Versterkte Partnerschaps- en Samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en de Kirgizische Republiek, anderzijds (met Bijlagen en Protocol)

Type Verdrag
Publication 2024-06-25
State In force
Source BWB
artikelen 344
Wijzigingsgeschiedenis JSON API
1.

De Partijen werken samen op het gebied van onderwijs en opleiding om de onderwijs- en opleidingsstelsels in de Kirgizische Republiek af te stemmen op die in de Europese Unie. De Partijen werken samen ter bevordering van een leven lang leren en moedigen samenwerking en transparantie aan op alle niveaus van onderwijs en opleiding.

2.

Het doel van de samenwerking tussen de Partijen op het gebied van onderwijs en opleiding is het ondersteunen van het onderwijsbeleid op basis van Agenda 2030 en duurzameontwikkelingsdoel nr. 4, gericht op het waarborgen van inclusief en hoogwaardig onderwijs voor iedereen en het bevorderen van een leven lang leren.

Artikel 292. Samenwerking op het gebied van onderwijs en opleiding

De samenwerking op het vlak van onderwijs en opleiding wordt onder meer op de volgende terreinen gericht:

  • a. de bevordering van een leven lang leren, dat essentieel is voor groei en werkgelegenheid en volledige deelname van de burger aan de maatschappij mogelijk maakt;
  • b. de modernisering van het onderwijs en de opleidingssystemen, met inbegrip van opleidingsstelsels voor ambtenaren en een verbetering van de kwaliteit, de relevantie en de toegang tijdens de hele opleidingsloopbaan, vanaf de vroegschoolse educatie en opvang tot het hoger onderwijs;
  • c. de bevordering van convergentie en gecoördineerde hervormingen in het hoger onderwijs;
  • d. de versterking van de internationale academische samenwerking, meer deelname aan de samenwerkingsprogramma’s van de Europese Unie en de verbetering van de mobiliteit van studenten, docenten en onderzoekers;
  • e. de verdere ontwikkeling van het nationale kwalificatiekader om de transparantie en erkenning van kwalificaties en competenties te verbeteren;
  • f. de verdere ontwikkeling van beroepsonderwijs en -opleiding, rekening houdend met de beste praktijken in de Europese Unie.
Artikel 293. Samenwerking op het gebied van jeugdbeleid

De samenwerking op het gebied van jeugdbeleid ondersteunt Agenda 2030 en de uitvoering van de bijbehorende duurzameontwikkelingsdoelen.

Artikel 294. Doelstellingen voor de samenwerking op het gebied van jeugdbeleid

De Partijen:

  • a. versterken de samenwerking en uitwisselingen op het gebied van jeugdbeleid en niet-formeel onderwijs voor jongeren en jeugdwerkers;
  • b. faciliteren de actieve deelname van alle jongeren aan het maatschappelijke leven;
  • c. ondersteunen de mobiliteit van jongeren en jeugdwerkers ter bevordering van de interculturele dialoog en de verwerving van kennis, vaardigheden en bevoegdheden buiten de formele onderwijssystemen, ook door middel van vrijwilligerswerk; en
  • d. bevorderen de samenwerking tussen jeugdorganisaties ter ondersteuning van het maatschappelijk middenveld.
Artikel 295. Samenwerking op het gebied van cultuur
1.

De Partijen bevorderen de culturele samenwerking overeenkomstig de beginselen die zijn vastgelegd in het Verdrag betreffende de bescherming en de bevordering van de diversiteit van cultuuruitingen, dat op 20 oktober 2005 door de Algemene Conferentie van de Organisatie van de Verenigde Naties voor Onderwijs, Wetenschap en Cultuur (hierna „Unesco” genoemd) is aangenomen, teneinde de interculturele dialoog te stimuleren en culturele diversiteit, wederzijds begrip en kennis van hun respectieve culturen te bevorderen.

2.

De Partijen nemen passende maatregelen om culturele uitwisselingen te bevorderen en gezamenlijke initiatieven op diverse culturele gebieden en de uitwisseling van beste praktijken op het gebied van opleiding en capaciteitsopbouw voor kunstenaars en professionals en organisaties uit de cultuursector aan te moedigen.

3.

De Partijen werken samen in het kader van multilaterale internationale verdragen en internationale organisaties, met inbegrip van Unesco, om de culturele diversiteit te ondersteunen en het culturele en historische erfgoed in stand te houden en te valoriseren.

Artikel 296. Samenwerking op het gebied van media en audiovisueel beleid
1.

De Partijen werken samen op het gebied van media en audiovisueel beleid, met name door de uitwisseling van informatie en beste praktijken met betrekking tot media en audiovisueel beleid en opleiding voor journalisten en andere professionals op het gebied van media en film en op audiovisueel gebied.

2.

De Partijen werken samen ter bevordering van de onafhankelijkheid en het professionalisme van de media, op basis van de normen in de toepasselijke internationale verdragen, waaronder de normen van de Unesco en de Raad van Europa, waar geschikt.

3.

De Partijen werken samen op het gebied van media en audiovisueel beleid in internationale fora, zoals Unesco en de WTO.

Artikel 297. Samenwerking op het gebied van sport en fysieke activiteiten

De Partijen werken samen op het gebied van sport en fysieke activiteiten om een gezonde levensstijl aan te moedigen, goed bestuur te bevorderen in het kader van zowel sociale als educatieve waarden, en bedreigingen voor sport zoals doping, wedstrijdvervalsing, racisme en geweld te bestrijden. De samenwerking op het gebied van sport en fysieke activiteiten omvat de uitwisseling van informatie en beste praktijken, specifieke kennis, en sportbeheer en -marketing.

Artikel 298. Samenwerking op het gebied van regionale ontwikkeling

De Partijen bevorderen wederzijds begrip en bilaterale samenwerking op het gebied van het regionaal ontwikkelingsbeleid, met inbegrip van methoden om regionaal beleid en bestuur en partnerschap op verschillende niveaus te formuleren en uit te voeren, met bijzondere aandacht voor de ontwikkeling van kansarme gebieden en territoriale samenwerking, teneinde de levensomstandigheden te verbeteren, de economische, sociale en territoriale samenhang te bevorderen, en de uitwisseling van informatie en ervaringen tussen nationale, regionale en lokale overheden, sociaal-economische actoren en het maatschappelijk middenveld te stimuleren.

Artikel 299. Regionaal beleid en grensoverschrijdende samenwerking

De Partijen ondersteunen en versterken de betrokkenheid van lokale en regionale overheden bij regionale beleidssamenwerking en grensoverschrijdende samenwerking, teneinde wederzijds begrip en informatie-uitwisseling te bevorderen, maatregelen voor capaciteitsopbouw te ontwikkelen, de oprichting van relevante structuren en het wetgevingskader te stimuleren en grensoverschrijdende economische en zakelijke netwerken te versterken.

Artikel 300. Grensoverschrijdende samenwerking op andere terreinen

De Partijen versterken en stimuleren de ontwikkeling van de grensoverschrijdende samenwerking op andere terreinen die onder deze Overeenkomst vallen, zoals handel, vervoer, energie, water, milieu, de klimaatverandering, communicatienetwerken, cultuur, onderwijs, onderzoek, toerisme en grensbeveiliging.

Artikel 301. Duurzame connectiviteit

De Partijen bevorderen duurzame connectiviteit in de regio Centraal-Azië en daarbuiten. Daartoe werken de Partijen samen op gebieden van gemeenschappelijk belang, teneinde connectiviteitsstrategieën en -initiatieven te bevorderen die economisch, budgettair, ecologisch en sociaal duurzaam zijn op de lange termijn en die overeenstemmen met internationaal overeengekomen regels en voorschriften.

Artikel 302. Samenwerking op het gebied van de aanpassing van de wetgeving
1.

De Partijen zijn van mening dat een belangrijk aspect van de versterking van de banden tussen de Kirgizische Republiek en de Europese Unie een geleidelijke convergentie van de bestaande en toekomstige wetgeving van de Kirgizische Republiek met die van de Europese Unie is. De Kirgizische Republiek streeft ernaar haar wetgeving op onder deze Overeenkomst vallende overeengekomen gebieden geleidelijk in overeenstemming te brengen met die van de Europese Unie.

2.

Deze samenwerking is onder meer gericht op de ontwikkeling van de bestuurlijke en institutionele capaciteit van de Kirgizische Republiek, voor zover dat nodig is voor de uitvoering van deze Overeenkomst en de noodzakelijke structurele hervormingen en aanpassing van de wetgeving, waar van toepassing.

Artikel 303. Technische bijstand

De Europese Unie streeft ernaar de Kirgizische Republiek technische bijstand te verlenen voor de uitvoering van de in artikel 302 bedoelde maatregelen, onder meer door middel van:

  • a. de uitwisseling van deskundigen;
  • b. de verstrekking van tijdige informatie, in het bijzonder over relevante wetgeving;
  • c. de organisatie van seminars;
  • d. opleidingsactiviteiten, waaronder online.
Artikel 304. Financiële steun en technische bijstand
1.

De Kirgizische Republiek kan voor de verwezenlijking van de doelstellingen van deze Overeenkomst financiële steun krijgen van de Europese Unie in de vorm van subsidies of leningen, in voorkomend geval in samenwerking met de Europese Investeringsbank en andere internationale financiële instellingen. De Kirgizische Republiek kan ook technische bijstand ontvangen.

2.

Financiële steun kan worden verleend overeenkomstig de relevante financieringsinstrumenten van de Europese Unie met betrekking tot het externe optreden. Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad32)Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juli 2018 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie, tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 1296/2013, (EU) nr. 1301/2013, (EU) nr. 1303/2013, (EU) nr. 1304/2013, (EU) nr. 1309/2013, (EU) nr. 1316/2013, (EU) nr. 223/2014, (EU) nr. 283/2014 en Besluit nr. 541/2014/EU en tot intrekking van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 (PB EU L 193 van 30.7.2018, blz. 1). is van toepassing op financiële bijstand van de Europese Unie.

3.

De financiële steun wordt gebaseerd op jaarlijkse actieprogramma’s die na overleg met de Kirgizische Republiek door de Europese Unie worden opgesteld.

4.

De Europese Unie en de Kirgizische Republiek kunnen programma’s en projecten medefinancieren. De Partijen coördineren programma’s en projecten inzake financiële en technische samenwerking en wisselen informatie uit over alle bronnen van steun.

5.

De verlening van financiële steun van de Europese Unie aan de Kirgizische Republiek berust op de beginselen van doeltreffendheid van de hulp, zoals vastgelegd in de verklaring van Parijs van de OESO van 2 maart 2005 over de doeltreffendheid van ontwikkelingshulp, de nieuwe Europese consensus inzake ontwikkeling die op 7 juni 2017 door de Europese Unie en haar lidstaten is ondertekend, de verslagen van de Europese Rekenkamer en de lessen die zijn getrokken uit de uitgevoerde en nog lopende samenwerkingsprogramma’s van de Europese Unie in de Kirgizische Republiek.

Artikel 305. Algemene beginselen
1.

De Partijen voeren de financiële steun uit volgens de beginselen van goed financieel beheer en werken samen om de financiële belangen van de Europese Unie en van de Kirgizische Republiek te beschermen. De Partijen nemen doeltreffende maatregelen ter voorkoming en bestrijding van fraude, corruptie en andere illegale activiteiten die de financiële belangen van de Europese Unie en de Kirgizische Republiek schaden.

2.

Onverminderd de rechtstreekse toepassing van artikel 308 wordt in verdere overeenkomsten of financieringsinstrumenten die tijdens de uitvoering van deze Overeenkomst tussen de Partijen worden gesloten, specifieke bepalingen inzake financiële samenwerking opgenomen die betrekking hebben op controles ter plaatse, inspecties, controles en fraudebestrijdingsmaatregelen, waaronder die welke worden uitgevoerd door de Europese Rekenkamer en het Europees Bureau voor fraudebestrijding (hierna „OLAF” genoemd).

Artikel 306. Donorcoördinatie

Om de beschikbare middelen efficiënt te benutten, verbinden de Partijen zich ertoe ervoor te zorgen dat de bijdragen van de Europese Unie nauw worden gecoördineerd met de bijdragen van andere bronnen, derde landen en internationale financiële instellingen. Daartoe wisselen de Partijen regelmatig informatie uit over alle bronnen van bijstand. De door de Europese Unie verleende bijstand kan door de Kirgizische Republiek worden medegefinancierd.

Artikel 307. Preventie en communicatie
1.

Wanneer de Kirgizische Republiek belast is met de uitvoering van de middelen van de Europese Unie (hierna „EU-middelen” genoemd) of begunstigde is van EU-middelen onder rechtstreeks beheer van de Europese Unie, nemen de autoriteiten van de Kirgizische Republiek alle passende maatregelen om onregelmatigheden, fraude, corruptie en andere illegale activiteiten ten nadele van de EU-middelen en, in voorkomend geval, de medefinanciering van de Kirgizische Republiek te voorkomen. Daartoe wisselen de Europese Commissie en de autoriteiten van de Kirgizische Republiek desgevraagd relevante informatie uit.

2.

De autoriteiten van de Kirgizische Republiek verstrekken de Europese Unie informatie waarvan zij kennis hebben gekregen over vermoedelijke of feitelijke gevallen van fraude, corruptie, belangenconflicten of andere onregelmatigheden in verband met EU-middelen. Evenzo verstrekt de Europese Unie aan de autoriteiten van de Kirgizische Republiek informatie die verband houdt met de medefinancieringsmiddelen van de Kirgizische Republiek.

Artikel 308. Samenwerking met OLAF
1.

In het kader van deze Overeenkomst is OLAF gemachtigd controles en inspecties ter plaatse uit te voeren om vast te stellen of er sprake is van fraude, corruptie of andere onwettige activiteiten waardoor de financiële belangen van de Europese Unie worden geschaad, overeenkomstig Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 van het Europees Parlement en de Raad33)Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 september 2013 betreffende onderzoeken door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1073/1999 van het Europees Parlement en de Raad en Verordening (Euratom) nr. 1074/1999 van de Raad (PB EU L 248 van 18.9.2013, blz. 1). en de Verordeningen (Euratom, EG) nr. 2185/9634)Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96 van de Raad van 11 november 1996 betreffende de controles en verificaties ter plaatse die door de Commissie worden uitgevoerd ter bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen tegen fraudes en andere onregelmatigheden (PB EG L 292 van 15.11.1996, blz. 2). en (EG, Euratom) nr. 2988/95 van de Raad35)Verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 van de Raad van 18 december 1995 betreffende de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen (PB EG L 312 van 23.12.1995, blz. 1)..

2.

Controles en inspecties ter plaatse worden voorbereid en uitgevoerd door OLAF in nauwe samenwerking met de bevoegde instanties van de Kirgizische Republiek. Functionarissen van de bevoegde autoriteiten van de Kirgizische Republiek kunnen aan de controles en inspecties ter plaatse deelnemen.

3.

Wanneer een marktdeelnemer zich verzet tegen een controle of inspectie ter plaatse, verlenen de autoriteiten van de Kirgizische Republiek OLAF de nodige bijstand om de aan OLAF opgedragen controles en inspecties ter plaatse tot een goed einde te kunnen brengen.

4.

De bevoegde instanties van de Kirgizische Republiek wisselen op verzoek met OLAF informatie uit die relevant kan zijn voor de bescherming van de financiële belangen van de Europese Unie.

5.

Voor de doorgifte en verwerking van persoonsgegevens gelden de gegevensbeschermingsregels van de overdragende partij.

6.

OLAF kan met de bevoegde instanties van de Kirgizische Republiek verdere samenwerking op het gebied van fraudebestrijding overeenkomen, met inbegrip van het treffen van administratieve regelingen.

Artikel 309. Onderzoek en vervolging

De bevoegde autoriteiten van de Kirgizische Republiek zorgen ervoor dat vermoede en feitelijke gevallen van fraude, corruptie en andere illegale activiteiten die schade berokkenen aan de financiën van de Unie, worden onderzocht en vervolgd. In voorkomend geval kan OLAF de bevoegde instanties van de Kirgizische Republiek bijstaan bij het vervullen van deze opdracht.

TITEL VII. INSTITUTIONELE, ALGEMENE EN SLOTBEPALINGEN

Artikel 310. Samenwerkingsraad
1.

Er wordt een Samenwerkingsraad ingesteld, die toezicht houdt op de verwezenlijking van de doelstellingen van deze Overeenkomst en de uitvoering daarvan. Hij behandelt alle belangrijke vraagstukken die zich in het kader van deze Overeenkomst voordoen, en alle andere, bilaterale of internationale vraagstukken van gemeenschappelijk belang.

2.

De Samenwerkingsraad komt op gezette tijden bijeen, normaliter eenmaal per jaar.

3.

De Samenwerkingsraad bestaat uit vertegenwoordigers van de Partijen op ministerieel niveau. De Samenwerkingsraad komt bijeen in de noodzakelijke samenstelling, die in onderling overleg wordt bepaald.

4.

De Samenwerkingsraad stelt zijn reglement van orde en het reglement van orde van het Samenwerkingscomité vast.

5.

De Samenwerkingsraad wordt beurtelings voorgezeten door een vertegenwoordiger van de Europese Unie en een vertegenwoordiger van de Kirgizische Republiek.

6.

De Samenwerkingsraad is bevoegd besluiten te nemen en passende aanbevelingen te doen zoals bepaald in deze Overeenkomst. Binnen het toepassingsgebied van de titels I, II, III, V, en VI heeft de Samenwerkingsraad tevens de bevoegdheid besluiten te nemen en aanbevelingen te doen in onderling overleg tussen de Partijen. Die besluiten zijn bindend voor de Partijen. De Samenwerkingsraad neemt besluiten en doet aanbevelingen na voltooiing van de respectieve interne procedures van de Partijen, zoals bepaald in hun wetgeving.

7.

De Samenwerkingsraad mag elk van zijn bevoegdheden aan het Samenwerkingscomité delegeren.

Artikel 311. Samenwerkingscomité
1.

Er wordt een Samenwerkingscomité ingesteld dat de Samenwerkingsraad bijstaat bij de uitvoering van zijn taken.

2.

Het Samenwerkingscomité wordt beurtelings voorgezeten door een vertegenwoordiger van de Europese Unie en een vertegenwoordiger van de Kirgizische Republiek.

3.

Het Samenwerkingscomité bestaat uit vertegenwoordigers van de Partijen op het niveau van hoge ambtenaren.

4.

Het Samenwerkingscomité komt eenmaal per jaar of in onderling overleg bijeen op een datum en met een agenda die vooraf door de Partijen zijn overeengekomen, afwisselend in Brussel en Bisjkek. Bij onderling akkoord kunnen er op verzoek van een van de Partijen speciale vergaderingen worden bijeengeroepen.

5.

Het Samenwerkingscomité kan in een specifieke samenstelling bijeenkomen om alle kwesties in verband met titel IV te bespreken. Wanneer het Samenwerkingscomité kwesties in verband met titel IV behandelt, bestaat het uit vertegenwoordigers van elk van de Partijen met verantwoordelijkheid op het gebied van handel.

6.

Het Samenwerkingscomité heeft de bevoegdheid besluiten te nemen in de gevallen waarin deze Overeenkomst voorziet, of in de gevallen waarin de Samenwerkingsraad die bevoegdheid aan het Samenwerkingscomité heeft gedelegeerd. Die besluiten zijn bindend voor de Partijen. Het Samenwerkingscomité neemt besluiten en doet aanbevelingen na voltooiing van de respectieve interne procedures van de Partijen, zoals bepaald in hun wetgeving. Bij de uitoefening van gedelegeerde bevoegdheden neemt het Samenwerkingscomité zijn besluiten overeenkomstig het reglement van orde van de Samenwerkingsraad.

Artikel 312. Subcomités en andere organen
1.

De Samenwerkingsraad kan subcomités of andere organen oprichten om bijstand te verlenen bij de uitvoering van zijn taken en om specifieke taken of onderwerpen te behandelen. Hij kan de aan een subcomité of ander orgaan toegewezen taken wijzigen of een subcomité of ander orgaan ontbinden.

2.

De Samenwerkingsraad stelt de taakomschrijving van de subcomités vast.

3.

Subcomités en andere organen brengen regelmatig of op verzoek verslag uit aan het Samenwerkingscomité over hun activiteiten.

4.

Subcomités of andere organen komen bijeen op verzoek van een van de Partijen of van het Samenwerkingscomité, tenzij de Partijen anders overeenkomen.

5.

De instelling of het bestaan van subcomités of andere organen belet niet dat een Partij een aangelegenheid rechtstreeks aan het Samenwerkingscomité voorlegt.

Artikel 313. Parlementair Samenwerkingscomité
1.

Er wordt een Parlementair Samenwerkingscomité opgericht. Het is een forum voor vergaderingen en gedachtewisselingen met het oog op de verdieping en versterking van de betrekkingen tussen de Partijen.

2.

Het Parlementair Samenwerkingscomité bestaat uit leden van het Europees Parlement en leden van het parlement (Jogorkoe Kenesj) van de Kirgizische Republiek.

3.

Het Parlementair Samenwerkingscomité komt met zelf te bepalen tussenpozen bijeen.

4.

Het Parlementair Samenwerkingscomité stelt zijn eigen reglement van orde vast.

5.

Het voorzitterschap van het Parlementair Samenwerkingscomité wordt bij toerbeurt bekleed door een vertegenwoordiger van het Europees Parlement en een vertegenwoordiger van het parlement (Jogorkoe Kenesj) van de Kirgizische Republiek, overeenkomstig de in het reglement van orde vast te stellen bepalingen.

6.

Het Parlementair Samenwerkingscomité wordt ingelicht over de besluiten en aanbevelingen van de Samenwerkingsraad.

7.

Het Parlementair Samenwerkingscomité mag aanbevelingen doen aan de Samenwerkingsraad.

Artikel 314. Participatie van het maatschappelijk middenveld

Om het maatschappelijk middenveld te informeren en te raadplegen over de uitvoering van deze Overeenkomst, zoals bepaald in artikel 6, kunnen de Partijen daartoe een specifieke instantie oprichten volgens de procedure van artikel 312.

Artikel 315. Territoriale toepasselijkheid
1.

Deze Overeenkomst is van toepassing:

  • a. op het grondgebied waarop het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie van toepassing zijn, onder de in die verdragen neergelegde voorwaarden; en
  • b. op het grondgebied van de Kirgizische Republiek. Verwijzingen naar „grondgebied” in deze Overeenkomst worden in deze zin begrepen, tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald.

Verwijzingen naar „grondgebied” in deze Overeenkomst omvatten tevens het luchtruim en de territoriale wateren zoals bepaald in het te Montego Bay op 10 december 1982 tot stand gekomen Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee.

2.

Wat de bepalingen van deze Overeenkomst inzake douanesamenwerking betreft, is deze Overeenkomst ten aanzien van de Europese Unie ook van toepassing op de gebieden van het douanegebied van de Unie als bedoeld in artikel 4 van Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en de Raad36)Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 9 oktober 2013 tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie (PB EU L 269 van 10.10.2013, blz. 1). die niet onder lid 1, eerste alinea, punt a), van dit artikel vallen.

Artikel 316. Nakoming aan verplichtingen
1.

De Partijen treffen alle algemene en bijzondere maatregelen die nodig zijn om hun verplichtingen uit hoofde van deze Overeenkomst na te komen.

2.

Indien een van de Partijen van oordeel is dat de andere Partij een van de verplichtingen uit hoofde van titel IV niet is nagekomen, zijn de specifieke mechanismen van die titel van toepassing.

3.

Indien een van de Partijen van oordeel is dat de andere Partij een van de verplichtingen die in de artikelen 2 en 11 als essentiële elementen van deze Overeenkomst zijn omschreven, niet is nagekomen, kan zij passende maatregelen treffen. Voor de toepassing van dit lid kunnen „passende maatregelen” de gehele of gedeeltelijke opschorting van deze Overeenkomst omvatten.

4.

Indien een van de Partijen van oordeel is dat de andere Partij een van de verplichtingen van deze Overeenkomst, met uitzondering van die welke onder de leden 2 en 3 van dit hoofdstuk vallen, niet is nagekomen, stelt zij de andere Partij daarvan in kennis. De Partijen plegen onder auspiciën van de Samenwerkingsraad overleg om tot een voor beide Partijen aanvaardbare oplossing te komen. Als de Samenwerkingsraad er niet in slaagt een wederzijds aanvaardbare oplossing te vinden, kan de kennisgevende Partij passende maatregelen treffen. Voor de toepassing van dit lid kunnen „passende maatregelen” uitsluitend de opschorting van de titel I, II, III, V of VI, of van deze titel omvatten.

5.

De in de leden 3 en 4 bedoelde passende maatregelen worden getroffen met volledige inachtneming van het internationaal recht en staan in verhouding tot de niet-nakoming van de verplichtingen uit hoofde van deze Overeenkomst. Prioriteit moet worden gegeven aan die maatregelen die de werking van deze Overeenkomst het minst verstoren.

Artikel 317. Uitzondering met betrekking tot de nationale veiligheid

Geen van de bepalingen van deze Overeenkomst kan zo worden uitgelegd dat:

  • a. een Partij verplicht wordt gegevens te verstrekken of toegang tot gegevens te bieden wanneer die Partij openbaarmaking van die gegevens in strijd acht met haar wezenlijke veiligheidsbelangen; of
  • b. een Partij belet wordt maatregelen te treffen die die Partij nodig acht ter bescherming van haar wezenlijke veiligheidsbelangen en die
  • i. verband houden met de productie van of de handel in wapens, munitie en oorlogstuig dan wel met dergelijke handel en transacties in andere goederen en materialen, diensten en technologie, en met economische activiteiten die direct of indirect de bevoorrading van een militaire inrichting ten doel hebben;
  • ii. betrekking hebben op splijt- of fusiestoffen of op stoffen waaruit deze kunnen worden vervaardigd; of
  • iii. worden getroffen ten tijde van oorlog of een andere noodsituatie in de internationale betrekkingen; of
  • c. een Partij belet wordt maatregelen te treffen tot uitvoering van haar internationale verplichtingen uit hoofde van het Handvest van de VN met het oog op de handhaving van de internationale vrede en veiligheid.
Artikel 318. Inwerkingtreding en voorlopige toepassing
1.

Deze Overeenkomst treedt in werking op de eerste dag van de tweede maand volgende op de datum waarop de Partijen elkaar in kennis hebben gesteld van de voltooiing van hun respectieve, daartoe vereiste interne procedures.

2.

Onverminderd lid 1 kunnen de Partijen deze Overeenkomst geheel of gedeeltelijk voorlopig toepassen overeenkomstig hun respectieve interne procedures. De voorlopige toepassing vangt aan op de eerste dag van de tweede maand volgende op de datum waarop de Europese Unie en de Kirgizische Republiek elkaar in kennis hebben gesteld van het volgende:

  • a. voor de Europese Unie: dat de voor de voorlopige toepassing vereiste interne procedures zijn voltooid, onder vermelding van de delen van de Overeenkomst die op voorlopige basis worden toegepast; en
  • b. voor de Kirgizische Republiek: dat de voor de voorlopige toepassing vereiste interne procedures zijn voltooid, onder bevestiging van de instemming met de delen van deze Overeenkomst die op voorlopige basis worden toegepast.
3.

Elk van de Partijen kan de andere Partij schriftelijk in kennis stellen van haar voornemen om de voorlopige toepassing van deze Overeenkomst te beëindigen. De beëindiging treedt in werking op de eerste dag van de tweede maand volgend op die kennisgeving.

4.

Voor de voorlopige toepassing van deze Overeenkomst, wordt onder „inwerkingtreding van deze Overeenkomst” verstaan: de datum van voorlopige toepassing. De Samenwerkingsraad en andere uit hoofde van deze Overeenkomst opgerichte organen kunnen hun taken uitoefenen tijdens de voorlopige toepassing van deze Overeenkomst, voor zover deze taken noodzakelijk zijn om de voorlopige toepassing van deze Overeenkomst te waarborgen. Alle in de uitoefening van deze taken genomen besluiten houden op gevolgen te hebben wanneer de voorlopige toepassing van deze Overeenkomst wordt beëindigd overeenkomstig lid 3.

5.

Indien een bepaling uit deze Overeenkomst in overeenstemming met lid 2 door de Partijen in afwachting van de inwerkingtreding van deze Overeenkomst wordt toegepast, wordt elke verwijzing in die bepaling naar de datum van inwerkingtreding van deze Overeenkomst beschouwd als verwijzing naar de datum met ingang waarvan de Partijen overeenkomen die bepaling overeenkomstig lid 2 op voorlopige basis toe te passen.

6.

Kennisgevingen overeenkomstig dit artikel worden, wat de Europese Unie en haar lidstaten betreft, gericht aan de secretaris-generaal van de Raad van de Europese Unie en, wat de Kirgizische Republiek betreft, aan het ministerie van Buitenlandse Zaken.

Artikel 319. Andere overeenkomsten
1.

De Partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst waarbij een partnerschap tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de Kirgizische Republiek, anderzijds, dat op 9 februari 1995 te Brussel is ondertekend en op 1 juli 1999 in werking is getreden, wordt hierbij ingetrokken en vervangen door de onderhavige Overeenkomst.

2.

Verwijzingen naar de in lid 1 bedoelde overeenkomst in alle andere overeenkomsten tussen de Partijen worden gelezen als verwijzingen naar deze Overeenkomst.

3.

De Partijen kunnen deze Overeenkomst aanvullen door sluiting van specifieke overeenkomsten op alle samenwerkingsgebieden die binnen het toepassingsgebied van deze Overeenkomst vallen. Dergelijke specifieke overeenkomsten vormen een integrerend onderdeel van de algemene bilaterale betrekkingen zoals die worden geregeld bij deze Overeenkomst en maken deel uit van een bij deze Overeenkomst vastgesteld gemeenschappelijk institutioneel kader.

Artikel 320. Bijlagen, protocollen en voetnoten

De bijlagen, protocollen en voetnoten bij deze Overeenkomst vormen daarvan een integrerend onderdeel.

Artikel 321. Toetreding van nieuwe lidstaten tot de Europese Unie
1.

De Europese Unie zal de Kirgizische Republiek in kennis stellen van elk verzoek om toetreding van een derde land tot de Europese Unie.

2.

De Europese Unie stelt de Kirgizische Republiek in kennis van de inwerkingtreding van elk Verdrag betreffende de toetreding van een derde land tot de Europese Unie (hierna „het toetredingsverdrag” genoemd).

3.

Een nieuwe lidstaat van de Europese Unie treedt toe tot deze Overeenkomst onder de door de Samenwerkingsraad vastgestelde voorwaarden. Tenzij in lid 4 anders is bepaald, wordt de toetreding van kracht op de datum van toetreding van de nieuwe lidstaat tot de Europese Unie en wordt deze Overeenkomst gewijzigd bij een besluit van de Samenwerkingsraad tot vaststelling van de toetredingsvoorwaarden.

4.

Titel IV is van toepassing tussen de nieuwe lidstaat van de Europese Unie en de Kirgizische Republiek vanaf de datum van toetreding van die nieuwe lidstaat tot de Europese Unie.

5.

Om de uitvoering van lid 4 van dit artikel te vergemakkelijken, onderzoekt het Samenwerkingscomité in zijn samenstelling voor handelsvraagstukken vanaf de datum van ondertekening van het toetredingsverdrag de gevolgen van de toetreding voor deze Overeenkomst. Het Samenwerkingscomité neemt een besluit over noodzakelijke technische wijzigingen van de bijlagen 8-A, 8-C en 9 bij deze Overeenkomst, en over andere noodzakelijke aanpassingen of overgangsmaatregelen. Elk besluit van het Samenwerkingscomité wordt van kracht op de datum van toetreding van de nieuwe lidstaat tot de Europese Unie.

Artikel 322. Particuliere rechten

Geen van de bepalingen van deze Overeenkomst kan zo worden uitgelegd dat daaraan rechten kunnen worden ontleend of dat zij verplichtingen bevat voor personen, anders dan die welke tussen de Partijen in het leven zijn geroepen uit hoofde van internationaal publiekrecht, noch op zo een manier dat op deze Overeenkomst een rechtstreeks beroep kan worden gedaan in de interne rechtsorde van de Partijen.

Artikel 323. Publieke toegang tot officiële documenten

Deze Overeenkomst laat de toepassing van de relevante wetgeving van de Partijen met betrekking tot de publieke toegang tot documenten onverlet.

Artikel 324. Duur

Deze Overeenkomst is voor onbepaalde tijd geldig.

Artikel 325. Definitie van de Partijen

Voor de toepassing van deze Overeenkomst, wordt onder „Partijen” verstaan: de Europese Unie, of haar lidstaten, of de Europese Unie en haar lidstaten, overeenkomstig hun respectieve bevoegdheden, enerzijds, en de Kirgizische Republiek, anderzijds,

Artikel 326. Beëindiging

Elke Partij kan de andere Partij door middel van een schriftelijke kennisgeving langs diplomatieke weg in kennis stellen van haar voornemen deze Overeenkomst te beëindigen. De beëindiging wordt zes maanden na de datum van de kennisgeving van kracht.

Artikel 327. Authentieke teksten

Deze Overeenkomst is opgesteld in twee exemplaren in de Bulgaarse, de Deense, de Duitse, de Engelse, de Estse, de Finse, de Franse, de Griekse, de Hongaarse, de Ierse, de Italiaanse, de Kroatische, de Letse, de Litouwse, de Maltese, de Nederlandse, de Poolse, de Portugese, de Roemeense, de Sloveense, de Slowaakse, de Spaanse, de Tsjechische, de Zweedse, de Kirgizische en de Russische taal, zijnde alle teksten gelijkelijk authentiek.

Artikel 1. Definities

Voor de toepassing van dit protocol betekent:

  • a. „verzoekende autoriteit”: een daartoe door een Partij aangewezen bevoegde overheidsinstantie die op basis van dit protocol een verzoek om bijstand indient;
  • b. „douanewetgeving”: de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen die op het grondgebied van een van de Partijen van toepassing zijn betreffende de invoer, de uitvoer en de doorvoer van goederen en de plaatsing van goederen onder een andere douaneregeling, met inbegrip van verboden, beperkingen en controlemaatregelen;
  • c. „informatie”: alle gegevens, documenten, afbeeldingen, verslagen, mededelingen of gewaarmerkte kopieën, in ongeacht welk formaat, elektronisch inbegrepen, al dan niet verwerkt of geanalyseerd;
  • d. „met de douanewetgeving strijdige handeling”: elke schending van de douanewetgeving of poging daartoe;
  • e. „persoon”: natuurlijke persoon of rechtspersoon;
  • f. „persoonsgegevens”: alle informatie over een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon;
  • g. „aangezochte autoriteit”: een daartoe door een Partij aangewezen bevoegde overheidsinstantie die op grond van dit protocol een verzoek om bijstand ontvangt.
Artikel 2. Toepassingsgebied
1.

De Partijen verlenen elkaar bijstand om op de onder hun bevoegdheid vallende gebieden en op de wijze en voorwaarden die bij dit protocol zijn vastgesteld, een correcte toepassing van de douanewetgeving te waarborgen, in het bijzonder door met die wetgeving strijdige handelingen te voorkomen, op te sporen, te onderzoeken en te bestrijden.

2.

De bijstand in douanezaken waarin dit protocol voorziet, geldt voor elke bestuurlijke instantie van een van de Partijen die bevoegd is voor de toepassing van dit protocol. Dergelijke bijstand laat de bepalingen inzake wederzijdse bijstand in strafzaken onverlet en geldt niet voor inlichtingen die zijn verkregen krachtens bevoegdheden die op verzoek van een rechterlijke instantie worden uitgeoefend, tenzij deze ermee instemt dat die inlichtingen worden verstrekt.

3.

Dit protocol heeft geen betrekking op bijstand bij de invordering van rechten, heffingen en boetes.

Artikel 3. Bijstand op verzoek
1.

Op aanvraag van de verzoekende autoriteit verstrekt de aangezochte autoriteit eerstgenoemde alle ter zake dienende informatie die deze nodig heeft om erop toe te zien dat de douanewetgeving correct wordt toegepast, met inbegrip van informatie betreffende voorgenomen of vastgestelde handelingen die met deze wetgeving in strijd zijn of kunnen zijn.

2.

Op aanvraag van de verzoekende autoriteit deelt de aangezochte autoriteit haar mede:

  • a. of goederen die uit het grondgebied van een der Partijen zijn uitgevoerd, op regelmatige wijze in het grondgebied van de andere Partij zijn ingevoerd, waar passend onder vermelding van de douaneregeling waaronder de goederen zijn geplaatst;
  • b. of goederen die op het grondgebied van een der Partijen zijn ingevoerd, op regelmatige wijze uit het grondgebied van de andere Partij zijn uitgevoerd, in voorkomend geval onder vermelding van de douaneregeling waaronder de goederen zijn geplaatst.
3.

Op aanvraag van de verzoekende autoriteit neemt de aangezochte autoriteit, overeenkomstig haar wet- en regelgeving, maatregelen om ervoor te zorgen dat toezicht wordt gehouden op:

  • a. personen van wie redelijkerwijze kan worden vermoed dat zij met de douanewetgeving strijdige handelingen verrichten of hebben verricht;
  • b. goederen die op zodanige wijze worden of kunnen worden vervoerd dat redelijkerwijs kan worden vermoed dat zij bedoeld zijn om te worden gebruikt bij met de douanewetgeving strijdige handelingen;
  • c. plaatsen waar op zodanige wijze voorraden goederen zijn of kunnen worden aangelegd dat redelijkerwijs kan worden vermoed dat die goederen bedoeld zijn om te worden gebruikt bij met de douanewetgeving strijdige handelingen; en
  • d. vervoermiddelen die op zodanige wijze worden of kunnen worden gebruikt dat redelijkerwijze kan worden vermoed dat zij bedoeld zijn om te worden gebruikt bij handelingen die in strijd zijn met de douanewetgeving.
Artikel 4. Ongevraagde bijstand

De Partijen verlenen elkaar, overeenkomstig hun wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen, op eigen initiatief bijstand indien zij dit noodzakelijk achten voor de correcte toepassing van de douanewetgeving, door het verstrekken van informatie die zij hebben verkregen over voltooide, geplande of lopende activiteiten die met de douanewetgeving strijdige handelingen vormen of lijken te vormen en die voor de andere Partij van belang kunnen zijn. Die inlichtingen betreffen met name het volgende:

  • a. personen, goederen en vervoermiddelen; en
  • b. nieuwe middelen of methoden die bij met de douanewetgeving strijdige handelingen worden gebruikt.
Artikel 5. Vorm en inhoud van verzoeken om bijstand
1.

Verzoeken op grond van dit protocol worden schriftelijk, in gedrukte of elektronische vorm, gedaan. Zij gaan vergezeld van de bescheiden die voor de behandeling ervan noodzakelijk zijn. In spoedeisende gevallen kan de aangezochte autoriteit ook mondelinge verzoeken aanvaarden, mits zij door de verzoekende autoriteit onmiddellijk schriftelijk worden bevestigd.

2.

De in lid 1 bedoelde verzoeken bevatten de volgende gegevens:

  • a. de naam van de verzoekende autoriteit en van de verzoekende ambtenaar;
  • b. de gevraagde inlichtingen en/of het soort bijstand;
  • c. het doel en de reden van het verzoek;
  • d. de toepasselijke wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen en andere voorschriften;
  • e. zo nauwkeurig en volledig mogelijke informatie over de personen op wie het onderzoek betrekking heeft;
  • f. een overzicht van de relevante feiten en het reeds verrichte onderzoek; en
  • g. aanvullende beschikbare gegevens op basis waarvan de aangezochte autoriteit gevolg kan geven aan het verzoek.
3.

Verzoeken worden ingediend in een officiële taal van de aangezochte autoriteit of in een voor die autoriteit aanvaardbare taal, waarbij het Engels altijd een aanvaardbare taal is. Deze eis geldt niet voor de in lid 1 bedoelde documenten bij het verzoek.

4.

Indien een verzoek niet aan de in de leden 1 tot en met 3 vermelde vormvereisten voldoet, kan de aangezochte autoriteit om correctie of aanvulling verzoeken; in de tussentijd kan opdracht worden gegeven tot conservatoire maatregelen.

Artikel 6. Uitvoering van verzoeken
1.

Binnen de grenzen van haar bevoegdheden en de haar beschikbare middelen behandelt de aangezochte autoriteit een verzoek om bijstand alsof zij voor eigen rekening of in opdracht van een andere autoriteit van dezelfde Partij handelt, en verstrekt zij de al beschikbare informatie en verricht zij het nodige onderzoek of laat zij dit verrichten.

2.

Lid 1 is eveneens van toepassing op autoriteiten waaraan de aangezochte autoriteit het verzoek doorstuurt, indien zij dit niet zelf kan afhandelen.

3.

Verzoeken om bijstand worden behandeld overeenkomstig de wet- en regelgeving van de aangezochte Partij.

Artikel 7. Vorm waarin de inlichtingen worden verstrekt
1.

De aangezochte autoriteit deelt de uitslag van het ingestelde onderzoek aan de verzoekende autoriteit schriftelijk mede en voegt daarbij de relevante documenten, gewaarmerkte kopieën of andere stukken. Deze inlichtingen mogen in de vorm van elektronische bestanden worden verstrekt.

2.

Originele documenten worden uitsluitend op verzoek van de verzoekende autoriteit overeenkomstig de wettelijke voorschriften van elke Partij toegezonden indien gewaarmerkte afschriften ontoereikend zijn. De verzoekende autoriteit stuurt die originelen zo spoedig mogelijk terug.

3.

De aangezochte autoriteit verstrekt de verzoekende autoriteit, uit hoofde van lid 2, de gegevens betreffende de echtheid van de documenten die door op haar grondgebied gevestigde officiële instanties ter staving van een goederenaangifte zijn afgegeven of gecertificeerd.

Artikel 8. Aanwezigheid van ambtenaren van een Partij op het grondgebied van de andere Partij
1.

Daartoe gemachtigde ambtenaren van een Partij kunnen, met instemming van de andere Partij en op de door deze gestelde voorwaarden, aanwezig zijn in de kantoren van de aangezochte autoriteit of van een andere betrokken instantie als bedoeld in artikel 6, lid 1, van dit protocol om informatie te verzamelen over handelingen die met de douanewetgeving in strijd zijn of kunnen zijn, en die de verzoekende autoriteit voor de toepassing van dit protocol nodig heeft.

2.

Daartoe gemachtigde ambtenaren van een Partij kunnen, met instemming van de andere Partij en op de door deze gestelde voorwaarden, aanwezig zijn bij onderzoek dat op het grondgebied van laatstgenoemde wordt verricht.

3.

Ambtenaren van een Partij zijn in een louter raadgevende hoedanigheid aanwezig op het grondgebied van de andere Partij. Wanneer die ambtenaren op het grondgebied van de andere Partij aanwezig zijn, moeten zij:

  • a. te allen tijde hun officiële hoedanigheid kunnen aantonen;
  • b. geen uniform en geen wapens dragen; en
  • c. dezelfde bescherming genieten als ambtenaren van de andere Partij, overeenkomstig de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen die op het grondgebied van de andere Partij van toepassing zijn.
Artikel 9. Verstrekking van documenten en kennisgeving van besluiten
1.

Op aanvraag van de verzoekende autoriteit neemt de aangezochte autoriteit, in overeenstemming met haar wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen, alle maatregelen die nodig zijn voor de verstrekking van documenten of de kennisgeving van besluiten van de verzoekende autoriteit in verband met de toepassing van dit protocol aan geadresseerden die op het grondgebied van de aangezochte autoriteit verblijven of gevestigd zijn.

2.

De in lid 1 bedoelde verzoeken om verstrekking van documenten of kennisgeving van besluiten worden schriftelijk aan de aangezochte autoriteit gericht in een officiële taal van die autoriteit of in een voor die autoriteit aanvaardbare taal.

Artikel 10. Automatische uitwisseling van inlichtingen
1.

De Partijen kunnen in onderlinge overeenstemming, overeenkomstig artikel 15 van dit protocol:

  • a. onder dit protocol vallende inlichtingen automatisch uitwisselen;
  • b. specifieke inlichtingen uitwisselen, voordat zendingen op het grondgebied van de andere Partij aankomen.
2.

Met het oog op de uitvoering van de in lid 1 bedoelde uitwisselingen stellen de Partijen regelingen vast over het soort informatie dat zij wensen uit te wisselen en over de vorm en de frequentie van de toezending.

Artikel 11. Uitzonderingen op de verplichting tot het verlenen van bijstand
1.

Bijstand kan worden geweigerd of van bepaalde voorwaarden of eisen afhankelijk worden gesteld wanneer een partij van oordeel is dat bijstand op grond van deze overeenkomst:

  • a. de soevereiniteit van de Kirgizische Republiek of van een lidstaat van de Europese Unie waaraan op grond van dit protocol om bijstand is gevraagd, zou kunnen aantasten;
  • b. de openbare orde, de veiligheid of andere wezenlijke belangen in gevaar zou kunnen brengen, in het bijzonder in de in artikel 12, lid 5, van dit protocol bedoelde gevallen; of
  • c. tot schending van een industrieel geheim, een handelsgeheim of een beroepsgeheim leidt.
2.

De aangezochte autoriteit kan de bijstand uitstellen indien die bijstand lopende onderzoeken, vervolgingen of procedures zou verstoren. In dat geval pleegt de aangezochte autoriteit overleg met de verzoekende autoriteit om na te gaan of bijstand kan worden verleend op door de aangezochte autoriteit te stellen voorwaarden.

3.

Wanneer de verzoekende autoriteit om een vorm van bijstand verzoekt die zij desgevraagd zelf niet zou kunnen verlenen, vermeldt zij dit in haar verzoek. De aangezochte autoriteit is vrij te bepalen hoe zij op een dergelijk verzoek reageert.

4.

Indien de in de leden 1 en 2 bedoelde bijstand wordt geweigerd, dienen dit besluit en de redenen ervan terstond aan de verzoekende autoriteit te worden medegedeeld.

Artikel 12. Uitwisseling van inlichtingen en vertrouwelijkheid
1.

De uit hoofde van dit protocol ontvangen inlichtingen worden uitsluitend overeenkomstig de in dit protocol vastgelegde doelen gebruikt.

2.

Het gebruik van uit hoofde van dit protocol verkregen inlichtingen in gerechtelijke of administratieve procedures betreffende met de douanewetgeving strijdige handelingen wordt beschouwd als gebruik overeenkomstig de doelen van dit protocol. De Partijen kunnen derhalve in hun bewijsvoeringen, verslagen en getuigenissen en bij procedures die bij rechtbanken aanhangig worden gemaakt, gebruik maken van krachtens dit protocol verkregen inlichtingen en geraadpleegde documenten. De aangezochte autoriteit die de inlichtingen heeft verstrekt of die inzage heeft gegeven in de documenten, kan als voorwaarde stellen om van dergelijk gebruik in kennis te worden gesteld.

3.

Indien een van de Partijen de in het kader van dit protocol verkregen inlichtingen voor andere doeleinden wenst te gebruiken, vraagt zij de autoriteit die de inlichtingen heeft verstrekt, vooraf om schriftelijke toestemming. Voor dit gebruik gelden dan de door deze autoriteit vastgestelde voorwaarden.

4.

Alle informatie, ongeacht de vorm ervan, die op grond van dit protocol wordt verstrekt, is vertrouwelijk of is alleen bestemd voor beperkte verspreiding, overeenkomstig de wet- en regelgeving die op het grondgebied van elk van de Partijen van toepassing is. Deze informatie valt onder de geheimhoudingsplicht en wordt beschermd uit hoofde van de wet- en regelgeving voor dergelijke informatie op het grondgebied van de ontvangende Partij. De Partijen informeren elkaar over hun toepasselijke wet- en regelgeving.

5.

Persoonsgegevens mogen alleen worden doorgegeven overeenkomstig de regels voor gegevensbescherming van de Partij die de gegevens verstrekt. Elke Partij stelt de andere Partij in kennis van de toepasselijke regels voor gegevensbescherming en stelt, indien nodig, alles in het werk om overeenstemming te bereiken over aanvullende bescherming.

Artikel 13. Deskundigen en getuigen

De aangezochte autoriteit kan een ambtenaar machtigen om, binnen de grenzen van de hem verleende machtiging, als deskundige of getuige te verschijnen in gerechtelijke of administratieve procedures betreffende onder dit protocol vallende aangelegenheden en daarbij de voor de procedure noodzakelijke voorwerpen, documenten of vertrouwelijke of gewaarmerkte afschriften over te leggen. In de oproeping dient uitdrukkelijk te worden vermeld voor welke rechterlijke of bestuurlijke instantie de ambtenaar moet verschijnen en over welke aangelegenheid en in welke functie of hoedanigheid hij zal worden ondervraagd.

Artikel 14. Kosten van de bijstand
1.

Met inachtneming van de leden 2 en 3, zien de Partijen af van wederzijdse vorderingen voor de vergoeding van kosten voor de uitvoering van dit protocol.

2.

De kosten en de vergoedingen die worden betaald aan deskundigen, getuigen, tolken en vertalers, met uitzondering van ambtenaren, worden in voorkomend geval gedragen door de verzoekende Partij.

3.

Indien de uitvoering van het verzoek buitengewone uitgaven met zich meebrengt, stellen de Partijen de voorwaarden vast waaronder het verzoek moet worden uitgevoerd, alsmede de wijze waarop deze kosten moeten worden gedragen.

Artikel 15. Uitvoering
1.

Met de uitvoering van dit protocol zijn enerzijds de douaneautoriteiten van de Kirgizische Republiek en anderzijds de bevoegde diensten van de Europese Commissie en de douaneautoriteiten van de lidstaten van de Europese Unie belast. Zij stellen alle voor de toepassing van dit protocol noodzakelijke praktische maatregelen en regelingen vast, rekening houdend met de wederzijdse toepasselijke wet- en regelgeving, met name op het gebied van de gegevensbescherming.

2.

De Partijen stellen elkaar zo nodig in kennis van en plegen overleg over de gedetailleerde uitvoeringsmaatregelen die elke Partij overeenkomstig dit protocol vaststelt, met name met betrekking tot de als bevoegd voor het verzenden en ontvangen van de in dit protocol bedoelde mededelingen aangewezen diensten en ambtenaren.

3.

In de Europese Unie doet dit protocol geen afbreuk aan de doorgifte, tussen de bevoegde diensten van de Europese Commissie en de douaneautoriteiten van de lidstaten van de Europese Unie, van gegevens die uit hoofde van dit protocol zijn verkregen.

Artikel 16. Andere overeenkomsten

Dit protocol heeft voorrang op bilaterale overeenkomsten betreffende wederzijdse administratieve bijstand in douanezaken tussen afzonderlijke lidstaten van de Europese Unie en de Kirgizische Republiek, voor zover die overeenkomsten onverenigbaar zijn met dit protocol.

Artikel 17. Overleg

Ten aanzien van vraagstukken in verband met de uitlegging en de toepassing van dit protocol plegen de Partijen waar nodig onderling overleg in het kader van het bij artikel 311 van deze Overeenkomst ingestelde Samenwerkingscomité.

TEN BLIJKE WAARVAN de ondergetekende gevolmachtigden, daartoe naar behoren gemachtigd, deze overeenkomst hebben ondertekend.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)