Versterkte Partnerschaps- en Samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en de Kirgizische Republiek, anderzijds (met Bijlagen en Protocol)

Type Verdrag
Publication 2024-06-25
State In force
Source BWB
artikelen 344
Wijzigingsgeschiedenis JSON API
2.

Een Partij die om de instelling van een panel verzoekt (hierna „de klagende Partij” genoemd), doet dit door middel van een schriftelijk verzoek aan de Partij waarvan wordt beweerd dat zij de bestreken bepalingen schendt (hierna „de verwerende Partij” genoemd). De klagende Partij vermeldt in haar verzoek de maatregel die in het geding is, en legt uit waarom die maatregel niet voldoet aan de bestreken bepalingen, waarbij duidelijk de rechtsgrond voor de klacht wordt aangegeven.

Artikel 213. Instelling van een panel
1.

Een panel bestaat uit drie panelleden.

2.

Uiterlijk 14 dagen na de datum van mededeling van het verzoek om instelling van een panel plegen de Partijen overleg om overeenstemming te bereiken over de samenstelling van het panel.

3.

Indien de Partijen binnen de in lid 2 van dit artikel bedoelde termijn geen overeenstemming bereiken over de samenstelling van het panel, benoemt elke Partij uiterlijk vijf dagen na het verstrijken van de in lid 2 van dit artikel bedoelde termijn een panellid uit de op grond van artikel 214 voor die Partij opgestelde deellijst. Indien een Partij binnen die termijn geen panellid uit haar deellijst benoemt, wijst de medevoorzitter van het Samenwerkingscomité van de klagende Partij uiterlijk vijf dagen na het verstrijken van die termijn door loting een panellid aan uit de deellijst van de Partij die geen panellid heeft aangewezen. De medevoorzitter van het Samenwerkingscomité van de klagende Partij kan die aanwijzing door loting van het panellid delegeren.

4.

Indien de Partijen binnen de in lid 2 van dit artikel genoemde termijn geen overeenstemming over de voorzitter van het panel bereiken, wijst de medevoorzitter van het Samenwerkingscomité van de klagende Partij binnen vijf dagen na het verstrijken van die termijn door loting de voorzitter van het panel aan uit de overeenkomstig artikel 214 opgestelde deellijst van voorzitters. De medevoorzitter van het Samenwerkingscomité van de klagende Partij kan die aanwijzing door loting van de voorzitter van het panel delegeren.

5.

Indien een van de in artikel 214 bedoelde lijsten niet is opgesteld of niet voldoende namen bevat op het moment dat een verzoek overeenkomstig artikel 212 wordt ingediend, worden de panelleden geselecteerd overeenkomstig het reglement van orde in bijlage 14-A.

6.

De datum van instelling van het panel is die waarop alle drie aangewezen panelleden hun benoeming hebben aanvaard overeenkomstig het reglement van orde in bijlage 14-A.

Artikel 214. Lijst van panelleden
1.

Het Samenwerkingscomité stelt uiterlijk zes maanden na de datum van inwerkingtreding van deze Overeenkomst een lijst op van ten minste 15 personen die bereid en in staat zijn om als panellid op te treden. Die lijst bestaat uit drie deellijsten:

  • a. een deellijst van personen die op basis van voorstellen van de Europese Unie is opgesteld;
  • b. een deellijst van personen die op basis van voorstellen van de Kirgizische Republiek is opgesteld; en
  • c. een deellijst van personen die geen onderdaan van een van de Partijen zijn en die bereid en in staat zijn om als voorzitter van het panel te fungeren.
2.

Elke deellijst bevat ten minste vijf personen. Het Samenwerkingscomité ziet erop toe dat elke deellijst te allen tijde uit dat minimumaantal personen blijft bestaan.

3.

Het Samenwerkingscomité kan aanvullende lijsten opstellen van personen met kennis van en ervaring in specifieke onder deze titel vallende sectoren. Met instemming van de Partijen worden die aanvullende lijsten gebruikt voor de samenstelling van het panel overeenkomstig de procedure van artikel 213.

Artikel 215. Vereisten voor panelleden
1.

Elk panellid moet:

  • a. beschikken over aantoonbare deskundigheid op het gebied van recht, internationale handel en andere onder deze titel vallende aangelegenheden;
  • b. onafhankelijk zijn van, geen banden hebben met en geen instructies ontvangen van een van de Partijen;
  • c. op persoonlijke titel optreden en geen instructies aanvaarden van enige organisatie of regering met betrekking tot aangelegenheden die verband houden met het geschil; en
  • d. zich houden aan de gedragscode voor panelleden en bemiddelaars in bijlage 14-B.
2.

De voorzitter beschikt ook over ervaring in geschillenbeslechtingsprocedures.

3.

Gezien het voorwerp van een specifiek geschil kunnen de Partijen overeenkomen af te wijken van de in lid 1, punt a), genoemde vereisten.

Artikel 216. Functies van het panel

Het panel:

  • a. verricht een objectieve beoordeling van de aan het panel voorgelegde aangelegenheid, met inbegrip van een objectieve beoordeling van de feiten van de zaak en de toepasselijkheid van en overeenstemming met de bestreken bepalingen;
  • b. vermeldt in zijn besluiten en verslagen de resultaten van het feitenonderzoek, de toepasselijkheid van de bestreken bepalingen alsmede de beweegredenen die aan de bevindingen en conclusies van het panel ten grondslag liggen; en
  • c. pleegt regelmatig overleg met de Partijen en biedt passende kansen voor de ontwikkeling van een onderling overeengekomen oplossing.
Artikel 217. Mandaat
1.

Tenzij de Partijen binnen vijf dagen na de datum van instelling van het panel anders overeenkomen, luidt het mandaat van het panel als volgt:

„in het licht van de desbetreffende bepalingen van deze titel waarop de Partijen zich beroepen, de aangelegenheid onderzoeken die in het verzoek om instelling van het panel is beschreven, bevindingen doen over de verenigbaarheid van de maatregel in kwestie met die bepalingen en een verslag uitbrengen overeenkomstig de artikelen 219 en 220.”

2.

Indien de Partijen overeenstemming bereiken over een ander mandaat, stellen zij het panel binnen de in lid 1 vastgestelde termijn van het overeengekomen mandaat in kennis.

Artikel 218. Beslissing inzake spoedeisendheid
1.

Op verzoek van een Partij beslist het panel uiterlijk tien dagen na de datum waarop het is ingesteld, of de zaak dringend is.

2.

In dringende gevallen zijn de in deze afdeling vastgestelde toepasselijke termijnen de helft van de daarin voorgeschreven tijd, met uitzondering van de in de artikelen 213 en 217 bedoelde termijnen.

Artikel 219. Tussentijds verslag
1.

Het panel legt de Partijen binnen 90 dagen na de datum van instelling van het panel een tussentijds verslag voor. Wanneer het panel van oordeel is dat deze termijn niet kan worden gehaald, stelt de voorzitter van het panel de Partijen hiervan schriftelijk in kennis, met opgave van de redenen voor de vertraging en de datum waarop het panel zijn tussentijds verslag denkt te kunnen uitbrengen. Het panel mag zijn tussentijds verslag in geen geval later voorleggen dan 120 dagen na de datum waarop het is ingesteld.

2.

Elke Partij kan het panel binnen 10 dagen na de voorlegging ervan schriftelijk verzoeken om bepaalde aspecten van het tussentijds verslag te herzien. Een Partij kan binnen zes dagen na de indiening van het verzoek opmerkingen maken over het verzoek van de andere Partij.

Artikel 220. Eindverslag
1.

Het panel legt de Partijen binnen 120 dagen na de datum van instelling van het panel zijn eindverslag voor. Wanneer het panel van oordeel is dat deze termijn niet kan worden gehaald, stelt de voorzitter van het panel de Partijen hiervan schriftelijk in kennis, met opgave van de redenen voor de vertraging en de datum waarop het panel zijn eindverslag denkt te kunnen uitbrengen. Het panel mag zijn eindverslag in geen geval later voorleggen dan 150 dagen na de datum waarop het is ingesteld.

2.

In het eindverslag wordt elk schriftelijk verzoek van de Partijen met betrekking tot het tussentijds verslag besproken en wordt duidelijk ingegaan op de opmerkingen van Partijen.

Artikel 221. Maatregelen ter naleving
1.

De verwerende Partij neemt alle maatregelen die nodig zijn om de bevindingen en conclusies van het eindverslag onverwijld op te volgen teneinde de bestreken bepalingen na te leven.

2.

De verwerende Partij stelt de klagende Partij uiterlijk 30 dagen na de indiening van het eindverslag schriftelijk in kennis van de maatregelen die zij heeft genomen of voornemens is te nemen om het eindverslag na te leven.

Artikel 222. Redelijke termijn
1.

Indien onmiddellijke naleving overeenkomstig artikel 221, lid 1, niet mogelijk is, stelt de verwerende Partij uiterlijk 30 dagen na de indiening van het eindverslag de klagende Partij schriftelijk in kennis van de duur van de redelijke termijn die zij nodig heeft. De Partijen streven ernaar overeenstemming te bereiken over de duur van de redelijke termijn voor de naleving van het eindverslag.

2.

Indien de Partijen het niet eens kunnen worden over de duur van de redelijke termijn als bedoeld in lid 1, kan de klagende Partij ten vroegste 20 dagen na de in lid 1 bedoelde kennisgeving schriftelijk verzoeken dat het oorspronkelijke panel de duur van de redelijke termijn vaststelt. Het panel doet zijn besluit binnen 20 dagen na de datum van indiening van het verzoek aan de Partijen toekomen.

3.

De verwerende Partij deelt de klagende Partij ten minste één maand voor het verstrijken van de redelijke termijn die overeenkomstig lid 2 is overeengekomen, schriftelijk mee hoe ver zij is gevorderd met de naleving van het eindverslag.

4.

De Partijen kunnen overeenkomen de overeenkomstig lid 2 vastgestelde redelijke termijn te verlengen.

Artikel 223. Nalevingscontrole
1.

Uiterlijk bij het verstrijken van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 222 stelt de verwerende Partij de klagende Partij in kennis van alle maatregelen die zij heeft genomen om het eindverslag na te leven.

2.

In geval van onenigheid tussen de Partijen over het bestaan van maatregelen om het eindverslag na te leven of over de verenigbaarheid ervan met de bestreken bepalingen, kan de klagende Partij het oorspronkelijke panel schriftelijk verzoeken een besluit over de zaak te nemen. In het verzoek wordt vermeld om welke maatregel het gaat en wordt uitgelegd hoe die maatregel een inbreuk op de bestreken bepalingen vormt, op een wijze die de rechtsgrondslag van de klacht duidelijk aantoont. Het panel doet zijn beslissing binnen 46 dagen na de datum van indiening van het verzoek aan de Partijen toekomen.

Artikel 224. Tijdelijke maatregelen
1.

Op verzoek van en na overleg met de klagende Partij dient de verwerende Partij een voorstel voor tijdelijke compensatie in indien:

  • a. de verwerende Partij de klagende Partij schriftelijk in kennis stelt van het feit dat het niet mogelijk is om het eindverslag na te leven;
  • b. de verwerende Partij verzuimt binnen de in artikel 221, lid 2, bedoelde termijn of vóór het verstrijken van de redelijke termijn schriftelijk kennis te geven van een maatregel die zij met het oog op naleving van het eindverslag heeft getroffen; of
  • c. het panel oordeelt dat er geen maatregelen met het oog op naleving zijn getroffen of dat de met het oog op naleving getroffen maatregel niet in overeenstemming is met de bestreken bepalingen.
2.

In elk van de in lid 1, punten a), b), en c), bedoelde situaties kan de klagende Partij de verwerende Partij schriftelijk ervan kennisgeven dat zij voornemens is de toepassing van haar verplichtingen uit hoofde van de bestreken bepalingen op te schorten indien:

  • a. de klagende Partij besluit geen verzoek uit hoofde van lid 1 in te dienen; of
  • b. de klagende Partij een verzoek uit hoofde van lid 1 van dit artikel heeft ingediend en de Partijen binnen 20 dagen na het verstrijken van de in artikel 222 bedoelde redelijke termijn of de uitspraak van het panel uit hoofde van artikel 223, lid 2, niet tot overeenstemming over tijdelijke compensatie komen.

In de kennisgeving wordt vermeld in welke mate de verplichtingen zullen worden opgeschort.

3.

De klagende Partij kan de verplichtingen uit hoofde van de bestreken bepalingen 10 dagen na de datum van toezending van de in lid 2 bedoelde kennisgeving opschorten, tenzij de verwerende Partij een verzoek uit hoofde van lid 5 heeft gedaan.

4.

De mate van opschorting van verplichtingen mag niet groter zijn dan de mate die overeenkomt met de door de schending veroorzaakte tenietdoening of uitholling van de bestreken bepalingen.

5.

Indien de verwerende Partij van oordeel is dat de aangegeven mate van opschorting van de verplichtingen niet overeenstemt met de mate van tenietdoening of uitholling door de schending, kan zij het oorspronkelijke panel vóór het verstrijken van de in lid 3 genoemde termijn van 10 dagen schriftelijk verzoeken hierover uitspraak te doen. Het panel legt zijn beslissing binnen 30 dagen na de datum van het verzoek voor aan de Partijen. De verplichtingen worden niet opgeschort totdat het panel een beslissing heeft genomen. De opschorting van verplichtingen moet in overeenstemming zijn met die beslissing.

6.

De opschorting van verplichtingen of de compensatie als bedoeld in dit artikel is tijdelijk en wordt niet toegepast nadat:

  • a. de Partijen overeenkomstig artikel 240 tot een onderling overeengekomen oplossing zijn gekomen;
  • b. de Partijen zijn overeengekomen dat de verwerende Partij door de getroffen maatregel tot naleving van het eindverslag de bestreken bepalingen naleeft; of
  • c. alle maatregelen tot naleving van het eindverslag waarvan het panel heeft vastgesteld dat zij onverenigbaar zijn met de bestreken bepalingen, zijn ingetrokken of gewijzigd zodat de verwerende Partij die bestreken bepalingen naleeft.
Artikel 225. Toetsing van getroffen nalevingsmaatregelen nadat tijdelijke maatregelen zijn genomen
1.

De verwerende Partij stelt de klagende Partij schriftelijk in kennis van alle maatregelen die zij heeft getroffen om na de opschorting van verplichtingen of na de toepassing van tijdelijke compensatie, naargelang het geval, het eindverslag na te leven. Met uitzondering van de gevallen waarop lid 2 van toepassing is, beëindigt de klagende Partij de opschorting van verplichtingen binnen 30 dagen na de kennisgeving. In gevallen waarin compensatie is toegepast, en met uitzondering van de in lid 2 bedoelde gevallen, kan de verwerende Partij de toepassing van die compensatie beëindigen binnen 30 dagen nadat zij kennis heeft gegeven van de naleving.

2.

Indien de Partijen binnen 30 dagen na de datum van ontvangst van de kennisgeving geen overeenstemming bereiken over de vraag of de maatregel waarvan uit hoofde van lid 1 is kennisgegeven, ertoe leidt dat de verwerende Partij overeenkomstig de bestreken bepalingen handelt, kan de klagende Partij het oorspronkelijke panel schriftelijk verzoeken hierover uitspraak te doen. Het panel doet zijn beslissing binnen 46 dagen na de datum van indiening van het verzoek aan de Partijen toekomen. Indien het panel van oordeel is dat de maatregel tot naleving van het eindverslag in overeenstemming is met de bestreken bepalingen, wordt de opschorting van verplichtingen of de compensatie, al naargelang het geval, beëindigd. In voorkomend geval past de klagende Partij de mate van opschorting van de verplichtingen of de mate van de compensatie aan in het licht van de beslissing van het panel.

3.

Indien de verwerende Partij van oordeel is dat de mate van opschorting van de verplichtingen niet overeenstemt met de mate van tenietdoening of uitholling door de schending, kan zij het oorspronkelijke panel schriftelijk verzoeken hierover uitspraak te doen. Het panel neemt een beslissing binnen 46 dagen na de datum van indiening van het verzoek.

Artikel 226. Vervanging van panelleden

Indien een panellid tijdens geschillenbeslechtingsprocedures niet kan deelnemen, zich terugtrekt of moet worden vervangen omdat hij of zij de gedragscode voor panelleden en bemiddelaars in bijlage 14-B niet naleeft, is de procedure van artikel 213 van toepassing. De termijnen voor de indiening van de in deze afdeling genoemde verslagen of besluiten van het panel worden zo nodig verlengd voor de benoeming van het nieuwe panellid.

Artikel 227. Procedureregels
1.

Op de panelprocedures zijn dit hoofdstuk en het reglement van orde in bijlage 14-A van toepassing.

2.

De hoorzittingen van het panel zijn openbaar, tenzij anders bepaald in het reglement van orde van bijlage 14-A.

Artikel 228. Opschorting en beëindiging

Het panel schort zijn werkzaamheden te allen tijde gedurende een door de Partijen overeengekomen periode van ten hoogste twaalf opeenvolgende maanden op wanneer beide Partijen daarom verzoeken. Het panel hervat zijn werkzaamheden vóór het einde van de opschortingsperiode op schriftelijk verzoek van beide Partijen, of aan het einde van de opschortingsperiode op schriftelijk verzoek van een van de Partijen. Indien dit laatste van toepassing is, stelt de verzoekende Partij de andere Partij schriftelijk van het verzoek in kennis. Indien geen van beide Partijen na afloop van de opschortingsperiode om hervatting van de werkzaamheden van het panel verzoekt, vervalt de autoriteit van het panel en wordt de geschillenbeslechtingsprocedure beëindigd. Indien de werkzaamheden van het panel worden opgeschort, worden de relevante termijnen in deze afdeling verlengd met hetzelfde aantal dagen als de opschorting van de werkzaamheden heeft geduurd.

Artikel 229. Ontvangst van informatie
1.

Op verzoek van een Partij of op eigen initiatief kan het panel bij de Partijen relevante informatie inwinnen die het noodzakelijk en passend acht. De Partijen antwoorden onverwijld en volledig op elk verzoek om informatie van het panel.

2.

Op verzoek van een Partij of op eigen initiatief kan het panel alle relevante informatie uit eender welke bron inwinnen die het passend acht. Het panel heeft ook het recht om het advies van deskundigen in te winnen wanneer het dat passend acht, in voorkomend geval met inachtneming van door de Partijen overeengekomen voorwaarden.

3.

Natuurlijke personen van een Partij of in een Partij gevestigde rechtspersonen kunnen overeenkomstig het reglement van orde in bijlage 14-A opmerkingen indienen als amicus curiae.

4.

Alle informatie die het panel uit hoofde van dit artikel heeft verkregen, wordt aan de Partijen bekendgemaakt. De Partijen kunnen opmerkingen over deze informatie indienen.

Artikel 230. Uitleggingsregels

Het panel legt de bestreken bepalingen uit volgens de gebruikelijke regels voor de uitlegging van het internationaal publiekrecht, met inbegrip van die welke in het Verdrag van Wenen inzake het verdragenrecht zijn neergelegd. Het panel houdt ook rekening met relevante uitleggingen in verslagen van WTO-panels en verslagen van de Beroepsinstantie die door het Orgaan voor geschillenbeslechting van de WTO zijn aangenomen uit hoofde van het Memorandum van overeenstemming inzake de regels en procedures betreffende de beslechting van geschillen, dat is opgenomen in bijlage 2 bij de WTO-Overeenkomst (hierna het „Memorandum inzake geschillenbeslechting van de WTO” genoemd). De verslagen en besluiten van het panel mogen de rechten en verplichtingen van de Partijen uit hoofde van deze Overeenkomst niet verruimen of beperken.

Artikel 231. Verslagen en beslissingen van het panel
1.

De beraadslagingen van het panel zijn vertrouwelijk. Het panel stelt alles in het werk om verslagen op te stellen en beslissingen te nemen bij consensus. Indien dat niet mogelijk is, beslist het panel bij meerderheid van stemmen. In geen geval worden afzonderlijke adviezen van panelleden openbaar gemaakt.

2.

De verslagen en beslissingen van het panel worden door de Partijen onvoorwaardelijk aanvaard. Zij scheppen geen rechten of verplichtingen voor natuurlijke personen of rechtspersonen.

3.

Elke Partij maakt de verslagen, beslissingen en opmerkingen van het panel openbaar, onder voorbehoud van de bescherming van vertrouwelijke informatie.

4.

Het panel en de Partijen behandelen informatie die door een Partij aan het panel is verstrekt overeenkomstig het reglement van orde in bijlage 14-A, als vertrouwelijk.

Artikel 232. Forumkeuze
1.

Indien in verband met een specifieke maatregel een geschil ontstaat over een mogelijke inbreuk op een verplichting uit hoofde van deze titel, en een in wezen gelijkwaardige verplichting uit hoofde van een andere internationale overeenkomst waarbij beide Partijen partij zijn, met inbegrip van de WTO-Overeenkomst, kiest de klagende Partij, het forum om het geschil bij te leggen.

2.

Zodra de klagende Partij, het forum heeft gekozen en de procedures voor de geschillenbeslechting uit hoofde van deze afdeling of uit hoofde van een andere internationale overeenkomst heeft ingeleid, stelt die Partij met betrekking tot de in lid 1 bedoelde specifieke maatregel niet tevens een procedure in voor de geschillenbeslechting uit hoofde van de andere internationale overeenkomst, tenzij het eerst gekozen forum om procedurele of bevoegdheidsredenen geen uitspraak kan doen.

3.

Voor de toepassing van dit artikel wordt het volgende verstaan:

  • a. een procedure voor geschillenbeslechting uit hoofde van deze afdeling wordt geacht te zijn ingeleid wanneer een Partij uit hoofde van artikel 212 een verzoek tot instelling van een panel indient;
  • b. een procedure voor geschillenbeslechting uit hoofde van de WTO-Overeenkomst wordt geacht te zijn ingeleid wanneer een Partij uit hoofde van artikel 6 van het Memorandum inzake geschillenbeslechting van de WTO een verzoek om instelling van een panel indient;
  • c. een procedure voor geschillenbeslechting uit hoofde van enige andere internationale overeenkomst wordt geacht te zijn ingeleid overeenkomstig de relevante bepalingen van die overeenkomst.
4.

Onverminderd lid 2, belet geen van de bepalingen van deze Overeenkomst een Partij om de opschorting van verplichtingen die door het Orgaan voor Geschillenbeslechting van de WTO of uit hoofde van de geschillenbeslechtingsprocedure van een andere internationale overeenkomst waarbij beide Partijen bij het geschil partij zijn, is toegestaan, ten uitvoer te leggen. Op de WTO-Overeenkomst of enige andere internationale overeenkomst tussen de Partijen kan geen beroep worden gedaan om te beletten dat een Partij de verplichtingen uit hoofde van deze afdeling opschort.

AFDELING D. BEMIDDELINGSMECHANISME

Artikel 233. Doelstelling

Het bemiddelingsmechanisme heeft tot doel te bevorderen dat door middel van een integrale en snelle procedure en met de behulp van een bemiddelaar een onderling overeengekomen oplossing wordt bereikt.

Artikel 234. Informatieverzoek
1.

Te allen tijde voor de aanvang van de bemiddelingsprocedure kan een Partij de andere Partij schriftelijk om informatie verzoeken over een maatregel die de handel of investeringen tussen de Partijen ongunstig beïnvloedt. De Partij die het verzoek ontvangt, verstrekt binnen 20 dagen na ontvangst van het verzoek een schriftelijk antwoord met haar opmerkingen over de verzochte informatie.

2.

Als de antwoordende Partij denkt dat zij niet binnen 20 dagen vanaf de ontvangst van het verzoek een antwoord kan geven, stelt zij de verzoekende Partij daarvan onverwijld op de hoogte en deelt zij de redenen voor de vertraging mee, alsook een schatting van de kortst mogelijke termijn waarbinnen zij zal kunnen antwoorden.

3.

Van een Partij wordt normaal gesproken verwacht dat zij vóór de inleiding van de bemiddelingsprocedure een verzoek om informatie indient overeenkomstig lid 1.

Artikel 235. Inleiding van de bemiddelingsprocedure
1.

Elke Partij kan te allen tijde verzoeken om aan een bemiddelingsprocedure deel te nemen met betrekking tot een maatregel die de handel of de investeringen tussen de Partijen ongunstig beïnvloedt.

2.

Het in lid 1 bedoelde verzoek wordt gedaan door middel van een schriftelijk verzoek aan de andere Partij. In het verzoek worden de bezwaren van de verzoekende Partij duidelijk en voldoende gedetailleerd uiteengezet en:

  • a. wordt aangegeven om welke specifieke maatregel het gaat;
  • b. wordt uiteengezet wat volgens de verzoekende Partij de negatieve gevolgen van de maatregel voor de handel of de investeringen tussen de Partijen zijn of zullen zijn; en
  • c. wordt toegelicht wat volgens de verzoekende Partij het verband tussen die gevolgen en de maatregel is.
3.

De bemiddelingsprocedure kan slechts met wederzijdse instemming van de Partijen worden ingeleid, teneinde onderling overeengekomen oplossingen te onderzoeken en adviezen en voorstellen voor oplossingen van de bemiddelaar in overweging te nemen. De Partij waaraan het verzoek tot inleiding van een bemiddelingsprocedure is gericht, neemt het verzoek in welwillende overweging en doet de verzoekende Partij binnen 10 dagen na de datum van indiening haar schriftelijke aanvaarding of afwijzing toekomen. Indien de Partij waaraan het verzoek is gericht, haar schriftelijke aanvaarding of afwijzing niet binnen die termijn heeft ingediend, wordt het verzoek geacht te zijn afgewezen.

Artikel 236. Selectie van de bemiddelaar
1.

De Partijen streven ernaar binnen 10 dagen na de inleiding van de bemiddelingsprocedure overeenstemming te bereiken over een bemiddelaar.

2.

Indien de Partijen binnen de in lid 1 van dit artikel vastgestelde termijn geen overeenstemming over de bemiddelaar kunnen bereiken, kan elke Partij de medevoorzitter van het Samenwerkingscomité van de verzoekende Partij verzoeken een bemiddelingsprocedure aan te gaan om binnen vijf dagen na het verzoek de bemiddelaar door loting aan te wijzen uit de overeenkomstig artikel 214 opgestelde deellijst van voorzitters. De medevoorzitter van het Samenwerkingscomité van de verzoekende Partij kan die aanwijzing door loting van het panellid delegeren.

3.

Indien de in artikel 214, lid 1, punt c), bedoelde deellijst van voorzitters nog niet is opgesteld op het tijdstip waarop een verzoek overeenkomstig artikel 235 wordt ingediend, wordt de bemiddelaar door loting aangewezen uit de personen die door een Partij of door beide Partijen formeel voor die deellijst zijn voorgedragen.

4.

De bemiddelaar mag geen onderdaan van een van de Partijen zijn of in dienst van een van de Partijen staan, tenzij de Partijen anders overeenkomen.

5.

De bemiddelaar houdt zich aan de gedragscode voor panelleden en bemiddelaars in bijlage 14-B.

Artikel 237. Regels voor de bemiddelingsprocedure
1.

Binnen 10 dagen na de datum waarop de bemiddelaar overeenkomstig artikel 236, lid 1, is overeengekomen of overeenkomstig artikel 236, lid 2 of lid 3, is aangewezen, verstrekt de Partij die de bemiddelingsprocedure heeft ingeleid, de bemiddelaar en de andere Partij een gedetailleerde schriftelijke beschrijving van haar bezwaren, met name wat betreft de werking van de maatregel in kwestie en de mogelijke negatieve gevolgen ervan voor de handel of de investeringen tussen de Partijen. De andere kan binnen 20 dagen na de datum van indiening schriftelijke opmerkingen over die beschrijving indienen. Elke Partij kan in haar beschrijving of opmerkingen alle informatie opnemen die zij relevant acht.

2.

De bemiddelaar staat de Partijen op transparante wijze bij om duidelijkheid te scheppen over de betrokken maatregel en de mogelijke negatieve gevolgen ervan voor de handel of de investeringen tussen de Partijen. Hij kan met name bijeenkomsten tussen de Partijen organiseren, de Partijen gezamenlijk of afzonderlijk raadplegen, verzoeken om bijstand van of overleg plegen met deskundigen en belanghebbenden op het betrokken gebied alsmede alle aanvullende ondersteuning bieden waarom de Partijen hebben verzocht. Alvorens om bijstand van of overleg met relevante deskundigen of belanghebbenden te verzoeken, overlegt de bemiddelaar met de Partijen.

3.

De bemiddelaar kan advies aanbieden en een oplossing voorstellen ter overweging door de Partijen. De Partijen kunnen de voorgestelde oplossing aanvaarden of afwijzen of een andere oplossing overeenkomen. De bemiddelaar geeft geen advies en maakt evenmin opmerkingen over de overeenstemming van de maatregel in kwestie met deze titel.

4.

De bemiddelingsprocedure vindt plaats op het grondgebied van de Partij waaraan het verzoek gericht is, of op enige andere locatie of op enige andere wijze waarover onderling overeenstemming is bereikt.

5.

De Partijen streven ernaar binnen 60 dagen na de datum waarop de bemiddelaar overeenkomstig artikel 236, lid 1, is overeengekomen of overeenkomstig artikel 236, lid 2 of lid 3, is geselecteerd, tot een onderling overeengekomen oplossing te komen. Zolang geen definitieve overeenstemming is bereikt, kunnen de Partijen eventuele tussentijdse oplossingen overwegen, met name wanneer de maatregel betrekking heeft op bederfelijke waren of seizoensgebonden goederen of diensten.

6.

Een onderling overeengekomen oplossing kan worden vastgesteld bij besluit van het Samenwerkingscomité. Elke Partij kan een dergelijke oplossing afhankelijk maken van de voltooiing van de nodige interne procedures. Onderling overeengekomen oplossingen worden openbaar gemaakt. De openbaar gemaakte versie mag geen informatie bevatten die door een Partij als vertrouwelijk is aangemerkt.

7.

Op verzoek van een van de Partijen dient de bemiddelaar bij de Partijen een ontwerp van het feitenverslag in, dat het volgende bevat:

  • a. een korte samenvatting van de betrokken specifieke maatregel;
  • b. de gevolgde procedure; en
  • c. in voorkomend geval, de onderling overeengekomen oplossing, met inbegrip van eventuele tussentijdse oplossingen. De bemiddelaar biedt de Partijen 15 dagen de gelegenheid om hun opmerkingen over het ontwerpfeitenverslag in te dienen. Na bestudering van de binnen die termijn ontvangen opmerkingen van de Partijen dient de bemiddelaar bij de Partijen binnen 15 dagen een definitief feitenverslag in. Het definitieve feitenverslag mag geen uitlegging van deze titel bevatten.
8.

De procedure wordt beëindigd door:

  • a. de goedkeuring van een door de Partijen onderling overeengekomen oplossing, op de datum van goedkeuring ervan;
  • b. onderlinge overeenstemming van de Partijen in de loop van de procedure, op de datum waarop die overeenstemming is bereikt;
  • c. een schriftelijke verklaring van de bemiddelaar, na overleg met de Partijen, dat verdere bemiddelingsinspanningen geen nut hebben, op de datum van die verklaring; of
  • d. een schriftelijke verklaring van een Partij nadat voorgestelde oplossingen in de bemiddelingsprocedure zijn onderzocht en adviezen en voorgestelde oplossingen van de bemiddelaar in overweging zijn genomen, op de datum van die verklaring.
Artikel 238. Vertrouwelijkheid

Tenzij de Partijen bij het geschil anders overeenkomen, zijn alle andere fasen van de bemiddelingsprocedure, met inbegrip van adviezen of voorgestelde oplossingen, vertrouwelijk. Elke Partij mag echter openbaar maken dat bemiddeling plaatsvindt.

Artikel 239. Verhouding tot geschillenbeslechtingsprocedures
1.

De bemiddelingsprocedure laat de rechten en verplichtingen van de Partijen uit hoofde van de afdelingen B en C van dit hoofdstuk of van geschillenbeslechtingsprocedures of elke andere internationale overeenkomst onverlet.

2.

In andere geschillenbeslechtingsprocedures in het kader van deze titel of enige andere internationale overeenkomst, beroepen de Partijen zich niet op de volgende zaken, noch voeren zij deze als bewijsmateriaal aan, en een panel houdt geen rekening met:

  • a. standpunten die de andere Partij in de loop van de bemiddelingsprocedure heeft ingenomen of informatie die uitsluitend overeenkomstig artikel 237, lid 2, is verzameld;
  • b. het feit dat de andere Partij zich bereid heeft verklaard een oplossing te aanvaarden voor de maatregel waarop de bemiddeling betrekking had; of
  • c. adviezen of voorstellen van de bemiddelaar.
3.

Tenzij de Partijen anders overeenkomen, mogen bemiddelaars niet zitting nemen in een panel in het kader van geschillenbeslechtingsprocedures uit hoofde van deze titel of enige andere internationale overeenkomst met betrekking tot dezelfde aangelegenheid waarin zij hebben bemiddeld.

AFDELING E. GEMEENSCHAPPELIJKE BEPALINGEN

Artikel 240. Onderling overeengekomen oplossing
1.

De Partijen kunnen met betrekking tot een in artikel 209 bedoeld geschil te allen tijde tot een onderling overeengekomen oplossing komen.

2.

Indien een onderling overeengekomen oplossing wordt bereikt tijdens de procedure bij het panel of tijdens een bemiddelingsprocedure, stellen de Partijen de voorzitter van het panel of de bemiddelaar gezamenlijk in kennis van de overeengekomen oplossing, naargelang het geval. Na die kennisgeving wordt de procedure bij het panel of de bemiddelingsprocedure stopgezet.

3.

Elke Partij neemt de maatregelen die nodig zijn om de onderling overeengekomen oplossing binnen de overeengekomen termijn ten uitvoer te leggen.

4.

Elke Partij stelt vóór de afloop van de overeengekomen termijn de andere Partij schriftelijk in kennis van alle maatregelen die zij heeft getroffen om de onderling overeengekomen oplossing ten uitvoer te leggen.

Artikel 241. Termijnen
1.

Alle in dit hoofdstuk vastgestelde termijnen worden geteld in kalenderdagen vanaf de dag volgend op de handeling waarop zij betrekking hebben.

2.

Elke in dit hoofdstuk bedoelde termijn kan in onderling overleg tussen de Partijen worden gewijzigd.

3.

Uit hoofde van afdeling C kan het panel de Partijen te allen tijde voorstellen een in dit hoofdstuk vermelde termijn te wijzigen, met opgave van de redenen daarvoor.

Artikel 242. Kosten
1.

Elke Partij draagt haar eigen kosten die voortvloeien uit deelname aan de procedure bij het panel of de bemiddelingsprocedure.

2.

De Partijen dragen gezamenlijk en elk voor een gelijk deel de kosten voor organisatorische aangelegenheden, met inbegrip van de honoraria en de kosten van de panelleden en de bemiddelaar. De bezoldiging van de panelleden en van de bemiddelaar is overeenkomstig de WTO-praktijk en wordt vastgesteld overeenkomstig het reglement van orde in bijlage 14-A.

Artikel 243. Bijlagen

De Samenwerkingsraad kan de bijlagen 14-A en 14-B wijzigen.

HOOFDSTUK 15. UITZONDERINGEN

Artikel 244. Algemene uitzonderingen
1.

Voor de toepassing van de hoofdstukken 2, 3, 6, en 12 worden Artikel XX van de GATT 1994 en de aantekeningen en aanvullende bepalingen daarbij mutatis mutandis in deze Overeenkomst opgenomen en maken zij integrerend deel hiervan uit.

2.

Mits de hieronder bedoelde maatregelen niet zodanig worden toegepast dat zij een middel tot willekeurige of ongerechtvaardigde discriminatie tussen de Partijen bij soortgelijke omstandigheden, of een verkapte beperking van de liberalisering van investeringen of de handel in diensten zouden vormen, wordt niets in hoofdstuk 6 of hoofdstuk 12 uitgelegd als beletsel voor het vaststellen of toepassen door een Partij van maatregelen:

  • a. ter bescherming van de openbare veiligheid of de openbare zeden of voor het handhaven van de openbare orde;31)De uitzonderingen betreffende de openbare veiligheid en de openbare orde mogen alleen worden ingeroepen in geval van een daadwerkelijke en voldoende ernstige bedreiging van een fundamenteel belang van de samenleving.
  • b. ter bescherming van het leven of de gezondheid van mens, dier of plant;
  • c. ter verzekering van de naleving van wet- of regelgeving die niet onverenigbaar is met de bepalingen van deze Overeenkomst, met inbegrip van die welke betrekking hebben op:
  • i. het voorkomen van misleidende en frauduleuze praktijken;
  • ii. de gevolgen van een wanbetaling voor contracten;
  • iii. het beschermen van de persoonlijke levenssfeer van personen met betrekking tot de verwerking en verspreiding van persoonsgegevens en het beschermen van het vertrouwelijke karakter van individuele dossiers en rekeningen; en
  • iv. veiligheid.
3.

Ter verduidelijking: de Partijen komen overeen dat, voor zover maatregelen die onder de leden 1 en 2 van dit artikel vallen, anderszins onverenigbaar zijn met de hoofdstukken 6 en 12:

  • a. de in artikel XX, punt b), van GATT 1994 en in lid 2, punt b), van dit artikel bedoelde maatregelen milieumaatregelen omvatten, die noodzakelijk zijn om het leven en de gezondheid van mensen, dieren of planten te beschermen;
  • b. artikel XX, punt g), van de GATT 1994 van toepassing is op maatregelen voor de instandhouding van levende en niet-levende niet-duurzame natuurlijke hulpbronnen; en
  • c. maatregelen ter uitvoering van multilaterale milieuovereenkomsten onder artikel XX, punt b), of g), van de GATT 1994 of onder lid 2, punt b), van dit artikel kunnen vallen.
4.

Voordat een Partij maatregelen treft als bepaald in artikel XX, punten i) en j), van de GATT 1994, verstrekt zij de andere Partij alle relevante informatie teneinde een voor beide Partijen aanvaardbare oplossing te vinden. Als binnen 30 dagen na het verstrekken van deze informatie geen overeenstemming wordt bereikt, kan de Partij de desbetreffende maatregelen treffen. Wanneer door uitzonderlijke en kritieke omstandigheden die onmiddellijk handelen vereisen, voorafgaande informatieverstrekking niet mogelijk is, kan de Partij die voornemens is de maatregelen te treffen, onmiddellijk voorzorgsmaatregelen treffen die nodig zijn om de situatie aan te pakken. Die Partij stelt de andere Partij daarvan onmiddellijk in kennis.

Artikel 245. Belastingen
1.

Geen van de bepalingen van deze titel doet afbreuk aan de rechten en verplichtingen van de Kirgizische Republiek of de Europese Unie of haar lidstaten uit hoofde van belastingverdragen. In geval van strijdigheid tussen deze Overeenkomst en een dergelijk belastingverdrag heeft het belastingverdrag voorrang voor zover het de strijdige bepalingen betreft.

2.

De artikelen 33 en 72 van deze Overeenkomst zijn niet van toepassing op voordelen die op grond van een belastingverdrag door een Partij zijn toegekend.

3.

Mits de hieronder bedoelde maatregelen niet zodanig worden toegepast dat zij een middel tot willekeurige of ongerechtvaardigde discriminatie tussen de Partijen bij soortgelijke omstandigheden of een verkapte beperking van handel en investeringen vormen, wordt geen van de bepalingen van deze titel uitgelegd als beletsel voor het vaststellen, handhaven of toepassen door een Partij van maatregelen die erop gericht zijn directe belastingen op billijke of doeltreffende wijze op te leggen of te innen en die:

  • a. een onderscheid maken tussen belastingbetalers die niet in dezelfde situatie verkeren, in het bijzonder met betrekking tot waar zij ingezetene zijn of hun vestigingsplaats hebben of de plaats waar hun kapitaal is geïnvesteerd; of
  • b. ernaar streven belastingontwijking of -ontduiking te voorkomen op grond van de bepalingen van belastingverdragen of de interne belastingwetgeving.
4.

Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:

  • a. „vestigingsplaats”: de fiscale woonplaats;
  • b. „belastingverdrag”: een verdrag inzake voorkoming van dubbele belastingheffing of enige andere internationale overeenkomst of regeling die geheel of hoofdzakelijk betrekking heeft op belastingheffing en waarbij de Kirgizische Republiek of de Europese Unie of haar lidstaten partij zijn.
Artikel 246. Bekendmaking van informatie
1.

Geen van de bepalingen van deze titel kan zo worden uitgelegd dat een Partij verplicht wordt vertrouwelijke informatie beschikbaar te stellen waarvan openbaarmaking de rechtshandhaving zou belemmeren of anderszins in strijd zou zijn met het openbaar belang of schadelijk zou zijn voor de rechtmatige handelsbelangen van bepaalde openbare of particuliere ondernemingen, behalve wanneer een panel dergelijke vertrouwelijke informatie opvraagt in het kader van geschillenbeslechtingsprocedures als bedoeld in hoofdstuk 14. In dergelijke gevallen zijn de desbetreffende bepalingen van hoofdstuk 14 van toepassing op de behandeling van vertrouwelijke informatie.

2.

Wanneer een Partij aan de andere Partij, onder meer via de organen die bij deze Overeenkomst zijn opgericht, informatie voorlegt die zij ingevolge haar wet- en regelgeving als vertrouwelijk beschouwt, wordt die informatie door de andere Partij als vertrouwelijk behandeld, tenzij de Partij die de informatie voorlegt, anders besluit.

Artikel 247. WTO-ontheffingen

Als een verplichting in deze titel in wezen gelijkwaardig is aan een verplichting uit hoofde van de WTO-Overeenkomst, wordt elke maatregel die is genomen in overeenstemming met een op grond van artikel IX van de WTO-Overeenkomst vastgestelde ontheffing, geacht in overeenstemming te zijn met de in wezen gelijkwaardige bepaling in deze Overeenkomst.

TITEL V. SAMENWERKING OP HET GEBIED VAN ECONOMISCHE EN DUURZAME ONTWIKKELING

Artikel 248. Algemene samenwerkingsdoelstellingen
1.

De Partijen werken samen aan economische hervormingen door het inzicht in de basiselementen van hun respectieve economieën en de formulering en uitvoering van het economische beleid te verbeteren.

2.

De Kirgizische Republiek neemt verdere stappen om een goed functionerende en duurzame markteconomie te ontwikkelen, met inbegrip van de verbetering van het investeringsklimaat en een grotere inclusie van de particuliere sector. De Partijen werken samen om een gezond macro-economisch beleid en een gezond beheer van de overheidsfinanciën te waarborgen die verenigbaar zijn met de fundamentele beginselen van doeltreffendheid, transparantie en verantwoordingsplicht.

Artikel 249. Algemene samenwerkingsbeginselen

De Partijen nemen de volgende maatregelen:

  • a. zij wisselen ervaringen en beste praktijken uit met betrekking tot strategieën voor duurzame ontwikkeling, met inbegrip van de bevordering van economische, sociale en culturele rechten;
  • b. zij wisselen informatie uit over macro-economische trends en beleid, alsmede over structurele hervormingen;
  • c. zij wisselen deskundigheid en optimale werkwijzen uit op gebieden als overheidsfinanciën, monetair en wisselkoersbeleid, beleid in de financiële sector en economische statistieken;
  • d. zij wisselen informatie en ervaringen uit over regionale economische integratie, met inbegrip van de werking van de Europese economische en monetaire unie;
  • e. zij bekijken de stand van zaken van de bilaterale samenwerking op het gebied van economie, financiën en statistiek.
Artikel 250. Beheer van de overheidsfinanciën, financiële controle en externe audit

De Partijen werken samen aan de verdere ontwikkeling van robuuste systemen voor het beheer van de overheidsfinanciën voor de Kirgizische Republiek, die van essentieel belang zijn voor het financiële kader van het land waarbinnen de regering van de Kirgizische Republiek haar economische en sociale beleidsdoelstellingen ten behoeve van haar burgers verwezenlijkt, en die berusten op de volgende beste beginselen en praktijken:

  • a. de regering publiceert op basis van geloofwaardige prognosen een begrotingskader voor de middellange termijn dat een minimumperiode van drie jaar bestrijkt, en waarbinnen alle begrotingsinstellingen opereren;
  • b. de begroting is opgesteld in overeenstemming met het nationale rechtskader, met uitgebreide uitgavenkredieten die in overeenstemming zijn met het begrotingskader voor de middellange termijn en die in acht worden genomen;
  • c. de centrale begrotingsautoriteit, of de geautoriseerde schatkistautoriteit, controleert centraal de uitbetaling van middelen uit de enkelvoudige rekening van de schatkist en zorgt voor kasliquiditeit;
  • d. er bestaat een duidelijke strategie voor het beheer van de schuld, die uitgevoerd wordt, zodat de algemene schulddoelstelling van het land wordt gehaald en de kosten van de schuldendienst onder controle worden gehouden;
  • e. begrotingstransparantie en -controle worden gewaarborgd;
  • f. het operationele kader voor interne controle definieert verantwoordelijkheden en bevoegdheden en wordt door de begrotingsinstellingen uitgevoerd in overeenstemming met het algemene beleid inzake interne controle;
  • g. het operationele kader voor interne audit is in overeenstemming met de internationale normen en wordt consequent toegepast door de overheidsinstellingen;
  • h. de regelgeving inzake overheidsopdrachten is in overeenstemming met de internationaal erkende beginselen van zuinigheid, efficiëntie, transparantie, openheid en verantwoordingsplicht, en er is een centrale institutionele en bestuurlijke capaciteit om het aanbestedingsbeleid doeltreffend en efficiënt te ontwikkelen, uit te voeren en te monitoren;
  • i. het stelsel van rechtsmiddelen is in overeenstemming met de toepasselijke overeenkomsten en internationale regelgeving, met internationaal erkende goede praktijken op het gebied van onafhankelijkheid, eerlijkheid en transparantie, en voorziet in een snelle en competente behandeling van klachten en sancties;
  • j. de uitvoering van overheidsopdrachten voldoet aan de basisbeginselen van gelijke behandeling, non-discriminatie, evenredigheid en transparantie, en zorgt voor een zo efficiënt mogelijk gebruik van overheidsmiddelen, en de aanbestedende diensten beschikken over passende capaciteiten en gebruiken moderne aanbestedingstechnieken;
  • k. de onafhankelijkheid, het mandaat en de organisatie van de hoge controle-instantie worden vastgesteld en beschermd door het constitutionele en wettelijke kader en worden in de praktijk geëerbiedigd;
  • l. de hoge controle-instantie past op neutrale en objectieve wijze normen toe om te zorgen voor kwalitatief hoogwaardige audits die een positief effect hebben op het bestuur en de werking van de overheidssector.
Artikel 251. Samenwerking op het gebied van belastingen

De Partijen erkennen de beginselen van goed bestuur op fiscaal gebied, waaronder de mondiale normen inzake transparantie en uitwisseling van informatie, billijke belastingheffing en de minimumnormen tegen grondslaguitholling en winstverschuiving (BEPS), en passen deze toe. De Partijen bevorderen goed bestuur in belastingzaken, versterken de internationale samenwerking op fiscaal gebied en faciliteren de inning van rechtmatige belastinginkomsten.

Artikel 252. Samenwerking op het gebied van statistiek
1.

De Partijen bevorderen de harmonisatie van statistische methoden en praktijken, met inbegrip van het verzamelen en verspreiden van statistieken door middel van een duurzaam, efficiënt en professioneel onafhankelijk nationaal statistisch systeem.

2.

De samenwerking op het gebied van statistiek is gericht op de uitwisseling van kennis, de bevordering van goede praktijken en de eerbiediging van de grondbeginselen van de officiële statistiek die zijn aangenomen bij Resolutie 68/261 van de Algemene Vergadering van de VN van 29 januari 2014 en, in voorkomend geval, de herziene Praktijkcode Europese statistieken die op 16 november 2017 door het Comité voor het Europees statistisch systeem is goedgekeurd, met inbegrip van de daaropvolgende wijzigingen.

3.

De Partijen wisselen beste praktijken uit op het gebied van opleiding en capaciteitsopbouw op alle gebieden van de statistiek.

Artikel 253. Algemene samenwerkingsdoelstellingen op energiegebied
1.

De Partijen werken samen op het gebied van energie met de doelstelling het gebruik van hernieuwbare energiebronnen, energie-efficiëntie en energiezekerheid te bevorderen.

2.

Deze samenwerking wordt gebaseerd op een breed partnerschap en wordt geleid door wederzijds belang, wederkerigheid, transparantie en voorspelbaarheid, in overeenstemming met de beginselen van de markteconomie en het te Lissabon of 17 december 1994 tot stand gekomen Energiehandvestverdrag.

3.

Deze samenwerking is ook gericht op het bevorderen van regionale samenwerking op energiegebied, met bijzondere aandacht voor de integratie van de Centraal-Aziatische landen onderling en in internationale markten en corridors.

Artikel 254. Samenwerking in de energiesector

De samenwerking in de energiesector heeft onder meer betrekking op de volgende gebieden:

  • a. het bevorderen van hernieuwbare energiebronnen, energie-efficiëntie en energiezekerheid, en met name de betrouwbaarheid, veiligheid en duurzaamheid van de energievoorziening, door het stimuleren van regionale samenwerking op energiegebied, met inbegrip van de totstandbrenging van regionale energiemarkten en het faciliteren van intra- en interregionale energiehandel en -uitwisseling;
  • b. het uitvoeren van energiestrategieën en energiebeleid, de bespreking van vooruitzichten en scenario’s, onder andere met betrekking tot de situatie op de wereldmarkt voor energieproducten, alsmede de verbetering van het statistische registratiesysteem in de energiesector;
  • c. het scheppen van een aantrekkelijk en stabiel investeringsklimaat en het aanmoedigen van wederzijdse investeringen op niet-discriminerende basis in de energiesector;
  • d. uitwisselingen met de Europese Investeringsbank, de Europese Bank voor Wederopbouw en Ontwikkeling en andere relevante internationale financiële instellingen en instrumenten op energiegebied;
  • e. wetenschappelijke en technische uitwisselingen voor de ontwikkeling van energietechnologieën, met bijzondere aandacht voor energie-efficiënte en milieuvriendelijke technologieën;
  • f. samenwerking in het kader van multilaterale energiefora, -initiatieven en -instanties;
  • g. de uitwisseling van kennis en ervaringen en overdracht van technologie op het gebied van innovatie, onder andere met betrekking tot management en energietechnologieën.
Artikel 255. Hernieuwbare energiebronnen

De samenwerking zal worden voortgezet, door onder meer:

  • a. hernieuwbare energiebronnen op economisch en ecologisch verantwoorde wijze te ontwikkelen, waaronder samenwerking inzake regelgeving, certificering en normalisatie en technologische ontwikkeling;
  • b. uitwisselingen en samenwerking op onderzoeksgebied tussen instellingen, laboratoria en entiteiten uit de particuliere sector van de Europese Unie en de Kirgizische Republiek te faciliteren, onder meer door middel van gezamenlijke programma’s, met het oog op de toepassing van beste praktijken voor het creëren van de energie van de toekomst en de groene economie;
  • c. het organiseren van gezamenlijke seminars, conferenties, opleidingsprogramma’s en regelmatige uitwisseling van informatie en open statistische data, alsmede van informatie over de ontwikkeling van hernieuwbare energiebronnen.
Artikel 256. Energie-efficiëntie en -besparing

De samenwerking ter bevordering van energie-efficiëntie en -besparing, onder andere in de steenkoolsector en met betrekking tot het affakkelen van gas (en het gebruik van geassocieerd gas), in gebouwen, apparatuur en vervoer, wordt onder andere nagestreefd door middel van:

  • a. uitwisseling van informatie over beleid, wet- en regelgeving en actieplannen inzake energie-efficiëntie;
  • b. het faciliteren van de uitwisseling van ervaringen en kennis op het gebied van energie-efficiëntie en energiebesparing;
  • c. het opzetten en uitvoeren van projecten, waaronder demonstratieprojecten, voor de introductie van innovatieve technologieën en oplossingen met betrekking tot energie-efficiëntie en energiebesparing;
  • d. opleidingsprogramma’s en -cursussen op het gebied van energiezuinigheid met het oog op de verwezenlijking van de doelstellingen van deze Overeenkomst.
Artikel 257. Algemene samenwerkingsdoelstellingen op vervoergebied

De Partijen werken samen op het gebied van vervoer met de volgende doelstellingen:

  • a. het bevorderen van complementariteit tussen hun vervoersectoren;
  • b. het verbeteren van de duurzame regionale en internationale connectiviteit van hun vervoernetwerken;
  • c. het bevorderen van efficiënt, veilig en betrouwbaar vervoer;
  • d. het ontwikkelen van duurzame vervoersystemen, met inbegrip van de sociale en milieuaspecten daarvan, met name met betrekking tot klimaatverandering.
Artikel 258. Samenwerking op het gebied van vervoer

De samenwerking op het gebied van vervoer heeft onder meer betrekking op:

  • a. de uitwisseling van de beste praktijken met betrekking tot vervoerbeleid;
  • b. de verbetering van het verkeer van personen en goederen, de toename van de doorstroming van het vervoer door het wegnemen van administratieve, technische en andere belemmeringen, en het nastreven van een nauwere marktintegratie;
  • c. de verbetering van de vervoerinfrastructuur en bevordering van interoperabiliteit langs vervoercorridors;
  • d. de uitwisseling van informatie, gezamenlijke activiteiten op regionaal en internationaal niveau en de uitvoering van toepasselijke internationale overeenkomsten en verdragen;
  • e. de verbetering van de veiligheid van het vervoer en de bescherming van het milieu;
  • f. de uitwisseling van ervaringen met groene technologieën voor vervoersystemen, met inbegrip van de introductie van milieuvriendelijk vervoer;
  • g. interactie op het gebied van het luchtvervoer.
Artikel 259. Algemene samenwerkingsdoelstellingen op milieugebied

De Partijen ontwikkelen en versterken hun samenwerking inzake milieuaangelegenheden en dragen zo bij tot duurzame ontwikkeling en goed bestuur op het gebied van milieubescherming en rampenrisicovermindering.

Artikel 260. Samenwerking op milieugebied
1.

De samenwerking op milieugebied moet gericht zijn op behoud, bescherming, verbetering en herstel van de kwaliteit van het milieu, bescherming van de menselijke gezondheid, duurzaam gebruik van natuurlijke hulpbronnen en bevordering van maatregelen op internationaal niveau voor het aanpakken van regionale of mondiale milieuproblemen, onder andere op het gebied van:

  • a. goed bestuur op milieugebied en horizontale kwesties, onder meer strategische planning, milieueffectbeoordeling en strategische effectbeoordeling, onderwijs en opleiding, systemen voor toezicht en milieu-informatie, inspectie en handhaving, milieu-aansprakelijkheid, bestrijding van milieumisdrijven, publieke toegang tot milieu-informatie, besluitvormingsprocedures en doeltreffende administratieve en gerechtelijke herzieningsprocedures;
  • b. luchtkwaliteit;
  • c. waterkwaliteit en waterbeheer, met inbegrip van verbetering van het systeem voor de monitoring van waterverontreiniging;
  • d. hulpbronnen- en afvalbeheer, met inbegrip van gevaarlijk afval;
  • e. hulpbronnenefficiëntie, groene en circulaire economie;
  • f. natuurbescherming, met inbegrip van bosbouw en behoud van biodiversiteit;
  • g. industriële verontreiniging en industriële risico’s;
  • h. beheer van chemicaliën;
  • i. rampenrisicovermindering.
2.

De samenwerking is ook gericht op de integratie van het milieu in ander sectoraal beleid dan het milieubeleid, teneinde bij te dragen aan de uitvoering van Agenda 2030.

Artikel 261. Integratie van milieu in andere sectoren

De Partijen wisselen ervaringen uit over de integratie van milieu in andere sectoren, door op de in dit hoofdstuk bedoelde gebieden goede praktijken uit te wisselen, kennis en bekwaamheden te bevorderen en de opleiding en bewustmaking op het gebied van milieu te verbeteren.

Artikel 262. Milieusamenwerking op regionaal en internationaal niveau

De Partijen wisselen informatie en deskundigheid uit en intensiveren de samenwerking op milieugebied op regionaal en internationaal niveau en bij de uitvoering van multilaterale milieuovereenkomsten die door de Partijen zijn geratificeerd.

Artikel 263. Algemene doelstellingen voor samenwerking op het gebied van klimaatverandering

De Partijen ontwikkelen en versterken hun samenwerking voor de bestrijding van en aanpassing aan de klimaatverandering. De Partijen werken samen en houden rekening met hun beider belang op basis van gelijkheid en wederzijds voordeel, alsook met hun onderlinge afhankelijkheid tussen bilaterale en multilaterale verbintenissen op dat gebied.

Artikel 264. Maatregelen op binnenlands, regionaal en internationaal niveau

Met de samenwerking worden maatregelen bevorderd op binnenlands, regionaal en internationaal niveau, onder meer inzake:

  • a. matiging van de klimaatverandering;
  • b. aanpassing aan de klimaatverandering;
  • c. markt- en niet-marktmechanismen voor de aanpak van de klimaatverandering;
  • d. de bevordering van nieuwe, innovatieve, veilige en duurzame koolstofarme en aanpassingstechnologieën;
  • e. de uitvoering van de Overeenkomst van Parijs inzake klimaatverandering, zodra deze door de Partijen is geratificeerd;
  • f. de geleidelijke opname van klimaataspecten in het algemene en sectorale beleid;
  • g. bewustmaking, onderwijs en opleiding.
Artikel 265. Samenwerking inzake klimaatverandering
1.

De Partijen zorgen voor onder meer het volgende:

  • a. de uitwisseling van informatie en deskundigheid;
  • b. de uitvoering van gezamenlijke onderzoeksactiviteiten en uitwisseling van informatie over schonere en milieuvriendelijkere technologieën;
  • c. de uitvoering van gezamenlijke activiteiten op regionaal en internationaal niveau, onder meer met betrekking tot multilaterale milieuovereenkomsten die door de Partijen zijn geratificeerd, zoals het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering van 9 mei 1992 te New York en de Overeenkomst van Parijs inzake klimaatverandering.
2.

De samenwerking op het gebied van klimaatverandering heeft onder meer betrekking op:

  • a. maatregelen ter vergroting van de capaciteit om doeltreffende klimaatactie te ondernemen;
  • b. de uitvoering van een klimaatstrategie en een actieplan voor de matiging van en de aanpassing aan de klimaatverandering op lange termijn, met inbegrip van de vermindering van de uitstoot van broeikasgassen;
  • c. de ontwikkeling van kwetsbaarheids- en aanpassingsevaluaties;
  • d. maatregelen ter bevordering van technologie-overdrachten;
  • e. maatregelen inzake de ozonlaag afbrekende stoffen en gefluoreerde broeikasgassen.
3.

De Partijen bevorderen de regionale samenwerking op het gebied van de klimaatverandering.

Artikel 266. Algemene doelstellingen voor samenwerking op het gebied van het industriebeleid en het ondernemingsbeleid

De Partijen streven ernaar hun samenwerking inzake het industrie- en ondernemingsbeleid te ontwikkelen en te versterken en verbeteren zo het ondernemingsklimaat voor alle marktdeelnemers, met bijzondere nadruk op kleine en middelgrote ondernemingen.

Artikel 267. Samenwerking op het gebied van het industrie- en ondernemingsbeleid

De samenwerking op het gebied van het industrie- en ondernemingsbeleid omvat onder meer:

  • a. de uitwisseling van informatie en beste praktijken ter ondersteuning van het ondernemerschaps- en ontwikkelingsbeleid voor kleine en middelgrote ondernemingen;
  • b. de uitwisseling van informatie en beste praktijken inzake productiviteit en efficiëntie van het hulpbronnengebruik, met inbegrip van vermindering van het energieverbruik en schonere productie;
  • c. de uitwisseling van informatie en beste praktijken om de rol van het bedrijfsleven en de industrie bij duurzame ontwikkeling en de eerbiediging van de rechten van de mens te versterken;
  • d. overheidssteun voor industriële sectoren, op basis van de WTO-vereisten en andere internationale regels die van toepassing zijn op de Partijen;
  • e. de aanmoediging van de ontwikkeling van een innovatiebeleid door middel van uitwisseling van informatie en beste praktijken over de commercialisering van de resultaten van onderzoek en ontwikkeling (waaronder instrumenten ter ondersteuning van startende technologiebedrijven), ontwikkeling van clusters en toegang tot financiering;
  • f. het stimuleren van bedrijfsinitiatieven en industriële samenwerking tussen ondernemingen uit de Europese Unie en de Kirgizische Republiek;
  • g. de bevordering van een bedrijfsvriendelijker klimaat, met het oog op een groter groeipotentieel, meer handel en meer investeringsmogelijkheden.
Artikel 268. Algemene samenwerkingsdoelstellingen op het gebied van vennootschapsrecht

De Partijen erkennen dat voor een goed functionerende markteconomie met een voorspelbaar en transparant ondernemingsklimaat doeltreffende voorschriften en werkwijzen op het gebied van vennootschapsrecht en corporate governance noodzakelijk zijn, alsook op het gebied van boekhouding en boekhoudkundige controle, en benadrukken het belang van convergentie van de regelgeving op dit gebied.

Artikel 269. Samenwerking op het gebied van vennootschapsrecht

De Partijen werken samen inzake het volgende:

  • a. de uitwisseling van beste praktijken die ervoor zorgen dat informatie over de organisatie en vertegenwoordiging van geregistreerde ondernemingen beschikbaar is en kan worden geraadpleegd op een transparante en makkelijk toegankelijke manier;
  • b. verdere ontwikkeling van het beleid voor corporate governance, in overeenstemming met de internationale normen, met name die van de OESO;
  • c. de verdere uitvoering en consistente toepassing van de internationale standaarden voor financiële verslaglegging die zijn ontwikkeld door de International Accounting Standards Board voor de geconsolideerde jaarrekening van beursgenoteerde ondernemingen;
  • d. onderlinge aanpassing van de boekhoudregels en de financiële verslaglegging, ook met betrekking tot kleine en middelgrote ondernemingen;
  • e. de uitwisseling van ervaringen en beste praktijken op het gebied van regulering van en toezicht op audit- en boekhoudactiviteiten;
  • f. de toepassing van internationale controlenormen en de gedragscode van de Internationale Federatie van Accountants; de samenwerking op dit gebied heeft tot doel het professionele niveau van auditors te verhogen door beroepsorganisaties, auditorganisaties en auditors de normen en gedragscodes te doen volgen.
Artikel 270. Algemene samenwerkingsdoelstellingen op het gebied van financiële diensten en markten
1.

De Partijen zijn het eens over het belang van doeltreffende wetgeving en werkwijzen en werken samen op het gebied van financiële diensten en markten, met het oog op:

  • a. verbetering van de regulering van financiële diensten en markten;
  • b. passende en doeltreffende bescherming van investeerders en consumenten van financiële diensten;
  • c. bevordering van de stabiliteit en de integriteit van de financiële markten;
  • d. bevordering van de samenwerking tussen de verschillende actoren van de financiële markten, waaronder regulerende en toezichthoudende instanties;
  • e. bevordering van onafhankelijk en doeltreffend toezicht.
2.

De Partijen streven ernaar de regelgeving af te stemmen op de erkende internationale normen voor gezonde financiële markten.

Artikel 271. Algemene samenwerkingsdoelstellingen op het gebied van de digitale economie en samenleving

De Partijen bevorderen de samenwerking op het gebied van de ontwikkeling van de digitale economie en samenleving, met inbegrip van de bijbehorende infrastructuur en governance ten behoeve van burgers en bedrijven door de brede beschikbaarheid van informatie- en communicatietechnologieën (hierna „ICT” genoemd) en door een betere kwaliteit van elektronische diensten tegen betaalbare prijzen, met name op het gebied van handel, gezondheid en onderwijs, alsmede overheid en bestuur in het algemeen. Met deze samenwerking wordt gestreefd naar de ontwikkeling van de concurrentie in en de openheid van de ICT-markten en naar meer investeringen in de sector.

Artikel 272. Samenwerking op het gebied van de digitale economie en samenleving

De samenwerking op het gebied van de digitale economie en samenleving heeft onder meer betrekking op:

  • a. de uitwisseling van informatie en beste praktijken over de uitvoering van nationale digitale strategieën, met inbegrip van initiatieven ter bevordering van breedbandtoegang, verbetering van de regels voor grensoverschrijdende gegevensoverdracht en netwerkbeveiliging en de ontwikkeling van openbare onlinediensten (e-overheid);
  • b. de uitwisseling van informatie, beste praktijken en ervaringen ter bevordering van de ontwikkeling van een omvattend regelgevingskader voor elektronische communicatie, met inbegrip van de rol van een nationale regulerende instantie, ter bevordering van een beter gebruik van spectrummiddelen en van de interoperabiliteit van de elektronische communicatie-infrastructuur in de Europese Unie en de Kirgizische Republiek.
Artikel 273. Samenwerking tussen regulerende instanties op het gebied van informatie- en communicatietechnologie

De Partijen bevorderen de samenwerking tussen regulerende instanties van de Europese Unie en het bevoegde overheidsorgaan van de Kirgizische Republiek op het gebied van informatie- en communicatietechnologie, met inbegrip van elektronische communicatie, voor zover van toepassing.

Artikel 274. Algemene samenwerkingsdoelstellingen op het gebied van toerisme

De Partijen werken samen op het gebied van toerisme, met het oog op de ontwikkeling van een concurrerende en duurzame toerisme-industrie als motor van economische groei, emancipatie, werkgelegenheid en uitwisselingen in de toeristische sector.

Artikel 275. Beginselen van samenwerking op het gebied van duurzaam toerisme

De samenwerking op het gebied van duurzaam toerisme is gebaseerd op de volgende beginselen:

  • a. respect voor de integriteit en de belangen van plaatselijke gemeenschappen, in het bijzonder in plattelandsgebieden;
  • b. het belang van het behoud van het cultureel, historisch en natuurlijk erfgoed; en
  • c. een positieve interactie tussen toerisme en milieubehoud.
Artikel 276. Samenwerking op het gebied van toerisme

De samenwerking op het gebied van toerisme heeft onder meer betrekking op:

  • a. de uitwisseling van informatie over statistieken op het gebied van toerisme, innovatieve technologieën, bedrijfspraktijken en nieuwe marktbehoeften;
  • b. de bevordering van modellen voor de ontwikkeling van duurzaam en verantwoord toerisme en de uitwisseling van beste praktijken, ervaringen en kennis;
  • c. de uitwisseling van informatie en beste praktijken op het gebied van opleiding en ontwikkeling van vaardigheden op het gebied van toerisme;
  • d. de aanmoediging van meer contacten tussen belanghebbenden van de overheid, de particuliere sector en de gemeenschappen uit de lidstaten van de Europese Unie en de Kirgizische Republiek.
Artikel 277. Algemene doelstellingen van de samenwerking op het gebied van landbouw en plattelandsontwikkeling

De samenwerking tussen de Partijen op het gebied van landbouw en plattelandsontwikkeling heeft onder meer betrekking op:

  • a. het vergroten van het wederzijds begrip van het beleid inzake landbouw en plattelandsontwikkeling;
  • b. de uitwisseling van beste praktijken ter versterking van de bestuurlijke capaciteit op centraal en lokaal niveau bij de planning, evaluatie en uitvoering van het beleid inzake landbouw- en plattelandsontwikkeling;
  • c. het bevorderen van de modernisering en de duurzame ontwikkeling van de landbouwproductie;
  • d. het delen van kennis en beste praktijken in verband met het beleid inzake plattelandsontwikkeling, ter bevordering van het sociale en economische welzijn van plattelandsbewoners;
  • e. het verbeteren van de concurrentiepositie van de landbouwsector, met inbegrip van de ontwikkeling van landbouwcoöperaties, en van de efficiëntie en transparantie van de markten;
  • f. de uitwisseling van ervaringen met de uitvoering van kwaliteitsbeleid, met inbegrip van geografische aanduidingen, en controlemechanismen, voedselveiligheid en de ontwikkeling van biologische landbouw;
  • g. het bevorderen van de verspreiding van kennis en het verlenen van voorlichtingsdiensten aan landbouwproducenten;
  • h. de uitwisseling van ervaring in verband met het beleid inzake duurzame ontwikkeling van de agro-industrie en de verwerking en distributie van landbouwproducten;
  • i. het bevorderen van de samenwerking bij projecten voor agro-industriële investeringen en innovaties, met name op het gebied van veeteelt en gewasontwikkeling.
Artikel 278. Samenwerking op het gebied van landbouw en plattelandsontwikkeling

De Partijen werken samen om de ontwikkeling van de landbouw en het platteland te bevorderen, met name door de uitwisseling van kennis en beste praktijken en de geleidelijke convergentie van beleid en wetgeving op de gebieden die voor de Partijen van belang zijn.

Artikel 279. Algemene samenwerkingsdoelstellingen op het gebied van mijnbouw en grondstoffen

De Partijen ontwikkelen en versterken hun samenwerking inzake de mijnbouw en de productie van grondstoffen om wederzijds begrip te bevorderen, het ondernemingsklimaat te verbeteren en informatie-uitwisseling en samenwerking inzake niet energie-gerelateerde kwesties te bevorderen, in het bijzonder wat betreft de winning van metaalertsen en industriële mineralen.

Artikel 280. Samenwerking op het gebied van mijnbouw en grondstoffen

De samenwerking op het gebied van mijnbouw en grondstoffen heeft onder meer betrekking op:

  • a. de uitwisseling van informatie over ontwikkelingen in de respectieve mijnbouw- en grondstoffensectoren van de Partijen;
  • b. de uitwisseling van informatie over kwesties in verband met grondstoffen met het oog op de bevordering van bilaterale uitwisselingen;
  • c. de uitwisseling van informatie en beste praktijken met betrekking tot de duurzame ontwikkeling van de mijnbouwsector, met inbegrip van de toepassing van schone technologieën in de mijnbouwprocessen;
  • d. de uitwisseling van informatie en beste praktijken in verband met gezondheid en veiligheid in de mijnbouw;
  • e. de uitwisseling van informatie en beste praktijken in verband met capaciteitsopbouw en opleiding in de mijnbouw;
  • f. de ontwikkeling van gezamenlijke wetenschappelijke en technologische initiatieven.
Artikel 281. Sectoren voor samenwerking op het gebied van onderzoek en innovatie en algemene doelstellingen

De Partijen bevorderen samenwerking:

  • a. op alle terreinen van wetenschappelijk onderzoek en technologische ontwikkeling op civiel gebied, op basis van wederzijds voordeel en met passende en doeltreffende bescherming van intellectuele-eigendomsrechten; en
  • b. voor het stimuleren van innovatie.
Artikel 282. Samenwerking op het gebied van onderzoek en innovatie

De samenwerking op het gebied van onderzoek en innovatie heeft onder meer betrekking op:

  • a. de beleidsdialoog en de uitwisseling van wetenschappelijke en technologische informatie;
  • b. de uitwisseling van informatie en beste praktijken met betrekking tot innovatie en de commercialisering van onderzoek en ontwikkeling, onder meer wat betreft instrumenten ter ondersteuning van startende technologiebedrijven, de ontwikkeling van clusters en toegang tot financiering;
  • c. het faciliteren van de toegang tot de respectieve onderzoeks- en innovatieprogramma’s van de Partijen;
  • d. het bevorderen van de onderzoekscapaciteit van onderzoeksinstellingen van de Kirgizische Republiek en het faciliteren van hun deelname aan het kaderprogramma voor onderzoek en innovatie van de Europese Unie en aan andere mogelijke initiatieven die door de Europese Unie worden gefinancierd;
  • e. het ontwikkelen en bevorderen van gezamenlijke projecten voor onderzoek en innovatie;
  • f. het bevorderen van de commercialisering van resultaten van gezamenlijke onderzoeks- en innovatieprojecten;
  • g. het faciliteren van de toegang van nieuwe technologie tot de thuismarkten van de Partijen;
  • h. de organisatie van opleidingsactiviteiten en mobiliteitsprogramma’s voor wetenschappers, onderzoekers en ander personeel dat betrokken is bij onderzoeks- en innovatieactiviteiten van de Partijen;
  • i. het faciliteren, in het kader van de geldende wetgeving, van het vrije verkeer van onderzoekspersoneel dat deelneemt aan door deze Overeenkomst bestreken activiteiten en het grensoverschrijdende verkeer van goederen die voor dergelijke activiteiten worden gebruikt;
  • j. andere vormen van samenwerking op het gebied van onderzoek en innovatie, onder meer via regionale benaderingen en initiatieven, op basis van wederzijdse overeenstemming.
Artikel 283. Synergieën met andere activiteiten

Bij de uitvoering van de in artikel 282 bedoelde samenwerkingsactiviteiten moet worden gestreefd naar synergie met activiteiten die worden gefinancierd door het Internationaal Centrum voor Wetenschap en Technologie en andere activiteiten die worden uitgevoerd in het kader van de financiële samenwerking tussen de Europese Unie en de Kirgizische Republiek als bedoeld in artikel 304.

TITEL VI. ANDERE SAMENWERKINGSGEBIEDEN

Artikel 284. Samenwerking op het gebied van consumentenbescherming

De Partijen erkennen het belang van het waarborgen van een hoog niveau van consumentenbescherming en streven daartoe naar samenwerking op het gebied van consumentenbeleid. De Partijen komen overeen dat dergelijke samenwerking op dit gebied, voor zover mogelijk, betrekking heeft op:

  • a. de uitwisseling van informatie over hun respectieve kaders voor consumentenbescherming, onder meer over consumentenwetgeving, veiligheid van consumentenproducten, verhaalmogelijkheden voor consumenten, de handhaving en uitvoering van consumentenwetgeving en consumentenbewustzijn;
  • b. het bevorderen van de oprichting van onafhankelijke consumentenorganisaties en contacten tussen vertegenwoordigers van consumenten.
Artikel 285. Algemene samenwerkingsdoelstellingen op het gebied van werkgelegenheid, sociaal beleid en gelijke kansen
1.

Rekening houdend met Agenda 2030 en de bijbehorende duurzameontwikkelingsdoel nr. 8, om voortdurende, inclusieve en duurzame economische groei, volledige en productieve werkgelegenheid en fatsoenlijk werk voor iedereen te bevorderen, erkennen de Partijen dat volledige en productieve werkgelegenheid en fatsoenlijk werk voor iedereen essentiële elementen van duurzame ontwikkeling zijn.

2.

De Partijen versterken hun dialoog en samenwerking ter bevordering van de IAO-agenda voor waardig werk, het werkgelegenheidsbeleid, levens- en arbeidsomstandigheden, gezondheid en veiligheid op het werk, de sociale dialoog, sociale bescherming, sociale inclusie, gendergelijkheid en discriminatiebestrijding, en dragen aldus bij aan de bevordering van meer en betere banen, armoedebestrijding, versterkte sociale samenhang, duurzame ontwikkeling en een betere levenskwaliteit.

3.

De Partijen hebben als doel meer samenwerking op het gebied van waardig werk, werkgelegenheid en sociaal beleid binnen alle relevante fora en organisaties.

Artikel 286. IAO-verdragen en betrokkenheid van belanghebbenden
1.

De Partijen bevestigen opnieuw hun verbintenis om de toepasselijke IAO-verdragen die zij hebben geratificeerd, ten uitvoer te leggen en verdere ratificatie te bevorderen.

2.

De Partijen moedigen, overeenkomstig de IAO-Verklaring inzake de fundamentele beginselen en rechten op het werk van 1998 en de IAO-Verklaring betreffende de sociale rechtvaardigheid voor een eerlijke mondialisering van 2008, de deelname aan van alle relevante belanghebbenden, met name de sociale partners, in de ontwikkeling van hun sociale beleid en in de samenwerking tussen de Europese Unie en de Kirgizische Republiek uit hoofde van deze Overeenkomst.

Artikel 287. Samenwerking op het gebied van werkgelegenheid, sociaal beleid en gelijke kansen

De samenwerking op het gebied van werkgelegenheid, sociaal beleid en gelijke kansen, gebaseerd op de uitwisseling van informatie en beste praktijken, heeft onder meer betrekking op:

  • a. armoedebestrijding en grotere sociale samenhang; inclusieve arbeidsmarkten en de integratie van kwetsbare personen;
  • b. het bevorderen van meer en betere banen met fatsoenlijke arbeidsomstandigheden, met name om de informele economie en informele werkgelegenheid terug te dringen en de levensomstandigheden te verbeteren;
  • c. het verbeteren van de arbeidsomstandigheden, met name de bescherming en handhaving van arbeidsrechten en het niveau van bescherming van de gezondheid en veiligheid op het werk;
  • d. het bevorderen van gendergelijkheid door de deelname van vrouwen aan het sociale en economische leven te stimuleren en ervoor te zorgen dat mannen en vrouwen gelijke kansen hebben op het gebied van werkgelegenheid, onderwijs, opleiding, economie, samenleving en besluitvorming;
  • e. het wegwerken van alle vormen van discriminatie op de arbeidsmarkt en op sociaal vlak, overeenkomstig de verplichtingen van de Partijen uit hoofde van internationale normen en verdragen;
  • f. het bevorderen van de mate van sociale bescherming voor iedereen en het moderniseren van de socialezekerheidsstelsels in termen van kwaliteit, toereikendheid, toegankelijkheid en betaalbaarheid;
  • g. het bevorderen van de deelname van de sociale partners en van de sociale dialoog, onder meer door de capaciteit van de sociale partners te versterken.
Artikel 288. Samenwerking op het gebied van verantwoord beheer van toeleveringsketens
1.

De Partijen erkennen het belang van een verantwoord beheer van de toeleveringsketens door middel van verantwoord ondernemerschap en praktijken op het gebied van maatschappelijk verantwoord ondernemen en door het scheppen van een gunstig klimaat. De Partijen ondersteunen de verspreiding en het gebruik van relevante internationale instrumenten, zoals de OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen die op 21 juni 1976 zijn aangenomen als onderdeel van de Verklaring inzake Internationale Investeringen en Multinationale Ondernemingen, de tripartiete beginselverklaring van de IAO betreffende multinationale ondernemingen en sociaal beleid, die op 16 november 1977 in Genève is aangenomen, het Global Compact van de VN dat op 26 juli 2000 in New York is gelanceerd, en de leidende beginselen inzake bedrijfsleven en mensenrechten die door de VN-Mensenrechtenraad zijn bekrachtigd bij Resolutie 17/4 van 16 juni 2011.

2.

De Partijen wisselen informatie en beste praktijken uit en werken in voorkomend geval onderling, regionaal en in internationale fora samen inzake door dit artikel bestreken kwesties.

Artikel 289. Algemene samenwerkingsdoelstellingen op het gebied van gezondheid

De Partijen ontwikkelen hun samenwerking op het gebied van volksgezondheid, om de bescherming van de menselijke gezondheid te verbeteren en de ongelijkheid op gezondheidsgebied te verminderen, overeenkomstig gemeenschappelijke waarden en beginselen inzake gezondheid, en als basisvoorwaarde voor duurzame ontwikkeling en economische groei.

Artikel 290. Samenwerking op het gebied van gezondheid

De samenwerking op het gebied van gezondheid heeft betrekking op de preventie en beheersing van overdraagbare en niet-overdraagbare ziekten, onder meer door de uitwisseling van gezondheidsinformatie, de bevordering van een beleid waarbij gezondheid in alle beleidsdomeinen wordt geïntegreerd, de samenwerking met internationale organisaties, met name de Wereldgezondheidsorganisatie (hierna „WHO” genoemd), en de bevordering van de uitvoering van internationale gezondheidsovereenkomsten, zoals het te Genève op 21 mei 2003 tot stand gekomen WHO-Kaderverdrag inzake tabaksontmoediging, en de Internationale Gezondheidsregeling die op 23 mei 2005 door de algemene vergadering van de Wereldgezondheidsorganisatie is aangenomen.

Artikel 291. Algemene samenwerkingsdoelstellingen op het gebied van onderwijs en opleiding

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)