Regeling van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 4 november 2005, nr. TRCJZ/2005/3295, houdende regels ter uitvoering van de Meststoffenwet (Uitvoeringsregeling Meststoffenwet)

Type Ministeriële regeling
Publication 2026-03-19
State In force
Source BWB
artikelen 635
Wijzigingsgeschiedenis JSON API
grondsoort kleigrond noordelijke, westelijke en centrale zandgronden zuidelijke zandgronden lössgrond veengrond
jaar met ingang van 2018 met ingang van 2018 met ingang van 2018 met ingang van 2018 met ingang van 2018
Grasland (kg N per ha per jaar)
Grasland met beweiden 345 250 250 250 265
Grasland met volledig maaien1 385 320 320 320 300
Tijdelijk grasland (kg N per ha per periode)
van 1 januari tot minstens 15 april 60 50 50 50 50
van 1 januari tot minstens 15 mei 110 90 90 90 90
van 1 januari tot minstens 15 augustus 250 210 210 210 210
van 1 januari tot minstens 15 september 280 235 235 235 235
van 1 januari tot minstens 15 oktober 310 250 250 250 265
vanaf 15 april tot minstens 15 oktober 310 250 250 250 265
vanaf 15 mei tot minstens 15 oktober 280 235 235 235 235
vanaf 15 augustus tot minstens 15 oktober 95 80 80 80 80
vanaf 15 september tot minstens 15 oktober 30 25 25 25 25
vanaf 15 oktober 0 0 0 0 0
Akkerbouwgewassen (kg N per ha per teelt)
Blauwmaanzaad 110 100 80 80 105
Cichorei 70 70 70 70 70
Consumptieaardappelrassen hoge norm (zie tabel 2) 275 260 208 204 270
Consumptieaardappelrassen lage norm (zie tabel 2) 225 210 168 164 220
Consumptieaardappelrassen, vroeg 120 120 96 96 120
Consumptieaardappelrassen, overig 250 235 188 184 245
Gras voor industriële verwerking (inzaai in september en eerste jaar) 30 25 25 25 25
Gras voor industriële verwerking (inzaai voor 15 mei en volgende jaren) 310 250 250 250 265
Graszaad, Engels raaigras, 1e jaars 165 150 120 120 155
Graszaad, Engels raaigras, overjarig 200 185 148 148 190
Graszaad, Italiaans 130 120 96 96 125
Graszaad, rietzwenkgras 140 130 104 104 135
Graszaad, rietzwenkgras, volgteelt 60 50 40 40 55
Graszaad, roodzwenkgras, 1e jaars 85 75 60 60 80
Graszaad, roodzwenkgras, 1e jaars, volgteelt 35 35 28 28 35
Graszaad, roodzwenkgras, overjarig 115 105 84 84 110
Graszaad, roodzwenkgras, overjarig, volgteelt 45 45 36 36 45
Graszaad, veldbeemd 110 100 80 80 105
Graszaad, veldbeemd, volgteelt 60 50 40 40 55
Graszaad, westerwolds 110 100 80 80 105
Graszaad, overig 90 80 64 64 85
Graszaad, overig, volgteelt 45 45 36 36 45
Graszoden 340 340 272 272 340
Haver 100 100 100 100 100
Maïs, bedrijven met derogatie 160 140 112 112 150
Maïs, bedrijven zonder derogatie 185 140 112 112 150
Luzerne, eerste jaar 40 40 40 40 40
Luzerne, volgende jaren 0 0 0 0 0
Karwij 150 140 112 112 145
Karwij waarvan ten hoogste na 31/12 (winterteelt) 90 80 64 64 85
Koolzaad waarvan ten hoogste voor 31/12 (winterteelt) 45 45 36 36 45
Koolzaad, winter 205 190 152 152 195
Koolzaad, zomer 120 120 96 96 120
Pootaardappelrassen hoge norm (zie tabel 3) 140 140 140 140 140
Pootaardappelrassen lage norm (zie tabel 3) 100 100 100 100 100
Pootaardappelen, uitgroeiteelt 180 165 165 165 170
Pootaardappelrassen, overig 120 120 120 120 120
Suikerbieten 150 145 116 116 145
Triticale 160 150 120 120 150
Ui, overig 120 120 120 120 120
Vlas 70 70 56 56 70
Voederbieten 165 165 132 132 165
Wintergerst 140 140 140 140 140
Winterrogge 140 140 140 140 140
Wintertarwe 245 160 160 190 160
Winterui, 2e jaars plantui 170 155 124 124 160
Winterui, 2e jaars plantui, waarvan ten hoogste na 31/12 (winterteelt) 130 120 96 96 125
Zaaiui 170 120 120 120 120
Zetmeelaardappelen 240 230 184 184 230
Zomergerst 80 80 80 80 80
Zomertarwe 150 140 140 140 140
Akkerbouwgewassen, overig 200 185 148 148 190
Bladgewassen (kg N per ha per teelt)
Andijvie, 1e teelt 180 170 136 136 170
Andijvie, volgteelt 90 90 72 72 90
Selderij, bleek/groen 200 185 148 148 190
Slasoorten, 1e teelt 180 165 132 132 170
Slasoorten, volgteelt 105 105 84 84 105
Spinazie, 1e teelt 260 190 152 152 200
Spinazie, volgteelt 185 145 116 116 150
Prei 245 225 180 180 235
Prei waarvan ten hoogste na 31/12 (winterteelt) 100 90 72 72 95
Bladgewassen, overig, eenmalige oogst 150 140 112 112 145
Bladgewassen, overig, meermalige oogst 275 250 200 200 260
Koolgewassen (kg N per ha per teelt)
Bloemkool 230 210 168 168 220
Bloemkool waarvan ten hoogste na 31/12 (winterteelt) 120 110 88 88 115
Boerenkool 170 155 124 124 160
Broccoli 270 235 188 188 245
Chinese kool 180 155 124 124 160
Paksoi 180 165 132 132 170
Raapstelen 140 130 104 104 135
Rode kool 285 260 208 208 270
Savooiekool 285 260 208 208 270
Spitskool 285 260 208 208 270
Spruitkool 290 265 212 212 275
Spruitkool waarvan ten hoogste na 31/12 (winterteelt) 50 50 40 40 50
Witte kool 320 290 232 232 305
Kruiden (kg N per ha per teelt)
Kruiden, bladgewas, eenmalige oogst 150 140 112 112 145
Kruiden, bladgewas, meermalig oogsten 275 250 200 200 260
Kruiden, wortelgewassen 200 185 148 148 190
Kruiden, zaadgewassen 100 90 72 72 95
Vruchtgewassen (kg N per ha per teelt)
Aardbei (wachtbed, vermeerdering) 120 110 88 88 115
Aardbei (productie) 170 155 124 124 160
Aardbei (productie) waarvan ten hoogste na 31/12 (winterteelt) 80 70 56 56 75
Erwt, vers + rijp zaad 30 30 30 30 30
Komkommerachtigen (augurk, courgette, meloen, pompoen) 190 175 140 140 180
Landbouwstambonen, rijp zaad 135 135 108 108 135
Peul 90 85 68 68 85
Stam/stokboon, vers 120 110 88 88 115
Suikermaïs 200 185 148 148 190
Tuinbonen, vers/peulen 75 75 75 75 75
Veld- en tuinbonen, vers + rijp zaad 50 50 40 40 50
Stengel/knol/wortelgewassen (kg N per ha per teelt)
Asperge (excl. opkweek) 85 75 60 60 80
Bospeen 50 50 50 50 50
Knolselderij 200 185 148 148 190
Knolvenkel/venkel 180 165 132 132 170
Koolraap 170 155 124 124 160
Koolrabi 180 165 132 132 170
Kroten/rode bieten 185 170 136 136 175
Rabarber 250 230 184 184 240
Radijs 80 80 64 64 80
Schorseneer 170 170 170 170 170
Winterpeen/waspeen 110 110 110 110 110
Witlof 100 100 100 100 100
Stengel/knol/wortelgewassen, overig 200 185 148 148 190
Groenbemesters (kg N per ha per teelt)
Vlinderbloemige groenbemesters 30 25 25 25 30
Niet-vlinderbloemige groenbemesters 60 50 50 50 60
Bloembollengewassen (kg N per ha per teelt)
Acidanthera 255 240 240 240 240
Anemone coronaria 130 125 125 125 125
Dahlia 110 105 105 105 105
Fritillaria imperialis 135 130 130 130 130
Gladiool, pitten 260 245 245 245 245
Gladiool, kralen 190 180 180 180 180
Hyacint 220 210 210 210 210
Iris, grofbollig 170 160 160 160 160
Iris, fijnbollig 140 135 135 135 135
Knolbegonia 150 145 145 145 145
Krokus, grote gele 175 165 165 165 165
Krokus, overig 90 85 85 85 85
Lelie 155 145 145 145 145
Narcis 145 140 140 140 140
Tulp 200 190 190 190 190
Zantedeschia 120 120 120 120 120
Bloembollengewassen, overig 165 155 155 155 155
Fruitteeltgewassen (kg N per ha per jaar)
Appel 175 165 165 165 165
Blauwe bes 100 95 95 95 95
Braam 150 140 140 140 140
Framboos 150 140 140 140 140
Kers 175 165 165 165 165
Peer 175 165 165 165 165
Pruim 175 165 165 165 165
Rode bes 150 140 140 140 140
Wijnbouw 100 95 95 95 95
Zwarte bes 175 165 165 165 165
Buitenbloemen (kg N per ha per teelt)
Buitenbloemen hoge norm (zie tabel 4) 200 200 200 200 200
Tagetes 90 80 80 80 90
Buitenbloemen, overig 150 150 150 150 150
Boomkwekerijgewassen (kg N per ha per jaar)
Bos- en Haagplantsoen 95 95 95 95 95
Buxus 95 95 95 95 95
Coniferen (inclusief kerstsparren en dennen) 80 80 80 80 80
Ericaceae 70 70 70 70 70
Laanbomen: onderstammen 40 40 40 40 40
Laanbomen: spillen 90 90 90 90 90
Laanbomen: opzetters 115 115 115 115 115
Rozen (incl. zaailingen, onderstammen) 70 70 70 70 70
Sierheesters 75 75 75 75 75
Snijgroen 95 95 95 95 95
Trek- en besheesters 80 80 80 80 80
Vaste planten 175 175 175 175 175
Vruchtbomen: onderstammen 30 30 30 30 30
Vruchtbomen: moerbomen 110 110 110 110 110
Vruchtbomen, overig 135 105 105 105 105
Bosbouw (kg N per ha per jaar)
Snelgroeiende houtsoorten voor biomassaproductie 90 90 90 90 90

1 Onder ‘grasland met volledig maaien’ wordt mede verstaan grasland waar uitsluitend jongvee van runderen niet ouder dan 2 jaar wordt geweid, voor zover het aantal stuks jongvee in de wei niet groter is dan het aantal op het bedrijf gehouden ouderdieren of waar hobbymatig gehouden dieren worden geweid.

Gewas, bedoeld in Bijlage A, tabel 1 Gemiddelde gewasopbrengst van het totale areaal van het gewas in de drie voorafgaande jaren Toegestane verhoging stikstofgebruiksnorm in kilogram stikstof per hectare per jaar opkleigrond, noordelijke, westelijke, centrale en zuidelijke zandgronden, lössgrond en veengrond
Suikerbieten 55 tot 65 8
Suikerbieten 65 tot 75 23
Suikerbieten 75 tot 85 38
Suikerbieten 85 of meer 45
– Consumptieaardappelrassen hoge norm (zie tabel 2) – Consumptieaardappelrassen lage norm (zie tabel 2) – Consumptieaardappelrassen vroeg – Consumptieaardappelrassen overig 50 tot 55 7
– Consumptieaardappelrassen hoge norm (zie tabel 2) – Consumptieaardappelrassen lage norm (zie tabel 2) – Consumptieaardappelrassen vroeg – Consumptieaardappelrassen overig 55 tot 60 21
– Consumptieaardappelrassen hoge norm (zie tabel 2) – Consumptieaardappelrassen lage norm (zie tabel 2) – Consumptieaardappelrassen vroeg – Consumptieaardappelrassen overig 60 tot 65 36
– Consumptieaardappelrassen hoge norm (zie tabel 2) – Consumptieaardappelrassen lage norm (zie tabel 2) – Consumptieaardappelrassen vroeg – Consumptieaardappelrassen overig 65 of meer 42
Wintertarwe 9 tot 10 9
Wintertarwe 10 tot 11 27
Wintertarwe 11 of meer 35
Zomertarwe 8 tot 9 15
Zomertarwe 9 tot 10 20
Zomertarwe 10 of meer 30
Wintergerst 9 tot 10 15
Wintergerst 10 tot 11 20
Wintergerst 11 of meer 30
Zomergerst 7 tot 8 6
Zomergerst 8 tot 9 18
Zomergerst 9 of meer 23
– Pootaardappelrassen hoge norm (zie tabel 3) – Pootaardappelrassen lage norm (zie tabel 3) – Pootaardappelen, uitgroeiteelt – Pootaardappelrassen, overig 35 tot 40 7
– Pootaardappelrassen hoge norm (zie tabel 3) – Pootaardappelrassen lage norm (zie tabel 3) – Pootaardappelen, uitgroeiteelt – Pootaardappelrassen, overig 40 tot 45 20
– Pootaardappelrassen hoge norm (zie tabel 3) – Pootaardappelrassen lage norm (zie tabel 3) – Pootaardappelen, uitgroeiteelt – Pootaardappelrassen, overig 45 tot 51 34
– Pootaardappelrassen hoge norm (zie tabel 3) – Pootaardappelrassen lage norm (zie tabel 3) – Pootaardappelen, uitgroeiteelt – Pootaardappelrassen, overig 51 of meer 40
Zetmeelaardappelen 45 of meer 8
Bloemkool 26 tot 31 5
Bloemkool 31 tot 36 17
Bloemkool 36 of meer 23
Broccoli 10 tot 12 4
Broccoli 12 tot 14 12
Broccoli 14 of meer 16
Slasoorten, 1e teelt 41 tot 50 6
Slasoorten, 1e teelt 50 tot 60 18
Slasoorten, 1e teelt 60 of meer 25
Prei 35 tot 40 6
Prei 40 tot 45 20
Prei 45 of meer 27
Spinazie, 1e teelt 25 tot 30 7
Spinazie, 1e teelt 30 tot 35 16
Spinazie, 1e teelt 35 of meer 31
Andijvie, 1e teelt 42,5 tot 47,5 15
Andijvie, 1e teelt 47,5 tot 52,5 27
Andijvie, 1e teelt 52,5 of meer 32
Winterpeen/waspeen 85 tot 95 5
Winterpeen/waspeen 95 tot 105 15
Winterpeen/waspeen 105 of meer 25
Zaaiui 55 tot 65 9
Zaaiui 65 tot 75 29
Zaaiui 75 of meer 38
Mais, bedrijven met en zonder derogatie 40 tot 50 19
Mais, bedrijven met en zonder derogatie 50 tot 60 56
Mais, bedrijven met en zonder derogatie 60 of meer 75
Consumptieaardappelrassen met een hoge stikstofnorm Consumptieaardappelrassen met een lage stikstofnorm
--- ---
Adora Annabelle Bintje Carlita Courage Draga Felsina Fontane Innovator Inova Jaerla Lady Blanca Lady Olympia Lady Rosetta Liseta Maritiema Marlen Miranda Ramos Redstar Sante Satellite Victoria VR 808 Zorba Agria Allure Alpha Aprilia Asterix Aziza Ballys Baraka Bartina Caesar Dore Eigenheimer El Paso Futura Gloria Irene Maradonna Markies Milva Minerva Mondial Morene Mozart Producent Remarka Rodeo Safari Saphire Simply Red Spirit Terra Gold Ukama Vision
Pootaardappelrassen met een hoge stikstofnorm Pootaardappelrassen met een lage stikstofnorm
--- ---
Adora Agata Annabelle Arinda Berber Binella Climax Donald Elisabeth Fontane Gloria Inova Jaerla Junior Lady Rosetta Lady Olympia Leyla Linzer Delikatess Miriam Orinana Premiere Primura Prior Rikea Romano Satellite Sirco Sirtema Sofia (AR 93-272) Tresor Ukama Arcade Astarte Asterix Baraka Bartina Diamant Dolce Vita Elles Elvira Everest Florijn Kardal Karnico Maradonna Mondial Morene Mozart Picasso Remarka Resonant Rodeo Saphire Sifra Simply Red Spirit Van Gogh Vebesta Vento Voyager
Alchemilla mollis
Carthamus
Gypsophila paniculata
Lymonium
Lysimachia
Paeonia
Solidago
Veronica
Accord Agria Amora Anosta Arcade Asterix Bintje Challenger Daisy Dolce Vita Donald Fianna Felsina Florida Fresco Fontane Frieslander Innovator Kennebec Lady Amarilla Lady Blanca Lady Olympia Marijke Maritiema Markies Miranda Miriam Premiere Ramos Remarka Russet Burbank Sagitta Santana Shepody Spirit Sinora Ukama Umatilla Russet Van Gogh Victoria Zorba

13. Molybdeen (Mo)

II. Protocol analyse hoeveelheid organische stof in meststoffen

3. Instrumentele analyse Hg

Tabel IIA. Excretieforfaits per melkkoe drijfmest

Stikstofexcretie en fosfaatexcretie per koe (in kg N resp. kg P2O5 per jaar), in relatie tot melkproductie per jaar en ureumgehalte in de melk. Excretie na aftrek vluchtige N.

De monsterverpakking voldoet ten minste aan de volgende voorwaarden:

5. Vrachtbemonstering

Bijlage D. Diergebonden forfaitaire gehalten

5. Vrachtbemonstering

5.3. Bemonsteren in containerbakken en opleggers

5.6.1. Gebruik van de instrumenten

5.6.3. Bemonstering met schep/schop met aangepaste opening (mestdeeltjes >10 mm)

5.7. Verpakking, transport en overdracht voor analyse

7. Strategie voor monsterneming

8.2. Harmonisatieoverleg

8.3. Ringonderzoek

8.3. Ringonderzoek

11. Literatuur

11. Literatuur

Bijlage F

Accreditatieprogramma dierlijke mest; AP05

Bijlage F. behorende bij de artikelen 1 en 54

Opmerkingscodes

A. Model vervoersbewijs zuiveringsslib en compost

Bijlage G. behorende bij de artikelen 69w en 69x

B. opmerkingscodes

Accreditatieprogramma dierlijke mest; AP05

§ 4.1. Controle monsterverpakking

§ 3.1. Algemeen

§ 3.3. Gelijkwaardigheidsonderzoek van een huismethode

§ 4.2. Controle hoeveelheid monster

Hoofdstuk 6. Kwaliteitsborging

Voor de tweedelijnscontrole dienen de volgende procedurele aspecten in een apart document of in het kwaliteitssysteem van het laboratorium te zijn opgenomen:

De resultaten van een ringonderzoek worden door de uitvoerende instantie als volgt geëvalueerd. Van elke parameter van elk monster wordt de Z-score berekend:

Het doel van de derdelijnscontrole is het continu borgen van de analytische kwaliteit van de laboratoria voor de bepaling van stikstof en fosfaat volgens AP05.

Wanneer sprake is van onbeheerste kwaliteit moet het laboratorium een onderzoek instellen naar de oorzaak. In het geval sprake is van niet voldoen aan de herhaalbaarheidseis, dan dient het tweedelijnscontrolemonster in een volgende serie opnieuw geanalyseerd te worden. De conclusies betreffende het onderzoek worden vermeld bij de kwaliteitscontrolekaart.

§ 7.1. Uitdrukking van meetresultaten

Tabel III behorend bij artikel 81

Bijlage J. behorende bij de artikelen 97, 100 en 101 van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet

gewas Opbrengst (ton ds/ha) Opbrengst (ton product/ha) Stikstof-gehalte (kg stikstof/ton ds) Fosfaat-gehalte (kg fosfaat/ ton ds) Stikstof-gehalte (kg stikstof/ton vers product) Fosfaat-gehalte (kg fosfaat/ton vers product)
Snijmaïs 16,1 44,6 11,3 4,5 4,0 1,6
Maïskolvenschroot 7,8 14,0 14,4 5,7 7,6 3,0
Corncob mix (100% spil) 7,9 15,0 15,5 6,9 8,1 3,6
Corncob mix (25% spil) 7,9 12,4 15,0 6,9 9,5 4,3
Korrelmaïs 7,9 9,1 12,2 5,5 10,5 4,8
Gehele plant silage 8,8 10,5 17,6 6,9 5,7 2,2
Tarwe 7,6 8,8 20,9 7,5 17,9 6,4
Erwten 5,5 6,5 37,5 9,8 32,5 8,5
Gerst 5,9 6,8 18,5 8,2 13,9 7,1
Aardappelen (vers) 9,9 49,1 16,8 4,6 3,4 0,9
Aardappelen (kuil) * * 10,4 4,6 3,3 1,5
Appelen * * 4,2 1,6 0,7 0,3
Graanstro (rogge) 3,6 4,3 4,6 2,3 3,9 1,9
Graanstro (tarwe) 3,5 4,1 6,6 2,1 5,8 1,8
Grashooi * * 21,1 6,2 17,8 5,2
Graskuil * * 27,9 9,4 12,4 4,2
Graszaad stro * * 9,9 4,4 8,5 3,7
Rogge 3,3 3,8 15,5 8,2 16 7,1
Uien 6,0 51,0 21,6 6,9 2,5 0,8
Voederbieten 15,5 100,0 12,5 4,6 1,7 0,6
Witlof wortelen ** ** 8,2 5,7 1,2 0,9
kaaswei 37,0 24,4 1,3 0,9

Bijlage K. behorende bij artikel 98

Hoofdstuk 10. Literatuur

I. Protocol vaststelling gehalten vochtrijke voedermiddelen

bijlage Ia. behorende bij artikel 92b van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet

Bijlage I. Forfaitaire mineralengehalten in dierlijke mest

1. Droge stof

2. Stikstof (N)

Tabel IV betreffende mestcodes, behorende bij artikel 54

§ 6.4.1.3. Rapportage van ringonderzoekresultaten

4.2.5. Na afloop van de periode van 12 maanden stelt de onderneming opnieuw vast hoeveel monsters voor de komende 12 maanden onderzocht moeten worden om het gemiddelde gehalte te onderhouden. Hij gaat hierbij uit van de meest recente 10 waarnemingen en volgt werkwijze vanaf 4.2.1.

4.2. Vaststelling van de analysefrequentie t.b.v. onderhoud van het gemiddelde gehalte (voortschrijdend gemiddelde)

§ 7.2. Analyserapport

4.2.7. Voor producten met minder dan 2 gram fosfor per kg droge stof mag de onderneming ook het gemiddelde gehalte onderhouden door per periode van 12 maanden minimaal 6 monsters te onderzoeken. Daarbij neemt het bedrijf 4.2.3 en 4.2.4 in acht.

Opmerkingen m.b.t. producten die niet gedurende het hele jaar beschikbaar komen

4.2. Het nemen van de ondermonsters

– Gehalten van producten die vermeld worden in tabel J (gehaltes in ruwvoer en enkelvoudig diervoer) kunnen worden overgenomen.

4.2. Vaststelling van de analysefrequentie t.b.v. onderhoud van het gemiddelde gehalte (voortschrijdend gemiddelde)

Producten met een gering gehalte aan ruw eiwit en fosfor

Analysegegevens van een product vertonen een zekere spreiding. Wanneer we een gemiddelde berekenen uit de afzonderlijke analysegegevens zal ook aangegeven moeten worden hoe groot de spreiding is. Dit kan het beste met de standaarddeviatie (sd) gebeuren: sd = het totaal van de afwijkingen/(n-1).

Ook het gemiddelde van een reeks analyses kent een zekere spreiding die de betrouwbaarheid bepaalt. Een manier om de betrouwbaarheid van het gemiddelde te definiëren is het geven van een betrouwbaarheidsinterval. Deze is gelijk aan het berekende gemiddelde ± t*sd/√n, waarbij t de waarde is uit de t-tabel bij een bepaalde kanswaarde (bijvoorbeeld 95%) en n het aantal analyses. Het betrouwbaarheidsinterval is dus afhankelijk van het aantal analyses dat gebruikt is voor het berekenen van het gemiddelde: hoe groter het aantal waarnemingen hoe groter de betrouwbaarheid.

4.4. Labelgegevens

II. Protocol bemonstering vochtrijke diervoeders

– Gehalten van producten die vermeld worden in tabel J (gehaltes in ruwvoer en enkelvoudig diervoer) kunnen worden overgenomen.

1.1. Dit protocol richt zich op de bemonstering van vloeibare voeders en van steekvaste producten met een vochtgehalte van meer dan 14%. De diervoederleverancier dient de eisen en voorwaarden uit dit protocol minimaal te hanteren als zij in het kader van de hoeveelheidsbepalingen van stikstof en fosfaat monsters neemt van voedermiddelen met meer dan 14% vocht om de gehalten aan stikstof, fosfaat, droge stof, ruw eiwit en fosfor vast te stellen.

1.2. De onderneming moet de eisen en voorwaarden uit dit protocol verwerken in een eigen bemonsteringsprotocol.

2. Doel

2.1. Doel van monstername is het verkrijgen van een zo goed mogelijk representatief monster, overeenkomend met de gemiddelde samenstelling van de hele partij. De samenstelling van het product bij het afleveren aan de veehouder is hierbij het referentiepunt.

Omgekeerd kan uit dezelfde formule berekend worden hoeveel analyses nodig zijn bij een gewenst betrouwbaarheidsinterval. Bijvoorbeeld om met een zekerheid van 95% te kunnen zeggen of het werkelijke gemiddelde en het opgegeven gemiddelde niet meer verschillen van elkaar dan de in onderdeel IV bepaalde tolerantie (maximaal toelaatbare afwijking). In de onderstaande grafiek is de relatie weergegeven tussen het aantal analyses (n) en het quotiënt sd/tolerantie. Wanneer de sd van een product is vastgesteld en de tolerantie is bekend, kan via de curve op de Y-as het benodigde aantal analyses worden opgezocht.

3.1. Het monster wordt genomen tijdens het laden van de (vracht)auto voor aflevering aan één veehouder. Daarbij gelden de volgende aandachtspunten:

3.2. Niet in alle gevallen kan tijdens het laden een representatief monster worden genomen (bijvoorbeeld bij stapelbare producten). In voorkomende gevallen mag dan bij het bedrijf waaraan geleverd wordt de partij worden bemonsterd tijdens of direct na het lossen. Het monster dient uiteraard betrekking te hebben op de afgeleverde partij.

3.3. In het onder 1.2 vereiste eigen bemonsteringsprotocol dient per product aangegeven te zijn, waar de bemonstering plaatsvindt.

1.2. De onderneming moet de eisen en voorwaarden uit dit protocol verwerken in een eigen bemonsteringsprotocol.

Ook het gemiddelde van een reeks analyses kent een zekere spreiding die de betrouwbaarheid bepaalt. Een manier om de betrouwbaarheid van het gemiddelde te definiëren is het geven van een betrouwbaarheidsinterval. Deze is gelijk aan het berekende gemiddelde ± t*sd/√n, waarbij t de waarde is uit de t-tabel bij een bepaalde kanswaarde (bijvoorbeeld 95%) en n het aantal analyses. Het betrouwbaarheidsinterval is dus afhankelijk van het aantal analyses dat gebruikt is voor het berekenen van het gemiddelde: hoe groter het aantal waarnemingen hoe groter de betrouwbaarheid.

4.1. Algemeen

4.1.2. Het monster wordt genomen door een aantal ondermonsters te verzamelen, hiervan een zgn. verzamelmonster te maken en hieruit eindmonsters te bereiden.

4.1.3. De monsternemer werkt met schoon materiaal zodat er geen beïnvloeding van de te meten parameters kan plaatsvinden.

4.2. Het nemen van de ondermonsters

4.2.1. Tijdens het laden van de auto neemt de monsternemer met vaste tussenpozen een ondermonster.

4.2.2. De monsternemer neemt minimaal 5 ondermonsters. De tussentijd tussen 2 opeenvolgende te nemen ondermonsters wordt berekend door de totale laadtijd te delen door het aantal te nemen ondermonsters + 1. Het eerste ondermonster neemt de monsternemer kort nadat begonnen is met laden. Er wordt doorgegaan met het verzamelen van ondermonsters totdat de auto geladen is.

4.2.3. Indien het een homogeen product betreft kan volstaan worden met minder ondermonsters. Het bedrijf dient zelf door middel van analytisch onderzoek ten genoegen van de Minister aan te tonen dat het product zodanig homogeen is dat minder ondermonsters voldoende zijn voor het verkrijgen van een representatief verzamel- en eindmonster.

3. Plaats bemonstering

4.2.5. Indien een steekvast product wordt bemonsterd, dienen de ondermonsters te worden genomen op verschillende plekken verspreid over de partij. Een ondermonster is hierbij een hoeveelheid product, die op een bepaald punt uit de partij wordt genomen.

4.2.6. De ondermonsters worden (allemaal even groot; minimaal een halve liter) genomen d.m.v. een kunststof monsterpot o.i.d. Deze monsterpot wordt iedere keer na het nemen van een ondermonster geleegd in een schoon verzamelvat (emmer, vat, bak o.i.d.).

4.2.7. Ook kan – naar analogie van het bemonsteren van mest – gebruik worden gemaakt van speciale apparatuur waarmee tijdens het laden regelmatig ondermonsters genomen kunnen worden.

4.3. Het verzamelmonster en het eindmonster

4.3.1. Het verzamelmonster bestaat uit alle ondermonsters.

4.3.2. Het verzamelmonster wordt in het verzamelvat goed gemengd (homogeniseren) waarna één of meerdere eindmonsters uit de emmer geschept worden. Een eindmonster is minimaal 0,5 liter resp. 0,5 kg groot.

4.4. Labelgegevens

4.4.1. Elk eindmonster wordt voorzien van een label waarop minimaal staat vermeld

4.4.2. De label wordt op een deugdelijk wijze aan de pot gehecht.

4.4.3. Bovenstaande vermeldingen mogen ook (gedeeltelijk) vervangen worden door andere vermeldingen, mits deze eenduidig kunnen leiden naar bovengenoemde gegevens.

4.4.3. Bovenstaande vermeldingen mogen ook (gedeeltelijk) vervangen worden door andere vermeldingen, mits deze eenduidig kunnen leiden naar bovengenoemde gegevens.

4.5.1. De ondernemer in het kader van wiens onderneming diervoeders worden afgeleverd stuurt minimaal 1 monster voor onderzoek naar het laboratorium. Een tweede monster kan voor eigen doeleinden worden bewaard. Het laboratorium moet voldoen aan de norm NEN-EN-ISO/IEC 17025 of een hieraan gelijkwaardige norm.

4.5.2. Het eindmonster wordt binnen 24 uur afgeleverd op het laboratorium. Dit laboratorium vriest het monster direct in of droogt het monster direct voor. Indien dit niet mogelijk is, vriest de ondernemer in het kader van wiens onderneming diervoeders worden afgeleverd het monster direct in. Het monster wordt vervolgens in bevroren toestand afgeleverd op het laboratorium. Dit laboratorium vriest het monster direct in of droogt het monster direct voor.

4.5.3. Indien de gehalten aan droge stof, ruw eiwit en fosfor in het product niet veranderen tijdens het bewaren, mag het bedrijf afwijken van bovengenoemde voorwaarde. Het bedrijf dient wel ten genoegen van de Minister aan te tonen dat dit zo is. Het eindmonster dient binnen 1 week op het laboratorium te worden afgeleverd. Dit laboratorium vriest het monster direct in of droogt het monster direct voor.

4.4.1. Elk eindmonster wordt voorzien van een label waarop minimaal staat vermeld

4.6.1. Van elk monster worden de volgende gegevens vastgelegd

Deze gegevens mogen op verschillende plaatsen geadministreerd en bewaard worden, mits de traceerbaarheid van de gegevens gewaarborgd is.

Deze gegevens mogen op verschillende plaatsen geadministreerd en bewaard worden, mits de traceerbaarheid van de gegevens gewaarborgd is.

Iemand die werkzaam is bij een onderneming in het kader waarvan diervoeders worden afgeleverd, moet om als monsternemer in het kader van het protocol Bemonstering vochtrijke voedermiddelen te kunnen optreden, daartoe door een bevoegde functionaris van de desbetreffende onderneming, schriftelijk zijn gemachtigd. De ondernemer bewaart de machtiging op de onderneming gedurende 5 jaar na afloop van het kalenderjaar, waarin de gemachtigde monsternemer zijn werkzaamheden heeft beëindigd.

4.5.2. Het eindmonster wordt binnen 24 uur afgeleverd op het laboratorium. Dit laboratorium vriest het monster direct in of droogt het monster direct voor. Indien dit niet mogelijk is, vriest de ondernemer in het kader van wiens onderneming diervoeders worden afgeleverd het monster direct in. Het monster wordt vervolgens in bevroren toestand afgeleverd op het laboratorium. Dit laboratorium vriest het monster direct in of droogt het monster direct voor.

De in deze bijlage opgenomen toleranties betreft het maximale acceptabele verschil tussen het vastgestelde gehalte enerzijds, en het geanalyseerd gehalte anderzijds.

1.1. Diervoeders met meer dan 14 % vocht

1.1.1. voor fosfor:

0,60% absoluut voor gehalten van meer dan 6%;

10,00% relatief voor gehalten van 1 tot 6%;

III. Toleranties

1.1.2. voor ruw eiwit:

1,80% absoluut voor gehalten hoger dan 20%;

9,00% relatief voor gehalten van 10 tot 20%;

0,90% absoluut voor gehalten kleiner dan 10%.

1.2. Te hanteren tolerantie bij nader onderzoek en meerdere monsters:

Wanneer bij nader onderzoek door de controle-instantie meerdere monsters worden genomen om te controleren of de juiste vermelding van fosfor respectievelijk ruw eiwit heeft plaatsgevonden kan in de keuring met de volgende tolerantie worden gewerkt:

Bij n monsters kan de tolerantie, genoemd in punt 1.1 en 1.2 worden gedeeld door √n, bij n>5 mag de tolerantie worden gedeeld door maximaal √5.

Voorts dient de monstername uitgevoerd te worden binnen eenzelfde toepassingsgebied waarvoor een tolerantie, als genoemd in punt 1.1 en 1.2 is vastgesteld.

1,80% absoluut voor gehalten hoger dan 20%;

9,00% relatief voor gehalten van 10 tot 20%;

Indien voor de bemonstering van een perceel, bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet, gebruik gemaakt wordt van de gestratificeerde aselecte steekproefmethode, dienen de volgende stappen te worden uitgevoerd.

1.2. Te hanteren tolerantie bij nader onderzoek en meerdere monsters:

Gebruik de digitale vastlegging van de vormbepalende hoekpunten, omvang en vorm van het perceel wanneer deze bekend is bij RVO, of markeer de vormbepalende hoekpunten en leg met een Global Navigation Satellite System (GNSS) de omvang en vorm van het perceel vast. Controleer en verifieer de GNSS data met een kaart gebaseerd op TOP10NL van de Basisregistratie Topografie, of een zo recent mogelijke doch uiterlijk 2 jaar oude luchtfoto met een resolutie van ten hoogste 25cm. De afwijking van het GNSS bedraagt niet meer dan 5 meter. De bemestingsvrije zones worden bij deze bepaling niet meegenomen. Indien het perceel verdeeld is onder twee of meer gebruikers, wordt alleen het deel van het perceel dat in gebruik is door de aanvrager geregistreerd en bemonsterd.

Bepaal de grootte van het perceel. Het perceel wordt met een computer volstrekt willekeurig onderverdeeld in blokken (stratificatie). De blokken zijn dan van gelijke grootte, zo compact mogelijk samengesteld en de bemonsteringspunten zo goed mogelijk verdeeld over het perceel. Het aantal blokken is dan gelijk aan het aantal bemonsteringspunten. Het aantal bemonsteringspunten neemt toe met de oppervlakte van het perceel overeenkomstig tabel 1. Op elk bemonsteringspunt wordt grond bemonsterd van de voorgeschreven bodemlaag. De hoeveelheid (volume) gestoken grond is gelijk voor alle bemonsteringspunten. Bemonstering van het desbetreffende perceel vindt ten minste twee maanden na bekalking plaats.

Deze regeling zal met toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Bijlage A. Stikstofgebruiksnormen behorende bij artikel 28 van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet

Gewas Klei Klei Klei Klei Zand/löss en Veen Zand/löss en Veen Zand/löss en Veen Zand/löss en Veen
2006 2007 2008 2009 2006 2007 2008 2009
Grasland (kg N per ha per jaar)
Grasland met beweiden, klei 345 345 325 310
Grasland met beweiden, veen 290 290 265 265
Grasland met beweiden, zand/löss 300 290 275 260
Grasland met volledig maaien, klei*1 385 385 365 350
Grasland met volledig maaien, veen*1 330 330 300 300
Grasland met volledig maaien, zand/löss*1 355 350 345 340
Tijdelijk Grasland (kg N per ha per periode)*2
van 1 januari tot minstens 15 april 70 70 65 60 60 60 55 50
van 1 januari tot minstens 15 mei*3 120 120 115 110 105 100 95 90
van 1 januari tot minstens 15 augustus*3 275 275 260 250 240 230 220 210
van 1 januari tot minstens 15 september*3 310 310 295 280 270 260 250 235
van 1 januari tot minstens 15 oktober*3 345 345 325 310 300 290 275 260
vanaf 15 april tot minstens 15 oktober 345 345 325 310 300 290 275 260
vanaf 15 mei tot minstens 15 oktober 310 310 295 280 270 260 250 235
vanaf 15 augustus tot minstens 15 oktober 105 105 100 95 90 85 85 80
vanaf 15 september tot minstens 15 oktober 35 35 30 30 30 30 25 25
vanaf 15 oktober 0 0 0 0 0 0 0 0
Akkerbouwgewassen (kg N per ha per teelt)
Consumptieaardappelrassen hoge norm*4 (zie bijlage A.1) 300 300 285 275 290 275 275 270
Consumptieaardappelrassen overig*4 275 275 265 250 265 250 250 245
Consumptieaardappelrassen lage norm*4 (zie bijlage A.1) 250 250 240 225 240 225 225 220
Consumptieaardappel, vroeg (loofvernietiging voor 15 juli) 130 130 125 120 120 120 120 120
Pootaardappelenrassen hoge norm (zie bijlage A.2) 150 150 145 140 140 140 140 140
Pootaardappelenrassen overig 130 130 125 120 120 120 120 120
Pootaardappelenrassen lage norm (zie bijlage A.2) 110 110 105 100 100 100 100 100
Pootaardappelen, uitgroeiteelt (loofvernietiging na 15 augustus) 200 200 190 180 180 170 170 170
Zetmeelaardappelen 265 265 255 240 240 230 230 230
Suikerbieten 165 165 160 150 150 145 145 145
Cichorei 75 75 75 70 70 70 70 70
Voederbieten 180 180 175 165 165 165 165 165
Wintertarwe*4 en 5 245 240 230 220 190 160 160 160
Zomertarwe 155 155 150 140 140 140 140 140
Wintergerst*5 155 155 150 140 140 140 140 140
Zomergerst 90 90 85 80 90 80 80 80
Triticale*5 175 175 170 160 160 150 150 150
Winterrogge*5 155 155 150 140 140 140 140 140
Haver*5 110 110 105 100 100 100 100 100
Maïs, bedrijven met derogatie*6 160 160 160 160 155 155 155 150
Maïs, bedrijven zonder derogatie*6 205 205 195 185 185 175 175 150
Luzerne, eerste jaar 45 45 45 40 40 40 40 40
Luzerne, volgende jaren 0 0 0 0 0 0 0 0
Graszaad, Engels raaigras, 1e jaars 180 180 175 165 165 155 155 155
Graszaad, Engels raaigras, overjarig 220 220 210 200 200 190 190 190
Graszaad, rietzwenkgras 155 155 150 140 140 135 135 135
Graszaad, rietzwenkgras, volgteelt 65 65 65 60 60 55 55 55
Graszaad, veldbeemd 120 120 115 110 110 105 105 105
Graszaad, veldbeemd, volgteelt 65 65 65 60 60 55 55 55
Graszaad, roodzwenkgras, 1e jaars 95 95 90 85 85 80 80 80
Graszaad, roodzwenkgras, 1e jaars, volgteelt 40 40 40 35 35 35 35 35
Graszaad, roodzwenkgras, overjarig 125 125 120 115 115 110 110 110
Graszaad, roodzwenkgras, overjarig, volgteelt 50 50 50 45 45 45 45 45
Graszaad, westerwolds 120 120 115 110 110 105 105 105
Graszaad, Italiaans 145 145 140 130 130 125 125 125
Graszaad, overig 100 100 95 90 90 85 85 85
Graszaad, overig, volgteelt 50 50 50 45 45 45 45 45
Graszoden 375 375 365 340 340 340 340 340
Ui, zaaiui, overig 130 130 125 120 120 120 120 120
Winterui, 2e jaars plantui 185 185 180 170 170 160 160 160
waarvan ten hoogste na 31/12 (winterteelt) 145 145 140 130 130 125 125 125
Blauwmaanzaad 120 120 115 110 110 105 105 105
Karwij 165 165 160 150 150 145 145 145
waarvan ten hoogste na 31/12 (winterteelt) 100 100 95 90 90 85 85 85
Koolzaad, winter 225 225 215 205 205 195 195 195
waarvan ten hoogste na 31/12 (winterteelt) 175 175 170 160 160 150 150 150
Koolzaad, zomer 130 130 125 120 120 120 120 120
Vlas 75 75 75 70 70 70 70 70
Akkerbouw overig 220 220 210 200 200 190 190 190
Bladgewassen (kg N per ha per teelt)
Spinazie, 1e teelt 285 285 275 260 210 200 200 200
Spinazie, volgteelt 205 205 195 185 160 150 150 150
Slasoorten, 1e teelt 200 200 190 180 180 170 170 170
Slasoorten, volgteelt 115 115 110 105 105 105 105 105
Andijvie, 1e teelt 200 200 190 180 180 170 170 170
Andijvie, volgteelt 100 100 95 90 90 90 90 90
Selderij, bleek/groen 220 220 210 200 200 190 190 190
Prei 270 270 260 245 245 235 235 235
waarvan ten hoogste na 31/12 (winterteelt) 110 110 105 100 100 95 95 95
Bladgewassen, overig, eenmalige oogst 165 165 160 150 150 145 145 145
Bladgewassen, overig, meermalige oogst 300 300 290 275 275 260 260 260
Koolgewassen (kg N per ha per teelt)
Spruitkool 320 320 305 290 290 275 275 275
waarvan ten hoogste na 31/12 (winterteelt) 55 55 55 50 50 50 50 50
Wittekool 350 350 335 320 320 305 305 305
Rodekool 315 315 300 285 285 270 270 270
Savooiekool 315 315 295 285 285 270 270 270
Spitskool 315 315 295 285 285 270 270 270
Bloemkool 255 255 245 230 230 220 220 220
waarvan ten hoogste na 31/12 (winterteelt) 130 130 125 120 120 115 115 115
Broccoli 295 295 285 270 270 255 255 245
Chinese kool 200 200 190 180 180 170 170 160
Boerenkool 185 185 180 170 170 160 160 160
Paksoi 200 200 190 180 180 170 170 170
Raapstelen 155 155 150 140 140 135 135 135
Kruiden (kg N per ha per teelt)
Kruiden, bladgewas, eenmalige oogst 165 165 160 150 150 145 145 145
Kruiden, bladgewas, meermalig oogsten 300 300 290 275 275 260 260 260
Kruiden, wortelgewassen 220 220 210 200 200 190 190 190
Kruiden, zaadgewassen 110 110 105 100 100 95 95 95
Vruchtgewassen (kg N per ha per teelt)
Aardbei (wachtbed, vermeerdering) 130 130 125 120 120 115 115 115
Aardbei (productie) 185 185 180 170 170 160 160 160
waarvan ten hoogste na 31/12 (winterteelt) 90 90 85 80 80 75 75 75
Komkommerachtigen (augurk, courgette, meloen, pompoen) 210 210 200 190 190 180 180 180
Suikermaïs 220 220 210 200 200 190 190 190
Stam/stokboon, vers 130 130 125 120 120 115 115 115
Landbouwstambonen, rijp zaad 150 150 145 135 135 135 135 135
Veld- en tuinbonen, vers +rijp zaad 55 55 55 50 50 50 50 50
Tuinbonen, vers/peulen 80 80 80 75 75 75 75 75
Erwt, vers + rijp zaad 35 35 35 30 30 30 30 30
Peul 100 100 95 90 90 85 85 85
Stengel/knol/wortelgewassen (kg N per ha per teelt)
Asperge (excl. opkweek) 95 95 90 85 85 80 80 80
Knolselderij 220 220 210 200 200 190 190 190
Knolvenkel/venkel 200 200 190 180 180 170 170 170
Koolraap 185 185 180 170 170 160 160 160
Koolrabi 200 200 190 180 180 170 170 170
Kroten/rode bieten 205 205 195 185 185 175 175 175
Winterpeen/waspeen 120 120 115 110 110 110 110 110
Bospeen 55 55 55 50 50 50 50 50
Rabarber 275 275 265 250 250 240 240 240
Radijs 90 90 85 80 80 80 80 80
Schorseneer 185 185 180 170 170 170 170 170
Witlof 110 110 105 100 100 100 100 100
Vollegrondsgroenten, overig 220 220 210 200 200 190 190 190
Groenbemesters (kg N per ha per teelt)*7
Niet-vlinderbloemige groenbemesters (bladrammenas, gele mosterd, gras/granen) 65 65 65 60 60 60 60 60
Vlinderbloemige groenbemesters (wikke) 35 35 35 30 30 30 30 30
Tagetes 100 100 95 90 90 90 90 90
Bloembollengewassen (kg N per ha per teelt)*5
Acidanthera 280 280 270 255 255 240 240 240
Anemone coronaria 145 145 140 130 130 125 125 125
Fritillaria imperialis 150 150 145 135 135 130 130 130
Hyacint 240 240 230 220 220 210 210 210
Iris, grofbollig 185 185 180 170 170 160 160 160
Iris, fijnbollig 155 155 150 140 140 135 135 135
Krokus, grote gele 190 190 185 175 175 165 165 165
Krokus, overig 100 100 95 90 90 85 85 85
Narcis 160 160 155 145 145 140 140 140
Tulp 220 220 210 200 200 190 190 190
Dahlia 120 120 115 110 110 105 105 105
Gladiool, pitten 285 285 275 260 260 245 245 245
Gladiool, kralen 210 210 200 190 190 180 180 180
Knolbegonia 165 165 160 150 150 145 145 145
Lelie 170 170 165 155 155 145 145 145
Zantedeschia 120 120 115 110 110 110 110 110
Overige bolgewassen 180 180 175 165 165 155 155 155
Fruitteeltgewassen (kg N per ha per jaar)
Appel 195 195 185 175 175 165 165 165
Blauwe bes 110 110 105 100 100 95 95 95
Braam 165 165 160 150 150 140 140 140
Framboos 165 165 160 150 150 140 140 140
Kers 195 195 185 175 175 165 165 165
Peer 195 195 185 175 175 165 165 165
Pruim 195 195 185 175 175 165 165 165
Rode bes 165 165 160 150 150 140 140 140
Wijnbouw 110 110 105 100 100 95 95 95
Zwarte bes 195 195 185 175 175 165 165 165
Buitenbloemen (kg N per ha per teelt)
Buitenbloemen hoge norm (zie bijlage A3) 220 220 210 200 200 200 200 200
Buitenbloemen overig 165 165 160 150 150 150 150 150
Boomkwekerijgewassen (kg N per ha per jaar)
Laanbomen: onderstammen 45 45 45 40 40 40 40 40
Laanbomen: spillen 100 100 95 90 90 90 90 90
Laanbomen: opzetters 125 125 120 115 115 115 115 115
Sierheesters 85 85 80 75 75 75 75 75
Coniferen 90 90 85 80 80 80 80 80
Rozen (incl. zaailingen, onderstammen) 75 75 75 70 70 70 70 70
Bos- en Haagplantsoen 105 105 100 95 95 95 95 95
Vaste planten 195 195 185 175 175 175 175 175
Vruchtbomen: onderstammen 35 35 35 30 30 30 30 30
Vruchtbomen: moerbomen 120 120 115 110 110 110 110 110
Vruchtbomen 100 100 95 90 90 90 90 90
Trek- en besheesters 90 90 85 80 80 80 80 80
Snijgroen 105 105 100 95 95 95 95 95
Ericaceae 75 75 75 70 70 70 70 70
Buxus 105 105 100 95 95 95 95 95
Bosbouw (kg N per ha per jaar)
Snelgroeiend houtsoorten voor biomassaproductie 100 100 95 90 90 90 90 90
Vaste norm op bedrijfsniveau*8 (kg N per ha per jaar)
Vaste norm 110 110 110 110 110 110 110 110

*1 Onder grasland met volledig maaien wordt mede verstaan grasland waar uitsluitend jongvee van runderen niet ouder dan 2 jaar wordt geweid, voorzover het aantal stuks jongvee in de wei niet groter is dan het aantal op het bedrijf gehouden ouderdieren. Daarnaast mogen hobbymatig gehouden dieren worden geweid.

*2 De normen gelden niet voor tijdelijk grasland dat aansluit op maïs.

*3 Deze gebruiksnormen zijn alleen van toepassing voorzover ze zijn toegestaan binnen de regels van het Besluit gebruik meststoffen.

*4 Voor consumptieaardappel en wintertarwe op lössgronden gelden de gebruiksnormen die zijn weergegeven in onderstaande tabel. Lössgronden zijn gronden die zijn ontstaan in eolisch materiaal en binnen 80 cm van het maaiveld voor meer dan de halft bestaan uit leem (fractie kleiner dan 50 μm.

*5 De gebruiksnorm wordt volledig toegerekend aan het jaar van oogsten.

*6 De normen van maïs zijn inclusief de norm van de daarop aansluitend geteelde groenbemesters.

*7 Deze gebruiksnormen zijn alleen van toepassing indien voldaan wordt aan de volgende voorwaarden. Voor groenbemesters op zand/ löss en veen geldt: inzaaien voor 1 september en na 1 december ploegen. Op klei geldt: inzaaien voor 1 september en na 1 november ploegen. Een uitzondering wordt gemaakt voor groene braak en indien de groenbemester minimaal 10 weken in het groeiseizoen op het land staat indien aansluitend daarop een volggewas wordt geteeld. De normen gelden niet voor groenbemesters die aansluiten op maïs.

*8 Deze norm op bedrijfsniveau geldt als het gewogen gemiddelde van de gebruiksnormen van de geteelde gewassen of gewasgroepen uit tabel A op het bedrijf in dat kalenderjaar minstens 100 kg N/ha bedraagt.

Akkerbouwgewassen op löss 2006 2007 2008 2009
Consumptieaardappelrassen hoge norm (zie bijlage A.1) 275 265 265 265
Consumptieaardappelrassen overig 250 240 240 240
Consumptieaardappelrassen lage norm (zie bijlage A.1) 225 215 215 215
Wintertarwe 220 220 220 195

Bijlage A.1. behorende bij artikel 28: Consumptieaardappelrassen

9. Kobalt (Co)

bijlage Aa. behorende bij artikel 4 van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet

I. Stoffen die als meststof kunnen worden verhandeld

    1. reststof die is vrijgekomen bij de fabrieksmatige winning van suiker uit suikerbieten en die met name bestaat uit calciumcarbonaat, organische stof afkomstig van suikerbieten en water (schuimaarde).
    1. Reststof, die uitsluitend bestaat uit calciumcarbonaat in de vorm van tot granulaat vermalen eierschalen die zijn vrijgekomen bij de industriële verwerking van eieren, en die is gehygiëniseerd door verhitting (calciumcarbonaat van verwerkte eierschalen).
    1. Reststof die is vrijgekomen bij de fabriekmatige productie van drinkwater uit grond- of oppervlaktewater en die met name bestaat uit calciumcarbonaat (kalkslib van drinkwaterbereiding).
    1. Reststof die is vrijgekomen bij de fermentatieve productie van het antibioticum 7-amino-de-acetoxy-cefalosporinezuur en die met name bestaat uit zwavel, kalium en stikstof (reststof bij 7-ADCA productie).
    1. Reststof die is vrijgekomen bij de zuivering van steenzout bij de fabrieksmatige productie van zuiver natriumchloride en die bestaat uit calciumcarbonaat, water, magnesiumhydroxide en sporen gips en keukenzout (kalkhoudende reststof van zoutwinning),
    1. Reststof die is vrijgekomen bij de productie van urean uit kalkammonsalpeter en ureum en die bestaat uit calciumcarbonaat (kalk), water en de filterhulpstof amorf aluminiumsilicaat (kalkhoudende filterkoek die vrijkomt bij de productie van anorganische meststoffen).
    1. Reststof die is vrijgekomen bij de industriële productie van bakkersgist door fermentatie van verdunde melasse van suikerbieten en suikerriet en die bestaat uit een donkerbruine viskeuze suspensie van kristallen van kaliumsulfaat (kaliumsulfaatsuspensie).
    1. Reststof die is vrijgekomen bij de fabrieksmatige productie van alcohol door fermentatie van melasse die is vrijgekomen bij de fabrieksmatige verwerking van suikerbieten en die bestaat uit een donkerbruine stroperige vloeistof (vinassekali) of bestaat uit een ingedikte donkerbruine stroperige vloeistof (ingedikte vinassekali).
    1. Reststof die is vrijgekomen bij de chemische reiniging van lucht uit een bedrijfshal, waar (gecomposteerd) zuiveringsslib met houtsnippers wordt gecomposteerd door middel van het wassen met een verdunde waterige oplossing van zwavelzuur en die bestaat uit een pH-neutrale oplossing van ammoniumsulfaat in water (ammoniumsulfaathoudende spuiwater van chemische luchtwassers van composteerhallen).
    1. Reststof die is vrijgekomen bij de productie van blauwzuur (waterstofcyanide) uit methaan en ammoniak volgens het BMA-proces en die bestaat uit een oplossing van ammoniumsulfaat in water met een maximaal blauwzuurgehalte van 0,00027% (ammoniumsulfaatoplossing in water van blauwzuurproductie volgens BMA-proces).
    1. Reststof die is vrijgekomen bij de fabrieksmatige verwerking van fabrieksaardappelen tot zetmeel en die bestaat uit ingedikt onteiwit aardappelvruchtwater (ingedikt onteiwit aardappelvruchtwater).
    1. Reststof die is vrijgekomen bij de productie van alcohol door fermentatie van het glucosehoudend bijproduct van de verwerking van tarwe tot tarwegluten en tarwezetmeel na toevoeging van gist, waaruit de alcohol door destillatie is verwijderd en dat met propionzuur en boterzuur gestabiliseerd kan zijn en die bestaat uit waterig slib met residuen van vergiste tarwebestanddelen en gist (tarwegistconcentraat)
    1. Reststof die is vrijgekomen bij het verwijderen van kalium uit glycerine van biodieselproductie uit koolzaad door middel van precipitatie en in hoofdzaak bestaat uit gedroogde kaliumsulfaat (Kaliumsulfaat van biodieselproductie).
    1. Reststof die is vrijgekomen bij de fabrieksmatige verwijdering van schillen met behulp van stoom van vooraf gewassen wortelen en die bestaat uit wortelschillen in water (wortelstoomschillen).
    1. Reststof die is vrijgekomen bij de ontzwaveling van rookgassen afkomstig van afgedankte katalysatorpellets gebruikt voor het kraken van olie van olieraffinaderijen al dan niet onder toevoeging van metaalhoudende slibben en/of filterkoeken, nadat deze in een wervel bed oven of een roterende trommeloven thermisch zijn behandeld om molybdeen, kobalt, nikkel en vanadium terug te winnen. De rookgassen worden gefilterd en met luchtwassers wordt zwaveldioxide aan magnesiumhydroxide tot magnesiumsulfiet gebonden dat vervolgens geoxideerd wordt tot een oplossing van magnesiumsulfaat in water met minder dan 100 mg fluoride per kg (waterige oplossing van magnesiumsulfaat van rookgasreiniging).
    1. Vervallen.
    1. Reststof die is vrijgekomen bij de fabrieksmatige bewerking van wei van kaasproductie na verwijdering van eiwit en calcium- en magnesiumfosfaten en die bestaat uit een oplossing van natriumchloride en kaliumchloride in water (natrium- en kaliumchlorideoplossing in water afkomstig van kaasproductie).
    1. Reststof die is vrijgekomen bij de productie van methionine en die bestaat uit een waterige oplossing van kaliumbicarbonaat, enig kaliumcarbonaat en resten methionine, alanine en dimeren van methionine (kaliumbicarbonaat uit methionineproductie).
    1. Reststof die is vrijgekomen bij de fabrieksmatige productie van papier en karton en die bestaat uit een mengsel van geschoond papiercellulose en oppervlaktewater (stabilisator voor het bodemoppervlak op basis van papiercellulose).
    1. Reststof die is vrijgekomen bij rookgasontzwavelinginstallaties van de poederkoolgestookte elektriciteitscentrale met bijstook van biomassa na wassen met een calciumhydroxide-suspensie en afscheiding en droging en die bestaat uit calciumsulfaatdihydraat (rookgasontzwavelinggips van kalk uit poederkoolgestookte elektriciteitscentrale).
    1. Reststof die is vrijgekomen bij rookgasontzwavelinginstallaties van de poederkoolgestookte elektriciteitscentrale met bijstook van biomassa na wassen met een calciumcarbonaatsuspensie en afscheiding en droging en die bestaat uit calciumsulfaatdihydraat (rookgasontzwavelinggips van kalksteen).
    1. Reststof die is vrijgekomen bij de chemische reiniging van lucht uit een bedrijfshal met tunnels waarin pluimveemest wordt gecomposteerd, gedroogd en gepelleteerd, door middel van het wassen met een verdunde waterige oplossing van zwavelzuur en die bestaat uit een zure oplossing van ammoniumsulfaat in water (ammoniumsulfaathoudend spuiwater van chemische luchtwassers van mestkorrelinstallaties voor pluimveemest).
    1. Reststof die is vrijgekomen bij de fabrieksmatige verwerking van uien en dat uitsluitend bestaat uit het perssap van pulp van vermalen en gekookte uien, dat resteert na het kook- en destillatieproces ten behoeve van de winning van uienolie (uienperssap).
    1. Reststof die vrijkomt door hydrolyse van schaafsel, snippers, schilfers en vergelijkbaar materiaal resterend bij de bewerking van gelooid leer en bestaat uit een amberkleurige vloeistof met daarin dierlijke aminozuren en peptiden (Vloeistof van aminozuren en peptiden verkregen door hydrolyse van restanten van gelooid leer).
    1. Reststof die is vrijgekomen door afdekaarde na de teelt van machinaal geoogste champignons met een vijzel te scheiden van de onderliggende afgewerkte champignonmest en die bestaat uit dekaarde van veenproducten en schuimaarde en teeltresten gevormd door champignonvoetjes en schimmelmassa van de teelt van champignons en resten afgewerkte champignonmest. In het teeltproces worden geen gewasbeschermingsmiddelen of biociden toegepast, anders dan een biocide op basis van formaldehyde (afgewerkte dekaarde van de teelt van machinaal geoogste champignons).
    1. Reststof, die vrijgekomen is bij het ontzwavelen van aardgas of biogas door winning van waterstofsulfide uit de gasstroom die onder invloed van bacteriën omgezet wordt tot elementair zwavel en bestaat uit een suspensie van elementair zwavel in water (suspensie van elementair zwavel in water).
    1. Reststof (calciumcarbonaat) die is vrijgekomen bij biologisch zuiveren van afvalwater van papierindustrieën tot een op oppervlaktewater loosbaar effluent gevolgd door een ontkalkingsstap (calciumcarbonaat uit gecombineerd effluent van papierindustrieën).
    1. Reststof die is vrijgekomen bij de productie van magnesiumcalciumhydroxide uit gebrand dolomietkalksteen (magnesiumcalciumoxide gevormd uit magnesiumcalciumcarbonaat) en die bestaat uit grijswit granulaat van magnesiumcalciumoxide en magnesiumcalciumhydroxide (granulaat van magnesiumcalciumhydroxide).
    1. Reststof die vrijgekomen is bij het gecontroleerd herwinnen van calciumsulfaat als fijn poeder uit gipshoudend sloopafval via zuivering door sortering, verkleining, breken, vermalen en zeven, handmatige zuivering en verwijdering van ijzer middels magneetscheiding. De reststof bestaat uit gips en inerte materialen afkomstig van natuurgips en organische stof van papier of karton (herwonnen gipspoeder).

II. Stoffen die als meststof kunnen worden verhandeld

(Categorieën afvalstoffen of reststoffen)

    1. Reststof die is vrijgekomen bij de chemische reiniging van stallucht van veehouderijbedrijven door het wassen van de stallucht met ammoniak in een verdunde oplossing van zwavelzuur en die bestaat uit een ammoniumsulfaatoplossing in water (spuiwater uit luchtwassers met een chemische wasstap).
    1. Reststof die is vrijgekomen bij de biologische reiniging van stallucht van veehouderijbedrijven door het wassen van stallucht met water en geleid over materiaal met een ruimtelijke structuur waarop nitrificerende bacteriën ammonium omzetten in nitriet en vervolgens in nitraat en die bestaat uit een zeer sterk verdunde pH-neutrale zwavel- en stikstofhoudende oplossing in water (spuiwater luchtwassers met een biologische wasstap).
    1. Reststof die is vrijgekomen bij de reiniging van stallucht van veehouderijbedrijven door het wassen van stallucht met water (spuiwater uit luchtwassers met een waterwasstap).

III. Stoffen die bij de productie van meststoffen kunnen worden gebruikt

    1. Reststof die is vrijgekomen bij de productie van magnesiumcalciumhydroxide uit gebrand dolomietkalksteen (magnesiumcalciumoxide gevormd uit magnesiumcalciumcarbonaat) en die bestaat uit grijswit granulaat van magnesiumcalciumoxide en magnesiumcalciumhydroxide (granulaat van magnesiumcalciumhydroxide),
    1. Reststof die is vrijgekomen bij rookgasontzwavelinginstallaties van de poederkoolgestookte elektriciteitscentrale met bijstook van biomassa na wassen met een calciumhydroxide-suspensie en afscheiding en droging en die bestaat uit calciumsulfaatdihydraat (rookgasontzwavelinggips van kalk uit poederkoolgestookte elektriciteitscentrale).
    1. Reststof die is vrijgekomen bij rookgasontzwavelinginstallaties van de poederkoolgestookte elektriciteitscentrale met bijstook van biomassa na wassen met een calciumcarbonaatsuspensie en afscheiding en droging en die bestaat uit calciumsulfaatdihydraat (rookgasontzwavelinggips van kalksteen).
    1. Reststof die vrijgekomen is bij het gecontroleerd herwinnen van calciumsulfaat als fijn poeder uit gipshoudend sloopafval via zuivering door sortering, verkleining, breken, vermalen en zeven, handmatige zuivering en verwijdering van ijzer middels magneetscheiding. De reststof bestaat uit gips en inerte materialen afkomstig van natuurgips en organische stof van papier of karton (herwonnen gipspoeder).

IV. Eindproducten van bewerkingsprocédés die als meststof kunnen worden verhandeld

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)