Regeling tot uitvoering de hoofdstukken III en VI van de Wegenverkeerswet 1994 (Regeling voertuigen)

Type Ministeriële regeling
Publication 2026-01-01
Laatst bijgewerkt 2026-05-14
State In force
Source BWB
artikelen 3776
Wijzigingsgeschiedenis JSON API
Artikel 5.6.27
Eisen Wijze van keuren
1. De wielen van bromfietsen moeten zijn voorzien van luchtbanden. Visuele controle.
2. De banden mogen geen beschadigingen vertonen waarbij het karkas zichtbaar is. Leden 2 tot en met 5: visuele controle, waarbij het wiel wordt rondgedraaid.
3. De banden mogen geen uitstulpingen vertonen.
4. Over de gehele omtrek en breedte van het loopvlak van de banden moet profilering aanwezig zijn.
5. Het loopvlak van de banden mag geen metalen elementen bevatten die tijdens het rijden daarbuiten kunnen uitsteken.
6. De op de band aangegeven draairichting moet overeenkomen met de draairichting van de band in voorwaartse rijrichting van de bromfiets. Leden 6 en 7: visuele controle.
7. De banden op één as moeten dezelfde maataanduiding hebben.
8. De banden mogen niet zijn nageprofileerd. Van naprofileren is sprake indien slijtage-indicatoren zijn weggesneden, indien de profielvorm van de groef afwijkt van de originele profielvorm of indien in de bodem van de groef het karkas van de band zichtbaar is. Visuele controle, waarbij het wiel wordt rondgedraaid.
Artikel 5.6.28
Eisen Wijze van keuren
1. Indien de bromfiets is voorzien van een veersysteem, moet dit systeem goed werken. Visuele controle, waarbij de bromfiets verscheidene keren wordt ingeveerd. In geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd.
2. De onderdelen van het veersysteem mogen geen breuken of scheuren vertonen, mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast en moeten deugdelijk zijn bevestigd. Hieraan wordt voor wat betreft veerschotels voldaan, indien deze niet zijn doorgeroest. Indien een veerschotel is doorgeroest, mag deze niet zijn gerepareerd. Visuele controle.
Artikel 5.6.29
Eisen Wijze van keuren
1. Van bromfietsen met twee wielen: a. moeten de voor de overbrenging van de stuurkrachten noodzakelijke onderdelen deugdelijk zijn bevestigd; b. moet de voorvork zonder zware punten in het balhoofd kunnen draaien, en c. mag de balhoofdlagering geen zichtbare speling vertonen. – Onderdeel a: visuele controle. – Onderdeel b: visuele controle, waarbij het voorwiel naar de uiterste linker- en rechterstuurstand wordt bewogen, terwijl de massa van de bromfiets op de grond rust. – Onderdeel c: visuele controle, waarbij de bromfiets voorwaarts wordt bewogen en de voorwielrem in werking wordt gesteld, dan wel het voorwiel wordt ontlast en de voorvork wordt bewogen.
2. Van bromfietsen op drie of vier wielen: a. moeten de bestuurde wielen goed reageren op de draaiing van het stuurwiel; b. mogen bij draaiing van het stuurwiel tot aan de aanslagen geen weerstanden voelbaar zijn en moeten de wielen onderscheidenlijk de banden vrij kunnen draaien; c. moeten de voor de overbrenging van de stuurbeweging bestemde onderdelen deugdelijk zijn bevestigd met alle daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen, mogen geen breuken of scheuren vertonen, mogen niet zijn vervormd en mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast; – Onderdeel a: visuele controle, waarbij met de wielen in de stand van rechtuitrijden, het stuurwiel naar links en naar rechts wordt gedraaid met een hoekverdraaiing van ten hoogste 15°, zo nodig met draaiende motor. De bestuurde wielen moeten hierbij van stand veranderen. – Onderdeel b: visuele controle, waarbij de stuurbekrachtiging buiten werking is gesteld. De bestuurde wielen worden naar de uiterste linker- en rechterstuurstand bewogen waarbij de bestuurde wielen gedeeltelijk mogen worden ontlast. – Onderdeel c: visuele controle. Terwijl de massa van de bromfiets op de wielen rust, wordt het stuurwiel met krachtige korte bewegingen naar links en naar rechts gedraaid.
d. moeten stofhoezen van het stuurhuis en de stuurkogels deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten; – Onderdeel d: visuele controle. – Onderdeel e: visuele controle. Hierbij wordt het stuurwiel langzaam naar links en naar rechts gedraaid en axiaal bewogen.
e. moeten koppelingen een zichtbaar spelingvrije overbrenging kunnen bewerkstelligen; – Onderdeel f: visuele controle. – Onderdeel g: visuele controle. Voor het zichtbaar maken van:
f. mogen flexibele koppelingen niet in ernstige mate zijn gescheurd en de vulkanisatie mag niet in ernstige mate zijn losgeraakt; g. mogen de verbindingen in het stangenstelsel niet te veel speling vertonen, waarbij het bepaalde in bijlage VIII, artikel 52, van toepassing is; en 1° radiale speling wordt het stuurwiel met krachtige, korte bewegingen naar links en naar rechts gedraaid terwijl de massa van de bromfiets op de wielen rust 2° axiale speling worden op de stuurkogel of stuurverbinding trek- en drukkrachten uitgeoefend.
h. mag, indien een gedeelte van de binnenkant van het stuurkogelhuis en van de stuurkogel zichtbaar is doordat de hoes is beschadigd of ontbreekt, dit gedeelte geen corrosie vertonen. – Onderdeel h: visuele controle indien de hoes is beschadigd of ontbreekt, vindt visuele controle plaats.

§ 11. Verbinding tussen driewielig motorrijtuig en aanhangwagen

Artikel 5.6.31
Eisen Wijze van keuren
1. Bromfietsen moeten zijn voorzien van een reminrichting waarvan de onderdelen: a. deugdelijk zijn bevestigd met de daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen; b. niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast; c. niet zijn beschadigd, gescheurd of gebroken; en d. geen inwendige of uitwendige lekkage vertonen. – Onderdeel a tot en met c: visuele controle. – Onderdeel d: visuele controle, terwijl het remsysteem onder druk wordt gezet, hierna aangeduid met ‘drukproef’. Het rempedaal wordt, bij een hydraulisch remsysteem langzaam, ingetrapt totdat een kracht van 500 N (50 kg) op het pedaal wordt uitgeoefend. Deze kracht wordt gedurende ongeveer 10 seconden uitgeoefend waarbij het pedaal niet op de aanslag mag komen. Bij een remhendel moet de drukproef worden uitgevoerd met de maximale handkracht.
2. Remschijven mogen geen dusdanige slijtage vertonen dat gevaar op breuk ontstaat. Visuele controle.
3. Het rempedaal onderscheidenlijk de remhendel mag geen zodanige slag maken dat het pedaal dan wel de handel tot een aanslag kan worden ingetrapt of ingedrukt Controle waarbij het rempedaal wordt ingetrapt met een kracht van ten hoogste 500 N (50 kg). Bij een remhendel moet dit worden uitgevoerd met de maximale handkracht.
4. Het oppervlak van het rempedaal moet stroef zijn. Visuele controle.
5. Remslangen mogen: a. niet in ernstige mate zijn misvormd; b. niet langs andere voertuigdelen schuren, en – Onderdeel a: visuele controle. – Onderdeel b: visuele controle, waarbij de bestuurde wielen naar de uiterste linker- en rechterstuurstand worden gebracht.
c. geen zodanige beschadigingen vertonen dat het wapeningsmateriaal zichtbaar is. – Onderdeel c: visuele controle.
De slangen die aan de buitenzijde van een metalen wapening zijn voorzien, mogen geen beschadiging vertonen.
6. Remkabels mogen niet zijn gerafeld en moeten goed gangbaar zijn. Visuele controle, waarbij de rem wordt bediend.
7. Wielen die zijn voorzien van een trommelrem, moeten in onberemde toestand in beide richtingen kunnen draaien zonder dat de remvoering aanloopt. De remvoering van wielen die zijn voorzien van een schijfrem, mag in onberemde toestand in beide richtingen enigszins slepen. Controle door de wielen vrij van de grond met de hand rond te draaien.
8. De remtrommel of remschijf mag tijdens het remmen niet worden geraakt door delen die zijn bestemd als drager of bevestigingsmiddel van de remvoering. Visuele controle. Indien de remvoering niet zonder demontage zichtbaar te maken is, wordt de rem in werking gesteld terwijl het wiel met de hand of met behulp van een wielspinner wordt rondgedraaid. Hierbij mogen geen schurende geluiden van metaal op metaal hoorbaar zijn.
9. De noodzakelijke bewegingsvrijheid van de remonderdelen mag niet worden beperkt. Visuele controle.
10. In de reservoirs van het hydraulisch remsysteem moet voldoende remvloeistof aanwezig zijn. Visuele controle, waarbij het remvloeistofniveau zich niet onder de minimumaanduiding mag bevinden.
11. De waarschuwingsinrichting van het antiblokkeersysteem mag geen defect aangeven. Visuele en auditieve controle. Wanneer na het starten van de motor een optisch of akoestisch waarschuwingssignaal wordt afgegeven dat het systeem niet goed functioneert, wordt ervan uitgegaan dat niet aan deze eis is voldaan. In geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd.
12. De onderdelen van een antiblokkeersysteem: Visuele controle.
a. moeten deugdelijk zijn bevestigd met de daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen;
b. mogen niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast;
c. mogen niet zijn beschadigd, gescheurd of gebroken, en
d. mogen geen lekkage vertonen.
Artikel 5.6.38
Eisen Wijze van keuren
1. Bromfietsen moeten ofwel met twee afzonderlijke bedrijfsremsystemen, ofwel met een gescheiden bedrijfsremsysteem zijn uitgerust, waarbij ten minste één rem het voorwiel en ten minste één rem het achterwiel remt.
2. Bromfietsen op twee wielen, in gebruik genomen na 31 december 2006, moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem of twee bedrijfsremmen waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg; a. bij gebruik van de voorwielrem ten minste 2,5 m/s2 bedraagt; b. bij gebruik van de achterwielrem ten minste 2,4 m/s2 bedraagt, en c. bij gebruik van de voorwielrem en de achterwielrem tezamen ten minste 4,0 m/s2 bedraagt. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 4, van toepassing. Bij twijfel controle door middel van een remproef op de weg, waarbij aan de hand van de afgelegde remweg wordt bepaald of aan de vereiste remvertraging wordt voldaan. De snelheid bij aanvang van de remproef moet ongeveer 25 km/h bedragen bij een bromfiets met een door de constructie bepaalde snelheid van 25 km/h onderscheidenlijk 40 km/h voor een bromfiets met een door de constructie bepaalde snelheid van 45 km/h. Tevens is het ook toegestaan om bij bromfietsen op meer dan twee wielen een zelfregistrerende remvertragingsmeter te gebruiken.
3. Bromfietsen op twee wielen, in gebruik genomen voor 1 januari 2007, moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem of twee bedrijfsremmen met onafhankelijke bedieningsorganen en overbrengingen, waarvan de één ten minste op het voorwiel en de ander ten minste op het achterwiel werkt. De remvertraging van de voorwielrem en de achterwielrem tezamen moet op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 4,0 m/s2 bedragen. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 4, van toepassing. Bij twijfel controle door middel van een remproef op de weg, waarbij aan de hand van de afgelegde remweg wordt bepaald of aan de vereiste remvertraging wordt voldaan. De snelheid bij aanvang van de remproef moet ongeveer 25 km/h bedragen bij een bromfiets met een door de constructie bepaalde snelheid van 25 km/h onderscheidenlijk 40 km/h voor een bromfiets met een door de constructie bepaalde snelheid van 45 km/h. Tevens is het ook toegestaan om bij bromfietsen op meer dan twee wielen een zelfregistrerende remvertragingsmeter te gebruiken.
4. Bromfietsen op meer dan twee wielen moeten zijn voorzien van een bedrijfsreminrichting waarmee, bij bediening van de voor- en achterrem tezamen, hetzij bij bediening van een gezamenlijke reminrichting, de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 4,0 m/s2 bedraagt. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 4, van toepassing. Bij twijfel controle door middel van een remproef op de weg, waarbij aan de hand van de afgelegde remweg wordt bepaald of aan de vereiste remvertraging wordt voldaan. De snelheid bij aanvang van de remproef moet ongeveer 25 km/h bedragen bij een bromfiets met een door de constructie bepaalde snelheid van 25 km/h onderscheidenlijk 40 km/h voor een bromfiets met een door de constructie bepaalde snelheid van 45 km/h. Tevens is het ook toegestaan om bij bromfietsen op meer dan twee wielen een zelfregistrerende remvertragingsmeter te gebruiken.
5. De in het derde lid bedoelde bedrijfsreminrichting moet op alle wielen werken. Terwijl de wielen zich vrij van de grond bevinden, wordt het rempedaal licht ingetrapt dan wel de remhendel licht ingedrukt en wordt gecontroleerd of elk wiel wordt geremd.
Artikel 5.6.39
Eisen Wijze van keuren
Van bromfietsen op meer dan twee wielen moet één van de remmen in aangezette toestand kunnen worden vastgezet, tenzij een afzonderlijke vastzetinrichting aanwezig is. Terwijl twee wielen zich vrij van de grond bevindt, wordt de vastzetinrichting onderscheidenlijk vergrendeling in werking gesteld, waarna gecontroleerd wordt of een van de assen wordt geremd.

§ 12. Diversen

Artikel 5.6.41
Eisen Wijze van keuren
1. Windschermen en stroomlijnkappen van bromfietsen mogen de bediening van de stuurinrichting, de koppeling en de remmen niet belemmeren. Visuele controle, waarbij het stuur naar de uiterste linker- en rechterstuurstand wordt bewogen en de hendels van de koppeling en reminrichting worden bediend.
2. Windschermen, stroomlijnkappen en permanent aangebrachte inrichtingen om lading mee te kunnen vervoeren, moeten deugdelijk zijn bevestigd. Visuele controle.
3. De deuren van bromfietsen moeten goed sluiten. De deuren die direct toegang geven tot de personenruimte, moeten op normale wijze vanaf de binnenzijde en vanaf de buitenzijde kunnen worden geopend. Visuele controle, waarbij de deuren worden geopend en gesloten.
4. Het slot en de scharnieren van de motorkap en het kofferdeksel van het voertuig moeten een goede sluiting waarborgen. Visuele controle, waarbij de motorkap en het kofferdeksel worden geopend en gesloten.
5. De bevestiging van de scharnieren van de deuren, de motorkap en het kofferdeksel mag niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast. Visuele controle.
Artikel 5.6.42
Eisen Wijze van keuren
1. De voorruit en de naast de bestuurderszitplaats aanwezige zijruiten van bromfietsen mogen geen beschadigingen of verkleuringen vertonen. Ten aanzien van de voorruit is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 91 tot en met 95, van toepassing. Leden 1 en 2: visuele controle.
2. De voorruit en de naast de bestuurderszitplaats aanwezige zijruiten van bromfietsen mogen niet zijn voorzien van onnodige voorwerpen die het uitzicht van de bestuurder belemmeren.
3. De lichtdoorlatendheid van de voorruit en de naast de bestuurderszitplaats aanwezige zijruiten mag niet minder dan 55% bedragen. Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten.
4. Indien de bromfiets niet is voorzien van een rechterbuitenspiegel, mag de achterruit geen beschadigingen of verkleuringen vertonen. Leden 4 en 5: visuele controle.
5. Indien de bromfiets niet is voorzien van een rechterbuitenspiegel mag de achterruit niet zijn voorzien van onnodige voorwerpen die het uitzicht van de bestuurder belemmeren.
Artikel 5.6.43
Eisen Wijze van keuren
1. Bromfietsen met een voorruit, die na 31 december 2006 in gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzien van een goed werkende ruitenwisserinstallatie die de bestuurder voldoende uitzicht geeft. Visuele controle. Indien bij het in werking stellen van de installatie ten minste één stand, niet zijnde een intervalstand, werkt, blijft verdere controle achterwege.
2. Bromfietsen met een voorruit, die na 31 december 2006 in gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzien van een goed werkende ruitensproeierinstallatie. Visuele controle, waarbij de installatie in werking wordt gesteld.
Artikel 5.6.45
Eisen Wijze van keuren
1. Bromfietsen die na 31 december 2006 in gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzien van een linkerbuitenspiegel. Leden 1 tot en met 4: visuele controle.
2. In afwijking van het eerste lid moeten bromfietsen op meer dan twee wielen met gesloten carrosserie, die na 31 december 2006 in gebruik zijn genomen, zijn voorzien van een binnenspiegel en een linkerbuitenspiegel dan wel zijn voorzien van een linker- en een rechterbuitenspiegel.
3. De spiegels moeten deugdelijk zijn bevestigd.
4. Het spiegelglas van de verplichte spiegels mag geen verschijnselen van breuk vertonen en mag niet in ernstige mate zijn verweerd.
5. In afwijking van het tweede lid mogen verplichte spiegels bij bromfietsen op meer dan twee wielen met een gesloten carrosserie, vervangen zijn door goedwerkende camera-monitorsystemen. Indien spiegels vervangen zijn door camera-monitorsystemen, dan moeten deze systemen deugdelijk bevestigd zijn. Visuele controle
Artikel 5.6.46
Eisen Wijze van keuren
1. De zitplaats of zitplaatsen van bromfietsen moeten deugdelijk zijn bevestigd. Leden 1 en 2: visuele controle.
2. Voetsteunen moeten deugdelijk zijn aangebracht.
Artikel 5.6.47
Eisen Wijze van keuren
1. Bromfietsen op meer dan twee wielen met een gesloten carrosserie en een ledige massa van meer dan 250 kg, die na 31 december 2006 in gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzien van gordels voor alle naar voren gerichte zitplaatsen. Leden 1 en 2: visuele controle.
2. Het eerste lid is niet van toepassing op klapstoelen.
3. De gordels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zijn beschadigd. Het pluizen van de gordel wordt niet gezien als een beschadiging. Visuele controle, waarbij een eventuele rolgordel volledig wordt uitgetrokken.
4. De gordels moeten zijn voorzien van een goed werkende sluiting en een goed werkende blokkering. Oprolmechanismen moeten zodanig functioneren dat de gordel aanligt na het omdoen ervan. Visuele controle. Hierbij wordt de gordel in de sluiting gebracht. Indien de gordel is voorzien van een oprolmechanisme wordt de gordel omgedaan. De blokkering wordt gecontroleerd door te trekken aan de gordel; indien dit geen uitsluitsel biedt wordt tijdens een remproef op de weg het blokkeren van de gordel gecontroleerd.
Artikel 5.6.48
Eisen Wijze van keuren
1. Bromfietsen mogen geen scherpe delen hebben die in geval van botsing gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers kunnen opleveren. Leden 1 tot en met 3: visuele controle.
2. De wielen onderscheidenlijk banden van bromfietsen mogen niet aanlopen.
3. Geen deel aan de buitenzijde van een bromfiets mag zodanig zijn bevestigd, beschadigd, versleten of door corrosie zijn aangetast, dat gevaar bestaat voor losraken.

§ 0. Algemeen

Artikel 5.6.51
Eisen Wijze van keuren
1. Bromfietsen op twee wielen moeten zijn voorzien van: Leden 1 tot en met 3: visuele controle.
a. één dimlicht;
b. één achterlicht;
c. één rode retroreflector aan de achterzijde van het voertuig;
d. één remlicht indien de bromfiets een vermogen van meer dan 0,5 kW en een maximumsnelheid van meer dan 25 km/h heeft en in gebruik is genomen na 31 december 2006;
e. één ambergele retroreflector aan de zijkant van het voertuig indien het voertuig in gebruik is genomen na 31 december 2006;
f. vier ambergele retroreflectoren aan de trappers voor zover de bromfiets is voorzien van niet-intrekbare trappers en in gebruik is genomen na 31 december 2006.
2. Bromfietsen op drie wielen moeten zijn voorzien van:
a. één dimlicht indien de breedte van het voertuig 1,30 m of minder bedraagt en twee dimlichten indien de breedte van het voertuig meer dan 1,30 m bedraagt;
b. één stadslicht indien de breedte van het voertuig 1,30 m of minder bedraagt en het voertuig in gebruik is genomen na 31 december 2006, en twee stadslichten indien de breedte van het voertuig meer dan 1,30 m bedraagt en het voertuig in gebruik is genomen na 31 december 2006;
c. twee richtingaanwijzers aan de voorzijde en twee richtingaanwijzers aan de achterzijde indien het voertuig is voorzien van een gesloten carrosserie;
d. één achterlicht indien de breedte van het voertuig 1,30 m of minder bedraagt en twee achterlichten indien de breedte van het voertuig meer dan 1,30 m bedraagt;
e. één of twee remlichten indien de breedte van het voertuig 1,30 m of minder bedraagt en het voertuig in gebruik is genomen na 31 december 2006, en twee remlichten indien de breedte van het voertuig meer dan 1,30 m bedraagt en het voertuig in gebruik is genomen na 31 december 2006;
f. één of twee rode achterretroreflectoren indien de breedte van het voertuig 1,00 m of minder bedraagt en twee rode achterretroreflectoren indien de breedte van het voertuig meer dan 1,00 m bedraagt;
g. vier ambergele retroreflectoren aan de trappers voor zover de bromfiets is voorzien van niet-intrekbare trappers en in gebruik is genomen na 31 december 2006.
3. Bromfietsen op vier wielen moeten zijn voorzien van:
a. één dimlicht indien de breedte van het voertuig 1,30 m of minder bedraagt en twee dimlichten indien de breedte van het voertuig meer dan 1,30 m bedraagt;
b. één stadslicht indien de breedte van het voertuig 1,30 m of minder bedraagt en twee stadslichten indien de breedte van het voertuig meer dan 1,30 m bedraagt;
c. twee richtingaanwijzers aan de voorzijde en twee richtingaanwijzers aan de achterzijde indien het voertuig is voorzien van een gesloten carrosserie;
d. één achterlicht indien de breedte van het voertuig 1,30 m of minder bedraagt en twee achterlichten indien de breedte van het voertuig meer dan 1,30 m bedraagt;
e. één of twee remlichten indien de breedte van het voertuig 1,30 m of minder bedraagt en twee remlichten indien de breedte van het voertuig meer dan 1,30 m bedraagt;
f. één of twee rode achterretroreflectoren indien de breedte van het voertuig 1,00 m of minder bedraagt en twee rode achterretroreflectoren indien de breedte van het voertuig meer dan 1,00 m bedraagt.
Artikel 5.6.52
Eisen Wijze van keuren
Zijspanwagens, verbonden aan een bromfiets, moeten zijn voorzien van een rode retroreflector, aangebracht aan de achterzijde van het voertuig op ten minste 0,25 m en ten hoogste 0,90 m boven het wegdek. Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten.
Artikel 5.6.53
Eisen Wijze van keuren
1. De dimlichten en stadslichten mogen niet anders dan wit of geel stralen. Leden 1 tot en met 3: visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld.
2. De richtingaanwijzers mogen naar voren niet anders dan ambergeel of wit en naar achteren niet anders dan ambergeel of rood stralen.
3. De achterlichten mogen niet anders dan rood stralen.
4. De remlichten mogen niet anders dan rood stralen. Visuele controle, waarbij het rempedaal wordt ingetrapt dan wel de remhendel wordt bediend.
Artikel 5.6.55
Eisen Wijze van keuren
1. De in de artikelen 5.6.51 en 5.6.52 bedoelde lichten moeten goed werken. Indien een licht wordt gevormd door meerdere lichtbronnen, mag door defecte lichtbronnen het verlichte oppervlak met niet meer dan 25% afnemen. Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. De schakelaar moet automatisch in de ingeschakelde stand blijven staan.
2. De lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. Leden 2 tot en met 4: visuele controle.
3. De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zijn verwijderd.
4. De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt, dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed.
5. Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld.
6. De in de artikelen 5.6.51 en 5.6.52 bedoelde lichten en retroreflectoren, voor zover het het lichtdoorlatend gedeelte betreft, mogen ten hoogste 25% zijn afgeschermd. Leden 6 tot en met 8: visuele controle.
7. De in de artikelen 5.6.51 en 5.6.52 bedoelde retroreflectoren mogen geen gebreken vertonen die de retroreflectie beïnvloeden.
8. Remlichten van bromfietsen in gebruik genomen na 31 december 2006 moeten werken bij bediening van zowel de achterwielrem als de voorwielrem.
Artikel 5.6.57
Eisen Wijze van keuren
1. Bromfietsen op twee wielen mogen zijn voorzien van: Visuele controle.
a. één of twee grote lichten;
b. één extra dimlicht;
c. één of twee stadslichten;
d. twee richtingaanwijzers aan de voorzijde twee richtingaanwijzers aan de achterzijde en waarschuwingsknipperlichten;
e. één extra achterlicht indien de breedte van het voertuig niet meer bedraagt dan 1,30m;
f. één of twee remlichten;
g. ambergele retroreflectoren aan de voorste zijkanten van het voertuig, ambergele of rode retroreflectoren aan de achterste zijkanten van het voertuig;
h. achterkentekenplaatverlichting;
i. één naar voren gerichte witte retroreflector;
j. één dagrijlicht.
2. Bromfietsen op drie of vier wielen mogen zijn voorzien van: – Onderdelen a en i: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten.
a. één of twee grote lichten indien de breedte van het voertuig 1,30 m of minder bedraagt en twee grote lichten indien de breedte van het voertuig meer dan 1,30 m bedraagt; – Onderdelen b tot en met h: visuele controle.
b. twee richtingaanwijzers aan de voorzijde twee richtingaanwijzers aan de achterzijde en waarschuwingsknipperlichten indien het voertuig niet is voorzien van een gesloten carrosserie;
c. achterkentekenplaatverlichting;
d. ambergele retroreflectoren aan de zijkanten van het voertuig;
e. naar voren gerichte witte retroreflectoren;
f. één of twee mistvoorlichten;
g. één of twee mistachterlichten;
h. één of twee achteruitrijlichten;
i. een derde remlicht, aangebracht zodanig dat:
3. Bromfietsen mogen zijn voorzien van extra witte retroreflecterende voorzieningen aan de voorzijde, extra rode aan de achterzijde en extra ambergele aan de zijkanten van het voertuig. Visuele controle.
4. In afwijking van het tweede lid, onderdeel i, mogen twee extra remlichten worden aangebracht, indien het derde remlicht niet binnen 0,15 m vanaf het middenlangsvlak kan worden bevestigd. Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten.
Artikel 5.6.58
Eisen Wijze van keuren
1. Zijspanwagens, verbonden aan een bromfiets, mogen zijn voorzien van: – Onderdelen a en e: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten.
a. één stadslicht aan de uiterste buitenzijde van het voertuig op ten minste 0,35 m en ten hoogste 1,20 m boven het wegdek; – Onderdelen b, c, d, f en g: visuele controle.
b. één achterlicht;
c. richtingaanwijzers en waarschuwingsknipperlichten;
d. één remlicht;
e. een naar voren gerichte witte retroreflector aan de voorzijde van het voertuig, aangebracht aan de uiterste buitenzijde op ten minste 0,45 m en ten hoogste 1,20 m boven het wegdek;
f. ambergele retroreflectoren aan de zijkanten van het voertuig;
g. één dagrijlicht.
2. Zijspanwagens mogen zijn voorzien van extra witte retroreflecterende voorzieningen aan de voorzijde, extra rode aan de achterzijde en extra ambergele aan de zijkanten van het voertuig. Visuele controle.
Artikel 5.6.59
Eisen Wijze van keuren
1. Het grote licht, het dimlicht, het mistvoorlicht, het achteruitrijlicht en het stadslicht mogen niet anders dan wit of geel stralen. Leden 1 tot en met 5: visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld.
2. Het achterlicht, het mistachterlicht, het derde remlicht en het remlicht mogen niet anders dan rood stralen.
3. Richtingaanwijzers en waarschuwingsknipperlichten mogen niet anders dan ambergeel stralen.
4. De achterkentekenplaatverlichting mag niet anders dan wit stralen en mag niet naar achteren stralen.
5. Het dagrijlicht mag niet anders dan wit stralen.
Artikel 5.6.59a
Eisen Wijze van keuren
1. De in artikel 5.6.57 bedoelde lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. Leden 1 tot en met 3: visuele controle.
2. De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zijn verwijderd.
3. De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed.
4. Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld.
Artikel 5.6.64
Eisen Wijze van keuren
1. Bromfietsen mogen, met uitzondering van groot licht, niet zijn voorzien van verblindende lichten. Leden 1 en 2: visuele controle.
2. Bromfietsen mogen, met uitzondering van de richtingaanwijzers en de waarschuwingsknipperlichten, niet zijn voorzien van knipperende lichten.
Artikel 5.6.65
Eisen Wijze van keuren
1. Bromfietsen mogen niet zijn voorzien van meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de artikelen 5.6.51, 5.6.52, 5.6.57, 5.6.57a en 5.6.58 is voorgeschreven of toegestaan. In of op het voertuig aanwezige lichten of objecten die licht uitstralen doen dit niet naar de buitenzijde van het voertuig. Visuele controle. Indien lichtarmaturen aanwezig zijn die niet zijn voorgeschreven dan wel toegestaan, mogen de lichten hiervan niet werken.
2. Bromfietsen mogen niet zijn voorzien van lichtarmaturen voor blauwe zwaai-, flits- of knipperlichten. Visuele controle.

§ 3. Motor, brandstofsystemen en milieu

Artikel 5.6.66
Eisen Wijze van keuren
1. Indien de bromfiets is voorzien van een inrichting tot het koppelen van een aanhangwagen, moet deze inrichting deugdelijk zijn bevestigd en mag deze niet zijn gescheurd, gebroken of vervormd of in ernstige mate door corrosie zijn aangetast. Visuele controle.
2. Indien de inrichting, bedoeld in het eerste lid, is voorzien van een koppelingskogel, moet de diameter van de kogel ten minste 49,0 mm bedragen. Het bolvormige gedeelte wordt gemeten met een geschikt meetmiddel.

§ 11. Verbinding tussen driewielig motorrijtuig en aanhangwagen

Artikel 5.6.71
Eisen Wijze van keuren
1. Bromfietsen moeten zijn voorzien van een goed werkende bel of van een goed werkende hoorn met vaste toonhoogte. Visuele en auditieve controle, waarbij de hoorn dan wel bel in werking wordt gesteld.
2. Bromfietsen mogen zijn voorzien van een geluidssignaalinrichting die er toe strekt ongeoorloofd gebruik of diefstal van de bromfiets of de zijspanwagen te voorkomen. Leden 2 tot en met 4: visuele en auditieve controle.
3. Hybride elektrische of elektrische bromfietsen mogen zijn voorzien van een akoestisch voertuigwaarschuwingssysteem dat werkt tot het voertuig een snelheid van 25 km/h heeft bereikt.
4. Bromfietsen mogen niet zijn voorzien van andere geluidssignaalinrichtingen dan bedoeld in het eerste tot en met derde lid.

Afdeling 7. Motorrijtuigen met beperkte snelheid

Artikel 5.7.0
1.

Een motorrijtuig met beperkte snelheid moet voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren, waarbij in voorkomend geval bijlage VIII van toepassing is.

2.

Deze afdeling is van overeenkomstige toepassing op een mobiele machine die in gebruik is genomen vóór 1 januari 2021.

§ 2. Afmetingen en massa’s

Artikel 5.7.1
Eisen Wijze van keuren
1. Het geregistreerde motorrijtuig met beperkte snelheid moet in overeenstemming zijn met de op de voor het voertuig afgegeven kentekencard en in het kentekenregister omtrent het voertuig vermelde gegevens. Leden 1 tot en met 3: visuele controle
2. Het geregistreerde motorrijtuig met beperkte snelheid moet aan de achterzijde zijn voorzien van de juiste kentekenplaat.
3. De kentekenplaat moet zijn voorzien van het in artikel 5 van het Kentekenreglement voorgeschreven goedkeuringsmerk en moeten deugdelijk zijn bevestigd.
4. De kentekenplaat mag niet zijn afgeschermd en het kenteken moet goed leesbaar zijn. Visuele controle, waarbij de letters en cijfers volledig zichtbaar moeten zijn indien de waarnemer op een afstand van 20,00 m vóór dan wel achter het midden van het motorrijtuig met beperkte snelheid staat.
5. Het voertuigidentificatienummer moet in het chassis, frame of soortgelijke dragende structuur zijn ingeslagen en goed leesbaar zijn. Visuele controle.
6. Het eerste tot en met het vierde lid zijn niet van toepassing op motorrijtuigen met beperkte snelheid als bedoeld in artikel 1b van het Kentekenreglement.
7. Het eerste tot en met het vierde lid zijn tot 1 januari 2025 niet van toepassing op motorrijtuigen met beperkte snelheid waarop ingevolge artikel III van de Wet van 20 mei 2020 tot wijziging van de Wegenverkeerswet 1994 in verband met de implementatie van richtlijn 2014/45/EU alsmede ter invoering van een registratie- en kentekenplicht voor landbouw- en bosbouwtrekkers, motorrijtuigen met beperkte snelheid, mobiele machines en aanhangwagens die uitsluitend bestemd zijn om daardoor te worden voortbewogen en het niet meer toelaten tot het verkeer van nieuwe motorrijtuigen met beperkte snelheid (Stb. 2020, 167) geen kenteken behoorlijk zichtbaar aanwezig hoeft te zijn.

§ 3. Motor, brandstofsystemen en milieu

Artikel 5.7.3
Eisen Wijze van keuren
De langs- en dwarsliggers en chassisversterkingsdelen van het chassisraam, dan wel de daarvoor in de plaats tredende delen van de mee- of zelfdragende carrosserie van motorrijtuigen met beperkte snelheid mogen: Visuele controle.
a. geen breuken of scheuren vertonen, en
b. niet zodanig zijn bevestigd, vervormd of door corrosie aangetast, dat de stijfheid en de sterkte van het chassisraam of van de mee- of zelfdragende carrosserie in gevaar worden gebracht.
Artikel 5.7.4
Eisen Wijze van keuren
1. De bovenbouw van motorrijtuigen met beperkte snelheid moet deugdelijk op het onderstel zijn bevestigd. Leden 1 en 2: visuele controle.
2. De ondersteuning van de laadvloer onderscheidenlijk laadruimte moet deugdelijk zijn.

§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig

Artikel 5.7.6
Eisen Wijze van keuren
1. Motorrijtuigen met beperkte snelheid mogen: a. niet langer zijn dan 12,00 m; b. niet breder zijn dan 3,00 m; en c. niet hoger zijn dan 4,00 m. Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten, waarbij artikel 5.1a.1 van toepassing is.
2. In de afmetingen, bedoeld in het eerste lid, zijn afneembare bovenbouwen en gestandaardiseerde laadstructuren, zoals containers, begrepen. --
3. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid mogen motorrijtuigen met beperkte snelheid die zijn ingericht voor het uitvoeren van in hoofdzaak andere werkzaamheden dan het vervoer van goederen of personen niet langer zijn dan 20,00 m.
Artikel 5.7.7
Eisen Wijze van keuren
1. De last onder de assen van motorrijtuigen met beperkte snelheid mag niet meer bedragen dan de voor het betrokken voertuig in het kentekenregister of op de constructieplaat vermelde technisch toegestane maximum aslasten, met dien verstande dat het draagvermogen van de gemonteerde banden niet mag worden overschreden. Leden 1 en 2: in geval van twijfel wordt het voertuig gewogen.
2. De totale massa of de som van de aslasten van motorrijtuigen met beperkte snelheid mag niet meer bedragen dan de voor het betrokken voertuig in het kentekenregister of op de constructieplaat vermelde toegestane maximummassa, met dien verstande dat het draagvermogen van de gemonteerde banden niet mag worden overschreden.

§ 2. Afmetingen en massa’s

Artikel 5.7.8
Eisen Wijze van keuren
1. Motorrijtuigen met beperkte snelheid moeten bij voortduring aan de in artikel 1.1 met betrekking tot motorrijtuigen met beperkte snelheid vermelde maximumconstructiesnelheid, vermeerderd met 5 km/h, voldoen. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 29a, van toepassing. In geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd.
2. Motorrijtuigen met beperkte snelheid mogen niet zijn voorzien van een voorziening met het kennelijke doel de controle op de maximumconstructiesnelheid, bedoeld in het eerste lid, te bemoeilijken of te beïnvloeden. Visuele controle, waarbij eventuele aanwezige voorzieningen worden bediend of ingeschakeld.
Artikel 5.7.9
Eisen Wijze van keuren
1. Alle onderdelen van brandstofsystemen van motorrijtuigen met beperkte snelheid moeten veilig zijn en deugdelijk zijn bevestigd. Visuele controle.
2. Brandstofsystemen mogen geen lekkage vertonen. Visuele controle. Een installatie voor een al dan niet tot vloeistof verdicht gas wordt gecontroleerd met behulp van apparatuur dat lekkage vaststelt, waarbij het contact moet zijn ingeschakeld.
3. De vulopening van een brandstofreservoir moet zijn afgesloten met een passende tankdop. Visuele controle.
Artikel 5.7.11
Eisen Wijze van keuren
1. Motorrijtuigen met beperkte snelheid met een verbrandingsmotor moeten zijn voorzien van een uitlaatsysteem dat over de gehele lengte gasdicht is, met uitzondering van de afwateringsgaatjes. Visuele en auditieve controle.
2. Het uitlaatsysteem moet deugdelijk zijn bevestigd. Visuele controle.
3. Het uitlaatsysteem moet behoorlijk geluiddempend zijn. Visuele en auditieve controle.
Artikel 5.7.12
Eisen Wijze van keuren
1. De accu van motorrijtuigen met beperkte snelheid moet deugdelijk zijn bevestigd. Leden 1 en 2: visuele controle.
2. De elektrische bedrading van motorrijtuigen met beperkte snelheid moet deugdelijk zijn bevestigd en goed zijn geïsoleerd.
Artikel 5.7.13
Eisen Wijze van keuren
1. De motorsteunen van motorrijtuigen met beperkte snelheid moeten deugdelijk aan het chassis dan wel aan de carrosserie alsmede aan de motor zijn bevestigd. Leden 1 en 2: visuele controle.
2. De motorsteunen mogen niet in ernstige mate zijn beschadigd, de rubbers mogen niet zijn doorgescheurd en de vulkanisatie mag niet geheel zijn losgeraakt.

§ 5. Assen

Artikel 5.7.14
Eisen Wijze van keuren
Motorrijtuigen met beperkte snelheid met een massa in rijklare toestand van meer dan 400 kg moeten zijn voorzien van een inrichting om achteruit te rijden. Visuele controle.
Artikel 5.7.16
Eisen Wijze van keuren
1. De aandrijving van motorrijtuigen met beperkte snelheid en de bevestiging daarvan moeten deugdelijk zijn. Visuele controle. Een volledig doorgescheurde flexibele koppeling is toegestaan, mits de aandrijfas op zijn plaats blijft.
2. Stofhoezen van aandrijfassen moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten. Visuele controle.

§ 2. Afmetingen en massa’s

Artikel 5.7.18
Eisen Wijze van keuren
1. De assen van motorrijtuigen met beperkte snelheid moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd en mogen geen breuken of scheuren vertonen. Leden 1 tot en met 4: visuele controle.
2. De assen mogen niet zodanig zijn vervormd dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht.
3. De assen mogen niet zodanig zijn bevestigd, beschadigd of vervormd dat het weggedrag nadelig wordt beïnvloed.
4. De assen mogen niet zodanig door corrosie zijn aangetast, dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht. Hieraan wordt voor wat betreft wielgeleidingselementen voldaan, indien deze niet zijn doorgeroest. Indien een wielgeleidingselement is doorgeroest, mag deze niet zijn gerepareerd.
Artikel 5.7.19
Eisen Wijze van keuren
1. De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels van motorrijtuigen met beperkte snelheid moeten deugdelijk zijn bevestigd. Leden 1 tot en met 3: visuele controle.
2. Stofhoezen van fuseekogels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten.
3. De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels alsmede de overige draaipunten van een volledig onafhankelijke wielophanging mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 46, 47 en 48, van toepassing.
4. Indien een gedeelte van de binnenkant van het fuseekogelhuis en van de fuseekogel zichtbaar is doordat de hoes is beschadigd of ontbreekt, mag dit gedeelte geen corrosie vertonen. Indien de hoes is beschadigd of ontbreekt, vindt visuele controle plaats.
Artikel 5.7.20
Eisen Wijze van keuren
1. De wiellagers mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 49, van toepassing. Visuele controle. De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel.
2. Verschijnselen van slijtage of beschadiging mogen niet hoorbaar of voelbaar zijn. Visuele en auditieve controle, waarbij het wiel wordt rondgedraaid, al dan niet met behulp van apparatuur.
Artikel 5.7.24
Eisen Wijze van keuren
1. De wielen onderscheidenlijk velgen van motorrijtuigen met beperkte snelheid mogen geen breuken, scheuren, ondeugdelijk laswerk, ernstige corrosie of ernstige vervorming vertonen. Leden 1 en 2: visuele controle.
2. De wielen onderscheidenlijk velgen moeten met alle daarvoor bestemde bevestigingsmiddelen deugdelijk zijn bevestigd.
Artikel 5.7.25
Eisen Wijze van keuren
De wielnaven van motorrijtuigen met beperkte snelheid moeten met alle daarvoor bestemde bevestigingsmiddelen deugdelijk zijn bevestigd. Visuele controle.
Artikel 5.7.26
Eisen Wijze van keuren
Stabilisatoren moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen geen breuken of scheuren vertonen. Visuele controle.

§ 8. Reminrichting

Artikel 5.7.27
Eisen Wijze van keuren
1. Motorrijtuigen met beperkte snelheid moeten zijn voorzien van banden of rupsbanden, waarvan het loopvlak niet bestaat uit metaal of een materiaal dat voor wat betreft hardheid en vervormbaarheid dezelfde eigenschappen heeft. Visuele controle.
2. Het bepaalde in het eerste lid inzake het loopvlak is niet van toepassing op motorrijtuigen met beperkte snelheid ingericht voor het uitvoeren van in hoofdzaak andere werkzaamheden dan het vervoer van personen of goederen.
3. De luchtbanden mogen geen beschadigingen vertonen waarbij het karkas zichtbaar is. Visuele controle, waarbij het wiel wordt rondgedraaid.
4. De luchtbanden mogen geen uitstulpingen vertonen. Leden 4 en 5: visuele controle.
5. Het loopvlak van de banden mag geen metalen elementen bevatten die tijdens het rijden daarbuiten kunnen uitsteken.
6. De profilering van de hoofdgroeven van de banden van motorrijtuigen met beperkte snelheid moet over de gehele omtrek van het loopvlak ten minste 1,6 mm bedragen, met uitzondering van de slijtage-indicatoren. Visuele controle, waarbij het wiel wordt rondgedraaid. In geval van twijfel wordt de profieldiepte gemeten met een profieldieptemeter. De minimale profieldiepte wordt gemeten in de brede groeven waarin door de fabrikant de maximale diepte is bepaald, alsmede in de groeven waarin een slijtage-indicator aanwezig is.
Artikel 5.7.28
Eisen Wijze van keuren
1. Indien het motorrijtuig met beperkte snelheid is voorzien van een veersysteem, moet dit systeem goed werken. Leden 1 en 2: visuele controle.
2. De onderdelen van het veersysteem mogen geen breuken, ernstige lekkage of scheuren vertonen, mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast en moeten deugdelijk zijn bevestigd. Hieraan wordt voor wat betreft veerschotels voldaan, indien deze niet zijn doorgeroest. Indien een veerschotel is doorgeroest, mag deze niet zijn gerepareerd. Bij luchtveerbalgen mogen de koordlagen zichtbaar zijn, maar niet beschadigd.

§ 6. Ophanging

Artikel 5.7.29
Eisen Wijze van keuren
1. Motorrijtuigen met beperkte snelheid moeten zijn voorzien van een deugdelijke stuurinrichting. Leden 1 tot en met 3: visuele controle.
2. De bestuurde wielen van motorrijtuigen met beperkte snelheid moeten goed reageren op de draaiing van het stuurwiel.
3. De stuurinrichting mag niet zijn voorzien van een elektrische overbrenging dan wel een uitsluitend pneumatische overbrenging.
4. Bij draaiing van het stuurwiel tot aan de aanslagen mogen geen weerstanden voelbaar zijn en moeten de wielen onderscheidenlijk de banden vrij kunnen draaien. Visuele controle, waarbij de stuurbekrachtiging buiten werking is gesteld. De bestuurde wielen worden naar de uiterste linker- en rechterstuurstand bewogen waarbij de bestuurde wielen gedeeltelijk mogen worden ontlast.
5. De voor de overbrenging van de stuurbeweging bestemde onderdelen moeten deugdelijk zijn bevestigd met alle daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen, mogen geen breuken of scheuren vertonen, mogen niet zijn vervormd en mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast. Visuele controle., Het stuurwiel wordt met krachtige korte bewegingen naar links en naar rechts gedraaid, waarbij de massa van motorrijtuigen met beperkte snelheid op de wielen rust.
6. Koppelingen moeten een zichtbaar spelingsvrije overbrenging kunnen bewerkstelligen. Leden 6 en 7: visuele controle.
7. Flexibele koppelingen mogen niet in ernstige mate zijn gescheurd.
8. De verbindingen in het stangenstelsel mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 52, van toepassing. Visuele controle. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel.
9. De stuurbekrachtiger moet goed functioneren. Voor de controle van de stuurbekrachtiger wordt bij uitgeschakelde motor het stuurwiel naar links en rechts bewogen. Vervolgens wordt met draaiende motor het stuurwiel opnieuw naar links en rechts bewogen, hierbij moet de werking van de stuurbekrachtiger voelbaar zijn.
10. Slangen ten behoeve van de stuurbekrachtiger mogen geen beschadigingen vertonen waarbij het wapeningsmateriaal zichtbaar is en mogen geen bewegende delen raken. Leden 10 en 11: visuele controle.
11. Stofhoezen van het stuurhuis en de stuurkogels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten.

§ 11. Verbinding tussen bromfiets en aanhangwagen

Artikel 5.7.31
Eisen Wijze van keuren
1. Motorrijtuigen met beperkte snelheid moeten zijn voorzien van een goedwerkende reminrichting waarvan de: a. onderdelen deugdelijk zijn bevestigd met de daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen; – Onderdelen a tot en met c: visuele controle. – Onderdeel d: visuele of auditieve controle. Bij twijfel wordt het remsysteem onder druk gezet. – Onderdeel e: visuele controle.
b. onderdelen niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast;
c. onderdelen niet zijn beschadigd, gescheurd of gebroken;
d. onderdelen geen inwendige of uitwendige lekkage vertonen;
e. remschijven geen dusdanige slijtage vertonen dat er kans op breuk ontstaat.
2. De rembekrachtiger moet goed functioneren. Voor de controle van de vacuümrembekrachtiger wordt bij uitgeschakelde motor allereerst de vacuümvoorraad opgebruikt door het rempedaal meerdere malen in te trappen. Vervolgens wordt met ingetrapt rempedaal de motor gestart waarna door de opbouw van het vacuüm het pedaal verder moet wegzakken.
3. Het oppervlak van het rempedaal moet stroef zijn. Visuele controle.
4. Remslangen mogen: – Onderdeel a: visuele controle.
a. niet in ernstige mate zijn misvormd; b. niet langs andere voertuigdelen schuren, en – Onderdeel b: visuele controle. De bestuurde wielen worden naar de uiterste linker- en rechterstuurstand gebracht.
c. geen zodanige beschadigingen vertonen dat het wapeningsmateriaal zichtbaar is. De slangen die aan de buitenzijde van een metalen wapening zijn voorzien, mogen geen beschadiging vertonen. – Onderdeel c: visuele controle.
5. De remtrommel of remschijf mag tijdens het remmen niet worden geraakt door delen die zijn bestemd als drager of bevestigingsmiddel van de remvoering. Leden 5 en 6: visuele controle.
6. De noodzakelijke bewegingsvrijheid van de remonderdelen mag niet worden beperkt.
7. In de reservoirs van het hydraulisch remsysteem moet voldoende remvloeistof aanwezig zijn. Visuele controle, waarbij het remvloeistofniveau zich niet onder de minimumaanduiding mag bevinden.
8. De onderdelen van een antiblokkeersysteem: a. moeten deugdelijk zijn bevestigd met de daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen; b. mogen niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast; c. mogen niet zijn beschadig, gescheurd, gebroken, en d. mogen geen lekkage vertonen. Visuele controle.
9. De waarschuwingsinrichting van het antiblokkeersysteem mag geen defect aangeven. Visuele en auditieve controle. Wanneer na het starten van de motor een optisch of akoestisch waarschuwingssignaal wordt afgegeven dat het systeem niet goed functioneert, wordt ervan uitgegaan dat niet aan deze eis is voldaan. In geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd.
Artikel 5.7.38
Eisen Wijze van keuren
1. Motorrijtuigen met beperkte snelheid moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem die ten minste op één as werkt. Visuele controle.
2. Motorrijtuigen met beperkte snelheid met een maximumconstructiesnelheid van niet meer dan 30 km/h moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem, waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 2,4 m/s2 bedraagt. Bij controle van de remvertraging is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2, van overeenkomstige toepassing. Leden 2 tot en met 4: in geval van twijfel wordt een remproef uitgevoerd.
3. Motorrijtuigen met beperkte snelheid met een maximumconstructiesnelheid van meer dan 30 km/h moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem, waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 3,1 m/s2 bedraagt. Bij controle van de remvertraging is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2, van overeenkomstige toepassing.
4. Het voertuig mag door het remmen geen zijwaartse beweging maken, tenzij dit ten behoeve van sturen bedoeld is.
Artikel 5.7.39
Eisen Wijze van keuren
Van motorrijtuigen met beperkte snelheid moet één van de remmen in aangezette toestand kunnen worden vastgezet, tenzij een afzonderlijke vastzetinrichting aanwezig is. Visuele controle.

§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen

Artikel 5.7.41

Vervallen

Artikel 5.7.42
Eisen Wijze van keuren
Voor- en zijruiten van motorrijtuigen met beperkte snelheid mogen: a. geen beschadigingen of verkleuringen vertonen, en b. niet zijn voorzien van onnodige voorwerpen die het uitzicht van de bestuurder belemmeren. Visuele controle.
Artikel 5.7.43
Eisen Wijze van keuren
Motorrijtuigen met beperkte snelheid met een voorruit, moeten zijn voorzien van een goed werkende ruitenwisserinstallatie die de bestuurder voldoende uitzicht geeft. De installatie mag niet door handkracht worden aangedreven. Visuele controle. Indien bij het in werking stellen van de installatie ten minste één stand, niet zijnde een intervalstand, werkt, blijft verdere controle achterwege.
Artikel 5.7.45
Eisen Wijze van keuren
1. Motorrijtuigen met beperkte snelheid moeten zijn voorzien van een linkerbuitenspiegel waarmee de bestuurder ten minste een vlak weggedeelte van 10 m achter het voertuig, gemeten vanaf de spiegel tot aan de horizon, kan overzien, welk gedeelte een breedte heeft van 2,50 m en is gelegen links van het aan de lengte-as van het voertuig evenwijdig liggende verticale vlak door het meest links gelegen punt van de totale breedte van het voertuig of van de daardoor voortbewogen aanhangwagen. Leden 1 en 2: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten.
2. Motorrijtuigen met beperkte snelheid met een gesloten carrosserie moeten zijn voorzien van een rechterbuitenspiegel waarmee de bestuurder ten minste een vlak weggedeelte van 30 m achter het voertuig, gemeten vanaf de spiegel tot aan de horizon, kan overzien, welk gedeelte een breedte heeft van 3,50 m en is gelegen rechts van het aan de lengte-as van het voertuig evenwijdig liggende verticale vlak door het meest rechts gelegen punt van de totale breedte van het voertuig of van de daardoor voortbewogen aanhangwagen.
3. Motorrijtuigen met beperkte snelheid met een lengte van meer dan 6 m die zijn voorzien van een gesloten carrosserie en die zijn ingericht voor het vervoer van goederen, moeten zijn voorzien van een trottoirspiegel waarmee de bestuurder het wegdek naast de cabine aan de rechterzijde kan overzien. Leden 3 tot en met 6: visuele controle.
4. De trottoirspiegel moet zodanig zijn aangebracht dat geen punt van de spiegel of van de steun waarop deze is gemonteerd, zich op een hoogte van minder dan 2,00 m boven het wegdek bevindt. Indien de hoogte van de cabine zodanig is dat niet aan dit voorschrift kan worden voldaan, mag het voertuig niet van een trottoirspiegel zijn voorzien.
5. De spiegels moeten deugdelijk zijn bevestigd.
6. Het spiegelglas van de verplichte spiegels mag geen verschijnselen van breuk vertonen en mag niet in ernstige mate zijn verweerd.
7. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op motorrijtuigen met beperkte snelheid met een maximumconstructiesnelheid van ten hoogste 25 km/h waarbij de bestuurder de vereiste gezichtsvelden kan verkrijgen door direct zicht. Visuele controle, door een persoon van gemiddeld gestalte die op gebruikelijke wijze zit of staat, waarbij een aanwezige zitplaats in de juiste rijstand is afgesteld. Hierbij mag het hoofd en bovenlichaam bewogen worden. In geval van twijfel wordt gemeten of de gezichtsvelden, bedoeld in bijlage VIII, artikelen 136a en 137a, behaald worden.
Artikel 5.7.46
Eisen Wijze van keuren
De zitplaatsen van motorrijtuigen met beperkte snelheid moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. De verstelinrichtingen van de zitplaatsen moeten goed kunnen worden vergrendeld. Visuele controle.
Artikel 5.7.47
Eisen Wijze van keuren
Indien een motorrijtuig met beperkte snelheid is voorzien van gordels, moeten deze: a. deugdelijk zijn bevestigd en mogen deze niet zijn beschadigd. Het pluizen van de gordel wordt niet gezien als een beschadiging; en b. zijn voorzien van een goed werkende sluiting en blokkering. Oprolmechanismen moeten zodanig functioneren dat de gordel aanligt na het omdoen ervan. – Onderdeel a: visuele controle, waarbij een eventuele rolgordel volledig wordt uitgetrokken. – Onderdeel b: visuele controle. Hierbij wordt de gordel in de sluiting gebracht. Indien de gordel is voorzien van een oprolmechanisme, wordt de gordel omgedaan. De blokkering wordt gecontroleerd door te trekken aan de gordel. Indien dit geen uitsluitsel biedt, moet tijdens een remproef op de weg het blokkeren van de gordel worden gecontroleerd.
Artikel 5.7.48
1. Scherpe of uitstekende delen aan de voor- en achterzijde van motorrijtuigen met beperkte snelheid die in geval van botsing het gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers aanzienlijk kunnen vergroten, moeten zijn afgeschermd. Visuele controle.
2. Scherpe of uitstekende delen aan de zijkanten van motorrijtuigen met beperkte snelheid die in geval van botsing het gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers aanzienlijk kunnen vergroten, moeten zijn afgeschermd. Visuele controle, waarbij het beoordelingsgebied is gelegen aan beide zijkanten en wordt begrensd door de buitenrand van het voertuig uitgezonderd de delen die gelegen zijn op meer dan 80 mm vanaf de buitenrand van het voertuig in de richting van het middenlangsvlak. De buitenrand van het voertuig is de zijrand van het voertuig die met een verticale lijn met een lengte van 2 m, haaks op het middenlangsvlak van het voertuig, als eerste wordt geraakt. De bolling van de banden boven het wegdek wordt daarbij buiten beschouwing gelaten. Voor de buitenrand van het beoordelingsgebied van het voertuig die in de lengterichting achter de grootste breedte is gelegen wordt de grootste breedte van het voertuig gehanteerd. De bolling van de banden boven het wegdek wordt daarbij buiten beschouwing gelaten.
De delen van het voertuig gelegen achter de grootste breedte van het voertuig en die een snij- of prikfunctie hebben en direct raakbaar zijn met de verticale 2 m lijn moeten zijn afgeschermd, ook als die zijn gelegen buiten het beoordelingsgebied.
3. Onverminderd het tweede lid mag het buitenoppervlak aan elke zijkant van het motorrijtuig met beperkte snelheid geen naar buiten gerichte delen bevatten waaraan andere weggebruikers kunnen blijven haken. Leden 3 en 4: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten.
4. Het eerste tot en met derde lid zijn niet van toepassing op voertuigdelen die zich hoger dan 2,00 m boven het wegdek bevinden.
5. Het tweede en derde lid zijn niet van toepassing op: a. buitenachteruitkijkspiegels, met inbegrip van de steunen ervan; b. rupskettingen en delen van een rupsband of -ketting die zich bevinden in het door de buitenste rand van de rupsband; c. wielen en wielafschermingen die zich bevinden in het door de buitenzijkant van de banden gevormde verticale vlak; d. opstappen en treden, met inbegrip van de steunen ervan; e. mechanische, elektrische, pneumatische of hydraulische verbindingen, met inbegrip van de steunen ervan; f. scharnierstructuren op inklapbare kantelbeveiligingsinrichtingen; g. bandenspanningsmeters en inrichtingen of leidingen om de banden op te pompen of leeg te laten lopen; h. antislipinrichtingen op de wielen; i. delen, niet zijnde direct raakbare delen met een snij- of prikfunctie, die zijn gemarkeerd met een breedtemarkering die voldoet aan de in bijlage VIII, artikelen 132 en 133, gestelde eisen; en j. zijrichtingaanwijzers, markeringslichten, stads- en achterlichten, parkeerlichten, retroreflectoren, markeringen van de breedte aan de voor- en achterzijde van het voertuig en de rode reflector in de vorm van een afgeknotte driehoek.
6. Geen deel van de buitenzijde van het motorrijtuig met beperkte snelheid mag zodanig zijn bevestigd, beschadigd, versleten of door corrosie zijn aangetast, dat gevaar bestaat voor losraken. Visuele controle.

§ 13. Eisen met betrekking tot bromfietsen die door de minister op grond van artikel 20b van de wet zijn aangewezen

Artikel 5.7.51
Eisen Wijze van keuren
1. Motorrijtuigen met beperkte snelheid moeten zijn voorzien van: – Onderdelen a tot en met f: visuele controle. – Onderdeel g: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. – Onderdeel h: visuele controle.
a. twee dimlichten;
b. twee stadslichten;
c. twee richtingaanwijzers aan de voorzijde en twee richtingaanwijzers aan de achterzijde van het voertuig, alsmede waarschuwingsknipperlichten;
d. twee achterlichten;
e. twee remlichten;
f. twee rode retroreflectoren aan de achterzijde van het voertuig;
g. ambergele retroreflectoren aan elke zijkant van het voertuig indien het voertuig langer is dan 6,00 m, de achterste retroreflector aan de zijkant mag rood zijn;
h. één rode retroreflector aan de achterzijde van het voertuig, in de vorm van een afgeknotte driehoek die is voorzien van een goedkeuringsmerk waarbij het bepaalde in bijlage VIII, artikel 123, van toepassing is, indien het voertuig niet is voorzien van een kentekenplaat;
i. één of meer gele zwaai-, flits- of knipperlichten, indien het voertuig breder is dan 2,60 m, waarbij wordt voldaan aan de eisen die zijn vastgesteld krachtens artikel 30, tweede lid, van het RVV 1990.
2. Het bepaalde in het eerste lid, onderdeel e, is niet van toepassing op motorrijtuigen met beperkte snelheid die hydrostatisch worden aangedreven en waarbij de hydrostatische aandrijving tevens dienst doet als reminrichting. Visuele controle.
Artikel 5.7.53
Eisen Wijze van keuren
1. De dimlichten en de stadslichten mogen niet anders dan wit of geel stralen. Leden 1 tot en met 4: visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld.
2. De richtingaanwijzers en zijrichtingaanwijzers, alsmede de waarschuwingsknipperlichten, mogen naar voren niet anders dan ambergeel of wit en naar achteren niet anders dan ambergeel of rood stralen. Zijrichtingaanwijzers mogen naar de zijkant niet anders dan ambergeel uitstralen.
3. De achterlichten mogen niet anders dan rood stralen.
4. De remlichten mogen niet anders dan rood of ambergeel stralen.
Artikel 5.7.54

Vervallen

Artikel 5.7.55
Eisen Wijze van keuren
1. De in artikel 5.7.51 bedoelde lichten moeten goed werken. Indien een licht wordt gevormd door meerdere lichtbronnen, mag door defecte lichtbronnen het oorspronkelijk lichtoppervlak met niet meer dan 25% afnemen. Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. De schakelaar moet automatisch in de ingeschakelde stand blijven staan.
2. De lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. Leden 2 tot en met 4: visuele controle.
3. De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zijn verwijderd.
4. De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 128, van toepassing.
5. Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld.
6. De in artikel 5.7.51 bedoelde lichten en retroreflectoren mogen, voor zover het het lichtdoorlatend gedeelte betreft, ten hoogste 25% zijn afgeschermd. Leden 6 en 7: visuele controle.
7. De retroreflectoren mogen geen gebreken vertonen die de retroreflectie beïnvloeden.
8. De elektrische schakeling van de dimlichten en de stadslichten moet zodanig zijn uitgevoerd dat de dimlichten en de extra dimlichten dan wel de stadslichten en de extra stadslichten niet tegelijk kunnen zijn ingeschakeld. Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld.
Artikel 5.7.56
Eisen Wijze van keuren
De dimlichten moeten goed zijn afgesteld, waarbij het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 113 en 114, van toepassing is.
Artikel 5.7.57
Eisen Wijze van keuren
1. Motorrijtuigen met beperkte snelheid mogen zijn voorzien van: – Onderdelen a tot en met h: visuele controle.
a. meerdere grote lichten, tegelijkertijd mogen niet meer dan vier grote lichten werken; – Onderdeel i: visuele controle, in geval van twijfel wordt gemeten. – Onderdelen j tot en met u: visuele controle.
b. twee extra dimlichten;
c. twee extra stadslichten;
d. twee mistvoorlichten;
e. één of twee mistachterlichten;
f. twee of vier parkeerlichten;
g. één zijrichtingaanwijzer aan elke zijkant van het voertuig;
h. twee witte retroreflectoren aan de voorzijde van het voertuig;
i. ambergele retroreflectoren aan de zijkanten van het voertuig, indien het voertuig niet langer is dan 6,00 m; de achterste retroreflector aan de zijkant mag rood zijn;
j. één of twee achteruitrijlichten;
k. twee of vier markeringslichten aan de voorzijde en twee of vier markeringslichten aan de achterzijde van het voertuig;
l. staaklichten;
m. zijmarkeringslichten;
n. twee extra richtingaanwijzers en waarschuwingsknipperlichten aan de voor- en achterzijde van het voertuig;
o. werklichten;
p. twee extra remlichten of één derde remlicht;
q. twee dagrijlichten;
r. bochtverlichting;
s. hoeklichten;
t. achterkentekenplaatverlichting;
u. markering van de breedte aan de voor- en achterzijde van het voertuig, indien deze markering niet reeds ingevolge artikel 5.18.22, tweede lid, verplicht is;
v. één rode retroreflector aan de achterzijde van het voertuig, in de vorm van een afgeknotte driehoek die voorzien is van een goedkeuringsmerk waarbij het bepaalde in bijlage VIII, artikel 123, van toepassing is, indien deze retroreflector niet reeds op grond van artikel 5.7.51, eerste lid, aanhef en onderdeel h, verplicht is;
w. verlichting die tijdens werkzaamheden op het wegdek een projectie maakt ter waarschuwing van andere verkeersdeelnemers.
2. Motorrijtuigen met beperkte snelheid mogen zijn voorzien van extra witte retroreflecterende voorzieningen aan de voorzijde, extra rode aan de achterzijde en extra ambergele aan de zijkanten van het voertuig. Leden 2 en 3: visuele controle.
3. Motorrijtuigen met beperkte snelheid mogen zijn voorzien van een ambergele of witte opvallende markering aan de zijkant van het voertuig of van een ambergele of rode opvallende markering aan de achterkant van het voertuig.
Artikel 5.7.59
Eisen Wijze van keuren
1. De grote lichten, het dimlicht, de mistvoorlichten en de achteruitrijlichten mogen niet anders dan wit of geel stralen. Leden 1 tot en met 9: visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld.
2. De mistachterlichten mogen niet anders dan rood stralen.
3. De parkeerlichten mogen naar voren niet anders dan wit en naar achteren niet anders dan rood stralen. Indien de parkeerlichten zijn samengebouwd met de richtingaanwijzers, mogen zij ambergeel stralen.
4. De extra richtingaanwijzers en extra waarschuwingsknipperlichten, alsmede de zijrichtingaanwijzers, mogen naar voren niet anders dan ambergeel of wit en naar achteren niet anders dan ambergeel of rood stralen.
5. De zijmarkeringslichten mogen niet anders dan ambergeel stralen, met uitzondering van het achterste zijmarkeringslicht, dat ambergeel dan wel rood mag stralen.
6. De markeringslichten en staaklichten mogen naar voren niet anders dan wit en naar achteren niet anders dan rood stralen.
7. De dagrijlichten, hoeklichten en bochtlichten mogen niet anders dan wit stralen.
8. Het derde remlicht mag niet anders dan rood stralen.
9. De achterkentekenplaatverlichting mag niet anders dan wit stralen en mag niet naar achteren stralen.
Artikel 5.7.59a
Eisen Wijze van keuren
1. De in artikel 5.7.57 bedoelde lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. Leden 1 tot en met 3: visuele controle.
2. De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zijn verwijderd.
3. De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 128, van toepassing.
4. Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld.
Artikel 5.7.60

Vervallen

Artikel 5.7.62
Eisen Wijze van keuren
Het ingeschakeld zijn van het mistachterlicht of de mistachterlichten moet door middel van een optisch signaal aan de bestuurder kenbaar worden gemaakt. Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld.
Artikel 5.7.64
Eisen Wijze van keuren
1. Motorrijtuigen met beperkte snelheid mogen, met uitzondering van grote lichten, niet zijn voorzien van verblindende lichten. Leden 1 tot en met 3: visuele controle.
2. Motorrijtuigen met beperkte snelheid mogen, met uitzondering van de richtingaanwijzers en de waarschuwingsknipperlichten, niet zijn voorzien van knipperende lichten.
3. In afwijking van het tweede lid, mogen de zijmarkeringslichten van motorrijtuigen met beperkte snelheid synchroon met de richtingaanwijzers aan dezelfde kant van het voertuig knipperen.
Artikel 5.7.65

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)