Wijzigingsgeschiedenis
Regeling van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, van 12 april 2020, nr. IENW/BSK-2019/250897, houdende vaststelling van regels betreffende het in de handel brengen, de indienststelling en het onderhoud van spoorvoertuigen op de hoofdspoorwegen (Regeling indienststelling spoorvoertuigen 2020)
6 versions
· 2026-01-01
2026-01-01
Regeling indienststelling spoorvoertuigen 2020 — arts. 4, 2, 2 y 24 más
2024-08-01
Regeling indienststelling spoorvoertuigen 2020 — arts. 2, 1, 2 y 57 más
2022-07-01
Regeling indienststelling spoorvoertuigen 2020 — art. 30
2020-08-19
Regeling indienststelling spoorvoertuigen 2020 — arts. 1, 1, 50238 y 42
2020-05-01
Regeling indienststelling spoorvoertuigen 2020 — arts. 2016, 1, 1 y 73
Wijzigingen op 2020-05-01
@@ -1113,485 +1113,3 @@
| Rail-wegvoertuigen | 17 lid 2 | x | x | x | |
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
### 1.2. 75 Hz in onderstation, overige frequentiebanden
Een spoorvoertuig kan ook een frequentie produceren die leidt tot een 75Hz-stoorstroom vanuit het onderstation. Voor modulatie in het onderstation is het nodig dat het onderstation zich in een bedrijfstoestand ‘leemte bedrijf’ bevindt (dat wil zeggen: steeds in en uit geleiding komt) in combinatie met de aanwezigheid van een grote AC-stroom. In het technisch dossier om toelating te verkrijgen tot het spoor, moet worden onderbouwd dat 75 Hz stoorstromen en overige stromen die indirect 75 Hz kunnen veroorzaken in het onderstation, niet resulteren in een overschrijding van de curve ‘Zelden’.
### 2. Elektrische spoorvoertuigen
Elektrische spoorvoertuigen zijn:
### 3. Compatibiliteitsstudie
De compatibiliteitstudie dient te worden uitgevoerd volgens EN 50238, CLC/TS 50238-2 waarbij vereist is dat:
### 4. Technisch dossier om toelating te verkrijgen op het spoor
In geval toestemming voor gebruik wordt gevraagd voor een maximaal toegelaten samenstelling van spoorvoertuigen waarbij (de) stoorstroomdetector(en) ingrijpt respectievelijk ingrijpen conform de curve ‘Zelden’ zoals gedefinieerd in Figuur 1, moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden:
### 5. Omstandigheden
Het technisch dossier om toelating te verkrijgen op het spoor dient voor compatibiliteit met spoorstroomlopen te voldoen aan de EN 50238-1 en CLC/TS 50238-2 rekening houdend met EN 50388 serie, EN 50126, EN 50128 en EN 50129. Voor de referentie verwijzingen met paragraafnummer is uitgegaan van de EN 50238 en CLC/TS 50238-2.
### 5.1. Rijp en ijzel
In EN 50238 § 6.4.3 staat gedefinieerd dat ‘environmental conditions’ moeten worden beproefd met twee specifieke situaties (bijvoorbeeld wielslip bij het afremmen en versnellen ten gevolge van slechte adhesie). Rijp en ijzel staan hier echter niet bij terwijl deze in Nederland ook tot de ‘environmental conditions’ behoren. Ze zijn relevant want komen gemiddeld 14 dagen per jaar voor en bemoeilijken in de praktijk het rijden omdat de stoorstroomdetector zodanig vaak kan afschakelen dat het spoorvoertuig een baanvak gedurende enkele uren kan blokkeren dan wel de detector onvoldoende kan ingrijpen omdat deze vanwege overbrugging niet beschikbaar is. **In de volgende gevallen moet aangetoond worden dat de beschikbaarheid van de stoorstroomdetector zodanig gehandhaafd blijft dat de rit onder normale operationele omstandigheden kan worden uitgevoerd:**
### 5.2. Spanningsbereik
In [artikel 11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043393¶graaf=2&artikel=11&z=2020-08-19&g=2020-08-19) en [punt 1.11 van bijlage 10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043393&bijlage=10&z=2020-08-19&g=2020-08-19) staan spanningen/stromen gedefinieerd waarbinnen een trein vermogen mag vragen of leveren om het net stabiel te houden, gebaseerd op de EN 50163:2005 §4.1 en EN 50388:2012 §7.2. De aanvrager moet erop toezien dat binnen deze grenzen een stabiele regeling wordt ingepast (rode streeplijn van Figuur 3). De ervaring leert dat regelingen in spoorvoertuigen juist op de knikpunten van deze regeling een niet-lineair karakter hebben en dat oscillaties juist op de knikpunten (B,C) en flanken (A,D) voorkomen. **In het technisch dossier moeten de werkpunten A tot en met D dan ook worden getoetst.**
### 5.3. Stabiliteit
Een installatie die met behulp van een constant vermogen regeling energie opneemt, heeft binnen het frequentiegebied waarin de vermogensregeling actief is, een negatieve impedantie en kan gaan oscilleren. Instabiel gedrag uit zich bijvoorbeeld in sterk wisselende koppelvariaties en wordt niet altijd opgemerkt, terwijl grote AC-componenten in de lijnstroom kunnen ontstaan.
Er zijn voorbeelden bekend van interacties tussen spoorvoertuigen. De regelkarakteristieken van de verschillende typen spoorvoertuigen zijn niet bij de houder en de beheerder bekend. In de Wildenrath-testen voor parallelloop zijn regelfrequenties in bestaande spoorvoertuigen tot 7 Hz waargenomen.
**Indien het lijnfilter niet voldoet aan bovenstaande voorwaarde moet de stabiliteit van de regelingen in interactie met andere voertuigen op een andere wijze worden aangetoond.**Mogelijkheden zijn bijvoorbeeld het langdurige monitoren op instabiel gedrag in de praktijk of detecteren en ingrijpen.
### 5.4. 50 Hz in Parallelloop
### 5.6. Stoorstroomproductie bestaande spoorvoertuigen
In eerdere versies van de RKS / RIS zijn er eisen gesteld aan de 75 Hz-band met een curve vergelijkbaar met de in Tabel 1 gedefinieerde 75 Hz curve en een 50 A wisselstroomeis die is toegepast vanaf 10 Hz. Bij de toetsing moet als uitgangspunt worden meegenomen dat er met betrekking tot de interactie tussen spoorvoertuigen, treinen op de hoofdspoorweginfrastructuur rijden die bij iedere willekeurige frequentie boven 10 Hz en buiten de stoorstroomband (75 Hz), 50 A produceren.
### 6.1. Functionele eisen
Omdat het proces van vaststellen of aan deze eis wordt voldaan complex en zeer moeilijk te doorlopen is voor een installatie die niet ontworpen is voor een veiligheidsfunctie, ligt het voor de hand dat voor een stoorstroomdetector wordt gekozen.
Een uitzondering hierop is weerstandverwarming, omdat in EN 50129 (Annex C.7) geen faalwijzen worden gedefinieerd die tot nieuwe langdurig aanwezige harmonische componenten leiden.
### 6.2. Implementatie-eisen
**Het uitschakelcommando dient te worden gegeven indien:**
De curven uit Figuur 1 zijn slechts een vereenvoudigde uitkomst van het track relay (TR) of track repeater relay (TPR) model van de spoorstroomloop. Om de implementatie van de curven voor het uitschakelen en het monitoren uit Figuur 1 te vereenvoudigen kan als alternatief voor paragraaf 6.2a ook aan de navolgende eisen worden voldaan:
Indien de automatische zelftest na aanspreken tijdens gebruik geen uitsluitsel geeft of het aanspreken van de detector te wijten is aan een defect in een elektrische installatie van het spoorvoertuig, van de detector zelf of van een defect aan de hoofdspoorweginfrastructuur, is er een procedure beschikbaar die de bestuurder in staat stelt om de oorzaak van aanspreken vast te stellen.
**De stoorstroomdetector heeft een mogelijkheid het uitschakelcommando te overbruggen. Deze overbrugging mag alleen zonder aanvullende onderzoek worden toegepast als door middel van een zelftest blijkt dat de detector defect is.**
**De overbrugging van de stoorstroomdetector dient zo kort mogelijk te zijn.**
Het kan voor storingsonderzoek nuttig zijn om te vervolgen met een korte rit. Doel van deze korte rit is uitsluitend om vast te stellen of het probleem zich met het spoorvoertuig verplaatst (dan is er sprake van een defect spoorvoertuig) of dat het mogelijk een infraprobleem is (dan heeft waarschijnlijk een volgende trein hetzelfde probleem)
## Bijlage 6. behorend bij [artikel 10, eerste lid, onder b en tweede lid, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043393¶graaf=2&artikel=10&z=2020-08-19&g=2020-08-19)
1 Zogenaamde poetsblokken, die niet bedoeld zijn als remmen, leiden niet tot extra punten in het puntenmodel. Deze poetsblokken kunnen echter wel een positieve werking hebben voor het detectiegedrag van spoorvoertuigen die niet voldoen aan de eis van het puntenmodel. Dit zal dan tot uiting komen in het gemeten kortsluitgedrag.
### Gemeten kortsluitgedrag
Voorafgaand aan het berijden van de meetsectie dient door de aanvrager contact te worden opgenomen met de beheerder en dienen de volgende gegevens te worden aangeleverd:
Na afloop van het berijden van de meetsectie dient de aanvrager aan de beheerder een overzicht aan te leveren waarop de datum en het geschatte tijdstip (uur en minuut) van het daadwerkelijk berijden van de meetsectie, evenals de rijrichting is aangegeven. Indien sprake is van uitzonderlijke omstandigheden (bladval, extreme wind, enz.) kan dit tevens in het overzicht worden aangegeven.
## Bijlage 7. behorend bij [artikel 10, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043393¶graaf=2&artikel=10&z=2020-08-19&g=2020-08-19)
Indien de percentages, die middels de aanvullende metingen zijn vastgesteld, alle kleiner of gelijk aan 75% zijn, wordt ervan uitgegaan dat kans op overschrijding van de 100% waarde en mogelijke mistelling door de assenteller in de dagelijkse praktijk toch voldoende klein is om exploitatie van het spoorvoertuig toe te staan.
## Bijlage 8. behorend bij [artikel 14, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043393¶graaf=2&artikel=14&z=2020-08-19&g=2020-08-19)
[gereserveerd]
Spoorvoertuigen als bedoeld in [artikel 14, tweede lid,](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043393¶graaf=2&artikel=14&z=2020-08-19&g=2020-08-19) dienen voor de hierna te noemen baanvakken te voldoen aan de volgende eisen.
### Venlo – Duitse grens
### Valburg-Zevenaar – Duitse grens
## Bijlage 10. behorende bij [artikel 15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043393¶graaf=2&artikel=15&z=2020-08-19&g=2020-08-19)
### Radiobesturing
### Ritregistratie
Spoorvoertuigen die sneller kunnen rijden dan 40 km/u, zijn voorzien van een systeem voor automatische ritregistratie dat voldoet aan de volgende goedkeuringseisen:
### Botsveiligheid
Spoorvoertuigen voldoen aan paragraaf 4.2.2.5. van TSI Loc&Pas
### Loopeigenschappen
De verhouding aslast – wieldiameter van een wielstel voldoet aan paragraaf 4.2.3.2.2 punt (3) van TSI Loc&Pas.
### Elektrische tractie 1.500V DC
waarbij U6 = 1.200 V, U8 <= 1.950 V, Imax = 4.000 A. De waarde U7 wordt zodanig gekozen dat een stabiele recuperatieregeling wordt verkregen.
### Stroomafnemer 1.500V DC
Stroomafnemers geïnstalleerd op spoorvoertuigen en geschikt voor 1.500 V, voldoen aan de volgende eisen:
### Stroomafnemer 25kV AC
## Bijlage 11. behorende bij [artikel 16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043393¶graaf=2&artikel=16&z=2020-08-19&g=2020-08-19)
- 1. Voor spoorvoertuigen als bedoeld in [artikel 16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043393¶graaf=2&artikel=16&z=2020-08-19&g=2020-08-19), gelden de volgende eisen:
- a. Spoorvoertuigen voldoen met betrekking tot de compatibiliteit met een treindetectiesysteem aan eisen voor assentellers, als bedoeld in [artikel 10, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043393¶graaf=2&artikel=10&z=2020-08-19&g=2020-08-19) en [bijlage 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043393&bijlage=7&z=2020-08-19&g=2020-08-19).
- b. Spoorvoertuigen voldoen aan [artikel 13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043393¶graaf=2&artikel=13&z=2020-08-19&g=2020-08-19).
- 2. Onverminderd punt 1 voldoen spoorvoertuigen waarvoor TSI LOC&PAS geheel of gedeeltelijk buiten toepassing is gelaten, aan de volgende eisen:
- a. de wielen van staal zijn voorzien van een flens die voldoet aan paragraaf 3.1.3.3 van het document, genoemd in aanhangsel J-2 indexnummer 1, van de TSI LOC&PAS;
- b. de afstand tussen twee opeenvolgende assen voldoet aan paragraaf 3.1.2 van het document, genoemd in aanhangsel J-2 indexnummer 1, van de TSI LOC&PAS;
- c. de aanwezigheid van voldoende metaalvrije ruimte rond de wielen voldoet aan paragraaf 3.1.3.5 van het document, genoemd in aanhangsel J-2 indexnummer 1, van de TSI LOC&PAS;
- d. punt 4.2.3.3.1.2 van de TSI LOC&PAS met betrekking tot voertuiggeometrie, wielgeometrie en het voertuigontwerp;
- e. punt 4.2.3.4 van de TSI LOC&PAS met betrekking tot de loopkarakteristieken;
- f. punt 4.2.6.2.4 van de TSI LOC&PAS met betrekking tot zijwind; en
- g. punt 4.2.8.2 van de TSI LOC&PAS, indien zij gebruik maken van het wisselstroomsysteem van 25 kV 50 Hz.
- 3. Onverminderd de punten 1 tot en met 3, voldoen spoorvoertuigen bestemd voor het vervoer van personen, waarvoor de TSI LOC&PAS geheel of gedeeltelijk buiten toepassing is gelaten, aan:
- a. de eisen gesteld aan spoorvoertuigen behorend tot categorie B reizigerstreinen, genoemd in punt 4.1.4 van de TSI LOC&PAS, indien zij gebruik maken van de Groene Harttunnel; en
- b. punt 4.2.6.2.3 van de TSI LOC&PAS met betrekking tot de maximale drukvariaties in tunnels.
## Bijlage 12. behorend bij [artikel 17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043393¶graaf=2&artikel=17&z=2020-08-19&g=2020-08-19)
### Loopwerk van wagens
Het loopwerk voldoet aan de volgende eisen:
Indien spoorvoertuigen zijn voorzien van een systeem van energievoorziening dat geschikt is voor 25 kV energievoorziening, voldoet dit aan de volgende eisen:
### Stroomafnemer 1.500V DC energievoorziening
Stroomafnemers geschikt voor 1.500 V DC energievoorziening, voldoen aan de volgende eisen:
Indien spoorvoertuigen worden ingezet op sporen met een 25 kV AC energievoorziening, voldoet de stroomafnemer aan de volgende eisen:
Indien een spoorvoertuig is voorzien van meerdere stroomafnemers, zijn deze niet elektrisch via het spoorvoertuig doorverbonden.
### Besturing, seingeving
## Bijlage 13. behorende bij [artikel 19, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043393¶graaf=3&artikel=19&z=2020-08-19&g=2020-08-19)
De eigenschappen van het spoorvoertuig die beoordeeld moeten worden in de verschillende ontwerp-, ontwikkel- en productiefasen, zijn in onderstaande tabel met een kruis (x) aangegeven. Een kruis in kolom 4 van de tabel betekent dat de desbetreffende eigenschappen moeten worden gekeurd door elk spoorvoertuig afzonderlijk te testen.
| 1 | 1 | 2 | 3 | 4 | 5 |
| --- | --- | --- | --- | --- | --- |
| Elementen van het spoorvoertuig | Artikel in deze regeling | Ontwerp- en ontwikkelingsfase | Ontwerp- en ontwikkelingsfase | Productiefase | Specifieke keuringsprocedure |
| Elementen van het spoorvoertuig | Artikel in deze regeling | Ontwerptoetsing | Typekeuring | Routinekeuring | Specifieke keuringsprocedure |
| ATBEG | [3 lid 1, onder a, onderdeel 1°](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043393¶graaf=2&artikel=3&z=2020-08-19&g=2020-08-19) | x | x | x | ProRail RLN00027 Installatievoorschrift van de leverancier |
| STM ATB | 3 lid 1, onder a, onderdeel 2° | x | x | n.v.t. | |
| ATBNG | 3 lid 1, onder a, onderdeel 3° | x | x | x | ProRail RLN00027 Installatievoorschrift van de leverancier |
| ETCS | 3 lid 1, onder b | x | x | n.v.t. | |
| Veiligheidsaardingscircuit | [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043393¶graaf=2&artikel=4&z=2020-08-19&g=2020-08-19) | x | x | n.v.t. | |
| Adhesieverbeterende maatregelen en magneetremmen | [5 lid 1 tot en met lid 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043393¶graaf=2&artikel=5&z=2020-08-19&g=2020-08-19) | x | x | n.v.t. | |
| Werking van een magneetreminrichting | 5 lid 4 | x | n.v.t. | n.v.t. | |
| Omgrenzingsprofiel | [6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043393¶graaf=2&artikel=6&z=2020-08-19&g=2020-08-19) | x | n.v.t. | n.v.t. | |
| Spoorvoertuigen die gebruik maken van grensbaanvakken met België | 6 lid 3 | x | n.v.t. | n.v.t. | |
| Wieldiameter kleiner dan 730 mm | [7 lid 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043393¶graaf=2&artikel=7&z=2020-08-19&g=2020-08-19) | x | n.v.t. | n.v.t. | |
| Doorlopen van horizontale S-boog | 7 lid 3 | x | n.v.t. | n.v.t. | |
| Doorlopen verticale boog | 7 lid 4 | x | n.v.t. | n.v.t. | |
| Doorlopen verticale top- en dalbogen | 7 lid 5 | x | n.v.t. | n.v.t. | |
| Wielflenssmeerinstallaties | [8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043393¶graaf=2&artikel=8&z=2020-08-19&g=2020-08-19) | x | n.v.t. | n.v.t. | |
| EMC | [9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043393¶graaf=2&artikel=9&z=2020-08-19&g=2020-08-19) | x | x | n.v.t. | |
| Detectie-eigenschappen voor laagfrequente spoorstroomlopen 75 Hz | [10 lid 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043393¶graaf=2&artikel=10&z=2020-08-19&g=2020-08-19) | x | x | n.v.t. | Ris [bijlage 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043393&bijlage=5&z=2020-08-19&g=2020-08-19) en [6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043393&bijlage=6&z=2020-08-19&g=2020-08-19) Procedure treindetectiemetingen en beschrijving TreinMonitoringSysteem ProRail (Hanzelijn), versie 1.0 van 28-8-2019 |
| Detectie-eigenschappen voor toonfrequente spoorstroomlopen | 10 lid 2 | x | x | n.v.t. | Ris bijlage 6 Procedure treindetectiemetingen en beschrijving TreinMonitoringSysteem ProRail (Hanzelijn), versie 1.0 van 28-8-2019 |
| Detectie-eigenschappen voor assentellers | 10 lid 3 | x | x | n.v.t. | Ris [bijlage 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043393&bijlage=7&z=2020-08-19&g=2020-08-19) |
| Stroomafname | [11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043393¶graaf=2&artikel=11&z=2020-08-19&g=2020-08-19) | x | x | n.v.t. | |
| Stroomafnemer 1500V DC | [12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043393¶graaf=2&artikel=12&z=2020-08-19&g=2020-08-19) | x | x | n.v.t. | |
| Compatibiliteitsstudie 25kV AC 50Hz | [13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043393¶graaf=2&artikel=13&z=2020-08-19&g=2020-08-19) | x | n.v.t. | n.v.t. | |
| Spoorvoertuigen die uitsluitend gebruik maken van Venlo – Duitse grens | [14 lid 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043393¶graaf=2&artikel=14&z=2020-08-19&g=2020-08-19) | x | n.v.t. | n.v.t. | |
| Spoorvoertuigen die gebruik maken van Valburg–Zevenaar en Zevenaar–Duitse grens | 14 lid 2 | x | x | n.v.t. | |
| Spoorvoertuigen, bestaand buitenlands | [15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043393¶graaf=2&artikel=15&z=2020-08-19&g=2020-08-19) | p.m. | p.m. | p.m. | |
| Spoorvoertuigen, bestemd voor gebruik op HSL-Z | [16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043393¶graaf=2&artikel=16&z=2020-08-19&g=2020-08-19) | x | x | n.v.t. | |
| Spoormachines in de vervoersmodus | [17 lid 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043393¶graaf=2&artikel=17&z=2020-08-19&g=2020-08-19) | x | x | x | |
| Rail-wegvoertuigen | 17 lid 2 | x | x | x | |
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
De in dit hoofdstuk genoemde eisen zijn van toepassing op de STM.
### 1.1. Van Cold stand-by naar Hot stand-by
Een specifieke transmissiemodule die zich in de toestand ‘Cold stand-by’ bevindt, dient na ontvangst van een ‘Hot stand-by Order’ binnen 3,0 seconden over te zijn gegaan naar de toestand ‘Hot stand-by’ en het bericht ‘Hot stand-by Acknowledge’ op de interface met de EVC te hebben gezet.
### 1.2. Van Hot stand-by naar Data Available
Een specifieke transmissiemodule die zich in de toestand ‘Hot stand-by’ bevindt, dient na ontvangst van een ‘Data Availlable Order’ binnen 3,0 seconden over te zijn gegaan naar de toestand ‘Data Available’ en het bericht ‘Data Available Acknowledge’ op de interface met de EVC te hebben gezet.
### 1.3. Van Hot stand-by naar Data Available, tot het moment dat de DMI kan worden geïnformeerd
Een specifieke transmissiemodule die zich in de toestand ‘Hot stand-by’ bevindt, dient na ontvangst van een ‘Data Available Order’, binnen 1,5 seconden een toestand te hebben bereikt in Data Available waarin het de rem kan bedienen en/of de DMI kan informeren.
### 1.4. Van Data Available naar Cold stand-by
Een specifieke transmissiemodule die zich in de toestand ‘Data Available’ bevindt, dient na ontvangst van een ‘Cold stand-by Order’ binnen 3,0 seconden over te zijn gegaan naar de toestand ‘Cold stand-by’ en het bericht ‘Cold stand-by Acknowledge’ op de interface met de EVC te hebben gezet.
### 1.5. Van Data Available naar Cold stand-by tot het moment dat de DMI niet meer kan worden geïnformeerd
Een specifieke transmissiemodule die zich in de toestand ‘Data Available’ bevindt, dient na ontvangst van een ‘Cold stand-by Order’ binnen 1,5 seconden over te zijn gegaan naar de toestand ‘Cold stand-by’ waarbij het de rem niet meer kan bedienen en/of de DMI kan worden geïnformeerd.
### 1.6. Codering
De specifieke transmissiemodule zal bij een overgang van ATB code in de baan naar geen code in de baan, niet sneller detecteren dan binnen 1,3 seconden nadat de ATB antenne de locatie passeert waar deze overgang is geïmplementeerd.
### 1.7. Eis met betrekking tot het gebruik van V_max STM
De specifieke transmissiemodule zal een ‘STM max speed’ waarde ter grootte van 140 km/uur afgeven aan de EVC, als het zich in substate ‘Hot stand-by’ bevindt.
### 1.8. ATB toestanden
Wanneer de specifieke transmissiemodule een overgang maakt naar DA, dan moet het spoorvoertuig in de toestand CONST komen, zoals gespecificeerd in [paragraaf 2.2.7 van bijlage 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043393&bijlage=2&z=2024-08-01&g=2024-08-01). De transitie van ATB STM DA naar CS dient vanuit alle interne toestanden mogelijk te zijn, met uitzondering van ‘Uitgeschakeld’.
### 2.2. Eisen aan ETCS apparatuur van Reeks Specificaties #2
Het spoorvoertuig voldoet aan alle eisen opgenomen in het document Indexnummer 6 ETCS Driver Machine Interface van Reeks Specificatie #2 waaronder het tonen van de zogenaamde planningsinformatie.
### 2.3. Eisen aan ETCS apparatuur van Reeksen Specificaties #1, #2, #3 en single set (ETCS Baseline 4 Release 1)
Spoorvoertuigen voldoen aan de door het Spoorwegbureau gepubliceerde correcties ten aanzien van tenminste de CR887, CR1170, CR1251, CR1252, CR1288 en CR1306.
Noot1: Dit laat onverlet dat conform het proces van de TSI CCS 7.2.10 spoorvoertuigen aanvullend moeten worden voorzien van error correcties.
### 2.6. Eisen aan installatie van ETCS van Reeksen Specificaties #1, #2, #3 en single set (ETCS Baseline 4 Release 1)
### 2.7. Testprocedure voor trein-baan integratie
De ingreep remafstanden van ETCS in spoorvoertuigen met Reeksen Specificaties #2, #3 en single set (ETCS Baseline 4 Release 1) voldoen aan TSI CCS tabel 6.2.1 punt 4c, waarbij de parameters in acht worden genomen, die zijn vermeld in punt 2.4 derde lid, onderdeel a, b en c van [hoofdstuk 2 van bijlage 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043393&bijlage=3&z=2024-08-01&g=2024-08-01).
## Bijlage 4. behorende bij [artikel 3, tweede lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043393¶graaf=2&artikel=3&z=2024-08-01&g=2024-08-01)
Indien een spoorvoertuig is voorzien van een automatisch treinbeveiligingssysteem (ATB) dat werkt op basis van remcurvebewaking wordt van dat ATB-systeem ten minste geregistreerd:
- •. de door de machinist ingevoerde gegevens
- •. de aan de machinist gegeven opdrachten en toestemmingen
- •. bedieningshandelingen in opdracht of op verzoek van de ATB
- •. bedieningshandeling waarmee de remcurvebewaking wordt genegeerd
- •. bediening ‘Gladspoor’ knop1informatie over het adhesiegedrag van het spoorvoertuig, indien aanwezig/beschikbaar
- •. de door de ATB bewaakte snelheid
- •. de aan de machinist getoonde bewaakte snelheid
- •. de data die door de ATB-treinapparatuur van de ATB-baanapparatuur wordt ontvangen
- •. de data die door de ATB-treinapparatuur aan de ATB-baanapparatuur wordt gezonden2informatie over het adhesiegedrag van het spoorvoertuig, indien aanwezig/beschikbaar
- •. storingsmeldingen ATB-baanapparatuur
- •. storingsmeldingen ATB-treinapparatuur
- •. de uitvoering en het resultaat van de test van de ATB-treinapparatuur
- •. de door de ATB geïnitieerde ingrepen
- •. indien de ATB buiten bedrijf is geschakeld
## Bijlage 5. behorende bij [artikel 10, eerste lid, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043393¶graaf=2&artikel=10&z=2024-08-01&g=2024-08-01)
### 1. Normering
### 1.1. 75Hz emissie door maximale treinsamenstellingen
### 2. Elektrische spoorvoertuigen
### 5.1. Rijp en ijzel
**De stabiliteit van een eigen installatie moet worden aangetoond tot een maximale netimpedantie behorend bij 7 km7CLC/TS 50238-2:2015 § B.6.2.4.3) enkel spoor, eenzijdig gevoed. [EIS 24]**
### 5.4. 50 Hz in Parallelloop
### 5.5. Interlacing / testen meerdere installaties
### 5.6. Stoorstroomproductie bestaande spoorvoertuigen
### 6. Stoorstroomdetector
### 6.2. Implementatie-eisen
Dit is bedoeld om de stoorstroomdetector minder gevoelig te maken voor transiënten die door de voldoende tijd tussen die transiënten als eenmalig mogen worden beschouwd hetgeen wordt gerealiseerd door middel van emulatie van het vertraagd afvallen van het TPR relais.
**Maximale tijd voor overschrijding tot uitschakelcommando Ti + 500 ms (Ti, integratietijd, volgens Figuur 1).[EIS 40]**
Bedoelde procedure wordt als veiligheidsrelevante toepassingsvoorwaarde opgelegd aan de houder, onderhouder of gebruiker.
Indien een stoorstroomdetector alleen controleert of wordt voldaan aan een vooraf gedefinieerde grenswaarde, kunnen stappen 4 en 5 worden beperkt tot het vaststellen of meer dan 35 van de 50 samples van het 30%-criterium de alternatieve beoordelingscurven uit lid 6.2.b overschrijden.
## Bijlage 6. behorend bij [artikel 10, eerste lid, onder b en tweede lid, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043393¶graaf=2&artikel=10&z=2024-08-01&g=2024-08-01)
### Eisen ten aanzien van de detectiekwaliteit van spoorvoertuigen
### Puntenmodel
## Bijlage 7. behorende bij [artikel 10, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043393¶graaf=2&artikel=10&z=2024-08-01&g=2024-08-01)
Aantonen van conformiteit van voertuigen die rijden over sporen die uitgerust zijn met assentellers met de TSI CCS dient door middel van de meetmethode conform de eisen die voor dit onderdeel zijn genoemd bij index 23.1 in [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043393&bijlage=1&z=2024-08-01&g=2024-08-01) plaats te vinden en beoordeeld te worden door middel van de methode gebaseerd op de ‘frequency management’, waarvan de grenswaarden voor magneetvelden zijn vastgelegd in paragraaf 3.2. van het document, genoemd in aanhangsel J-2, index [A], van de TSI LOC&PAS. Hierbij dient een beschrijving van de worst case testomstandigheden die zorgen voor de maximale productie van relevante magneetvelden aangeleverd te worden conform de eisen die voor dit onderdeel zijn genoemd bij index 23.2 in [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043393&bijlage=1&z=2024-08-01&g=2024-08-01). Er dient ook rekening gehouden te worden met magneetvelden veroorzaakt door retourstroom10In het geval van een samenstelling van locomotief met rijtuigen of goederenwagens met hulpnetomzetter(s) dient de locatie met maximale retourstroom bepaald te worden., met inachtneming van de optelregels zoals genoemd in [Bijlage 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043393&bijlage=5&z=2024-08-01&g=2024-08-01).
De grenswaarden voor magneetvelden zijn vastgelegd in paragraaf 3.2.1 van het document, genoemd in aanhangsel J-2, index [A], van de TSI LOC&PAS. Hierbij dient het uitgangspunt gehanteerd te worden dat het uitgestraalde magneetveld door componenten onder het spoorvoertuig (‘radiated emission’) en het magneetveld ten gevolge van retourstroom (‘conducted interference’) samen niet mogen leiden tot een overschrijding. Een bijdrage vanuit de retourstroom aan het vastgestelde magneetveld mag niet in mindering gebracht worden.
In afwijking van Tabel 11 in paragraaf 3.2.1.3 van het document, genoemd in aanhangsel J-2 index [A], van de TSI LOC&PAS mag er voor Band 1 enkel de grenswaarde voor 1,0 x Tint worden gehanteerd11De gedefinieerde filters voor Band 1 hebben een grotere vertragingstijd dan Tint, een RMS-waarde berekend over Tint, 0,5 x Tint, 0,25 x Tint geeft dezelfde uitkomst..
Ter invulling van de gebruiksregel in paragraaf 3.2.3 van het document, genoemd in aanhangsel J-2 indexnummer 1, van de TSI LOC&PAS, geldt dat de invloed van de magneetremmen op het signaal van het telpunt van de assenteller als volgt wordt beoordeeld:
- •. De beïnvloeding van het gemeten onbewerkte analoge (gedemoduleerde) signaal van het telpunt van de assenteller wordt vastgesteld door de signaalspanning (gesampeld met 200 kS/s) te meten met de magneetremmen van het spoorvoertuig in zowel opgetrokken als neergelaten toestand.
- •. De beïnvloeding wordt uitgedrukt in een percentage en dient minder te bedragen dan 50% van het verschil tussen het ingestelde rustniveau (aangegeven bij 0% beïnvloeding) en het tresholdniveau (triggerniveau), zie onderstaande figuur. Het figuur toont het principe, afhankelijk van het werkingsprincipe van het specifieke type assentelsysteem is het bijvoorbeeld tevens mogelijk dat beïnvloeding leidt tot toename van de signaalspanning en de triggerwaarde 100% boven het rustniveau ligt. Werkingsprincipes zijn opvraagbaar bij de beheerder.
- •. Het voldoen aan deze eisen dient te worden aangetoond door middel van ten minste 3 statische metingen (magneetrem midden boven de wieldetector in het spoor geplaatst) en 3 meetritten bij een aanvangssnelheid bij de meting van 100 km/uur.
Indien het percentage van de beïnvloeding van het analoge (gedemoduleerde) signaal van het telpunt van de assenteller ten opzichte van het rustniveau echter groter is dan 50% maar kleiner of gelijk is aan 75%, dienen aanvullende metingen worden uitgevoerd.
De aanvullende metingen dienen tenminste te bestaan uit 3 extra statische metingen, 3 metingen met de laagst mogelijke aanvangssnelheid onder 20 km/uur waarbij het eerste paar magneetremmen tijdens de meting nog geactiveerd blijft, 3 metingen bij een aanvangssnelheid van 50 km/uur en nog 3 extra metingen bij een aanvangssnelheid van 100 km/uur.
Indien de percentages, die middels de aanvullende metingen zijn vastgesteld, alle kleiner of gelijk aan 75% zijn, wordt ervan uitgegaan dat kans op overschrijding van de 100% waarde en mogelijke mistelling door de assenteller in de dagelijkse praktijk toch voldoende klein is om exploitatie van het spoorvoertuig toe te staan.
In de absolute grenswaarde van 75% is reeds rekening gehouden met de (in de praktijk optredende) kalibratieafwijkingen van het telpunt en nauwkeurigheid van de meetmethode.
Minimaal drie maanden voorafgaand aan het berijden van het meetgebied bij de meetcontainer dient door de aanvrager contact te worden opgenomen met de beheerder en dienen de volgende gegevens te worden aangeleverd:
- •. materieeltype, Nederlandse aanduiding en fabrieksnummer van het spoorvoertuig;
- •. geplande data en tijdstippen voor het berijden van het meetgebied bij de meetcontainer.
## Bijlage 8. behorend bij [artikel 14, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043393¶graaf=2&artikel=14&z=2024-08-01&g=2024-08-01)
Vervallen
## Bijlage 10. behorende bij [artikel 15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043393¶graaf=2&artikel=15&z=2024-08-01&g=2024-08-01)
Vervallen
## Bijlage 11. behorende bij [artikel 16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043393¶graaf=2&artikel=16&z=2024-08-01&g=2024-08-01)
Vervallen
## Bijlage 12. behorende bij [artikel 17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043393¶graaf=2&artikel=17&z=2024-08-01&g=2024-08-01)
Het loopwerk voldoet aan de volgende eisen:
Spoorvoertuigen voldoen aan punt 4.2.3.3.1 van de TSI LOC&PAS met betrekking tot compatibiliteit met treindetectiesystemen.
In verband met de GSM-R is naast de vaste opstelling in de cabine (bijvoorbeeld een carkit) een mobiel GSM-R apparaat verplicht bij radio (afstand)besturing.
Spoorvoertuigen voldoen aan punt 4.2.3.3.1 van de TSI LOC&PAS met betrekking tot compatibiliteit met treindetectiesystemen.
## Bijlage 13. behorende bij [artikel 19, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043393¶graaf=3&artikel=19&z=2024-08-01&g=2024-08-01)
De eigenschappen van het spoorvoertuig die beoordeeld moeten worden in de verschillende ontwerp-, ontwikkel- en productiefasen, zijn in onderstaande tabel met een kruis (x) aangegeven. Een kruis in kolom 4 van de tabel betekent dat de desbetreffende eigenschappen moeten worden gekeurd door elk spoorvoertuig afzonderlijk te testen.
| 1 | 1 | 2 | 3 | 4 | 5 |
| --- | --- | --- | --- | --- | --- |
| Elementen van het spoorvoertuig | Artikel in deze regeling | Ontwerp- en ontwikkelingsfase | Ontwerp- en ontwikkelingsfase | Productiefase | Specifieke keuringsprocedure |
| Elementen van het spoorvoertuig | Artikel in deze regeling | Ontwerptoetsing | Typekeuring | Routinekeuring | Specifieke keuringsprocedure |
| ATBEG | [3 lid 1, onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043393¶graaf=2&artikel=3&z=2024-08-01&g=2024-08-01), | x | x | x | Installatievoorschrift van de leverancier |
| STM ATB | [3 lid 1, onder c en e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043393¶graaf=2&artikel=3&z=2024-08-01&g=2024-08-01) | x | x | n.v.t. | |
| ATBNG | [3 lid 1, onder d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043393¶graaf=2&artikel=3&z=2024-08-01&g=2024-08-01), | x | x | x | Installatievoorschrift van de leverancier |
| ETCS | [3 lid 1, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043393¶graaf=2&artikel=3&z=2024-08-01&g=2024-08-01) | x | x | n.v.t. | |
| Veiligheidsaardingscircuit | [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043393¶graaf=2&artikel=4&z=2024-08-01&g=2024-08-01) | x | | n.v.t. | |
| Adhesieverbeterende maatregelen en magneetremmen | [5 lid 1 tot en met lid 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043393¶graaf=2&artikel=5&z=2024-08-01&g=2024-08-01) | x | x | n.v.t. | |
| Werking van een magneetreminrichting | [5 lid 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043393¶graaf=2&artikel=5&z=2024-08-01&g=2024-08-01) | x | n.v.t. | n.v.t. | |
| Spoorvoertuigen die gebruik maken van het traject Roosendaal-Belgische grens en Maastricht-Belgische grens | [6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043393¶graaf=2&artikel=6&z=2024-08-01&g=2024-08-01) | x | n.v.t. | n.v.t. | |
| Wieldiameter kleiner dan 730 mm | [7 lid 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043393¶graaf=2&artikel=7&z=2024-08-01&g=2024-08-01) | x | n.v.t. | n.v.t. | |
| Wielflenssmeerinstallaties | [8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043393¶graaf=2&artikel=8&z=2024-08-01&g=2024-08-01) | x | n.v.t. | n.v.t. | |
| EMC | [9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043393¶graaf=2&artikel=9&z=2024-08-01&g=2024-08-01) | x | x | n.v.t. | |
| Detectie-eigenschappen voor laagfrequente spoorstroomlopen 75 Hz | [10 lid 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043393¶graaf=2&artikel=10&z=2024-08-01&g=2024-08-01) | x | x | n.v.t. | Ris bijlage 5 en 6 Procedure treindetectiemetingen en beschrijving TreinMonitoringSysteem ProRail (Hanzelijn), versie 1.0 van 28-8-2019 |
| Detectie-eigenschappen voor toonfrequente spoorstroomlopen | [10 lid 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043393¶graaf=2&artikel=10&z=2024-08-01&g=2024-08-01) | x | x | n.v.t. | Ris bijlage 6 Procedure treindetectiemetingen en beschrijving TreinMonitoringSysteem ProRail (Hanzelijn), versie 1.0 van 28-8-2019 |
| Detectie-eigenschappen voor assentellers | [10 lid 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043393¶graaf=2&artikel=10&z=2024-08-01&g=2024-08-01) | x | x | n.v.t. | Ris bijlage 7 |
| Stroomafname | [11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043393¶graaf=2&artikel=11&z=2024-08-01&g=2024-08-01) | x | x | n.v.t. | |
| Stroomafnemer 1500V DC | [12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043393¶graaf=2&artikel=12&z=2024-08-01&g=2024-08-01) | x | n.v.t. | n.v.t. | |
| Compatibiliteitsstudie 25kV AC 50Hz | [13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043393¶graaf=2&artikel=13&z=2024-08-01&g=2024-08-01) | x | n.v.t. | n.v.t. | |
| Spoorvoertuigen die uitsluitend gebruik maken van Venlo – Duitse grens | [14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043393¶graaf=2&artikel=14&z=2024-08-01&g=2024-08-01) | x | n.v.t. | n.v.t. | |
| Spoorvoertuigen, bestaand buitenlands | [15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043393¶graaf=2&artikel=15&z=2024-08-01&g=2024-08-01) | x | x | n.v.t. | |
| Bijzondere voertuigen, met uitzondering van voertuigen voor weg en spoorweg in de vervoersmodus | [17 lid 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043393¶graaf=2&artikel=17&z=2024-08-01&g=2024-08-01) | x | x | x | |
| Voertuigen voor weg en spoorweg | [17 lid 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043393¶graaf=2&artikel=17&z=2024-08-01&g=2024-08-01) | x | x | x | |
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
## Bijlage 13. behorende bij [artikel 19, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043393¶graaf=3&artikel=19&z=2026-01-01&g=2026-01-01)
De eigenschappen van het spoorvoertuig die beoordeeld moeten worden in de verschillende ontwerp-, ontwikkel- en productiefasen, zijn in onderstaande tabel met een kruis (x) aangegeven. Een kruis in kolom 4 van de tabel betekent dat de desbetreffende eigenschappen moeten worden gekeurd door elk spoorvoertuig afzonderlijk te testen.
| 1 | 1 | 2 | 3 | 4 | 5 |
| --- | --- | --- | --- | --- | --- |
| Elementen van het spoorvoertuig | Artikel in deze regeling | Ontwerp- en ontwikkelingsfase | Ontwerp- en ontwikkelingsfase | Productiefase | Specifieke keuringsprocedure |
| Elementen van het spoorvoertuig | Artikel in deze regeling | Ontwerptoetsing | Typekeuring | Routinekeuring | Specifieke keuringsprocedure |
| ATBEG | [3 lid 1, onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043393¶graaf=2&artikel=3&z=2026-01-01&g=2026-01-01), | x | x | x | Installatievoorschrift van de leverancier |
| STM ATB | [3 lid 1, onder c en e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043393¶graaf=2&artikel=3&z=2026-01-01&g=2026-01-01) | x | x | n.v.t. | |
| ATBNG | [3 lid 1, onder d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043393¶graaf=2&artikel=3&z=2026-01-01&g=2026-01-01), | x | x | x | Installatievoorschrift van de leverancier |
| ETCS | [3 lid 1, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043393¶graaf=2&artikel=3&z=2026-01-01&g=2026-01-01) | x | x | n.v.t. | |
| Veiligheidsaardingscircuit | 4 | x | n.v.t. | n.v.t. | |
| Adhesieverbeterende maatregelen en magneetremmen | [5 lid 1 tot en met lid 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043393¶graaf=2&artikel=5&z=2026-01-01&g=2026-01-01) | x | x | n.v.t. | |
| Werking van een magneetreminrichting | [5 lid 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043393¶graaf=2&artikel=5&z=2026-01-01&g=2026-01-01) | x | n.v.t. | n.v.t. | |
| Spoorvoertuigen die gebruik maken van het traject Roosendaal-Belgische grens en Maastricht-Belgische grens | [6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043393¶graaf=2&artikel=6&z=2026-01-01&g=2026-01-01) | x | n.v.t. | n.v.t. | |
| Wieldiameter kleiner dan 730 mm | [7 lid 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043393¶graaf=2&artikel=7&z=2026-01-01&g=2026-01-01) | x | n.v.t. | n.v.t. | |
| Wielflenssmeerinstallaties | [8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043393¶graaf=2&artikel=8&z=2026-01-01&g=2026-01-01) | x | n.v.t. | n.v.t. | |
| EMC | [9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043393¶graaf=2&artikel=9&z=2026-01-01&g=2026-01-01) | x | x | n.v.t. | |
| Detectie-eigenschappen voor laagfrequente spoorstroomlopen 75 Hz | [10 lid 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043393¶graaf=2&artikel=10&z=2026-01-01&g=2026-01-01) | x | x | n.v.t. | Ris bijlage 5 en 6 Procedure treindetectiemetingen en beschrijving TreinMonitoringSysteem ProRail (Hanzelijn), versie 1.0 van 28-8-2019 |
| Detectie-eigenschappen voor toonfrequente spoorstroomlopen | [10 lid 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043393¶graaf=2&artikel=10&z=2026-01-01&g=2026-01-01) | x | x | n.v.t. | Ris bijlage 6 Procedure treindetectiemetingen en beschrijving TreinMonitoringSysteem ProRail (Hanzelijn), versie 1.0 van 28-8-2019 |
| Detectie-eigenschappen voor assentellers | [10 lid 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043393¶graaf=2&artikel=10&z=2026-01-01&g=2026-01-01) | x | x | n.v.t. | Ris bijlage 7 |
| Stroomafname | [11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043393¶graaf=2&artikel=11&z=2026-01-01&g=2026-01-01) | x | x | n.v.t. | |
| Stroomafnemer 1500V DC | [12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043393¶graaf=2&artikel=12&z=2026-01-01&g=2026-01-01) | x | n.v.t. | n.v.t. | |
| Compatibiliteitsstudie 25kV AC 50Hz | [13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043393¶graaf=2&artikel=13&z=2026-01-01&g=2026-01-01) | x | n.v.t. | n.v.t. | |
| Spoorvoertuigen die uitsluitend gebruik maken van Venlo – Duitse grens | [14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043393¶graaf=2&artikel=14&z=2026-01-01&g=2026-01-01) | x | n.v.t. | n.v.t. | |
| Spoorvoertuigen, bestaand buitenlands | [15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043393¶graaf=2&artikel=15&z=2026-01-01&g=2026-01-01) | x | x | n.v.t. | |
| Spoormachines en infrastructuurinspectievoertuigen in de rijmodus | 17 lid 1 | x | x | x | |
| Voertuigen voor weg en spoorweg | [17 lid 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043393¶graaf=2&artikel=17&z=2026-01-01&g=2026-01-01) | x | x | x | |
Beginwaarden:
### 3.4. Stap 2a. Berekening
Uitvoeren van een geometrische beschouwing volgens de onderstaande voorbeeldrekenbladen (volgens de rekenmethode van NEN-EN13232-3:2023 Annex B), met de invoerparameters uit de paragrafen 3.2 en 3.3. De onderstreepte invoerparameters worden bij het doorlopen van de rekenprocedure ingevuld op basis van de bepaalde parameters in paragrafen 3.2 en 3.3. Vervolgens worden de formules in de laatste kolom gevolgd om de zwarte waardes uit te rekenen. De limietwaarde is de waarde waarmee wordt bepaald of het spoorvoertuig voldoet of niet. De limietwaarde is een vast getal en wordt vergeleken met de waarde erboven (Laterale overlap (negatieve waarde) of vrijloop (positieve waarde) van de punt van het kruisstuk inclusief 20‰ sliphoek) om te bepalen of het spoorvoertuig voldoet of niet, zie paragraaf 3.5.
De formules voor de beoordeling van de overlap zijn in de voorbeeldrekenbladen in paragraaf 3.4 gegeven. Zie onderstaande afbeeldingen ten behoeve van sectie **A:INFRA** en sectie **D:INTERACTIE** van de rekenbladen in paragraaf 3.4.
NB: Maten A, B en C in figuur 4 komen overeen met Maat A, Maat B en Maat C in de rekenvoorbeelden.
Voor de beoordeling van een 1:9 en 1:10 Engelse wissel of kruising geldt dat als de overlap van de punt van het kruisstuk onder alle genoemde omstandigheden van stap 1a en 1b, beschreven in paragrafen 3.2 en 3.3, aan de gestelde limietwaarde voldoet, het betreffende voertuig veilig de punt van het kruisstuk kan passeren, zonder daarbij de punt van het kruisstuk aan de voorzijde aan te rijden of langs de verkeerde kant van de punt van het kruisstuk te ontsporen.
Laterale Y20‰ ≥ -0,725.678 mm geeft een positief resultaat;
Let op! Groter dan resulteert hierbij in een kleiner negatief getal, of een positief getal!
Laterale Y20‰ < -0,725.678 mm geeft een negatief resultaat;
Let op! Kleiner dan resulteert hierbij in een groter negatief getal!
Indien stap 2 van het stappenplan m.b.t. de analyse van het rechtdoor rijden door een 1:9 en 1:10 Engelse wissel of kruising succesvol kan worden afgesloten, wordt de bewijsvoering aangeleverd beschreven in paragraaf 3.6.
Indien er niet aan de gestelde limietwaarde wordt voldaan, wordt er verdergegaan naar stap 3, beschreven in paragraaf 3.7, van het stappenplan.
### 3.6. Stap 2c. Voorwaarden rapportage
Wanneer bij stap 2b de conclusie positief is, wordt er een rapportage opgesteld:
### 3.7. Stap 3a. Herbepaling invoerparameters
Indien stap 2 een negatief resultaat oplevert, mag de maximale aanloophoek ψtotaal (zie ter informatie figuur 3, ψtot = ψ1+ψ2) en de maximale zijdelingse sliphoek x‰ in het spoor opnieuw worden bepaald d.m.v. metingen, beschikbare meetgegevens en/of gevalideerde simulaties.
De nieuwe, maximale waarden voor de aanloophoek ψtotaal en de zijdelingse sliphoek x‰ in het spoor worden bepaald door het uitvoeren van een analyse van het dynamisch gedrag van het betreffende spoorvoertuig op basis van metingen, beschikbare meetgegevens en/of dynamicasimulaties. Bij deze analyse worden de volgende zaken meegenomen:
### 3.8. Stap 3b. Herberekening
De nieuwe, onderbouwde maximale waarden voor de aanloophoek ψtotaal en de zijdelingse sliphoek x‰ in het spoor worden als invoergegevens voor een herberekening volgens stap 2a en 2b van het stappenplan gebruikt.
Indien er uit de herberekening van stap 2 met de nieuwe, onderbouwde maximale waarden voor de aanloophoek ψtotaal en de zijdelingse sliphoek x‰ in het spoor volgt dat er aan de gestelde limietwaarde wordt voldaan, kan het betreffende spoorvoertuig veilig de punt van het kruisstuk passeren.
Indien er uit de herberekening van stap 2 volgt dat er **niet** aan de gestelde limietwaarde wordt voldaan, geldt er een beperking voor het betreffende spoorvoertuig met betrekking tot het rijden door 1:9 en/of 1:10 Engelse wissels of kruisingen op de Nederlandse hoofdspoorweginfrastructuur. Het betreffende spoorvoertuig mag niet op trajecten met dergelijke Engelse wissels en kruisingen worden ingezet, ook niet met een verlaagde rijsnelheid.
Indien stap 3 van het stappenplan m.b.t. de analyse van het rechtdoor rijden door een 1:9 en 1:10 Engelse wissel of kruising wordt uitgevoerd, wordt er bewijsvoering aangeleverd, zie paragraaf 3.9.
Indien het betreffende spoorvoertuig ook niet met een aangepaste aanloophoek ψtotaal en zijdelingse sliphoek x‰ aan de eisen voldoet, kan het spoorvoertuig alleen geschikt gemaakt worden voor het rechtdoor rijden door 1:9 en 1:10 Engelse wissels en kruisingen, door een aanpassing van de ontwerpvoertuigparameters (zoals bijvoorbeeld wieldiameter, wielprofiel, uitdraaistijfheid, stabiliteit en dergelijke).
### 3.9. Stap 3c. Voorwaarden rapportage na herberekening
Wanneer bij stap 3b de conclusie positief is, wordt er een rapportage opgesteld:
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
2020-05-01
Regeling indienststelling spoorvoertuigen 2020
original version
Tekst op deze datum