Wijzigingsgeschiedenis

Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen, 1973, zoals gewijzigd door het Protocol van 1978 daarbij

38 versions · 2026-03-01
2026-03-01
Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen,
2026-01-01
Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen,
2025-08-01
Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen,
2024-05-01
Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen,

Wijzigingen op 2024-05-01

@@ -102,9 +102,9 @@
##### Artikel 7. Onnodig oponthoud van schepen
(1). Al het mogelijke wordt gedaan om te vermijden dat een schip door de toepassing van de [artikelen 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&artikel=4&z=2024-01-01&g=2024-01-01), [5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&artikel=5&z=2024-01-01&g=2024-01-01) of [6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&artikel=6&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van dit Verdrag onnodig wordt opgehouden of vertraagd.
(2). Indien, door de toepassing van de [artikelen 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&artikel=4&z=2024-01-01&g=2024-01-01), [5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&artikel=5&z=2024-01-01&g=2024-01-01) of [6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&artikel=6&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van dit Verdrag, een schip onnodig wordt opgehouden of vertraagd, is het gerechtigd aanspraak te maken op vergoeding van enig geleden verlies of schade.
(1). Al het mogelijke wordt gedaan om te vermijden dat een schip door de toepassing van de [artikelen 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&artikel=4&z=2024-05-01&g=2024-05-01), [5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&artikel=5&z=2024-05-01&g=2024-05-01) of [6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&artikel=6&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van dit Verdrag onnodig wordt opgehouden of vertraagd.
(2). Indien, door de toepassing van de [artikelen 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&artikel=4&z=2024-05-01&g=2024-05-01), [5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&artikel=5&z=2024-05-01&g=2024-05-01) of [6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&artikel=6&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van dit Verdrag, een schip onnodig wordt opgehouden of vertraagd, is het gerechtigd aanspraak te maken op vergoeding van enig geleden verlies of schade.
##### Artikel 8. Melding van voorvallen met schadelijke stoffen
@@ -176,9 +176,9 @@
##### Artikel 14. Facultatieve Bijlagen
(1). Op het tijdstip van ondertekening, bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring van of toetreding tot dit Verdrag kan een Staat verklaren dat hij een of meer van de Bijlagen III, IV en [V](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=V&z=2024-01-01&g=2024-01-01) (hierna te noemen „Facultatieve Bijlagen”) dan wel al deze Bijlagen van dit Verdrag niet aanvaardt. Behoudens het bovenstaande zijn de Partijen bij het Verdrag gebonden door elke bijlage in zijn geheel.
(2). Een Staat die heeft verklaard zich niet gebonden te achten door een Facultatieve Bijlage kan te allen tijde een dergelijke Bijlage aanvaarden door nederlegging van een akte bij de Organisatie zoals bedoeld in [artikel 13, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&artikel=13&z=2024-01-01&g=2024-01-01).
(1). Op het tijdstip van ondertekening, bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring van of toetreding tot dit Verdrag kan een Staat verklaren dat hij een of meer van de Bijlagen III, IV en [V](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=V&z=2024-05-01&g=2024-05-01) (hierna te noemen „Facultatieve Bijlagen”) dan wel al deze Bijlagen van dit Verdrag niet aanvaardt. Behoudens het bovenstaande zijn de Partijen bij het Verdrag gebonden door elke bijlage in zijn geheel.
(2). Een Staat die heeft verklaard zich niet gebonden te achten door een Facultatieve Bijlage kan te allen tijde een dergelijke Bijlage aanvaarden door nederlegging van een akte bij de Organisatie zoals bedoeld in [artikel 13, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&artikel=13&z=2024-05-01&g=2024-05-01).
(3). Een Staat die een verklaring krachtens het eerste lid van dit artikel aflegt met betrekking tot een Facultatieve Bijlage en deze Bijlage niet naderhand heeft aanvaard overeenkomstig het tweede lid van dit artikel, zal aan geen enkele verplichting onderworpen zijn noch gerechtigd zijn aanspraak te maken op voorrechten voortvloeiend uit dit Verdrag ten aanzien van aangelegenheden waarop een zodanige Bijlage betrekking heeft; ook zullen alle verwijzingen naar Partijen bij dit Verdrag niet op die Staat van toepassing zijn voor zover daarbij sprake is van aangelegenheden deze Bijlagen betreffende.
@@ -186,7 +186,7 @@
##### Artikel 15. Inwerkingtreding
(1). Dit Verdrag treedt in werking twaalf maanden na de datum waarop niet minder dan vijftien Staten waarvan de koopvaardijvloten te zamen ten minste vijftig procent vormen van de bruto tonnage van de wereldkoopvaardijvloot, Partij bij dit Verdrag zijn geworden overeenkomstig [artikel 13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&artikel=13&z=2024-01-01&g=2024-01-01).
(1). Dit Verdrag treedt in werking twaalf maanden na de datum waarop niet minder dan vijftien Staten waarvan de koopvaardijvloten te zamen ten minste vijftig procent vormen van de bruto tonnage van de wereldkoopvaardijvloot, Partij bij dit Verdrag zijn geworden overeenkomstig [artikel 13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&artikel=13&z=2024-05-01&g=2024-05-01).
(2). Een Facultatieve Bijlage treedt in werking twaalf maanden na de datum waarop aan de voorwaarden gesteld in het eerste lid van dit artikel met betrekking tot die Bijlage is voldaan.
@@ -196,7 +196,7 @@
(5). Voor Staten die een akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding hebben nedergelegd na de datum waarop het Verdrag of een Facultatieve Bijlage in werking is getreden, wordt het Verdrag of de Facultatieve Bijlage van kracht drie maanden na de datum waarop de akte is nedergelegd.
(6). Na de datum waarop is voldaan aan alle in [artikel 16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&artikel=16&z=2024-01-01&g=2024-01-01) genoemde voorwaarden om wijzigingen van dit Verdrag of van een Facultatieve Bijlage in werking te doen treden, heeft elke akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding betrekking op het Verdrag of de Bijlage, zoals gewijzigd.
(6). Na de datum waarop is voldaan aan alle in [artikel 16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&artikel=16&z=2024-05-01&g=2024-05-01) genoemde voorwaarden om wijzigingen van dit Verdrag of van een Facultatieve Bijlage in werking te doen treden, heeft elke akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding betrekking op het Verdrag of de Bijlage, zoals gewijzigd.
##### Artikel 16. Wijzigingen
@@ -288,7 +288,7 @@
##### Artikel I. Meldingsplicht
(1). De gezagvoerder of een andere persoon, belast met het bevel over een schip dat betrokken is bij een in [artikel II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&artikel=II&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van dit Protocol bedoeld voorval, dient de bijzonderheden van dit voorval onverwijld en zo volledig mogelijk te melden in overeenstemming met de bepalingen van dit Protocol.
(1). De gezagvoerder of een andere persoon, belast met het bevel over een schip dat betrokken is bij een in [artikel II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&artikel=II&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van dit Protocol bedoeld voorval, dient de bijzonderheden van dit voorval onverwijld en zo volledig mogelijk te melden in overeenstemming met de bepalingen van dit Protocol.
(2). Indien het schip, bedoeld in het eerste lid van dit artikel, wordt verlaten, of indien een melding van dit schip onvolledig of niet verkrijgbaar is, neemt de eigenaar, de bevrachter, de beheerder of de exploitant, dan wel diens vertegenwoordiger, zoveel mogelijk de verplichtingen van de gezagvoerder op zich krachtens de bepalingen van dit Protocol.
@@ -310,9 +310,9 @@
(2). Voor de doeleinden van dit Protocol:
- (a). wordt onder de in lid l(a) van dit artikel bedoelde „olie” verstaan de in [Voorschrift 1(1) van Bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=1&artikel=1&z=2024-01-01&g=2024-01-01) bij dit Verdrag omschreven olie.
- (b). worden onder de in lid l(a) van dit artikel bedoelde „schadelijke vloeistoffen” verstaan de in [Voorschrift 1(6) van Bijlage II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=II&hoofdstuk=1&artikel=1&z=2024-01-01&g=2024-01-01) bij dit Verdrag omschreven schadelijke vloeistoffen.
- (a). wordt onder de in lid l(a) van dit artikel bedoelde „olie” verstaan de in [Voorschrift 1(1) van Bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=1&artikel=1&z=2024-05-01&g=2024-05-01) bij dit Verdrag omschreven olie.
- (b). worden onder de in lid l(a) van dit artikel bedoelde „schadelijke vloeistoffen” verstaan de in [Voorschrift 1(6) van Bijlage II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=II&hoofdstuk=1&artikel=1&z=2024-05-01&g=2024-05-01) bij dit Verdrag omschreven schadelijke vloeistoffen.
- (c). worden onder „schadelijke stoffen” in verpakte vorm, zoals bedoeld in lid l(b) van dit artikel, verstaan de in de „International Maritime Dangerous Goods (IMDG) Code” opgenomen stoffen, die zijn aangemerkt als zijnde schadelijk voor het mariene milieu.
@@ -348,7 +348,7 @@
##### Artikel II
(1). Een scheidsgerecht wordt ingesteld op verzoek van een Partij bij het Verdrag, gericht aan een andere Partij, overeenkomstig [artikel 10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&artikel=10&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van dit Verdrag. Het verzoek om een scheidsrechterlijke beslissing bevat een voordracht van de zaak en gaat vergezeld van de ter zake dienende stukken.
(1). Een scheidsgerecht wordt ingesteld op verzoek van een Partij bij het Verdrag, gericht aan een andere Partij, overeenkomstig [artikel 10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&artikel=10&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van dit Verdrag. Het verzoek om een scheidsrechterlijke beslissing bevat een voordracht van de zaak en gaat vergezeld van de ter zake dienende stukken.
(2). De eisende Partij stelt de Secretaris-Generaal van de Organisatie in kennis van het feit dat zij de instelling van een scheidsgerecht heeft verzocht, van de namen van de partijen bij het geschil en van de artikelen van het Verdrag of van de Voorschriften waarvan de uitlegging of de toepassing naar haar mening het voorwerp van het geschil vormen. De Secretaris-Generaal doet deze inlichtingen aan alle Partijen toekomen.
@@ -442,9 +442,9 @@
- .2 Onverminderd de bepalingen van deze omschrijving:
- .1 wordt de wijziging van een olietankschip met een draagvermogen van 20.000 ton of meer, opgeleverd op of voor 1 juni 1982, als omschreven in voorschrift 1.28.3, teneinde te voldoen aan de eisen van [voorschrift 18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=4&deel=A&artikel=18&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage, voor de toepassing van deze Bijlage niet aangemerkt als een belangrijke wijziging; en
- .2 wordt de wijziging van een olietankschip, opgeleverd voor 6 juli 1996, als omschreven in voorschrift 1.28.5, teneinde te voldoen aan de vereisten van [voorschrift 19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=4&deel=A&artikel=19&z=2024-01-01&g=2024-01-01) of [20](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=4&deel=A&artikel=20&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage, voor de toepassing van deze Bijlage niet aangemerkt als een belangrijke wijziging;
- .1 wordt de wijziging van een olietankschip met een draagvermogen van 20.000 ton of meer, opgeleverd op of voor 1 juni 1982, als omschreven in voorschrift 1.28.3, teneinde te voldoen aan de eisen van [voorschrift 18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=4&deel=A&artikel=18&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage, voor de toepassing van deze Bijlage niet aangemerkt als een belangrijke wijziging; en
- .2 wordt de wijziging van een olietankschip, opgeleverd voor 6 juli 1996, als omschreven in voorschrift 1.28.5, teneinde te voldoen aan de vereisten van [voorschrift 19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=4&deel=A&artikel=19&z=2024-05-01&g=2024-05-01) of [20](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=4&deel=A&artikel=20&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage, voor de toepassing van deze Bijlage niet aangemerkt als een belangrijke wijziging;
- 10. **dichtstbijzijnde land**: de uitdrukking „van het dichtstbijzijnde land” betekent: van de basislijn van waaruit de territoriale zee van het betrokken grondgebied wordt bepaald overeenkomstig het internationaal recht, behoudens dat, voor de toepassing van dit Verdrag „van het dichtstbijzijnde land” onder de noordoostkust van Australië betekent: „van een lijn getrokken van een punt op de kust van Australië gelegen op
@@ -770,13 +770,13 @@
- 1. Tenzij uitdrukkelijk anders bepaald, zijn de bepalingen van deze Bijlage van toepassing op alle schepen.
- 2. Voor andere schepen dan olietankschepen die zijn uitgerust met laadruimten, gebouwd en gebruikt voor het vervoer van olie in bulk, met een totaal laadvermogen van 200 m3 of meer, gelden de eisen van de [voorschriften 16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=3&deel=C&artikel=16&z=2024-01-01&g=2024-01-01), [26.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=4&deel=A&artikel=26&z=2024-01-01&g=2024-01-01), [29](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=4&deel=A&artikel=29&z=2024-01-01&g=2024-01-01), [30](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=4&deel=A&artikel=30&z=2024-01-01&g=2024-01-01), [31](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=4&deel=B&artikel=31&z=2024-01-01&g=2024-01-01), [32](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=4&deel=B&artikel=32&z=2024-01-01&g=2024-01-01), [34](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=4&deel=C&artikel=34&z=2024-01-01&g=2024-01-01) en [36](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=4&deel=C&artikel=36&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage voor olietankschepen ook voor de constructie en het gebruik van die laadruimten, met dien verstande dat, ingeval het totale laadvermogen minder is dan 1000 m3, de bepalingen van [voorschrift 34.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=4&deel=C&artikel=34&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage kunnen worden toegepast in plaats van de [voorschriften 29](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=4&deel=A&artikel=29&z=2024-01-01&g=2024-01-01), [31](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=4&deel=B&artikel=31&z=2024-01-01&g=2024-01-01) en [32](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=4&deel=B&artikel=32&z=2024-01-01&g=2024-01-01).
- 2. Voor andere schepen dan olietankschepen die zijn uitgerust met laadruimten, gebouwd en gebruikt voor het vervoer van olie in bulk, met een totaal laadvermogen van 200 m3 of meer, gelden de eisen van de [voorschriften 16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=3&deel=C&artikel=16&z=2024-05-01&g=2024-05-01), [26.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=4&deel=A&artikel=26&z=2024-05-01&g=2024-05-01), [29](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=4&deel=A&artikel=29&z=2024-05-01&g=2024-05-01), [30](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=4&deel=A&artikel=30&z=2024-05-01&g=2024-05-01), [31](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=4&deel=B&artikel=31&z=2024-05-01&g=2024-05-01), [32](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=4&deel=B&artikel=32&z=2024-05-01&g=2024-05-01), [34](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=4&deel=C&artikel=34&z=2024-05-01&g=2024-05-01) en [36](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=4&deel=C&artikel=36&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage voor olietankschepen ook voor de constructie en het gebruik van die laadruimten, met dien verstande dat, ingeval het totale laadvermogen minder is dan 1000 m3, de bepalingen van [voorschrift 34.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=4&deel=C&artikel=34&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage kunnen worden toegepast in plaats van de [voorschriften 29](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=4&deel=A&artikel=29&z=2024-05-01&g=2024-05-01), [31](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=4&deel=B&artikel=31&z=2024-05-01&g=2024-05-01) en [32](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=4&deel=B&artikel=32&z=2024-05-01&g=2024-05-01).
- 3. Ingeval een lading die valt onder de bepalingen van Bijlage II van dit Verdrag wordt vervoerd in een laadruimte van een olietankschip, zijn de desbetreffende eisen van Bijlage II van dit Verdrag ook van toepassing.
- 4. De vereisten van de [voorschriften 29](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=4&deel=A&artikel=29&z=2024-01-01&g=2024-01-01), [31](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=4&deel=B&artikel=31&z=2024-01-01&g=2024-01-01) en [32](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=4&deel=B&artikel=32&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage zijn niet van toepassing op olietankschepen die asfalt of andere producten waarop de bepalingen van deze Bijlage van toepassing zijn, vervoeren, die vanwege hun fysieke eigenschappen een doeltreffende productwater scheiding en monitoring verhinderen, waarbij de regeling van het lozen van olie ingevolge [voorschrift 34](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=4&deel=C&artikel=34&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage plaatsvindt door het aan boord houden van restanten en de latere afgifte van al het verontreinigd tankwaswater aan ontvangstinrichtingen.
- 5. Met inachtneming van de bepalingen van lid 6 van dit voorschrift, zijn de [voorschriften 18.6 tot en met 18.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=4&deel=A&artikel=18&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage niet van toepassing op een olietankschip, opgeleverd op of voor 1 juni 1982, als omschreven in [voorschrift 1.28.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=1&artikel=1&z=2024-01-01&g=2024-01-01), dat alleen wordt ingezet op bepaalde reizen tussen:
- 4. De vereisten van de [voorschriften 29](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=4&deel=A&artikel=29&z=2024-05-01&g=2024-05-01), [31](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=4&deel=B&artikel=31&z=2024-05-01&g=2024-05-01) en [32](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=4&deel=B&artikel=32&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage zijn niet van toepassing op olietankschepen die asfalt of andere producten waarop de bepalingen van deze Bijlage van toepassing zijn, vervoeren, die vanwege hun fysieke eigenschappen een doeltreffende productwater scheiding en monitoring verhinderen, waarbij de regeling van het lozen van olie ingevolge [voorschrift 34](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=4&deel=C&artikel=34&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage plaatsvindt door het aan boord houden van restanten en de latere afgifte van al het verontreinigd tankwaswater aan ontvangstinrichtingen.
- 5. Met inachtneming van de bepalingen van lid 6 van dit voorschrift, zijn de [voorschriften 18.6 tot en met 18.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=4&deel=A&artikel=18&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage niet van toepassing op een olietankschip, opgeleverd op of voor 1 juni 1982, als omschreven in [voorschrift 1.28.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=1&artikel=1&z=2024-05-01&g=2024-05-01), dat alleen wordt ingezet op bepaalde reizen tussen:
- .1 havens of laad- of losplaatsen binnen een Staat die Partij is bij dit Verdrag; of
@@ -788,9 +788,9 @@
- 6. De bepalingen van lid 5 van dit voorschrift zijn alleen van toepassing wanneer de havens of laad- of losplaatsen waar tijdens dergelijke reizen lading wordt geladen, zijn uitgerust met ontvangstinrichtingen die geschikt zijn voor de ontvangst en behandeling van al het ballast- en tankwaswater van olietankschepen die er gebruik van maken en aan alle volgende voorwaarden is voldaan:
- .1 behoudens de in [voorschrift 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=1&artikel=4&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage bedoelde uitzonderingen, wordt al het ballastwater, met inbegrip van schoon ballastwater, en restanten van tankwaswater, aan boord gehouden en naar de ontvangstinrichtingen overgebracht en is de juiste aantekening in het Oliejournaal Deel II als vermeld in [voorschrift 36](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=4&deel=C&artikel=36&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage door de bevoegde havenautoriteit goedgekeurd;
- .2 de Administratie en de Regeringen van de in de leden 5.1 of 5.2 van dit voorschrift bedoelde havenstaten hebben overeenstemming bereikt over de inzet van een olietankschip dat op of voor 1 juni 1982 is opgeleverd, als omschreven in [voorschrift 1.28.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=1&artikel=1&z=2024-01-01&g=2024-01-01), op bepaalde reizen;
- .1 behoudens de in [voorschrift 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=1&artikel=4&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage bedoelde uitzonderingen, wordt al het ballastwater, met inbegrip van schoon ballastwater, en restanten van tankwaswater, aan boord gehouden en naar de ontvangstinrichtingen overgebracht en is de juiste aantekening in het Oliejournaal Deel II als vermeld in [voorschrift 36](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=4&deel=C&artikel=36&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage door de bevoegde havenautoriteit goedgekeurd;
- .2 de Administratie en de Regeringen van de in de leden 5.1 of 5.2 van dit voorschrift bedoelde havenstaten hebben overeenstemming bereikt over de inzet van een olietankschip dat op of voor 1 juni 1982 is opgeleverd, als omschreven in [voorschrift 1.28.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=1&artikel=1&z=2024-05-01&g=2024-05-01), op bepaalde reizen;
- .3 de geschiktheid van de ontvangstinrichtingen, in overeenstemming met de relevante bepalingen van deze Bijlage, van de bovenbedoelde havens of laad- of losplaatsen, voor de toepassing van dit voorschrift, is goedgekeurd door de Regeringen van de Staten die Partij zijn bij dit Verdrag waarbinnen dergelijke havens of laad- of losplaatsen zich bevinden; en
@@ -798,17 +798,17 @@
##### Voorschrift 3. Vrijstellingen en ontheffingen
1. Schepen zoals draagvleugelboten, luchtkussenvaartuigen, nabij de oppervlakte drijvende vaartuigen, onderwatervaartuigen, waarop, gezien hun constructie, de toepassing van de bepalingen van de [Hoofdstukken 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=3&z=2024-01-01&g=2024-01-01) en [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=4&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage of sectie 1.2 van deel II-A van de Polar Code met betrekking tot constructie en uitrusting onredelijk of onuitvoerbaar zou zijn, kunnen door de Administratie van de toepassing van deze bepalingen worden vrijgesteld, mits de constructie en de uitrusting van het schip gelijkwaardige bescherming bieden tegen verontreiniging door olie, zulks gelet op de dienst waarvoor het is bestemd.
2. De bijzonderheden betreffende een dergelijke door de Administratie verleende vrijstelling, uitgezonderd die ingevolge paragraaf 7 van dit voorschrift, worden vermeld in het certificaat als bedoeld in [voorschrift 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=2&artikel=7&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage.
1. Schepen zoals draagvleugelboten, luchtkussenvaartuigen, nabij de oppervlakte drijvende vaartuigen, onderwatervaartuigen, waarop, gezien hun constructie, de toepassing van de bepalingen van de [Hoofdstukken 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=3&z=2024-05-01&g=2024-05-01) en [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=4&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage of sectie 1.2 van deel II-A van de Polar Code met betrekking tot constructie en uitrusting onredelijk of onuitvoerbaar zou zijn, kunnen door de Administratie van de toepassing van deze bepalingen worden vrijgesteld, mits de constructie en de uitrusting van het schip gelijkwaardige bescherming bieden tegen verontreiniging door olie, zulks gelet op de dienst waarvoor het is bestemd.
2. De bijzonderheden betreffende een dergelijke door de Administratie verleende vrijstelling, uitgezonderd die ingevolge paragraaf 7 van dit voorschrift, worden vermeld in het certificaat als bedoeld in [voorschrift 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=2&artikel=7&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage.
3. De Administratie die een dergelijke vrijstelling verleent, stelt de Organisatie zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen negentig dagen na de verlening, in kennis van de bijzonderheden daarvan alsmede van de redenen daarvoor; de Organisatie zendt deze vervolgens aan de Partijen bij dit Verdrag ter kennisneming en voor het eventueel nemen van passende maatregelen.
4. De Administratie kan ontheffing verlenen van de vereisten van de [voorschriften 29](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=4&deel=A&artikel=29&z=2024-01-01&g=2024-01-01), [31](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=4&deel=B&artikel=31&z=2024-01-01&g=2024-01-01) en [32](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=4&deel=B&artikel=32&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage, voor elk olietankschip dat uitsluitend reizen maakt van 72 uur of korter en binnen 50 zeemijl van het dichtstbijzijnde land, mits het olietankschip uitsluitend wordt ingezet voor reizen tussen havens en laad- of losplaatsen binnen een Staat die Partij is bij dit Verdrag. Aan een dergelijke ontheffing is de voorwaarde verbonden dat het olietankschip alle oliehoudende mengsels aan boord houdt om deze naderhand bij ontvangstinrichtingen af te leveren en dat de Administratie vaststelt dat de inrichtingen waar dergelijke oliehoudende mengsel worden ontvangen, geschikt zijn.
5. De Administratie kan ontheffing verlenen van de vereisten van de [voorschriften 31](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=4&deel=B&artikel=31&z=2024-01-01&g=2024-01-01) en [32](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=4&deel=B&artikel=32&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage voor olietankschepen anders dan die bedoeld in lid 4 van dit voorschrift in gevallen waarin:
- .1. het tankschip een olietankschip is dat op of voor 1 juni 1982 is opgeleverd, als omschreven in [voorschrift 1.28.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=1&artikel=1&z=2024-01-01&g=2024-01-01), met een draagvermogen van 40.000 ton of meer, als bedoeld in [voorschrift 2.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=1&artikel=2&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage, dat uitsluitend wordt ingezet voor bepaalde reizen, en aan de voorwaarden omschreven in voorschrift 2.6 van deze Bijlage is voldaan; of
4. De Administratie kan ontheffing verlenen van de vereisten van de [voorschriften 29](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=4&deel=A&artikel=29&z=2024-05-01&g=2024-05-01), [31](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=4&deel=B&artikel=31&z=2024-05-01&g=2024-05-01) en [32](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=4&deel=B&artikel=32&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage, voor elk olietankschip dat uitsluitend reizen maakt van 72 uur of korter en binnen 50 zeemijl van het dichtstbijzijnde land, mits het olietankschip uitsluitend wordt ingezet voor reizen tussen havens en laad- of losplaatsen binnen een Staat die Partij is bij dit Verdrag. Aan een dergelijke ontheffing is de voorwaarde verbonden dat het olietankschip alle oliehoudende mengsels aan boord houdt om deze naderhand bij ontvangstinrichtingen af te leveren en dat de Administratie vaststelt dat de inrichtingen waar dergelijke oliehoudende mengsel worden ontvangen, geschikt zijn.
5. De Administratie kan ontheffing verlenen van de vereisten van de [voorschriften 31](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=4&deel=B&artikel=31&z=2024-05-01&g=2024-05-01) en [32](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=4&deel=B&artikel=32&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage voor olietankschepen anders dan die bedoeld in lid 4 van dit voorschrift in gevallen waarin:
- .1. het tankschip een olietankschip is dat op of voor 1 juni 1982 is opgeleverd, als omschreven in [voorschrift 1.28.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=1&artikel=1&z=2024-05-01&g=2024-05-01), met een draagvermogen van 40.000 ton of meer, als bedoeld in [voorschrift 2.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=1&artikel=2&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage, dat uitsluitend wordt ingezet voor bepaalde reizen, en aan de voorwaarden omschreven in voorschrift 2.6 van deze Bijlage is voldaan; of
- .2. het tankschip uitsluitend wordt ingezet voor een of meer van de volgende categorieën reizen:
@@ -832,9 +832,9 @@
- .7. de hoeveelheid, tijd en de loshaven worden in het Oliejournaal vermeld.
6. De Administratie kan ontheffing verlenen van de vereisten van [voorschrift 28(6)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=4&deel=A&artikel=28&z=2024-01-01&g=2024-01-01) aan de volgende olietankschepen indien deze worden geladen in overeenstemming met de door de Administratie goedgekeurde voorwaarden, rekening houdend met de door de Organisatie opgestelde richtlijnen:
- .1. olietankschepen die voor specifieke doelen worden ingezet en een beperkt aantal verschillende beladingstoestanden kennen, zodanig dat alle verwachte omstandigheden zijn goedgekeurd in de stabiliteitsgegevens die aan de kapitein worden verstrekt in overeenstemming met [voorschrift 28(5)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=4&deel=A&artikel=28&z=2024-01-01&g=2024-01-01);
6. De Administratie kan ontheffing verlenen van de vereisten van [voorschrift 28(6)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=4&deel=A&artikel=28&z=2024-05-01&g=2024-05-01) aan de volgende olietankschepen indien deze worden geladen in overeenstemming met de door de Administratie goedgekeurde voorwaarden, rekening houdend met de door de Organisatie opgestelde richtlijnen:
- .1. olietankschepen die voor specifieke doelen worden ingezet en een beperkt aantal verschillende beladingstoestanden kennen, zodanig dat alle verwachte omstandigheden zijn goedgekeurd in de stabiliteitsgegevens die aan de kapitein worden verstrekt in overeenstemming met [voorschrift 28(5)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=4&deel=A&artikel=28&z=2024-05-01&g=2024-05-01);
- .2. olietankschepen waarbij de verificatie van de stabiliteit op afstand plaatsvindt met een door de Administratie goedgekeurd middel;
@@ -842,11 +842,11 @@
- .4. olietankschepen gebouwd vóór 1 januari 2016 die zijn voorzien van goedgekeurde beperkende KG/GM-krommen waarin rekening is gehouden met alle toepasselijke vereisten ten aanzien van stabiliteit in beschadigde en onbeschadigde toestand.
7. De Administratie kan een UNSP-lichter vrijstelling verlenen van de vereisten van [voorschriften 6.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=2&artikel=6&z=2024-01-01&g=2024-01-01) en [7.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=2&artikel=7&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage door middel van een Internationaal certificaat van vrijstelling voor onbemande lichters zonder eigen voortstuwing voor een tijdvak van ten hoogste vijf jaar mits de UNSP-lichter aan een onderzoek is onderworpen om te bevestigen dat aan de in [voorschriften 1.40.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=1&artikel=1&z=2024-01-01&g=2024-01-01) tot en met 1.40.5 van deze Bijlage bedoelde vereisten is voldaan.
7. De Administratie kan een UNSP-lichter vrijstelling verlenen van de vereisten van [voorschriften 6.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=2&artikel=6&z=2024-05-01&g=2024-05-01) en [7.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=2&artikel=7&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage door middel van een Internationaal certificaat van vrijstelling voor onbemande lichters zonder eigen voortstuwing voor een tijdvak van ten hoogste vijf jaar mits de UNSP-lichter aan een onderzoek is onderworpen om te bevestigen dat aan de in [voorschriften 1.40.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=1&artikel=1&z=2024-05-01&g=2024-05-01) tot en met 1.40.5 van deze Bijlage bedoelde vereisten is voldaan.
##### Voorschrift 4. Uitzonderingen
De [voorschriften 15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=3&deel=C&artikel=15&z=2024-01-01&g=2024-01-01) en [34 van deze Bijlage](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=4&deel=C&artikel=34&z=2024-01-01&g=2024-01-01) en paragraaf 1.1.1 van deel II-A van de Polar Code zijn niet van toepassing op:
De [voorschriften 15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=3&deel=C&artikel=15&z=2024-05-01&g=2024-05-01) en [34 van deze Bijlage](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=4&deel=C&artikel=34&z=2024-05-01&g=2024-05-01) en paragraaf 1.1.1 van deel II-A van de Polar Code zijn niet van toepassing op:
- .1 het lozen in zee van olie of oliehoudende mengsels indien dit noodzakelijk is om de veiligheid van een schip te verzekeren of om mensenlevens op zee te redden; of
@@ -1572,7 +1572,7 @@
- .1 van toepassing op olietankschepen met een draagvermogen van 600 ton of meer die zware oliesoorten als lading vervoeren, ongeacht hun datum van oplevering; en
- .2 niet van toepassing op onder onderdeel 1 hierboven vallende olietankschepen die voldoen aan de [voorschriften 19.3.1 en 19.3.2 of 19.4 of 19.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=4&deel=A&artikel=19&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage, behalve dat niet in alle opzichten behoeft te worden voldaan aan het vereiste betreffende de minimum afstanden tussen de begrenzing van de ladingtank en de huid- en vlakbeplating van het schip. In dat geval mogen de afstanden voor de bescherming van de scheepshuid niet minder bedragen dan de afstanden die in de International Bulk Chemical Code worden genoemd voor de locatie van ladingtanks van type 2 en dient de bescherming van het vlak te voldoen aan [voorschrift 18.15.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=4&deel=A&artikel=18&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage.
- .2 niet van toepassing op onder onderdeel 1 hierboven vallende olietankschepen die voldoen aan de [voorschriften 19.3.1 en 19.3.2 of 19.4 of 19.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=4&deel=A&artikel=19&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage, behalve dat niet in alle opzichten behoeft te worden voldaan aan het vereiste betreffende de minimum afstanden tussen de begrenzing van de ladingtank en de huid- en vlakbeplating van het schip. In dat geval mogen de afstanden voor de bescherming van de scheepshuid niet minder bedragen dan de afstanden die in de International Bulk Chemical Code worden genoemd voor de locatie van ladingtanks van type 2 en dient de bescherming van het vlak te voldoen aan [voorschrift 18.15.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=4&deel=A&artikel=18&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage.
- 2. Voor de toepassing van dit voorschrift wordt onder „zware oliesoorten” elk van de volgende soorten verstaan:
@@ -1582,13 +1582,13 @@
- .3 bitumen, teer en emulsies daarvan.
- 3. Olietankschepen waarop dit voorschrift van toepassing is dienen, behalve aan de van toepassing zijnde bepalingen van [voorschrift 20](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=4&deel=A&artikel=20&z=2024-01-01&g=2024-01-01), te voldoen aan de bepalingen van de leden 4 tot en met 8 van dit voorschrift.
- 3. Olietankschepen waarop dit voorschrift van toepassing is dienen, behalve aan de van toepassing zijnde bepalingen van [voorschrift 20](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=4&deel=A&artikel=20&z=2024-05-01&g=2024-05-01), te voldoen aan de bepalingen van de leden 4 tot en met 8 van dit voorschrift.
- 4. Met inachtneming van de bepalingen van de leden 5, 6 en 7 van dit voorschrift, dienen olietankschepen waarop dit voorschrift van toepassing is:
- .1 met een draagvermogen van 5000 ton of meer uiterlijk 5 april 2005 te voldoen aan de vereisten van [voorschrift 19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=4&deel=A&artikel=19&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage; of
- .2 met een draagvermogen van 600 ton of meer, maar minder dan 5000 ton, uiterlijk op de verjaardatum van de oplevering van het schip in 2008 te worden voorzien van zowel dubbele-bodemtanks en -ruimten die voldoen aan de bepalingen van [voorschrift 19.6.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=4&deel=A&artikel=19&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage, als zijtanks of -ruimten die zijn ingericht in overeenstemming met 19.3.1, en die voldoen aan het vereiste voor afstand **w** als bedoeld in voorschrift 19.6.2.
- .1 met een draagvermogen van 5000 ton of meer uiterlijk 5 april 2005 te voldoen aan de vereisten van [voorschrift 19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=4&deel=A&artikel=19&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage; of
- .2 met een draagvermogen van 600 ton of meer, maar minder dan 5000 ton, uiterlijk op de verjaardatum van de oplevering van het schip in 2008 te worden voorzien van zowel dubbele-bodemtanks en -ruimten die voldoen aan de bepalingen van [voorschrift 19.6.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=4&deel=A&artikel=19&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage, als zijtanks of -ruimten die zijn ingericht in overeenstemming met 19.3.1, en die voldoen aan het vereiste voor afstand **w** als bedoeld in voorschrift 19.6.2.
- 5. In het geval van olietankschepen met een draagvermogen van 5000 ton of meer die zware oliesoorten als lading vervoeren, die alleen voorzien zijn van dubbele bodems of dubbele zijwanden die niet worden gebruikt voor het vervoer van olie en die zich uitstrekken over de gehele lengte van de ladingtank of dubbelwandige ruimten die niet worden gebruikt voor het vervoer van olie en zich uitstrekken over de gehele lengte van de ladingtank, maar niet voldoen aan de voorwaarden om te worden vrijgesteld van de bepalingen van lid 1.2 van dit voorschrift, kan de Administratie toestaan dat dergelijke schepen na de in lid 4 van dit voorschrift vermelde datum in de vaart blijven, mits:
@@ -1602,7 +1602,7 @@
- 6.
- .1 De Administratie kan toestaan dat een olietankschip met een draagvermogen van 5000 ton of meer dat ruwe olie met een dichtheid bij 15° C van meer dan 900 kg/m3 maar minder dan 945 kg/m3 als lading vervoert, in de vaart blijft na de in lid 4.1 van dit voorschrift vermelde datum, indien bevredigende resultaten van de CAS-inspectie als bedoeld in [voorschrift 20.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=4&deel=A&artikel=20&z=2024-01-01&g=2024-01-01), naar het oordeel van de Administratie, rechtvaardigen dat het schip in de vaart blijft, rekening houdend met de omvang, de leeftijd, het werkgebied en de toestand van de constructie van het schip en mits dat uiterlijk duurt tot de datum waarop het schip 25 jaar oud is, te rekenen vanaf de datum van oplevering.
- .1 De Administratie kan toestaan dat een olietankschip met een draagvermogen van 5000 ton of meer dat ruwe olie met een dichtheid bij 15° C van meer dan 900 kg/m3 maar minder dan 945 kg/m3 als lading vervoert, in de vaart blijft na de in lid 4.1 van dit voorschrift vermelde datum, indien bevredigende resultaten van de CAS-inspectie als bedoeld in [voorschrift 20.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=4&deel=A&artikel=20&z=2024-05-01&g=2024-05-01), naar het oordeel van de Administratie, rechtvaardigen dat het schip in de vaart blijft, rekening houdend met de omvang, de leeftijd, het werkgebied en de toestand van de constructie van het schip en mits dat uiterlijk duurt tot de datum waarop het schip 25 jaar oud is, te rekenen vanaf de datum van oplevering.
- .2 De Administratie kan toestaan dat een olietankschip met een draagvermogen van 600 ton of meer, maar minder dan 5000 ton, dat zware oliesoorten als lading vervoert in de vaart blijft na de in lid 4.2 van dit voorschrift vermelde datum, indien dat, naar het oordeel van de Administratie, mogelijk is, rekening houdend met de omvang, de leeftijd, het werkgebied en de toestand van de constructie van het schip en mits dat uiterlijk duurt tot de datum waarop het schip 25 jaar oud is, te rekenen vanaf de datum van oplevering.
@@ -1638,7 +1638,7 @@
##### Voorschrift 23. Door ongevallen veroorzaakte uitstroming van olie
- 1. Dit voorschrift is van toepassing op olietankschepen opgeleverd op of na 1 januari 2010, als omschreven in [voorschrift 1.28.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=1&artikel=1&z=2024-01-01&g=2024-01-01).
- 1. Dit voorschrift is van toepassing op olietankschepen opgeleverd op of na 1 januari 2010, als omschreven in [voorschrift 1.28.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=1&artikel=1&z=2024-05-01&g=2024-05-01).
- 2. Voor de toepassing van dit voorschift zijn de volgende begripsomschrijvingen van toepassing:
@@ -1652,7 +1652,7 @@
- .5 „holte (DS)”: de holte naar de mal, in meters, gemeten op de halve lengte van het bovendek in de zijde.
- .6 „lengte (L)” en „draagvermogen (DW)” als omschreven in respectievelijk [voorschrift 1.19 en 1.23](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=1&artikel=1&z=2024-01-01&g=2024-01-01).
- .6 „lengte (L)” en „draagvermogen (DW)” als omschreven in respectievelijk [voorschrift 1.19 en 1.23](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=1&artikel=1&z=2024-05-01&g=2024-05-01).
- 3. Teneinde afdoende bescherming te bieden tegen olievervuiling in het geval van aanvaring of stranding, dient aan het volgende te worden voldaan:
@@ -1703,7 +1703,7 @@
- .5 Ten behoeve van deze uitstroomberekeningen wordt de permeabiliteit van elke ruimte binnen het ladinggedeelte, met inbegrip van ladingtanks, ballasttanks en andere ruimtes die geen olieruimtes zijn, op 0,99 gesteld, tenzij anders is vastgesteld.
- .6 Zuigputten kunnen buiten beschouwing gelaten worden bij het vaststellen van de tanklocatie mits dergelijke putten zo klein als praktisch mogelijk zijn en de afstand tussen de bodem van de put en de vlakbeplating van het schip niet minder is dan 0,5 h, waarbij h de hoogte is als omschreven in [voorschrift 19.3.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=4&deel=A&artikel=19&z=2024-01-01&g=2024-01-01).
- .6 Zuigputten kunnen buiten beschouwing gelaten worden bij het vaststellen van de tanklocatie mits dergelijke putten zo klein als praktisch mogelijk zijn en de afstand tussen de bodem van de put en de vlakbeplating van het schip niet minder is dan 0,5 h, waarbij h de hoogte is als omschreven in [voorschrift 19.3.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=4&deel=A&artikel=19&z=2024-05-01&g=2024-05-01).
- 5. Het combineren van de olie-uitstroomparameters geschiedt op basis van de volgende aannames:
@@ -1733,7 +1733,7 @@
| --- | --- | --- |
| n | = | het totale aantal ladingtanks; |
| PS(i) | = | de kans op doorboring van ladingtank i als gevolg van zijschade, berekend in overeenstemming met lid 8.1 van dit voorschrift; |
| OS(i) | = | de uitstroom, in m3, bij zijschade aan ladingtank i, die wordt verondersteld gelijk te zijn aan het totale volume in ladingtank i bij een tankvulling van 98%, tenzij door toepassing van de in [voorschrift 19.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=4&deel=A&artikel=19&z=2024-01-01&g=2024-01-01) genoemde Richtlijnen wordt aangetoond dat er een aanzienlijk ladingvolume achterblijft; en |
| OS(i) | = | de uitstroom, in m3, bij zijschade aan ladingtank i, die wordt verondersteld gelijk te zijn aan het totale volume in ladingtank i bij een tankvulling van 98%, tenzij door toepassing van de in [voorschrift 19.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=4&deel=A&artikel=19&z=2024-05-01&g=2024-05-01) genoemde Richtlijnen wordt aangetoond dat er een aanzienlijk ladingvolume achterblijft; en |
| C3 | = | 0,77 bij schepen met twee langsschotten aan de binnenzijde van de ladingtanks, mits deze langsschotten zich uitstrekken over de lengte van het ladinggedeelte en Ps(i) is uitgewerkt in overeenstemming met dit voorschrift. C3 is gelijk aan 1,0 voor alle overige schepen of indien Ps(i) is uitgewerkt in overeenstemming met lid 10 van dit voorschrift. |
- 7. De gemiddelde uitstroom bij bodemschade wordt voor elk getij op de volgende wijze berekend:
@@ -1890,19 +1890,19 @@
- .1 De in de bovenstaande leden 8 en 9 bedoelde kansen kunnen nauwkeuriger worden berekend door toepassing van hypothetische sub-afdelingen.
- .2 De in de bovenstaande leden 8 en 9 bedoelde kansen kunnen berekend worden door rechtstreekse toepassing van de kansdichtheidsfuncties vervat in de in [voorschrift 19.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=4&deel=A&artikel=19&z=2024-01-01&g=2024-01-01) bedoelde Richtlijnen.
- .3 De olie-uitstroom kan worden beoordeeld overeenkomstig de methode omschreven in de in [voorschrift 19.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=4&deel=A&artikel=19&z=2024-01-01&g=2024-01-01) bedoelde Richtlijnen.
- .2 De in de bovenstaande leden 8 en 9 bedoelde kansen kunnen berekend worden door rechtstreekse toepassing van de kansdichtheidsfuncties vervat in de in [voorschrift 19.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=4&deel=A&artikel=19&z=2024-05-01&g=2024-05-01) bedoelde Richtlijnen.
- .3 De olie-uitstroom kan worden beoordeeld overeenkomstig de methode omschreven in de in [voorschrift 19.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=4&deel=A&artikel=19&z=2024-05-01&g=2024-05-01) bedoelde Richtlijnen.
- 11. De volgende bepalingen ten aanzien van pijpleidingvoorzieningen zijn van toepassing:
- .1 Pijpleidingen die door ladingtanks lopen, en die zich op een kleinere afstand dan 0,30Bs van de scheepshuid of op een geringere hoogte dan 0.30Ds van het scheepsvlak bevinden, dienen op de plaats waar de leiding in de tank uitmondt te zijn voorzien van afsluiters of soortgelijke afsluitmiddelen. Deze afsluiters dienen op zee te allen tijde gesloten te blijven wanneer de tanks olie bevatten, met dien verstande dat zij uitsluitend mogen worden geopend voor het overpompen van lading, wanneer dat nodig is voor essentiële ladinghandelingen.
- .2 Vermindering van de olie-uitstroom door gebruik van een noodsysteem voor het snel overpompen van lading of een ander systeem om de olie-uitstroom bij ongevallen te verminderen mag alleen in de berekening worden meegenomen indien de doeltreffendheid en de veiligheidsaspecten van het systeem door de Organisatie zijn goedgekeurd. Voorlegging ter goedkeuring dient te geschieden in overeenstemming met de bepalingen van de in [voorschrift 19.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=4&deel=A&artikel=19&z=2024-01-01&g=2024-01-01) bedoelde Richtlijnen.
- .2 Vermindering van de olie-uitstroom door gebruik van een noodsysteem voor het snel overpompen van lading of een ander systeem om de olie-uitstroom bij ongevallen te verminderen mag alleen in de berekening worden meegenomen indien de doeltreffendheid en de veiligheidsaspecten van het systeem door de Organisatie zijn goedgekeurd. Voorlegging ter goedkeuring dient te geschieden in overeenstemming met de bepalingen van de in [voorschrift 19.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=4&deel=A&artikel=19&z=2024-05-01&g=2024-05-01) bedoelde Richtlijnen.
##### Voorschrift 24. Veronderstellingen met betrekking tot schade
- 1. Voor de berekening van hypothetische olie-uitstroom uit olietankschepen in overeenstemming met de [voorschriften 25](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=4&deel=A&artikel=19&z=2024-01-01&g=2024-01-01) en [26](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=4&deel=A&artikel=26&z=2024-01-01&g=2024-01-01) worden drie grootheden van de mate van beschadiging van een parallellepipedum in de zijde en aan het vlak van het schip als volgt aangenomen. In geval van schade aan het vlak worden twee voorwaarden gesteld, die afzonderlijk op de aangegeven gedeelten van het olietankschip moeten worden toegepast.
- 1. Voor de berekening van hypothetische olie-uitstroom uit olietankschepen in overeenstemming met de [voorschriften 25](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=4&deel=A&artikel=19&z=2024-05-01&g=2024-05-01) en [26](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=4&deel=A&artikel=26&z=2024-05-01&g=2024-05-01) worden drie grootheden van de mate van beschadiging van een parallellepipedum in de zijde en aan het vlak van het schip als volgt aangenomen. In geval van schade aan het vlak worden twee voorwaarden gesteld, die afzonderlijk op de aangegeven gedeelten van het olietankschip moeten worden toegepast.
- .1 Schade in de zijde van het schip:
@@ -1923,21 +1923,21 @@
##### Voorschrift 25. Hypothetische uitstroming van olie
- 1. De hypothetische uitstroming van olie in geval van schade in de zijde van het schip (Oc) en aan het vlak van het schip (Os) dient ten aanzien van beschadigde afdelingen op alle mogelijke plaatsen over de gehele lengte van het schip, in de mate als omschreven in [voorschrift 24](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=4&deel=A&artikel=24&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage, te worden berekend met de volgende formules:
- 1. De hypothetische uitstroming van olie in geval van schade in de zijde van het schip (Oc) en aan het vlak van het schip (Os) dient ten aanzien van beschadigde afdelingen op alle mogelijke plaatsen over de gehele lengte van het schip, in de mate als omschreven in [voorschrift 24](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=4&deel=A&artikel=24&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage, te worden berekend met de volgende formules:
- .1 bij schade in de zijde van het schip: Oc = Σ Wi + Σ KiCi (I)
- .2 bij schade aan het vlak van het schip: Os = 1/3 (Σ ZiWi + Σ ZiCi) (II) waarbij: Waar in dit lid de in dit Hoofdstuk vermelde symbolen voorkomen, hebben zij de betekenis als omschreven in dit voorschrift.
| Wi | = | de inhoud van een zijtank in kubieke meters, die wordt geacht te zijn lek gestoten als gevolg van de schade zoals aangegeven in [voorschrift 24](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=4&deel=A&artikel=24&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage. Voor gescheiden-ballasttanks kan Wi op 0 worden gesteld. |
| Wi | = | de inhoud van een zijtank in kubieke meters, die wordt geacht te zijn lek gestoten als gevolg van de schade zoals aangegeven in [voorschrift 24](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=4&deel=A&artikel=24&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage. Voor gescheiden-ballasttanks kan Wi op 0 worden gesteld. |
| --- | --- | --- |
| Ci | = | de inhoud van een middentank in kubieke meters, die wordt geacht te zijn lek gestoten als gevolg van de schade zoals aangegeven in [voorschrift 24](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=4&deel=A&artikel=24&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage. Voor gescheiden-ballasttanks kan Ci op 0 worden gesteld; |
| Ci | = | de inhoud van een middentank in kubieke meters, die wordt geacht te zijn lek gestoten als gevolg van de schade zoals aangegeven in [voorschrift 24](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=4&deel=A&artikel=24&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage. Voor gescheiden-ballasttanks kan Ci op 0 worden gesteld; |
| Ki | = | 1– bi/tc; wanneer bi gelijk is aan of groter is dan tc, dient Ki op 0 te worden gesteld. |
| Zi | = | 1– hi/vc; wanneer hi gelijk is aan of groter is dan vs dient Zi op 0 te worden gesteld. |
| bi | = | breedte van de betreffende zijtank in meters, binnenboord gemeten vanaf de scheepshuid loodrecht op het vlak van kiel en stevens, ter hoogte van de lastlijn behorende bij het toegekende zomervrijboord. |
| hi | = | kleinste hoogte van de betreffende dubbele bodem, in meters. Wanneer er geen dubbele bodem is aangebracht dient hi op 0 te worden gesteld. |
- 2. Indien een lege ruimte of een gescheiden-ballasttank met een lengte die kleiner is dan lc als omschreven in [voorschrift 24](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=4&deel=A&artikel=24&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage, tussen zijtanks voor olie is gelegen, kan Oc in formule (I) worden berekend onder de veronderstelling dat Wi de werkelijke inhoud van een van deze tanks is (wanneer deze eenzelfde inhoud hebben) of dat de inhoud Wi de kleinste is van de twee tanks (wanneer zij een verschillende inhoud hebben) die aan een dergelijke ruimte grenzen, vermenigvuldigd met Si zoals hieronder omschreven, terwijl voor alle andere bij een dergelijke aanvaring betrokken zijtanks de waarde van de feitelijke volle inhoud moet worden aangehouden. waarbij li = lengte van de betreffende lege ruimte of gescheiden-ballasttank in meters.
- 2. Indien een lege ruimte of een gescheiden-ballasttank met een lengte die kleiner is dan lc als omschreven in [voorschrift 24](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=4&deel=A&artikel=24&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage, tussen zijtanks voor olie is gelegen, kan Oc in formule (I) worden berekend onder de veronderstelling dat Wi de werkelijke inhoud van een van deze tanks is (wanneer deze eenzelfde inhoud hebben) of dat de inhoud Wi de kleinste is van de twee tanks (wanneer zij een verschillende inhoud hebben) die aan een dergelijke ruimte grenzen, vermenigvuldigd met Si zoals hieronder omschreven, terwijl voor alle andere bij een dergelijke aanvaring betrokken zijtanks de waarde van de feitelijke volle inhoud moet worden aangehouden. waarbij li = lengte van de betreffende lege ruimte of gescheiden-ballasttank in meters.
- Si = 1 - li/lc
@@ -1955,7 +1955,7 @@
- 5. Indien elke ladingtank is voorzien van een inrichting voor het verpompen van lading welke is uitgevoerd met een hoogaangebrachte noodzuigaansluiting en waarmee lading vanuit één of meer beschadigde tanks kan worden overgepompt naar gescheiden-ballasttanks of naar andere ladingtanks waarvan het zeker is dat de ullage in deze tanks voldoende is, kan een Administratie bij bodemschade rekening houden met een geringere hoeveelheid uitgestroomde olie. Het al dan niet rekening houden met een dergelijk leidingstelsel is afhankelijk van het vermogen in twee uur tijd een hoeveelheid olie over te pompen die gelijk is aan de helft van de inhoud van de grootste van de betreffende beschadigde tanks en van de beschikbaarheid van een daarmee overeenkomende opnamecapaciteit in ballast- of ladingtanks. Het rekening houden met deze omstandigheden dient te worden beperkt tot het toestaan van de berekening van Os volgens formule (III). De leidingen voor dergelijke zuiginrichtingen moeten zijn aangebracht op een hoogte die ten minste gelijk is aan de verticale omvang van de schade aan het vlak van het schip vs. De Administratie dient de Organisatie inlichtingen te verschaffen betreffende de door haar aanvaarde configuraties voor toezending aan de andere Partijen bij het Verdrag.
- 6. Dit voorschrift is niet van toepassing op olietankschepen opgeleverd op of na 1 januari 2010, als omschreven in [voorschrift 1.28.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=1&artikel=1&z=2024-01-01&g=2024-01-01).
- 6. Dit voorschrift is niet van toepassing op olietankschepen opgeleverd op of na 1 januari 2010, als omschreven in [voorschrift 1.28.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=1&artikel=1&z=2024-05-01&g=2024-05-01).
##### Voorschrift 25A. Stabiliteit in onbeschadigde toestand
@@ -2015,9 +2015,9 @@
- 1. Behoudens het bepaalde in het onderstaande lid 7 dient:
- 1. elk olietankschip met een brutotonnage van 150 of meer opgeleverd na 31 december 1979, als omschreven in [voorschrift 1.28.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=1&artikel=1&z=2024-01-01&g=2024-01-01), en
- 2. elk olietankschip met een brutotonnage van 150 of meer opgeleverd op of voor 31 december 1979, als omschreven in [voorschrift 1.28.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=1&artikel=1&z=2024-01-01&g=2024-01-01), dat tot een van de volgende categorieën behoort: aan de bepalingen van dit voorschrift te voldoen.
- 1. elk olietankschip met een brutotonnage van 150 of meer opgeleverd na 31 december 1979, als omschreven in [voorschrift 1.28.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=1&artikel=1&z=2024-05-01&g=2024-05-01), en
- 2. elk olietankschip met een brutotonnage van 150 of meer opgeleverd op of voor 31 december 1979, als omschreven in [voorschrift 1.28.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=1&artikel=1&z=2024-05-01&g=2024-05-01), dat tot een van de volgende categorieën behoort: aan de bepalingen van dit voorschrift te voldoen.
- .1 een tankschip dat na 1 januari 1977 wordt opgeleverd; of
@@ -2027,9 +2027,9 @@
- .2 het bouwcontract wordt afgesloten na 1 januari 1974 of, indien vooraf geen bouwcontract is afgesloten, de kiel wordt gelegd dan wel de bouw van het tankschip bevindt zich na 30 juni 1974 in een soortgelijk stadium,
- 2. De grootte en de indeling van de ladingtanks van olietankschepen dienen zodanig te zijn dat de hypothetische uitstroming Oc of Os berekend in overeenstemming met het bepaalde in [voorschrift 25](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=4&deel=A&artikel=25&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage, op elke willekeurige plaats over de gehele lengte van het schip niet groter is dan 30.000 m3 of 400 , welke van de twee de grootste is, maar niet meer dan 40.000 m3.
- 3. De inhoud van elke zijtank voor olie van een olietankschip mag niet groter zijn dan 75 percent van de toegelaten hypothetische uitstroming van olie zoals bedoeld in lid 2 van dit voorschrift. De inhoud van een middentank mag niet groter zijn dan 50.000 m3. Bij olietankschepen met gescheiden ballast zoals omschreven in [voorschrift 18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=4&deel=A&artikel=18&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage, mag de toegestane inhoud van een zijtank voor olie, gelegen tussen twee gescheiden-ballasttanks die elk langer zijn dan lc, worden vergroot tot de maximaal toegestane hypothetische uitstroming van olie, mits de breedte van de zijtanks groter is dan tc.
- 2. De grootte en de indeling van de ladingtanks van olietankschepen dienen zodanig te zijn dat de hypothetische uitstroming Oc of Os berekend in overeenstemming met het bepaalde in [voorschrift 25](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=4&deel=A&artikel=25&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage, op elke willekeurige plaats over de gehele lengte van het schip niet groter is dan 30.000 m3 of 400 , welke van de twee de grootste is, maar niet meer dan 40.000 m3.
- 3. De inhoud van elke zijtank voor olie van een olietankschip mag niet groter zijn dan 75 percent van de toegelaten hypothetische uitstroming van olie zoals bedoeld in lid 2 van dit voorschrift. De inhoud van een middentank mag niet groter zijn dan 50.000 m3. Bij olietankschepen met gescheiden ballast zoals omschreven in [voorschrift 18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=4&deel=A&artikel=18&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage, mag de toegestane inhoud van een zijtank voor olie, gelegen tussen twee gescheiden-ballasttanks die elk langer zijn dan lc, worden vergroot tot de maximaal toegestane hypothetische uitstroming van olie, mits de breedte van de zijtanks groter is dan tc.
- 4. De lengte van elke ladingtank mag niet groter zijn dan 10 meter of groter dan een van de volgende waarden, naar gelang welk getal het grootst is:
@@ -2057,7 +2057,7 @@
- 6. Pijpleidingen die door ladingtanks lopen, en die zich op een kleinere afstand dan tc van de zijde van het schip of op een geringere hoogte dan vc van het scheepsvlak bevinden, dienen voor elke ladingtank op de plaats waar de leiding in de tank uitmondt te zijn voorzien van afsluiters of soortgelijke afsluitmiddelen. Deze afsluiters dienen op zee te allen tijde gesloten te blijven wanneer de tanks olie bevatten, met dien verstande dat zij uitsluitend mogen worden geopend voor het overpompen van lading, wanneer dat nodig is voor het vertrimmen van het schip.
- 7. Dit voorschrift is niet van toepassing op olietankschepen opgeleverd op of na 1 januari 2010, als omschreven in [voorschrift 1.28.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=1&artikel=1&z=2024-01-01&g=2024-01-01).
- 7. Dit voorschrift is niet van toepassing op olietankschepen opgeleverd op of na 1 januari 2010, als omschreven in [voorschrift 1.28.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=1&artikel=1&z=2024-05-01&g=2024-05-01).
##### Voorschrift 1. Omschrijvingen
@@ -2547,9 +2547,9 @@
##### Voorschrift 12A. Bescherming van brandstofolietanks
1. Dit voorschrift is van toepassing op alle schepen met een totale brandstofoliecapaciteit van 600 m3 en meer waarvan de oplevering plaatsvindt op of na 1 augustus 2010, zoals omschreven in [voorschrift 1.28.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=1&artikel=1&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage.
2. De toepassing van dit voorschrift bij het bepalen van de locatie van tanks die gebruikt worden voor het vervoer van brandstofolie heeft geen voorrang boven de toepassing van [voorschrift 19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=4&deel=A&artikel=19&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage.
1. Dit voorschrift is van toepassing op alle schepen met een totale brandstofoliecapaciteit van 600 m3 en meer waarvan de oplevering plaatsvindt op of na 1 augustus 2010, zoals omschreven in [voorschrift 1.28.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=1&artikel=1&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage.
2. De toepassing van dit voorschrift bij het bepalen van de locatie van tanks die gebruikt worden voor het vervoer van brandstofolie heeft geen voorrang boven de toepassing van [voorschrift 19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=4&deel=A&artikel=19&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage.
3. Voor de toepassing van dit Voorschift zijn de volgende begripsomschrijvingen van toepassing:
@@ -3007,9 +3007,9 @@
- .1 Indien een wijziging van deze Bijlage en van de Internationale Code voor chemicaliën in bulk en de Code voor chemicaliën in bulk veranderingen inhoudt voor de bouw of de uitrusting en de installaties als gevolg van het aanscherpen van de vereisten voor het vervoer van bepaalde stoffen, kan de Administratie de toepassing van deze wijziging voor een omschreven periode aanpassen of uitstellen voor schepen gebouwd vóór de datum waarop deze wijziging van kracht wordt, indien de onmiddellijke toepassing van deze wijziging onredelijk of onuitvoerbaar wordt geacht. De mate van versoepeling wordt ten aanzien van elke stof afzonderlijk bepaald;
- .2 de Administratie die uit hoofde van dit lid een versoepeling van de toepassing van een wijziging toestaat, dient bij de Organisatie een rapport in dat bijzonderheden bevat van het desbetreffende schip of de desbetreffende schepen, de ladingen die het op grond van het certificaat mag of mogen vervoeren, de vaart waarin elk schip wordt gebruikt, en de gronden voor de versoepeling, ter verspreiding onder de Partijen bij het Verdrag te hunner informatie en ten behoeve van eventuele passende maatregelen, en waarin wordt aangegeven welke ontheffingen voor het certificaat gelden als bedoeld in [voorschrift 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=II&hoofdstuk=3&artikel=7&z=2024-01-01&g=2024-01-01) of [9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=II&hoofdstuk=3&artikel=9&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage;
- .3 Niettegenstaande het bovenstaande kan een Administratie vrijstelling van de in [voorschrift 11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=II&hoofdstuk=4&artikel=11&z=2024-01-01&g=2024-01-01) bedoelde vervoersvoorwaarden, verlenen aan schepen die afzonderlijk benoemde plantaardige oliën op grond van het certificaat mogen vervoeren als genoemd in de desbetreffende voetnoot in hoofdstuk 17 van de IBC-code, mits het schip aan de volgende vereisten voldoet:
- .2 de Administratie die uit hoofde van dit lid een versoepeling van de toepassing van een wijziging toestaat, dient bij de Organisatie een rapport in dat bijzonderheden bevat van het desbetreffende schip of de desbetreffende schepen, de ladingen die het op grond van het certificaat mag of mogen vervoeren, de vaart waarin elk schip wordt gebruikt, en de gronden voor de versoepeling, ter verspreiding onder de Partijen bij het Verdrag te hunner informatie en ten behoeve van eventuele passende maatregelen, en waarin wordt aangegeven welke ontheffingen voor het certificaat gelden als bedoeld in [voorschrift 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=II&hoofdstuk=3&artikel=7&z=2024-05-01&g=2024-05-01) of [9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=II&hoofdstuk=3&artikel=9&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage;
- .3 Niettegenstaande het bovenstaande kan een Administratie vrijstelling van de in [voorschrift 11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=II&hoofdstuk=4&artikel=11&z=2024-05-01&g=2024-05-01) bedoelde vervoersvoorwaarden, verlenen aan schepen die afzonderlijk benoemde plantaardige oliën op grond van het certificaat mogen vervoeren als genoemd in de desbetreffende voetnoot in hoofdstuk 17 van de IBC-code, mits het schip aan de volgende vereisten voldoet:
- .1 Onverminderd dit voorschrift dient een NLS-tankschip te voldoen aan alle vereisten voor scheepstype 3 als omschreven in de IBC-code, behoudens wat betreft de plaats van de ladingtank;
@@ -3021,7 +3021,7 @@
- .3 op het desbetreffende certificaat dient de verleende ontheffing te zijn vermeld.
- 2. Behoudens het bepaalde in lid 3 van dit voorschrift zijn de bepalingen van [voorschrift 12.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=II&hoofdstuk=4&artikel=12&z=2024-01-01&g=2024-01-01) niet van toepassing op een schip dat vóór 1 juli 1986 is gebouwd en dat door de Administratie te bepalen reizen in een beperkt vaargebied maakt tussen:
- 2. Behoudens het bepaalde in lid 3 van dit voorschrift zijn de bepalingen van [voorschrift 12.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=II&hoofdstuk=4&artikel=12&z=2024-05-01&g=2024-05-01) niet van toepassing op een schip dat vóór 1 juli 1986 is gebouwd en dat door de Administratie te bepalen reizen in een beperkt vaargebied maakt tussen:
- .1 havens of laad- en losplaatsen binnen een Staat die Partij bij dit Verdrag is; of
@@ -3029,7 +3029,7 @@
- 3. De bepalingen van het tweede lid van dit voorschrift zijn uitsluitend van toepassing op een schip dat vóór 1 juli 1986 is gebouwd indien:
- .1 elke keer dat een tank die stoffen of mengsels van categorie X, Y of Z bevat, dient te worden gewassen of geballast, deze tank wordt gewassen overeenkomstig een voorwasprocedure die is goedgekeurd door de Administratie overeenkomstig [aanhangsel 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=6&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage, en het tankwaswater wordt afgegeven aan een ontvangstvoorziening;
- .1 elke keer dat een tank die stoffen of mengsels van categorie X, Y of Z bevat, dient te worden gewassen of geballast, deze tank wordt gewassen overeenkomstig een voorwasprocedure die is goedgekeurd door de Administratie overeenkomstig [aanhangsel 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=6&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage, en het tankwaswater wordt afgegeven aan een ontvangstvoorziening;
- .2 het daarna ontstane waswater of ballastwater wordt afgegeven aan een ontvangstvoorziening of in zee wordt geloosd overeenkomstig de overige bepalingen van deze Bijlage;
@@ -3039,7 +3039,7 @@
- .5 op het krachtens het bepaalde in deze Bijlage vereiste certificaat wordt aangetekend dat het schip uitsluitend deze beperkte reizen maakt.
- 4. Met betrekking tot een schip waarvan de constructie-eisen en de bedrijfsvoering zodanig zijn, dat het ballasten van de ladingtanks niet is vereist en het wassen van de ladingtanks slechts is vereist voor reparatie of voor het droog zetten, kan de Administratie vrijstelling van het bepaalde in [voorschrift 12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=II&hoofdstuk=4&artikel=12&z=2024-01-01&g=2024-01-01) verlenen, mits aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan:
- 4. Met betrekking tot een schip waarvan de constructie-eisen en de bedrijfsvoering zodanig zijn, dat het ballasten van de ladingtanks niet is vereist en het wassen van de ladingtanks slechts is vereist voor reparatie of voor het droog zetten, kan de Administratie vrijstelling van het bepaalde in [voorschrift 12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=II&hoofdstuk=4&artikel=12&z=2024-05-01&g=2024-05-01) verlenen, mits aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan:
- .1 het ontwerp, de constructie en de uitrusting van het schip worden door de Administratie goedgekeurd, rekening houdend met de reizen welke het schip gaat maken;
@@ -3061,7 +3061,7 @@
- 2. De Administratie die het aanbrengen toestaat van andere onderdelen, materialen, voorzieningen of apparatuur dan die welke in deze Bijlage, krachtens lid 1 van dit voorschrift, worden vereist, stelt de Organisatie in kennis van de bijzonderheden; de Organisatie zendt deze vervolgens aan de Partijen bij het Verdrag, ter kennisneming en voor het eventueel nemen van passende maatregelen.
- 3. Niettegenstaande het bepaalde in het eerste en tweede lid van dit voorschrift worden de constructie en uitrusting van schepen die vloeibaar gemaakte gassen in bulk vervoeren die gecertificeerd zijn om de in de toepasselijke Gas Carrier Code vermelde schadelijke vloeistoffen te vervoeren, geacht gelijkwaardig te zijn aan de in de [voorschriften 11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=II&hoofdstuk=4&artikel=11&z=2024-01-01&g=2024-01-01) en [12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=II&hoofdstuk=4&artikel=12&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage vervatte constructie en uitrustingsvereisten, mits het gastankschip aan alle volgende vereisten voldoet:
- 3. Niettegenstaande het bepaalde in het eerste en tweede lid van dit voorschrift worden de constructie en uitrusting van schepen die vloeibaar gemaakte gassen in bulk vervoeren die gecertificeerd zijn om de in de toepasselijke Gas Carrier Code vermelde schadelijke vloeistoffen te vervoeren, geacht gelijkwaardig te zijn aan de in de [voorschriften 11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=II&hoofdstuk=4&artikel=11&z=2024-05-01&g=2024-05-01) en [12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=II&hoofdstuk=4&artikel=12&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage vervatte constructie en uitrustingsvereisten, mits het gastankschip aan alle volgende vereisten voldoet:
- .1 het heeft een certificaat van geschiktheid overeenkomstig de desbetreffende Gas Carrier Code voor schepen die gecertificeerd zijn om vloeibare gassen in bulk te vervoeren;
@@ -3069,7 +3069,7 @@
- .3 het is uitgerust met gescheiden ballastvoorzieningen;
- .4 het is uitgerust met pompen en pijpleidingen die, ten genoegen van de Administratie, waarborgen dat de hoeveelheid ladingresiduen die na het lossen in de tank en bijbehorende pijpleidingen achterblijven, niet meer bedraagt dan de desbetreffende hoeveelheid residuen als vereist in [voorschrift 12.1, 12.2 of 12.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=II&hoofdstuk=4&artikel=12&z=2024-01-01&g=2024-01-01); en
- .4 het is uitgerust met pompen en pijpleidingen die, ten genoegen van de Administratie, waarborgen dat de hoeveelheid ladingresiduen die na het lossen in de tank en bijbehorende pijpleidingen achterblijven, niet meer bedraagt dan de desbetreffende hoeveelheid residuen als vereist in [voorschrift 12.1, 12.2 of 12.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=II&hoofdstuk=4&artikel=12&z=2024-05-01&g=2024-05-01); en
- .5 het is uitgerust met een, door de Administratie goedgekeurd, Handboek zodat wordt gewaarborgd dat geen bedrijfsmatige vermenging van ladingsresiduen en water plaatsvindt en dat geen ladingresiduen in de tank achterblijven na toepassing van de in het Handboek voorgeschreven ventilatieprocedures.
@@ -4298,7 +4298,7 @@
- 3. **Ballastwater** wordt onder **schone ballast** verstaan ballastwater in een tank die, nadat er voor het laatst een lading in werd vervoerd die een stof bevatte van de categorie X, Y of Z, grondig is schoongemaakt en waaruit de als gevolg daarvan overgebleven residuen zijn geloosd en welke tank is geleegd overeenkomstig de desbetreffende vereisten van deze Bijlage. wordt onder **gescheiden ballast** verstaan ballastwater dat wordt ingenomen in een tank, die permanent is bestemd voor het vervoeren van ballast of andere ladingen dan olie of schadelijke vloeistoffen zoals onderscheidenlijk omschreven in de Bijlagen van dit Verdrag, en die volledig gescheiden is van de lading en het brandstofoliesysteem.
- 4. **Chemicaliëncodes** wordt onder **Code voor chemicaliën in bulk** verstaan de Code voor de bouw en uitrusting van schepen die gevaarlijke chemicaliën in bulk vervoeren, aangenomen door de Commissie voor de Bescherming van het Mariene Milieu van de Organisatie bij resolutie MEPC.20(22), als gewijzigd door de Organisatie, mits deze wijzigingen worden aangenomen en van kracht worden in overeenstemming met het bepaalde in [artikel 16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&artikel=16&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van dit Verdrag inzake de wijzigingsprocedures die van toepassing zijn op een aanhangsel bij een bijlage. wordt onder **Internationale Code voor chemicaliën in bulk** verstaan de Internationale Code voor de bouw en uitrusting van schepen die gevaarlijke chemicaliën in bulk vervoeren, aangenomen door de Commissie voor de Bescherming van het Mariene Milieu van de Organisatie bij resolutie MEPC.19(22), als gewijzigd door de Organisatie, mits deze wijzigingen worden aangenomen en van kracht worden in overeenstemming met het bepaalde in [artikel 16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&artikel=16&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van dit Verdrag inzake de wijzigingsprocedures die van toepassing zijn op een aanhangsel bij een bijlage.
- 4. **Chemicaliëncodes** wordt onder **Code voor chemicaliën in bulk** verstaan de Code voor de bouw en uitrusting van schepen die gevaarlijke chemicaliën in bulk vervoeren, aangenomen door de Commissie voor de Bescherming van het Mariene Milieu van de Organisatie bij resolutie MEPC.20(22), als gewijzigd door de Organisatie, mits deze wijzigingen worden aangenomen en van kracht worden in overeenstemming met het bepaalde in [artikel 16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&artikel=16&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van dit Verdrag inzake de wijzigingsprocedures die van toepassing zijn op een aanhangsel bij een bijlage. wordt onder **Internationale Code voor chemicaliën in bulk** verstaan de Internationale Code voor de bouw en uitrusting van schepen die gevaarlijke chemicaliën in bulk vervoeren, aangenomen door de Commissie voor de Bescherming van het Mariene Milieu van de Organisatie bij resolutie MEPC.19(22), als gewijzigd door de Organisatie, mits deze wijzigingen worden aangenomen en van kracht worden in overeenstemming met het bepaalde in [artikel 16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&artikel=16&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van dit Verdrag inzake de wijzigingsprocedures die van toepassing zijn op een aanhangsel bij een bijlage.
- 5. wordt onder **waterdiepte** verstaan de diepte zoals op de kaart aangegeven.
@@ -4306,7 +4306,7 @@
- 7. wordt onder **vloeistoffen** verstaan stoffen die een dampspanning hebben van ten hoogste 0,28 MPa bij een temperatuur van 37,8°C.
- 8. wordt onder **Handboek** verstaan het Handboek voor procedures en voorzieningen in overeenstemming met het in [aanhangsel 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=6&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage weergegeven model.
- 8. wordt onder **Handboek** verstaan het Handboek voor procedures en voorzieningen in overeenstemming met het in [aanhangsel 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=6&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage weergegeven model.
- 9. **Dichtstbijzijnde land** wordt onder de uitdrukking **van het dichtstbijzijnde land** verstaan: van de basislijn van waaruit de betrokken territoriale zee wordt bepaald overeenkomstig het internationale recht, behoudens dat, voor de toepassing van dit Verdrag onder **van het dichtstbijzijnde land** onder de noordoostkust van Australië wordt verstaan: van de lijn getrokken van een punt op de kust van Australië gelegen op:
@@ -4336,7 +4336,7 @@
- op 24°42’ zuiderbreedte en 153°15’ oosterlengte.
- 10. wordt onder **onder schadelijke vloeistof** verstaan iedere stof die is vermeld in de kolom Verontreinigingscategorie van hoofdstuk 17 of 18 van de Internationale Code voor chemicaliën in bulk of die ingevolge de bepalingen van [voorschrift 6.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=II&hoofdstuk=2&artikel=6&z=2024-01-01&g=2024-01-01)voorlopig is ingedeeld in categorie X, Y of Z.
- 10. wordt onder **onder schadelijke vloeistof** verstaan iedere stof die is vermeld in de kolom Verontreinigingscategorie van hoofdstuk 17 of 18 van de Internationale Code voor chemicaliën in bulk of die ingevolge de bepalingen van [voorschrift 6.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=II&hoofdstuk=2&artikel=6&z=2024-05-01&g=2024-05-01)voorlopig is ingedeeld in categorie X, Y of Z.
- 11. wordt onder **PPM** verstaan ml/m3.
@@ -4372,7 +4372,7 @@
- .1 wordt onder **chemicaliëntankschip** verstaan een schip, gebouwd of aangepast voor het vervoer in bulk van een vloeibaar product dat staat vermeld in hoofdstuk 17 van de Internationale code voor chemicaliën in bulk;
- .2 wordt onder **NLS-tankschip** verstaan een schip, gebouwd of aangepast voor het vervoer in bulk van schadelijke vloeistoffen, alsmede een „olietankschip” als omschreven in [Bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van dit Verdrag wanneer dit schip is gecertificeerd voor het vervoer van lading of deellading van schadelijke vloeistoffen in bulk.
- .2 wordt onder **NLS-tankschip** verstaan een schip, gebouwd of aangepast voor het vervoer in bulk van schadelijke vloeistoffen, alsmede een „olietankschip” als omschreven in [Bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van dit Verdrag wanneer dit schip is gecertificeerd voor het vervoer van lading of deellading van schadelijke vloeistoffen in bulk.
- 17. **Viscositeit**
@@ -4404,7 +4404,7 @@
- 1. Tenzij uitdrukkelijk anders wordt bepaald, zijn de bepalingen van deze Bijlage van toepassing op alle schepen die gecertificeerd zijn voor het vervoer van schadelijke vloeistoffen in bulk.
- 2. Wanneer een lading waarop de bepalingen van [Bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van dit Verdrag van toepassing zijn, wordt vervoerd in een laadruim van een NLS-tankschip, zijn de desbetreffende bepalingen van Bijlage I van dit Verdrag ook van toepassing.
- 2. Wanneer een lading waarop de bepalingen van [Bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van dit Verdrag van toepassing zijn, wordt vervoerd in een laadruim van een NLS-tankschip, zijn de desbetreffende bepalingen van Bijlage I van dit Verdrag ook van toepassing.
##### Voorschrift 3. Uitzonderingen
@@ -4524,7 +4524,7 @@
##### Voorschrift 9. Afgifte van of aantekening op het certificaat
- 1. Na een eerste onderzoek of een hernieuwd onderzoek overeenkomstig de bepalingen van [voorschrift 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=II&hoofdstuk=3&artikel=8&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage wordt een Internationaal certificaat betreffende voorkoming van verontreiniging voor het vervoer van schadelijke vloeistoffen in bulk afgegeven aan elk schip dat bestemd is om schadelijke vloeistoffen in bulk te vervoeren en dat reizen maakt naar havens of laad- of losplaatsen buitengaats onder de rechtsmacht van andere Partijen bij het Verdrag.
- 1. Na een eerste onderzoek of een hernieuwd onderzoek overeenkomstig de bepalingen van [voorschrift 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=II&hoofdstuk=3&artikel=8&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage wordt een Internationaal certificaat betreffende voorkoming van verontreiniging voor het vervoer van schadelijke vloeistoffen in bulk afgegeven aan elk schip dat bestemd is om schadelijke vloeistoffen in bulk te vervoeren en dat reizen maakt naar havens of laad- of losplaatsen buitengaats onder de rechtsmacht van andere Partijen bij het Verdrag.
- 2. Dit certificaat wordt afgegeven of hierop wordt een aantekening geplaatst hetzij door de Administratie, hetzij door daartoe door haar gemachtigde personen of organisaties. In alle gevallen neemt de Administratie de volle verantwoordelijkheid voor het certificaat op zich.
@@ -4536,7 +4536,7 @@
- 3.4. Er wordt geen Internationaal certificaat betreffende voorkoming van verontreiniging voor het vervoer van schadelijke vloeistoffen in bulk afgegeven aan een schip dat gerechtigd is de vlag te voeren van een Staat die geen Partij is bij dit Verdrag.
- 4. Het Internationaal certificaat betreffende voorkoming van verontreiniging voor het vervoer van schadelijke vloeistoffen in bulk wordt opgesteld overeenkomstig het model opgenomen in [aanhangsel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=3&z=2024-01-01&g=2024-01-01) bij deze Bijlage en dient ten minste in de Engelse, de Franse of de Spaanse taal te zijn opgesteld. Wanneer de aantekeningen tevens zijn gesteld in een officiële taal van de Staat waarvan het schip gerechtigd is de vlag te voeren, zijn deze doorslaggevend in geval van een geschil of een tegenstrijdigheid.
- 4. Het Internationaal certificaat betreffende voorkoming van verontreiniging voor het vervoer van schadelijke vloeistoffen in bulk wordt opgesteld overeenkomstig het model opgenomen in [aanhangsel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=3&z=2024-05-01&g=2024-05-01) bij deze Bijlage en dient ten minste in de Engelse, de Franse of de Spaanse taal te zijn opgesteld. Wanneer de aantekeningen tevens zijn gesteld in een officiële taal van de Staat waarvan het schip gerechtigd is de vlag te voeren, zijn deze doorslaggevend in geval van een geschil of een tegenstrijdigheid.
##### Voorschrift 10. Geldigheidsduur en geldigheid van het certificaat
@@ -4548,7 +4548,7 @@
- 2.3. Indien het hernieuwde onderzoek meer dan drie maanden voor de datum waarop het bestaande certificaat verstrijkt wordt voltooid, is het nieuwe certificaat geldig vanaf de datum waarop het hernieuwde onderzoek is voltooid tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum waarop het hernieuwde onderzoek is voltooid.
- 3. Indien een certificaat wordt afgegeven voor een tijdvak korter dan vijf jaar kan de Administratie de geldigheid van het certificaat tot na de datum van verstrijken verlengen tot het in lid 1 van dit voorschrift aangegeven maximumtijdvak, mits de onderzoeken bedoeld in [voorschrift 8.1.3 en 8.1.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=II&hoofdstuk=3&artikel=8&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage, die van toepassing zijn wanneer een certificaat wordt afgegeven voor een tijdvak van vijf jaar naar behoren worden verricht.
- 3. Indien een certificaat wordt afgegeven voor een tijdvak korter dan vijf jaar kan de Administratie de geldigheid van het certificaat tot na de datum van verstrijken verlengen tot het in lid 1 van dit voorschrift aangegeven maximumtijdvak, mits de onderzoeken bedoeld in [voorschrift 8.1.3 en 8.1.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=II&hoofdstuk=3&artikel=8&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage, die van toepassing zijn wanneer een certificaat wordt afgegeven voor een tijdvak van vijf jaar naar behoren worden verricht.
- 4. Indien een hernieuwd onderzoek is voltooid en een nieuw certificaat niet kan worden afgegeven of aan boord van het schip geplaatst vóór de datum van verstrijken van het bestaande certificaat, kan de door de Administratie gemachtigde persoon of organisatie een aantekening op het certificaat plaatsen en wordt dit certificaat als geldig aanvaard voor een nieuw tijdvak dat niet langer mag zijn dan vijf maanden na de datum van verstrijken.
@@ -4562,17 +4562,17 @@
- .1 wordt de verjaardatum op het certificaat door middel van een aantekening gewijzigd in een datum uiterlijk drie maanden na de datum waarop het onderzoek werd voltooid;
- .2 wordt het in [voorschrift 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=II&hoofdstuk=3&artikel=8&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage voorgeschreven volgende jaarlijkse of tussentijdse onderzoek voltooid met de in dat voorschrift voorgeschreven tussenpozen met inachtneming van de nieuwe verjaardatum;
- .3 kan de datum van verstrijken onveranderd blijven mits er een of meer jaarlijkse of tussentijdse onderzoeken, naar gelang van het geval, zijn verricht zodat de maximale tussenpozen tussen de in [voorschrift 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=II&hoofdstuk=3&artikel=8&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage voorgeschreven onderzoeken niet worden overschreden.
- 9. Een ingevolge [voorschrift 9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=II&hoofdstuk=3&artikel=9&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage afgegeven certificaat verliest zijn geldigheid in de volgende gevallen:
- .1 indien de desbetreffende onderzoeken niet zijn voltooid binnen de termijnen vermeld in [voorschrift 8.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=II&hoofdstuk=3&artikel=8&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage;
- .2 indien er op het certificaat geen aantekening is geplaatst in overeenstemming met [voorschrift 8.1.3 of 8.1.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=II&hoofdstuk=3&artikel=8&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage;
- .3 bij overdracht van het schip onder de vlag van een andere Staat. Er mag uitsluitend een nieuw certificaat worden afgegeven wanneer de Regering die het nieuwe certificaat afgeeft er ten volle van overtuigd is dat het schip volledig voldoet aan de vereisten van de [voorschriften 8.3.1 en 8.3.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=II&hoofdstuk=3&artikel=8&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage. In het geval van een overdracht tussen Partijen zendt de Regering van de Partij wier vlag het schip voordien gerechtigd was te voeren, indien zij daarom wordt verzocht binnen drie maanden nadat de overdracht heeft plaatsgevonden, zo spoedig mogelijk aan de Administratie van de andere Partij afschriften van het certificaat die het schip aan boord had vóór de overdracht en, indien beschikbaar, afschriften van de desbetreffende onderzoeksrapporten.
- .2 wordt het in [voorschrift 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=II&hoofdstuk=3&artikel=8&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage voorgeschreven volgende jaarlijkse of tussentijdse onderzoek voltooid met de in dat voorschrift voorgeschreven tussenpozen met inachtneming van de nieuwe verjaardatum;
- .3 kan de datum van verstrijken onveranderd blijven mits er een of meer jaarlijkse of tussentijdse onderzoeken, naar gelang van het geval, zijn verricht zodat de maximale tussenpozen tussen de in [voorschrift 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=II&hoofdstuk=3&artikel=8&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage voorgeschreven onderzoeken niet worden overschreden.
- 9. Een ingevolge [voorschrift 9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=II&hoofdstuk=3&artikel=9&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage afgegeven certificaat verliest zijn geldigheid in de volgende gevallen:
- .1 indien de desbetreffende onderzoeken niet zijn voltooid binnen de termijnen vermeld in [voorschrift 8.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=II&hoofdstuk=3&artikel=8&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage;
- .2 indien er op het certificaat geen aantekening is geplaatst in overeenstemming met [voorschrift 8.1.3 of 8.1.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=II&hoofdstuk=3&artikel=8&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage;
- .3 bij overdracht van het schip onder de vlag van een andere Staat. Er mag uitsluitend een nieuw certificaat worden afgegeven wanneer de Regering die het nieuwe certificaat afgeeft er ten volle van overtuigd is dat het schip volledig voldoet aan de vereisten van de [voorschriften 8.3.1 en 8.3.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=II&hoofdstuk=3&artikel=8&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage. In het geval van een overdracht tussen Partijen zendt de Regering van de Partij wier vlag het schip voordien gerechtigd was te voeren, indien zij daarom wordt verzocht binnen drie maanden nadat de overdracht heeft plaatsgevonden, zo spoedig mogelijk aan de Administratie van de andere Partij afschriften van het certificaat die het schip aan boord had vóór de overdracht en, indien beschikbaar, afschriften van de desbetreffende onderzoeksrapporten.
##### Voorschrift 11. Ontwerp, constructie, uitrusting en bedrijfsvoering
@@ -4598,11 +4598,11 @@
##### Voorschrift 12. Pompen, pijpleidingen, losvoorzieningen en sloptanks
- 1. Elk schip dat vóór 1 juli 1986 is gebouwd dient te zijn uitgerust met een pomp- en pijpleidingvoorziening die waarborgt dat in geen van de tanks gecertificeerd voor het vervoer van stoffen van categorie X of Y een residu achterblijft van meer dan 300 liter in de tank en de bijbehorende pijpleidingen en dat in geen van de tanks gecertificeerd voor het vervoer van stoffen van categorie Z een residu achterblijft van meer dan 900 liter in de tank en de bijbehorende pijpleidingen. In overeenstemming met [aanhangsel 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=5&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage wordt de werking van deze voorzieningen beproefd.
- 2. Elk schip dat is gebouwd op of na 1 juli 1986, maar vóór 1 juli 2007, dient te zijn uitgerust met een pomp- en pijpleidingvoorziening die waarborgt dat in geen van de tanks gecertificeerd voor het vervoer van stoffen van categorie X of Y een residu achterblijft van meer dan 100 liter in de tank en de bijbehorende pijpleidingen en dat in geen van de tanks gecertificeerd voor het vervoer van stoffen van categorie Z een residu achterblijft van meer dan 300 liter in de tank en de bijbehorende pijpleidingen. In overeenstemming met [aanhangsel 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=5&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage wordt de werking van deze voorzieningen beproefd.
- 3. Elk schip dat is gebouwd op of na 1 januari 2007 dient te zijn uitgerust met een pomp- en pijpleidingvoorziening die waarborgt dat in geen van de tanks gecertificeerd voor het vervoer van stoffen van categorie X, Y of Z een residu achterblijft van meer dan 75 liter in de tank en de bijbehorende pijpleidingen. In overeenstemming met [aanhangsel 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=5&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage wordt de werking van deze voorzieningen beproefd.
- 1. Elk schip dat vóór 1 juli 1986 is gebouwd dient te zijn uitgerust met een pomp- en pijpleidingvoorziening die waarborgt dat in geen van de tanks gecertificeerd voor het vervoer van stoffen van categorie X of Y een residu achterblijft van meer dan 300 liter in de tank en de bijbehorende pijpleidingen en dat in geen van de tanks gecertificeerd voor het vervoer van stoffen van categorie Z een residu achterblijft van meer dan 900 liter in de tank en de bijbehorende pijpleidingen. In overeenstemming met [aanhangsel 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=5&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage wordt de werking van deze voorzieningen beproefd.
- 2. Elk schip dat is gebouwd op of na 1 juli 1986, maar vóór 1 juli 2007, dient te zijn uitgerust met een pomp- en pijpleidingvoorziening die waarborgt dat in geen van de tanks gecertificeerd voor het vervoer van stoffen van categorie X of Y een residu achterblijft van meer dan 100 liter in de tank en de bijbehorende pijpleidingen en dat in geen van de tanks gecertificeerd voor het vervoer van stoffen van categorie Z een residu achterblijft van meer dan 300 liter in de tank en de bijbehorende pijpleidingen. In overeenstemming met [aanhangsel 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=5&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage wordt de werking van deze voorzieningen beproefd.
- 3. Elk schip dat is gebouwd op of na 1 januari 2007 dient te zijn uitgerust met een pomp- en pijpleidingvoorziening die waarborgt dat in geen van de tanks gecertificeerd voor het vervoer van stoffen van categorie X, Y of Z een residu achterblijft van meer dan 75 liter in de tank en de bijbehorende pijpleidingen. In overeenstemming met [aanhangsel 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=5&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage wordt de werking van deze voorzieningen beproefd.
- 4. Voor andere schepen dan chemicaliëntankschepen die zijn gebouwd vóór 1 januari 2007 die niet kunnen voldoen aan de vereisten van de pomp- en pijpleidingvoorzieningen voor de in lid 1 en 2 van dit voorschrift bedoelde stoffen van categorie Z, zijn geen kwantitatieve vereisten van toepassing. Naleving wordt geacht te zijn gerealiseerd indien de tank zoveel mogelijk is geleegd.
@@ -4776,13 +4776,13 @@
- 1. Alle olietankschepen met een brutotonnage van 150 of meer, alsmede alle andere schepen met een brutotonnage van 400 of meer, dienen de hieronder aangegeven onderzoeken te ondergaan:
- .1 een eerste onderzoek voordat het schip in dienst wordt gesteld of voordat het certificaat, als vereist ingevolge [voorschrift 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=2&artikel=7&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage, voor de eerste maal wordt afgegeven; dit omvat een volledig onderzoek van de constructie, de uitrusting, systemen, installaties, voorzieningen en materialen voor zover het schip onder deze Bijlage valt. Dit onderzoek moet zodanig zijn dat het zeker is dat de constructie, de uitrusting, systemen, installaties, voorzieningen en materialen volledig voldoen aan de van toepassing zijnde voorschriften van deze Bijlage;
- .2 een hernieuwd onderzoek dat wordt verricht met inachtneming van door de Administratie vast te stellen tussenpozen, die niet langer mogen zijn dan vijf jaar, behalve wanneer [voorschrift 10.2.2, 10.5, 10.6 of 10.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=2&artikel=10&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage van toepassing is. Dit hernieuwde onderzoek moet zodanig zijn dat gewaarborgd wordt dat de constructie, de uitrusting, systemen, installaties, voorzieningen en materialen volledig voldoen aan de van toepassing zijnde voorschriften van deze Bijlage;
- .3 een tussentijds onderzoek binnen drie maanden voor of na de tweede verjaardatum of binnen drie maanden voor of na de derde verjaardatum van het certificaat, dat in de plaats treedt van een van de jaarlijkse onderzoeken voorgeschreven in lid 1.4 van dit voorschrift. Dit onderzoek moet zodanig zijn dat gewaarborgd wordt dat de uitrusting en de bijbehorende pompsystemen en pijpleidingen, met inbegrip van de systemen voor het bewaken en regelen van het lozen van olie en voor het wassen van tanks met ruwe olie, de olie-waterafscheider en de oliefiltersystemen, volledig voldoen aan de van toepassing zijnde voorschriften van deze Bijlage en in goede staat verkeren. Deze tussentijdse onderzoeken worden aangetekend op het certificaat afgegeven krachtens [voorschrift 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=2&artikel=10&z=2024-01-01&g=2024-01-01) of [8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=2&artikel=8&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage;
- .4 een jaarlijks onderzoek binnen drie maanden voor of na elke verjaardatum van het certificaat, met inbegrip van een algemene inspectie van de constructie, de uitrusting, systemen, installaties, voorzieningen en materialen als bedoeld in lid 1.1 van dit voorschrift teneinde vast te stellen of de toestand ervan is gehandhaafd in overeenstemming met de leden 4.1 en 4.2 van dit voorschrift en of zij geschikt blijven voor de dienst waarvoor het schip is bestemd. Deze jaarlijkse onderzoeken worden aangetekend op het certificaat afgegeven krachtens [voorschrift 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&artikel=7&z=2024-01-01&g=2024-01-01) of [8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=2&artikel=8&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage; en
- .1 een eerste onderzoek voordat het schip in dienst wordt gesteld of voordat het certificaat, als vereist ingevolge [voorschrift 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=2&artikel=7&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage, voor de eerste maal wordt afgegeven; dit omvat een volledig onderzoek van de constructie, de uitrusting, systemen, installaties, voorzieningen en materialen voor zover het schip onder deze Bijlage valt. Dit onderzoek moet zodanig zijn dat het zeker is dat de constructie, de uitrusting, systemen, installaties, voorzieningen en materialen volledig voldoen aan de van toepassing zijnde voorschriften van deze Bijlage;
- .2 een hernieuwd onderzoek dat wordt verricht met inachtneming van door de Administratie vast te stellen tussenpozen, die niet langer mogen zijn dan vijf jaar, behalve wanneer [voorschrift 10.2.2, 10.5, 10.6 of 10.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=2&artikel=10&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage van toepassing is. Dit hernieuwde onderzoek moet zodanig zijn dat gewaarborgd wordt dat de constructie, de uitrusting, systemen, installaties, voorzieningen en materialen volledig voldoen aan de van toepassing zijnde voorschriften van deze Bijlage;
- .3 een tussentijds onderzoek binnen drie maanden voor of na de tweede verjaardatum of binnen drie maanden voor of na de derde verjaardatum van het certificaat, dat in de plaats treedt van een van de jaarlijkse onderzoeken voorgeschreven in lid 1.4 van dit voorschrift. Dit onderzoek moet zodanig zijn dat gewaarborgd wordt dat de uitrusting en de bijbehorende pompsystemen en pijpleidingen, met inbegrip van de systemen voor het bewaken en regelen van het lozen van olie en voor het wassen van tanks met ruwe olie, de olie-waterafscheider en de oliefiltersystemen, volledig voldoen aan de van toepassing zijnde voorschriften van deze Bijlage en in goede staat verkeren. Deze tussentijdse onderzoeken worden aangetekend op het certificaat afgegeven krachtens [voorschrift 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=2&artikel=10&z=2024-05-01&g=2024-05-01) of [8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=2&artikel=8&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage;
- .4 een jaarlijks onderzoek binnen drie maanden voor of na elke verjaardatum van het certificaat, met inbegrip van een algemene inspectie van de constructie, de uitrusting, systemen, installaties, voorzieningen en materialen als bedoeld in lid 1.1 van dit voorschrift teneinde vast te stellen of de toestand ervan is gehandhaafd in overeenstemming met de leden 4.1 en 4.2 van dit voorschrift en of zij geschikt blijven voor de dienst waarvoor het schip is bestemd. Deze jaarlijkse onderzoeken worden aangetekend op het certificaat afgegeven krachtens [voorschrift 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&artikel=7&z=2024-05-01&g=2024-05-01) of [8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=2&artikel=8&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage; en
- .5 een algeheel of gedeeltelijk aanvullend onderzoek dient, al naar gelang de omstandigheden, te worden uitgevoerd na een reparatie naar aanleiding van de in lid 4.3 van dit voorschrift voorgeschreven onderzoeken, of telkens wanneer belangrijke reparaties of vervangingen zijn verricht. Het onderzoek dient zodanig te zijn dat gewaarborgd wordt dat de noodzakelijke reparaties of vervangingen deugdelijk zijn uitgevoerd, dat het materiaal en de deskundigheid waarmee zij zijn uitgevoerd in alle opzichten toereikend zijn en dat het schip in alle opzichten voldoet aan de voorschriften van deze Bijlage.
@@ -4790,7 +4790,7 @@
- 3.1. Onderzoeken van schepen aangaande de handhaving van de bepalingen van deze Bijlage, worden uitgevoerd door ambtenaren van de Administratie. De Administratie kan de onderzoeken evenwel toevertrouwen aan hetzij daartoe benoemde inspecteurs, hetzij door haar erkende organisaties. Deze organisaties, met inbegrip van classificatiebureaus, worden door de Administratie gemachtigd in overeenstemming met de bepalingen van dit Verdrag en met de Code voor Erkende Organisaties (RO-Code), die bestaat uit een deel 1 en deel 2 (waarvan de bepalingen als verplicht worden aangemerkt) en een deel 3 (waarvan de bepalingen als aanbeveling worden aangemerkt), zoals aangenomen door de Organisatie bij resolutie [MEPC.237(65)], eventueel als gewijzigd door de Organisatie, mits:
- .1. wijzigingen van deel 1 en deel 2 van de RO-Code worden aangenomen, in werking worden gesteld en van kracht worden in overeenstemming met de bepalingen van [artikel 16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&artikel=16&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van dit Verdrag inzake de wijzigingsprocedures die van toepassing zijn op deze Bijlage;
- .1. wijzigingen van deel 1 en deel 2 van de RO-Code worden aangenomen, in werking worden gesteld en van kracht worden in overeenstemming met de bepalingen van [artikel 16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&artikel=16&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van dit Verdrag inzake de wijzigingsprocedures die van toepassing zijn op deze Bijlage;
- .2. wijzigingen van deel 3 van de RO-Code worden aangenomen door de Commissie voor de Bescherming van het Mariene Milieu in overeenstemming met haar reglement van orde; en
@@ -4814,7 +4814,7 @@
##### Voorschrift 7. Afgifte van of aantekening op het certificaat
- 1. Na een eerste onderzoek of een hernieuwd onderzoek overeenkomstig de bepalingen van [voorschrift 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=2&artikel=6&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage wordt een Internationaal certificaat van voorkoming van verontreiniging door olie afgegeven aan elk olietankschip met een brutotonnage van 150 of meer alsmede aan elk ander schip met een brutotonnage van 400 of meer, dat reizen maakt naar havens of laad- of losplaatsen buitengaats binnen de rechtsmacht van andere Partijen bij dit Verdrag.
- 1. Na een eerste onderzoek of een hernieuwd onderzoek overeenkomstig de bepalingen van [voorschrift 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=2&artikel=6&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage wordt een Internationaal certificaat van voorkoming van verontreiniging door olie afgegeven aan elk olietankschip met een brutotonnage van 150 of meer alsmede aan elk ander schip met een brutotonnage van 400 of meer, dat reizen maakt naar havens of laad- of losplaatsen buitengaats binnen de rechtsmacht van andere Partijen bij dit Verdrag.
- 2. Dit certificaat wordt afgegeven of hierop wordt een aantekening geplaatst hetzij door de Administratie, hetzij door daartoe door haar naar behoren gemachtigde personen of organisaties. In alle gevallen neemt de Administratie de volle verantwoordelijkheid voor het certificaat op zich.
@@ -4824,13 +4824,13 @@
- 2. Een afschrift van het certificaat en een afschrift van het onderzoeksrapport worden zo spoedig mogelijk toegezonden aan de Administratie die het verzoek heeft gedaan.
- 3. Een aldus afgegeven certificaat dient een verklaring te bevatten, inhoudende dat het is afgegeven op verzoek van de Administratie; het heeft dezelfde kracht en wordt op dezelfde wijze erkend als het certificaat dat is afgegeven krachtens [voorschrift 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=2&artikel=7&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage.
- 3. Een aldus afgegeven certificaat dient een verklaring te bevatten, inhoudende dat het is afgegeven op verzoek van de Administratie; het heeft dezelfde kracht en wordt op dezelfde wijze erkend als het certificaat dat is afgegeven krachtens [voorschrift 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=2&artikel=7&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage.
- 4. Er wordt geen Internationaal certificaat van voorkoming van verontreiniging door olie of Certificaat van vrijstelling voor UNSP-lichters afgegeven aan een schip dat gerechtigd is de vlag te voeren van een Staat die geen Partij is.
##### Voorschrift 9. Model van het certificaat
1. Het Internationaal certificaat voor voorkoming van verontreiniging door olie wordt opgesteld overeenkomstig het model opgenomen in [Aanhangsel II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=II&z=2024-01-01&g=2024-01-01) bij deze Bijlage en dient ten minste in de Engelse, de Franse of de Spaanse taal te zijn gesteld. Indien tevens de officiële taal van het land van afgifte wordt gebruikt, is deze doorslaggevend bij geschillen of tegenstrijdigheden.
1. Het Internationaal certificaat voor voorkoming van verontreiniging door olie wordt opgesteld overeenkomstig het model opgenomen in [Aanhangsel II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=II&z=2024-05-01&g=2024-05-01) bij deze Bijlage en dient ten minste in de Engelse, de Franse of de Spaanse taal te zijn gesteld. Indien tevens de officiële taal van het land van afgifte wordt gebruikt, is deze doorslaggevend bij geschillen of tegenstrijdigheden.
2. Het Internationaal certificaat van vrijstelling voor onbemande lichters zonder eigen voortstuwing betreffende het voorkomen van verontreiniging door olie wordt opgesteld overeenkomstig het model opgenomen in Aanhangsel IV bij deze Bijlage en dient ten minste in de Engelse, de Franse of de Spaanse taal te zijn gesteld. Indien tevens de officiële taal van het land van afgifte wordt gebruikt, is deze doorslaggevend bij geschillen of tegenstrijdigheden.
@@ -4844,7 +4844,7 @@
- 2.3. Wanneer het hernieuwde onderzoek wordt voltooid meer dan drie maanden voor de datum van verstrijken van het bestaande certificaat, is het nieuwe certificaat geldig vanaf de datum van voltooiing van het hernieuwde onderzoek tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum van voltooiing van het hernieuwde onderzoek.
- 3. Indien een certificaat wordt afgegeven voor een tijdvak korter dan vijf jaar kan de Administratie de geldigheid van het certificaat tot na de datum van verstrijken verlengen tot het in lid 1 van dit voorschrift aangegeven maximumtijdvak, mits de onderzoeken bedoeld in [voorschrift 6, leden 1.3 en 1.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=2&artikel=6&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage, die van toepassing zijn wanneer een certificaat wordt afgegeven voor een tijdvak van vijf jaar, naar behoren worden verricht.
- 3. Indien een certificaat wordt afgegeven voor een tijdvak korter dan vijf jaar kan de Administratie de geldigheid van het certificaat tot na de datum van verstrijken verlengen tot het in lid 1 van dit voorschrift aangegeven maximumtijdvak, mits de onderzoeken bedoeld in [voorschrift 6, leden 1.3 en 1.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=2&artikel=6&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage, die van toepassing zijn wanneer een certificaat wordt afgegeven voor een tijdvak van vijf jaar, naar behoren worden verricht.
- 4. Indien een hernieuwd onderzoek is voltooid en een nieuw certificaat niet kan worden afgegeven of aan boord van het schip geplaatst vóór de datum van verstrijken van het bestaande certificaat, kan de door de Administratie gemachtigde persoon of organisatie een aantekening op het bestaande certificaat plaatsen en wordt dit certificaat als geldig aanvaard voor een nieuw tijdvak dat niet langer mag zijn dan vijf maanden na de datum van verstrijken.
@@ -4854,21 +4854,21 @@
- 7. Onder bijzondere omstandigheden vast te stellen door de Administratie, behoeft een nieuw certificaat niet te worden gedateerd vanaf de datum van verstrijken van het bestaande certificaat zoals bepaald in de leden 2.2, 2.5 of 2.6 van dit voorschrift. Onder deze bijzondere omstandigheden is het nieuwe certificaat geldig tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum van voltooiing van het hernieuwde onderzoek.
- 8. Indien een jaarlijks of tussentijds onderzoek is voltooid vóór het in [voorschrift 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=2&artikel=6&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage aangegeven tijdvak:
- 8. Indien een jaarlijks of tussentijds onderzoek is voltooid vóór het in [voorschrift 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=2&artikel=6&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage aangegeven tijdvak:
- .1 wordt de verjaardatum op het certificaat door middel van een aantekening gewijzigd in een datum uiterlijk drie maanden na de datum waarop het onderzoek werd voltooid;
- .2 wordt het in [voorschrift 6.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=2&artikel=6&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage voorgeschreven volgende jaarlijkse of tussentijdse onderzoek voltooid met de in dat voorschrift voorgeschreven tussenpozen met inachtneming van de nieuwe verjaardatum; en
- .3 kan de datum van verstrijken onveranderd blijven mits er een of meer jaarlijkse of tussentijdse onderzoeken, naar gelang van het geval, zijn verricht zodat de maximale tussenpozen tussen de in [voorschrift 6.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=2&artikel=6&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage voorgeschreven onderzoeken niet worden overschreden.
- 9. Een ingevolge de [voorschriften 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=2&artikel=7&z=2024-01-01&g=2024-01-01) of [8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=2&artikel=8&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage afgegeven certificaat verliest zijn geldigheid in de volgende gevallen:
- .1 indien de desbetreffende onderzoeken niet zijn voltooid binnen de termijnen vermeld in [voorschrift 6.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=2&artikel=6&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage;
- .2 indien op het certificaat geen aantekening is geplaatst in overeenstemming met de [voorschriften 6.1.3 of 6.1.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=2&artikel=6&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage; of
- .3 bij overdracht van het schip onder de vlag van een andere Staat. Er mag uitsluitend een nieuw certificaat worden afgegeven wanneer de Regering die het nieuwe certificaat afgeeft er ten volle van overtuigd is dat het schip volledig voldoet aan de vereisten van de [voorschriften 6.4.1 en 6.4.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=2&artikel=6&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage. In het geval van een overdracht tussen Partijen zendt de Regering van de Partij wier vlag het schip voordien gerechtigd was te voeren, indien zij daarom wordt verzocht binnen drie maanden nadat de overdracht heeft plaatsgevonden, zo spoedig mogelijk aan de Administratie afschriften van het certificaat dat het schip aan boord had vóór de overdracht en, indien beschikbaar, afschriften van de desbetreffende onderzoeksrapporten.
- .2 wordt het in [voorschrift 6.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=2&artikel=6&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage voorgeschreven volgende jaarlijkse of tussentijdse onderzoek voltooid met de in dat voorschrift voorgeschreven tussenpozen met inachtneming van de nieuwe verjaardatum; en
- .3 kan de datum van verstrijken onveranderd blijven mits er een of meer jaarlijkse of tussentijdse onderzoeken, naar gelang van het geval, zijn verricht zodat de maximale tussenpozen tussen de in [voorschrift 6.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=2&artikel=6&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage voorgeschreven onderzoeken niet worden overschreden.
- 9. Een ingevolge de [voorschriften 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=2&artikel=7&z=2024-05-01&g=2024-05-01) of [8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=2&artikel=8&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage afgegeven certificaat verliest zijn geldigheid in de volgende gevallen:
- .1 indien de desbetreffende onderzoeken niet zijn voltooid binnen de termijnen vermeld in [voorschrift 6.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=2&artikel=6&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage;
- .2 indien op het certificaat geen aantekening is geplaatst in overeenstemming met de [voorschriften 6.1.3 of 6.1.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=2&artikel=6&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage; of
- .3 bij overdracht van het schip onder de vlag van een andere Staat. Er mag uitsluitend een nieuw certificaat worden afgegeven wanneer de Regering die het nieuwe certificaat afgeeft er ten volle van overtuigd is dat het schip volledig voldoet aan de vereisten van de [voorschriften 6.4.1 en 6.4.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=2&artikel=6&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage. In het geval van een overdracht tussen Partijen zendt de Regering van de Partij wier vlag het schip voordien gerechtigd was te voeren, indien zij daarom wordt verzocht binnen drie maanden nadat de overdracht heeft plaatsgevonden, zo spoedig mogelijk aan de Administratie afschriften van het certificaat dat het schip aan boord had vóór de overdracht en, indien beschikbaar, afschriften van de desbetreffende onderzoeksrapporten.
##### Voorschrift 11. Door de havenstaat uit te oefenen controle op de vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord
@@ -4876,7 +4876,7 @@
- 2. In de omstandigheden bedoeld in lid 1 van dit voorschrift, neemt de Partij de noodzakelijke maatregelen om te verzekeren dat het schip niet uitvaart voordat de situatie in overeenstemming is gebracht met de vereisten van deze Bijlage.
- 3. De procedures betreffende de controle door de havenstaat voorgeschreven in [artikel 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&artikel=5&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van dit Verdrag zijn van toepassing op dit voorschrift.
- 3. De procedures betreffende de controle door de havenstaat voorgeschreven in [artikel 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&artikel=5&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van dit Verdrag zijn van toepassing op dit voorschrift.
- 4. Geen enkele bepaling van dit voorschrift mag zo worden uitgelegd dat daardoor de rechten en plichten van een Partij die de uitdrukkelijk in dit Verdrag genoemde vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord controleert, worden beperkt.
@@ -4886,23 +4886,23 @@
##### Voorschrift 12. Tanks voor olierestanten (oliedrab)
- 1. Tenzij anders bepaald is dit voorschrift van toepassing op elk schip met een brutotonnage van 400 ton of meer, met dien verstande dat paragraaf 3.5 van dit voorschrift uitsluitend hoeft te worden toegepast op schepen die op of vóór 31 december 1979 zijn opgeleverd, zoals omschreven in [voorschrift 1.28.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=1&artikel=1&z=2024-01-01&g=2024-01-01), voor zover zulks redelijk en uitvoerbaar is.
- 2. Olierestanten (oliedrab) kunnen door middel van de in [voorschrift 13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=3&deel=A&artikel=13&z=2024-01-01&g=2024-01-01) bedoelde standaardaansluiting voor afgifte rechtstreeks uit de tank(s) voor olierestanten (oliedrab) worden verwijderd en naar ontvangstfaciliteiten worden overgebracht of naar een ander goedgekeurd middel voor het verwijderen van olierestanten (oliedrab), zoals een verbrandingsoven voor olieresiduen (oliedrab), hulpketel geschikt voor het verbranden van olierestanten (oliedrab) of overige aanvaardbare middelen, die worden vermeld onder punt 3.2 van de Aanvulling op het IOPP-certificaat formulier A of B.
- 1. Tenzij anders bepaald is dit voorschrift van toepassing op elk schip met een brutotonnage van 400 ton of meer, met dien verstande dat paragraaf 3.5 van dit voorschrift uitsluitend hoeft te worden toegepast op schepen die op of vóór 31 december 1979 zijn opgeleverd, zoals omschreven in [voorschrift 1.28.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=1&artikel=1&z=2024-05-01&g=2024-05-01), voor zover zulks redelijk en uitvoerbaar is.
- 2. Olierestanten (oliedrab) kunnen door middel van de in [voorschrift 13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=3&deel=A&artikel=13&z=2024-05-01&g=2024-05-01) bedoelde standaardaansluiting voor afgifte rechtstreeks uit de tank(s) voor olierestanten (oliedrab) worden verwijderd en naar ontvangstfaciliteiten worden overgebracht of naar een ander goedgekeurd middel voor het verwijderen van olierestanten (oliedrab), zoals een verbrandingsoven voor olieresiduen (oliedrab), hulpketel geschikt voor het verbranden van olierestanten (oliedrab) of overige aanvaardbare middelen, die worden vermeld onder punt 3.2 van de Aanvulling op het IOPP-certificaat formulier A of B.
- 3. Er wordt voorzien in (een) tank(s) voor olierestanten (oliedrab) en deze:
- .1. heeft/hebben een capaciteit die, gezien het type machines en de duur van de reis, toereikend is voor het opvangen van olierestanten (oliedrab) die niet op andere wijze kunnen worden behandeld overeenkomstig de voorschriften van deze Bijlage;
- .2. wordt/worden voorzien van een speciale afgiftepomp die rechtstreeks moet kunnen aanzuigen uit de tank(s) voor olierestanten (oliedrab) voor het verwijderen van olierestanten (oliedrab) op een in [voorschrift 12.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=3&deel=A&artikel=12&z=2024-01-01&g=2024-01-01) omschreven wijze;
- .2. wordt/worden voorzien van een speciale afgiftepomp die rechtstreeks moet kunnen aanzuigen uit de tank(s) voor olierestanten (oliedrab) voor het verwijderen van olierestanten (oliedrab) op een in [voorschrift 12.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=3&deel=A&artikel=12&z=2024-05-01&g=2024-05-01) omschreven wijze;
- .3. heeft/hebben geen aansluitingen voor afgifte op het lenssysteem, de verzameltank(s) voor oliehoudend lenswater, de tanktop of de olie-waterafscheiders met dien verstande dat:
- .1. de tank(s) voorzien kan/kunnen zijn van aftappunten, met handmatig bediende zelfsluitende kleppen en inrichtingen voor een daaropvolgende visuele controle van het bezonken water, die op een verzameltank voor oliehoudend lenswater of lensput uitkomen, of een alternatieve inrichting, mits een dergelijke inrichting niet rechtstreeks op het lensleidingsysteem aansluit; en
- .2. de lozingspijpleidingen van de sliktank en de lenswaterpijpleidingen kunnen worden aangesloten op een gemeenschappelijke pijpleiding naar de in [voorschrift 13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=3&deel=A&artikel=13&z=2024-01-01&g=2024-01-01) bedoelde standaardaansluiting voor afgifte; door de aansluiting van beide systemen op een eventuele gemeenschappelijke pijpleiding naar de in voorschrift 13 bedoelde standaardaansluiting voor afgifte mag het niet mogelijk zijn slik naar het lenssysteem over te brengen;
- .4. wordt/worden niet aangesloten op pijpleidingen die een rechtstreekse aansluiting overboord hebben anders dan de in [voorschrift 13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=3&deel=A&artikel=13&z=2024-01-01&g=2024-01-01) bedoelde standaardaansluiting voor afgifte; en
- .2. de lozingspijpleidingen van de sliktank en de lenswaterpijpleidingen kunnen worden aangesloten op een gemeenschappelijke pijpleiding naar de in [voorschrift 13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=3&deel=A&artikel=13&z=2024-05-01&g=2024-05-01) bedoelde standaardaansluiting voor afgifte; door de aansluiting van beide systemen op een eventuele gemeenschappelijke pijpleiding naar de in voorschrift 13 bedoelde standaardaansluiting voor afgifte mag het niet mogelijk zijn slik naar het lenssysteem over te brengen;
- .4. wordt/worden niet aangesloten op pijpleidingen die een rechtstreekse aansluiting overboord hebben anders dan de in [voorschrift 13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=3&deel=A&artikel=13&z=2024-05-01&g=2024-05-01) bedoelde standaardaansluiting voor afgifte; en
- .5. wordt/worden zodanig ontworpen en gebouwd dat de reiniging ervan en de afgifte van restanten bij ontvangstinrichtingen worden vergemakkelijkt.
@@ -5265,7 +5265,7 @@
##### Voorschrift 27. Stabiliteit in onbeschadigde toestand
- 1. Elk olietankschip met een draagvermogen van 5000 ton of meer opgeleverd op of na 1 februari 2002, als omschreven in [voorschrift 1.28.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=1&artikel=1&z=2024-01-01&g=2024-01-01), dient te voldoen aan de criteria voor stabiliteit in onbeschadigde toestand aangegeven in lid 1.1 en 1.2 van dit voorschrift, al naar gelang van toepassing, bij elke bedrijfsmatig voorkomende diepgang onder de slechtst denkbare omstandigheden bij het laden van lading en ballast, in overeenstemming met de gangbare bedrijfsmatige praktijk, met inbegrip van de tussenfasen van de verplaatsing van vloeistoffen. Onder alle omstandigheden worden de ballasttanks geacht gedeeltelijk gevuld te zijn.
- 1. Elk olietankschip met een draagvermogen van 5000 ton of meer opgeleverd op of na 1 februari 2002, als omschreven in [voorschrift 1.28.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=1&artikel=1&z=2024-05-01&g=2024-05-01), dient te voldoen aan de criteria voor stabiliteit in onbeschadigde toestand aangegeven in lid 1.1 en 1.2 van dit voorschrift, al naar gelang van toepassing, bij elke bedrijfsmatig voorkomende diepgang onder de slechtst denkbare omstandigheden bij het laden van lading en ballast, in overeenstemming met de gangbare bedrijfsmatige praktijk, met inbegrip van de tussenfasen van de verplaatsing van vloeistoffen. Onder alle omstandigheden worden de ballasttanks geacht gedeeltelijk gevuld te zijn.
- .1 In de haven mag de aanvangsmetacenterhoogte GMo, gecorrigeerd voor vrij vloeistofoppervlak gemeten bij een helling van 0 graden, niet minder dan 0,15 m bedragen;
@@ -5301,7 +5301,7 @@
##### Voorschrift 28. Waterdichte indeling en stabiliteit in beschadigde toestand
1. Elk olietankschip opgeleverd na 31 december 1979, als omschreven in [voorschrift, 1.28.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=1&artikel=1&z=2024-01-01&g=2024-01-01), met een brutotonnage van 150 of meer, dient na de aangenomen schade in de zijde of aan het vlak van het schip, zoals aangegeven in lid 2 van dit voorschrift, te voldoen aan de criteria betreffende de waterdichte indeling en stabiliteit van het schip in beschadigde toestand, zoals aangegeven in lid 3 van dit voorschrift. Het voorgaande is van toepassing op elke bedrijfsmatig voorkomende diepgang die voortvloeit uit een gedeeltelijke of volledige belading van het schip in overeenstemming met de toelaatbare trim en sterkte van het schip alsmede uit de soortelijke massa van de lading. De beschadiging dient op alle mogelijke plaatsen over de gehele lengte van het schip als volgt te worden aangenomen:
1. Elk olietankschip opgeleverd na 31 december 1979, als omschreven in [voorschrift, 1.28.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=1&artikel=1&z=2024-05-01&g=2024-05-01), met een brutotonnage van 150 of meer, dient na de aangenomen schade in de zijde of aan het vlak van het schip, zoals aangegeven in lid 2 van dit voorschrift, te voldoen aan de criteria betreffende de waterdichte indeling en stabiliteit van het schip in beschadigde toestand, zoals aangegeven in lid 3 van dit voorschrift. Het voorgaande is van toepassing op elke bedrijfsmatig voorkomende diepgang die voortvloeit uit een gedeeltelijke of volledige belading van het schip in overeenstemming met de toelaatbare trim en sterkte van het schip alsmede uit de soortelijke massa van de lading. De beschadiging dient op alle mogelijke plaatsen over de gehele lengte van het schip als volgt te worden aangenomen:
- .1. bij tankschepen met een lengte van meer dan 225 meter: op elke willekeurige plaats over de gehele lengte van het schip;
@@ -5387,9 +5387,9 @@
- .2. niettegenstaande de vereisten van subparagraaf .1 hoeft een stabiliteitsinstrument waarmee een olietankschip gebouwd vóór 1 januari 2016 is uitgerust niet te worden vervangen mits ten genoegen van de Administratie met het instrument geverifieerd kan worden of voldaan wordt aan de vereisten voor stabiliteit in beschadigde en onbeschadigde toestand; en
- .3. ten behoeve van de controle ingevolge [voorschrift 11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=2&artikel=11&z=2024-01-01&g=2024-01-01) geeft de Administratie een document af ter goedkeuring van het stabiliteitsinstrument.
7. Voor olietankschepen met een draagvermogen van 20.000 ton of meer opgeleverd op of na 6 juli 1996, als omschreven in [voorschrift 1.28.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=1&artikel=1&z=2024-01-01&g=2024-01-01), worden de veronderstellingen met betrekking tot schade voorgeschreven in lid 2.2 van dit voorschrift aangevuld met de volgende aangenomen schade ten gevolge van het aan de grond lopen van het schip:
- .3. ten behoeve van de controle ingevolge [voorschrift 11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=2&artikel=11&z=2024-05-01&g=2024-05-01) geeft de Administratie een document af ter goedkeuring van het stabiliteitsinstrument.
7. Voor olietankschepen met een draagvermogen van 20.000 ton of meer opgeleverd op of na 6 juli 1996, als omschreven in [voorschrift 1.28.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=1&artikel=1&z=2024-05-01&g=2024-05-01), worden de veronderstellingen met betrekking tot schade voorgeschreven in lid 2.2 van dit voorschrift aangevuld met de volgende aangenomen schade ten gevolge van het aan de grond lopen van het schip:
- .1. langsscheeps:
@@ -5403,39 +5403,39 @@
##### Voorschrift 29. Sloptanks
- 1. Met inachtneming van de bepalingen van [voorschrift 3, lid 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=1&artikel=3&z=2024-01-01&g=2024-01-01), van deze Bijlage, dienen olietankschepen met een brutotonnage van 150 of meer uitgerust te zijn met sloptankvoorzieningen in overeenstemming met de vereisten van de leden 2.1 tot en met 2.3 van dit voorschrift. In olietankschepen opgeleverd op of voor 31 december 1979, als omschreven in [voorschrift 1.28.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=1&artikel=1&z=2024-01-01&g=2024-01-01), mag elke ladingtank worden aangewezen als sloptank.
- 1. Met inachtneming van de bepalingen van [voorschrift 3, lid 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=1&artikel=3&z=2024-05-01&g=2024-05-01), van deze Bijlage, dienen olietankschepen met een brutotonnage van 150 of meer uitgerust te zijn met sloptankvoorzieningen in overeenstemming met de vereisten van de leden 2.1 tot en met 2.3 van dit voorschrift. In olietankschepen opgeleverd op of voor 31 december 1979, als omschreven in [voorschrift 1.28.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=1&artikel=1&z=2024-05-01&g=2024-05-01), mag elke ladingtank worden aangewezen als sloptank.
- 2.1. Adequate voorzieningen dienen te zijn getroffen voor het reinigen van de ladingtanks en het overbrengen van verontreinigd ballastwater en tankwaswater van ladingtanks naar een door de Administratie goedgekeurde sloptank.
- 2.2. In dit systeem worden voorzieningen getroffen om het oliehoudend afval naar een sloptank of een combinatie van sloptanks over te brengen op zodanige wijze dat alle effluent die in zee wordt geloosd voldoet aan de bepalingen van [voorschrift 34](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=4&deel=C&artikel=34&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage.
- 2.2. In dit systeem worden voorzieningen getroffen om het oliehoudend afval naar een sloptank of een combinatie van sloptanks over te brengen op zodanige wijze dat alle effluent die in zee wordt geloosd voldoet aan de bepalingen van [voorschrift 34](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=4&deel=C&artikel=34&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage.
- 2.3. De voorzieningen van de sloptank of combinatie van sloptanks dienen over de capaciteit te beschikken die nodig is om het slop afkomstig van tankwaswater, olierestanten en verontreinigde ballastrestanten aan boord te kunnen houden. De totale capaciteit van de sloptank of –tanks mag niet minder bedragen dan 3 percent van de totale hoeveelheid olie die het schip kan laden. De Administratie kan evenwel de volgende percentages aanvaarden:
- .1. 2 percent voor olietankschepen waarbij de tankwasvoorzieningen zodanig zijn dat wanneer de sloptank of –tanks gevuld zijn met waswater deze hoeveelheid voldoende is voor het wassen van de tank(s) en, wanneer van toepassing, voor het leveren van de aandrijfvloeistof voor ejectoren zonder dat aanvullend water aan het systeem behoeft te worden toegevoegd;
- .2. 2 percent indien het schip is uitgerust met gescheiden-ballasttanks of toegewezen schone-ballasttanks in overeenstemming met [voorschrift 18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=4&deel=A&artikel=18&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage, of met een systeem voor het wassen van ladingtanks met ruwe olie in overeenstemming met [voorschrift 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=1&artikel=3&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage. Deze capaciteit mag tot 1,5 percent worden teruggebracht bij olietankschepen met zodanige tankwasvoorzieningen dat wanneer de sloptank of –tanks gevuld zijn met waswater deze hoeveelheid voldoende is voor het wassen van de tank(s) en, wanneer van toepassing, voor het leveren van de aandrijfvloeistof voor ejectoren zonder dat aanvullend water aan het systeem behoeft te worden toegevoegd; en
- .2. 2 percent indien het schip is uitgerust met gescheiden-ballasttanks of toegewezen schone-ballasttanks in overeenstemming met [voorschrift 18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=4&deel=A&artikel=18&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage, of met een systeem voor het wassen van ladingtanks met ruwe olie in overeenstemming met [voorschrift 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=1&artikel=3&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage. Deze capaciteit mag tot 1,5 percent worden teruggebracht bij olietankschepen met zodanige tankwasvoorzieningen dat wanneer de sloptank of –tanks gevuld zijn met waswater deze hoeveelheid voldoende is voor het wassen van de tank(s) en, wanneer van toepassing, voor het leveren van de aandrijfvloeistof voor ejectoren zonder dat aanvullend water aan het systeem behoeft te worden toegevoegd; en
- 3. 1 percent voor combinatietankschepen waarin de ladingolie uitsluitend in tanks met gladde wanden wordt vervoerd. Deze capaciteit mag tot 0,8 percent worden teruggebracht wanneer de tankwasvoorzieningen zodanig zijn dat wanneer de sloptank of –tanks gevuld zijn met waswater deze hoeveelheid voldoende is voor het wassen van de tank(s) en, wanneer van toepassing, voor het leveren van de aandrijfvloeistof voor ejectoren zonder dat aanvullend water aan het systeem behoeft te worden toegevoegd.
- 2.4. Sloptanks dienen zodanig te zijn ontworpen, met name met betrekking tot de plaatsing van inlaatopeningen, uitlaatopeningen, keerschotten of keringen, wanneer aangebracht, dat excessieve turbulentie en het meevoeren van olie of emulsie met het water wordt voorkomen.
- 3. Olietankschepen met een draagvermogen van 70.000 ton of meer opgeleverd na 31 december 1979, als omschreven in [voorschrift 1.28.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=1&artikel=1&z=2024-01-01&g=2024-01-01), dienen te zijn voorzien van ten minste twee sloptanks.
- 3. Olietankschepen met een draagvermogen van 70.000 ton of meer opgeleverd na 31 december 1979, als omschreven in [voorschrift 1.28.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=1&artikel=1&z=2024-05-01&g=2024-05-01), dienen te zijn voorzien van ten minste twee sloptanks.
##### Voorschrift 30. Inrichtingen voor pompen, pijpleidingen en lozen
- 1. Aan boord van elk olietankschip dient op het open dek, aan beide zijden van het schip, een losaansluiting te zijn aangebracht voor afgifte van verontreinigd ballastwater of van door olie verontreinigd water aan ontvangstinrichtingen.
- 2. Aan boord van elk olietankschip met een brutotonnage van 150 of meer dienen pijpleidingen voor het in zee lozen van ballastwater of door olie verontreinigd water uit ladingtankruimten, zoals kan worden toegestaan krachtens [voorschrift 34](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=4&deel=C&artikel=34&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage, te worden geleid naar het open dek of naar de zijde van het schip, boven de waterlijn in de ballasttoestand met de grootste diepgang. Andere pijpleidingsystemen die de handelingen mogelijk maken zoals deze zijn toegestaan ingevolge de leden 6.1 tot en met 6.5 van dit voorschrift kunnen aanvaard worden.
- 3. Aan boord van olietankschepen met een brutotonnage van 150 of meer opgeleverd na 31 december 1979, als omschreven in [voorschrift 1.28.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=1&artikel=1&z=2024-01-01&g=2024-01-01), dienen voorzieningen te worden getroffen voor het stoppen van de lozing in zee van ballastwater of door olie verontreinigd water uit het ladingtankgedeelte, behalve de lozing onder de waterlijn toegestaan ingevolge lid 6 van dit voorschrift, vanaf een plaats op het bovendek of hoger, op een zodanige plaats dat de gebruikte losaansluiting, zoals bedoeld in lid 1 van dit voorschrift, en de lozing in zee uit de pijpleidingen zoals bedoeld in lid 2 van dit voorschrift, met het oog waarneembaar zijn. Voor het stoppen van de lozing bij de waarnemingsplaats behoeven geen voorzieningen te zijn aangebracht indien goed werkende communicatieverbindingen, zoals telefoon- of radioverbindingen, beschikbaar zijn tussen de waarnemingsplaats en de bedieningsplaatspositie voor de lozing.
- 4. Elk olietankschip opgeleverd na 1 juni 1982, als omschreven in [voorschrift 1.28.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=1&artikel=1&z=2024-01-01&g=2024-01-01), dat dient te zijn voorzien van gescheiden-ballasttanks of te zijn uitgerust met een systeem voor het wassen met ruwe olie, dient te voldoen aan de volgende vereisten:
- 2. Aan boord van elk olietankschip met een brutotonnage van 150 of meer dienen pijpleidingen voor het in zee lozen van ballastwater of door olie verontreinigd water uit ladingtankruimten, zoals kan worden toegestaan krachtens [voorschrift 34](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=4&deel=C&artikel=34&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage, te worden geleid naar het open dek of naar de zijde van het schip, boven de waterlijn in de ballasttoestand met de grootste diepgang. Andere pijpleidingsystemen die de handelingen mogelijk maken zoals deze zijn toegestaan ingevolge de leden 6.1 tot en met 6.5 van dit voorschrift kunnen aanvaard worden.
- 3. Aan boord van olietankschepen met een brutotonnage van 150 of meer opgeleverd na 31 december 1979, als omschreven in [voorschrift 1.28.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=1&artikel=1&z=2024-05-01&g=2024-05-01), dienen voorzieningen te worden getroffen voor het stoppen van de lozing in zee van ballastwater of door olie verontreinigd water uit het ladingtankgedeelte, behalve de lozing onder de waterlijn toegestaan ingevolge lid 6 van dit voorschrift, vanaf een plaats op het bovendek of hoger, op een zodanige plaats dat de gebruikte losaansluiting, zoals bedoeld in lid 1 van dit voorschrift, en de lozing in zee uit de pijpleidingen zoals bedoeld in lid 2 van dit voorschrift, met het oog waarneembaar zijn. Voor het stoppen van de lozing bij de waarnemingsplaats behoeven geen voorzieningen te zijn aangebracht indien goed werkende communicatieverbindingen, zoals telefoon- of radioverbindingen, beschikbaar zijn tussen de waarnemingsplaats en de bedieningsplaatspositie voor de lozing.
- 4. Elk olietankschip opgeleverd na 1 juni 1982, als omschreven in [voorschrift 1.28.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=1&artikel=1&z=2024-05-01&g=2024-05-01), dat dient te zijn voorzien van gescheiden-ballasttanks of te zijn uitgerust met een systeem voor het wassen met ruwe olie, dient te voldoen aan de volgende vereisten:
- .1 het schip dient te zijn uitgerust met olieleidingen die zodanig zijn ontworpen en aangebracht dat het achterblijven van olie in de leidingen tot een minimum wordt teruggebracht; en
- .2 voorzieningen dienen te zijn getroffen om alle ladingpompen en alle ladingleidingen na afloop van het lossen van de lading af te tappen zo nodig na aansluiting op een nazuigsysteem. De restanten uit de leidingen en de pompen dienen zowel naar de wal als naar een ladingtank of sloptank te kunnen worden overgebracht. Voor afgifte naar de wal dient een aparte leiding met kleine diameter te zijn aangebracht die verbonden is met de walzijde van de afsluiters in de losaansluiting van het schip.
- 5. Elk ruwe-olietankschip opgeleverd op of voor 1 juni 1982, als omschreven in [voorschrift 1.28.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=1&artikel=1&z=2024-01-01&g=2024-01-01), dat dient te zijn voorzien van gescheiden-ballasttanks of te zijn uitgerust met een systeem voor het wassen met ruwe olie, dient te voldoen aan de bepalingen van lid 4.2 van dit voorschrift.
- 5. Elk ruwe-olietankschip opgeleverd op of voor 1 juni 1982, als omschreven in [voorschrift 1.28.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=1&artikel=1&z=2024-05-01&g=2024-05-01), dat dient te zijn voorzien van gescheiden-ballasttanks of te zijn uitgerust met een systeem voor het wassen met ruwe olie, dient te voldoen aan de bepalingen van lid 4.2 van dit voorschrift.
- 6. Aan boord van elk olietankschip dient de lozing van ballastwater of door olie verontreinigd water uit het ladinggedeelte boven de waterlijn te geschieden, behalve in de volgende gevallen:
@@ -5447,43 +5447,43 @@
- .3 op zee door middel van pompen indien het wisselen van ballastwater wordt uitgevoerd krachtens het bepaalde in [voorschrift D-1.1 van het Internationaal Verdrag voor de controle en het beheer van ballastwater en sedimenten van schepen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003219&artikel=D-1),
- .2 Olietankschepen opgeleverd op of voor 31 december 1979, als omschreven in [voorschrift 1.28.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=1&artikel=1&z=2024-01-01&g=2024-01-01), die niet in staat zijn zonder aanpassing gescheiden ballast boven de waterlijn te lozen, mogen gescheiden ballast onder de waterlijn op zee lozen, mits het oppervlak van het ballastwater onmiddellijk voorafgaand aan de lozing is onderzocht, teneinde te verzekeren dat er geen verontreiniging met olie heeft plaatsgevonden.
- .3 Olietankschepen opgeleverd op of voor 1 juni 1982, als omschreven in [voorschrift 1.28.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=1&artikel=1&z=2024-01-01&g=2024-01-01), die gebruik maken van aangewezen schone-ballasttanks, en die niet in staat zijn zonder aanpassing ballastwater uit aangewezen schone-ballasttanks boven de water lijn te lozen, mogen deze ballast onder de waterlijn lozen, mits het lozen van het ballastwater wordt gecontroleerd overeenkomstig [voorschrift 18.8.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=4&deel=A&artikel=18&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage.
- .4 Aan boord van ieder olietankschip op zee mag verontreinigd ballastwater of met olie verontreinigd water uit tanks in het ladinggedeelte anders dan sloptanks, door het laten aflopen van de tanks worden geloosd onder de waterlijn, mits voldoende tijd is verstreken zodat de afscheiding tussen olie en water kan hebben plaatsgevonden en het ballastwater onmiddellijk voor de lozing is onderzocht met een detector voor het vaststellen van het olie-waterscheidingsvlak zoals bedoeld in [voorschrift 32](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=4&deel=B&artikel=32&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage, teneinde te verzekeren dat de hoogte van het scheidingsvlak zodanig is dat de lozing geen verhoogd risico van schade voor het mariene milieu met zich meebrengt.
- .5 Aan boord van olietankschepen opgeleverd op of voor 31 december 1979, als omschreven in [voorschrift 1.28.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=1&artikel=1&z=2024-01-01&g=2024-01-01), op zee mag verontreinigd ballastwater of met olie verontreinigd water uit ladingtankgedeeltes onder de waterlijn wordt geloosd na of in plaats van de lozing volgens de methode bedoeld in lid 6.4, mits
- .2 Olietankschepen opgeleverd op of voor 31 december 1979, als omschreven in [voorschrift 1.28.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=1&artikel=1&z=2024-05-01&g=2024-05-01), die niet in staat zijn zonder aanpassing gescheiden ballast boven de waterlijn te lozen, mogen gescheiden ballast onder de waterlijn op zee lozen, mits het oppervlak van het ballastwater onmiddellijk voorafgaand aan de lozing is onderzocht, teneinde te verzekeren dat er geen verontreiniging met olie heeft plaatsgevonden.
- .3 Olietankschepen opgeleverd op of voor 1 juni 1982, als omschreven in [voorschrift 1.28.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=1&artikel=1&z=2024-05-01&g=2024-05-01), die gebruik maken van aangewezen schone-ballasttanks, en die niet in staat zijn zonder aanpassing ballastwater uit aangewezen schone-ballasttanks boven de water lijn te lozen, mogen deze ballast onder de waterlijn lozen, mits het lozen van het ballastwater wordt gecontroleerd overeenkomstig [voorschrift 18.8.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=4&deel=A&artikel=18&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage.
- .4 Aan boord van ieder olietankschip op zee mag verontreinigd ballastwater of met olie verontreinigd water uit tanks in het ladinggedeelte anders dan sloptanks, door het laten aflopen van de tanks worden geloosd onder de waterlijn, mits voldoende tijd is verstreken zodat de afscheiding tussen olie en water kan hebben plaatsgevonden en het ballastwater onmiddellijk voor de lozing is onderzocht met een detector voor het vaststellen van het olie-waterscheidingsvlak zoals bedoeld in [voorschrift 32](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=4&deel=B&artikel=32&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage, teneinde te verzekeren dat de hoogte van het scheidingsvlak zodanig is dat de lozing geen verhoogd risico van schade voor het mariene milieu met zich meebrengt.
- .5 Aan boord van olietankschepen opgeleverd op of voor 31 december 1979, als omschreven in [voorschrift 1.28.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=1&artikel=1&z=2024-05-01&g=2024-05-01), op zee mag verontreinigd ballastwater of met olie verontreinigd water uit ladingtankgedeeltes onder de waterlijn wordt geloosd na of in plaats van de lozing volgens de methode bedoeld in lid 6.4, mits
- .1 een deel van de stroom van dergelijk water via vaste leidingen wordt geleid naar een gemakkelijk toegankelijke plaats op het bovendek of hoger, waar deze met het oog waarneembaar is tijdens de lozingswerkzaamheden; en
- .2 deze inrichtingen voor een deel van de stroom voldoen aan de door de Administratie gestelde eisen, die ten minste alle bepalingen dienen te omvatten van de Specificaties voor het ontwerp, de installatie en werking van een deelstroomsysteem voor de regeling van lozingen overboord, aangenomen door de Organisatie.
- 7. Elk olietankschip met een brutotonnage van 150 of meer opgeleverd op of na 1 januari 2010, als omschreven in [voorschrift 1.28.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=1&artikel=1&z=2024-01-01&g=2024-01-01), waar een zeewaterinlaatkast is aangebracht die permanent aangesloten is op het pijpleidingsysteem van het ladinggedeelte, dient uitgerust te zijn met zowel een afsluiter op de zeewaterinlaatkast als een binnenboordscheidingsafsluiter. Naast deze afsluiters dient de zeewaterinlaatkast afgesloten te kunnen worden van het pijpleidingsysteem van het ladinggedeelte tijdens het laden, vervoer of lossen van de lading van het olietankschip, door middel van een doeltreffende inrichting die ten genoegen van de Administratie is. Onder een dergelijke doeltreffende inrichting wordt een voorziening verstaan die in het pijpleidingsysteem is geïnstalleerd teneinde, onder alle omstandigheden, te voorkomen dat het pijpleidinggedeelte tussen de afsluiter op de zeewaterinlaatkast en de binnenboordafsluiter met lading wordt gevuld.
- 7. Elk olietankschip met een brutotonnage van 150 of meer opgeleverd op of na 1 januari 2010, als omschreven in [voorschrift 1.28.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=1&artikel=1&z=2024-05-01&g=2024-05-01), waar een zeewaterinlaatkast is aangebracht die permanent aangesloten is op het pijpleidingsysteem van het ladinggedeelte, dient uitgerust te zijn met zowel een afsluiter op de zeewaterinlaatkast als een binnenboordscheidingsafsluiter. Naast deze afsluiters dient de zeewaterinlaatkast afgesloten te kunnen worden van het pijpleidingsysteem van het ladinggedeelte tijdens het laden, vervoer of lossen van de lading van het olietankschip, door middel van een doeltreffende inrichting die ten genoegen van de Administratie is. Onder een dergelijke doeltreffende inrichting wordt een voorziening verstaan die in het pijpleidingsysteem is geïnstalleerd teneinde, onder alle omstandigheden, te voorkomen dat het pijpleidinggedeelte tussen de afsluiter op de zeewaterinlaatkast en de binnenboordafsluiter met lading wordt gevuld.
## DEEL B. UITRUSTING
##### Voorschrift 31. Bewakings- en regelsysteem voor olielozingen
1. Onverminderd het bepaalde in de [leden 4 en 5 van voorschrift 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=1&artikel=3&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage, dienen olietankschepen met een brutotonnage van 150 of meer te zijn uitgerust met een door de Administratie goedgekeurd bewakings- en regelsysteem voor olielozingen.
2. Bij de bestudering van het ontwerp van de oliegehaltemeter die in het systeem dient te worden opgenomen, dient de Administratie rekening te houden met de door de Organisatie aanbevolen specificatie. Het systeem dient te zijn voorzien van apparatuur voor doorlopende registratie van de lozing van olie in liters per zeemijl en de totale hoeveelheid geloosde olie, of het oliegehalte en de hoeveelheid geloosde vloeistof per tijdseenheid. Deze registratie dient de aanduiding van tijd en datum te omvatten en ten minste drie jaar te worden bewaard. Het bewakings- en regelsysteem voor olielozingen dient in werking te treden zodra er een lozing van effluent in zee plaatsvindt en zodanig te zijn ingericht dat gewaarborgd is dat elke lozing van een oliehoudend mengsel automatisch wordt gestopt zodra de hoeveelheid geloosde olie op enig moment van het lozen groter is dan toegestaan ingevolge [voorschrift 34](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=4&deel=C&artikel=34&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage. Bij storingen in het bewakings- en regelsysteem moet de lozing stoppen. In het geval van storing in het bewakings- en regelsysteem voor olielozingen kan handmatige bediening plaatsvinden, maar de defecte eenheid dient zo snel mogelijk weer in operationele staat te worden gebracht. Indien de autoriteit van de havenstaat zulks toestaat, kan een tankschip met een defect bewakings- en regelsysteem voor olielozingen één reis met ballast ondernemen voordat het een reparatiehaven aandoet.
1. Onverminderd het bepaalde in de [leden 4 en 5 van voorschrift 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=1&artikel=3&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage, dienen olietankschepen met een brutotonnage van 150 of meer te zijn uitgerust met een door de Administratie goedgekeurd bewakings- en regelsysteem voor olielozingen.
2. Bij de bestudering van het ontwerp van de oliegehaltemeter die in het systeem dient te worden opgenomen, dient de Administratie rekening te houden met de door de Organisatie aanbevolen specificatie. Het systeem dient te zijn voorzien van apparatuur voor doorlopende registratie van de lozing van olie in liters per zeemijl en de totale hoeveelheid geloosde olie, of het oliegehalte en de hoeveelheid geloosde vloeistof per tijdseenheid. Deze registratie dient de aanduiding van tijd en datum te omvatten en ten minste drie jaar te worden bewaard. Het bewakings- en regelsysteem voor olielozingen dient in werking te treden zodra er een lozing van effluent in zee plaatsvindt en zodanig te zijn ingericht dat gewaarborgd is dat elke lozing van een oliehoudend mengsel automatisch wordt gestopt zodra de hoeveelheid geloosde olie op enig moment van het lozen groter is dan toegestaan ingevolge [voorschrift 34](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=4&deel=C&artikel=34&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage. Bij storingen in het bewakings- en regelsysteem moet de lozing stoppen. In het geval van storing in het bewakings- en regelsysteem voor olielozingen kan handmatige bediening plaatsvinden, maar de defecte eenheid dient zo snel mogelijk weer in operationele staat te worden gebracht. Indien de autoriteit van de havenstaat zulks toestaat, kan een tankschip met een defect bewakings- en regelsysteem voor olielozingen één reis met ballast ondernemen voordat het een reparatiehaven aandoet.
3. Het bewakings- en regelsysteem voor olielozingen dient te zijn ontworpen en geïnstalleerd met inachtneming van de richtlijnen en specificaties voor bewakings- en regelsystemen voor olielozingen voor olietankschepen, die door de Organisatie zijn uitgewerkt. De Administraties kunnen de specifieke voorzieningen vermeld in de richtlijnen en specificaties, aanvaarden.
4. De instructies inzake de werking van het systeem dienen in overeenstemming te zijn met een door de Administratie goedgekeurd operationeel handboek. Zij dienen zowel op handbediening als op automatische werking betrekking te hebben en te verzekeren, dat er in geen geval olie wordt geloosd, anders dan in overeenstemming met de voorwaarden omschreven in [voorschrift 34](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=4&deel=C&artikel=34&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage.
4. De instructies inzake de werking van het systeem dienen in overeenstemming te zijn met een door de Administratie goedgekeurd operationeel handboek. Zij dienen zowel op handbediening als op automatische werking betrekking te hebben en te verzekeren, dat er in geen geval olie wordt geloosd, anders dan in overeenstemming met de voorwaarden omschreven in [voorschrift 34](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=4&deel=C&artikel=34&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage.
##### Voorschrift 32. Detector voor het vaststellen van het olie-waterscheidingsvlak
Onverminderd de bepalingen van de [leden 4 en 5 van voorschrift 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=1&artikel=3&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage, dienen olietankschepen met een brutotonnage van 150 of meer te zijn uitgerust met doelmatige detectoren voor het vaststellen van het olie-waterscheidingsvlak, die door de Administratie zijn goedgekeurd voor het snel en accuraat vaststellen van het olie-waterscheidingsvlak in sloptanks en ook beschikbaar te zijn voor gebruik in andere tanks waarin olie en water gescheiden worden en van waaruit directe lozing van effluent in zee beoogd wordt.
Onverminderd de bepalingen van de [leden 4 en 5 van voorschrift 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=1&artikel=3&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage, dienen olietankschepen met een brutotonnage van 150 of meer te zijn uitgerust met doelmatige detectoren voor het vaststellen van het olie-waterscheidingsvlak, die door de Administratie zijn goedgekeurd voor het snel en accuraat vaststellen van het olie-waterscheidingsvlak in sloptanks en ook beschikbaar te zijn voor gebruik in andere tanks waarin olie en water gescheiden worden en van waaruit directe lozing van effluent in zee beoogd wordt.
##### Voorschrift 33. Vereisten voor het wassen met ruwe olie
1. Elk ruwe-olietankschip met een draagvermogen van 20.000 ton of meer, opgeleverd na 1 juni 1982, als omschreven in [voorschrift 1.28.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=1&artikel=1&z=2024-01-01&g=2024-01-01), dient te zijn uitgerust met een ladingtankreinigingssysteem waarbij met ruwe olie wordt gewassen. De Administratie ziet erop toe dat de methode, binnen één jaar nadat het tankschip voor de eerste maal wordt gebruikt voor het vervoer van ruwe olie, of, indien dit tijdstip later valt, aan het einde van de derde reis waarop ruwe olie, geschikt voor de ruwe-oliewasmethode, wordt vervoerd, volledig voldoet aan de vereisten van dit voorschrift.
1. Elk ruwe-olietankschip met een draagvermogen van 20.000 ton of meer, opgeleverd na 1 juni 1982, als omschreven in [voorschrift 1.28.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=1&artikel=1&z=2024-05-01&g=2024-05-01), dient te zijn uitgerust met een ladingtankreinigingssysteem waarbij met ruwe olie wordt gewassen. De Administratie ziet erop toe dat de methode, binnen één jaar nadat het tankschip voor de eerste maal wordt gebruikt voor het vervoer van ruwe olie, of, indien dit tijdstip later valt, aan het einde van de derde reis waarop ruwe olie, geschikt voor de ruwe-oliewasmethode, wordt vervoerd, volledig voldoet aan de vereisten van dit voorschrift.
2. De installatie voor wassen met ruwe olie met de bijbehorende uitrusting en voorzieningen dient te voldoen aan de vereisten vastgesteld door de Administratie. Deze vereisten dienen ten minste alle voorwaarden te bevatten die zijn vermeld in de door de Organisatie aangenomen Specificaties voor het ontwerp, de werkwijze en de regeling van ruwe-oliewassystemen. Wanneer een schip is uitgerust met apparatuur voor wassen met ruwe olie, maar dit ingevolge lid 1 van dit voorschrift niet verplicht is, dient deze apparatuur te voldoen aan de veiligheidsaspecten van de bovengenoemde Specificaties.
3. Elk systeem voor wassen met ruwe olie dat vereist is ingevolge [voorschrift 18.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=4&deel=A&artikel=18&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage dient te voldoen aan de vereisten van dit voorschrift.
3. Elk systeem voor wassen met ruwe olie dat vereist is ingevolge [voorschrift 18.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=4&deel=A&artikel=18&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage dient te voldoen aan de vereisten van dit voorschrift.
## DEEL C. REGELING VAN BEDRIJFSMATIGE LOZINGEN VAN OLIE
@@ -5491,7 +5491,7 @@
**A. Lozingen buiten bijzondere gebieden uitgezonderd Arctische wateren**
1. Onverminderd de bepalingen van [voorschrift 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=1&artikel=4&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage, en lid 2 van dit voorschrift, is elke lozing in zee van olie of oliehoudende mengsels uit het ladinggedeelte van een olietankschip, verboden, tenzij voldaan wordt aan alle onderstaande voorwaarden:
1. Onverminderd de bepalingen van [voorschrift 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=1&artikel=4&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage, en lid 2 van dit voorschrift, is elke lozing in zee van olie of oliehoudende mengsels uit het ladinggedeelte van een olietankschip, verboden, tenzij voldaan wordt aan alle onderstaande voorwaarden:
- .1 het tankschip bevindt zich niet in een bijzonder gebied;
@@ -5501,9 +5501,9 @@
- .4 de hoeveelheid geloosde olie op enig moment van het lozen bedraagt niet meer dan 30 liter per zeemijl;
- .5 de totale hoeveelheid in zee geloosde olie bedraagt voor tankschepen opgeleverd op of vóór 31 december 1979, als omschreven in [voorschrift 1.28.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=1&artikel=1&z=2024-01-01&g=2024-01-01), niet meer dan 1/15.000ste van de totale hoeveelheid van de lading waarvan het restant deel uitmaakte en voor tankschepen opgeleverd na 31 december 1979, als omschreven in voorschrift 1.28.2, niet meer dan 1/30.000ste van de totale hoeveelheid van de lading waarvan het restant deel uitmaakte; en
- .6 het tankschip heeft een bewakings- en regelsysteem voor olielozingen in bedrijf en een sloptankvoorziening zoals vereist volgens de [voorschriften 29](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=4&deel=A&artikel=29&z=2024-01-01&g=2024-01-01) en [31](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=4&deel=B&artikel=31&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage.
- .5 de totale hoeveelheid in zee geloosde olie bedraagt voor tankschepen opgeleverd op of vóór 31 december 1979, als omschreven in [voorschrift 1.28.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=1&artikel=1&z=2024-05-01&g=2024-05-01), niet meer dan 1/15.000ste van de totale hoeveelheid van de lading waarvan het restant deel uitmaakte en voor tankschepen opgeleverd na 31 december 1979, als omschreven in voorschrift 1.28.2, niet meer dan 1/30.000ste van de totale hoeveelheid van de lading waarvan het restant deel uitmaakte; en
- .6 het tankschip heeft een bewakings- en regelsysteem voor olielozingen in bedrijf en een sloptankvoorziening zoals vereist volgens de [voorschriften 29](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=4&deel=A&artikel=29&z=2024-05-01&g=2024-05-01) en [31](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=4&deel=B&artikel=31&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage.
2. De bepalingen van lid 1 van dit voorschrift zijn niet van toepassing op het lozen van schone ballast of van gescheiden ballast.
@@ -5517,7 +5517,7 @@
**C. Vereisten voor olietankschepen met een brutotonnage van minder dan 150 ton**
6. De vereisten uit de [voorschriften 29](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=4&deel=A&artikel=29&z=2024-01-01&g=2024-01-01), [31](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=4&deel=B&artikel=31&z=2024-01-01&g=2024-01-01) en [32](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=4&deel=B&artikel=32&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage zijn niet van toepassing op olietankschepen met een brutotonnage van minder dan 150, waarbij het lozen van olie krachtens dit voorschrift geregeld wordt door het aan boord houden van olie en latere afgifte van al het verontreinigde tankwaswater bij ontvangstinrichtingen. De totale hoeveelheid olie en water die voor het wassen is gebruikt en in een opslagtank is teruggepompt, dient te worden afgegeven aan ontvangstinrichtingen, tenzij toereikende voorzieningen zijn getroffen om te verzekeren dat elke uitstroming van de vloeistof die in zee mag worden geloosd doelmatig wordt bewaakt, teneinde te verzekeren dat aan de bepalingen van dit voorschrift wordt voldaan.
6. De vereisten uit de [voorschriften 29](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=4&deel=A&artikel=29&z=2024-05-01&g=2024-05-01), [31](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=4&deel=B&artikel=31&z=2024-05-01&g=2024-05-01) en [32](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=4&deel=B&artikel=32&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage zijn niet van toepassing op olietankschepen met een brutotonnage van minder dan 150, waarbij het lozen van olie krachtens dit voorschrift geregeld wordt door het aan boord houden van olie en latere afgifte van al het verontreinigde tankwaswater bij ontvangstinrichtingen. De totale hoeveelheid olie en water die voor het wassen is gebruikt en in een opslagtank is teruggepompt, dient te worden afgegeven aan ontvangstinrichtingen, tenzij toereikende voorzieningen zijn getroffen om te verzekeren dat elke uitstroming van de vloeistof die in zee mag worden geloosd doelmatig wordt bewaakt, teneinde te verzekeren dat aan de bepalingen van dit voorschrift wordt voldaan.
**D. Algemene vereisten**
@@ -5529,7 +5529,7 @@
##### Voorschrift 35. Wassen met ruwe olie
1. Elk olietankschip dat met ruwe-oliewassystemen werkt, dient een handboek aan boord te hebben waarin het systeem en de uitrusting beschreven staan en waarin de operationele procedures uiteen worden gezet. Dit handboek dient ten genoegen van de Administratie te zijn en alle informatie te bevatten die is opgenomen in de Specificaties genoemd in [lid 2 van voorschrift 33](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=4&deel=B&artikel=33&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage. Wanneer een wijziging wordt aangebracht die van invloed is op het systeem voor het wassen met ruwe olie dient het handboek dienovereenkomstig te worden aangepast.
1. Elk olietankschip dat met ruwe-oliewassystemen werkt, dient een handboek aan boord te hebben waarin het systeem en de uitrusting beschreven staan en waarin de operationele procedures uiteen worden gezet. Dit handboek dient ten genoegen van de Administratie te zijn en alle informatie te bevatten die is opgenomen in de Specificaties genoemd in [lid 2 van voorschrift 33](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=4&deel=B&artikel=33&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage. Wanneer een wijziging wordt aangebracht die van invloed is op het systeem voor het wassen met ruwe olie dient het handboek dienovereenkomstig te worden aangepast.
2. Voor het ballasten van ladingtanks dienen voldoende ladingtanks met ruwe olie te zijn gewassen alvorens de ballastreis aanvangt zodat, rekening houdend met het vaarschema van het tankschip en de te verwachten weersomstandigheden, ballastwater alleen in ladingtanks wordt gepompt die met ruwe olie zijn gewassen.
@@ -5537,7 +5537,7 @@
##### Voorschrift 36. Oliejournaal Deel II – Lading- en ballasthandelingen
1. Elk olietankschip met een brutotonnage van 150 of meer dient te zijn voorzien van een Oliejournaal Deel II (Lading- en ballasthandelingen). Het Oliejournaal Deel II, hetzij als onderdeel van het scheepslogboek, als elektronisch journaal dat door de Administratie dient te worden goedgekeurd rekening houdend met de door de Organisatie opgestelde richtlijnen, of anderszins, dient te zijn ingedeeld volgens het model zoals aangegeven in [Aanhangsel III](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=III&z=2024-01-01&g=2024-01-01) bij deze Bijlage.
1. Elk olietankschip met een brutotonnage van 150 of meer dient te zijn voorzien van een Oliejournaal Deel II (Lading- en ballasthandelingen). Het Oliejournaal Deel II, hetzij als onderdeel van het scheepslogboek, als elektronisch journaal dat door de Administratie dient te worden goedgekeurd rekening houdend met de door de Organisatie opgestelde richtlijnen, of anderszins, dient te zijn ingedeeld volgens het model zoals aangegeven in [Aanhangsel III](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=III&z=2024-05-01&g=2024-05-01) bij deze Bijlage.
2. Het Oliejournaal Deel II dient, indien nodig voor elke tank afzonderlijk, te worden ingevuld telkens wanneer een van de volgende lading- en/of ballasthandelingen aan boord plaatsvindt:
@@ -5561,9 +5561,9 @@
- .10 verwijderen van restanten.
3. Voor de in [voorschrift 34.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=4&deel=C&artikel=34&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage bedoelde olietankschepen dient de totale hoeveelheid olie en waswater, na gebruik teruggepompt in een opslagtank, te worden vermeld in het Oliejournaal Deel II.
4. In geval van lozing van olie of oliehoudende mengsels als bedoeld in [voorschrift 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=1&artikel=4&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage of in geval van door ongevallen veroorzaakte lozingen of andere uitzonderlijke lozingen van olie die niet uitgezonderd worden volgens voornoemd voorschrift, dient in het Oliejournaal Deel II melding te worden gemaakt van de omstandigheden waaronder en de redenen waarom de lozing geschiedde.
3. Voor de in [voorschrift 34.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=4&deel=C&artikel=34&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage bedoelde olietankschepen dient de totale hoeveelheid olie en waswater, na gebruik teruggepompt in een opslagtank, te worden vermeld in het Oliejournaal Deel II.
4. In geval van lozing van olie of oliehoudende mengsels als bedoeld in [voorschrift 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=1&artikel=4&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage of in geval van door ongevallen veroorzaakte lozingen of andere uitzonderlijke lozingen van olie die niet uitgezonderd worden volgens voornoemd voorschrift, dient in het Oliejournaal Deel II melding te worden gemaakt van de omstandigheden waaronder en de redenen waarom de lozing geschiedde.
5. Elke handeling beschreven in lid 2 van dit voorschrift dient onverwijld volledig in het Oliejournaal Deel II te worden vermeld, en wel zodanig dat alle rubrieken in het journaal die betrekking hebben op de handeling worden ingevuld. Elke verrichte handeling dient door de voor de desbetreffende handelingen verantwoordelijke officier of officieren, te worden ondertekend en elke ingevulde bladzijde of groep van elektronische aantekeningen dient te worden ondertekend door de kapitein van het schip. De aantekeningen in het Oliejournaal Deel II dienen ten minste in het Engels, Frans of Spaans te worden gesteld. Wanneer de aantekeningen tevens zijn gesteld in een officiële taal van de Staat waarvan het schip gerechtigd is de vlag te voeren, zijn deze doorslaggevend in geval van een geschil of een tegenstrijdigheid.
@@ -5573,7 +5573,7 @@
8. De bevoegde autoriteit van de Regering van een Partij bij het Verdrag kan het Oliejournaal Deel II controleren aan boord van elk schip waarop deze Bijlage van toepassing is, terwijl het schip zich in een haven of een laad- of losplaats buitengaats van dat land bevindt, en een afschrift maken van elke aantekening in dat journaal en van de kapitein verlangen dat deze het afschrift waarmerkt als een waarheidsgetrouw afschrift van de desbetreffende aantekening. Elk aldus vervaardigd afschrift, dat de kapitein van het schip als een waarheidsgetrouw afschrift van een aantekening in het Oliejournaal Deel II van het schip heeft gewaarmerkt, wordt bij alle gerechtelijke procedures toegelaten als bewijsstuk voor de in die aantekening vermelde feiten. De controle van een Oliejournaal Deel II en het maken van een gewaarmerkt afschrift door de bevoegde autoriteit ingevolge de bepalingen van dit lid dienen zo snel mogelijk te geschieden zonder onnodig oponthoud van het schip te veroorzaken.
9. Voor olietankschepen met een brutotonnage van minder dan 150 die worden gebruikt overeenkomstig [voorschrift 34.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=4&deel=C&artikel=34&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage dient door de Administratie een passend Oliejournaal te worden uitgewerkt.
9. Voor olietankschepen met een brutotonnage van minder dan 150 die worden gebruikt overeenkomstig [voorschrift 34.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=4&deel=C&artikel=34&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage dient door de Administratie een passend Oliejournaal te worden uitgewerkt.
### HOOFDSTUK 5. VOORKOMING VAN VERONTREINIGING VOORTVLOEIEND UIT VOORVALLEN VAN VERONTREINIGING DOOR OLIE
@@ -5583,7 +5583,7 @@
- 2. Een dergelijk plan dient in overeenstemming te zijn met richtlijnen die door de Organisatie zijn opgesteld en zijn gesteld in de werktaal van de kapitein en de officieren. Het plan omvat ten minste:
- .1 de procedure die dient te worden gevolgd door de kapitein of anderen die het bevel voeren over het schip voor het melden van voorvallen van olieverontreiniging, zoals vereist volgens [artikel 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&artikel=8&z=2024-01-01&g=2024-01-01) en Protocol I van dit Verdrag, op basis van de door de Organisatie ontwikkelde richtlijnen;
- .1 de procedure die dient te worden gevolgd door de kapitein of anderen die het bevel voeren over het schip voor het melden van voorvallen van olieverontreiniging, zoals vereist volgens [artikel 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&artikel=8&z=2024-05-01&g=2024-05-01) en Protocol I van dit Verdrag, op basis van de door de Organisatie ontwikkelde richtlijnen;
- .2 de lijst van autoriteiten of personen met wie contact dient te worden opgenomen in het geval van een voorval van olieverontreiniging;
@@ -5591,7 +5591,7 @@
- .4 de procedures en de contactpersoon aan boord van het schip voor de coördinatie voor de aan boord te nemen maatregelen met de nationale en lokale autoriteiten bij de bestrijding van de verontreiniging.
- 3. In het geval van schepen waarop tevens [voorschrift 17 van Bijlage II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=II&hoofdstuk=7&artikel=17&z=2024-01-01&g=2024-01-01) bij dit Verdrag van toepassing is, kan een dergelijk plan gecombineerd worden met het scheepsnoodplan voor verontreiniging van de zee door schadelijke vloeistoffen, vereist ingevolge voorschrift 17 van Bijlage II bij dit Verdrag. In dit geval luidt de titel van het plan „Scheepsnoodplan voor verontreiniging van de zee”.
- 3. In het geval van schepen waarop tevens [voorschrift 17 van Bijlage II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=II&hoofdstuk=7&artikel=17&z=2024-05-01&g=2024-05-01) bij dit Verdrag van toepassing is, kan een dergelijk plan gecombineerd worden met het scheepsnoodplan voor verontreiniging van de zee door schadelijke vloeistoffen, vereist ingevolge voorschrift 17 van Bijlage II bij dit Verdrag. In dit geval luidt de titel van het plan „Scheepsnoodplan voor verontreiniging van de zee”.
- 4. Alle olietankschepen met een draagvermogen van 5000 ton of meer dienen direct toegang te hebben tot computerprogrammatuur aan wal voor de berekening van de lekstabiliteit en van de resterende sterkte van de scheepsromp.
@@ -5611,23 +5611,23 @@
- .3 alle havens waar scheepsreparatiewerven of inrichtingen voor het reinigen van tanks gevestigd zijn;
- .4 alle havens en laad- of losplaatsen waar schepen worden afgehandeld die zijn voorzien van de tank(s) voor olierestanten (oliedrab) zoals vereist krachtens [voorschrift 12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=3&deel=A&artikel=12&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage;
- .5 alle havens, ten behoeve van de ontvangst van oliehoudend lenswater en overige restanten, die niet geloosd kunnen worden overeenkomstig de [voorschriften 15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=3&deel=C&artikel=15&z=2024-01-01&g=2024-01-01) en [34](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=4&deel=C&artikel=34&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage en paragraaf 1.1.1 van deel II-A van de Polar Code; en
- .6 alle laadhavens voor bulkladingen ten behoeve van de ontvangst van restanten uit combinatietankschepen, die niet geloosd kunnen worden overeenkomstig [voorschrift 34](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=4&deel=C&artikel=34&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage.
- .4 alle havens en laad- of losplaatsen waar schepen worden afgehandeld die zijn voorzien van de tank(s) voor olierestanten (oliedrab) zoals vereist krachtens [voorschrift 12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=3&deel=A&artikel=12&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage;
- .5 alle havens, ten behoeve van de ontvangst van oliehoudend lenswater en overige restanten, die niet geloosd kunnen worden overeenkomstig de [voorschriften 15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=3&deel=C&artikel=15&z=2024-05-01&g=2024-05-01) en [34](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=4&deel=C&artikel=34&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage en paragraaf 1.1.1 van deel II-A van de Polar Code; en
- .6 alle laadhavens voor bulkladingen ten behoeve van de ontvangst van restanten uit combinatietankschepen, die niet geloosd kunnen worden overeenkomstig [voorschrift 34](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=4&deel=C&artikel=34&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage.
- 3. Voor de capaciteit ten aanzien van de ontvangstinrichtingen is het volgende bepalend:
- .1 Laadplaatsen voor ruwe olie dienen te zijn voorzien van voldoende inrichtingen voor de ontvangst van olie en oliehoudende mengsels die niet geloosd kunnen worden overeenkomstig de bepalingen van [voorschrift 34.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=4&deel=C&artikel=34&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage, door alle olietankschepen op reizen zoals beschreven in lid 2.1 van dit voorschrift.
- .2 De laadhavens en laad- of losplaatsen bedoeld in paragraaf 2.2 van dit voorschrift dienen te zijn voorzien van voldoende inrichtingen voor de ontvangst van olie en oliehoudende mengsels die niet geloosd kunnen worden overeenkomstig de bepalingen van [voorschrift 34.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=4&deel=C&artikel=34&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage, door olietankschepen die andere olie dan ruwe olie in bulk laden.
- .1 Laadplaatsen voor ruwe olie dienen te zijn voorzien van voldoende inrichtingen voor de ontvangst van olie en oliehoudende mengsels die niet geloosd kunnen worden overeenkomstig de bepalingen van [voorschrift 34.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=4&deel=C&artikel=34&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage, door alle olietankschepen op reizen zoals beschreven in lid 2.1 van dit voorschrift.
- .2 De laadhavens en laad- of losplaatsen bedoeld in paragraaf 2.2 van dit voorschrift dienen te zijn voorzien van voldoende inrichtingen voor de ontvangst van olie en oliehoudende mengsels die niet geloosd kunnen worden overeenkomstig de bepalingen van [voorschrift 34.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=4&deel=C&artikel=34&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage, door olietankschepen die andere olie dan ruwe olie in bulk laden.
- .3 Alle havens, waar scheepsreparatiewerven of inrichtingen voor het reinigen van tanks gevestigd zijn, dienen te zijn voorzien van voldoende inrichtingen voor de ontvangst van alle restanten en oliehoudende mengsels die zich aan boord bevinden voor afgifte door schepen voordat zij bij deze werven of inrichtingen aankomen.
- .4 Alle inrichtingen die ingevolge paragraaf 2.4 van dit voorschrift in havens en laad- of losplaatsen zijn aangelegd, dienen toereikend te zijn voor de ontvangst van alle restanten, die overeenkomstig [voorschrift 12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=3&deel=A&artikel=12&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage aan boord zijn gehouden van alle schepen die redelijkerwijze kunnen worden geacht deze havens en laad- of losplaatsen aan te doen.
- .5 Alle inrichtingen die ingevolge dit voorschrift in havens en laad- of losplaatsen zijn aangelegd, dienen toereikend te zijn voor de ontvangst van oliehoudend lenswater en andere restanten die niet geloosd kunnen worden overeenkomstig [voorschrift 15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=3&deel=C&artikel=15&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage en paragraaf 1.1.1 van deel II-A van de Polar Code.
- .4 Alle inrichtingen die ingevolge paragraaf 2.4 van dit voorschrift in havens en laad- of losplaatsen zijn aangelegd, dienen toereikend te zijn voor de ontvangst van alle restanten, die overeenkomstig [voorschrift 12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=3&deel=A&artikel=12&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage aan boord zijn gehouden van alle schepen die redelijkerwijze kunnen worden geacht deze havens en laad- of losplaatsen aan te doen.
- .5 Alle inrichtingen die ingevolge dit voorschrift in havens en laad- of losplaatsen zijn aangelegd, dienen toereikend te zijn voor de ontvangst van oliehoudend lenswater en andere restanten die niet geloosd kunnen worden overeenkomstig [voorschrift 15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=3&deel=C&artikel=15&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage en paragraaf 1.1.1 van deel II-A van de Polar Code.
- .6 De inrichtingen die in laadhavens voor bulkladingen zijn aangelegd, dienen naar behoren te worden afgestemd op de speciale problemen van combinatietankschepen.
@@ -5641,7 +5641,17 @@
**B. Ontvangstinrichtingen binnen de bijzondere gebieden**
- 4. De Regering van elke Partij bij dit Verdrag wier kustlijn grenst aan een bijzonder gebied draagt er zorg voor dat alle olielaadplaatsen en reparatiehavens in het bijzondere gebied voorzien zijn van inrichtingen toereikend voor het ontvangen en verwerken van al het vuile ballast- en tankwaswater van olietankschepen. Bovendien dienen alle havens binnen het bijzondere gebied te worden voorzien van inrichtingen toereikend voor het ontvangen van andere restanten en oliehoudende mengsels afkomstig van alle schepen. Deze inrichtingen dienen een capaciteit te hebben die toereikend is om te voldoen aan de behoeften van de schepen die er gebruik van maken zonder onnodig oponthoud van deze schepen te veroorzaken.
- 4. De volgende staten kunnen met behulp van regionale regelingen voldoen aan de vereisten van de paragrafen 1 tot en met 3 van dit voorschrift, indien dergelijke regelingen de enige praktische manier zijn om aan deze vereisten te voldoen vanwege de unieke omstandigheden van die staten: Partijen die deelnemen aan een regionale regeling moeten een regionaal plan voor ontvangstinrichtingen opstellen waarbij rekening wordt gehouden met de door de Organisatie opgestelde richtlijnen. De Regering van elke Partij die deelneemt aan de regeling overlegt met de Organisatie, ten behoeve van het rondsturen aan de Partijen bij dit Verdrag, over:
- .1. kleine eilandstaten in ontwikkeling; en
- .2. staten waarvan de kustlijn grenst aan Arctische wateren mits de regionale regelingen alleen betrekking hebben op de havens van die staten in de Arctische wateren.
- .1. de wijze waarop in het regionale plan voor ontvangstinrichtingen rekening wordt gehouden met de door de Organisatie opgestelde richtlijnen;
- .2. bijzonderheden van de aangewezen regionale ontvangstcentra voor afval van schepen rekening houdend met de door de Organisatie opgestelde richtlijnen; en
- .3. bijzonderheden van havens met beperkte voorzieningen.
- 4bis. Kleine eilandstaten in ontwikkeling kunnen met behulp van regionale regelingen voldoen aan de vereisten van lid 4 van dit voorschrift, indien dergelijke regelingen de enige praktische manier zijn om aan deze vereisten te voldoen vanwege de unieke omstandigheden van die staten. Partijen die deelnemen aan een regionale regeling moeten een regionaal plan voor ontvangstfaciliteiten opstellen waarbij rekening wordt gehouden met de door de Organisatie opgestelde richtlijnen. De Regering van elke Partij die deelneemt aan de regeling overlegt met de Organisatie, ten behoeve van het rondsturen aan de Partijen bij dit Verdrag, over:
@@ -5653,17 +5663,17 @@
- 5. De Regering van elke Partij bij dit Verdrag onder wier rechtsmacht ondiepe toegangen tot scheepvaartroutes vallen welke een vermindering van diepgang door middel van het lozen van ballast zouden vereisen, draagt zorg voor inrichtingen bedoeld in lid 4 van dit voorschrift, met dien verstande evenwel dat schepen die verontreinigd tankwas- of ballastwater moeten lozen enig oponthoud kunnen ondervinden.
- 6. Ten aanzien van het gebied van de Rode Zee, de Perzische Golf, de Golf van Aden en het gebied van de Arabische Zee dat Oman bestrijkt, geldt het volgende:
- .1 Elke betrokken Partij stelt de Organisatie in kennis van de maatregelen die zijn getroffen ingevolge de bepalingen van de leden 4 en 5 van dit voorschrift. Na ontvangst van voldoende kennisgevingen stelt de Organisatie een datum vast waarop de lozingsvereisten van de [voorschriften 15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=3&deel=C&artikel=15&z=2024-01-01&g=2024-01-01) en [34](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=4&deel=C&artikel=34&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage ten aanzien van het betrokken gebied van kracht worden. De Organisatie stelt alle Partijen ten minste twaalf maanden van tevoren in kennis van de aldus vastgestelde datum.
- .2 Gedurende het tijdvak tussen de inwerkingtreding van dit Verdrag en de aldus vastgestelde datum houden schepen die in de bijzondere gebieden varen zich aan de vereisten van de [voorschriften 15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=3&deel=C&artikel=15&z=2024-01-01&g=2024-01-01) en [34](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=4&deel=C&artikel=34&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage wat betreft lozingen buiten de bijzondere gebieden.
- .3 Na deze datum houden ook olietankschepen die lading innemen in havens in deze bijzondere gebieden waar de genoemde inrichtingen nog niet beschikbaar zijn, zich volledig aan de vereisten van de [voorschriften 15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=3&deel=C&artikel=15&z=2024-01-01&g=2024-01-01) en [34](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=4&deel=C&artikel=34&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage wat betreft lozingen binnen de bijzondere gebieden. Olietankschepen die deze bijzondere gebieden binnenvaren om lading in te nemen, stellen echter alles in het werk om het gebied binnen te varen met uitsluitend schone ballast aan boord.
- .4 Na de datum waarop de bepalingen voor het betrokken bijzondere gebied van kracht zijn geworden stelt elke Partij de Organisatie in kennis van alle gevallen waarin de desbetreffende inrichtingen als ontoereikend worden aangemerkt; de Organisatie stelt de betrokken Partijen op de hoogte.
- .5 Een jaar na de datum van inwerkingtreding van dit Verdrag dient ten minste te zijn voorzien in de in de leden 1, 2 en 3 van dit voorschrift bedoelde ontvangstinrichtingen.
- 6. De volgende staten kunnen met behulp van regionale regelingen voldoen aan de vereisten van de vijfde paragraaf van dit voorschrift, indien dergelijke regelingen de enige praktische manier zijn om aan deze vereisten te voldoen vanwege de unieke omstandigheden van die staten: Partijen die deelnemen aan een regionale regeling moeten een regionaal plan voor ontvangstinrichtingen opstellen waarbij rekening wordt gehouden met de door de Organisatie opgestelde richtlijnen. De Regering van elke Partij die deelneemt aan de regeling overlegt met de Organisatie, ten behoeve van het rondsturen aan de Partijen bij dit Verdrag, over:
- .1. kleine eilandstaten in ontwikkeling; en
- .2. staten waarvan de kustlijn grenst aan Arctische wateren mits de regionale regelingen alleen betrekking hebben op de havens van die staten in de Arctische wateren.
- .1. de wijze waarop in het regionale plan voor ontvangstinrichtingen rekening wordt gehouden met de door de Organisatie opgestelde richtlijnen;
- .2. bijzonderheden van de aangewezen regionale ontvangstcentra voor afval van schepen rekening houdend met de door de Organisatie opgestelde richtlijnen; en
- .3. bijzonderheden van havens met beperkte voorzieningen.
- 7. Onverminderd de leden 4, 5 en 6 van dit voorschrift zijn de volgende regels van toepassing op het Antarctisch gebied:
@@ -5683,11 +5693,11 @@
- 2. Vaste of drijvende platforms, buitengaats gebezigd voor exploratie, exploitatie en daarbij behorende verwerking van minerale zeebodemschatten, en andere platforms, dienen te voldoen aan de vereisten van deze Bijlage die van toepassing zijn op schepen, geen olietankschepen zijnde, met een brutotonnage van 400 of meer, met dien verstande dat:
- .1 zij, voor zover praktisch uitvoerbaar, dienen te zijn uitgerust met de voorzieningen vereist in de [voorschriften 12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=3&deel=A&artikel=12&z=2024-01-01&g=2024-01-01) en [14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=3&deel=B&artikel=14&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage;
- .1 zij, voor zover praktisch uitvoerbaar, dienen te zijn uitgerust met de voorzieningen vereist in de [voorschriften 12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=3&deel=A&artikel=12&z=2024-05-01&g=2024-05-01) en [14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=3&deel=B&artikel=14&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage;
- .2 zij een registratie, volgens een door de Administratie goedgekeurd model, dienen bij te houden van alle handelingen waarbij lozingen van olie of oliehoudende mengsels plaatsvinden; en
- .3 overeenkomstig het bepaalde in [voorschrift 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=1&artikel=4&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage, het lozen in zee van olie of oliehoudende mengsels verboden is, tenzij het oliegehalte van de geloosde vloeistof zonder verdunning niet hoger is dan 15 delen per miljoen.
- .3 overeenkomstig het bepaalde in [voorschrift 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=1&artikel=4&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage, het lozen in zee van olie of oliehoudende mengsels verboden is, tenzij het oliegehalte van de geloosde vloeistof zonder verdunning niet hoger is dan 15 delen per miljoen.
- 3. Bij het controleren van de naleving van deze Bijlage ten aanzien van platforms die als als FPSO of FSU zijn ingericht, dienen de Administraties, behalve met de vereisten van lid 2, rekening te houden met de door de Organisatie opgestelde Richtlijnen.
@@ -6699,7 +6709,7 @@
- 6. „bijzonder gebied”, een zeegebied waarbinnen, om algemeen aanvaarde technische redenen met betrekking tot de oceanografische en ecologische toestand en het speciale karakter van het scheepvaartverkeer binnen dat gebied, aanneming van bijzondere verplichte methoden ter voorkoming van verontreiniging van de zee door sanitair afval nodig is; Deze bijzondere gebieden zijn:
- .1. het Oostzeegebied zoals omschreven in [voorschrift 1.11.2 van Bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=1&artikel=1&z=2024-01-01&g=2024-01-01); en
- .1. het Oostzeegebied zoals omschreven in [voorschrift 1.11.2 van Bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=1&artikel=1&z=2024-05-01&g=2024-05-01); en
- .2. elk ander zeegebied dat door de Organisatie is aangewezen overeenkomstig de criteria en procedures voor de aanwijzing van bijzondere gebieden met betrekking tot het voorkomen van verontreiniging door sanitair afval van schepen.
@@ -6713,7 +6723,7 @@
- .2. een kind jonger dan één jaar.
- 10. „een passagiersschip”, een schip dat meer dan twaalf passagiers vervoert. Voor de toepassing van [voorschrift 11.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=IV&hoofdstuk=3&artikel=11&z=2024-01-01&g=2024-01-01) wordt onder een „nieuw passagiersschip” verstaan een passagiersschip: Een „bestaand passagiersschip” is een passagiersschip dat geen nieuw passagiersschip is.
- 10. „een passagiersschip”, een schip dat meer dan twaalf passagiers vervoert. Voor de toepassing van [voorschrift 11.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=IV&hoofdstuk=3&artikel=11&z=2024-05-01&g=2024-05-01) wordt onder een „nieuw passagiersschip” verstaan een passagiersschip: Een „bestaand passagiersschip” is een passagiersschip dat geen nieuw passagiersschip is.
- .1. waarvoor het bouwcontract wordt afgesloten of waarvan, bij het ontbreken van een bouwcontract, de kiel wordt gelegd of waarvan de bouw zich in een soortgelijk stadium bevindt op of na 1 juni 2019; of
@@ -6737,7 +6747,7 @@
- .3. niet gebruikt wordt voor het opslaan van sanitair afval tijdens het vervoer; en
- .4. geen voorzieningen heeft die sanitair afval, zoals omschreven in [voorschrift 1.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=IV&hoofdstuk=1&artikel=1&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage, kunnen produceren.
- .4. geen voorzieningen heeft die sanitair afval, zoals omschreven in [voorschrift 1.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=IV&hoofdstuk=1&artikel=1&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage, kunnen produceren.
##### Voorschrift 2. Toepassing
@@ -6751,17 +6761,17 @@
- .4 bestaande schepen met een bruto tonnage van minder dan 400 die gecertificeerd zijn om meer dan 15 personen te vervoeren, vijf jaar na de datum van inwerkingtreding van deze Bijlage.
- 2. De Administratie dient te waarborgen dat bestaande schepen, overeenkomstig de punten 1.3 en 1.4 van dit voorschrift, waarvan de kiel is gelegd of waarvan de bouw zich in een soortgelijk stadium bevond voor 2 oktober 1983 voorzover praktisch uitvoerbaar zijn uitgerust met voorzieningen voor het lozen van sanitair afval in overeenstemming met de vereisten van [voorschrift 11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=IV&hoofdstuk=3&artikel=11&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van de Bijlage.
- 2. De Administratie dient te waarborgen dat bestaande schepen, overeenkomstig de punten 1.3 en 1.4 van dit voorschrift, waarvan de kiel is gelegd of waarvan de bouw zich in een soortgelijk stadium bevond voor 2 oktober 1983 voorzover praktisch uitvoerbaar zijn uitgerust met voorzieningen voor het lozen van sanitair afval in overeenstemming met de vereisten van [voorschrift 11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=IV&hoofdstuk=3&artikel=11&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van de Bijlage.
##### Voorschrift 3. Uitzonderingen en vrijstellingen
- 1. [Voorschrift 11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=IV&hoofdstuk=1&artikel=3&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage en sectie 4.2 van hoofdstuk 4 van deel II-A van de Polar Code zijn niet van toepassing op:
- 1. [Voorschrift 11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=IV&hoofdstuk=1&artikel=3&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage en sectie 4.2 van hoofdstuk 4 van deel II-A van de Polar Code zijn niet van toepassing op:
- .1. het lozen van sanitair afval van een schip dat noodzakelijk is teneinde de veiligheid van een schip en de opvarenden te waarborgen of om mensenlevens op zee te redden; of
- .2. het lozen van sanitair afval als gevolg van schade aan een schip of zijn uitrusting, indien alle redelijke voorzorgsmaatregelen zijn getroffen voor en na het optreden van de schade teneinde de lozing te voorkomen of te beperken.
- 2. De Administratie kan een onbemande lichter zonder eigen voortstuwing (UNSP-lichter) vrijstelling verlenen van de vereisten van [voorschriften 4.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=IV&hoofdstuk=2&artikel=4&z=2024-01-01&g=2024-01-01) en [5.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=IV&hoofdstuk=2&artikel=5&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage door middel van een Internationaal certificaat van vrijstelling voor onbemande lichters zonder eigen voortstuwing (UNSP-lichters) betreffende het voorkomen van verontreiniging door sanitair afval, voor een tijdvak van ten hoogste vijf jaar mits de UNSP-lichter aan een onderzoek is onderworpen om te bevestigen dat aan de in [voorschriften 1.16.1 tot en met 1.16.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=IV&hoofdstuk=1&artikel=1&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage bedoelde vereisten is voldaan.
- 2. De Administratie kan een onbemande lichter zonder eigen voortstuwing (UNSP-lichter) vrijstelling verlenen van de vereisten van [voorschriften 4.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=IV&hoofdstuk=2&artikel=4&z=2024-05-01&g=2024-05-01) en [5.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=IV&hoofdstuk=2&artikel=5&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage door middel van een Internationaal certificaat van vrijstelling voor onbemande lichters zonder eigen voortstuwing (UNSP-lichters) betreffende het voorkomen van verontreiniging door sanitair afval, voor een tijdvak van ten hoogste vijf jaar mits de UNSP-lichter aan een onderzoek is onderworpen om te bevestigen dat aan de in [voorschriften 1.16.1 tot en met 1.16.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=IV&hoofdstuk=1&artikel=1&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage bedoelde vereisten is voldaan.
##### Voorschrift 4. Onderzoeken
@@ -6797,7 +6807,7 @@
##### Voorschrift 5. Afgifte of goedkeuring van een certificaat
- 1. Een Internationaal Certificaat van Voorkoming van Verontreiniging door Sanitair Afval wordt afgegeven na een eerste onderzoek of een hernieuwd onderzoek in overeenstemming met de bepalingen van [voorschrift 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=IV&hoofdstuk=2&artikel=4&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage aan elk schip dat reizen maakt naar havens of losplaatsen buitengaats onder de rechtsmacht van andere Partijen bij het Verdrag. Ten aanzien van bestaande schepen zal dit vereiste vijf jaar na de datum van inwerkingtreding van deze Bijlage van toepassing worden.
- 1. Een Internationaal Certificaat van Voorkoming van Verontreiniging door Sanitair Afval wordt afgegeven na een eerste onderzoek of een hernieuwd onderzoek in overeenstemming met de bepalingen van [voorschrift 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=IV&hoofdstuk=2&artikel=4&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage aan elk schip dat reizen maakt naar havens of losplaatsen buitengaats onder de rechtsmacht van andere Partijen bij het Verdrag. Ten aanzien van bestaande schepen zal dit vereiste vijf jaar na de datum van inwerkingtreding van deze Bijlage van toepassing worden.
- 2. Deze certificaten worden afgegeven of goedgekeurd hetzij door de Administratie, hetzij door een daartoe door haar naar behoren gemachtigde persoon of organisatie1)Zie de door de Organisatie bij resolutie A.739(18) aangenomen Richtlijnen voor de bevoegdverklaring van organisaties die optreden namens Administraties en de door de Organisatie bij resolutie A.789(19) aangenomen Specificaties inzake de onderzoeks- en certificeringsfuncties van erkende organisaties die optreden namens de Administratie.. In alle gevallen neemt de Administratie de volledige verantwoordelijkheid voor het certificaat op zich.
@@ -6807,7 +6817,7 @@
- 2. Een afschrift van het certificaat en een afschrift van het onderzoeksrapport worden zo spoedig mogelijk toegezonden aan de Administratie die om het onderzoek heeft verzocht.
- 3. Een aldus afgegeven certificaat dient een verklaring te bevatten inhoudende dat het is afgegeven op verzoek van de Administratie; het heeft dezelfde geldigheid en wordt op dezelfde wijze erkend als het certificaat dat is afgegeven krachtens [voorschrift 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=IV&hoofdstuk=2&artikel=5&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage.
- 3. Een aldus afgegeven certificaat dient een verklaring te bevatten inhoudende dat het is afgegeven op verzoek van de Administratie; het heeft dezelfde geldigheid en wordt op dezelfde wijze erkend als het certificaat dat is afgegeven krachtens [voorschrift 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=IV&hoofdstuk=2&artikel=5&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage.
- 4. Er wordt geen Internationaal Certificaat van Voorkoming van Verontreiniging door Sanitair Afval of Certificaat van vrijstelling voor UNSP-lichters afgegeven aan een schip dat gerechtigd is de vlag te voeren van een Staat die geen Partij is.
@@ -6839,11 +6849,11 @@
- 7. Onder bijzondere omstandigheden vast te stellen door de Administratie behoeft een nieuw certificaat niet te worden gedateerd vanaf de vervaldatum van het bestaande certificaat zoals bepaald in punt 2.2 onder 5 of 6 van dit voorschrift. Onder deze bijzondere omstandigheden is het nieuwe certificaat geldig tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum van voltooiing van het hernieuwde onderzoek.
- 8. Een certificaat afgegeven uit hoofde van [voorschrift 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=IV&hoofdstuk=2&artikel=5&z=2024-01-01&g=2024-01-01) of [6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=IV&hoofdstuk=2&artikel=6&z=2024-01-01&g=2024-01-01) is niet langer geldig in de volgende gevallen:
- .1 indien de desbetreffende onderzoeken niet zijn afgerond binnen de termijnen vermeld in [voorschrift 4.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=IV&hoofdstuk=2&artikel=4&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage; of
- .2 bij overdracht van het schip onder de vlag van een andere Staat. Er mag uitsluitend een nieuw certificaat worden afgegeven wanneer de Regering die het nieuwe certificaat afgeeft er ten volle van overtuigd is dat het schip volledig voldoet aan de vereisten van de [voorschriften 4.7 en 4.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=IV&hoofdstuk=2&artikel=4&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage. In het geval van een overdracht tussen Partijen zendt de Regering van de Partij wier vlag het schip voordien gerechtigd was te voeren, indien zij daarom wordt verzocht binnen drie maanden nadat de overdracht heeft plaatsgevonden, zo spoedig mogelijk aan de Administratie van de andere Partij afschriften van de certificaten die het schip aan boord had vóór de overdracht en, indien beschikbaar, afschriften van de desbetreffende onderzoeksrapporten.
- 8. Een certificaat afgegeven uit hoofde van [voorschrift 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=IV&hoofdstuk=2&artikel=5&z=2024-05-01&g=2024-05-01) of [6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=IV&hoofdstuk=2&artikel=6&z=2024-05-01&g=2024-05-01) is niet langer geldig in de volgende gevallen:
- .1 indien de desbetreffende onderzoeken niet zijn afgerond binnen de termijnen vermeld in [voorschrift 4.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=IV&hoofdstuk=2&artikel=4&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage; of
- .2 bij overdracht van het schip onder de vlag van een andere Staat. Er mag uitsluitend een nieuw certificaat worden afgegeven wanneer de Regering die het nieuwe certificaat afgeeft er ten volle van overtuigd is dat het schip volledig voldoet aan de vereisten van de [voorschriften 4.7 en 4.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=IV&hoofdstuk=2&artikel=4&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage. In het geval van een overdracht tussen Partijen zendt de Regering van de Partij wier vlag het schip voordien gerechtigd was te voeren, indien zij daarom wordt verzocht binnen drie maanden nadat de overdracht heeft plaatsgevonden, zo spoedig mogelijk aan de Administratie van de andere Partij afschriften van de certificaten die het schip aan boord had vóór de overdracht en, indien beschikbaar, afschriften van de desbetreffende onderzoeksrapporten.
##### Voorschrift 9. Systemen voor sanitair afval
@@ -7115,13 +7125,13 @@
##### Voorschrift 14. Apparatuur voor het filtreren van olie
1. Behoudens het bepaalde in lid 3 van dit voorschrift dient elk schip met een brutotonnage van 400 of meer maar ten hoogste 10.000 te worden uitgerust met apparatuur voor het filtreren van olie die voldoet aan lid 6 van dit voorschrift. Een dergelijk schip dat in overeenstemming met [voorschrift 16.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=3&deel=C&artikel=16&z=2024-01-01&g=2024-01-01) ballastwater dat in brandstofolietanks aan boord wordt gehouden in zee mag lozen, dient aan lid 2 van dit voorschrift te voldoen.
1. Behoudens het bepaalde in lid 3 van dit voorschrift dient elk schip met een brutotonnage van 400 of meer maar ten hoogste 10.000 te worden uitgerust met apparatuur voor het filtreren van olie die voldoet aan lid 6 van dit voorschrift. Een dergelijk schip dat in overeenstemming met [voorschrift 16.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=3&deel=C&artikel=16&z=2024-05-01&g=2024-05-01) ballastwater dat in brandstofolietanks aan boord wordt gehouden in zee mag lozen, dient aan lid 2 van dit voorschrift te voldoen.
2. Behoudens het bepaalde in lid 3 van dit voorschrift dient elk schip met een brutotonnage van 10.000 of meer te worden uitgerust met apparatuur voor het filtreren van olie die voldoet aan lid 7 van dit voorschrift.
3. Schepen zoals hotelschepen, opslagschepen, etc. die stilliggen, behoudens verplaatsingen van deze schepen waarbij geen lading wordt vervoerd, hoeven niet te worden uitgerust met apparatuur voor het filtreren van olie. Dergelijke schepen worden uitgerust met een verzameltank die, ten genoegen van de Administratie, toereikend is voor het volledig aan boord houden van oliehoudend lenswater. Al het oliehoudend lenswater wordt aan boord gehouden om naderhand te worden afgegeven bij de ontvangstinrichtingen.
4. De Administratie waarborgt dat schepen met een brutotonnage van minder dan 400 zijn uitgerust, voor zover praktisch uitvoerbaar, met voorzieningen om olie of oliehoudende mengsels aan boord te houden of deze overeenkomstig de vereisten van [voorschrift 15.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=3&deel=C&artikel=15&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage te lozen.
4. De Administratie waarborgt dat schepen met een brutotonnage van minder dan 400 zijn uitgerust, voor zover praktisch uitvoerbaar, met voorzieningen om olie of oliehoudende mengsels aan boord te houden of deze overeenkomstig de vereisten van [voorschrift 15.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=3&deel=C&artikel=15&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage te lozen.
5. De Administratie kan ontheffing van de vereisten van de leden 1 en 2 van dit voorschrift verlenen:
@@ -7149,7 +7159,7 @@
##### Voorschrift 15. Regeling van het lozen van olie
1. Overeenkomstig de bepalingen van [voorschrift 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=1&artikel=4&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage en de leden 2, 3 en 6 van dit voorschrift, is elke lozing in zee van olie of oliehoudende mengsels door schepen verboden.
1. Overeenkomstig de bepalingen van [voorschrift 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=1&artikel=4&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage en de leden 2, 3 en 6 van dit voorschrift, is elke lozing in zee van olie of oliehoudende mengsels door schepen verboden.
**A. Lozingen buiten bijzondere gebieden uitgezonderd Arctische wateren**
@@ -7157,7 +7167,7 @@
- .1 het schip is onderweg;
- .2 het oliehoudend mengsel wordt behandeld door apparatuur voor het filtreren van olie die voldoet aan de vereisten van [voorschrift 14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=3&deel=B&artikel=14&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage;
- .2 het oliehoudend mengsel wordt behandeld door apparatuur voor het filtreren van olie die voldoet aan de vereisten van [voorschrift 14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=3&deel=B&artikel=14&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage;
- .3 het oliegehalte van het onverdunde effluent bedraagt niet meer dan 15 delen per miljoen;
@@ -7171,7 +7181,7 @@
- .1 het schip vervolgt zijn vaarroute;
- .2 het oliehoudend mengsel wordt behandeld door apparatuur voor het filtreren van olie die voldoet aan de vereisten van [voorschrift 14.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=3&deel=B&artikel=14&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage;
- .2 het oliehoudend mengsel wordt behandeld door apparatuur voor het filtreren van olie die voldoet aan de vereisten van [voorschrift 14.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=3&deel=B&artikel=14&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage;
- .3 het oliegehalte van het onverdunde effluent bedraagt niet meer dan 15 delen per miljoen;
@@ -7205,9 +7215,9 @@
##### Voorschrift 16. Gescheiden houden van olie en waterballast en vervoer van olie in voorpiektanks
1. Behalve zoals bepaald in het tweede lid van dit voorschrift, dient aan boord van schepen opgeleverd na 31 december 1979, als omschreven in [voorschrift 1.28.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=1&artikel=1&z=2024-01-01&g=2024-01-01), met een brutotonnage van 4000 of meer, geen olietankschepen zijnde, en olietankschepen opgeleverd na 31 december 1979, als omschreven in voorschrift 1.28.2, met een brutotonnage van 150 of meer, geen ballastwater in een brandstofolietank te worden vervoerd.
2. Wanneer de noodzaak om grote hoeveelheden brandstofolie te voeren, het meevoeren van ander ballastwater dan schoon ballastwater in een brandstofolietank noodzakelijk maakt, dient dit ballastwater te worden afgegeven aan ontvangstinrichtingen of te worden geloosd in zee in overeenstemming met [voorschrift 15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=3&deel=C&artikel=15&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage met gebruikmaking van de uitrusting omschreven in [voorschrift 14.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=3&deel=B&artikel=14&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage; dit dient te worden aangetekend in het Oliejournaal.
1. Behalve zoals bepaald in het tweede lid van dit voorschrift, dient aan boord van schepen opgeleverd na 31 december 1979, als omschreven in [voorschrift 1.28.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=1&artikel=1&z=2024-05-01&g=2024-05-01), met een brutotonnage van 4000 of meer, geen olietankschepen zijnde, en olietankschepen opgeleverd na 31 december 1979, als omschreven in voorschrift 1.28.2, met een brutotonnage van 150 of meer, geen ballastwater in een brandstofolietank te worden vervoerd.
2. Wanneer de noodzaak om grote hoeveelheden brandstofolie te voeren, het meevoeren van ander ballastwater dan schoon ballastwater in een brandstofolietank noodzakelijk maakt, dient dit ballastwater te worden afgegeven aan ontvangstinrichtingen of te worden geloosd in zee in overeenstemming met [voorschrift 15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=3&deel=C&artikel=15&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage met gebruikmaking van de uitrusting omschreven in [voorschrift 14.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=3&deel=B&artikel=14&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage; dit dient te worden aangetekend in het Oliejournaal.
3. In een schip met een brutotonnage van 400 of meer, waarvoor het bouwcontract is gesloten na 1 januari 1982 of waarvan, bij het ontbreken van een bouwcontract, de kiel is gelegd of dat zich in een soortgelijk stadium van de bouw bevindt na 1 juli 1982, mag geen olie worden vervoerd in een voorpiektank of een voor het aanvaringsschot gelegen tank.
@@ -7215,7 +7225,7 @@
##### Voorschrift 17. Oliejournaal Deel I – Werkzaamheden in machineruimten
1. Elk olietankschip met een brutotonnage van 150 of meer en elk schip, geen olietankschip zijnde, met een brutotonnage van 400 of meer, dient te zijn voorzien van een Oliejournaal Deel I (Werkzaamheden in machineruimten). Het Oliejournaal, hetzij als onderdeel van het scheepsjournaal, als elektronisch journaal dat door de Administratie dient te worden goedgekeurd rekening houdend met de door de Organisatie opgestelde richtlijnen, of anderszins, dient te zijn ingedeeld volgens het model zoals aangegeven in [Aanhangsel III](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=III&z=2024-01-01&g=2024-01-01) bij deze Bijlage.
1. Elk olietankschip met een brutotonnage van 150 of meer en elk schip, geen olietankschip zijnde, met een brutotonnage van 400 of meer, dient te zijn voorzien van een Oliejournaal Deel I (Werkzaamheden in machineruimten). Het Oliejournaal, hetzij als onderdeel van het scheepsjournaal, als elektronisch journaal dat door de Administratie dient te worden goedgekeurd rekening houdend met de door de Organisatie opgestelde richtlijnen, of anderszins, dient te zijn ingedeeld volgens het model zoals aangegeven in [Aanhangsel III](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=III&z=2024-05-01&g=2024-05-01) bij deze Bijlage.
2. Het Oliejournaal Deel I dient, indien nodig voor elke tank afzonderlijk, te worden ingevuld telkens wanneer een van de volgende werkzaamheden aan boord plaatsvindt:
@@ -7229,7 +7239,7 @@
- .5 het laden van brandstofolie of smeerolie in bulk.
3. In het geval van lozing van olie of oliehoudende mengsels als bedoeld in [voorschrift 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=1&artikel=4&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage of in het geval van door ongevallen veroorzaakte of anderszins uitzonderlijke lozingen van olie die niet als uitzondering gelden volgens voornoemd voorschrift, dient in het Oliejournaal Deel I melding te worden gemaakt van de omstandigheden waaronder en de redenen waarom de lozing geschiedde.
3. In het geval van lozing van olie of oliehoudende mengsels als bedoeld in [voorschrift 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=1&artikel=4&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage of in het geval van door ongevallen veroorzaakte of anderszins uitzonderlijke lozingen van olie die niet als uitzondering gelden volgens voornoemd voorschrift, dient in het Oliejournaal Deel I melding te worden gemaakt van de omstandigheden waaronder en de redenen waarom de lozing geschiedde.
4. Elke handeling beschreven in lid 2 van dit voorschrift dient onverwijld volledig te worden vermeld in het Oliejournaal Deel I en wel zodanig dat alle rubrieken in het journaal die betrekking hebben op de handeling worden ingevuld. Elke verrichte handeling dient door de officier of officieren, belast met de leiding over de desbetreffende handeling, te worden ondertekend en elke ingevulde bladzijde of groep van elektronische aantekeningen dient te worden ondertekend door de kapitein van het schip. Op schepen die een Internationaal certificaat van voorkoming van verontreiniging door olie hebben, dienen de aantekeningen in het Oliejournaal Deel I ten minste in de Engelse, de Franse of de Spaanse taal te zijn gesteld. Wanneer de aantekeningen tevens zijn gesteld in een officiële taal van de Staat waarvan het schip gerechtigd is de vlag te voeren, zijn deze doorslaggevend in geval van een geschil of een tegenstrijdigheid.
@@ -7247,7 +7257,7 @@
**Olietankschepen met een draagvermogen van 20.000 ton of meer opgeleverd na 1 juni 1982**
- 1. Elk ruwe-olietankschip met een draagvermogen van 20.000 ton of meer en elk productentankschip met een draagvermogen van 30.000 ton of meer opgeleverd na 1 juni 1982, als omschreven in [voorschrift 1.28.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=1&artikel=1&z=2024-01-01&g=2024-01-01), dient te zijn voorzien van gescheiden-ballasttanks en dient te voldoen aan de leden 2, 3 en 4 of, indien van toepassing, aan lid 5 van dit voorschrift.
- 1. Elk ruwe-olietankschip met een draagvermogen van 20.000 ton of meer en elk productentankschip met een draagvermogen van 30.000 ton of meer opgeleverd na 1 juni 1982, als omschreven in [voorschrift 1.28.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=1&artikel=1&z=2024-05-01&g=2024-05-01), dient te zijn voorzien van gescheiden-ballasttanks en dient te voldoen aan de leden 2, 3 en 4 of, indien van toepassing, aan lid 5 van dit voorschrift.
- 2. De capaciteit van de gescheiden-ballasttanks dient zodanig te worden bepaald dat het schip veilig kan varen tijdens ballastreizen zonder gebruik te hoeven maken van ladingtanks voor ballastwater, behoudens het bepaalde in de leden 3 of 4 van dit voorschrift. In alle gevallen dient de capaciteit van de gescheiden-ballasttanks echter ten minste zodanig te zijn dat in elke ballasttoestand op elk deel van de reis, met inbegrip van de toestand van ledig gewicht plus uitsluitend gescheiden ballast, de diepgang en trim van het schip aan de volgende voorwaarden voldoen:
@@ -7259,27 +7269,27 @@
- .3 de diepgang bij de achterloodlijn dient in geen geval minder te zijn dan noodzakelijk is voor de volledige onderdompeling van de schroef (schroeven).
- 3. Ballastwater dient in geen geval in ladingtanks te worden vervoerd, behalve: Dit extra ballastwater dient te worden behandeld en geloosd volgens het bepaalde in [voorschrift 34](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=4&deel=C&artikel=34&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage en er dient aantekening van te worden gemaakt in het Oliejournaal Deel II zoals bedoeld in [voorschrift 36](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=4&deel=C&artikel=36&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage.
- 3. Ballastwater dient in geen geval in ladingtanks te worden vervoerd, behalve: Dit extra ballastwater dient te worden behandeld en geloosd volgens het bepaalde in [voorschrift 34](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=4&deel=C&artikel=34&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage en er dient aantekening van te worden gemaakt in het Oliejournaal Deel II zoals bedoeld in [voorschrift 36](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=4&deel=C&artikel=36&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage.
- .1 tijdens de zelden voorkomende reizen waarbij de weersomstandigheden dermate slecht zijn dat, naar het oordeel van de kapitein, de veiligheid van het schip vereist dat er extra ballastwater in ladingtanks wordt vervoerd; en
- .2 in uitzonderingsgevallen wanneer de bijzondere aard van de bedrijfsvoering van een olietankschip het noodzakelijk maakt meer ballastwater te vervoeren dan de ingevolge het tweede lid van dit voorschrift vereiste hoeveelheid, mits deze bedrijfsvoering van het olietankschip behoort tot de categorie van de uitzonderingsgevallen bepaald door de Organisatie.
- 4. Wanneer het ruwe-olietankschepen betreft, mag de ingevolge lid 3 van dit voorschrift toegestane extra ballast alleen worden vervoerd in ladingtanks wanneer deze overeenkomstig het bepaalde in [voorschrift 35](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=4&deel=C&artikel=35&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage vóór vertrek uit een loshaven of ligplaats zijn gewassen volgens de ruwe-oliewasmethode.
- 4. Wanneer het ruwe-olietankschepen betreft, mag de ingevolge lid 3 van dit voorschrift toegestane extra ballast alleen worden vervoerd in ladingtanks wanneer deze overeenkomstig het bepaalde in [voorschrift 35](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=4&deel=C&artikel=35&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage vóór vertrek uit een loshaven of ligplaats zijn gewassen volgens de ruwe-oliewasmethode.
- 5. Niettegenstaande de bepalingen van lid 2 van dit voorschrift dienen de gescheiden-ballasttoestanden van olietankschepen met een lengte van minder dan 150 meter ten genoegen van de Administratie te zijn.
**Ruwe-olietankers met een draagvermogen van 40.000 ton of meer, opgeleverd op of voor 1 juni 1982**
- 6. Behoudens het bepaalde in lid 7 van dit voorschrift, dient elk olietankschip met een draagvermogen van 40.000 ton of meer opgeleverd op of voor 1 juni 1982, als omschreven in [voorschrift 1.28.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=1&artikel=1&z=2024-01-01&g=2024-01-01), te zijn voorzien van gescheiden-ballasttanks en te voldoen aan de vereisten van de leden 2 en 3 van dit voorschrift.
- 7. De in lid 6 van dit voorschrift bedoelde ruwe-olietankschepen mogen, in plaats van te zijn voorzien van gescheiden tanks, voor het reinigen van ladingtanks gebruik maken van de ruwe-oliewasmethode overeenkomstig de [voorschriften 33](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=4&deel=B&artikel=33&z=2024-01-01&g=2024-01-01) en [35](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=4&deel=C&artikel=35&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage, tenzij het ruwe-olietankschip bestemd is voor het vervoer van ruwe olie die niet geschikt is voor deze methode van wassen.
- 6. Behoudens het bepaalde in lid 7 van dit voorschrift, dient elk olietankschip met een draagvermogen van 40.000 ton of meer opgeleverd op of voor 1 juni 1982, als omschreven in [voorschrift 1.28.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=1&artikel=1&z=2024-05-01&g=2024-05-01), te zijn voorzien van gescheiden-ballasttanks en te voldoen aan de vereisten van de leden 2 en 3 van dit voorschrift.
- 7. De in lid 6 van dit voorschrift bedoelde ruwe-olietankschepen mogen, in plaats van te zijn voorzien van gescheiden tanks, voor het reinigen van ladingtanks gebruik maken van de ruwe-oliewasmethode overeenkomstig de [voorschriften 33](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=4&deel=B&artikel=33&z=2024-05-01&g=2024-05-01) en [35](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=4&deel=C&artikel=35&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage, tenzij het ruwe-olietankschip bestemd is voor het vervoer van ruwe olie die niet geschikt is voor deze methode van wassen.
**Productentankschepen met een draagvermogen van 40.000 ton of meer, opgeleverd op of voor 1 juni 1982**
- 8. Elk productentankschip met een draagvermogen van 40.000 ton of meer opgeleverd op of voor 1 juni 1982, als omschreven in [voorschrift 1.28.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=1&artikel=1&z=2024-01-01&g=2024-01-01), dient te zijn voorzien van gescheiden-ballasttanks en te voldoen aan de vereisten van de leden 2 en 3 van dit voorschrift, of, naar keuze, gebruik te maken van de aangewezen schone-ballasttankmethode overeenkomstig de volgende bepalingen:
- .1 Het productentankschip dient voldoende tankcapaciteit te bezitten, uitsluitend bestemd voor het vervoeren van schone ballast als omschreven in [voorschrift 1.17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=1&artikel=1&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage, om aan de vereisten van de leden 2 en 3 van dit voorschrift te voldoen.
- 8. Elk productentankschip met een draagvermogen van 40.000 ton of meer opgeleverd op of voor 1 juni 1982, als omschreven in [voorschrift 1.28.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=1&artikel=1&z=2024-05-01&g=2024-05-01), dient te zijn voorzien van gescheiden-ballasttanks en te voldoen aan de vereisten van de leden 2 en 3 van dit voorschrift, of, naar keuze, gebruik te maken van de aangewezen schone-ballasttankmethode overeenkomstig de volgende bepalingen:
- .1 Het productentankschip dient voldoende tankcapaciteit te bezitten, uitsluitend bestemd voor het vervoeren van schone ballast als omschreven in [voorschrift 1.17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=1&artikel=1&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage, om aan de vereisten van de leden 2 en 3 van dit voorschrift te voldoen.
- .2 De voorzieningen en werkwijze voor aangewezen schone-ballasttanks dienen te voldoen aan de door de Administratie vastgestelde vereisten. Deze vereisten omvatten ten minste alle bepalingen van de herziene Specificaties voor olietankschepen met aangewezen schone-ballasttanks, door de Organisatie aangenomen bij resolutie A.495(XII).
@@ -7293,9 +7303,9 @@
**Olietankschepen opgeleverd op of voor 1 juni 1982 met speciale ballastvoorzieningen**
- 10. Olietankschepen opgeleverd op of voor 1 juni 1982, als omschreven in [voorschrift 1.28.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=1&artikel=1&z=2024-01-01&g=2024-01-01), met speciale ballastvoorzieningen.
- .1 Wanneer een olietankschip opgeleverd op of voor 1 juni 1982, als omschreven in [voorschrift 1.28.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=1&artikel=1&z=2024-01-01&g=2024-01-01), zodanig is gebouwd of op een zodanige manier wordt gebruikt dat te allen tijde wordt voldaan aan de vereisten van minimum diepgang en trim zoals aangegeven in lid 2 van dit voorschrift zonder dat ballastwater gebruikt behoeft te worden, wordt de tanker geacht te voldoen aan de vereisten betreffende gescheiden-ballasttanks genoemd in lid 6 van dit voorschrift, mits aan alle navolgende voorwaarden is voldaan:
- 10. Olietankschepen opgeleverd op of voor 1 juni 1982, als omschreven in [voorschrift 1.28.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=1&artikel=1&z=2024-05-01&g=2024-05-01), met speciale ballastvoorzieningen.
- .1 Wanneer een olietankschip opgeleverd op of voor 1 juni 1982, als omschreven in [voorschrift 1.28.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=1&artikel=1&z=2024-05-01&g=2024-05-01), zodanig is gebouwd of op een zodanige manier wordt gebruikt dat te allen tijde wordt voldaan aan de vereisten van minimum diepgang en trim zoals aangegeven in lid 2 van dit voorschrift zonder dat ballastwater gebruikt behoeft te worden, wordt de tanker geacht te voldoen aan de vereisten betreffende gescheiden-ballasttanks genoemd in lid 6 van dit voorschrift, mits aan alle navolgende voorwaarden is voldaan:
- .1 de werkwijzen en ballastvoorzieningen zijn goedgekeurd door de Administratie;
@@ -7303,17 +7313,17 @@
- .3 op het Internationale certificaat van voorkoming van verontreiniging door olie dient te zijn aangetekend dat het olietankschip met speciale ballastvoorzieningen vaart.
- .2 Ballastwater dient in geen geval in olietanks te worden vervoerd behalve tijdens de zelden voorkomende reizen waarbij de weersomstandigheden dermate slecht zijn dat, naar het oordeel van de kapitein, de veiligheid van het schip vereist dat extra ballastwater in ladingtanks wordt vervoerd. Dit extra ballastwater dient te worden behandeld en geloosd volgens het bepaalde in [voorschrift 34](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=4&deel=C&artikel=34&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage en overeenkomstig de vereisten van de [voorschriften 29](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=4&deel=A&artikel=29&z=2024-01-01&g=2024-01-01), [31](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=4&deel=B&artikel=31&z=2024-01-01&g=2024-01-01) en [32](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=4&deel=B&artikel=32&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage; er dient aantekening van te worden gemaakt in het Oliejournaal zoals bedoeld in [voorschrift 36](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=4&deel=C&artikel=36&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage.
- .2 Ballastwater dient in geen geval in olietanks te worden vervoerd behalve tijdens de zelden voorkomende reizen waarbij de weersomstandigheden dermate slecht zijn dat, naar het oordeel van de kapitein, de veiligheid van het schip vereist dat extra ballastwater in ladingtanks wordt vervoerd. Dit extra ballastwater dient te worden behandeld en geloosd volgens het bepaalde in [voorschrift 34](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=4&deel=C&artikel=34&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage en overeenkomstig de vereisten van de [voorschriften 29](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=4&deel=A&artikel=29&z=2024-05-01&g=2024-05-01), [31](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=4&deel=B&artikel=31&z=2024-05-01&g=2024-05-01) en [32](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=4&deel=B&artikel=32&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage; er dient aantekening van te worden gemaakt in het Oliejournaal zoals bedoeld in [voorschrift 36](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=4&deel=C&artikel=36&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage.
- .3 Een Administratie die een aantekening op een certificaat maakt overeenkomstig lid 10.1.3 van dit voorschrift dient de bijzonderheden daarvan mede te delen aan de Organisatie ter verspreiding onder de Partijen bij dit Verdrag.
**Olietankschepen met een draagvermogen van 70.000 ton of meer opgeleverd na 31 december 1979**
- 11. Olietankschepen met een draagvermogen van 70.000 ton of meer opgeleverd na 31 december 1979, als omschreven in [voorschrift 1.28.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=1&artikel=1&z=2024-01-01&g=2024-01-01), dienen te zijn voorzien van gescheiden-ballasttanks en te voldoen aan de leden 2, 3 en 4 of indien van toepassing lid 5 van dit voorschrift.
- 11. Olietankschepen met een draagvermogen van 70.000 ton of meer opgeleverd na 31 december 1979, als omschreven in [voorschrift 1.28.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=1&artikel=1&z=2024-05-01&g=2024-05-01), dienen te zijn voorzien van gescheiden-ballasttanks en te voldoen aan de leden 2, 3 en 4 of indien van toepassing lid 5 van dit voorschrift.
**Beschermende ligging van gescheiden-ballastruimten**
- 12. Beschermende ligging van gescheiden-ballastruimten. Op elk ruwe-olietankschip met een draagvermogen van 20.000 ton of meer en op elk productentankschip met een draagvermogen van 30.000 ton of meer opgeleverd na 1 juni 1982, als omschreven in [voorschrift 1.28.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=1&artikel=1&z=2024-01-01&g=2024-01-01), uitgezonderd de tankschepen die aan voorschrift 19 voldoen, dienen de binnen het ladingtankgedeelte aangebrachte gescheiden-ballasttanks, van de vereiste inhoud die noodzakelijk is om te kunnen voldoen aan de vereisten van lid 2 van dit voorschrift, te zijn geplaatst in overeenstemming met het bepaalde in de leden 13, 14 en 15 van dit voorschrift teneinde een zekere mate van bescherming te bieden tegen het uitstromen van olie ingeval van stranding of aanvaring.
- 12. Beschermende ligging van gescheiden-ballastruimten. Op elk ruwe-olietankschip met een draagvermogen van 20.000 ton of meer en op elk productentankschip met een draagvermogen van 30.000 ton of meer opgeleverd na 1 juni 1982, als omschreven in [voorschrift 1.28.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=1&artikel=1&z=2024-05-01&g=2024-05-01), uitgezonderd de tankschepen die aan voorschrift 19 voldoen, dienen de binnen het ladingtankgedeelte aangebrachte gescheiden-ballasttanks, van de vereiste inhoud die noodzakelijk is om te kunnen voldoen aan de vereisten van lid 2 van dit voorschrift, te zijn geplaatst in overeenstemming met het bepaalde in de leden 13, 14 en 15 van dit voorschrift teneinde een zekere mate van bescherming te bieden tegen het uitstromen van olie ingeval van stranding of aanvaring.
- 13. Gescheiden-ballasttanks en ruimten binnen het ladingtankgedeelte (Lt), geen olietanks zijnde, dienen zodanig te zijn geplaatst dat aan de volgende eisen wordt voldaan: waarbij: Waar in dit voorschrift de in dit lid vermelde symbolen voorkomen, hebben zij de betekenis als omschreven in dit lid.
@@ -7321,7 +7331,7 @@
| --- | --- | --- |
| PAs | = | voor elke zodanige tank of ruimte, de horizontale projectie van het oppervlak van de vlakbeplating van de huid, gemeten naar de mal in m2, |
| Lt | = | lengte tussen het voorste en achterste begrenzingsschot van de ladingtanks in m, |
| B | = | grootste breedte van het schip in m, als omschreven in [voorschrift 1.22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=1&artikel=1&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage, |
| B | = | grootste breedte van het schip in m, als omschreven in [voorschrift 1.22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=1&artikel=1&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage, |
| D | = | holte naar de mal, verticaal gemeten van de bovenzijde van de kiel tot de bovenzijde van de balken van het vrijboorddek in de zijde in m. Bij schepen waar de overgang van de huidbeplating naar de dekbeplating als een rondgezette plaat is uitgevoerd dient de holte naar de mal te worden gemeten tot het snijpunt van de doorgestrookte lijn van de bovenzijde van de balken met de doorgestrookte lijn van de buitenkant van de spanten. |
| J | = | 0,45 voor olietankschepen met een draagvermogen van 20.000 ton; 0,30 voor olietankschepen met een draagvermogen van 200.000 ton of meer, behoudens het bepaalde in lid 14 van dit voorschrift. Voor tussengelegen waarden van het draagvermogen dient de waarde van J door lineaire interpolatie te worden bepaald. |
@@ -7334,9 +7344,9 @@
| | | |
| Voor tussengelegen waarden van het draagvermogen dient de waarde van **a** door lineaire interpolatie te worden bepaald. | Voor tussengelegen waarden van het draagvermogen dient de waarde van **a** door lineaire interpolatie te worden bepaald. | Voor tussengelegen waarden van het draagvermogen dient de waarde van **a** door lineaire interpolatie te worden bepaald. |
| | | |
| Oc | = | als omschreven in [voorschrift 25.1.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=4&deel=A&artikel=25&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage, |
| Os | = | als omschreven in [voorschrift 25.1.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=4&deel=A&artikel=25&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage, |
| OA | = | de toelaatbare uitstroom zoals voorgeschreven in [voorschrift 26.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=4&deel=A&artikel=26&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage. |
| Oc | = | als omschreven in [voorschrift 25.1.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=4&deel=A&artikel=25&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage, |
| Os | = | als omschreven in [voorschrift 25.1.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=4&deel=A&artikel=25&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage, |
| OA | = | de toelaatbare uitstroom zoals voorgeschreven in [voorschrift 26.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=4&deel=A&artikel=26&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage. |
- 15. Bij de vaststelling van de waarden van PAc en PAs voor gescheiden-ballasttanks en –ruimten, geen olietanks zijnde, is het volgende van toepassing: De kleinste breedte en hoogte van zijtanks en dubbele-bodemtanks dienen te worden gemeten buiten de kimronding; de kleinste breedte dient, indien bij de overgang van huidbeplating naar dekbeplating een rondgezette plaat wordt toegepast, te worden gemeten buiten het gebied van deze rondgezette plaat.
@@ -7346,13 +7356,13 @@
##### Voorschrift 19. Vereisten inzake dubbele wand en dubbele bodem voor olietankschepen opgeleverd op of na 6 juli 1996
1. Dit voorschrift is als volgt van toepassing op olietankschepen met een draagvermogen van 600 ton of meer opgeleverd op of na 6 juli 1996, als omschreven in [voorschrift 1.28.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=1&artikel=1&z=2024-01-01&g=2024-01-01):
1. Dit voorschrift is als volgt van toepassing op olietankschepen met een draagvermogen van 600 ton of meer opgeleverd op of na 6 juli 1996, als omschreven in [voorschrift 1.28.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=1&artikel=1&z=2024-05-01&g=2024-05-01):
2. Elk olietankschip met een draagvermogen van 5000 ton of meer dient:
- .1 in plaats van aan de [leden 12 tot en met 15 van voorschrift 18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=4&deel=A&artikel=18&z=2024-01-01&g=2024-01-01), al naar gelang van toepassing, te voldoen aan de vereisten van lid 3 van dit voorschrift, tenzij het onder de bepalingen van de leden 4 en 5 van dit voorschrift valt; en
- .2 indien van toepassing, te voldoen aan de vereisten van [voorschrift 28.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=4&deel=A&artikel=28&z=2024-01-01&g=2024-01-01).
- .1 in plaats van aan de [leden 12 tot en met 15 van voorschrift 18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=4&deel=A&artikel=18&z=2024-05-01&g=2024-05-01), al naar gelang van toepassing, te voldoen aan de vereisten van lid 3 van dit voorschrift, tenzij het onder de bepalingen van de leden 4 en 5 van dit voorschrift valt; en
- .2 indien van toepassing, te voldoen aan de vereisten van [voorschrift 28.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=4&deel=A&artikel=28&z=2024-05-01&g=2024-05-01).
3. De gehele lengte van het ladingtankgedeelte dient als volgt te worden beschermd door ballasttanks of -ruimten niet zijnde olietanks:
@@ -7362,7 +7372,7 @@
- .3 Het gebied van de ronding van de kim of plaatsen zonder duidelijk afgebakende ronding van de kim Wanneer de afstanden h en w verschillen, wordt de afstand w aangehouden op niveaus hoger dan 1,5 h boven de basislijn, zoals weergegeven in figuur 1.
- .4 De totale capaciteit van ballasttanks Op ruwe-olietankschepen met een draagvermogen van 20.000 ton of meer en productentankschepen met een draagvermogen van 30.000 ton of meer, dient de totale capaciteit van de zijtanks, de dubbele-bodemtanks, de voorpiektanks en de achterpiektanks niet minder te zijn dan de capaciteit van de gescheiden-ballasttanks die nodig is om te voldoen aan de vereisten van [voorschrift 18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=4&deel=A&artikel=18&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage. Zijtanks of –ruimten en dubbele-bodemtanks die worden gebruikt om te voldoen aan de vereisten van voorschrift 18 dienen zo gelijkmatig als praktisch mogelijk is langs de lengte van het ladingtankgedeelte te zijn geplaatst. Aanvullende capaciteit voor gescheiden ballast ten behoeve van het verminderen van de langsscheepse buigspanningen in de romp, de trim, enz. mag op elke plaats in het schip gesitueerd zijn.
- .4 De totale capaciteit van ballasttanks Op ruwe-olietankschepen met een draagvermogen van 20.000 ton of meer en productentankschepen met een draagvermogen van 30.000 ton of meer, dient de totale capaciteit van de zijtanks, de dubbele-bodemtanks, de voorpiektanks en de achterpiektanks niet minder te zijn dan de capaciteit van de gescheiden-ballasttanks die nodig is om te voldoen aan de vereisten van [voorschrift 18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=4&deel=A&artikel=18&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage. Zijtanks of –ruimten en dubbele-bodemtanks die worden gebruikt om te voldoen aan de vereisten van voorschrift 18 dienen zo gelijkmatig als praktisch mogelijk is langs de lengte van het ladingtankgedeelte te zijn geplaatst. Aanvullende capaciteit voor gescheiden ballast ten behoeve van het verminderen van de langsscheepse buigspanningen in de romp, de trim, enz. mag op elke plaats in het schip gesitueerd zijn.
- .5 Zuigputten in ladingtanks Zuigputten in ladingtanks kunnen uitsteken in de dubbele bodem onder de grenslijn die wordt bepaald door de afstand h, op voorwaarde dat die putten zo klein zijn als praktisch mogelijk is en de afstand tussen de bodem van de put en de vlakbeplating niet minder bedraagt dan 0,5 h.
@@ -7401,11 +7411,11 @@
- 1. Tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald, is dit voorschrift:
- .1 van toepassing op olietankschepen met een draagvermogen van 5000 ton of meer opgeleverd voor 6 juli 1996, als omschreven in [voorschrift 1.28.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=1&artikel=1&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage; en
- .2 niet van toepassing op olietankschepen die met betrekking tot lid 28.7 voldoen aan [voorschrift 19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=4&deel=A&artikel=19&z=2024-01-01&g=2024-01-01) en [voorschrift 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=4&deel=A&artikel=28&z=2024-01-01&g=2024-01-01), die zijn opgeleverd voor 6 juli 1996, als omschreven in [voorschrift 1.28.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=1&artikel=1&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage; en
- .3 niet van toepassing op onder onderdeel 1 hierboven vallende olietankschepen die voldoen aan de [voorschriften 19.3.1 en 19.3.2 of 19.4 of 19.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=4&deel=A&artikel=19&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage, zij het dat niet in alle opzichten behoeft te worden voldaan aan het vereiste betreffende de minimum afstanden tussen de begrenzing van de ladingtank en de huid- en vlakbeplating van het schip. In dat geval mogen de afstanden voor de bescherming van de scheepshuid niet minder bedragen dan de afstanden die in de International Bulk Chemical Code worden genoemd voor de plaatsing van ladingtanks van type 2 en dient de bescherming van het vlak te voldoen aan [voorschrift 18.15.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=4&deel=A&artikel=18&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage.
- .1 van toepassing op olietankschepen met een draagvermogen van 5000 ton of meer opgeleverd voor 6 juli 1996, als omschreven in [voorschrift 1.28.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=1&artikel=1&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage; en
- .2 niet van toepassing op olietankschepen die met betrekking tot lid 28.7 voldoen aan [voorschrift 19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=4&deel=A&artikel=19&z=2024-05-01&g=2024-05-01) en [voorschrift 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=4&deel=A&artikel=28&z=2024-05-01&g=2024-05-01), die zijn opgeleverd voor 6 juli 1996, als omschreven in [voorschrift 1.28.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=1&artikel=1&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage; en
- .3 niet van toepassing op onder onderdeel 1 hierboven vallende olietankschepen die voldoen aan de [voorschriften 19.3.1 en 19.3.2 of 19.4 of 19.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=4&deel=A&artikel=19&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage, zij het dat niet in alle opzichten behoeft te worden voldaan aan het vereiste betreffende de minimum afstanden tussen de begrenzing van de ladingtank en de huid- en vlakbeplating van het schip. In dat geval mogen de afstanden voor de bescherming van de scheepshuid niet minder bedragen dan de afstanden die in de International Bulk Chemical Code worden genoemd voor de plaatsing van ladingtanks van type 2 en dient de bescherming van het vlak te voldoen aan [voorschrift 18.15.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=4&deel=A&artikel=18&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage.
- 2. Voor de toepassing van dit voorschrift wordt verstaan onder:
@@ -7415,13 +7425,13 @@
- 3. Voor de toepassing van dit voorschrift worden olietankschepen onderverdeeld in de volgende categorieën:
- .1 „olietankschepen van categorie 1”: olietankschepen met een draagvermogen van 20.000 ton of meer die ruwe olie, brandstofolie, zware dieselolie of smeerolie als lading vervoeren, en met een draagvermogen van 30.000 ton of meer die andere dan bovengenoemde olie vervoeren en die niet voldoen aan de vereisten voor olietankschepen opgeleverd na 1 juni 1982, als omschreven in [voorschrift 1.28.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=1&artikel=1&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage;
- .2 „olietankschepen van categorie 2”: olietankschepen met een draagvermogen van 20.000 ton of meer die ruwe olie, brandstofolie, zware dieselolie of smeerolie als lading vervoeren, en met een draagvermogen van 30.000 ton of meer die andere dan bovengenoemde olie vervoeren en die voldoen aan de vereisten voor olietankschepen opgeleverd na 1 juni 1982, als omschreven in [voorschrift 1.28.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=1&artikel=1&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage; en
- .1 „olietankschepen van categorie 1”: olietankschepen met een draagvermogen van 20.000 ton of meer die ruwe olie, brandstofolie, zware dieselolie of smeerolie als lading vervoeren, en met een draagvermogen van 30.000 ton of meer die andere dan bovengenoemde olie vervoeren en die niet voldoen aan de vereisten voor olietankschepen opgeleverd na 1 juni 1982, als omschreven in [voorschrift 1.28.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=1&artikel=1&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage;
- .2 „olietankschepen van categorie 2”: olietankschepen met een draagvermogen van 20.000 ton of meer die ruwe olie, brandstofolie, zware dieselolie of smeerolie als lading vervoeren, en met een draagvermogen van 30.000 ton of meer die andere dan bovengenoemde olie vervoeren en die voldoen aan de vereisten voor olietankschepen opgeleverd na 1 juni 1982, als omschreven in [voorschrift 1.28.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=1&artikel=1&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage; en
- .3 „olietankschepen van categorie 3”: olietankschepen met een draagvermogen van 5000 ton of meer, maar minder dan vermeld in de onderdelen 1 of 2 van dit lid.
- 4. Olietankschepen waarop dit voorschrift van toepassing is dienen uiterlijk op 5 april 2005 of op de verjaardatum van hun oplevering op de datum of in het jaar zoals vermeld in de onderstaande tabel, te voldoen aan de vereisten van [voorschrift 19, de leden 2 tot en met 5, 7 en 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=4&deel=A&artikel=19&z=2024-01-01&g=2024-01-01) en [voorschrift 28 met betrekking tot lid 28.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=4&deel=A&artikel=28&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage:
- 4. Olietankschepen waarop dit voorschrift van toepassing is dienen uiterlijk op 5 april 2005 of op de verjaardatum van hun oplevering op de datum of in het jaar zoals vermeld in de onderstaande tabel, te voldoen aan de vereisten van [voorschrift 19, de leden 2 tot en met 5, 7 en 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=4&deel=A&artikel=19&z=2024-05-01&g=2024-05-01) en [voorschrift 28 met betrekking tot lid 28.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=4&deel=A&artikel=28&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage:
| **Categorie olietankschepen** | **Datum of jaar** |
| --- | --- |
@@ -7438,7 +7448,7 @@
- .4 de schepen uiterlijk in de vaart blijven tot de datum waarop zij 25 jaar oud zijn, te rekenen vanaf de datum van oplevering.
- 6. Olietankschepen van categorie 2 of 3 die 15 jaar of ouder zijn, te rekenen vanaf de datum van oplevering, dienen te voldoen aan de keuringsregeling scheepvaart aangenomen door de Commissie voor de bescherming van het mariene milieu bij resolutie MEPC.94(46), als gewijzigd, mits deze wijzigingen worden aangenomen, in werking worden gesteld en van kracht worden in overeenstemming met de bepalingen van [artikel 16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&artikel=16&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van dit Verdrag inzake wijzigingsprocedures die van toepassing zijn op een aanhangsel bij een bijlage.
- 6. Olietankschepen van categorie 2 of 3 die 15 jaar of ouder zijn, te rekenen vanaf de datum van oplevering, dienen te voldoen aan de keuringsregeling scheepvaart aangenomen door de Commissie voor de bescherming van het mariene milieu bij resolutie MEPC.94(46), als gewijzigd, mits deze wijzigingen worden aangenomen, in werking worden gesteld en van kracht worden in overeenstemming met de bepalingen van [artikel 16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&artikel=16&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van dit Verdrag inzake wijzigingsprocedures die van toepassing zijn op een aanhangsel bij een bijlage.
- 7. De Administratie kan toestaan dat een olietankschip van categorie 2 of 3 in de vaart blijft na de in lid 4 van dit voorschrift vermelde datum, indien bevredigende resultaten van de keuringsregeling scheepvaart, naar het oordeel van de Administratie, rechtvaardigen dat het schip in de vaart blijft, mits dat uiterlijk duurt tot de verjaardatum van de oplevering van het schip in 2015 of de datum waarop het schip 25 jaar oud is, te rekenen vanaf de datum van oplevering, naar gelang van welke datum het eerst bereikt wordt.
@@ -9030,7 +9040,7 @@
##### Voorschrift 40. Werkingssfeer
1. De voorschriften vervat in dit hoofdstuk zijn van toepassing op olietankschepen met een brutotonnage van 150 ton of meer die betrokken zijn bij het overpompen van ladingolie tussen olietankschepen op zee (ship-to-ship (STS)-operaties) en hun STS-operaties uitgevoerd op of na 1 april 2012. STS-operaties die echter voor deze datum, maar na goedkeuring door de Administratie van het plan voor STS-operaties, vereist krachtens [voorschrift 41.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=8&artikel=41&z=2024-01-01&g=2024-01-01), worden uitgevoerd, dienen voor zover mogelijk overeen te stemmen met het plan voor STS-operaties.
1. De voorschriften vervat in dit hoofdstuk zijn van toepassing op olietankschepen met een brutotonnage van 150 ton of meer die betrokken zijn bij het overpompen van ladingolie tussen olietankschepen op zee (ship-to-ship (STS)-operaties) en hun STS-operaties uitgevoerd op of na 1 april 2012. STS-operaties die echter voor deze datum, maar na goedkeuring door de Administratie van het plan voor STS-operaties, vereist krachtens [voorschrift 41.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=8&artikel=41&z=2024-05-01&g=2024-05-01), worden uitgevoerd, dienen voor zover mogelijk overeen te stemmen met het plan voor STS-operaties.
2. De voorschriften vervat in dit hoofdstuk zijn niet van toepassing op het overpompen van olie in het geval van vaste of drijvende platforms, met inbegrip van boorinstallaties, drijvende productie-, opslag- en overslageenheden (FPSO's) die buitengaats worden gebruikt voor de productie en opslag van olie, en drijvende opslageenheden (FSU's) die worden gebruikt voor de opslag buitengaats van geproduceerde olie.
@@ -9070,7 +9080,7 @@
- .6. naam van de bij de STS-operaties betrokken dienstverlener of persoon belast met advisering en algeheel toezicht en contactgegevens; en
- .7. bevestiging dat de olietanker een plan voor STS-operaties aan boord heeft dat aan de vereisten van [voorschrift 41](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=8&artikel=41&z=2024-01-01&g=2024-01-01) voldoet.
- .7. bevestiging dat de olietanker een plan voor STS-operaties aan boord heeft dat aan de vereisten van [voorschrift 41](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=8&artikel=41&z=2024-05-01&g=2024-05-01) voldoet.
3. Indien de verwachte tijd van aankomst van een olietankschip op de locatie of in het gebied waar de STS-operaties zullen plaatsvinden meer dan zes uur verschuift, dient de kapitein, reder of scheepsagent van het olietankschip de aangepaste verwachte tijd van aankomst door te geven aan de partij bij dit Verdrag die in het eerste lid van dit voorschrift wordt genoemd.
@@ -10434,7 +10444,7 @@
- .3. bitumen, teer en emulsies van deze producten,
verboden in het Antarctisch gebied, zoals omschreven in [Bijlage I, voorschrift 1.11.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=1&artikel=1&z=2024-01-01&g=2024-01-01).
verboden in het Antarctisch gebied, zoals omschreven in [Bijlage I, voorschrift 1.11.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=1&artikel=1&z=2024-05-01&g=2024-05-01).
2. Indien eerdere operationele handelingen het vervoer of het gebruik van de in paragraaf 1.1 tot en met 1.3 van dit voorschrift genoemde olieproducten hebben ingehouden, is het reinigen of spoelen van de tanks of pijpleidingen niet vereist.
@@ -15042,7 +15052,7 @@
- 1. wordt onder **Polar Code** verstaan de Internationale Code voor schepen die in polaire wateren varen, bestaande uit een inleiding en de delen I-A en II-A en I-B en II-B, zoals aangenomen bij de resoluties MSC.385(94) en MEPC.264(68), zoals eventueel gewijzigd, op voorwaarde dat:
- .1. wijzigingen van de op het milieu betrekking hebbende bepalingen van de inleiding en hoofdstuk 1 van deel II-A van de Polar Code worden aangenomen, in werking worden gesteld en van kracht worden in overeenstemming met de bepalingen van [artikel 16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&artikel=16&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van dit Verdrag inzake de wijzigingsprocedures die van toepassing zijn op een aanhangsel bij een bijlage; en
- .1. wijzigingen van de op het milieu betrekking hebbende bepalingen van de inleiding en hoofdstuk 1 van deel II-A van de Polar Code worden aangenomen, in werking worden gesteld en van kracht worden in overeenstemming met de bepalingen van [artikel 16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&artikel=16&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van dit Verdrag inzake de wijzigingsprocedures die van toepassing zijn op een aanhangsel bij een bijlage; en
- .2. wijzigingen van deel II-B van de Polar Code worden aangenomen door de Commissie voor de Bescherming van het Mariene Milieu in overeenstemming met haar reglement van orde.
@@ -16664,7 +16674,7 @@
- 3. nieuw of bestaand schip dat een belangrijke wijziging heeft ondergaan die zo omvangrijk is dat het schip door de Administratie wordt beschouwd als een nieuw gebouwd schip
dat onder een of meer van de categorieën van de [voorschriften 2.2.5, 2.2.7, 2.2.9, 2.2.11, 2.2.14 tot en met 2.2.16, 2.2.22, en 2.2.26 tot en met 2.2.29](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=1&artikel=2&z=2024-01-01&g=2024-01-01) valt en waarop dit Hoofdstuk van toepassing is, is de bereikte EEDI als volgt:
dat onder een of meer van de categorieën van de [voorschriften 2.2.5, 2.2.7, 2.2.9, 2.2.11, 2.2.14 tot en met 2.2.16, 2.2.22, en 2.2.26 tot en met 2.2.29](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=1&artikel=2&z=2024-05-01&g=2024-05-01) valt en waarop dit Hoofdstuk van toepassing is, is de bereikte EEDI als volgt:
waarbij X de in tabel 1 vermelde reductiefactor is voor de vereiste EEDI ten opzichte van de EEDI-referentielijn.
@@ -16702,7 +16712,7 @@
1) De reductiefactor dient lineair te worden geïnterpoleerd uit de twee waarden, afhankelijk van de omvang van het schip. De laagste waarde van de reductiefactor dient te worden toegepast op het schip met de kleinste omvang.
2) De reductiefactor is van toepassing op schepen die op of na 1 september 2019 worden opgeleverd, zoals omschreven in [paragraaf 2.1 van voorschrift 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=1&artikel=2&z=2024-01-01&g=2024-01-01).
2) De reductiefactor is van toepassing op schepen die op of na 1 september 2019 worden opgeleverd, zoals omschreven in [paragraaf 2.1 van voorschrift 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=1&artikel=2&z=2024-05-01&g=2024-05-01).
3) Fase 1 begint voor deze schepen op 15 september 2015.
@@ -16747,7 +16757,7 @@
- 2. elk schip dat een belangrijke wijziging heeft ondergaan
dat onder een of meer van de categorieën van de [voorschriften 2.2.5, 2.2.7, 2.2.9, 2.2.11, 2.2.14 tot en met 2.2.16, 2.2.22, en 2.2.26 tot en met 2.2.29](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=1&artikel=2&z=2024-01-01&g=2024-01-01) valt en waarop dit Hoofdstuk van toepassing is, is de bereikte EEXI als volgt:
dat onder een of meer van de categorieën van de [voorschriften 2.2.5, 2.2.7, 2.2.9, 2.2.11, 2.2.14 tot en met 2.2.16, 2.2.22, en 2.2.26 tot en met 2.2.29](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=1&artikel=2&z=2024-05-01&g=2024-05-01) valt en waarop dit Hoofdstuk van toepassing is, is de bereikte EEXI als volgt:
waarbij Y de in tabel 3 vermelde reductiefactor is voor de vereiste EEXI ten opzichte van de EEDI-referentielijn.
@@ -16785,9 +16795,9 @@
1) De reductiefactor dient lineair te worden geïnterpoleerd tussen de twee waarden, afhankelijk van de omvang van het schip. De laagste waarde van de reductiefactor dient te worden toegepast op het schip met de kleinste omvang.
2. De waarden van de EEDI referentielijn dienen te worden berekend overeenkomstig [voorschriften 24.3 en 24.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=4&artikel=24&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage. Voor rorovrachtschepen en roropassagiersschepen wordt verwezen naar de referentielijnwaarde die vanaf fase 2 en verder overeenkomstig voorschrift 24.3 van deze Bijlage moet worden gebruikt.
3. Uiterlijk op 1 januari 2026 wordt door de Organisatie een toetsing voltooid om de doeltreffendheid van dit voorschrift te beoordelen, rekening houdend met eventuele door de Organisatie ontwikkelde richtlijnen. Indien de Partijen op basis van de toetsing besluiten wijzigingen van dit voorschrift aan te nemen, worden zij aangenomen en treden zij in werking in overeenstemming met de in [artikel 16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&artikel=16&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van dit Verdrag vervatte bepalingen.
2. De waarden van de EEDI referentielijn dienen te worden berekend overeenkomstig [voorschriften 24.3 en 24.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=4&artikel=24&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage. Voor rorovrachtschepen en roropassagiersschepen wordt verwezen naar de referentielijnwaarde die vanaf fase 2 en verder overeenkomstig voorschrift 24.3 van deze Bijlage moet worden gebruikt.
3. Uiterlijk op 1 januari 2026 wordt door de Organisatie een toetsing voltooid om de doeltreffendheid van dit voorschrift te beoordelen, rekening houdend met eventuele door de Organisatie ontwikkelde richtlijnen. Indien de Partijen op basis van de toetsing besluiten wijzigingen van dit voorschrift aan te nemen, worden zij aangenomen en treden zij in werking in overeenstemming met de in [artikel 16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&artikel=16&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van dit Verdrag vervatte bepalingen.
##### 1. Doelstellingen
@@ -16875,11 +16885,11 @@
- 2. elk schip dat een belangrijke wijziging heeft ondergaan
dat onder een of meer van de categorieën van de [voorschriften 2.2.5, 2.2.7, 2.2.9, 2.2.11, 2.2.14 tot en met 2.2.16, 2.2.22, en 2.2.26 tot en met 2.2.29](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=1&artikel=2&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage valt. De bereikte EEXI dient voor elk afzonderlijk schip te worden berekend en dient te vermelden wat de geschatte prestatie van het schip is in termen van energie-efficiëntie, en dient vergezeld te gaan van het technisch dossier van de EEXI waarin de informatie staat die nodig is voor het berekenen van de bereikte EEXI alsmede de uitgevoerde berekening zelf. De bereikte EEXI dient te worden geverifieerd aan de hand van het technisch dossier bij de EEXI, hetzij door de Administratie hetzij door een door haar naar behoren gemachtigde organisatie.
dat onder een of meer van de categorieën van de [voorschriften 2.2.5, 2.2.7, 2.2.9, 2.2.11, 2.2.14 tot en met 2.2.16, 2.2.22, en 2.2.26 tot en met 2.2.29](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=1&artikel=2&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage valt. De bereikte EEXI dient voor elk afzonderlijk schip te worden berekend en dient te vermelden wat de geschatte prestatie van het schip is in termen van energie-efficiëntie, en dient vergezeld te gaan van het technisch dossier van de EEXI waarin de informatie staat die nodig is voor het berekenen van de bereikte EEXI alsmede de uitgevoerde berekening zelf. De bereikte EEXI dient te worden geverifieerd aan de hand van het technisch dossier bij de EEXI, hetzij door de Administratie hetzij door een door haar naar behoren gemachtigde organisatie.
2. De bereikte EEXI wordt berekend aan de hand van de door de Organisatie opgestelde richtlijnen.
3. Onverminderd paragraaf 1 van dit voorschrift mag voor elk schip waarop [voorschrift 22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=4&artikel=22&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage van toepassing is, de bereikte EEDI die is geverifieerd door de Administratie of een door haar naar behoren gemachtigde organisatie overeenkomstig voorschrift 22.1 van deze Bijlage, worden opgevat als de bereikte EEXI, indien de waarde van de bereikte EEDI gelijk is aan of lager is dan die van de vereiste EEXI, zoals vereist bij [voorschrift 25](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=4&artikel=25&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage. In dit geval wordt de bereikte EEXI geverifieerd op basis van het technisch dossier bij de EEDI.
3. Onverminderd paragraaf 1 van dit voorschrift mag voor elk schip waarop [voorschrift 22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=4&artikel=22&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage van toepassing is, de bereikte EEDI die is geverifieerd door de Administratie of een door haar naar behoren gemachtigde organisatie overeenkomstig voorschrift 22.1 van deze Bijlage, worden opgevat als de bereikte EEXI, indien de waarde van de bereikte EEDI gelijk is aan of lager is dan die van de vereiste EEXI, zoals vereist bij [voorschrift 25](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=4&artikel=25&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage. In dit geval wordt de bereikte EEXI geverifieerd op basis van het technisch dossier bij de EEDI.
### HOOFDSTUK 5. VERIFICATIE VAN DE NALEVING VAN DE BEPALINGEN VAN DEZE BIJLAGE
@@ -17087,11 +17097,11 @@
##### Voorschrift 43a. Bijzondere vereisten voor het gebruik en het vervoer van olie als brandstof in Arctische wateren
1. Met uitzondering van schepen die ingezet worden bij het waarborgen van de veiligheid van schepen of bij een opsporings- en reddingsoperatie, en parate schepen bestemd voor de bestrijding van olielekkages, is het gebruik en vervoer van de olieproducten vermeld in [voorschrift 43.1.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=9&artikel=43&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage als brandstof voor schepen verboden in Arctische wateren, zoals omschreven in [voorschrift 46.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=11&artikel=46&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage, op of na 1 juli 2024.
2. Niettegenstaande de bepalingen van paragraaf 1 van dit voorschrift, is voor schepen waarop [voorschrift 12A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=3&deel=A&artikel=12A&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage of voorschrift 1.2.1 van hoofdstuk 1 van deel II-A van de Polar Code van toepassing is, het gebruik en vervoer van in [voorschrift 43.1.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=9&artikel=43&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage genoemde olieproducten als brandstof voor deze schepen verboden in Arctische wateren, zoals omschreven in [voorschrift 46.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=11&artikel=46&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage, op of na 1 juli 2029.
3. Indien voorgaande activiteiten gepaard gingen met het gebruik en vervoer van de in [voorschrift 43.1.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=9&artikel=43&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage genoemde olieproducten als brandstof, is het reinigen of spoelen van de tanks of pijpleidingen niet vereist.
1. Met uitzondering van schepen die ingezet worden bij het waarborgen van de veiligheid van schepen of bij een opsporings- en reddingsoperatie, en parate schepen bestemd voor de bestrijding van olielekkages, is het gebruik en vervoer van de olieproducten vermeld in [voorschrift 43.1.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=9&artikel=43&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage als brandstof voor schepen verboden in Arctische wateren, zoals omschreven in [voorschrift 46.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=11&artikel=46&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage, op of na 1 juli 2024.
2. Niettegenstaande de bepalingen van paragraaf 1 van dit voorschrift, is voor schepen waarop [voorschrift 12A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=3&deel=A&artikel=12A&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage of voorschrift 1.2.1 van hoofdstuk 1 van deel II-A van de Polar Code van toepassing is, het gebruik en vervoer van in [voorschrift 43.1.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=9&artikel=43&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage genoemde olieproducten als brandstof voor deze schepen verboden in Arctische wateren, zoals omschreven in [voorschrift 46.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=11&artikel=46&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage, op of na 1 juli 2029.
3. Indien voorgaande activiteiten gepaard gingen met het gebruik en vervoer van de in [voorschrift 43.1.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=9&artikel=43&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage genoemde olieproducten als brandstof, is het reinigen of spoelen van de tanks of pijpleidingen niet vereist.
4. Niettegenstaande de bepalingen van de paragrafen 1 en 2 van dit voorschrift, kan de Administratie van een Partij bij dit Verdrag waarvan de kustlijn aan de Arctische wateren grenst tijdelijk ontheffing verlenen van de vereisten van paragraaf 1 van dit voorschrift voor schepen die de vlag voeren van die Partij die opereren in wateren die onder de soevereiniteit of de rechtsmacht van die Partij vallen, rekening houdend met de door de Organisatie op te stellen richtlijnen. Geen enkele ontheffing die ingevolge deze paragraaf is verleend is meer van toepassing op of na 1 juli 2029.
@@ -17099,19 +17109,19 @@
##### Voorschrift 7. Onderzoek van en afgifte van een certificaat aan chemicaliëntankschepen
Chemicaliëntankschepen die zijn onderzocht en waaraan een certificaat is afgegeven door Staten die Partij bij dit Verdrag zijn, overeenkomstig de bepalingen van de IBC-Code of de Code voor chemicaliën in bulk, al naar gelang van toepassing, worden niettegenstaande het bepaalde in de [voorschriften 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=II&hoofdstuk=3&artikel=8&z=2024-01-01&g=2024-01-01), [9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=II&hoofdstuk=3&artikel=9&z=2024-01-01&g=2024-01-01) en [10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=II&hoofdstuk=3&artikel=10&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage geacht te hebben voldaan aan het bepaalde in de genoemde voorschriften, en het krachtens deze Code afgegeven certificaat heeft dezelfde waarde en moet op dezelfde wijze worden erkend als het krachtens het bepaalde in voorschrift 9 van deze Bijlage afgegeven certificaat.
Chemicaliëntankschepen die zijn onderzocht en waaraan een certificaat is afgegeven door Staten die Partij bij dit Verdrag zijn, overeenkomstig de bepalingen van de IBC-Code of de Code voor chemicaliën in bulk, al naar gelang van toepassing, worden niettegenstaande het bepaalde in de [voorschriften 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=II&hoofdstuk=3&artikel=8&z=2024-05-01&g=2024-05-01), [9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=II&hoofdstuk=3&artikel=9&z=2024-05-01&g=2024-05-01) en [10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=II&hoofdstuk=3&artikel=10&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage geacht te hebben voldaan aan het bepaalde in de genoemde voorschriften, en het krachtens deze Code afgegeven certificaat heeft dezelfde waarde en moet op dezelfde wijze worden erkend als het krachtens het bepaalde in voorschrift 9 van deze Bijlage afgegeven certificaat.
##### Voorschrift 8. Onderzoeken
- 1. Schepen die schadelijke vloeistoffen in bulk vervoeren, zijn onderworpen aan de hieronder aangegeven onderzoeken:
- .1 Een eerste onderzoek voordat het schip in dienst wordt gesteld of voordat het certificaat, als vereist volgens [voorschrift 9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=II&hoofdstuk=3&artikel=9&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage, voor de eerste maal wordt afgegeven, waaronder begrepen een compleet onderzoek van de constructie, uitrusting, systemen, installaties, voorzieningen en materialen voorzover het schip onder deze Bijlage valt. Dit onderzoek dient zodanig te zijn dat het zeker is dat de constructie, uitrusting, systemen, installaties, voorzieningen en materialen volledig voldoen aan de van toepassing zijnde vereisten van deze Bijlage.
- .2 Een hernieuwd onderzoek dat wordt verricht met inachtneming van door de Administratie vast te stellen tussenpozen van ten hoogste vijf jaar, behalve wanneer [voorschrift 10.2, 10.5, 10.6 of 10.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=II&hoofdstuk=3&artikel=10&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage toepassing is. Dit hernieuwde onderzoek dient zodanig te zijn dat het zeker is dat de constructie, uitrusting, systemen, installaties, voorzieningen en materialen volledig voldoen aan de van toepassing zijnde vereisten van deze Bijlage.
- .3 Een tussentijds onderzoek binnen drie maanden voor of na de tweede verjaardatum of binnen drie maanden voor of na de derde verjaardatum van het certificaat, dat in de plaats treedt van een van de jaarlijkse onderzoeken voorgeschreven in lid 1, punt 4, van dit voorschrift. Dit onderzoek dient zodanig te zijn dat het zeker is dat de uitrusting en de bijbehorende pompsystemen en pijpleidingen volledig voldoen aan de van toepassing zijnde voorschriften van deze Bijlage en in goede staat verkeren. Deze tussentijdse onderzoeken worden aangetekend op het certificaat afgegeven krachtens [voorschrift 9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=II&hoofdstuk=3&artikel=9&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage.
- .4 Een jaarlijks onderzoek binnen 3 maanden voor of na de verjaardatum van het certificaat, met inbegrip van een algemene inspectie van de bouw, de uitrusting, systemen, installaties, voorzieningen en materialen bedoeld in lid 1, punt 1, van dit voorschrift, teneinde vast te stellen dat de toestand ervan is gehandhaafd in overeenstemming met lid 3 van dit voorschrift en dat zij geschikt blijven voor de dienst waarvoor het schip is bestemd. Deze jaarlijkse onderzoeken worden aangetekend op het certificaat afgegeven krachtens [voorschrift 9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=II&hoofdstuk=3&artikel=9&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage.
- .1 Een eerste onderzoek voordat het schip in dienst wordt gesteld of voordat het certificaat, als vereist volgens [voorschrift 9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=II&hoofdstuk=3&artikel=9&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage, voor de eerste maal wordt afgegeven, waaronder begrepen een compleet onderzoek van de constructie, uitrusting, systemen, installaties, voorzieningen en materialen voorzover het schip onder deze Bijlage valt. Dit onderzoek dient zodanig te zijn dat het zeker is dat de constructie, uitrusting, systemen, installaties, voorzieningen en materialen volledig voldoen aan de van toepassing zijnde vereisten van deze Bijlage.
- .2 Een hernieuwd onderzoek dat wordt verricht met inachtneming van door de Administratie vast te stellen tussenpozen van ten hoogste vijf jaar, behalve wanneer [voorschrift 10.2, 10.5, 10.6 of 10.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=II&hoofdstuk=3&artikel=10&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage toepassing is. Dit hernieuwde onderzoek dient zodanig te zijn dat het zeker is dat de constructie, uitrusting, systemen, installaties, voorzieningen en materialen volledig voldoen aan de van toepassing zijnde vereisten van deze Bijlage.
- .3 Een tussentijds onderzoek binnen drie maanden voor of na de tweede verjaardatum of binnen drie maanden voor of na de derde verjaardatum van het certificaat, dat in de plaats treedt van een van de jaarlijkse onderzoeken voorgeschreven in lid 1, punt 4, van dit voorschrift. Dit onderzoek dient zodanig te zijn dat het zeker is dat de uitrusting en de bijbehorende pompsystemen en pijpleidingen volledig voldoen aan de van toepassing zijnde voorschriften van deze Bijlage en in goede staat verkeren. Deze tussentijdse onderzoeken worden aangetekend op het certificaat afgegeven krachtens [voorschrift 9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=II&hoofdstuk=3&artikel=9&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage.
- .4 Een jaarlijks onderzoek binnen 3 maanden voor of na de verjaardatum van het certificaat, met inbegrip van een algemene inspectie van de bouw, de uitrusting, systemen, installaties, voorzieningen en materialen bedoeld in lid 1, punt 1, van dit voorschrift, teneinde vast te stellen dat de toestand ervan is gehandhaafd in overeenstemming met lid 3 van dit voorschrift en dat zij geschikt blijven voor de dienst waarvoor het schip is bestemd. Deze jaarlijkse onderzoeken worden aangetekend op het certificaat afgegeven krachtens [voorschrift 9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=II&hoofdstuk=3&artikel=9&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage.
- .5 Een aanvullend onderzoek dient, hetzij volledig hetzij ten dele al naar gelang de omstandigheden te worden uitgevoerd na een reparatie naar aanleiding van de in het derde lid van dit voorschrift vereiste onderzoeken, en steeds wanneer belangrijke reparaties of vervangingen hebben plaatsgevonden. Het onderzoek dient zodanig te zijn dat gewaarborgd wordt dat de nodige reparaties of vervangingen deugdelijk zijn uitgevoerd, dat het materiaal en de deskundigheid waarmee zij zijn uitgevoerd in alle opzichten toereikend zijn en dat het schip in alle opzichten voldoet aan de vereisten van deze Bijlage.
@@ -17119,7 +17129,7 @@
- 2.2. Deze organisaties, met inbegrip van classificatiebureaus, worden door de Administratie gemachtigd in overeenstemming met de bepalingen van dit Verdrag en met de Code voor Erkende Organisaties (RO-Code), die bestaat uit een deel 1 en deel 2 (waarvan de bepalingen als verplicht worden aangemerkt) en een deel 3 (waarvan de bepalingen als aanbeveling worden aangemerkt), zoals aangenomen door de Organisatie bij resolutie [MEPC.237(65)], eventueel als gewijzigd door de Organisatie, mits:
- .1. wijzigingen van deel 1 en deel 2 van de RO-Code worden aangenomen, in werking worden gesteld en van kracht worden in overeenstemming met de bepalingen van [artikel 16 van dit Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&artikel=16&z=2024-01-01&g=2024-01-01) inzake de wijzigingsprocedures die van toepassing zijn op deze Bijlage;
- .1. wijzigingen van deel 1 en deel 2 van de RO-Code worden aangenomen, in werking worden gesteld en van kracht worden in overeenstemming met de bepalingen van [artikel 16 van dit Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&artikel=16&z=2024-05-01&g=2024-05-01) inzake de wijzigingsprocedures die van toepassing zijn op deze Bijlage;
- .2. wijzigingen van deel 3 van de RO-Code worden aangenomen door de Commissie voor de Bescherming van het Mariene Milieu in overeenstemming met haar reglement van orde; en
@@ -17165,7 +17175,7 @@
##### Voorschrift 13. Regeling van lozingen van residuen van schadelijke vloeistoffen
Onverminderd de bepalingen van [voorschrift 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=II&hoofdstuk=1&artikel=3&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage dient de regeling van lozingen van residuen van schadelijke vloeistoffen of van ballastwater, tankwaswater of andere mengsels die dergelijke stoffen bevatten, in overeenstemming te zijn met de volgende vereisten.
Onverminderd de bepalingen van [voorschrift 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=II&hoofdstuk=1&artikel=3&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage dient de regeling van lozingen van residuen van schadelijke vloeistoffen of van ballastwater, tankwaswater of andere mengsels die dergelijke stoffen bevatten, in overeenstemming te zijn met de volgende vereisten.
**1 Lozingsbepalingen**
@@ -17173,7 +17183,7 @@
- 1.2. Voordat in overeenstemming met dit voorschrift een voorwas- of lozingsprocedure wordt uitgevoerd, dient de tank in kwestie zoveel mogelijk te worden geleegd in overeenstemming met de in het Handboek voorgeschreven procedures.
- 1.3. Het vervoer van stoffen die niet zijn gecategoriseerd, niet voorlopig ingedeeld of niet geëvalueerd zoals bedoeld in [voorschrift 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=II&hoofdstuk=2&artikel=6&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage, of van ballastwater, tankwaswater of andere mengsels die dergelijke residuen bevatten, is verboden evenals eventuele bijkomende lozing van dergelijke stoffen in zee.
- 1.3. Het vervoer van stoffen die niet zijn gecategoriseerd, niet voorlopig ingedeeld of niet geëvalueerd zoals bedoeld in [voorschrift 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=II&hoofdstuk=2&artikel=6&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage, of van ballastwater, tankwaswater of andere mengsels die dergelijke residuen bevatten, is verboden evenals eventuele bijkomende lozing van dergelijke stoffen in zee.
**2 Lozingsnormen**
@@ -17191,7 +17201,7 @@
**3 Verwijdering van ladingresiduen door middel van ventilatie**
Voor het verwijderen van ladingresiduen uit een tank mogen ventilatiemethoden worden toegepast die door de Administratie zijn goedgekeurd. Dergelijke methoden dienen in overeenstemming te zijn met [aanhangsel 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=7&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage. Water dat vervolgens in de tank wordt gebracht, wordt als schoon beschouwd en is niet onderworpen aan de in deze Bijlage genoemde lozingsvereisten.
Voor het verwijderen van ladingresiduen uit een tank mogen ventilatiemethoden worden toegepast die door de Administratie zijn goedgekeurd. Dergelijke methoden dienen in overeenstemming te zijn met [aanhangsel 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=7&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage. Water dat vervolgens in de tank wordt gebracht, wordt als schoon beschouwd en is niet onderworpen aan de in deze Bijlage genoemde lozingsvereisten.
**4 Uitzondering voor een voorwas**
@@ -17201,11 +17211,11 @@
- .2 de geloste tank niet op zee wordt schoongemaakt of geballast. De voorwasprocedure in overeenstemming met het desbetreffende lid van dit voorschrift wordt uitgevoerd in een andere haven, mits schriftelijk is bevestigd dat in deze haven een daartoe geschikte ontvangstvoorziening beschikbaar is; of
- .3 de ladingresiduen worden verwijderd door middel van een door de Administratie in overeenstemming met [aanhangsel 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=7&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage goedgekeurde ventilatieprocedure.
- .3 de ladingresiduen worden verwijderd door middel van een door de Administratie in overeenstemming met [aanhangsel 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=7&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage goedgekeurde ventilatieprocedure.
**5 Gebruik van wasmedium of schoonmaakmiddelen**
- 5.1. Wanneer voor het reinigen van een tank een ander wasmedium dan water wordt gebruikt, bijvoorbeeld minerale olie of een chlooroplossing, wordt de lozing ervan beheerst door de bepalingen van [Bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&z=2024-01-01&g=2024-01-01) of Bijlage 2, naar gelang van welke Bijlage op het wasmedium van toepassing zou zijn indien het als lading zou zijn vervoerd. Tankwasprocedures waarbij dergelijke middelen worden gebruikt, moeten in het Handboek worden vermeld en door de Administratie worden goedgekeurd.
- 5.1. Wanneer voor het reinigen van een tank een ander wasmedium dan water wordt gebruikt, bijvoorbeeld minerale olie of een chlooroplossing, wordt de lozing ervan beheerst door de bepalingen van [Bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&z=2024-05-01&g=2024-05-01) of Bijlage 2, naar gelang van welke Bijlage op het wasmedium van toepassing zou zijn indien het als lading zou zijn vervoerd. Tankwasprocedures waarbij dergelijke middelen worden gebruikt, moeten in het Handboek worden vermeld en door de Administratie worden goedgekeurd.
- 5.2. Wanneer kleine hoeveelheden schoonmaakmiddelen (synthetische reinigingsmiddelen) aan water worden toegevoegd om het wassen te vergemakkelijken, mogen geen schoonmaakmiddelen worden gebruikt die stoffen van verontreinigingscategorie X bevatten, behoudens die stoffen welke snel biologisch afbreekbaar zijn en in een concentratie van minder dan 10% in het schoonmaakmiddel aanwezig zijn. Er gelden geen extra beperkingen naast die welke van toepassing zijn op de tank vanwege de vorige lading.
@@ -17213,31 +17223,31 @@
- 6.1. Onverminderd het bepaalde in lid 1, zijn de volgende bepalingen van toepassing:
- .1 Een tank waaruit een stof van categorie X is gelost, dient te worden voorgewassen voordat het schip de loshaven verlaat. De daaruit voortkomende residuen dienen in een ontvangstinrichting te worden geloosd, totdat de concentratie van de stof in de te lozen vloeistof, blijkens analyses van door de inspecteur genomen monsters van het effluent, is gedaald tot een gewichtspercentage van 0,1% of minder. Wanneer het vereiste concentratieniveau is bereikt, dient de lozing van het overgebleven tankwaswater in de ontvangstinrichting te worden voortgezet totdat de tank leeg is. Van deze handelingen dient behoorlijk aantekening te worden gemaakt in het Ladingjournaal en deze dient te worden goedgekeurd door de in [voorschrift 16.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=II&hoofdstuk=6&artikel=16&z=2024-01-01&g=2024-01-01) bedoelde inspecteur.
- .2 Al het water dat daarna in de tank wordt gebracht, mag in zee worden geloosd overeenkomstig de in [voorschrift 13.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=II&hoofdstuk=6&artikel=16&z=2024-01-01&g=2024-01-01) vervatte lozingsnormen.
- .3 In gevallen waarin de Regering van de ontvangende Partij de zekerheid heeft verkregen dat het ondoenlijk is de concentratie van de stof in de vloeistof te meten zonder onnodig oponthoud van het schip te veroorzaken, kan deze Partij een andere methode aanvaarden als equivalent voor het verkrijgen van de in [voorschrift 13.6.1.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=II&hoofdstuk=5&artikel=13&z=2024-01-01&g=2024-01-01) vereiste concentratie, mits:
- .1 de tank wordt voorgewassen overeenkomstig een door de Administratie goedgekeurde procedure conform [aanhangsel 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=6&z=2024-01-01&g=2024-01-01) bij deze Bijlage; en
- .2 behoorlijk aantekening wordt gemaakt in het Ladingjournaal en dit wordt goedgekeurd door de in [voorschrift 16.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=II&hoofdstuk=6&artikel=16&z=2024-01-01&g=2024-01-01) bedoelde inspecteur.
- .1 Een tank waaruit een stof van categorie X is gelost, dient te worden voorgewassen voordat het schip de loshaven verlaat. De daaruit voortkomende residuen dienen in een ontvangstinrichting te worden geloosd, totdat de concentratie van de stof in de te lozen vloeistof, blijkens analyses van door de inspecteur genomen monsters van het effluent, is gedaald tot een gewichtspercentage van 0,1% of minder. Wanneer het vereiste concentratieniveau is bereikt, dient de lozing van het overgebleven tankwaswater in de ontvangstinrichting te worden voortgezet totdat de tank leeg is. Van deze handelingen dient behoorlijk aantekening te worden gemaakt in het Ladingjournaal en deze dient te worden goedgekeurd door de in [voorschrift 16.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=II&hoofdstuk=6&artikel=16&z=2024-05-01&g=2024-05-01) bedoelde inspecteur.
- .2 Al het water dat daarna in de tank wordt gebracht, mag in zee worden geloosd overeenkomstig de in [voorschrift 13.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=II&hoofdstuk=6&artikel=16&z=2024-05-01&g=2024-05-01) vervatte lozingsnormen.
- .3 In gevallen waarin de Regering van de ontvangende Partij de zekerheid heeft verkregen dat het ondoenlijk is de concentratie van de stof in de vloeistof te meten zonder onnodig oponthoud van het schip te veroorzaken, kan deze Partij een andere methode aanvaarden als equivalent voor het verkrijgen van de in [voorschrift 13.6.1.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=II&hoofdstuk=5&artikel=13&z=2024-05-01&g=2024-05-01) vereiste concentratie, mits:
- .1 de tank wordt voorgewassen overeenkomstig een door de Administratie goedgekeurde procedure conform [aanhangsel 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=6&z=2024-05-01&g=2024-05-01) bij deze Bijlage; en
- .2 behoorlijk aantekening wordt gemaakt in het Ladingjournaal en dit wordt goedgekeurd door de in [voorschrift 16.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=II&hoofdstuk=6&artikel=16&z=2024-05-01&g=2024-05-01) bedoelde inspecteur.
**7 Lozing van residuen van categorie Y en Z**
- 7.1. Onverminderd het bepaalde in het eerste lid, zijn de volgende bepalingen van toepassing:
- .1 Ten aanzien van de procedures voor het lozen van residuen van stoffen van categorie Y of Z, zijn de in [voorschrift 13.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=II&hoofdstuk=5&artikel=13&z=2024-01-01&g=2024-01-01) vervatte lozingsnormen van toepassing.
- .2 Indien het lossen van een stof van categorie Y of Z niet wordt uitgevoerd overeenkomstig het Handboek, dient een voorwasprocedure te worden uitgevoerd voordat het schip de loshaven verlaat, tenzij andere maatregelen worden genomen ten genoegen van de in [voorschrift 16.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=II&hoofdstuk=6&artikel=16&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage bedoelde inspecteur om zodanige hoeveelheden ladingresiduen uit het schip te verwijderen, dat de in deze Bijlage gespecificeerde hoeveelheden overblijven. Het uit de voorwas verkregen tankwaswater dient te worden geloosd in een ontvangstinrichting in de loshaven of in een andere haven met een geschikte ontvangstinrichting, mits schriftelijk is bevestigd dat in deze haven een daartoe geschikte ontvangstvoorziening beschikbaar is.
- .1 Ten aanzien van de procedures voor het lozen van residuen van stoffen van categorie Y of Z, zijn de in [voorschrift 13.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=II&hoofdstuk=5&artikel=13&z=2024-05-01&g=2024-05-01) vervatte lozingsnormen van toepassing.
- .2 Indien het lossen van een stof van categorie Y of Z niet wordt uitgevoerd overeenkomstig het Handboek, dient een voorwasprocedure te worden uitgevoerd voordat het schip de loshaven verlaat, tenzij andere maatregelen worden genomen ten genoegen van de in [voorschrift 16.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=II&hoofdstuk=6&artikel=16&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage bedoelde inspecteur om zodanige hoeveelheden ladingresiduen uit het schip te verwijderen, dat de in deze Bijlage gespecificeerde hoeveelheden overblijven. Het uit de voorwas verkregen tankwaswater dient te worden geloosd in een ontvangstinrichting in de loshaven of in een andere haven met een geschikte ontvangstinrichting, mits schriftelijk is bevestigd dat in deze haven een daartoe geschikte ontvangstvoorziening beschikbaar is.
- .3 Voor hoogvisceuze of stollende stoffen in categorie Y is het volgende van toepassing:
- .1 er dient een voorwasprocedure als vermeld in [aanhangsel 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=6&z=2024-01-01&g=2024-01-01) te worden toegepast;
- .1 er dient een voorwasprocedure als vermeld in [aanhangsel 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=6&z=2024-05-01&g=2024-05-01) te worden toegepast;
- .2 het tijdens het voorwassen ontstane residu-watermengsel dient te worden geloosd in een ontvangstinrichting totdat de tank leeg is; en
- .3 al het water dat daarna in de tank wordt gebracht, mag in zee worden geloosd overeenkomstig de in [voorschrift 13.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=II&hoofdstuk=5&artikel=13&z=2024-01-01&g=2024-01-01) vervatte lozingsnormen.
- .3 al het water dat daarna in de tank wordt gebracht, mag in zee worden geloosd overeenkomstig de in [voorschrift 13.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=II&hoofdstuk=5&artikel=13&z=2024-05-01&g=2024-05-01) vervatte lozingsnormen.
- .4 Voor stoffen in categorie Y die persistente drijvers zijn met een viscositeit gelijk aan of groter dan 50 mPa·s bij 20°C en/of een smeltpunt gelijk aan of hoger dan 0°C, als aangeduid met „16.2.7” in kolom ‘o’ van hoofdstuk 17 van de IBC-code, geldt in de in paragraaf 9 genoemde gebieden het volgende:
@@ -17249,9 +17259,9 @@
- 7.2. Bedrijfsvoeringsvereisten voor ballasten en ontballasten
- 7.2.1 Na het lossen en, zo nodig, na het voorwassen kan een ladingtank van ballast worden voorzien. De procedures voor de lozing van dergelijke ballast zijn vermeld in [voorschrift 13.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=II&hoofdstuk=5&artikel=13&z=2024-01-01&g=2024-01-01).
- 7.2.2 Ballast ingebracht in een ladingtank die in zoverre is gewassen dat de ballast minder dan 1 ppm van de eerder vervoerde stof bevat, kan in zee worden geloosd zonder rekening te houden met de lozingssnelheid, de snelheid van het schip en de plaats van de lozingsuitlaat, mits het schip zich ten minste 12 mijl vanaf het dichtstbijzijnde land bevindt, in water dat ten minste 25 meter diep is. De vereiste mate van reinheid is bereikt, wanneer een voorwas zoals aangeduid in [aanhangsel 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=6&z=2024-01-01&g=2024-01-01) heeft plaatsgevonden en de tank vervolgens de volledige cyclus van de tankwasmachine heeft doorlopen, voor schepen gebouwd vóór 1 juli 1994 of met een waterhoeveelheid van niet minder dan die welke wordt berekend via k=1,0.
- 7.2.1 Na het lossen en, zo nodig, na het voorwassen kan een ladingtank van ballast worden voorzien. De procedures voor de lozing van dergelijke ballast zijn vermeld in [voorschrift 13.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=II&hoofdstuk=5&artikel=13&z=2024-05-01&g=2024-05-01).
- 7.2.2 Ballast ingebracht in een ladingtank die in zoverre is gewassen dat de ballast minder dan 1 ppm van de eerder vervoerde stof bevat, kan in zee worden geloosd zonder rekening te houden met de lozingssnelheid, de snelheid van het schip en de plaats van de lozingsuitlaat, mits het schip zich ten minste 12 mijl vanaf het dichtstbijzijnde land bevindt, in water dat ten minste 25 meter diep is. De vereiste mate van reinheid is bereikt, wanneer een voorwas zoals aangeduid in [aanhangsel 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=6&z=2024-05-01&g=2024-05-01) heeft plaatsgevonden en de tank vervolgens de volledige cyclus van de tankwasmachine heeft doorlopen, voor schepen gebouwd vóór 1 juli 1994 of met een waterhoeveelheid van niet minder dan die welke wordt berekend via k=1,0.
- 7.2.3 De bepalingen van deze Bijlage zijn niet van toepassing op het lozen in zee van schone ballast of gescheiden ballast.
@@ -17273,19 +17283,19 @@
##### Voorschrift 14. Handboek voor procedures en voorzieningen
- 1. Elk schip dat is gecertificeerd om stoffen van categorie X, Y of Z te vervoeren, moet een door de Administratie goedgekeurd Handboek aan boord hebben. Het Handboek dient overeenkomstig [aanhangsel 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=4&z=2024-01-01&g=2024-01-01) bij deze Bijlage een standaardformaat te hebben. In het geval van een schip dat internationale reizen maakt waarop de gebruikte taal een andere is dan de Engelse, de Franse of de Spaanse taal gaat de tekst vergezeld van een vertaling in één van deze talen.
- 1. Elk schip dat is gecertificeerd om stoffen van categorie X, Y of Z te vervoeren, moet een door de Administratie goedgekeurd Handboek aan boord hebben. Het Handboek dient overeenkomstig [aanhangsel 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=4&z=2024-05-01&g=2024-05-01) bij deze Bijlage een standaardformaat te hebben. In het geval van een schip dat internationale reizen maakt waarop de gebruikte taal een andere is dan de Engelse, de Franse of de Spaanse taal gaat de tekst vergezeld van een vertaling in één van deze talen.
- 2. Het Handboek heeft voornamelijk tot doel voor de officieren op het schip vast te stellen wat de fysieke voorzieningen en alle operationele procedures zijn die met betrekking tot het behandelen van lading, het reinigen van tanks, de behandeling van residuen uit sloptanks en het ballasten en ontballasten van ladingtanks in acht dienen te worden genomen teneinde te voldoen aan de vereisten van deze Bijlage.
##### Voorschrift 15. Ladingjournaal
- 1. Elk schip waarop deze Bijlage van toepassing is, dient te zijn voorzien van een Ladingjournaal, hetzij als onderdeel van het scheepsjournaal, als elektronisch journaal dat door de Administratie dient te worden goedgekeurd rekening houdend met de door de Organisatie opgestelde richtlijnen, of anderszins, volgens het model zoals aangegeven in [Aanhangsel II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=2&z=2024-01-01&g=2024-01-01) bij deze Bijlage.
- 2. Na de voltooiing van een in [aanhangsel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=2&z=2024-01-01&g=2024-01-01) bij deze Bijlage bedoelde handeling, dient de handeling onverwijld in het Ladingjournaal te worden opgetekend.
- 3. Van elke onbedoelde lozing van een schadelijke vloeistof of een mengsel dat een dergelijke stof bevat of een lozing die valt onder het bepaalde in [voorschrift 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=II&hoofdstuk=1&artikel=3&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage, dient aantekening te worden gemaakt in het Ladingjournaal onder vermelding van de omstandigheden waaronder en de reden waarom het lozen geschiedde.
- 4. Elke aantekening dient door de officier of officieren, belast met de desbetreffende handeling, te worden ondertekend en elke ingevulde bladzijde of groep van elektronische aantekeningen dient te worden ondertekend door de kapitein van het schip. Op schepen die een Internationaal certificaat betreffende voorkoming van verontreiniging voor het vervoer van schadelijke vloeistoffen in bulk of een in [voorschrift 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=II&hoofdstuk=3&artikel=7&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage genoemd certificaat hebben, dienen de aantekeningen in het Ladingjournaal ten minste in de Engelse, de Franse of de Spaanse taal te zijn gesteld. Wanneer de aantekeningen tevens zijn gesteld in een officiële taal van de Staat waarvan het schip gerechtigd is de vlag te voeren, zijn deze doorslaggevend in geval van een geschil of een tegenstrijdigheid.
- 1. Elk schip waarop deze Bijlage van toepassing is, dient te zijn voorzien van een Ladingjournaal, hetzij als onderdeel van het scheepsjournaal, als elektronisch journaal dat door de Administratie dient te worden goedgekeurd rekening houdend met de door de Organisatie opgestelde richtlijnen, of anderszins, volgens het model zoals aangegeven in [Aanhangsel II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=2&z=2024-05-01&g=2024-05-01) bij deze Bijlage.
- 2. Na de voltooiing van een in [aanhangsel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=2&z=2024-05-01&g=2024-05-01) bij deze Bijlage bedoelde handeling, dient de handeling onverwijld in het Ladingjournaal te worden opgetekend.
- 3. Van elke onbedoelde lozing van een schadelijke vloeistof of een mengsel dat een dergelijke stof bevat of een lozing die valt onder het bepaalde in [voorschrift 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=II&hoofdstuk=1&artikel=3&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage, dient aantekening te worden gemaakt in het Ladingjournaal onder vermelding van de omstandigheden waaronder en de reden waarom het lozen geschiedde.
- 4. Elke aantekening dient door de officier of officieren, belast met de desbetreffende handeling, te worden ondertekend en elke ingevulde bladzijde of groep van elektronische aantekeningen dient te worden ondertekend door de kapitein van het schip. Op schepen die een Internationaal certificaat betreffende voorkoming van verontreiniging voor het vervoer van schadelijke vloeistoffen in bulk of een in [voorschrift 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=II&hoofdstuk=3&artikel=7&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage genoemd certificaat hebben, dienen de aantekeningen in het Ladingjournaal ten minste in de Engelse, de Franse of de Spaanse taal te zijn gesteld. Wanneer de aantekeningen tevens zijn gesteld in een officiële taal van de Staat waarvan het schip gerechtigd is de vlag te voeren, zijn deze doorslaggevend in geval van een geschil of een tegenstrijdigheid.
- 5. Het Ladingjournaal wordt bewaard op een plaats waar het direct beschikbaar is voor inspectie en wel, behalve in het geval van onbemande gesleepte schepen, aan boord van het schip. Het journaal dient gedurende een termijn van drie jaar na de laatste aantekening te worden bewaard.
@@ -17297,23 +17307,23 @@
- 2. Wanneer een inspecteur, benoemd of gemachtigd door de Regering van een Partij bij het Verdrag, heeft gecontroleerd dat een handeling is verricht conform de in het Handboek vervatte vereisten, of een ontheffing voor een voorwasprocedure heeft verleend, maakt deze inspecteur daarvan aantekening in het Ladingjournaal.
- 3. De kapitein van een schip dat is gecertificeerd om schadelijke vloeistoffen in bulk te vervoeren, zorgt ervoor dat het bepaalde in [voorschrift 13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=II&hoofdstuk=5&artikel=13&z=2024-01-01&g=2024-01-01) en in dit voorschrift, en in hoofdstuk 2 van deel II-A van de Polar Code wanneer het schip in Arctische wateren vaart, wordt nageleefd en dat het Ladingjournaal wordt ingevuld overeenkomstig het bepaalde in [voorschrift 15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=II&hoofdstuk=5&artikel=15&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage, telkens wanneer de in dat voorschrift bedoelde handelingen plaatsvinden.
- 4. Een tank waarin een stof van categorie X is vervoerd, dient te worden voorgewassen in overeenstemming met [voorschrift 13.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=II&hoofdstuk=5&artikel=13&z=2024-01-01&g=2024-01-01). Van deze handelingen dient naar behoren aantekening te worden gemaakt in het Ladingjournaal en dit dient te worden goedgekeurd door de in lid 1 van dit voorschrift bedoelde inspecteur.
- 5. In gevallen waarin de Regering van de ontvangende partij de zekerheid heeft verkregen dat het ondoenlijk is de concentratie van de stof in de vloeistof te meten zonder onnodig oponthoud van het schip te veroorzaken, kan deze Partij de in [voorschrift 13.6.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=II&hoofdstuk=5&artikel=13&z=2024-01-01&g=2024-01-01) bedoelde alternatieve methode aanvaarden, mits de in lid 1 van dit voorschrift bedoelde inspecteur in het Ladingjournaal bevestigt dat:
- 3. De kapitein van een schip dat is gecertificeerd om schadelijke vloeistoffen in bulk te vervoeren, zorgt ervoor dat het bepaalde in [voorschrift 13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=II&hoofdstuk=5&artikel=13&z=2024-05-01&g=2024-05-01) en in dit voorschrift, en in hoofdstuk 2 van deel II-A van de Polar Code wanneer het schip in Arctische wateren vaart, wordt nageleefd en dat het Ladingjournaal wordt ingevuld overeenkomstig het bepaalde in [voorschrift 15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=II&hoofdstuk=5&artikel=15&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage, telkens wanneer de in dat voorschrift bedoelde handelingen plaatsvinden.
- 4. Een tank waarin een stof van categorie X is vervoerd, dient te worden voorgewassen in overeenstemming met [voorschrift 13.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=II&hoofdstuk=5&artikel=13&z=2024-05-01&g=2024-05-01). Van deze handelingen dient naar behoren aantekening te worden gemaakt in het Ladingjournaal en dit dient te worden goedgekeurd door de in lid 1 van dit voorschrift bedoelde inspecteur.
- 5. In gevallen waarin de Regering van de ontvangende partij de zekerheid heeft verkregen dat het ondoenlijk is de concentratie van de stof in de vloeistof te meten zonder onnodig oponthoud van het schip te veroorzaken, kan deze Partij de in [voorschrift 13.6.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=II&hoofdstuk=5&artikel=13&z=2024-05-01&g=2024-05-01) bedoelde alternatieve methode aanvaarden, mits de in lid 1 van dit voorschrift bedoelde inspecteur in het Ladingjournaal bevestigt dat:
- .1 de tank en de bijbehorende pomp en pijpleidingen zijn geleegd; en
- .2 de voorwasprocedure is uitgevoerd in overeenstemming met de bepalingen van [aanhangsel 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=6&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage; en
- .2 de voorwasprocedure is uitgevoerd in overeenstemming met de bepalingen van [aanhangsel 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=6&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage; en
- .3 het tankwaswater, afkomstig van deze voorwas, is afgegeven aan een ontvangstvoorziening en de tank leeg is,
- 6. Op verzoek van de kapitein van het schip kan de Regering van de ontvangende Partij het schip ontheffing verlenen van de vereisten voor de in de desbetreffende leden van [voorschrift 13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=II&hoofdstuk=5&artikel=13&z=2024-01-01&g=2024-01-01) bedoelde voorwasprocedure, wanneer aan een van de in voorschrift 13.4 bedoelde voorwaarden wordt voldaan.
- 6. Op verzoek van de kapitein van het schip kan de Regering van de ontvangende Partij het schip ontheffing verlenen van de vereisten voor de in de desbetreffende leden van [voorschrift 13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=II&hoofdstuk=5&artikel=13&z=2024-05-01&g=2024-05-01) bedoelde voorwasprocedure, wanneer aan een van de in voorschrift 13.4 bedoelde voorwaarden wordt voldaan.
- 7. Een in lid 6 bedoelde ontheffing kan slechts worden verleend door de Regering van de ontvangende Partij aan een schip dat reizen maakt naar havens of laad- en losplaatsen onder de rechtsmacht van andere Staten die Partij bij dit Verdrag zijn. Wanneer een dergelijke ontheffing is verleend, dient de in het Ladingjournaal gemaakte aantekening daarvan te worden afgetekend door de in lid 1 van dit voorschrift bedoelde inspecteur.
- 8. Indien het lossen niet wordt uitgevoerd overeenkomstig de omstandigheden tijdens het pompen voor de tank die door de Administratie zijn goedgekeurd en zijn gebaseerd op aanhangsel 5 van deze Bijlage, mogen andere maatregelen worden genomen ten genoegen van de in het eerste lid van dit voorschrift bedoelde inspecteur om zodanige hoeveelheden ladingresten uit het schip te verwijderen, dat de in [voorschrift 12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=II&hoofdstuk=4&artikel=12&z=2024-01-01&g=2024-01-01) gespecificeerde hoeveelheden overblijven, al naargelang van toepassing. Hiervan moet aantekening worden gemaakt in het Ladingjournaal.
- 8. Indien het lossen niet wordt uitgevoerd overeenkomstig de omstandigheden tijdens het pompen voor de tank die door de Administratie zijn goedgekeurd en zijn gebaseerd op aanhangsel 5 van deze Bijlage, mogen andere maatregelen worden genomen ten genoegen van de in het eerste lid van dit voorschrift bedoelde inspecteur om zodanige hoeveelheden ladingresten uit het schip te verwijderen, dat de in [voorschrift 12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=II&hoofdstuk=4&artikel=12&z=2024-05-01&g=2024-05-01) gespecificeerde hoeveelheden overblijven, al naargelang van toepassing. Hiervan moet aantekening worden gemaakt in het Ladingjournaal.
- 9. Door de havenstaat uit te oefenen controle op de vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord
@@ -17321,7 +17331,7 @@
- 9.2 In de omstandigheden bedoeld in lid 9.1 van dit voorschrift, neemt de Partij de noodzakelijke maatregelen om te verzekeren dat het schip niet uitvaart voordat de situatie in overeenstemming is gebracht met de vereisten van deze Bijlage.
- 9.3 De procedures betreffende de controle door de havenstaat voorgeschreven in [artikel 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&artikel=5&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van dit Verdrag zijn van toepassing op dit voorschrift.
- 9.3 De procedures betreffende de controle door de havenstaat voorgeschreven in [artikel 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&artikel=5&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van dit Verdrag zijn van toepassing op dit voorschrift.
- 9.4 Geen enkele bepaling van dit voorschrift mag zo worden uitgelegd dat daardoor de rechten en plichten van een Partij die de uitdrukkelijk in dit Verdrag genoemde vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord controleert, worden beperkt.
@@ -17331,7 +17341,7 @@
- 2. Een dergelijk plan dient gebaseerd te zijn op de Richtlijnen die door de Organisatie zijn opgesteld en die zijn gesteld in een voertaal of in voertalen die door de kapitein en zijn officieren worden begrepen. Het plan omvat ten minste:
- .1 de procedure die dient te worden gevolgd door de kapitein of anderen die het bevel voeren over het schip voor het melden van voorvallen van verontreiniging door schadelijke vloeistoffen, zoals vereist volgens [artikel 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&artikel=8&z=2024-01-01&g=2024-01-01) en Protocol I van dit Verdrag, op basis van de door de Organisatie ontwikkelde Richtlijnen;
- .1 de procedure die dient te worden gevolgd door de kapitein of anderen die het bevel voeren over het schip voor het melden van voorvallen van verontreiniging door schadelijke vloeistoffen, zoals vereist volgens [artikel 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&artikel=8&z=2024-05-01&g=2024-05-01) en Protocol I van dit Verdrag, op basis van de door de Organisatie ontwikkelde Richtlijnen;
- .2 de lijst van autoriteiten of personen met wie contact dient te worden opgenomen in het geval van een voorval van verontreiniging door schadelijke vloeistoffen;
@@ -17339,7 +17349,7 @@
- .4 de procedures en de contactpersoon aan boord van het schip voor de coördinatie van de aan boord te nemen maatregelen aan boord en maatregelen met de nationale en lokale autoriteiten bij de bestrijding van de verontreiniging.
- 3. In het geval van schepen waarop [voorschrift 37 van Bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=5&artikel=37&z=2024-01-01&g=2024-01-01) bij het Verdrag ook van toepassing is, kan een dergelijk plan gecombineerd worden met het rampenplan voor olieverontreiniging aan boord van schepen dat vereist is ingevolge voorschrift 37 van Bijlage I bij het Verdrag. In dit geval luidt de titel van het plan „Scheepsnoodplan voor verontreiniging van de zee”.
- 3. In het geval van schepen waarop [voorschrift 37 van Bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=5&artikel=37&z=2024-05-01&g=2024-05-01) bij het Verdrag ook van toepassing is, kan een dergelijk plan gecombineerd worden met het rampenplan voor olieverontreiniging aan boord van schepen dat vereist is ingevolge voorschrift 37 van Bijlage I bij het Verdrag. In dit geval luidt de titel van het plan „Scheepsnoodplan voor verontreiniging van de zee”.
##### Voorschrift 18. Ontvangstinrichtingen en losplaatsvoorzieningen
@@ -17359,9 +17369,19 @@
- .3. bijzonderheden van havens met beperkte voorzieningen.
- 2ter. Indien [voorschrift 13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=II&hoofdstuk=5&artikel=13&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage een voorwas verplicht stelt en het regionale plan voor ontvangstfaciliteiten van toepassing is op de haven van lossen, wordt de voorwas en de daarop volgende afgifte aan een ontvangstfaciliteit uitgevoerd zoals voorgeschreven door voorschrift 13 van deze Bijlage of bij een regionale ontvangstfaciliteit voor afval van schepen vermeld in het desbetreffende regionale plan voor ontvangstfaciliteiten.
- 3. De Regeringen van Partijen bij dit Verdrag, wier kust grenst aan een bijzonder gebied dienen tezamen een datum overeen te komen vóór welke aan het bepaalde in lid 1 van dit voorschrift moet zijn voldaan en waarop de vereisten van de relevante leden van [voorschrift 13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=II&hoofdstuk=5&artikel=13&z=2024-01-01&g=2024-01-01) met betrekking tot dat gebied van kracht worden en zij dienen de Organisatie ten minste zes maanden voor die datum in kennis te stellen van de aldus vastgestelde datum. De Organisatie dient alle Partijen onverwijld in kennis te stellen van die datum.
- 2ter. Indien [voorschrift 13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=II&hoofdstuk=5&artikel=13&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage een voorwas verplicht stelt en het regionale plan voor ontvangstfaciliteiten van toepassing is op de haven van lossen, wordt de voorwas en de daarop volgende afgifte aan een ontvangstfaciliteit uitgevoerd zoals voorgeschreven door voorschrift 13 van deze Bijlage of bij een regionale ontvangstfaciliteit voor afval van schepen vermeld in het desbetreffende regionale plan voor ontvangstfaciliteiten.
- 3. De volgende staten kunnen met behulp van regionale regelingen voldoen aan de vereisten van de paragrafen 1, 2 en 6 van dit voorschrift, indien dergelijke regelingen de enige praktische manier zijn om aan deze vereisten te voldoen vanwege de unieke omstandigheden van die staten: Partijen die deelnemen aan een regionale regeling moeten een regionaal plan voor ontvangstinrichtingen opstellen waarbij rekening wordt gehouden met de door de Organisatie opgestelde richtlijnen. De Regering van elke Partij die deelneemt aan de regeling overlegt met de Organisatie, ten behoeve van het rondsturen aan de Partijen bij dit Verdrag, over:
- .1. kleine eilandstaten in ontwikkeling; en
- .2. staten waarvan de kustlijn grenst aan Arctische wateren mits de regionale regelingen alleen betrekking hebben op de havens van die staten in de Arctische wateren.
- .1. de wijze waarop in het regionale plan voor ontvangstinrichtingen rekening wordt gehouden met de door de Organisatie opgestelde richtlijnen;
- .2. bijzonderheden van de aangewezen regionale ontvangstcentra voor afval van schepen rekening houdend met de door de Organisatie opgestelde richtlijnen; en
- .3. bijzonderheden van havens met beperkte voorzieningen.
- 4. De Regering van elke Partij bij dit Verdrag verbindt zich ertoe ervoor te zorgen dat de losplaatsen beschikken over voorzieningen voor het vergemakkelijken van het nazuigen van de ladingtanks van schepen die schadelijke vloeistoffen lossen op deze losplaatsen. De nog in de laadslangen en leidingsystemen van de losplaats aanwezige schadelijke vloeistoffen, afkomstig van schepen die deze stoffen op de losplaats lossen, mogen niet terugstromen naar het schip.
@@ -17393,7 +17413,7 @@
- 1. wordt onder **Polar Code** verstaan de Internationale Code voor schepen die in polaire wateren varen, bestaande uit een inleiding, deel I-A en deel II-A en de delen I-B en II-B, zoals aangenomen bij de resoluties MSC.385(94) en MEPC.264(68), zoals eventueel gewijzigd, op voorwaarde dat:
- .1. wijzigingen van de op het milieu betrekking hebbende bepalingen van de inleiding en hoofdstuk 2 van deel II-A van de Polar Code worden aangenomen, in werking worden gesteld en van kracht worden in overeenstemming met de bepalingen van [artikel 16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&artikel=16&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van dit Verdrag inzake de wijzigingsprocedures die van toepassing zijn op een aanhangsel bij een bijlage; en
- .1. wijzigingen van de op het milieu betrekking hebbende bepalingen van de inleiding en hoofdstuk 2 van deel II-A van de Polar Code worden aangenomen, in werking worden gesteld en van kracht worden in overeenstemming met de bepalingen van [artikel 16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&artikel=16&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van dit Verdrag inzake de wijzigingsprocedures die van toepassing zijn op een aanhangsel bij een bijlage; en
- .2. wijzigingen van deel II-B van de Polar Code worden aangenomen door de Commissie voor de Bescherming van het Mariene Milieu in overeenstemming met haar reglement van orde.
@@ -17475,7 +17495,7 @@
2. Wanneer er duidelijke gronden zijn om aan te nemen dat de kapitein of de leden van de bemanning niet op de hoogte zijn van de essentiële procedures die aan boord moeten worden toegepast om verontreiniging door schadelijke stoffen te voorkomen, neemt de partij maatregelen, waaronder het verrichten van een gedetailleerde inspectie en ziet er indien nodig op toe dat het schip niet uitvaart, voordat de situatie in overeenstemming is gebracht met de vereisten van deze Bijlage.
3. De procedures betreffende de controle door de havenstaat voorgeschreven in [artikel 5 van dit Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&artikel=5&z=2024-01-01&g=2024-01-01) zijn van toepassing op dit voorschrift.
3. De procedures betreffende de controle door de havenstaat voorgeschreven in [artikel 5 van dit Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&artikel=5&z=2024-05-01&g=2024-05-01) zijn van toepassing op dit voorschrift.
4. Geen enkele bepaling van dit voorschrift mag zo worden uitgelegd dat daardoor de rechten en plichten van een partij die de uitdrukkelijk in dit Verdrag genoemde vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord controleert, worden beperkt.
@@ -17501,11 +17521,11 @@
##### Voorschrift 4. Onderzoeken
- 1. Elk schip dat in overeenstemming met [voorschrift 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=IV&hoofdstuk=1&artikel=2&z=2024-01-01&g=2024-01-01) dient te voldoen aan de bepalingen van deze Bijlage dient de volgende onderzoeken te ondergaan:
- .1 Een eerste onderzoek voordat het schip in dienst wordt gesteld of voordat het certificaat, als vereist volgens [voorschrift 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=IV&hoofdstuk=2&artikel=5&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage, voor de eerste maal wordt afgegeven, waaronder begrepen een compleet onderzoek van de constructie, uitrusting, systemen, installaties, voorzieningen en materialen voorzover het schip onder deze Bijlage valt. Dit onderzoek dient zodanig te zijn dat verzekerd wordt dat de constructie, uitrusting, systemen, installaties, voorzieningen en de materialen ten volle voldoen aan de van toepassing zijnde vereisten van deze Bijlage.
- .2 Een hernieuwd onderzoek dat wordt verricht met inachtneming van door de Administratie vast te stellen tussenpozen van ten hoogste vijf jaar, behalve wanneer [voorschrift 8.2, 8.5, 8.6 of 8.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=IV&hoofdstuk=2&artikel=8&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage toepassing is. Dit hernieuwde onderzoek dient zodanig te zijn dat verzekerd wordt dat de constructie, uitrusting, systemen, installaties, voorzieningen en de materialen ten volle voldoen aan de van toepassing zijnde vereisten van deze Bijlage.
- 1. Elk schip dat in overeenstemming met [voorschrift 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=IV&hoofdstuk=1&artikel=2&z=2024-05-01&g=2024-05-01) dient te voldoen aan de bepalingen van deze Bijlage dient de volgende onderzoeken te ondergaan:
- .1 Een eerste onderzoek voordat het schip in dienst wordt gesteld of voordat het certificaat, als vereist volgens [voorschrift 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=IV&hoofdstuk=2&artikel=5&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage, voor de eerste maal wordt afgegeven, waaronder begrepen een compleet onderzoek van de constructie, uitrusting, systemen, installaties, voorzieningen en materialen voorzover het schip onder deze Bijlage valt. Dit onderzoek dient zodanig te zijn dat verzekerd wordt dat de constructie, uitrusting, systemen, installaties, voorzieningen en de materialen ten volle voldoen aan de van toepassing zijnde vereisten van deze Bijlage.
- .2 Een hernieuwd onderzoek dat wordt verricht met inachtneming van door de Administratie vast te stellen tussenpozen van ten hoogste vijf jaar, behalve wanneer [voorschrift 8.2, 8.5, 8.6 of 8.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=IV&hoofdstuk=2&artikel=8&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage toepassing is. Dit hernieuwde onderzoek dient zodanig te zijn dat verzekerd wordt dat de constructie, uitrusting, systemen, installaties, voorzieningen en de materialen ten volle voldoen aan de van toepassing zijnde vereisten van deze Bijlage.
- .3 Een aanvullend onderzoek dient, hetzij volledig hetzij ten dele al naar gelang de omstandigheden, te worden uitgevoerd na een reparatie naar aanleiding van de in punt 4 van dit voorschrift vereiste onderzoeken, en steeds wanneer belangrijke reparaties of vervangingen hebben plaatsgevonden. Het onderzoek dient zodanig te zijn dat gewaarborgd wordt dat de nodige reparaties of vernieuwingen deugdelijk zijn uitgevoerd, dat het materiaal en de deskundigheid waarmee zij zijn uitgevoerd in alle opzichten toereikend zijn en dat het schip in alle opzichten voldoet aan de vereisten van deze Bijlage.
@@ -17531,7 +17551,7 @@
##### Voorschrift 9. Systemen voor sanitair afval
- 1. Elk schip dat in overeenstemming met [voorschrift 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=IV&hoofdstuk=1&artikel=2&z=2024-01-01&g=2024-01-01) dient te voldoen aan de bepalingen van deze Bijlage, dient te zijn uitgerust met een van de volgende systemen voor sanitair afval:
- 1. Elk schip dat in overeenstemming met [voorschrift 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=IV&hoofdstuk=1&artikel=2&z=2024-05-01&g=2024-05-01) dient te voldoen aan de bepalingen van deze Bijlage, dient te zijn uitgerust met een van de volgende systemen voor sanitair afval:
- .1 een installatie voor het behandelen van sanitair afval van een door de Administratie goedgekeurd type, rekening houdend met de door de Organisatie1)Zie de Aanbeveling inzake internationale effluentnormen en richtlijnen voor prestatieproeven voor installaties voor het behandelen van sanitair afval aangenomen door de Organisatie bij resolutie MEPC.2(VI). Voor bestaande schepen worden nationale specificaties aanvaard. ontwikkelde normen en testmethodes, of
@@ -17539,7 +17559,7 @@
- .3 een verzameltank met naar het oordeel van de Administratie voldoende capaciteit voor het opslaan van alle sanitair afval, rekening houdend met de exploitatie van het schip, het aantal opvarenden en andere relevante factoren. De constructie van de verzameltank dient ten genoegen van de Administratie te zijn en voorzien te zijn van een voorziening voor visuele inspectie van het niveau van de inhoud.
- 2. In afwijking van het eerste lid dient ieder passagiersschip dat, in overeenstemming met [voorschrift 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=IV&hoofdstuk=1&artikel=2&z=2024-01-01&g=2024-01-01) dient te voldoen aan de bepalingen van deze Bijlage, en waarop [voorschrift 11.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=IV&hoofdstuk=3&artikel=11&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van toepassing is wanneer het zich in een bijzonder gebied bevindt, te zijn uitgerust met een van de volgende systemen voor sanitair afval:
- 2. In afwijking van het eerste lid dient ieder passagiersschip dat, in overeenstemming met [voorschrift 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=IV&hoofdstuk=1&artikel=2&z=2024-05-01&g=2024-05-01) dient te voldoen aan de bepalingen van deze Bijlage, en waarop [voorschrift 11.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=IV&hoofdstuk=3&artikel=11&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van toepassing is wanneer het zich in een bijzonder gebied bevindt, te zijn uitgerust met een van de volgende systemen voor sanitair afval:
- .1. een installatie voor het behandelen van sanitair afval van een door de Administratie goedgekeurd type, rekening houdend met de door de Organisatie ontwikkelde normen en testmethodes, of
@@ -17563,25 +17583,25 @@
##### Voorschrift 11. Lozen van sanitair afval
1. Onverminderd de bepalingen van [voorschrift 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=IV&hoofdstuk=1&artikel=3&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage is het lozen in zee van sanitair afval verboden, behalve wanneer:
- .1. de lozing van het schip versneden en ontsmet sanitair afval betreft op een afstand van meer dan 3 zeemijlen van het dichtstbijzijnde land, waarbij een door de Administratie in overeenstemming met [voorschrift 9.1.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=IV&hoofdstuk=3&artikel=9&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage goedgekeurd systeem wordt gebruikt, ofwel sanitair afval betreft dat niet is versneden of ontsmet op een afstand van meer dan 12 zeemijlen van het dichtstbijzijnde land, mits in elk geval het in verzameltanks opgeslagen sanitaire afval of sanitair afval afkomstig van ruimten waar zich levende dieren bevinden niet ineens wordt geloosd, doch in een matig tempo, terwijl het schip onderweg is met een snelheid van niet minder dan 4 knopen; het tempo van de lozing dient te worden goedgekeurd door de Administratie op grond van door de Organisatie ontwikkelde normen; of
- .2. het schip een installatie voor het behandelen van sanitair afval in gebruik heeft, die door de Administratie is gecertificeerd teneinde te voldoen aan de operationele vereisten bedoeld in [voorschrift 9.1.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=IV&hoofdstuk=3&artikel=9&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage, en het geloosde effluent geen zichtbare drijvende vaste deeltjes veroorzaakt noch verkleuring van het omringende water.
1. Onverminderd de bepalingen van [voorschrift 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=IV&hoofdstuk=1&artikel=3&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage is het lozen in zee van sanitair afval verboden, behalve wanneer:
- .1. de lozing van het schip versneden en ontsmet sanitair afval betreft op een afstand van meer dan 3 zeemijlen van het dichtstbijzijnde land, waarbij een door de Administratie in overeenstemming met [voorschrift 9.1.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=IV&hoofdstuk=3&artikel=9&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage goedgekeurd systeem wordt gebruikt, ofwel sanitair afval betreft dat niet is versneden of ontsmet op een afstand van meer dan 12 zeemijlen van het dichtstbijzijnde land, mits in elk geval het in verzameltanks opgeslagen sanitaire afval of sanitair afval afkomstig van ruimten waar zich levende dieren bevinden niet ineens wordt geloosd, doch in een matig tempo, terwijl het schip onderweg is met een snelheid van niet minder dan 4 knopen; het tempo van de lozing dient te worden goedgekeurd door de Administratie op grond van door de Organisatie ontwikkelde normen; of
- .2. het schip een installatie voor het behandelen van sanitair afval in gebruik heeft, die door de Administratie is gecertificeerd teneinde te voldoen aan de operationele vereisten bedoeld in [voorschrift 9.1.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=IV&hoofdstuk=3&artikel=9&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage, en het geloosde effluent geen zichtbare drijvende vaste deeltjes veroorzaakt noch verkleuring van het omringende water.
2. Het bepaalde in paragraaf 1 is niet van toepassing op schepen die zich bevinden in de wateren onder de rechtsmacht van een Staat en bezoekende schepen uit andere Staten terwijl zij zich in deze wateren bevinden en bezig zijn met het lozen van sanitair afval in overeenstemming met de eventueel minder strikte eisen die door die Staat kunnen worden gesteld.
3. Onverminderd de bepalingen van [voorschrift 3 van deze Bijlage](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=IV&hoofdstuk=1&artikel=3&z=2024-01-01&g=2024-01-01) is het lozen van sanitair afval van een passagiersschip in een bijzonder gebied verboden:
- .1. voor nieuwe passagiersschepen op een datum die door de Organisatie wordt vastgesteld ingevolge [voorschrift 13.2 van deze Bijlage](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=IV&hoofdstuk=4&artikel=13&z=2024-01-01&g=2024-01-01), maar in geen geval eerder dan 1 juni 2019; en
- .2. voor bestaande passagiersschepen op een datum die door de Organisatie wordt vastgesteld ingevolge [voorschrift 13.2 van deze Bijlage](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=IV&hoofdstuk=4&artikel=13&z=2024-01-01&g=2024-01-01), maar in geen geval eerder dan 1 juni 2021, behalve wanneer aan de volgende voorwaarden is voldaan: het schip heeft een installatie voor het behandelen van sanitair afval in gebruik die door de Administratie gecertificeerd is teneinde te voldoen aan de operationele vereisten bedoeld in [voorschrift 9.2.1 van deze Bijlage](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=IV&hoofdstuk=3&artikel=9&z=2024-01-01&g=2024-01-01), en het geloosde effluent veroorzaakt geen zichtbare drijvende vaste deeltjes noch verkleuring van het omringende water.
3. Onverminderd de bepalingen van [voorschrift 3 van deze Bijlage](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=IV&hoofdstuk=1&artikel=3&z=2024-05-01&g=2024-05-01) is het lozen van sanitair afval van een passagiersschip in een bijzonder gebied verboden:
- .1. voor nieuwe passagiersschepen op een datum die door de Organisatie wordt vastgesteld ingevolge [voorschrift 13.2 van deze Bijlage](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=IV&hoofdstuk=4&artikel=13&z=2024-05-01&g=2024-05-01), maar in geen geval eerder dan 1 juni 2019; en
- .2. voor bestaande passagiersschepen op een datum die door de Organisatie wordt vastgesteld ingevolge [voorschrift 13.2 van deze Bijlage](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=IV&hoofdstuk=4&artikel=13&z=2024-05-01&g=2024-05-01), maar in geen geval eerder dan 1 juni 2021, behalve wanneer aan de volgende voorwaarden is voldaan: het schip heeft een installatie voor het behandelen van sanitair afval in gebruik die door de Administratie gecertificeerd is teneinde te voldoen aan de operationele vereisten bedoeld in [voorschrift 9.2.1 van deze Bijlage](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=IV&hoofdstuk=3&artikel=9&z=2024-05-01&g=2024-05-01), en het geloosde effluent veroorzaakt geen zichtbare drijvende vaste deeltjes noch verkleuring van het omringende water.
4. Indien het sanitair afval wordt vermengd met afval of afvalwater waarop andere Bijlagen van MARPOL van toepassing zijn, dient behalve aan de vereisten van deze Bijlage tevens aan de vereisten van die Bijlagen te worden voldaan.
##### Voorschrift 12. Ontvangstinrichtingen
- 1. De Regering van elke Partij bij het Verdrag, die van alle schepen in de wateren die onder haar rechtsmacht vallen vereist dat zij voldoen aan de eisen van [voorschrift 11.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=IV&hoofdstuk=3&artikel=11&z=2024-01-01&g=2024-01-01), verbindt zich tot het installeren in havens en laad- en losplaatsen van inrichtingen voor het in ontvangst nemen van sanitair afval, zonder onnodig oponthoud van de schepen te veroorzaken, die toereikend zijn voor de behoeften van de schepen die er gebruik van maken.
- 1. De Regering van elke Partij bij het Verdrag, die van alle schepen in de wateren die onder haar rechtsmacht vallen vereist dat zij voldoen aan de eisen van [voorschrift 11.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=IV&hoofdstuk=3&artikel=11&z=2024-05-01&g=2024-05-01), verbindt zich tot het installeren in havens en laad- en losplaatsen van inrichtingen voor het in ontvangst nemen van sanitair afval, zonder onnodig oponthoud van de schepen te veroorzaken, die toereikend zijn voor de behoeften van de schepen die er gebruik van maken.
- 1bis. Kleine eilandstaten in ontwikkeling kunnen met behulp van regionale regelingen voldoen aan de vereisten van lid 1 van dit voorschrift, indien dergelijke regelingen de enige praktische manier zijn om aan deze vereisten te voldoen vanwege de unieke omstandigheden van die staten. Partijen die deelnemen aan een regionale regeling moeten een regionaal plan voor ontvangstfaciliteiten opstellen waarbij rekening wordt gehouden met de door de Organisatie opgestelde richtlijnen. De Regering van elke Partij die deelneemt aan de regeling overlegt met de Organisatie, ten behoeve van het rondsturen aan de Partijen bij dit Verdrag, over:
@@ -17591,7 +17611,17 @@
- .3. bijzonderheden van havens met beperkte voorzieningen.
- 2. De Regering van elke Partij stelt de Organisatie in kennis, opdat deze de andere betrokken Verdragsluitende Regeringen op de hoogte kan stellen, van alle gevallen waarin gesteld wordt dat de uit hoofde van dit voorschrift ter beschikking gestelde voorzieningen onvoldoende zijn.
- 2. De volgende staten kunnen met behulp van regionale regelingen voldoen aan de vereisten van de eerste paragraaf van dit voorschrift, indien dergelijke regelingen de enige praktische manier zijn om aan deze vereisten te voldoen vanwege de unieke omstandigheden van die staten: Partijen die deelnemen aan een regionale regeling moeten een regionaal plan voor ontvangstinrichtingen opstellen waarbij rekening wordt gehouden met de door de Organisatie opgestelde richtlijnen. De Regering van elke Partij die deelneemt aan de regeling overlegt met de Organisatie, ten behoeve van het rondsturen aan de Partijen bij dit Verdrag, over:
- .1. kleine eilandstaten in ontwikkeling; en
- .2. staten waarvan de kustlijn grenst aan Arctische wateren mits de regionale regelingen alleen betrekking hebben op de havens van die staten in de Arctische wateren.
- .1. de wijze waarop in het regionale plan voor ontvangstinrichtingen rekening wordt gehouden met de door de Organisatie opgestelde richtlijnen;
- .2. bijzonderheden van de aangewezen regionale ontvangstcentra voor afval van schepen rekening houdend met de door de Organisatie opgestelde richtlijnen; en
- .3. bijzonderheden van havens met beperkte voorzieningen.
##### Voorschrift 13. Ontvangstinrichtingen voor passagiersschepen in bijzondere gebieden
@@ -17603,7 +17633,7 @@
- .3. de inrichtingen zodanig worden geëxploiteerd dat zij geen onnodig oponthoud van deze passagiersschepen veroorzaken.
2. De Regering van elke betrokken partij stelt de Organisatie in kennis van de maatregelen die zijn getroffen ingevolge subparagraaf .1 van dit voorschrift. Na ontvangst van voldoende kennisgevingen in overeenstemming met subparagraaf .1 stelt de Organisatie een datum vast waarop de vereisten van [voorschrift 11.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=IV&hoofdstuk=3&artikel=11&z=2024-01-01&g=2024-01-01) ten aanzien van het betreffende gebied van kracht worden. De Organisatie stelt alle partijen ten minste twaalf maanden van tevoren in kennis van de aldus vastgestelde datum. Tot de aldus vastgestelde datum moeten schepen die in een bijzonder gebied varen voldoen aan de vereisten van voorschrift 11.1 van deze Bijlage.
2. De Regering van elke betrokken partij stelt de Organisatie in kennis van de maatregelen die zijn getroffen ingevolge subparagraaf .1 van dit voorschrift. Na ontvangst van voldoende kennisgevingen in overeenstemming met subparagraaf .1 stelt de Organisatie een datum vast waarop de vereisten van [voorschrift 11.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=IV&hoofdstuk=3&artikel=11&z=2024-05-01&g=2024-05-01) ten aanzien van het betreffende gebied van kracht worden. De Organisatie stelt alle partijen ten minste twaalf maanden van tevoren in kennis van de aldus vastgestelde datum. Tot de aldus vastgestelde datum moeten schepen die in een bijzonder gebied varen voldoen aan de vereisten van voorschrift 11.1 van deze Bijlage.
### HOOFDSTUK 5. DOOR DE HAVENSTAAT UIT TE OEFENEN CONTROLE
@@ -17613,7 +17643,7 @@
2. In de omstandigheden bedoeld in lid 1 van dit voorschrift neemt de Partij de noodzakelijke maatregelen om te verzekeren dat het schip niet uitvaart voordat de situatie in overeenstemming is gebracht met de vereisten van deze Bijlage.
3. De procedures betreffende de controle door de havenstaat voorgeschreven in [artikel 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&artikel=5&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van dit Verdrag zijn van toepassing op dit voorschrift.
3. De procedures betreffende de controle door de havenstaat voorgeschreven in [artikel 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&artikel=5&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van dit Verdrag zijn van toepassing op dit voorschrift.
4. Geen enkele bepaling van dit voorschrift mag zo worden uitgelegd dat daardoor de rechten en plichten van een Partij die de uitdrukkelijk in dit Verdrag voorziene vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord controleert, worden beperkt.
@@ -17625,7 +17655,7 @@
- 1. wordt onder **Polar Code** verstaan de Internationale Code voor schepen die in polaire wateren varen, bestaande uit een inleiding, deel I-A en deel II-A en de delen I-B en II-B, zoals aangenomen bij de resoluties MSC.385(94) en MEPC.264(68), zoals eventueel gewijzigd, op voorwaarde dat:
- .1. wijzigingen van de op het milieu betrekking hebbende bepalingen van de inleiding en hoofdstuk 4 van deel II-A van de Polar Code worden aangenomen, in werking worden gesteld en van kracht worden in overeenstemming met de bepalingen van [artikel 16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&artikel=16&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van dit Verdrag inzake de wijzigingsprocedures die van toepassing zijn op een aanhangsel bij een bijlage; en
- .1. wijzigingen van de op het milieu betrekking hebbende bepalingen van de inleiding en hoofdstuk 4 van deel II-A van de Polar Code worden aangenomen, in werking worden gesteld en van kracht worden in overeenstemming met de bepalingen van [artikel 16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&artikel=16&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van dit Verdrag inzake de wijzigingsprocedures die van toepassing zijn op een aanhangsel bij een bijlage; en
- .2. wijzigingen van deel II-B van de Polar Code worden aangenomen door de Commissie voor de Bescherming van het Mariene Milieu in overeenstemming met haar reglement van orde.
@@ -17715,15 +17745,15 @@
##### Voorschrift 3. Algemeen verbod op het lozen van vuilnis in zee
1. Het lozen van alle vuilnis in zee is verboden, tenzij in de [voorschriften 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=V&hoofdstuk=1&artikel=4&z=2024-01-01&g=2024-01-01), [5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=V&hoofdstuk=1&artikel=5&z=2024-01-01&g=2024-01-01), [6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=V&hoofdstuk=1&artikel=6&z=2024-01-01&g=2024-01-01) en [7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=V&hoofdstuk=1&artikel=7&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage en sectie 5.2 van deel II-A van de Polar Code, zoals omschreven in [voorschrift 13.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=V&hoofdstuk=3&artikel=13&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage anders is bepaald.
2. Het lozen in zee van alle plastic, met inbegrip van doch niet beperkt tot trossen en visnetten van synthetisch materiaal, plastic vuilniszakken en van verbrandingsovens afkomstige as van plastic producten is verboden, uitgezonderd zoals voorzien in [voorschrift 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=V&hoofdstuk=1&artikel=7&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage.
3. Het lozen in zee van bak- en braadolie is verboden, uitgezonderd zoals voorzien in [voorschrift 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=V&hoofdstuk=1&artikel=7&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage.
1. Het lozen van alle vuilnis in zee is verboden, tenzij in de [voorschriften 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=V&hoofdstuk=1&artikel=4&z=2024-05-01&g=2024-05-01), [5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=V&hoofdstuk=1&artikel=5&z=2024-05-01&g=2024-05-01), [6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=V&hoofdstuk=1&artikel=6&z=2024-05-01&g=2024-05-01) en [7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=V&hoofdstuk=1&artikel=7&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage en sectie 5.2 van deel II-A van de Polar Code, zoals omschreven in [voorschrift 13.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=V&hoofdstuk=3&artikel=13&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage anders is bepaald.
2. Het lozen in zee van alle plastic, met inbegrip van doch niet beperkt tot trossen en visnetten van synthetisch materiaal, plastic vuilniszakken en van verbrandingsovens afkomstige as van plastic producten is verboden, uitgezonderd zoals voorzien in [voorschrift 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=V&hoofdstuk=1&artikel=7&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage.
3. Het lozen in zee van bak- en braadolie is verboden, uitgezonderd zoals voorzien in [voorschrift 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=V&hoofdstuk=1&artikel=7&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage.
##### Voorschrift 4. Lozen van vuilnis buiten bijzondere gebieden
1. Behoudens de bepalingen van de [voorschriften 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=V&hoofdstuk=1&artikel=5&z=2024-01-01&g=2024-01-01), [6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=V&hoofdstuk=1&artikel=6&z=2024-01-01&g=2024-01-01) en [7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=V&hoofdstuk=1&artikel=7&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage, is het lozen in zee van het onderstaande vuilnis buiten bijzondere gebieden uitsluitend toegestaan wanneer het schip onderweg is en zo ver als mogelijk van het dichtstbijzijnde land, maar in ieder geval niet minder dan:
1. Behoudens de bepalingen van de [voorschriften 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=V&hoofdstuk=1&artikel=5&z=2024-05-01&g=2024-05-01), [6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=V&hoofdstuk=1&artikel=6&z=2024-05-01&g=2024-05-01) en [7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=V&hoofdstuk=1&artikel=7&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage, is het lozen in zee van het onderstaande vuilnis buiten bijzondere gebieden uitsluitend toegestaan wanneer het schip onderweg is en zo ver als mogelijk van het dichtstbijzijnde land, maar in ieder geval niet minder dan:
- .1. 3 zeemijlen van het dichtstbijzijnde land voor voedselresten die door een afbreek- of maalinstallatie zijn gevoerd. Deze afgebroken of gemalen voedselresten dienen een rooster met gaten van maximaal 25 mm doorsnee te kunnen passeren.
@@ -17777,7 +17807,7 @@
##### Voorschrift 7. Uitzonderingen
1. De [voorschriften 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=V&hoofdstuk=1&artikel=3&z=2024-01-01&g=2024-01-01), [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=V&hoofdstuk=1&artikel=4&z=2024-01-01&g=2024-01-01), [5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=V&hoofdstuk=1&artikel=5&z=2024-01-01&g=2024-01-01) en [6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=V&hoofdstuk=1&artikel=6&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage en sectie 5.2 van hoofdstuk 5 van deel II-A van de Polar Code zijn niet van toepassing op:
1. De [voorschriften 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=V&hoofdstuk=1&artikel=3&z=2024-05-01&g=2024-05-01), [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=V&hoofdstuk=1&artikel=4&z=2024-05-01&g=2024-05-01), [5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=V&hoofdstuk=1&artikel=5&z=2024-05-01&g=2024-05-01) en [6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=V&hoofdstuk=1&artikel=6&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage en sectie 5.2 van hoofdstuk 5 van deel II-A van de Polar Code zijn niet van toepassing op:
- .1. het lozen van vuilnis van een schip indien dit noodzakelijk is teneinde de veiligheid van een schip en de opvarenden te waarborgen of om mensenlevens op zee te redden; of
@@ -17789,9 +17819,9 @@
2. Uitzondering voor schepen onderweg
- .1. De vereisten voor schepen die onderweg zijn in de [voorschriften 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=1&artikel=4&z=2024-01-01&g=2024-01-01) en [6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=V&hoofdstuk=1&artikel=6&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage en van hoofdstuk 5 van deel II-A van de Polar Code, zijn niet van toepassing op het lozen van voedselresten wanneer duidelijk is dat het aan boord houden van deze voedselresten een direct risico voor de gezondheid van de opvarenden oplevert.
##### Voorschrift 8. Ontvangstinstallaties
- .1. De vereisten voor schepen die onderweg zijn in de [voorschriften 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=1&artikel=4&z=2024-05-01&g=2024-05-01) en [6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=V&hoofdstuk=1&artikel=6&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage en van hoofdstuk 5 van deel II-A van de Polar Code, zijn niet van toepassing op het lozen van voedselresten wanneer duidelijk is dat het aan boord houden van deze voedselresten een direct risico voor de gezondheid van de opvarenden oplevert.
##### Voorschrift 8. Ontvangstinrichtingen
1. Elke partij verbindt zich ertoe te waarborgen dat havens en laad- en losplaatsen zijn voorzien van toereikende installaties voor het in ontvangst nemen van vuilnis, zonder onnodig oponthoud van schepen te veroorzaken, volgens de behoeften van de schepen die er gebruik van maken.
@@ -17799,7 +17829,7 @@
- .1. Elke partij wier kustlijn grenst aan een bijzonder gebied verbindt zich ertoe te waarborgen dat zo spoedig mogelijk alle havens en laad- en losplaatsen binnen het bijzondere gebied worden voorzien van toereikende ontvangstinstallaties, rekening houdend met de behoeften van schepen die in deze gebieden geëxploiteerd worden.
- .2. Elke betrokken partij stelt de Organisatie in kennis van de maatregelen die zijn getroffen ingevolge paragraaf 2.1 van dit voorschrift. Na ontvangst van voldoende kennisgevingen stelt de Organisatie een datum vast waarop de vereisten van [voorschrift 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=V&hoofdstuk=1&artikel=6&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage ten aanzien van het betrokken gebied van kracht dienen te worden. De Organisatie stelt alle partijen ten minste twaalf maanden van tevoren in kennis van de vastgestelde datum. Tot de aldus vastgestelde datum dienen schepen die in een bijzonder gebied varen te voldoen aan de vereisten van [voorschrift 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=V&hoofdstuk=1&artikel=4&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage wat betreft lozingen buiten bijzondere gebieden.
- .2. Elke betrokken partij stelt de Organisatie in kennis van de maatregelen die zijn getroffen ingevolge paragraaf 2.1 van dit voorschrift. Na ontvangst van voldoende kennisgevingen stelt de Organisatie een datum vast waarop de vereisten van [voorschrift 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=V&hoofdstuk=1&artikel=6&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage ten aanzien van het betrokken gebied van kracht dienen te worden. De Organisatie stelt alle partijen ten minste twaalf maanden van tevoren in kennis van de vastgestelde datum. Tot de aldus vastgestelde datum dienen schepen die in een bijzonder gebied varen te voldoen aan de vereisten van [voorschrift 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=V&hoofdstuk=1&artikel=4&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage wat betreft lozingen buiten bijzondere gebieden.
2bis. Kleine eilandstaten in ontwikkeling kunnen met behulp van regionale regelingen voldoen aan de vereisten van de leden 1 en 2.1 van dit voorschrift, indien dergelijke regelingen de enige praktische manier zijn om aan deze vereisten te voldoen vanwege de unieke omstandigheden van die staten. Partijen die deelnemen aan een regionale regeling moeten een regionaal plan voor ontvangstfaciliteiten opstellen waarbij rekening wordt gehouden met de door de Organisatie opgestelde richtlijnen.
@@ -17811,7 +17841,21 @@
- .3. bijzonderheden van havens met beperkte voorzieningen.
3. Elke partij stelt de Organisatie in kennis van alle gevallen waarin de installaties die ingevolge de bepalingen van dit voorschrift zijn aangebracht, als ontoereikend worden aangemerkt, waarna de Organisatie de betrokken Verdragsluitende Partijen op de hoogte stelt.
3. De volgende staten kunnen met behulp van regionale regelingen voldoen aan de vereisten van de paragrafen 1 en 2.1 van dit voorschrift, indien dergelijke regelingen de enige praktische manier zijn om aan deze vereisten te voldoen vanwege de unieke omstandigheden van die staten:
- .1. kleine eilandstaten in ontwikkeling; en
- .2. staten waarvan de kustlijn grenst aan Arctische wateren mits de regionale regelingen alleen betrekking hebben op de havens van die staten in de Arctische wateren.
Partijen die deelnemen aan een regionale regeling moeten een regionaal plan voor ontvangstinrichtingen opstellen waarbij rekening wordt gehouden met de door de Organisatie opgestelde richtlijnen.
De Regering van elke Partij die deelneemt aan de regeling overlegt met de Organisatie, ten behoeve van het rondsturen aan de Partijen bij dit Verdrag, over:
- .1. de wijze waarop in het regionale plan voor ontvangstinrichtingen rekening wordt gehouden met de door de Organisatie opgestelde richtlijnen;
- .2. bijzonderheden van de aangewezen regionale ontvangstcentra voor afval van schepen rekening houdend met de door de Organisatie opgestelde richtlijnen; en
- .3. bijzonderheden van havens met beperkte voorzieningen.
##### Voorschrift 9. Havenstaatcontrole op operationele vereisten
@@ -17819,23 +17863,23 @@
2. In de omstandigheden bedoeld in de eerste paragraaf van dit voorschrift, neemt de partij de noodzakelijke maatregelen om te waarborgen dat het schip niet uitvaart totdat de situatie in overeenstemming is gebracht met de vereisten van deze Bijlage.
3. De procedures betreffende havenstaatcontrole voorgeschreven in [artikel 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&artikel=5&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van dit Verdrag zijn van toepassing op dit voorschrift.
3. De procedures betreffende havenstaatcontrole voorgeschreven in [artikel 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&artikel=5&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van dit Verdrag zijn van toepassing op dit voorschrift.
4. Geen enkele bepaling van dit voorschrift mag zo worden uitgelegd dat daardoor de rechten en plichten van een partij die de uitdrukkelijk in dit Verdrag genoemde operationele vereisten aan boord controleert, worden beperkt.
##### Voorschrift 10. Plakkaten, vuilnisbeheerplannen en het bijhouden van het vuilnisjournaal
- .1. Elk schip met een lengte over alles van 12 meter of meer en elk vast of drijvend platform dient plakkaten te tonen die de bemanning en de passagiers informeren over de lozingsvoorwaarden in de [voorschriften 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=V&hoofdstuk=1&artikel=3&z=2024-01-01&g=2024-01-01), [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=V&hoofdstuk=1&artikel=4&z=2024-01-01&g=2024-01-01), [5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=V&hoofdstuk=1&artikel=5&z=2024-01-01&g=2024-01-01) en [6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=V&hoofdstuk=1&artikel=6&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage en sectie 5.2 van deel II-A van de Polar Code, voor zover van toepassing.
- .1. Elk schip met een lengte over alles van 12 meter of meer en elk vast of drijvend platform dient plakkaten te tonen die de bemanning en de passagiers informeren over de lozingsvoorwaarden in de [voorschriften 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=V&hoofdstuk=1&artikel=3&z=2024-05-01&g=2024-05-01), [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=V&hoofdstuk=1&artikel=4&z=2024-05-01&g=2024-05-01), [5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=V&hoofdstuk=1&artikel=5&z=2024-05-01&g=2024-05-01) en [6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=V&hoofdstuk=1&artikel=6&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage en sectie 5.2 van deel II-A van de Polar Code, voor zover van toepassing.
- .2. De informatie op de plakkaten wordt geschreven in de werktaal van de bemanning van het schip en, ten aanzien van schepen die reizen maken naar havens of laad- en losplaatsen buitengaats binnen de rechtsmacht van andere partijen bij het Verdrag, tevens in het Engels, Frans of Spaans.
2. Ieder schip met een brutotonnage van 100 of meer en ieder schip dat gecertificeerd is 15 personen of meer te vervoeren alsmede vaste of drijvende platforms moeten een vuilnisbeheerplan hebben, dat de bemanning dient na te komen. Dit plan voorziet in schriftelijke procedures voor het minimaliseren, verzamelen, opslaan, verwerken en verwijderen van vuilnis, met inbegrip van het gebruik van de uitrusting aan boord. In het plan worden tevens de persoon of personen aangewezen die belast zijn met de uitvoering van het plan. Een dergelijk plan dient in overeenstemming te zijn met de richtsnoeren die zijn ontwikkeld door de Organisatie2 en dient te zijn geschreven in de werktaal van de bemanning.
3. Ieder schip met een brutotonnage van 400 of meer en ieder schip dat gecertificeerd is om 15 personen of meer te vervoeren en dat reizen maakt naar havens of laad- en losplaatsen buitengaats binnen de rechtsmacht van een andere partij bij het Verdrag en elk vast of drijvend platform dient te zijn voorzien van een vuilnisjournaal. Het Vuilnisjournaal, hetzij als onderdeel van het scheepsjournaal, als elektronisch journaal dat door de Administratie dient te worden goedgekeurd rekening houdend met de door de Organisatie opgestelde richtlijnen, of anderszins, dient te zijn ingedeeld volgens het model zoals aangegeven in Aanhangsel II bij deze Bijlage.
3. Ieder schip met een brutotonnage van 100 en meer en ieder schip dat gecertificeerd is om 15 personen of meer te vervoeren en dat reizen maakt naar havens of laad- en losplaatsen buitengaats onder de rechtsmacht van een andere partij bij het Verdrag en elk vast of drijvend platform dient te zijn voorzien van een vuilnisjournaal. Het Vuilnisjournaal, hetzij als onderdeel van het scheepsjournaal, als elektronisch journaal dat door de Administratie dient te worden goedgekeurd rekening houdend met de door de Organisatie opgestelde richtlijnen, of anderszins, dient te zijn ingedeeld volgens het model zoals aangegeven in Aanhangsel II bij deze Bijlage.
- .1. Elke lozing in zee of naar een ontvangstinstallatie of een volledige verbranding dient onmiddellijk te worden aangetekend in het vuilnisjournaal, en deze aantekening dient te worden ondertekend op de datum van de lozing of verbranding door de verantwoordelijke officier. Elke ingevulde bladzijde of groep van elektronische aantekeningen van het vuilnisjournaal dient te worden ondertekend door de kapitein van het schip. De aantekeningen in het vuilnisjournaal dienen ten minste in het Engels, Frans of Spaans te worden gesteld. Wanneer de aantekeningen tevens zijn gesteld in een officiële taal van de Staat waarvan het schip gerechtigd is de vlag te voeren, zijn de aantekeningen in die taal doorslaggevend in geval van een geschil of een tegenstrijdigheid;
- .2. De aantekening van elke lozing in zee ingevolge de [voorschriften 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=V&hoofdstuk=1&artikel=4&z=2024-01-01&g=2024-01-01), [5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=V&hoofdstuk=1&artikel=5&z=2024-01-01&g=2024-01-01), [6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=V&hoofdstuk=1&artikel=6&z=2024-01-01&g=2024-01-01) of sectie 5.2 van hoofdstuk 5 van deel II-A van de Polar Code dient mede de datum en het tijdstip, de positie van het schip (breedtegraad en lengtegraad), de categorie van het vuilnis en de geschatte geloosde hoeveelheid (in kubieke meters) te omvatten. Bij het lozen van ladingrestanten dient in aanvulling op het voorgaande ook de positie van het schip bij het begin en het einde van de lozing te worden vermeld;
- .2. De aantekening van elke lozing in zee ingevolge de [voorschriften 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=V&hoofdstuk=1&artikel=4&z=2024-05-01&g=2024-05-01), [5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=V&hoofdstuk=1&artikel=5&z=2024-05-01&g=2024-05-01), [6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=V&hoofdstuk=1&artikel=6&z=2024-05-01&g=2024-05-01) of sectie 5.2 van hoofdstuk 5 van deel II-A van de Polar Code dient mede de datum en het tijdstip, de positie van het schip (breedtegraad en lengtegraad), de categorie van het vuilnis en de geschatte geloosde hoeveelheid (in kubieke meters) te omvatten. Bij het lozen van ladingrestanten dient in aanvulling op het voorgaande ook de positie van het schip bij het begin en het einde van de lozing te worden vermeld;
- .3. De aantekening van elke voltooide verbranding dient mede de datum en het tijdstip en de positie van het schip (breedtegraad en lengtegraad) bij het begin en het einde van de verbranding, de categorieën van het verbrande vuilnis en de geschatte hoeveelheid voor elke categorie in kubieke meters te omvatten;
@@ -17843,7 +17887,7 @@
- .5. Het vuilnisjournaal dient tezamen met de ontvangstbewijzen van ontvangstinrichtingen aan boord van het schip of het vaste of drijvende platform te worden bewaard en op een plaats waar het direct beschikbaar is voor inspectie op elk redelijk tijdstip. Het document dient gedurende een termijn van ten minste twee jaar na de laatste aantekening te worden bewaard;
- .6. In geval van lozing of onbedoeld verlies als bedoeld in [voorschrift 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=V&hoofdstuk=1&artikel=7&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage dient in het vuilnisjournaal of, bij schepen van minder dan 400 brutoton in het scheepsjournaal een aantekening te worden gemaakt van de datum en het tijdstip van het voorval, de haven of positie van het schip op het tijdstip van het voorval (breedtegraad, lengtegraad en waterdiepte indien bekend), de reden voor het lozen of het verlies, details van de geloosde of verloren items, de categorieën van geloosd of verloren vuilnis, de geschatte hoeveelheid voor elke categorie in kubieke meters, redelijke voorzorgsmaatregelen die zijn genomen om een dergelijke lozing of dergelijk verlies te voorkomen of tot een minimum te beperken en algemene opmerkingen.
- .6. In geval van lozing of onbedoeld verlies als bedoeld in [voorschrift 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=V&hoofdstuk=1&artikel=7&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage dient in het vuilnisjournaal of, bij schepen van minder dan 100 brutoton in het scheepsjournaal, een aantekening te worden gemaakt van de datum en het tijdstip van het voorval, de haven of positie van het schip op het tijdstip van het voorval (breedtegraad, lengtegraad en waterdiepte indien bekend), de reden voor het lozen of het verlies, details van de geloosde of verloren items, de categorieën van geloosd of verloren vuilnis, de geschatte hoeveelheid voor elke categorie in kubieke meters, redelijke voorzorgsmaatregelen die zijn genomen om een dergelijke lozing of dergelijk verlies te voorkomen of tot een minimum te beperken en algemene opmerkingen.
4. De Administratie kan ontheffing verlenen van de eisen voor vuilnisjournaals voor:
@@ -17853,7 +17897,7 @@
5. De bevoegde autoriteit van de Regering van een partij bij het Verdrag kan het vuilnisjournaal of het scheepsjournaal controleren aan boord van elk schip waarop dit voorschrift van toepassing is, terwijl het schip zich in een haven of een laad- of losplaats buitengaats van dat land bevindt, en een afschrift maken van elke aantekening in deze journaals, en van de kapitein van het schip verlangen dat deze het afschrift waarmerkt als een waarheidsgetrouw afschrift van de betreffende aantekening. Elk aldus vervaardigd afschrift dat de kapitein van het schip als een waarheidsgetrouw afschrift van een aantekening in het vuilnisjournaal of het scheepsjournaal van het schip heeft gewaarmerkt, dient bij alle gerechtelijke procedures te worden toegelaten als bewijsstuk voor de in die aantekening vermelde feiten. De inspectie van een vuilnisjournaal of scheepsjournaal en de vervaardiging van een gewaarmerkt afschrift door de bevoegde autoriteit ingevolge deze paragraaf dienen zo snel mogelijk te geschieden zonder voor het schip onnodig oponthoud te veroorzaken.
6. Het onbedoelde verlies of lozen van vistuig zoals voorzien in de [voorschriften 7.1.3 en 7.1.3bis](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=V&hoofdstuk=1&artikel=7&z=2024-01-01&g=2024-01-01) dat een ernstige bedreiging vormt voor het mariene milieu of de scheepvaart wordt gemeld aan de Staat waarvan het schip gerechtigd is de vlag te voeren, en, wanneer het verlies of lozen plaatsvindt in wateren die vallen onder de rechtsmacht van een kuststaat, tevens aan deze kuststaat.
6. Het onbedoelde verlies of lozen van vistuig zoals voorzien in de [voorschriften 7.1.3 en 7.1.3bis](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=V&hoofdstuk=1&artikel=7&z=2024-05-01&g=2024-05-01) dat een ernstige bedreiging vormt voor het mariene milieu of de scheepvaart wordt gemeld aan de Staat waarvan het schip gerechtigd is de vlag te voeren, en, wanneer het verlies of lozen plaatsvindt in wateren die vallen onder de rechtsmacht van een kuststaat, tevens aan deze kuststaat.
### HOOFDSTUK 2. VERIFICATIE VAN DE NALEVING VAN DE BEPALINGEN VAN DEZE BIJLAGE
@@ -17883,7 +17927,7 @@
- 1. wordt onder **Polar Code** verstaan de Internationale Code voor schepen die in polaire wateren varen, bestaande uit een inleiding, deel I-A en deel II-A en de delen I-B en II-B, zoals aangenomen bij de resoluties MSC.385(94) en MEPC.264(68), zoals eventueel gewijzigd, op voorwaarde dat:
- .1. wijzigingen van de op het milieu betrekking hebbende bepalingen van de inleiding en hoofdstuk 5 van deel II-A van de Polar Code worden aangenomen, in werking worden gesteld en van kracht worden in overeenstemming met de bepalingen van [artikel 16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&artikel=16&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van dit Verdrag inzake de wijzigingsprocedures die van toepassing zijn op een aanhangsel bij een bijlage; en
- .1. wijzigingen van de op het milieu betrekking hebbende bepalingen van de inleiding en hoofdstuk 5 van deel II-A van de Polar Code worden aangenomen, in werking worden gesteld en van kracht worden in overeenstemming met de bepalingen van [artikel 16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&artikel=16&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van dit Verdrag inzake de wijzigingsprocedures die van toepassing zijn op een aanhangsel bij een bijlage; en
- .2. wijzigingen van deel II-B van de Polar Code worden aangenomen door de Commissie voor de Bescherming van het Mariene Milieu in overeenstemming met haar reglement van orde.
@@ -17907,7 +17951,7 @@
1. Voor de toepassing van deze Bijlage:
- 1. wordt onder **Bijlage** verstaan [Bijlage VI](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&z=2024-01-01&g=2024-01-01) bij het Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen, 1973 (MARPOL), zoals gewijzigd door het [Protocol daarbij van 1978](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003287), en zoals gewijzigd door het [Protocol van 1997](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003459), zoals gewijzigd door de Organisatie, op voorwaarde dat deze wijzigingen worden aangenomen en van kracht worden overeenkomstig het bepaalde in [artikel 16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&artikel=16&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van dit Verdrag.
- 1. wordt onder **Bijlage** verstaan [Bijlage VI](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&z=2024-05-01&g=2024-05-01) bij het Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen, 1973 (MARPOL), zoals gewijzigd door het [Protocol daarbij van 1978](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003287), en zoals gewijzigd door het [Protocol van 1997](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003459), zoals gewijzigd door de Organisatie, op voorwaarde dat deze wijzigingen worden aangenomen en van kracht worden overeenkomstig het bepaalde in [artikel 16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&artikel=16&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van dit Verdrag.
- 2. wordt onder een **soortgelijk bouwstadium** verstaan het stadium waarin:
@@ -17935,7 +17979,7 @@
- 12. wordt onder **emissie** verstaan elk vrijkomen vanaf schepen in de atmosfeer of de zee van stoffen die onder de beheersing uit hoofde van deze Bijlage vallen.
- 13. wordt onder **gebied voor emissiebeheersing** verstaan een gebied waar aanneming van bijzondere verplichte maatregelen voor emissies door schepen vereist is teneinde luchtverontreiniging door NOx, SOx en fijnstof of een combinatie ervan en de daarmee gepaard gaande schadelijke invloed op de volksgezondheid en het milieu te voorkomen, beperken en beheersen. Gebieden voor emissiebeheersing omvatten de gebieden genoemd in of aangewezen conform de [voorschriften 13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=3&artikel=13&z=2024-01-01&g=2024-01-01) en [14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=3&artikel=13&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage.
- 13. wordt onder **gebied voor emissiebeheersing** verstaan een gebied waar aanneming van bijzondere verplichte maatregelen voor emissies door schepen vereist is teneinde luchtverontreiniging door NOx, SOx en fijnstof of een combinatie ervan en de daarmee gepaard gaande schadelijke invloed op de volksgezondheid en het milieu te voorkomen, beperken en beheersen. Gebieden voor emissiebeheersing omvatten de gebieden genoemd in of aangewezen conform de [voorschriften 13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=3&artikel=13&z=2024-05-01&g=2024-05-01) en [14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=3&artikel=13&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage.
- 14. wordt onder **brandstofolie** verstaan brandstof geleverd aan en gebruikt voor verbrandingsdoeleinden voor de voortstuwing of bedrijfsdoeleinden aan boord van een schip, met inbegrip van gas, destillaten en residuale brandstoffen.
@@ -17943,7 +17987,7 @@
- 16. wordt onder **in-gebruik-monster**verstaan een monster van brandstofolie die op een schip wordt gebruikt.
- 17. wordt onder **installaties** met betrekking tot [voorschrift 12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=3&artikel=12&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage verstaan de installatie van systemen, uitrusting, met inbegrip van draagbare brandblusvoorzieningen, isolatie of ander materiaal op een schip, echter met uitzondering van het herstel of opnieuw vullen van eerder geïnstalleerde systemen, uitrusting, isolatie of ander materiaal of het opnieuw vullen van draagbare brandblusvoorzieningen.
- 17. wordt onder **installaties** met betrekking tot [voorschrift 12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=3&artikel=12&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage verstaan de installatie van systemen, uitrusting, met inbegrip van draagbare brandblusvoorzieningen, isolatie of ander materiaal op een schip, echter met uitzondering van het herstel of opnieuw vullen van eerder geïnstalleerde systemen, uitrusting, isolatie of ander materiaal of het opnieuw vullen van draagbare brandblusvoorzieningen.
- 18. wordt onder **geïnstalleerde motor** verstaan een scheepsdieselmotor die geïnstalleerd is of dient te worden op een schip, met inbegrip van verplaatsbare hulpscheepsdieselmotoren mits het brandstoftoevoer-, koelings- of uitlaatsysteem vast onderdeel uitmaakt van het schip. Een brandstoftoevoersysteem wordt uitsluitend als een vast onderdeel van het schip aangemerkt indien het duurzaam verbonden is met het schip. Deze omschrijving omvat mede scheepsdieselmotoren die worden gebruikt ter aanvulling of versterking van de geïnstalleerde capaciteit van een schip en beoogd zijn als een integrerend onderdeel ervan.
@@ -17951,11 +17995,11 @@
- 20. wordt onder **brandstof met een laag vlampunt** verstaan een gasvormige of vloeibare brandstof met een vlampunt dat lager ligt dan anderszins is toegestaan uit hoofde van [paragraaf 2.1.1 van voorschrift 4 van Hoofdstuk II-2 van het Internationaal Verdrag voor de beveiliging van mensenlevens op zee (SOLAS), 1974](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003264&artikel=4), zoals gewijzigd.
- 21. wordt onder **scheepsdieselmotor** verstaan een interne-zuigerverbrandingsmotor die op vloeibare brandstoffen of dual fuel functioneert en waarop [voorschrift 13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=3&artikel=13&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage van toepassing is, met inbegrip van eventueel toegepaste drukvullings- of compoundsystemen. Een door gas aangedreven motor die wordt geïnstalleerd op een schip gebouwd op of na 1 maart 2016 of een door gas aangedreven aanvullende of niet-identieke vervangende motor die op of na die datum wordt geïnstalleerd wordt eveneens als scheepsdieselmotor beschouwd.
- 22. wordt onder **monster geleverd uit hoofde van MARPOL** verstaan het brandstofoliemonster dat is geleverd in overeenstemming met [voorschrift 18.8.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=3&artikel=18&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage.
- 23. wordt onder de **NOx Technische Code** verstaan de Technische code inzake de beheersing van de emissie van stikstofoxiden door scheepsdieselmotoren, aangenomen bij resolutie 2 van de MARPOL- conferentie van 1997, zoals gewijzigd door de Organisatie, op voorwaarde dat deze wijzigingen worden aangenomen en van kracht worden in overeenstemming met het bepaalde in [artikel 16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&artikel=16&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van dit Verdrag.
- 21. wordt onder **scheepsdieselmotor** verstaan een interne-zuigerverbrandingsmotor die op vloeibare brandstoffen of dual fuel functioneert en waarop [voorschrift 13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=3&artikel=13&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage van toepassing is, met inbegrip van eventueel toegepaste drukvullings- of compoundsystemen. Een door gas aangedreven motor die wordt geïnstalleerd op een schip gebouwd op of na 1 maart 2016 of een door gas aangedreven aanvullende of niet-identieke vervangende motor die op of na die datum wordt geïnstalleerd wordt eveneens als scheepsdieselmotor beschouwd.
- 22. wordt onder **monster geleverd uit hoofde van MARPOL** verstaan het brandstofoliemonster dat is geleverd in overeenstemming met [voorschrift 18.8.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=3&artikel=18&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage.
- 23. wordt onder de **NOx Technische Code** verstaan de Technische code inzake de beheersing van de emissie van stikstofoxiden door scheepsdieselmotoren, aangenomen bij resolutie 2 van de MARPOL- conferentie van 1997, zoals gewijzigd door de Organisatie, op voorwaarde dat deze wijzigingen worden aangenomen en van kracht worden in overeenstemming met het bepaalde in [artikel 16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&artikel=16&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van dit Verdrag.
- 24. wordt onder **aan-boord-monster** verstaan een monster van brandstofolie die bestemd is of wordt vervoerd voor gebruik aan boord van dat schip.
@@ -17981,7 +18025,7 @@
- 30. wordt onder **zwavelgehalte van brandstofolie**verstaan de zwavelconcentratie in een brandstofolie, gemeten in % m/m zoals getest in overeenstemming met een norm die aanvaardbaar is voor de Organisatie.
- 31. wordt onder **tankschip** in verband met [voorschrift 15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=3&artikel=15&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage verstaan een olietankschip als omschreven in [voorschrift 1 van Bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=1&artikel=1&z=2024-01-01&g=2024-01-01) bij dit Verdrag of een chemicaliëntankschip als omschreven in [voorschrift 1 van Bijlage II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=II&hoofdstuk=2&z=2024-01-01&g=2024-01-01) bij dit Verdrag.
- 31. wordt onder **tankschip** in verband met [voorschrift 15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=3&artikel=15&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage verstaan een olietankschip als omschreven in [voorschrift 1 van Bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=1&artikel=1&z=2024-05-01&g=2024-05-01) bij dit Verdrag of een chemicaliëntankschip als omschreven in [voorschrift 1 van Bijlage II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=II&hoofdstuk=2&z=2024-05-01&g=2024-05-01) bij dit Verdrag.
- 32. wordt onder **onbemande duwbak zonder eigen voortstuwing (UNSP)** verstaan een duwbak die:
@@ -18001,11 +18045,11 @@
- 3. waarvan de oplevering plaatsvindt op of na 1 september 2019.
- 2. wordt onder de **bereikte jaarlijkse operationele KII** verstaan de operationele indicatorwaarde voor koolstofintensiteit die door een afzonderlijk schip wordt bereikt overeenkomstig de [voorschriften 26](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=4&artikel=28&z=2024-01-01&g=2024-01-01) en [28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=4&artikel=26&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage.
- 3. wordt onder **bereikte EEDI** verstaan de EEDI-waarde die door een individueel schip wordt behaald in overeenstemming met [voorschrift 22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=4&artikel=22&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage.
- 4. wordt onder **bereikte EEXI** verstaan de EEXI-waarde die door een individueel schip wordt behaald in overeenstemming met [voorschrift 23](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=4&artikel=23&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage.
- 2. wordt onder de **bereikte jaarlijkse operationele KII** verstaan de operationele indicatorwaarde voor koolstofintensiteit die door een afzonderlijk schip wordt bereikt overeenkomstig de [voorschriften 26](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=4&artikel=28&z=2024-05-01&g=2024-05-01) en [28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=4&artikel=26&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage.
- 3. wordt onder **bereikte EEDI** verstaan de EEDI-waarde die door een individueel schip wordt behaald in overeenstemming met [voorschrift 22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=4&artikel=22&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage.
- 4. wordt onder **bereikte EEXI** verstaan de EEXI-waarde die door een individueel schip wordt behaald in overeenstemming met [voorschrift 23](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=4&artikel=23&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage.
- 5. wordt onder **bulkcarrier** verstaan een schip dat hoofdzakelijk bedoeld is voor het vervoer van droge lading in bulk, met inbegrip van scheepstypen als ertsschepen zoals omschreven in [Hoofdstuk XII, voorschrift 1, van het Internationaal Verdrag voor de beveiliging van mensenlevens op zee (SOLAS), 1974](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003264&artikel=1) (zoals gewijzigd) maar uitgezonderd combinatietankschepen.
@@ -18041,7 +18085,7 @@
- 4. waardoor het schip anderszins zodanig verandert dat het, indien het een nieuw schip zou betreffen, zou worden onderworpen aan de desbetreffende bepalingen van dit Verdrag die niet op een bestaand schip van toepassing zijn; of
- 5. waardoor de energie-efficiëntie van het schip in belangrijke mate verandert en die gepaard gaat met aanpassingen waardoor het schip de van toepassing zijnde vereiste EEDI, zoals vervat in [voorschrift 24](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=4&artikel=24&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage, of de van toepassing zijnde vereiste EEXI, zoals vervat in [voorschrift 25](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=4&artikel=25&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage, zou kunnen overschrijden.
- 5. waardoor de energie-efficiëntie van het schip in belangrijke mate verandert en die gepaard gaat met aanpassingen waardoor het schip de van toepassing zijnde vereiste EEDI, zoals vervat in [voorschrift 24](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=4&artikel=24&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage, of de van toepassing zijnde vereiste EEXI, zoals vervat in [voorschrift 25](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=4&artikel=25&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage, zou kunnen overschrijden.
- 18. onder **nieuw schip** wordt verstaan een schip:
@@ -18057,17 +18101,17 @@
- 21. wordt onder **Polar Code** verstaan de Internationale Code voor schepen die in polaire wateren varen, bestaande uit een inleiding en de delen I-A en II-A en I-B en II-B, zoals aangenomen bij de resoluties MSC.385(94) en MEPC.264(68), zoals eventueel gewijzigd, op voorwaarde dat:
- 1. wijzigingen van de op het milieu betrekking hebbende bepalingen van de inleiding en hoofdstuk 1 van deel II-A van de Polar Code worden aangenomen, in werking worden gesteld en van kracht worden in overeenstemming met de bepalingen van [artikel 16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&artikel=16&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van dit Verdrag inzake de wijzigingsprocedures die van toepassing zijn op een aanhangsel bij een bijlage; en
- 1. wijzigingen van de op het milieu betrekking hebbende bepalingen van de inleiding en hoofdstuk 1 van deel II-A van de Polar Code worden aangenomen, in werking worden gesteld en van kracht worden in overeenstemming met de bepalingen van [artikel 16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&artikel=16&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van dit Verdrag inzake de wijzigingsprocedures die van toepassing zijn op een aanhangsel bij een bijlage; en
- 2. wijzigingen van deel II-B van de Polar Code worden aangenomen door de Commissie voor de Bescherming van het Mariene Milieu in overeenstemming met haar reglement van orde.
- 22. wordt onder **koelschip** verstaan een schip dat uitsluitend ontworpen is voor het vervoer van gekoelde lading in laadruimen.
- 23. wordt onder **vereiste jaarlijkse KII** verstaan de streefwaarde van de bereikte jaarlijkse operationele KII overeenkomstig de [voorschriften 26](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=4&artikel=26&z=2024-01-01&g=2024-01-01) en [28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=4&artikel=28&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage voor het specifieke scheepstype en de omvang.
- 24. wordt onder **vereiste EEDI** verstaan de maximumwaarde van de bereikte EEDI die ingevolge [voorschrift 24](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=4&artikel=24&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage is toegestaan voor het specifieke scheepstype en de omvang.
- 25. wordt onder **vereiste EEXI** verstaan de maximumwaarde van de bereikte EEXI die ingevolge [voorschrift 25](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=4&artikel=25&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage is toegestaan voor het specifieke scheepstype en de omvang.
- 23. wordt onder **vereiste jaarlijkse KII** verstaan de streefwaarde van de bereikte jaarlijkse operationele KII overeenkomstig de [voorschriften 26](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=4&artikel=26&z=2024-05-01&g=2024-05-01) en [28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=4&artikel=28&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage voor het specifieke scheepstype en de omvang.
- 24. wordt onder **vereiste EEDI** verstaan de maximumwaarde van de bereikte EEDI die ingevolge [voorschrift 24](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=4&artikel=24&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage is toegestaan voor het specifieke scheepstype en de omvang.
- 25. wordt onder **vereiste EEXI** verstaan de maximumwaarde van de bereikte EEXI die ingevolge [voorschrift 25](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=4&artikel=25&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage is toegestaan voor het specifieke scheepstype en de omvang.
- 26. wordt onder **rorovrachtschip** verstaan een schip ontworpen voor het vervoer van rij-op-rij-af-ladingvervoerseenheden.
@@ -18075,7 +18119,7 @@
- 28. wordt onder **roropassagiersschip** verstaan een passagiersschip met rij-op-rij-af-laadruimen.
- 29. wordt onder **tankschip** verstaan een olietankschip als omschreven in [voorschrift 1 van Bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=1&artikel=1&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van dit Verdrag of een chemicaliëntankschip of een NLS-tankschip zoals omschreven in [voorschrift 1 van Bijlage II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=II&hoofdstuk=2&z=2024-01-01&g=2024-01-01) bij dit Verdrag.
- 29. wordt onder **tankschip** verstaan een olietankschip als omschreven in [voorschrift 1 van Bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&hoofdstuk=1&artikel=1&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van dit Verdrag of een chemicaliëntankschip of een NLS-tankschip zoals omschreven in [voorschrift 1 van Bijlage II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=II&hoofdstuk=2&z=2024-05-01&g=2024-05-01) bij dit Verdrag.
##### Voorschrift 3. Uitzonderingen en vrijstellingen
@@ -18089,13 +18133,13 @@
- 2.2. uitgezonderd ingeval de eigenaar of de kapitein handelde met de bedoeling schade te veroorzaken, ofwel roekeloos handelde en in de wetenschap dat er waarschijnlijk schade zou ontstaan
2. De Administratie van een Partij kan in samenwerking met andere Administraties als dat van toepassing is, een schip vrijstellen van specifieke bepalingen van deze Bijlage ten behoeve van de uitvoering van testen en onderzoek voor de ontwikkeling van emissiereductie- en beheersingstechnologieën alsmede ontwerpprogramma's voor scheepsmotoren. Dergelijke vrijstellingen worden uitsluitend verleend indien de toepassing van specifieke bepalingen van de Bijlage of de herziene NOx Technische Code 2008 ten koste zou gaan van onderzoek naar de ontwikkeling van dergelijke technologieën of programma's. Het verlenen van een vrijstelling ingevolge dit voorschrift houdt niet in dat een schip wordt vrijgesteld van de rapportagevereiste ingevolge [voorschrift 27](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=4&artikel=27&z=2024-01-01&g=2024-01-01) en houdt geen verandering in van het soort gegevens en de reikwijdte daarvan die ingevolge voorschrift 27 dienen te worden gerapporteerd. Een dergelijke vrijstelling wordt slechts verleend voor het minimum aantal benodigde schepen, waarbij de volgende voorwaarden van toepassing zijn:
2. De Administratie van een Partij kan in samenwerking met andere Administraties als dat van toepassing is, een schip vrijstellen van specifieke bepalingen van deze Bijlage ten behoeve van de uitvoering van testen en onderzoek voor de ontwikkeling van emissiereductie- en beheersingstechnologieën alsmede ontwerpprogramma's voor scheepsmotoren. Dergelijke vrijstellingen worden uitsluitend verleend indien de toepassing van specifieke bepalingen van de Bijlage of de herziene NOx Technische Code 2008 ten koste zou gaan van onderzoek naar de ontwikkeling van dergelijke technologieën of programma's. Het verlenen van een vrijstelling ingevolge dit voorschrift houdt niet in dat een schip wordt vrijgesteld van de rapportagevereiste ingevolge [voorschrift 27](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=4&artikel=27&z=2024-05-01&g=2024-05-01) en houdt geen verandering in van het soort gegevens en de reikwijdte daarvan die ingevolge voorschrift 27 dienen te worden gerapporteerd. Een dergelijke vrijstelling wordt slechts verleend voor het minimum aantal benodigde schepen, waarbij de volgende voorwaarden van toepassing zijn:
- 1. voor scheepsdieselmotoren met een cilinderinhoud van ten hoogste 30 liter, waarbij de test op zee ten hoogste 18 maanden mag duren. Indien meer tijd vereist is, kan of kunnen de Administratie of Administraties die vrijstelling verleent of verlenen een verlenging toestaan met eenmaal 18 maanden; of
- 2. voor scheepsdieselmotoren met een cilinderhoud van 30 liter of meer mag een test ten hoogste 5 jaar duren en dient de voortgang bij elk tussentijds onderzoek te worden getoetst door de Administratie of Administraties die de vrijstelling heeft of hebben verleend. Op grond van deze toetsing kan de vrijstelling worden ingetrokken indien de test of het onderzoek niet voldeed aan de voorwaarden voor de vrijstelling of indien wordt vastgesteld dat de technologie of het programma naar verwachting geen doeltreffende resultaten zal opleveren voor de beperking en beheersing van emissies door schepen. Indien de toetsende Administratie of Administraties vaststelt of vaststellen dat meer tijd nodig is voor een test of onderzoek met een bepaalde technologie of bepaald programma kan de vrijstelling met ten hoogste vijf jaar worden verlengd.
3.1. Emissies die direct voortvloeien uit de exploratie, exploitatie en de bijbehorende buitengaatse bewerking van minerale rijkdommen uit de zeebodem zijn, overeenkomstig [artikel 2, derde lid, onderdeel b, onder ii](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&artikel=2&z=2024-01-01&g=2024-01-01), van dit Verdrag, vrijgesteld van de bepalingen van deze Bijlage. Dergelijke emissies omvatten het volgende:
3.1. Emissies die direct voortvloeien uit de exploratie, exploitatie en de bijbehorende buitengaatse bewerking van minerale rijkdommen uit de zeebodem zijn, overeenkomstig [artikel 2, derde lid, onderdeel b, onder ii](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&artikel=2&z=2024-05-01&g=2024-05-01), van dit Verdrag, vrijgesteld van de bepalingen van deze Bijlage. Dergelijke emissies omvatten het volgende:
- 1. emissies die voortvloeien uit de verbranding van stoffen die uitsluitend en direct het gevolg zijn van de exploratie, exploitatie en de bijbehorende buitengaatse bewerking van minerale rijkdommen uit de zeebodem, met inbegrip van maar niet beperkt tot het affakkelen van koolwaterstoffen en de verbranding van boorgruis, slijk en/of stimuleringsspoelingen bij de afwerking van de put en testoperaties en het affakkelen als gevolg van het spoelen naar de oppervlakte;
@@ -18105,13 +18149,13 @@
- 4. emissies van scheepsdieselmotoren die uitsluitend worden gebruikt voor de exploratie, exploitatie en de bijbehorende buitengaatse bewerking van minerale rijkdommen uit de zeebodem.
3.2. De vereisten van [voorschrift 18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=3&artikel=18&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage zijn niet van toepassing op het gebruik van koolwaterstoffen die ter plaatse worden geproduceerd en vervolgens worden gebruikt als brandstof, indien goedgekeurd door de Administratie.
4. De Administratie kan voor de vereisten van de [voorschriften 5.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=2&artikel=5&z=2024-01-01&g=2024-01-01) en [6.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=2&artikel=5&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage ontheffing verlenen voor een onbemande duwbak zonder eigen voortstuwing (UNSP) door middel van een internationaal certificaat betreffende voorkoming van luchtverontreiniging voor onbemande duwbakken zonder eigen voortstuwing (UNSP), voor een periode van ten hoogte 5 jaar op voorwaarde dat de duwbak een onderzoek heeft ondergaan om na te gaan of aan de voorwaarden van de [voorschriften 2.1.32.1 tot en met 2.1.32.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=1&artikel=2&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage is voldaan.
3.2. De vereisten van [voorschrift 18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=3&artikel=18&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage zijn niet van toepassing op het gebruik van koolwaterstoffen die ter plaatse worden geproduceerd en vervolgens worden gebruikt als brandstof, indien goedgekeurd door de Administratie.
4. De Administratie kan voor de vereisten van de [voorschriften 5.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=2&artikel=5&z=2024-05-01&g=2024-05-01) en [6.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=2&artikel=5&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage ontheffing verlenen voor een onbemande duwbak zonder eigen voortstuwing (UNSP) door middel van een internationaal certificaat betreffende voorkoming van luchtverontreiniging voor onbemande duwbakken zonder eigen voortstuwing (UNSP), voor een periode van ten hoogte 5 jaar op voorwaarde dat de duwbak een onderzoek heeft ondergaan om na te gaan of aan de voorwaarden van de [voorschriften 2.1.32.1 tot en met 2.1.32.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=1&artikel=2&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage is voldaan.
##### Voorschrift 4. Gelijkwaardige voorzieningen
1. De Administratie van een Partij kan toestaan dat installaties, materialen, middelen of toestellen worden aangebracht op een schip of dat er andere procedures, brandstofolie of methodes worden gebruikt dan degene die worden vereist door deze Bijlage, indien dergelijke installaties, materialen, middelen of toestellen, procedures, brandstofolie of methoden wat betreft emissiebeperking ten minste even doeltreffend zijn als degene die door deze Bijlage, met inbegrip van de normen vervat in de [voorschriften 13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=3&artikel=13&z=2024-01-01&g=2024-01-01) en [14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=3&artikel=14&z=2024-01-01&g=2024-01-01), worden vereist.
1. De Administratie van een Partij kan toestaan dat installaties, materialen, middelen of toestellen worden aangebracht op een schip of dat er andere procedures, brandstofolie of methodes worden gebruikt dan degene die worden vereist door deze Bijlage, indien dergelijke installaties, materialen, middelen of toestellen, procedures, brandstofolie of methoden wat betreft emissiebeperking ten minste even doeltreffend zijn als degene die door deze Bijlage, met inbegrip van de normen vervat in de [voorschriften 13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=3&artikel=13&z=2024-05-01&g=2024-05-01) en [14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=3&artikel=14&z=2024-05-01&g=2024-05-01), worden vereist.
2. De Administratie van een Partij die het aanbrengen in een schip toestaat van andere installaties, materialen, middelen of toestellen of andere procedures, brandstofolie of methodes dan degene die in deze Bijlage worden vereist, stelt de Organisatie in kennis van de bijzonderheden; de Organisatie zendt deze ter kennisneming en voor het eventueel nemen van passende maatregelen vervolgens aan de Partijen.
@@ -18123,47 +18167,47 @@
##### Voorschrift 5. Onderzoeken
1. Elk schip met een brutotonnage van 400 en meer, alsmede iedere vaste en drijvende boorinstallatie of ander platform wordt onderworpen aan de hieronder aangegeven onderzoeken teneinde te waarborgen dat aan de vereisten van [Hoofdstuk 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=3&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage wordt voldaan:
- 1. Een eerste onderzoek voordat het schip in dienst wordt gesteld of voordat het certificaat vereist volgens [voorschrift 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=2&artikel=6&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage voor de eerste maal wordt afgegeven. Dit onderzoek dient zodanig te zijn dat gewaarborgd wordt dat de uitrusting, systemen, installaties, voorzieningen en materialen ten volle voldoen aan de van toepassing zijnde vereisten van [Hoofdstuk 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=3&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage;
- 2. Een hernieuwd onderzoek dat wordt verricht met inachtneming van door de Administratie vast te stellen tussenpozen van ten hoogste vijf jaar, behalve wanneer [voorschrift 9.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=2&artikel=9&z=2024-01-01&g=2024-01-01), [9.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=2&artikel=9&z=2024-01-01&g=2024-01-01), [9.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=2&artikel=9&z=2024-01-01&g=2024-01-01) of [9.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=2&artikel=9&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage van toepassing is. Dit hernieuwde onderzoek dient zodanig te zijn dat gewaarborgd wordt dat de uitrusting, systemen, installaties, voorzieningen en materialen ten volle voldoen aan de van toepassing zijnde vereisten van [Hoofdstuk 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=3&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage;
- 3. Een tussentijds onderzoek binnen drie maanden voor of na de tweede verjaardatum of binnen drie maanden voor of na de derde verjaardatum van het certificaat, dat in de plaats treedt van een van de jaarlijkse onderzoeken voorgeschreven in paragraaf 1.4 van dit voorschrift. Het tussentijdse onderzoek dient zodanig te zijn dat gewaarborgd wordt dat de uitrusting en voorzieningen volledig voldoen aan de van toepassing zijnde vereisten van [Hoofdstuk 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=3&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage en in goede bedrijfstoestand verkeren. Deze tussentijdse onderzoeken worden aangetekend op het IAPP-certificaat afgegeven krachtens [voorschrift 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=2&artikel=6&z=2024-01-01&g=2024-01-01) of 7 van deze Bijlage;
- 4. Een jaarlijks onderzoek binnen drie maanden voor of na elke verjaardatum van het certificaat, met inbegrip van een algemene inspectie van de uitrusting, systemen, installaties, voorzieningen en materialen bedoeld in paragraaf 1.1 van dit voorschrift, teneinde vast te stellen dat de toestand ervan is gehandhaafd in overeenstemming met paragraaf 5 van dit voorschrift en dat zij geschikt blijven voor de dienst waarvoor het schip bestemd is. Deze jaarlijkse onderzoeken worden aangetekend op het IAPP-certificaat afgegeven krachtens [voorschrift 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=2&artikel=6&z=2024-01-01&g=2024-01-01) of [7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=2&artikel=7&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage; en
- 5. Een algeheel of gedeeltelijk aanvullend onderzoek dat, al naargelang de omstandigheden, dient te worden uitgevoerd na een belangrijke reparatie of vervanging als voorgeschreven in paragraaf 5 van dit voorschrift of na een reparatie naar aanleiding van in paragraaf 6 van dit voorschrift voorgeschreven onderzoeken. Het onderzoek dient zodanig te zijn dat gewaarborgd wordt dat de noodzakelijke reparaties of vervangingen deugdelijk zijn uitgevoerd, dat het materiaal en de deskundigheid waarmee zij zijn uitgevoerd in alle opzichten toereikend zijn en dat het schip in alle opzichten voldoet aan de voorschriften van [Hoofdstuk 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=3&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage.
2. In het geval van schepen met een brutotonnage van minder dan 400, kan de Administratie passende maatregelen vaststellen teneinde te waarborgen dat aan de van toepassing zijnde bepalingen van [Hoofdstuk 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=3&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage wordt voldaan.
1. Elk schip met een brutotonnage van 400 en meer, alsmede iedere vaste en drijvende boorinstallatie of ander platform wordt onderworpen aan de hieronder aangegeven onderzoeken teneinde te waarborgen dat aan de vereisten van [Hoofdstuk 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=3&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage wordt voldaan:
- 1. Een eerste onderzoek voordat het schip in dienst wordt gesteld of voordat het certificaat vereist volgens [voorschrift 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=2&artikel=6&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage voor de eerste maal wordt afgegeven. Dit onderzoek dient zodanig te zijn dat gewaarborgd wordt dat de uitrusting, systemen, installaties, voorzieningen en materialen ten volle voldoen aan de van toepassing zijnde vereisten van [Hoofdstuk 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=3&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage;
- 2. Een hernieuwd onderzoek dat wordt verricht met inachtneming van door de Administratie vast te stellen tussenpozen van ten hoogste vijf jaar, behalve wanneer [voorschrift 9.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=2&artikel=9&z=2024-05-01&g=2024-05-01), [9.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=2&artikel=9&z=2024-05-01&g=2024-05-01), [9.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=2&artikel=9&z=2024-05-01&g=2024-05-01) of [9.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=2&artikel=9&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage van toepassing is. Dit hernieuwde onderzoek dient zodanig te zijn dat gewaarborgd wordt dat de uitrusting, systemen, installaties, voorzieningen en materialen ten volle voldoen aan de van toepassing zijnde vereisten van [Hoofdstuk 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=3&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage;
- 3. Een tussentijds onderzoek binnen drie maanden voor of na de tweede verjaardatum of binnen drie maanden voor of na de derde verjaardatum van het certificaat, dat in de plaats treedt van een van de jaarlijkse onderzoeken voorgeschreven in paragraaf 1.4 van dit voorschrift. Het tussentijdse onderzoek dient zodanig te zijn dat gewaarborgd wordt dat de uitrusting en voorzieningen volledig voldoen aan de van toepassing zijnde vereisten van [Hoofdstuk 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=3&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage en in goede bedrijfstoestand verkeren. Deze tussentijdse onderzoeken worden aangetekend op het IAPP-certificaat afgegeven krachtens [voorschrift 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=2&artikel=6&z=2024-05-01&g=2024-05-01) of 7 van deze Bijlage;
- 4. Een jaarlijks onderzoek binnen drie maanden voor of na elke verjaardatum van het certificaat, met inbegrip van een algemene inspectie van de uitrusting, systemen, installaties, voorzieningen en materialen bedoeld in paragraaf 1.1 van dit voorschrift, teneinde vast te stellen dat de toestand ervan is gehandhaafd in overeenstemming met paragraaf 5 van dit voorschrift en dat zij geschikt blijven voor de dienst waarvoor het schip bestemd is. Deze jaarlijkse onderzoeken worden aangetekend op het IAPP-certificaat afgegeven krachtens [voorschrift 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=2&artikel=6&z=2024-05-01&g=2024-05-01) of [7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=2&artikel=7&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage; en
- 5. Een algeheel of gedeeltelijk aanvullend onderzoek dat, al naargelang de omstandigheden, dient te worden uitgevoerd na een belangrijke reparatie of vervanging als voorgeschreven in paragraaf 5 van dit voorschrift of na een reparatie naar aanleiding van in paragraaf 6 van dit voorschrift voorgeschreven onderzoeken. Het onderzoek dient zodanig te zijn dat gewaarborgd wordt dat de noodzakelijke reparaties of vervangingen deugdelijk zijn uitgevoerd, dat het materiaal en de deskundigheid waarmee zij zijn uitgevoerd in alle opzichten toereikend zijn en dat het schip in alle opzichten voldoet aan de voorschriften van [Hoofdstuk 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=3&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage.
2. In het geval van schepen met een brutotonnage van minder dan 400, kan de Administratie passende maatregelen vaststellen teneinde te waarborgen dat aan de van toepassing zijnde bepalingen van [Hoofdstuk 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=3&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage wordt voldaan.
3. Onderzoeken van schepen aangaande de handhaving van de bepalingen van deze Bijlage, worden uitgevoerd door ambtenaren van de Administratie.
- 1. De Administratie kan de onderzoeken evenwel toevertrouwen hetzij aan daartoe benoemde inspecteurs, hetzij aan door haar erkende organisaties. Deze organisaties dienen te voldoen aan de door de Organisatie aangenomen richtlijnen;
- 2. Het onderzoek van de scheepsdieselmotoren en uitrusting ten behoeve van naleving van [voorschrift 13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=3&artikel=13&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage wordt uitgevoerd in overeenstemming met de herziene NOx Technische Code 2008;
- 2. Het onderzoek van de scheepsdieselmotoren en uitrusting ten behoeve van naleving van [voorschrift 13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=3&artikel=13&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage wordt uitgevoerd in overeenstemming met de herziene NOx Technische Code 2008;
- 3. Wanneer een aangewezen inspecteur of een erkende organisatie vaststelt dat de toestand van de uitrusting in belangrijke mate afwijkt van de gegevens vermeld op het certificaat, dient deze te verzekeren dat hierin verbetering wordt gebracht en te zijner tijd de Administratie in te lichten. Indien dergelijke verbeteringen niet worden aangebracht, wordt het certificaat door de Administratie ingetrokken. Indien het schip in een haven van een andere Partij ligt, dienen ook de bevoegde autoriteiten van de havenstaat onverwijld te worden ingelicht. Wanneer een ambtenaar van de Administratie, een aangewezen inspecteur of een erkende organisatie de bevoegde autoriteiten van de havenstaat heeft ingelicht, dient de Regering van die havenstaat deze ambtenaar, inspecteur of organisatie alle nodige hulp te verlenen om hun verplichtingen ingevolge dit voorschrift te vervullen; en
- 4. In alle gevallen staat de betrokken Administratie volledig garant voor de volledigheid en doeltreffendheid van het onderzoek en dient zij te waarborgen dat de nodige maatregelen worden getroffen om aan deze verplichting te voldoen.
4. Schepen waarop [Hoofdstuk 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=4&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage van toepassing is worden tevens onderworpen aan de onderstaande onderzoeken, rekening houdend met de door de Organisatie aangenomen richtlijnen:
- 1. Een eerste onderzoek voordat een nieuw schip in dienst wordt gesteld en voordat het Internationaal certificaat betreffende energie-efficiëntie wordt afgegeven. Bij dit onderzoek wordt geverifieerd of de bereikte EEDI in overeenstemming is met de vereisten van [hoofdstuk 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=4&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage en dat het ingevolge [voorschrift 26](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=4&artikel=24&z=2024-01-01&g=2024-01-01) vereiste SEEMP aan boord is;
- 2. Een algeheel of gedeeltelijk onderzoek, al naargelang de omstandigheden, na een belangrijke wijziging van een schip waarop dit voorschrift van toepassing is. Bij het onderzoek dient gewaarborgd te worden dat de bereikte EEDI zo nodig wordt herberekend en voldoet aan het vereiste van [voorschrift 24](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=4&artikel=24&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage, waarbij de reductiefactor van toepassing is op het scheepstype en de omvang van het gewijzigde schip in de fase die overeenkomt met de datum van het bouwcontract of de kiellegging of oplevering die is vastgesteld voor het oorspronkelijke schip in overeenstemming met [voorschrift 2.2.18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=1&artikel=2&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage;
- 3. In gevallen waarin een belangrijke wijziging van een nieuw of bestaand schip zo omvangrijk is dat het schip door de Administratie wordt beschouwd als een nieuw gebouwd schip, bepaalt de Administratie of een eerste onderzoek naar de bereikte EEDI noodzakelijk is. Met een dergelijk onderzoek, indien nodig geacht, wordt gewaarborgd dat de bereikte EEDI wordt berekend en voldoet aan het vereiste van [voorschrift 24](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=4&artikel=24&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage, waarbij de toepasselijke reductiefactor overeenkomt met het scheepstype en de omvang van het gewijzigde schip op de datum van het contract voor de wijziging, of bij ontbreken van een contract, de datum waarop met de wijziging is begonnen. Bij het onderzoek wordt tevens geverifieerd of het ingevolge [voorschrift 26](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=4&artikel=26&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage vereiste SEEMP aan boord is en, voor een schip waarop [voorschrift 27](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=4&artikel=27&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van toepassing is, of het SEEMP op de juiste wijze is herzien om een belangrijke wijziging weer te geven in de gevallen waarin de belangrijke wijziging van invloed is op de methodiek van gegevensverzameling en/of de rapportageprocessen;
- 4. Voor bestaande schepen vindt de verificatie of het overeenkomstig [voorschrift 26](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=4&artikel=26&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage vereiste SEEMP aan boord is, plaats bij het eerste tussentijdse of hernieuwde onderzoek zoals vermeld in de eerste paragraaf van dit voorschrift, al naargelang hetgeen het eerst plaatsvindt, op of na 1 januari 2013;
- 5. De Administratie waarborgt dat voor elk schip waarop [voorschrift 27](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=4&artikel=27&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van toepassing is, het SEEMP voldoet aan [voorschrift 26.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=4&artikel=26&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage. Dit geschiedt alvorens met het verzamelen van gegevens ingevolge voorschrift 27 van deze Bijlage wordt begonnen teneinde te waarborgen dat de methodologie en processen gereed zijn om te worden gebruikt bij aanvang van het eerste rapportagetijdvak voor het schip. Er wordt een verklaring afgegeven dat voldaan wordt aan de vereisten, die aan boord van het schip dient te worden bewaard;
- 6. De Administratie waarborgt dat voor elk schip waarop [voorschrift 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=4&artikel=28&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van toepassing is, het SEEMP voldoet aan [voorschrift 26.3.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=4&artikel=26&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage. Dit dient te worden gedaan voor 1 januari 2023. Er wordt een verklaring afgegeven dat voldaan wordt aan de vereisten, die aan boord van het schip dient te worden bewaard;
- 7. De verificatie dat de door het schip bereikte EEXI in overeenstemming is met de eisen van de [voorschriften 23](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=4&artikel=23&z=2024-01-01&g=2024-01-01) en [25](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=4&artikel=25&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage vindt plaats bij het eerste jaarlijkse, tussentijdse of hernieuwde onderzoek zoals vermeld in paragraaf 1 van dit voorschrift of het eerste onderzoek zoals vermeld in paragrafen 4.1 en 4.3 van dit voorschrift, al naargelang hetgeen het eerst plaatsvindt, op of na 1 januari 2023; en
- 8. Onverminderd paragraaf 4.7 van dit voorschrift, een algeheel of gedeeltelijk onderzoek, al naargelang de omstandigheden, na een belangrijke wijziging van een schip waarop [voorschrift 23](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=4&artikel=23&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage van toepassing is. Bij het onderzoek dient gewaarborgd te worden dat de bereikte EEXI zo nodig wordt herberekend en voldoet aan het vereiste van 25 van deze Bijlage.
4. Schepen waarop [Hoofdstuk 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=4&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage van toepassing is worden tevens onderworpen aan de onderstaande onderzoeken, rekening houdend met de door de Organisatie aangenomen richtlijnen:
- 1. Een eerste onderzoek voordat een nieuw schip in dienst wordt gesteld en voordat het Internationaal certificaat betreffende energie-efficiëntie wordt afgegeven. Bij dit onderzoek wordt geverifieerd of de bereikte EEDI in overeenstemming is met de vereisten van [hoofdstuk 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=4&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage en dat het ingevolge [voorschrift 26](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=4&artikel=24&z=2024-05-01&g=2024-05-01) vereiste SEEMP aan boord is;
- 2. Een algeheel of gedeeltelijk onderzoek, al naargelang de omstandigheden, na een belangrijke wijziging van een schip waarop dit voorschrift van toepassing is. Bij het onderzoek dient gewaarborgd te worden dat de bereikte EEDI zo nodig wordt herberekend en voldoet aan het vereiste van [voorschrift 24](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=4&artikel=24&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage, waarbij de reductiefactor van toepassing is op het scheepstype en de omvang van het gewijzigde schip in de fase die overeenkomt met de datum van het bouwcontract of de kiellegging of oplevering die is vastgesteld voor het oorspronkelijke schip in overeenstemming met [voorschrift 2.2.18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=1&artikel=2&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage;
- 3. In gevallen waarin een belangrijke wijziging van een nieuw of bestaand schip zo omvangrijk is dat het schip door de Administratie wordt beschouwd als een nieuw gebouwd schip, bepaalt de Administratie of een eerste onderzoek naar de bereikte EEDI noodzakelijk is. Met een dergelijk onderzoek, indien nodig geacht, wordt gewaarborgd dat de bereikte EEDI wordt berekend en voldoet aan het vereiste van [voorschrift 24](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=4&artikel=24&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage, waarbij de toepasselijke reductiefactor overeenkomt met het scheepstype en de omvang van het gewijzigde schip op de datum van het contract voor de wijziging, of bij ontbreken van een contract, de datum waarop met de wijziging is begonnen. Bij het onderzoek wordt tevens geverifieerd of het ingevolge [voorschrift 26](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=4&artikel=26&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage vereiste SEEMP aan boord is en, voor een schip waarop [voorschrift 27](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=4&artikel=27&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van toepassing is, of het SEEMP op de juiste wijze is herzien om een belangrijke wijziging weer te geven in de gevallen waarin de belangrijke wijziging van invloed is op de methodiek van gegevensverzameling en/of de rapportageprocessen;
- 4. Voor bestaande schepen vindt de verificatie of het overeenkomstig [voorschrift 26](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=4&artikel=26&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage vereiste SEEMP aan boord is, plaats bij het eerste tussentijdse of hernieuwde onderzoek zoals vermeld in de eerste paragraaf van dit voorschrift, al naargelang hetgeen het eerst plaatsvindt, op of na 1 januari 2013;
- 5. De Administratie waarborgt dat voor elk schip waarop [voorschrift 27](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=4&artikel=27&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van toepassing is, het SEEMP voldoet aan [voorschrift 26.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=4&artikel=26&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage. Dit geschiedt alvorens met het verzamelen van gegevens ingevolge voorschrift 27 van deze Bijlage wordt begonnen teneinde te waarborgen dat de methodologie en processen gereed zijn om te worden gebruikt bij aanvang van het eerste rapportagetijdvak voor het schip. Er wordt een verklaring afgegeven dat voldaan wordt aan de vereisten, die aan boord van het schip dient te worden bewaard;
- 6. De Administratie waarborgt dat voor elk schip waarop [voorschrift 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=4&artikel=28&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van toepassing is, het SEEMP voldoet aan [voorschrift 26.3.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=4&artikel=26&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage. Dit dient te worden gedaan voor 1 januari 2023. Er wordt een verklaring afgegeven dat voldaan wordt aan de vereisten, die aan boord van het schip dient te worden bewaard;
- 7. De verificatie dat de door het schip bereikte EEXI in overeenstemming is met de eisen van de [voorschriften 23](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=4&artikel=23&z=2024-05-01&g=2024-05-01) en [25](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=4&artikel=25&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage vindt plaats bij het eerste jaarlijkse, tussentijdse of hernieuwde onderzoek zoals vermeld in paragraaf 1 van dit voorschrift of het eerste onderzoek zoals vermeld in paragrafen 4.1 en 4.3 van dit voorschrift, al naargelang hetgeen het eerst plaatsvindt, op of na 1 januari 2023; en
- 8. Onverminderd paragraaf 4.7 van dit voorschrift, een algeheel of gedeeltelijk onderzoek, al naargelang de omstandigheden, na een belangrijke wijziging van een schip waarop [voorschrift 23](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=4&artikel=23&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage van toepassing is. Bij het onderzoek dient gewaarborgd te worden dat de bereikte EEXI zo nodig wordt herberekend en voldoet aan het vereiste van 25 van deze Bijlage.
5. De uitrusting dient te worden onderhouden in overeenstemming met het bepaalde in deze Bijlage en er mogen geen wijzigingen worden aangebracht in de uitrusting, systemen, installaties, voorzieningen of materialen waarop het onderzoek betrekking heeft gehad, zonder de uitdrukkelijke goedkeuring van de Administratie. Onmiddellijke vervanging van deze uitrusting en installaties door uitrusting en installaties die voldoen aan het bepaalde in deze Bijlage is toegestaan.
@@ -18171,7 +18215,7 @@
##### Voorschrift 6. Afgifte van of aantekening op certificaten en conformverklaringen inzake het rapporteren van het brandstofolieverbruik en de operationele indicatorwaarde voor koolstofintensiteit
1. Een Internationaal certificaat betreffende voorkoming van luchtverontreiniging (IAPP) wordt afgegeven na een eerste of hernieuwd onderzoek in overeenstemming met de bepalingen van [voorschrift 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=2&artikel=5&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage aan:
1. Een Internationaal certificaat betreffende voorkoming van luchtverontreiniging (IAPP) wordt afgegeven na een eerste of hernieuwd onderzoek in overeenstemming met de bepalingen van [voorschrift 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=2&artikel=5&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage aan:
- 1. elk schip met een brutotonnage van 400 ton en meer, dat reizen maakt naar havens of laad- of losplaatsen buitengaats onder de rechtsmacht van andere Partijen; en
@@ -18181,23 +18225,23 @@
3. Dit certificaat wordt afgegeven of hierop wordt een aantekening gemaakt hetzij door de Administratie, hetzij door een daartoe door haar naar behoren gemachtigde persoon of organisatie. In alle gevallen neemt de Administratie de volle verantwoordelijkheid voor het certificaat op zich.
4. Een Internationaal certificaat betreffende energie-efficiëntie voor het schip wordt na een onderzoek in overeenstemming met de bepalingen van [voorschrift 5.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=2&artikel=5&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage afgegeven aan elk schip met een brutotonnage van 400 en meer voordat dit schip reizen mag maken naar havens of laad- of losplaatsen buitengaats onder de rechtsmacht van andere partijen.
4. Een Internationaal certificaat betreffende energie-efficiëntie voor het schip wordt na een onderzoek in overeenstemming met de bepalingen van [voorschrift 5.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=2&artikel=5&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage afgegeven aan elk schip met een brutotonnage van 400 en meer voordat dit schip reizen mag maken naar havens of laad- of losplaatsen buitengaats onder de rechtsmacht van andere partijen.
5. Het certificaat wordt afgegeven of hierop wordt een aantekening gemaakt hetzij door de Administratie, hetzij door een daartoe door haar naar behoren gemachtigde organisatie. In alle gevallen neemt de Administratie de volle verantwoordelijkheid voor het certificaat op zich.
6. Na ontvangst van de ingevolge [voorschrift 27.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=4&artikel=27&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage gerapporteerde gegevens en de bereikte jaarlijkse operationele KII ingevolge [voorschrift 28.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=4&artikel=28&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage zal de Administratie of de door haar naar behoren gemachtigde organisatie:
- 1. bepalen of de gegevens zijn gerapporteerd in overeenstemming met [voorschrift 27](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=4&artikel=27&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage;
- 2. verifiëren of de gerapporteerde bereikte jaarlijkse operationele KII is gebaseerd op de gegevens die zijn ingediend in overeenstemming met [voorschrift 27](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=4&artikel=27&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage;
- 3. op basis van de gerapporteerde bereikte jaarlijkse operationele KII, de operationele indicatorwaarde voor koolstofintensiteit van het schip bepalen in overeenstemming met [voorschrift 28.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=4&artikel=28&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage; en
- 4. een conformverklaring inzake het rapporteren van het brandstofolieverbruik en operationele indicatorwaarde voor koolstofintensiteit ten behoeve van het schip afgeven uiterlijk vijf maanden na aanvang van het kalenderjaar, na bepaling en verificatie ingevolge de [voorschriften 6.6.1 tot en met 6.6.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=2&artikel=6&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage. In alle gevallen neemt de Administratie de volle verantwoordelijkheid voor de conformverklaring op zich.
7. Na ontvangst van de ingevolge de [voorschriften 27.4, 27.5 of 27.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=4&artikel=27&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage gerapporteerde gegevens bepaalt de Administratie of een door haar naar behoren gemachtigde organisatie onverwijld of de gegevens in overeenstemming met voorschrift 27 gerapporteerd zijn, en geeft, indien dit het geval is, ten behoeve van het schip een conformverklaring af. In alle gevallen neemt de Administratie de volle verantwoordelijkheid voor de conformverklaring op zich.
8. Onverminderd paragraaf 6 van dit voorschrift wordt voor een schip dat gedurende drie opeenvolgende jaren een D-classificatie heeft gekregen of dat overeenkomstig [voorschrift 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=4&artikel=28&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage een E-classificatie heeft gekregen, geen conformverklaring afgegeven, tenzij een plan van corrigerende maatregelen naar behoren is uitgewerkt en in het SEEMP is weergegeven en door de Administratie of een door haar naar behoren gemachtigde organisatie is geverifieerd overeenkomstig de voorschriften 28.7 en 28.8 van deze Bijlage.
6. Na ontvangst van de ingevolge [voorschrift 27.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=4&artikel=27&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage gerapporteerde gegevens en de bereikte jaarlijkse operationele KII ingevolge [voorschrift 28.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=4&artikel=28&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage zal de Administratie of de door haar naar behoren gemachtigde organisatie:
- 1. bepalen of de gegevens zijn gerapporteerd in overeenstemming met [voorschrift 27](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=4&artikel=27&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage;
- 2. verifiëren of de gerapporteerde bereikte jaarlijkse operationele KII is gebaseerd op de gegevens die zijn ingediend in overeenstemming met [voorschrift 27](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=4&artikel=27&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage;
- 3. op basis van de gerapporteerde bereikte jaarlijkse operationele KII, de operationele indicatorwaarde voor koolstofintensiteit van het schip bepalen in overeenstemming met [voorschrift 28.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=4&artikel=28&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage; en
- 4. een conformverklaring inzake het rapporteren van het brandstofolieverbruik en operationele indicatorwaarde voor koolstofintensiteit ten behoeve van het schip afgeven uiterlijk vijf maanden na aanvang van het kalenderjaar, na bepaling en verificatie ingevolge de [voorschriften 6.6.1 tot en met 6.6.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=2&artikel=6&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage. In alle gevallen neemt de Administratie de volle verantwoordelijkheid voor de conformverklaring op zich.
7. Na ontvangst van de ingevolge de [voorschriften 27.4, 27.5 of 27.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=4&artikel=27&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage gerapporteerde gegevens bepaalt de Administratie of een door haar naar behoren gemachtigde organisatie onverwijld of de gegevens in overeenstemming met voorschrift 27 gerapporteerd zijn, en geeft, indien dit het geval is, ten behoeve van het schip een conformverklaring af. In alle gevallen neemt de Administratie de volle verantwoordelijkheid voor de conformverklaring op zich.
8. Onverminderd paragraaf 6 van dit voorschrift wordt voor een schip dat gedurende drie opeenvolgende jaren een D-classificatie heeft gekregen of dat overeenkomstig [voorschrift 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=4&artikel=28&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage een E-classificatie heeft gekregen, geen conformverklaring afgegeven, tenzij een plan van corrigerende maatregelen naar behoren is uitgewerkt en in het SEEMP is weergegeven en door de Administratie of een door haar naar behoren gemachtigde organisatie is geverifieerd overeenkomstig de voorschriften 28.7 en 28.8 van deze Bijlage.
##### Voorschrift 7. Afgifte van een certificaat door een andere partij
@@ -18205,7 +18249,7 @@
2. Een afschrift van het certificaat en een afschrift van het onderzoeksrapport worden zo spoedig mogelijk toegezonden aan de Administratie die het verzoek heeft gedaan.
3. Een aldus afgegeven certificaat dient een verklaring te bevatten inhoudende dat het is afgegeven op verzoek van de Administratie; het heeft dezelfde waarde en wordt op dezelfde wijze erkend als het certificaat dat is afgegeven krachtens [voorschrift 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=2&artikel=6&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage.
3. Een aldus afgegeven certificaat dient een verklaring te bevatten inhoudende dat het is afgegeven op verzoek van de Administratie; het heeft dezelfde waarde en wordt op dezelfde wijze erkend als het certificaat dat is afgegeven krachtens [voorschrift 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=2&artikel=6&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage.
4. Er wordt geen IAPP-certificaat, Internationaal certificaat betreffende energie-efficiëntie of UNSP Ontheffingscertificaat afgegeven aan een schip dat gerechtigd is de vlag te voeren van een Staat die geen partij is.
@@ -18213,11 +18257,11 @@
1. Het IAPP-certificaat wordt opgesteld overeenkomstig het model opgenomen in Aanhangsel I bij deze Bijlage en dient ten minste in de Engelse, de Franse of de Spaanse taal te zijn gesteld. Indien tevens de officiële taal van het land van afgifte wordt gebruikt, is deze doorslaggevend bij geschillen of tegenstrijdigheden.
2. Het Internationaal certificaat betreffende energie-efficiëntie wordt opgesteld overeenkomstig het model opgenomen in [Aanhangsel VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VII&z=2024-01-01&g=2024-01-01) bij deze Bijlage en dient ten minste in de Engelse, de Franse of de Spaanse taal te zijn gesteld. Indien tevens de officiële taal van de partij van afgifte wordt gebruikt, is deze doorslaggevend bij geschillen of tegenstrijdigheden.
3. De conformverklaring ingevolge de [voorschriften 6.6 en 6.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=2&artikel=6&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage wordt opgesteld overeenkomstig het model opgenomen in [Aanhangsel X](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=X&z=2024-01-01&g=2024-01-01) bij deze Bijlage en dient ten minste in de Engelse, de Franse of de Spaanse taal te zijn gesteld. Indien tevens de officiële taal van de partij van afgifte wordt gebruikt, is deze doorslaggevend bij geschillen of tegenstrijdigheden.
4. Overeenkomstig [voorschrift 3.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=1&artikel=3&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage wordt het Internationaal ontheffingscertificaat betreffende voorkoming van luchtverontreiniging voor onbemande duwbakken zonder eigen voortstuwing opgesteld overeenkomstig het model opgenomen in [Aanhangsel XI](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=XI&z=2024-01-01&g=2024-01-01) bij deze Bijlage en dient ten minste in de Engelse, de Franse of de Spaanse taal te zijn gesteld. Indien tevens de officiële taal van het land van afgifte wordt gebruikt, is deze doorslaggevend bij geschillen of tegenstrijdigheden.
2. Het Internationaal certificaat betreffende energie-efficiëntie wordt opgesteld overeenkomstig het model opgenomen in [Aanhangsel VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VII&z=2024-05-01&g=2024-05-01) bij deze Bijlage en dient ten minste in de Engelse, de Franse of de Spaanse taal te zijn gesteld. Indien tevens de officiële taal van de partij van afgifte wordt gebruikt, is deze doorslaggevend bij geschillen of tegenstrijdigheden.
3. De conformverklaring ingevolge de [voorschriften 6.6 en 6.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=2&artikel=6&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage wordt opgesteld overeenkomstig het model opgenomen in [Aanhangsel X](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=X&z=2024-05-01&g=2024-05-01) bij deze Bijlage en dient ten minste in de Engelse, de Franse of de Spaanse taal te zijn gesteld. Indien tevens de officiële taal van de partij van afgifte wordt gebruikt, is deze doorslaggevend bij geschillen of tegenstrijdigheden.
4. Overeenkomstig [voorschrift 3.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=1&artikel=3&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage wordt het Internationaal ontheffingscertificaat betreffende voorkoming van luchtverontreiniging voor onbemande duwbakken zonder eigen voortstuwing opgesteld overeenkomstig het model opgenomen in [Aanhangsel XI](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=XI&z=2024-05-01&g=2024-05-01) bij deze Bijlage en dient ten minste in de Engelse, de Franse of de Spaanse taal te zijn gesteld. Indien tevens de officiële taal van het land van afgifte wordt gebruikt, is deze doorslaggevend bij geschillen of tegenstrijdigheden.
##### Voorschrift 9. Looptijd en geldigheid van certificaten en conformverklaringen inzake het rapporteren van het brandstofolieverbruik en de operationele indicatorwaarde voor koolstofintensiteit
@@ -18231,7 +18275,7 @@
- 3. Wanneer het hernieuwde onderzoek meer dan drie maanden voor de datum waarop het bestaande certificaat verstrijkt wordt voltooid, is het nieuwe certificaat geldig vanaf de datum van voltooiing van het hernieuwde tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum van voltooiing van het hernieuwde onderzoek.
3. Indien een certificaat wordt afgegeven voor een tijdvak korter dan vijf jaar kan de Administratie de geldigheid van het certificaat tot na de datum van verstrijken verlengen tot het in paragraaf 1 van dit voorschrift aangegeven maximumtijdvak, mits de onderzoeken bedoeld in [voorschrift 5.1.3 en 5.1.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=2&artikel=5&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage, die van toepassing zijn wanneer een certificaat wordt afgegeven voor een tijdvak van vijf jaar, naar behoren worden verricht.
3. Indien een certificaat wordt afgegeven voor een tijdvak korter dan vijf jaar kan de Administratie de geldigheid van het certificaat tot na de datum van verstrijken verlengen tot het in paragraaf 1 van dit voorschrift aangegeven maximumtijdvak, mits de onderzoeken bedoeld in [voorschrift 5.1.3 en 5.1.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=2&artikel=5&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage, die van toepassing zijn wanneer een certificaat wordt afgegeven voor een tijdvak van vijf jaar, naar behoren worden verricht.
4. Indien het hernieuwde onderzoek is voltooid en voor de datum van verstrijken van het bestaande certificaat geen nieuw certificaat kan worden afgegeven of aan boord van het schip kan worden genomen, kan de door de Administratie gemachtigde persoon of organisatie een aantekening op het bestaande certificaat plaatsen en een dergelijk certificaat dient te worden aanvaard als geldig voor een volgende periode die zich evenwel niet mag uitstrekken tot vijf maanden na de datum van verstrijken.
@@ -18241,21 +18285,21 @@
7. Onder bijzondere omstandigheden, vast te stellen door de Administratie. behoeft een nieuw certificaat niet te worden gedateerd vanaf de datum van verstrijken van het bestaande certificaat zoals bepaald in paragraaf 2.1, 5 of 6 van dit voorschrift. Onder deze bijzondere omstandigheden is het nieuwe certificaat geldig tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum van voltooiing van het hernieuwde onderzoek.
8. Indien een jaarlijks of tussentijds onderzoek is voltooid vóór het in [voorschrift 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=2&artikel=5&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage aangegeven tijdvak:
8. Indien een jaarlijks of tussentijds onderzoek is voltooid vóór het in [voorschrift 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=2&artikel=5&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage aangegeven tijdvak:
- 1. wordt de verjaardatum op het certificaat door middel van een aantekening gewijzigd in een datum uiterlijk drie maanden na de datum waarop het onderzoek werd voltooid;
- 2. wordt het in [voorschrift 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=2&artikel=5&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage voorgeschreven volgende jaarlijkse of tussentijdse onderzoek voltooid met de in dat voorschrift voorgeschreven tussenpozen met inachtneming van de nieuwe verjaardatum; en
- 3. kan de datum van verstrijken onveranderd blijven mits er een of meer jaarlijkse of tussentijdse onderzoeken, naar gelang van het geval, zijn verricht zodat de maximale tussenpozen tussen de in [voorschrift 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=2&artikel=5&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage voorgeschreven onderzoeken niet worden overschreden.
9. Een ingevolge de [voorschriften 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=2&artikel=6&z=2024-01-01&g=2024-01-01) of 7 van deze Bijlage afgegeven certificaat verliest zijn geldigheid in de volgende gevallen:
- 1. indien de desbetreffende onderzoeken niet zijn voltooid binnen de termijnen vermeld in [voorschrift 5.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=2&artikel=5&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage;
- 2. indien op het certificaat geen aantekening is geplaatst in overeenstemming met de [voorschriften 5.1.3 of 5.1.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=2&artikel=5&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage; en
- 3. bij overdracht van het schip onder de vlag van een andere Staat. Er mag uitsluitend een nieuw certificaat worden afgegeven wanneer de Regering die het nieuwe certificaat afgeeft er ten volle van overtuigd is dat het schip voldoet aan de eisen van [voorschrift 5.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=2&artikel=5&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage. In het geval van een overdracht tussen Partijen zendt de Regering van de Partij wier vlag het schip voordien gerechtigd was te voeren, indien zij daarom wordt verzocht binnen drie maanden nadat de overdracht heeft plaatsgevonden, zo spoedig mogelijk aan de Administratie afschriften van de certificaten die het schip aan boord had vóór de overdracht en, indien beschikbaar, afschriften van de desbetreffende onderzoeksrapporten.
- 2. wordt het in [voorschrift 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=2&artikel=5&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage voorgeschreven volgende jaarlijkse of tussentijdse onderzoek voltooid met de in dat voorschrift voorgeschreven tussenpozen met inachtneming van de nieuwe verjaardatum; en
- 3. kan de datum van verstrijken onveranderd blijven mits er een of meer jaarlijkse of tussentijdse onderzoeken, naar gelang van het geval, zijn verricht zodat de maximale tussenpozen tussen de in [voorschrift 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=2&artikel=5&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage voorgeschreven onderzoeken niet worden overschreden.
9. Een ingevolge de [voorschriften 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=2&artikel=6&z=2024-05-01&g=2024-05-01) of 7 van deze Bijlage afgegeven certificaat verliest zijn geldigheid in de volgende gevallen:
- 1. indien de desbetreffende onderzoeken niet zijn voltooid binnen de termijnen vermeld in [voorschrift 5.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=2&artikel=5&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage;
- 2. indien op het certificaat geen aantekening is geplaatst in overeenstemming met de [voorschriften 5.1.3 of 5.1.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=2&artikel=5&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage; en
- 3. bij overdracht van het schip onder de vlag van een andere Staat. Er mag uitsluitend een nieuw certificaat worden afgegeven wanneer de Regering die het nieuwe certificaat afgeeft er ten volle van overtuigd is dat het schip voldoet aan de eisen van [voorschrift 5.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=2&artikel=5&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage. In het geval van een overdracht tussen Partijen zendt de Regering van de Partij wier vlag het schip voordien gerechtigd was te voeren, indien zij daarom wordt verzocht binnen drie maanden nadat de overdracht heeft plaatsgevonden, zo spoedig mogelijk aan de Administratie afschriften van de certificaten die het schip aan boord had vóór de overdracht en, indien beschikbaar, afschriften van de desbetreffende onderzoeksrapporten.
10. Het Internationaal certificaat betreffende energie-efficiëntie blijft gedurende de levensduur van het schip geldig, met inachtneming van de bepalingen van onderstaande paragraaf 11.
@@ -18263,11 +18307,11 @@
- 1. indien een schip uit de vaart wordt genomen of indien een nieuw certificaat wordt afgegeven na een belangrijke wijziging van het schip; of
- 2. bij overdracht van het schip onder de vlag van een andere Staat. Een nieuw certificaat wordt uitsluitend afgegeven wanneer ten genoegen van de Regering die het nieuwe certificaat afgeeft vaststaat dat het schip voldoet aan de vereisten van [Hoofdstuk 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=4&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage. In het geval van een overdracht tussen partijen zendt de Regering van de partij wier vlag het schip voordien gerechtigd was te voeren, indien haar daarom wordt verzocht binnen drie maanden nadat de overdracht heeft plaatsgevonden, zo spoedig mogelijk aan de Administratie afschriften van de certificaten die het schip aan boord had vóór de overdracht en, indien beschikbaar, afschriften van de desbetreffende onderzoeksrapporten; of
- 3. indien de uitrusting, systemen, toebehoren, inrichtingen of materialen van het schip waarop het onderzoek betrekking heeft, zijn gewijzigd zonder de uitdrukkelijke goedkeuring van de Administratie, zoals bepaald in [voorschrift 5.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=2&artikel=5&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage, tenzij [voorschrift 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=1&artikel=3&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage van toepassing is.
12. De conformverklaring verstrekt ingevolge [voorschrift 6.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=2&artikel=6&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage is geldig gedurende het kalenderjaar waarin zij is afgegeven en gedurende de eerste vijf maanden van het daaropvolgende kalenderjaar. De conformverklaring verstrekt ingevolge voorschrift 6.7 van deze Bijlage is geldig gedurende het kalenderjaar waarin zij is afgegeven, gedurende het daaropvolgende kalenderjaar en de eerste vijf maanden van het kalenderjaar dat daar op volgt. Alle conformverklaringen dienen ten minste gedurende vijf jaar aan boord te worden bewaard.
- 2. bij overdracht van het schip onder de vlag van een andere Staat. Een nieuw certificaat wordt uitsluitend afgegeven wanneer ten genoegen van de Regering die het nieuwe certificaat afgeeft vaststaat dat het schip voldoet aan de vereisten van [Hoofdstuk 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=4&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage. In het geval van een overdracht tussen partijen zendt de Regering van de partij wier vlag het schip voordien gerechtigd was te voeren, indien haar daarom wordt verzocht binnen drie maanden nadat de overdracht heeft plaatsgevonden, zo spoedig mogelijk aan de Administratie afschriften van de certificaten die het schip aan boord had vóór de overdracht en, indien beschikbaar, afschriften van de desbetreffende onderzoeksrapporten; of
- 3. indien de uitrusting, systemen, toebehoren, inrichtingen of materialen van het schip waarop het onderzoek betrekking heeft, zijn gewijzigd zonder de uitdrukkelijke goedkeuring van de Administratie, zoals bepaald in [voorschrift 5.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=2&artikel=5&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage, tenzij [voorschrift 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=1&artikel=3&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage van toepassing is.
12. De conformverklaring verstrekt ingevolge [voorschrift 6.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=2&artikel=6&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage is geldig gedurende het kalenderjaar waarin zij is afgegeven en gedurende de eerste vijf maanden van het daaropvolgende kalenderjaar. De conformverklaring verstrekt ingevolge voorschrift 6.7 van deze Bijlage is geldig gedurende het kalenderjaar waarin zij is afgegeven, gedurende het daaropvolgende kalenderjaar en de eerste vijf maanden van het kalenderjaar dat daar op volgt. Alle conformverklaringen dienen ten minste gedurende vijf jaar aan boord te worden bewaard.
##### Voorschrift 10. Havenstaatcontrole op operationele vereisten
@@ -18275,13 +18319,13 @@
2. In de omstandigheden bedoeld in de eerste paragraaf van dit voorschrift, neemt de Partij maatregelen om te verzekeren dat het schip niet uitvaart voordat de situatie in overeenstemming is gebracht met de vereisten van deze Bijlage.
3. De procedures betreffende de controle door de havenstaat voorgeschreven in [artikel 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=4&artikel=28&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van dit Verdrag zijn van toepassing op dit voorschrift.
3. De procedures betreffende de controle door de havenstaat voorgeschreven in [artikel 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=4&artikel=28&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van dit Verdrag zijn van toepassing op dit voorschrift.
4. Niets in dit voorschrift mag zo worden uitgelegd dat daardoor de rechten en plichten van een Partij die de uitdrukkelijk in dit Verdrag genoemde vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord controleert, worden beperkt.
5. Met betrekking tot Hoofdstuk 4 van deze Bijlage is elke havenstaatinspectie beperkt tot het verifiëren, wanneer van toepassing, of er een geldig(e) conformverklaring inzake het rapporteren van het brandstofolieverbruik en operationele indicatorwaarde voor koolstofintensiteit, een Internationaal certificaat betreffende energie-efficiëntie en een Energie-efficiëntiemanagementplan aan boord zijn in overeenstemming met [artikel 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&artikel=5&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van dit Verdrag.
6. Onverminderd het bepaalde in paragraaf 5 van dit voorschrift kan iedere havenstaatinspectie inspecteren of het Energie-efficiëntiemanagementplan naar behoren door het schip wordt uitgevoerd overeenkomstig [voorschrift 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=4&artikel=28&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage.
5. Met betrekking tot Hoofdstuk 4 van deze Bijlage is elke havenstaatinspectie beperkt tot het verifiëren, wanneer van toepassing, of er een geldig(e) conformverklaring inzake het rapporteren van het brandstofolieverbruik en operationele indicatorwaarde voor koolstofintensiteit, een Internationaal certificaat betreffende energie-efficiëntie en een Energie-efficiëntiemanagementplan aan boord zijn in overeenstemming met [artikel 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&artikel=5&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van dit Verdrag.
6. Onverminderd het bepaalde in paragraaf 5 van dit voorschrift kan iedere havenstaatinspectie inspecteren of het Energie-efficiëntiemanagementplan naar behoren door het schip wordt uitgevoerd overeenkomstig [voorschrift 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=4&artikel=28&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage.
##### Voorschrift 11. Opsporing van overtredingen en handhaving
@@ -18303,7 +18347,7 @@
1. Dit voorschrift is niet van toepassing op permanent verzegelde uitrusting indien er geen aansluitingen zijn voor de toevoer van koelvloeistof of verwijderbare onderdelen die ozonafbrekende stoffen bevatten.
2. Onverminderd de bepalingen van [voorschrift 3.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=1&artikel=3&z=2024-01-01&g=2024-01-01) is elke opzettelijke emissie van ozonafbrekende stoffen verboden. Tot opzettelijke emissies worden tevens gerekend emissies die plaatsvinden tijdens het onderhoud, de revisie, de reparatie of het verwijderen van systemen of uitrusting, met dien verstande dat tot opzettelijke emissies niet behoort het vrijkomen van minimale hoeveelheden waarmee de terugwinning of recycling van een ozonafbrekende stof gepaard gaat. Voor emissies die voortkomen uit lekkages van een ozonafbrekende stof, ongeacht of de lekkages opzettelijk geschieden, kunnen door de Partijen regels worden gesteld.
2. Onverminderd de bepalingen van [voorschrift 3.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=1&artikel=3&z=2024-05-01&g=2024-05-01) is elke opzettelijke emissie van ozonafbrekende stoffen verboden. Tot opzettelijke emissies worden tevens gerekend emissies die plaatsvinden tijdens het onderhoud, de revisie, de reparatie of het verwijderen van systemen of uitrusting, met dien verstande dat tot opzettelijke emissies niet behoort het vrijkomen van minimale hoeveelheden waarmee de terugwinning of recycling van een ozonafbrekende stof gepaard gaat. Voor emissies die voortkomen uit lekkages van een ozonafbrekende stof, ongeacht of de lekkages opzettelijk geschieden, kunnen door de Partijen regels worden gesteld.
3.1. Installaties die ozonafbrekende stoffen anders dan hydrochloorfluorkoolwaterstoffen bevatten zijn verboden:
@@ -18319,9 +18363,9 @@
4. De stoffen bedoeld in dit voorschrift en uitrusting die deze stoffen bevat, dienen te worden ingeleverd bij de desbetreffende ontvangstvoorzieningen wanneer zij worden verwijderd van schepen.
5. Elk schip waarop [voorschrift 6.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=2&artikel=6&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van toepassing is houdt een lijst bij van uitrusting die ozonafbrekende stoffen bevat.
6. Elk schip waarop [voorschrift 6.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=2&artikel=6&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van toepassing is dat navulbare systemen met ozonafbrekende stoffen bevat houdt een journaal bij van ozonafbrekende stoffen. Dit journaal kan deel uitmaken van een bestaand logboek of van een door de Administratie goedgekeurd elektronisch journaal. Een elektronisch registratiesysteem, bedoeld in [voorschrift 12.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=3&artikel=12&z=2024-01-01&g=2024-01-01), zoals aangenomen bij resolutie MEPC.176(58), wordt beschouwd als elektronisch journaal mits het elektronisch registratiesysteem door de Administratie wordt goedgekeurd bij of vóór het eerste hernieuwde onderzoek voor het IAPP-certificaat dat wordt uitgevoerd op of na 1 oktober 2020, maar niet later dan 1 oktober 2025, rekening houdend met de door de Organisatie ontwikkelde richtlijnen.
5. Elk schip waarop [voorschrift 6.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=2&artikel=6&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van toepassing is houdt een lijst bij van uitrusting die ozonafbrekende stoffen bevat.
6. Elk schip waarop [voorschrift 6.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=2&artikel=6&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van toepassing is dat navulbare systemen met ozonafbrekende stoffen bevat houdt een journaal bij van ozonafbrekende stoffen. Dit journaal kan deel uitmaken van een bestaand logboek of van een door de Administratie goedgekeurd elektronisch journaal. Een elektronisch registratiesysteem, bedoeld in [voorschrift 12.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=3&artikel=12&z=2024-05-01&g=2024-05-01), zoals aangenomen bij resolutie MEPC.176(58), wordt beschouwd als elektronisch journaal mits het elektronisch registratiesysteem door de Administratie wordt goedgekeurd bij of vóór het eerste hernieuwde onderzoek voor het IAPP-certificaat dat wordt uitgevoerd op of na 1 oktober 2020, maar niet later dan 1 oktober 2025, rekening houdend met de door de Organisatie ontwikkelde richtlijnen.
7. Vermeldingen in het journaal van ozonafbrekende stoffen gaan vergezeld van het gewicht (in kg) van de stof en worden bij elke gelegenheid onverwijld geactualiseerd in het geval van:
@@ -18371,7 +18415,7 @@
- 2. voor schepen gebouwd op of na 1 januari 2000 gelden de normen die van kracht waren ten tijde van de bouw van het schip.
3. Onverminderd [voorschrift 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=1&artikel=3&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage is het gebruik van een scheepsdieselmotor op een schip gebouwd op of na 1 januari 2000 en vóór 1 januari 2011 verboden, tenzij de emissie van stikstofoxiden (berekend als de totale gewogen emissie van NO2), door de motor binnen de volgende grenzen blijft, waarbij n = nominaal toerental van de motor (krukasomwentelingen per minuut):
3. Onverminderd [voorschrift 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=1&artikel=3&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage is het gebruik van een scheepsdieselmotor op een schip gebouwd op of na 1 januari 2000 en vóór 1 januari 2011 verboden, tenzij de emissie van stikstofoxiden (berekend als de totale gewogen emissie van NO2), door de motor binnen de volgende grenzen blijft, waarbij n = nominaal toerental van de motor (krukasomwentelingen per minuut):
- 1. 17,0 g/kWh wanneer **n** lager is dan 130 opm;
@@ -18379,7 +18423,7 @@
- 3. 9,8 g/kWh wanneer **n** gelijk is aan of hoger dan 2000 opm.
4. Onverminderd [voorschrift 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=1&artikel=3&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage is het gebruik van een scheepsdieselmotor op een schip gebouwd op of na 1 januari 2011 verboden, tenzij de emissie van stikstofoxiden (berekend als de totale gewogen emissie van NO2) door de motor binnen de volgende grenzen blijft, waarbij **n** = nominaal toerental van de motor (krukasomwentelingen per minuut)
4. Onverminderd [voorschrift 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=1&artikel=3&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage is het gebruik van een scheepsdieselmotor op een schip gebouwd op of na 1 januari 2011 verboden, tenzij de emissie van stikstofoxiden (berekend als de totale gewogen emissie van NO2) door de motor binnen de volgende grenzen blijft, waarbij **n** = nominaal toerental van de motor (krukasomwentelingen per minuut)
- 1. 14,4 g/kWh wanneer **n** lager is dan 130 opm;
@@ -18387,7 +18431,7 @@
- 3. 7,7 g/kWh wanneer **n** gelijk is aan of hoger dan 2000 opm.
5.1. Onverminderd [voorschrift 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=1&artikel=3&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage is in een gebied voor emissiebeheersing dat is aangewezen voor NOx-controle voor generatie III krachtens paragraaf 6 van dit voorschrift (NOx generatie III gebied voor emissiebeheersing), het gebruik van een scheepsdieselmotor die in een schip is geïnstalleerd:
5.1. Onverminderd [voorschrift 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=1&artikel=3&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage is in een gebied voor emissiebeheersing dat is aangewezen voor NOx-controle voor generatie III krachtens paragraaf 6 van dit voorschrift (NOx generatie III gebied voor emissiebeheersing), het gebruik van een scheepsdieselmotor die in een schip is geïnstalleerd:
- 1. verboden, tenzij de emissie van stikstofoxiden (berekend als de totale gewogen emissie van NO2) door de motor binnen de volgende grenzen blijft, waarbij **n** = nominaal toerental (krukasomwentelingen per minuut): indien
@@ -18407,11 +18451,11 @@
5.2. De normen vervat in paragraaf 5.1.1 van dit voorschrift zijn niet van toepassing op:
- 1. een scheepsdieselmotor geïnstalleerd op een schip met een lengte (**L**), als omschreven in voorschrift 1.19 van [Bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&z=2024-01-01&g=2024-01-01) bij dit Verdrag, van minder dan 24 meter wanneer het specifiek is ontworpen en uitsluitend wordt gebruikt voor recreatieve doeleinden; of
- 1. een scheepsdieselmotor geïnstalleerd op een schip met een lengte (**L**), als omschreven in voorschrift 1.19 van [Bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&z=2024-05-01&g=2024-05-01) bij dit Verdrag, van minder dan 24 meter wanneer het specifiek is ontworpen en uitsluitend wordt gebruikt voor recreatieve doeleinden; of
- 2. een scheepsdieselmotor geïnstalleerd op een schip met een volgens het identificatieplaatje van de scheepsdieselmotor totaal voortstuwingsvermogen van minder dan 750 kW indien ten genoegen van de Administratie wordt aangetoond dat het schip vanwege de beperkingen van zijn ontwerp of constructie niet kan voldoen aan de normen vervat in paragraaf 5.1.1 van dit voorschrift; of
- 3. een scheepsdieselmotor geïnstalleerd op een schip gebouwd vóór 1 januari 2021 met een brutotonnage van minder dan 500, met een lengte (**L**), als omschreven in voorschrift 1.19 van [Bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&z=2024-01-01&g=2024-01-01) bij dit Verdrag, van 24 meter of meer wanneer deze specifiek is ontworpen en uitsluitend wordt gebruikt voor recreatieve doeleinden.
- 3. een scheepsdieselmotor geïnstalleerd op een schip gebouwd vóór 1 januari 2021 met een brutotonnage van minder dan 500, met een lengte (**L**), als omschreven in voorschrift 1.19 van [Bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&z=2024-05-01&g=2024-05-01) bij dit Verdrag, van 24 meter of meer wanneer deze specifiek is ontworpen en uitsluitend wordt gebruikt voor recreatieve doeleinden.
5.3. De generatie en aan/uit-status van scheepsdieselmotoren die geïnstalleerd zijn aan boord van een schip waarop paragraaf 5.1 van dit voorschrift van toepassing is en die zijn gecertificeerd zowel conform generatie II als generatie III of uitsluitend conform generatie II, worden geregistreerd in een dergelijk door de Administratie voorgeschreven logboek of elektronisch journaal op het moment van binnenkomst in en vertrek uit een gebied voor emissiebeheersing dat is aangewezen voor NOx-controle voor generatie III, of wanneer de aan/uit-status verandert binnen een dergelijk gebied, tezamen met de datum, tijd en positie van het schip.
@@ -18435,7 +18479,7 @@
- 2. het in de Caribische Zee van de Verenigde Staten gelegen gebied voor emissiebeheersing, waaronder wordt verstaan het gebied aangegeven met de coördinaten vervat in Aanhangsel VII bij deze Bijlage;
- 3. het in de Baltische Zee gelegen gebied voor emissiebeheersing zoals omschreven in voorschrift 1.11.2 van [Bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&z=2024-01-01&g=2024-01-01) bij dit Verdrag; en
- 3. het in de Baltische Zee gelegen gebied voor emissiebeheersing zoals omschreven in voorschrift 1.11.2 van [Bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&z=2024-05-01&g=2024-05-01) bij dit Verdrag; en
- 4. het in de Noordzee gelegen gebied voor emissiebeheersing zoals omschreven in voorschrift 1.14.6 vanBijlage V bij dit Verdrag.
@@ -18457,7 +18501,7 @@
- 4. er is nog geen goedgekeurde methode van toepassing.
7.4. Onverminderd [voorschrift 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=1&artikel=3&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage is het gebruik van een scheepsdieselmotor als omschreven in paragraaf 7.1 van dit voorschrift verboden, tenzij de emissie van stikstofoxiden (berekend als de totale gewogen emissie van NO2) door de motor binnen de volgende grenzen blijft, waarbij **n** = nominaal toerental van de motor (krukasomwentelingen per minuut):
7.4. Onverminderd [voorschrift 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=1&artikel=3&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage is het gebruik van een scheepsdieselmotor als omschreven in paragraaf 7.1 van dit voorschrift verboden, tenzij de emissie van stikstofoxiden (berekend als de totale gewogen emissie van NO2) door de motor binnen de volgende grenzen blijft, waarbij **n** = nominaal toerental van de motor (krukasomwentelingen per minuut):
- 1. 17,0 g/kWh wanneer **n** lager is dan 130 opm;
@@ -18483,17 +18527,19 @@
3. Voor de toepassing van dit voorschrift wordt verstaan onder gebied voor emissiebeheersing, elk door de Organisatie volgens de criteria en procedures vervat in Aanhangsel III bij deze Bijlage aangewezen zeegebied, met inbegrip van havengebieden. De onder dit voorschrift vallende gebieden voor emissiebeheersing zijn:
- 1. het Baltische Zeegebied zoals omschreven in voorschrift 1.11.2 van [Bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&z=2024-01-01&g=2024-01-01) bij dit Verdrag;
- 2. het Noordzeegebied zoals omschreven in voorschrift 1.14.6 van [Bijlage V](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&z=2024-01-01&g=2024-01-01) bij dit Verdrag;.
- 3. het Noord-Amerikaanse gebied voor emissiebeheersing, waaronder wordt verstaan het gebied aangegeven met de coördinaten vervat in [Aanhangsel VII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VII&z=2024-01-01&g=2024-01-01) bij deze Bijlage; en
- 4. het in de Caribische Zee van de Verenigde Staten gelegen gebied voor emissiebeheersing, waaronder wordt verstaan het gebied aangegeven met de coördinaten vervat in [Aanhangsel VII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VII&z=2024-01-01&g=2024-01-01) bij deze Bijlage.
- 1. het Baltische Zeegebied zoals omschreven in voorschrift 1.11.2 van [Bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&z=2024-05-01&g=2024-05-01) bij dit Verdrag;
- 2. het Noordzeegebied zoals omschreven in voorschrift 1.14.6 van [Bijlage V](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&z=2024-05-01&g=2024-05-01) bij dit Verdrag;.
- 3. het Noord-Amerikaanse gebied voor emissiebeheersing, waaronder wordt verstaan het gebied aangegeven met de coördinaten vervat in [Aanhangsel VII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VII&z=2024-05-01&g=2024-05-01) bij deze Bijlage;
- 4. het in de Caribische Zee van de Verenigde Staten gelegen gebied voor emissiebeheersing, waaronder wordt verstaan het gebied aangegeven met de coördinaten vervat in [Aanhangsel VII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VII&z=2024-05-01&g=2024-05-01) bij deze Bijlage; en
- 5. het in de Middellandse Zee gelegen gebied voor emissiebeheersing, waaronder wordt verstaan het gebied aangegeven met de coördinaten vervat in [Aanhangsel VII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VII&z=2024-05-01&g=2024-05-01) bij deze Bijlage.
4. Wanneer een schip vaart binnen een gebied voor emissiebeheersing, mag het zwavelgehalte van de brandstofolie gebruikt aan boord van dat schip niet hoger zijn dan 0,1% m/m.
5. Het zwavelgehalte van brandstofolie bedoeld in de eerste en vierde paragraaf van dit voorschrift wordt aangetoond door de leverancier ervan zoals vereist in [voorschrift 18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage.
5. Het zwavelgehalte van brandstofolie bedoeld in de eerste en vierde paragraaf van dit voorschrift wordt aangetoond door de leverancier ervan zoals vereist in [voorschrift 18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage.
6. Schepen waarop afzonderlijke brandstofolie wordt gebruikt teneinde te voldoen aan de vierde paragraaf van dit voorschrift die een gebied voor emissiebeheersing zoals voorzien in de derde paragraaf van dit voorschrift binnenvaren of verlaten, hebben een schriftelijke procedure aan boord waaruit blijkt hoe de overschakeling tussen de soorten olie dient te verlopen, waarbij voldoende tijd is gereserveerd om de olie met een hoger zwavelgehalte dan toegestaan volgens de vierde paragraaf van dit voorschrift volledig uit het brandstofolieservicesysteem te laten verdwijnen voordat het gebied voor emissiebeheersing wordt binnengevaren. De hoeveelheid brandstofolie met een laag zwavelgehalte in elke tank alsmede de datum en de positie van het schip op het tijdstip waarop de overschakeling naar de andere brandstofolie is voltooid alvorens een gebied voor emissiebeheersing binnen te varen of wordt begonnen na het verlaten van een dergelijk gebied worden vastgelegd in een door de Administratie voorgeschreven logboek of elektronisch journaal.
@@ -18503,9 +18549,9 @@
9. Het monster dient te worden verzegeld door de vertegenwoordiger van de bevoegde autoriteit met een uniek identificatiemiddel dat wordt aangebracht in aanwezigheid van de vertegenwoordiger van het schip. De mogelijkheid wordt geboden een duplicaatmonster op het schip te bewaren.
10. Voor elk schip waarop de [voorschriften 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=2&artikel=5&z=2024-01-01&g=2024-01-01) en [6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=2&artikel=6&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage van toepassing zijn, wordt een bemonsteringspunt of worden bemonsteringspunten aangebracht of aangewezen ten behoeve van het nemen van representatieve monsters van de brandstofolie die aan boord wordt gebruikt, rekening houdend met de door de Organisatie ontwikkelde richtlijnen.
11. Voor een schip gebouwd voor 1 april 2022 dient het in paragraaf 10 bedoelde bemonsteringspunt of dienen de in paragraaf 10 bedoelde bemonsteringspunten te worden aangebracht of aangewezen niet later dan het eerste hernieuwde onderzoek zoals voorzien in [voorschrift 5.1.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=2&artikel=5&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage op of na 1 april 2023.
10. Voor elk schip waarop de [voorschriften 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=2&artikel=5&z=2024-05-01&g=2024-05-01) en [6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=2&artikel=6&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage van toepassing zijn, wordt een bemonsteringspunt of worden bemonsteringspunten aangebracht of aangewezen ten behoeve van het nemen van representatieve monsters van de brandstofolie die aan boord wordt gebruikt, rekening houdend met de door de Organisatie ontwikkelde richtlijnen.
11. Voor een schip gebouwd voor 1 april 2022 dient het in paragraaf 10 bedoelde bemonsteringspunt of dienen de in paragraaf 10 bedoelde bemonsteringspunten te worden aangebracht of aangewezen niet later dan het eerste hernieuwde onderzoek zoals voorzien in [voorschrift 5.1.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=2&artikel=5&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage op of na 1 april 2023.
12. De vereisten van de bovenstaande paragrafen 10 en 11 zijn niet van toepassing op een brandstofolieservicesysteem voor een brandstof met een laag vlampunt gebruikt voor verbrandingsdoeleinden voor de voortstuwing of bedrijfsdoeleinden aan boord van een schip.
@@ -18541,11 +18587,11 @@
2. Verbranding aan boord van de volgende stoffen is verboden:
- 1. residuen van vrachten waarop [Bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&z=2024-01-01&g=2024-01-01), II, of III van toepassing is of bijbehorend vervuild verpakkingsmateriaal;
- 1. residuen van vrachten waarop [Bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I&z=2024-05-01&g=2024-05-01), II, of III van toepassing is of bijbehorend vervuild verpakkingsmateriaal;
- 2. polychloorbifenylen (PCB’s);
- 3. afval zoals omschreven in [Bijlage V](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=V&z=2024-01-01&g=2024-01-01) dat meer dan sporen bevat van zware metalen;
- 3. afval zoals omschreven in [Bijlage V](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=V&z=2024-05-01&g=2024-05-01) dat meer dan sporen bevat van zware metalen;
- 4. geraffineerde aardolieproducten die halogeenverbindingen bevatten;
@@ -18583,13 +18629,19 @@
- 3. behoefte van scheepssloopinrichtingen aan de ontvangst van ozonafbrekende stoffen en uitrusting die dergelijke stoffen bevat en die van schepen worden verwijderd.
2. Kleine eilandstaten in ontwikkeling kunnen met behulp van regionale regelingen voldoen aan de vereisten van de eerste paragraaf van dit voorschrift, indien dergelijke regelingen de enige praktische manier zijn om aan deze vereisten te voldoen vanwege de unieke omstandigheden van die staten. Partijen die deelnemen aan een regionale regeling moeten een regionaal plan voor ontvangstfaciliteiten opstellen waarbij rekening wordt gehouden met de door de Organisatie opgestelde richtlijnen.
De Regering van elke Partij die deelneemt aan de regeling overlegt met de Organisatie, ten behoeve van het rondsturen aan Partijen bij dit Verdrag, over:
- 1. de wijze waarop in het regionale plan voor ontvangstfaciliteiten rekening wordt gehouden met de richtlijnen;
- 2. bijzonderheden van de aangewezen regionale ontvangstfaciliteiten voor afval van schepen; en
2. De volgende staten kunnen met behulp van regionale regelingen voldoen aan de vereisten van de eerste paragraaf van dit voorschrift, indien dergelijke regelingen de enige praktische manier zijn om aan deze vereisten te voldoen vanwege de unieke omstandigheden van die staten:
- 1. kleine eilandstaten in ontwikkeling; en
- 2. staten waarvan de kustlijn grenst aan Arctische wateren mits de regionale regelingen alleen betrekking hebben op de havens van die staten in de Arctische wateren.
Partijen die deelnemen aan een regionale regeling moeten een regionaal plan voor ontvangstinrichtingen opstellen waarbij rekening wordt gehouden met de door de Organisatie opgestelde richtlijnen.
De Regering van elke Partij die deelneemt aan de regeling overlegt met de Organisatie, ten behoeve van het rondsturen aan de Partijen bij dit Verdrag, over:
- 1. de wijze waarop in het regionale plan voor ontvangstinrichtingen rekening wordt gehouden met de door de Organisatie opgestelde richtlijnen;
- 2. bijzonderheden van de aangewezen regionale ontvangstcentra voor afval van schepen rekening houdend met de door de Organisatie opgestelde richtlijnen; en
- 3. bijzonderheden van havens met beperkte voorzieningen.
@@ -18647,7 +18699,7 @@
4. Dit voorschrift is niet van toepassing op steenkool in vaste vorm of op nucleaire brandstoffen. De paragrafen 5, 6, 7.1, 7.2, 8.1, 8.2, 9.2, 9.3 en 9.4 van dit voorschrift zijn niet van toepassing op gasvormige brandstoffen als LPG, gecomprimeerd aardgas of vloeibaar gemaakt petroleumgas. Het zwavelgehalte van gasvormige brandstoffen die specifiek voor verbrandingsdoeleinden aan boord van dat schip worden geleverd dient te worden aangetoond door de leverancier.
5. Voor elk schip dat is onderworpen aan de voorschriften 5 en [6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=2&artikel=6&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage dienen gegevens over voor verbrandingsdoeleinden geleverde en aan boord gebruikte brandstofolie te worden geregistreerd door middel van een bunkerafleveringsbon die ten minste de informatie vermeld in Aanhangsel V bij deze Bijlage bevat.
5. Voor elk schip dat is onderworpen aan de voorschriften 5 en [6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=2&artikel=6&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage dienen gegevens over voor verbrandingsdoeleinden geleverde en aan boord gebruikte brandstofolie te worden geregistreerd door middel van een bunkerafleveringsbon die ten minste de informatie vermeld in Aanhangsel V bij deze Bijlage bevat.
6. De bunkerafleveringsbon dient aan boord te worden gehouden op een plaats die op elk redelijk tijdstip gemakkelijk toegankelijk is voor inspectie. De bon dient te worden bewaard gedurende een tijdvak van drie jaar nadat de brandstofolie aan boord is afgeleverd.
@@ -18693,9 +18745,9 @@
- 2. schepen die niet met mechanische middelen worden voortgestuwd en platforms, met inbegrip van drijvende productie- en overslageenheden (FPSO's), drijvende opslageenheden (FSU's) en boorplatforms, ongeacht de wijze van voortstuwing ervan.
3. De voorschriften 22, 23, 24 en 25 van deze Bijlage zijn niet van toepassing op schepen met niet-conventionele voortstuwing, met dien verstande dat de voorschriften 22 en 24 wel van toepassing zijn op cruiseschepen met niet-conventionele voortstuwing en LNG-tankers met conventionele of niet-conventionele voortstuwing, opgeleverd op of na 1 september 2019, zoals omschreven in [voorschrift 2.2.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=1&artikel=2&z=2024-01-01&g=2024-01-01), en voorschriften 23 en 25 zijn van toepassing op cruiseschepen met niet-conventionele voortstuwing en LNG-tankers met conventionele of niet-conventionele voortstuwing. De voorschriften 22, 23, 24, 25 en [28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=4&artikel=28&z=2024-01-01&g=2024-01-01) zijn niet van toepassing op schepen van categorie A zoals omschreven in de Polar Code.
4. Niettegenstaande de bepalingen van paragraaf 1 van dit voorschrift, kan de Administratie ontheffing verlenen van de vereisten van [voorschrift 22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=4&artikel=22&z=2024-01-01&g=2024-01-01) en [voorschrift 24](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=4&artikel=24&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage voor schepen met een brutotonnage van 400 en meer.
3. De voorschriften 22, 23, 24 en 25 van deze Bijlage zijn niet van toepassing op schepen met niet-conventionele voortstuwing, met dien verstande dat de voorschriften 22 en 24 wel van toepassing zijn op cruiseschepen met niet-conventionele voortstuwing en LNG-tankers met conventionele of niet-conventionele voortstuwing, opgeleverd op of na 1 september 2019, zoals omschreven in [voorschrift 2.2.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=1&artikel=2&z=2024-05-01&g=2024-05-01), en voorschriften 23 en 25 zijn van toepassing op cruiseschepen met niet-conventionele voortstuwing en LNG-tankers met conventionele of niet-conventionele voortstuwing. De voorschriften 22, 23, 24, 25 en [28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=4&artikel=28&z=2024-05-01&g=2024-05-01) zijn niet van toepassing op schepen van categorie A zoals omschreven in de Polar Code.
4. Niettegenstaande de bepalingen van paragraaf 1 van dit voorschrift, kan de Administratie ontheffing verlenen van de vereisten van [voorschrift 22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=4&artikel=22&z=2024-05-01&g=2024-05-01) en [voorschrift 24](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=4&artikel=24&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage voor schepen met een brutotonnage van 400 en meer.
5. De bepalingen van paragraaf 4 van dit voorschrift zijn niet van toepassing op schepen met een brutotonnage van 400 en meer:
@@ -18705,7 +18757,7 @@
- 3. waarvan de oplevering plaatsvindt op of na 1 juli 2019; of
- 4. in geval van een belangrijke wijziging van een nieuw of bestaand schip, zoals omschreven in [voorschrift 2.2.17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=1&artikel=2&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage, op of na 1 januari 2017, en waarbij [voorschrift 5.4.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=2&artikel=5&z=2024-01-01&g=2024-01-01) en voorschrift 5.4.3 van deze Bijlage van toepassing zijn.
- 4. in geval van een belangrijke wijziging van een nieuw of bestaand schip, zoals omschreven in [voorschrift 2.2.17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=1&artikel=2&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage, op of na 1 januari 2017, en waarbij [voorschrift 5.4.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=2&artikel=5&z=2024-05-01&g=2024-05-01) en voorschrift 5.4.3 van deze Bijlage van toepassing zijn.
6. De Administratie van een Partij bij dit Verdrag die toepassing van paragraaf 4 toestaat, of de toepassing van deze paragraaf opschort, intrekt of afwijst, met betrekking tot een schip dat gerechtigd is haar vlag te voeren, doet de Organisatie onverwijld de bijzonderheden daarvan toekomen voor toezending aan de Partijen bij dit Protocol ter informatie.
@@ -18715,11 +18767,11 @@
##### Voorschrift 21. Functionele vereisten
Om de doelstelling van [voorschrift 20](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=4&artikel=20&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage te bereiken, moet een schip waarop dit Hoofdstuk van toepassing is, voor zover van toepassing, voldoen aan de volgende functionele vereisten om zijn koolstofintensiteit te verminderen:
- 1. de technische koolstofintensiteitsvereisten in overeenstemming met de [voorschriften 22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=4&artikel=22&z=2024-01-01&g=2024-01-01), [23](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=4&artikel=23&z=2024-01-01&g=2024-01-01), [24](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=4&artikel=24&z=2024-01-01&g=2024-01-01) en [25](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=4&artikel=25&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage; en
- 2. de operationele koolstofintensiteitsvereisten in overeenstemming met de [voorschriften 26](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=4&artikel=26&z=2024-01-01&g=2024-01-01), [27](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=4&artikel=27&z=2024-01-01&g=2024-01-01) en [28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=4&artikel=28&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage.
Om de doelstelling van [voorschrift 20](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=4&artikel=20&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage te bereiken, moet een schip waarop dit Hoofdstuk van toepassing is, voor zover van toepassing, voldoen aan de volgende functionele vereisten om zijn koolstofintensiteit te verminderen:
- 1. de technische koolstofintensiteitsvereisten in overeenstemming met de [voorschriften 22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=4&artikel=22&z=2024-05-01&g=2024-05-01), [23](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=4&artikel=23&z=2024-05-01&g=2024-05-01), [24](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=4&artikel=24&z=2024-05-01&g=2024-05-01) en [25](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=4&artikel=25&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage; en
- 2. de operationele koolstofintensiteitsvereisten in overeenstemming met de [voorschriften 26](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=4&artikel=26&z=2024-05-01&g=2024-05-01), [27](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=4&artikel=27&z=2024-05-01&g=2024-05-01) en [28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=4&artikel=28&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage.
##### Voorschrift 22. Bereikte ontwerpindex voor energie-efficiëntie (Bereikte EEDI)
@@ -18731,13 +18783,13 @@
- 3. elk nieuw of bestaand schip dat een belangrijke wijziging heeft ondergaan die zo omvangrijk is dat het schip door de Administratie wordt beschouwd als een nieuw gebouwd schip
dat onder een of meer van de categorieën van de [voorschriften 2.2.5, 2.2.7, 2.2.9, 2.2.11, 2.2.14 tot en met 2.2.16, 2.2.20, 2.2.22, en 2.2.26 tot en met 2.2.29](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=1&artikel=2&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage valt. De bereikte EEDI dient voor elk afzonderlijk schip te worden berekend en dient te vermelden wat de geschatte prestatie van het schip is in termen van energie-efficiëntie, en dient vergezeld te gaan van het technisch dossier van de EEDI waarin de informatie staat die nodig is voor het berekenen van de bereikte EEDI alsmede de uitgevoerde berekening zelf. De bereikte EEDI dient te worden geverifieerd aan de hand van het technisch dossier bij de EEDI, hetzij door de Administratie hetzij door een door haar naar behoren gemachtigde organisatie.
dat onder een of meer van de categorieën van de [voorschriften 2.2.5, 2.2.7, 2.2.9, 2.2.11, 2.2.14 tot en met 2.2.16, 2.2.20, 2.2.22, en 2.2.26 tot en met 2.2.29](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=1&artikel=2&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage valt. De bereikte EEDI dient voor elk afzonderlijk schip te worden berekend en dient te vermelden wat de geschatte prestatie van het schip is in termen van energie-efficiëntie, en dient vergezeld te gaan van het technisch dossier van de EEDI waarin de informatie staat die nodig is voor het berekenen van de bereikte EEDI alsmede de uitgevoerde berekening zelf. De bereikte EEDI dient te worden geverifieerd aan de hand van het technisch dossier bij de EEDI, hetzij door de Administratie hetzij door een door haar naar behoren gemachtigde organisatie.
2. De bereikte EEDI wordt berekend aan de hand van de door de Organisatie opgestelde richtlijnen.
3. Voor elk schip dat is onderworpen aan [voorschrift 24](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=4&artikel=24&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage meldt de Administratie of de door haar naar behoren gemachtigde organisatie aan de Organisatie de vereiste en bereikte EEDI-waarden en relevante informatie, rekening houdend met de door de Organisatie opgestelde richtlijnen, via elektronische weg:
- 1. binnen 7 maanden na afronding van het onderzoek zoals vereist door [voorschrift 5.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=2&artikel=5&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage; of
3. Voor elk schip dat is onderworpen aan [voorschrift 24](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=4&artikel=24&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage meldt de Administratie of de door haar naar behoren gemachtigde organisatie aan de Organisatie de vereiste en bereikte EEDI-waarden en relevante informatie, rekening houdend met de door de Organisatie opgestelde richtlijnen, via elektronische weg:
- 1. binnen 7 maanden na afronding van het onderzoek zoals vereist door [voorschrift 5.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=2&artikel=5&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage; of
- 2. binnen 7 maanden na 1 april 2022 voor een schip opgeleverd vóór 1 april 2022.
@@ -18745,47 +18797,47 @@
1. Elk schip dient een op het schip van toepassing zijnde energie-efficiëntiemanagementplan (SEEMP) aan boord te hebben. Dit kan onderdeel vormen van het veiligheidsbeleidssysteem (SMS) van het schip. Het SEEMP dient te worden ontwikkeld en herzien met inachtneming van de door de Organisatie aangenomen richtlijnen.
2. Voor een schip van 5.000 brutotonnage en meer dient het SEEMP een beschrijving te omvatten van de methodiek die wordt gebruikt om de door [voorschrift 27.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=4&artikel=27&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage vereiste gegevens te verzamelen en van de processen die worden gebruikt om de gegevens aan de Administratie van het schip te rapporteren.
2. Voor een schip van 5.000 brutotonnage en meer dient het SEEMP een beschrijving te omvatten van de methodiek die wordt gebruikt om de door [voorschrift 27.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=4&artikel=27&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage vereiste gegevens te verzamelen en van de processen die worden gebruikt om de gegevens aan de Administratie van het schip te rapporteren.
3. Voor een schip van 5.000 brutotonnage en hoger dat onder een of meer van de categorieën van de voorschriften 2.2.5, 2.2.7, 2.2.9, 2.2.11, 2.2.14 tot en met 2.2.16, 2.2.22, en 2.2.26 tot en met 2.2.29 van deze Bijlage valt:
- 1. Bevat de SEEMP op of voor 1 januari 2023:
- 1. een beschrijving van de methodiek die wordt gebruikt om de door [voorschrift 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=4&artikel=28&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage vereiste bereikte jaarlijkse operationele KII van het schip te berekenen en van de processen die worden gebruikt om de gegevens aan de Administratie van het schip te rapporteren,
- 2. de vereiste bereikte jaarlijkse operationele KII, zoals aangeduid in [voorschrift 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=4&artikel=28&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage, voor de volgende drie jaar;
- 1. een beschrijving van de methodiek die wordt gebruikt om de door [voorschrift 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=4&artikel=28&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage vereiste bereikte jaarlijkse operationele KII van het schip te berekenen en van de processen die worden gebruikt om de gegevens aan de Administratie van het schip te rapporteren,
- 2. de vereiste bereikte jaarlijkse operationele KII, zoals aangeduid in [voorschrift 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=4&artikel=28&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage, voor de volgende drie jaar;
- 3. een uitvoeringsplan waaruit blijkt hoe de vereiste jaarlijkse operationele KII wordt bereikt in de komende drie jaar; en
- 4. een procedure voor zelf-evaluatie en verbetering.
- 2. Voor een schip dat gedurende drie opeenvolgende jaren een D-classificatie heeft gekregen of dat overeenkomstig voorschrift 28 van deze Bijlage een E-classificatie heeft gekregen, wordt het SEEMP herzien in overeenstemming met [voorschrift 28.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=4&artikel=28&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage waarbij een plan van corrigerende maatregelen wordt opgenomen om de vereiste jaarlijkse operationele KII te behalen.
- 2. Voor een schip dat gedurende drie opeenvolgende jaren een D-classificatie heeft gekregen of dat overeenkomstig voorschrift 28 van deze Bijlage een E-classificatie heeft gekregen, wordt het SEEMP herzien in overeenstemming met [voorschrift 28.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=4&artikel=28&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage waarbij een plan van corrigerende maatregelen wordt opgenomen om de vereiste jaarlijkse operationele KII te behalen.
- 3. Het SEEMP is onderworpen aan verificatie en bedrijfsaudits met inachtneming van de door de Organisatie te ontwikkelen richtlijnen.
##### Voorschrift 27. Verzamelen en rapporteren van gegevens over het brandstofolieverbruik van schepen
1. Vanaf het kalenderjaar 2019 dienen voor elk schip van 5.000 brutotonnage en meer de in [Aanhangsel IX](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=IX&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage genoemde gegevens te worden verzameld voor dat kalenderjaar en elk daaropvolgend kalenderjaar of deel daarvan, naargelang van toepassing, volgens de in het SEEMP opgenomen methodologie.
1. Vanaf het kalenderjaar 2019 dienen voor elk schip van 5.000 brutotonnage en meer de in [Aanhangsel IX](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=IX&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage genoemde gegevens te worden verzameld voor dat kalenderjaar en elk daaropvolgend kalenderjaar of deel daarvan, naargelang van toepassing, volgens de in het SEEMP opgenomen methodologie.
2. Uitgezonderd zoals voorzien in de paragrafen 4, 5 en 6 van dit voorschrift, dienen aan het einde van elk kalenderjaar de voor het schip in dat kalenderjaar of deel daarvan verzamelde gegevens, naargelang van toepassing, te worden samengevoegd.
3. Uitgezonderd zoals voorzien in de paragrafen 4, 5 en 6 van dit voorschrift dient voor elk schip binnen drie maanden na het einde van elk kalenderjaar, aan de Administratie van het schip of elke door haar naar behoren gemachtigde organisatie de samengestelde waarde voor elke in [Aanhangsel IX](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=IX&z=2024-01-01&g=2024-01-01) bij deze Bijlage genoemde datum te worden gerapporteerd langs elektronische weg en met gebruikmaking van een door de Organisatie te ontwikkelen standaardformaat.
4. Indien een schip van de ene naar de andere Administratie wordt overgedragen, dienen op de dag waarop de overdracht wordt afgerond of zo dicht daarop als praktisch mogelijk is aan de overdragende Administratie of een door haar naar behoren gemachtigde organisatie de samengestelde gegevens te worden gerapporteerd die betrekking hebben op het deel van het kalenderjaar dat onder die Administratie valt, zoals vermeld in [Aanhangsel IX](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=IX&z=2024-01-01&g=2024-01-01) bij deze Bijlage en, na voorafgaand verzoek van die Administratie, de uitgesplitste gegevens.
5. Indien een schip overgaat van de ene naar de andere onderneming, dienen op de dag waarop de overgang wordt afgerond of zo dicht daarop als praktisch mogelijk is aan zijn Administratie of een door haar naar behoren gemachtigde organisatie, de samengestelde gegevens te worden gerapporteerd die betrekking hebben op het deel van het kalenderjaar waarvoor de onderneming verantwoordelijk is, zoals vermeld in [Aanhangsel IX](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=IX&z=2024-01-01&g=2024-01-01) bij deze Bijlage en, na verzoek van die Administratie, de uitgesplitste gegevens.
3. Uitgezonderd zoals voorzien in de paragrafen 4, 5 en 6 van dit voorschrift dient voor elk schip binnen drie maanden na het einde van elk kalenderjaar, aan de Administratie van het schip of elke door haar naar behoren gemachtigde organisatie de samengestelde waarde voor elke in [Aanhangsel IX](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=IX&z=2024-05-01&g=2024-05-01) bij deze Bijlage genoemde datum te worden gerapporteerd langs elektronische weg en met gebruikmaking van een door de Organisatie te ontwikkelen standaardformaat.
4. Indien een schip van de ene naar de andere Administratie wordt overgedragen, dienen op de dag waarop de overdracht wordt afgerond of zo dicht daarop als praktisch mogelijk is aan de overdragende Administratie of een door haar naar behoren gemachtigde organisatie de samengestelde gegevens te worden gerapporteerd die betrekking hebben op het deel van het kalenderjaar dat onder die Administratie valt, zoals vermeld in [Aanhangsel IX](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=IX&z=2024-05-01&g=2024-05-01) bij deze Bijlage en, na voorafgaand verzoek van die Administratie, de uitgesplitste gegevens.
5. Indien een schip overgaat van de ene naar de andere onderneming, dienen op de dag waarop de overgang wordt afgerond of zo dicht daarop als praktisch mogelijk is aan zijn Administratie of een door haar naar behoren gemachtigde organisatie, de samengestelde gegevens te worden gerapporteerd die betrekking hebben op het deel van het kalenderjaar waarvoor de onderneming verantwoordelijk is, zoals vermeld in [Aanhangsel IX](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=IX&z=2024-05-01&g=2024-05-01) bij deze Bijlage en, na verzoek van die Administratie, de uitgesplitste gegevens.
6. Indien de verandering van Administratie samenvalt met de verandering van onderneming, is de vierde paragraaf van dit voorschrift van toepassing.
7. De gegevens dienen te worden geverifieerd volgens door de Administratie in te stellen procedures, rekening houdend met door de Organisatie te ontwikkelen richtlijnen.
8. Uitgezonderd zoals voorzien in de paragrafen 4, 5 en 6 van dit voorschrift dienen de uitgesplitste gegevens die ten grondslag liggen aan de gerapporteerde gegevens die in [Aanhangsel IX](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=IX&z=2024-01-01&g=2024-01-01) bij deze Bijlage worden vermeld ter zake van het voorafgaande kalenderjaar gemakkelijk toegankelijk te zijn gedurende een periode van ten minste 12 maanden te rekenen vanaf het einde van dat kalenderjaar en aan de Administratie op verzoek beschikbaar te worden gesteld.
9. De Administratie waarborgt dat de gerapporteerde gegevens vermeld in [Aanhangsel IX](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=IX&z=2024-01-01&g=2024-01-01) bij deze Bijlage ter zake van haar geregistreerde schepen van 5.000 brutotonnage en meer worden overgedragen aan de IMO-database Brandstofolieverbruik van schepen langs elektronische weg en met gebruikmaking van een door de Organisatie te ontwikkelen standaardformaat en niet later dan één maand na afgifte van de conformverklaringen voor deze schepen.
8. Uitgezonderd zoals voorzien in de paragrafen 4, 5 en 6 van dit voorschrift dienen de uitgesplitste gegevens die ten grondslag liggen aan de gerapporteerde gegevens die in [Aanhangsel IX](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=IX&z=2024-05-01&g=2024-05-01) bij deze Bijlage worden vermeld ter zake van het voorafgaande kalenderjaar gemakkelijk toegankelijk te zijn gedurende een periode van ten minste 12 maanden te rekenen vanaf het einde van dat kalenderjaar en aan de Administratie op verzoek beschikbaar te worden gesteld.
9. De Administratie waarborgt dat de gerapporteerde gegevens vermeld in [Aanhangsel IX](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=IX&z=2024-05-01&g=2024-05-01) bij deze Bijlage ter zake van haar geregistreerde schepen van 5.000 brutotonnage en meer worden overgedragen aan de IMO-database Brandstofolieverbruik van schepen langs elektronische weg en met gebruikmaking van een door de Organisatie te ontwikkelen standaardformaat en niet later dan één maand na afgifte van de conformverklaringen voor deze schepen.
10. Op basis van de gerapporteerde gegevens die bij de IMO-database Brandstofolieverbruik van schepen worden ingediend, stelt de Secretaris-Generaal van de Organisatie een jaarverslag op voor de Commissie voor de Bescherming van het Mariene Milieu waarin een beknopt overzicht wordt gegeven van de verzamelde gegevens, de status van de ontbrekende gegevens en overige relevante informatie waarom de Commissie kan verzoeken.
11. De Secretaris-Generaal van de Organisatie verleent aan de Administratie van een schip waarop [voorschrift 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=4&artikel=28&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage van toepassing is toegang tot alle verzamelde gegevens voor alle voorgaande kalenderjaren in de IMO-database Brandstofolieverbruik van schepen voor dat schip.
11. De Secretaris-Generaal van de Organisatie verleent aan de Administratie van een schip waarop [voorschrift 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=4&artikel=28&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage van toepassing is toegang tot alle verzamelde gegevens voor alle voorgaande kalenderjaren in de IMO-database Brandstofolieverbruik van schepen voor dat schip.
12. De Secretaris-Generaal van de Organisatie houdt een database bij die zodanig geanonimiseerd is dat individuele schepen niet geïdentificeerd kunnen worden. Partijen hebben uitsluitend toegang tot de geanonimiseerde gegevens ten behoeve van analyse en bestudering.
@@ -18793,13 +18845,13 @@
##### Voorschrift 28. Operationele koolstofintensiteit
1. Na het einde van het kalenderjaar 2023 en na het einde van elk daaropvolgend kalenderjaar berekent elk schip van 5.000 brutotonnage en meer dat onder één of meer van de categorieën van de [voorschriften 2.2.5, 2.2.7, 2.2.9, 2.2.11, 2.2.14 tot en met 2.2.16, 2.2.22 en 2.2.26 tot en met 2.2.29](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=1&artikel=2&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage valt, de bereikte jaarlijkse operationele KII over een periode van twaalf maanden van 1 januari tot en met 31 december van het voorgaande kalenderjaar, met gebruikmaking van de gegevens die overeenkomstig [voorschrift 27](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=4&artikel=27&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze bijlage zijn verzameld, en met inachtneming van de door de Organisatie op te stellen richtlijnen.
1. Na het einde van het kalenderjaar 2023 en na het einde van elk daaropvolgend kalenderjaar berekent elk schip van 5.000 brutotonnage en meer dat onder één of meer van de categorieën van de [voorschriften 2.2.5, 2.2.7, 2.2.9, 2.2.11, 2.2.14 tot en met 2.2.16, 2.2.22 en 2.2.26 tot en met 2.2.29](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=1&artikel=2&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage valt, de bereikte jaarlijkse operationele KII over een periode van twaalf maanden van 1 januari tot en met 31 december van het voorgaande kalenderjaar, met gebruikmaking van de gegevens die overeenkomstig [voorschrift 27](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=4&artikel=27&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze bijlage zijn verzameld, en met inachtneming van de door de Organisatie op te stellen richtlijnen.
2. Binnen drie maanden na het einde van elk kalenderjaar, rapporteert het schip aan zijn Administratie of elke door haar naar behoren gemachtigde organisatie de bereikte jaarlijkse operationele KII langs elektronische weg en met gebruikmaking van een door de Organisatie te ontwikkelen standaardformaat.
3. Onverminderd de punten 1 en 2 van dit voorschrift berekent en rapporteert een schip in geval van overdracht van een schip als bedoeld in de [voorschriften 27.4, 27.5 of 27.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=4&artikel=27&z=2024-01-01&g=2024-01-01) na 1 januari 2023, na afloop van het kalenderjaar waarin de overdracht plaatsvindt, de bereikte jaarlijkse operationele KII voor de volledige periode van twaalf maanden van 1 januari tot en met 31 december van het kalenderjaar waarin de overdracht plaatsvond, overeenkomstig de [voorschriften 28.1 en 28.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=4&artikel=28&z=2024-01-01&g=2024-01-01), ter verificatie overeenkomstig [voorschrift 6.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=2&artikel=6&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage, rekening houdend met de door de Organisatie te ontwikkelen richtlijnen. Niets in dit voorschrift ontslaat een schip van zijn rapportageverplichtingen krachtens [voorschrift 27](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=4&artikel=27&z=2024-01-01&g=2024-01-01) of dit voorschrift van deze Bijlage.
4. Voor een schip van 5.000 brutotonnage en meer dat onder een of meer van de categorieën van de [voorschriften 2.2.5, 2.2.7, 2.2.9, 2.2.11, 2.2.14 tot en met 2.2.16, 2.2.22, en 2.2.26 tot en met 2.2.29](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=1&artikel=2&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage valt, wordt de vereiste jaarlijkse operationele KII als volgt bepaald:
3. Onverminderd de punten 1 en 2 van dit voorschrift berekent en rapporteert een schip in geval van overdracht van een schip als bedoeld in de [voorschriften 27.4, 27.5 of 27.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=4&artikel=27&z=2024-05-01&g=2024-05-01) na 1 januari 2023, na afloop van het kalenderjaar waarin de overdracht plaatsvindt, de bereikte jaarlijkse operationele KII voor de volledige periode van twaalf maanden van 1 januari tot en met 31 december van het kalenderjaar waarin de overdracht plaatsvond, overeenkomstig de [voorschriften 28.1 en 28.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=4&artikel=28&z=2024-05-01&g=2024-05-01), ter verificatie overeenkomstig [voorschrift 6.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=2&artikel=6&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage, rekening houdend met de door de Organisatie te ontwikkelen richtlijnen. Niets in dit voorschrift ontslaat een schip van zijn rapportageverplichtingen krachtens [voorschrift 27](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=4&artikel=27&z=2024-05-01&g=2024-05-01) of dit voorschrift van deze Bijlage.
4. Voor een schip van 5.000 brutotonnage en meer dat onder een of meer van de categorieën van de [voorschriften 2.2.5, 2.2.7, 2.2.9, 2.2.11, 2.2.14 tot en met 2.2.16, 2.2.22, en 2.2.26 tot en met 2.2.29](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=1&artikel=2&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage valt, wordt de vereiste jaarlijkse operationele KII als volgt bepaald:
waarbij
@@ -18833,13 +18885,13 @@
- 5. de herziening van de Z-factor en de CIIR -waarden.
Indien de Partijen op basis van de evaluatie besluiten wijzigingen van dit voorschrift aan te nemen, worden zij aangenomen en treden zij in werking in overeenstemming met de in [artikel 16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&artikel=16&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van dit Verdrag vervatte bepalingen.
Indien de Partijen op basis van de evaluatie besluiten wijzigingen van dit voorschrift aan te nemen, worden zij aangenomen en treden zij in werking in overeenstemming met de in [artikel 16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&artikel=16&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van dit Verdrag vervatte bepalingen.
##### Voorschrift 29. Bevordering van technische samenwerking en overdracht van technologie met betrekking tot het verbeteren van de energie-efficiëntie van schepen
1. In samenwerking met de Organisatie en andere internationale organen bevorderen en verstrekken Administraties, al naargelang van toepassing, rechtstreeks of via de Organisatie rechtstreekse steun aan Staten, met name Staten in ontwikkeling, die om technische bijstand verzoeken.
2. De Administratie van een Partij werkt actief samen met andere Partijen, met inachtneming van haar nationale wet- en regelgeving en beleid, om de ontwikkeling en overdracht van technologie te bevorderen en informatie uit te wisselen met Staten die om technische bijstand verzoeken, met name Staten in ontwikkeling, met betrekking tot de implementatie van maatregelen om aan de vereisten van [Hoofdstuk 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=4&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage te voldoen, met name [voorschriften 19.4 tot en met 19.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=4&artikel=19&z=2024-01-01&g=2024-01-01).
2. De Administratie van een Partij werkt actief samen met andere Partijen, met inachtneming van haar nationale wet- en regelgeving en beleid, om de ontwikkeling en overdracht van technologie te bevorderen en informatie uit te wisselen met Staten die om technische bijstand verzoeken, met name Staten in ontwikkeling, met betrekking tot de implementatie van maatregelen om aan de vereisten van [Hoofdstuk 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=4&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage te voldoen, met name [voorschriften 19.4 tot en met 19.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=4&artikel=19&z=2024-05-01&g=2024-05-01).
### HOOFDSTUK 5. VERIFICATIE VAN DE NALEVING VAN DE BEPALINGEN VAN DEZE BIJLAGE
@@ -18891,7 +18943,7 @@
- 6. de aard van het scheepvaartverkeer in het voorgestelde gebied voor emissiebeheersing, met inbegrip van de patronen en dichtheid van dat verkeer;
- 7. een beschrijving van de beheersmaatregelen genomen door de indienende Partij of Partijen met betrekking tot bronnen van SOx-, NOx- en fijnstofemissies op het land die de bevolking treffen en het bedreigde gebied aantasten, welke maatregelen zijn en worden uitgevoerd alsmede te nemen maatregelen in verband met de bepalingen van de [voorschriften 13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=3&artikel=13&z=2024-01-01&g=2024-01-01) en [14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=3&artikel=14&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van Bijlage VI; en
- 7. een beschrijving van de beheersmaatregelen genomen door de indienende Partij of Partijen met betrekking tot bronnen van SOx-, NOx- en fijnstofemissies op het land die de bevolking treffen en het bedreigde gebied aantasten, welke maatregelen zijn en worden uitgevoerd alsmede te nemen maatregelen in verband met de bepalingen van de [voorschriften 13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=3&artikel=13&z=2024-05-01&g=2024-05-01) en [14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=3&artikel=14&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van Bijlage VI; en
- 8. de relatieve kosten van het terugdringen van emissies door schepen ten opzichte van maatregelen op het land en de economische gevolgen voor de scheepvaart die betrokken is bij de internationale handel.
@@ -18901,21 +18953,21 @@
4.1. De Organisatie neemt ieder bij haar door een Partij of Partijen ingediend voorstel in overweging.
4.2. Bij het beoordelen van het voorstel neemt de Organisatie de criteria in aanmerking die gelden voor elk voorstel tot aanneming zoals vervat in [deel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=III&artikel=3&z=2024-01-01&g=2024-01-01) hierboven.
4.3. Een gebied voor emissiebeheersing wordt aangewezen door middel van een wijziging van deze Bijlage in overeenstemming met [artikel 16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=3&artikel=16&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van dit Verdrag behandeld, aangenomen en in werking gesteld.
4.2. Bij het beoordelen van het voorstel neemt de Organisatie de criteria in aanmerking die gelden voor elk voorstel tot aanneming zoals vervat in [deel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=III&artikel=3&z=2024-05-01&g=2024-05-01) hierboven.
4.3. Een gebied voor emissiebeheersing wordt aangewezen door middel van een wijziging van deze Bijlage in overeenstemming met [artikel 16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=3&artikel=16&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van dit Verdrag behandeld, aangenomen en in werking gesteld.
##### 5. Functioneren van gebieden voor emissiebeheersing
5.1. Partijen met schepen die varen in het gebied worden aangemoedigd de Organisatie op de hoogte te stellen van eventuele zorgen omtrent het functioneren in het gebied.
De volgende relevante verificatieprocedure wordt gebruikt om vast te stellen of de aan boord van schepen geleverde en aldaar gebruikte of voor gebruik bestemde brandstofolie voldoet aan de krachtens [voorschrift 14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=3&artikel=14&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage van toepassing zijnde zwavelgrenzen.
De volgende relevante verificatieprocedure wordt gebruikt om vast te stellen of de aan boord van schepen geleverde en aldaar gebruikte of voor gebruik bestemde brandstofolie voldoet aan de krachtens [voorschrift 14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=3&artikel=14&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage van toepassing zijnde zwavelgrenzen.
Dit aanhangsel heeft betrekking op de volgende representatieve brandstofoliemonsters geleverd uit hoofde van MARPOL Bijlage VI:
Deel 1 – brandstofoliemonster dat is geleverd in overeenstemming met [voorschrift 18.8.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=3&artikel=18&z=2024-01-01&g=2024-01-01), hierna te noemen „monster geleverd uit hoofde van MARPOL” zoals omschreven in [voorschrift 2.1.22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=1&artikel=2&z=2024-01-01&g=2024-01-01).
Deel 2 – monster van brandstofolie die in gebruik is aan boord van schepen , die bestemd is om aan boord te worden gebruikt of die vervoerd wordt om aan boord te worden gebruikt in overeenstemming met [voorschrift 14.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=3&artikel=14&z=2024-01-01&g=2024-01-01), hierna te noemen het „in-gebruik-monster” zoals omschreven in [voorschrift 2.1.16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=1&artikel=2&z=2024-01-01&g=2024-01-01) en „aan-boord-monster” zoals omschreven in voorschrift 2.1.24.
Deel 1 – brandstofoliemonster dat is geleverd in overeenstemming met [voorschrift 18.8.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=3&artikel=18&z=2024-05-01&g=2024-05-01), hierna te noemen „monster geleverd uit hoofde van MARPOL” zoals omschreven in [voorschrift 2.1.22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=1&artikel=2&z=2024-05-01&g=2024-05-01).
Deel 2 – monster van brandstofolie die in gebruik is aan boord van schepen , die bestemd is om aan boord te worden gebruikt of die vervoerd wordt om aan boord te worden gebruikt in overeenstemming met [voorschrift 14.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=3&artikel=14&z=2024-05-01&g=2024-05-01), hierna te noemen het „in-gebruik-monster” zoals omschreven in [voorschrift 2.1.16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=1&artikel=2&z=2024-05-01&g=2024-05-01) en „aan-boord-monster” zoals omschreven in voorschrift 2.1.24.
## Deel 1. – monster geleverd uit hoofde van MARPOL
@@ -18961,9 +19013,9 @@
- 2.5. Indien de testresultaten van 1A en 1B geldig zijn, dient het gemiddelde van deze twee resultaten te worden berekend. De gemiddelde waarde wordt aangeduid als „X” en wordt vastgelegd in het testdossier:
- 1. indien het resultaat X gelijk is aan of lager dan de conform [voorschrift 14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=3&artikel=14&z=2024-01-01&g=2024-01-01) toepasselijke grenswaarde, wordt de brandstofolie geacht te hebben voldaan aan het vereiste; of
- 2. indien het resultaat „X” hoger is dan de conform [voorschrift 14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=3&artikel=14&z=2024-01-01&g=2024-01-01) toepasselijke grenswaarde, voldoet de brandstofolie niet aan het vereiste.
- 1. indien het resultaat X gelijk is aan of lager dan de conform [voorschrift 14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=3&artikel=14&z=2024-05-01&g=2024-05-01) toepasselijke grenswaarde, wordt de brandstofolie geacht te hebben voldaan aan het vereiste; of
- 2. indien het resultaat „X” hoger is dan de conform [voorschrift 14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=3&artikel=14&z=2024-05-01&g=2024-05-01) toepasselijke grenswaarde, voldoet de brandstofolie niet aan het vereiste.
| Op basis van de in voorschrift 2.1.30 van deze Bijlage bedoelde testmethode | Op basis van de in voorschrift 2.1.30 van deze Bijlage bedoelde testmethode | Op basis van de in voorschrift 2.1.30 van deze Bijlage bedoelde testmethode |
| --- | --- | --- |
@@ -19008,7 +19060,7 @@
- 4. verzegelt het monster opnieuw en legt de gegevens van het nieuwe zegel vast in het testdossier.
- 4.4. De twee afgeleide monsters worden achtereenvolgens getest volgens de omschreven testmethode bedoeld in [voorschrift 2.1.30](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=1&artikel=2&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage. Ten behoeve van deel 2 van deze verificatieprocedure worden de resultaten aangeduid als „2A” en „2B”:
- 4.4. De twee afgeleide monsters worden achtereenvolgens getest volgens de omschreven testmethode bedoeld in [voorschrift 2.1.30](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=1&artikel=2&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage. Ten behoeve van deel 2 van deze verificatieprocedure worden de resultaten aangeduid als „2A” en „2B”:
- 1. resultaten 2A en 2B worden vastgelegd in het testdossier in overeenstemming met de vereisten van de testmethode; en
@@ -19020,13 +19072,13 @@
- 4.5. Indien de testresultaten van 2A en 2B geldig zijn, dient het gemiddelde van deze twee resultaten te worden berekend. Die gemiddelde waarde wordt aangeduid als „Z” en wordt vastgelegd in het testdossier:
- 1. indien Z gelijk is aan of lager dan de conform [voorschrift 14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=3&artikel=14&z=2024-01-01&g=2024-01-01) toepasselijke grenswaarde, wordt het zwavelgehalte van de brandstofolie zoals vertegenwoordigd door het geteste monster geacht te hebben voldaan aan het vereiste;
- 2. indien Z hoger is dan de toepasselijke grenswaarde zoals vereist in [voorschrift 14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=3&artikel=14&z=2024-01-01&g=2024-01-01) maar minder dan of even hoog als die toepasselijke grenswaarde + 0.59R (waarbij R de reproduceerbaarheid van de testmethode is), wordt het zwavelgehalte van de brandstofolie zoals vertegenwoordigd door het geteste monster geacht te hebben voldaan aan het vereiste; of
- 3. indien Z hoger is dan de toepasselijke grenswaarde zoals vereist in [voorschrift 14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=3&artikel=14&z=2024-01-01&g=2024-01-01) + 0,59R, wordt het zwavelgehalte van de brandstofolie zoals vertegenwoordigd door het geteste monster geacht niet te hebben voldaan aan het vereiste;
| Op basis van de in [voorschrift 2.1.30](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=1&artikel=2&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage bedoelde testmethode | Op basis van de in [voorschrift 2.1.30](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=1&artikel=2&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage bedoelde testmethode | Op basis van de in [voorschrift 2.1.30](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=1&artikel=2&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage bedoelde testmethode | Op basis van de in [voorschrift 2.1.30](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=1&artikel=2&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage bedoelde testmethode | Op basis van de in [voorschrift 2.1.30](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=1&artikel=2&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze Bijlage bedoelde testmethode |
- 1. indien Z gelijk is aan of lager dan de conform [voorschrift 14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=3&artikel=14&z=2024-05-01&g=2024-05-01) toepasselijke grenswaarde, wordt het zwavelgehalte van de brandstofolie zoals vertegenwoordigd door het geteste monster geacht te hebben voldaan aan het vereiste;
- 2. indien Z hoger is dan de toepasselijke grenswaarde zoals vereist in [voorschrift 14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=3&artikel=14&z=2024-05-01&g=2024-05-01) maar minder dan of even hoog als die toepasselijke grenswaarde + 0.59R (waarbij R de reproduceerbaarheid van de testmethode is), wordt het zwavelgehalte van de brandstofolie zoals vertegenwoordigd door het geteste monster geacht te hebben voldaan aan het vereiste; of
- 3. indien Z hoger is dan de toepasselijke grenswaarde zoals vereist in [voorschrift 14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=3&artikel=14&z=2024-05-01&g=2024-05-01) + 0,59R, wordt het zwavelgehalte van de brandstofolie zoals vertegenwoordigd door het geteste monster geacht niet te hebben voldaan aan het vereiste;
| Op basis van de in [voorschrift 2.1.30](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=1&artikel=2&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage bedoelde testmethode | Op basis van de in [voorschrift 2.1.30](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=1&artikel=2&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage bedoelde testmethode | Op basis van de in [voorschrift 2.1.30](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=1&artikel=2&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage bedoelde testmethode | Op basis van de in [voorschrift 2.1.30](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=1&artikel=2&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage bedoelde testmethode | Op basis van de in [voorschrift 2.1.30](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=VI&hoofdstuk=1&artikel=2&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van deze Bijlage bedoelde testmethode |
| --- | --- | --- | --- | --- |
| Toepasselijke grenswaarde % m/m: V | Waarde marge test: W | Resultaat 4.5.1: Z ≤ V | Resultaat 4.5.2: V < Z ≤ W | Resultaat 4.5.3: Z > W |
| 0,10 | 0,11 | Voldoet aan het vereiste | Voldoet aan het vereiste | Voldoet niet aan het vereiste |
2024-01-01
Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen,
2023-11-01
Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen,
2022-11-01
Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen,
2022-04-01
Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen,
2021-01-01
Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen,
2020-10-01
Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen,
2020-03-01
Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen,
2019-09-01
Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen,
2019-01-01
Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen,
2018-03-01
Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen,
2017-09-01
Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen,
2017-01-01
Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen,
2016-03-01
Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen,
2016-01-01
Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen,
2015-09-01
Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen,
2015-01-01
Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen,
2014-10-01
Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen,
2014-01-01
Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen,
2013-08-01
Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen,
2013-01-01
Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen,
2012-02-01
Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen,
2011-08-01
Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen,
2011-01-01
Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen,
2010-07-01
Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen,
2010-01-01
Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen,
2008-12-01
Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen,
2008-03-01
Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen,
2007-08-01
Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen,
2007-01-02
Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen,
2007-01-01
Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen,
2006-02-11
Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen,
2005-04-05
Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen,
2002-09-01
Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen,
2002-09-01
Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schep
original version Tekst op deze datum