genomen indien de beheerder niet binnen vier dagen na de dag waarop het voorgenomen besluit aan hem is bekendgemaakt aan de concessieverlener heeft doen blijken dat hij de concessie niet zonder voorbehoud aanvaardt.
2. Indien een besluit tot verlening of wijziging van een concessie met inachtneming van het eerste lid is genomen, wordt dit besluit binnen vier weken na de dag van bekendmaking van het voorgenomen besluit, bedoeld in het eerste lid, gepubliceerd in de Staatscourant.
2. Indien een besluit tot verlening of wijziging van een concessie met inachtneming van het eerste lid is genomen, wordt van dit besluit binnen vier weken na de dag van bekendmaking van het voorgenomen besluit, bedoeld in het eerste lid, mededeling gedaan in de Staatscourant.
### Hoofdstuk 3. Het spoorwegbedrijf
@@ -1644,7 +1646,7 @@
##### Artikel 51c
1. Bij de beoordelingen, bedoeld in de [artikelen 50, eerste lid, onderdeel a, en tweede lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=5&artikel=50&z=2021-06-30&g=2021-06-30), en [51a, vierde lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=5&artikel=51a&z=2021-06-30&g=2021-06-30), maakt Onze Minister onderscheidenlijk degene onder wiens gezag binnen het hoofdspoorwegsysteem de veiligheidsfunctie van machinist met volledige bevoegdheid of van machinist met beperkte bevoegdheid wordt uitgeoefend, gebruik van door Onze Minister erkende examinatoren.
1. Bij de beoordelingen, bedoeld in de [artikelen 50, eerste lid, onderdeel a, en tweede lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=5&artikel=50&z=2021-07-01&g=2021-07-01), en [51a, vierde lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=5&artikel=51a&z=2021-07-01&g=2021-07-01), maakt Onze Minister onderscheidenlijk degene onder wiens gezag binnen het hoofdspoorwegsysteem de veiligheidsfunctie van machinist met volledige bevoegdheid of van machinist met beperkte bevoegdheid wordt uitgeoefend, gebruik van door Onze Minister erkende examinatoren.
2. Onze Minister houdt een register van erkende examinatoren.
@@ -1652,7 +1654,7 @@
##### Artikel 54a
Onze Minister kan, met inachtneming van artikel 2, derde lid, van richtlijn 2007/59/EG, ontheffing of vrijstelling verlenen van bepalingen van [paragraaf 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=5&z=2021-06-30&g=2021-06-30) van dit hoofdstuk. De ontheffing of vrijstelling kan onder beperkingen worden verleend. Aan de ontheffing of vrijstelling kunnen voorschriften worden verbonden. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over op welke hoofdspoorwegen en voor welke spoorvoertuigen deze ontheffing of vrijstelling mogelijk is.
Onze Minister kan, met inachtneming van artikel 2, derde lid, van richtlijn 2007/59/EG, ontheffing of vrijstelling verlenen van bepalingen van [paragraaf 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=5&z=2021-07-01&g=2021-07-01) van dit hoofdstuk. De ontheffing of vrijstelling kan onder beperkingen worden verleend. Aan de ontheffing of vrijstelling kunnen voorschriften worden verbonden. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over op welke hoofdspoorwegen en voor welke spoorvoertuigen deze ontheffing of vrijstelling mogelijk is.
#### § 8. Registers
@@ -1742,13 +1744,13 @@
2. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen categorieën van bijzondere spoorwegen worden onderscheiden.
3. In afwijking van [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=1&artikel=2&z=2021-06-30&g=2021-06-30), zijn de [artikelen 1 tot en met 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=1&artikel=1&z=2021-06-30&g=2021-06-30), [69](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=6&paragraaf=1&artikel=69&z=2021-06-30&g=2021-06-30), [76, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=6&paragraaf=3&artikel=76&z=2021-06-30&g=2021-06-30), [77](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=6&paragraaf=3&artikel=77&z=2021-06-30&g=2021-06-30), [80](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=6&paragraaf=3&artikel=80&z=2021-06-30&g=2021-06-30), [86 tot en met 91](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=6&paragraaf=4&artikel=86&z=2021-06-30&g=2021-06-30), en [97](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=6&paragraaf=11&artikel=97&z=2021-06-30&g=2021-06-30) niet van toepassing op een categorie als bedoeld in het tweede lid, voor zover dit bij algemene maatregel van bestuur is bepaald.
3. In afwijking van [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=1&artikel=2&z=2021-07-01&g=2021-07-01), zijn de [artikelen 1 tot en met 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=1&artikel=1&z=2021-07-01&g=2021-07-01), [69](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=6&paragraaf=1&artikel=69&z=2021-07-01&g=2021-07-01), [76, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=6&paragraaf=3&artikel=76&z=2021-07-01&g=2021-07-01), [77](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=6&paragraaf=3&artikel=77&z=2021-07-01&g=2021-07-01), [80](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=6&paragraaf=3&artikel=80&z=2021-07-01&g=2021-07-01), [86 tot en met 91](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=6&paragraaf=4&artikel=86&z=2021-07-01&g=2021-07-01), en [97](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=6&paragraaf=11&artikel=97&z=2021-07-01&g=2021-07-01) niet van toepassing op een categorie als bedoeld in het tweede lid, voor zover dit bij algemene maatregel van bestuur is bepaald.
##### Artikel 95
Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2015/9.
De rechthebbende ten aanzien van een bijzondere of lokale spoorweg die onder de werking van de [richtlijnen 91/440/EEG](31991L0440), [95/18/EG](31995L0018) of [2001/14/EG](32001L0014) valt, verleent aan spoorwegondernemingen recht op toegang of gebruik overeenkomstig de in die richtlijnen opgenomen voorschriften en overigens tegen eerlijke, redelijke en niet-discriminerende voorwaarden. [Artikel 26](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2&paragraaf=5&artikel=26&z=2021-06-30&g=2021-06-30) is van overeenkomstige toepassing. De vergunning, bedoeld in artikel 2, onderdeel b, van [richtlijn 95/18/EG](31995L0018), wordt verleend door Onze Minister met overeenkomstige toepassing van [hoofdstuk 3, paragraaf 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=2&z=2021-06-30&g=2021-06-30).
De rechthebbende ten aanzien van een bijzondere of lokale spoorweg die onder de werking van de [richtlijnen 91/440/EEG](31991L0440), [95/18/EG](31995L0018) of [2001/14/EG](32001L0014) valt, verleent aan spoorwegondernemingen recht op toegang of gebruik overeenkomstig de in die richtlijnen opgenomen voorschriften en overigens tegen eerlijke, redelijke en niet-discriminerende voorwaarden. [Artikel 26](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2&paragraaf=5&artikel=26&z=2021-07-01&g=2021-07-01) is van overeenkomstige toepassing. De vergunning, bedoeld in artikel 2, onderdeel b, van [richtlijn 95/18/EG](31995L0018), wordt verleend door Onze Minister met overeenkomstige toepassing van [hoofdstuk 3, paragraaf 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=2&z=2021-07-01&g=2021-07-01).
#### § 6. Heffingen
@@ -1776,9 +1778,9 @@
##### Artikel 68a
1. Exploitanten van dienstvoorzieningen verstrekken aan de beheerder informatie over de voorwaarden voor toegang en voor verlening van diensten, bedoeld in [artikel 67](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=5&paragraaf=1&artikel=67&z=2021-06-30&g=2021-06-30), en informatie over de vergoedingen, bedoeld in [artikel 68](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=5&paragraaf=1&artikel=68&z=2021-06-30&g=2021-06-30), of verwijzen de beheerder naar een website waarop deze informatie kosteloos in elektronische vorm wordt aangeboden.
2. Onverminderd het eerste lid, verstrekken exploitanten van dienstvoorzieningen als bedoeld in bijlage II, punt 2, onderdelen a, f en i, van richtlijn 2012/34/EU, onverwijld informatie over de voorwaarden voor toegang als bedoeld in [artikel 67, eerste lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=5&paragraaf=1&artikel=67&z=2021-06-30&g=2021-06-30), of voor verlening van diensten als bedoeld in artikel 67, eerste lid, onderdeel c, alsmede informatie over vergoedingen als bedoeld in [artikel 68, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=5&paragraaf=1&artikel=68&z=2021-06-30&g=2021-06-30), aan spoorwegondernemingen die daarom verzoeken.
1. Exploitanten van dienstvoorzieningen verstrekken aan de beheerder informatie over de voorwaarden voor toegang en voor verlening van diensten, bedoeld in [artikel 67](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=5&paragraaf=1&artikel=67&z=2021-07-01&g=2021-07-01), en informatie over de vergoedingen, bedoeld in [artikel 68](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=5&paragraaf=1&artikel=68&z=2021-07-01&g=2021-07-01), of verwijzen de beheerder naar een website waarop deze informatie kosteloos in elektronische vorm wordt aangeboden.
2. Onverminderd het eerste lid, verstrekken exploitanten van dienstvoorzieningen als bedoeld in bijlage II, punt 2, onderdelen a, f en i, van richtlijn 2012/34/EU, onverwijld informatie over de voorwaarden voor toegang als bedoeld in [artikel 67, eerste lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=5&paragraaf=1&artikel=67&z=2021-07-01&g=2021-07-01), of voor verlening van diensten als bedoeld in artikel 67, eerste lid, onderdeel c, alsmede informatie over vergoedingen als bedoeld in [artikel 68, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=5&paragraaf=1&artikel=68&z=2021-07-01&g=2021-07-01), aan spoorwegondernemingen die daarom verzoeken.
3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld ter uitvoering van het eerste lid.
@@ -1796,19 +1798,19 @@
##### Artikel 68c
1. Onverminderd het bepaalde bij of krachtens [hoofdstuk 5, paragraaf 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=5&paragraaf=1&z=2021-06-30&g=2021-06-30), mag een exploitant van een dienstvoorziening in het kader van een aanbesteding als bedoeld in [artikel 68b, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=5&paragraaf=2&artikel=68b&z=2021-06-30&g=2021-06-30), de voorwaarden voor toegang, bedoeld in [artikel 67, eerste lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=5&paragraaf=1&artikel=67&z=2021-06-30&g=2021-06-30), of voor verlening van diensten, bedoeld in artikel 67, eerste lid, onderdeel c, of de vergoedingen, bedoeld in [artikel 68, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=5&paragraaf=1&artikel=68&z=2021-06-30&g=2021-06-30), pas toepassen nadat deze voorwaarden of vergoedingen zijn goedgekeurd door de Autoriteit Consument en Markt.
1. Onverminderd het bepaalde bij of krachtens [hoofdstuk 5, paragraaf 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=5&paragraaf=1&z=2021-07-01&g=2021-07-01), mag een exploitant van een dienstvoorziening in het kader van een aanbesteding als bedoeld in [artikel 68b, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=5&paragraaf=2&artikel=68b&z=2021-07-01&g=2021-07-01), de voorwaarden voor toegang, bedoeld in [artikel 67, eerste lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=5&paragraaf=1&artikel=67&z=2021-07-01&g=2021-07-01), of voor verlening van diensten, bedoeld in artikel 67, eerste lid, onderdeel c, of de vergoedingen, bedoeld in [artikel 68, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=5&paragraaf=1&artikel=68&z=2021-07-01&g=2021-07-01), pas toepassen nadat deze voorwaarden of vergoedingen zijn goedgekeurd door de Autoriteit Consument en Markt.
2. De exploitant van een dienstvoorziening doet het verzoek tot goedkeuring ten minste zes weken voorafgaand aan de datum waarop een aanbesteding als bedoeld in [artikel 61, eerste lid, van de Wet personenvervoer 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011470&artikel=61), is gestart.
3. De Autoriteit Consument en Markt beoordeelt binnen zes weken na ontvangst van het verzoek of de voorwaarden of vergoedingen, bedoeld in het eerste lid, in overeenstemming zijn met het bepaalde bij of krachtens de [artikelen 67, eerste of tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=5&paragraaf=1&artikel=67&z=2021-06-30&g=2021-06-30), of [68](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=5&paragraaf=1&artikel=68&z=2021-06-30&g=2021-06-30). Indien gegevens die de Autoriteit Consument en Markt noodzakelijk acht voor een beoordeling ontbreken, wordt de exploitant van de dienstvoorziening hiervan binnen een week na ontvangst van het verzoek op de hoogte gesteld. Deze exploitant wordt in de gelegenheid gesteld deze gegevens binnen een redelijke termijn alsnog aan te leveren in een door de Autoriteit Consument en Markt aan te geven vorm.
3. De Autoriteit Consument en Markt beoordeelt binnen zes weken na ontvangst van het verzoek of de voorwaarden of vergoedingen, bedoeld in het eerste lid, in overeenstemming zijn met het bepaalde bij of krachtens de [artikelen 67, eerste of tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=5&paragraaf=1&artikel=67&z=2021-07-01&g=2021-07-01), of [68](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=5&paragraaf=1&artikel=68&z=2021-07-01&g=2021-07-01). Indien gegevens die de Autoriteit Consument en Markt noodzakelijk acht voor een beoordeling ontbreken, wordt de exploitant van de dienstvoorziening hiervan binnen een week na ontvangst van het verzoek op de hoogte gesteld. Deze exploitant wordt in de gelegenheid gesteld deze gegevens binnen een redelijke termijn alsnog aan te leveren in een door de Autoriteit Consument en Markt aan te geven vorm.
4. De Autoriteit Consument en Markt kan de termijn, bedoeld in het derde lid, eerste volzin, eenmaal met zes weken verlengen. Zij doet hiervan schriftelijk mededeling aan de exploitant van de dienstvoorziening die het verzoek heeft ingediend.
5. Indien de Autoriteit Consument en Markt van oordeel is dat de voorwaarden of vergoedingen in overeenstemming zijn met het bepaalde bij of krachtens de [artikelen 67, eerste of tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=5&paragraaf=1&artikel=67&z=2021-06-30&g=2021-06-30), of [68](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=5&paragraaf=1&artikel=68&z=2021-06-30&g=2021-06-30), keurt zij de toepassing hiervan goed.
6. Indien de Autoriteit Consument en Markt van oordeel is dat de voorwaarden of vergoedingen niet in overeenstemming zijn met het bepaalde bij of krachtens de [artikelen 67, eerste of tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=5&paragraaf=1&artikel=67&z=2021-06-30&g=2021-06-30), of [68](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=5&paragraaf=1&artikel=68&z=2021-06-30&g=2021-06-30), doet zij hiervan mededeling aan de desbetreffende exploitant. Zij deelt hierbij mede op welke punten niet voldaan is aan het bepaalde bij of krachtens de artikelen 67, eerste of tweede lid, of 68.
7. De exploitant van de dienstvoorziening deelt de Autoriteit Consument en Markt binnen vier weken na de datum van de mededeling, bedoeld in het zesde lid, schriftelijk mede in hoeverre de voorwaarden of vergoedingen worden aangepast aan die mededeling. De Autoriteit Consument en Markt beoordeelt binnen drie weken na ontvangst van de mededeling van de exploitant van de dienstvoorziening, bedoeld in de eerste volzin, op het verzoek tot goedkeuring, of de voorwaarden of vergoedingen in overeenstemming zijn met het bepaalde bij of krachtens de [artikelen 67, eerste of tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=5&paragraaf=1&artikel=67&z=2021-06-30&g=2021-06-30), of [68](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=5&paragraaf=1&artikel=68&z=2021-06-30&g=2021-06-30).
5. Indien de Autoriteit Consument en Markt van oordeel is dat de voorwaarden of vergoedingen in overeenstemming zijn met het bepaalde bij of krachtens de [artikelen 67, eerste of tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=5&paragraaf=1&artikel=67&z=2021-07-01&g=2021-07-01), of [68](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=5&paragraaf=1&artikel=68&z=2021-07-01&g=2021-07-01), keurt zij de toepassing hiervan goed.
6. Indien de Autoriteit Consument en Markt van oordeel is dat de voorwaarden of vergoedingen niet in overeenstemming zijn met het bepaalde bij of krachtens de [artikelen 67, eerste of tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=5&paragraaf=1&artikel=67&z=2021-07-01&g=2021-07-01), of [68](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=5&paragraaf=1&artikel=68&z=2021-07-01&g=2021-07-01), doet zij hiervan mededeling aan de desbetreffende exploitant. Zij deelt hierbij mede op welke punten niet voldaan is aan het bepaalde bij of krachtens de artikelen 67, eerste of tweede lid, of 68.
7. De exploitant van de dienstvoorziening deelt de Autoriteit Consument en Markt binnen vier weken na de datum van de mededeling, bedoeld in het zesde lid, schriftelijk mede in hoeverre de voorwaarden of vergoedingen worden aangepast aan die mededeling. De Autoriteit Consument en Markt beoordeelt binnen drie weken na ontvangst van de mededeling van de exploitant van de dienstvoorziening, bedoeld in de eerste volzin, op het verzoek tot goedkeuring, of de voorwaarden of vergoedingen in overeenstemming zijn met het bepaalde bij of krachtens de [artikelen 67, eerste of tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=5&paragraaf=1&artikel=67&z=2021-07-01&g=2021-07-01), of [68](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=5&paragraaf=1&artikel=68&z=2021-07-01&g=2021-07-01).
8. Artikel 68a is van toepassing op de voorwaarden of vergoedingen die op grond van dit artikel zijn goedgekeurd.
@@ -1938,9 +1940,9 @@
##### Artikel 123a
1. Op vergunningen en aanvullende vergunningen voor indienststelling die ingevolge [artikel 36](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=4&artikel=36&z=2021-06-30&g=2021-06-30) van de Spoorwegwet zijn verleend, zoals dat artikel luidde tot de inwerkingtreding van het bij koninklijke boodschap van 12 mei 2016 ingediende voorstel van wet tot wijziging van de Spoorwegwet ter nadere implementatie van drie spoorwegrichtlijnen, en gelden op het tijdstip van inwerkingtreding van het bij koninklijke boodschap van 12 mei 2016 ingediende voorstel van wet tot wijziging van de Spoorwegwet ter nadere implementatie van drie spoorwegrichtlijnen, zijn de artikelen 36 en 36b van genoemde wet, zoals die luidt met ingang van het tijdstip van inwerkingtreding van het bij koninklijke boodschap van 12 mei 2016 ingediende voorstel van wet tot wijziging van de Spoorwegwet ter nadere implementatie van drie spoorwegrichtlijnen, van toepassing.
2. Op aanvragen voor vergunningen en aanvullende vergunningen voor indienststelling die ingevolge [artikel 36](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=4&artikel=36&z=2021-06-30&g=2021-06-30) van de Spoorwegwet, zoals dat artikel luidde tot de inwerkingtreding van het bij koninklijke boodschap van 12 mei 2016 ingediende voorstel van wet tot wijziging van de Spoorwegwet ter nadere implementatie van drie spoorwegrichtlijnen, door Onze Minister in behandeling zijn genomen, zijn de artikelen 36 en 36b van genoemde wet, zoals die luidt met ingang van het tijdstip van inwerkingtreding van het bij koninklijke boodschap van 12 mei 2016 ingediende voorstel van wet tot wijziging van de Spoorwegwet ter nadere implementatie van drie spoorwegrichtlijnen, van toepassing.
1. Op vergunningen en aanvullende vergunningen voor indienststelling die ingevolge [artikel 36](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=4&artikel=36&z=2021-07-01&g=2021-07-01) van de Spoorwegwet zijn verleend, zoals dat artikel luidde tot de inwerkingtreding van het bij koninklijke boodschap van 12 mei 2016 ingediende voorstel van wet tot wijziging van de Spoorwegwet ter nadere implementatie van drie spoorwegrichtlijnen, en gelden op het tijdstip van inwerkingtreding van het bij koninklijke boodschap van 12 mei 2016 ingediende voorstel van wet tot wijziging van de Spoorwegwet ter nadere implementatie van drie spoorwegrichtlijnen, zijn de artikelen 36 en 36b van genoemde wet, zoals die luidt met ingang van het tijdstip van inwerkingtreding van het bij koninklijke boodschap van 12 mei 2016 ingediende voorstel van wet tot wijziging van de Spoorwegwet ter nadere implementatie van drie spoorwegrichtlijnen, van toepassing.
2. Op aanvragen voor vergunningen en aanvullende vergunningen voor indienststelling die ingevolge [artikel 36](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=4&artikel=36&z=2021-07-01&g=2021-07-01) van de Spoorwegwet, zoals dat artikel luidde tot de inwerkingtreding van het bij koninklijke boodschap van 12 mei 2016 ingediende voorstel van wet tot wijziging van de Spoorwegwet ter nadere implementatie van drie spoorwegrichtlijnen, door Onze Minister in behandeling zijn genomen, zijn de artikelen 36 en 36b van genoemde wet, zoals die luidt met ingang van het tijdstip van inwerkingtreding van het bij koninklijke boodschap van 12 mei 2016 ingediende voorstel van wet tot wijziging van de Spoorwegwet ter nadere implementatie van drie spoorwegrichtlijnen, van toepassing.
#### § 9. Bepalingen inzake bijzondere spoorwegen
@@ -1952,7 +1954,7 @@
- a. functies uitbesteden aan een andere organisatie indien deze geen spoorwegonderneming is, geen zeggenschap over een spoorwegonderneming heeft, of niet onder zeggenschap van een spoorwegonderneming staat;
- b. de uitvoering van werkzaamheden en de daarmee verband houdende taken inzake onderhoud en vernieuwing van de hoofdspoorweginfrastructuur en de ontwikkeling daarvan, bedoeld in [artikel 16, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2&paragraaf=4&artikel=16&z=2021-06-30&g=2021-06-30), uitbesteden aan een spoorwegonderneming of onderneming die zeggenschap over de spoorwegonderneming uitoefent, of onder zeggenschap van die spoorwegonderneming staat.
- b. de uitvoering van werkzaamheden en de daarmee verband houdende taken inzake onderhoud en vernieuwing van de hoofdspoorweginfrastructuur en de ontwikkeling daarvan, bedoeld in [artikel 16, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2&paragraaf=4&artikel=16&z=2021-07-01&g=2021-07-01), uitbesteden aan een spoorwegonderneming of onderneming die zeggenschap over de spoorwegonderneming uitoefent, of onder zeggenschap van die spoorwegonderneming staat.
2. De beheerder blijft verantwoordelijk voor de functies, bedoeld in artikel 3, punt 2, van [richtlijn 2012/34](32012L0034)/EU.
@@ -1972,7 +1974,7 @@
##### Artikel 16f
1. Een beheerder beschikt bij de uitvoering van de taken, bedoeld in [artikel 16, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2&paragraaf=4&artikel=16&z=2021-06-30&g=2021-06-30), anders dan ten behoeve van de aanleg van hoofdspoorweginfrastructuur over een geldige veiligheidsvergunning.
1. Een beheerder beschikt bij de uitvoering van de taken, bedoeld in [artikel 16, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2&paragraaf=4&artikel=16&z=2021-07-01&g=2021-07-01), anders dan ten behoeve van de aanleg van hoofdspoorweginfrastructuur over een geldige veiligheidsvergunning.
2. Onze Minister verleent op aanvraag een veiligheidsvergunning aan de beheerder, indien hij beschikt over een veiligheidsbeheersysteem dat:
@@ -2070,9 +2072,9 @@
- b. waarvoor geen EG-verklaring van conformiteit of geschiktheid voor gebruik is opgesteld, en
- c. waarvoor niet is voldaan aan de krachtens [artikel 26b, onderdelen b, c, en d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=1&artikel=26b&z=2021-06-30&g=2021-06-30), gestelde regels.
2. Het is verboden een EG-verklaring van conformiteit of geschiktheid voor gebruik op te stellen voor interoperabiliteitsonderdelen die niet voldoen aan de essentiële eisen en aan de krachtens [artikel 26b, onderdelen b, c en d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=1&artikel=26b&z=2021-06-30&g=2021-06-30), gestelde regels.
- c. waarvoor niet is voldaan aan de krachtens [artikel 26b, onderdelen b, c, en d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=1&artikel=26b&z=2021-07-01&g=2021-07-01), gestelde regels.
2. Het is verboden een EG-verklaring van conformiteit of geschiktheid voor gebruik op te stellen voor interoperabiliteitsonderdelen die niet voldoen aan de essentiële eisen en aan de krachtens [artikel 26b, onderdelen b, c en d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=1&artikel=26b&z=2021-07-01&g=2021-07-01), gestelde regels.
3. Interoperabiliteitsonderdelen die conform zijn met geharmoniseerde normen of delen daarvan waarvan de referenties in het Publicatieblad van de Europese Unie zijn bekendgemaakt, worden geacht conform te zijn met de essentiële eisen die door die normen of delen daarvan worden bestreken.
@@ -2084,7 +2086,7 @@
Bij ministeriële regeling kunnen in het belang van een goede uitvoering van het bij of krachtens de interoperabiliteitsrichtlijn bepaalde met betrekking tot de onderwerpen in deze paragraaf regels worden gesteld, waaronder in elk geval regels over:
- a. interoperabiliteitsonderdelen die kunnen worden vrijgesteld van de verplichtingen, bedoeld in [artikel 26a, eerste lid, onderdelen b en c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=1&artikel=26a&z=2021-06-30&g=2021-06-30),
- a. interoperabiliteitsonderdelen die kunnen worden vrijgesteld van de verplichtingen, bedoeld in [artikel 26a, eerste lid, onderdelen b en c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=1&artikel=26a&z=2021-07-01&g=2021-07-01),
- b. eisen waaraan interoperabiliteitsonderdelen voldoen,
@@ -2094,7 +2096,7 @@
- e. het gebruik, de installatie en het onderhoud van interoperabiliteitsonderdelen,
- f. de door Onze Minister te nemen maatregelen, bedoeld in [artikel 26a, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=1&artikel=26a&z=2021-06-30&g=2021-06-30).
- f. de door Onze Minister te nemen maatregelen, bedoeld in [artikel 26a, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=1&artikel=26a&z=2021-07-01&g=2021-07-01).
##### Artikel 26c
@@ -2106,7 +2108,7 @@
- a. de uitvoering van essentiële eisen voor subsystemen die niet volledig door de TSI’s worden bestreken,
- b. eisen die gelden bij het buiten toepassing laten van een TSI of een gedeelte daarvan als bedoeld in [artikel 26f, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=3&artikel=26f&z=2021-06-30&g=2021-06-30),
- b. eisen die gelden bij het buiten toepassing laten van een TSI of een gedeelte daarvan als bedoeld in [artikel 26f, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=3&artikel=26f&z=2021-07-01&g=2021-07-01),
- c. technische eisen die toegepast worden in specifieke gevallen waarin de TSI’s niet voorzien,
@@ -2120,7 +2122,7 @@
Bij ministeriële regeling kunnen in het belang van een goede uitvoering van het bij of krachtens de interoperabiliteitsrichtlijn bepaalde met betrekking tot de onderwerpen in deze paragraaf regels worden gesteld, waaronder in elk geval regels over:
- a. subsystemen die kunnen worden vrijgesteld van het verbod, bedoeld in [artikel 26c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=2&artikel=26c&z=2021-06-30&g=2021-06-30),
- a. subsystemen die kunnen worden vrijgesteld van het verbod, bedoeld in [artikel 26c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=2&artikel=26c&z=2021-07-01&g=2021-07-01),
- b. eisen die van toepassing zijn op subsystemen,
@@ -2128,7 +2130,7 @@
- d. het opstellen van EG-keuringsverklaringen en andere documentatieverplichtingen met betrekking tot subsystemen,
- e. het verzoeken om verificaties, bedoeld in [artikel 26c, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=2&artikel=26c&z=2021-06-30&g=2021-06-30).
- e. het verzoeken om verificaties, bedoeld in [artikel 26c, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=2&artikel=26c&z=2021-07-01&g=2021-07-01).
#### § 3. Ontheffing van toepassen TSI’s of nationale voorschriften
@@ -2138,13 +2140,13 @@
2. Onze Minister kan, op aanvraag, ontheffing verlenen van de toepassing van nationale voorschriften op een subsysteem. Een ontheffing kan onder beperkingen worden verleend. Aan een ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot een ontheffing als bedoeld in de eerste volzin. De regels kunnen betrekking hebben op de aanvraag en verlening van een ontheffing, alsmede de aan een ontheffing te verbinden voorschriften.
3. Indien Onze Minister ontheffing als bedoeld in het eerste lid verleent voor een subsysteem waarvoor een vergunning voor indienststelling als bedoeld in [artikel 26h, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=4&artikel=26h&z=2021-06-30&g=2021-06-30), of een subsysteem dat deel uitmaakt van een spoorvoertuig waarvoor een voertuigvergunning als bedoeld in [artikel 26k, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=5&artikel=26k&z=2021-06-30&g=2021-06-30), wordt aangevraagd, verleent hij, in afwijking van [artikel 26dd, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=9&artikel=26dd&z=2021-06-30&g=2021-06-30), de desbetreffende vergunning niet voordat de procedure, beschreven in artikel 7 van de interoperabiliteitsrichtlijn, is toegepast.
4. De termijnen, bedoeld in [artikel 26dd, vijfde en zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=9&artikel=26dd&z=2021-06-30&g=2021-06-30), zijn van toepassing op ontheffingen als bedoeld in het eerste en tweede lid.
3. Indien Onze Minister ontheffing als bedoeld in het eerste lid verleent voor een subsysteem waarvoor een vergunning voor indienststelling als bedoeld in [artikel 26h, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=4&artikel=26h&z=2021-07-01&g=2021-07-01), of een subsysteem dat deel uitmaakt van een spoorvoertuig waarvoor een voertuigvergunning als bedoeld in [artikel 26k, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=5&artikel=26k&z=2021-07-01&g=2021-07-01), wordt aangevraagd, verleent hij, in afwijking van [artikel 26dd, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=9&artikel=26dd&z=2021-07-01&g=2021-07-01), de desbetreffende vergunning niet voordat de procedure, beschreven in artikel 7 van de interoperabiliteitsrichtlijn, is toegepast.
4. De termijnen, bedoeld in [artikel 26dd, vijfde en zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=9&artikel=26dd&z=2021-07-01&g=2021-07-01), zijn van toepassing op ontheffingen als bedoeld in het eerste en tweede lid.
##### Artikel 26g
Bij ministeriële regeling kunnen in het belang van een goede uitvoering van het bij of krachtens de interoperabiliteitsrichtlijn bepaalde met betrekking tot de onderwerpen, bedoeld in [artikel 26f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=3&artikel=26f&z=2021-06-30&g=2021-06-30), regels worden gesteld, waaronder in elk geval regels over de aanvraag en verlening van een ontheffing als bedoeld in artikel 26f, eerste lid.
Bij ministeriële regeling kunnen in het belang van een goede uitvoering van het bij of krachtens de interoperabiliteitsrichtlijn bepaalde met betrekking tot de onderwerpen, bedoeld in [artikel 26f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=3&artikel=26f&z=2021-07-01&g=2021-07-01), regels worden gesteld, waaronder in elk geval regels over de aanvraag en verlening van een ontheffing als bedoeld in artikel 26f, eerste lid.
#### § 4. Vergunning voor het in dienst stellen van subsystemen die deel uitmaken van hoofdspoorweginfrastructuur
@@ -2154,7 +2156,7 @@
2. Onze Minister verleent, op aanvraag, een vergunning voor indienststelling indien:
- a. voor het subsysteem een geldige EG-keuringsverklaring is opgesteld op basis van de TSI’s en nationale voorschriften die gelden op het moment dat de aanvraag wordt ingediend, tenzij voor de toepassing daarvan ontheffing is verleend overeenkomstig [artikel 26f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=3&artikel=26f&z=2021-06-30&g=2021-06-30),
- a. voor het subsysteem een geldige EG-keuringsverklaring is opgesteld op basis van de TSI’s en nationale voorschriften die gelden op het moment dat de aanvraag wordt ingediend, tenzij voor de toepassing daarvan ontheffing is verleend overeenkomstig [artikel 26f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=3&artikel=26f&z=2021-07-01&g=2021-07-01),
- b. het subsysteem technisch compatibel is met de systemen waarin het wordt geïntegreerd,
@@ -2174,25 +2176,25 @@
##### Artikel 26i
1. Het is verboden een vernieuwing of verbetering van de hoofdspoorweginfrastructuur in dienst te stellen zonder dat Onze Minister een vergunning voor indienststelling als bedoeld in [artikel 26h, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=4&artikel=26h&z=2021-06-30&g=2021-06-30), heeft verleend, tenzij Onze Minister heeft geoordeeld dat voor de vernieuwing of verbetering geen vergunning voor indienststelling vereist is.
1. Het is verboden een vernieuwing of verbetering van de hoofdspoorweginfrastructuur in dienst te stellen zonder dat Onze Minister een vergunning voor indienststelling als bedoeld in [artikel 26h, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=4&artikel=26h&z=2021-07-01&g=2021-07-01), heeft verleend, tenzij Onze Minister heeft geoordeeld dat voor de vernieuwing of verbetering geen vergunning voor indienststelling vereist is.
2. De beoordeling, bedoeld in het eerste lid, vindt plaats:
- a. op basis van een bij Onze Minister ingediend dossier waarin het project tot verbetering of vernieuwing wordt beschreven, en
- b. met inachtneming van de krachtens [artikel 26j, onderdeel d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=4&artikel=26j&z=2021-06-30&g=2021-06-30), gestelde regels.
3. De termijnen, bedoeld in [artikel 26dd, tweede tot en met vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=9&artikel=26dd&z=2021-06-30&g=2021-06-30), zijn van overeenkomstige toepassing op de beslissing, bedoeld in het eerste lid.
- b. met inachtneming van de krachtens [artikel 26j, onderdeel d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=4&artikel=26j&z=2021-07-01&g=2021-07-01), gestelde regels.
3. De termijnen, bedoeld in [artikel 26dd, tweede tot en met vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=9&artikel=26dd&z=2021-07-01&g=2021-07-01), zijn van overeenkomstige toepassing op de beslissing, bedoeld in het eerste lid.
##### Artikel 26j
Bij ministeriële regeling kunnen in het belang van een goede uitvoering van het bij of krachtens de interoperabiliteitsrichtlijn bepaalde met betrekking tot de onderwerpen in deze paragraaf regels worden gesteld, waaronder in elk geval regels over:
- a. de eisen voor subsystemen als bedoeld in [artikel 26h, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=4&artikel=26h&z=2021-06-30&g=2021-06-30),
- b. de aanvraag van een vergunning voor indienststelling en het dossier, bedoeld in [artikel 26h, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=4&artikel=26h&z=2021-06-30&g=2021-06-30),
- c. het dossier waarin het project tot vernieuwing of verbetering wordt beschreven, bedoeld in [artikel 26i, tweede lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=4&artikel=26i&z=2021-06-30&g=2021-06-30),
- a. de eisen voor subsystemen als bedoeld in [artikel 26h, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=4&artikel=26h&z=2021-07-01&g=2021-07-01),
- b. de aanvraag van een vergunning voor indienststelling en het dossier, bedoeld in [artikel 26h, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=4&artikel=26h&z=2021-07-01&g=2021-07-01),
- c. het dossier waarin het project tot vernieuwing of verbetering wordt beschreven, bedoeld in [artikel 26i, tweede lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=4&artikel=26i&z=2021-07-01&g=2021-07-01),
- d. beoordelingscriteria voor vernieuwingen en verbeteringen van de hoofdspoorweginfrastructuur.
@@ -2204,7 +2206,7 @@
2. Onze Minister verleent, op aanvraag, een voertuigvergunning voor een spoorvoertuig, bestemd voor gebruik op de hoofdspoorweginfrastructuur of een gedeelte daarvan, met een gebruiksgebied dat zich beperkt tot Nederland, indien:
- a. voor de in het spoorvoertuig aanwezige subsystemen geldige EG-keuringsverklaringen zijn opgesteld op grond van de TSI’s en nationale voorschriften die gelden op het moment dat de aanvraag wordt ingediend, tenzij voor de toepassing daarvan ontheffing is verleend overeenkomstig [artikel 26f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=3&artikel=26f&z=2021-06-30&g=2021-06-30),
- a. voor de in het spoorvoertuig aanwezige subsystemen geldige EG-keuringsverklaringen zijn opgesteld op grond van de TSI’s en nationale voorschriften die gelden op het moment dat de aanvraag wordt ingediend, tenzij voor de toepassing daarvan ontheffing is verleend overeenkomstig [artikel 26f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=3&artikel=26f&z=2021-07-01&g=2021-07-01),
- b. de in het spoorvoertuig aanwezige subsystemen technisch compatibel zijn,
@@ -2228,7 +2230,7 @@
##### Artikel 26l
Voor de vernieuwing of verbetering van een spoorvoertuig waarvoor reeds een voertuigvergunning is verleend als bedoeld in [artikel 26k, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=5&artikel=26k&z=2021-06-30&g=2021-06-30), is een nieuwe voertuigvergunning vereist indien:
Voor de vernieuwing of verbetering van een spoorvoertuig waarvoor reeds een voertuigvergunning is verleend als bedoeld in [artikel 26k, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=5&artikel=26k&z=2021-07-01&g=2021-07-01), is een nieuwe voertuigvergunning vereist indien:
- a. de vernieuwing of verbetering leidt tot een substantiële verandering van de waarden van de parameters voor het controleren van de technische compatibiliteit van het spoorvoertuig met het gebruiksgebied op grond waarvan de voertuigvergunning is verleend,
@@ -2238,43 +2240,43 @@
##### Artikel 26m
1. Onze Minister verleent, op aanvraag, een typegoedkeuring voor een spoorvoertuig overeenkomstig de procedure voor het verlenen van voertuigvergunningen als bedoeld in [artikel 26k, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=5&artikel=26k&z=2021-06-30&g=2021-06-30).
2. Indien Onze Minister een voertuigvergunning als bedoeld in [artikel 26k, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=5&artikel=26k&z=2021-06-30&g=2021-06-30), verleent, dan verleent Onze Minister, op verzoek van de aanvrager van de voertuigvergunning, gelijktijdig een typegoedkeuring voor een spoorvoertuig die geldt voor hetzelfde gebruiksgebied.
1. Onze Minister verleent, op aanvraag, een typegoedkeuring voor een spoorvoertuig overeenkomstig de procedure voor het verlenen van voertuigvergunningen als bedoeld in [artikel 26k, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=5&artikel=26k&z=2021-07-01&g=2021-07-01).
2. Indien Onze Minister een voertuigvergunning als bedoeld in [artikel 26k, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=5&artikel=26k&z=2021-07-01&g=2021-07-01), verleent, dan verleent Onze Minister, op verzoek van de aanvrager van de voertuigvergunning, gelijktijdig een typegoedkeuring voor een spoorvoertuig die geldt voor hetzelfde gebruiksgebied.
3. Onze Minister wijzigt een typegoedkeuring voor een spoorvoertuig of trekt deze in indien de TSI’s of nationale voorschriften op grond waarvan de desbetreffende typegoedkeuring is verleend, zijn gewijzigd en bij die wijzigingen is bepaald dat reeds op basis van die voorschriften verleende typegoedkeuringen gewijzigd of ingetrokken moeten worden. Onze Minister voert bij de beoordeling van een wijziging van de typegoedkeuring voor een spoorvoertuig enkel controles uit die betrekking hebben op de overeenstemming met de gewijzigde voorschriften.
##### Artikel 26n
Onze Minister verleent, op aanvraag, zonder verdere controles, een voertuigvergunning als bedoeld in [artikel 26k, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=5&artikel=26k&z=2021-06-30&g=2021-06-30), voor een spoorvoertuig dat in overeenstemming is met een spoorvoertuig waarvoor reeds een typegoedkeuring voor een spoorvoertuig is verleend. De overeenstemming blijkt uit een door de aanvrager overgelegde geldige verklaring van conformiteit met het type.
Onze Minister verleent, op aanvraag, zonder verdere controles, een voertuigvergunning als bedoeld in [artikel 26k, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=5&artikel=26k&z=2021-07-01&g=2021-07-01), voor een spoorvoertuig dat in overeenstemming is met een spoorvoertuig waarvoor reeds een typegoedkeuring voor een spoorvoertuig is verleend. De overeenstemming blijkt uit een door de aanvrager overgelegde geldige verklaring van conformiteit met het type.
##### Artikel 26o
Bij ministeriële regeling kunnen in het belang van een goede uitvoering van het bij of krachtens de interoperabiliteitsrichtlijn bepaalde met betrekking tot de onderwerpen in deze paragraaf regels worden gesteld, waaronder in elk geval regels over:
- a. de eisen voor spoorvoertuigen, bedoeld in [artikel 26k, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=5&artikel=26k&z=2021-06-30&g=2021-06-30),
- b. de aanvraag van een voertuigvergunning of typegoedkeuring van een spoorvoertuig en het dossier, bedoeld in [artikel 26k, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=5&artikel=26k&z=2021-06-30&g=2021-06-30),
- c. uitbreiding van het gebruiksgebied als bedoeld in [artikel 26k, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=5&artikel=26k&z=2021-06-30&g=2021-06-30),
- d. de gevallen waarin en voorwaarden waaronder een voertuigvergunning ook geldt voor dicht bij de grens gelegen spoorweginfrastructuur in aangrenzende lidstaten of dicht bij de grens gelegen hoofdspoorweginfrastructuur, bedoeld in [artikel 26k, zevende en achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=5&artikel=26k&z=2021-06-30&g=2021-06-30), alsmede de daarvoor toe te passen procedure,
- e. vernieuwing en verbetering van spoorvoertuigen als bedoeld in [artikel 26l](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=5&artikel=26l&z=2021-06-30&g=2021-06-30),
- f. verlening, wijziging, intrekking en geldigheid van een voertuigvergunning als bedoeld in [artikel 26k, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=5&artikel=26k&z=2021-06-30&g=2021-06-30), of typegoedkeuring van een spoorvoertuig als bedoeld in [artikel 26m, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=5&artikel=26m&z=2021-06-30&g=2021-06-30),
- g. de beoordeling van de conformiteit van een spoorvoertuig met een type en het opstellen van de verklaring van conformiteit met het type, bedoeld in [artikel 26n](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=5&artikel=26n&z=2021-06-30&g=2021-06-30).
- a. de eisen voor spoorvoertuigen, bedoeld in [artikel 26k, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=5&artikel=26k&z=2021-07-01&g=2021-07-01),
- b. de aanvraag van een voertuigvergunning of typegoedkeuring van een spoorvoertuig en het dossier, bedoeld in [artikel 26k, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=5&artikel=26k&z=2021-07-01&g=2021-07-01),
- c. uitbreiding van het gebruiksgebied als bedoeld in [artikel 26k, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=5&artikel=26k&z=2021-07-01&g=2021-07-01),
- d. de gevallen waarin en voorwaarden waaronder een voertuigvergunning ook geldt voor dicht bij de grens gelegen spoorweginfrastructuur in aangrenzende lidstaten of dicht bij de grens gelegen hoofdspoorweginfrastructuur, bedoeld in [artikel 26k, zevende en achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=5&artikel=26k&z=2021-07-01&g=2021-07-01), alsmede de daarvoor toe te passen procedure,
- e. vernieuwing en verbetering van spoorvoertuigen als bedoeld in [artikel 26l](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=5&artikel=26l&z=2021-07-01&g=2021-07-01),
- f. verlening, wijziging, intrekking en geldigheid van een voertuigvergunning als bedoeld in [artikel 26k, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=5&artikel=26k&z=2021-07-01&g=2021-07-01), of typegoedkeuring van een spoorvoertuig als bedoeld in [artikel 26m, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=5&artikel=26m&z=2021-07-01&g=2021-07-01),
- g. de beoordeling van de conformiteit van een spoorvoertuig met een type en het opstellen van de verklaring van conformiteit met het type, bedoeld in [artikel 26n](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=5&artikel=26n&z=2021-07-01&g=2021-07-01).
#### § 6. Gebruik van een spoorvoertuig op de hoofdspoorweginfrastructuur
##### Artikel 26p
Voordat een spoorwegonderneming een spoorvoertuig gebruikt op de in de voertuigvergunning vermelde hoofdspoorweginfrastructuur in het gebruiksgebied, controleert de spoorwegonderneming met inachtneming van de krachtens [artikel 26t, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=6&artikel=26t&z=2021-06-30&g=2021-06-30), gestelde regels in ieder geval of:
- a. voor het spoorvoertuig een voertuigvergunning als bedoeld in [artikel 26k, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=5&artikel=26k&z=2021-06-30&g=2021-06-30), is verleend,
- b. het spoorvoertuig in een van de registers, bedoeld in [artikel 26aa, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=8&artikel=26aa&z=2021-06-30&g=2021-06-30), is ingeschreven,
Voordat een spoorwegonderneming een spoorvoertuig gebruikt op de in de voertuigvergunning vermelde hoofdspoorweginfrastructuur in het gebruiksgebied, controleert de spoorwegonderneming met inachtneming van de krachtens [artikel 26t, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=6&artikel=26t&z=2021-07-01&g=2021-07-01), gestelde regels in ieder geval of:
- a. voor het spoorvoertuig een voertuigvergunning als bedoeld in [artikel 26k, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=5&artikel=26k&z=2021-07-01&g=2021-07-01), is verleend,
- b. het spoorvoertuig in een van de registers, bedoeld in [artikel 26aa, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=8&artikel=26aa&z=2021-07-01&g=2021-07-01), is ingeschreven,
- c. het spoorvoertuig compatibel is met de te berijden hoofdspoorweginfrastructuur, en
@@ -2284,19 +2286,19 @@
1. Het is verboden gebruik te maken van de hoofdspoorweginfrastructuur met een spoorvoertuig:
- a. zonder een voor het desbetreffende gedeelte van de hoofdspoorweginfrastructuur geldige voertuigvergunning als bedoeld in [artikel 26k, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=5&artikel=26k&z=2021-06-30&g=2021-06-30),
- b. dat niet staat ingeschreven in het door Onze Minister gehouden voertuigregister, bedoeld in [artikel 26aa, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=8&artikel=26aa&z=2021-06-30&g=2021-06-30), het voertuigregister van een andere lidstaat of het Europees voertuigregister, en
- a. zonder een voor het desbetreffende gedeelte van de hoofdspoorweginfrastructuur geldige voertuigvergunning als bedoeld in [artikel 26k, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=5&artikel=26k&z=2021-07-01&g=2021-07-01),
- b. dat niet staat ingeschreven in het door Onze Minister gehouden voertuigregister, bedoeld in [artikel 26aa, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=8&artikel=26aa&z=2021-07-01&g=2021-07-01), het voertuigregister van een andere lidstaat of het Europees voertuigregister, en
- c. waarop geen Europees voertuignummer is aangebracht.
2. Het is verboden gebruik te maken van de hoofdspoorweginfrastructuur met een vernieuwd of verbeterd spoorvoertuig waarvoor, in strijd met [artikel 26l](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=5&artikel=26l&z=2021-06-30&g=2021-06-30) of de krachtens [artikel 26o, onderdeel e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=5&artikel=26o&z=2021-06-30&g=2021-06-30), gestelde regels, geen nieuwe voertuigvergunning is verleend.
3. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing, indien Onze Minister een tijdelijke gebruiksvergunning heeft verleend als bedoeld in [artikel 26r, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=6&artikel=26r&z=2021-06-30&g=2021-06-30).
2. Het is verboden gebruik te maken van de hoofdspoorweginfrastructuur met een vernieuwd of verbeterd spoorvoertuig waarvoor, in strijd met [artikel 26l](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=5&artikel=26l&z=2021-07-01&g=2021-07-01) of de krachtens [artikel 26o, onderdeel e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=5&artikel=26o&z=2021-07-01&g=2021-07-01), gestelde regels, geen nieuwe voertuigvergunning is verleend.
3. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing, indien Onze Minister een tijdelijke gebruiksvergunning heeft verleend als bedoeld in [artikel 26r, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=6&artikel=26r&z=2021-07-01&g=2021-07-01).
4. Onze Minister kan ontheffing of vrijstelling verlenen van de verplichting om te beschikken over een voor het desbetreffende gedeelte van de hoofdspoorweginfrastructuur geldige voertuigvergunning als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, indien voor die spoorvoertuigen een voertuigvergunning is verleend die geldt voor de met de desbetreffende hoofdspoorweginfrastructuur verbonden, dicht bij de grens gelegen spoorweginfrastructuur in de aangrenzende lidstaat. Een ontheffing of vrijstelling kan onder beperkingen worden verleend. Aan een ontheffing of vrijstelling kunnen voorschriften worden verbonden.
5. Het eerste lid is niet van toepassing op spoorvoertuigen waarvoor Onze Minister een ontheffing als bedoeld in [artikel 26k, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=5&artikel=26k&z=2021-06-30&g=2021-06-30), heeft verleend.
5. Het eerste lid is niet van toepassing op spoorvoertuigen waarvoor Onze Minister een ontheffing als bedoeld in [artikel 26k, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=5&artikel=26k&z=2021-07-01&g=2021-07-01), heeft verleend.
6. Onze Minister kan, op aanvraag, ontheffing verlenen van het verbod, bedoeld in het eerste lid. Een ontheffing kan onder beperkingen worden verleend. Aan een ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de aanvraag en verlening van een ontheffing, ter omschrijving van spoorvoertuigen waarmee op omschreven hoofdspoorwegen gebruik gemaakt mag worden, met het oog op het veilig gebruik van die spoorvoertuigen op die hoofdspoorwegen en over de procedures die bij verlening van een ontheffing gelden.
@@ -2304,9 +2306,9 @@
1. Onze Minister kan, op aanvraag, een tijdelijke gebruiksvergunning verlenen voor het uitvoeren van tests met spoorvoertuigen op de hoofdspoorweginfrastructuur of een gedeelte daarvan. Een tijdelijke gebruiksvergunning kan onder beperkingen worden verleend. Aan een tijdelijke gebruiksvergunning kunnen voorschriften worden verbonden.
2. Onze Minister kan een aanvrager van een voertuigvergunning als bedoeld in [artikel 26k, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=5&artikel=26k&z=2021-06-30&g=2021-06-30), van een ontheffing als bedoeld in artikel 26k, vijfde lid, of van een typegoedkeuring als bedoeld in [artikel 26m, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=5&artikel=26m&z=2021-06-30&g=2021-06-30), verzoeken tests uit te voeren met een spoorvoertuig voor zover dat nodig is voor een goede beoordeling van de desbetreffende aanvraag. In dat geval verleent Onze Minister een tijdelijke gebruiksvergunning als bedoeld in het eerste lid ambtshalve.
3. De beheerder doet, in overleg met de aanvrager van de tijdelijke gebruiksvergunning, een aanvrager als bedoeld in het tweede lid, dan wel een spoorwegonderneming die controles wil uitvoeren als bedoeld in [artikel 26p](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=6&artikel=26p&z=2021-06-30&g=2021-06-30), al het mogelijke om ervoor te zorgen dat de tests plaats kunnen vinden binnen drie maanden nadat de beheerder een verzoek daartoe heeft ontvangen.
2. Onze Minister kan een aanvrager van een voertuigvergunning als bedoeld in [artikel 26k, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=5&artikel=26k&z=2021-07-01&g=2021-07-01), van een ontheffing als bedoeld in artikel 26k, vijfde lid, of van een typegoedkeuring als bedoeld in [artikel 26m, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=5&artikel=26m&z=2021-07-01&g=2021-07-01), verzoeken tests uit te voeren met een spoorvoertuig voor zover dat nodig is voor een goede beoordeling van de desbetreffende aanvraag. In dat geval verleent Onze Minister een tijdelijke gebruiksvergunning als bedoeld in het eerste lid ambtshalve.
3. De beheerder doet, in overleg met de aanvrager van de tijdelijke gebruiksvergunning, een aanvrager als bedoeld in het tweede lid, dan wel een spoorwegonderneming die controles wil uitvoeren als bedoeld in [artikel 26p](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=6&artikel=26p&z=2021-07-01&g=2021-07-01), al het mogelijke om ervoor te zorgen dat de tests plaats kunnen vinden binnen drie maanden nadat de beheerder een verzoek daartoe heeft ontvangen.
4. Onze Minister kan van eenieder medewerking vorderen die redelijkerwijs noodzakelijk is om te waarborgen dat de tests tijdig kunnen plaatsvinden.
@@ -2320,7 +2322,7 @@
4. Indien het nemen van de maatregelen, bedoeld in het eerste en derde lid, niet tot conformiteit met de essentiële eisen leidt en de non-conformiteit een ernstig veiligheidsrisico vormt, kan Onze Minister in ieder geval:
- a. tijdelijke veiligheidsmaatregelen als bedoeld in [artikel 34](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=3&artikel=34&z=2021-06-30&g=2021-06-30) nemen,
- a. tijdelijke veiligheidsmaatregelen als bedoeld in [artikel 34](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=3&artikel=34&z=2021-07-01&g=2021-07-01) nemen,
- b. een door hem verleende typegoedkeuring voor het desbetreffende spoorvoertuig schorsen.
@@ -2334,25 +2336,25 @@
9. Onze Minister stelt spoorwegondernemingen die gebruik maken van spoorvoertuigen van hetzelfde type als het spoorvoertuig waarvan de voertuigvergunning of typegoedkeuring voor het spoorvoertuig is ingetrokken in kennis van die intrekking. Deze spoorwegondernemingen controleren onverwijld of het niet voldoen aan de essentiële eisen zich ook voordoet bij de desbetreffende spoorvoertuigen van hetzelfde type en informeren Onze Minister over hun bevindingen en genomen maatregelen. Op deze spoorwegondernemingen is de procedure van dit artikel van toepassing.
10. Het is verboden een spoorvoertuig in de handel te brengen of in de handel te houden dat op basis van een ingetrokken typegoedkeuring van een spoorvoertuig is gebouwd. Indien voor de desbetreffende spoorvoertuigen reeds een voertuigvergunning is verleend met toepassing van [artikel 26n](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=5&artikel=26n&z=2021-06-30&g=2021-06-30), dan vervalt die voertuigvergunning van rechtswege.
10. Het is verboden een spoorvoertuig in de handel te brengen of in de handel te houden dat op basis van een ingetrokken typegoedkeuring van een spoorvoertuig is gebouwd. Indien voor de desbetreffende spoorvoertuigen reeds een voertuigvergunning is verleend met toepassing van [artikel 26n](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=5&artikel=26n&z=2021-07-01&g=2021-07-01), dan vervalt die voertuigvergunning van rechtswege.
##### Artikel 26t
Bij ministeriële regeling kunnen in het belang van een goede uitvoering van het bij of krachtens de interoperabiliteitsrichtlijn bepaalde met betrekking tot de onderwerpen in deze paragraaf regels worden gesteld, waaronder in elk geval regels over:
- a. de controles, bedoeld in [artikel 26p](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=6&artikel=26p&z=2021-06-30&g=2021-06-30),
- b. de verlening en weigering van een ontheffing of vrijstelling als bedoeld in [artikel 26q, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=6&artikel=26q&z=2021-06-30&g=2021-06-30),
- c. het testen van spoorvoertuigen op de hoofdspoorweginfrastructuur, bedoeld in [artikel 26r](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=6&artikel=26r&z=2021-06-30&g=2021-06-30),
- d. de maatregelen die Onze Minister op grond van [artikel 26s](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=6&artikel=26s&z=2021-06-30&g=2021-06-30) kan nemen.
- a. de controles, bedoeld in [artikel 26p](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=6&artikel=26p&z=2021-07-01&g=2021-07-01),
- b. de verlening en weigering van een ontheffing of vrijstelling als bedoeld in [artikel 26q, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=6&artikel=26q&z=2021-07-01&g=2021-07-01),
- c. het testen van spoorvoertuigen op de hoofdspoorweginfrastructuur, bedoeld in [artikel 26r](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=6&artikel=26r&z=2021-07-01&g=2021-07-01),
- d. de maatregelen die Onze Minister op grond van [artikel 26s](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=6&artikel=26s&z=2021-07-01&g=2021-07-01) kan nemen.
#### § 7. Conformiteitsbeoordelingsinstanties
##### Artikel 26u
1. Onze Minister besluit, op aanvraag, tot aanmelding van een of meer conformiteitsbeoordelingsinstanties die voldoen aan de krachtens [artikel 26z, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=7&artikel=26z&z=2021-06-30&g=2021-06-30), gestelde regels bij de Europese Commissie en de andere lidstaten. Een besluit tot aanmelding kan onder beperkingen worden gegeven. Aan een besluit tot aanmelding kunnen voorschriften worden verbonden.
1. Onze Minister besluit, op aanvraag, tot aanmelding van een of meer conformiteitsbeoordelingsinstanties die voldoen aan de krachtens [artikel 26z, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=7&artikel=26z&z=2021-07-01&g=2021-07-01), gestelde regels bij de Europese Commissie en de andere lidstaten. Een besluit tot aanmelding kan onder beperkingen worden gegeven. Aan een besluit tot aanmelding kunnen voorschriften worden verbonden.
2. De in het eerste lid bedoelde regels bevatten ten minste voorschriften die waarborgen dat:
@@ -2374,7 +2376,7 @@
##### Artikel 26v
1. Onze Minister wijst, op aanvraag, een of meer conformiteitsbeoordelingsinstanties aan die voldoen aan de krachtens [artikel 26z, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=7&artikel=26z&z=2021-06-30&g=2021-06-30), gestelde regels. Een aanwijzing kan onder beperkingen worden verleend. Aan een aanwijzing kunnen voorschriften worden verbonden.
1. Onze Minister wijst, op aanvraag, een of meer conformiteitsbeoordelingsinstanties aan die voldoen aan de krachtens [artikel 26z, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=7&artikel=26z&z=2021-07-01&g=2021-07-01), gestelde regels. Een aanwijzing kan onder beperkingen worden verleend. Aan een aanwijzing kunnen voorschriften worden verbonden.
2. Een aangewezen instantie is bevoegd om de bij die aanwijzing beschreven conformiteitsbeoordelingen uit te voeren ten aanzien van subsystemen, spoorvoertuigen en andere producten, bestemd om deel uit te maken van het spoorwegsysteem, voor zover die conformiteitsbeoordelingen betrekking hebben op nationale voorschriften.
@@ -2384,9 +2386,9 @@
##### Artikel 26w
1. Een aangemelde of aangewezen instantie verricht de werkzaamheden waarvoor zij is aangemeld of aangewezen volgens de krachtens [artikel 26z, onderdeel c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=7&artikel=26z&z=2021-06-30&g=2021-06-30), gestelde regels.
2. Een aangemelde of aangewezen instantie verstrekt documenten, gegevens en andere informatie aan Onze Minister, het Europees Spoorwegbureau of andere conformiteitsbeoordelingsinstanties volgens de krachtens [artikel 26z, onderdeel d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=7&artikel=26z&z=2021-06-30&g=2021-06-30), gestelde regels.
1. Een aangemelde of aangewezen instantie verricht de werkzaamheden waarvoor zij is aangemeld of aangewezen volgens de krachtens [artikel 26z, onderdeel c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=7&artikel=26z&z=2021-07-01&g=2021-07-01), gestelde regels.
2. Een aangemelde of aangewezen instantie verstrekt documenten, gegevens en andere informatie aan Onze Minister, het Europees Spoorwegbureau of andere conformiteitsbeoordelingsinstanties volgens de krachtens [artikel 26z, onderdeel d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=7&artikel=26z&z=2021-07-01&g=2021-07-01), gestelde regels.
3. Activiteiten van aangemelde of aangewezen instanties mogen uitsluitend worden uitbesteed of door een dochteronderneming worden uitgevoerd:
@@ -2394,13 +2396,13 @@
- b. na melding daarvan bij Onze Minister, en
- c. met inachtneming van de krachtens [artikel 26z, onderdeel e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=7&artikel=26z&z=2021-06-30&g=2021-06-30), gestelde regels.
- c. met inachtneming van de krachtens [artikel 26z, onderdeel e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=7&artikel=26z&z=2021-07-01&g=2021-07-01), gestelde regels.
4. Aangemelde instanties nemen rechtstreeks dan wel via aangestelde vertegenwoordigers deel aan de werkzaamheden van de door de Europese Commissie opgerichte sectorale groep van aangemelde instanties, bedoeld in artikel 44 van de interoperabiliteitsrichtlijn.
##### Artikel 26x
1. Indien is gebleken dat een door Onze Minister aangemelde of een aangewezen instantie niet meer voldoet aan de eisen om te worden aangemeld of aangewezen of de voor die instantie geldende verplichtingen, bedoeld in [artikel 26w](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=7&artikel=26w&z=2021-06-30&g=2021-06-30), niet naleeft, kan Onze Minister, afhankelijk van de ernst van het niet voldoen aan de eisen of het niet nakomen van de verplichtingen, de aanmelding of aanwijzing beperken, schorsen of intrekken.
1. Indien is gebleken dat een door Onze Minister aangemelde of een aangewezen instantie niet meer voldoet aan de eisen om te worden aangemeld of aangewezen of de voor die instantie geldende verplichtingen, bedoeld in [artikel 26w](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=7&artikel=26w&z=2021-07-01&g=2021-07-01), niet naleeft, kan Onze Minister, afhankelijk van de ernst van het niet voldoen aan de eisen of het niet nakomen van de verplichtingen, de aanmelding of aanwijzing beperken, schorsen of intrekken.
2. Onze Minister draagt zorg voor een goede overdracht van de dossiers die in behandeling waren bij of in bezit zijn van een aangemelde of aangewezen instantie waarvan de aanmelding of aanwijzing is beperkt, geschorst of ingetrokken of die haar activiteiten heeft gestaakt.
@@ -2408,25 +2410,25 @@
##### Artikel 26y
Conformiteitsbeoordelingsactiviteiten kunnen worden uitgevoerd door een geaccrediteerde interne instantie als bedoeld in artikel 35 van de interoperabiliteitsrichtlijn, indien wordt voldaan aan de krachtens [artikel 26z, onderdeel g](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=7&artikel=26z&z=2021-06-30&g=2021-06-30), gestelde regels.
Conformiteitsbeoordelingsactiviteiten kunnen worden uitgevoerd door een geaccrediteerde interne instantie als bedoeld in artikel 35 van de interoperabiliteitsrichtlijn, indien wordt voldaan aan de krachtens [artikel 26z, onderdeel g](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=7&artikel=26z&z=2021-07-01&g=2021-07-01), gestelde regels.
##### Artikel 26z
Bij ministeriële regeling kunnen in het belang van een goede uitvoering van het bij of krachtens de interoperabiliteitsrichtlijn bepaalde met betrekking tot de onderwerpen in deze paragraaf regels worden gesteld, waaronder in elk geval regels over:
- a. eisen om te worden aangemeld als bedoeld in [artikel 26u, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=7&artikel=26u&z=2021-06-30&g=2021-06-30), of aangewezen als bedoeld in [artikel 26v, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=7&artikel=26v&z=2021-06-30&g=2021-06-30),
- b. de aanvraag, de procedure en de beoordeling van een aanvraag om aanmelding als bedoeld in [artikel 26u, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=7&artikel=26u&z=2021-06-30&g=2021-06-30), of aanwijzing als bedoeld in [artikel 26v, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=7&artikel=26v&z=2021-06-30&g=2021-06-30),
- c. de uitvoering van conformiteitsbeoordelingen en andere operationele verplichtingen van aangemelde of aangewezen instanties, bedoeld in [artikel 26w, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=7&artikel=26w&z=2021-06-30&g=2021-06-30),
- d. de verstrekking van documenten, gegevens en andere informatie door aangemelde of aangewezen instanties, bedoeld in [artikel 26w, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=7&artikel=26w&z=2021-06-30&g=2021-06-30),
- e. de voorwaarden waaronder en wijze waarop een aangemelde of aangewezen instantie haar taken kan uitbesteden of kan laten uitvoeren door een dochteronderneming, bedoeld in [artikel 26w, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=7&artikel=26w&z=2021-06-30&g=2021-06-30),
- f. de overdracht van dossiers, bedoeld in [artikel 26x, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=7&artikel=26x&z=2021-06-30&g=2021-06-30),
- g. de activiteiten waarvoor, voorwaarden waaronder en wijze waarop een geaccrediteerde interne instantie als bedoeld in [artikel 26y](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=7&artikel=26y&z=2021-06-30&g=2021-06-30) conformiteitsbeoordelingsactiviteiten kan uitvoeren.
- a. eisen om te worden aangemeld als bedoeld in [artikel 26u, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=7&artikel=26u&z=2021-07-01&g=2021-07-01), of aangewezen als bedoeld in [artikel 26v, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=7&artikel=26v&z=2021-07-01&g=2021-07-01),
- b. de aanvraag, de procedure en de beoordeling van een aanvraag om aanmelding als bedoeld in [artikel 26u, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=7&artikel=26u&z=2021-07-01&g=2021-07-01), of aanwijzing als bedoeld in [artikel 26v, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=7&artikel=26v&z=2021-07-01&g=2021-07-01),
- c. de uitvoering van conformiteitsbeoordelingen en andere operationele verplichtingen van aangemelde of aangewezen instanties, bedoeld in [artikel 26w, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=7&artikel=26w&z=2021-07-01&g=2021-07-01),
- d. de verstrekking van documenten, gegevens en andere informatie door aangemelde of aangewezen instanties, bedoeld in [artikel 26w, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=7&artikel=26w&z=2021-07-01&g=2021-07-01),
- e. de voorwaarden waaronder en wijze waarop een aangemelde of aangewezen instantie haar taken kan uitbesteden of kan laten uitvoeren door een dochteronderneming, bedoeld in [artikel 26w, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=7&artikel=26w&z=2021-07-01&g=2021-07-01),
- f. de overdracht van dossiers, bedoeld in [artikel 26x, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=7&artikel=26x&z=2021-07-01&g=2021-07-01),
- g. de activiteiten waarvoor, voorwaarden waaronder en wijze waarop een geaccrediteerde interne instantie als bedoeld in [artikel 26y](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=7&artikel=26y&z=2021-07-01&g=2021-07-01) conformiteitsbeoordelingsactiviteiten kan uitvoeren.
##### Artikel 26aa
@@ -2444,7 +2446,7 @@
##### Artikel 26bb
Een beheerder houdt en publiceert met inachtneming van de krachtens [artikel 26cc, onderdeel d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=8&artikel=26cc&z=2021-06-30&g=2021-06-30), gestelde regels een register van de hoofdspoorweginfrastructuur die hij beheert.
Een beheerder houdt en publiceert met inachtneming van de krachtens [artikel 26cc, onderdeel d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=8&artikel=26cc&z=2021-07-01&g=2021-07-01), gestelde regels een register van de hoofdspoorweginfrastructuur die hij beheert.
##### Artikel 26cc
@@ -2454,19 +2456,19 @@
- b. de aanvraag, wijziging en schrapping van een inschrijving in het door Onze Minister gehouden voertuigregister,
- c. het Europees voertuignummer, bedoeld in [artikel 26aa, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=8&artikel=26aa&z=2021-06-30&g=2021-06-30),
- d. het register, bedoeld in [artikel 26bb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=8&artikel=26bb&z=2021-06-30&g=2021-06-30).
- c. het Europees voertuignummer, bedoeld in [artikel 26aa, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=8&artikel=26aa&z=2021-07-01&g=2021-07-01),
- d. het register, bedoeld in [artikel 26bb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=8&artikel=26bb&z=2021-07-01&g=2021-07-01).
##### Artikel 26dd
1. Dit artikel is van toepassing op de besluiten die Onze Minister neemt op grond van:
- a. [artikel 26h, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=4&artikel=26h&z=2021-06-30&g=2021-06-30),
- b. [artikel 26k, tweede en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=5&artikel=26k&z=2021-06-30&g=2021-06-30),
- c. [artikel 26m, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=5&artikel=26m&z=2021-06-30&g=2021-06-30).
- a. [artikel 26h, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=4&artikel=26h&z=2021-07-01&g=2021-07-01),
- b. [artikel 26k, tweede en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=5&artikel=26k&z=2021-07-01&g=2021-07-01),
- c. [artikel 26m, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=5&artikel=26m&z=2021-07-01&g=2021-07-01).
2. Onze Minister deelt uiterlijk een maand na ontvangst van de aanvraag aan de aanvrager mede of alle informatie die nodig is voor een goede beoordeling van de aanvraag is verstrekt.
@@ -2508,9 +2510,9 @@
##### Artikel 122a
[Artikel 26q, eerste lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=6&artikel=26q&z=2021-06-30&g=2021-06-30), is niet van toepassing op een spoorvoertuig dat:
- a. op de dag voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van [hoofdstuk 2a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&z=2021-06-30&g=2021-06-30) in overeenstemming met de op 31 december 2004 geldende voorschriften kon worden gebruikt op een hoofdspoorweg;
[Artikel 26q, eerste lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=6&artikel=26q&z=2021-07-01&g=2021-07-01), is niet van toepassing op een spoorvoertuig dat:
- a. op de dag voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van [hoofdstuk 2a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&z=2021-07-01&g=2021-07-01) in overeenstemming met de op 31 december 2004 geldende voorschriften kon worden gebruikt op een hoofdspoorweg;
- b. waarvoor Onze Minister voor 19 juli 2008 een inzetcertificaat heeft verleend als bedoeld in artikel 36a, vierde lid, van de Spoorwegwet, zoals dat luidde op 19 juli 2008;
@@ -2524,65 +2526,65 @@
##### Artikel 123b
1. Een vergunning voor indienststelling van een hoofdspoorweg als bedoeld in [artikel 8, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2&paragraaf=3&artikel=8&z=2021-06-30&g=2021-06-30), zoals dat luidde op de dag voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van [hoofdstuk 2a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&z=2021-06-30&g=2021-06-30), berust met ingang van de dag waarop [artikel 26h](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=4&artikel=26h&z=2021-06-30&g=2021-06-30) in werking treedt op artikel 26h, tweede lid.
2. Een aanvraag respectievelijk een beslissing op een aanvraag voor het buiten toepassing laten van een of meer technische specificaties inzake interoperabiliteit als bedoeld in [artikel 8, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2&paragraaf=3&artikel=8&z=2021-06-30&g=2021-06-30), respectievelijk [9, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2&paragraaf=3&artikel=9&z=2021-06-30&g=2021-06-30), zoals die artikelen luidden op de dag voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van [hoofdstuk 2a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&z=2021-06-30&g=2021-06-30), berust met ingang van de dag waarop [artikel 26f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=3&artikel=26f&z=2021-06-30&g=2021-06-30) in werking treedt op artikel 26f, eerste lid.
3. Een aanvraag respectievelijk een beslissing op een aanvraag als bedoeld in [artikel 8, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2&paragraaf=3&artikel=8&z=2021-06-30&g=2021-06-30), respectievelijk [9, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2&paragraaf=3&artikel=9&z=2021-06-30&g=2021-06-30), zoals die artikelen luidden op de dag voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van [hoofdstuk 2a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&z=2021-06-30&g=2021-06-30), berust met ingang van de dag waarop [artikel 26h](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=4&artikel=26h&z=2021-06-30&g=2021-06-30) in werking treedt op artikel 26h, vijfde lid.
4. Een aanvraag respectievelijk een beslissing op een aanvraag als bedoeld in [artikel 8, achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2&paragraaf=3&artikel=8&z=2021-06-30&g=2021-06-30), zoals dat luidde op de dag voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van [hoofdstuk 2a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&z=2021-06-30&g=2021-06-30), berust met ingang van de dag waarop [artikel 26h](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=4&artikel=26h&z=2021-06-30&g=2021-06-30) in werking treedt op artikel 26h, vierde lid.
5. Een aanvraag respectievelijk een beslissing op een aanvraag als bedoeld in [artikel 9, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2&paragraaf=3&artikel=9&z=2021-06-30&g=2021-06-30), zoals dat luidde op de dag voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van [hoofdstuk 2a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&z=2021-06-30&g=2021-06-30), berust met ingang van de dag waarop [artikel 26f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=3&artikel=26f&z=2021-06-30&g=2021-06-30), in werking treedt op artikel 26f, eerste lid.
1. Een vergunning voor indienststelling van een hoofdspoorweg als bedoeld in [artikel 8, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2&paragraaf=3&artikel=8&z=2021-07-01&g=2021-07-01), zoals dat luidde op de dag voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van [hoofdstuk 2a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&z=2021-07-01&g=2021-07-01), berust met ingang van de dag waarop [artikel 26h](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=4&artikel=26h&z=2021-07-01&g=2021-07-01) in werking treedt op artikel 26h, tweede lid.
2. Een aanvraag respectievelijk een beslissing op een aanvraag voor het buiten toepassing laten van een of meer technische specificaties inzake interoperabiliteit als bedoeld in [artikel 8, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2&paragraaf=3&artikel=8&z=2021-07-01&g=2021-07-01), respectievelijk [9, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2&paragraaf=3&artikel=9&z=2021-07-01&g=2021-07-01), zoals die artikelen luidden op de dag voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van [hoofdstuk 2a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&z=2021-07-01&g=2021-07-01), berust met ingang van de dag waarop [artikel 26f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=3&artikel=26f&z=2021-07-01&g=2021-07-01) in werking treedt op artikel 26f, eerste lid.
3. Een aanvraag respectievelijk een beslissing op een aanvraag als bedoeld in [artikel 8, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2&paragraaf=3&artikel=8&z=2021-07-01&g=2021-07-01), respectievelijk [9, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2&paragraaf=3&artikel=9&z=2021-07-01&g=2021-07-01), zoals die artikelen luidden op de dag voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van [hoofdstuk 2a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&z=2021-07-01&g=2021-07-01), berust met ingang van de dag waarop [artikel 26h](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=4&artikel=26h&z=2021-07-01&g=2021-07-01) in werking treedt op artikel 26h, vijfde lid.
4. Een aanvraag respectievelijk een beslissing op een aanvraag als bedoeld in [artikel 8, achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2&paragraaf=3&artikel=8&z=2021-07-01&g=2021-07-01), zoals dat luidde op de dag voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van [hoofdstuk 2a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&z=2021-07-01&g=2021-07-01), berust met ingang van de dag waarop [artikel 26h](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=4&artikel=26h&z=2021-07-01&g=2021-07-01) in werking treedt op artikel 26h, vierde lid.
5. Een aanvraag respectievelijk een beslissing op een aanvraag als bedoeld in [artikel 9, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2&paragraaf=3&artikel=9&z=2021-07-01&g=2021-07-01), zoals dat luidde op de dag voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van [hoofdstuk 2a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&z=2021-07-01&g=2021-07-01), berust met ingang van de dag waarop [artikel 26f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=3&artikel=26f&z=2021-07-01&g=2021-07-01), in werking treedt op artikel 26f, eerste lid.
##### Artikel 123c
Een veiligheidscertificaat als bedoeld in [artikel 32](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=3&artikel=32&z=2021-06-30&g=2021-06-30) respectievelijk een proefcertificaat als bedoeld in [artikel 34](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=3&artikel=34&z=2021-06-30&g=2021-06-30) van de Spoorwegwet, zoals die artikelen luidden op de dag voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet houdende implementatie van het vierde spoorwegpakket, blijft na de inwerkingtreding van die wet geldig voor de duur waarvoor het betreffende certificaat is verleend. Op een tussentijdse wijziging, schorsing of intrekking van het betreffende veiligheidscertificaat zijn met ingang van de dag waarop de Wet houdende implementatie van het vierde spoorwegpakket in werking treedt, [artikel 33, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=3&artikel=33&z=2021-06-30&g=2021-06-30), en de krachtens [artikel 35, onderdeel c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=3&artikel=35&z=2021-06-30&g=2021-06-30), gestelde regels, van toepassing.
Een veiligheidscertificaat als bedoeld in [artikel 32](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=3&artikel=32&z=2021-07-01&g=2021-07-01) respectievelijk een proefcertificaat als bedoeld in [artikel 34](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=3&artikel=34&z=2021-07-01&g=2021-07-01) van de Spoorwegwet, zoals die artikelen luidden op de dag voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet houdende implementatie van het vierde spoorwegpakket, blijft na de inwerkingtreding van die wet geldig voor de duur waarvoor het betreffende certificaat is verleend. Op een tussentijdse wijziging, schorsing of intrekking van het betreffende veiligheidscertificaat zijn met ingang van de dag waarop de Wet houdende implementatie van het vierde spoorwegpakket in werking treedt, [artikel 33, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=3&artikel=33&z=2021-07-01&g=2021-07-01), en de krachtens [artikel 35, onderdeel c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=3&artikel=35&z=2021-07-01&g=2021-07-01), gestelde regels, van toepassing.
##### Artikel 123d
1. Een vergunning voor indienststelling van een spoorvoertuig respectievelijk voor een type spoorvoertuig als bedoeld in de [artikelen 36](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=4&artikel=36&z=2021-06-30&g=2021-06-30), 36b en 37a van de Spoorwegwet, zoals die artikelen luidden op de dag voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van [hoofdstuk 2a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&z=2021-06-30&g=2021-06-30), blijven na de inwerkingtreding van hoofdstuk 2a, geldig voor de duur waarvoor de desbetreffende vergunning door Onze Minister is verleend. Op de betreffende vergunning voor indienststelling van een spoorvoertuig respectievelijk voor een type spoorvoertuig blijft het recht van toepassing zoals dat voor de inwerkingtreding van hoofdstuk 2a voor de betreffende vergunning gold, met dien verstande dat:
- a. op een uitbreiding van het gebruiksgebied in een vergunning voor indienststelling van een spoorvoertuig [artikel 26k, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=5&artikel=26k&z=2021-06-30&g=2021-06-30), van toepassing is,
- b. op een vernieuwing of verbetering van het desbetreffende spoorvoertuig de [artikelen 26l](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=5&artikel=26l&z=2021-06-30&g=2021-06-30) en [26q, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=6&artikel=26q&z=2021-06-30&g=2021-06-30), van overeenkomstige toepassing zijn.
2. Een ontheffing als bedoeld in de [artikelen 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=4&artikel=36&z=2021-06-30&g=2021-06-30), en 36b, eerste lid, van de Spoorwegwet, zoals die artikelen luidden op de dag voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van [hoofdstuk 2a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&z=2021-06-30&g=2021-06-30), blijft na de inwerkingtreding van hoofdstuk 2a, geldig voor de duur waarvoor de desbetreffende ontheffing is verleend. Op de desbetreffende ontheffing blijft het recht van toepassing zoals dat voor de inwerkingtreding van hoofdstuk 2a voor de ontheffing gold.
3. Aanvragen voor een vergunning voor indienststelling van een spoorvoertuig respectievelijk voor een type spoorvoertuig of een ontheffing die voor de inwerkingtreding van [hoofdstuk 2a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&z=2021-06-30&g=2021-06-30) zijn ingediend en waarop op de dag dat hoofdstuk 2a in werking treedt nog niet is beslist, worden aangemerkt als volgt:
- a. een aanvraag, ingediend voor een ontheffing op grond van[artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=4&artikel=36&z=2021-06-30&g=2021-06-30), of 36b, eerste lid, wordt afhankelijk van het geval aangemerkt als een aanvraag op grond van:
- 1°. [artikel 26k, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=5&artikel=26k&z=2021-06-30&g=2021-06-30),
- 2°. [artikel 26q, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=6&artikel=26q&z=2021-06-30&g=2021-06-30), of
- 3°. [artikel 26r, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=6&artikel=26r&z=2021-06-30&g=2021-06-30).
- b. een aanvraag, ingediend voor een vergunning op grond van [artikel 36, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=4&artikel=36&z=2021-06-30&g=2021-06-30), wordt aangemerkt als een aanvraag op grond van [artikel 26k, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=5&artikel=26k&z=2021-06-30&g=2021-06-30),
- c. een aanvraag op grond van [artikel 36, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=4&artikel=36&z=2021-06-30&g=2021-06-30), wordt aangemerkt als een aanvraag op grond van [artikel 26f, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=3&artikel=26f&z=2021-06-30&g=2021-06-30),
- d. een aanvraag, ingediend op grond van [artikel 36, negende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=4&artikel=36&z=2021-06-30&g=2021-06-30), wordt aangemerkt als een aanvraag op grond van [artikel 26f, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=3&artikel=26f&z=2021-06-30&g=2021-06-30),
- e. een aanvraag, ingediend op grond van [artikel 36, tiende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=4&artikel=36&z=2021-06-30&g=2021-06-30), wordt aangemerkt als een aanvraag op grond van [artikel 26k, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=5&artikel=26k&z=2021-06-30&g=2021-06-30),
- f. een aanvraag, ingediend op grond van [artikel 37, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=4&artikel=37&z=2021-06-30&g=2021-06-30), wordt aangemerkt als een aanvraag op grond van [artikel 26aa, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=8&artikel=26aa&z=2021-06-30&g=2021-06-30),
- g. een aanvraag, ingediend voor een vergunning voor indienststelling voor een type op grond van artikel 37a, eerste lid, wordt aangemerkt als een aanvraag op grond van [artikel 26n](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=5&artikel=26n&z=2021-06-30&g=2021-06-30),
- h. een aanvraag, ingediend op grond van artikel 37b, vijfde lid, wordt aangemerkt als een aanvraag op grond van [artikel 26f, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=3&artikel=26f&z=2021-06-30&g=2021-06-30).
4. Aanvragen voor een vergunning voor indienststelling van een spoorvoertuig of een ontheffing als bedoeld in artikel 36b die voor de inwerkingtreding van [hoofdstuk 2a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&z=2021-06-30&g=2021-06-30) zijn ingediend en waarop op de dag dat hoofdstuk 2a in werking treedt nog niet is beslist, worden na de inwerkingtreding van hoofdstuk 2a, geacht van rechtswege te zijn geweigerd.
1. Een vergunning voor indienststelling van een spoorvoertuig respectievelijk voor een type spoorvoertuig als bedoeld in de [artikelen 36](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=4&artikel=36&z=2021-07-01&g=2021-07-01), 36b en 37a van de Spoorwegwet, zoals die artikelen luidden op de dag voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van [hoofdstuk 2a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&z=2021-07-01&g=2021-07-01), blijven na de inwerkingtreding van hoofdstuk 2a, geldig voor de duur waarvoor de desbetreffende vergunning door Onze Minister is verleend. Op de betreffende vergunning voor indienststelling van een spoorvoertuig respectievelijk voor een type spoorvoertuig blijft het recht van toepassing zoals dat voor de inwerkingtreding van hoofdstuk 2a voor de betreffende vergunning gold, met dien verstande dat:
- a. op een uitbreiding van het gebruiksgebied in een vergunning voor indienststelling van een spoorvoertuig [artikel 26k, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=5&artikel=26k&z=2021-07-01&g=2021-07-01), van toepassing is,
- b. op een vernieuwing of verbetering van het desbetreffende spoorvoertuig de [artikelen 26l](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=5&artikel=26l&z=2021-07-01&g=2021-07-01) en [26q, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=6&artikel=26q&z=2021-07-01&g=2021-07-01), van overeenkomstige toepassing zijn.
2. Een ontheffing als bedoeld in de [artikelen 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=4&artikel=36&z=2021-07-01&g=2021-07-01), en 36b, eerste lid, van de Spoorwegwet, zoals die artikelen luidden op de dag voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van [hoofdstuk 2a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&z=2021-07-01&g=2021-07-01), blijft na de inwerkingtreding van hoofdstuk 2a, geldig voor de duur waarvoor de desbetreffende ontheffing is verleend. Op de desbetreffende ontheffing blijft het recht van toepassing zoals dat voor de inwerkingtreding van hoofdstuk 2a voor de ontheffing gold.
3. Aanvragen voor een vergunning voor indienststelling van een spoorvoertuig respectievelijk voor een type spoorvoertuig of een ontheffing die voor de inwerkingtreding van [hoofdstuk 2a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&z=2021-07-01&g=2021-07-01) zijn ingediend en waarop op de dag dat hoofdstuk 2a in werking treedt nog niet is beslist, worden aangemerkt als volgt:
- a. een aanvraag, ingediend voor een ontheffing op grond van[artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=4&artikel=36&z=2021-07-01&g=2021-07-01), of 36b, eerste lid, wordt afhankelijk van het geval aangemerkt als een aanvraag op grond van:
- 1°. [artikel 26k, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=5&artikel=26k&z=2021-07-01&g=2021-07-01),
- 2°. [artikel 26q, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=6&artikel=26q&z=2021-07-01&g=2021-07-01), of
- 3°. [artikel 26r, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=6&artikel=26r&z=2021-07-01&g=2021-07-01).
- b. een aanvraag, ingediend voor een vergunning op grond van [artikel 36, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=4&artikel=36&z=2021-07-01&g=2021-07-01), wordt aangemerkt als een aanvraag op grond van [artikel 26k, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=5&artikel=26k&z=2021-07-01&g=2021-07-01),
- c. een aanvraag op grond van [artikel 36, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=4&artikel=36&z=2021-07-01&g=2021-07-01), wordt aangemerkt als een aanvraag op grond van [artikel 26f, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=3&artikel=26f&z=2021-07-01&g=2021-07-01),
- d. een aanvraag, ingediend op grond van [artikel 36, negende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=4&artikel=36&z=2021-07-01&g=2021-07-01), wordt aangemerkt als een aanvraag op grond van [artikel 26f, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=3&artikel=26f&z=2021-07-01&g=2021-07-01),
- e. een aanvraag, ingediend op grond van [artikel 36, tiende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=4&artikel=36&z=2021-07-01&g=2021-07-01), wordt aangemerkt als een aanvraag op grond van [artikel 26k, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=5&artikel=26k&z=2021-07-01&g=2021-07-01),
- f. een aanvraag, ingediend op grond van [artikel 37, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=4&artikel=37&z=2021-07-01&g=2021-07-01), wordt aangemerkt als een aanvraag op grond van [artikel 26aa, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=8&artikel=26aa&z=2021-07-01&g=2021-07-01),
- g. een aanvraag, ingediend voor een vergunning voor indienststelling voor een type op grond van artikel 37a, eerste lid, wordt aangemerkt als een aanvraag op grond van [artikel 26n](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=5&artikel=26n&z=2021-07-01&g=2021-07-01),
- h. een aanvraag, ingediend op grond van artikel 37b, vijfde lid, wordt aangemerkt als een aanvraag op grond van [artikel 26f, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=3&artikel=26f&z=2021-07-01&g=2021-07-01).
4. Aanvragen voor een vergunning voor indienststelling van een spoorvoertuig of een ontheffing als bedoeld in artikel 36b die voor de inwerkingtreding van [hoofdstuk 2a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&z=2021-07-01&g=2021-07-01) zijn ingediend en waarop op de dag dat hoofdstuk 2a in werking treedt nog niet is beslist, worden na de inwerkingtreding van hoofdstuk 2a, geacht van rechtswege te zijn geweigerd.
##### Artikel 123e
1. Een aanvullende vergunning voor indienststelling van een spoorvoertuig respectievelijk voor een type spoorvoertuig die is verleend op grond van [artikel 36](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=4&artikel=36&z=2021-06-30&g=2021-06-30), 36b of 37a van de Spoorwegwet, zoals die artikelen luidden op de dag voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van [hoofdstuk 2a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&z=2021-06-30&g=2021-06-30), blijft na de inwerkingtreding van hoofdstuk 2a, geldig voor de duur waarvoor de desbetreffende vergunning door Onze Minister is verleend, met dien verstande dat het betreffende besluit tussentijds door het Europees Spoorwegbureau kan worden gewijzigd, geschorst of ingetrokken.
2. Onze Minister zendt de aanvragen om een aanvullende vergunning voor indienststelling van een spoorvoertuig respectievelijk voor een type spoorvoertuig op grond van de [artikelen 36](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=4&artikel=36&z=2021-06-30&g=2021-06-30), 36b en 37a van de Spoorwegwet, zoals die artikelen luidden op de dag voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van [hoofdstuk 2a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&z=2021-06-30&g=2021-06-30), die voor 16 juni 2019 bij hem zijn ingediend en waarop op 15 juni 2019 nog niet is beslist, onverwijld ter verdere behandeling door aan het Europees Spoorwegbureau. Onze Minister stelt de desbetreffende aanvrager in kennis van de doorzending.
1. Een aanvullende vergunning voor indienststelling van een spoorvoertuig respectievelijk voor een type spoorvoertuig die is verleend op grond van [artikel 36](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=4&artikel=36&z=2021-07-01&g=2021-07-01), 36b of 37a van de Spoorwegwet, zoals die artikelen luidden op de dag voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van [hoofdstuk 2a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&z=2021-07-01&g=2021-07-01), blijft na de inwerkingtreding van hoofdstuk 2a, geldig voor de duur waarvoor de desbetreffende vergunning door Onze Minister is verleend, met dien verstande dat het betreffende besluit tussentijds door het Europees Spoorwegbureau kan worden gewijzigd, geschorst of ingetrokken.
2. Onze Minister zendt de aanvragen om een aanvullende vergunning voor indienststelling van een spoorvoertuig respectievelijk voor een type spoorvoertuig op grond van de [artikelen 36](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=4&artikel=36&z=2021-07-01&g=2021-07-01), 36b en 37a van de Spoorwegwet, zoals die artikelen luidden op de dag voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van [hoofdstuk 2a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&z=2021-07-01&g=2021-07-01), die voor 16 juni 2019 bij hem zijn ingediend en waarop op 15 juni 2019 nog niet is beslist, onverwijld ter verdere behandeling door aan het Europees Spoorwegbureau. Onze Minister stelt de desbetreffende aanvrager in kennis van de doorzending.
##### Artikel 123f
Een onderhoudscertificaat als bedoeld in [artikel 46](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=4&artikel=46&z=2021-06-30&g=2021-06-30) respectievelijk een erkenning als bedoeld in [artikel 48](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=4&artikel=48&z=2021-06-30&g=2021-06-30) van de Spoorwegwet, zoals die artikelen luidden op de dag voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet houdende implementatie van het vierde spoorwegpakket, berust met ingang van de dag waarop die wet in werking treedt op [artikel 36](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=4&artikel=36&z=2021-06-30&g=2021-06-30) respectievelijk [artikel 37](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=4&artikel=37&z=2021-06-30&g=2021-06-30).
Een onderhoudscertificaat als bedoeld in [artikel 46](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=4&artikel=46&z=2021-07-01&g=2021-07-01) respectievelijk een erkenning als bedoeld in [artikel 48](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=4&artikel=48&z=2021-07-01&g=2021-07-01) van de Spoorwegwet, zoals die artikelen luidden op de dag voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet houdende implementatie van het vierde spoorwegpakket, berust met ingang van de dag waarop die wet in werking treedt op [artikel 36](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=4&artikel=36&z=2021-07-01&g=2021-07-01) respectievelijk [artikel 37](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=4&artikel=37&z=2021-07-01&g=2021-07-01).
#### § 3. Slotbepalingen
@@ -2592,7 +2594,7 @@
1. Indien voor een subsysteem een EG-keuringsverklaring is opgesteld op basis van de TSI’s en, naargelang het geval, overeenkomstig de nationale voorschriften, wordt dat subsysteem geacht te voldoen aan de essentiële eisen.
2. Een EG-keuringsverklaring als bedoeld in het eerste lid wordt opgesteld na toepassing van de daarvoor geldende keuringsprocedures en overeenkomstig de krachtens [artikel 26e, onderdelen b, c en d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=2&artikel=26e&z=2021-06-30&g=2021-06-30), gestelde regels.
2. Een EG-keuringsverklaring als bedoeld in het eerste lid wordt opgesteld na toepassing van de daarvoor geldende keuringsprocedures en overeenkomstig de krachtens [artikel 26e, onderdelen b, c en d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=2&artikel=26e&z=2021-07-01&g=2021-07-01), gestelde regels.
3. Het is verboden een EG-keuringsverklaring op te stellen voor een subsysteem dat niet voldoet aan de essentiële eisen.
@@ -2616,7 +2618,7 @@
##### Artikel 33a
1. Onze Minister besluit, op aanvraag, tot aanmelding bij het Europees Spoorwegbureau van een of meer beoordelingsinstanties die voldoen aan de in [artikel 35, onder f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=3&artikel=35&z=2021-06-30&g=2021-06-30), gestelde regels.
1. Onze Minister besluit, op aanvraag, tot aanmelding bij het Europees Spoorwegbureau van een of meer beoordelingsinstanties die voldoen aan de in [artikel 35, onder f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=3&paragraaf=3&artikel=35&z=2021-07-01&g=2021-07-01), gestelde regels.
2. Een besluit tot aanmelding kan onder beperkingen geschieden. Aan een aanmelding kunnen voorschriften worden verbonden.
@@ -2658,11 +2660,11 @@
##### Artikel 123a*
In de [artikelen 123c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=123c&z=2021-06-30&g=2021-06-30), [123f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=123f&z=2021-06-30&g=2021-06-30) en [123g](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=123g&z=2021-06-30&g=2021-06-30) wordt verstaan onder «Wet houdende implementatie van het vierde spoorwegpakket»: de Wet tot wijziging van de Spoorwegwet, de Wet personenvervoer 2000 en enige andere wetten in verband met de implementatie van richtlijn (EU) 2016/797 van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2016 betreffende de interoperabiliteit van het spoorwegsysteem in de Europese Unie (PbEU 2016, L 138/44), richtlijn (EU) 2016/798 van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2016 inzake veiligheid op het spoor (PbEU 2016, L 138/102), richtlijn (EU) 2016/2370 van het Europees Parlement en de Raad van 14 december 2016 tot wijziging van [Richtlijn 2012/34](32012L0034)/EU, met betrekking tot de openstelling van de markt voor het binnenlands passagiersvervoer per spoor en het beheer van de spoorweginfrastructuur (PbEU 2016, L 352/1) en tevens ter goede uitvoering van verordening (EU) 2016/796 van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2016 betreffende het Spoorwegbureau van de Europese Unie en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 881/2004 (PbEU 2016 L 138/1) en van verordening (EU) 2016/2338 van het Europees Parlement en de Raad van 14 december 2016 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1370/2007, met betrekking tot de openstelling van de markt voor het binnenlands personenvervoer per spoor (PbEU 2016, L 354/22).
In de [artikelen 123c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=123c&z=2021-07-01&g=2021-07-01), [123f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=123f&z=2021-07-01&g=2021-07-01) en [123g](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=123g&z=2021-07-01&g=2021-07-01) wordt verstaan onder «Wet houdende implementatie van het vierde spoorwegpakket»: de Wet tot wijziging van de Spoorwegwet, de Wet personenvervoer 2000 en enige andere wetten in verband met de implementatie van richtlijn (EU) 2016/797 van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2016 betreffende de interoperabiliteit van het spoorwegsysteem in de Europese Unie (PbEU 2016, L 138/44), richtlijn (EU) 2016/798 van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2016 inzake veiligheid op het spoor (PbEU 2016, L 138/102), richtlijn (EU) 2016/2370 van het Europees Parlement en de Raad van 14 december 2016 tot wijziging van [Richtlijn 2012/34](32012L0034)/EU, met betrekking tot de openstelling van de markt voor het binnenlands passagiersvervoer per spoor en het beheer van de spoorweginfrastructuur (PbEU 2016, L 352/1) en tevens ter goede uitvoering van verordening (EU) 2016/796 van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2016 betreffende het Spoorwegbureau van de Europese Unie en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 881/2004 (PbEU 2016 L 138/1) en van verordening (EU) 2016/2338 van het Europees Parlement en de Raad van 14 december 2016 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1370/2007, met betrekking tot de openstelling van de markt voor het binnenlands personenvervoer per spoor (PbEU 2016, L 354/22).
##### Artikel 123g
Bijlagen IV, V, VII en IX bij [richtlijn 2008/57/EG](32008L0057) blijven na de inwerkingtreding van de Wet houdende implementatie van het vierde spoorwegpakket van toepassing in de bij ministeriële regeling op grond van de [artikelen 26b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=1&artikel=26b&z=2021-06-30&g=2021-06-30), [26d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=2&artikel=26d&z=2021-06-30&g=2021-06-30), [26e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=2&artikel=26e&z=2021-06-30&g=2021-06-30), [26g](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=3&artikel=26g&z=2021-06-30&g=2021-06-30), [26j](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=4&artikel=26j&z=2021-06-30&g=2021-06-30) en [26o](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=5&artikel=26o&z=2021-06-30&g=2021-06-30) van die wet bepaalde gevallen.
Bijlagen IV, V, VII en IX bij [richtlijn 2008/57/EG](32008L0057) blijven na de inwerkingtreding van de Wet houdende implementatie van het vierde spoorwegpakket van toepassing in de bij ministeriële regeling op grond van de [artikelen 26b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=1&artikel=26b&z=2021-07-01&g=2021-07-01), [26d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=2&artikel=26d&z=2021-07-01&g=2021-07-01), [26e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=2&artikel=26e&z=2021-07-01&g=2021-07-01), [26g](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=3&artikel=26g&z=2021-07-01&g=2021-07-01), [26j](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=4&artikel=26j&z=2021-07-01&g=2021-07-01) en [26o](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=5&artikel=26o&z=2021-07-01&g=2021-07-01) van die wet bepaalde gevallen.
#### § 3. Slotbepalingen
2021-06-30
2019-06-16
2019-04-01
Spoorwegwet — arts. 4, 117, 118 y 7 más
2019-03-07
2018-07-28
Spoorwegwet — arts. 4, 117, 118 y 7 más
2018-05-25
Spoorwegwet — arts. 4, 4, 117 y 17 más
2018-02-17
Spoorwegwet — arts. 4, 117, 118 y 7 más
2018-01-01
Spoorwegwet — arts. 4, 117, 118 y 7 más
2017-08-30
Spoorwegwet — arts. 4, 117, 118 y 7 más
2016-11-26
2016-10-01
Spoorwegwet — arts. 4, 117, 118 y 7 más
2016-07-01
Spoorwegwet — arts. 4, 117, 118 y 8 más
2016-01-18
Spoorwegwet — arts. 4, 117, 118 y 8 más
2015-12-15
2015-12-01
2015-07-01
2015-01-01
2014-08-01
Spoorwegwet — arts. 4, 117, 118 y 12 más
2014-01-01
Spoorwegwet — arts. 4, 117, 118 y 12 más
2013-04-01
Spoorwegwet — arts. 4, 117, 118 y 13 más
2013-01-01
Spoorwegwet — arts. 4, 117, 118 y 13 más
2012-07-25
Spoorwegwet — arts. 4, 117, 118 y 18 más
2012-07-01
2012-04-01
Spoorwegwet — arts. 4, 117, 118 y 20 más
2011-11-15
Spoorwegwet — arts. 4, 117, 118 y 41 más
2011-10-12
Spoorwegwet — arts. 4, 117, 118 y 42 más
2011-01-01
2009-12-31
Spoorwegwet — arts. 4, 117, 118 y 42 más
2009-07-01
Spoorwegwet — arts. 4, 117, 118 y 43 más
2009-05-01
Spoorwegwet — arts. 4, 117, 118 y 45 más
2007-12-21
Spoorwegwet — arts. 4, 117, 118 y 45 más
2007-10-01
Spoorwegwet — arts. 4, 117, 118 y 46 más
2007-03-30
Spoorwegwet — arts. 4, 117, 118 y 46 más
2006-12-01
Spoorwegwet — arts. 4, 117, 118 y 46 más
2006-02-01
Spoorwegwet — arts. 4, 117, 118 y 46 más
2005-08-03
Spoorwegwet — arts. 4, 117, 118 y 46 más
2005-07-01
Spoorwegwet — arts. 4, 117, 118 y 46 más
2005-03-16
Spoorwegwet — arts. 4, 117, 118 y 46 más
2005-02-15
Spoorwegwet — arts. 1, 1, 4 y 109 más
2005-01-01
2004-12-31
Spoorwegwet — arts. 1, 1, 2 y 23 más
2004-12-31
Spoorwegwet
original version Tekst op deze datum