Overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en Midden-Amerika, anderzijds

Type Verdrag
Publication 2024-05-01
State In force
Source BWB
artikelen 372
Wijzigingsgeschiedenis JSON API
1.

De partijen richten hierbij een subcomité Intellectuele eigendom op, overeenkomstig artikel 348 en zoals uiteengezet in bijlage XXI (Subcomités), teneinde toe te zien op de tenuitvoerlegging van artikel 231 en afdeling C (Geografische aanduidingen) van hoofdstuk 2 van deze titel.

2.

De taken van het subcomité zijn onder meer:

  • a. aanbevelingen doen aan het Associatiecomité ter goedkeuring door de Associatieraad inzake wijzigingen in de lijst van geografische aanduidingen bij bijlage XVIII (Beschermde geografische aanduidingen);
  • b. informatie uitwisselen over geografische aanduidingen met het oog op hun eventuele bescherming in overeenstemming met deze overeenkomst, alsmede over geografische aanduidingen die niet langer beschermd worden in hun land van oorsprong;
  • c. technologieoverdracht van de EU-partij naar de republieken van de MA-partij bevorderen;
  • d. de prioritaire gebieden bepalen waarop initiatieven moeten worden genomen die gericht zijn op technologieoverdracht, onderzoek en ontwikkeling en het opbouwen van menselijk kapitaal;
  • e. een inventaris of register bijhouden van de lopende programma’s, activiteiten of initiatieven op het vlak van intellectuele eigendom, waarbij de nadruk ligt op technologieoverdracht;
  • f. relevante aanbevelingen doen aan het Associatiecomité ten aanzien van aangelegenheden die binnen zijn bevoegdheid liggen; en
  • g. alle overige zaken behandelen in opdracht van het Associatiecomité.
Artikel 275. Samenwerking en technische bijstand op het gebied van intellectuele eigendom

De partijen komen overeen dat het in hun gemeenschappelijk belang is initiatieven tot wederzijdse samenwerking en technische bijstand te bevorderen ten aanzien van kwesties met betrekking tot deze titel. In deze zin hebben de partijen een aantal samenwerkingsactiviteiten vastgesteld, die zijn opgenomen in artikel 55 van titel VI (Economische en handelsontwikkeling) van deel III van deze overeenkomst.

Artikel 276. Slotbepalingen
1.

Panama mag de inwerkingtreding van de bepalingen van artikel 233, onder c) en d), artikel 234, artikel 238, onder b), artikel 240, artikel 252, leden 1 en 2, artikel 255, lid 2, artikel 256, artikel 258, lid 1, artikel 259, artikel 266, lid 4, en artikel 271 gedurende uiterlijk twee jaar uitstellen, beginnende op de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst.

2.

Panama treedt tot het Verdrag tot samenwerking inzake octrooien (Washington 1970, laatst gewijzigd in 2001) toe binnen een periode van uiterlijk twee jaar, beginnende op de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst.

TITEL VII. HANDEL EN MEDEDINGING

Artikel 277. Definities

Voor de toepassing van deze titel wordt verstaan onder:

    1. „mededingingswetgeving”:
  • b. voor de MA-partij: de Midden-Amerikaanse mededingingsverordening (hierna de „verordening” genoemd) die wordt vastgesteld overeenkomstig artikel 25 van het Protocolo al Tratado General de Integración Económica Centroamericana (Protocolo de Guatemala) en artikel 21 van de Convenio Marco para el Establecimiento de la Unión Aduanera Centroamericana (Guatemala, 2007);
  • c. totdat de verordening conform artikel 279 wordt vastgesteld, wordt onder „mededingingswetgeving” de nationale mededingingswetgeving verstaan die in elk van de republieken van de MA-partij overeenkomstig artikel 279 wordt vastgesteld of gehandhaafd; en
  • d. alle wijzigingen van voornoemde instrumenten na de inwerkingtreding van deze overeenkomst;
    1. „mededingingsautoriteit”:
  • a. voor de EU-partij: de Europese Commissie;
  • b. voor de MA-partij: een Midden-Amerikaanse mededingingsinstantie die wordt ingesteld en opgezet door de MA-partij op grond van haar mededingingsverordening; en
  • c. totdat de Midden-Amerikaanse mededingingsinstantie conform artikel 279 gevestigd is en operationeel wordt, worden onder „mededingingsautoriteit” de nationale mededingingsautoriteiten van elk van de republieken van de MA-partij verstaan.
Artikel 278. Beginselen
1.

De partijen erkennen het belang van een vrije en onvervalste mededinging voor hun handelsbetrekkingen. De partijen erkennen dat concurrentiebeperkende praktijken de goede werking van de markten en de voordelen van handelsliberalisering nadelig kunnen beïnvloeden.

2.

De partijen komen derhalve overeen dat de volgende zaken onverenigbaar zijn met deze overeenkomst, voor zover zij de handel tussen de partijen nadelig kunnen beïnvloeden:

  • a. overeenkomsten tussen ondernemingen, besluiten van verenigingen van ondernemingen en tussen ondernemingen afgestemde feitelijke gedragingen, die ten doel of als gevolg hebben dat de mededinging40)Zekerheidshalve zij opgemerkt dat dit lid niet kan worden uitgelegd als een beperking van het toepassingsgebied van de te verrichten onderzoeken naar de gevallen van toepassing van overeenkomsten tussen ondernemingen, besluiten van verenigingen van ondernemingen en tussen ondernemingen afgestemde feitelijke gedragingen, zoals gespecificeerd in de nationale mededingingswetgeving van de partijen. wordt voorkomen, beperkt of verstoord, zoals gespecificeerd in hun respectieve mededingingswetgeving;
  • b. misbruik door een of meer ondernemingen van een machtspositie of van een aanzienlijke invloed op de markt of aanmerkelijk marktaandeel, zoals gespecificeerd in hun respectieve mededingingswetgeving; en
  • c. concentraties van ondernemingen die de feitelijke mededinging aanzienlijk belemmeren, zoals gespecificeerd in hun respectieve mededingingswetgeving.
Artikel 279. Tenuitvoerlegging
1.

De partijen stellen een uitgebreide mededingingswetgeving vast, of handhaven deze, die de in artikel 278, lid 2, onder a), b) en c), genoemde concurrentiebeperkende praktijken effectief aanpakken. De partijen vestigen of handhaven een mededingingsautoriteit die wordt aangewezen en naar behoren toegerust voor de transparante en doelmatige tenuitvoerlegging van de mededingingswetgeving.

2.

Indien op het moment van inwerkingtreding van deze overeenkomst een van de partijen nog geen mededingingswetgeving zoals bedoeld in artikel 277, lid 1, onder a) of b), heeft vastgesteld, noch een mededingingsautoriteit zoals bedoeld in artikel 277, lid 2, onder a) of b), heeft aangewezen, doet zij dit alsnog binnen een periode van zeven jaar. Zodra deze overgangsperiode is afgelopen, hebben de termen mededingingswetgeving en mededingingsautoriteit zoals bedoeld in deze titel, slechts de betekenis als bepaald in artikel 277, lid 1, onder a) en b), en lid 2, onder a) en b).

3.

Indien op het moment van inwerkingtreding van deze overeenkomst een republiek van de MA-partij nog geen mededingingswetgeving zoals bedoeld in artikel 277, lid 1, onder c), heeft vastgesteld, noch een mededingingsautoriteit zoals bedoeld in artikel 277, lid 2, onder c), heeft aangewezen, doet zij dit alsnog binnen een periode van drie jaar.

4.

Niets is deze titel loopt vooruit op de bevoegdheden die door de partijen worden toegekend aan hun respectieve regionale en nationale autoriteiten voor de doelmatige en samenhangende tenuitvoerlegging van hun respectieve mededingingswetgevingen.

Artikel 280. Overheidsondernemingen en ondernemingen met speciale of exclusieve rechten, met inbegrip van toegewezen monopolies
1.

Niets in deze titel belet een republiek van de MA-partij of een lidstaat van de Europese Unie om in overeenstemming met hun respectieve nationale wetgeving overheidsondernemingen, ondernemingen met speciale of exclusieve rechten of monopolies aan te wijzen of te handhaven.

2.

De in lid 1 hiervoor genoemde entiteiten zijn onderworpen aan mededingingswetgeving voor zover de toepassing van de mededingingswetgeving de juro of de facto geen belemmering vormt voor de uitvoering van de specifieke taken die hun door een republiek van de MA-partij of een lidstaat van de EU-partij zijn opgedragen.

3.

De partijen waarborgen dat er met ingang van de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst geen discriminatie41)Onder discriminatie worden maatregelen verstaan die niet voldoen aan de nationale behandeling, zoals uiteengezet in de desbetreffende bepalingen van deze overeenkomst. door dergelijke entiteiten wordt uitgeoefend met betrekking tot de voorwaarden waaronder goederen of diensten worden gekocht of verkocht, noch tussen de natuurlijke of rechtspersonen van beide partijen, noch tussen goederen van oorsprong uit een van beide partijen.

4.

Niets in deze titel heeft gevolgen voor de rechten en verplichtingen van de partijen zoals uiteengezet in titel V (Overheidsopdrachten) van deel IV van deze overeenkomst.

Artikel 281. Uitwisseling van niet-vertrouwelijke informatie en samenwerking op het vlak van handhaving
1.

Met het oog op de bevordering van de doelmatige toepassing van hun respectieve mededingingswetgeving zijn de mededingingsautoriteiten gerechtigd niet-vertrouwelijke informatie uit te wisselen.

2.

De mededingingsautoriteit van de ene partij kan de mededingingsautoriteit van de andere partij om samenwerking vragen met betrekking tot handhavingsactiviteiten. Deze samenwerking belet de partijen niet om autonome beslissingen te nemen.

3.

Geen van de partijen is gehouden de andere partij in kennis te stellen van informatie. Indien een partij besluit informatie mee te delen, mag deze partij de informatie achterhouden wanneer zulks krachtens de wet- en regelgeving van de partij die de informatie in haar bezit heeft, verboden is of met haar belangen onverenigbaar zou zijn. Een partij mag eisen dat de informatie die zij ingevolge dit artikel verstrekt, wordt gebruikt overeenkomstig door haar zelf te specificeren voorwaarden.

Artikel 282. Samenwerking en technische bijstand

De partijen komen overeen dat het in hun gemeenschappelijk belang is initiatieven tot technische bijstand te bevorderen met betrekking tot mededingingsbeleid en rechtshandhavingsactiviteiten. Deze samenwerking wordt behandeld in artikel 52 van titel VI (Economische en handelsontwikkeling) van deel III van deze overeenkomst.

Artikel 283. Geschillenbeslechting

De partijen doen geen beroep op geschillenbeslechtingsprocedures op grond van titel X (Geschillenbeslechting) van deel IV van deze overeenkomst voor kwesties die in het kader van deze titel ontstaan.

TITEL VIII. HANDEL EN DUURZAME ONTWIKKELING

Artikel 284. Context en doelstellingen
1.

De partijen herinneren aan Agenda 21 over milieu en ontwikkeling van 1992, het Uitvoeringsplan van Johannesburg over duurzame ontwikkeling van 2002 en de Ministeriële Verklaring van 2006 van de Economische en Sociale Raad van de VN over volledige werkgelegenheid en fatsoenlijk werk. De partijen herbevestigen hun verbintenis om op zodanige wijze de ontwikkeling van de internationale handel te bevorderen dat aan de doelstelling van duurzame ontwikkeling wordt bijgedragen, alsmede dat deze doelstelling wordt geïntegreerd in en tot uitdrukking komt op elk niveau van hun handelsbetrekkingen. Hiertoe erkennen de partijen dat het belangrijk is om rekening te houden met de beste belangen op economisch, sociaal en milieugebied van niet alleen hun respectieve bevolking, maar ook van toekomstige generaties.

2.

De partijen herbevestigen hun verbintenis om te komen tot duurzame ontwikkeling, waarvan de pijlers – economische en sociale ontwikkeling en milieubescherming – nauw samenhangen en elkaar wederzijds versterkende componenten zijn. De partijen benadrukken de voordelen die het inhoudt wanneer handelsgerelateerde sociale en milieukwesties als onderdeel van een globale aanpak van handel en duurzame ontwikkeling worden beschouwd.

3.

De partijen komen overeen dat deze titel een coöperatieve benadering op basis van gemeenschappelijke waarden en belangen behelst, rekening houdende met de verschillen in hun ontwikkelingsniveaus en het respect voor de huidige en toekomstige behoeften en ambities.

4.

De partijen doen geen beroep op geschillenbeslechtingsprocedures op grond van titel X (Geschillenbeslechting) van deel IV van deze overeenkomst en het bemiddelingsmechanisme voor niet-tarifaire maatregelen op grond van titel XI (Bemiddelingsmechanisme voor niet-tarifaire maatregelen) van deel IV van deze overeenkomst voor kwesties die in het kader van deze titel ontstaan.

Artikel 285. Regelgevingsrecht en beschermingsniveaus
1.

De partijen herbevestigen hun respect voor elkaars respectieve grondwetten42)Voor de EU-partij betreft dit de grondwetten van de lidstaten van de Europese Unie, het Verdrag betreffende de Europese Unie, het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en het Handvest van de fundamentele rechten van de Europese Unie. en voor hun rechten op grond daarvan om regels vast te stellen om hun eigen prioriteiten voor duurzame ontwikkeling te bepalen, om eigen niveaus van nationale milieu- en sociale bescherming in te stellen, en om dienovereenkomstig relevante wetten en beleidsmaatregelen vast te stellen of te wijzigen.

2.

Elke partij streeft ernaar te waarborgen dat haar wetgeving en beleid voorzien in een hoog beschermingsniveau voor milieu en werknemers, en dit bevorderen, zoals passend bij haar respectieve sociale, ecologische en economische omstandigheden en in overeenstemming met de in de artikelen 286 en 287 genoemde internationaal erkende normen en overeenkomsten waarbij zij partij is, en streeft naar een voortdurende verbetering van die wetgeving en dat beleid, op voorwaarde dat deze niet zodanig worden toegepast dat zij een middel tot willekeurige of ongerechtvaardigde discriminatie tussen de partijen of een verkapte beperking van de internationale handel vormen.

Artikel 286. Multilaterale arbeidsnormen en -overeenkomsten
1.

Gelet op de Ministeriële Verklaring van 2006 van de Economische en Sociale Raad van de VN over volledige werkgelegenheid en fatsoenlijk werk, erkennen de partijen dat volledige productieve werkgelegenheid en fatsoenlijk werk voor iedereen, hetgeen sociale bescherming, fundamentele beginselen, het recht op werk en sociale dialoog omvat, hoofdelementen zijn van duurzame ontwikkeling voor alle landen en aldus een prioritaire doelstelling van internationale samenwerking. In deze context herbevestigen de partijen hun streven om de ontwikkeling van macro-economische beleidsmaatregelen op zodanige wijze te bevorderen dat deze tot volledige, productieve werkgelegenheid en fatsoenlijk werk voor iedereen, zowel mannen, vrouwen als jongeren, leidt, met volledig respect voor de fundamentele beginselen en het recht op werk onder rechtvaardige, gelijke, veilige en waardige omstandigheden.

Overeenkomstig hun verplichtingen als lid van de ILO herbevestigen de partijen hun verbintenis om de beginselen inzake de fundamentele rechten die centraal staan in de fundamentele ILO-verdragen te goeder trouw en overeenkomstig het statuut van de ILO te respecteren, te bevorderen en te verwezenlijken, namelijk:

  • a. de vrijheid tot het oprichten van vakverenigingen en de daadwerkelijke erkenning van het recht op collectieve onderhandelingen;
  • b. de uitbanning van alle vormen van dwangarbeid of verplichte arbeid;
  • c. de daadwerkelijke afschaffing van kinderarbeid; en
  • d. de uitbanning van discriminatie met betrekking tot werk en beroep.
2.

De partijen herbevestigen hun verbintenis tot daadwerkelijke tenuitvoerlegging in hun wetgeving en in de praktijk van de fundamentele ILO-verdragen die zijn opgenomen in de Verklaring van de ILO over de fundamentele rechten en beginselen op het werk van 1998, hetgeen de volgende verdragen omvat:

  • d. het Verdrag betreffende de gedwongen of verplichte arbeid (nr. 29);
3.

De partijen wisselen informatie uit over hun respectieve situatie en de vorderingen met betrekking tot de ratificatie van de andere ILO-verdragen.

4.

De partijen benadrukken dat arbeidsnormen nooit mogen worden ingeroepen of anderszins worden aangewend voor protectionistische handelsdoeleinden en dat het comparatieve voordeel van een partij in geen geval ter discussie mag worden gesteld.

5.

De partijen verbinden zich ertoe in voorkomend geval elkaar te raadplegen en samen te werken bij handelsgerelateerde arbeidsvraagstukken van wederzijds belang.

Artikel 287. Multilaterale milieunormen en -overeenkomsten
1.

De partijen erkennen dat internationale milieugovernance en internationale milieuovereenkomsten belangrijke elementen zijn om de mondiale en regionale milieuproblemen aan te pakken en benadrukken de noodzaak om de wederzijdse ondersteuning van handel en milieu te vergroten. De partijen verbinden zich ertoe in voorkomend geval elkaar te raadplegen en samen te werken bij handelsgerelateerde milieuvraagstukken van wederzijds belang.

2.

De partijen herbevestigen hun verbintenis om de multilaterale milieuovereenkomsten waarbij zij partij zijn, daadwerkelijk in hun wetgeving en praktijk om te zetten, met inbegrip van:

3.

De partijen verbinden zich ertoe ervoor te zorgen dat zij het amendement op artikel XXI van CITES, dat op 30 april 1983 is goedgekeurd te Gaborone (Botswana), uiterlijk op de datum van de inwerkingtreding van deze overeenkomst hebben geratificeerd.

4.

De partijen verbinden zich er tevens toe, voor zover zij dat niet reeds hebben gedaan, uiterlijk op de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst het Verdrag van Rotterdam inzake de procedure met betrekking tot voorafgaande geïnformeerde toestemming ten aanzien van bepaalde gevaarlijke chemische stoffen en pesticiden in de internationale handel te ratificeren en daadwerkelijk ten uitvoer te leggen.

5.

Niets in deze overeenkomst wordt uitgelegd als beletsel voor het vaststellen of handhaven door een van de partijen van maatregelen tot tenuitvoerlegging van de in dit artikel genoemde overeenkomsten, mits dergelijke maatregelen niet zodanig worden toegepast dat zij een middel tot willekeurige of ongerechtvaardigde discriminatie tussen landen bij gelijke omstandigheden, of een verkapte beperking van de internationale handel vormen.

Artikel 288. Handel ter bevordering van duurzame ontwikkeling
1.

De partijen herbevestigen dat de handel de duurzame ontwikkeling in al haar aspecten moet bevorderen. In deze context erkennen zij de waarde van internationale samenwerking ter ondersteuning van de inspanningen om handelsregelingen en -praktijken die gunstig zijn voor duurzame ontwikkeling op te zetten, en komen zij overeen samen te werken in het kader van de artikelen 288, 289 en 290 met als doel, waar nodig, een collaboratieve aanpak te ontwikkelen.

2.

De partijen streven ernaar:

  • a. die situaties te overwegen waarin het wegnemen of reduceren van belemmeringen voor de handel ten goede komt aan de handel en de duurzame ontwikkeling, rekening houdende met in het bijzonder de interacties tussen milieumaatregelen en markttoegang;
  • b. de handel en de buitenlandse directe investeringen in milieutechnologieën en -diensten, hernieuwbare energie en energie-efficiënte producten en diensten te vergemakkelijken en te bevorderen, onder meer door de aanpak van daaraan gerelateerde niet-tarifaire belemmeringen;
  • c. de handel in producten die voldoen aan overwegingen van duurzaamheid, waaronder producten die onder programma’s vallen voor eerlijke en ethische handel, voor milieukeuren, voor biologische productie of waarvoor een verplichting tot maatschappelijk verantwoord ondernemen geldt, te vergemakkelijken en te bevorderen; en
  • d. de ontwikkeling van praktijken en programma’s die gericht zijn op bevordering van passend economisch rendement uit het behoud en het duurzaam gebruik van het milieu, zoals ecotoerisme, te vergemakkelijken en te bevorderen.
Artikel 289. Handel in bosbouwproducten

Ter bevordering van een duurzaam bosbeheer zeggen de partijen toe samen te werken aan een betere handhaving van de boswetgeving en een betere governance in de bosbouw, alsmede de bevordering van de handel in wettelijke en duurzame bosproducten aan de hand van onder andere de volgende instrumenten: effectief gebruik van CITES met betrekking tot bedreigde houtsoorten; certificeringsregelingen voor duurzaam geoogste bosproducten; en regionale of bilaterale vrijwillige partnerschapsovereenkomsten inzake wetshandhaving, governance en handel in de bosbouw („FLEGT”).

Artikel 290. Handel in visproducten
1.

De partijen erkennen het belang om duurzame visserij te bevorderen, teneinde zo bij te dragen aan het behoud van de visbestanden en aan duurzame handel in vis.

2.

Daartoe verbinden de partijen zich ertoe:

  • a. toe te treden tot en te zorgen voor de daadwerkelijke tenuitvoerlegging van de Overeenkomst over de toepassing van de bepalingen van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee van 10 december 1982 die betrekking hebben op de instandhouding en het beheer van de grensoverschrijdende en over grote afstanden trekkende visbestanden, met betrekking tot het volgende: duurzaam gebruik, behoud en beheer van grensoverschrijdende en over grote afstanden trekkende visbestanden; internationale samenwerking tussen de staten; ondersteuning van wetenschappelijk advies en onderzoek; tenuitvoerlegging van doelmatige toezichts-, controle- en inspectiemaatregelen; en de plichten van de vlaggen- en de havenstaten, met inbegrip van naleving en handhaving;
  • b. samen te werken, onder meer met en binnen de relevante regionale organisaties voor visserijbeheer, teneinde illegale, niet-aangegeven en niet-gereglementeerde (IUU) visserij te voorkomen, onder andere door doelmatige instrumenten vast te stellen om controle- en inspectieregelingen in te voeren en zo te zorgen voor de volledige naleving van instandhoudingsmaatregelen;
  • c. wetenschappelijke en niet-vertrouwelijke handelsgegevens uit te wisselen, ervaringen en goede praktijken op het vlak van duurzame visserij uit te wisselen, en meer in het algemeen een duurzame aanpak ten aanzien van de visserij te bevorderen.
3.

De partijen komen overeen om, voor zover zij dit niet reeds hebben gedaan, havenstaatmaatregelen vast te stellen die in lijn zijn met de Overeenkomst van de Voedsel- en Landbouworganisatie van de Verenigde Naties inzake havenstaatmaatregelen om illegale, niet-aangegeven en niet-gereglementeerde visserij te voorkomen, tegen te gaan en te beëindigen, en om controle- en inspectieregelingen alsmede stimuleringsmaatregelen en verplichtingen in te voeren voor een gezond, duurzaam beheer van de visserij en het kustmilieu op de lange termijn.

Artikel 291. Handhaving van beschermingsniveaus
1.

De partijen erkennen dat het niet gepast is handel of investeringen aan te moedigen door het beschermingsniveau waarin de interne milieu- en arbeidswetgeving voorziet, te verlagen.

2.

Geen van de partijen doet afstand van of wijkt af van, of biedt aan afstand te doen van of af te wijken van, haar arbeids- en milieuwetgeving op zodanige wijze dat dit de handel beïnvloedt of als aanmoediging werkt voor de vestiging, de overname, de uitbreiding of de handhaving van een investering of een investeerder op haar grondgebied.

3.

De partijen laten niet na hun arbeids- en milieuwetgeving daadwerkelijk te handhaven op een wijze die van invloed is op de handel of de investeringen tussen de partijen.

4.

Niets in deze titel wordt zodanig uitgelegd dat het de autoriteiten van een partij machtigt om rechtshandhavingsactiviteiten te ondernemen op het grondgebied van de andere partij.

Artikel 292. Wetenschappelijke informatie

Ten aanzien van het opstellen en uitvoeren van maatregelen die gericht zijn op de bescherming van het milieu of de gezondheid en veiligheid op het werk, erkennen de partijen het belang om rekening te houden met wetenschappelijke en technische informatie, alsmede de desbetreffende internationale normen, richtsnoeren of aanbevelingen. Tegelijkertijd erkennen de partijen dat als er een dreiging is van ernstige of onherstelbare schade, het gebrek aan volledige wetenschappelijke zekerheid niet als reden mag worden gebruikt om beschermingsmaatregelen uit te stellen.

Artikel 293. Duurzaamheidsevaluatie

De partijen zeggen toe om gezamenlijk de bijdrage van deel IV van deze overeenkomst, met inbegrip van de samenwerkingsactiviteiten op grond van artikel 302, aan duurzame ontwikkeling te evalueren, op te volgen en te beoordelen.

Artikel 294. Institutioneel en opvolgingsmechanisme
1.

Elke partij wijst binnen haar administratie een dienst aan als contactpunt ten behoeve van de tenuitvoerlegging van handelsgerelateerde aspecten van duurzame ontwikkeling. Bij de inwerkingtreding van deze overeenkomst verstrekken de partijen alle contactgegevens van hun contactpunten aan het Associatiecomité.

2.

De partijen richten hierbij een Raad inzake handel en duurzame ontwikkeling44)De Raad inzake handel en duurzame ontwikkeling brengt over zijn activiteiten verslag uit aan het Associatiecomité. op, die bestaat uit autoriteiten op hoog niveau uit de administraties van elke partij. Voorafgaand aan elke bijeenkomst van de Raad stellen de partijen elkaar in kennis van de identiteit en de contactgegevens van hun respectieve vertegenwoordigers.

3.

De Raad inzake handel en duurzame ontwikkeling komt in het eerste jaar na de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst bijeen, en vervolgens wanneer het nodig is, om toezicht te houden op de tenuitvoerlegging van deze titel, met inbegrip van de krachtens titel VI (Economische en handelsontwikkeling) van deel III van deze overeenkomst ondernomen samenwerkingsactiviteiten. De besluiten en aanbevelingen van de Raad worden vastgesteld in onderling overleg tussen de partijen en worden openbaar gemaakt, tenzij de Raad anders bepaalt.

4.

Elke partij roept nieuwe adviesgroepen inzake handel en duurzame ontwikkeling bijeen, of raadpleegt de bestaande adviesgroepen45)Bij de uitoefening van het recht van de partijen om gebruik te maken van bestaande adviesgroepen voor de uitvoering van de bepalingen van deze titel, bieden de partijen de bestaande organen de gelegenheid hun activiteiten te versterken en te ontwikkelen met de nieuwe perspectieven en werkterreinen waarin deze titel voorziet. Hiertoe mogen de partijen gebruikmaken van bestaande nationale adviesgroepen.. Deze groepen worden belast met het formuleren van standpunten en het doen van aanbevelingen inzake handelsgerelateerde aspecten van duurzame ontwikkeling en het adviseren van de partijen over hoe de doelstellingen van deze titel beter kunnen worden verwezenlijkt.

5.

De adviesgroepen van de partijen zijn samengesteld uit onafhankelijke representatieve organisaties en vertegenwoordigen op evenwichtige wijze de belanghebbenden op economisch, sociaal en milieugebied, met inbegrip van werkgevers- en werknemersorganisaties, brancheorganisaties, niet-gouvernementele organisaties en plaatselijke overheidsinstanties.

Artikel 295. Forum voor de dialoog met het maatschappelijk middenveld
1.

De partijen komen overeen om, met het oog op een open dialoog, een biregionaal forum voor de dialoog met het maatschappelijk middenveld op basis van een evenwichtige vertegenwoordiging van de belanghebbenden op milieu-, economisch en sociaal gebied, te organiseren en te bevorderen. Het forum voor de dialoog met het maatschappelijk middenveld voert een dialoog over de aspecten van de handelsbetrekkingen tussen de partijen die betrekking hebben op duurzame ontwikkeling, alsmede over hoe de samenwerking kan bijdragen aan de verwezenlijking van de doelstellingen van deze titel. Het forum voor de dialoog met het maatschappelijk middenveld komt eenmaal per jaar bijeen, tenzij de partijen anders overeenkomen46)Zekerheidshalve zij opgemerkt dat de beleidsvorming en andere typische overheidsfuncties niet worden gedelegeerd aan het forum voor de dialoog met het maatschappelijk middenveld..

2.

Tenzij de partijen anders overeenkomen, omvat elke bijeenkomst van de Raad een sessie waarin de leden aan het forum voor de dialoog met het maatschappelijk middenveld verslag uitbrengen over de tenuitvoerlegging van deze titel. Omgekeerd kan het forum voor de dialoog met het maatschappelijk middenveld zijn standpunten en opvattingen kenbaar maken om de dialoog over hoe de doelstellingen van deze titel beter kunnen worden verwezenlijkt, te bevorderen.

Artikel 296. Overleg op regeringsniveau
1.

Een partij kan verzoeken om overleg met een andere partij over aangelegenheden van wederzijds belang die voortvloeien uit deze titel. Dit kan worden gedaan door een schriftelijk verzoek in te dienen bij het contactpunt van de andere partij. Om de partij die het verzoek ontvangt in staat te stellen daarop te reageren, bevat het verzoek voldoende specifieke informatie waarin de aangelegenheid helder en feitelijk uiteen wordt gezet, door het desbetreffende probleem te omschrijven en een korte samenvatting te geven van de aanspraken op grond van deze titel. Het overleg wordt onverwijld aangevat nadat een partij een verzoek om overleg heeft ingediend.

2.

De overleggende partijen stellen alles in het werk om tot een wederzijds bevredigende oplossing van de kwestie te komen, rekening houdend met de door de overleggende partijen uitgewisselde informatie en de mogelijkheden voor samenwerking ter zake. Tijdens het overleg gaat speciale aandacht uit naar de specifieke problemen en belangen van de ontwikkelingslanden onder de partijen. De overleggende partijen houden rekening met de activiteiten van de ILO of relevante multilaterale milieuorganisaties of -organen waarbij zij partij zijn. Waar van toepassing kunnen de overleggende partijen zich in onderling overleg voor advies of bijstand wenden tot die organisaties en organen, of tot personen of organen die zij geschikt achten om de zaak in kwestie volledig te onderzoeken.

3.

Indien een overleggende partij negentig dagen na het verzoek om overleg van oordeel is dat de zaak nader moet worden besproken, kan de zaak, tenzij de overleggende partijen anders overeenkomen, door indiening van een schriftelijk verzoek bij het contactpunt van de andere partijen voor behandeling worden doorverwezen naar de Raad inzake handel en duurzame ontwikkeling. De Raad inzake handel en duurzame ontwikkeling komt onverwijld bijeen om bij te dragen aan het vinden van een wederzijds bevredigende oplossing. De Raad inzake handel en duurzame ontwikkeling kan, indien hij dit nodig acht, de hulp van een deskundige inwinnen in verband met de desbetreffende kwestie, met als doel de analyse ervan te bevorderen.

4.

Elke oplossing ter zake die door de overleggende partijen wordt bereikt, wordt openbaar gemaakt, tenzij de Raad inzake handel en duurzame ontwikkeling anders besluit.

Artikel 297. Deskundigenpanel
1.

Tenzij de overleggende partijen anders overeenkomen, kan een overleggende partij zestig dagen na doorverwijzing van de zaak naar de Raad inzake handel en duurzame ontwikkeling of, indien de zaak niet naar de Raad is doorverwezen, negentig dagen na indiening van een verzoek om overleg overeenkomstig artikel 296, respectievelijk lid 1 en lid 3, verzoeken een deskundigenpanel bijeen te roepen om een aangelegenheid te onderzoeken die tijdens het overleg op regeringsniveau niet op bevredigende wijze is opgelost. De partijen bij de procedure kunnen documenten aan het deskundigenpanel voorleggen.

2.

Bij de inwerkingtreding van deze overeenkomst leggen de partijen, ter bekrachtiging door de Raad bij diens eerste bijeenkomst, aan het Associatiecomité een lijst van zeventien personen voor, waarvan ten minste vijf personen geen onderdaan zijn van een van de partijen, met deskundigheid op het vlak van milieurecht, internationale handel of de beslechting van geschillen die voortvloeien uit internationale overeenkomsten, alsmede een lijst van zeventien personen, waarvan ten minste vijf personen geen onderdaan zijn van een van de partijen, met deskundigheid op het vlak van arbeidsrecht, internationale handel of de beslechting van geschillen die voortvloeien uit internationale overeenkomsten. De deskundigen die geen onderdaan zijn van een van de partijen, kunnen in aanmerking komen als voorzitter van het deskundigenpanel. De deskundigen zijn i) onafhankelijk van, hebben geen banden met en ontvangen geen instructies van de partijen of de in de adviesgroep(en) vertegenwoordigde organisaties, en ii) zijn gekozen op basis van objectiviteit, betrouwbaarheid en deugdelijke afweging.

3.

De partijen bepalen in onderling overleg de vervangers van deskundigen die niet langer beschikbaar zijn om zitting te nemen in panels, en kunnen anderszins overeenkomen om de lijst te wijzigen indien en wanneer zij dit nodig achten.

Artikel 298. Samenstelling van het deskundigenpanel
1.

Het deskundigenpanel bestaat uit drie deskundigen.

2.

De voorzitter is geen onderdaan van een partij.

3.

Elke partij bij de procedure selecteert binnen dertig dagen na ontvangst van het verzoek om oprichting van een deskundigenpanel één deskundige uit de lijst van deskundigen. Indien een van de partijen verzuimt haar deskundige binnen die periode te selecteren, selecteert de andere partij bij de procedure uit de lijst van deskundigen een onderdaan van de partij bij de procedure die verzuimd heeft een deskundige te selecteren. De twee geselecteerde deskundigen selecteren in overleg of door loting de voorzitter uit de deskundigen die geen onderdaan van een van de partijen zijn.

4.

Personen kunnen niet optreden als deskundigen inzake aangelegenheden waarin zij of een organisatie waaraan zij verbonden zijn, een direct of indirect belang hebben, zodat er een belangenconflict ontstaat. Bij de selectie van deskundigen ten aanzien van een bepaalde aangelegenheid wordt van elke deskundige verwacht dat deze het bestaan of ontstaan bekendmaakt van alle belangen, betrekkingen of aangelegenheden die deze deskundige redelijkerwijs kan worden geacht te weten en die de onafhankelijkheid of onpartijdigheid van die deskundige kunnen beïnvloeden of aanleiding kunnen geven tot gerechtvaardigde twijfel hierover.

5.

Indien een van de partijen bij de procedure denkt dat een deskundige inbreuk pleegt op de vereisten van lid 4, plegen de partijen bij de procedure onverwijld overleg met elkaar en wordt de deskundige, indien de partijen het eens zijn, van het panel verwijderd en wordt een nieuwe deskundige geselecteerd overeenkomstig de procedures van lid 3, die werden gebruikt voor de selectie van de verwijderde deskundige.

6.

Tenzij door de partijen bij de procedure overeenkomstig lid 2 van artikel 301 anders is overeengekomen, wordt het deskundigenpanel niet later dan zestig dagen na het verzoek van een partij ingesteld.

Artikel 299. Reglement van orde
1.

Het deskundigenpanel stelt een tijdsschema op op basis waarvan de partijen bij de procedure gelegenheid hebben schriftelijke documenten en relevante informatie in te dienen.

2.

Het deskundigenpanel en de partijen waarborgen de bescherming van vertrouwelijke informatie overeenkomstig de beginselen van titel X (Geschillenbeslechting) van deel IV van deze overeenkomst.

3.

De taakomschrijving van het deskundigenpanel luidt als volgt:

„Onderzoeken of er sprake is van niet-nakoming door een van de partijen van de verplichtingen op grond van artikel 286, lid 2, artikel 287, leden 2, 3 en 4, en artikel 291 van deze titel, en niet-bindende aanbevelingen doen om de zaak op te lossen. In het geval van aangelegenheden met betrekking tot de handhaving van wetgeving is het de taak van het deskundigenpanel te bepalen of er sprake is van een onafgebroken of herhaald verzuim van een van de partijen om daadwerkelijk haar verplichtingen na te komen.”.

Artikel 300. Eerste verslag
1.

Het deskundigenpanel gebruikt de door de partijen bij de procedure ingediende documenten en argumenten als uitgangspunt voor zijn verslag. In de loop van de procedure hebben de partijen de gelegenheid commentaar te geven op documenten of informatie die het panel van belang acht voor zijn werkzaamheden.

2.

Binnen honderdtwintig dagen na de datum waarop het deskundigenpanel is ingesteld, legt het panel aan de partijen bij de procedure een eerste verslag voor, met inbegrip van zijn aanbevelingen. Indien het panel van oordeel is dat het zijn verslag niet binnen honderdtwintig dagen kan voorleggen, stelt het de partijen bij de procedure schriftelijk in kennis van de redenen van de vertraging en geeft het een schatting van de termijn waarbinnen het alsnog zijn verslag zal indienen.

3.

Bij zijn aanbevelingen houdt het panel rekening met de specifieke sociaaleconomische situatie van de partijen.

4.

De partijen bij de procedure kunnen binnen dertig dagen na de presentatie van het eerste verslag hun opmerkingen daaromtrent voorleggen aan het panel.

5.

Na ontvangst van eventuele schriftelijke opmerkingen kan het panel op eigen initiatief of op verzoek van een van de partijen bij de procedure:

  • a. de partijen bij de procedure, waar van toepassing, verzoeken hun standpunt met betrekking tot de schriftelijke opmerkingen mee te delen;
  • b. zijn verslag heroverwegen; of
  • c. verdere afwegingen maken die het passend acht.

In het definitieve verslag van het panel worden de in de schriftelijke opmerkingen van de partijen naar voren gebrachte argumenten besproken.

Artikel 301. Eindverslag
1.

Het panel dient uiterlijk honderdtachtig dagen na de datum waarop het panel is ingesteld, bij de partijen bij de procedure en bij de Raad inzake handel en duurzame ontwikkeling een eindverslag in. De partijen maken binnen vijftien dagen na de presentatie het eindverslag openbaar.

2.

De partijen bij de procedure kunnen in onderling overleg besluiten de in lid 1 en de in artikel 298, lid 6, en artikel 300, lid 4, vastgestelde termijnen, te verlengen.

3.

Rekening houdend met het verslag en de aanbevelingen van het deskundigenpanel, streven de partijen bij de procedure ernaar passende maatregelen te bespreken die moeten worden genomen, met inbegrip van, waar van toepassing, mogelijke samenwerking ter ondersteuning van de uitvoering van deze maatregelen. De partij waaraan de aanbevelingen zijn gericht, informeert de Raad inzake handel en duurzame ontwikkeling over haar plannen met betrekking tot het verslag en de aanbevelingen van het deskundigenpanel, onder meer door, waar van toepassing, een actieplan te presenteren. De Raad inzake handel en duurzame ontwikkeling houdt toezicht op de uitvoering van de acties die de partij heeft bepaald.

Artikel 302. Samenwerking en technische bijstand inzake handel en duurzame ontwikkeling

De maatregelen inzake samenwerking en technische bijstand betreffende deze titel zijn vastgesteld in titel VI (Economische en handelsontwikkeling) van deel III van deze overeenkomst.

TITEL IX. REGIONALE ECONOMISCHE INTEGRATIE

Artikel 303. Algemene bepalingen
1.

De partijen onderstrepen het belang van de regio-tot-regio-dimensie en erkennen de betekenis van regionale economische integratie in de context van deze overeenkomst. Dienovereenkomstig herbevestigen zij hun voornemen om binnen de geldende kaders hun respectieve regionale economische integratieprocessen te versterken en uit te diepen.

2.

De partijen erkennen dat regionale economische integratie op het vlak van douaneprocedures, technische voorschriften en sanitaire en fytosanitaire maatregelen van cruciaal belang is voor het vrije verkeer van goederen binnen Midden-Amerika en de EU-partij.

3.

Dienovereenkomstig, en rekening houdend met de verschillende ontwikkelingsniveaus van hun respectieve regionale economische integratieprocessen, komen de partijen de volgende bepalingen overeen.

Artikel 304. Douaneprocedures
1.

Wat betreft douaneprocedures verleent de douaneautoriteit van de republiek van de MA-partij van eerste binnenkomst uiterlijk twee jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst restitutie van de betaalde rechten indien de goederen in kwestie worden uitgevoerd naar een andere republiek van de MA-partij. Op deze goederen worden douanerechten geheven in de republiek van de MA-partij van invoer.

2.

De partijen streven ernaar een mechanisme in te stellen dat ervoor zorgt dat goederen van oorsprong uit Midden-Amerika of uit de Europese Unie overeenkomstig bijlage II (Definitie van het begrip „producten van oorsprong” en methoden van administratieve samenwerking) bij deze overeenkomst, die hun respectieve grondgebied binnenkomen en zijn ingeklaard, niet langer kunnen worden onderworpen aan douanerechten of heffingen met een gelijkwaardig effect dan wel aan kwantitatieve beperkingen of maatregelen met een gelijkwaardig effect.

3.

De partijen komen overeen dat hun respectieve douanewetgeving en -procedures voorzien in het gebruik van een enig administratief document of elektronisch equivalent in respectievelijk de EU-partij en de MA-partij voor het opstellen van douaneaangiften bij invoer en uitvoer. De MA-partij verbindt zich ertoe deze doelstelling drie jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst te verwezenlijken.

4.

De partijen zorgen er tevens voor dat de douanewetgeving, de douaneprocedures en douanegerelateerde voorschriften die bij invoer van toepassing zijn op goederen van oorsprong uit Midden-Amerika of de Europese Unie, worden geharmoniseerd op regionaal niveau. De MA-partij verbindt zich ertoe deze doelstelling uiterlijk vijf jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst te verwezenlijken.

Artikel 305. Technische handelsbelemmeringen
1.

Op het gebied van technische voorschriften en conformiteitsbeoordelingsprocedures:

  • a. komen de partijen overeen dat de lidstaten van de Europese Unie ervoor zullen zorgen dat producten van oorsprong uit Midden-Amerika die in een van de lidstaten van de Europese Unie op legale wijze op de markt zijn gebracht, ook in de overige lidstaten van de Europese Unie op de markt kunnen worden gebracht, op voorwaarde dat het product een gelijke mate van bescherming van de diverse legitieme belangen in kwestie biedt (beginsel van wederzijdse erkenning);
  • b. accepteren de lidstaten van de Europese Unie in dit verband dat producten die aan de conformiteitsbeoordelingsprocedures hebben voldaan die in een van de lidstaten van de Europese Unie gelden, ook op de markt kunnen worden gebracht in de overige lidstaten van de Europese Unie zonder dat deze een aanvullende conformiteitsbeoordelingsprocedure hoeven te ondergaan, op voorwaarde dat het product een gelijke mate van bescherming van de diverse legitieme belangen in kwestie biedt.
2.

Wanneer er geharmoniseerde regionale invoervereisten bestaan, moeten producten van oorsprong uit de Europese Unie voldoen aan de regionale vereisten teneinde legaal op de markt te kunnen worden gebracht in de republiek van de MA-partij van eerste invoer. Ingevolge deze overeenkomst dient, als een product onder geharmoniseerde wetgeving valt en moet worden geregistreerd, de registratie die in een van de republieken van de MA-partij is verricht, te worden geaccepteerd door alle overige republieken van de MA-partij zodra aan alle interne procedures is voldaan.

3.

Daarnaast geldt dat indien registratie vereist is, de republieken van de MA-partij accepteren dat de producten moeten worden geregistreerd per groep of familie van producten.

4.

De MA-partij gaat ermee akkoord om binnen vijf jaar na inwerkingtreding van deze overeenkomst de regionale technische voorschriften en conformiteitsbeoordelingsprocedures die momenteel worden opgesteld en in bijlage XX (Lijst van Midden-Amerikaanse technische voorschriften (RTCA) die worden geharmoniseerd) bij deze overeenkomst zijn vermeld, vast te stellen, alsmede om te blijven werken aan harmonisatie van de technische voorschriften en conformiteitsbeoordelingsprocedures en om de ontwikkeling van regionale normen te bevorderen.

5.

Voor producten die nog niet zijn geharmoniseerd in de MA-partij en die niet zijn opgenomen in bijlage XX, stelt het Associatiecomité een werkprogramma vast om na te gaan of in de toekomst aanvullende producten kunnen worden opgenomen.

Artikel 306. Sanitaire en fytosanitaire maatregelen
1.

Het doel van dit artikel is om:

  • a. voorwaarden te bevorderen om het vrije verkeer van aan sanitaire en fytosanitaire maatregelen onderworpen goederen in Midden-Amerika en de EU-partij mogelijk te maken;
  • b. de harmonisatie en verbetering van sanitaire en fytosanitaire voorschriften en procedures in de MA-partij en de EU-partij te bevorderen, onder andere om te komen tot het gebruik van een enkel invoercertificaat, een enkele lijst van inrichtingen, een enkele sanitaire invoercontrole en een enkele vergoeding voor de uit de EU-partij in de MA-partij ingevoerde producten;
  • c. ernaar te streven dat de wederzijdse erkenning van de door de republieken van de MA-partij in een lidstaat van de Europese Unie verrichte controles wordt gegarandeerd.
2.

De EU-partij zorgt ervoor dat vanaf de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst dieren, dierlijke producten, planten en plantaardige producten die wettig op de markt worden gebracht, vrij en zonder controles aan de interne grenzen kunnen worden verhandeld op het grondgebied van de EU-partij, mits zij voldoen aan de relevante sanitaire en fytosanitaire voorschriften.

3.

De MA-partij zorgt ervoor dat vanaf de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst dieren, dierlijke producten, planten en plantaardige producten in aanmerking komen voor de bevordering van de regionale doorvoer op het grondgebied van de MA-partij overeenkomstig Resolutie nr. 219-2007 (COMIECO-XLVII) en daaropvolgende daaraan gerelateerde instrumenten. Voor de toepassing van deze titel wordt in het geval van invoer vanuit de EU-partij onder bevordering van de regionale doorvoer verstaan dat de goederen van de EU-partij kunnen worden ingevoerd via elke grensinspectiepost van de MA-partij en binnen de regio kunnen worden doorgevoerd van de ene republiek van de MA-partij naar de andere, waarbij wordt voldaan aan de sanitaire en fytosanitaire voorschriften van de eindbestemming, alwaar een sanitaire en fytosanitaire inspectie kan worden verricht.

4.

Op voorwaarde dat wordt voldaan aan de relevante sanitaire en fytosanitaire voorschriften en overeenkomstig de bestaande mechanismen in het kader van het Midden-Amerikaanse regionale integratieproces, verbindt de MA-partij zich ertoe de in bijlage XIX (Lijst van producten bedoeld in artikel 306, lid 4) opgenomen dieren, dierlijke producten, planten en plantaardige producten de volgende behandeling te verlenen: op het moment van invoer op het grondgebied van een republiek van de MA-partij controleren de bevoegde autoriteiten het door de bevoegde autoriteit van de EU-partij afgegeven certificaat en kunnen zij een sanitaire of fytosanitaire inspectie verrichten; eenmaal ingeklaard, kunnen producten die zijn opgenomen in bijlage XIX enkel worden onderworpen aan steekproefsgewijze sanitaire of fytosanitaire inspectie op de plaats van binnenkomst in de republiek van de MA-partij van eindbestemming.

Voor producten die zijn opgenomen in lijst 1 van bijlage XIX, gaat voornoemde verplichting uiterlijk twee jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst in.

Voor producten die zijn opgenomen in lijst 2 van bijlage XIX, gaat voornoemde verplichting uiterlijk vijf jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst in.

5.

Onverminderd de rechten en verplichtingen van de partijen (de EU-partij en de republieken van de MA-partij) op grond van de WTO-Overeenkomst en de sanitaire en fytosanitaire procedures en voorschriften die door elke partij zijn vastgesteld, kan een invoerende partij niet worden verplicht een gunstigere behandeling te verlenen aan producten die worden ingevoerd vanuit de uitvoerende partij dan de behandeling die door die uitvoerende partij in haar intraregionale handelsverkeer wordt verleend.

6.

Overeenkomstig de in titel XIII (Specifieke taken in handelsaangelegenheden van de op grond van deze overeenkomst ingestelde instanties) van deel IV van deze overeenkomst vastgestelde procedure kan de Associatieraad bijlage XIX (Lijst van producten bedoeld in artikel 306, lid 4) wijzigen naar aanleiding van aanbevelingen die door het subcomité Sanitaire en fytosanitaire aangelegenheden aan het Associatiecomité worden gedaan.

7.

Het in lid 6 genoemde subcomité houdt nauwlettend toezicht op de tenuitvoerlegging van dit artikel.

Artikel 307. Tenuitvoerlegging
1.

De partijen erkennen het belang van betere samenwerking om de doelstellingen van deze titel te verwezenlijken en om dit probleem aan te pakken door middel van de mechanismen zoals bedoeld in titel VI (Economische en handelsontwikkeling) van deel III van deze overeenkomst.

2.

De partijen verbinden zich ertoe elkaar te raadplegen over kwesties in verband met deze titel, teneinde te zorgen voor de daadwerkelijke tenuitvoerlegging van de regio-tot-regio-dimensie van deze overeenkomst en de doelstellingen van regionale economische integratie.

3.

Over de vorderingen van de MA-partij bij de tenuitvoerlegging van deze titel worden door de MA-partij periodieke voortgangsverslagen en werkprogramma’s met betrekking tot de artikelen 304, 305 en 306 opgesteld. De voortgangsverslagen en werkprogramma’s worden schriftelijk gepresenteerd en zetten alle maatregelen uiteen die gericht zijn op de nakoming van de verplichtingen en de verwezenlijking van de doelstellingen zoals gedefinieerd in artikel 304, leden 1, 3 en 4, artikel 305, leden 2, 3 en 4, en artikel 306, leden 3 en 4, alsmede de voorgenomen maatregelen voor de periode voorafgaand aan het volgende voortgangsverslag. De voortgangsverslagen en werkprogramma’s worden elk jaar ingediend totdat de in dit lid gespecificeerde verbintenissen de facto zijn nagekomen.

4.

Vijf jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst zullen de partijen de opname van nog andere terreinen in deze titel in overweging nemen.

5.

De verbintenissen van de MA-partij inzake regionale integratie op grond van deze titel vallen niet onder de geschillenbeslechtingsprocedures op grond van titel X (Geschillenbeslechting) van deel IV van deze overeenkomst.

TITEL X. GESCHILLENBESLECHTING

HOOFDSTUK 1. DOEL EN TOEPASSINGSGEBIED

Artikel 308. Doel

Het doel van deze titel is geschillen tussen de partijen over de interpretatie of toepassing van deel IV van deze overeenkomst te vermijden en te beslechten en de partijen, waar mogelijk, tot een wederzijds bevredigende oplossing te laten komen.

Artikel 309. Toepassingsgebied
1.

De bepalingen van deze titel zijn van toepassing op alle geschillen over de interpretatie en toepassing van deel IV van deze overeenkomst, behalve voor zover uitdrukkelijk anders bepaald.

2.

Deze titel is niet van toepassing op geschillen tussen de republieken van de MA-partij.

HOOFDSTUK 2. OVERLEG

Artikel 310. Overleg
1.

De partijen trachten elk geschil over de interpretatie of toepassing van de in artikel 309 bedoelde bepalingen op te lossen door te goeder trouw overleg te plegen, teneinde tot een wederzijds bevredigende oplossing te komen.

2.

Elk van de partijen bij deze overeenkomst verzoekt de andere partij schriftelijk om overleg, met verzending van een kopie naar het Associatiecomité, onder vermelding van de redenen van het verzoek, de rechtsgrondslag voor de klacht en de feitelijke of voorgestelde maatregel die in het geding is.

3.

Wanneer de klagende partij de EU-partij is en de vermeende inbreuk op een overeenkomstig lid 2 omschreven bepaling in alle relevante wettelijke en feitelijke aspecten vergelijkbaar is ten aanzien van meer dan één republiek van de MA-partij, kan de EU-partij verzoeken om één enkele overlegprocedure waar deze republieken van de MA-partij bij betrokken zijn47)Indien bijvoorbeeld een bepaling van deel IV van deze overeenkomst een verplichting inhoudt voor alle republieken van de MA-partij om op een bepaalde datum een specifiek vereiste na te komen en meer dan één republiek van de MA-partij zou dit nalaten te doen, zou deze kwestie binnen het toepassingsgebied van dit lid vallen..

4.

Wanneer de klagende partij een republiek van de MA-partij is en de vermeende inbreuk op een overeenkomstig lid 2 omschreven bepaling een nadelig effect op de handel48)Indien bijvoorbeeld een invoerverbod op een product is ingesteld en dit invoerverbod is van toepassing op de uitvoer van dat product uit meer dan één republiek van de MA-partij, zou deze kwestie binnen het toepassingsgebied van dit lid vallen. van meer dan één republiek van de MA-partij heeft, kunnen de republieken van de MA-partij ofwel verzoeken om één enkele overlegprocedure, ofwel binnen vijf dagen na de datum van indiening van het aanvankelijke verzoek om overleg erom verzoeken zich bij het overleg aan te sluiten. De belanghebbende republiek van de MA-partij verstrekt in haar verzoek uitleg over het wezenlijke handelsbelang ter zake.

5.

Het overleg vindt plaats binnen dertig dagen na de datum van indiening van het verzoek en wordt, tenzij de partijen anders overeenkomen, gehouden op het grondgebied van de partij waartegen de klacht gericht is. Het overleg wordt dertig dagen na de datum van indiening van het verzoek geacht te zijn afgesloten, tenzij beide partijen overeenkomen het overleg voort te zetten. Wanneer overeenkomstig de leden 3 en 4 meer dan één republiek van de MA-partij betrokken is bij het overleg, wordt dit veertig dagen na de datum van indiening van het aanvankelijke verzoek geacht te zijn afgesloten. Alle tijdens het overleg verstrekte informatie wordt vertrouwelijk behandeld.

6.

Bij urgente kwesties, met name ten aanzien van bederfelijke waren of seizoensgebonden goederen, vindt overleg plaats binnen vijftien dagen na de datum van indiening van het verzoek en wordt dit vijftien dagen na de datum van indiening van het verzoek geacht te zijn afgesloten. Wanneer overeenkomstig de leden 3 en 4 meer dan één republiek van de MA-partij betrokken is bij het overleg, wordt dit twintig dagen na de datum van indiening van het aanvankelijke verzoek geacht te zijn afgesloten.

7.

Indien de partij waartegen de klacht is gericht, niet reageert op het verzoek om overleg binnen tien dagen na de datum van ontvangst van het verzoek, indien het overleg niet binnen de in respectievelijk lid 5 of lid 6 genoemde termijnen plaatsvindt, of indien het overleg is afgesloten zonder dat het geschil is opgelost, kan de klagende partij verzoeken om de instelling van een panel overeenkomstig artikel 311.

8.

Indien meer dan twaalf maanden van inactiviteit zijn verlopen vanaf de datum van het laatste overleg en indien de grond van het geschil blijft bestaan, kan de klagende partij om nieuw overleg verzoeken. Dit lid is niet van toepassing indien de inactiviteit voortvloeit uit pogingen te goeder trouw om overeenkomstig artikel 324 tot een wederzijds bevredigende oplossing te komen.

HOOFDSTUK 3. PROCEDURES VOOR GESCHILLENBESLECHTING

AFDELING A. PANELPROCEDURE

Artikel 311. Inleiding van de panelprocedure
1.

Wanneer de partijen er niet in zijn geslaagd het geschil overeenkomstig de bepalingen van artikel 310 op te lossen, kan de klagende partij verzoeken om de instelling van een panel om de kwestie te onderzoeken.

2.

Het verzoek om instelling van een panel moet schriftelijk worden gedaan bij de partij waartegen de klacht is gericht, met verzending van een kopie naar het Associatiecomité. De klagende partij vermeldt in haar verzoek de specifieke maatregel die in het geding is, vermeldt de rechtsgrondslag voor de klacht en legt uit waarom die maatregel een inbreuk op de in artikel 309 bedoelde bepalingen is.

3.

Elke partij die op grond van lid 1 gerechtigd is te verzoeken om de instelling van een panel, kan zich als klagende partij bij de panelprocedure aansluiten na schriftelijke kennisgeving aan de andere partijen bij het geschil. Deze kennisgeving dient uiterlijk vijf dagen na de datum van ontvangst van het aanvankelijke verzoek om instelling van een panel te worden ingediend.

4.

Het is niet toegestaan om de instelling van een panel te verzoeken om een voorgestelde maatregel te onderzoeken.

Artikel 312. Instelling van het panel
1.

Het panel bestaat uit drie panelleden.

2.

De partijen bij het geschil plegen binnen tien dagen na de datum van indiening van het verzoek om instelling van een panel overleg teneinde tot overeenstemming te komen over de samenstelling van het panel49)Wanneer een van de partijen bij het geschil bestaat uit twee of meer republieken van de MA-partij, handelen zij gezamenlijk in de in artikel 312 vastgestelde procedure..

3.

Indien de partijen bij het geschil er niet in slagen binnen de in lid 2 bepaalde termijn tot overeenstemming te komen over de samenstelling van het panel, heeft elke partij bij het geschil het recht om binnen drie dagen na afloop van de in lid 2 bepaalde termijn uit de personen die zijn opgenomen in de in artikel 325 vastgestelde lijst één panellid te selecteren, dat echter niet zal optreden als voorzitter. De voorzitter van het Associatiecomité of diens vertegenwoordiger selecteert vervolgens door loting de voorzitter en eventueel resterende panelleden uit de desbetreffende personen die zijn opgenomen in de in artikel 325 vastgestelde lijst.

4.

De voorzitter van het Associatiecomité of diens vertegenwoordiger verricht de loting binnen vijf dagen na ontvangst van een verzoek hiertoe van een of beide partijen bij het geschil. De loting wordt verricht op een tijdstip en een plaats die onverwijld aan de partijen bij het geschil worden medegedeeld. Desgewenst kunnen de partijen bij het geschil tijdens de loting aanwezig zijn.

5.

De partijen bij het geschil kunnen in onderling overleg en binnen de in lid 2 vastgestelde termijn personen selecteren die niet zijn opgenomen in de lijst van panelleden, maar die wel voldoen aan de in artikel 325 vastgestelde vereisten.

6.

De datum van instelling van het panel is de datum waarop alle panelleden kennisgeving hebben gedaan van de aanvaarding van hun selectie.

Artikel 313. Uitspraak van het panel
1.

Het panel stelt de partijen bij het geschil binnen honderdtwintig dagen na de datum van instelling van het panel in kennis van zijn uitspraak ter zake, met verzending van een kopie naar het Associatiecomité.

2.

Wanneer het panel van oordeel is dat de in lid 1 genoemde termijn niet kan worden gehaald, stelt de voorzitter van het panel de partijen bij het geschil onverwijld schriftelijk hiervan in kennis, met verzending van een kopie naar het Associatiecomité, onder vermelding van de redenen voor de vertraging en de datum waarop het panel zijn werk wel denkt te kunnen voltooien. Tenzij er uitzonderlijke omstandigheden gelden, wordt de uitspraak uiterlijk honderdvijftig dagen na de datum van instelling van het panel medegedeeld.

3.

In dringende gevallen, met name wanneer de zaak betrekking heeft op bederfelijke waren of seizoensgebonden goederen, stelt het panel alles in het werk om binnen zestig dagen na zijn instelling kennisgeving te doen van zijn uitspraak. Tenzij er uitzonderlijke omstandigheden gelden, wordt de uitspraak uiterlijk vijfenzeventig dagen na de datum van instelling van het panel medegedeeld. Het panel kan op verzoek van een partij bij het geschil binnen tien dagen na zijn instelling een voorlopige uitspraak doen over de vraag of het de zaak dringend acht.

AFDELING B. NALEVING

Artikel 314. Naleving van de uitspraak van het panel
1.

Waar van toepassing, neemt de partij waartegen de klacht is gericht, zonder onnodige vertraging de nodige maatregelen om de uitspraak van het panel in de zaak in kwestie te goeder trouw na te leven, en de partijen bij het geschil trachten overeenstemming te bereiken over de termijn voor de naleving.

2.

Ten behoeve van de naleving houden de partijen bij het geschil, en in ieder geval het panel, rekening met de mogelijke effecten van de strijdig met deze overeenkomst bevonden maatregel op het ontwikkelingsniveau van de partij waartegen de klacht is gericht.

3.

Wanneer de uitspraak van het panel niet volledig en tijdig wordt nageleefd, kunnen compensatie of schorsing van verplichtingen als tijdelijke maatregelen worden toegepast. In dat geval streven de partijen bij het geschil ernaar eerder een compensatie overeen te komen dan over te gaan tot schorsing van verplichtingen. Compensatie noch schorsing van verplichtingen verdient echter de voorkeur boven volledige en tijdige tenuitvoerlegging van de uitspraak van het panel.

4.

Wanneer een uitspraak van het panel van toepassing is op meer dan één republiek van de MA-partij als klagende partij of partij waartegen de klacht is gericht, geldt elke compensatie of schorsing van verplichtingen ingevolge deze titel afzonderlijk voor elke republiek van de MA-partij. Daartoe bepaalt het panel voor elke republiek van de MA-partij afzonderlijk de mate waarin de schending de voordelen voor de desbetreffende partij tenietdoet of beperkt.

Artikel 315. Redelijke termijn voor naleving
1.

De partij waartegen de klacht is gericht, stelt de klagende partij onverwijld in kennis van de redelijke termijn die nodig is voor de naleving, alsmede van de specifieke maatregelen die zij van plan is te nemen, voor zover dit mogelijk is.

2.

De partijen bij het geschil streven ernaar binnen dertig dagen na kennisgeving van voornoemde uitspraak aan de partijen bij het geschil overeenstemming te bereiken over de redelijke termijn die nodig is voor de naleving. Zodra overeenstemming wordt bereikt, stellen de partijen bij het geschil het Associatiecomité in kennis van de overeengekomen redelijke termijn en, waar mogelijk, van de specifieke maatregelen die de partij waartegen de klacht is gericht, van plan is te nemen.

3.

Wanneer de partijen bij het geschil binnen de in lid 2 bepaalde termijn geen overeenstemming bereiken over de redelijke termijn om aan de uitspraak van het panel te voldoen, kan de klagende partij het oorspronkelijke panel verzoeken de redelijke termijn te bepalen. Dat verzoek wordt schriftelijk gedaan en tegelijkertijd medegedeeld aan de andere partij bij het geschil, met een kopie aan het Associatiecomité. Het panel stelt de partijen bij het geschil binnen twintig dagen na indiening van het verzoek in kennis van zijn uitspraak, met verzending van een kopie naar het Associatiecomité. Wanneer een uitspraak van het panel betrekking heeft op meer dan één republiek van de MA-partij, bepaalt het panel voor elke republiek van de MA-partij de redelijke termijn.

4.

Indien het oorspronkelijke panel, of een of meer van de leden daarvan, niet opnieuw kan bijeenkomen, zijn de desbetreffende procedures van artikel 312 van toepassing. De termijn voor de kennisgeving van de uitspraak bedraagt vijfendertig dagen vanaf de datum van indiening van het in lid 3 bedoelde verzoek.

5.

De partij waartegen de klacht is gericht, brengt verslag uit aan het Associatiecomité over de genomen en te nemen maatregelen om te voldoen aan de uitspraak van het panel. Het verslag wordt schriftelijk en uiterlijk halverwege de redelijke termijn ingediend.

6.

De partijen bij het geschil kunnen de redelijke termijn in onderling overleg verlengen. Alle in dit artikel vermelde termijnen maken deel uit van de redelijke termijn.

Artikel 316. Onderzoek van maatregelen getroffen tot naleving van de uitspraak van het panel
1.

De partij waartegen de klacht is gericht, stelt de klagende partij, met verzending van een kopie naar het Associatiecomité, vóór afloop van de redelijke termijn in kennis van alle maatregelen die zij heeft genomen om aan de uitspraak van het panel te voldoen en verstrekt daarbij details zoals de datum van inwerkingtreding, de desbetreffende tekst van de maatregel en een feitelijke en juridische uitleg van hoe de ten behoeve van de naleving genomen maatregel ervoor zorgt dat de partij waartegen de klacht is gericht, deze overeenkomst weer naleeft.

2.

Wanneer er tussen de partijen bij het geschil onenigheid bestaat over de vraag of een maatregel waarvan overeenkomstig lid 1 kennisgeving is gedaan, daadwerkelijk bestaat dan wel in overeenstemming is met de in artikel 309 bedoelde bepalingen, kan de klagende partij het oorspronkelijke panel schriftelijk verzoeken hierover uitspraak te doen. In dat verzoek wordt aangegeven om welke specifieke maatregel het gaat en wordt uitgelegd waarom deze niet in overeenstemming is met de in artikel 309 bedoelde bepalingen. Het panel deelt zijn uitspraak binnen vijfenveertig dagen na de datum van indiening van het verzoek mede. Wanneer een uitspraak van het panel betrekking heeft op meer dan één republiek van de MA-partij, doet het panel, indien nodig gezien de omstandigheden, voor elke republiek van de MA-partij zijn uitspraak overeenkomstig dit artikel.

3.

Indien het oorspronkelijke panel, of een of meer van de leden daarvan, niet opnieuw kan bijeenkomen, zijn de desbetreffende procedures van artikel 312 van toepassing. De termijn voor de kennisgeving van de uitspraak bedraagt zestig dagen vanaf de datum van indiening van het in lid 2 bedoelde verzoek.

Artikel 317. Tijdelijke maatregelen bij niet-naleving
1.

Indien een partij waartegen een klacht is gericht, niet voor afloop van de in artikel 316, lid 1, vastgestelde redelijke termijn kennis geeft van een maatregel die zij heeft getroffen om de uitspraak van het panel na te leven, of indien het panel oordeelt dat de maatregel waarvan overeenkomstig artikel 316, lid 1, kennis is gegeven, niet in overeenstemming is met de verplichtingen van de partij uit hoofde van de in artikel 309 bedoelde bepalingen, doet de partij waartegen de klacht is gericht, de klagende partij, op haar verzoek, een aanbod voor compensatie. Wanneer een uitspraak van het panel van toepassing is op meer dan één republiek van de MA-partij, doet elke republiek van de MA-partij een aanbod voor compensatie of wordt elke republiek van de MA-partij een aanbod voor compensatie gedaan, al naargelang, rekening houdend met de mate waarin de schending overeenkomstig artikel 314, lid 4, de voordelen voor de desbetreffende partij tenietdoet of beperkt, alsmede alle maatregelen waarvan overeenkomstig artikel 316, lid 1, kennis is gegeven. De EU-partij betracht de nodige terughoudendheid bij het vragen van compensatie overeenkomstig dit lid.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)