Besluit van 3 juli 2018, houdende regels over activiteiten in de fysieke leefomgeving (Besluit activiteiten leefomgeving)

Type AMvB
Publication 2026-07-11
Laatst bijgewerkt 2026-07-14
State In force
Source BWB
artikelen 3321
Wijzigingsgeschiedenis JSON API
1.

De regels in deze paragraaf die zijn gesteld met het oog op de bescherming van de veiligheid en gezondheid van de in de Seveso-inrichting werkzame werknemers, zijn van overeenkomstige toepassing op:

  • a. de werkgever;
  • b. de werkgever die zelf arbeid verricht in de Seveso-inrichting en de zelfstandige; en
  • c. degene die de controle heeft over de Seveso-inrichting.
2.

Om naleving van die regels te waarborgen, werken de in het eerste lid genoemde personen samen met degene die de activiteit verricht.

Artikel 4.5. (gegevens en bescheiden: als deze paragraaf van toepassing wordt)
1.

Binnen een jaar nadat deze paragraaf van toepassing is geworden op een Seveso-inrichting, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2:

  • a. de naam en functie van de met de leiding van de Seveso-inrichting belaste persoon, als dat een ander is dan degene die de activiteit verricht;
  • b. de gegevens die nodig zijn om de gevaarlijke stoffen en de categorie van gevaarlijke stoffen te identificeren die in de Seveso-inrichting aanwezig zijn of kunnen zijn;
  • c. een lijst met de hoeveelheden, aard en fysische vormen van de gevaarlijke stoffen die aanwezig zijn of kunnen zijn in de Seveso-inrichting;
  • d. de activiteiten die in de Seveso-inrichting worden verricht;
  • e. informatie over de directe omgeving van de Seveso-inrichting en de factoren die een zwaar ongeval kunnen veroorzaken of de gevolgen ervan ernstiger kunnen maken, met gegevens over inrichtingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Seveso-richtlijn, milieubelastende activiteiten waarop deze paragraaf niet van toepassing is en gebieden en ontwikkelingen die de bron kunnen zijn van of het risico of de gevolgen van een zwaar ongeval kunnen vergroten; en
2.

Het eerste lid is niet van toepassing als de gegevens en bescheiden al zijn verstrekt bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit en deze niet zijn gewijzigd.

3.

De lijst, bedoeld in het eerste lid, onder c, kan door een ieder worden geraadpleegd.

4.

Voor de aard en fysische vormen van de gevaarlijke stoffen op de lijst, bedoeld in het eerste lid, onder c, kan de gevaarscategorie respectievelijk de chemische naam en het CAS-nummer worden vermeld als:

  • a. uit die gegevens de fysisch-chemische eigenschappen en gevaareigenschappen kenbaar zijn; en
  • b. kan worden bepaald om welke gevaarlijke stof of categorie, bedoeld in bijlage I bij de Seveso-richtlijn, het gaat.
Artikel 4.6. (gegevens en bescheiden: voor wijziging)
1.

Ruim voor een wijziging als bedoeld onder a tot en met f worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, gegevens en bescheiden verstrekt over:

  • a. een significante wijziging van de hoeveelheid, aard of fysische vorm van een gevaarlijke stof die in de Seveso-inrichting aanwezig is of kan zijn;
  • b. een significante wijziging van een proces waarbij een gevaarlijke stof wordt gebruikt;
  • c. de sluiting of de ontmanteling van de Seveso-inrichting;
  • d. een wijziging die significante gevolgen kan hebben voor de gevaren van zware ongevallen;
  • e. een wijziging van de naam, de handelsnaam of het adres van degene die de activiteit verricht; of
  • f. een wijziging van de naam of functie van de met de leiding van de Seveso-inrichting belaste persoon, als dat een ander is dan degene die de activiteit verricht.
2.

Het eerste lid is niet van toepassing als de gegevens en bescheiden al zijn verstrekt bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit en deze niet zijn gewijzigd.

Artikel 4.7. (gegevens en bescheiden: na een zwaar ongeval)
1.

Als een zwaar ongeval heeft plaatsgevonden, worden zo spoedig mogelijk aan de toezichthouder, bedoeld in artikel 1, derde lid, onder d, van de Arbeidsomstandighedenwet, gegevens en bescheiden verstrekt over:

  • a. datum, tijd, plaats en omstandigheden van het zware ongeval;
  • b. de gevaarlijke stoffen die het betreft en de hoeveelheid;
  • c. de gevolgen voor de werknemers, die zich op korte en lange termijn kunnen voordoen;
  • d. het aantal gewonde werknemers, dat voor ten minste 24 uur in een ziekenhuis is opgenomen, en het aantal overleden werknemers;
  • e. de maatregelen ter bescherming van de werknemers, die zijn getroffen of worden getroffen om herhaling te voorkomen; en
  • f. de materiële schade in de Seveso-inrichting.
2.

Gegevens en bescheiden uit nader onderzoek die afwijken van eerder verstrekte gegevens en bescheiden, worden verstrekt aan de toezichthouder, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 4.8. (afbakening mogelijkheid maatwerk)

Een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift over deze paragraaf kan alleen aanvullende maatregelen bevatten.

Artikel 4.9. (algemene verplichtingen)
1.

Alle maatregelen worden getroffen die nodig zijn om zware ongevallen te voorkomen en de gevolgen daarvan voor de gezondheid en het milieu te beperken.

2.

Op elk moment kan worden aangetoond dat aan het eerste lid wordt voldaan.

3.

Het is verboden een Seveso-inrichting of een gedeelte daarvan te exploiteren of in werking te hebben als de maatregelen, bedoeld in het eerste lid, niet zijn getroffen of duidelijk onvoldoende zijn uitgevoerd.

Artikel 4.10. (preventiebeleid voor zware ongevallen)
1.

Met het oog op het voorkomen van zware ongevallen en het beperken van de gevolgen ervan is preventiebeleid opgesteld dat borg staat voor een hoog beschermingsniveau van de gezondheid en het milieu en evenredig is aan de gevaren van zware ongevallen.

2.

Het preventiebeleid bevat:

  • a. de algemene doelen van en beginselen voor het handelen van degene die de activiteit verricht;
  • b. de rol en de verantwoordelijkheid van het management van de Seveso-inrichting; en
  • c. de plicht om de beheersing van gevaren van zware ongevallen continu te verbeteren en hoge beschermingsniveaus te waarborgen.
3.

Het tweede lid, onder a, houdt in ieder geval in dat zijn beschreven:

  • a. in hoofdlijnen de aard en de omvang van de risico’s van zware ongevallen;
  • b. de beginselen die ten grondslag liggen aan het veiligheidsbeheerssysteem en de samenhang met dat systeem;
  • c. de criteria die worden toegepast bij de vaststelling van de risico’s van zware ongevallen; en
  • d. de beginselen die ten grondslag liggen aan de maatregelen die zijn getroffen om zware ongevallen te voorkomen en de gevolgen daarvan te beperken en de samenhang tussen die maatregelen en de risico’s van zware ongevallen.
Artikel 4.11. (veiligheidsbeheerssysteem)
1.

Met het oog op het voorkomen van zware ongevallen en het beperken van de gevolgen ervan wordt het preventiebeleid uitgevoerd met passende middelen, structuren en een veiligheidsbeheerssysteem dat voldoet aan alle punten van bijlage III bij de Seveso-richtlijn.

2.

De passende middelen, structuren en het veiligheidsbeheerssysteem zijn evenredig aan de gevaren van zware ongevallen, de complexiteit van de organisatie en de activiteiten die in de Seveso-inrichting worden verricht.

3.

De procedures voor de systematische identificatie van de gevaren van zware ongevallen, bedoeld in bijlage III, onder b, onder ii, bij de Seveso-richtlijn, gaan in ieder geval over:

  • a. het verrichten van systematisch onderzoek naar de risico’s van zware ongevallen van een Seveso-installatie tijdens het ontwerpen, het bouwen, het gebruiken, het onderhouden en het wijzigen van die installatie;
  • b. de criteria voor het bepalen van de methode van het systematisch onderzoek die is afgestemd op de fases, bedoeld onder a; en
  • c. de methode voor de beoordeling van de risico’s van zware ongevallen die geschikt is om de maatregelen te bepalen die worden getroffen om zware ongevallen te voorkomen en de gevolgen daarvan te beperken.
Artikel 4.12. (bijwerken preventiebeleid en veiligheidsbeheerssysteem)
1.

Met het oog op het voorkomen van zware ongevallen en het beperken van de gevolgen ervan worden het preventiebeleid en het veiligheidsbeheerssysteem in ieder geval bijgewerkt bij een wijziging als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c of d.

2.

Het preventiebeleid wordt ten minste elke vijf jaar beoordeeld en zo nodig bijgewerkt.

Artikel 4.13. (domino-effecten)
1.

Met het oog op het voorkomen van zware ongevallen en het beperken van de gevolgen ervan worden voor Seveso-inrichtingen die op grond van artikel 8.38 van het Besluit kwaliteit leefomgeving in de omgevingsvergunning of door Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid zijn aangewezen als inrichting als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Seveso-richtlijn, gegevens uitgewisseld die nodig zijn om in het preventiebeleid, veiligheidsbeheerssysteem, veiligheidsrapport en intern noodplan rekening te houden met de aard en omvang van het risico van een zwaar ongeval.

2.

Degenen die de Seveso-inrichtingen, bedoeld in het eerste lid, exploiteren, werken samen bij het geven van:

  • a. voorlichting aan het publiek en de nabijgelegen bedrijven die niet onder het toepassingsbereik van deze paragraaf vallen; en
Artikel 4.14. (veiligheidsrapport: algemeen)
1.

Met het oog op het voorkomen van zware ongevallen en het beperken van de gevolgen ervan is voor een hogedrempelinrichting een veiligheidsrapport opgesteld met actuele gegevens over de veiligheid.

2.

Het veiligheidsrapport bevat de namen van de organisaties die betrokken zijn geweest bij het opstellen van het veiligheidsrapport en bevat in ieder geval de gegevens en bescheiden, bedoeld in bijlage II bij de Seveso-richtlijn, waarmee wordt aangetoond dat:

  • b. de gevaren van zware ongevallen en scenario’s voor mogelijke zware ongevallen zijn geïdentificeerd en de maatregelen zijn getroffen die nodig zijn om die zware ongevallen te voorkomen en de gevolgen daarvan voor de gezondheid en het milieu te beperken; en
  • c. het ontwerp, de constructie, de exploitatie en het onderhoud van de Seveso-installaties die in verband staan met de gevaren van een zwaar ongeval binnen de Seveso-inrichting, voldoende veilig en betrouwbaar zijn.
3.

Het veiligheidsrapport bevat ook:

  • a. een schatting van de kans op en de omvang van de gevolgen van een zwaar ongeval dat door een Seveso-inrichting als bedoeld in artikel 4.13, eerste lid, wordt veroorzaakt;
  • b. een schatting van de kans op en de omvang van de gevolgen van een aardbeving, overstroming of andere natuurlijke oorzaak als bedoeld in bijlage II, onder 4, onder iii, bij de Seveso-richtlijn; en
  • c. een beschrijving van de maatregelen die zijn getroffen om de gevolgen, bedoeld onder a en b, te beperken.
4.

Bij de beschrijving van de installatie, bedoeld in bijlage II, onder 3, bij de Seveso-richtlijn, wordt een beschrijving gegeven van de processen die in de Seveso-inrichting plaatsvinden, het verloop daarvan en de hoeveelheden, eigenschappen en gedragingen van de gevaarlijke stoffen die in de Seveso-inrichting aanwezig zijn onder de omstandigheden die in de Seveso-inrichting gelden en bij een voorzienbaar ongeval.

Artikel 4.15. (veiligheidsrapport: scenario’s voor mogelijke zware ongevallen)
1.

De beschrijving van de scenario’s voor mogelijke zware ongevallen, bedoeld in bijlage II, onder 4, onder a, bij de Seveso-richtlijn, gaat ten minste over de onderdelen van de Seveso-installaties die de grootste risico’s op een zwaar ongeval opleveren. De selectie van deze Seveso-installaties vindt plaats volgens een methode die in het veiligheidsrapport is beschreven.

2.

Bij de beschrijving, bedoeld in het eerste lid, komen de voorvallen terug die deze scenario’s op gang kunnen brengen, waaronder corrosie, erosie, externe belasting, impact, overdruk of onderdruk, lage of hoge temperatuur, trillingen en menselijke fouten tijdens gebruik, wijziging of onderhoud.

3.

Voor elk scenario wordt kwalitatief of met risicoberekeningen aangegeven wat de waarschijnlijkheid en het effect is en welke maatregelen zijn getroffen om te voorkomen dat het scenario zich voordoet en voor elk scenario wordt een samenhangend inzicht geboden in:

  • a. de resterende kans dat een zwaar ongeval plaatsvindt;
  • b. de ernst van de gevolgen van een zwaar ongeval; en
  • c. de maatregelen die technisch mogelijk zijn om de kans op en de gevolgen van een zwaar ongeval te verkleinen tot een daarbij aangegeven niveau.
4.

Uit de scenario’s blijkt dat de risico’s van zware ongevallen worden beheerst met de technische en organisatorische maatregelen die zijn getroffen.

Artikel 4.16. (veiligheidsrapport: risico’s voor omgeving)
1.

Het veiligheidsrapport bevat:

  • a. de berekende afstand in meters tot waar het plaatsgebonden risico ten hoogste 1 op de 100.000 en 1 op de 1.000.000 per jaar is;
  • c. een schatting van de kans dat een zwaar ongeval belangrijke ongewenste gevolgen heeft voor de kwaliteit van een oppervlaktewaterlichaam of vuilwaterriool en een schatting van de omvang van die gevolgen;
  • d. een beschrijving van de maatregelen die zijn getroffen om de gevolgen, bedoeld onder c, te beperken;
  • e. een beschrijving van de zones die door een zwaar ongeval kunnen worden getroffen, als zij van belang zijn voor de veiligheid voor de omgeving; en
  • f. het aantal personen buiten de Seveso-inrichting dat ten hoogste wordt blootgesteld aan het risico van een zwaar ongeval.
2.

Op het berekenen van de afstanden voor het plaatsgebonden risico, het brandaandachtsgebied, het explosieaandachtsgebied en het gifwolkaandachtsgebied zijn de bij ministeriële regeling gestelde regels van toepassing.

Artikel 4.17. (veiligheidsrapport: rampenbestrijding en bedrijfsbrandweer)

Het veiligheidsrapport bevat een beschrijving van:

  • a. de scenario’s voor een mogelijk zwaar ongeval die bepalend zijn voor:
  • b. de organisatie van de bedrijfsbrandweer die nodig is, waaronder de omvang van het personeel en materieel;
  • c. de zones die door een zwaar ongeval kunnen worden getroffen, als zij van belang zijn voor de voorbereiding van de rampenbestrijding; en
Artikel 4.18. (veiligheidsrapport: veiligheid en gezondheid werknemers)

Het veiligheidsrapport bevat een beschrijving van:

  • a. het aantal personen dat ten hoogste in de Seveso-inrichting aanwezig is, het aantal personen dat binnen de Seveso-inrichting wordt blootgesteld aan het risico van een zwaar ongeval en een indicatie van de verdeling van het aantal personen over die Seveso-inrichting;
  • b. zones die door een zwaar ongeval kunnen worden getroffen, als zij van belang zijn voor de veiligheid en gezondheid van de werknemers;
  • c. de scenario’s per Seveso-installatie voor een mogelijk zwaar ongeval die bepalend zijn voor het intern noodplan; en
  • d. de gevolgen die de beschrijving van de beschermingsmiddelen en interventiemiddelen heeft voor het intern noodplan.
Artikel 4.19. (bijwerken veiligheidsrapport)

Het veiligheidsrapport wordt bezien en zo nodig bijgewerkt:

  • a. ten minste elke vijf jaar;
  • b. na een zwaar ongeval in de Seveso-inrichting;
  • c. om rekening te houden met nieuwe feiten of nieuwe technische kennis over veiligheid; of
Artikel 4.20. (gegevens en bescheiden: veiligheidsrapport)

Een opgesteld of bijgewerkt veiligheidsrapport of deel daarvan wordt onverwijld verstrekt aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2.

Artikel 4.21. (samenvoegen documenten)

Het preventiebeleid, het veiligheidsrapport en het veiligheidsdocument en gezondheidsdocument, bedoeld in artikel 2.42, tweede lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit, kunnen worden samengevoegd in één document.

Artikel 4.22. (intern noodplan)
1.

Met het oog op het beperken van de gevolgen van zware ongevallen is voor een hogedrempelinrichting een intern noodplan opgesteld en ingevoerd om:

  • a. zware ongevallen in te dammen en te beheersen en de gevolgen ervan zoveel mogelijk te beperken;
  • b. de maatregelen die nodig zijn uit te voeren tegen de gevolgen van zware ongevallen; en
  • c. aan een ieder relevante gegevens en bescheiden te verstrekken.
2.

Het intern noodplan bevat de gegevens en bescheiden, bedoeld in bijlage IV bij de Seveso-richtlijn.

3.

Het intern noodplan wordt ten minste elke drie jaar beoordeeld en beproefd en zo nodig bijgewerkt.

4.

Als het intern noodplan wordt bijgewerkt, wordt rekening gehouden met de werkmethoden en productiemethoden die in de Seveso-inrichting worden toegepast, de veranderingen van technische en organisatorische aard bij de hulpverleningsorganisaties van de overheid en veranderingen in het veiligheidsinzicht die voor de risico’s van een zwaar ongeval belangrijke gevolgen kunnen hebben.

Artikel 4.23. (raadpleging werknemers en inzage)
1.

Als een ondernemingsraad of een personeelsvertegenwoordiging ontbreekt, worden belanghebbende werknemers die werkzaam zijn in de Seveso-inrichting geraadpleegd:

  • a. voordat het veiligheidsrapport of een gewijzigd deel daarvan aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, wordt verstrekt; en
  • b. bij het opstellen van het intern noodplan of een gewijzigd deel daarvan.
2.

Over het intern noodplan of een gewijzigd deel daarvan worden ook geraadpleegd de werknemers van andere werkgevers die op basis van een langlopende overeenkomst tot aanneming van werk in de Seveso-inrichting werkzaam zijn.

3.

Op verzoek wordt inzage gegeven in het veiligheidsrapport en het intern noodplan aan:

  • a. de werknemers;
  • f. de zelfstandige en de werkgever die zelf arbeid verricht in de Seveso-inrichting.
4.

Het eerste lid, aanhef en onder a, en het derde lid, zijn alleen van toepassing voor de onderdelen 1, 2, onder b en d, 3, 4, en 5 van bijlage II bij de Seveso-richtlijn, die verband houden met de bescherming van de veiligheid en gezondheid van de in de Seveso-inrichting werkzame werknemers.

Artikel 4.24. (actuele lijst van de gevaarlijke stoffen)
1.

Met het oog op het voorkomen van zware ongevallen en het beperken van de gevolgen ervan wordt voor een hogedrempelinrichting een actuele lijst bijgehouden van de aanwezige gevaarlijke stoffen en stoffen die op basis van aard of hoeveelheid een risico vormen.

2.

De lijst bevat gegevens over de aard, fysische vorm en hoeveelheid van de stoffen, bedoeld in het eerste lid.

3.

Voor de hulpverleningsdiensten van de overheid zijn per stof, bedoeld in het eerste lid, onverwijld toegankelijk de volgende gegevens:

  • a. de chemische stofnaam of handelsnaam;
  • b. de hoeveelheid die ten hoogste aanwezig is;
  • c. het CAS-nummer of het veiligheidsinformatieblad;
  • d. het UN-nummer; en
  • e. het gevaarsidentificatienummer, bedoeld in hoofdstuk 3.2 van bijlage A bij de ADR.
4.

Als de gegevens, bedoeld in het derde lid, onder c, d of e, niet bestaan, zijn, naast de gegevens, bedoeld in het derde lid, onder a en b, gegevens beschikbaar over het gevaar voor een explosie, een brand en een toxische wolk.

Artikel 4.25. (openbaarmaking van gegevens)
1.

Als gegevens als bedoeld in artikel 19.3, eerste lid, laatste zin, van de Wet milieubeheer worden aangewezen:

2.

Als ten aanzien van het veiligheidsrapport toepassing is gegeven aan artikel 19.3, eerste lid, eerste zin, van de Wet milieubeheer, wordt een aangepast veiligheidsrapport verstrekt, dat ten minste algemene gegevens en bescheiden over risico’s van zware ongevallen en de mogelijke gevolgen voor de gezondheid en het milieu bij een zwaar ongeval bevat.

3.

Wanneer een aangepast veiligheidsrapport is verstrekt waaruit de beschrijving van bepaalde stoffen is weggelaten, worden die stoffen niet vermeld op de lijst, bedoeld in artikel 4.5, eerste lid, onder c.

Artikel 4.26. (overgangsrecht: preventiebeleid)

Het preventiebeleid, bedoeld in artikel 4.10, is opgesteld binnen een jaar nadat artikel 4.10 van toepassing is geworden op de Seveso-inrichting, tenzij:

  • a. dat artikel van toepassing is geworden omdat de Seveso-inrichting in werking wordt gesteld of omdat de hoeveelheid gevaarlijke stoffen die aanwezig is, wijzigt; of
Artikel 4.27. (overgangsrecht: veiligheidsrapport)

Het veiligheidsrapport, bedoeld in artikel 4.14, eerste lid, is opgesteld binnen twee jaar nadat artikel 4.14 van toepassing is geworden op de Seveso-inrichting, tenzij:

  • a. dat artikel van toepassing is geworden omdat de Seveso-inrichting in werking wordt gesteld of omdat de hoeveelheid gevaarlijke stoffen die aanwezig is, wijzigt; of
Artikel 4.28. (overgangsrecht: intern noodplan)

Het intern noodplan, bedoeld in artikel 4.22, eerste lid, is opgesteld en ingevoerd binnen twee jaar nadat artikel 4.22 van toepassing is geworden op de Seveso-inrichting, tenzij:

  • a. dat artikel van toepassing is geworden omdat de Seveso-inrichting in werking wordt gesteld of omdat de hoeveelheid gevaarlijke stoffen die aanwezig is, wijzigt; of

§ 4.3. Grote stookinstallatie

Artikel 4.29. (toepassingsbereik)
1.

Deze paragraaf is van toepassing op het exploiteren van een stookinstallatie, met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van 50 MW of meer, met uitzondering van:

  • a. een stookinstallatie voor het drogen of behandelen van voorwerpen of materialen door direct contact met verbrandingsgas;
  • b. technische voorzieningen voor de zuivering van afgassen door verbranding die niet als autonome stookinstallatie worden geëxploiteerd;
  • c. het regenereren van katalysatoren voor het katalytisch kraakproces;
  • d. het omzetten van zwavelwaterstof in zwavel;
  • e. reactoren die in de chemische industrie worden gebruikt;
  • f. cokesovens;
  • g. windverhitters van hoogovens;
  • h. technische voorzieningen die bij de voortstuwing van een voertuig, schip of vliegtuig worden gebruikt;
  • i. gasturbines en gasmotoren die op offshoreplatforms worden gebruikt; en
  • j. afvalverbrandingsinstallaties of afvalmeeverbrandingsinstallaties als bedoeld in paragraaf 4.4.
2.

Voor de toepassing van deze paragraaf worden twee of meer stookinstallaties met een nominaal thermisch ingangsvermogen van ten minste 15 MW als één stookinstallatie aangemerkt en worden de nominale thermische ingangsvermogens opgeteld als:

  • a. de afgassen van die stookinstallaties via een schoorsteen worden afgevoerd; of
  • b. de afgassen op technisch en economisch aanvaardbare wijze via een schoorsteen kunnen worden afgevoerd.
3.

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • a. grote stookinstallatie: stookinstallatie als bedoeld in het eerste lid, ongeacht het type brandstof dat wordt toegepast; en
  • b. bestaande grote stookinstallatie: grote stookinstallatie die op 30 oktober 1999, volgens de regelgeving die toen gold, in bedrijf was of waarvoor een vergunning was verleend en die uiterlijk op 30 oktober 2000 in bedrijf is genomen.
Artikel 4.30. (aanwijzing modules: eindonderzoek bodem)

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 4.29, wordt voldaan aan de regels over het eindonderzoek bodem, bedoeld in paragraaf 5.2.1.

Artikel 4.31. (afbakening mogelijkheid maatwerk)

Met een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift worden de regels in deze paragraaf niet versoepeld, met uitzondering van de artikelen 4.34, 4.36, 4.45, 4.55 en 4.57.

Artikel 4.32. (lucht: toepassing emissiegrenswaarden)
1.

Met het oog op het beperken van verontreiniging van de lucht zijn de emissiegrenswaarden in de artikelen 4.34, 4.36, 4.38, 4.39 en 4.39a van toepassing op de emissies in de lucht afkomstig van alle gemeenschappelijke schoorstenen in relatie tot het totale nominale thermische ingangsvermogen van de gehele grote stookinstallatie.

2.

Bij een uitbreiding van een bestaande grote stookinstallatie zijn de emissiegrenswaarden voor grote stookinstallaties van toepassing op de emissies afkomstig van het uitgebreide gedeelte van de bestaande grote stookinstallatie waarop de wijziging betrekking heeft. De emissiegrenswaarden worden vastgesteld op grond van het totale nominale thermische ingangsvermogen van de gehele grote stookinstallatie.

3.

Bij een wijziging van een bestaande grote stookinstallatie die gevolgen kan hebben voor het milieu en die betrekking heeft op een gedeelte van een bestaande grote stookinstallatie met een nominaal thermisch ingangsvermogen van 50 MW of meer, zijn de emissiegrenswaarden voor grote stookinstallaties van toepassing op de emissies afkomstig van het gedeelte van de bestaande grote stookinstallatie dat is gewijzigd in verhouding tot het totale nominale thermische ingangsvermogen van de gehele grote stookinstallatie.

4.

Alle emissiegrenswaarden zijn betrokken op een volumegehalte aan zuurstof van:

  • a. 6% in afgas, als het gaat om een grote stookinstallatie voor vaste brandstoffen;
  • b. 15% in afgas, als het gaat om een gasturbine of een gasmotor; en
  • c. 3% in afgas, als het gaat om een andere grote stookinstallatie.
Artikel 4.33. (lucht: afgassen afvoeren)

Met het oog op het beschermen van de gezondheid en het milieu worden afgassen op een gecontroleerde wijze afgevoerd door een schoorsteen waarvan de hoogte op berekeningen is gebaseerd.

Artikel 4.34. (lucht: emissie zwaveldioxide)

Voor de emissie in de lucht zijn de emissiegrenswaarden voor zwaveldioxide de waarden, bedoeld in tabel 4.34, gemeten in een continue of periodieke meting.

Type brandstof Emissiegrenswaarde in mg/Nm3
Vaste of vloeibare brandstoffen: vaste biomassa 60
Vloeibare brandstoffen: gasturbine of dieselmotor 60
Vaste of vloeibare brandstoffen: bestaande grote stookinstallatie, anders dan gasturbine of dieselmotor 150
Vaste of vloeibare brandstoffen: overig 80
Gasvormige brandstoffen: vloeibaar gemaakt gas 5
Gasvormige brandstoffen: cokesovengas of hoogovengas in gasmotor of gasturbine 60
Gasvormige brandstoffen: cokesovengas in andere stookinstallatie 220
Gasvormige brandstoffen: hoogovengas in andere stookinstallatie 150
Gasvormige brandstoffen: andere gasvormige brandstoffen 35
Artikel 4.35. (afbakening mogelijkheid maatwerk zwaveldioxide)

Een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift waarmee de emissiegrenswaarde van zwaveldioxide, bedoeld in artikel 4.34, wordt verhoogd, bevat een emissiegrenswaarde van niet meer dan 500 mg/Nm3, als:

  • a. voor de stookinstallatie voor 27 november 2002 een vergunning was verleend of een volledige aanvraag om een vergunning was ingediend;
  • b. de stookinstallatie uiterlijk op 27 november 2003, volgens de regelgeving die toen gold, in bedrijf was; en
  • c. de stookinstallatie wordt gestookt met gassen met lage calorische waarde, verkregen door vergassing van raffinaderijresiduen.
Artikel 4.36. (lucht: emissie stikstofoxiden)

Voor de emissie in de lucht zijn de emissiegrenswaarden voor stikstofoxiden de waarden, bedoeld in tabel 4.36, gemeten in een continue of periodieke meting.

Type brandstof Emissiegrenswaarde in mg/Nm3
Vaste brandstoffen 100
Vloeibare brandstoffen: gasturbine met inbegrip van een STEG 50
Vloeibare brandstoffen: bestaande grote stookinstallatie als wordt gestookt met vloeibare productieresiduen als niet-commerciële brandstof afkomstig uit de eigen installatie 150
Vloeibare brandstoffen: andere grote stookinstallatie met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van 50-100 MW 120
Vloeibare brandstoffen: overige grote stookinstallatie 85
Gasvormige brandstoffen: gasturbine met inbegrip van een STEG 35
Gasvormige brandstoffen: gasmotor 33
Gasvormige brandstoffen: bestaande grote stookinstallatie als het gaat om een gasturbine, met inbegrip van een STEG 60
Gasvormige brandstoffen: andere grote stookinstallatie, als wordt gestookt met aardgas 70
Gasvormige brandstoffen: andere bestaande grote stookinstallatie 100
Gasvormige brandstoffen: andere grote stookinstallatie 80
Artikel 4.37. (afbakening mogelijkheid maatwerk stikstofoxiden)
1.

Een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift waarmee de emissiegrenswaarde van 35 mg/Nm3, bedoeld in tabel 4.36, zesde rij, wordt verhoogd voor een stookinstallatie waarvoor een vergunning is verleend voor 17 augustus 2017 en die niet kan voldoen aan die emissiegrenswaarde, bevat een emissiegrenswaarde van niet meer dan 50 mg/Nm3.

2.

Een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift waarmee de emissiegrenswaarde van 60 mg/Nm3, bedoeld in tabel 4.36, achtste rij, wordt verhoogd voor een stookinstallatie met een bedrijfstijd van minder dan 1.500 uur per jaar en die niet kan voldoen aan die emissiegrenswaarde, bevat een emissiegrenswaarde van niet meer dan 75 mg/Nm3.

3.

Een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift waarmee de emissiegrenswaarde van 70 mg/Nm3, bedoeld in tabel 4.36, negende rij, wordt verhoogd voor een bestaande grote stookinstallatie die wordt gestookt met aardgas en die niet kan voldoen aan die emissiegrenswaarde, bevat een emissiegrenswaarde van niet meer dan 100 mg/Nm3, tenzij het gaat om een gasturbine of gasmotor.

4.

Een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift waarmee de emissiegrenswaarde van 100 mg/Nm3, bedoeld in tabel 4.36, tiende rij, wordt verhoogd voor een stookinstallatie op grond van technische kenmerken en passend binnen de grenzen van Uitvoeringsbesluit grote stookinstallaties, bevat een emissiegrenswaarde van niet meer dan 150 mg/Nm3.

Artikel 4.38. (lucht: emissie koolmonoxide)

Voor de emissie in de lucht zijn de emissiegrenswaarden voor koolmonoxide de waarden, bedoeld in tabel 4.38, gemeten in een continue of periodieke meting.

Type brandstof Emissiegrenswaarde in mg/Nm3
Gasvormige brandstoffen 100
Vloeibare brandstoffen: gasturbine, met inbegrip van een STEG 100
Artikel 4.39. (lucht: emissie totaal stof)

Voor de emissie in de lucht zijn de emissiegrenswaarden voor totaal stof de waarden, bedoeld in tabel 4.39, gemeten in een continue of periodieke meting.

Type brandstof Emissiegrenswaarde in mg/Nm3
Vaste of vloeibare brandstoffen: bestaande grote stookinstallatie als wordt gestookt met vloeibare productieresiduen als niet-commerciële brandstof afkomstig uit de eigen installatie 20
Vaste of vloeibare brandstoffen: andere grote stookinstallatie 5
Gasvormige brandstoffen: hoogovengas 5
Gasvormige brandstoffen: andere gasvormige brandstoffen 5
Artikel 4.39a. (lucht: emissie overige stoffen)

Voor de emissie in de lucht zijn de emissiegrenswaarden voor zoutzuur, waterstoffluoride, kwik, de som van dioxinen en furanen, formaldehyde, gasvormige en vluchtige organische stoffen en ammoniak, de waarden, bedoeld in tabel 4.39a, gemeten in een periodieke meting.

Stof Emissiegrenswaarde in mg/Nm3 , µg/Nm3 of ng TEQ/Nm3
Zoutzuur: procesbrandstof uit chemische industrie 5 mg/Nm3
Zoutzuur: bestaande grote stookinstallatie, procesbrandstof uit chemische industrie 9 mg/Nm3
Zoutzuur: biomassa <100 MWth, voor een stookinstallatie met een vergunning verleend voor 14 juni 2019 15 mg/Nm3
Zoutzuur: overige biomassa 8 mg/Nm3
Zoutzuur: overige vaste brandstof 3 mg/Nm3
Waterstoffluoride: biomassa 1 mg/Nm3
Waterstoffluoride: overige vaste en vloeibare brandstof 2 mg/Nm3
Kwik: biomassa 5 µg/Nm3
Kwik: bestaande grote stookinstallatie, overige vaste brandstof 4 µg/Nm3
Kwik: overige vaste brandstof 2 µg/Nm3
Som van dioxinen en furanen: procesbrandstof uit chemische industrie 0,036 ng TEQ/Nm3
Formaldehyde: gasmotor op aardgas 15 mg/Nm3
Gasvormige en vluchtige organische stoffen, uitgedrukt in totaal organische koolstof: procesbrandstof uit chemische industrie, gestookt in een ketel 12 mg/Nm3
Gasvormige en vluchtige organische stoffen, uitgedrukt in totaal organische koolstof: gasmotor op aardgas 500 mg/Nm3
Ammoniak: bij toepassing van selectieve katalytische reductie (SCR) of selectieve niet-katalytische reductie (SNCR) 5 mg/Nm3
Artikel 4.39b. (water: emissiegrenswaarden in afvalwater)
1.

Voor het afvalwater afkomstig van het reinigen van afgassen van een stookinstallatie zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 4.39b.

2.

De emissiegrenswaarden voor lozingen in water worden uitgedrukt in massaconcentratie, voor niet-gefiltreerde monsters.

3.

Afvalwater wordt niet verdund om aan de in tabel 4.39b bedoelde emissiegrenswaarden te voldoen.

4.

Voor de lozing van totaal organische koolstof geldt dat voor de beoordeling of aan de emissiegrenswaarde wordt voldaan, de concentratie in het influent in mindering mag worden gebracht.

Stof Emissiegrenswaarde in g/l, mg/l of µg/l
Onopgeloste stoffen 30 mg/l
Totaal organische koolstof 50 mg/l
Arseen 50 µg/l
Cadmium 5 µg/l
Chroom 50 µg/l
Koper 50 µg/l
Kwik 3 µg/l
Nikkel 50 µg/l
Lood 20 µg/l
Zink 0,2 mg/l
Fluoride 25 mg/l
Sulfaat 2 g/l; geldt niet voor lozingen in zee of brakke waterlichamen
Sulfide 0,2 mg/l
Sulfiet 20 mg/l
Artikel 4.40. (lucht: meetmethoden)
1.

Op het verrichten van emissiemetingen is NEN-EN 15259 van toepassing.

2.

Op het verrichten van een periodieke meting of een parallelmeting is van toepassing:

  • a. voor totaal stof: NEN-EN 13284-1;
  • b. voor stikstofoxiden: NEN-EN 14792;
  • c. voor koolmonoxide: NEN-EN 15058;
  • d. voor kwik: NEN-EN 13211;
  • e. voor zwaveldioxide: NEN-EN 14791;
  • f. voor zuurstof: NEN-EN 14789;
  • g. voor waterdamp: NEN-EN 14790;
  • h. voor debiet: NEN-EN-ISO 16911-1;
  • i. voor zoutzuur: NEN-EN 1911;
  • j. voor waterstoffluoride: NEN-ISO 15713;
  • k. voor formaldehyde: NPR-CEN/TS 13649;
  • l. voor totaal organische koolstof: NEN-EN 12619;
  • m. voor ammoniak: NEN-EN-ISO 21877; en
  • n. voor de som van dioxinen en furanen: NEN-EN 1948-1, NEN-EN 1948-2 en NEN-EN 1948-3.
3.

Op het verrichten van een continue meting is van toepassing:

  • a. voor totaal stof: NEN-EN 13284-2;
  • b. voor debiet: NEN-EN-ISO 16911-2; en
  • c. voor de kwaliteitsborging: NEN-EN 14181.
Artikel 4.40a. (water: meetmethoden)
1.

Op het bemonsteren van afvalwater afkomstig van het reinigen van afgassen, bedoeld in artikel 4.39b, is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.

2.

Op het ontsluiten van de stoffen is NEN-EN-ISO 15587-1 van toepassing.

3.

Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is van toepassing:

  • a. voor onopgeloste stoffen: NEN-EN 872;
  • b. voor kwik: NEN-EN-ISO 12846;
  • c. voor cadmium, lood, chroom, koper, nikkel, zink: NEN-EN-ISO 17294-2;
  • d. voor arseen: NEN-EN-ISO 17294-2 of NEN-EN-ISO 11969;
  • e. voor totaal organische koolstof: NEN-EN 1484;
  • f. voor fluoride: NEN-EN-ISO 10304-1;
  • g. voor sulfaat: NEN-EN-ISO 10304-1;
  • h. voor sulfide: ISO 13358 of NEN 6608; en
  • i. voor sulfiet: NEN-EN-ISO 10304-3.
Artikel 4.41. (lucht: meetplicht continu of periodiek meten)
1.

De emissieconcentratie van zwaveldioxide, stikstofoxiden, koolmonoxide en totaal stof van een grote stookinstallatie wordt continu gemeten.

2.

In afwijking van het eerste lid wordt de emissieconcentratie van zwaveldioxide, stikstofoxiden, koolmonoxide en totaal stof van een stookinstallatie met een nominaal thermisch ingangsvermogen van minder dan 100 MW periodiek gemeten, ten minste om de zes maanden, als uit de geregistreerde emissierelevante parameters met voldoende mate van zekerheid blijkt dat de rookgasreiniging of andere emissiereductietechnieken continu in bedrijf zijn en de emissiegrenswaarden die van toepassing zijn niet worden overschreden.

3.

Als een grote stookinstallatie met aardgas wordt gestookt, wordt de emissieconcentratie van totaal stof ten minste eenmaal per zes maanden gemeten.

4.

De meting van zwaveldioxide is niet verplicht en de emissieconcentratie daarvan wordt bepaald aan de hand van de gehalten in de brandstoffen die worden ingezet, als:

  • a. een grote stookinstallatie met aardgas wordt gestookt;
  • b. een grote stookinstallatie met olie wordt gestookt en er geen uitrusting voor de ontzwaveling van afgas is; of
  • c. een grote stookinstallatie met rie-biomassa wordt gestookt en kan worden aangetoond dat de emissie in geen geval hoger is dan de toepasselijke emissiegrenswaarde.
Artikel 4.41a. (lucht: meetplicht periodiek meten)
1.

De emissieconcentratie van:

  • a. kwik wordt periodiek ten minste om de zes maanden gemeten; en
  • b. ammoniak, zoutzuur, waterstoffluoride, formaldehyde en totaal organische koolstof wordt ten minste eenmaal per jaar gemeten.
2.

In afwijking van het eerste lid, onder b, wordt de emissieconcentratie van zoutzuur periodiek ten minste om de zes maanden gemeten, als met biomassa wordt gestookt.

3.

Als procesbrandstoffen gechloreerde componenten bevatten, wordt de emissieconcentratie van dioxinen en furanen om de zes maanden gemeten.

Artikel 4.41b. (water: meetplicht continu of periodiek meten)
1.

De emissieconcentraties in afvalwater afkomstig van de reiniging van afgassen, bedoeld in artikel 4.39b, worden:

  • a. ten minste maandelijks gemeten;
  • b. voor onopgeloste stoffen gemeten in een steekmonster en voor andere stoffen in een etmaalmonster.
2.

Het debiet, de zuurgraad en de temperatuur van afvalwater afkomstig van de reiniging van afgassen, bedoeld in artikel 4.39b, worden continu gemeten.

Artikel 4.42. (lucht: continue meting)

Een continue meting als bedoeld in artikel 4.41 omvat ook de meting van:

  • a. het zuurstofgehalte;
  • b. de temperatuur;
  • c. de druk; en
  • d. het waterdampgehalte van het afgas, met uitzondering van het afgas dat als monster wordt gebruikt, als dat wordt gedroogd voordat de emissies in de lucht worden geanalyseerd.
Artikel 4.43. (lucht: bepalen zuurstofgehalte)

De resultaten van de metingen die zijn verricht, worden omgerekend tot een massaconcentratie bij het genormaliseerde zuurstofgehalte als bedoeld in 4.32, vierde lid, volgens de formule:

waarbij wordt verstaan onder:

Es: de berekende emissieconcentratie bij het genormaliseerde zuurstofgehalte;

Em: de gemeten emissieconcentratie;

Os: het genormaliseerde zuurstofgehalte;

Om: het gemeten zuurstofgehalte.

Artikel 4.44. (lucht: berekening voldoen emissiegrenswaarden)
1.

Als continu wordt gemeten, wordt in ieder geval voldaan aan de emissiegrenswaarde, als in een kalenderjaar:

  • a. geen gevalideerd maandgemiddelde hoger is dan de emissiegrenswaarde;
  • b. geen gevalideerd daggemiddelde 110% hoger is dan de emissiegrenswaarde; en
  • c. 95% van alle gevalideerde uurgemiddelden over een jaar niet hoger is dan 200% van de emissiegrenswaarde.
2.

Voor de toepassing van het eerste lid worden niet meegerekend:

  • a. meetuitkomsten die zijn verkregen tijdens periodes waarin een grote stookinstallatie op grond van de artikelen 4.57 en 4.60 in werking kan zijn;
  • b. meetuitkomsten die zijn verkregen tijdens storingen in de apparatuur die een emissiereductie bewerkstelligt; en
  • c. meetuitkomsten die zijn verkregen tijdens periodes van opstarten en stilleggen.
3.

De periodes van opstarten en stilleggen worden bepaald in overeenstemming met het uitvoeringsbesluit van de Commissie van 7 mei 2012 betreffende de vaststelling van opstart- en stilleggingsperioden voor de toepassing van de richtlijn industriële emissies (PbEU 2012, L 123).

4.

Als periodiek wordt gemeten wordt in ieder geval voldaan aan de emissiegrenswaarde, als geen enkele gevalideerde meetuitkomst hoger is dan de emissiegrenswaarde.

Artikel 4.44a. (water: berekening voldoen emissiegrenswaarden)

Aan de emissiegrenswaarden, bedoeld in tabel 4.39b, wordt voldaan, als alle gemeten daggemiddelden in een jaar niet hoger zijn dan de emissiegrenswaarde.

Artikel 4.45. (lucht: gebruik grote stookinstallatie bij uitvallen afgasreinigingsapparatuur)
1.

Met het oog op het beperken van verontreiniging van de lucht wordt de grote stookinstallatie geheel of gedeeltelijk buiten gebruik gesteld of met een weinig vervuilende brandstof in gebruik gehouden als:

  • a. de afgasreinigingsapparatuur is uitgevallen; en
  • b. deze apparatuur niet na uiterlijk 24 uur weer normaal functioneert.
2.

Een grote stookinstallatie kan als gevolg van storingen als bedoeld in het eerste lid nog uiterlijk 120 uur in een jaar in bedrijf zijn zonder dat de afgasreinigingsapparatuur functioneert.

Artikel 4.46. (afbakening mogelijkheid maatwerk bij uitvallen afgasreinigingsapparatuur)

Een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift waarmee artikel 4.45 wordt versoepeld, bevat een verlenging van de periode, bedoeld in artikel 4.45, als:

  • a. het absoluut noodzakelijk is om de energievoorziening in stand te houden; of
  • b. de grote stookinstallatie anders voor die periode zou worden vervangen door een stookinstallatie die over het geheel genomen hogere emissies zou veroorzaken.
Artikel 4.47. (informeren: uitvallen afgasreinigingsapparatuur)

Het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, wordt uiterlijk 48 uur na het uitvallen van de afgasreinigingsapparatuur en het niet na uiterlijk 24 uur weer normaal functioneren van deze apparatuur daarover geïnformeerd, waarbij de stookinstallatie geheel of gedeeltelijk buiten gebruik wordt gesteld of met een weinig vervuilende brandstof in bedrijf wordt gehouden als bedoeld in artikel 4.45.

Artikel 4.48. (lucht: continue en periodieke meting)
1.

Een periodieke meting bestaat uit ten minste drie deelmetingen van een half uur. Als het meettechnisch niet mogelijk is om de deelmeting in die tijd te verrichten, kan de deelmeting ten hoogste twee uur duren.

2.

Het resultaat van de continue meting of periodieke meting zijn de gevalideerde meetresultaten. Dat zijn de meetresultaten van de uurgemiddelden of de deelmetingen, verminderd met de aangetoonde meetonzekerheid, die niet meer is dan het percentage van de emissiegrenswaarde, bedoeld in tabel 4.48.

3.

De meetonzekerheid wordt bepaald op basis van het 95%-betrouwbaarheidsinterval van individuele metingen.

4.

De meting wordt verricht door een laboratorium met een accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17025 voor de norm die volgens artikel 4.40 van toepassing is op de stof die wordt gemeten.

Stof Percentage meetonzekerheid
Koolmonoxide 10
Zwaveldioxide 20
Stikstofoxide 20
Totaal stof 30
Artikel 4.49. (informeren: periodieke meting)
1.

Het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, wordt ten minste twee weken voordat een periodieke meting wordt verricht, geïnformeerd over de datum en het tijdstip van die meting.

2.

Het bevoegd gezag wordt uiterlijk op de datum dat de periodieke meting zou worden verricht, geïnformeerd over het niet doorgaan daarvan.

Artikel 4.50. (lucht: parallelmeting)
1.

Geautomatiseerde meetsystemen worden ten minste eenmaal per jaar met parallelmetingen gecontroleerd.

2.

Een parallelmeting die wordt verricht voor de verificatie van de meetapparatuur voor continue metingen duurt ten minste een half uur.

3.

De meting wordt verricht door een laboratorium met een accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17025 voor de norm die volgens artikel 4.40 van toepassing is op de stof die wordt gemeten.

Artikel 4.51. (informeren: parallelmeting)
1.

Het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, wordt geïnformeerd over de resultaten van de controle, bedoeld in artikel 4.50, eerste lid.

2.

Het bevoegd gezag wordt ten minste twee weken voordat een parallelmeting wordt verricht, geïnformeerd over de datum en het tijdstip van die meting.

3.

Het bevoegd gezag wordt uiterlijk op de datum dat de parallelmeting zou worden verricht, geïnformeerd over het niet doorgaan daarvan.

Artikel 4.52. (lucht: ongeldige metingen)
1.

De metingen van een dag worden als ongeldig beschouwd als in een dag meer dan drie uurgemiddelden ongeldig zijn door storing of onderhoud van het continu werkende meetsysteem.

2.

Als per jaar de metingen van meer dan tien dagen ongeldig zijn, worden passende maatregelen getroffen om de betrouwbaarheid van het continu werkende meetsysteem te verbeteren.

Artikel 4.53. (lucht en water: kwaliteitsborging)
1.

Op de bekwaamheid van een laboratorium is NEN-EN-ISO/IEC 17025 van toepassing.

2.

Op richtlijnen voor Predictive Emission Monitoring Systems is NVN-CEN TS 17198 van toepassing.

3.

De Regeling brandstoffen luchtverontreiniging is van overeenkomstige toepassing op de vaststelling van het zwavelgehalte van een brandstof.

Artikel 4.54. (lucht: uitzondering emissiegrenswaarden)
1.

De emissiegrenswaarden, bedoeld in de artikelen 4.34, 4.36, 4.38, 4.39 en 4.39a, gelden niet voor gasturbines, gasmotoren en dieselmotoren die:

  • a. zijn bedoeld voor noodgevallen volgens de omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit die daarvoor geldt; en
  • b. minder dan 500 uur per jaar geheel of gedeeltelijk in werking zijn en emissies in de lucht veroorzaken, met uitzondering van de tijd die nodig is voor de inwerkingstelling en stillegging.
2.

Het aantal uur dat de installaties in werking zijn, wordt geregistreerd.

Artikel 4.55. (lucht: gelijktijdig gebruik verschillende soorten brandstof)
1.

Met het oog op het beperken van verontreiniging van de lucht zijn bij gelijktijdig gebruik van verschillende soorten brandstof in een grote stookinstallatie de emissiegrenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofoxiden en totaal stof de gewogen gemiddelden van de emissiegrenswaarden die voor elk van de brandstoffen afzonderlijk van toepassing zijn.

2.

Een gewogen gemiddelde wordt per tijdseenheid berekend naar het aandeel van elk van de brandstoffen in de energetische inhoud van de toegevoerde brandstoffen.

Artikel 4.56. (afbakening mogelijkheid maatwerk zwaveldioxide)

Een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift waarmee voor een bestaande grote stookinstallatie de emissiegrenswaarde voor zwaveldioxide, bedoeld in artikel 4.55, eerste lid, wordt verhoogd, bevat een emissiegrenswaarde van niet meer dan 500 mg/Nm3, als:

  • a. de stookinstallatie deel uitmaakt van een raffinaderij; en
  • b. de stookinstallatie zelf destillatieresiduen of omzettingsresiduen afkomstig van het raffineren van ruwe aardolie, alleen of in combinatie met andere brandstoffen, verbruikt.
Artikel 4.57. (lucht: uitzondering stookinstallatie geen gebruik laagzwavelige brandstof)

Met het oog op het beperken van verontreiniging van de lucht kan een grote stookinstallatie waar normaal laagzwavelige brandstof wordt verstookt, 240 uur in werking blijven, als door een onderbreking van de voorziening met laagzwavelige brandstof als gevolg van een ernstig tekort aan die brandstoffen niet kan worden voldaan aan de emissiegrenswaarden, bedoeld in artikel 4.34.

Artikel 4.58. (informeren: uitzondering geen gebruik laagzwavelige brandstof)

Het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, wordt onverwijld geïnformeerd over een onderbreking van de voorziening met laagzwavelige brandstof als bedoeld in artikel 4.57, waardoor niet kan worden voldaan aan de emissiegrenswaarden, bedoeld in artikel 4.34.

Artikel 4.59. (afbakening mogelijkheid maatwerk geen gebruik laagzwavelige brandstof)

Een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift waarmee artikel 4.57 wordt versoepeld, bevat een verlenging van niet meer dan zes maanden als de omstandigheid, bedoeld in artikel 4.57, voortduurt en emissiegrenswaarden daardoor niet in acht kunnen worden genomen.

Artikel 4.60. (lucht: uitzondering stookinstallatie geen gebruik gasvormige brandstof)

Met het oog op het beperken van verontreiniging van de lucht bij onvoorziene omstandigheden zijn de emissiegrenswaarden, bedoeld in de artikelen 4.34, 4.36, 4.38 en 4.39, ten hoogste 240 uur per incident niet van toepassing, als een grote stookinstallatie die normaal met gasvormige brandstof wordt gestookt, met een andere brandstof wordt gestookt wanneer door weersomstandigheden of storingen in de gastoevoer geen gas kan worden geleverd.

Artikel 4.61. (informeren: uitzondering geen gebruik gasvormige brandstof)

Het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, wordt onverwijld geïnformeerd over het stoken met een andere brandstof dan een gasvormige brandstof, bedoeld in artikel 4.60, als door weersomstandigheden of storingen in de gastoevoer geen gas kan worden geleverd.

Artikel 4.62. (energie: netto elektrisch rendement)
1.

Met het oog op het zuinig gebruik van energie en grondstoffen is het netto elektrisch rendement van een grote stookinstallatie die met steenkool of een combinatie van steenkool en een andere brandstof wordt gestookt ten minste 40%.

2.

Het netto elektrisch rendement wordt bepaald over de laatste vijf jaar dat de stookinstallatie in gebruik is of, als dat gebruik korter is dan vijf jaar, over de periode dat de stookinstallatie elektriciteit heeft geleverd aan een transmissiesysteem voor elektriciteit als bedoeld in artikel 1.1 van de Energiewet, waarbij deze periode ten minste een jaar is.

3.

Het netto elektrisch rendement wordt bepaald door de aan een transmissiesysteem voor elektriciteit geleverde elektriciteit te delen door de energie-inhoud van de ingezette brandstoffen.

4.

Bij levering aan een warmtenet wordt:

  • a. de energie-inhoud van de ingezette brandstoffen gecorrigeerd voor de energie-inhoud van de brandstoffen die aanvullend worden gebruikt in verband met de warmtelevering; en
  • b. de aan een transmissiesysteem voor elektriciteit geleverde elektriciteit verhoogd met de elektriciteitsderving door de warmtelevering.
Artikel 4.62a. (bodem en water: exploitatie grote stookinstallatie)
1.

Een grote stookinstallatie en de terreinen die daarbij horen worden zodanig geëxploiteerd dat het vrijkomen van verontreinigende stoffen van rookgasreiniging op of in de bodem, het oppervlaktewater of het grondwater wordt voorkomen.

2.

Er is opvangcapaciteit voor de opvang van:

  • a. wegvloeiend hemelwater dat is verontreinigd met afvalwater van rookgasreiniging;
  • b. afvalwater van rookgasreiniging als gevolg van overlopen; en
  • c. water afkomstig van brandbestrijding dat is verontreinigd met afvalwater van rookgasreiniging.
3.

De opvangcapaciteit is zodanig dat het afvalwater van rookgasreiniging, voordat het wordt geloosd, kan worden behandeld.

§ 4.4. Afvalverbrandingsinstallatie en afvalmeeverbrandingsinstallatie

Artikel 4.63. (toepassingsbereik)
1.

Deze paragraaf is van toepassing op het exploiteren van een afvalverbrandingsinstallatie of een afvalmeeverbrandingsinstallatie waar vaste of vloeibare afvalstoffen worden verbrand of meeverbrand.

2.

Een afvalverbrandingsinstallatie en een afvalmeeverbrandingsinstallatie omvatten:

  • a. verbrandingsstraten of meeverbrandingsstraten en voorzieningen voor ontvangst, opslag en voorbehandeling van de afvalstoffen op de locatie;
  • b. systemen voor de toevoer van afvalstoffen, brandstof en lucht;
  • c. ketels;
  • d. voorzieningen voor de behandeling van afgassen;
  • e. voorzieningen voor de behandeling of opslag van afvalverbrandingsresiduen en afvalwater;
  • f. schoorstenen; en
  • g. apparatuur en systemen voor de regeling van het verbrandingsproces of meeverbrandingsproces en voor de registratie en monitoring van de omstandigheden van verbranding of meeverbranding.
3.

Als voor de thermische behandeling van afvalstoffen andere processen dan oxidatie worden gebruikt, omvat de afvalverbrandingsinstallatie of de afvalmeeverbrandingsinstallatie het proces voor thermische behandeling en ook het daaropvolgende verbrandingsproces.

4.

Deze paragraaf is niet van toepassing op:

  • a. een afvalverbrandingsinstallatie of afvalmeeverbrandingsinstallatie waarin alleen de volgende afvalstoffen thermisch worden behandeld of producten van thermische behandeling van alleen de volgende afvalstoffen worden verbrand:
  • 1°. rie-biomassa;
  • 2°. radioactieve afvalstoffen; of
  • 3°. afvalstoffen die zijn ontstaan bij de exploratie en exploitatie van oliebronnen en gasbronnen vanaf een installatie in zee en die aan boord van die installatie worden verbrand;
  • b. een experimentele afvalverbrandingsinstallatie of afvalmeeverbrandingsinstallatie voor onderzoek, ontwikkeling en tests om het thermisch behandelingsproces te verbeteren, waarin per kalenderjaar minder dan 50 ton afvalstoffen wordt verwerkt;
  • c. een vaste technische eenheid voor vergassing of pyrolyse, als de gassen die het resultaat zijn van deze thermische behandeling van afvalstoffen voordat ze worden verbrand zo worden gereinigd dat bij de verbranding ervan niet meer emissies ontstaan dan bij de verbranding van aardgas; en
  • d. stookinstallaties bij een veehouderij met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van ten hoogste 5 MW, die als brandstof alleen onverwerkte mest van gevogelte als bedoeld in artikel 9, onder a, van de verordening dierlijke bijproducten gebruiken.
Artikel 4.64. (aanwijzing modules: eindonderzoek bodem)

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 4.63, wordt voldaan aan de regels over het eindonderzoek bodem, bedoeld in paragraaf 5.2.1.

Artikel 4.65. (afbakening mogelijkheid maatwerk)

Met een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift worden de regels in deze paragraaf niet versoepeld, met uitzondering van de artikelen 4.73 en 4.96.

Artikel 4.66. (bodem, water en lucht: voorkomen verbrandingsresiduen)

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem, een oppervlaktewaterlichaam en de lucht wordt bij het vervoer van de verbrandingsoven naar het opslagterrein en de tussentijdse opslag op dat terrein voorkomen dat verbrandingsresiduen in de bodem, een oppervlaktewaterlichaam en de lucht terechtkomen.

Artikel 4.67. (bodem en water: exploitatie afvalverbrandingsinstallatie)
1.

Een afvalverbrandingsinstallatie of afvalmeeverbrandingsinstallatie en de terreinen die daarbij horen worden zo geëxploiteerd dat het ongeoorloofd en per ongeluk vrijkomen van verontreinigende stoffen op of in de bodem en op een oppervlaktewaterlichaam wordt voorkomen.

2.

Er is opvangcapaciteit voor de opvang van:

  • a. wegvloeiend verontreinigd hemelwater;
  • b. verontreinigd water dat is overgelopen; en
  • c. verontreinigd water afkomstig van brandbestrijding.
3.

Het afvalwater kan worden behandeld voordat het wordt geloosd.

Artikel 4.68. (water: emissiegrenswaarden lozing op een oppervlaktewaterlichaam)
1.

Voor het afvalwater afkomstig van het reinigen van afgassen dat wordt geloosd op een oppervlaktewaterlichaam zijn de emissiegrenswaarden:

  • a. de waarden, bedoeld in tabel 4.68, gemeten in een steekmonster;
  • b. voor onopgeloste stoffen 30 mg/l, gemeten in een steekmonster; en
  • c. voor totaal organisch koolstof 40 mg/l, gemeten in een steekmonster.
2.

De zuurgraad van het afvalwater is ten minste pH 6,5 en ten hoogste pH 11, gemeten in een steekmonster.

3.

Als meer dan twintig steekmonsters per jaar worden genomen, gelden de emissiegrenswaarden voor 95% van die steekmonsters, met uitzondering van de emissiegrenswaarden voor dioxinen en furanen.

Stof Emissiegrenswaarde in mg/l of ng/l
Kwik 0,01 mg/l
Cadmium 0,03 mg/l
Thallium 0,03 mg/l
Arseen 0,05 mg/l
Lood 0,06 mg/l
Chroom 0,1 mg/l
Koper 0,15 mg/l
Nikkel 0,15 mg/l
Zink 0,5 mg/l
Antimoon 0,85 mg/l
Kobalt 0,05 mg/l
Mangaan 0,2 mg/l
Vanadium 0,5 mg/l
Tin 0,5 mg/l
Som van dioxinen en furanen 0,05 ng/l
Artikel 4.69. (water: meetmethoden)
1.

Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.

2.

Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.

3.

Op het ontsluiten van de stoffen is NEN-EN-ISO 15587-1 of NEN-EN-ISO 15587-2 van toepassing.

4.

Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is van toepassing:

  • a. voor onopgeloste stoffen: NEN-EN 872;
  • b. voor kwik: NEN-EN-ISO 12846, NEN-EN-ISO 17294-2 of NEN-EN-ISO 17852;
  • c. voor cadmium, thallium, lood, chroom, koper, nikkel, zink, antimoon, kobalt, mangaan, vanadium en tin: NEN-EN-ISO 17294-2 of NEN-EN-ISO 11885;
  • d. voor arseen: NEN-EN-ISO 17294-2 of NEN-EN-ISO 11969;
  • e. voor de zuurgraad: NEN-EN-ISO 10523; en
  • f. voor dioxinen en furanen: NEN-ISO 18073.
5.

Voor de som van dioxinen en furanen worden:

  • a. de waterfase en de zwevende stof op dioxinen en furanen geanalyseerd;
  • b. voordat ze worden opgeteld, de massaconcentraties van de dibenzo-p-dioxinen en dibenzofuranen, bedoeld in tabel 4.69, vermenigvuldigd met de toxische equivalentiefactor, bedoeld in die tabel.
Massaconcentraties dibenzo-p-dioxinen en dibenzofuranen Toxische equivalentiefactor
2,3,7,8-tetrachloordibenzodioxine 1
1,2,3,7,8-pentachloordibenzodioxine 0,5
1,2,3,4,7,8-hexachloordibenzodioxine 0,1
1,2,3,6,7,8-hexachloordibenzodioxine 0,1
1,2,3,7,8,9-hexachloordibenzodioxine 0,1
1,2,3,4,6,7,8-heptachloordibenzodioxine 0,01
Octachloordibenzodioxine 0,001
2,3,7,8-tetrachloordibenzofuraan 0,1
2,3,4,7,8-pentachloordibenzofuraan 0,5
1,2,3,7,8-pentachloordibenzofuraan 0,05
1,2,3,4,7,8-hexachloordibenzofuraan 0,1
1,2,3,6,7,8-hexachloordibenzofuraan 0,1
1,2,3,7,8,9-hexachloordibenzofuraan 0,1
2,3,4,6,7,8-hexachloordibenzofuraan 0,1
1,2,3,4,6,7,8-heptachloordibenzofuraan 0,01
1,2,3,4,7,8,9-heptachloordibenzofuraan 0,01
Octachloordibenzofuraan 0,001
Artikel 4.70. (water: bemonsterplicht)
1.

Het afvalwater afkomstig van het reinigen van afgassen wordt op de volgende manier bemonsterd:

  • a. continu, om de zuurgraad, de temperatuur en het debiet te meten;
  • b. door dagelijkse steekproeven of metingen van een met het debiet evenredige representatieve steekproef over een periode van 24 uur, om de totale hoeveelheid onopgeloste stoffen te meten;
  • c. door maandelijkse metingen van een met het debiet evenredige representatieve steekproef over een periode van 24 uur, om totaal organisch koolstof, kwik, cadmium, thallium, arseen, lood, chroom, koper, nikkel, zink, antimoon, kobalt, mangaan, vanadium en tin te meten; en
  • d. door driemaandelijkse metingen tijdens de eerste twaalf maanden dat een afvalverbrandingsinstallatie of afvalmeeverbrandingsinstallatie in bedrijf is, en daarna door zesmaandelijkse metingen, om dioxinen en furanen te meten.
2.

Een monster wordt genomen op het punt waar het afvalwater wordt geloosd op een oppervlaktewaterlichaam.

3.

Als het afvalwater afkomstig van het reinigen van afgassen samen met ander afvalwater wordt gezuiverd, wordt bepaald welk aandeel van de stoffen, de zuurgraad en de warmte in het uiteindelijk geloosde afvalwater afkomstig is van het afvalwater afkomstig van het reinigen van afgassen, door ook te bemonsteren op de verschillende afvalwaterstromen voordat ze uitmonden op de afvalwaterzuiveringsinstallatie.

Artikel 4.71. (lucht en water: kwaliteitsborging)

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)