Besluit van 3 juli 2018, houdende regels over activiteiten in de fysieke leefomgeving (Besluit activiteiten leefomgeving)
Op de bekwaamheid van een laboratorium is NEN-EN-ISO/IEC 17025 van toepassing.
Artikel 4.72. (lucht: ontwerp verbrandingsinstallatie)
Met het oog op het beschermen van de gezondheid en het milieu worden afgassen op een gecontroleerde wijze afgevoerd door een schoorsteen waarvan de hoogte op berekeningen is gebaseerd.
Artikel 4.73. (lucht: emissies afvalverbrandingsinstallatie en afvalmeeverbrandingsinstallatie)
Voor de emissie in de lucht zijn de emissiegrenswaarden, afhankelijk van de periodegemiddelden in een periodieke meting of continue meting de waarden, bedoeld in tabel 4.73, voor een:
- a. afvalverbrandingsinstallatie; of
- b. afvalmeeverbrandingsinstallatie als daarin:
- 1°. meer dan 40% van de vrijkomende warmte afkomstig is van gevaarlijke afvalstoffen; of
- 2°. onbehandelde of ongesorteerde huishoudelijke afvalstoffen of bedrijfsafvalstoffen worden verbrand.
Als een afvalverbrandingsinstallatie of afvalmeeverbrandingsinstallatie een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen heeft van minder dan 20 MW, is de emissiegrenswaarde in een maandgemiddelde voor stikstofoxiden niet van toepassing.
Voor het berekenen van de emissies van de stoffen, bedoeld in tabel 4.73, wordt de massaconcentratie omgerekend naar een zuurstofgehalte van 11% in afgas, met uitzondering van de emissies van de verbranding van afgewerkte olie.
Voor het berekenen van de emissies van de verbranding van afgewerkte olie wordt de massaconcentratie omgerekend naar een zuurstofgehalte van 3% in afgas.
| Stof | Halfuur- en daggemiddelde in mg/Nm3 | Maand-gemiddelde in mg/Nm3 | Daggemiddelde in mg/Nm3 | Tienminutengemiddelde in mg/Nm3 | Emissiegrenswaarde in bemonsteringsperiode in mg/Nm3 of ng/Nm3 |
|---|---|---|---|---|---|
| Totaal stof | 3 | ||||
| Gasvormige en vluchtige organische stoffen, uitgedrukt in totaal organische koolstof | 6 | ||||
| Zoutzuur | 6 | ||||
| Waterstoffluoride | 0,5 | ||||
| Zwaveldioxide | 30 | ||||
| Stikstofoxiden | 100 | 70 | |||
| Ammoniak | 5 | ||||
| Koolmonoxide | 30 | 150 | |||
| Kwik | 0,01 | 0,01 mg/Nm3 | |||
| Som van cadmium en thallium | 0,02 mg/Nm3 | ||||
| Som van antimoon, arseen, chroom, kobalt, koper, lood, mangaan, nikkel en vanadium | 0,15 mg/Nm3 | ||||
| Som van dioxinen en furanen, gedefinieerd als de som van de afzonderlijke dioxinen en furanen, gewogen volgens de equivalentie-factoren | 0,03 ng/Nm3 |
Artikel 4.73a. (afbakening mogelijkheid maatwerk emissies)
Een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift waarmee artikel 4.73 wordt versoepeld, wordt alleen gesteld over de emissiegrenswaarden voor stikstofoxiden, ammoniak, koolmonoxide, waterstoffluoride, zoutzuur en de som van dioxinen en furanen, bedoeld in tabel 4.73.
Artikel 4.74. (afbakening mogelijkheid maatwerk)
Een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift waarmee een emissiegrenswaarde voor koolmonoxide als bedoeld in artikel 4.73, eerste lid, wordt verhoogd, bevat een emissiegrenswaarde voor koolmonoxide van niet meer dan:
- a. 50 mg/Nm3 in een daggemiddelde, naast het tienminutengemiddelde; of
- b. 100 mg/Nm3 in een uurgemiddelde als de wervelbedtechnologie wordt gebruikt.
Een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift waarmee een halfuur- of daggemiddelde emissiegrenswaarde voor stikstofoxiden als bedoeld in artikel 4.73, eerste lid, wordt verhoogd, bevat een halfuur- en daggemiddelde emissiegrenswaarde voor stikstofoxiden van niet meer dan 150 mg/Nm3.
Een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift waarmee een halfuur- of daggemiddelde emissiegrenswaarde voor ammoniak als bedoeld in artikel 4.73, eerste lid, wordt verhoogd, bevat een halfuur- en daggemiddelde emissiegrenswaarde voor ammoniak van niet meer dan 10 mg/Nm3.
Voor een afvalverbrandingsinstallatie of afvalmeeverbrandingsinstallatie die voor 12 november 2019 in gebruik is genomen, kan met een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift de emissiegrenswaarde voor de som van dioxinen en furanen, bedoeld in artikel 4.73, eerste lid, worden verhoogd tot ten hoogste 0,06 ng/Nm3.
Voor een afvalverbrandingsinstallatie of afvalmeeverbrandingsinstallatie die voor 12 november 2019 in gebruik is genomen en waar injectie van droog adsorbent wordt toegepast voor de verwijdering van waterstoffluoride en zoutzuur, kunnen met een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift de halfuur- of daggemiddelde emissiegrenswaarden, bedoeld in artikel 4.73, eerste lid, worden verhoogd, tot ten hoogste 1 mg/Nm3 voor waterstoffluoride en 8 mg/Nm3 voor zoutzuur.
Artikel 4.75. (lucht: emissies andere afvalmeeverbrandingsinstallatie)
Voor de emissie in de lucht zijn de emissiegrenswaarden bij een andere afvalmeeverbrandingsinstallatie dan die, bedoeld in artikel 4.73, de waarden, bedoeld in tabel 4.75, gemeten in een continue of periodieke meting.
Voor het berekenen van de emissies van de stoffen, bedoeld in tabel 4.75, wordt de massaconcentratie omgerekend tot een zuurstofgehalte van 6% in afgas, met uitzondering van de emissies in de lucht veroorzaakt door het stoken van vloeibare of gasvormige brandstoffen.
Voor het berekenen van de emissies in de lucht veroorzaakt door het stoken van vloeibare of gasvormige brandstoffen wordt de massaconcentratie omgerekend tot een zuurstofgehalte van 3% in afgas.
| Stof | Emissiegrenswaarde in mg/Nm3 of ng/Nm3 |
|---|---|
| Kwik | 0,004 mg/Nm3 voor grote stookinstallaties; 0,02 mg/Nm3 voor andere stookinstallaties |
| Som van cadmium en thallium | 0,005 mg/Nm3 voor grote stookinstallaties; 0,015 mg/Nm3 voor andere stookinstallaties |
| Som van antimoon, arseen, chroom, kobalt, koper, lood, mangaan, nikkel en vanadium | 0,15 mg/Nm3 |
| Som van dioxinen en furanen, gedefinieerd als de som van de afzonderlijke dioxinen en furanen, gewogen volgens de equivalentiefactoren | 0,03 ng/Nm3 voor grote stookinstallaties; 0,1 ng/Nm3 voor andere stookinstallaties |
Artikel 4.76. (lucht: rekenmethode emissies andere afvalmeeverbrandingsinstallatie)
De emissiegrenswaarden voor totaal stof, gasvormige en vluchtige organische stoffen, uitgedrukt in totaal organische koolstof, zwaveldioxide, stikstofoxiden, koolmonoxide, zoutzuur en waterstoffluoride bij een afvalmeeverbrandingsinstallatie worden berekend volgens de formule:
waarbij wordt verstaan onder:
Vafval: volume van het afgas als gevolg van de verbranding van alleen afvalstoffen, bepaald op basis van de afvalstof of categorie van afvalstoffen die is gespecificeerd in de omgevingsvergunning met de laagste gemiddelde netto calorische waarde en omgerekend naar de emissieconcentratie bij een genormaliseerd zuurstofgehalte volgens de formule, bedoeld in artikel 4.75. Als de warmte die vrijkomt bij de verbranding van gevaarlijke afvalstoffen minder dan 10% is van de totale warmte die in de afvalmeeverbrandingsinstallatie vrijkomt, wordt Vafval berekend op basis van een hoeveelheid afvalstoffen die bij verbranding, bij de totale hoeveelheid vrijkomende warmte, 10% van de vrijkomende warmte zou opleveren.
Cafval: emissiegrenswaarde, bedoeld in tabel 4.73, voor een stof in milligram per normaal kubieke meter. Als in de tabel voor een stof meerdere emissiegrenswaarden zijn opgenomen, heeft Cafval betrekking op de daggemiddelde waarde. De Cafval-waarde wordt omgerekend naar het zuurstofgehalte van de afvalmeeverbrandingsinstallatie.
Vproces: volume van het afgas als gevolg van het proces dat gebeurt in de afvalverbrandingsinstallatie van de verbranding van brandstoffen die niet zijn aan te merken als afvalstoffen, bepaald bij een zuurstofgehalte als bedoeld in artikel 4.75. Als geen regels gelden voor het volume van het afgas van de afvalmeeverbrandingsinstallatie, wordt het werkelijke zuurstofgehalte in het afgas gebruikt, zonder verdunning door toevoeging van lucht die voor het verbrandingsproces niet nodig is.
Cproces: emissiegrenswaarde die voor deze stof zou gelden op grond van paragraaf 4.3, 4.126 of 4.127 als in deze stookinstallaties andere brandstoffen dan afvalstoffen zouden worden gestookt. Als in genoemde paragrafen geen emissiegrenswaarde is gesteld voor zoutzuur of waterstoffluoride, wordt hiervoor 30 respectievelijk 10 mg/Nm3 gebruikt.
C: totale emissiegrenswaarde, bepaald bij een zuurstofgehalte dat is vastgesteld volgens artikel 4.75.
Onder gemiddelde netto calorische waarde wordt verstaan: de hoeveelheid energie die op de onderste verbrandingswaarde is betrokken die bij de verbranding van een bepaalde hoeveelheid brandstof vrijkomt.
Artikel 4.77. (lucht: emissies cementovens)
Voor de emissie in de lucht zijn de emissiegrenswaarden bij een cementoven, die een afvalmeeverbrandingsinstallatie is, de waarden, bedoeld in tabel 4.77, gemeten in een continue of periodieke meting.
Voor het berekenen van de emissies van de stoffen, genoemd in tabel 4.77, wordt de massaconcentratie omgerekend tot een zuurstofgehalte van 10% in afgas.
| Stof | Emissiegrenswaarde in mg/Nm3 of ng/Nm3 |
|---|---|
| Totaal stof | 15 mg/Nm3 |
| Gasvormige en vluchtige organische stoffen, uitgedrukt in totaal organische koolstof | 10 mg/Nm3 |
| Zoutzuur | 10 mg/Nm3 |
| Waterstoffluoride | 1 mg/Nm3 |
| Zwaveldioxide | 50 mg/Nm3 |
| Stikstofoxiden | 500 mg/Nm3 |
| Kwik | 0,05 mg/Nm3 |
| Som van cadmium en thallium | 0,05 mg/Nm3 |
| Som van antimoon, arseen, chroom, kobalt, koper, lood, mangaan, nikkel en vanadium | 0,5 mg/Nm3 |
| Som van de afzonderlijke dioxinen en furanen, gewogen volgens de equivalentiefactoren | 0,1 ng/Nm3 |
Artikel 4.78. (lucht: meetmethoden)
Op het verrichten van emissiemetingen van de stoffen, bedoeld in tabellen 4.73, 4.75 en 4.77, is NEN-EN 15259 van toepassing.
Op het verrichten van een periodieke en parallelmeting is van toepassing:
- a. voor totaal stof: NEN-EN 13284-1;
- b. voor zoutzuur: NEN-EN 1911;
- c. voor zwaveldioxide: NEN-EN 14791;
- d. voor stikstofoxiden: NEN-EN 14792;
- e. voor koolmonoxide: NEN-EN 15058;
- f. voor waterstoffluoride: NEN-ISO 15713;
- g. voor kwik: NEN-EN 13211;
- h. voor totaal organische koolstof: NEN-EN 12619;
- i. voor de som van cadmium en thallium: NEN-EN 14385;
- j. voor de som van antimoon, arseen, chroom, kobalt, koper, lood, mangaan, nikkel en vanadium: NEN-EN 14385;
- k. voor de som van dioxinen en furanen: NEN-EN 1948-1, 1948-2 en 1948-3;
- l. voor zuurstof: NEN-EN 14789;
- m. voor waterdamp: NEN-EN 14790;
- n. voor debiet: NEN-EN-ISO 16911-1;
- o. voor benzo(a)pyreen: NEN-ISO 11338-1 en NEN-ISO 11338-2; en
- p. voor ammoniak: NEN-EN-ISO 21877.
Op het verrichten van een continue meting is van toepassing:
- a. voor totaal stof: NEN-EN 13284-2;
- b. voor de kwaliteitsborging: NEN-EN 14181.
Artikel 4.79. (lucht: meetplicht continu meten)
Van de volgende stoffen worden de emissies in de lucht continu gemeten:
- a. zwaveldioxide, totaal organische koolstof, zoutzuur, koolmonoxide, totaal stof, ammoniak en stikstofoxiden;
- b. waterstoffluoride, tenzij voor zoutzuur behandelingsstappen worden gevolgd waardoor de emissiegrenswaarde voor zoutzuur niet wordt overschreden; en
- c. kwik, tenzij het een afvalmeeverbrandingsinstallatie als bedoeld in artikel 4.75 of 4.77 betreft of op basis van emissiemetingen of meting van de samenstelling van de te verbranden afvalstoffen kan worden aangetoond dat de emissie in de lucht onder alle omstandigheden minder is dan 50% van de emissiegrenswaarde, bedoeld in artikel 4.73, in welke gevallen kwik periodiek ten minste tweemaal per jaar wordt gemeten.
Als voor zoutzuur behandelingsstappen worden gevolgd waardoor de emissiegrenswaarde voor zoutzuur niet wordt overschreden, wordt waterstoffluoride:
- a. periodiek ten minste tweemaal per jaar gemeten; of
- b. in het eerste jaar dat een afvalverbrandingsinstallatie of afvalmeeverbrandingsinstallatie in werking is, periodiek ten minste om de drie maanden gemeten.
Continue metingen worden onder alle bedrijfscondities verricht.
Artikel 4.80. (lucht: continue meting)
Een continue meting als bedoeld in artikel 4.79 omvat ook de meting van:
- a. het zuurstofgehalte;
- b. de temperatuur van de verbrandingskamer;
- c. de druk;
- d. het waterdampgehalte van het afgas, tenzij het afgas dat als monster wordt gebruikt, wordt gedroogd voordat de emissies in de lucht worden geanalyseerd;
- e. de temperatuur van het afgas; en
- f. het debiet van het afgas.
De temperatuur van de verbrandingskamer wordt dicht bij de binnenwand gemeten of op een ander punt, dat is aangetoond als representatief. De overige parameters worden gemeten dicht bij de plaats waar de emissiemetingen worden verricht.
Artikel 4.81. (lucht: meetplicht periodiek meten)
Van de volgende stoffen worden de emissies in de lucht periodiek ten minste om de zes maanden gemeten:
- a. antimoon;
- b. arseen;
- c. cadmium;
- d. chroom;
- e. dioxinen en furanen;
- f. kobalt;
- g. koper;
- h. lood;
- i. mangaan;
- j. nikkel;
- k. thallium; en
- l. vanadium.
In het eerste jaar dat een afvalverbrandingsinstallatie of afvalmeeverbrandingsinstallatie in werking is, wordt de emissie van de stoffen, bedoeld in het eerste lid, periodiek ten minste om de drie maanden gemeten.
De emissie van stikstofoxide van een afvalverbrandingsinstallatie wordt, in afwijking van artikel 4.79, periodiek ten minste om de zes maanden gemeten of in het eerste jaar dat een afvalverbrandingsinstallatie of afvalmeeverbrandingsinstallatie in werking is periodiek ten minste om de drie maanden gemeten, als:
- a. de afvalverbrandingsinstallatie een totale verbrandingscapaciteit heeft van minder dan 6 ton afvalstoffen per uur, waarbij:
- 1°. deze totale verbrandingscapaciteit bestaat uit de gezamenlijke verbrandingscapaciteit van de ovens waaruit een afvalverbrandingsinstallatie of een afvalmeeverbrandingsinstallatie bestaat, met inachtneming van de verbrandingswaarde van de afvalstoffen; en
- 2°. de door de fabrikant berekende verbrandingscapaciteit wordt bevestigd;
- b. een vergunning is verleend of een ontvankelijke aanvraag om een vergunning is ingediend voor 28 december 2002 en de afvalverbrandingsinstallatie uiterlijk op 28 december 2004 in gebruik is genomen; en
- c. wordt aangetoond dat emissies van stikstofoxiden niet meer zijn dan de emissiegrenswaarden, bedoeld in tabel 4.75, aan de hand van informatie over de kwaliteit van de afvalstoffen, de gebruikte technologieën en de resultaten van de monitoring van de emissies.
Als wordt aangetoond dat die emissie in geen geval hoger is dan de toepasselijke emissiegrenswaarde wordt het gehalte zoutzuur, waterstoffluoride of zwaveldioxide:
- a. periodiek ten minste om de zes maanden gemeten; of
- b. niet gemeten.
Het gehalte antimoon, arseen, cadmium, chroom, kobalt, koper, lood, mangaan, nikkel, thallium en vanadium wordt periodiek eenmaal in de twee jaar gemeten en het gehalte dioxinen en furanen wordt jaarlijks gemeten als wordt aangetoond dat:
- a. de emissies in de lucht onder alle omstandigheden minder zijn dan 50% van de emissiegrenswaarden die van toepassing zijn; of
- b. de afvalstoffen die worden verbrand of meeverbrand alleen bestaan uit bepaalde gesorteerde brandbare fracties ongevaarlijke afvalstoffen die niet recyclebaar zijn, en daarbij aan de hand van informatie over de kwaliteit van die afvalstoffen en over monitoring van de emissies wordt aangetoond dat de emissies in de lucht van de stoffen, bedoeld in het eerste lid, onder alle omstandigheden aanmerkelijk lager liggen dan de emissiegrenswaarden die van toepassing zijn.
Artikel 4.81a. (lucht: meetplicht periodiek meten van stoffen waarvoor geen emissiegrenswaarde geldt)
Van de volgende stoffen worden de emissies in de lucht periodiek ten minste om de zes maanden gemeten:
- a. benzo(a)pyreen; en
- b. PBDD/F voor zover er afvalstoffen met gebromeerde vlamvertragers worden verbrand of gebromeerde verbindingen worden toegevoegd in de rookgasreinigingsinstallatie.
Artikel 4.82. (lucht: moment vaststellen tijd, temperatuur en zuurstofgehalte)
De verblijftijd, de minimumtemperatuur en het zuurstofgehalte van de afgassen worden vastgesteld:
- a. op het moment dat de afvalverbrandingsinstallatie of afvalmeeverbrandingsinstallatie in werking wordt gesteld; en
- b. op het moment dat de afvalverbrandingsinstallatie of afvalmeeverbrandingsinstallatie onder de meest ongunstige bedrijfsomstandigheden in werking wordt gesteld.
Artikel 4.83. (lucht: bepalen zuurstofgehalte voor omrekenen resultaten meting)
De resultaten van de metingen, bedoeld in de artikelen 4.79 en 4.81, worden omgerekend tot een massaconcentratie bij het genormaliseerde zuurstofgehalte, volgens de formule:
waarbij wordt verstaan onder:
Es: de berekende emissieconcentratie bij het genormaliseerde zuurstofgehalte;
Em: de gemeten emissieconcentratie;
Os: het genormaliseerde zuurstofgehalte; en
Om: het gemeten zuurstofgehalte.
Als afvalstoffen worden verbrand of meeverbrand in een atmosfeer die met zuurstof is verrijkt, kunnen de meetresultaten worden omgerekend tot een zuurstofgehalte als wordt aangetoond dat dit de bijzondere omstandigheden van het geval weergeeft.
Als de emissies in de lucht van stoffen waarvoor emissiegrenswaarden zijn vastgesteld, worden verminderd door behandeling van het afgas in een afvalverbrandingsinstallatie of afvalmeeverbrandingsinstallatie waarin gevaarlijke afvalstoffen worden behandeld, wordt alleen omgerekend naar de zuurstofgehaltes als het gemeten zuurstofgehalte hoger is dan het relevante genormaliseerde zuurstofgehalte.
Artikel 4.84. (lucht: periodieke meting)
Een periodieke meting van zoutzuur, waterstoffluoride, zwaveldioxide of stikstofoxiden bestaat uit een serie van ten minste drie deelmetingen.
Een deelmeting duurt een half uur. Als het meettechnisch niet mogelijk is de deelmeting in die tijd te verrichten, kan de deelmeting ten hoogste twee uur duren.
Periodieke metingen van kwik, de som van cadmium en thallium en de som van antimoon, arseen, chroom, kobalt, lood, mangaan, nikkel en vanadium bestaan uit een deelmeting over een bemonsteringsperiode van ten minste een half uur en ten hoogste acht uur.
Een periodieke meting van dioxinen en furanen bestaat uit een deelmeting over een bemonsteringsperiode van ten minste zes uur en ten hoogste acht uur.
De meting wordt verricht door een laboratorium met een accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17025 voor de norm die volgens artikel 4.78 van toepassing is op de stof die wordt gemeten.
Artikel 4.85. (informeren: periodieke meting)
Het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, wordt ten minste twee weken voordat een periodieke meting wordt verricht, geïnformeerd over de datum en het tijdstip van die meting.
Het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, wordt uiterlijk op de datum dat een periodieke meting zou worden verricht, geïnformeerd over het niet doorgaan daarvan.
Artikel 4.86. (lucht: parallelmeting)
Geautomatiseerde meetsystemen worden ten minste jaarlijks met parallelmetingen gecontroleerd.
Een parallelmeting die wordt verricht om de meetapparatuur voor continue metingen te verifiëren duurt ten minste een half uur.
De meting wordt verricht door een laboratorium met een accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17025 voor de norm die volgens het eerste lid van toepassing is op de stof die wordt gemeten.
Artikel 4.87. (informeren: parallelmeting)
Het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, wordt geïnformeerd over de resultaten van de controle, bedoeld in artikel 4.86, eerste lid.
Het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, wordt ten minste twee weken voor een parallelmeting wordt verricht, geïnformeerd over de datum en het tijdstip van die meting.
Het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, wordt uiterlijk op de datum dat een parallelmeting zou worden verricht, geïnformeerd over het niet doorgaan daarvan.
Artikel 4.88. (lucht: meetonzekerheid)
Het resultaat van de continue meting en periodieke meting zijn de gevalideerde meetresultaten. Dat zijn de meetresultaten van de halfuurgemiddelden of de deelmetingen, verminderd met de aangetoonde meetonzekerheid, die niet meer is dan het percentage van de emissiegrenswaarde of niet meer is dan het aantal milligram per normaal kubieke meter, bedoeld in tabel 4.88.
De gevalideerde halfuurgemiddelden en daggemiddelden worden bij continue metingen en periodieke metingen vastgesteld op grond van de valide gemeten halfuurgemiddelden, verminderd met de waarde van het 95%-betrouwbaarheidsinterval.
De meetonzekerheid wordt bepaald op basis van het 95%-betrouwbaarheidsinterval van individuele metingen.
| Stof | Percentage meetonzekerheid | Meetonzekerheid in mg/Nm3 |
|---|---|---|
| Koolmonoxide | 10 | 5 |
| Zwaveldioxide | 20 | 10 |
| Stikstofoxide | 20 | 14 |
| Totaal stof | 30 | 1,5 |
| Totaal organische koolstof | 30 | 3 |
| Zoutzuur | 40 | 4 |
| Waterstoffluoride | 40 | 0,4 |
| Ammoniak | 40 | 2 |
| Kwik | 40 | 0,004 |
Artikel 4.89. (lucht: bepalen concentratie dioxinen en furanen)
Bij het bepalen van de totale concentratie van dioxinen en furanen worden de massaconcentraties van de dioxinen en dibenzofuranen, bedoeld in tabel 4.89, vermenigvuldigd met de toxische equivalentiefactoren, bedoeld in die tabel, voordat ze worden opgeteld.
| Stof | Afkorting | Toxische equivalentie-factor |
|---|---|---|
| 2,3,7,8 -tetrachloordibenzodioxine | tcdd | 1 |
| 1,2,3,7,8-pentachloordibenzodioxine | pecdd | 0,5 |
| 1,2,3,4,7,8-hexachloordibenzodioxine | hxcdd | 0,1 |
| 1,2,3,6,7,8-hexachloordibenzodioxine | hxcdd | 0,1 |
| 1,2,3,7,8,9-hexachloordibenzodioxine | hxcdd | 0,1 |
| 1,2,3,4,6,7,8-heptachloordibenzodioxine | hpcdd | 0,01 |
| Octachloordibenzodioxine | ocdd | 0,001 |
| 2,3,7,8-tetrachloordibenzofuraan | tcdf | 0,1 |
| 2,3,4,7,8-pentachloordibenzofuraan | pecdf | 0,5 |
| 1,2,3,7,8- pentachloordibenzofuraan | pecdf | 0,05 |
| 1,2,3,4,7,8-hexachloordibenzofuraan | hxcdf | 0,1 |
| 1,2,3,6,7,8-hexachloordibenzofuraan | hxcdf | 0,1 |
| 1,2,3,7,8,9-hexachloordibenzofuraan | hxcdf | 0,1 |
| 2,3,4,6,7,8-hexachloordibenzofuraan | hxcdf | 0,1 |
| 1,2,3,4,6,7,8-heptachloordibenzofuraan | hpcdf | 0,01 |
| 1,2,3,4,7,8,9-heptachloordibenzofuraan | hpcdf | 0,01 |
| Octachloordibenzofuraan | ocdf | 0,001 |
Artikel 4.90. (lucht: berekening voldoen emissiegrenswaarden)
Aan de emissiegrenswaarden voor afvalverbrandingsinstallaties voor totaal stof, totaal organische koolstof, zoutzuur, waterstoffluoride, ammoniak en zwaveldioxide wordt in ieder geval voldaan, als:
- a. geen van de daggemiddelden hoger is dan de emissiegrenswaarde; en
- b. 97% van de halfuurgemiddelden in een kalenderjaar niet hoger is dan de emissiegrenswaarde.
Aan de emissiegrenswaarden voor afvalverbrandingsinstallaties voor stikstofoxiden wordt voldaan, als:
- a. geen van de daggemiddelden hoger is dan de emissiegrenswaarde;
- b. geen van de maandgemiddelden hoger is dan de emissiegrenswaarde; en
- c. 97% van de halfuurgemiddelden in een kalenderjaar lager is dan de emissiegrenswaarde.
Aan de emissiegrenswaarden voor afvalverbrandingsinstallaties voor koolmonoxide wordt in ieder geval voldaan, als:
- a. 97% van de daggemiddelden in een kalenderjaar lager is dan de emissiegrenswaarde; en
- b. 95% van alle 10-minutengemiddelden in een periode van 24 uur lager is dan die emissiegrenswaarde.
Aan de emissiegrenswaarden voor afvalmeeverbrandingsinstallaties voor totaal stof, totaal organische koolstof, zoutzuur, waterstoffluoride, zwaveldioxide, stikstofoxiden, ammoniak en koolmonoxide wordt in ieder geval voldaan als geen van de daggemiddelden hoger is dan de emissiegrenswaarde.
Als continue metingen niet zijn vereist, wordt aan de emissiegrenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofoxiden, waterstoffluoride en zoutzuur in ieder geval voldaan, als geen enkele gevalideerde meetuitkomst voor die stof hoger is dan de emissiegrenswaarde.
Aan de emissiegrenswaarden voor de som van cadmium en thallium, de som van antimoon, arseen, chroom, kobalt, lood, mangaan, nikkel en vanadium en dioxinen en furanen wordt in ieder geval voldaan, als het gevalideerde resultaat van de periodieke metingen lager is dan de emissiegrenswaarde die daarbij hoort.
Aan de emissiegrenswaarde voor afvalverbrandingsinstallaties en afvalmeeverbrandingsinstallaties voor kwik wordt voldaan als:
- a. bij periodieke metingen het gevalideerde resultaat lager is dan de emissiegrenswaarde; of
- b. bij continue metingen geen van de daggemiddelden hoger is dan 150% van de emissiegrenswaarde.
Artikel 4.91. (lucht: bepaling periodegemiddelden)
Halfuurgemiddelden en 10-minutengemiddelden worden bepaald binnen de tijd dat de verbrandingsinstallatie in werking is, met uitzondering van de tijd die nodig is voor de inwerkingstelling en stillegging van de afvalverbrandingsinstallatie als in die tijd geen afvalstoffen worden verbrand.
Bij de bepaling van het daggemiddelde worden ten hoogste vijf halfuurgemiddelden door defecten of onderhoud van het systeem voor continue metingen buiten beschouwing gelaten.
Per kalenderjaar worden ten hoogste tien daggemiddelden door defecten of onderhoud van het systeem voor continue metingen buiten beschouwing gelaten.
Artikel 4.92. (lucht: overschrijding emissiegrenswaarden)
Het is toegestaan dat voor de emissie in de lucht bij een afvalverbrandingsinstallatie of afvalmeeverbrandingsinstallatie de emissiegrenswaarden, bedoeld in de artikelen 4.73, 4.75 en 4.77, of de emissiegrenswaarden, berekend volgens artikel 4.76, worden overschreden, als de overschrijding het rechtstreeks gevolg is van technisch onvermijdelijke:
- a. stilleggingen van de afgasreinigingsapparatuur of meetapparatuur;
- b. storingen; of
- c. defecten aan de afgasreinigingsapparatuur of meetapparatuur.
Als voor de emissie in de lucht bij een afvalverbrandingsinstallatie of afvalmeeverbrandingsinstallatie de emissiegrenswaarden, bedoeld in de artikelen 4.73, 4.75, 4.76 en 4.77 worden overschreden, kan de thermische behandeling van afvalstoffen niet langer dan 4 uur ononderbroken worden gecontinueerd.
Als voor de emissie in de lucht bij een afvalverbrandingsinstallatie of afvalmeeverbrandingsinstallatie de emissiegrenswaarden, bedoeld in de artikelen 4.73, 4.75, 4.76 en 4.77, worden overschreden, de ovens verbonden zijn met dezelfde afgasreinigingsinstallatie en:
- a. afvalstoffen thermisch worden behandeld, zijn de ovens niet meer dan 60 uur per kalenderjaar in werking; en
- b. afvalstoffen niet thermisch worden behandeld, zijn de ovens niet meer dan 120 uur per kalenderjaar in werking, verminderd met het aantal uur in het kalenderjaar dat de verbrandingsstraten onder de omstandigheid, bedoeld onder a, in werking zijn.
Bij een omstandigheid als bedoeld in het tweede of derde lid:
- a. zijn de artikelen 4.73, 4.75, 4.76 en 4.77, met uitzondering van de in die artikelen opgenomen emissiegrenswaarden voor koolmonoxide en gasvormige en vluchtige organische stoffen, in de periode dat die omstandigheid zich voordoet, niet van toepassing; en
- b. is de halfuurgemiddelde emissiegrenswaarde van totaal stof 150 mg/Nm3.
Bij een defect van de afgasreinigingsapparatuur wordt de activiteit zo spoedig mogelijk verminderd of stilgelegd totdat normale werking opnieuw mogelijk is.
Artikel 4.93. (lucht: automatisch systeem bij storing afgasreinigingsapparatuur)
Met het oog op het beperken van emissies in de lucht wordt bij het exploiteren van een afvalverbrandingsinstallatie en een afvalmeeverbrandingsinstallatie een automatisch systeem gebruikt dat de toevoer van afvalstoffen voorkomt als uit continue metingen blijkt dat een emissie in de lucht als gevolg van storingen of defecten aan de afgasreinigingsapparatuur hoger is dan een emissiegrenswaarde.
Artikel 4.94. (energie)
Als dit technisch mogelijk is, wordt de warmte die door het proces van thermische behandeling in een afvalverbrandingsinstallatie of afvalmeeverbrandingsinstallatie wordt opgewekt, teruggewonnen.
Artikel 4.95. (energie: netto elektrisch rendement)
Met het oog op het zuinig gebruik van energie en grondstoffen is het netto elektrisch rendement van een afvalmeeverbrandingsinstallatie met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van 300 MW of meer die met steenkool of een combinatie van steenkool en een andere brandstof wordt gestookt en die niet is bedoeld voor het drogen of het behandelen van voorwerpen of materialen door direct contact met verbrandingsgas ten minste 40%.
Het netto elektrisch rendement wordt bepaald over de laatste vijf jaar dat de afvalmeeverbrandingsinstallatie in gebruik is of, als dat gebruik korter is dan vijf jaar, over de periode dat de afvalmeeverbrandingsinstallatie elektriciteit heeft geleverd aan een transmissiesysteem voor elektriciteit als bedoeld in artikel 1.1 van de Energiewet, waarbij deze periode ten minste een jaar is.
Het netto elektrisch rendement wordt bepaald door de aan een transmissiesysteem voor elektriciteit, geleverde elektriciteit te delen door de energie-inhoud van de ingezette brandstoffen.
Bij levering aan een warmtenet wordt:
- a. de energie-inhoud van de ingezette brandstoffen gecorrigeerd voor de energie-inhoud van de brandstoffen die worden gebruikt in verband met de warmteproductie; en
- b. de aan een transmissiesysteem voor elektriciteit geleverde elektriciteit verhoogd met de elektriciteitsderving door de warmtelevering.
Artikel 4.96. (afval: in ontvangst nemen van afvalstoffen)
Met het oog op een doelmatig beheer van afvalstoffen worden afvalstoffen alleen in ontvangst genomen als:
- a. de massa van de afvalstoffen is vastgesteld en geregistreerd, zo mogelijk per categorie als bedoeld in de bijlage bij de afvalbeschikking;
- b. van de gevaarlijke afvalstoffen representatieve monsters zijn genomen, zo mogelijk voordat de lading wordt gelost en die monsters zijn geanalyseerd;
- c. degene waarvan de gevaarlijke afvalstoffen in ontvangst worden genomen de volgende gegevens heeft verstrekt en daarvan de gegevens, bedoeld onder 1° en 2°, zijn gecontroleerd:
- 1°. de begeleidingsbrieven, bedoeld in artikel 10.39, eerste lid, onder b, van de Wet milieubeheer, en, voor zover van toepassing, het vervoersdocument voor grensoverschrijdende afvaloverbrengingen, bedoeld in bijlage IB bij Verordening (EG) nr. 1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 14 juni 2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen (PbEU 2006, L 190);
- 2°. de gegevens die bij of krachtens de Wet vervoer gevaarlijke stoffen zijn vereist;
- 3°. de gegevens over de gevaarlijke eigenschappen van de gevaarlijke afvalstoffen;
- 4°. de gegevens over de stoffen waarmee de gevaarlijke afvalstoffen niet mogen worden gemengd;
- 5°. de gegevens over de bij de behandeling van de gevaarlijke afvalstoffen te treffen voorzorgsmaatregelen;
- 6°. de fysische, en als dat mogelijk is, chemische samenstelling van de afvalstoffen; en
- 7°. alle overige gegevens die nodig zijn voor de beoordeling van de geschiktheid van die stoffen voor het beoogde verbrandingsproces.
De monsters, bedoeld in het eerste lid, onder b, worden ten minste een maand na het thermisch behandelen van de partij waaruit de monsters zijn genomen bewaard. De fysische en chemische samenstelling blijft ongewijzigd.
De gegevens, bedoeld in het eerste lid, onder a en c, worden ten minste vijf jaar na het thermisch behandelen van de partij waarop de gegevens betrekking hebben bewaard.
Artikel 4.96a. (afbakening mogelijkheid maatwerk in ontvangst nemen van afvalstoffen)
Een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift waarmee artikel 4.96 wordt versoepeld, wordt alleen gesteld voor een ippc-installatie waarin alleen afvalstoffen thermisch worden behandeld die afkomstig zijn van die installatie.
Artikel 4.97. (afval: tests eigenschappen afvalverbrandingsresiduen)
Voordat de methoden van verwijdering of recycling van de residuen worden vastgesteld, worden passende tests uitgevoerd om na te gaan wat de fysische en chemische eigenschappen en het verontreinigend vermogen van de residuen zijn. Die tests hebben betrekking op de totale oplosbare fractie en de oplosbare fractie zware metalen.
Artikel 4.98. (afval: afvalverbrandingsresiduen en terugwinnen warmte afvalverbrandingsinstallatie)
Met het oog op een doelmatig beheer van afvalstoffen bij een afvalverbrandingsinstallatie worden afvalverbrandingsresiduen gerecycled als dat mogelijk is en dat de voorkeur heeft.
Een afvalverbrandingsinstallatie wordt zo geëxploiteerd dat een niveau van thermische behandeling wordt bereikt waardoor:
- a. de totale hoeveelheid organische koolstof in de slakken en de bodemas minder is dan 3% van het droge gewicht van het materiaal; of
- b. het gloeiverlies van de slakken en de bodemas minder is dan 5% van het droge gewicht van het materiaal.
Voor de toepassing van het tweede lid worden de slakken en de bodemas viermaal per jaar bemonsterd en geanalyseerd. De bemonstering wordt verricht volgens NEN-EN 14899 en de analyse wordt voor onderdeel a verricht volgens NEN-EN 15619 of NEN-EN 15935 en voor onderdeel b volgens NEN-EN 13137 of NEN-EN 15936.
Een afvalverbrandingsinstallatie is zo uitgerust en gebouwd en wordt zo geëxploiteerd dat, zelfs in de meest ongunstige omstandigheden, het bij het proces ontstane gas, na de laatste toevoer van verbrandingslucht, twee seconden op beheerste en homogene wijze wordt verhit tot een temperatuur, gemeten dichtbij de binnenwand of op een ander representatief punt van de verbrandingskamer, van:
- a. ten minste 850 °C; of
- b. ten minste 1.100 °C als gevaarlijke afvalstoffen met een gehalte dat hoger is dan 1% gehalogeneerde organische verbindingen, uitgedrukt in chloor, thermisch worden behandeld.
Bij het exploiteren van een afvalverbrandingsinstallatie wordt een automatisch systeem gebruikt dat de toevoer van afvalstoffen voorkomt:
- a. totdat bij het in werking stellen de temperatuur die op grond van het vierde lid is vereist, is bereikt; en
- b. als de vereiste temperatuur niet blijft gehandhaafd.
Artikel 4.99. (afval: afvalverbrandingsresiduen en terugwinnen warmte afvalverbrandingsinstallatie, hulpbrander)
Met het oog op een doelmatig beheer van afvalstoffen wordt elke verbrandingskamer van de afvalverbrandingsinstallatie uitgerust met ten minste een hulpbrander die automatisch wordt ingeschakeld als de temperatuur van de verbrandingsgassen, na de laatste toevoer van verbrandingslucht, tot onder de temperatuur zakt die op grond van artikel 4.98, derde lid, is vereist.
De hulpbrander wordt ook tijdens de inwerkingstelling en de stillegging van de afvalverbrandingsinstallatie gebruikt om ervoor te zorgen dat de temperatuur die op grond van artikel 4.98, derde lid, is vereist tijdens deze inwerkingstelling en stillegging steeds wordt gehandhaafd zolang de verbrandingskamer onverbrande afvalstoffen bevat.
Naar de hulpbrander worden geen brandstoffen toegevoerd die hogere emissies kunnen veroorzaken dan de emissies bij het stoken van gasolie voor de scheepvaart, bedoeld in Richtlijn 2016/802 van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2016 betreffende een vermindering van het zwavelgehalte van bepaalde vloeibare brandstoffen (PbEU 2016, L 132).
Artikel 4.100. (afval: afvalverbrandingsresiduen en terugwinnen warmte afvalmeeverbrandingsinstallatie)
Met het oog op een doelmatig beheer van afvalstoffen bij een afvalmeeverbrandingsinstallatie worden afvalverbrandingsresiduen gerecycled als dat mogelijk is en dat de voorkeur heeft.
Een afvalmeeverbrandingsinstallatie is zo ontworpen, uitgerust en gebouwd en wordt zo geëxploiteerd dat, zelfs in de meest ongunstige omstandigheden, het door de meeverbranding van afvalstoffen ontstane gas, twee seconden op beheerste en homogene wijze wordt verhit tot een temperatuur, van:
- a. ten minste 850 °C; of
- b. ten minste 1.100 °C als gevaarlijke afvalstoffen met een gehalte dat hoger is dan 1% gehalogeneerde organische stoffen, uitgedrukt in chloor, worden meeverbrand.
Er wordt een automatisch systeem gebruikt dat de toevoer van afvalstoffen voorkomt totdat bij het in werking stellen de temperatuur is bereikt die op grond van het tweede lid is vereist of als de vereiste temperatuur niet blijft gehandhaafd.
Artikel 4.101. (treffen gelijkwaardige maatregel)
Als een gelijkwaardige maatregel betrekking heeft op maatregelen als bedoeld in de artikelen 4.98, 4.99 en 4.100, is toestemming als bedoeld in artikel 4.7 van de wet niet vereist.
Artikel 4.102. (afval: beheer en exploitatie)
Met het oog op een doelmatig beheer van afvalstoffen is het beheer van een afvalverbrandingsinstallatie of een afvalmeeverbrandingsinstallatie in handen van een natuurlijk persoon die bekwaam is deze te beheren en wordt de installatie doelmatig geëxploiteerd.
Een doelmatige exploitatie omvat ten minste operationele procedures, managementsystemen en technische voorzieningen die:
- a. waarborgen dat de procescondities zijn afgestemd op de afvalstoffen die worden verbrand;
- b. voor zover mogelijk de opstart- en afstookperiodes tot een minimum beperken;
- c. bedrijfsvoering buiten de ontwerpwaarden voorkomen;
- d. de emissies tijdens storingen en andere periodes met verhoogde emissies tot een minimum beperken;
- e. het nuttig gebruik van hulpstoffen en reagentia in de rookgasreiniging waarborgen;
- f. de hoeveelheden residuen en afvalstoffen en afvalwater uit de rookgasreiniging tot een minimum beperken;
- g. waarborgen dat vervuilde afvalwaterstromen voor reiniging niet worden verdund;
- h. waarborgen dat slakken, bodemassen en rookgasreinigingsresiduen, voor zover haalbaar, nuttig hergebruikt kunnen worden; en
- i. diffuse emissies van geur, stof en vluchtige organische stoffen ten gevolge van transport, opslag en behandeling van afvalstoffen tot een minimum beperken.
Artikel 4.103. (afval: ziekenhuisafval)
Met het oog op een doelmatig beheer van afvalstoffen wordt infectieus ziekenhuisafval rechtstreeks en in gesloten verpakking in de oven van een afvalverbrandingsinstallatie of afvalmeeverbrandingsinstallatie geplaatst, zonder voorafgaande vermenging met andere categorieën van afvalstoffen volgens de bijlage bij de afvalbeschikking.
Artikel 4.103a
Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2023/298.
Artikel 4.103b
Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2023/298.
Artikel 4.103c
Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2023/298.
Artikel 4.103d
Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2023/298.
Artikel 4.103e
Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2023/298.
Artikel 4.103f
Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2023/298.
Artikel 4.103g
Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2023/298.
§ 4.5. Titaandioxide-installatie
Artikel 4.104. (toepassingsbereik)
Deze paragraaf is van toepassing op het maken van titaandioxide.
Artikel 4.105. (informeren: omvang productie)
Het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, wordt jaarlijks voor 1 maart geïnformeerd over de omvang van de productie van titaandioxide over het daaraan voorafgaande kalenderjaar.
Artikel 4.106. (afbakening mogelijkheid maatwerk)
Met een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift worden de regels in deze paragraaf niet versoepeld.
Artikel 4.107. (water: geen afvalstoffen lozen)
De volgende afvalstoffen worden niet geloosd:
- a. vaste afvalstoffen;
- b. moederlogen afkomstig uit de filtratiefase na de hydrolyse van de oplossing van titanylsulfaat van een installatie die het sulfaatproces toepast, waaronder in ieder geval:
- 1°. zure afvalstoffen die met deze logen zijn gecombineerd en die gemiddeld meer dan 0,5% vrij zwavelzuur en verschillende zware metalen bevatten; en
- 2°. de moederlogen die zijn verdund tot ze 0,5% of minder vrij zwavelzuur bevatten;
- c. afvalstoffen afkomstig van een ippc-installatie waarin het chlorideproces wordt toegepast en die meer dan 0,5% vrij zoutzuur en verschillende zware metalen bevatten, waaronder in ieder geval de afvalstoffen die zijn verdund tot ze 0,5% of minder vrij zoutzuur bevatten; en
- d. filterzouten, slibvormige afvalstoffen en vloeibare afvalstoffen die vrijkomen bij de behandeling door concentratie of neutralisatie van de afvalstoffen, bedoeld onder b en c, en die verschillende zware metalen bevatten, met uitzondering van geneutraliseerde en gefilterde of gedecanteerde afvalstoffen die alleen sporen van zware metalen bevatten en die een zuurgraad van meer dan pH 5,5 hebben, gemeten in een steekmonster.
Artikel 4.108. (water: emissiegrenswaarden lozing op een oppervlaktewaterlichaam)
Voor het afvalwater afkomstig van een installatie waarin het sulfaatproces wordt toegepast dat wordt geloosd op een oppervlaktewaterlichaam zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 4.108.
| Stof | Emissiegrenswaarde kalenderjaargemiddelde in kg/ton geproduceerde titaandioxide |
|---|---|
| Sulfaat | 100 |
| Onopgeloste stoffen | 2,5 |
| IJzerverbindingen | 0,6 |
Artikel 4.109. (water: emissiegrenswaarden lozing op een oppervlaktewaterlichaam)
Voor het afvalwater afkomstig van een installatie waarin het chlorideproces wordt toegepast dat wordt geloosd op een oppervlaktewaterlichaam, zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 4.109.
Als natuurlijk rutiel, synthetisch rutiel of slakken worden gebruikt, gelden de voor die grondstoffen bedoelde emissiegrenswaarden naar evenredigheid van de hoeveelheden waarin deze stoffen worden gebruikt.
| Stof | Emissiegrenswaarde kalenderjaargemiddelde in kg/ton geproduceerde titaandioxide |
|---|---|
| Chloride bij gebruik van natuurlijk rutiel | 130 |
| Chloride bij gebruik van synthetisch rutiel | 228 |
| Chloride bij gebruik van slakken | 330 |
| Chloride bij gebruik van slakken voor emissies in zout water | 450 |
Artikel 4.110. (water: meetmethoden)
Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.
Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.
Op het ontsluiten van een monster is NEN-EN-ISO 15587-1 van toepassing.
Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is van toepassing:
- a. voor de zuurgraad: NEN-EN-ISO 10523;
- b. voor onopgeloste stoffen: NEN-EN 872;
- c. voor ijzerverbindingen: NEN-EN-ISO 17294-2;
- d. voor sulfaat: NEN-ISO 22743; en
- e. voor chloride: NEN-EN-ISO 15682.
Artikel 4.111. (water: bemonsterplicht)
Het afvalwater wordt ten minste elke zes maanden bemonsterd door een met het debiet evenredige steekproef over een periode van 24 uur, en geanalyseerd op:
- a. de zuurgraad;
- b. sulfaat, bij het sulfaatproces; en
- c. chloride, bij het chlorideproces.
Artikel 4.112. (lucht: emissie zuurdruppels)
Met het oog op het beschermen van de kwaliteit van de lucht wordt de emissie van zuurdruppels in de lucht voorkomen.
Artikel 4.113. (lucht: emissies)
Voor de emissie in de lucht bij het maken van titaandioxide via het chlorideproces en sulfaatproces zijn de emissiegrenswaarden voor titaandioxide de waarden, bedoeld in tabel 4.113, gemeten in een continue, periodieke of eenmalige meting.
| Stof | Emissiegrenswaarde in kalenderjaargemiddelde in kg/ton geproduceerde titaandioxide | Emissiegrenswaarde in uurgemiddelde in mg/Nm3 |
|---|---|---|
| Totaal stof, waarbij massastroom ten minste 200 g/uur | 0,2 | 5 |
| Totaal stof, waarbij massastroom minder dan 200 g/uur | 0,2 | 20 |
| Gasvormig zwaveldioxide en zwaveltrioxide | 1,7 | 50 |
Artikel 4.114. (lucht: emissies bij maken via chlorideproces)
Voor de emissie in de lucht bij het maken van titaandioxide via het chlorideproces zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 4.114, gemeten in een continue, periodieke of eenmalige meting.
| Stof | Emissiegrenswaarde in kalenderjaargemiddelde in kg/ton geproduceerde titaandioxide | Emissiegrenswaarde in daggemiddelde in mg/Nm3 | Emissiegrenswaarde in momentane waarde in mg/Nm3 |
|---|---|---|---|
| Zoutzuur | 0,1 | 10 | |
| Chloor | 3 | 40 |
Artikel 4.115. (lucht: meetmethoden)
Op het verrichten van emissiemetingen van de stoffen, bedoeld in tabellen 4.113 en 4.114, is NEN-EN 15259 van toepassing.
Op het verrichten van een periodieke meting en parallelmeting is van toepassing:
- a. voor totaal stof: NEN-EN 13284-1;
- b. voor zoutzuur en chloor: NEN-EN 1911;
- c. voor zwaveldioxide en zwaveltrioxide: NEN-EN 14791;
- d. voor zuurstof: NEN-EN 14789;
- e. voor waterdamp: NEN-EN 14790; en
- f. voor debiet: NEN-EN-ISO 16911-1.
Op het verrichten van een continue meting is van toepassing:
- a. voor totaal stof: NEN-EN 13284-2; en
- b. voor de kwaliteitsborging: NEN-EN 14181.
Artikel 4.116. (lucht: meetplicht)
Er wordt gemeten of aan de emissiegrenswaarden, bedoeld in de artikelen 4.113 en 4.114, wordt voldaan.
De meting van de emissies omvat:
- a. een continue meting van de emissieconcentratie van totaal stof afkomstig uit puntbronnen met een massastroom van ten minste 200 g/u;
- b. een eenmalige meting van de emissieconcentratie van totaal stof afkomstig uit puntbronnen met een massastroom van minder dan 200 g/u;
- c. als het sulfaatproces wordt gebruikt: een continue meting van de emissieconcentratie van gasvormig zwaveldioxide en zwaveltrioxide afkomstig van de ontsluiting en roosting uit installaties voor de concentratie van afvalzuren; en
- d. als het chlorideproces wordt gebruikt:
- 1°. een eenmalige meting van de emissieconcentratie van gasvormig zwaveldioxide en zwaveltrioxide;
- 2°. een continue meting van de emissieconcentratie van chloor afkomstig uit de voornaamste bronnen; en
- 3°. om het jaar een periodieke meting van de emissieconcentratie van zoutzuur.
Artikel 4.117. (lucht: eenmalige, periodieke en continue meting)
Een eenmalige meting bestaat uit drie deelmetingen van ten minste vijftien minuten en ten hoogste een half uur. Dit geldt niet als een langere bemonsteringstijd voortvloeit uit de meetmethode of de wijze van bemonsteren.
Een periodieke meting bestaat uit ten minste drie deelmetingen van een half uur. Als het meettechnisch niet mogelijk is om de deelmeting in die tijd te verrichten, kan de deelmeting ten hoogste twee uur duren.
Het resultaat van de eenmalige meting zijn de gevalideerde meetresultaten. Dat zijn de meetresultaten van de deelmetingen, verminderd met de aangetoonde meetonzekerheid, die niet meer is dan het percentage van de emissiegrenswaarde, bedoeld in tabel 4.117.
Het resultaat van de periodieke meting zijn de gevalideerde meetresultaten. Dat zijn de meetresultaten van de uurgemiddelden of de deelmetingen, verminderd met de aangetoonde meetonzekerheid, die niet meer is dan het percentage van de emissiegrenswaarde, bedoeld in tabel 4.117.
De meetonzekerheid wordt bepaald op basis van het 95%-betrouwbaarheidsinterval van individuele metingen.
De meting wordt verricht door een laboratorium met een accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17025 voor de norm die volgens artikel 4.115 van toepassing is op de stof die wordt gemeten.
| Stof | Percentage meetonzekerheid |
|---|---|
| Zwaveldioxide | 20 |
| Stikstofoxide | 20 |
| Totaal stof | 30 |
| Debiet | 20 |
| Overig | 40 |
Artikel 4.118. (lucht en water: parallelmeting)
Geautomatiseerde meetsystemen worden jaarlijks met parallelmetingen gecontroleerd.
De meting wordt verricht door een laboratorium met een accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17025 voor de norm die volgens het eerste lid van toepassing is op de stof die wordt gemeten.
Artikel 4.119. (informeren: controle meetsysteem)
Het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, wordt ten hoogste vier weken na de controle, bedoeld in artikel 4.118, eerste lid, geïnformeerd over de resultaten daarvan.
§ 4.6. Clausinstallatie
Artikel 4.120. (toepassingsbereik)
Deze paragraaf is van toepassing op het maken van zwavel in een olieraffinaderij volgens het Clausproces of modificaties van het Clausproces.
Artikel 4.121. (lucht: omzettingsgraad geconcentreerd waterstofsulfide)
De omzettingsgraad van geconcentreerd waterstofsulfide van een installatie die zwavel produceert is per maand gemiddeld ten minste 99,8%.
Voor een bestaande installatie die zwavel produceert waarvoor op 1 januari 2016 een omgevingsvergunning voor het oprichten, het veranderen of het veranderen van de werking of het in werking hebben van een inrichting op grond van artikel 2.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in werking was en onherroepelijk was waarin een lagere omzettingsgraad is vastgelegd, geldt de in die omgevingsvergunning opgenomen lagere omzettingsgraad.
Het tweede lid is niet van toepassing op een bestaande installatie die zwavel produceert waarvan de verwerkingscapaciteit van de totale installatie met meer dan 50% wordt verhoogd.
§ 4.7. Asfaltcentrale
Artikel 4.122. (toepassingsbereik)
Deze paragraaf is van toepassing op het maken van asfalt of asfaltproducten.
Artikel 4.123. (aanwijzing modules: eindonderzoek bodem en bodembeschermende voorzieningen)
Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 4.122, wordt voldaan aan de regels over:
- a. het eindonderzoek bodem, bedoeld in paragraaf 5.2.1; en
- b. bodembeschermende voorzieningen, bedoeld in paragraaf 5.4.2.
Artikel 4.124. (bodem: bodembeschermende voorziening)
Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem met bitumen worden asfalt en asfaltproducten gemaakt boven een aaneengesloten bodemvoorziening.
Artikel 4.125. (water: lozingsroute)
Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater wordt het te lozen afvalwater afkomstig van het maken van asfalt of asfaltproducten geloosd in een vuilwaterriool.
Als een maatwerkvoorschrift is gesteld of een voorschrift aan een omgevingsvergunning is verbonden waarin een andere lozingsroute is toegestaan, wordt het te lozen afvalwater geloosd in een vuilwaterriool of via die andere route.
Artikel 4.126. (water: riooltekening)
Er is een tekening beschikbaar waarop is aangegeven:
- a. op welke punten welk afvalwater wordt geloosd;
- b. of de punten waarop afvalwater wordt geloosd zijn aangesloten op het eigen vuilwaterriool of een schoonwaterriool; en
- c. op welke lozingsroutes het eigen vuilwaterriool en een schoonwaterriool uitkomen.
Artikel 4.127. (lucht: emissies)
Voor de emissie in de lucht zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 4.127.
Het eerste lid is niet van toepassing als de emissie de ondergrens, bedoeld in tabel 4.127, niet overschrijdt.
| Stof | Emissiegrenswaarde in mg/Nm3 | Ondergrens in kg/jaar |
|---|---|---|
| Polycyclische aromatische koolwaterstoffen | 0,05 | 0,075 |
| Totaal stof | 5 | 100 |
| Stikstofoxiden, berekend als stikstofdioxiden | 50 | 1.000 |
| Zwaveloxiden, berekend als zwaveldioxiden | 50 | 1.000 |
| Vluchtige organische stoffen | 200 | 250 |
| Benzeen | 1 | 1,25 |
Artikel 4.128. (lucht: maatregelen)
Aan artikel 4.127, eerste lid, wordt voor totaal stof in ieder geval voldaan als de emissies van de droogtrommel en de installatie voor de productie van asfalt:
- a. worden afgezogen; en
- b. door een geschikte filtrerende afscheider worden gevoerd.
Artikel 4.129. (lucht: meetmethoden)
Op het verrichten van emissiemetingen van de stoffen, bedoeld in artikel 4.127, is NEN-EN 15259 van toepassing.
Op het verrichten van een meting zijn ook van toepassing:
- a. voor polycyclische aromatische koolwaterstoffen: NEN-ISO 11338-1 en NEN-ISO 11338-2;
- b. voor totaal stof: NEN-EN 13284-1;
- c. voor stikstofoxiden, berekend als stikstofdioxide: NEN-EN 14792;
- d. voor zwaveloxiden, berekend als zwaveldioxide: NEN-EN 14791;
- e. voor onverbrande koolwaterstoffen: NEN-EN 12619; en
- f. voor benzeen: NPR-CEN/TS 13649.
De toetsing aan de emissiegrenswaarde voor polycyclische aromatische koolwaterstoffen vindt plaats op basis van de som van de gemeten concentraties van naftaleen, acenaftyleen, acenafteen, fluoreen, fenantreen, anthraceen, fluorantheen, pyreen, benz(a)anthraceen, chryseen, benzo(b)fluorantheen, benzo(k)fluorantheen, benzo(a)pyreen, indeno(1,2,3,c,d)pyreen, dibenzo(a,h)anthraceen en benzo(g,h,i)peryleen.
Emissies worden omgerekend tot een volumegehalte aan zuurstof van 17%.
Artikel 4.130. (lucht: monitoring en uitzondering meetplicht)
Er wordt ten minste eenmalig gemeten of aan de emissiegrenswaarden voor totaal stof, stikstofoxiden, zwaveloxiden en vluchtige organische stoffen, bedoeld in tabel 4.127, wordt voldaan.
Het eerste lid is voor totaal stof niet van toepassing als de maatregelen, bedoeld in artikel 4.128, worden getroffen.
Er wordt ten minste één keer per jaar gemeten of aan de emissiegrenswaarden voor polycyclische aromatische koolwaterstoffen en benzeen, bedoeld in tabel 4.127, wordt voldaan.
Wanneer een emissiereductietechniek wordt toegepast vindt ook monitoring plaats door middel van een emissierelevante parameter.
Bij een emissierelevante parameter wordt aangetoond:
- a. welke emissierelevante parameters de emissies van een specifieke component controleren; en
- b. binnen welke grenzen de emissierelevante parameters voldoen aan de emissiegrenswaarde.
Artikel 4.131. (lucht: eenmalige en jaarlijkse meting)
Een meting bestaat uit drie deelmetingen van ten minste vijftien minuten en ten hoogste een half uur. Als het meettechnisch niet mogelijk is om de deelmeting van polycyclische aromatische koolwaterstoffen en benzeen in die tijd te verrichten, kan de meting van deze stoffen ook bestaan uit een eenmalige meting van 2 uur.
Het resultaat van een meting zijn de gevalideerde meetresultaten. Dat zijn de meetresultaten van de deelmetingen of de eenmalige meting, verminderd met de aangetoonde meetonzekerheid, die niet meer is dan het percentage van de emissiegrenswaarde, bedoeld in tabel 4.131.
De meetonzekerheid wordt bepaald op basis van het 95%-betrouwbaarheidsinterval van individuele metingen.
De meting wordt verricht door een laboratorium met een accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17025 voor de norm die volgens artikel 4.129 van toepassing is op de stof die wordt gemeten.
Artikel 4.132. (lucht: berekening emissiegrenswaarde)
Aan de emissiegrenswaarden, bedoeld in tabel 4.127, wordt voldaan als in geen van de metingen de emissies hoger zijn dan de emissiegrenswaarden in die tabel.
Als een emissie in een van de deelmetingen hoger is dan de emissiegrenswaarde, wordt de eenmalige meting uiterlijk drie maanden na de laatste deelmeting van de eenmalige meting herhaald.
Als de hogere emissie die aanleiding was voor de herhaalde eenmalige meting opnieuw hoger is dan de emissiegrenswaarde, worden maatregelen getroffen om verdere overschrijding te voorkomen.
Artikel 4.133. (lucht: keuring op optimale verbranding)
Met het oog op het beperken van emissies in de lucht wordt een asfaltmenginstallatie ten minste eenmaal per vier jaar gekeurd op optimale verbranding.
De keuring wordt voor de eerste keer uitgevoerd uiterlijk zes weken nadat de asfaltmenginstallatie in gebruik is genomen.
De keuring omvat:
- a. de afstelling voor de verbranding;
- b. het systeem voor de toevoer van brandstof en verbrandingslucht; en
- c. de afvoer van verbrandingsgassen.
De keuring wordt verricht door een onderneming met een certificaat voor de Deelregeling voor inspectie en onderhoud van stookinstallaties, onderdeel van de Certificatieregeling voor het kwaliteitsmanagementsysteem ten behoeve van het uitvoeren van onderhoud en inspectie aan technische installaties, van de stichting SCIOS, verstrekt door een certificatie-instantie met een accreditatie volgens ISO/IEC 17021-1 voor die Deelregeling.
Als uit de keuring blijkt dat de stookinstallatie onderhoud nodig heeft, wordt dat onderhoud uiterlijk twee weken na de keuring verricht.
§ 4.8. Betoncentrale
Artikel 4.134. (toepassingsbereik)
Deze paragraaf is van toepassing op het maken van betonmortel.
Artikel 4.135. (melding: lozing op een oppervlaktewaterlichaam)
Het is verboden het afvalwater afkomstig van de activiteit, bedoeld in artikel 4.134, te lozen op een oppervlaktewaterlichaam zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.
Een melding bevat:
- a. de locaties van de lozingspunten; en
- b. het maximale lozingsdebiet in kubieke meters per uur.
Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.
Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.
Artikel 4.136. (aanwijzing modules: eindonderzoek bodem en bodembeschermende voorzieningen)
Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 4.134, wordt voldaan aan de regels over:
- a. het eindonderzoek bodem, bedoeld in paragraaf 5.2.1; en
- b. bodembeschermende voorzieningen, bedoeld in paragraaf 5.4.2.
Artikel 4.137. (bodem: bodembeschermende voorziening bij het reinigen van met betonmortel verontreinigde onderdelen en voorzieningen)
Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem met betonmortel worden verontreinigde onderdelen en voorzieningen gereinigd boven een aaneengesloten bodemvoorziening.
Artikel 4.138. (bodem: bodembeschermende voorziening bij het doseren en mengen van goederen tot betonmortel)
Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem met vliegas, poederkoolvliegas en gegranuleerde hoogovenslakken worden goederen gedoseerd en gemengd tot betonmortel boven een aaneengesloten bodemvoorziening.
Artikel 4.139. (water: opnieuw gebruiken spoelwater)
Met het oog op het beperken van de hoeveelheid afvalwater wordt spoelwater opnieuw gebruikt.
Artikel 4.140. (water: lozingsroutes)
Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater wordt het te lozen afvalwater afkomstig van het reinigen van installaties en voorzieningen voor het maken van betonmortel en het inwendig reinigen van voertuigen waarin betonmortel is vervoerd, geloosd op een oppervlaktewaterlichaam.
Als een maatwerkvoorschrift is gesteld of een voorschrift aan een omgevingsvergunning is verbonden waarin een andere lozingsroute is toegestaan, wordt het te lozen afvalwater geloosd op een oppervlaktewaterlichaam of via die andere route.
Artikel 4.141. (water: emissiegrenswaarden lozing op een oppervlaktewaterlichaam)
Met het oog op de doelmatige werking van de voorzieningen voor het beheer van afvalwater en het beperken van verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam wordt het afvalwater dat wordt geloosd op een oppervlaktewaterlichaam geleid door een bezinkvoorziening.
Voor dat afvalwater is de emissiegrenswaarde voor onopgeloste stoffen 100 mg/l, gemeten in een steekmonster, en is de zuurgraad ten hoogste pH 10, gemeten in een steekmonster.
Artikel 4.142
Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2020/400.
Artikel 4.143. (water: meetmethoden)
Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.
Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.
Op het analyseren van een monster is voor onopgeloste stoffen NEN-EN 872 van toepassing.
Artikel 4.144. (water: riooltekening)
Er is een tekening beschikbaar waarop is aangegeven:
- a. op welke punten welk afvalwater wordt geloosd;
- b. of de punten waarop afvalwater wordt geloosd zijn aangesloten op het eigen vuilwaterriool of een schoonwaterriool; en
- c. op welke lozingsroutes het eigen vuilwaterriool en een schoonwaterriool uitkomen.
Artikel 4.145. (lucht: stuifgevoelige goederen)
Bijlage IV bevat een indeling van goederen in de stuifklassen S1 tot en met S5.
Artikel 4.146. (lucht: in gesloten ruimte doseren en mengen van goederen tot betonmortel)
Met het oog op het voorkomen of het beperken van diffuse emissies in de lucht worden goederen ingedeeld in stuifklasse S1, in een gesloten ruimte gedoseerd en gemengd.
Artikel 4.147. (lucht: emissie totaal stof bij het doseren en mengen van goederen tot betonmortel)
Voor de emissie in de lucht bij het doseren en mengen van goederen is de emissiegrenswaarde van totaal stof 5 mg/Nm3, gemeten in een eenmalige meting.
Het eerste lid is niet van toepassing als de emissie van totaal stof niet meer is dan 100 kg/jaar.
Aan het eerste lid wordt in ieder geval voldaan als de lucht afkomstig van ontluchtingsopeningen door een geschikte filtrerende afscheider wordt gevoerd.
Artikel 4.148. (lucht: meetmethoden)
Op het verrichten van emissiemetingen van totaal stof is NEN-EN 15259 van toepassing.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)