Economische Partnerschapsovereenkomst tussen de CARIFORUM-staten, enerzijds, en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, anderzijds

Type Verdrag
Publication 2008-12-29
State In force
Source BWB
artikelen 318
Wijzigingsgeschiedenis JSON API
2.

Voor de toepassing van artikel 2, lid 2, worden be- en verwerkingen die in de EG, de LGO's of in de andere ACS-staten zijn verricht, geacht in de Cariforum-staten te zijn verricht wanneer de materialen in de Cariforum-staten een verdere be- of verwerking ondergaan die ingrijpender is dan de in artikel 8 genoemde be- of verwerkingen.

3.

De cumulatie waarin de leden 1 en 2 voorzien, kan met betrekking tot de LGO's en de andere ACS-staten slechts worden toegepast indien:

  • a. de landen die betrokken zijn bij het verwerven van de oorsprong en het land van bestemming een overeenkomst inzake administratieve samenwerking hebben gesloten die de correcte toepassing van dit artikel garandeert;
  • b. materialen en producten de oorsprong hebben verkregen door de toepassing van oorsprongsregels die gelijk zijn aan die van dit protocol;
  • c. de Cariforum-staten de EG via de Commissie van de Europese Gemeenschappen bijzonderheden verstrekken over overeenkomsten inzake administratieve samenwerking met de andere in dit artikel bedoelde landen of gebieden. De Commissie en de Cariforum-staten maken, respectievelijk in de C-reeks van het Publicatieblad van de Europese Unieen volgens hun eigen procedures, bekend vanaf welke datum de in dit artikel bedoelde cumulatie met de in dit artikel bedoelde landen of gebieden die aan de nodige eisen hebben voldaan, mag worden toegepast.
4.

Onverminderd de leden 1 tot en met 3 is dit artikel voor de in bijlage X genoemde producten en de producten van tariefpost 1006 pas na 1 oktober 2015 respectievelijk na 1 januari 2010 van toepassing, mits de voor de vervaardiging van die producten gebruikte materialen van oorsprong zijn uit of de be- of verwerking is verricht in andere ACS-staten.

5.

Dit artikel is niet van toepassing op producten van bijlage XII die van oorsprong zijn uit Zuid-Afrika. Op de in bijlage XIII genoemde producten van oorsprong uit Zuid-Afrika is de in dit artikel bedoelde cumulatie na 31 december 2009 van toepassing.

Artikel 5. Cumulatie met naburige ontwikkelingslanden
1.

Op verzoek van de Cariforum-staten worden materialen van oorsprong uit een in bijlage VIII genoemd naburig ontwikkelingsland als materialen van oorsprong uit een Cariforum-staat beschouwd wanneer zij in een aldaar verkregen product zijn verwerkt.

2.

De verzoeken worden overeenkomstig artikel 42 ingediend bij het speciaal comité voor douanesamenwerking en handelsbevordering.

3.

Deze materialen behoeven geen toereikende be- of verwerking te hebben ondergaan, mits:

  • a. de be- of verwerking in de Cariforum-staat ingrijpender is dan de in artikel 8 vermelde be- en verwerkingen;
  • b. de Cariforum-staten, de EG en de betrokken naburige ontwikkelingslanden een overeenkomst hebben gesloten die voorziet in adequate administratieve samenwerkingsprocedures om de correcte toepassing van dit lid te garanderen.
4.

De partijen stellen het speciaal comité voor douanesamenwerking en handelsbevordering in kennis van de producten waarop dit artikel niet van toepassing is.

5.

Om te bepalen of producten van oorsprong zijn uit een naburig ontwikkelingsland, zoals gedefinieerd in bijlage VIII, is dit protocol van toepassing.

Artikel 6. Volledig verkregen producten
1.

Als volledig op het gebied van de Cariforum-staten of op het gebied van de EG verkregen worden beschouwd:

  • a. aldaar uit de bodem of zeebodem gewonnen minerale producten;
  • b. aldaar geoogste producten van het plantenrijk;
  • c. aldaar geboren en opgefokte levende dieren;
  • d. producten afkomstig van aldaar gehouden levende dieren;
  • e.
  • i. producten van de aldaar bedreven jacht en visserij;
  • ii. producten van de aldaar bedreven aquicultuur, maricultuur daaronder begrepen, wanneer de vis er is geboren en opgefokt;
  • f. producten van de zeevisserij en andere producten van de zee die door hun schepen buiten de territoriale wateren van de EG of een Cariforum-staat uit zee werden gewonnen;
  • g. producten die, uitsluitend uit de onder f) bedoelde producten, aan boord van hun fabrieksschepen vervaardigd;
  • h. aldaar verzamelde gebruikte artikelen die slechts voor de terugwinning van grondstoffen kunnen dienen, met inbegrip van gebruikte banden die uitsluitend geschikt zijn om van een nieuw loopvak te worden voorzien of slechts als afval kunnen worden gebruikt;
  • i. afval en schroot afkomstig van aldaar verrichte industriële bewerkingen;
  • j. producten, gewonnen uit de zeebodem of -ondergrond buiten de territoriale wateren, mits zij alleen het recht hebben op ontginning van deze bodem of ondergrond;
  • k. goederen die aldaar uitsluitend uit de onder a) tot en met j) bedoelde producten zijn vervaardigd.
2.

De termen „hun schepen” en „hun fabrieksschepen” in lid 1, onder f) en g), zijn slechts van toepassing op schepen en fabrieksschepen:

  • a. die in een lidstaat van de Europese Unie of in een Cariforum-staat zijn geregistreerd;
  • b. die de vlag van een lidstaat van de Europese Unie of van een Cariforum-staat voeren;
  • c. die aan een van de volgende voorwaarden voldoen:
  • i. zij behoren voor ten minste 50% toe aan onderdanen van een lidstaat van de Europese Unie of van een Cariforum-staat, of
  • ii. zij behoren toe aan een onderneming:
  • –. die haar hoofdkantoor en haar belangrijkste handelsactiviteit in een lidstaat van de Europese Unie of in een Cariforum-staat heeft, en
  • –. die voor ten minste 50% toebehoort aan een lidstaat van de Europese Unie of een Cariforumstaat, aan overheidsorganen van die lidstaat of Cariforum-staat of aan onderdanen van die lidstaat of Cariforum-staat.
3.

Onverminderd lid 2 erkent de EG, op verzoek van een Cariforum-staat, dat door die Cariforum-staat gecharterde of geleasede vaartuigen als „zijn schepen” worden beschouwd om in zijn exclusieve economische zone visserijactiviteiten te beoefenen, mits het speciaal comité voor douanesamenwerking en handelsbevordering van oordeel is dat het charter- of leasecontract, dat in eerste instantie aan exploitanten uit de EG is aangeboden, een geschikte wijze is om de visserijcapaciteit van de betrokken Cariforum-staat te ontwikkelen en met name dat die Cariforum-staat nautische en commerciële verantwoordelijkheid draagt voor het gecharterde of geleasede vaartuig.

Artikel 7. Toereikende bewerking of verwerking
1.

Voor de toepassing van artikel 2 worden niet volledig verkregen producten geacht een toereikende bewerking of verwerking te hebben ondergaan wanneer aan de voorwaarden van de lijst in bijlage II is voldaan.

2.

De in lid 1 bedoelde voorwaarden geven voor alle onder de overeenkomst vallende producten aan welke be- of verwerkingen bij de vervaardiging gebruikte, niet van oorsprong zijnde materialen moeten hebben ondergaan, en gelden slechts voor die materialen. Dit betekent dat indien een product dat de oorsprong heeft verkregen doordat het aan de in de lijst genoemde voorwaarden heeft voldaan, als materiaal bij de vervaardiging van een ander product wordt gebruikt, de voorwaarden die van toepassing zijn op het product waarin het is verwerkt daarvoor niet gelden; er wordt dan geen rekening gehouden met de niet van oorsprong zijnde materialen die bij de vervaardiging ervan kunnen zijn gebruikt.

3.

In afwijking van lid 1 kunnen niet van oorsprong zijnde materialen die volgens de voorwaarden in bijlage II niet bij de vervaardiging van een bepaald product mogen worden gebruikt, toch worden gebruikt, mits:

  • a. de totale waarde ervan niet meer bedraagt dan 15% van de prijs af fabriek van het product;
  • b. de in de lijst vermelde maximumwaarden voor niet van oorsprong zijnde materialen door de toepassing van dit lid niet worden overschreden.
4.

De leden 1 tot en met 3 zijn van toepassing behoudens het bepaalde in artikel 8.

Artikel 8. Ontoereikende bewerking of verwerking
1.

Onverminderd lid 2 worden de volgende be- of verwerkingen als ontoereikend beschouwd om de oorsprongsstatus te verlenen, ongeacht of aan de voorwaarden van artikel 7 is voldaan:

  • a. behandelingen om de producten tijdens vervoer en opslag in goede staat te bewaren;
  • b. het splitsen en samenvoegen van colli;
  • c. het wassen of schoonmaken; het stofvrij maken of het verwijderen van roest, olie, verf of dergelijke;
  • d. het strijken of persen van textiel;
  • e. het schilderen of polijsten;
  • f. het ontvliezen of doppen, het geheel of gedeeltelijk bleken, het polijsten en glaceren van granen of rijstdoppen;
  • g. het kleuren van suiker of het vormen van suikerklonten; het geheel of gedeeltelijk vermalen van kristalsuiker34)Hieronder wordt verstaan het verkleinen van de suikerkorrels door vermaling. ;
  • h. het pellen, ontpitten of schillen van noten, vruchten of groenten;
  • i. het aanscherpen of het eenvoudig vermalen of versnijden;
  • j. het zeven, sorteren, classificeren, assorteren (daaronder begrepen het samenstellen van stellen of assortimenten van artikelen);
  • k. het eenvoudig verpakken in flessen, flacons, blikken, zakken, kratten of dozen, het bevestigen op kaarten of platen en alle andere eenvoudige handelingen in verband met de verpakking;
  • l. het aanbrengen of opdrukken van merken, etiketten, beeldmerken of andere soortgelijke onderscheidingstekens op de producten zelf of op de verpakking;
  • m. het mengen van producten, ook van verschillende soorten; mengen van suiker met andere stoffen35)Voor de toepassing van dit punt en met betrekking tot artikel 7 (Toereikende bewerking of verwerking) komen de partijen overeen dat aan artikel 8, lid 2, de uitleg moet worden gegeven dat het gebruik van één of meer materialen die al van oorsprong zijn uit het land van vervaardiging, betekent dat in dat land al een verwerking is uitgevoerd die verder gaat dan een „minimale bewerking”. ;
  • n. het eenvoudig samenvoegen van delen van artikelen tot een volledig artikel dan wel het uit elkaar nemen van artikelen;
  • o. twee of meer van de onder a) tot en met n) vermelde behandelingen tezamen;
  • p. het slachten van dieren.
2.

Alle be- en verwerkingen die een product in de EG of in de Cariforum-staten heeft ondergaan, worden tezamen genomen om te bepalen of deze als ontoereikend in de zin van lid 1 moeten worden beschouwd.

Artikel 9. In aanmerking te nemen eenheid
1.

De voor de toepassing van dit protocol in aanmerking te nemen eenheid is het product dat bij het vaststellen van de indeling in de nomenclatuur van het geharmoniseerde systeem als de basiseenheid wordt beschouwd.

Hieruit volgt dat:

  • a. wanneer een product, bestaande uit een groep of verzameling van artikelen, onder één enkele post van het geharmoniseerde systeem wordt ingedeeld, het geheel de in aanmerking te nemen eenheid vormt;
  • b. wanneer een zending uit een aantal identieke producten bestaat die onder dezelfde post van het geharmoniseerde systeem zijn ingedeeld, elk product voor de toepassing van dit protocol afzonderlijk moet worden genomen.
2.

Wanneer volgens algemene regel 5 voor de interpretatie van het geharmoniseerde systeem de verpakking meetelt voor het vaststellen van de indeling, telt deze ook mee voor het vaststellen van de oorsprong.

Artikel 10. Toebehoren, vervangingsonderdelen en gereedschappen

Toebehoren, vervangingsonderdelen en gereedschappen die samen met materieel, machines, apparaten of voertuigen worden geleverd en die deel uitmaken van de normale uitrusting daarvan en in de prijs ervan zijn begrepen of niet afzonderlijk in rekening worden gebracht, worden geacht één geheel te vormen met het materieel of de machines, apparaten of voertuigen in kwestie.

Artikel 11. Stellen en assortimenten

Stellen en assortimenten in de zin van algemene regel 3 voor de interpretatie van het geharmoniseerde systeem, worden als van oorsprong beschouwd indien alle samenstellende delen van oorsprong zijn. Een stel of assortiment bestaande uit producten van oorsprong en producten die niet van oorsprong zijn, wordt als van oorsprong beschouwd indien de waarde van de producten die niet van oorsprong zijn niet meer dan 15% van de prijs af fabriek van het stel of assortiment bedraagt.

Artikel 12. Neutrale elementen

Om de oorsprong van een product te bepalen, behoeft niet te worden nagegaan wat de oorsprong is van de bij de vervaardiging van dat product gebruikte

  • a. energie en brandstof,
  • b. fabrieksuitrusting,
  • c. machines en werktuigen,
  • d. goederen die in de uiteindelijke samenstelling van het product niet voorkomen en ook niet bedoeld waren om daarin voor te komen.

TITEL III. TERRITORIALE VOORWAARDEN

Artikel 13. Territorialiteitsbeginsel
1.

Aan de in titel II genoemde voorwaarden met betrekking tot het verkrijgen van de oorsprongsstatus moet in de Cariforumstaten of in de EG zonder onderbreking zijn voldaan, behoudens het bepaalde in de artikelen 3, 4 en 5.

2.

Wanneer uit de Cariforum-staten of de EG naar een ander land uitgevoerde producten van oorsprong terugkeren, worden zij, behoudens het bepaalde in de artikelen 3, 4 en 5, geacht geen product van oorsprong meer te zijn, tenzij ten genoegen van de douaneautoriteiten kan worden aangetoond:

  • a. dat de teruggestuurde goederen dezelfde zijn als de eerder uitgevoerde goederen, en
  • b. dat de goederen, terwijl zij in dat andere land waren of toen zij werden uitgevoerd, geen andere be- of verwerkingen hebben ondergaan dan die welke nodig waren om ze in goede staat te bewaren.
Artikel 14. Rechtstreeks vervoer
1.

De preferentiële behandeling waarin de overeenkomst voorziet, is uitsluitend van toepassing op producten die aan de voorwaarden van dit protocol voldoen en die rechtstreeks, zonder enig ander gebied binnen te komen, tussen het gebied van de Cariforum-staten en de EG zijn vervoerd. Producten die een enkele zending vormen, kunnen evenwel via een ander gebied worden vervoerd, eventueel met overslag of tijdelijke opslag op dat gebied, mits ze in het land van doorvoer of opslag onder toezicht van de douane blijven en aldaar geen andere behandelingen ondergaan dan lossen en opnieuw laden of behandelingen om ze in goede staat te bewaren.

Het is evenwel toegestaan producten van oorsprong per pijpleiding door een ander gebied dan dat van een Cariforumstaat, van de EG of van een LGO te vervoeren.

2.

Het bewijs dat aan de voorwaarden van lid 1 is voldaan, wordt geleverd door overlegging van de volgende stukken aan de douaneautoriteiten van het land van invoer:

  • a. een enkel vervoersdocument voor het vervoer van het land van uitvoer door het land van doorvoer, of
  • b. een door de douaneautoriteiten van het land van doorvoer afgegeven certificaat, waarin:
  • i. de producten nauwkeurig zijn omschreven;
  • ii. de data zijn vermeld waarop de producten gelost en opnieuw geladen zijn, in voorkomend geval onder vermelding van de scheepsnamen of van de andere gebruikte vervoermiddelen, en
  • iii. wordt verklaard onder welke omstandigheden de producten in het land van doorvoer verbleven, of
  • c. bij gebreke van bovengenoemde stukken, enig ander bewijsstuk.
Artikel 15. Tentoonstellingen
1.

Op producten van oorsprong die vanuit een Cariforum-staat of vanuit de EG zijn verzonden naar een tentoonstelling in een ander land of gebied dan dat bedoeld in de artikelen 3, 4 en 5, en die na de tentoonstelling zijn verkocht voor invoer in de EG of een Cariforum-staat, is bij die invoer de overeenkomst van toepassing, mits ten genoegen van de douaneautoriteiten wordt aangetoond dat:

  • a. een exporteur deze producten vanuit een Cariforum-staat of de EG naar het land van de tentoonstelling heeft verzonden en deze daar heeft tentoongesteld;
  • b. die exporteur de producten heeft verkocht of op andere wijze heeft afgestaan aan een persoon in een Cariforumstaat of in de EG;
  • c. de producten tijdens of onmiddellijk na de tentoonstelling in dezelfde staat zijn verzonden als waarin zij naar de tentoonstelling zijn gegaan, en
  • d. de producten vanaf het moment dat zij naar de tentoonstelling werden verzonden, niet voor andere doeleinden zijn gebruikt dan om op die tentoonstelling te worden vertoond.
2.

Overeenkomstig titel IV wordt een bewijs van oorsprong afgegeven of opgesteld, dat op de gebruikelijke wijze bij de douaneautoriteiten van het land van invoer wordt ingediend. Op dit bewijs moeten de naam en het adres van de tentoonstelling zijn vermeld. Zo nodig kunnen aanvullende bewijsstukken worden gevraagd ten aanzien van de omstandigheden waaronder de producten werden tentoongesteld.

3.

Lid 1 is van toepassing op alle tentoonstellingen, beurzen of soortgelijke openbare evenementen met een commercieel, industrieel, agrarisch of ambachtelijk karakter die niet voor particuliere doeleinden in winkels of bedrijfsruimten met het oog op de verkoop van buitenlandse producten worden gehouden, en gedurende welke de producten onder douanetoezicht blijven.

TITEL IV. BEWIJS VAN OORSPRONG

Artikel 16. Algemene voorwaarden
1.

Producten van oorsprong uit een Cariforum-staat komen bij invoer in de EG en producten van oorsprong uit de EG komen bij invoer in een Cariforum-staat voor de voordelen van de overeenkomst in aanmerking op vertoon van:

  • a. een certificaat inzake goederenverkeer EUR.1, waarvan het model in bijlage III is opgenomen, of
  • b. in de in artikel 21, lid 1, bedoelde gevallen, een verklaring van de exporteur op een factuur, pakbon of ander handelsdocument, waarin de producten voldoende duidelijk zijn omschreven om ze te kunnen identificeren, hierna „factuurverklaring” genoemd; de tekst van deze factuurverklaring is opgenomen in bijlage IV.
2.

In afwijking van lid 1 komen producten van oorsprong in de zin van dit protocol in de in artikel 26 bedoelde gevallen voor de voordelen van de overeenkomst in aanmerking zonder dat een van de hierboven genoemde documenten behoeft te worden overgelegd.

3.

Voor de toepassing van deze titel streven de exporteurs ernaar een taal te gebruiken die zowel door de Cariforum-staten als de EG wordt gebruikt.

Artikel 17. Procedure voor de afgifte van een certificaat inzake goederenverkeer EUR.1
1.

Een certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 wordt door de douaneautoriteiten van het land van uitvoer afgegeven op schriftelijke aanvraag van de exporteur of, onder diens verantwoordelijkheid, van zijn gemachtigde.

2.

Te dien einde vult de exporteur of diens gemachtigde zowel het certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 als het aanvraagformulier in; modellen van beide formulieren zijn in bijlage III opgenomen. Deze formulieren worden overeenkomstig de bepalingen van dit protocol ingevuld. Indien zij met de hand worden ingevuld, moet dit met inkt en in hoofdletters gebeuren. De producten moeten worden omschreven in het daartoe bestemde vak en er mogen geen regels worden opengelaten. Indien dit vak niet volledig wordt ingevuld, wordt onder de laatste regel een horizontale lijn getrokken en wordt het niet-ingevulde gedeelte doorgekruist.

3.

Exporteurs die om de afgifte van een certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 verzoeken, moeten op verzoek van de douaneautoriteiten van het land van uitvoer waar dit certificaat wordt afgegeven, steeds de nodige documenten kunnen overleggen waaruit blijkt dat de betrokken producten van oorsprong zijn en dat aan alle andere voorwaarden van dit protocol is voldaan.

4.

Een certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 wordt door de douaneautoriteiten van een lidstaat van de Europese Unie of van een Cariforum-staat afgegeven indien de betrokken producten kunnen worden beschouwd als producten van oorsprong uit de EG, uit een Cariforum-staat of uit een van de andere in de artikelen 3, 4 en 5 genoemde landen en gebieden, en aan de andere voorwaarden van dit protocol is voldaan.

5.

De met de afgifte van het certificaat belaste douaneautoriteiten nemen de nodige maatregelen om te controleren of de producten van oorsprong zijn en of aan de andere voorwaarden van dit protocol is voldaan. Met het oog hierop zijn zij gerechtigd bewijsstukken op te vragen, de administratie van de exporteur in te zien en alle andere controles te verrichten die zij dienstig achten. Zij zien er ook op toe dat de in lid 2 bedoelde formulieren correct zijn ingevuld. Zij gaan met name na of het voor de omschrijving van de producten bestemde vak zodanig is ingevuld dat frauduleuze toevoegingen niet mogelijk zijn.

6.

De datum van afgifte van het certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 wordt vermeld in vak 11 van het certificaat.

7.

Een certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 wordt door de douaneautoriteiten afgegeven en ter beschikking van de exporteur gesteld zodra de goederen werkelijk worden uitgevoerd of wanneer het zeker is dat zij zullen worden uitgevoerd.

Artikel 18. Afgifte achteraf van het certificaat inzake goederenverkeer EUR.1
1.

In afwijking van artikel 17, lid 7, kan een certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 bij wijze van uitzondering worden afgegeven na de uitvoer van de producten waarop het betrekking heeft, indien

  • a. dit door een vergissing, onopzettelijk verzuim of bijzondere omstandigheden niet bij de uitvoer is gebeurd, of
  • b. ten genoegen van de douaneautoriteiten wordt aangetoond dat het certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 wel is afgegeven, maar bij invoer om technische redenen niet is aanvaard.
2.

Voor de toepassing van lid 1 moet de exporteur in zijn aanvraag plaats en datum van uitvoer vermelden voor de producten waarop het certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 betrekking heeft, onder opgave van de redenen van zijn aanvraag.

3.

De douaneautoriteiten kunnen eerst tot afgifte achteraf van een certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 overgaan na te hebben vastgesteld dat de gegevens in de aanvraag van de exporteur overeenstemmen met die in het desbetreffende dossier.

4.

Op een achteraf afgegeven certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 wordt in de Engelse taal de volgende vermelding aangebracht: „ISSUED RETROSPECTIVELY”.

5.

De in lid 4 bedoelde vermelding wordt aangebracht in het vak „Opmerkingen” van het certificaat inzake goederenverkeer EUR.1.

Artikel 19. Afgifte van een duplicaat van het certificaat inzake goederenverkeer EUR.1
1.

In geval van diefstal, verlies of vernietiging van een certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 kan de exporteur de douaneautoriteiten die het certificaat hebben afgegeven, verzoeken een duplicaat op te maken aan de hand van de uitvoerdocumenten die in hun bezit zijn.

2.

Op het aldus afgegeven duplicaat wordt in de Engelse taal de volgende vermelding aangebracht:

„DUPLICATE”.

3.

De in lid 2 bedoelde vermelding wordt aangebracht in het vak „Opmerkingen” van het duplicaat van het certificaat inzake goederenverkeer EUR.1.

4.

Het duplicaat draagt dezelfde datum van afgifte als het oorspronkelijke certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 en is vanaf die datum geldig.

Artikel 20. Afgifte van een certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 aan de hand van een eerder opgesteld of afgegeven bewijs van oorsprong

Voor producten van oorsprong die in een Cariforum-staat of in de EG onder toezicht van een douanekantoor zijn geplaatst, kan het oorspronkelijke bewijs van oorsprong door één of meer certificaten inzake goederenverkeer EUR.1 worden vervangen bij verzending van deze producten of een gedeelte daarvan naar een andere plaats binnen de Cariforum-staten of de EG. Dergelijke certificaten worden afgegeven door het douanekantoor dat toezicht houdt op de producten.

Artikel 21. Voorwaarden voor het opstellen van een factuurverklaring
1.

De in artikel 16, lid 1, onder b), genoemde factuurverklaring kan worden opgesteld:

  • a. door een toegelaten exporteur in de zin van artikel 22, of
  • b. door elke exporteur, voor zendingen bestaande uit één of meer colli met producten van oorsprong, waarvan de totale waarde niet meer dan 6 000 EUR bedraagt.
2.

Een factuurverklaring kan worden opgesteld indien de betrokken producten als van oorsprong uit de Cariforum-staten of de EG kunnen worden beschouwd en aan de andere voorwaarden van dit protocol is voldaan.

3.

De exporteur die de factuurverklaring opstelt, moet op verzoek van de douaneautoriteiten van het land van uitvoer steeds de nodige documenten kunnen overleggen waaruit blijkt dat de betrokken producten van oorsprong zijn en dat aan de andere voorwaarden van dit protocol is voldaan.

4.

De factuurverklaring, waarvan de tekst in bijlage IV bij dit protocol is opgenomen, wordt door de exporteur op de factuur, de pakbon of een ander handelsdocument getypt, gestempeld of gedrukt in een van de in die bijlage opgenomen taalversies, overeenkomstig de bepalingen van het nationale recht van het land van uitvoer. Indien de factuurverklaring met de hand wordt geschreven, moet dit met inkt en in hoofdletters geschieden.

5.

De factuurverklaring wordt door de exporteur met de hand ondertekend. Een toegelaten exporteur in de zin van artikel 22 behoeft deze verklaring echter niet te ondertekenen, mits hij de douaneautoriteiten van het land van uitvoer een schriftelijke verklaring doet toekomen waarin hij de volle verantwoordelijkheid op zich neemt voor alle factuurverklaringen waaruit zijn identiteit blijkt alsof hij deze met de hand had ondertekend.

6.

Een factuurverklaring kan door de exporteur worden opgesteld bij of na de uitvoer van de producten waarop zij betrekking heeft, maar moet uiterlijk twee jaar na de invoer van de producten waarop zij betrekking heeft in het land van invoer worden aangeboden.

Artikel 22. Toegelaten exporteur
1.

De douaneautoriteiten van het land van uitvoer kunnen een exporteur die veelvuldig producten verzendt waarop de bepalingen inzake handelssamenwerking van de overeenkomst van toepassing zijn, vergunning verlenen factuurverklaringen op te stellen, ongeacht de waarde van de betrokken producten. Een exporteur die een dergelijke vergunning aanvraagt, moet ten genoegen van de douaneautoriteiten alle waarborgen bieden die nodig zijn voor de controle op de oorsprong van de producten en de naleving van de overige voorwaarden van dit protocol.

2.

De douaneautoriteiten kunnen het verlenen van de status van toegelaten exporteur afhankelijk stellen van alle voorwaarden die zij dienstig achten.

3.

De douaneautoriteiten kennen de toegelaten exporteur een vergunningsnummer toe, dat op de factuurverklaringen moet worden vermeld.

4.

De douaneautoriteiten houden toezicht op het gebruik van de vergunning door de toegelaten exporteur.

5.

De douaneautoriteiten kunnen de vergunning te allen tijde intrekken. Zij zijn verplicht dit te doen wanneer de toegelaten exporteur niet langer de in lid 1 bedoelde garanties biedt, niet meer aan de in lid 2 bedoelde voorwaarden voldoet of de vergunning niet op de juiste wijze gebruikt.

Artikel 23. Geldigheid van het bewijs van oorsprong
1.

Een bewijs van oorsprong is tien maanden geldig vanaf de datum van afgifte in het land van uitvoer en moet binnen deze periode worden ingediend bij de douaneautoriteiten van het land van invoer.

2.

Bewijzen van oorsprong die na het verstrijken van de in lid 1 genoemde termijn bij de douaneautoriteiten van het land van invoer worden ingediend, kunnen voor de toepassing van de preferentiële behandeling worden aanvaard wanneer de verlate indiening het gevolg is van buitengewone omstandigheden.

3.

In andere gevallen van verlate indiening kunnen de douaneautoriteiten van het land van invoer de bewijzen van oorsprong aanvaarden indien de producten vóór het verstrijken van genoemde termijn bij hen zijn aangebracht.

Artikel 24. Overlegging van het bewijs van oorsprong

Bewijzen van oorsprong worden bij de douaneautoriteiten van het land van invoer ingediend overeenkomstig de aldaar geldende procedures. Deze douaneautoriteiten kunnen eisen dat het bewijs van oorsprong wordt vertaald en dat de aangifte ten invoer vergezeld gaat van een verklaring van de importeur dat de producten aan de voorwaarden voor de toepassing van de overeenkomst voldoen.

Artikel 25. Invoer in deelzendingen

Wanneer, op verzoek van de importeur en op de door de douaneautoriteiten van het land van invoer vastgestelde voorwaarden, gedemonteerde of niet-gemonteerde producten in de zin van algemene regel 2 a) voor de interpretatie van het geharmoniseerde systeem, vallende onder de afdelingen XVI of XVII of de posten 7308 of 9406 van het geharmoniseerde systeem, in deelzendingen worden ingevoerd, wordt een enkel bewijs van oorsprong bij de douaneautoriteiten ingediend bij de invoer van de eerste deelzending.

Artikel 26. Vrijstelling van het bewijs van oorsprong
1.

Producten die in kleine colli door particulieren aan particulieren worden verzonden of die deel uitmaken van de persoonlijke bagage van reizigers, worden als producten van oorsprong toegelaten zonder dat een bewijs van oorsprong behoeft te worden overgelegd, mits deze producten niet als handelsgoederen worden ingevoerd en bij hun aangifte verklaard is dat zij aan de voorwaarden van dit protocol voldoen en er over de juistheid van deze verklaring geen twijfel bestaat. Voor postzendingen kan deze verklaring op het douaneaangifteformulier CN22/CN23 of op een daaraan gehecht blad worden gesteld.

2.

Invoer van incidentele aard van producten die uitsluitend bestemd zijn voor persoonlijk gebruik door de ontvanger of de reiziger of de leden van hun gezin worden niet als invoer van handelsgoederen aangemerkt indien noch de aard, noch de hoeveelheid van de producten op commerciële doeleinden wijst.

3.

Voorts mag de totale waarde van deze producten niet meer bedragen dan 500 EUR voor kleine colli of 1 200 EUR voor producten die deel uitmaken van de persoonlijke bagage van reizigers.

Artikel 27. Informatieprocedure in verband met cumulatie
1.

Wanneer artikel 2, lid 3, artikel 3, lid 1, en artikel 4, lid 1, worden toegepast, wordt het bewijs dat de materialen in de zin van dit protocol van oorsprong zijn uit een Cariforum-staat, de EG, een andere ACS-staat of een LGO geleverd door een certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 of door de leveranciersverklaring waarvan het model in bijlage V A bij dit protocol is opgenomen, afgegeven door de exporteur in de staat of in de EG waaruit de materialen afkomstig zijn.

2.

Wanneer artikel 2, lid 3, artikel 3, lid 2, en artikel 4, lid 2, worden toegepast, wordt het bewijs van de be- of verwerking in een Cariforum-staat, de EG, een andere ACS-staat of een LGO geleverd door de leveranciersverklaring waarvan het model in de bijlagen V A en V B bij dit protocol is opgenomen, afgegeven door de exporteur in de staat of in de EG waaruit de materialen afkomstig zijn.

3.

Voor elke zending van materialen moet door de leverancier een afzonderlijke leveranciersverklaring worden opgesteld, hetzij op de handelsfactuur betreffende die zending of op een bijlage bij die factuur, hetzij op een pakbon of op een ander handelsdocument inzake die zending waarin de betrokken materialen voldoende nauwkeurig zijn omschreven om ze te kunnen identificeren.

4.

De leveranciersverklaring kan op een voorgedrukt formulier worden gesteld.

5.

De leveranciersverklaring wordt door de leverancier met de hand ondertekend. Wanneer de factuur en de leveranciersverklaring met de computer worden opgemaakt, behoeft de leveranciersverklaring niet met de hand te worden ondertekend indien ten genoegen van de douaneautoriteiten in het land waar de leveranciersverklaring wordt opgesteld, is verklaard wie binnen de onderneming van de leverancier verantwoordelijk is. Deze douaneautoriteiten kunnen de toepassingsvoorwaarden van dit lid vaststellen.

6.

De leveranciersverklaring wordt ingediend bij de douaneautoriteiten in het land van uitvoer waar het verzoek om afgifte van het certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 is gedaan.

7.

De leverancier die een verklaring opstelt, moet te allen tijde op verzoek van de douaneautoriteiten van het land waar de verklaring is opgesteld alle documenten kunnen overleggen waaruit blijkt dat de gegevens in zijn verklaring juist zijn.

8.

Leveranciersverklaringen en inlichtingenbladen die vóór de inwerkingtreding van dit protocol overeenkomstig artikel 26 van Protocol 1 bij de Overeenkomst van Cotonou zijn afgegeven, behouden hun geldigheid.

Artikel 28. Bewijsstukken

De in artikel 17, lid 3, en artikel 21, lid 3, bedoelde documenten aan de hand waarvan wordt aangetoond dat producten waarvoor een certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 of een factuurverklaring is opgesteld, als producten van oorsprong uit een Cariforum-staat, uit de EG of uit een van de andere in de artikelen 3, 4 en 5 bedoelde landen en gebieden kunnen worden aangemerkt en aan de andere voorwaarden van dit protocol voldoen, kunnen onder meer de volgende zijn:

  • a. een rechtstreeks bewijs, bijvoorbeeld aan de hand van de boekhouding of de interne administratie van de exporteur of leverancier, van de door deze uitgevoerde be- of verwerkingen om de betrokken goederen te verkrijgen;
  • b. in een Cariforum-staat, in de EG of in een van de andere in de artikelen 3, 4 en 5 bedoelde landen en gebieden afgegeven of opgestelde en volgens het nationale recht gebruikte documenten waaruit de oorsprong van de gebruikte materialen blijkt;
  • c. in een Cariforum-staat, in de EG of in een van de andere in de artikelen 3 en 4 bedoelde landen en gebieden afgegeven of opgestelde en volgens het nationale recht gebruikte documenten waaruit de be- of verwerking van de materialen in de Cariforum-staten, in de EG of in een of een van de andere in de artikelen 3 en 4 bedoelde landen en gebieden blijkt;
  • d. certificaten inzake goederenverkeer EUR.1 of factuurverklaringen waaruit de oorsprongsstatus van de gebruikte materialen blijkt, die overeenkomstig dit protocol in de Cariforum-staten, in de EG of in een van de andere in de artikelen 3, 4 en 5 bedoelde landen en gebieden zijn afgegeven of opgesteld.
Artikel 29. Bewaring van het bewijs van oorsprong en de bewijsstukken
1.

Exporteurs die om de afgifte van een certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 verzoeken, bewaren de in artikel 17, lid 3, bedoelde documenten gedurende ten minste drie jaar.

2.

Exporteurs die een factuurverklaring opstellen, bewaren een kopie van deze factuurverklaring alsmede de in artikel 21, lid 3, bedoelde documenten gedurende ten minste drie jaar.

3.

De leverancier die een leveranciersverklaring heeft opgesteld, bewaart kopieën van de verklaring en van de factuur, de pakbon of het andere handelsdocument waaraan zijn verklaring werd gehecht alsmede de in artikel 27, lid 7, bedoelde bewijsstukken gedurende ten minste drie jaar.

4.

De douaneautoriteiten van het land van uitvoer die een certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 afgeven, bewaren het in artikel 17, lid 2, bedoelde aanvraagformulier gedurende ten minste drie jaar.

5.

De douaneautoriteiten van het land van invoer bewaren de certificaten inzake goederenverkeer EUR.1 en de factuurverklaringen die bij hen worden ingediend gedurende ten minste drie jaar.

Artikel 30. Verschillen en vormfouten
1.

Geringe verschillen tussen de gegevens op het bewijs van oorsprong en die op de documenten die voor het vervullen van de invoerformaliteiten bij het douanekantoor worden ingediend, maken het bewijs van oorsprong niet automatisch ongeldig indien blijkt dat dit document wel degelijk met de aangebrachte goederen overeenstemt.

2.

Kennelijke vormfouten, zoals typefouten op het bewijs van oorsprong, mogen niet tot weigering van dit document leiden, indien deze fouten niet van dien aard zijn dat zij twijfel doen rijzen over de juistheid van de daarin vermelde gegevens.

TITEL V. REGELINGEN VOOR ADMINISTRATIEVE SAMENWERKING

Artikel 31. Administratieve voorwaarden waaronder producten in aanmerking komen

Producten die in de zin van dit protocol van oorsprong zijn uit de Cariforum-staten of uit de EG, komen alleen voor de uit de overeenkomst voortvloeiende preferenties in aanmerking mits voor de tenuitvoerlegging en handhaving van de in dit protocol neergelegde voorschriften en procedures de nodige regelingen, structuren en systemen bestaan.

Artikel 32. Kennisgeving van informatie betreffende douaneautoriteiten
1.

De Cariforum-staten en de lidstaten van de Europese Unie doen elkaar via de Commissie van de Europese Gemeenschappen de adressen toekomen van de douaneautoriteiten die belast zijn met de afgifte en controle van certificaten inzake goederenverkeer EUR.1 en van factuur- en leveranciersverklaringen, alsmede afdrukken van de stempels die in hun douanekantoren voor de afgifte van die certificaten worden gebruikt.

Certificaten inzake goederenverkeer EUR.1 en factuur- en leveranciersverklaringen worden met het oog op de preferentiële behandeling aanvaard vanaf de datum van ontvangst van deze informatie door de Commissie van de Europese Gemeenschappen.

2.

De Cariforum-staten en de lidstaten van de Europese Unie stellen elkaar via de Commissie van de Europese Gemeenschappen onverwijld in kennis van wijzigingen in de in lid 1 bedoelde informatie.

Artikel 33. Wederzijdse bijstand

Ten behoeve van de correcte toepassing van dit protocol verlenen de EG, de Cariforum-staten en de andere in de artikelen 3, 4 en 5 bedoelde landen elkaar, via de bevoegde douaneautoriteiten, bijstand bij de controle van de echtheid van de certificaten inzake goederenverkeer EUR.1, de factuurverklaringen of de leveranciersverklaringen en van de juistheid van de daarin vermelde gegevens.

De geraadpleegde autoriteiten verstrekken de relevante gegevens over de omstandigheden waaronder het product is vervaardigd, met name over de omstandigheden waaronder de regels van oorsprong in de verschillende betrokken Cariforum-staten, lidstaten van de Europese Unie en andere in de artikelen 3, 4, en 5 bedoelde landen in acht zijn genomen.

Artikel 34. Controle van het bewijs van oorsprong
1.

Bewijzen van oorsprong worden achteraf door middel van steekproeven of op grond van een risicoanalyse gecontroleerd of wanneer de douaneautoriteiten van het land van invoer gegronde redenen hebben om te twijfelen aan de echtheid van deze documenten, de oorsprong van de betrokken producten of de naleving van de andere voorwaarden van dit protocol.

2.

Met het oog op de toepassing van lid 1 retourneren de douaneautoriteiten van het land van invoer het certificaat inzake goederenverkeer EUR.1, de factuur, indien deze werd voorgelegd, en de factuurverklaring of een kopie van deze documenten aan de douaneautoriteiten van het land van uitvoer, eventueel onder vermelding van de redenen waarom een onderzoek wordt aangevraagd. Zij verstrekken bij deze controleaanvraag alle documenten en gegevens die het vermoeden hebben doen rijzen dat de gegevens op het bewijs van oorsprong onjuist zijn.

3.

De controle wordt verricht door de douaneautoriteiten van het land van uitvoer. Met het oog hierop zijn zij gerechtigd bewijsstukken op te vragen, de administratie van de exporteur in te zien en alle andere controles te verrichten die zij dienstig achten.

4.

Indien de douaneautoriteiten van het land van invoer besluiten de preferentiële behandeling niet toe te kennen zolang de uitslag van de controle niet bekend is, stellen zij de importeur voor de producten vrij te geven onder voorbehoud van de noodzakelijk geachte conservatoire maatregelen.

5.

De resultaten van de controle worden zo spoedig mogelijk medegedeeld aan de douaneautoriteiten die de controle hebben aangevraagd. Hierbij moet duidelijk worden aangegeven of de documenten echt zijn, of de betrokken producten als producten van oorsprong uit een Cariforum-staat, uit de EG of uit een van de andere in de artikelen 3, 4 en 5 bedoelde landen kunnen worden beschouwd en of aan de andere voorwaarden van dit protocol is voldaan.

6.

Indien bij gegronde twijfel binnen tien maanden na de controleaanvraag geen antwoord is ontvangen of indien het antwoord onvoldoende gegevens bevat om de echtheid van het betrokken document of de werkelijke oorsprong van de producten vast te stellen, kennen de aanvragende douaneautoriteiten de preferentiële behandeling niet toe, behoudens in buitengewone omstandigheden.

7.

Indien de resultaten van de controle of andere beschikbare gegevens erop lijken te wijzen dat de bepalingen van dit protocol worden geschonden, stelt het land van uitvoer op eigen initiatief of op verzoek van het land van invoer met de nodige spoed een onderzoek in of laat hij een onderzoek instellen om eventuele schendingen vast te stellen en te voorkomen; het betrokken land van uitvoer kan het land van invoer verzoeken aan dat onderzoek deel te nemen.

Artikel 35. Controle van leveranciersverklaringen
1.

Leveranciersverklaringen kunnen door middel van steekproeven of op grond van een risicoanalyse worden gecontroleerd of wanneer de douaneautoriteiten van de staat van invoer gegronde redenen hebben om te twijfelen aan de echtheid van het document of de juistheid of volledigheid van de gegevens over de oorsprong van de betrokken materialen.

2.

De douaneautoriteiten aan wie een leveranciersverklaring wordt overgelegd, kunnen de douaneautoriteiten van de staat waar de verklaring werd opgesteld, verzoeken om afgifte van een inlichtingenblad volgens het model in bijlage VI bij dit protocol. Zij kunnen ook de exporteur verzoeken een inlichtingenblad over te leggen, afgegeven door de douaneautoriteiten van de staat waar de verklaring is opgesteld.

Het kantoor dat het inlichtingenblad heeft afgegeven, bewaart gedurende ten minste drie jaar een kopie hiervan.

3.

De resultaten van de controle worden zo spoedig mogelijk medegedeeld aan de douaneautoriteiten die de controle hebben aangevraagd. Hierbij moet duidelijk worden aangegeven of de gegevens in de leveranciersverklaring juist zijn, en de resultaten moeten de douaneautoriteiten in staat stellen te bepalen in hoeverre de leveranciersverklaring in aanmerking kan worden genomen voor de afgifte van een certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 of de opstelling van een factuurverklaring.

4.

De controle wordt verricht door de douaneautoriteiten van het land waar de leveranciersverklaring werd opgesteld. Met het oog hierop zijn deze gerechtigd bewijsmateriaal op te vragen, de administratie van de exporteur in te zien en elke andere controle te verrichten die zij dienstig achten om de juistheid van de leveranciersverklaring te controleren.

5.

Een certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 dat is afgegeven of opgesteld op grond van een onjuiste leveranciersverklaring, wordt geacht ongeldig te zijn.

Artikel 36. Geschillenbeslechting

Geschillen ten aanzien van de in de artikelen 34 en 35 bedoelde controles tussen de douaneautoriteiten die de controle aanvragen en de douaneautoriteiten die de controle moeten uitvoeren die niet onderling kunnen worden geregeld, alsmede problemen in verband met de interpretatie van dit protocol worden voorgelegd aan het speciaal comité voor douanesamenwerking en handelsbevordering.

Op de regeling van geschillen tussen de importeur en de douaneautoriteiten van het land van invoer is in alle gevallen de wetgeving van het land van invoer van toepassing.

Artikel 37. Sancties

Er worden sancties getroffen tegen eenieder die een document met onjuiste gegevens opstelt of laat opstellen met het doel een preferentiële behandeling voor producten te verkrijgen.

Artikel 38. Vrije zones
1.

De Cariforum-staten en de EG nemen alle nodige maatregelen om te voorkomen dat producten die onder geleide van een bewijs van oorsprong of een leveranciersverklaring worden verhandeld en die tijdens het vervoer in een op hun gebied gelegen vrije zone verblijven, door andere goederen worden vervangen of andere behandelingen ondergaan dan die welke bedoeld zijn om ze in goede staat te bewaren.

2.

In afwijking van het bepaalde in lid 1 geven de bevoegde autoriteiten, wanneer producten van oorsprong onder geleide van een bewijs van oorsprong in een vrije zone zijn ingevoerd en er een be- of verwerking ondergaan, op verzoek van de exporteur een nieuw certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 af, mits de be- of verwerking in overeenstemming is met de bepalingen van dit protocol.

Artikel 39. Afwijkingen
1.

Het speciaal comité voor douanesamenwerking en handelsbevordering, hierna in dit artikel „het comité” genoemd, kan besluiten dat in bepaalde gevallen voor uit de Cariforum-staten uitgevoerde producten van dit protocol mag worden afgeweken.

2.

Afwijkingen van dit protocol mogen worden vastgesteld wanneer de ontwikkeling van bestaande industrieën of de oprichting van nieuwe industrieën in de Cariforum-staten dat rechtvaardigen.

3.

Voordat of wanneer de betrokken Cariforum-staat of -staten een verzoek om afwijking aan het comité voorleggen, stelt hij of stellen zij de EG daarvan onder vermelding van de redenen van het verzoek overeenkomstig lid 5 in kennis.

4.

De EG willigt alle verzoeken van Cariforum-staten in die overeenkomstig dit artikel zijn gerechtvaardigd, tenzij hierdoor ernstige schade kan ontstaan voor een gevestigde industrie in de EG.

5.

Om het onderzoek van de verzoeken om afwijking door het comité te vergemakkelijken, verstrekt (verstrekken) de aanvragende Cariforum-staat (-staten) ter staving van hun verzoek op het in bijlage VII van dit protocol opgenomen formulier zo volledig mogelijke gegevens over met name de volgende punten:

  • –. omschrijving van het eindproduct,
  • –. aard en hoeveelheid van de materialen die van oorsprong zijn uit derde landen,
  • –. aard en hoeveelheid van de materialen die van oorsprong zijn uit de Cariforum-staten of de in de artikelen 3 en 4 bedoelde landen en gebieden, of van de materialen die in die landen of gebieden een verwerking hebben ondergaan,
  • –. fabricageprocedés,
  • –. de toegevoegde waarde die werd verwezenlijkt,
  • –. aantal werknemers in de betrokken onderneming,
  • –. verwachte omvang van de uitvoer naar de EG,
  • –. andere mogelijke bronnen waaruit grondstoffen kunnen worden betrokken,
  • –. verantwoording van de duur van de gevraagde afwijking, in het licht van de inspanningen om andere bronnen voor de levering van materialen te vinden,
  • –. andere opmerkingen.

Het formulier kan door het comité worden gewijzigd.

6.

Bij het onderzoek van de verzoeken om afwijking wordt in het bijzonder rekening gehouden met:

  • a. het ontwikkelingsniveau of de geografische ligging van de betrokken Cariforum-staat of -staten;
  • b. gevallen waarin de toepassing van de bestaande oorsprongsregels van aanzienlijke invloed zou zijn op het vermogen van een bestaande industrie in een Cariforumstaat of in Cariforum-staten haar uitvoer naar de EG voort te zetten, met name wanneer de toepassing kan leiden tot stopzetting van haar activiteiten;
  • c. bijzondere gevallen waarin duidelijk kan worden aangetoond dat toepassing van de oorsprongsregels kan leiden tot ontmoediging van belangrijke investeringen in een industrie en waarin, door het toestaan van een afwijking, een investeringsprogramma kan worden uitgevoerd dat het mogelijk zou maken op den duur aan deze regels te voldoen.
7.

In alle gevallen wordt onderzocht of de regels inzake cumulatie van oorsprong een oplossing voor het probleem bieden.

8.

Het comité ziet erop toe dat zo spoedig mogelijk, en in ieder geval binnen 75 werkdagen na ontvangst van het afwijkingsverzoek door de EG, een besluit daarover wordt genomen. Indien de EG de Cariforum-staten binnen deze termijn niet van zijn standpunt inzake het verzoek in kennis stelt, wordt het verzoek geacht te zijn ingewilligd.

  • a. Afwijkingen gelden voor een door het comité vast te stellen periode die in het algemeen vijf jaar bedraagt.
  • b. Het besluit tot afwijking kan voorzien in verlengingen zonder dat het comité hiervoor een nieuw besluit behoeft te nemen, op voorwaarde dat door de betrokken Cariforum-staat of -staten drie maanden vóór het einde van iedere periode wordt aangetoond dat nog niet kan worden voldaan aan de bepalingen van dit protocol waarop de afwijking betrekking heeft. Indien tegen de verlenging bezwaar wordt gemaakt, stelt het comité zo spoedig mogelijk een onderzoek hiernaar in en besluit het of de afwijking kan worden verlengd. Het comité volgt hierbij de procedure van lid 8. Alles wordt in het werk gesteld om te voorkomen dat zich onderbrekingen in de toepassing van de afwijking voordoen.
  • c. Tijdens de onder a) en b) genoemde periodes kan het comité de voorwaarden voor de toepassing van de afwijking opnieuw onderzoeken indien blijkt dat zich belangrijke wijzigingen hebben voorgedaan in de essentiële feiten die ertoe hebben geleid de afwijking goed te keuren. Naar aanleiding van dit nieuwe onderzoek kan het comité zijn besluit wijzigen wat het toepassingsgebied van de afwijking of een andere eerder vastgestelde voorwaarde betreft.

TITEL VI. CEUTA EN MELILLA

Artikel 40. Bijzondere voorwaarden
1.

De in dit protocol gebruikte term „EG” omvat niet Ceuta en Melilla. Onder „producten van oorsprong uit de EG” worden geen producten van oorsprong uit Ceuta en Melilla verstaan.

2.

Dit protocol is van overeenkomstige toepassing om vast te stellen of producten die in Ceuta en Melilla worden ingevoerd, als van oorsprong uit een Cariforum-staat kunnen worden aangemerkt.

3.

Wanneer volledig in Ceuta, Melilla of de EG verkregen producten in een Cariforum-staat een be- of verwerking ondergaan, worden zij geacht volledig in een Cariforum-staat te zijn verkregen.

4.

Be- en verwerkingen in Ceuta, Melilla of de EG worden geacht in een Cariforum-staat te zijn verricht wanneer de materialen in een Cariforum-staat een verdere be- of verwerking ondergaan.

5.

Voor de toepassing van de leden 3 en 4 worden de in artikel 8 van dit protocol genoemde ontoereikende be- en verwerkingen niet als be- of verwerking beschouwd.

6.

Ceuta en Melilla worden als een enkel gebied beschouwd.

TITEL VII. SLOTBEPALINGEN

Artikel 41. Wijziging van het protocol

De Gezamenlijke Raad Cariforum-EG kan besluiten dit protocol te wijzigen.

Artikel 42. Taken van het speciaal comité voor douanesamenwerking en handelsbevordering

Overeenkomstig artikel 36 van de overeenkomst heeft het speciaal comité voor douanesamenwerking en handelsbevordering tot taak:

  • a. overeenkomstig artikel 5 besluiten te nemen over cumulatie;
  • b. overeenkomstig artikel 39 besluiten te nemen over afwijkingen van dit protocol;
  • c. toezicht te houden op de uitvoering en het beheer van dit protocol.
Artikel 43. Nieuw onderzoek

Drie jaar na de ondertekening van de overeenkomst onderzoeken de partijen opnieuw de bepalingen van artikel 2, lid 4, en artikel 4, lid 4, teneinde na te gaan of de lijst van producten in bijlage X bij dit protocol moet worden ingekort.

Artikel 44. Bijlagen

De bijlagen bij dit protocol vormen een integrerend deel ervan.

Artikel 1. Definities

Voor de toepassing van dit protocol wordt verstaan onder:

  • a. „douanewetgeving”: de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen die op het gebied van de partijen van toepassing zijn op de invoer, de uitvoer en de doorvoer van goederen en de plaatsing daarvan onder andere douaneregelingen, met inbegrip van verbods-, beperkings- en controlemaatregelen;
  • b. „douaneautoriteiten”: de douane-instanties van de EG en de Cariforum-staten die voor de toepassing van de douanewetgeving verantwoordelijk zijn alsmede andere instanties die volgens het nationaal recht bevoegd zijn bepaalde douanewetten toe te passen;
  • c. „verzoekende autoriteit”: een douaneautoriteit die hiertoe door een overeenkomstsluitende Cariforum-staat of de EG is aangewezen en die op grond van dit protocol een verzoek om bijstand indient;
  • d. „aangezochte autoriteit”: een douaneautoriteit die hiertoe door een partij of overeenkomstsluitende Cariforum-staat of de EG is aangewezen en die op grond van dit protocol een verzoek om bijstand ontvangt;
  • e. „persoonsgegevens”: alle informatie betreffende een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon;
  • f. „met de douanewetgeving strijdige handeling”: elke overtreding of poging tot overtreding van de douanewetgeving.
Artikel 2. Werkingssfeer
1.

De partijen en de overeenkomstsluitende Cariforum-staten verlenen elkaar bijstand om op de onder hun bevoegdheid vallende gebieden en op de wijze en voorwaarden die bij dit protocol zijn vastgesteld, een correcte toepassing van de douanewetgeving te waarborgen, in het bijzonder door met die wetgeving strijdige handelingen te voorkomen, op te sporen en te bestrijden.

2.

De in dit protocol bedoelde bijstand in douanezaken heeft betrekking op de douaneautoriteiten van de partijen en van de overeenkomstsluitende Cariforum-staten die voor de toepassing van dit protocol bevoegd zijn. Deze bijstand laat de regels inzake wederzijdse bijstand in strafzaken onverlet en geldt niet voor informatie die is verkregen krachtens bevoegdheden die op verzoek van een rechterlijke instantie worden uitgeoefend, tenzij deze ermee instemt dat die informatie wordt verstrekt.

3.

Bijstand bij de invordering van rechten, heffingen en boetes valt niet onder dit protocol.

Artikel 3. Bijstand op verzoek
1.

Op aanvraag van de verzoekende autoriteit verstrekt de aangezochte autoriteit eerstgenoemde alle ter zake dienende informatie die deze nodig heeft om erop toe te zien dat de douanewetgeving correct wordt toegepast, met inbegrip van informatie betreffende voorgenomen of vastgestelde activiteiten die met deze wetgeving strijdige handelingen zijn of kunnen zijn.

2.

Op aanvraag van de verzoekende autoriteit deelt de aangezochte autoriteit haar mee:

  • a. of goederen die uit het gebied van de Cariforum-staten of de EG zijn uitgevoerd op regelmatige wijze in het gebied van de andere partij zijn ingevoerd, in voorkomend geval onder vermelding van de douaneregeling waaronder de goederen zijn geplaatst;
  • b. of goederen die in het gebied van de Cariforum-staten of de EG zijn ingevoerd op regelmatige wijze uit het gebied van de andere partij zijn uitgevoerd, in voorkomend geval onder vermelding van de douaneregeling waaronder de goederen zijn geplaatst.
3.

Op aanvraag van de verzoekende autoriteit neemt de aangezochte autoriteit, overeenkomstig haar wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen, de nodige maatregelen om te zorgen voor bijzonder toezicht op:

  • a. natuurlijke personen of rechtspersonen van wie redelijkerwijs kan worden vermoed dat zij betrokken zijn of waren bij met de douanewetgeving strijdige handelingen;
  • b. plaatsen waar op zodanige wijze voorraden goederen zijn of kunnen worden aangelegd dat redelijkerwijs kan worden vermoed dat zij bedoeld zijn om te worden gebruikt bij met de douanewetgeving strijdige handelingen;
  • c. goederen die op zodanige wijze worden of kunnen worden vervoerd dat redelijkerwijs kan worden vermoed dat zij bedoeld zijn om te worden gebruikt bij met de douanewetgeving strijdige handelingen;
  • d. vervoermiddelen die op zodanige wijze worden of kunnen worden gebruikt dat redelijkerwijs kan worden vermoed dat zij bedoeld zijn om te worden gebruikt bij met de douanewetgeving strijdige handelingen.
Artikel 4. Ongevraagde bijstand

De partijen en de overeenkomstsluitende Cariforum-staten verlenen elkaar, in overeenstemming met hun wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen, op eigen initiatief bijstand indien zij dit noodzakelijk achten voor de correcte toepassing van de douanewetgeving, in het bijzonder indien zij informatie hebben verkregen over:

  • a. activiteiten die met de douanewetgeving strijdige handelingen zijn of lijken te zijn en die van belang kunnen zijn voor de andere partij of voor een overeenkomstsluitende Cariforum-staat;
  • b. nieuwe middelen of methoden die worden gebruikt om met de douanewetgeving strijdige handelingen te verrichten;
  • c. goederen waarvan bekend is dat zij het voorwerp vormen van met de douanewetgeving strijdige handelingen;
  • d. natuurlijke personen of rechtspersonen van wie redelijkerwijs kan worden vermoed dat zij betrokken zijn of waren bij met de douanewetgeving strijdige handelingen;
  • e. vervoermiddelen waarvan redelijkerwijs kan worden vermoed dat zij zijn, worden of kunnen worden gebruikt om met de douanewetgeving strijdige handelingen te verrichten.
Artikel 5. Verstrekking van documenten en kennisgeving van besluiten

Op aanvraag van de verzoekende autoriteit neemt de aangezochte autoriteit, in overeenstemming met haar wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen, alle maatregelen die nodig zijn voor

  • a. de verstrekking van documenten, of
  • b. de kennisgeving van besluiten, van de verzoekende autoriteit in verband met de toepassing van dit protocol aan adressaten die op het gebied van de aangezochte autoriteit verblijven of gevestigd zijn.

Verzoeken om de verstrekking van documenten of de kennisgeving van besluiten worden schriftelijk aan de aangezochte autoriteit gericht in een officiële taal van die autoriteit of in een voor die autoriteit aanvaardbare taal.

Artikel 6. Vorm en inhoud van verzoeken om bijstand
1.

Verzoeken om bijstand in het kader van dit protocol worden schriftelijk gedaan. Zij gaan vergezeld van de documenten die voor de behandeling ervan noodzakelijk zijn. In spoedeisende gevallen kunnen verzoeken mondeling worden gedaan, mits zij onmiddellijk schriftelijk worden bevestigd.

2.

De overeenkomstig lid 1 ingediende verzoeken bevatten de volgende gegevens:

  • a. de naam van de verzoekende autoriteit;
  • b. de inhoud van het verzoek;
  • c. het doel en de reden van het verzoek;
  • d. de toepasselijke wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen en andere juridische aspecten;
  • e. zo nauwkeurig en volledig mogelijke informatie over de natuurlijke personen of rechtspersonen op wie het onderzoek betrekking heeft;
  • f. een samenvatting van de feiten en van het reeds uitgevoerde onderzoek.
3.

De verzoeken om bijstand worden ingediend in een officiële taal van de aangezochte autoriteit of in een voor die autoriteit aanvaardbare taal. Deze eis geldt niet voor de in lid 1 bedoelde documenten bij het verzoek.

4.

Indien een verzoek niet aan de hierboven vermelde vormeisen voldoet, kan worden verzocht het te corrigeren of aan te vullen; in de tussentijd kunnen conservatoire maatregelen worden genomen.

Artikel 7. Uitvoering van verzoeken om bijstand
1.

Binnen de grenzen van haar bevoegdheden en de haar beschikbare middelen behandelt de aangezochte autoriteit een verzoek om bijstand alsof zij voor eigen rekening of in opdracht van een andere autoriteit van dezelfde partij of overeenkomstsluitende Cariforum-staat handelt, en verstrekt zij de al beschikbare informatie en verricht zij het nodige onderzoek of laat zij dit verrichten. Deze bepaling is eveneens van toepassing op autoriteiten waaraan de aangezochte autoriteit het verzoek doorstuurt wanneer zij dit niet zelf kunnen afhandelen.

2.

Aan verzoeken om bijstand wordt voldaan overeenkomstig de wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen van de partij of overeenkomstsluitende Cariforum-staat tot wie het verzoek is gericht.

3.

Daartoe gemachtigde ambtenaren van een partij of overeenkomstsluitende Cariforum-staat kunnen met instemming van de andere partij en op de door deze gestelde voorwaarden, ten kantore van de aangezochte autoriteit of van een andere betrokken autoriteit als bedoeld in lid 1, informatie verzamelen over activiteiten die met de douanewetgeving strijdige handelingen zijn of kunnen zijn, die de verzoekende autoriteit voor de toepassing van dit protocol benodigt.

4.

Daartoe gemachtigde ambtenaren van een partij of overeenkomstsluitende Cariforum-staat kunnen, met instemming van de andere betrokken partij of de betrokken overeenkomstsluitende Cariforum-staat en op de door deze gestelde voorwaarden, aanwezig zijn bij onderzoek dat op het gebied van laatstgenoemde wordt verricht.

Artikel 8. Vorm waarin de informatie moet worden verstrekt
1.

De aangezochte autoriteit deelt de uitslag van het ingestelde onderzoek schriftelijk aan de verzoekende autoriteit mee en voegt daarbij de relevante documenten, gewaarmerkte afschriften of andere stukken.

2.

Deze informatie mag in de vorm van computerbestanden worden verstrekt.

3.

Originelen van documenten worden uitsluitend op verzoek verstrekt wanneer gewaarmerkte afschriften niet toereikend zijn. Deze originelen worden ten spoedigste geretourneerd.

Artikel 9. Gevallen waarin geen bijstand behoeft te worden verleend
1.

Bijstand kan worden geweigerd of van bepaalde voorwaarden of eisen afhankelijk worden gesteld wanneer een overeenkomstsluitende Cariforum-staat of de EG van oordeel is dat bijstand op grond van dit protocol:

  • a. de soevereiniteit van een overeenkomstsluitende Cariforumstaat of van een lidstaat van de Europese Unie waaraan op grond van dit protocol om bijstand is gevraagd, zou kunnen aantasten, of
  • b. de openbare orde, de veiligheid of andere wezenlijke belangen in gevaar zou kunnen brengen, in het bijzonder in de in artikel 10, lid 2, bedoelde gevallen, of
  • c. tot schending van een industrieel geheim, handelsgeheim of beroepsgeheim zou leiden.
2.

De aangezochte autoriteit kan de bijstand uitstellen indien deze een lopend onderzoek of een lopende strafvervolging of procedure zou verstoren. In dat geval pleegt de aangezochte autoriteit overleg met de verzoekende autoriteit om na te gaan of bijstand kan worden verleend op door de aangezochte autoriteit te stellen voorwaarden.

3.

Wanneer de verzoekende autoriteit om een vorm van bijstand verzoekt die zij desgevraagd zelf niet zou kunnen verlenen, vermeldt zij dit in haar verzoek. De aangezochte autoriteit is vrij te bepalen hoe zij op een dergelijk verzoek reageert.

4.

In de in de leden 1 en 2 bedoelde gevallen moeten het besluit van de aangezochte autoriteit en de redenen ervan onverwijld aan de verzoekende autoriteit worden medegedeeld.

Artikel 10. Doorgifte van informatie en geheimhoudingsplicht
1.

Alle informatie die, in welke vorm dan ook, op grond van dit protocol wordt verstrekt, heeft een vertrouwelijk karakter of is alleen bestemd voor beperkte verspreiding, afhankelijk van de toepasselijke voorschriften van elk van de partijen of de overeenkomstsluitende Cariforum-staten. De verstrekte gegevens vallen onder de geheimhoudingsplicht en genieten de bescherming die de desbetreffende wetgeving van de ontvangende partij of overeenkomstsluitende Cariforum-staat aan dergelijke gegevens biedt, dan wel de desbetreffende bepalingen die op de instellingen van de Europese Unie van toepassing zijn.

2.

Persoonsgegevens mogen uitsluitend worden doorgegeven indien de partij of de overeenkomstsluitende Cariforum-staat die de gegevens ontvangt, zich ertoe verbindt deze te beschermen op een wijze die ten minste gelijkwaardig is aan de bescherming van dergelijke gegevens door de partij of overeenkomstsluitende Cariforum-staat die de gegevens verstrekt. Te dien einde stellen de partijen elkaar in kennis van hun ter zake geldende voorschriften, in voorkomend geval met inbegrip van de rechtsvoorschriften van de lidstaten van de Europese Unie.

3.

Het gebruik van op grond van dit protocol verkregen informatie in gerechtelijke of administratieve procedures betreffende met de douanewetgeving strijdige handelingen wordt beschouwd als gebruik voor de doeleinden van dit protocol. De partijen of de overeenkomstsluitende Cariforum-staten kunnen derhalve bij de bewijsvoering, in verslagen en getuigenissen en bij procedures die bij rechtbanken aanhangig worden gemaakt, gebruikmaken van de informatie die op grond van dit protocol is verkregen en van de documenten waarin op grond van dit protocol inzage is gegeven. De bevoegde autoriteit die de informatie heeft verstrekt of die inzage heeft gegeven in de documenten, wordt van dergelijk gebruik in kennis gesteld.

4.

De verkregen informatie wordt uitsluitend voor de toepassing van dit protocol gebruikt. Indien een van de partijen of de overeenkomstsluitende Cariforum-staten de informatie voor andere doeleinden wenst te gebruiken, moet zij de autoriteit die de informatie heeft verstrekt vooraf om schriftelijke toestemming vragen. Voor dit gebruik gelden dan de eventueel door deze autoriteit vastgestelde beperkingen.

Artikel 11. Deskundigen en getuigen

Een onder een aangezochte autoriteit ressorterende ambtenaar kan worden gemachtigd om, binnen de grenzen van de hem verleende machtiging, als getuige of deskundige op te treden in gerechtelijke of administratieve procedures betreffende onder dit protocol vallende aangelegenheden en daarbij de voor de procedure noodzakelijke voorwerpen, documenten of gewaarmerkte afschriften voor te leggen. In de dagvaarding dient uitdrukkelijk te worden vermeld voor welke gerechtelijke of administratieve instantie de ambtenaar moet verschijnen en over welke aangelegenheid en in welke functie of hoedanigheid hij zal worden ondervraagd.

Artikel 12. Kosten van de bijstand

De partijen en de overeenkomstsluitende Cariforum-staten brengen elkaar geen kosten in rekening voor uitgaven die op grond van dit protocol worden gedaan, met uitzondering van eventuele uitgaven voor deskundigen, getuigen, tolken en vertalers die niet in overheidsdienst zijn.

Artikel 13. Tenuitvoerlegging
1.

Dit protocol wordt ten uitvoer gelegd door de douaneautoriteiten van de overeenkomstsluitende Cariforum-staten, enerzijds, en de bevoegde diensten van de Commissie van de Europese Gemeenschappen en, in voorkomend geval, de douaneautoriteiten van de lidstaten van de Europese Unie, anderzijds. Zij stellen alle praktische maatregelen en regelingen voor de toepassing van dit protocol vast, rekening houdend met de geldende voorschriften, met name op het gebied van de gegevensbescherming. Zij kunnen de bevoegde autoriteiten aanbevelingen doen over wijzigingen die naar hun oordeel in dit protocol moeten worden aangebracht.

2.

De partijen en de overeenkomstsluitende Cariforum-staten plegen onderling overleg en lichten elkaar in over alle uitvoeringsbepalingen die op grond van dit protocol worden vastgesteld.

Artikel 14. Andere overeenkomsten
1.

Met inachtneming van de respectieve bevoegdheden van de Europese Gemeenschap en de lidstaten van de Europese Unie:

  • a. laat dit protocol de verplichtingen van de partijen en de overeenkomstsluitende Cariforum-staten krachtens andere internationale overeenkomsten of verdragen onverlet;
  • b. wordt dit protocol geacht een aanvulling te vormen op overeenkomsten inzake wederzijdse bijstand die tussen afzonderlijke lidstaten van de Europese Unie en overeenkomstsluitende Cariforum-staten zijn of kunnen worden gesloten.
2.

Dit protocol laat onverlet de bepalingen van de Europese Gemeenschap betreffende de doorgifte, tussen de bevoegde diensten van de Commissie van de Europese Gemeenschappen en de douaneautoriteiten van de lidstaten van de Europese Unie, van gegevens die op grond van dit protocol zijn verkregen en die van belang kunnen zijn voor de Europese Unie.

3.

Onverminderd het bepaalde in lid 1 prevaleert dit protocol boven bilaterale overeenkomsten inzake wederzijdse bijstand die tussen afzonderlijke lidstaten van de Europese Unie en een overeenkomstsluitende Cariforum-staat zijn of kunnen worden gesloten, indien de bepalingen van die overeenkomsten strijdig zijn met die van dit protocol.

4.

Ten aanzien van vraagstukken in verband met de toepassing van dit protocol plegen de partijen onderling overleg om deze op te lossen in het kader van het bij artikel 36 van de economische partnerschapsovereenkomst Cariforum-EG ingestelde speciaal comité voor douanesamenwerking en handelsbevordering.

De partijen en de overeenkomstsluitende Cariforum-staten,

Geratificeerd hebbend het Unesco-Verdrag betreffende de bescherming en de bevordering van de diversiteit van cultuuruitingen, dat op 20 oktober 2005 in Parijs is aangenomen en op 18 maart 2007 in werking is getreden, of zijnde voornemens dat ten spoedigste te doen,

Zijnde voornemens het Unesco-Verdrag daadwerkelijk ten uitvoer te leggen en in het kader daarvan op basis van de beginselen van dat verdrag samen te werken door middel van acties in overeenstemming met dat verdrag, met name de artikelen 14, 15 en 16,

Erkennend dat de cultuurindustrie en de verscheidenheid van culturele goederen en diensten van belang zijn als activiteiten met een culturele, economische en sociale waarde,

Erkennend dat de regionale integratie, die door de overeenkomst wordt ondersteund, deel uitmaakt van een mondiale strategie ter bevordering van een rechtvaardige groei en een hechtere samenwerking tussen de partijen op economisch, cultureel en handelsgebied,

Eraan herinnerend dat de doelstellingen van dit protocol worden aangevuld en ondersteund door bestaande en toekomstige beleidsinstrumenten die in ander verband worden beheerd, zodat:

de culturele dimensie op alle niveaus van de ontwikkelingssamenwerking een plaats krijgt, met name op het gebied van het onderwijs;

de capaciteit en onafhankelijkheid van de cultuurindustrie van de partijen worden versterkt;

plaatselijke en regionale culturele inhoud wordt bevorderd,

In het besef dat bescherming en bevordering van de culturele diversiteit noodzakelijk zijn voor een geslaagde dialoog tussen culturen,

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)